—— ee ree A ee
Veenstade ies
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
dere
NG
—
— · ·
5
— —— —
AE
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
NN. — — — — — — —— — — — — — EEE IE EN PETN — * 3 —
J 7 sene
et
8
le)
T
—
®
a
—
®
®
£
jo
—
an
®
En
X
ES
c
5
en
5
Dn
ed
®
5
>
fe)
Vv
2
0
J
®
Vv
>)
2
8
2
el
®
2
9
8
D
8
E
oo
CN
[aa]
IN
Oo
en
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Cc SIPS )
OPERA OMNIA THEOLOGICA,
OF ALLE DE
GODTGELEERDE
ERCKE
N. AN
MENNO SYMONS,
£Samen by een vervat, en nu op nieuws door eenige Beminnaers der Waerheyde, ter
eeren Godts en hares Naeften welvaert in Druk uytgegeven:
Verrijckt met vier Regiffers ‚ en eenige andere Schriften van den Autheur ;
voor defen nooyt in Druck geweeft;
ALS MEDE —
Voor yder Tractaet fijn eygen Tytel en Voorreden geftelt, en getrouwelijk in onfe
Nederduytfche Spraecke overgefet.
P s ALM 37 30
De mondt der Gereshtigen fpreeckt van wijsheydt , ende fijn lippen van oordeelen; de Wet fins Godts
| is in fijn herte „ fijn treden en flibberen niet.
HeEBR 13 7
Gedenckt uwe Voorgangeren die u dat Woordt Godts geſeyt hebben, welcker eynde fiet aen; en volght haer geloove nats
xy C
—
ek:
*
—*
—*
ROEM
—VV
Men vint ſe te koop
AMSTE RD AM.
By JOANNES van VEEN, Boeck- en Pargament- Verkooper; in de Oude
| Hoogftraet , tegen over ’t Ooft-Indifch Huys.
MDCLXXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
WAE KDE L KESTER
Ygeven U L. hier wederom de Wercken van Mezzo Symons uyt; foodanigh als die voor defen door eenige
Lief hebbers vergadert en t’{famen gevoegt zijn ; doch hebben door groote naerftigheydt en moeyte de naervol-
gende Deeltjes daer noch by gevoeght, te weten : fijn uytgangh uyt het Pausdom , foo als het door hem felfs uytge-
geven is in ’t jaer 1554. om ich van die lafter te {uy veren dat hy met de Muntteríche Dwaelgeeften en Oproermakers
foude gemeenfchap gehadt hebben ; gelijck U L. in de Voorreden van dit voorfz Tractactje kuntfien: Welck oog-
wit van ont{chuldigingh hy doorgaens in defe fijne Wercken al heeft voorgehadt , gelijck U L. mede op fol. 54, 148,
2583275 3335 4485497» 502 en in ’t geheele T'ractaetje , * welck hy tegens de groote God&slafteraer Jan van Leyden
gefchreven heeft , bemercken kunt: Tentweeden , noch 6 ftichtelijcke Brieven , waer van drie nooyt voor defen
meer in Druck zijn geweeft: Ten derden, noch een Vermaeninge hoe een Chriften fich heeft te dragen omtrent fijn
Broeders die met een vleefchelijck Leven of valfche Leere befmet zijn , en hebben hier mede in gebraght een Ver-
hael van Godts wonderlijcke befcherminge omtrent Menno ‚ en fijn heylige vrymoedigheydt in ’ beftraffen en tegen
gaen van de Paepfchebygeloovigheydt ; als-oock een naeukeurige befchryvinge van fijn vervolginge, en de plaets
daer hy laetft gepredickt hebbende, geftorven en begraven is: Welck U L. alles nader {ult kunnen vinden in het
Regifter der Byvoeghfelen , hier achter aen gehecht: Hebben oock de twee voorgaende Regifters vermeerdert en
verbetert , en daer-en-boven met twee nieuwe Regifters, de eene van Schriftuur-plaetfen , de andere van Autheuren
verrijckts Hebben U L. oockop nieuw wederom vooroogen geftelt fijn Af beeltſel, foo als het door overleve=
ringh van voorgaende Af beeltfels naeft hebben kunnen laten uytvinden. Vorders hebben wy, goedtwillige Lefer ,
niet tefeggen , als dat wy de fchaersheydt van Afdruckfels van de voorgaerde Druck door defen hebben willen ver-
vullen , en door de netheydt van Letter-fpellingh, alsanders, foo veel in ons was, getracht hebben te verbeteren.
Vaert wel, en oordeelt fonder eenfijdigheydt,
UE.D. Vriendt
HENDRICK JANsZ HERRISON,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
TOT DEN
CHRISTELYKEN LEESER.
5 Fry Eminde Lefer, alfo defe naervolgende Boe-
ENE ken, door den Godtvruchtigen MENNO
1) PS YMONs gemackt, en voor defen in veel
"75 verfcheyden Boeken uytgegaen waren :foo
hebben fommige Liet hebbers over ontrent vyfeen-
veertig Jaren herwaerts,haren arbeyt daer toe aenge-
went, en hebben fommige van de felve Boecken of
Schriften in een Sommarie by een vergadert,en ineen
Boek door den Druk laten uytgaen, genaemt het Groot
Somsnarie-Boeck, maer alfoo de felve Boeken redelik wel
begeert waren, {oo zijnfy heel fchaers geworden: ja
bykans niette bekomen, en daerom foo heeft het ons
goet gedacht om die felve Boecken , en voort alle fijn
andere Boecken en Schriften die wy hebben konnen
vinden of bekomen by een te vergaderen: maer de
felve Druk in Quarto van ’t Jaer 1646, wederom als
uyt verkoft zijnde, hebben wy gerefolveert het felve
Werck wederom in Folio te herdrucken: doch uyt-
gefondert eenigh en weynigh fchrijven, dat hy na fijn
eygen verklaringe in het begin fijns ampts heeft laten
uytgaen, daer indat hy doortekleyneervarentheyt,
of noch in dit {tuk niet genoeg onderwefen zijnde,al-
lefonden onder drie vermaningen ftelt, naden regel
van Matth. 18. Welk fchrijven wy voorby gaen, en by
fijn Boeckenof Schriften niet enftellen, wy verftaen
ook als dat het felve daer niet by enbehoort, aenge-
fien dat hy dit ſelve in ſijn leven, tentijde fijnesampts
gantích wegh genomen, weder-roepen en tegen ge-
zt {chre-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
d y courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Tor- Den Letse. |
fchreven heeft, en heeft klaer en bondigh met Godts
Woordt aengewefen, hoe dat men tuffchen fonden
en fonden onderfcheydt moet maken, en dat mende
vleefchelijcke fondaren daer den Apoftel van feyd,
dat die genedie fulcks doen Godts Rijck niet en ful-
len befitten, 1 Cor.6. Gal. 5. niet met drie vermanin-
genen moet onderwijfen binnen de Gemeynte, maer
dat mendefelve na het exempel van den Corinthiffen
Hoereerder fonder eenige der telviger vermaninge.
vande Gemeynten moet wegh doen, op dat fooda-
nigen vleefchelijcken fondaer in den name ons Hee-
ren Jefu Chrifti, buyten fijne Gemeynte geftraft, tot
beteringeen in fijn vleefch gekaftijt mag worden, op
dat fijnen geeft door waerachtigh berouw en leetwe-
fenfijnderfonden, maghfaligh worden in den dagh
ons Heeren Jefù, 1 Corinth. 5. 4. *
Gelijck den goedtwilligen Onderſoecker klaerlijk
in fijn Fondament-Boeck des Chriſtelijcken Bans ot
ftraffe aengewefen, fien en lefen mag, fol. 198. tot fol.
199, 200. noch in de Verantwoordinge tegen Syles
en Lemmeken, fol.481.en 482. Voort alle fijn ande-
te Schriften oft Boecken, de Godfalige leeringe aen-
gaende, die wy hebben konnen vinden of bekomen,
die hebben wy indefen Boeck by een geftelt, om {oo
een volkotnen Sommarigm van hem by een te hebben,
ende wy hebben de Boecken elck in fijn geheel gela-
ten, ende vervolgens achter malkanderen geftelt, en
daer niet in verandert, dan eenige doch weynige
Druckfouten verbetert, fommige onduytíche woor-
den naden rechten fin van onfe'Tael wat verduyícht,
en noch fommigeaenwijfinge op dekant geftelt, —
| OOC
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ee
| Feor:DÉN:bE&rssR
oock veel Capittelen, die te vooren fonder Verffen
aengewefen waren, numet Verffen geftelt. _
Wy wenfchen van herten, dat het den eenvoudi-
gen Lefertotdienft, en den O pmercker tot leeringe
magh dienen, en dat onfen kleynen arbeydt die wy
hier toeaen gewendt hebben, daer toe moghteftrec-
ken dat den lieven Godtvruchtigen Man, door fijn
nagelaten Schriften en ftercke getuygenifle, dat hy
uyt Godtslevendigh-makende Woordt hadde, fijne
beenen noch na fijn doodt moghten Propheteeren
Syra.48. 14. en dat hier veele die door de fonden le-
vendighdoodt zijn, uyt denflaep der fonden en des
doodtsmoghtenopwecken, 2 Kon. 13. 21. en dat dat
Koninghlijck Priefterdom, dat heylige volck , dat
volk deseygendoms, 1 Pet. 2. g.te weten de Gemeyn=
tedeslevendigen Godts, 1. Tim. 3.24. onder de wel-
kedat MENNo SYMoNs alseen fwak knecht ende
getrouw Dienaer gedient heeft, hare ftock nochal-
tijdt mogte groenen en Amandelen dragen, Num.17.
ys8.te weten, dat ’er noch veele menfchen moghten
bevonden worden, die defe regte Euangelifchegront
der waerheydt bekennen, aengrijpen ende metder
_ Gemeynte beleven mogten, om fo des Heeren Huys
tebouwenenuytgenaden eeuwigh faligh te worden.
Nietmijn Lefer dat MeNNo Symons den grontlegger
is, of dat de Gemeynte eerft met hem of door hem be-
gonnenis, gelijk by veele met onverftant gefuftineert
of gefeyt wort, en dat men derhalve veele verfcheyde
volken nafijn name noemt, och neen, mijn lefer neen.
MENNO SYMONs heeft des Heeren Gemeynte
op dit fondament ongetwijffelt gevonden, gelijck ten
— deelen
opean Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
oduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Tor:Den LEESER
deelen uyt {fijn eygen fchriften blijckt. Endehy heeft
op defen gront neerftigh, neffens fijn medeknechten,
dietotfijnder tijdtwaren, als DIRCK PHILIPS en
meer anderen het Huys des Heeren foecken tebou-
wen en op te rechten, waer het van de nijdige Pausge-
finde ende andere wederftrijders afgebroken en ter
neder geworpen was, en heeft fijn verftandt, fijn ge-
loof ende fijn leeringe, die hy in fijnen tijdt het volck
voordroegh, indefe navolgende Boecken grondigh
uytgedruckt en befchreven, alle welmeenende men-
fchen tot leeringe; waer in dat men klaer fien kan met
wat Wapenen dat hy geftreden, en welcken kamp dat
hy gevoert heeft, tegen de Geleerde of Difputeer-
ders van defe Werelt, tegen de Heeren en Regenten
der duyfternifle, tegen alle Seêten en Afdeelders, die
haer tegen deleeringe Chrifti ende fijnder Apoftelen
geftelt hebben, en dat hy,en die met hem een gelijck
geloof verkregen hebben, oock niet en zijn van
die van Muntter , of van eenige vremde Se@ten of
dwalinge, die haer buyten den huyfe Godts yet heb-
ben opgerecht, gelijck de afgunfttige haer veel met
onwaerheydt fchelden: Maer dat fy geftaen hebben
en noch ftaen op den rechten gront der Apoftelen
en Propheten, daer Jefus Chriftus den Hoeckſteen af
is,gelijck wy verhoopen dat elek Godtvruchtighlefer
uyt defe Boecken als fy die by Godts fuyvere Woordt
houden, wel fullen konnen oordeelen en verftaen,
waer toe dat wy wenfchen dat Godt de barmhertige
Vader fijn zegen en genade wil geven, door fijn lieve
Soon Jefum Chriftum, onfen eenigen Heylandtende
Salighmaker, A ME N.
A D
bh kt GRE M
ie MENNO tibi, Leëtor ! adeft, nec Fabula quanquam
Fata ſacrum corpus dudum rapuêre, refertur
Fiéta tibi, nam nulla tenent oblivia tant?
‘Ditta vel alta Viri; virtus poft funera vivit.
Tu modò preſſa, feris tamen haud opprefla tyrannis
Relligio! mihi Teftis eris; guis, numine dextro;,
Te potuit merſam tantis efferre tenebris ?
O lux! luce tud caligo receffit opaca
Ingenit & nobis monftrâfti limina cali.
Vrvat opus, venerande! tuum memorabile, nunquam
Ut fubeant animo merit faftidia noftro.
O Lector! placidis hec feripta capeffito palmis,
Perlegito , perlecta tibi retineto, retenta
Inſequitor, tanto duce tutius itur ad Aftra,
M. FoRrRTGENS.
Op de Herdruckte Opera
VAN
MENNO SYMONS.
die langhs ’t heylig fpoor der Deugd
Gemoedigt zijt, vol ziele vreugd,
Te wandelen na ’s Hemels Saelen ,
Komleerby MeENNo ‘rechte pad
Na fulck een glinfterende Stad ;
Op goedt bericht kan niemand dwaelen;
Hy ſchaft, op dat uw flaeuwe hert
Op reys niet af gemartelt werdt ;
Veel Zielgefonde Disgerechten
Van ware boete en teer berouw:
Leert door ’t geloove fich getrouw
Aen Jefus Hoeckfteen vaft te hechten ,
Dat Roomfche Septerfucht en lift
Het licht in Chrifti wetten mift ,
Dat Babel vaft aen ’t overhellen,
Sich felf verftreckt een helfche {trick ,
Hoe Godt na ’t uyterfte oogenblick
Van fijn gedult, haer neêr {al vellen :
Dat Rome dan met Wolfsgebit
Op Jefu lammerkooy verhit
In haer bedrooge onfeylbaerheden
Vry fteune opo udeheydt ‚ recht en hooft,
De Boom wordt kenbaer aen fijn Ooft,
Als MeENNo vol godtvruchte zeden
Ontdeckt ’t gemaskert aengeficht ,
Dat nu ontbloot voor °s waerheydts licht
Soo leelijck grijnft voor yders oogen ;
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Dat elck ’s Mans wijs vernuft bedankt.
Wel aen, weetluftig Breyn ! ontfangt
Uyt rijker bron ook friſſer toogen.
Dit ’sHtemels Mann’, kom fet u aen 5
Sit neer in ’ loof der Heyl’ge blaên,,
Kom fmaeck wat beft de Ziel kan voeden ;
Kom koop dit Boeck, uw aerdtíche gelde
Wordt dusop Hemelwinft geftelt ,
Ey buyg de trage wil ten goeden.
Kom rijs met geeft, met ziel en leên
Door Roomfche roock en nevels heen :
My dunkt ik fie door open deuren
Hoe MeNNo facht in Abrams fchoot
U nochi tot fijne leffen noodt,
Om, kon het zijn, uw breyn te beuren
Tot boven de alderhoogfte kring ,
Die ooyt de logge kloot omving,
Om u met kracht te doen bekennen
Dat niemandt veyl ten Hemel ftreeft
Als die ich langs dit padt begeeft
Om verre uyt’ fterflijk oogh te rennen ,
Wijde boven *t hooge Stergefwier ,
Van waer hy de aerdeen’t Sonnevier
Als in een nevelkolck fiet dwaelen.
Dat dan fijn geeft vw geeft ontroer
En boven’ fterflijk denkbeeldt voer —
Om nimmer weêr na de aerdt te daelen.
G. ForTGENs.
OP
OP DE HERDRUKTE EN VERBETERDE | |
GODGELEERDE WERKEN, B
OF L
OPERA THEOLOGICA,
Van de Eerwaerde Vrome | Ï
MEN NOS LM ONS
In fijn leven vermaert Leeraer der Doopsgefinden.
—— — —
— — — —
ENNO, ’ Orakul in fijn leven,
Der Weereloofen fuilen ftut,
In ’t koper konftighkk gedreven,
Leeft nafijn doot, nochtot haer nut.
Sijn Pen van Ceraphyne fchachten,
Geneef, @n Romen velt ter neer :
Oatwapent hunne helde krachten,
En vlijmt den Etter uit het feer.
Hy krabt op fwarte Pharifeenen,
Die met een fchaepsvel fijn bekleet,
Hy ftreeft door al het moorden heenen
Van worgen, braên , gekerm en leet. |
Hy als een witte Outerleli |
Is voor ’t vuile lafteren doof, 5
Verfegelt Jefus Euangelt
Door kruisgevaer en waer geloof.
Doch fy gemerkt voor Anuchriften
Die krijgh ſtaagh voeren teegen ’ lam,
En met hun ſpitle ſchoolſe twiften,
De weerelt fet in vier en vlam. J
Sijn hemel yver brak de banden, — J
Toen hem een grooter heil verſcheen; |
Van blint geloof en misverftanden, |
En drongh. door Roomfche nevels heen.
Sijn Godtsvrucht, herderampt en daden, 6
Sijn wreet vervolgh, en wijs gedult, |
Vintgy EEN in dees bladen |
Eenvoudigh, niet door konft vergult,
Maer met een ftijl die waerheit minnen;
Hier ’sdan Sielvoedfel voor een geeft
Die boren wil in ’ Pit der dingen, e
En niet wat lafsfoekt, maer gevleeft.
Kom leer uit deſe Zede-fchriften
Ootmoedigh knielen voor Godts throon,
U Levenstijdt naeukeurigh fiften,
En ftreven na de martel-kroon.
Non eff mortale quod opto.
A. VAN BEUSECOM, 1681. ;% Ei,
OP
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Op het herdrucken van
ALLE DE WERCKEN
—J VAN
| MENNO SYMONS
WE fiet niet als een licht den fellen yver branden ,
| Tot eere van Godts naem en licht van Chri ti leer,
| Om uyt de duyfternis en Sathans vafte banden ;
Te brengen tot het Licht veel menfchen naer en veer.
1 Tot foo een nuttigh werck was MEN No gantſch gencegen ,
Hy braght hier toe oock byeen yverigh gemoedt ,
Hy vreeft voor geen verdriet , en gaet gekruyfte wegen ,
Vollijden , waken, ftrijt en noodt en tegenſpoedt.
—1 Geen branden van vervolgh, noch vuur der Martelaeren ,
9 Kan fchricken fijn ooghmerck tot ’s Naeften heyl en licht,
Hy kent de duyfternis en kan daer door verklaren
Hoe’ licht voor duyfternis verandert het geficht.
Hy die wel twee jaer langh een Leeraer hadd geheeten;
Maer hadd’ nooyt ’s Leerlinghs les in Chrifti fchool geleert :
Hy hadde Godes Woordt tot die tijdt niet geweeten ,
Gelefen noch betracht » veel min and’ren bekeert ;
1 Maer komend’ tot geficht en kennis van ’ verderven
4 Van meenigh duyſendt ziel, die vreemdt Zijn van Godts Woordt,
| Van ’t waer Geloof in Godt, oock van het vreughdt verwerven,
(a In Godts geheylight huys, daer’s blijdtfchap voort en voort.
Sijn herts verdriet en pijn , is, dat foo werdt vertreden
Dedeught door valfche Leer , en een godtloofe gront ;
Dat eeuwigh ziel verderf, dat heeft hy kloeck beftreden,
et wap’nen niët naer ’t vlees ‚ maer krachtigh door Gods mont.
Hier ftrijdt hy met feer wel gegronde woord* en Reden >
Om daer door ’s naeften ziel te brengen uit het quaet :
— Dit licht ſtraelt onverwacht, ’t baert Chritti Kerck veel leden:
* Brenght fommigh tot opmerck’, en Andere tot meer haet.
Hy opent Godes Woordt, ſeer langh voor veel geflooten ,
Hy roept de waerheit uit, mer ftercke {tem en kracht.
| Hy queeckt een volck vol liefd’ dic d'ondeught van haer ftooten DN
1 En lieven heyl’ge feên door deught gantích uitgewracht ;
| Deoch na veranderingh van tijden en van menfchen
| Soo wert M EN No geftelt in een vergeten fin :
|A Sijn {chriften toonen niet’t geen ider hert foud wenfchen
Te leven fonder ftrijdt, te lieven’ aërtfch gewin.
Hy boud oock Chrifti Kerck op vaïte Reen en gronden
En graeft in ’t hert {eer diep, om een vat fondament
Te leggen naer ket Woort van Gods onfeylb’re monden,
Van liefde, hoop; geloof, tot ’s menfchen levens endt;
Maer door des werelts weeld foo wert gant{ch vol onwaerden ,
Al wat ’er dienen kan tot’ vlees verderf en doodt ,
Daer door wert M EN No os fchrift veel min gefocht op aerden ;
Men fchuyft die in een Hoeck » En neemt veel ruymer {choot.
Doch in dees eeuw verward foo íchijnt MeNNo terijfen,
Als uithet Graf of d’ afch , weer nieuwlijck opgewroet,
f En komt weer op de Pers , om ons weer aen te wijfen
Ons over Oud ’ren wegh , waer door fy zijn gevoedt,
| Gefterckt, en kloeck gemaeckt , den {mallen wegh te treden,
Gefchijden van de ruimt, en van des werelts doen,
Daer door fy in geloof, in liefde en in feden: »
Oas overtuigen om ten Hemel haer te fpoen.
Doen was de Kercke Godts des werelts gunft ontnomen ;
Sy haten oock weerom des werelts blinckent goet ,
ij Maer laes, feer veel verblijf , heeft d’ werelt nu bekomen !
Ì Oock onder * Chriften volck » met voorfpraeck en voorfpoet.
Dies is’t {eer nut gefocht Me NN oos gegronde fchriften ,
É Meer alseen korefijf te halen uit den hoeck 5
*
Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest
nons reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Of A quaeteens wiert geftuyt in d'ongetoomde driften,
MENNO b-Y. M-ON 5
— — —
MENNO SYMO NS,
Door ’t mercken ep Gods {tem , en’tlefens onderfoeck :
Beftee u tijt dan vry in MenNNoos fchrift te leſen,
Om t' kennen ’tgoet uyt'tquaet, en weten ’t vaft geloof;
Gy vindt een {nelle ftijl, die u leydt tot Gods vrefen,
Gebonden uyt Gods woort als een heyl vruchtb’re fchoof :
Maer foeckt gy viefen keur van net gepronckte woorden ,
Laet blijven ’tonderfoeck , die vindt gy hier nu niet. 6
D’auteur heeft fulcks oock licht geacht dat niet behoorden
Tot geeft en's hemels licht, waer op hy doelt en fiet.
In’ kort gebruyck dit Boeck van Me NNo ganſch befchreven ;
Tot bet’ring in u tijt, tot zielen faligh endt:
Op dat gy daer deur werdt met kracht tot Godt gedreven ,
Dat hy in’ jonghft gericht fijn zegen tot u wendt.
D. VooRrHELM: }
Op den Godtvruchtigen
MENNO 5 MAIN 5,
En het weder uyt komen van fijn (tot deughdt lijdende) Schriften.
Iet hier een dapper helt van’t Chriften weerloos volk :
Een David in den ftrijdt, een moedigh hemels Tolk:
De weet-{fucht, weeld, en nijdt fijn glans focht te verdonck?’ren,
In ſpijt van defe fal hy door dees druk weer flonck'ren.
Godt geef dat liefde, vree, en eendracht noch vermeert :
Bloeyt eens dien gulden eeuw MEN No wort lief en weert.
POPPE POPPES.
Op al de
GODGELEERDE WERCKEN
VAN
Al’k MENNO SIMONsS lof hier ftellen by fijn werken ?
8 Soo ftel? ick dus fijn lof:
Hy wiede Chrifti hof
Van valfch geloof en leer: een recht patroon der Kerken.
Sijn naam leeft op der aarde,
Sijn geeft om hoog (in waarde.)
P. V.SINGELe
Op de bekeeringh van
En fijn uytgangh uyt het Pausdom.
Mn Kerck was eeuwen lang te jammerlijk vertreeden ,
Toen 't waenwijs geeftlijk Hooft van elk wierde aengebeden /
En als een hemels vorft opaarde was geacht, |
Waer op de heuvelen van * oud Quirins geflacht |
Als op deshoogftens Tolk en Stedehouder praelen ,
En roepen d'heyl'ge Stoel bevrijd de Kerk van dwaelen ,
Dies wil men dat fijn woort een Gods fpraek fy voor ’t volk :
Maer Rome! fchoon dat gy de onnoos’len met een wolk
Van by-geloof verblind ‚ de tijd is thans gebooren
Waer in g uw achtbaerheyd by veele hebt verlooren.
Godt ;
ten
Godt, die d’ hoogmoedige verwaentheyd gantích niet acht
Maer fijne wijsheyd ſpaert voor ’t Nedrige geflacht ,
Heeft Me N No door het vuur van fijnen geeft doen vonken ,
En hem de Sonneftrael van fijn gena gefchonken :
Een ftrael die * duifter brein verlichte en (oo ontftack;,
Dat hy door duifternis en {ware neev’len brack.
Door neev’len , die fijn hart een duiftere nacht verftreckten ,
: Ægiptens plaegh flechts’toogh ‚ maer dees fijn Ziel bedeckten,
Het Roomíche bygeloof had fijn verftant verblind
__ Wanthy ſich leyden liet als een onnofel kind, |
Die voor het volck als Schriften wetgeleerde diende
Verlijdd’ haer leydende {elfs blint , en fy niet Gende,
Dus fpijfd’ hy ’t domme volck en queecktent op met draf,
Ontbloot van Godesgeeft gaf hy voor kooren kaf,
Maer nu verlicht gingh hy de Godt geweyde boecken
1 Met blakende yverſucht godtvruchtigh onderſoecken,
Nadat hy meenigwerf met tranen en gebeen,
Godt, diehetal verlicht, vol yver hadt beſtreeên,
| Vond hy die ware peerl , de weg na ’teeuwig leeven ,
Waer langs een zael’ge Ziel na ’t zalig Rijk moet ftreeven:
Dies keerd’ hy toen de {toel van °% Rooms gefach den rug ;
„_ Godtsgeopenbaerde wil en waerheyd maekt’ hem vlug;,
Om *% fondig Babel als met Arents{nelle vlefken —_ … …
tOntvliegen: t Godtlijk licht liet nimmer fich beperken
In’s Kloofters ommekring ; Hy ging vrywillig uyt
‚_ Als Abrâm uyt Chaldeen, de Rechtren opgeruyt
Door *t Geeftelijk gefag waer aen fy fich vergaepen —
Van Pauſen, Biſſchoppen, van Monnicken, en Paepen,
Die ſſaenꝰs Mans Beelt'nis aen, de glans van ’t Silver geldt,
__ Het welk de wreedtheydt hadt op ’t weer’loos Lijf geftelt ;
‚Kon het verwoede Graeuw als wolven op doen paffen;
Om’t Lam op berg, in dal en boffchen te verraffen ; id
Doch’ Lam isdoor de Leeuw van Juda foo behoedt,
Dat fich de bloedtdorft nooit gelaeft heeft aen fij bloedt”
De Nijdt kreeg nimmer ’* vleefch in haer fcheurfiecke tanden,
Schoon meenigwerf begeert ; maergy, ô Dwingelanden !
Vermeet'le, feg hoe veel heeft Godt de ziel ontrukt ,
Die in haer opfet flechts hem hadden vuderdrukt #
é Den Hemel wil altijdt geen Tyranny gedoogeri ‚
De Vromen hy bewaert alsde appel van fijne oogen:
’t Was dan vergeefs gefocht van hem die felfs fijn hooft ;
Soo hem dees prooy ontging, had aen het recht belooft :
Een ander Get de buyt en kan geen woorden uytten ;
Godt kan de Vroomen in een kring van Eng?len fluyten ,
Die haer een Bolwerk zijn voor ’t ftormen van de Nijdt;
Die uyt gemerregelt haer harte knaegde uyt ſpijt,
Om dat fy fag van een foo meenig Ketter groeyen
Men moet, ſprak ſy, de vrucht in baer geboorte uytroeyen ,
En vloog gelijk verwoedt met haer beflangde kop ,
En fchonk gantſch Spanje van haer boos vergiftig fop ,
Dat, fwellende van fpijt, vervolgdenfe verbolgen ,
Die Chriftus haeren Heer in weereloosheydt volgen ;
Doch vrees niet, he ge Schaer ! al doemt men u ten val ;
Gy volgt hier in Godts Soon , en’ Zalig Ellef-tal.
Maer gy eerwaerde Man , en Vader der Gemeente !
Uw ziel ruft nu by Godt, inde aerdt ruft uw gebeente,
Her fterflijk heeft de doodt , de vyandt der Natuur ,
Voor Jaeren lang gefloopt ; maer’ Goddelijke vuur,
Dat uw in de oogen blonk , blinkt noch in uwe Schriften
Gelijk de Middag Son , welks ftraelen ons doen fchiften.
Als door een fijne feef het waer Geloof van’ vals :
‚_ Wy dragen % als een fnoer van Peerlen om den hals ;
| Deglans van Peerelen , Saphyren, en Robijnen. … ……
u Moet voor ’t Geloof in Godt , Godts Soon , en Geeft verdwijnen:
’k Soek Delphos noch Atheen ; % Orakel van Godts mondt
| Staet op dees bladeren op vafter grondt gegrondt.
| Moer Chriftus Scheepje dan hier ſtorm op ftorm befuuren ,
Men fal’t met dit Compas na’: Hemels Canaan ftuuren.
Die Chraftus door *t Geloof omvoert door ’s Wereldts Zee
— — — — —
Saleynd'lijk ankeren op Hemels veył'ge Ree. | |
A. FoRTGENS.
: | er UYT-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— di
— — —
— deal leid an
——* en en
— —
OF
X J — 4
* E
UYTGANGH:
EE
RING E
VAN
MENNO
Waer in kortelijck ende duydelijck verhaelt wort, hoe ende om wat
oorfaken dat hy het Pausdom ver
laten heeft, mitsgaders oock fijne
volgende beroepinge tot den dienft des Woorts, uytgegeven
ANNO
Tot den Lefer,
B Eminde Lefer: Alfo wy wan onfetegen=
ED partye met omvaerheyt fo hart aengevoch-
ten ende befchuldight worden, als of wy de
Munfterfche Leere fouden toeftaen, als van
Koningh, Sweerdt, oproer, wederom te flaen,
weelheyt der vrouwen , ende diergelijcke grou
welen meer: maer mijn goede Lefer, weet dat
ick die van Munfter mijn leefdage in die voors
noemde Artickelen niet bewillight en hebbe ;
maer na mijn kleyne gave eenen yegelijck voor
haer grouwelijcke diwalinge, ja meer dan 17
Jaren herwaerts govaerfchout en tegen geftaen.
Heb oock wel ettelijcke van haer met des Heen
ren Waort op den rechten wegh gebraght , Mun-
fler en beb ich mijn leef dage niet gefien , in haer
gemeynfchap niet geweeft : verkope oock. door
des Heeren genade, met foodanigen, (foo daer
eenigen moghten zijn) nochte eten, noch drinc=
ken, gelijck my de Schrift leert , het zy dan faeck
da: ſy baren grouwel van herten bekennen ; ende
de oprechte vruchten der boeten doen, ende dat
Euangelium in vechter wijfe nakomen.
Menno Sy mons.
Menno S ymons wytgang van het Pausdom.
Yn Lefer, de Waerheyt fchrijve ick
M uin Chrifto, ende liege niet. Het
is gefchiet Anno 1524 mijns ouder=
doms 28 jaren, dat ick my in mijns Vaders
Pinningum Dorp Pizzingum genaemt , in der Papen dienft
z uren van
Franiker.
Mijn be-
kommernis
over der Pa
pen Broodt
ende Wijn
begeven hadde, daer oock twee andere mij-
nes gelijcken Ouders met my in gelijcken
dienft Konden, de eene was mijn Paítoor ten
deele wel geleert, ende de tweede wasna my.
Defe beyde hadden de Schrift eenfdeels wat
gelcfen , maer ick hadſe mijn leefdage niet ge-
roert, want ick vreefde, wanneer ickfelafe,
ick foude verleyt werden. Siet, foo een dom-
men Predicker was ick ontrent den tijdt van
twee jaren.
In’ eerfte Jaer daer na viel my een gedach-
te voor, fo menighmael ick met den Broode
"ende Wijn in der Millen handelde, dat het
niet des Heeren vleefch ende bloet ware. Ick
1554
meynde ; dat het my de Duyvel voor droegh ; of het oock
op dat hy my van mijn geloove dringen fou- vleefch ende
: — oet bloedt ware.
de. Ick biechtede het menighmae! , iuchten-
de ende badt, konde evenwel van die gedach-
ten niet gevrijt worden.
Jefe twee gemelde jonge Mannen ende
om
ick, hebben onfen dagelijcktchen wandel met Mijn roec-
ï „| et on Ee je 5 EE Td en
{pelen > drincken > Ende tutkortinge j 1D alle <€:9 sh yt
ik zevoert mr ander waliinie Chde groote
delheyt gevoert met den angeren, geljck princhevt
(leyder) {uicker Vi uchtelo 1e lu den m miere in ’t Paus-
ende aert is. Ende wanneer wy dat ey
nigh vander Schrift handelen fouden ‚ konde
ick niet een woort onbefpot met haer {pre-
reen wey=- aom,
ken, want ick wifte gantích niet wat ick
| meynde, foo gefloten lagh Gods Woort voor
‚mijnen oogen.
Iek dachte ten laetſten, datick dat Nieuwe Aenvangh
Teftament eenmael met vlijt onderfoecken — ———
wilde: Ick quam niet verre daer in, ick ſagh longe over
haeſt dat wy bedrogen waren, ende mijn be- den voorfey-
kommerde‘Confeientie over den voornoem- def Broode.
den Broode, worde van de bekommerniffe
oock fonder alle aenwijfinge haeft ontloft :
Nochtans foo vele van Luthero geholpen, dat
| Menfchen geboden den eeuwigen doodt niet
| konnen verbinden.
Ick gingh door des Heeren verlichtinge Mijn toe-
ende Genade voort in die bekentenifle der Geeneen
eid der Schrift,
Schrift van dage tot dage, ende worde haeft
van fommigen (hoewel met onrecht) voor
een Euangelich Prediker geroemt: Een yeder
fochte ende wilde my, wantde Werelt hadde
my lief, ende ick de Werelt, noch moeft 'et
heeten, dat ick Godts Woordt predickte;,
\endeeen fijn Man ware.
MDaer na ís het gefchiet , eer ick mijn leef
dage van eenigen Broederen hoorde, dateen
Godtvruchtigh vroom Helt Sicke Szijder ge-
noemt, tot Leeuswaerden wordeafgehouwen,
of dat hy fijnen Doop vernieuwt hadde. Het
luyde my feer wonderlijck in mijnen ooren,
datmen van eenen anderen Doop fprack.
Ick «onderfocht de Schrift met vlijt, ende
Pdachtefe mert ernfte na, maer konde van den
Kinder-doop geen bericht vinden.
Doen ick dit nu merckte, hebbe ick met
[mijn voornoemde Paftoor t'famen-fprekinge
[van dier ‘faken gehouden , ende na vele woor-
den foo verre gebraght , dat hy moefte beken-
nen datden Kinder-doop in der Schrift gene
gront en hadde. Noch dorfde ick evenwel
mijn verftant fo niet vertrouwen ‚ maer hebbe
van ſommige oude Scribenten ract gevraegt(die
leer-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
nv
„ | Menno Symons uytgangh van het Pausdom.
Per Ouden leerden My dat de Kinderen daer mede van hare Maer mijn vermaninge en vorderde niet 5 de-
i gront ende Erf-/ —— moeften gewaſſchen worden) Ick hield | wijle ick noch ſelve dede, dat ick wel bekende
7 re Sekhrifr N ars lrre pn J YEN } — *
ii — — Ch ee Schrift, en merckte, dat het tegens [ dat niet recht en was.
Ì < uti bloet ware plagen «PS Pm — — ——
doop. oet ware, Hert geruchte is wijde uytgebreyt, dat ickſe pat ge on
) Lutherus d Daer nagingh ick tot Lutherum, ende wil- | den mout fijn {toppen KONE. Dy beriepen haer boetveerdi-
& rated e Beerne gront weten; die leerde my, dat [alle op my , wie ende hoe fy waren , Ick ſagh Sn — *
Laa 7 ee | ee pi red ' my beriepe
deon — * * kinderen op haer eygen geloove doopen ſou- voor mijnen oogen, dar ick der onboetveerdi- 14 et
— lagh oock, dat het Gods Woort niet gen Voorvechter ende Borgh was, die haer dat eerfte
gelijck was, :
JCS W: alle op my verlieten , dat my in mijnder her- —* zi
Bucerus Len derden, tot Bucerum, die leerde my, | ten geen geringe {lagh gaf , fuchtede ende badt, Lat. 26. 26.
— dal wenje a&aerom Hoopen foude > Op datmenfe Aes Heere heIpt MY » dat ick doch andere luyden
E died: te vijtiger waernenie , ende in des Heeren wegen | {onde niet op My lade,
Eene ‚ fagh oock dat het geenen gront hadde. Mijn Ziele worde bekommert , ende dach-
À Bullingerus en vierden > tot ete ‚ die wijfde [te dat eynde na, namelijck , foo ick al ſchoon
Leere * B Bit Eon Verbondt ende de Befnijdinghs , vondt | de gantíiche Werelt wonne, daer toe duyfent
Kinder- de 155 , * — — Bens hj
ln defgelijcken dat het na der Schrift niet beftaen Jaren leefde , ende dan noch ten lacttten Gods
Là . r 2 ed
konde. _ {ftraffe handt ende toorn dragen moeſte, wat
} wine ve Doen ick nu allenthaiven merckte , dat die ick dan gewonnen hadde ?
É A a arte - 7 ' * Jp stad {+ —
lichtinge van Scribenten fo wijt in den grondt gedeelt ſton-Daer na zijn die arme verdoolde Schapen,
— er- den , ende een yegetijck lijn vernuft volghde; | die daer dwaelde, als die geene rechte Herders
— Ch openbaerlijck aat wy met den hadden; na vele wreede Placcaten, worgen
K.inder-doop bedrogen waren. ende ombrengen, op eener ftede, ontrent mijn
N * Kk Piere AAA > Sa } Bea > 3 .
Witmarfum Lc et is ynigh tjdtsdaer na , ben ick in een plaetfe , Oude Kloofter genaemt; tefamen ge-
43 rs 9 lr rear Tij, aad À aa 4 3 3 ‚ Le s 6 2
CEE * ander Dorp gekoren, Witmarfum genoemt, | komen ; ende hebben (leyder) door die Godt-
halt V iaer ze | rel 2 Ien at s 1 Ô k * RA 2 *
— daer inne ick geboren ben, ende uyt luft des |loofe Leere van Munſter, tegen Chrifti Geeft,
gewins, ende begeerte eenes grooteren Naems, Woordt , ende Voorbeelt, dat zweeft in te-
daer henen getogen. Hebbe daer velefonder |genweer getrocken , dat Petro van den Heere Mat. 26. 52.
Geeft ende Lietde van des Heeren Woort ge- | in der fcheeden te fteken bevolen worde.
er Aa Tere le 4 sl à n — * 1
ſproken, gelijck alle huychelaers doen, ende{ Doen dit nu aldus gefchiet was , isdat bloet
, are . sHiielsa re aen lars | *
daer mede mijn gelijcke Jongeren gevaert, na-| der {elvigen, hoewel verleydt, foo heet op
melijck , ydele Roemers, lichtveerdige Klap- mijn herte gevallen, dat ick het niet verdra-
— — SES 5 E ——
pers» ende die de faecken } gelijck als ick felve gen , noch rufte in mijner Zielen hebben kon-
(leyder) weynigh acht hadden. de. Ick dachte mijn onreyn vleefchelijck leven
5 Ende hoewel ick wel vele uyt der Schrift [na , daer toe mijn huychelfche Leere ende Af.
bekennen konde; foo heb ick evenwel de fel-
vige Bekentenifle met mijne Jeughdelijcke
luften in een onreyn vleefchlijck leven fonder
alle vrucht verteert, ende fochte niet dan ge-
win», gemack, Menfíchen gunfte, heerlijck-
heydt, Naem ende Eere, gelijck fy gemeen-
lijck alle doen , die op gelijcke Schip varen.
Siet mijn Lefer ſo heb ick die Bekenteniffe,
beyde van den Doop ende Nachtmael , door
de verlichtinge des Heyligen Geelts, met veel
lefen ende nadencken der Schrift, uyr Gods
genadige gunfte ende gave verkregen,ende niet
door den dienft ende middel der vérleydifchen | Dat felvige alfo betrachtende, heeft my mijn
Secten , gelijck men my na geeft. Ick hope | Ziele alfo geknaeght, dat ick het niet langer lij-
dat ick de waerheyt{chrijve, ende genen yde- | den konde. Dachte by mytelven , Ick ellen=
len roem foecke, Doch foo my eenige men- digh menfche , wat makeick ? So ick by defen
fchen moghten yets wat daer toe gevordert | wefen blijve, ende my mijns Heeren Woordt
Jk hebben, wil ick den Heere eeuwigh danck- in mijne ontfangene bekentenifle niet bege-
fegpen. ve, der Geleerden huychelve, ende dat on-
Middeler tijt begaf het hem, doen ick on- boetveerdigh vleefchelijck leven, ende haer
8* ina Xr Ard en ‚ a eef } 3 Tr Î pa $ { *
trent een Jaer aldaer gewoont hadde, dat vaſt verkeerden Doop, Nachtmael, ende valſchen
goderye, die iek dagelijcks in ſchijn fonder alle
luft tegen mijn Ziele noch bedreef. 8agh met
oogen, dat defe yverige kinderen, lijf ende
goet (hoewel niet in heyliamer Leere) voor
haren gront ende geloove vrywillighlijck he.
nen gaven , ende ick waseen van die , die ha-
rer ommige de Papiftifche gruwelen ten deele
mede ontdeckt hadde , bleef noch evenwel by
mijn ruym leven ende bekende gruwelen , aſ-
leen daerom, dat ick dat gemaëk mijns vleefchs
gebruycken , ende buyten des Heeren Kruyce
blijven moghte.
— — — — — — — — — — — —
J ettelijcke met der Doope inbraken, maer van | Godtsdienft met des Heeren Woort na mijn
waer de eerfte aen vangers quamen, ofte te huys | geringe gave niet beftraffe , den rechten gront
úëk behoorden, ende wie fy eygendlijck waren ; | der waerheydt om de vreefe mijns vieefchs niet
is my noch tot op defer uren onbekent ge- ondecke, die onnofele dwalende Schapen , die
weeft, hebfe oock mijn leefdage niet gefien. [foo geerne recht doen fouden > wanneer fy dat
Aenvangh Doen is volgende de Secte van Munſter aen- | maer recht wiften , niet tot die rechte Weyde
der Munfter- gebroken , door welcke vele vrome herten | Chrifti, foo veele in my is; wijte , och hoe wil
An — oockraen ons quartier bedrogen worden. Mijn {dat vergoten bloedt (hoewel in miserijpinge
* Ziele was in groote droefheyt, want ick merk- | gefchiedt) in dat Gerichte des Almachtigen „5
te datſe yverden , maer nochtans in der Leere [grooten Godts tegens u aentreden , en over uw
feylden. Ick. hebbe my met mijn geringe Ga- |armeellendige Ziele voor uwen God dat recht
ve daer tegen geftelt , met Prediken ende ver- | uytípreken!
manen, foo vele als in my was: T'weemael| Mijn herte in mijnen lijve beefde my, hebbe Mijns her-
met een van hare Voorftanders gehandelt, mijnen Godt met fuchten ende tranen gebe- Len veranden
eenmael heymelijck , endeeenmael openbaer.| den, dat hy my bedroefde fondaer de gave ſij⸗ —
Me
**3 ner
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Menno Symons Uytgangh
ner genaden geven wilde, een reyn herte in |de, want den honger ware groot, en die ge-
my fcheppen , mijn onreyne gangen en ydele trouwe Huyshouders gantfch weynigh. Ende _
rbyme leven „ door die verdienfte des rooden | mijn Pondt dat ick van den Heere onwaer- Matt. 34: 25.
bloedts Chrifti, genadelijck vergeven wilde, digh hadde ontfangen, tot winninge befteden Lucas 19.
met wijsheydt, geeft > vrymoedigheydt ‚ ende moghte, &c.
met een mannelijck gemoedt befchencken wil-
de, datick fijnen aenbiddelijken hogen naem [5
Woordtonvervalfcht prediken , [het allenthalven : Want tot eener fijden fagh
ende Heylige |
ende fijn Waerheyde tot fijnen prijte aen den
dagh brengen moghte.
Het begin Íck hebbe Begonnen in des Heeren Name
mijner boet- dat Woordt eener warer Boeten van den Pre-
—— het dickſtoel opentlijck te leeren, dat volck op den
Pausdom. {mallen weghte wijfen, alle fonden en Godt-
loosheden , daer toe alle Afgoderye ende val.
fchen Godtsdienft met kracht der Schrift te be-
ftraffen ; den rechten Godtsdienſt, ook Doop
en Nachtmael , naden fin ende grondt Chriſt
openbaerlijck te betuygen , foo veele als ick op
dier tijdt van mijnen Godt genade ontfangen
hadde.
Mijngetrou- _Oock hebbe ick een yegelijck voor der Mun-
we waer- Nerſehen gruwelen; als voor Koningh » veelbeydt
fchouwinge : * 1
eme. der Vrouwen > Rijck 3 fweert, &c. trouwelijck
ferfche gru- gewaerfchouwt, tot dat My die genadige gro-
welen, oock te Heer na den tijdt van 9. Maenden » oft daer
Don omtrent, fijnen Vaderlijcken Geeft, hulpe,
kracht ende handt langhde , dat ick mijn goedt
geruchte, eereende naem > dieick by de men-
{cher hadde , ende alle mijne Antichriftifche
gruwelen; Miffen, Kinderdoop, ruyme le-
Mijn verla. ven ende alles op eenmael ongedrongen na-
tinge enuyt- Jjete „ ende hebbe my in aller Ellenden en Ar-
gang uyt moede onder dat druckende Kruyce mijnes
abel, — er ET \ *
Heeren Chrifti gewillighlijck begeven, in mij-
ner fwackheydt mijnen Godt gevreeft,na God-
vruchtigheydr gefocht „ende fommige (hoewel
weynigh) in goeden yvet ende leere bevonden,
met den verkeerden gehandelt ‚ fommige door
Godts hulpe ende kracht uyt de ftricken harer
verdoemenis met Godts W oort ontloft, Chri-
fto gewonnen , en den halftercken en verftok-
ten den Heere bevoolen.
Siet mijn Lefer , aldus heeft my die genadige
Heere door de milde gunfte fijner grooter Ge-
naden aen my ellendige fondaer vertrocken, in
mijner herten eer{tmael beroert, een nieu ge-
moedt gegeven; in fijner vreefe vernedert, ten
deele my {elven leeren kennen, van den wegh
des doodts afgewendt , en op den engen wegh
deslevens, in die gemeynfchap fijner heyligen
barmheftighlijck beroepen, hem Zy prijs in
eeuwigheydt. Amen. Daer na omtrent €En
Jaer begaf het hem , als ick my nu met lefen en
fchrijven in der ftilheyt in des Heeren Woord
— oefende, dat’er ongevaerlijck fes , feven , oft
in des * acht, tot my gekomen zijn, die een Herte en
reu Huys en Ziele met my waren , in haer gelooveen leven
Gemeynte. (foo veel als Menfchen richten konden) onbe-
ftraffelijck , vaa der Wereldt na het getuyge-
niffe der Schrift afgefcheyden ‚ den Kruyce
onderworpen , die niet alleene van der Mun-
flerfchen ‚ maer oock van aller Wereld: Secten,
Mijn beroe- vervloeckingen ende grouwelen een hertelijck |ge
persen be- fchuwen droegen, en hebben van Wegen der
toepinge. _Godtvruchtigen, die met haerende my in ge-
lijcken Geeft en fin wandelden , met veel bid-
den lieflijck aen my verfocht , dat ick doch den
grooten {waren jammer en noodt der armer
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
bedruckter Zielen een weynig behertigen wil-
Dit hoorende, is mijn herte feer bekommert
eweeft, Befwaernifle ende bangigheydt was
ick mijn geringegave, mijn groote ongeleert-
heydt , mijn fwacke natuure, de blodigheydt
mijns vleeichs, die overmategroote boosheyt;
moetwille , verkeertheyt, ende T yrannye defer
Wereldt, die geweldige groote Secten, die
(pitsvinnigheydt veler Geeſten, ende dat jam-
merlijcke fware Kruys, dat my (foo ickaen-
vinge) niet weynigh drucken wilde: en ter an-
der fijden den erbarmelijcken grooten honger >
gebreck en noodt der Godtvruchtigen vromen
kinderen» want ick ſagh openbaerlijck dat fy
dwaelden , gelijck de onnofele verlatene Scha- Matih. à.
pen, die geen Herder hebben. Marcus 6.
Hebbe my ten laetften na veel bidden den ebde
en dat gebed
Heere en fijn Gemeynte met foo een Conditie der Gode-
daer geftelt, dat fy ende ick den Heere eenen vruchtigeri
tijdt langh vyerighlijck bidden fouden, ware ——
het alſoo fijn welgevallige heylige wille, dat ik —
hem ten prijſe dienen konde ofte moghte, fijn 1 Corinth. 9.
Vaderlijcke goedtheyt my alsdan foo een herte
ende gemoed gunnen wilde, dat my met Pau
lo betuyghde ‚ wee my foo ick niet dat Euan-
gelium predikte; foo niet, hy dan fijnen mid=
del voeghde, dat het allenchalven na bleve.
Want Chriftús feght: Sootwee onder u eens
werden op Aerded , wâeroin fy bidden dat fal
hen gefchieden van mijnen Vader die in den
Hemel is: Want foo waer twee ofte drie in
mijnen Name vergadert zijn, daer ben ick
midden onder haer , Matth. 18.
Siet mijn Lefer, aldus ben ick niet van der
Munfterfchen ‚ noch van eenigen anderen op-
roerifchen Secten (gelijck ick gelaftert worde)
maer van foo een volck tot defen dienft on-
waerdigh beroepen , die Chriſto en fijn Woort
bereyt ftonden, eeri boetveerdigh leven in de
vreefe hares Godts leyden , haren naeften in
der liefden dienden , dat Kruyce droegen »
aller menfchen welvaert en heyl fochten, de
gerechtigheydt en waerheydt lief hadden ‚ voor
der ongerechtigheydt ende boosheydt fchrick- *
ten, &c, Dat immer krackiteîijck en levendig
betuyght , dat fy niet fulcke verkeerde Secten
gelijck fy gefcholden werden , maer ( hoewel
der Wereldt onbekendt) ware Chriftenen wa-
ren, foo men anders gelooft „ dat Chriftus
woordt waerachtigh , en fijn onbeftraffelijke
heylige leven ende voorbeeldt onfeylbaer ende
recht zijn.
Alfoo ben ick ellendige groote fondaer van
den Heere verlicht, în eenen nieuwen fin be-
keert, iiyt Babel gevloden,in Jerufalem getogen
en ten laetften onweerdigh tot defen hoogen
ende fwaren dienft gekomen.
Doen nu de voorgemelde van hare voorge-
ven Bede niet aflieten , ende my mijneygen pe Liefde
Confcientie ook ten dele (hoewel in der fwack- Godts ende
heit) benaude , dewijle ik den grooten honger fen heeft
en noot fagh, fo verhaelt is, heb ick my rhet lijf my defen
en Ziele den Heere laten opgeveri „en in fijner grooten en
Genaden-hant bevolen „en hebbe tot fijner tijt pienft op-
na luyt fijnes heyligen Voorts begonnen te lee- geleyde.
ren
— —
Uyt het
ren en te doopen, op des Heeren Acker met
mijn geringe Gave te arbeyden, aen fijn heyli-
Mijn begin ge ftadten L'empelte bouwen ,en de vervallen
om te leeren fteenen weder aen haer plaetfe te voegen &c.
— En de grote en ſterke God heeft dat W oort ee-
ner warer Boeten , dat Woort fijner Genaden
en kracht, met t'ſamen dat heylfame gebruyck
fijner heyliger Sacramenten , door onfe gerin=
gen dientt, leere, en ongeleerde fchrijven , met
Onfe vruch: t famen den forg vulaigen dienft,arbey
ten door de pe onter getrouwen
hulpe ende Steden en Landen fo bekent en openbaer , en
krachtGods. die |
ie geſtalte ſijner Gemeynten fo heerlijck ge-
maeſct, met alfulken onoverwinnelijken kracht,
begaeft, dat oock vele hooge ftoute herten niet |
alleen ootmoedig wer
alleen kuyſch, de dronkene nuchteren,die gie-
| rige milde,de wrede goedig ‚en godtlofe Godt-
vruchtig , &c, Maer dat fy ook om dar heerlijk
getuygenifle dat (y hebben, goet en bloet,lijf en
leven getrouw lijk verlaten, gelijk als ook noch
op defer ftont dagelijks gefien wort, dat geen
| | vruchten noch tekenen eener valfcher leere
(daer Godt niet mede werkt) zijn ‚ konde ook
in alfulken fwaren ellende en Kruycefo lange
niet beftaen ‚ wanneer het niet des Alderhoog-
ften kracht en Woort ware.
Ja dat meer is,fy worden met alfulken genade
Luc. ax rr. en wijsheit (Co Chriftus allen den fijnen belooft
heeft) in hare verfoeckingen van God begaeft ,
dat oock alle Werelts Geleerden en hoogh-be-
roemde Meefters ‚ daer toe alle bloet{chuldige
{toute Tyrannen, die (O God) oock roemen ;
dat fy Chriftenen zijn,voor defe onoverwinne-
Worgen en lijke Ridderen en vrome Getuygen Chrifti
ombrengen moeten overwonnen en befchaemt ftaen : dat
le bene h in allen dingen oock geen ander geweer; en
trooft tegen uytvlucht hebben; noch weten dan bannen ;
GodsWoort. vangen, pijnigen ‚ branden, moorden, en om-
brengen, gelijk der ouder Slangen gebruyk en
mâniere van den beginne geweeft is, foo men
aen velen plaetſen in onfe Nederlanden noch
Onfeleere dagelijks (och leyder) fien ende {peuren magh.
envruchten _ Siet, dit zijn onfen Beroepinge, Leere ‚ende
A —5* Dienft-vruchten daer over wy fo grouſamigh-
Keere che lijk gelaftert, en fo vyantlijk vervolgt werden :
vruchten _ Of niet alle Propheten , Apoftelen, en getrou-
Baarden. we Dienaren Gods ook gelijke vruchten door
haren trouwen dienft gebaert hebben, willen
wy geerne alle vrome laten Richters zijn.
Maer fo veel als mijn arm, ſwack, en onvol=
komen leven belangt ‚ bekenne ik vry uyt3 dat
ik een ellendig,arm fondaer ben,in fonden ont-
Pfalm 51. 7. fangen, en fondelijk uyt eenen fondelijken fade
geboren fegge met David: dat mijn fonde
Mijn gedachten,woorden en
fteets tegen my is.
werken overtuygen my. Merke en fie met den
heyligen Paulo, dat in mijnen vleefche niet
goets en woont : Nochtans moet ick fo veel in
mijner {wackheit
fte werelt onfe Leere (die niet onfe maer des
Heeren Chrifti is) met gedult horen, ende fel-
vige in reynerGods vrefe onderdaniglijk recht
nakomen wilde , bet foude ongetwijftelt wel
een Chriftelijker en beter werelt zijn áls het
Rom. 12, (leyder)nuis. _
Dar veele Ick danke mijnen
met my … heeft, dat ik met den
liek worden hate, en dat goede na Jage »
is mijn eenig ick die gehele werelt uyt ha
foecken.
— — —
— —
God, die het my gegeven
heyligen Paulo dat booſe
Ende wel wilde, dat
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Mede-broederen ; in vele |
den die onfuyvereniet |
roemen, fo defe boſe en woe-
er Godtloos boofe |
‘Paunfdom
— — ud
wefen , oock met mijnen bloede ontlo{fen, en
Chrifto winnen moghte,;mijnenGod van gant-
| {cher herten vrefens hief hebben, foeken en die-
‚nen, voor
hem recht en wel doen,en een onbé-
ftraffelijk vroom Chriften Zijn moghte, is aen
| fijn Genade alle mijn begeeren.
Hope door des Heeren barmhertigheit ende
hulpe, dat my oock niemant op den gantfchen
| Aertbodem eenes gierigen en overvloedigen
|
|
ten hul- | wandels met de waerheir ftraffen kan. Gelt en
rijke dagen heb ik niet, begerefe oock niet, hoe-
wel fommige (leyder) uyt verkeerden herten
feggen ‚dat ick meer gebraden ete‚als ſy ge voden ,
ende meer Wijn drincke , als {y Bier doen. Mijn
Heere en Meefter Chriítus Jeſus moefte oock
‘der verkeerden Wijnfuyper en Braſſer zijn.
| Hope door des Heeren genade; dat ick daer in-
ne voor mijnen Godt oníchuldigh eh vry ftae,
Die my met den Bloede fijner Liefde ge-
kocht , en onweerdigh tot defen Dienft befoe-
pen heeft , kent my ‚ en weet het , dar ick noch
gelt, noch goet, noch welluft, noch gemack op
| Aerden, maer alleene mijns Heeren priis;mijn
ſaligheydt, en veler Menſchen Zielen foecke.
Waer over ick fo overmate vele bangigheydt ;
druck, droeffeniffe , ellende „en vervolginge ,
met mijne arme Iwacke Vrouwe en klené kart-
derkens , nu tot in 't achthiende jaer hebbe
| moeten uytvoeren, my alomme in perijckel
mijns lijfsen veel vreefe kommerlijck onthou-
den, Ja wanneer de Predikers op fachte bedden in in
en kuffens liggen , moeten wy gemeenlijk in J —
verborgen hoecken ons heymelijk verfteken. Gemack en
Wanneer fy in alle bruyloften en kindermalen, eee
&c. mer pijpen;trommelen, en Luyten pralen, Een
moeten wy ons voorfien, als de Honden
baffen ; oft niet die vangers daer Zijn:
Daer fy Do&oren,Heeren en Meefters van
| een yegelijck gegroet werden , moeten wy ho-
ren, dat wy Maerdoopers, Winckel-predikers,
Verleyders en Kétters ‚en moeten in des Duyvels
naem gegroet zijn. Sommasdaer fy met veel gro »
te Renten en goede dagen heerlijk voor haren
dienft beloont werden, moeten onfe loon erì
deel, Vuur, Sweert ende doodt zijn.
Siet mijn getrouwe Lefer,in alfo een behaut-
heit, armoede, jammer , en perijkel des doots s
heb ick ellendige Man mijns Heerendienft tot
op deter uren onverandert uytgevoert , hope
die oock door fijn genade tot fijnen prijs uyt te
voeren; fo lange ik in defer hutten fweve. Wat
ik en mijn getrouwe Medehulpers nu in defen
feer {waren periculeufen dientt gefocht heb=
ben, oft hebben konnen foeken , konnen alle
welgefinde met werk en vrucht wel afmeten.
Wil dan hier mede den getrouwen Lefer om
Jeſus wille noch eenmael ootmoedighlijck ge-
beden hebben , dat hy my doch defe mijne at-
gedrongen Bekentenifle van mijner verlichtin-
ge , bekeetinge en Beroepinge ; in der liefden
afneme , en recht na duyde. Ik heb ’et uyr gro-
ter noodt gedaen , op dat die Godtvruchtige
Lefer wete hoe het gefchiet is» dewijle ick van
dèn Predikers aller wegen gelaftert , en fonder
alle waerheydt befchuldight worde, als dat ick
van een oproerifthe ende verleydift he Sette foude
werordineert ‚ eh tot defen Dienft beroepen Lijn.
Wie Godt vrecft die lefe ende richte.
MENNO SYMONS:
BE:
Des Werelt
Predikers en
Win MeNNo Sy MONs fware
le Godrfaliglijk willen leven ín Chrifto
Jefu, feghtden Apoſtel Paulus , die fullen
vervolgt worden : welcke woorden , alhoewel
door de onbefuysde boosheyt des werelds thans
mer veele voorbeelden beveftigt, ghy nochtans
op een byfondere wijfe bekrachtight fiet in het
voorbeeld van defen onfen Auteur Mezno Sy-
sons: want na dat hy op veelderhande manie-
ren van fijn wederpartijders vervolgt en nage-
jaegt was, foo hebben ſy, op dat haer boos voor-
nemen fekerder uytgewrocht {oude worden ;
een plackact laten uytgaen, waer by fy bekent
maekten , dat de gene die onfen Menno ofte een
der felver navolgers in fijn huys foude herber-
gen „ofte op eenige manier foeken te verfchuy-
len, de dood fchuldig verklaert foude worden ;
(a) Tjaert ’% welck oock gebleken is omtrent ”Jaer 1539.
Reynderfz ° — —
rot Teen- —— Reyndertfz, Huysman buyten
waerden ge- Harlingen; de welke , om dat hy Mezno Symons
doodt, om in fijn groote benautheyt eens in fijn huys ver-
* ae borgen hadde , weynig dagen daer na na Leeu-
bergat hadt, waerden gevoert ‚ en aldaer als een Godtloos
gd — Misdadiger, alhoewel ſelfs fijn vyanden van fijn
—— vroomheyt getuygden, op een Rad geworpen is.
Boekofol.129. Hier en boven {oo is’er in't Jaer 1543. op nieu
5 de Bloed- een (b) plackaet door gantfch Weftvrieslandt
Religie door uytgeroepen; waer by fy alle Misdadigers ; ja
Ridderus, {elfsdoodílagers, remiſſie haerder fchelmftuc-
che — ken, Keyſers genade, Vryheyt des Lants, en
en daer boven noch omtrent honderd Caroli gul-
gen Menno, dens beloofden, indien fy onfen Mezzo in han-
Bloed. Ton. den van den Beul konden overleveren » waer-
« 2 Tim. 3. 12:
der Doops-
5 — om fy hem oock met naem, perfoon klee-
‚ 2.Boeck dinghen gedaente, op dat haer Gebod des te
fol. 129 vaerdiger uytgevoert foude worden , aen de
— Kerckdeuren aengeſlagen hebben ; foo dat hy
der Tyan- niet een hutken of ftrooyen kamertje wifte te
nen en Tast bekomen; daer hy met fijn huysvrouw en kley-
fehiedenif- ne kinderen een jaer of half in kon ruften ofte
fen. woonen. Soo verhaelt Menno (c) felfs, dat in 't
zó,boeck, jaer 1546. op fekere plaets, daer men fich noch
ag. 1074.’ ° : * b
(c) Menno Euangelifche Chriftenen roemt te zijn) vier
Symons wooningen gelijck genomen en de eygenaer
—*— G.Fa- ontvreemt zijn, om dat hy een der ſelver aen
er. fol. 23de 1, 4
fijn krancke Huysvrouw en kleyne kinderen;
{choon by de Nabuuren onbekent,een weynig
tijdts verhuurt hadde; welke harde verdruckin-
ge onfen Menno gedwongen heeft fich na een
(d) Befchry- plaets te begeven, gelegen tuffen Hamburgh (d)
ed — en Lubeck, 6% à 7 mijl van Hamburg, en 3 mijl
EF Menno aen defe fijde van Lubek, een kleyne mijl ach-
lett ge-_ ter Oldeflo , weleer zijnde geweeft een groote
woont heeft; Tyke Boffchafie, maer tegenwoordig een ruym
zeftorven en \
egraven is, Veld , gemeenlijk het Woefte Veldt genoemt,
zijnde ter toebehoorende onder den Edelman en Heer-
—— likheyt van Vrieſenburg; welke doenmaels re-
hier eover fiderende Edelman een ſeer wreet menfch was,
Oldefloo na waerom hy ‘by elck oock ontfien en gevreeft
—— ierd; maer om dar hy in fijn jonkheyt veel in
af. nu en dan had fien dooden , was hy feer medo-
gende over foodanige; oock kennis van haer
yverig en getrouw voor: niet tegenftaende hem
— European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
mages duced inklijke Bibli
mn oe — uced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
BESCHRYVINGE
van de wegh de Nederlanden verkeert hadt , en om ’ geloof
gront hebbende; foo gaf hy haer met ooghluy- |
kinge vryheyt om te woonen , en ftont fe feer
wervolginge en de plaets daer hy het
Euangelium laet ff gepredickt hebbende geftorven en begraven Us.
dikwils van ’s Konings wegen geboden wierdt
die luyden niet te dulden , foo liet hy haer vole
gens ’s Koninghs bevel met een van fijn Die-
naers wel aenfeggen by Sonnefchijn op poene te
vertrecken, maer ftuurde echter een vertrouwt
Dienaer achter na , die haer de oorfaek van dat
bevel bekent maekten ; en liet feggen dat haer
de Manslieden 8 à 14, dagen abfent ofte in haer
huys fouden houden : Ondertuffchen foo wift
hy door de een of d’ander Hoveling dit weêr te
ftillen ; foo dat van alle kanten de Vluchtelin-
gen daer na toetrocken, tot dat daer eyndelik
een mooy gefelfchap ofte kleyne Gemeente by
een quam, en leefden daer vry geruftelik, yder
huysgefin ꝰs jaers maer 1 Rijksdaeler befcherm=-
geld opbrengende; fonder meer belafting; foo
dat het wel een byfondere beftiering van Godt
Almachtigh geweeft is; dat de Vluchtelingen
onder de alderwreefte, die van yder een Ontfien
wierd,fchuylen mogten en befchermt wierden.
Om welke reden onfen Menno dan ook goedt
gedagt heeft, gelijk gefegt is, fich na defe plaets
te vervoegen.
Vorders;na dat Menno Symons omtrent dartig
jaren uyt het Pausdom gegaen was, En dien tijd
afgodery en bygeloovigheyt,geleert en verkon-
dight had; hebbende fijn laetfte vermaningen
met de dood foo * fcheen op de lippen gedaen,
op het fiekbedde , tot teken van fijn onuytbluf-
felijken yyer, is wederom eenige dagen opge-
komen , doch terftond daer na op de verjaer-
dag , als hy uyt ’t Pausdom gefcheyden was, we-
derom invallende, is hy des anderen daegs,zijn=
de den 13. Januarii, des jaers 1561. op een Vry-
dagh in den Heere ont{lapen ; in't 66 jaer fijns
ouderdoms, en » gelijck in vervolgingh veel
pleegh te geſchieden, in fijn eygen tuyn begra-
ven : welke maniere van begravinge, volgens
aentekeninge van Hoorenbeeck , by de eerfte
Chriftenen onder de verdruckinge der Heyde-
nen oock gebruycklijck is geweett.
NOTA. Alhoewel dat de Martelaers Spiegel aente-
kent fol. 59. enT. van Bracht in fijn Bloedigh Tooneel der
Doopsgefinden 2.Boek, fol. 129. als ook meer anderen, dat
MENNO SyYMONs foudegeftorven zijn in't jaer 1559»
den 13 Januarii, foo hebben wy 't nochtans geoordeelt ge-
weeft te zijn in *t jaer 1561 om de volgende reden,te wetens
Om dat in een oude Befchrijvinghvan MENNO SY-
MoNs doodt het felve jaer van 1561. wordt aengetekent,
welke getuygenis wy waerfchijnlijckft geacht hebben, om
dat hy aen de twee Hooghduyt{íche Leeraers , Zylisen
Lemmekes, den 23 Januari» 1559 noch een Tractaetje ge
fchreven heeft, gelijk U E. in dit Boek fol. 450. kont fien ,
t welk 1o dagen na fijn overlijden foude zijn geweeft, in-
dien hy den 13 Januar.des felfden jaers 1559-geftorven was.
NOT A. Den Lefergelieve te weten, dat, fchoom
op eenige Af beeldtfelen van MENNO SYMONS VOOE
defen gedruekt, fijn Geboorte-jaer geftelt wordt geweeft
te zijn Anno 1505. wy nochtans het jaer 1496. genomen
hebben,om dat de Martelaers-fpiegel fol. 59. T. van Bracht
in’t Bloedig Tooneel der Doopsgefinden 2, Boek. fol. 129.
P.J. Twifck in d'Ondergang der Tyrannen en Jaerlijckfe
Gefchiedeniffen XVI. Boek fol. 1075 en G. Brandt in fijn
Reformatie, 1 V. Boeck ‚fol.187. gefamentlijk getuygen
dat hy int 66 jaer fijns ouderdoms foude geftorven zijne
Indien Mer NNo dan in’tjaer 1561. geftorven is » gelijck
boven aengewefen is, foo moet hy nootfakelijck in ’tjaer
1496. geboren: zijn, ofte foude anders in’t 56. jaer bios
ouderdoms al ontflapen zijn geweeft.
EEN
Menno Sye
mons Sterf-
dagh en bee
het Euangelium, gefuyvert van de Roomíche graveniffe,
Hoornbeek
Euthanafia
of Wel-fter-
ven) p. g0ze
9
EEN
FUNDAMENT
E N
KLARE AENWYSINGE
VAN DE SALIGHMAKENDE LEERE
TRA CHRIS TN
„Uyt Gods woordt int korte begrepen, over geſet
uyt dat Oofters, in defe onſe Nederlant{che (prâke, met fom-
mige ander leerachtige Boeckskens , by den Autheur
… desfelfs Fundaments gemaeckt, die voortijds
verfcheyden gedruckt zijn geweeft, hiet
nu by geftelt, endealfootot een
Boeck gemaeckt.
Edse e
se Keen cd ten —
DOOR
MENNO SYMONS
1 Cor. 3° 114
— aje
Daer en maghgeen ander Fondament geleyt worden, dan datter gelest ù3
t welck ús Jeſus Chriftus.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
tas Eet eend —
—ñ —— —
Aen den Leſer.
} leve Godtoruchtige Lêfer, maderrael ick aenmerche, dst defen onſen arbeydt , wekk? ick
3 OVEN ſommige jaren dat fondament der Chriftelijcker leeringe geintituleert ende met gedruck
Wz aen den dagh gegeven hebbe, veele vruchten door de genade Godes (den welcken daer woor
eeumwigh lof ende danck zy\ by fommige gebaert heeft „ ende Godts Heylige woordt, dae
foo lange werdonckert geweeft is, na onfe kleyne gave een weynigh weder verklaert heeft,
ende my veele goethertige kinderen met grooter liefde gebeden hebben; dit ſolve wedbromrme door te fien,
ende de incorrette plactfe „ die door des druckers onachtfzemheydt gefchoffieert zijn , ende den leſer dat
verſtant nemen mochten , met neerftigheyt te corrigeren, hebbe ick my daer toe laten bewegen, ende ale
foo gedaen „ ende hebbe op ſommige plaetfén moch meer woorden by gevoeght , dat doncker verklaret,
dart verdorven gebetert, dat onnodigh wegh genomen, den ffijl ende fprake in cen weynigh gefchickelica
ker formen verandert, op dat ick daer mede alſoo den goedthertigen lefer des te gewoeghlicker helpen en
de dienen konde, ende de verachte waerheyt by weele aengenaem ende bekent worde. Niet mijn Leſer
dat ick den eerſten grondt ende inhoudt verandert hebbe, Och neen, ick en hebſe niet verandert, dan
foo mey dunckt , in eenen beteren form geſet, ende met. meerder kracht ende klaerbeyt beweert, die Godt
wreefen, mogen *t rechten. Dat eerfte is Godts woordt, gelijck dit Iactſte, ende alle Wat dat eerſte leert
keert oock dit laetfte.
De Almachtige barmhertige Vader gunne ons door fijn groote genade smet defen onfen kleynen ende onz
geachten arbeydt ontalkicke weele vruchten woort te brengen in ontallicke veel duyfenden , Amenm
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
ee
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Biblioth
3197 B 28
. ngen — * — 0—
VOOR-REDEN.
Allen Overigheeden, ende allen Menfchen ‚fy zijn van vat qua-
liteyt , ſtaten, eonditten ende officien dat fy zijn , wenfchet M. S. wer-
lichtinge des Geeftes, ende de reyne warebekenteniffe tot denrijcke Godts
wan Godt onfen Hemelfchen Vader ‚ ende fijnen Soone Jeſu Chriffo onfen
Heere, welcke ons bemint heeft ‚ ende heef? ons gewaſſchen wan onfe fon-
den, met fijnenbloede. Hem ſy lof, eere , prijs ende danckbaerheyt inder
eeuwigheyt. | | |
A M E N.
43 eve Heeren,V rienden, en Broederen,aengefien wy uyt det Schrift
Ni ft leeren‚en met onderfoekinge bevinden, hoedat de Prophetien der
Ven) UIN NZ
kleederen , op dat ghy genade by hem vinden meught : Want hy is lanckmoedigh;
genadigh ende barmhertigh, ende vergeeft de overtredinge allen, dien die ware
boete doen, endezijn genadefoecken. Weeſt niet langer Jeroboam , Achab én.
de Manaffes. Maer David, Ezechias ende Jofias: Op dat ghy u uws beroepen
ampts in den grooten ende verfchrickelijcken dagh des Heeren nieten fchaemt,
die branden fal als eenen gloeyenden Oven, dieals ftroo ende drooge ftoppelen
verteeren fal alle die hier op Aerden onrecht ende gewelt gehandelt hebben :
Waerom wy in alder ootmoedigheyt aen u begeeren, Ja bidden om die verdienfte
Chrifti, dar ghy dochons Geloove, Leere ende voornemen grondigh wilt bes
dencken , ende ons doch nietergerachten, dan ghy Dieven ende Moordenaers
doet; die ghy niet fonder gewifle kenniſſe haerder faecken en verwijft, noch en
d A äi r icht 3
k, Den Haag.
tr EEE ——
VOOR-REDEN.,
richt; Onfen handelen is geen dieven handel , fy en geldet oock niet dat verganc-
kelijcke gelt ende goet, maer fy gelt God, ende Gods woort ons lijf ende ziele,
dat eewigh leven oft den cewigen doot. Daerom foo en fiet niet op de gewoônten
ende coftuymen der vaderen, oock niet opdes Werelts wijfen ende geleerden:
Want het leyt feer diep verborgen voor haren oogen , fy zijn alomme de geene ge-
weeft ‚die door haer eygen wijsheyt , Godts wijsheyt vanaenbeginne uytgeftooten
ende in den gront getreden hebben: Want Godts wijsheyt, welcke wy leeren, iseen
wijsheyt die van niemant bekent en wort, dan van die, die begeeren te leven naden
wille Gads, Sy is een wijsheyt die in verre landen niet gehaelt, ende in hooge Scho-
len nietgeleert en wort. Sy moet van boven gegeven, ende door den Heyligen
Geeft geleert worden , gelijck Paulusfeyt» Spreeckt niet in uwer herten: Wie ſal
opklimmen in den Hemel: Dat en is niet anders, dan Chriftum hier af te halen.
Ofte wie wil in den afgront neder varen: Dat en is niet anders dan Chriftum van
den dooden te halen. Maer dat woordt is by uin uwen mont ende in uwer herten,
dat is dat woort des geloofs dat wy prediken , namelijck, fo gy den Heere Jefum met
uwen monde bekent , ende gelooft in uwer herten, dat hem Godt opgeweckt heeft,
fo fult gy faligh worden. Daerom fo fiet op Gods woort, op dar getuygenifleen voor-
beelt der H. Propheten, des Heeren Chrifti, en fijnder Apoftelen. Laet die in defen
handel uwe Doétores en Leeraers blijven,en niet de eerfoekige leergierige Predikers
defer werelt, fo {ult gy wel haeft vernemen, of wy binnen of buyten der waerheyt
zijn, tot welcker herte en gemoet u allen moet helpen ende ftueren de almachtige
eenige ende eeuwige Godt, Hem fy eere; lof, ende danckbaerheyt , rijck ‚ kracht en
Majefteyt in derceuwigheyt. AMEN. CR |
Aengefien nu dan beminde, dat de Satarì hem kan verftellen als een Engel des
Lichts, en zaeyen alfodat onkruyt onder des Heeren Tarwe: Gelijk zweert, veel-
heytder wijven, ende uytwendig Rijck en Konink, en diergelijke dwalingen meer,
om welcker wille de onſchuldige oock veele lijden moeten. Daerom fo zijn wy vere
oorfaekt,defe aenwijfinge van onfen Gelooveen Leere aen den dagh te brengen. En
begeeren hier mede om Jeſus wille; dat wy doch foo vele genade verkrijgen mogen ,
datmen ons niet anders en wil houden en rechten dan na Gods Woorr, gelijk billick
enrechtis. Maer en mogen wy fo vele genade niet verkrijgen fo moeten wy dat den
Heere bevelen,die de eenige noothelper aller ellendigen is. Wy willen evenwel door
Gods genade by des Heeren woort blijven, en ons der fchrift trooften,die daer feyt :
Dit fpreeckt de Heere Godt, dieu Jacob gefchapen , en u Iſrael gemaekt heeft: En
vreeft u niet, want ick hebbeu verloft,en hebbe ugenoemt by uwe name, mijn zijt gy;
fo gy door dat water gaet, wil ick by u zijnsen de ftromen en ſullen u niet verdrenken,
en fogy doordat vyer gaet, en fultgy niet verbranden, en de vlammeen fal u niet
verflinden: Wantick ben de Heere u Godt, de heylige in Ifraël uwe Salighmaker.
Item,en vreeft u niet als u de lieden fchenden. En verfchrikeu niet als fy u vertſaegt
maken. Want de motten fullen haer eten als een kleet,en de wormen fullen haer ver-
teeren alseen wollen doek. Ik ben u troofter, wie zijt gy dan dat gy u voor menfchen
vreeft die doch fterven,en voor menfchen kinderen,diegelijk alshoy vergaen fullen.
Ook preekt Chriftus. En vreeft niet voor den genen die dat lichaem dooden ende
ziele nieten konnen dooden. Maer vreeft u veel meer voor dien,die lijfen ziel ver-
derven kan in de Helle. Wie hem bekent voor de menfchen , dien wil hy bekennen
voor lijnen hemelfchen Vader. Maer wie fijnder verfàekt voor de menſchen, die wil
hy ook verfaken voor fijnen hemelfchen Vader. Met't herre’ {preekt Paulus)gelooft
men tot'er getechtigheyt. Maer metten monde gefchiet de belijdinge tot’er ſaligheyt.
Aengefien dan de Schrift ons fo harde dringt beyde te geloven en te bekennen;en
fo lieflijken trooftet voor der menfchen verbolgentheyt,fo begeeren wy ook daer by
te blijven tot in den doot. En betuygen hier mede voor win Chrifto Jefu,dat wy gee-
nen anderen gront, geen ander gelove ‚noch geen ander leereen hebben noch ken=
nen, dan men hier int navolgende met goet klaer befcheytuyt des Heeren woort
lefen,hoorenenverftaen magh. AMEN. | FUN:
ean Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
mages reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Pag. 5
FUNDAMENT
—
KLARE AENWYSINGE
VAN DE SALIGHMAKENDE LEERE
JERS
RK LS EL
Van den tijdt der Genaden.
rang En eerften leven ton het gene
‚dat Chꝛiſtus Jeſus de lecract
AL PER dat woort deg Widerhooohften
© es s Godts felbe geleert heeft, alg
——
Joan. 3. 2
Rom.3.4. is / eenen tijt om op te waken upt den. flaeys
onſer leeliker fonden/ Dat wp een opvecht
omgekeert / vernieuwet / gebzooken ende
—5 herte hebben / dat Wp unt den gront
onfer fielen boo? Godt belagen onfen voorle⸗
den voekeloofen/ moettuilligen wandel ende
Ephef.4.22. leven Dat wp ín alder Godts vreeſe crupz
Gals. 23 cen ende flecven ong boofe fondelicke vleet /
aett ende natupre / ende met Cheiſto opftaen
in een gerechtigh / boetbeerdich ende nieuw
Mare. 1. z5. weſen / gelijck hp fent : Den tijt is verbult /
| ende Dat rijſie Godts is na bn gekomen / betert
u ende gelooft den Euangelio
Den tijt is vervult / Dat is / Den beloofden
genaden tijt naekt / den tijt bande berfchijz
3J Sen. 3. 15. ninge des beloofden zaets / Den tijt Det verloſ⸗
Coll. i. 55e ſinge / Den tijt des Offers / met welcke gez
4 beedigt foude wozden / alles Wat inden Hem̃el
ende opter aerden is, Den tijt der ——
ban alle letterlijke / / beeldelijcke handelen /
een nieuw geeftelijcht weſen / ende blijvende is
waerhent / den tijt/ op welcken de Vaderen
gehoopt ende met veel tranen begeert hebben :
Heb. vr, 13. Gelijk Jacob / Moſes / Eſaias / David / Da:
niel / met alle Patriarchen / Daderen ende
Pꝛopheten / Die Defen tijdt Doo? den geloove
ban bezte gefien/ gehoopt / ende haer Daer op
Löe.s. 29. bertrooſt hebben ; Ja ſp is den ſebbigen fo hoo⸗
gen blijden trooft geweeſt / dat de goede Si⸗
meon niet langer en begeerde te leven / als hu
dien tijdt bekent / ende den Salighmaker gez
fien hadde / ende fpzeecht D Heere laet uwen
linecht na uwe woorden in bzede / Want mijn h
oagen heben gefien uwe Salighent / dat gp
— hebt voor dat aengeficht ban alle vole⸗
en
K Deſen tijdt is verbult / He Pzophetien der
Pal. s. 7. Pꝛopheten / ende De beloften der Vaderen gaen
Elis 5. nt haren bollen ſwanck ende kracht / den gez
‘ 7 vworen Eedt is volbracht / Iſrael heeft fijnen
—— s. Boninck Dabid / Prince ende Vorſt ontfan
pal.44-7- gen / Die als een Gighant oft Reuſe hem opge⸗
maeclit heeft om te berenden ſijnen loop / fij-
p nen uptgancht ís banden hoogen Hemel / de
woordt fijns Daders heeft hy berkondight den search, à +
fijnen een voorbeeldt der vebnder lief De) enz oem
de eens onbeſtraffelijcken lebeng achter gela- Toan,13-t.
ten ende geleert / den ſtercken heeft hp oer: *” *3
wonnen / des Dupvels Kracht ende gewelt
“datter nueenen tijt Ber genaden vernielt / onfe fanden heeft hu gedragen / den
| doodt bernietight / Den Dader verſoent / genaz
de / gonfte/ bevinbeetighent/ dat eeuwige les
ben/ vijcke ende vrede allen uatberkoten Gods
kinderen verkozen ende verdient / Ende is
alfoo ban ſijnen eeuwigen. ende almachtigen
ader ingeſet / een almachtíigh geweldigh Kaz.
nick over den bhepligen Bergh Bon / een PAL 4,
hooft der gemepnten / een bediener. ende upt-
renlier der hemelſcher goeden / ja een Almach⸗
tigh gewelt-hebber ober al/ ín Hemel ende op
aetden geworden. Ende dat {8 ’t dat hiet
Chꝛeiſtus fpzeecht : Den tijdt is ver ⸗
de dat tld Gods is —* —— bn
Ack beemane u metten hepligen Paula ut
medelijden der getroutwer heeten / dat hp
doch den tijdt der genaden waer neemt ende
een goede achtinge op des Weeren woord hebt /
dat Daer fpzeecht / ict heb u ín den aengenas 2 Cor. 6.
men tijdt verhoort / ende in den dagh der faz
lighept heb ick u geholpen. Neemt waec/ nu
i8 t eenen aengenamen tijdt / nu í8’t eenen
dagh der ſalighent. Laet ons nu (ſpreeltt Pau⸗
lus) niemandt ergerniſſe geven / op dat onſen
dienſt niet gelaſtert enn worde: maer laet ond
ín alle dingen ong bewijfen als dienaers Gods,
In beele verduldighent / met druck / met anaft/
‚met flagen/ met gevanckeniſſe / met oproer /
(berftaet die ober ong gefchiet) met atbept /
met waken / met vaſten / met kupshent / met
kenníffe / nt lanckmoedighent / met vrien⸗
Delijchhent wet Den hepligen geeft / met onz
geverwede liefde met den woorde der waer:
| ept / ntetter kracht Godts / door wapenen
Der gerechtighent / ter vechter ende ter flincket
handt / Doo? peijg ende ſmaetheyt / daor quact
gerucht ende goedt gerucht / gelijck verlepderg
nochtans waerachtich / gelijck de onbekende /
nochtans bekent / gelijck die ſterben / ende fiet
Wp leben / alg geflagen / nochtans níet gez
doodt / als die treuren / nochtans altijdt vzo⸗
lijck/ alg die arm sijn/ nochtans veei vijck
‚maken / alg díe niet en hebben / nochtans alle
dinck befitten : @ abn lieve Beeren / vienden/
ende bzoeders mijnen mondtyheeft hem tot
gefalfde die is gekomen / die ban allen vole u open gedaen/ mijn herte heeft hem ob
| ken begeert was / met dat f weert Des geeft | u untgebzent /om uwen ’ wille ben ch feet *
begort om fijnen lendenen / cidBerlijk ten fleij- dzoeft / dat ghu foo geheel onachtfaem zijt f
de berent. Dat Cuangelium des Ricks / dat lende niet —* en aenmerckt van welckerien
3
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
bolck
Bi
volck defe klare duntlijcke Sch
Apoc. 10. 6.
Matth.2 5.11.
_gock (na mijn duncken) wel blijven totten enn
de toe. Want het wil met veel lijdens beweert
Apoc.13-8.
Luc.24:6.
Joan.17.25*
nu dat Hooft felbe alſulcken marteliſatie / pijne /
hier vrede ende bephent in den vleeſche ver⸗
Matt.10,22.
Rom.8.35.
nieten bevepden / die willen te fpade komen /
níet bedrogen en wort. Ick hebber wel ſom⸗
giften geſchre⸗
Ben zijn/ dat ghu des Heeren woordt ſoo gants
ende geheel veracht / ende laet den edelen kof:
telijchken tijt der genaden / die u ende ons al⸗
len ter beteringe van Godt gegeven is / foo
ſchandelijcken wech gaen / ende op geen din⸗
gen en achtet Dan met gantſcher herten te le:
gen naee Die onvepne Godtloofe luſten uwes
vleeſchs ende uwe knien te bupgen voor den
ftommen Afgoden. Och het waer Wel tijt op te
waken, Gedenkt doch dat Den Engel in Apo⸗
calipſi / bp Den eeuwigen ende levendigen Godt
díe Hemel ende Verde gemaekt heeft / gezworen
heeft / Dat na defen tijdt genen tijdt meer weſen
eu fal; Men kan niet anders upt de Schzift
merclien oft dit is dat laetfte feeft Des Jaers /
de laetſte uptroepinge Des Heyligen Euange⸗
liums / de laetſte eÿſſchinge tot de Bzuploft
Des Lams / die noch voor den grooten bert:
ſchrzickelijcken dagh des Heeren gevpert / ge⸗
pꝛedickt / ende geheylight moet warden. Waer
mede by avontueren de Somer doorgaen / enz
de de Winter boort komen ſal: die nu haer
Lampen met Den Dwaesachtigen Maeghden
te bergeefs kloppen ende bupten der deuren
blijven. Pierom en vertrooſt wander malktanz
deren niet met een onnutte trooftinge ende onz
ſelier hoopinge / gelijkt de ſommige doen / als
dattet Woort noch ſonder Crupce ſal geleert
ende beleeft worden. Ick mepne u die des Hee⸗
ten Woost bekent / ende niet daer naleeft. O
neen / het ig het woort des Crunces / het fal’t
ende metten bloede befegelt zijn. Dat Lam is
gedoot ban den beginne der werelt / Jae hp en
heeft niet alleen in ſijn ledematen geleden /
maer hp heeft oaclt door krups ende doot ſijn
heerlickheyt moeten innemen / die hp eenen tíjt
lanck om onfen ’t wille verlaten hadde. Heeft
ellende ende ſmerte moeten lijden / Moe Willen
dan fijne Dienaren / kinderen ende ledematen
wachten. Hebben ſy den Dader des Hupsge⸗
fins Beẽlzebub geheeten waerom dan oock
niet fijn Pupsgenooten : Alle die Godſaligh
willen leben ín Chriſto Jeſu fept Paulus moe:
ten vervolginge lijden. Gp fult gehaet worden
ſpreeckt Chriſtus van alle Fans voor mijns
naems wille. k
Hierom fo ſcheurt de fchadelijcke gedachten
tut uwer herten/ om te haopen ap eenen ande:
ten tijt / op dat ghu dooz uwe valſche hoopinge
mige gekent / die op eenen Dapen tijt hoopten /
maer ſy en hebben fo lange niet geleeft / Dat ſp
de hoopinge verkregen hebben / Ga hadden
de Apoftelen ende Daderen daer op getoeft / fo
moeſte Dat Euangelium Des Nijcx tot nu toe
gezwegen / ende Des Weeren woozt ſtille gehou⸗
den hebben.
Och waert gy Chziftenen ende Gods volck /
gelijck ghn u roemt / ghn foud feagen metten
Hepligen Paulo : Wat ſal ons magen affchen-
den van De liefde Gods: want Pleeſch Dup-
bel Sonde / Welie / doot waren al berwonnen
daer en ſoude geen begeerte meer zijn / om lan⸗
Gal.6.16.
ger ín deſe berbijfterde/ arge bloetgierige Werelt
te blijven /wp en fouden ong ooclt van gene Dinz
gen roemen / Dan ban Dat keunce Cheiſti / ende
—
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
danckbare / ongehoorſame bloetſimgende Je⸗ ai45 8.
ruſalem niet gelijck zijn/dat de Godlijckte vrede
de Wemelfche genade) ende de barmhertige berz
ſoelninge / mt fo verkeerde finnen ban hem gez
ftaten heeft: Maer laet ons op Waken met
nuchteven herten/en haaren deſe roepende ſtem⸗
me/ en opftaen fn deſen bequamen tijdt upt den
Diepen flaep onfer leelijcker ſtinckender ſonden.
Want de Heere is na bp / den nacht is vergan⸗
gen / den dagh die naeckt. Laet ans nù ban
ons afleggen alle wercken der dunſterniſſen / Kom. i3. 12.
ende aentrecken De wapenen des lichts / op dat
wan eerlijck mogen Wandelen / als bp k
lichten dage / níet in bzaffen ende ſunpen / niet
Van Oprechte Boete,
Lan gantfeher herten met Paulo begeeven / dat Phil.1.23.
wan ban defer Putten mochten ontbonden zijn /
ende met Chꝛiſto te leben.
Ick wenfche ban herten / dat ghy wilt op
walken / ende en Wilt níet hopen noch wachten
op eenen anderen tijt: maer wil de genadige
Dader ong eenige behept ende breede geben Dat
willen op ſeer geerne in aldert danckbaerhendt
van ſijnder genaden hant ontfangen: Maer
wil hu niet / fa moet fijn groote name gelooft
blijven eeuwelijck, Wp hebben den aengenaz
men tijt der genaden al berkregen / den dagh
der falighepdt is hier, Laet ong nu dat on- 2 Cor-6:5-
Luc. 13. 32.
aren
ín Lameren ende ontüucht / niet ín haet ende
nijdt : Maer fact ons aen Doen den Heere
Jeſum ECheiftum ende niet Doen na des
gleefchg forme / am te boeten fijnen luſten.
Gen pegelijck fie Boo? hem ende en flacpe niet /
bn wachte op fijnen tijt die hem upt genaz
De ban Godt tot beteringe gequnt ende gez
geben is / Ecce nunctempusacceptum , Ecce à cor.ó.2.
nunc dies falutis.
Van Oprechte Boete.
T En tweeden vermanen Lup u met Chꝛiſto / Mat 1:25:
ende feggen/ Betertu/ ende gelooft den Natt. 3.3.
Euangelio. O gp trouwe wooꝛt der genaden/
@ qu trouwe wooꝛt der Godlijcker liefden / gu
wart in Boecken geleſen / met liedekkens geſon⸗
gen ende oolt met mont / leben ende doot gepze⸗
dickt ende betungt ín bele landen / maer inder
kracht en willen fs evenwel uwer niet. Ende
dat meer is / alle die u recht leeren en aemmemen
moeten alle mans roof zijn. Ach liebe Heere / het
en wil ons níet een hapz baten/dat wp Cheiſte⸗
nen genaemt werden / ende ons ban Des Heeren
doot / bloet / berdienfte / genade ende Woost bez
roemen / foo lange alg Wp ons van dit Godts
loog / ontuchtigh / fchandigt leben niet en bez
eeven. Pet is al om niet Dat wp Cheriſtenen
heeten / dat Chriſtus geſtorven is / Dat wp in
den genaden tíjt geboren / ende met Water gez
doopt zíjn / fa lange Wop na ſijn bevel / vaet/ bet:
maninge / wille ende geboden níet en wandelen /
ende fijn woort niet gehoorſaem en zijn, Daer⸗
am fo waeckt op / ende fiet eenmael toe / hae
Daer ober alle de gantſche Werelt geïeeft wozt.
Bp en bebint innners niet aen allen epnden /
dan een onnatupslijck braffen ende ſuppen /
Wuciferfche hooghmoet / liegen / bedstegen/ —E—
gieren / rapen / haten / nijden / overſpeelen / Mic 6.14.
hoereeren/ Krijgen / moozden / Worgen / Pze4rt-
enchel gevennſtheyt / openbare Gods-lafter /
afgoderpe / ende eenen valſchen Godts-dienft.
Sonrma/ upt allen krachten te ber volgen alles
wat Bodt leert / gebiet ende hebben wil. - Wie
magh
—
— nn rn a vd
Van Oprechte Bocte. 7
magh doch dat verſchzickelijcke groutwelijctte | olie gefalft / oatmoedelij
| * sch bn ſijnen baeten ge⸗
ee wis tegenwoordiger werelt vertellen: | feten/ ende gehoort na fijn gebenedijde as
h daor) wiken fp eventuel De heplige Cheiſtelijje Dit zijn de weerdige beuchten der boete / die
|
Komr.3a eeche genoemt zijn / O neen / die fiulclie were⸗ Den Veere acngenaem sijn. Wactam o |
| Galy.ro, Fem Doen (fpreekst Paulus) en fallen niet be-er- Dabid gefent — als Dat de Meere — hie
Ephels.s. ben dat Nijcke Godes, O op Mannen waecht van hein genomen hadde. Petra wert verkon⸗ |
$ op/ ende fiet voor u / Want aldus ſpreeckt Des dight dat de Heere van der doot verreſen wag. Marc.16.7-
Jeans. h ceren mant: voorwaer / boorwaer ſegge ickt Mattheus is vooz een Apoſtel acngenomen. | |
jaer. u / zen fr Dat op ban boven gebooren \vort / gu Zachea ís gefent/ dat hu Abrꝛahams Soon ger Luce 19.9.
1 Per.rag. «EFWE Dat vijctie Godts níet fien. Gtem/Daoz- | worden wag. Ende Nagdatene/dat fin dat befte MSS
en 10.3.
|
Joan.s5. waer / voorwaer ſegge ick u / ten fn dat gp het: | Deel hadde 1mtverkoren dat nimmermeer van SL —8
|
/ boven wat unt Water ende Geeft / qu en fuit | Haer faude genomen worden. Ende dit ís he
ds rh ME L 2 ’ s het loan.81r.
4 niet in gaen ín t rijck Gods, Item / Vooꝛwaer | woot/dat Chziſtus tot de Overſpeelſche —
| boozwact ſegge ick u / ten ff Dat gp wort omge⸗ we fende / dat fa in bzede foude gaen / ende niet
| —— gekiee tt/ ende wozt als kinderen / fo en mooght | meer fondígen.
| ttds gp Mo tdemelrijckt niet komen, Wat helpet | _ Aidusdanige boete leeren tun / ende geen ans
| datmen bele van Cheiſto en fijn woort ſpreeſit / dere / te weten / Dat hein niemant Van Gods
| als wm Chꝛiſto niet en gelooven / ende nae fijn genade / ban quiijtfeheldinge fifnder fonden /
woozt niet teven en Willen: Ick fegge noch bande berdienften Chrifi, Godfatinhli
eens / waecht op / ende fcheurt dat berbloechte , kan ende sign el fe al moet —
ongeloobe / met ſijnder ongerechtighept upt Ware boete bevonden worden. Het en is niet Luce 3.7.
uwe herten/ en grypt aen een bzoom boetveer⸗ genoegh dat won feggen/ Dat un Abzatatng Maers-o.
Lucer34. digh leben/gelijk de Schrift leert. Want Chzí- | hinderen zijn/ dat ig Dat Wp wel metter na -1°*d39- |
ſtus ſpreelit: Sogp geen boete en Dact/fult ap men Chriſtenen geroemt worden / maer won |
alle bergaen/ verſtaet niet ban ſodanigen boete) | moeten Abrahams wercken hebben / dat ís/ton
| gelijkt de verdoolde Werelt leert ende gebammkt / moeten wandelen gelijck alg alten waerachti⸗ 4
Die alleen ín eenen unterlijſten ſchijn ende men⸗ gen kinderen Gods van deg Heeren woort ops
ſchen gerechtighent gelegen is / gelijck als hun⸗ gelent ende bevolen ís / als Joannes fent : ſeg
* | chelſche wijſe te vaſten / beevaerden te loopen / gen wy Dat wp gemennfchag met Godt heb:
| heel Pater · noſteren ende Ue Marien te leſen / ben/ ende wandelen nochtans in dupfteeniffen/
je bel Miſſen te haoren/ Pauſelijcker wijſe te | faliegen Wp / ende en doen de Waerhentniet. _
Biechten / ende diergelijcke hunchelne meer. | Maer foo wp ín’t dicht wandelen / gelijck ja : roan...
8 Waer af Chriſtus de Deere ende fijne Heplige ' {nt licht is / fo hebben Wp gemepnfelhap onder
— Apoſtelen niet een letter geleert ende bevalen |malkkanderen/ende dat bloet fijns Soons ef
en heben / ende daerom niet cen Dûenoffer / | Chziſti reymight ong van alle onfe ſonden.
—* maer veel meer een terginge ende verweckinge Ick vrage alle mijne Hefers / oft fn oock ont
/ des Godlijcken taoms is. Het zijn De ormutte inder Schaiftgelefen hebben / Dat een onbactz
Î ende vruchtelooſe leeringen en geboden Der veerdigh beeftockt menfche/ Die Godt ende
menfchen/ den berolaechten betooverden Wijn Gods woort níet en vꝛreeſt / die aertſeh / vleefche⸗
Apoc..ꝛ. der Babplonifchee hoere / met wellen Dooz lijck ende dunvelſch gefint is / ende na fijn moet⸗ |
Godts vecht veerdige toorn / foo menigh honz| wille leeft / een Kint Godts ende medegenoot
E dert jaeren gedzoncken hebben die op aerden | Cheifti genoemt wort / Ick menne immers /. _- J
woonen. Maer op ſpzeken ban een boete) Die | fn moeten neen feggen. Haer die haer ban Pe Onboet- J
Ktacht ende werck heeft / gelijck Joannes de | herten van den quade afwent / ende Dat goede KE 5 |
Matt3.8. Dooper geleert heeft / ende fpzeecht : Diet toe | aenneemt / dien Wort door de gantſche Schrift de genade, |
Luc.38. doet oprechte vauchten /ban boete. Endenckt | Des Heeren genade verkondight gelijck de zo:
k niet bp ufelven te feggen : Wp hebben Abra⸗ | pheet fept : Waſcht u/rerniahtu/doetuboog — |
—* ham tot eenen Dader. Want de bijle is aen De | weſen ban mijnen aagen : Laet af vant qua⸗ Ela16. 4
4J Woꝛtel des Booms geſet. oo wat boom die De / Meert wat goet doen / ſtaet na ’t geene dat 8
| geen goede vruchten brenght / ſal afgehouwen recht is / helpt den bedruckten/ doet den Wee- |
ende inꝰt bper geworpen waden. — - | fen vecht / helpt der Weduwen faecken / komt
J Siet goede Hefer / aldusdanigen Boete lee⸗ | dan / ende laet ons te famentechten / ſpreecut
/ ten Wj/ te weten/ dat wp dat oude Goddelooſe de Heere. WI waren uwe fanden bloet· root/ fa |
| efen moeten affterven / ende nae De luften Der | ſullenſe doch als finceu wit worden / ende al was
k fanden niet meer leben / ende doen / gelijck Daz | ten fp oock fchoon als Hozijn berte / foo ſilen |
( Romer. _ bid gedaen heeft. Want als hp om fijn Ober: | fia doch als witte wolle werden. Ktem : Wan |
1 Coll5.s. ſpelende om Des Volcks tellinge Dao? den zoz | neer hem de Godlooſe bekeert Gan atie fijne |
/ Ered pheet geffraft was / heeft hp bitterlijk geweent | fonden Die ha gedaen heeft / en haut aile mijne Ezecher- |
tot Bodt gefcheent/van ’t baofe afgelaten/ende | rechten / ende doet vecht ende wel / fa fal hie:
ſulcke Goddelooſe grouwelen niet meer gean: | ben ende niet ſterven: Ale fijne overtrcdinge |
Matta6.68. delt. Petrus ig eenmael dootlijck geballen/en: | die hn gedaen heeft / en fal niet gedacht werden.
Maur.9.9. de niet meer. Mattheus enig nae fijnder bez Hier bn foo leeft ende anderfoeckt de gantſche |
Luce 19. roepinge níet weder fn fijn onde leven in getre⸗ Schaift/ de waerachtige aentwijfinge ende gez |
É Den. Zacheus ende dat ſondige beouwken en | tungeniſſen der henliger Propheten / Apoſtelen | |
8 hebben haer níet wederom met de ontepne | ende Euangeliften / ghu fult m alder klaechent —— |
|
ace i988. merchen der dunſterniſſen vermengt. Maer bevinden hae deſe Godfalige boete met ernſte — 9,
Die van Zacheo berongelijckt waren / heeft hu gedeeven ende aengenomen maet werden / enz Luce 57:
Í verſoent / den ellendigen ende armen heeft hp | de Dat fander Defe niemant (mt Bijchse der Pez
ij Tucez.37. met de helft fijner goeden vertrooſt. Ende dat | melen komen en magh / geen genade en ís / noch |
| enz0.39. bzouwlien heeft feer bitterlijck geweent/ met verhoopt en magh Worden eeutwelijcks. |
\ haten tranen deg Weeren boeten gewaſſchen / Koztelijck / Dit Artijckel leeren ende Drijven —
í met haren hapre gedzooght / met hoftelijclie | kop unt des Heeren woort / fo bele ín ans 1s/ om 4
| òf J
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
r Toan.z. Tse
Coll. 3. 10.
‚ Ephef 4,23
Ephef.4. 22
Gal.s.16
1 Cor,13. 13:
Gen, 3. 23
Toan, r. 14.
3: 13e 6. 62.
Ephef.4.9°
Matt.27.48
Mar.15.39
Gen.4.11
8 Van Oprechte boete.
teeken De wapenen des lichts. De Werelt
niette belagen / noch al watter in is. Ant te
treclken den ouden menfche met fijne werckien /
ende aen te trecken den nieuwen menfche / díe
daa? Die kenniſſe vernieuwt wazt na dat gelije =
fe beelt des geeneg Die hem aefchapen heeft.
“fa af te leggen Den ouden Adam met
fijnen geheelen aert / Die Daer wandelt na De
luften Der doolinge / gelijck daer is hooveer⸗
dighept / gierighepyt / onkupshent/ haet /
nijt/ braſſen / ſippen / Afgoderne /Ec. En⸗
de aen te trecken den nieuwen menſche / die
na Godt geſchapen is / in gerechtighent
ende Gepligheptder waerhent. Welcks vzuch⸗
ten zijn) geloove / liefde / hoope / gerechtig⸗
hept/ tozede/ vzeught in den Henligen Geeft)
fn lifden geduldigh/ barmhertighent / lijdt:
faembeyt / kupshent/ ende eenftigen haet /
ende beftraffinge Der ſonden / ende een oprech⸗
te heetelijchke gonfte ende pver tot Godt / enz
De Godts woort / Ee. Noch fegge ick ander:
mael: Defe Baete leeren Wap oprecht / vrucht⸗
baer / ende den Heere aengenaem te zijn / NAC
intwijſen van Godts woort. Wiefe ban herz
ten aenneemt ende tat den eynde daer ín blijft /
Die verblijde hem ende dancke Godt / het eynde
is Dat eeuwige leben. Maer Wiefe berftoot /
ende niet en Wil / Die fn gewaerfchout / Want
het epnde is De doodt.
Gplieve H. B. ende B. Wilt doch eenmael
grondigh ende recht behertigen / wat het zy /
ende ín t eynde medebzengt / des Heeren gebo⸗
den / fo moetwillighljck te overtreden / ende
fo ſtautelijcken te ſondigen tegen Gods woort.
Adam ende Evaen hebben maer eeng Lan den
verbooden boom gegeten tegen Des Heeren ge⸗
bodt / daevam ig de Aerde vervloeckt in fijnen
atbept: In ’t3meet fijns aenſchijns moefte
hu fijn bzaot eten fijn leefdage. Eva ende haer
dachteren moeten ín fimerte baren / ſy moeten
deg mang Weerfchapppe onderworpen ſtaen.
Sp Werden unten Paradijſe gedzeven ende
moeften met alle have nackomelingen weder
totten ſtof inkeeven / Daer ſy of gemaeckt Waz
vent / Daer en was oock geen bergebinge noch
tvooft det genaden te verkijgen / oft Dat eeu
wige woort Godts / de eeuwige Gods Sone /
moefte van den Hoogen Hemel afkomen/ ende
menſch worden / hanger / verſoeckinge / el⸗
lende / martelifatie / Cruns ende doot lijden / ge⸗
lijck de Schrift leert. O Heere ig deſe eene over:
tvedinge fa hooge bj Godt ge wegen / hoe wil ’t
Dan met Die toegaen / Die des Weeren Heplige
woot / berbont / Wille ende geboden al haer
leben lancſt fa hooveerdelijck bevrachten / niet
eens haer ſonden ende ſchult en bekennen / hae
wel fn ban den hoofden totten boeten ſoo bol
aller oͤbertredingen ende fondeu zijn.
Cain was vervloeckt ende een bluchtich bal⸗
linck op der Aerden fijn Leven dage / om dat ha
fijnen onfchuldigen broeder Abel ſoo nijdelijck
verwozget hadde. Ach lacp Wat vaet Den gez
nen die noch dagelijckg fonder eenigh medelij-
“ Den ende redelijcktent / de onfchuldige vzome
Abeliten / die Chriſtum ende dat eeuwige leben
met bperiger herten foeckten / fo ongenadelijckt
uptroenen / vervolgen / berooven ende Heze |De feght niet Dat Abraham u vader is / Dat gh roan. 8. 59.
mo oden.
Godts Geeft niet ſtraffen cn lieten / en alle
haers herten gedachten altijt tot quaet waren.
Bedenekt nu eemmacl / met welcherdep luften
de houwelijcken Defer Werelt nu begonnen
woden. Jae gelfjeh De Peerden ende Munlen /
hoe men den Hepligen Geeſt ſchent / laſtert en⸗ zer; ro. zo.
de bedroeft / ende hoe ſy alle opten berlteerden EpneL4. zo.
wenk wandelen / welckes uptganclt/ Den gez
wiffen inganck ín ’t Uck Dev Hellen / Jae de
eeuwige verdaemeniffe ende doodt is.
Sodoma en Gomorra met haven omliggende Ger-:8 20.
Eze.16,48.
ſteden / zijn om haer der hoogmoet / overdaet /
onbermhertigheyt en onbehooglijke grouwelen /
metten pere Des grimmigen Corens Godts
gerbranden verſoñcken in Der hellen afgrant.
Ach / ach / wat wil doch ín Den groeten en bere
fcheichtelijchen dagh / Wanneer De Heere in fijn:
der heerlijckhendt berfchijnen fal/ ober deſe el
lendige menſchen kamen / welclier hoogmoet /
prael / overdaet / gulfighepdt/ Curannie /
bloetdorſt/ overſpel/ Hoererne / Noomſche
grouwelen /geen herte begrijpen / geen tonge 8ow. 124
r.Tit.t;10.
uptfpzeken / ende geen handt befcljgpben kan.
Korah / Dathan ende Abiram / hoe Wel ft Num. 16.33.
Abrahams zaet waren / ende aoclt cen deel
ban Heví geboren / om Dat ſy tegen Moſen
ende Varan opffonden / ende ongeroepen in
dat Priefterlijckte Ampt teeden wouden / zijn
fin met haren gantfchen Wotte in Der acte
den lebendigh beefoncken. Overdenckt doch
eenmael wat dan onſe Koriten ten laeſten over
komen wil / de welche Bodt nopt gekent en
heeft/ noch veel weyniger gefonden heeft / ens
de Welcker Ampt / beroepinge ende dienſt /
níet upt odt ende Godts woort / maer nae
uptwijfen allee ſchrift upt den put des af-
gronts / ende unt den drake ende beeſte zijn /
Die met have vervoerde leere Babploonfche
tooberve ende hunchelſche leven / fo menige
Moſen / Yaron ende Cheiftum/ uiet alleen en
gerachten/ maer dock fchelden/ vervolgen /
Cruncen ende dooden.
Sores de trouwe dienaer Godts en mocht Num. 2.12:
niet komen ín ’t beloofde landt / om Dat In een⸗
mael twijffelmoedigh was aen Des Weeren
woort, Poe Wil doch dit ongelovige berkeerde
ende herneckige geflachte ín Dat eeuwige bez
foofde landt ende heerlijckhendt in komen / dat
des Weeren woozt / dat lieflijcke Cuangeliune
Jeſu Chrifti/ niet alleen niet en gelooft ende
gevacht / maer oockt bitterlijckte hatet ende ver⸗
bolaht: Chꝛiſtus bloet met voeten treedt / ſijn gebe. vo. 20.
oaren boor de waerkepdt toeftopt / ende hen in fry 5 *
geender maniere leeren enlaet/ noch metter
waerhent noch met deſen onſtraflijck leben der
Hepligen / noch met dat onſchuldige bloet der
getumgen Yefu/ dat ſoo overbloedigh Ya
ob.6. 14⸗
Pet.2.9.
Apoc.q9.5.
als water in bele landen uptgeſogen ende ber: Tac. 4. 5.
goten wodt.
OD qu ellendige menſche / die fa geheel mis⸗ Gar. 6.5.
tiraeckt ende janmmerlijckt toor uwer Godt
ſtaet / merckt op deg Weeren woort / repnight
dijne bloedige handen / ende Dat ontepne on:
geloovige herte / ende beſpot niet langer de
| genade Godts met uwe onnutte roemen: enz
5 ziele verboeren/ ende dert oprechten
een
evers. vr. fte houden ban de vleeſchelijcke luſten Die te | De gantfche wijde wervelt verdranelt in den Gen. 6. 2. 3
Gals gen De ziele flvijden/ am dat Vleeſch te crupe | water / om dat de kinderen Godrg ma Dee 7 228. 21.2 |
tom, He 2. gen met luſten ende begeerten. menſchen dochteren fagen/ datſe ſchoon Waz I
Rom 15. 12 Hem deſer werelt niet gelijck te makken. Af ren / ende namen tot vzzouwen / tot welcken In
te leggen de werken dev dunpſterniſſen ende aen | fn luft hadden. @Oack/ om datfe haer van '
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ier.7.4.
Sap.4-4-
Sap. 5-15»
Plan 33.18.
r Petri 3.12.
Joan.1 5.14»
Mal.3.6.
lac.1.17.
Exod.20 6.
Hebr.10.3 1.
à Cor.6.2.
Efa.49 8.
Matter. 15.
Matt.7.17.
Matt.3.1o.
„Luce 3.9.
loa.15.6.
Marci r.rs.
Merckt wat
Euangelium
te eggen is.
Rom.4.18.
Pfalmst.19.
Rom.3.4.
Titum 1.2.
Gala 7.
loan.s 24.
Hebr.4.r 1.
loan.7.38.
Rom 8.14.
Matt.r 4 je
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
een kindt Gods zijt dat Chriſtus voor u geſtor⸗
Ben is / ende dat gu u op fijn beembertighent
betrouwen wilt. Betrouwt u niet op leuge
nen / ſpreeckt Jeremias / fegt niet : Wier is des
Heeren Tempel / des Heeren Tempel / des
Heeren Tempel. 't Én gelt niet / dat Chriſtus
geſtorven is / ende dat Wp ong nae fifnen naem
noemen laten / als Wp Dat oprechte weder ba:
vende krachtige geloobe aen Chriſtum Jeſium /
De repne ongeberwede liefde / de goet willige gez
hoorſaemhent / ende Dat bzame onfiraffelijcite
leben niet en hebben / Godts bermhertighent
(fet de Schrift) is tot fijnen Hepligen / ende
fijn opfien 18 tat fijn untverkoren / de hope der
Goddeloofen is pdel / de agen des Heeren fien
op de gevechtige / ende fijn aaten zijn tot have
gebeden. Bp zijt mijn vrienden (ſpreeckt
Chꝛiſtus) is't dat ghu doet al’t gene dat ick u
bevolen beb. |
Hierom fo bidden ende Germanen wp u noch
eenmael: Betert u / hu is noch de felve Godt/
ende en wozt niet verandert. Luís een hater /
vernieler / een eenftige ſtraffer ober alte boos⸗
hendt / Pae een rechtveerdigh NKichter over alte
booshent/ Pae een rechtveerdigh Nichter over
alle gadtloos wefen ende handel. Ha verfaccht
De fonden Der vaderen aen De kinderen tat ín ’t
Derde ende vierde lit. Wederom is hn medelíj-
dende / goedertieren ende bermhertigh over alle
die / die recht doen / ende fijnen naembeeſen / over
veel dunſenden die hemm lief hebben / ende fijn gez
boden houden. Och Leſer /leſer / lieve leſer / het
is ſeer ſcheickelijck te vallen ín de handen deg
levendigen Gods. Den tijt 8 vervult. Duis’t
een aengenaemen tijt / nu ís ’t eenn dagh der ſa⸗
lighent. Dat rijcke der Hemelen is na bp geko-
men/ wilt gu Dat be-erben ende ingaen / ſo moet
guubeteren/ niet alleen ín den ſchijn / gelijck
De huuchelaers doen / maer alg oprechte boet:
veerdige / ban gantfchee heeten / ende upt alten
u krachten / ende beengt beuchten die van goede
aert zijn. YS’ fo niet/fo moet gn afgehouwen /
ende mt Bier des grimmigen torens geworpen
woꝛden. Imo nii reſi refipueritis „omnes fimi-
liter peribitis. Luc. 13. 3.
Van den Geloove,
F En derden / leeeren Wop met Chꝛiſto / ende
ſeggen: Gelooft den Euangelio /Dit felve
Euangelium is de vzeughderijcke voor boot⸗
fchappinge van Godts gunfte ende genade te⸗
gen ons / ende ban de bergebinge offer ſonden /
boo? Chriſtum Jeſum. Dit neemt dat geloove
aen dao? den Hepligen Geeft/ ende en fiet niet
op fijn vaogleden gerechtighent of ongerechtig-
bent / maer het hoopt de dingen díe niet te hoo⸗
pen cn zíjn / ende worpt hem met bolder herten
op des Heeren genade / woort ende belofte / dez
wijle het wel weet Dat Godt waerachtigh ig /
ende in fijn beloften níet faljeeren en kan/Waer
dooz dat berte vernieuwet / omgelteert / recht⸗
veerdigh / vroom / vzedigh ende bzolijck Wordt /
Een kint Gods geboren wort. Met vallen be⸗
trouwen tat Den Chroon Det genaden gaet.
nde woꝛt alfa cen mede-genoot Cheiſti / ende
Des eeuwigen levens. n
Aldusdanige waeckten ín tijdts op/f hooren
ende gelooven des Leeren woort / fp beweenen
haer boogleden onnutte leven en Wandel / fin bez
geeren remedie en vaet boo? hare kranke zielen.
Cot foodanigen ſpzeeclit Chriſtus / Die cen ber
Eken
Van den Geloove.
9
trooſter alter bedzoefder confcientien is / gelooft
den Euangelio (dat ís /) en vreeſt niet / zijt bes
digh ende wel getrooſt / iclt ern Wil niet ſtraffen
ende flaen / maer genefen/ bertrooften ende dat
leben geben. Dat gekroockte riet en wij ick E&-4r-10.
níet heeecken / dat roockiende vlag en Wil ich niet Natt. 12. 20.
untbluſſchen / maer dat gebrdocken Wil ick — -
beelen / dat krancke / helpen / dat gewonde Matt.9. 13.
verbinden / ende dat verlooren foecken. Gel en
ben niet gekomen om de gerechtige / maer om Matt-2.rs.
de fondaren tat boete te roepen Pek ben nae Toan-1-32-
den goeden Wil mijns Wemelfchen Daders in ebr5.
de Werelt gekomen / ende door de kracht deg
H. Geeft/ een fienlijch/ taftelijck ende ſterflijck Luce 2.7.
menfche gewaden / ín alle dingen U gelijck /
16.16.
eerſte ende De laetfte/ Dat beginſel ende dat enn: Base AES
Hebr. 1.10.
ſtaet: Hy beefde macht gegesen / te woyden roan. 1:53
hoope der heerlijckhent Godts. Dit alle upt Roms. mr.
aulus leert ende
glorieren ende
gave / Alle die
fanght eenen
Gal.6.23.
Gal 6. 16
„
*
Ea 75
Abaa.a. ſti / het veenieut ende wederbaert / het maeckt
10 | Een Supplicatie
vleeſch ende bloet / het kruyſt luſten ende bez
geerten / Bet verheught hem in't kruns Chꝛri⸗
Rom.117. lebendigh / vrymocdigh / vredigh in Chzifto
rt Jeſu. Dit foodanigen gelaave (fegge ick) is
PSS Gode gabe/ upt welcken nae Het lupden Der
Mattei. ſchrift / De geveabtige leven moet / gelijck A⸗
en1235e Del, Cnoch/ Hoẽ / Abzaham / Moſes Na⸗
hab / ende alle bzome Hepligen gedaen hebben /
Gen pegelijck goede boom dzaegt goede vzuch⸗
ten / nae fijnder goeder aert. Ende een boom
die geen goede bzuchten en bzenght (hoe Wel
Matt.3.ro. Ipm met Veel bladeren behangen is) moet den
en2133- vloeck onderworpen / ende vanden bpere ver⸗
paeete0. geert Woorden. Alfoa aackt cen onbruchtbaer
ſirachtelsos geloobe/ gelijck de gantſche Weez
velt heeft / Dat níet door De liefde en werckt /
hoe geleert hoe kloek / hoe welfpzeliende/ hoe
fchijnbaer ende wonderdadigh het oock zp / ſoo
Í8’t evenwel boo? Godt onrenn / doot ende ver⸗
vloeckt.
Hierom foo vermanen wy u met Chꝛiſto Je⸗
fit / gelooft den Euangelio / dat is / gelooft deſe
breughdenrijcke tijdinge der Godtlijcker gena⸗
den dooz Chriſtum Jeſum. Laet af van ſon⸗
den/bewijft rouwe van u boogleden leven, ſchiltt
u onderdanigh na des Geeren woozt en wille, fo
fuit qu medegenooten / bozgeren / kinderen / ende
erfgenamen des nieuwen hemelſchen Jeruſa⸗
Rom.8.6. leins zijn / vrn van alle uwe branden / helle /
loan36, doot / fonde / ende Dunvel / fo qp maer naden
geeft en wandelt / ende niet na ’t bleefche / Qui
credit Filio Dei „ habet vitam æternam.
Een vermanende Supplicatie
aen de Overigheydt.
Wi acme ellendige Menſchen ban aller
Menſchen hulpe ende trooſt berlaten /
wu díe als onnofele Perderloofe fchhapen alten
briefchenden Leeuwen ín den Boſſche / ende
den verſcheurende Beeften op den Belde tat ee
nen coof ende fpijfe geworden zijn / der gant:
2Cor49. ſcher Werelt een gaepfel ende ſmaet / die dat
@Cprannifche fweert ban Weeren ende Vozſten /
dat onmenfchelijck ſchelden / ende fchenden der:
geleerden / ende Dat grouwelijck liegen ende
fchimpen des gemepnen bolcks dagelijks mac:
ten lijden / hooren ende verdzagen. Wp bid
den ootmoedelijcken Der Wenferlijchee Maje⸗
ſtent Voningen/ Weeren / Doeften/ Ove:
righeden ende Amptlieden / eenen pegelijcken
in finder bevoepinge / weerdighent cnde hoog:
heyt / allen onfen lieben genadigen Weeren /
Doo? Die Diepe bloet loet ende wonde ong Hee⸗
ten Chꝛiſti gebenedijt dat qr doch eenmael
u wilt afleggen alle ongunfte ende quade meez
ninge neben ong / ende wilt ín redelijcker me⸗
delijdinge den onmenſchelijcken zwaren dzucts/
ellende / noodt / kruns ende martelifatie van
uwen ellendigen ende onfchuldigen Dienaren
Daerom ſoo bernedert u / dooglefet ende hers
kaeuwet deſe onfe Schriften vlijtelick / ende
dat met Godvzuchtige en onpartijdige herten /
op Dat gp boo? gewis bekkennen mooght / waer⸗
om dat qu ons met geen bedwangh / armoede /
ellende / vervolgh ende doodt / Lan onfe leere /
geloove ende Teven en mooght afſchricken /
om alfoo de waerhendt wat beeedt nae te denc⸗
—* / ende geen onſchuldigh bloedt meet op u
aden.
Bewijft een wennigh natuerlicke vedelick:
heyt ende menfchelicke barmhertigheyt aen u
acme dienaren / ende gedenckt doch ín uwer
heeten / hoe wp ellendige berlatene menſchen
naden bleefche / hout noch fieen en zijn / maer
wy zijn metu/ ban eenen Dader Adam ende
van eeenen Moeder Eva gebooren / gefchapen
van eenen gelijcken Gadt/ dat wy met u
eenen gemeynen inganck hebben / tot deſen
ſterffelicken leven / met eender gelijcker natu:
ven bekleet zijn / begeerigh nae cuft ende vrede /
nae brouwen ende kinderen / als gu nae Det
natueren vreesachtigh voor den doodt / gelijck
alle Creatueren op Aerden. Daerom veroot⸗
moedigh u in Den name Jeſu / ende Dat tot
beefchooninge uwer armer zielen. Onderz
foecht (ſegge ick) defe onſe eere ende aenwij⸗
finge/ qu fult’t door Gods genade bevinden / —
hoe dat et een cepne onvermenghde Heere Fehel-215-
Chaiftí is Dat Heplige Woordt / dat
Wooꝛdt des eeuwigen Vrzeedes / dat Woordt
deg eeuwigen waerhents / Dat Woozdt der Matt.16.18.
Godlijcker gewaden / dat Woordt onfer ſalig⸗
hent / dat onverwinnelijckte Woozdt / dat Lan
geen poogten Der Wellen omgeftaaten en magh Eehet6.17:
wozden ín det eeuwigkent. Wet is Dat ſcherpe ;
zweert / dat upt des Leeren mont gaet: dat Arocr-1s:
zweert des Geeſts / met welche gevichtet moez
ten werden alle Die op der aerden Woonen.
O gp liebe Beeren / ſteeclit u zweert ín fijnen Loan-13.11.
fcheede : Want alſoo waerachtigh alg de Veere
leeft/ qu en fivijdt niet tegen vleeſch ende —
bloedt / maer tegen hen / Wiens oogen alg een Areco
blammende vuer zijn/ die daer oordeelt ende
ſtrijdt met gevechtighent / die geltroont is met
geel kroonen / Wiens naem niemant en kent /
dan hp ſelfs / Die gelileet is met een heſprenght
bloedigh kleedt, fijnen naem is Gods Woordt:
Die de Hepdenen regeert met een pfecen roede /
Die Daer treedt De Wijn-perffe des grimmigen
tooveng des Almachtigen Gods / die eenen
Naem gefchzeeben heeft op fijn kleet / ende op
fijn dpe / een koninck aller Koningen / ende
een Weere aller Weeren,
O on hoogh· beroemde Weeren ende Doz- x
ſten tegen deſen voert gn ín deſer manieren
uwen raedt / zweert ende wapen. Bedenclit
wat de hooge Pzopheet Godts Zacharias
ban den kinderen Godts / díe hier altijdt in
lijden zijn / gefipzaocken heeft: Die u acntaft Zach.2.s.
(fendt Gu) Die taft Den appel mijnder oagen
Pfalm 7.10.
Ier.17-10.
Rom.8.27.
een wepnigh ter heeten nemen, Want de groo⸗ aen. Wet ig innners een verſchriclieliclie qrou-
te Deere / voor den welclten wp ſtaen / Die cen \ mel / ende woedende berbaefthent / dus jam:
belenner aller herten is / ende Dien alle dingen merlick te verworgen / om te bzengen/ upt te
naeclit ende bloot zijn boog fijnen oogen / Weet ‘roepen den genen die den Veere ende dat eeu
hoe Dat Wp op deſer aerden niet en ſoecken / | wige leben ſoecken met foo bieriger heeten /
Dan alleene/ Dat top met goeder confcientie | ende die oock niemandt op aerden een han?
mogen leven na fijn heyligh bevel / odeninge / ſchadelick zijn. Dedoodt der Heplige (fpreckst Ll1r6.15-
wmoozdt ende wille, Maer zijnder eenige fchade- | David) ig eer dierbaer voor deg Heeren vogen
ì cornjg, Dche Secten gelijck (eplacen) tot onfen tijden het ig Hefug ban Hazareth dien ghu ver? Aator.s.s.
1 Toan.2,19.
wel geweeft zijn / Die ſullen ſonder twijffel tot volght ende niet ons. Daerom fao waeckt op/
fijnder tijdt wel openbaer worden. laet af / bzeeft Godt ende Gods Wooꝛrdt / want
qu
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Cor. 3.10,
Bacobi 1.12.
Rom.14-10.
® Cor.s.10,
Mâtt.17.27.
en 22.11.
Rom 13.7.
Num.33-
X Petri 1.6,
Sap.6.10.
Want over
fal een
oordeel ge-
den. :
Pfalm 69,
Gen.4.10,
EGi.14.8.
Apoc.rz.14.
Straffe des
Afvals.
2 Petri 2.4
Yud, 1013.
houden wor-
Ke
roepen worden / daer noch ge welt / noch hoog:
hept/ noch ſchoonhent / noch fchoon ſpzeken /
noch gaven / plaetfe binden en fullen / Baer dat
recht fander alle partne ende aenften Der perſoo⸗
neu / fader vechtueerdighent gaen fal ober alle
vleeſch. Alsdan fal de ellendige tot fijnen vechte
komen / ende de bermoozde Chꝛiſtus in fijne
Antberloren upt des doodts gewelt ende Der
Cnrannen handen tot fijn beloofde erve / rijck
ende heerlickhjent ín komen.
aen de Overigheyt.
gt ende wr fallen alfe boor eenen Nichter gez,
11
op fijn voozbeelt ende leben / oordeelt recht / en⸗
De gp ſult het ſoo bevinden. De almachtige eeu⸗
wige Bader door ſjn ecutwige wijshent Chri⸗
ſtinn Jeſum heeft alles nae fijnen Godlijcken
tact / wille ende boorſienigheyt / in fijn rijcke /
dat is ín fijnder Gemeynten / in Keere) Sacra⸗
‚menten ende Weven geordineert ende bevolen.
Maer qp-lieden zijt de gene / die Dát ſelfde dooz
raet ende ingeven uwer geleerden / met uwe
onmenſchelijcke wzeede placcaten berandert/
untroent ende vervolght. Hecht of dat almache
Aengeſien gp dan foo onbillighlijck ende En | tige eeuwige woordt hem onder u lieden Bebel
vanmelijc nae Dat quade voornemen uier
herten (onder alte fcheift ende baembertighent
met den cllendigen ende Godbruchtigen am:
gaet / hoe wilt qu dan eenige genade ende
baevmbertighepdt in den dagh des Heeren ver⸗
wachten / als wp alle ſullen ſtaen baat den
onpattijdigen Bechterftoel / daer een pegelijckt
{aan nae fijne wercken ontfangen fal.
Wp en begeeren geen genade/ gelijck de
guaetdoenders Defer Wereldt doen, Want wy
en hebben ín deſe anfe leere / geloove ende han⸗
del niet geſondight / hoewel Wp ſoo veel lijden
maecten / maer Wp wederftaen maer D' Ante
chriſtiſche leere / dꝛdinantie ende leven / ende Dat
met des Weeren woozdt / gelijck ons de Schrift
leect, Dn en tegen flaen nach Vepfer / nach
Koninck / noch eenige Overigheyt /M’t geene
Dact fp ban Godt tee beroepen zijn. Maer wy
zijn berept toc alle gehoorſaemhent / cock tot
uwen Over⸗ heere Chriſtum Jeſum / Die
ende gewelt krommen ende bungen moeſte en⸗
‚Dede Godſalige ordeninge Des Soons Godts
door menschen wijshent tot genoeghlickter for⸗
me ende beter gebrunck gekeert magh worden.
O hoegmeet boven alle haogmeoet. O dwaes
hept baben alle dwaesheyt. Wat verhoobeer⸗ Feele-re-
dight guu / O Herde ende Aſſchen. Bekent Eph-1,5-
eenen Vorſt ende Kichter ban Godt geſet is.
Den Pemel behoordt den Heere toe (ſpeecſit
Dabid /) maer De Aerde heeft hu der menſchen
Kinderen gegeven. Ick vermoede wel ſoo pez
mant tegen Wepfer of Koninck hen oproerigh
maechte / ende in haer Kijclte ende Begiment
in tveden Wilde / dat ’t niet met gedult geleden/
ende fonder ſtraffe vergaen en foude. Hoe beel
te min fal dan ongeftcaft blijven / Dat cen arm
ſterflick aerts vleeſch / hem tegen Den Almach⸗
tigen Kenſer ende oninck Ch2iftum Jeſum
Coloſſ. x.6.
Atot Plal. t15.16.
Chriftus
wort uyt
Der doodt toe/ in alle ’t gene Dat niet tegen op maeckt / hem Lan den floel fijns Godlijcken gefroren als
Godt ende Gods
oozdt enig) ende Weten Majeſtents afftaat/eride ban den Scepter ende zijn woort
dockt fonder twijfel wel / wat ons De fcheift Kroone fijnder ceren berooft / vecht of De eeuwi⸗ veracht ende
daer van geleert ende bevalen heeft. Maer ſoo
veel barmhertighents begeeren wyy / dat Wp on-
Der uwe genadige beſcherminge / met vanhet
onſer confcientien Teen / Teeven / handelen /
ende den Deere dienen mogen. Op datu/ ende
bele met u/ dat Euangelium Jeſu Chzifti
recht magh aengeweſen worden / ende de poorte
Des levens open gaen. O hadden de geleerde
ads maarde/ eùde niet wo / hoe geerne wou⸗
de machtige Der tuur ban haer geleert zijn. Maer dewijle
tterck wo het bebben / ende niet ſn / faa bidden wp
om FJeſus wille / dringht ong niet van Chriſto
tat Antichriſtiun / van de waerhent tot de leu⸗
gen / ende ban dat leben tot Ben feeckeren doodt.
@ qu hoogh beroemde Weeren ende Doeften /
gp Die van Godt tot hoofden ende Hegenten
ober fijn volck gefet zijt / verſint u Wel ende gez
looft deg Weeren Woordt, Want is t dat gn
ban het ontecht niet af en ſtaet / den Heere vreeſt
ede vecht dact / ſoo waer ’twel goet dat gn
nopt geboren en waert. Dat onfchuldink
Abels Glaedt roept in Den Hemel / ende tuil ten
jonghſten dage feer nacuwe Lan u ge⸗eyſcht
worden. Joch eens Wwacckt op / ende vreeſt
Gods woordt. De Heere Godt wil alleen den
Wemel / alleen ſijn vijcht regeere / Dat zijn Die
confcientie der menſchen. Ip en Wil niet toe⸗
Yaten / dat hem pemandt Lan fijnder heerlich-
fetten/ ofte hem te boven gaen ſal. Luci⸗
choone Engel Gods / wilde den Alder⸗
hooaften gelijk ziju / hp is verſtooten upt den
hogen Hemel in dev Hellen afgront / met Kete⸗
nen der Dupſterniſſen gebonden / en bewaert
tat den Ooꝛdeele des grooten daghs.
Lieve Heeren / nemet in liefde gen / ende en
verbittert u nict/ De waerheyt moet beleden
zijn. Uwe hooghmoet is tot den Demel toe gez
vefen / fiet op Chꝛiſtium / ende Chziftus woort /
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibl
3197 B 28
iotheek, Den Haag.
‚ge wijsbhept Gods/ € haiftus Jeſus / onwernuf⸗
(tiah/ ende tot ’ Hemeiſche Begiment onbez
guaem gewozden Ware. Bedenckt doch / hae
dat'et alten hooveerdigen ende fiauten Lan
heeten ban den beginne vergaen is / Die haer
ftoclen Wilden fetten bp den ftoel Gods.
Hierom berneedert u doch onder de Almach⸗
verftooten
Wort,
tige handt Gods / gelijck Petrus leert / ende 1 Petri 55
wilt den geluchfaligen ende grooten Koninck
Nebucadnezar fetten tot een boorbeeldt / ende P
aenmercken hoe grouwelijck hp am fijnder *
hooghmoet ban Godt geſtraft is ende hoe ha
na dee fivaffe tot wijsheyt geleert ig. Ende
heeft den Almachtigen Godt gevzeeſt / fijn
wonderdadige heerlicke wercken / ende ſijne
aenbiddelicke groote Name hooghlijck gepre⸗
fen. Lieve Weeren waeckt op / ende betert u /
want het en betaemt niet dat de Creatuer hem
an.3.15.en
26, en 4:35
tegen den Schepper fal verheffen / Ehriſtus CoL2.s-
Wil alleen Dat hooft fijnder Gemennte blijven /
alleen de LTeer meeſter in ſijnder Schoolen / al:
leen De Koninck / Die fijn epgen Nijck oordeelen
wil / niet met leeringen ende geboden der men⸗
ſchen / niet met morgen ende moorden / maer
— fijn Peplige Geeft / Kracht / Genade cade
oordt.
Daerom bidden Wp u/ O gr fandamen:
tender Aerden / door de barmhertighent Gods /
wu díe u voor onſen genadigen Heeren beken⸗
nen / ín allen faechen/ ons vleeſchs dat gp
doch Den eeuwigen / Almachtigen Honinck
Chꝛiſtum Jeſum Wilt laten zijn / de eenige
Salighmaerſier / Heere ende Gewelthebber
onſer armer zielen/ gelijcht hn ban. ſijnen Daz
Der berordineert is / ende Dat on uwen dienſt
ende Ampt boeten Wilt in Aertſch tijdelijcke
Wegimenten / tat welcken qp geroepen zijt
Want wa begeeren ban gantſcher herten / Det
Dz Kenſer
Matt. 15.8.
Elai.29.13e
12 Van der Doepe. | |:
Mats. 22, 24. Ienſer te geben dat deg Keyſers íg / ende Godt | maer De Wille des geeng die hem gefonden hads ‚
te geben dat Godt is / ende wilt alfoa deſe onfe | de / hp is van Goanne gedoopt / ban Den hepli⸗ oan. 30.
Heere ende aenwijfinge ban Der Doope /gen Geeſt betupght/ende boog cen aengename fo
machtmael / ende Gan de mijdinge deg Baby⸗ | ne bekent ban fijnen vader. Siet / dus lundet .
loniſchen handel / vecht wegen met des Heer | Chaiftus bevel / dus is Chziftus gedoopt / dus
ten oogt / wy berhoopert Roo? God genade | hebben 't de Apoſtelen geleert ende gebeupekt.
an ſullet ín De kracht bevinden / hoe wi niet DD íe wil nu tegens den Heere aentveden / ende
anderg en leeren ende; gelooven / dan ons des fegaen : Det en fal foa niet gefchien : Wíe wil |
Deeven waerachtige mondt ſebolen ende fijn | de Wijshept leeren ende onder wijfen : Wie wil
heplige Apoſtelen geïeërt ende betupght heb⸗ de Apoſtelen ende Euangeliften leugen ſtraf⸗
ben. Wier toe guune ude groote Veere fijn gez fen / het Waer immers onbehooglick / Dat een Î
nade/ Amen. ste |kint ober fijnen Dader / ende een knecht ober
| fifnen Heere gebieden ende vechten foude / noch
veel onbebhooglicker ig ’t/ Dat de Creatuere boz
gen fijnen Schepper zíjn Wil; Maer nu is et
openbaer/ hoe die gantſche Werelt met hare
onnutte leecingen ende geboden Det menfchen /
met hate Antichziftifche gebeupelt / ende lange — |
Van der Doope. -
Chriftus uyt= C Hꝛiſtus beval na fijn vezrijſeniſſe fijnen
gedrucke be · DJongeren / ende fprackt : Gaet henen ende
del doo- leert allen volcken ende Boopje ín den naem
Matt.a8.19. des Vaders / def Soons ende des Lepligen
Geeſts / leertſe onderhouden al wat ick u bevo⸗
len hebbe / ende fiet ick ſal bp u zijn alle de daz
gen tat aen het eynde Det werelt.
Pier hebben wp des Weeren bevel ban det
Doope/ Wanneermenfe nae Gods opdinantie
toe dienen ende ontfangen fal/ namelijcken
Datmen eerſtmael Dat Euangelium predickten
moet / ende dan den genen doopen Die Daet gen
Marci 16. 15. gelooven / gelijck hy ſpreeckt: Gaet ín de gant:
Matt.28.19. fche werelt ende predickt Dat Euangelium
allen Creaturen / Wie gelooft ende gedoopt
gewaonten / ende met Gare tprannifche Moor: „erck mid-
Derige Zweert-rechten over Cheiſtum ende del des we-
Chꝛiſtus woordt / Chziftus waerkhepdt moet relts Chri,
leugen / ſijn wijsheyt moet doozhent / fijn licht — bi:
moet dunſterniſſe / ende fijn Euangelium moet
voor een Dalfche verkeerde Secte gerechtet
zijn / Somma Chaiftus Jeſus moet zwijgen
ende lijden.
Pu wil mogelijck nefendt worden / hoe dat
ín den beginne des Guangeliums ſoo noodigh
ware / want er op Dier tijt nach geen geloo⸗
| Ie bige warten / weſcker Kinderen men doopen
wort / fal ſaligh worden / maer wie niet en gee |mochte. Maer nude euderen geloovigh zijn /
looft / fal berdoemt worden. Aldus ís fa van | werden oock haer kinderen gedoopet / gelijck
1Corz.rt. Den Deere bevolen ende geordineert / daerom⸗ Abzaham doen hu geloobigh ware / zijn kinde: Gen-17.23.
Preta me eñ magt oock geen ander geleert nach ge- | ven befneden. worden. Och neen / dat voiget
bzunckt worden eeuwelick. Gods woozt blijft níet / want hoe wel Abraham Godt gelooven:
ín eeuwighendt. De klepme kinderen zijn on- de / fo en wozde evenwel nict meer Dan de Gelft
bernuftigh ende onleerlijck / daerom en kan | Ban fijnen Zade befneden / te weten de knecht⸗ Gen.17-19n
haer geen Doope toegedient worden / oft wy | kens ende niet de maeghdeliens / evenwel en
maeten des Heeren ozdeninge berkieeren / fijs | was hp niet wepniger der maeghdekens vader
nen hoogen Name misbaupeken/ ende fijn hep: | als der knechtkens vader/ Waer ban men/ door
lige Woordt gewelt Boen: In den Nieuwen Godts genade / ín De tegenwerpen beneden
Teftamente en zijn den onmondigen kinderen | wijder haaren ende binden fal.
geen Ceremonien bevolen / maer het handelt atmen ín den beginne eerſtmael dat
Matt.r3.16. Bepde in Leere ende Sacramenten metten gez | Euangelium predilten moefte / ende alfaa upt Rom.r0.r7.
Narcia4.19. men / die ooven hebben om te hooren / ende her: |Den gehoor dat geloove / ende unt dat geloove
tenom te verſtaen. Gelijck alg dat dan Chzí-| de Doop volgen moefte/ is onweder⸗ ſpreecke⸗ Matt.28.13.
ſtus bevalen ende geordineert heeft / alſoo heb⸗ lijck / want de Schrift leert fao. Maer datmen Marci 16.15.
ben oock fijn heylige Apoſtelen geleert ende gez Der geloovige Rinderen Doopen fal daeronme /
bzimeſit / gelijckmen aen beel plactfen Des | om dat Abrahams Vinderen Beſneden woz:
Hieuwen Ceftaments grondigh mercken ende den / kan metter Schzift ninnmevmeer beweert
verſtaen magh. Soo ſpreeckt Petrus: Doet worden / ende foo dit al ſchoon beſtaen konde
Acto.a·ʒ9. Boete / ende laet u doopen in den naem Chꝛiſti / gelijck het niet en kan / ſoo ſouden daer noc
tot vergebinge Der ſonden / abn falt ontfangen | Wermigh kinderen gedoopt worden / Want der
de gaven des Depligen Geefts. Item / Philin⸗ | vecht-geloovigen getal (dewelcke te beklagen
Ator.836. pUS tatten kamerlinck: Gelooft gp ban gant- | 18) feet lilenn is / gelijckmen fien maah.
ſcher herten / foo magt t gefchien. Wantdat | _ Vet zijn niet alle Ehriſtenen/ die wel Chzri⸗
geloove en volght niet wat den Doope/ maer | ftenen gevoemet Worden / maer die Ehriſtus Rom.8 1.
de Doope volght unt den geloove. Geeft hebben / dat zijn de vechte Ehriftenen /
Mate28.19. Aldus heeft Chriſtus de Doope bevolen en | maer ien en weete niet / waer datmender veel
Marci 16,15: D felve op Defe navolgende wijſe ontfangen / vinden fat. Sac wat willen wy bele fergen /
Eise), Wamtalsdetijdt gekomen was ende De uwre | alle Die met Wbel cenen aengenamen offer ofz
genaeckte / Dat ht fijn opgelende bebel woude feren / Die met Iſaac upt den Dzpe geboren
uptrechten/ dat woort Woude prediken / ende gijn / ende met Jacob dat vecht der eerfter ge- car.4.ns.
fijn Daders henlíge Naem bekent maken/ is boorten / ende die vaderlijckte fegeninge ontfan: ⸗
—— pet hu aengetreden tot Joannem op Der Jordane / ‚gen hebben / die moeten Han den bloetgierigen
iem doopen hegeert van hem gedoopt te zijn / op dat hp alle ain bermaordet/ ban Iſmaẽl beſpottet / ende » roan-3aa
Matt.3.16. gerechtighepdt vervullen mochte / hn heeft hem ban Eſau gehatet worden / gelijclt men (Godt Geneûs 4.
bereyt tot berfoechinge / ellende / kruns ende \ betert) allerwegen hooren ende fien moet. |
doot / ende Heeft hem alseen goetwilligh ge⸗Siet / dit is dan deg Peeven Waart / ende |
Phil2.9. hoorſamigh kint overgegeven ín den wille fijns wille) dat alle de gene/ Die Godts Woordt matr.28.20.
almachtigen Daders /gelijk hn ſelve fent/Dat hu hooren / ende daer na gelooben / fullen gedoopt Marci 16. z6. J
niet gekomen et Was om te doen ſijnen Wille / (Worden (als boven derhaelt is) Daer mede
! bez
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
\ AG.2.38.
812. eng.
en 16.34»
Rom.6.3 hd
Col.2.1 te
| Galaten te
Gal.6.16.
1 loan. 3.9»
en 5. 18.
Rom.6. 13.
Van der
Doope. 13
en hetungende haer geloofs kracht/ datfe uu baaz-{ uwe ziele ſaligh te makten/ wat ude hooge ende
9 taen niet meet na haer epgen Wwille/ maer na; Weplige Vpoftel Paulus hier geleert heeft /
Gods wille leben willen / datſe om Dat getup-| Want fo gu fijn woordt /-leere ende getupgez
geniſſe Jeſu berendt zijn te verlaeten / / Huns /| niffe nao? vecht gelooven font / fuit ongetwijfz
Goet/ Landt, Wijf / ende Leven / ende am Dat | felt / upt deſe fijne aafwijfnge / ende upt nach
ſelvige te lijden / honger /elteude/dyuks/verbolgh,
krups / ende boot / fae dat ſp dat vleeſch met.
fijnen luften begeeren te begraven / cude met
Chꝛriſto op te ſtaen meen nieuw leben gelijk
Paulus fepdt: weet ghp niet (ſpreeckt Go) dat
woa alle die ín Chriſtum Jeſum gedoopt: zr:
Dat tp ín fijn doot gedoopt zijn: Wy zijn door de
doope met hem begraven in Den doodt / op dat /
gelijck Chriſtus opgewecht is / van den doodt
Doo De heerlijckhept fijns Daders/ dat wp alfa
ín een nieuw leben wandelen fullen.
Mju goede Leſer / merckt op des Weeren
woordt / dus leert u de Heylige Paulus) díe fijn
Euangelium niet van menfchen / dan Lan den
Heere ſelbe ontfangen hadde / Dat gelijck als
Chꝛiſtus geftorben ende begravenis / dat tou
gackt alfa onfe fonden ſterven ende met Cheiſto
in der deope begraven ſullen / niet Dat wp dat
nae det doope eerſtmael behooren te doen maer
wu moeten Dat al te Vooren aengevangen ende
— hebben / gelijck hu fepdt : Zijn wp met
em geplantet tat gelijcker doot / ſoo ſullen Wop
dock fijnder opftandinge gelijck zijn / ende Wez
ten/ Dat onfe oude menſche te famen met hem
geltrunſt is / op dat ophoude Dat lijf Det ſonden /
Want die geſtorven is / Die is gerechtveerdight
ban der fonde / ende velijck alg dan Cheiftus
eenmael is geſtorven / De ſonde wech genamen
heeft / ende Godt leeft / alfoa ſterven oock de
waerachtige Chriftenen have fanden/ ende
leven Gode.
Gedenchet niet / dat wu ſoo leeren / als dat
De Chꝛiſtenen ín ſulcker maten de fanden af:
ſterven / Dat ffe níet teer voelen en konnen,
In geender manieren / Maer foo ſterven ffe /
dat fn hate onrenne luften niet meer gehooz⸗
faem en zijn / gelijck Paulus fendt: En laet de
fande niet domineren ín uwen fterffelijcken
lichaem / %c. Item / Joannes: Die upt Godt
geboren is / en ſondight niet / want dat Zaet
blijft ín hem / ende hy en magh níet ſondigen /
om dat hu upt Godt geboren is.
Want gelijck ong des Meeren doot niet en
foude gevordert hebben / Wanneer hu oock niet
upt des doodts ge welt tat fijns vaders wijs en
waer opgeftaen/ alfoo en fal’tong oocl niet
vorderen / dat wp onfe ſonden ín den Doope bez
geaven / Wanneer won niet met Chzifta Jeſu
unt der fonden gewelt tat des Weeren prijs in
eenen nieuwen leben opftaen / Want dat Chet
ſtus geſtorven is / is hn det fanden eens geftor:
gen / fent Paulus / maer dat hy leeft dat leeft
meer andere ſpreucken fijnder ſchriften wel bez
vinden / hee de Doope niet geboegelijcher op
dar Longen kinderen rijmet / als de befnijdez
niſſe op deu Maelijtſchen Maexhden dede /
want vns en snet meer bevolen kinderen te
doopen zals Aſraẽl bevolen was Maeghden te
beſnijden / oock iſſet onmogeljch Dat de on⸗
mondige kinderen der ſonden mogen ſterven /
fao-lange-fp niet levendigh in haer geworden
is / konnen oͤock niet in ’t nicutwe leven ope
ffaen / ſoo lange fi niet overmits dat geloove
unt Godt geboorten / door Godts Geeft ín der
gerechtighendt gelent worden / ende daerom
fiet soo? u want ‘teffect des Doopſels/ is de
fonde te begraven/ende met Cheriſto op te ſtaen
meen nieuw leven / Dat doch in geender maníez
ten met jonge Sinderen ſtemmen ende rijmen
kan/ hietam foa herkaeuwt Wel Wat u deg
— woordt Han deſe ſaecke leert ende aen⸗
DIt, |
Cen tweeden noemt oack Paulus de Doope Titum 3.5.
een WDater-badt der Wedergeboorten. Och
lieve eere hoe hlaegelijcken wordt dach u hey⸗
lige woordt misbrunckt: (8 ’t niet jannner boe
gen jammer / dat fp met deſe Klare fpzeuctte
haet opgeworpen / afgodifche kinder Doope
beweeren willen / ende voorgeven / hoe fn den
Doop De kinderen Wedergebooren Worden /
vecht ofde wedergeboorte maer een indrzuckinge
in’t Water zn. Och neen/De Wedergeboorte if Merekt hoe
niet ſoo een hupeheltwerck / maer ſy ig cen bev; Se Weder-
anderinge des innerlifckten weſens / Die de men; ẽeboorte .
fche deur Godts kracht overmits dat gelaove/
uat ’tboos in't goet / unt bleefchelijck ín gees
ſtelijck / unt ongerechtighept ín gevechtighent/
unt Adam / in Chriſto omkeert ende verfettet /
dat doch in geender manieren bj den klijnen
onmondigen kinderen alſoo geſchieden Kan /
want de Wedergebooren leben ut de kracht Bab· 24.
des nieuwen weſens / fin krupcen haer bleefch 97-17:
met ſijnen baofen luften/ (fs trechsen unt den au: cn 5.5.”
den dam met fijne wercken / fin mijden alle
booſen ſchijn / fp worden geleert / geregeert / en
gedreven ban den Pepligen Geeft / Ec.
Siet / dit is de vechte nieutwe geboorte mits
fijne nieuwe vruchten / ban dent Welcken de
Schꝛift fpzeeckt / ende komt voort door ’tge: 1 Petri zr.
loove unt Godts woordt / fonder ’t welck nie: } Gore r
mant (veeftact ban die / Die tot haren vernuft *
gekomen zijn) ſaligh wozden kan gelijck Chzri⸗
ſtus fpzeeckt : Waerlijcken waerlijcken ſegge loan. 3.3.
ick u/ beten fp ſaecke dat pemandt Lau boven
hu Gode / Alſoo houdet ghy u dock Daer boo? / | Wert gebooren / of typ fal Dat rjckke Godts niet
Dac gn der ſonden geſtorven zijt / ende Godt ſien / jac Get is al omm miet foo oackt eener van
lebet door Chriſtum Jeſum / ende gelijck als | Petro / Paulo / of van Cheiſto ſelben gedoopt
ghy uwe Ledematen hier te Looren begeven | worde / wanneer hn met Des Heeren Vner ende
Matt.3.rt.
hebbet ten dienſte Der anvepnighepdt ende Der | Geeft ban boven uiet gedoopt wert / gelijck Luce 3.16,
ougerechtighepdt/ ban de eene ongerechtig⸗ Paulus fent: In Chꝛiſto Jeſu en geït befinij- 2 cor.s.r7.
fendt / tot der andere / alſoo begebet nu u lez
Dinge nach voo hint / Dan de nieuwe Creature, Gal5-s-
dematen ten Dienfte der gevechtighepdt ende Alle die aldus unt Bodt geboren is / aen Den fz * COr7-19n
heyligmakinge / Want qu zijt ban Der fonden wendigen mensche verandert ende vernieuwet
gebryt / ende zijt knechten der gerechtighendt ís /upt Adam in Cheiſto beefettet is / die ſtaet
geworden / ende hebt u vzucht in Wepligtma:
kínge/ maer het epnde Lan dien/ is dat eeu⸗
wigh leben.
Pier merckt gu beenuftige leſer / op die bez
geert Die vechte waerhept te bekennen / ende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ſijns Heeren woordt berent ende ſent metden
Henligen Paulo : Deere) wat wilt qu Dat ick Ator.0.9,
doen fal : Hp Derfaeclit hem ſelven met alte fijn ——
vernuft / hu ſchickt hem nae deg Veeren Waart mart. |
ende ordeninge / fonder eenige haet ende weder: Marci 16.15,
DG 3 ſtrijden /
3197 B 28
7
Ee ———— ren
—— —
Ioan.i5.5.
a Cor.12.9.
Actor.2.38.
Gal. 3.27.
Gal.5,6,
Koan. 3.56.
Exed. 14,16,
Koperen
Slánge.
Num.21,8.
Marci 16.164
Actor.5.32-
Gal.3-27.
1C0x. 12.13 .
Exod. 32.4) -
Gal.5.6.
Gal.6.17.
1 Cor.7.19.
Toan.1.I3
en. 3.5.
Sonder ge-
14
ſtrijden / hy laet hem Doopen nae Des Heeren
bebel/ hu Wart ende bewijft hem te zijn cen
Nancke aen den vechten Wijnftoclt Cheiſtum /
een medegenoodt ín des Beeren Gemeynte / hu
ontfanget quijtſcheldinge fijnder ſonden / ende
De gave des Hepligen Geeſts / hy trecket Chri⸗
ſtum aen / hu tredet ín de Arche Noẽ / ende ís
bewaert voor de verſchrickelijcke Sundtvloet
deg toeliomenden toorns / die alg een nette ſal
gallen over alle díe / die op aerden woonen;
maer dat alleen niet daor de kracht des waters
of des teeckens / Dan deor de kracht des Godt⸗
lijcken woordts / aengenomen Dao? den geloove)
want ſoo waer geen geloove en is / Dat Door de
liefde ter gehoorſaemhent werckt / noch eens /
toy ſpzelien van die / Die tat haren berftant gez
komen zijn / Daer is oock geen belofte : wie aen
Den Sone niet en gelooft / die en fal het leven
níet fien/ maer Godts toom blijft over hem.
De Heere geboodt Moſe / hu foude fijn hant
unteepchen/ ende metter roede op ’t Meynz
flaen / ende alsdan fouden Die wateren gedenlt
worden / Ee. Moſes geloofde des Heeren
woordt / ſtack unt fijn handt / ende ſioegh met:
ter roede / die wateren zijn gedenlt/ ende Iſraẽl
is verloſt / maer niet doop roede ende flaen/ dan
Door Die Kracht des Godtlicken woordts ban
Mafe aengenomen / daa? een oprechte ende
werckende Geloove. Hadde nu Moſes Godts
woordt níet gelooft / ende Door de ongehoor⸗
ſaemhendt on Den Meyre niet geflagen / ſoo en
foude het fander twijffel dat bebreesde benaeu⸗
De Iſraẽl niet wel vergaen hebben.
ach ontfinclt hn in Der woeſtijnen een bez
vel / Dat Kn ſoude een Metalen Slange oprech⸗
ten / op dat Aftaêl / wanneer ſp daer op fagen /
bant bijten dee Slangen machten genefen wor⸗
Den. Moſes heeft des Weeren woordt gelooft /
De flange heeft hy opgerecht / Afraël heeftfe
aengefien/ ende is genefen/niet (fegge ick) doo?
de Bracht der beeldiſſcher Slangen / dan doo?
de Kracht des Goddelijcken woordts / van haer
aengenomen doo? Ben geloobe: in gelijcker ma:
ten vor oockt Dee feheiftmatigen Doope toe⸗
gefchzeven ſalighent / bergebinge der fonden/ de
aentreckinge Cheiſti / indoopinge in det gez
mepnten niet om des waters oft des gewroch⸗
ten teeckens wille / anders moefte Dat Kijcke
Godts onder Elementen ende teeckenen ſtaen /
maer om De kracht ende Waerhept dee Godt:
lijclier beloften / welcke vp in der gehoorſaem⸗
hent aennemer daar Ben geloove / aant alle Die
Daer leeren te betrouwen ap eenige woorden /
Elementen ende werchien / die gieten mee
Yaron / Ec. een gulden Ralf / ende laten Den
anberftandigen volcke daer mede hoereeren enz
de grouwel doen / want in Chꝛiſto gelt alleene
dat geloove / dat doop De liefde wercht / De nieu⸗
we Creature / ende De onderbhoudinge der gez
beden Godts.
Gu liebe 19. V. ende Bzoederen waket op
ende en vertoeft niet / geeft den Alderhoogſten
fijnen behoorlijcken prijs en eere / ende merckt
op fijn H. Woordt / want alle Die daer bewee⸗
ven willen / alg datde Doope det onverſtandi⸗
gen kinderen een Waterbadt der nieuwer gez
booten zu / Die beeechten Des Weeren Woordt /
fin wederſprelien den Hepligen Geeſt / Chriſtum
loove is geen malien fis tot eenen leugenaer / ende fijn Henli⸗
wederge-
boorte.
1 Cor.4:20.
xs Petri 1.3.
ge Apaftelen tot valſche getungen / want die
leeren / hae de nieuwe geboorte overmits Dat
geloote herkomt unt Godt / ende unt Godts
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
—
mdj gj
Van der Doope.
waardt / Welcker woordt men niet den onhoo⸗
rigen ende onvernuftigen / maer den hoorigen
ende beenuftigen leeren moet/ is onweders
fprektelijcht,
Dit felve verlilaert oock de heylige Apoftel
Petrus / ende ſpreeckt / als dat ons de Doope
ſaligh maeckt / niet Die (ſpreeekt hu) met welc⸗
fer gewaffen Woet de onvepnighendt des vlee⸗
ſches / Dan die doaz weleiten hen de goede conz
fcientie / el verantwoorden kan boog Godt /
of dat verbondt eender goeder confcientie met
Bodt / door de vezrijſeniſſe Jeſu Chꝛiſti.
Wiee leert Petrus / hoe ong De (nwendige 1 Petri 3.21.
Doop ſaligh maeckt / met welche De inwendige
menfche gewaſſchen wort / ende niet De unt⸗
wendige Doop / met welcken dat vleeſch gez
waſſchen wardt / want defe inwendige Doop
gelt befonder voor Godt (gelijck boven geſeyt
is) upt welcke de untwendige als cen bewijs
der gehoorſaemhent / die unt den geloove voort
kamt/bolgen maet/Wwant konde de untwendige
Doop ſaligh makken ſonder De inwendige / ſoo
waer de gantſche Schrift, die daer fpzeecktt ban
Dem nieuwen menfche / onnut ende te vergeefs
geſproken. Dat Nijcke dec Hemelen ſtonde
gebonden onder Dat Element des Waters) dat
bloedt Ehziftí waer te vergeefs bergoten / ende
geen gedoopte en konde verlooren blijven.
Jeen / neen / Daer en gelt geen uptwendige
Doop foo lange Wop niet inwendigh vernieuwt /
wedergebooren / ende met den Hemelſchen bper
ende den Heyligen Geeft van Bodt gedoopt en
worden. Maer Wanneer wo met defe Doop Mats, r:.
van boven begaeft zijn/ als ban worden wy gez
drongen doo? Godts Geeft ende Woozdt in cen
goede canfcientíe Die Wp Daer Dao? hebben / om
Dat tun de verdienſten ban des Weeren doodt /
ende de kracht ende vzeught fijnder verrijſeniſſe
met goeder herten gelooven / ans nu vooztaen /
De wijle Wp nu door den geloove ende gegoten
kracht in wendigh gewaſſchen zijn / oock dooz
dat untwendige teecken De Waterbonds allen
geloobigen ban Cheiſto opgelent ende bevolen /
gehoorſaemelijckien te verbinden metten Heere
(gelijck hoe hn hen ín fijnder genaden door fijn
woordt ons verbonden heeft) namelijcken/ dat
op níet langer nae die boofe onvepue luſten
onſes Vleeſches / maer na dat getupgenifte eens
goede ende vꝛoome Conſcientie
ende wandelen willen.
Ende hoewel deſe woorden Petri meet als
lilaer zijn / eyenwel en fchamen hem de geleerde
niet / Die ſelbe met haten fchijnenden gloſen /
ende hooghberoemde beenuft / op eenen bzem⸗
den fin te dringen (mogelijcken daerom dat ſu
des werelts gonfte houden / ende fender alle
lirups ende verdziet in Weelden cn goede dagen
leven magen) ende leeven / de Doop fin een gez
naden Teeckten : welck na mijn klepn berftant
ín geender manieren alſoo beftaen cu kan /
Want onfe genaden Teechen is alleene Chai Toan.3.17.
ſtus Jeſus / met welcher ong Godts obervlne- en 4-25:
dige groote liefde op het alderhooghſte aen
gemeeten ende getuyght ís : Ende ís bu teehez
nen den Patriarchen voormaels gegeven) heer⸗
Rom.8.3.
lijcken afgebeelt / gelijck bn den Pelsrocken van 83314.
Adam ende Eva/ hp den Wegenboage LAU Gen 15,15.
Noẽ / bader befinijdinge Abrahe / met welche
teecktenen ſy oock des Goddelijcken Verbonts Ephel 1.13;
verſeeckert worden. Maer Wp zijn alleene bp 14-39
Godt verfteliert door Dat eenige Eeeckten fijnder Rom 3.as.
Godlijcker genaden/ ende fijns eeuwigen Maxci 16.16,
vreedes /
”
**
ooꝛ hem leven 1 Peri 3.15.
Rom.6.14»
Col.2.12.
Aétor. 2 38.
Prov.30.6.
Apoc.22.19.
Prov.30.5.
Efai.42.8.
1 Cor.3.20.
Pfalm 94.11.
Van der Doope. 15
vreedes / welclier is Chriſtus Jeſus. De ver⸗ hoe fn noch goet noch quaet en weten / ja geen
ſegelinge in onſen conſcientien / is de Deplige |onderfchept wat vecht af onrecht fs / ende fent /
Geeft / mart den Doop is een teecken ong tot dat het geioove in De kinderen flaept / ende ver: Pt“
gehoorſaemheyt ban Cheifta bevolen / met [borgen lept/ gelijck het doet ín een geloovigh
welcken men betupght alsmen hem ontfangt / ſlapende menſche tot dat fi tat haren verftande
datmen Des Heeren woordt gelooft / datmen | gelktamen zijn. Schzijft Lutherus dit unt hertz
lectweefen ende berouwe Lan fijn bootteden | grondelijcke mepninge / ſoo bewijft hu daer
oude leben heeft / Datmen met Chaifto begeert mede/ hae Dat hp veel te vergeefs van den qe:
op te ffaen ineen nieuw leben / ende Datmen loove ende fijn kracht gefchzeven heeft: maet
der ſonden quijtfcheldinge gelooft / daor Chri⸗ | fcheijft ba dat den menfchen te gevalle / foa
ſtum Jeſum; niet mijn beminde / Dat wp De |maet hem Godt genadigh zijn / ich wete waer⸗
qudteeldinge onfer fonden gelooven dao? den | achtig / dat Dat niet dan vernuft ende mene
oop / ín geendet manieren, ſrhen gedichtfel en is / Dat en fal oock door
_ @ogfaeckie/ want gelijck kap door den Doop Godts genade Des Heeren woordt ende ozdiz
hiet verkrijgen en mogen gelaove ende berou⸗ | nantie niet om fraaten ; Want het en wort ín
we / alſoo aackt geene quijtfcheldinge det ſon⸗ | geen fclyziften geleeſen dat de Apoſtelen eenigen
den / noch vrede ende vruhent der conſcientien | geloobigen Paopten als ſy ſliepen/ fn hebben
maer wp betupgen daer mede (fegge ick) Dat | De Wackende gedoopt / ende níet de flapende.
top berouwe heben ende quijefcheidinge ge- | Waerom Doopen fin dan haet kinderkens al
looben doo? Chꝛriſtum / gelijck gefent is; maer | eer Dat flapende geloove opwaeckt/ ende van
bn den baderen en is Dat alfaa niet gemeeft / | haer beleden wozdt
want die hebben dooz De teeckenen ſeeckerhent Deſe beweeringe ende aenwijſinge en volght
ende trooft ontfangen/ als Datde toegefepde | Bucerus niet / maer hr beweert dert Kinder-
belofte foude ſeecker ende Waer zijn. ADp hehe | Doop op een andet maniere / te weten / niet Dat
ben ’t alfeene Door Chriſtum Jeſum in Den |De kinderen gelooven / dan dat fn door deit
welcken alle beeldelijcke teeckkenen op houden / | Boop toegebaeght Worden des Weeren Gee
ende haer epnde genomen hebben: Alſoo dat | mepnte / ende magen alfoo opgetogen worden
wn ’t hebben ín Dat eene ende Waerachtige in fijn woozdt: hu bekent oockt hoe de Yinder=
teecken Cheifto/ Dat fh in bele beeldelijche | Doop des Heeren uptdzuckelijck Bebel níet en
teeckenen gehadt hebben. Somma / hadden is / evenwel moet fn vecht zijn. O Veere / hoe
wy de vergebinge der ſonde / ende feeclierhept | jammerlijck Dwalen de ſommige / die menfchen
der confcientien Doo? wat wendige telkenen ende eere ende gonfte ſoecken / ende niet de eere ende
elementen / foo moeft dat waerachtige onder: | gonfte Die unt Godt zijn: nademael dan de kinz
gaen/ ende met fijnen bevdienften Wijchen / | Decr-daop geert untdzückelijck bevel en is / gelijlt
wide te rugge ſtaen. bn bekent / ſoo en kan immers oock dat — *
Siet / dit is een eenigen ende rechten grondt werck Den Heere niet aengenaem zijn / & per
ban den Doop / die unt der Schrift beweerlijckt | confequens , geen belofte volgen / ende daerom
is ende geenen anderen / deſe leeren ende gez |fal De leeſer Weten/ hae haer de waerachtige
bzuncken wu / hoewel hem daer ober alle helfche | Cheiſtenen út defer ſaecke níet vechten en moez
paorten bemoepen ende onwilligh zijn / Want ten na menfchen gaetduncken ende voorne⸗
kop weten Dat fn Des Heeren klare woordt ende [men / dan nae des Weeren woozdt ende ozdez
Godfalige opdeninge is / ban welcken wy niet | ninge; Want wp en hebben maer eenen Veere
en doden afnemen noch toedoen / op Dat wp | ende Meeſter onfer confcientie/ de welcke
39.
45.
boor Godt (die alleene cen Godt ende Heere | Chziſtus Jeſus ig / Wiens woordt / wille / ge- Palm 45. ti
onſer confcientie is) niet ongehoorſaem ende | bodt ende ordeninge wp als goetwillige fange:
loogenachtigh Gebonden en Worden / Want ren behooren gehoorzſaem te zijn / gelijck alg Loan.3.29.
Palm r2.7. Gods woozdt is doozloutert / ende is cen ſchilt cen Baupdt om haerg Bzundegoms femme te ERIS « 5-
allen den genen die daer op betrouwen. hooren ín alle manieren berent ſtaet: aengefiert
Och Godt/ wat doen doch de geleerden ende | wp dan niet een letter ín De ſchrift en bevinden/
hoogtj-geleerde Meeſters deſer wereldt / Die foa | dat hp den Kinder· doop geboden heeft/ of datfe
neerſtigh ſoecken te verkilepnen Gods woordt | fijn Wpoftelen geleert ende gebzupekt hebben /
ende wijshent / ende foa behendelijck dringen ſeggen ende bekeren tp met een goet bez
op haer epgen fotachtige beenuft ende kloeckt- | fchepden berftant / datde Uinder⸗ doop niet en
bent / het en fal haer doch níet geluckten / Want is / dan een menfchen goetduncken / een engen Matt. 24.15
hu en wil fijn eere geenen anderen geben / hu is |meeninge/ een berftooringe Det odinantie
De Heere / Dat ís fijnen Namie / ende fander hem Chꝛiſti / jae eenen openbaren grouwel/ die daer
en is geen ander meer / overwinnende ſal hpfe ſtaet ín De Veplige Stede/ Daer fn met vecht
overwinnen / hp fal haer wijshent tot Dwaes- | níet ffaen en ſoude.
heyt / ende haet vernuft tat fchande maecken / Glieve Veere / hoe weynigh werdt dach deg
want Gu Weet Dat dee Wijfen gedachten | Weeren mont geacht / die Daer fpreecht / qu en Deue.12.8.
pdel zijn. — Ut niet doen dat u goet dunckt/ maer qu ſult
Luͤtherus ſcherijft / als datmen Den kinderen | doen dat ick u gebiede. En heeft niet de Dader
op haet epgen geloove doopen fal/ ende fent | van den hoagen Hemel getupght ende gefendt :
daer bp/ foo de kinderen geen geloobe en heb⸗ Dit is mijn eemge Sone in den Welcken iclt Matt-3.17.
ben/ dat haren Doop als dan een lafter deg | cen goet behagen hebbe hoort hem / en wijft ——
Sacraments is / c. Ick mepne Dit za Wel een | ons níet De gantſche ſchrift op Chriſtum: En
grove dwalinge ban een foo hooghgeleerden Worden wy niet ín fijnen Fame gedoopt / dat
mau / ende Door de welcken de Heere in Den bez | tan fijn ſtemme ſullen hooren / ende fijn woordt
ainfel fijns fchzijveng / niet Wepniah goets en | gehoorfaem zijn: Beroemt qp u oock niet / Matt.28.1s.
Dede / Dat hp dat geloove ín de onbehoorigen Dat gn de Apoſtoliſche Kercke zijt: Waerom
ende onvernuftigen Kinderen Wil beweeren / | wijckt qu dan Van Chriſto tat den Anticheift :
hoewel de fchzift ſoo grondelijcken aenwijft/| ende ban der Apoſtelen leeve ende gebzupek
tat
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ySam.1s.2te
1 Sam.16.12.
Manaffes.
2 Reg.21 6
Ferem.36.
2 Reg.2s.9.
2 Par 36.12. q
ler.7.22:
2Tell.r.8.
Apoc.a1.10:
en £9.20.
Rom:8.9.
16 Van der Doope.
beg Heeren Bloedt gedoopt zijn / ende De ſeec⸗
tot de (zere ende gebaks der geleerden : merkt
dach eens / hae hert dat fomtijdts Dat goetdun⸗
ken der menfchen/ de welck fn voor cen hepligh
werelt ende Gods-dienft Gebben gehouden /
ban Godt geſtraft is.
Padab ende Abihu droegen een vzeemt Duet
goozden Veere / terſtont zijn fp Daecam Van
Den buere Door Gods tooren verſlonden LOO}
den Altaer.
Baul was barmhertig over Agag der Amar
lechiten Koninck / ende DE ſchooñſte ende bet fte
Geeften woude hp offeren unt goetdunclien tez
gen deg Peopheten woozdt: DAL ſelve welſchij⸗
nende werk der barmhertighent ende Des heer:
lichten poers / is boog ecn fonde van tooverije
ende afgoderie aen her geſtraft / dewijle hunae
fijn goecdunchen handelde / ende niet nae des
Pꝛopheten woordt. Dan den Pzopheet is hi
geſtraft / met Peſtelentie geflagen /ſijn NRijck
is hem genomen / ende eenen anderen gegeven
die tronwer was dan hu.
MNanaſſes de kKoninck Juda / met meet an⸗
deren ín Iſraẽl / hebben haer kinderen geoffert
door dat Duer. Daer benevens heben ſu Hert:
ken ende Witaven gebouwt hiet ende daer op
alte hooge Bergen / oock in Dteden ende Lan:
den / unt rechte goede meeninge ; want fp wou:
den daer mede Dienen Den almachtigen ende
ceuwigen Godt / gelijckmen MI alle klaerhent
mercken mag. Deſe heerlijcke heylige verkie⸗
finge is ſoo ſtuckkende vooz Bodt geweeſt / dat
Jeremias níet en machte bidden poor t valckt /
Effcaël worde verwoeſt / Icruſalem ende den
Tempel verbrandt) ende Dat volck met de hey⸗
\íge Daten wegh gevoert in vezre Lande / daer:
om fpreecht Godt dao? den Pꝛopheet: Loopt
mijn fleme / ſoo wil ick uwe Bodt zijn / ende
an fit mijn volck ziju / ende wandelt op alle
wegen die ich u gebiede / niet Die JP ſelve ver⸗
Kieft / ap dat t u wel gae.
_ Wat vaet lieve Deere met alſulcke moetwil⸗
lige bervoerders / die foo onbeſchaemt Des Hee⸗
ren uptgedzuchte waerhent breken / ende foo
jannnerſjcken den almachtigen ende alderz
hooghſten Godt beliegen / ende Teeven / het zy
Sods woordt / hoewel hu dat nont gedacht /
noch heel wermiger bevolen en heeft / oock nim⸗
meemeer beveelen en ſal. Och hoe breeffelijken
g ’t alſoo tegen ſijnen Godt te foudigen / ende
fijn glavieufe weerdige woordt / ſoo deerlijcken
te vervalſchen / fa ſy ſullen met zwaerder ſtraffe
van Godt geſtraft werden ende De wrake fijns
gefmmigen toorns uiet ontwijcken / ($’t Dat
fi haer nieten beteren / want Godt ís brandt
allen leugenaers / fp cn hebben oock erve noch
deel aen fijn vijclt/ maer haer eee ende Deel is
dat eeuwigh verderven in den vuerigen poel.
Ten tweeden íg-’t openbaer / hoe de NHinder·
doop tat eenen vervloekten Gzouwel ende Af:
god opgerecht is / want alte Die hem ontfangen)
doewel haer gantſche leven foo heel Wendenfch/
wilt, roeckeloos ig / ja enckel bzaſſen / ſun⸗
pen / timſſchen / hoereeren / vloecken / zwee⸗
ten) ac Evenwel moeten fin Chriſtenen hee⸗
ten/ ende onder deg Heeren genade) verdienſte /
doodt / bloet ende baiclt gereeckent zijn / vecht
of haet dat zwacke Glementfche Later tot
CEheiſtenen baren / ende ín Chriſto bewaren
kan. @ neen / Paulus fendt : Wie Chꝛiſtus
Geeft niet en heeft / en behoort hem niet toe /
ja de arme onnooſele Kinder kens Die met deſen
Doop niet gedoopt en Wogden / hoewel fn met
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
kere belofte hebben tat ’t Nijcke Gods / moe⸗
ten ſn evenwel als verdoemt bupten den Kerlk⸗
hove begraven wozden. O ſchande ende blint⸗
hept / hier by zwge ick noch ban den gevaders /
ban ’tkrcupcen / blafen / fouten / olpen / befpijz
Den / ende van dat jammerlijck bezwecren /
’t welck doch altemale niet dan openbare laſte⸗
ringen ende ſchanden en zijn/ en niets niet van
Godt bebolen/ ep / tot wat grouwelijcker lee⸗
cker Afgodt is ſy geraeckt.
Cen derden bebinden Wa ſommige Hiſtorie
Scheivers / foo wel oude als nieuwe / oock ín
decreto / hoe fis fomtijtg den Doop / eude oock
De tijden des Doops hebben verandert. In't
begin der Peplige Kercke worden ſy gedoopt in
onbezworen Water / nae Der eerſter belijdinge
op haet epgen geloove / na inhoudt van Gods
woordt. Daer nae quam eeu veranderinge /
datmenfe ſevenmael anderfochte eer ff gedoopt
wogden. Daer na op twee beftemde tijden /
namelijckten / op Paeſſchen ende Pincxſteren.
Hpginius de tfende Paus heeft ontrent Anna
146, De Gevaders of Peten bj de Doop ingez
fettet, Ten laetſten (8 Annogo7. onder Dent
Paus Gunocentia gelijck Luther aenwijft) de
Ninder doop met een gebodt bebeftight / welck
feer te bebzeeſen ſtaet / Dat het niet weder nedet
en wil geleght wozden / dan met veel onſchul⸗
digh Bloedt der hepligen ende kinderen Gods/
gelijck oock de Heovheen ín haren dagen níet
alleene meter Leere dan oock met haren bloe⸗
de / Die vervloeckte geouwelen en Afgoderyen
Der Yonmgen/ Prieſteren en des gemeenen
volcks / hebben moeten ſtraffen / gelijckmen in
de Schrift / ende in de hiſtorien overvloedigh
efen ende ſien maats.
Is mide ee mt Gods bevel ende
woddt / waeromme heeft er Dan Imocentius
oock: fijn gebodt toe gedaen: Hoe kan oock des
Wereldts Doope vecht zijn / aengefien dat fpfe
foo dickwils berandert hebben : Ick bidde u
om Jeſus wille) denckt’t doch eens nae hoe
niet De Geleerde / maer Chriſtus Jeſus De * J
Koniuctt ende Meeſter fifnder Gemepnten 8 / nom sau
die ober Baer vegeert met fijnen Scepter/ Geeft loan.19:1rs
ende Woͤrrdt / gelck eens gefent is / Dat hun de
wijshept is ende niemant en is die hem leeren
fant / Dat hu Daer toe verſcheenen is / dat hu de
waerhepdt getupgen foude. Zijt gn UPL et
Matt.28.19.
Marci 16.16.
ffe | waerbent / foa hoazt fijn ſtenume jgeloobet zijn
woordt / ende níet Der geleerden woordt / want
fijn woordt is de waerhent / maer der geleerden
woodd fg ín deſen deel vervoeriuge; want Chꝛi⸗
ſtus gebiedt datmen den geloovigen Doopen
fal/ ende en heeft van den anbernuftigen kinde:
ren níet een Wetter bevolen ; maer De geleerden
ſeggen / wie fijn kinderen uiet Doopen en laet /
ende laet hem Doopen op fijn Geloobe / elijckt
Ehꝛiſtus dat bevalen heeft / dat ig een Swer⸗
mer / Wederdaoper ende Wetter.
Hier hebt gu dan de voornaemſte oorſaecken /
watrom top den Uinder · doop niet alleene met
den monde dan oackt met onfen doodt goet / en⸗
de bloedt tegenftaen / Want Wp Weten doot
Godts genade wel / hoe dater níet een tittel
in de Schrift bevonden wordt / met welche fix
den Hinder-doop mogen beweeren. Wy ſpre⸗
ken ude waerhent / ende en liegen niet. Weet
ong pemant onder. den gantſchen Hemel met
Godlijcker waerhent te betupgen/ dat Chꝛi⸗
ſtus Jeſus de Done des Almachtigen mi
Verantwoordinge der T egenfpreucken. _ 17
be eeuwige wijshent ende waerhent die tun al⸗ Heere. Gelijck fegge iekt / ons ded Weeren + Per.z.22.
leene ao? Den Wet · geber ende Leeraer deg [mondt bevolen heeft / fijn Wooz-heeldt- bee
Nieuwen Teſtaments bekennen eene Letter tupoht heeft / ende De vepne Apoſtelſche Heere
baet af gebaden beeft / ofte Dat fijn. Heylige | ende gezunehs teeven ende aeuwijfen.
Upaftelen aen eenige plactfen der Schrift / ont
Wis — of ——— / oa en Gez —
oeftmen ons niet te dwingen met Cpraunne{,r-__
ende pijne / men wijſe ong Set Gods woor, | Hier na volgen de Wederfpreucken
ende onte ſaecke is al geholpen. Want wp en met hare Beantwoordingen,
foecken hao? Godt anders niet / dat weet Die / |
Die alle Dingen weet / dan na anfer-zwachkthent
in aller gehoorſaemheydt te-Wandelen nae
Gods ordinantie / woordt ende wille. Waer
ger wp arme ellendige menfchen by eenen pez
gelijchken ſoo deerlijcken gefcholden/ geban-
nen / geplondert / ende alg onnooſele Scha-
pen ín veel Landen verworcht ende vermoort
worden. Den Heere zn eeüwigh danckt / ende Heeren genade / tat eenen dienſt aenteecdsee
wozden gehouden alg De gene / die noch He⸗ nen ende beantwoorden ſommige fpreuciten
mel noch Herde weerdigh en zijn/ gelijck der Geleerden / die fx unt de Schrift onz
Chaiftus fendt: Sp ſullen u veel Ducks aen |techt Daer toe gebzunckien / met welcken
doen / fp fullen u dooden / ende gp fuitvanal-|fp Des Heeren Grzdeninge te niet maer—
ee neen geljaet wazden/ om mijns naems —— ende haer epgen weder in de ſtede
ille. | _Iftellen.
Mattags. Ende Dit is ons befiumt/ dat wy niet al| Een eerften/ dat ton alle Kinderen deg too⸗ Epkuz.d:
Marcirz.g. leene in defen handel / dan aackt in allen an: [tens / en de fandelijchen acrt / unt Dat fondez Pils 1-4:
Deren handelen onſer Confcientien/ bn de
lijche Zaet ban Adam gebooren worden / enz
fivaffe des Almachtigen Godts niet maeten de daerom (feggen fb) moeten De Kinderen
noch} mogen fien op Weeren ende Borften / doe? den Doop ban de rf-fonde gerernight
noch op eenige Dactoren / ende Meeſters der
ende gewaffchen wozden / Ec. Pier op ante
Schoolen / noch op beel Concilien det Dade-| Woorden Wu ín defe Wwijfe met des Heeren
ren ende lange gewoonten Der tijden ; Want | woordt :- Wo gelooven ende bekennen wel /
Daer eu gelt nach Kepſer noch Koninck / noch (hoe dat Wp alle te famen unt eenen onrepnert
. Docter / noch Ticentiaet nach Concilium / Zade Hoost geltomen ende geboorten Wozden /
nach) Pzeſcripto tegen Godts Woozdt: Wet dat wp in den eerſten aertfchen Adana heel
en magh aen geene perſoonen / gewelt/ Wijg-| verdorven ende Uinderen des Daodts ende
hent eude tijden gebonden flac: Maer wp der Wellen geworden zijn: jae dach niet al-
mocten alleen fien op dat uptgedruckte platte ſulcken befchendt/ gelijck an Dao? den eer⸗
bevel Cheiſti / ende op de reyne leere ende ge⸗ ſten Adam gevallen / ende tat Sondaers ge⸗ oin.s.12s
brunck ſjnder Pepliger Apoſtelen gelijcht bo⸗ worzden zijt / alfoa gelooben ende bekemen cor.r3.ar.
ben geſendt is; want wanneer Wop ſulckis doen/|Wn oactt wederom / dat wy ín Den tweeden
en magen Lp ín deſer faeclken niemandt bez (ende Wemelfchen Adam Chꝛiſto in der gena⸗
driegen nachte bedroogen worden Och wee |Den opgeholpen ende gerechtigh geworden
F Elijck op dan in ’t korte aengeteeckemt
hebben des Weeren bevel / Der Apoſielen
Heere ende gebruuck/ ende De hediedinge Lan
Den Doop / Dat fn den vechten oop gez
weeft is / noch is / ende tot den eunde bijven
ſal. Alfoo Willen Wop u uuw oock door des
mg
em / jae wee hem / Die ban deſen grondt af: | zíjn; Want daer toe ig bu berfcheenen ende
daeinght / ofte gedrongen ordt / het zu dan | hier op-acrden gekomen / ap dat tun m hem
Dao? fijn engen vleeſch / Door Epraunpe-afte | ende daor hem dat lesen hebben fouden. Door
Dao? valfche Heere / ende fijns heeren Waordt | Defen roeren an ons alleen te hebben genade /
met monde ende leben boor dit arge ſonde⸗ gunſte / ende bergebinge onfer fanden br Godt
lijcke geflachte uiet en beeunght tac in den |onfen Vader / ende niet dao? den Doop/ on
Daodt. zijn dan Kinderen of geloobige. Want ſoo de
Matt.10.38. SSiet bier ende merclit wel / qp alle Die des | quújefcheldinge ende afwaffchinge bet Erf⸗
one en625. Deere woordt ende volck vervalght/ die 18 |fonde door den Doop gefchieden/ ende niet
“- Marci 8.34.” onſe leete/ grondt ende geloove ban den Oaop/ engentlijck daor Ehriſtus blaedt / faa ware dat
Luce24. miet anders dan na het untwijſen van Chriſtus welrieckende Offer / dat eeuwigh van weer Heb. to.t4;
woozdt: te Weten / Dat lp ten eerſten Godts | den blijft / in dier manieren te vergeefs ende
woordt moeten hooren / dat felbe gelooven / | krachteloos getueeft / ofte daer moeſten twee
Matt.i8.19. EDE alſoo op ons geloove gedoopt Werden /| middelen tegen onfe ſonden zin. Gch neen /
Marci 16.16. iet daerom / Dat wp oproeren en beehten [De Schrift en foreecht niet meer Dan Lan eert
willen / niet dat on veel Drouwen hebben wil⸗ middel-/ welcke Chꝛiſtus íg met fijn verdienfte/
Rom.6.4. len / ofte hier een Nijck op Werden verwachten, / doodt ende bloedt, Wie dan de vergevinge zr Pet, 1,19:
Golar. Neen / neen/ Godt zp eeuwig danck / tap | fijner ſonden foeckt dao? den Door díe ber: ——
| weten wel wat ons des Heeren woordt daer |acht deg Weeren bloedt / ende maeckt dat Peers:
ban leert ende mede bzenght: maer daerom /| Water tot fijnen Nfgodt. Daerom hoede
dat het ons des Weeren mondt bevolen heeft / [hem cen pegelijckt/ dat ho de eere ende pzijs
Dat wp onfe ſonden ban heerten begeeren af te Chaiftí den gewezachten Ceremonien; ene
ſterven / met Chriſto te begraben / ende alfaa de den Ereatuerifchen Elementen niet en
met hem op te ſtaen ín cen nieuw leben / ge⸗ gebe.
lick de Doop afbeeldet. Dat wu in t ver⸗tIs waer dat Petrus ſpzeelit / doet boete) Ache 38.
bondt fijnder genaden/ ende fijns eeuwigen | en cen pegelijk late hem Doepen ín den ame
Vreedes / oprecht ín Chriſio Hef ootmoede- Jeſu Chꝛiſti / tot bergevinge der fonden- Maer
lijck begeeren te wandelen / ende een vroom | Dat en magh foo niet berftaen worden als bat
ende vzeedige Confcientie te boeren voor den | wp de quijtſcheldinge met fonden ontfangen
daar
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
3197 B 28
Matt.2%. 19.
Eph.2.7.
Eal· .6.
Aba.2.de
Rom.1.17.
Gal.z.rr.
Hebr.10.38,
Gen.6.2r.
en 7.7.
Hebr 17.8.
Hebre1 13e
Exod.16.3-
Num.rt.r.
en 54.27.
Plal.ro6.24.
Hebr.3.16,
On 4. Le
Hebr.1e.s.
Pal. ye.rc
18 Verantwoerdinge
door ben Doop. O neen. Want in fuicker
manieren moefte Chaiftug met fijn ver—⸗
dienften tander gaen ; maer Wp ontfangen
quijtſcheldinge in den Doop / ende Dat in deſer
wijfe: De Weere heeft bevolen fijnCuangelium
ende woozdt te prediken alle creaturen / op dat
alle die daer aen gelooben / en gedoopt Wwozden/
mogen ſaligh wogden : waer Dat dan een gez
loove is / Dat een gave Gods ban Paulo gez
noemt werdt / Daer is oock De Kracht ende
beucht deg geloofs. Ende foo Waer alfoo een
werckende bruchtbaer geloove is / daer is oockt
de belofte / maer waer ſulcks niet enis / iclt
meene hier den hoorenden ende vernuſtigen /
daer en is geen belofte ; Want ſoo wie des Hee⸗
cen woordt hooet / ende met der heeten gelooft/
Die bzenghtt te voorſchijn Daoz fijn vzuchten /
hu bolght gelhoorfaemelijcten nae Dat hem
deg Beeren mondt bevalen heeft : Want de ge:
rechtige leeft unt fijn geloove / gelijck de ſchrift
leert / ende alsdan Wordt hem unt Godts
woordt quijtſcheldinge ſjnder fonden verkon⸗
dight / gelijck hier Petrus antwoordt / aenwijſt
ende mede brenght.
Wadden NHoẽ ende Loth des Beeren woordt
niet gelooft / foo en foud’tmet haere ſaecken
níet wel geftaen heben. Hadt Abraham niet
gelooft / hp en hadde alſulcken heerlijcken bez
lofte niet verlireegen; maer nu hebben fin gez
looft / vecht gedaen / ende zijn erfgenamen der
gerechtighept getwozden.
Wadden Moſes ende Ffraël des Heeren
woordt niet gelooft / ende niet gehoorſaem ger
weeft / hoe fauden ſy dan ín dat Menz ende in
de Woeftijne beftaen hebben: Maer nu heb:
ben ſy gelooft / ende zijn alfoa nae fijnder bez
lofte / Daar des Beeren ſterckke handt geholpen;
mart Die hem berbitterden / ende aen fijn gena⸗
dige woordt ende groote Wonderen niet en gez
loofden / moeften ín de Woeſtijne vervallen /
ende ín het beloofde landt niet komen.
Daer waeren oock Derfoeningen aen De
Offerhanden des Ouden Teſtaments gehan:
gen in de Schzift / niet om de Weerdighendt
ſulelien grouwel-weech gebonden Worben.
Ick meene het waere Wel tijdt op te waecs
ken / ende op de Schrift te merchen. Den
ennaofelen ende ontmondigen Hinderen en
wodt geen fonde toe · gereeckent am Jeſus
wille / maer dat leben is haer toegefept / nict
daor ceníge Ceremonien / maer upt leuter gez
naden ín dat booz-komen ban deg Weeren
Bloedt / gelijck hu fendt: Laet de Vitideren M
tot wp komen / ende en verhindertſe niet / ,
want ſulcken behoordt dat Bijcite Det Hemelen
toe. Maer bau den Doop en heeft ha niet
geboden. ki }
Pet is nae mijn duncken / ecn feet groote
dwalinge / Dat ſommige voorzgeven / als Dat
Der Joden Hinderen Chzriſto aengenaem Was
ven onder Wefnijdinge Wille/ ende dat onfe
Hinderen gengenaem zijn am des Doops
wills. 9 lafter ende fehande. Alonme moet
Chꝛriſtus Dat eenige ende eeuwige middel det
Goddelijcker genaden wijcken / ende het moet
den ſtommen wercken ende Clementen toez
geſchreeven worden. Hier wil ick allen Kin⸗
der doopcren gebzaeght hebben waer mede ſu
doch bewijſen willen / dat deſe gezegende Linz
deren alleen Beſneeden Unechtkens / ende
oocſt niet Onbeſnedene Mepsiteng geweeſt en
hebben : Waeren de Kinderen aengenaem ont
der Beſnijdinge wille / gelijck fp booz-geven)
waerom dan dock foo niet de ouden die Be⸗
ſneden waren : Want hoewel fn Befneden wa:
ten / heeft hr evenwel geboden / datmenſe op
het geloove Doopen ſoude; maer ban Den
Hinderen en heeft hy fulcks niet geboden,
Pu heeftfe in fijnen armen genomen/ Bes
zegent/ De handen opgelept/ dat Bijcke det
Hemelen toègefepdt/ ende alfaa laeten henen
gaen / maet niet gedoopt. |
Siet aldus heeft Gods wijshent felbe ge⸗
handelt / maer de wereldt wil fijn Meeſter zijn.
Chꝛiſtus en gebiedt niet dDatmen de onders
nuftige kinderen / maer de geloovige Doo⸗
pen fal ; maer de wereldt gebiedt / datmen de
Kinderen ende niet de geloovige Doopen fal,
deg geroockten Offerg : Want Dat bloedt ban Ja dat meer is / foo hem pemandt op fijn gez
Oſſen ende Bocken (fepdt Paulus) en moght ſoove Doopen fact / vewijle het de Be alfoa
geen fonde wech nemen. Het was oock alle | geboden heeft / ende upt de Vzeefe
inder cons
Des heeren wat geoffert konde Worden / jae ſrientien fijn Kinderen niet en derf laten Doo⸗
alle Dee op dunſent Bergen/ gelijck Babid | pen / dewijle hr dat niet bevolen en heeft / dig
fepdt: Maer daerom / om datſe dat woordt moet (eplacen) bp alle man een ſeer fchandes
der Goddelijcker beloften alg waerachtigh gez
|
lijcke name dragen / ende daer toe alle mattes
loofden / ende alfoo fijn bevel in de gehoorſaem lifatie / ellende ende deg doodts weerdigh zijn /
Jets
hepdt nae quanien. Alſo wozt ooclt nu in den |
Doop gepredicht vergevinge der ſonden / niet
om des Waters / afte gezochte Ceremonien
ende dat nochtans níet foo bele by det Ober:
hept als by die / Die Leeraers ende Predikterg
geroemt Worden. Want alle wat de Overig⸗
wille / (ick fegge noch cenmael, Chziſtus heptdoct/ dat doetfe gemepnlijck upt raet ens
moet alleene het middel der genaden blijben) de ingeben der geleerden. De zur
maer daerom / om datmen Des Weeren hee | wel upt wat Dader Dat fn geboorten zy. Sp
lofte Dao? den geloove aenneemt / ende fijn moeten haerg Vaders mate vervullen. Sp
—— ende Wille ín der gehoorſaemhent na |
mt. [
_ Onder defen regel ende aentwijfinge en zijn
En
hebben ’t alonnne geweeft / ſy fullen ’t na mijn
bedencken wel blijven, Die met hare val
leere / nijdigen vaet / ende woedende herten alie
uce 18.46,
ht bewijff Mernsg-iy.
de anmondige Kinderen niet begrepen. Want dat vechtveerdige bloedt gedroncken / omge: Apee.nr &.
inde Schrift en is geen Gebodt gegebenom Bracht/ ende vermoort hebben. Wet if foo Ce :5-24-
haer te Doopen/ daerom en Wordt hpoock ſchendelijck (eplacen) dat ’et fchande ig datz
algeen teechen der gehoorſaemhent van haer | men’t ſcheijven zal. Want gelijck de Sonne
niet ge-epfcht. %engefien dan de Linder-| fehijnt sao? de
Doop ſonder Godts woordt ís / foo en is hp \ pegelijcken cfien wordt /alfoo openbaer blijckt
inners geen Ceremonie Godts / maer een | oock der — — —
ij
beederffelijche Superſtitie dec menfchen / ende ranm tegen het Kam en
gen openbaere Afgodeepe / daer en kan noch en,
magh oock geen Goddelijcke belofte aen al⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
fijn Antverkorene,
God gebe dat dach deſe blinde verkeerde ende
bloetdorſtige Meeſters met alle Cprannen
een⸗
antſche wereld/ ende Lan eenen Pamm 1e. x
att. 16.14.
arci 10. 14
eemnael magen fiende worden / ende mogen
alle valſche Teere ende onſchuldigh bloedt fat
ende moede werden / Amen.
Cen tweden ſeggen fn: De Iſraëlitiſche
beſnijdinge opgenomen ín Godts verbandt en-
de gemepnte/ maer nu worden onfe kinderen
opgenomen Dao? den Doop. Wier feggen wii
metter Depliger Scheife neen toe: Want
Wiede fchaft met verſtant leeſt / Die fal fan-
Der alle dauckerhendt bebinden/ dat Wbzar
bam beel Garen al te boren in des Weeren verz
bont Was/ eet hu befineden Wert. Ende dat
de kinderliens op den achtſten dach beſneden
zijn / hoewelſn alte varen in't verbont waren :
Want het fs openbaer / hoe dat wp niet door
eenigh nutwendigh teechten Godts kinderen
en zijn/ maer Dao? De Vaderlijcke untverkfce
finge Dee genaden/ Daag Chriſtum Jeſum:
maer Dat untwendighe teecken Wort van A—
brꝛaham ge-enfcht/ alg cen gehoorſaemhent
ende ſegel fijns geloofs. Defgelijcks voch
van ſijnen zade / Dat fh hare kinderen Gez
Gen. 17. 12. ſneden op Den achtften dagh / niet eer / niet
later / De Unechtkens ende niet de Mens
kens. Hadde nu dat verbont aen het teeclien
Ephef. 1. 3.
Der Tegenfpreucken; 19
fet ende bevolen Geeft. Dewijle dan Chiſtus Matt. 28.19.
geordineert ende geboden heeft / den geloobigen Marc. i6 16.
te doopen / eude en heeft van den kinder-doop A * 3%
” 8.j.ch io.
„en tweden f niet een letter geroert daerom gelooben ende de nen
kinderliens zijn in ’t oude Teftament daor de | Yeeren wy / heeden doop det geloovigen unt
God ende Gods woort íg / ende den door det
kinderen / pt den Draeck ende dat Geeft zu.
Alle ceremonien van God geozdineert / fd
wel deg orden als Des nieuwen Teſtaments /
zijn daer toe geordineert / Dat daer in ong gez
loobe fal geoeffent / en De gehoorſaemhepdt bez
wefen worden. Ende daerom enn macten won díe
felvige nae ong goet duncken niet gebruncken
ende veranderen alſo't ons belieft; maer wy
moetenſe fo gebzuycken / geljckſe de Deere ſel
be in fijn woordt geordineert ende bevolen
heeft fa wp anders met den vpere des qeime
migen tooms Godts met Nadaͤb ende Abihu
niet en willen geftraft zijn.
Nengefien Dat Chꝛiſtus den geloovigen den
doop bevolen heeft ( ſegge ick) ende níet den onz
| mondigen kinderen. Ende de Heplige Apoſte⸗
len Den fcloígen/ na uptwijſen van Eheiſtus
| bevel alfa geleert ende gebzupekt hebben / gez
lijcltmen aen bete plactfen deg nieuwen Teſta⸗
ments leſen ende fien magh / fo moeten im⸗
gehangen ende niet aen de verſekeringe der ge⸗ miers alle rechtverſtandige toeſtaen / dat dE
naden / Waer ſouden Dan de Mepsliens geble⸗ hinder-doop / Die nu eplacp bi de gantſche we?
gert hebben: Ende oock de knechtliens Die |
onbeſneden ín de feben dagen ſtorven.
Liebe Leſer / mercht op des Weeren woort.
Want hoe wel de vrouwen ende maeghden on:
beſneden warten / hebbenfe evenwel gelijcite
belofte gehadt / ban dat beloofde Zaet / Kant /
Rijcke ende Weerlijckhepdt. Sp en Waren
níet min Abzahams Zaet/ ín Godts ver⸗
bondt onderwoipen De bedieninge Des felven
teecheng/ gelicht als De befneden Mannen
Gen. 3. 15.
hoe dat De kinderen ban Iſrael niet daar de
befnijdinge/ gelijck De kinder-Doopers voorge⸗
velt gebzunclit / ende met fo bele tprannte bez
weert Wort / niet Dan een Ceremonie Ante⸗
chriſti / een openbare laſter / een toverfche ſon⸗
de / een gegoten kalf / ja grouwel en Afgo⸗
derne en is.
Ick weet oock wel / Hoe fn de befinpdinge
alg een figuure drijven of den doop/ ende alle
geeren Daer toe De fpzeucke Pauli / namelc⸗
len: Gp zijt beſneden / Ec. Die met defe
ſpreucke Wil beweeren den kinder-doop vecht te
berdzaent fijn getupgentffe balfchelijcks : Want
hu en leert niet / Dat de uptiwendige befiaijdin:
ende knechtkens. Waer unt opentlijck blijcktt / ke / Die Doet den hepligen Paulo gewelt ende
hen/ maet doo? De berkiefinge der genaden /
fn deg Heeren verbondt geweeſt zijn. Eude gez
lijck dan Abraham ende de Iſraelitiſche kinz
derliens / ſo wel De kner htkeus als de meysliens /
ende De meyskens als de kmechtkens/ niet
Dao? Dat teecken / maer Doos de unt berkiefinge
in't verbont warten / alfa zijn oock onfe hin-
derkens fn Godts verbont / hoe wel fp niet
medoopt en zijn. Dat woort Pauli ffaet vaſt /
bu heeft ons uptverkoren in hem eer de werelt
gegeondeert; wert /ende heeft ong beropdineert
—— boor hem ſelven / daor Chriſtum
Jeſum.
Luc. 18. 16. Noch eens den kinderen behoort dat Hemel⸗
Matt, 19, 14. rijck toe / ende ſtaen ander De belofte det genaz
den Gods / doo? Chriſtum / als gefent is / ende
daerom geloven wy waeraghtigh datfe ſaligh /
hepligh ende reyn zijn / Godt aengenam / in dat
verbont ende hiws Gods / ende geenſins doo? ee⸗
nigh telten. Daer en is immers niet een letter
inde gantfche fchzift begrepen/ waer mede men
beweeren magh / als datmen de onmondige
kinderen met alſulcken teecken in des Heeren
berbondt ende gemepnte ín lepden fal. Daer
Epheſ. 1. 4.
beneven is ’t ooclt openbaer / hoe fp met geen | b
woort noch Sacramenten en magen geleert enz
de vermaent worden / fo lange ſu fa geheel fan:
ber alle gehoor / begrijp / finnen ende vernuft
| ziju. _ |
| Oackt fa en moeten de teecktenen niet anders |
gebpmcht worden / danfe de Heere ſelbe inge: |
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ge een figuuwe ende beelt op den doop zn / maer
Rom.2. 26.
* bead Phil, 3. 3s
De letterlijcke befinfjdinge aen dat tedelen Der coli” +. 3.
op de inwendige befinijdinge : want gelijck alg
4
Lev. 1ò. 2
Col. 2. £15
geboorten met een ſteenen meg gefchiede/en::. 23
alfa moet dock nu onfe aengebooren Adam Gen: 17-11:
ſche aert ende natuere met dat Beeftelijckke
ſteenen mes / erde met eender befnijdinge bez
ſueden wozden Die fander handen gefchiet. De
ſteen is Cheiſtus / dat mes is Godts woordt.
iet met Defe Befinijdinge worden de geloovige
beſneden / ende níet De onmondige Kinderen /
gelijck Paulus met deſe ſpreucke in alle klaer⸗
hendt aentwijft ende fpreecht : On ziſt beſneden
met een beſnijdinge Die ſonder handen geſchiet /
want gu hebt afgelepdt dat lichaem der fonden
in't Vleeſch / Door de befinijdinge Chriſti/ enz
De zijt tſamen met hem begraven door dert
doop / ín den welclten ap oock zijt verrefen door
t geloove / dat Godt werckt. Ick mepne
immers deſe Woorden bewijſen Wel/ Hoeft
‚ Paulus niet ban den doop der onmondige kin:
deren / maer ban de inwendige beſnijdinge der
geloovigen gefprooken heeft. Wier bn leeſt
oock / wat wp van Ho. 6. boven gefept heb:
chi.
Cen derden feagen fp : datde kinderliens
ín den doop herbooren Wowden/ Ehziftum
gentrecken / ende Den Wengen Geeft oute
fangen, Dact op antwoorden Wp: Herbooren
te oden / Chriſtum aente trechen/ en:
De den Henligen Geeft * ontfangen / zijn *
2 end
Joſua 5.3.
1Cor. i0.4.
Heb.4. 12e
Col. &, 1#;
wat et zy
Chriftum
aentrecken
ende den
Heyligen
Geeft ont-
fangen.
Luce 2.8.
Gen.212.
Hebr. 1II. II.
Num. 22. 27.
Gen .6.5.
en 8,2I«
Deut.8 1.
Matt.4.4»
Luce 15.17»
Elai.43.25e
sns3-7e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek,
3197 B 28
20
ende nae der kracht ín haet niet verſcheyden.
Hebt op dat eene foa hebt gr oock Dat ander.
Hier mereke Maer dít ſelvige en gaet de onmondige kinde⸗
ven níet met alien aen/want de Wedergebaorte
gefchiet overmits Den geloove Door Godts
woordt / ende is cen bevanderinge des herten /
ofte deg inwendigen weſens / gelijck als boven
gefepdt ig. Chriſtum aentrecken / is in Chꝛi⸗
ſtum verſet zijn / ende geſint te werden |uyelijck
als hp den Pepligen Geeft ontfangen) is fijne
gaben ende krachten deelachtigh werden / van
hem geleert / verſeeckert ende gedzeven te wo:
den / gelijck de Schzift leert. Deſe en magen
imners in de onmondige kinderen niet bevon⸗
den worden: Want fin en hebben geen ooren /
om des Weeren woordt te hooren / ende geen
beenuft om te berftacn. Apt welck woordt enz
de gehooz het alles boogkomen ende volgen
moet.
Tp fal bp avontueren gebraeght worden of
dan Godt niet machtigh en is ſulcks in den
Kinderen te wercken / naedien oock Joanmes
de Dooper noch ongebooren / ban vreüghde ín
fijns moeders lichaem gefprongen heeft : Daer | h
op feggen tp / dat wp bau Gods macht niet en
foreechen / hu heeft dat oude verſtorven lijf van
ata bebrucht gemacchit: Ende heeft Ba⸗
lams &zel doen ſprelien. Daer unt en volght
niet / dat alle oude Bzouwen hebzucht worden /
ende alte Ezels ſprekien fullen. Hn en doet altijt
niet / dat hp wel doen kan/ ofte doen magt.
Naer wp ſpreecken alteene ban Den Hegel det
—— Jwat ang die daer af geleert ende bevo⸗
en heeft.
Hademael dan de onbernuftige kinderen dat
gehooz deg woozdts niet en hebben, foo en kon
nen fa oock niet gelooven / ende dewijle ſy niet
en gelooven / ſoo en konnen ſy oock niet her⸗
booten wopden. Datfe de ooren niet cn hebben
om Gods woordt te hooren / leert Get vernuft
wel. Datfe oock niet en gelooven noch herboo⸗
ren en werden / blijckt wel aen hare vzuchten;
fia zijn dan gedoopt of ongedoopt / ban der jonli⸗
hept aen is de aengeborene natuere genegen tot
den boofen. Ap en weten geen onderfchepdt
tuffchen Chriſtům ende den Satan/ tuſſchen
goet ende quaet / tuſſchen leven ende doodt / Ec.
Waer ín falmen dan doch haer geloove / weder:
geboorte / Chriſtum ende Geeft mereken : Dat
wederbarende woordt maeft eerſtmael gehoort
en met trouwer herten gelooft worden / ver De
wedergeboogte / dat aentrecken Cheiſti ende de
—5* des Hepligen Geeſts volgen mogen.
et / ſoo leert ong Des Beeren woordt / wie nu
dat welfimakende brood des Godlijken woords /
_ niet en wil / waer bp onfe zielen leven moeten /
die magh hem met der Swijnen dzaf laten ver⸗
fadigen. Wy en magen ’£ niet keeren / iek
hoope de genadige Dader fal ons met fijnder
goter barmhertigheyt voor hare Antichriſti⸗
che jeere ende Pharizeeſchen Suer · deegh eeu⸗
Welijck veſchermen ende bewaren,
den vierden ſeggen fn: Hoewel de onmon⸗
dige Kinderen in den Doop Lan de Erfſonde
foaníet gewaſſchen en werden / datſe niet meer
en 30 / foo en fal haer evenwel am Des Doops
wille) dat niettot fonde gereektent worden:
Daer op antwoorden wp: Alſoo te leeven / en⸗
de foa te gelooven / is een openbare lafter tegen
Ehriſtum̃ / ende Chriſtus bloedt. Ick hebbe
wel meer alg eenmael beweſen unt des Heeren
Verantwoordinge
alleen is / tegen onſe ſonden / ende anders geen Natt aai.
middel en is eeuwelijcki: wilmen Gods waardt En 20.28.
niet gelooven / foo en maghmen noch Lan mp Besc 4
noch ban eenigen menſch geholpen wozden; Luee 2.30.
maer ín wat wijfe der. geloobigen Doop quijt: * Ee —
ſcheldinge bp gehangen is / is boven Wel ver⸗·
klaert. Die tleeſt ende vecht verftact / fal Den en 3.16.
Deere Chꝛiſto Wel fijn eere geven / ende de Verz Actor.a.1:.
gevinge fijnder fanden niet den ſtammnen CBE
moníen / ende Elementen toe ſchrijven. EEn
en 2.2!
heeft fijn Ephef.r.7.
EN
Ten vijfden feagen fit: Chriſtus
Gemepnte gereymaht ende geheplight met Soa
Mater badt Door ’t waozde / de klepe kinderen Col...
ziju ín de Semeynte / fegaen fis / dacrom moe: en 2.15.
ten fin oockt met het Water-badt gerepnight « Tim.r.rs.
worden dao? het woordt. Daer op antWwoo?: vage
den wp: Paulus en ſprecelit hier niet van den en En *
onhoorigen ende oumondigen kinderen / maer en 4-12.
bande gene / Die deg Heeren woordt hooren / en 6. 20.
gelooven / ende alſoo door den geloove in haten ater
heeten gebeplight ende gereunight Worden. en 9.15.
(Bant die worden met het Water-badt pr wafz en ro. 12.
fchen/ gelijck haer deg Heeren mondt bevalen Bin
eeft. dit
Aengeſien dan Dat de onmondige kinderen en 5. 18.
Dat vepnigende ende hepligh-maltende geloove S1 4 *-
niet eñ heben / neclj ’t middel tot den gelove / — *
te weten / dat gelhhao? / oackt in der Schrift van en 8. ; „rr.
het Water-badt geen bevel en hebben toe Apocurs.
fonmen fp dan met het Water-badt gerepnigkht Kn 57
moden door ’t woordt / na Dien fp geen clave 4
en heben nt woordt / ende geen Mater · badt
Doo? ’t woorde: Daeram ſullen alle kRinder
doopers weten / hoe dat haren Hinder-doop.
niet alleen niet en vepnight noch en heplight /
maer datfe geheel ende al afgodiſch / fonder bez
lofte / verderffelickk ende tegen Des Weeren
woordt is. |
Wp hebben te boren beweſen / hoe der Jo⸗
den offerhanden / quijtfcheldinge Der ſonden /
ofte verfoeninge bp gelangen Werden / wan⸗
neer fia nae het uptwijfen ban Iofes woordt
gefchieden ; maer Wanneer fj foo niet en ges
fchieden / cu heben ſy haer daer mede niet ver⸗
faent / maer des te meet onder de ſonde gebon⸗
den / gelijck Saul / Uſia / Nadab ende Abihu/ 15515 15:
ende diergelijcke meer. An gelijchter manieren nd
wort oock De Gemeynte met het Water-badt
geheplight ende gevennight / doo? ’t woordt /
wanneer dat ’t ín allen dingen nae untwijſen
Des woords gefchiet. Isꝰt ſoo niet / ſoo en wort
>er niet gevepnight/maer beel meer geſondight.
Ende hoewel de kinderkens/ / noch geloove
noch Doop en hebben / en denclit daerom niet
datſe verdoet zijn. @chneen/ evenwel zijn
fp ſaligh / want fp hebben des Heeren. cpgen
belafte tot den nijcli Godg/ uiet door ecuigh
Glement/ Ceremonie ende untwendige mid⸗
Del / maer alleen unt genade door Cheiſtum Mart.19.19.
Jeſum; Ende daerom gelooven Wp oock Marc 20.15.
@aerachtighdatfe ín genaden zijn / Gode aen: Lice 18-15.
genaem / reyn / hevligh / erfgenamen Gods
ende deg eeuwigen levens. Jaom deſer belof⸗
ten wule / is t dat alle oprechte Cheiſt· geloo⸗
bige hen ban haerer hinderen falighent met ges
wiſſer herten roemen ende trooſten.
Cen ſeſten / ſeggen fp: dat de onmondige
Kinderkeng om der beloften wille / hier boben
gevhaelt / ſullen gedoopt worden / hoewel
Chꝛiſtus de toegebrachte kinderen niet en
Doopte / noch; pen en liet: Maer ſulcks
woozdt / hoe dat Chriſtus dat eenige middel feggen f/ heeft bu naefijnen doodt latent lesen.
/ en
Den Haag.
Te.23.17.
Eze. 13:16.
et de Heere
niet bevolen
en heeft.
1 Cor.r.14.
1 Cor. rrd.
Van de ge-
gefinnen.
der Tegenfpreucken. 21
ende doett. Baer op antwoorden tun: Defe en zijn. Want Paulus fepdt / dat de omutte
inrede ís bals en fonder Gods Wooꝛdt ja fr en klappers gefel hunſen verlenden / ende een
lian met een letter der Schrift niet beweert onmondigh kind en kan met geen valfche leere
worden. Wp verblijden ong van herten / dat fa | vervoert Worden / Dat is onwederfpzeelielijck.
de belofte heben / maer dat fp daerom ſouden Daerom en mogen ooctt ander. Dat woordt /
gedoopt worden / dat en leert ons de Schrift hupfen / geen andere beeftaen wozden / dan als
niet ende Dat fp boor deg Meeren doodt niet | eene Die / die oooren hebben om te hooren / en⸗
gedoopt en zijn / verſeeckert ans des te meer / | De heeten om te berftacn.
ende Dat daerom: Want wp weten waerach⸗ Eenlaetften beroepen ft haer op Origenem /
tigh / dat hy met geen ander woordt / geen an- | ende Auguſtinum / ende (eagen dat die voorge:
der gront / geenen anderen Doop / geenen an- | ben / hae ſy de Kinder doop Vanden Npoftelen
deren Geeft / geen ander Belofte) nae fijnen ontfangen hebben. Wier op antwoorden Wp /
doodt geleert enn heeft / af doen leeren / alg voo? ende bzagen : Of Origenes ende Auguſtinus
fijnen doodt. Maer dat Gu ſulcks nae fijnen dat unt de Schzift beweſen hebben. ebben
daodt ende Hemel· vaert ban fijnen Wepligen | fn ſulcks gedaen / dat begeeren Wp te hooren /
Apoſtelen heeft laten leeren ende doen / en fal | maer hebben fp ’t niet gedaen / foo moeten Won
met des Weeren woordt nimmermeer betunght Ciziftum ende fijn Apoftelen hooren ende
worden. gelaaven / ende niet Auguſtinum ende Ori⸗
Ovleeſch / vleeſch / qu en ſchaemt u niet den | genem. |
Doopen en fal/ dewijle I ín Gods Gemeynte / gelijck Origenes ende Auguſtinus vaorgeven/
elafte zijn / / antwoor/ | foo moeft ’t eerſt met ’er Schzift bewefen zijn /
olen en heeft. — t
Nen (benden ſeggen fs: De Scheift wijſt ende gevang in eener bapbent gefet hadde.
aen / Dat de Apoſtelen geheele hupfen gedoopt | Want alle dat Apoftolifch is/ en magh van
hunſen in det ft byſonder biet zijn: Ce | Dunvel / fijn Pompe ende Engelen : daer nae |
wijft dat die díe hupfen bpfonder alle geloavigh met dat Badt der Wedergeboorten gedoopt
doopte huys- ijn/ te weten dat huns Comelii des | zijt geworden.
pre huys- geweeſt zij —7— Ziek 8
meeſters at de Uinder doop niet Apoſtoliſch gez
hind der Purper verlsoopfter / aengefien | weeft en is / meught an upt dat Winder-fpel_
dat de. Schrift niet grondighs Daer af en ge- | Wthanafit wel aenmerchen / geltjch alg Fufri Rufinus
}fioa fa de leeſer weten / alg dat ’et geen | nug interpres Eufebii; zolib. Eccl. Hift.cap. 14:
maniere en ig / nach in de Schaft / noch bj de | met hlare woorden aenwijft. —
wereldt / datmen?’t hups na de vrouwe noemt / Bedencht aoctt/ hae dat de eerſte Scheivers
foe fange alg de man int leven (8, Deijle orn den Kinder-doop feer getwift hebben Daer
dan Lucas hier dat hups na de vzouwe / ende ſy Apoſtoliſch geweeft /- cndeupt dert Euange⸗
ctuaden man en NOEM / foa leert ons dat lio vooꝛt gekomen / waerom fouden fp dan
benuft wel /datfe op die tijdt ven weduwe ofte daerom geſtreden hebben. | —
ven fonchygoutwe geweeſt zo. Ende hoe harde) Hier bp leeft goe Erafmum Boterod. in Die breeder
ee 2 e dan over den onmondigent Kinderen in {ua Concilion. Scbaſtianum Franck ín fijne beftheyt we-
—— hunſe houden fal/ willen wn dert Gode Kronijcken J Ulricum Swinglium ín fijn Artu en wil die
vᷣrreſenden Leſer te bedenclien gevers. kel Boeck / Martinum Ceſſarium de Ì mmen- klaringh vaa
“Een vierden antwoozden Wp / Dat onder dat | Gsoperilsus Dei, ende qlp fut wel bevinden / den Doop:
waozdelsen /hupfen/ of hupgaefimen/ de on: hoe dat de Kinder-doop der Apoſtelen leeve en” vor veieneyt
inonbige kinderen inde Schaft niet begrepen (de gebzunck niet en ís, — hinde,
3 Siet
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
leſe onfe vere
Toan.rt.25.
Ioan 15.14.
Ei.46.23.
Yoan.10,27.
Matt. 5.44.
Rom.r2.20.
Galat.5.23e
Deut.ó6, 5
en 10.20.
Matt.22 3
Eph.4.15.
r Joan. 3.16,
22 Aen de Verachters
Diet lieve Leeſer cls vermane ende ade u
foo gp maet uwen Godt ban heeten en foccht /
ende niet en begeert bedragen te zijn © En
berlact u niet op menschen / ende menfchen
leere / hoe out / hepligh ende heerlijckt fn gez
roemt worzden. D' Cen Schyiftgeleerde is te
gen den anderen / foo wel by den ouden / als by
Den nieuwen ; maer verlaet u alleene op Chzi-
ſtum / ende Chriſtus woordt / op de onbedziez
gelijcke acenwijfinge ende gebrunli fijnder hepli-
gee Apoſtelen / foo ſult gn door Gods genade
hoog alle valfche leer ende Dupbels gewelt wel
ongehindert blijven / ende met een Han / ende
vꝛoom gemoet boo? uwen Godt wandelen.
Een Vermaninge aen de verachters
des Woordts van de Doop.
V Yweten Wel / liebe Heefer / dat'er twel
veel onnutte Blappers zijn / Die Dao? de
_ etter vande Schzrift wel bekennen / dat niet
de onmoudige lunderkiens / maer de L hrift-gez
loovige behooren gedoopt te Wozden. Noch⸗
tans ſpreecken fin / enlieve/ Wat kan ons dat
Water helpen: tp zijn eemmael ín Godts
naem gedoopt / hadden Wp flechts het nieuwe
leven/het waer ong al genoegh. © liebe Heere/
Dus is over alu edel dierbaer woordt voor een
Eſopus fabel bp de roeckelooſe Wereldt geacht /
vecht of de Almachtige Majeſtent Gods/ de
eeuwige wijsheyt ende waerheyt / eenige din⸗
gen te vergeefs geleert ende geboden hadde.
Jeen mijn goede Leeſer / neen, fijnen Naem ís
Heerſchapper Heere / ſijjn woordt is fijnen wille/
fijn gebodt ís dat eeuwige leben. Alles wat hu
ong geleert ende bevolen heeft / dat wil hp onge:
twijfelt alfo van ons gehouden hebben. Doen
wa dat niet / wee ons: gp zijt mijn vrienden
(fept Chziſtus) íg’tdat gu doet / al wat ick u
bevolen hebbe. Mijnen raet (ſpreeckt de Pzo⸗
pheet) fal ſtaen / ende mijten gantfchen wille
verachtinge / ende dat dzuckkende Meus Chzꝛiſti
met getrouwer herten te dzagen om des Hee⸗
cen woorzdt / Chriſtum Jeſum te belijden voor
Heeren ende Dorften/ in Kerckers ende Ban⸗
den / met mondt ende leven tot in den doodt.
clk meene immers dat deſe ende diergelijckie
geboden / den verkeerden vleeſche / dat ſoo
geerne al-om fijn eygen wegh wandelen wil /
veel pijnlijcker ende zwaerder zn / Dan ’t hem
is cen handt bol Waters te ontfangen. Ende
fmmerg moet cen oprecht Chzeiſten tot allen
Defen bevept ſtaen. Is t ſoo niet / ſoo en is hu
unt Godt niet gebooren; want de Wederge⸗ phil2.6.
borene fijn geſint als Chriſtus Jeſus.
Alle Die dan doo? Gods genade / upt Adam
ín Chꝛiſtum verſet zijn / der Godlijcker natu⸗
re deelachtigh zijn/ ende met een geeft ende
vuur der Demelfcher liefde ban Godt gedoopt
zijn/ en fullen niet ſoo ſmadelijcken tegen den
eere kijben ende ſpzreeken: Wiebe / Wat kan
(np dat Water helpen: Maer fin ſeggen met Ator.s.6:
den geflagen Paulo : Heere Wat Wilt gp dat
wp doen ſullen: Ende met den boetbeerdigen
op den Piucxter dagh: Wiebe broeders Wat
ſullen Wp doen : Sp zijn haet engen wijshent
te bupten gegaen / ende ffaen bevepdt tot des
Weeren woordt / Want fin worden Lan ſijnen
Geeft gedzeben / ende grijpen aen doo? Den gez
loove met bepwilligee gehoorſaemer herten /
alles wat haer deg Heeren mondt opgelept enz ea nd
De bevolen heeft,
; b.10.23.
Maer ſoo lange als fin ín hate confctentien ——
niet vernieuwt en zijn / gelijck als Chriſtus niet en 415.
geſint en zijn / met dat reyne Water upt de
Fontennen Gods / aen den inwendigen men:
ſche niet gewaſſchen en zijn / ſoo mogen fp met
vecht wel ſeggen / wat kan ans dat Water hel:
pen. Want ſy en magen met den gantfchen
Oceaen niet gerennight worden / faa lange alg Oceanus is
ſu foa gerdſch ende bleefchelijckt gefint zijn.
Mijn getrouwe leſer / en Dencht nictbat op
fal gefchieden : Hierom O Creatuere Tact af | ober het Element ende werelt honden / ick ſeg⸗
met uien Godt te twiften/ hoort hem / ende | ge u de waerhent in Cheifta / ende en liege niet: vloeyt.
zijt gehoozfaem: Want het ís alfaa fijnen ſoo permandt tot mp quame/ hu waer dan Kep⸗
Goddelijclien Naedt / woordt ende Wille / wie | fer of Koninck / en Woude gedoont zijn / ende
zijt qu dat qu met uwen Godt rechten wilt /
Cheiſtus Schapen hooren fijn flenune, De
waerachtige Chziftenen gelaoben ende Doen.
Zijtan een oprecht Chriſten upt Godt gebo:
ten / waerom beefchzickt gu u dan Loot den
Doop : Soo 't doch dat minfte is / Van dat u
Godt bevolen heeft; Det is immers cen zwaer⸗
der emde gewichtiger gebodt / u panden te bez
minnen : Goet te doen / die u quaet Doen : An
den Geeft ende Waerhent te bidden Hoog Die /
Die u bervolgen : B guactwillige Goddeloofe
vleeſch te Kruuſen met fijne onreyne luften enz
de begeerten / u grootdunckende hovaerdne /
ufchzaepende gievighent/ u ſtinckende onlums⸗
heyt / uwen bloedigen haet / u gulſigh braſſen
en ſunpen / u verbloeckte Afgoderije / u nijdige
achterklappinge/ende u ongefouten fchentlijkte
tonge te fcheucen unt uwen monde / herte ende
vleeſch. Uwen Heere / uwen Godt/ uwen
Schepper ende Salighmaecker ban gantfcher
heeten te vreeſen ende te beminnen / ende ú ín
allen Dingen te fchicken na fijn heyligh woozdt.
Hven naeften in oprechte en ongebepnsde
liefde na allen u vermogen te dienen / met goe⸗
Den / hups/landt/ vaet/ met uwen Zweren
wetigen arbendt / ja oock met uwe doodt ende
loedt Wanneer °t De naat enſcht. Mile ellende! | Gebben / dat hn van den Wemel gekomen 8 /
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wandelde noch na de onverme goddelaofe luſten
fijng vleeſch / ende dat onſtraffelijck nieuwe
boetveerdigh leven en Waer daer níet / ick hope
dao? Gods genade lieber te ſterven / dan foodaz
nige onboetbeerdige bleefchelicke menfchen te Ator.8.36.
doopen : Want foo Waer Dat Vernieuwende
wederbatende geloobe niet en is / Dat ons tot
der gehoorſaemhent aenlepdet / Daer en is oock
geenen Doop / gelijck Philippus tot Eumu⸗
chum fende / ende fbrach gelooft qu unt gant⸗
ſcher herten fo magh dat wel gefchrieden. Maer
foo hele ſult gn nochtans weten / fo de Doope⸗
lingh met een hupchelfche herte / ín den febijn
des geloofs aenquame / dat fijn hupchelje niet
den Dooper maer den Doopelingh ſelber tot 1 cor.z.::,
ſonde gereeckkent wozde; Want niemant en
kan weten wat ín Des menfchen herte is / dan
de geeft des menfchen / die ín hem is.
Fecht meene immers dat gu ut deſe mijne
woorden wel mercken kondt / hae wy na geert
water begeerigh en zijn / anders Dan ons ded
Heeren woordt bebolen heeft. Want dewijle
wi gelaoben / dat Chriſtus de cechte ende
waerachtige Meſſias is / op welcken de Wet
en de Pzopheten wijfen / den welcken alle gez
gerechtige Daderen ende Patriarchen begeert
ende
Gel.1.9.
_ bemint / ende meent Godt van gantfcher herz
r Samir sat.
Gal.s.52
s Sor.7.19:
der Doope. —_ 23
ende de waerhent getunght heeft / ende dat fijn | nieuwe Creatuere ende de ondert;oudinge det
gebodt het eeuwige leven is foo moeten Wop | gebooden Gods. |
nmers fijn ſtennue hooren / ende fijn woordt | Ende die in Cheiſto nieum gebooren ende
gehoozfaein sijn. A8 ’tfaoniet/ foo bewijfen upt Godt gebooren is / die en leeft niet meer
top met der daet / dat wp hem níet en gelooven) (foo Paulus fendt /) maer Chꝛiſtus Jeſus lecft
maer ſijnen raet ende woozdt verſtooten ende in hen / hp ſchickt alle fijn wegen nae des Hee⸗
fijn liefde ondanckbaer zijn. ten WBoozdt. Want dat krachtige werckende
Felt weet wel dat uwer bele feggen fullen : | geloove dzinght hen ín alle gehoorſaemhept enz
Wy zijn eenmac! in Gods naem gedoopt / hier |De goede wercken. Maer foo waer dat nieuwe
weſen niet en is / daer bintmen Wel ſchoone
mede willen ye beeden zijn. Daer op ant:
b Woorden / maer ín den grondt niet dan enckel
woogden wp : Soo gp maer Godt Lan herten
en oreeft/ende zijn woordt ende orꝛdinantie vaar | ongeloobe / ongehoorfaembepdt/ moet wille /
goetdunckien / ende eenen verkeerden wegh.
techt ende goet bekent/ foo moet qu felve
Nichters zijn / dat qu niet in Gods 1aem/| _ Pier mede bidde ende vermaene ick u / liebe
maet tegen Gods NQaem gedoopt zijt. t A8 Leeſer / dat ap doch den Heere ſoo wederſpan⸗
kel waer dat de aenbiddelijcke hooge Paem | nig niet zijn en wilt / feggende : Wat kan ong
Gods over u genoemt is / maer met anders
dan over locken / Hercken / Outaren / WDij-
water / Ueetſſen ende Palmen. Alle Auti⸗
cheiftifche Afgoderijen ende grouwelen / Woz:
Ben (eplacen) alle met den anderen onder den
fchijn des Goddelijcken Naems gebruwckt.
Ebenwel en geſchieden fp niet ín de kracht
fijn aemsg / maer tegen fijnen aem ; want
fi gefchieden tegen fijn woordt ende wille.
Wijn goede Heefer / overdenckt defe Woo:
Den wel / ende vichtfe met des Heeren woordt /
faa fult gn bevinden / hae Dat uwen ontfangen
Doop fonder alle bebel van Gods woordt /
Door epgen beefierde gevechtighept ingeſloo⸗
pen / ende ban menſchen opgeworpen is / eude
daerom oock boor Godt (die alleen in fijnder
Gemeente heerfc —— ende regeeren wil)
berbannen ende vervloeckt is.
Wilt gp dan u van De belofte verhoogen ende
een MDede-genaat der Gemeenten Cheiſti zijn /
foo moet gu deg Weeren woozdt gelooven / ende
ſijnen raet / Wille ende ordinantie volgen ende
gehoofaen zijn. Maer ſoo gu Dat veracht /
wen engen raet ende wille / ende niet des Deer
vaet ende wille volgen wilt / foo en kond op u
met der Schrift van geen belofte beroemen,
Want wie niet en gelooft (ſpreeckt Chriſtus)
díe is alveede Gerdocmt.
‚_Pieram foo en trooft u niet langer met alſul⸗
fen pdelen trooſt / dat gp ſpzreckt: Wy zijn
demnael gedoopt. Want u herte is noch geheel
ende al ongeloobigh / jae wederſpannigh ende
onreyn / ugantfche leven ís gertſch ende vlee⸗
fehelijckt ende uwen Doop is Anticheiftifch enz
de bupten Gods woopdt. Daerom waeckt op/
doet boete / gelooft Cheiſto / ſoeckt / vzeeſt /
wilt / hae dat Thriſtus Jeſus hem felve beeft
laten Doopen / hoewel hp geen ſonde en kende /
noch bedzogk in fijnen mondt bebonden en
werdt. Ha ſelve de gerechtighepyt / wegh / waer:
doch Chꝛriſto dat Water helpen /die het alles
in allen was. Dock zijn de Jongeren Lan
Epheſen Wederom Lan Paulo gedoopt / om
dat fp níet ban den Hepligen Geeft en Wiften /
hoewel fp met Foannis Boopfel gedoopt wa⸗
ten. Heeft her Dan Chꝛiſtus felve Laten Doos
pen/ die geen fonde kende : Ende zijn oock Wez
derom ban Paule gedoopt die met Joannis
Doopfel eenmael gedoopt Waren / welche
Doop doch vpt Den Wemel was: Waerom
geracht gp dan des Deeren Doop/ op díe cen
arm ellendigh Sondaer zijt / ende zijt ſonder
eenige kermiſſe ende geloove gedoopt / met
— er die upt Den Draeck ende dat
eeftig.
Noch foo heeft oock Cpprianus MRartps
met fijn gantſche Concilio in Africa beflaten /
alg dat mende gene / bie ban Ketterg gedoopt
waren) wederom met den Doop tit ti Doo⸗
pen foude/ ende Dat daerom : Want ff hese 't
Daer boor / dat De Wetter-Doop Chziſtus· doo
niet zijn en konde : denckt gp nu een —
na/ gp goede Leeſer / wat 't vooz lieden gewe
zijn Die u gedoopt hebben / van Wien fp gefon:
den zijn / wat geloove fr gehadt / wat leven fix
gevoert / met wat leere ende. —*5* fp uge⸗
doopt hebben. Fa wilde gp ſulcks vecht ende
wel nadencken / ick faude door Gods genade
verhoopen / ſoo gn maer na De Ware Dzede ende
bepbent der. Confcientien begeerigh en waert /
gp foud haeft vermercken / hoe. gp bepde De in⸗
ten/ alg dan faludeg Weeren woordt ende de |wendige ende uptwendige Doope noch nopt
falofnge wel leeren Wat in defe dingen Dat |gekkent en hadt / noch beel min ontfangen en
nutfte zp te doen ofte te laten. hadt. ie
En ſeoht oock niet (gelijck De ſommige een | Siet lieve Leeſers / Gier het qu dat rechte
wijfe hebben /) ick wil mp van der Lerche ende | Fondament ende de Schriftmatige aenwijſm⸗
Ban der Afgoderpen af maecken/ ick wil mijne |ge van den Doop Chzifti/ ende De oploffmae
waeften'Dienen/ ac. maer den Doop en Wil ickt ban den Doop deg Antichziſts: Bidt den als
niet, Meent qp/@ op blinde menfchen / Dat de derhooghſten Heere om sen heplfaem,/ ten
Peeve luft heeft aen u blijven vpt Der Wercken / | verftandt / dat gp De rechte ende Godfalige
of aen uwe Aeimoeſſen / of aen ſulcks pet / waerhept ban herten bekennen / gelooven/ende
wanneer gp fijnen raet ende woordt verwerpt : [ín alle bzeeſe Gods trouwelicken nakomen
Peen neen / hp wil gehoorſaemhept ende geen mooght / ontflact u doch des verkeerden diſpu⸗
offerande. Pp wil dat geheel herte / ende den |teereng ende tegenfirijdens : Tant wie uut
geheelen menfche. Dao? hem en gelden Herc: ſulcker meeninge difputeert ende tegenſtrijdt /
een) Velmoeffen / woorden noch wercken / foo | Dat hp op rupmer ſtraten blijven magh/ bzengt
lange ho u nieuw herte ende u nieuw leben niet | fijn ziele nt berderven / ende en fal nimmerz
aemmercht / want ín Chriſto Jeſu (fepdt Pau: | meer met goede ende gewiſſer Conſrientie voor
Yug) en geìt befnijdinge noch onbeſnijdinge / \fijnen Godt wandelen / oock wel wat vindeũ
inaer dat geloobe dat Doog De liefde werckit / De daer hjn aver twiſten ende wezen magt. Bie
er⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Gala 4;
dat Water helpen: Maer dat gp bedencken Matr.z.15,
hept / ende Dat leben was. Seght / wat ande Acta9.5⸗
Matt.2 1:25
An Van’t Nachtmael
sfevam fa doozſoeckt / gelaaft ende volght lacen) haerder een part níet wennigh onfchule
— — in —— geomer heeten / euz digh bloedts met haren afgodiſchen migvers
Be en faet u niet met beel fchoon ſpzekende ſtandt / (foo het anders misverſtandt ende
waoyden in eenen goeden ſchijn verlenden / fa niet hooghmoet heeten en fal) ín den doodt
ſult qm den gewiffen gront der heylſamer Waer: gefchzeeven. Ende wodt aen haer bervult Komt:
hept ende De trooſtelijcke belofte der genaden dat de Peplige Paulus van haer gefchjrechen „Len maer
fander twüffel wel beekeifgen. De heere Fez heeft: doen fn haet Boor Wijs hielden, Fijn de vedieding
jude U ed fin tot fotten geworden / Want fp ſtrjden ten pd tekens
meeften ober dat ſignum / dat ten wepmighſten £“*°
3 * F |
ſus Cheiſtus gunne u zijn genade / Amen.
geït: Ende Dat fionificatum/ Waetom dat
Van — — ſignum ingeſet is / ende dat ten meeſten gelt /
Aep eu treffen fin niet. Pet wort oack luttel (foo mp
G 32 meet lieve — armes Ak * — —— Eet hele / ane d
eret oefe alam beel ban Des Heeren gaſten ofte gente 6 zijt
—— Peren / prediken enderoemen; Bie met Chriſid bp fijn Cafel fitten; ende dit
iaer met hoedanigen beentenifte/ geloove / meerde Heplige achtmael met hem gebzupc⸗
Kiefne./ breede / eemghept / gebzupeit ende ODE Ken fullen. —
ninge ſp dat doen/ blijckt wel, ’t Is wel waet/ | Ong en (8 niet cen Letter ín De gantfche
dat ons deg Heeren mondt / een 25200DË beelen | Schrift bevolen / alg dat wp ober dat fienelijke
of Dachtmael in dat Nieuwe Teftament ge0? | ende caftelijcke ſigno diſputeeren ſullen Wat
Dineert heeft / maer niet in ſulcker wijſe / gelijkt dat ín hem zp. De geeftelijche vechten alle
het bp u gebaupelit wort. Want u Nachtmael Dingen Geeſtelijck: Want wat Dat in der ſub⸗
entente gee —
130 gierige / hooveer zalers / geſien
moer hater afzaden-dienacrs / hoeren⸗ den. Maer dat ſtaet ang meeft te bedencken /
jaucts / en / ja — — dat —— —— — — / — 7
ende boeven / Ec. Wet wert oock in eenen lee⸗ met deſen ſigno (dat is teken) : c ⸗
lijcken ſtinckende pzacht — —— gen —— eertse
ept/- ende afgoderpe gebrunctit / ende WIED ende vermaent Wozdt/ t vackher
bend — — uptgedeplt | Die fr den mogen nae komen / ende foo veel alg in ons is /
1 Cor.1o.zt, geondt niets níet en foechen/ Dan weveltlijche | gelhckfozmigh zijn. ‚
eere / gemack / viceſch cude bupck / gelijchtucn | Om — ——— —* —— *
agh. hertigen ende bramen Leeſers met de twiſtige
* Werelds Nene dan / dat uwer veel foo over dat — — diſputatien / over het upterz
Nachtmael Nachtmael pbeven / maer niet na de Schuift / lijcke figuo niet bemoenen / gelijck alg de ges
isnietdes _nelijclt qu hooren fuit: Want u tafel beter DES |Ieerde Doen : Maer wp begeeren alleen/ dat
— ——— Dunveis tafel / alg des Heeren tard heeten | op doo des feb verte —— rt be
aah. Soo begeert ick om Jeſus wille / vat OP | ſtercke kracht des Godlijcken woozdts vec
—— in —— — Gods naden —— aenwijfen/ Wien ende waerom Het
Ken wilt/ wien/ wacròm/ ende waer toe De | Chziſtus Gefus na gelaten ende geopdineert
Peere dat ſelve Hachtmael ín fijn lactfte avont heeft / op datmen dat fienlijckte teecken / niet
eeten | fijne Werchte affoo na gelaten ende beroz- | voor dat waerachtige weſen en eere/ ende
dineert heeft / op dat et u een tenende ende bez | níet ban der waerhept tot den beelden en trede.
Mercke __ toerende teechen zijn magh / dat u des Heeren Om dan te komen tot cen vecht ende 002:
waerom vobervloedelijcke groote weldaden / De herte haerlijck ende Chziſtelijck verſtant ban des ende waere
rid aA grondelclie vrede / liefde ende eenigbept fijn: | Veeren Peplige Nachtmael / wat dat zy / wien /
Nachtnet der gemepnte/ende de gemeentchap jug vlees / Waerom / ofte waer toe dat nagelaten zu/ foo
ende bloedts voor dragen ende inbeelden magh | moetmen hier bier dingen byſonder neerſtelijck
dat gp alſoo dat ongerechtige godlaofe Wefen in | gentnercken ende Wel waer nemen, __
Den grondt afſterben / De Gerechtighept ende | Cen eerften/ foo moetmen hem hier wel
Godfalighept van heeten nae komen / van des | goor fien / datmen dat ſienlicke verganchelijke
Dunvels Tafel af blien / ende u ín een Waer” | Bzoodt ende Wijn niet tot des Heeten Wefent
achtigh geloove / ende in een vzoom boetveer⸗ lijcke vlees ende bloedt en maeclte/ gelijck ſom⸗
Dig wieuw leven / ende in cen ongeberwde | mige doen. Want fulcks te gelooven / is tegen
broederlijctse liefde / met De Gemeente Geis | de gantfche natuere / vernuft ende Schrift / ja
Eheiſti op fijn Denlige Tafel fitten mooght. | eenen openbaren lafteraer deg Soons Godts /
Aldus fpseecht Paulus : Ick heb dat van | grouwel ende Afgoderpe. Maer gelijck hoe
den Heere ontfangen dat ick u gegeven hebbe: | Gfraël jaerlijcks tot fijnder tijdt na ’t bedel
Want de Heere Jeſus ín Den Jacht doen hp | Moſi dat Paeffchen houden moeften / nde dat
gezvaden wert / vam hp dat Bzoodt dankiende | tat eener gedachteniffe Lan Dien / dat De Al⸗
Sommige _ ende bracht dat/ ende fprackt : Heemt / cet / dat | machtige Godt/de Godt van Abraham Iſaar
Geleerden is míjn lichaem dat voor u gebzoociten Wordt / | ende Jãcob fijnen bolckke boor De ſtraffe ende
hooghimoer fulcls doet tot mijnder gedachteniffe. · plagen / doen Gp de eerſte gebaren ſloegh / gena⸗
ftant veel Desgelijctten oock den Kelck na den Avont· delijck bewaerde / ende door fijn flevche handt
bloetsoor- eten/ ende fpzack : Defen lelck is Dat Nieu⸗ | ende uptgereckten arm unt den Yſeren Oben Gen-15-41e
faccken · ¶ we Teſtament ín mijnen Bloede / ſulcks doet van Egppten / upt de verſchrickeljcke Tyran⸗
LCox. 11.24 *
ſoo dickwils als gp dat drinckt / tot mijnder | npe ende gewelt ban Pharao nae de Wooden Lxod.a.10.
Luce 2217. gedachteniffe. el fijner beloften / ſoo heerlijcken ende Wonder:
Wier hebt on De verklaringe Pauli ban de | lichen untvoerde ende berlofte / ende daerom
woorden des Weplígen zPachtmaels / Landen | dat felbe Paeſch-⸗Lam / des Weeren Paſſcha /
Heere ingeſet / aber welche woorden de geleerde | (dat is doo? ganck) hiete. Dat teecken vooz
wel hert geftveden hebben / ende en hebben (ep | dat waerachtige wefen/ Want dat Lammeken
2 / cn
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Niet dat ’
1 Cof.n
Dat teken
wefen en
zijn niet
eenderley,
|
— —
— — — ——— —— — —
Marc. 16.9.
Luc.24:50.
Acto.i. 9.
Rom.8,3.
Eph. 4.8.
zPet.3e2re
Heb.ro, 10.
Luc. 22, 19.
Toan.1s.15.
Gen.:,26. en
2. 18.
Gen 3.15.
-… Paradijs ingefer/ ende hem alle Creaturen
Matt. r. 25
En Zele
Luc.t. 27.
Ioan, r. 14»
Matt.18. 12e
Epha2. 4.
Col. 1. 19.
en 2.13:
Kom. 8.3
Des
en was den Doorganck niet / hoe wel toa,
genoemt Woe. Det en beteeckende maer
den doozganck gelijck verhaelt is. Alſo wozt
hiet ook Dat Bzood des Heypligen Nachtmaels /
des Weeren Wichaem/ ende de Wijn deg Hee⸗
ven Bloedt / genoemt / Dat teecken (fegge
ickt) boo? Dat waerachtige wefen. Niet dat
het fijn epgentlijcke ende natuerlijckte vleeſch
ende bloed is Want daer mede is hy opge:
baren boven alle Hemelen / ende fit tot fijns
Daders rechter hand onftevffelijck ende onver:
ganckelijck in eeuwiger Majeſtent ende Weer:
lijchhent: Maer het is een vermanende teec⸗
lien ende gedachteniſſe van dien / dat de So⸗
ne Godts/ Chꝛziſtus Jeſus / ons door dat onz
beblekte Offer fijns onſchuldigen Vleeſchs en | q
Bloed upt dat geweltdes Dupvels ende upt
dat Nijcke der Wellen / en Des eeuwigen Doods
berloft/ ende in dat Nijcke fijnder Genaden /
Victorieuſelijck gevoert heeft / gelijk hy ſelve
ſendt. Dat doet tot mijnder gedachteniſſe
(Een tweeden / is hiet Waer te nemen en aen
te mercken / Dat 'er geen hooger of grooter
bewijs Der lief den en is / dan dat men den
@oad baar pemand ſterve / gelijck Chriſtus
fendt : HNiemandt en heeft grooter lief de / dan
Die fijn leben boor fijn Dzienden laet / nade-
mael Dit Peplige teelken maer een gedenkteez
ken ban deg Weeren Dood en is / en De Dood
Dat alderhoogfte bewijs der lief denis (gelijk
verhaelt is) ſoo Werden Wp hier bermaendt /
foo wanneer Wp bp Des Weeren Tafel fitten /
om fijn Bzoodt te eeten/ ende fijnen Kelck
te drincken Dat wp niet alleen fijnen Dood /
maer oock alle de Heerlijcke vzuchten der
Godlijcker liefden tegen ong beweſen ín
Chꝛiſto / met alder-neerftighept berkondigen
endè gedencken fillen/ te weten / dat God
den menfchen ín den begin hem tot eenen
beelde / onverderffelijk geſchapen heeft / ín dat
onderworpen heeft: Doen hy ban der flangen
beroert was / weder met Den toekormenden
Overwinner en Hepland Cheífto verheught
ende vertrooſt heeft / Moſen ende de Pzophe⸗
ten gefanden heeft / Diedeg Heeren Wet neer:
fielijckt gedreben / ende op den beloof den Chri⸗
ſtum en fijn Nijk getwefen hebben.
Dat Chꝛiſtus Jeſus na de toefegginge det
Schꝛift / ten laetſten in deſer Werelt verſche⸗
nen is / een waerachtigh menſche / unt de
Heplige Maget Maria gebooren is: Dat hu
dat falighmakende en genadenrijke Woord (n
beel ellende / moente ende arbent den hupfe Iſ⸗
raẽl gepzedickt heeft / Dat beloven ſchaep gez
facht / ende weder tot fijnen vechten Herder gez
braght heeft: Dat hp ons voor fijnen Demel-
fehen Dader met ſijnen bitteren Dood en dier:
baren Bloede / ín fijner eeuwiger lief dert gez
brediget en verſoent heeft / gelijk hi felbe fent :
Soo lief heeft God de Wereld gehadt / dat ha
fijnen eenigen geboten Sone woude geben / op
dat alle die aen hem gelooft/ niet en vergae/
maer dat eeuwige leven hebben.
O wonderlijcke lief de Gods / Die men upt-
gronden noch dooz grijpen kan: Wp en heeft
geen Engel/ geen Patriarch / noch Pzopheet /
iaer fijn eeuwvigh Almachtigh Waozdt / fijn
eeuwige Wijshepd / dat fchijnfel fijner Heer⸗
ljkheyt in de gedaente eens fondelijken bleefchs
fn de bedzoef de Wereld gefonden. Ende heeft
Dien alſoo tot ſonde booz ong gemacht / Die van
— — — — — — — —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
mmm Lm
Heeren: 25
geen fonde en wiſte / op dat wn in hem de ge
teeijtighepde fouden Worden / die Hoor Godt
el
als dat in Chriſtus fonde geweeft zu: Dat zn
bere. De Scheift ſpreekt hem bep van alle
fonden / hr was dat Bammeken ſonder blecke:
Wp en kende de fonde niet: Dat bedzogh en is
ER
De ftcaffe lept op hem / op dat wy beede had⸗
ai / bu heeft fijn leben tot een Dchult-offer gez
en. |
Siet weerde Leſers / alle die defe heerlijcke
liefde Gods en deſe overvloedige groote wel:
daden Der genaden ín Chzifto Jeſu tegen ong
bewefen/ ban herten fan gelooven / die wert
door alſulcken geloove / al meer cn meer ber:
nieuwt: Sijn herte Wert overgoten met een⸗
derlen vreughden ende bzedighept : Wet breekt
unt in een beolijlk gemoed / met alderlep dankt:
ſegginge: Wet looft en prijft fijnen God ban
gantfcher herten / daerom Dat’t met gewiſſer
confcientien in den Geeft gevattet heeft / gez
{ooft ende bekent / dat ons de Dader alfoa lief
gehadt heeft/Dat hp onsacme ellendige ſondaers
fijnen eenigen ende eeuwigen Sone / met alle
fijn berdienfte tot eender gaven en eeuwige ver⸗
loffinge gefchoncken heeft / gelijk Paults fept:
makers is berfcheenen/ niet om de Wercken
ber gerechtinhepds wille/ die Wp gedaen had:
den : Maer na fijner bacmbertighend mackte
boozten/ ende Dernieuwinge des Hepligen
Geefts / die hu rijckelijt nptgegoten heeft ober
ons/ doo? Jeſum Chꝛiſtum onfen Salighma⸗
ker / op Dat Wp doop fijn Genade rechtveerdig
ende Erfgenamen zijn deg eeuwigen Lebens
bier behoort men te gedencken / hoe datde ge⸗
vechtige boo? ons angerechtige geftorven is /
doen Wm oock noct openbare fohdaers/ ende Roms. re.
branden Waren.
Doe dat dat onbebleckte Kam ín dat vper det
ellende / aen Den ſtamme Des krups voor ons
gebraden / en tot een eeuwige bevfoeninge voor
ons geoffert is. | et ‘
oe dat de Schepper aller creatueren (daot
welcken het alle gemaekt is) ban hoven tat bez
neden om onfent wille gebroken is. Ende Die
daer ſchoon wag boven alle Kinderen det men⸗
fchen / de aldert onweerdighfte geworden / ende
met den guaetdoenders gerekent is.
‚ Poe dat de onfclhuldige alter wereld laften gez
dragen / ende onfer aller fchuldt met ſijn vaade
bloedt untgedaen en betaelt heeft / gelijck de
Scheift fpzecht : Pelt heh moeten betalen / dat
— ark en f — q
omma/ dat Cheí e
boogfaemhent / Adams ende alle fijns Saeds
ongehoorſaemhend ontbonde/ ende met fijz
eid @ood het Leben wedergebzacht
heeft. |
Dit Heerlijcke ende Hooge werk Der Gode
lijcker lief ben ende genaden / bekende de Hen⸗
lige Paulus / ende brack unt ende ſpzack / wie
wil ong affchepden Lan de lief de Gods / dzoef⸗
feniſſe / ofte angſt / ofte berbolginge/ of hon⸗
ger / of naeckthepdt / of ac and af zweert /
gelifde
Mijn goede Hefer en berftaet’tniet ſoo / -Cor.s- er,
in fijnen mond niet bevonden. Maer hp ig Hier leert,
van Paulo na Pebzeeufcher Wwijfe fonde gez Onsite ton:
noemt/ dat is een Offer vaar de ſonde / gelijeht de in der
De Pzopheet fent : Pp is om onfe migdaedg wil schrift ge-
5 4 2 , te
le gewont / en om onfer ſonden Wille geflagen: —
1 Pet.⁊. 22e
De genadighend ende lief de Gods ons Saligh⸗ Titz s-
hp ang Saligh/ door dat Badt der Weder-ge- Tit-3.s:
E{s3.10.
1 FPet.I. 20.
Ex. 12.6.
EX, 12.9.-
Pſ. 9.j.
met fijn ge⸗ Roms. 18;
— ü—
— —
— —
— —
—⸗
— — —
— mn
— — — — — *
— — — — = — —— — — — —— J * =
— * — _ _ *
— if — me
— — — e — *
— — — — — ẽ —
— — — ——— —— — ee — —
——
26
Píal.44.23.
Rom.8,36.
Van ’t Nachtmael
gelijckeer geſchzeven ſtaet om uwent wille | mondt / &c. De ongeachtſte Lidmaten haer
wozden Wp gedoodt den gantſchen dagh / Wap | verwozpenheydt niet en berwijten / oock De 1 Cor-12.14.
zijn gevelkent boog flacht-fchapen: Maer in |ongeachte/ den hoogen om haer hooghepts
Rom3.33,
gewis Datong nac
dien allen overwinnen Wy vezre om des geens | wille niet benijden/ maet een negelijck Lidt⸗
wille Die ons lief gepant heeft. Want ick ben | mact ín fijn Deel vreedigh íS/ ende dat gez
h dood / nach leben / noch | heele lichaem ten goede Diendt/ het zy dan
Engel / noch vozſtendom / noch gewelt / noch | in fijnder opdeninge hoogh ofte leegt, Alſſo Eph.4. 12.
dat tegenwoordige / noch Dat toekomende / oock in Des Heeren Gemepnte. Sommige
noch dat hooge / noc
dat leege/ noch eenigh | (fepdt Paulus) heeft hp tat Apoſtelen gez
[
ander creatuere en ban affchepden ban Deffet/ formmige tot Propheten/ ſommige tot
lief de Gods / die Daer is ín Chriſto Jeſu on: | Euangeliften / fommige tot Leeraers ende
fen Weere.
Verders / een pegelijck fie baor hem dat hp
Ende dit is het Wooet Dat Joames fendt / hem níet en beroeme/ alle wat hp is / heeft Pic anders
10004 19: goet ons hem lief hebben /-Want ho heeft ong
gerft lief wehadt. Want de natuere leert den
geenen lief te hebben die ong lief heeft. En⸗
De dat ís de eerſte berucht des Wepligen
Nachtmaels / Wanneer het vecht gebrupcht
Wordt.
Een derden / moetmen genmercken / alg dat
ons hier met dit felbige Nachtmael / de Chri⸗
ftelijcke eeníghepdt/hef de en bzede afgebeeldet
en bermaent Werden ; Daer na alle waerach⸗
e Cox.io.i .tige Chꝛiſtenen ban heeten jagen en ſtrijden
moeten. Wpalle (ſpreeckt Paulus ) die een
bzoodt genieten/ zijn een bzoodt.
Alle Chr) Gelijk als dan cen natuurlijckt braadt van
ei * heel korens ín de meulen gebzaocken / met wa⸗
ter gekneet / van Des vners hittighendt tot cen
beoodt gebacken ordt / alſoo wordt oeck De
x Corer2,13. gemepnte Chꝛiſti unt beel geloobigen / met De
meulen deg Godlijcken woordts in hare herten
gebzaken/met dat water Des Wepligen Geeſts/
en met Dat oper Der repnder ongeverweder lief:
Den in een lichaem gedoopt.
En gelijck alg een natuerlijch lichaem met
Lichaem.
wat foeckt
of vermach / het is doch alle Gods genade gan de bou-
ende gave. Cen pegelijchk wachte opfijnen wing des
Dienft/ op dat de Heyligen mogen gefticht./ Lichaems
ende Dat Lichaem gebautwet werden tat dat vergr
wp alle kamen tot eenderlep geloove / ende maer aen
befienteniffe deg Soons Gods tat een vol⸗ Chriftus
komen man werden in de mate deg vollomen Lichaer-
Ouderdomg Chꝛiſti. ale
Dit mert ten tweeden met ’t Peplige achte
mael afgebeelt/ maer hae dat hp de werelt /
Die hen Chgiftenen- roemen / nae gekomen
—— betupgen hare vruchten ende daedt
Êl.
Cen bierden moet men aenmercken / alg
dat Dat Heylige Hachtmael cen gemeynſchap
Des Tichaems ende Bloedts Chꝛiſti is / gez
lijcht Paulus ſendt / den Kelck der Dancki⸗ Cor. 1o. is⸗
ſegginge met welcken Wp Danckſeggen /
is Die niet De Gemepnfchap des Bloedts
Chzifti: dat Bzoodt dat op breecken / is
dat niet de gemepnfchap des Lichaems Chꝛri⸗
í.
Nengefien dat et dan cen gemeynſchap is
al fijn lidtmaten eenigh en vredigh is / eneen | alg berhaelt is / foa wil ick w alle te famen Heb. 3.15.
pegelijck lidtmaet ban naturen zijns dienſts ſeer broederlijclt bermaent hebben / dat qu te
neerſtelijck waer neemt Dat gebeele lichaem
ten beften: Alſoo behooren oock ín gelijcker
maten de Waerachtige en levendige lidmaten
aen Chziſtus Lichaem eenigh te zijn / een her:
te / eenen geeft/ een ziele / wiet twiſtigh en on⸗
vredigh / niet afgunſtigh / en nijdigh/ niet wzeet
en biſtigh / niet wzebeligh / kijfachtigh en wol⸗
vigh / de eene tegen den anderen gelijck de eer⸗
gierige / epgenfoeckelijcke en hooveerdige de⸗
ſer werelt doen / maer in alder manieren onder
doch met neerſtighendt onderſoecken wilt /
of gpaeck Chꝛiſti —— geworden zijt:
f op vock vleeſch ban Cheiſtus bleefch/Eph.s. ze
en been van Chriſtus beenen zijt / ende of op
oock in Cheiſto zijt / ende Chriſtus in wig:
Want alle Die weerdelijck ban defen Bzoode
eeten / ende ban deſen Vieltt deinclien fal/ die
moet doog de kracht des Goddelijcken woorts /
obermids Den geloove aen Den: binnenfke loan-3,5:
menſche verandert / ende ín eenen. nieuwen
malkanderen lanckmoedigh / vriendelijck / fin bekeert zijn cen. nieuwe Menſche unt
—— bereydt na de rechte aerdt Det | Godt gebaren zijn / unt Adam in Ehei
Pet.3. 8.
hriſteljcke lief den / haren naeften te Dienen verſet zijn / Cheiſtelijckier Werd / medelijdia/ ec
in alle wat za bermogen / met vermanen / be⸗vziendelijck /
ſtraffen / trooſten / met handrenckinge / met
taed/ daed / goed / ja oock met haren ſueren
ſwaren arbepdt / lijf en leven / bereydt mallan⸗
deren te vergeven / gelijck ons Chriſtus Jeſus
Coll .a2. bergeven / en met fijn Wood / leen ende dood
gedient heeft / alg Paulus fent/teeht aen als de
uptuerkovene Depligen Gods / en beminde / een
ertgrondelijke barmhertighendt / —
Eph4- 5 hepdt/ ootmoedighepdt / ſachtmoedighepdt/
jotſaemhendt / De een verdrage Den anderen /
en vergeeft u onder mallkanderen / ſoo nemand
eenige klachte heeft tegen den anderen gelijck
alsu Chꝛiſtus vergeven heeft/ alſoo oock qu.
Boven dat alle faa treckt De lief De aen / Die
daer is den bant der bolkomenhepdt /ende de
Col3- 15e vzede Gods regeere ín uwe heeten / tat welker
gp oockt geroepen zijt in een lichaem / en Weeft | f weert des Geeſts gewap
dankbaer.
Item / gelijck als ook ín een natuerlijck lic⸗ van
armhertigh / lieflijſt nedzigh
gan herten / ende Des Heeren Woozdt gez
hoorſaem zijn: Dat hooveerdige / eergieri⸗ mar:.18,9.
ge/ eygen ſoeckelijcke en bleeſchelijcken Her⸗
te moet beſneden ‘zijn, Dat ſchalcke ooge
uptgeftekken / Dat quaedhoorige oore verſtopt / Rſa. 1. 10.
de onnutte achterklappige Tonge getemt/ De
ontepne bloedige Handen gerepnigt/ en dat
onſunver gulfige bleefch gematigt / c. Pp moet
eenen vromen ſtrijd boeven tegen. Wereldt /
Dleefch ende Dunvel: Sijn Wendenen moe:
ten met De waethepdt begopdet zijn / hn moet zpn.o. :s.
met den Pantſier der gevechtighepdt bekleed
zijn: Sijn Doeten moeten gefchoept zijn /
als die berepdt is tot den. Euangelium des
Pzedes / hp moet met den Schilt deg de- rreſ.s.
loofs / met den Helme der Balighept/en met Dat Rom.ð.14
ent zijn: moet ban
des —* Geeft gedreven wozden / dat hu
erten een Chriſten zu / ende upt alle
haem de hooge Lidmaten / alg oogen / ooren / fijn krachten daer na ſtaen dat. hp lines
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Phil.2.s.
Luc.22.15.
Matt.28. 25
Mare. 14. 22
Luc.22.
1Cor.i1.32
17.
loan, 3. 31.
1 loan.4 9.
Rom.8. 3.
Phil. 2.7:
EfA.5.9.
Ezech. 39:9:
Toan.1.13-
Hebr.5.2.
Ezech.1.6.
Luc.io.34.
LReg . 1.360
Matt.s. 9.
Kom. 8.32:
Efai.53. 7.
ÈPet.rz. 2e
Matt.26.13
Luc.aa.s.
Des Heeren, 2 7
ſwackheyt magh gefint zijn. Gelijk alg Chei⸗iclt u foo lief gehadt hebbe / Dat ick oock mijn
ſtus Jeſus gefint was doen hp die heulige bleefch voor u geoffert / en mijn blacdt vooz u
Nachtmael berogdineerde/ ende met fijnen vergooten hebbe: grooter hefde en heeft nie⸗ ‚ cor. 1.25.
lieven Jongeren gebzunckte / en fpzack: Ap | mandt gehadt / Dan die fijn leben fet Loor Zijn Loan. 15,18.
heeft ban herten berlangt/ oft met grooter vrienden / ende hebbe alſoo daer mede een ecu⸗
„begeeren heb ick begeert) dat ick dit Paeſch⸗ ige berfoeninge / genade / bermhertighept /
fam met u eeten mochte / eer Dat ick lijde. | gunft ende vzrede bj mijnen Bader verkregen /
Daer nae heeft hn genomen Dat beoodt/ gez | gelicht ick u geſeyt hebbe / te weten/ dat de
bzoken en gefent: Neemt / ende eet/ Dat is Sone deg menfchen niet gelkomen en is / om
mijn lichaem / Dat boor u gegeven Woet; Des | gedient te worden / maer om te dienen / ende Matt.ao. 28.
fetven gelijcken oock den Wijn: Deſe ig den dat hp fijn leben geve tot verloſſingen boor
Kelck Des Nieuwen Ceſtaments Mm mij⸗ veele. we
nen Bloede / Ec. Dat felbigesdoet tot mijn⸗Lieve Hefer / merckt op deg Heeren Woord
der gedachtenifte/ vecht oft hp feggen wou⸗ ende infettinge)/ Want ſod waer dit heplige
d Nachtmael / met alſulcken geloove / lief De /
Siet liebe kinderen / ſoo vezre heeft mp De aendacht / breede / eenighepdt/ hert ende gez
liefde / die ick totu/ entot het menſchelijcke moede gebeupelit wert / dact is Chꝛiſtus Je⸗
geſlachte gehad hebbe / en eeüwigh hebben fal/ | ſus met fijn genade / geeft ende belofte / ende
gedzeven / Dat ick mijns Daders Heerljckheyt met Die verdienfte Lan fijn poen/ ellende /
verlaten hebhe/ ende ben alg een acm ellendig vleeſch / bloedt / krups / ende doodt / gelijck - *
ſlave omutedienen / in deſe bedzoefde We⸗ hp ſelve ſeyt: Boo waer dat’er twee oft drie Matt. a8. zo.
velt gekomen. Want ick ſagh dat gu alle Des | vergadert zijn in mjnen Name / Daer ben ick
Dunvels waert / ende dat er niemand en Was | midden onder haet. Maer foo waer de venne
die u verloſte: Dat gp alle verdwaelt ginclt /| bekenteniſſe Chriſti / Dat werckende geloode / ‘
gelicht berdwaelde ſchapen / ende niemand, Dat nieuwe leven / de Chziſtelijcke lief De, vze⸗ Waer deze
uwer achtede/ Dat gralle grijpende Wolven | de en eenighepdt niet en zijn /- Daer en ÍS’t niet „ien zin
een fpijfe waert / en niemand en was Die u ver⸗ Des Heeren zdachtmaet / maer het is een ver⸗ en wort niet
lofte/ dat gp tot ’er doodt toe gewont waert / achtige en befpottinge deg Bloeds en Doods recht ge-
ende niemandt en wag die u genefen konde. | Chzifti/ eenen trooſt der onbaetteerdigeit/cein pachemaelt
Daerom ben ick van den Wemel hiet af geko⸗ bervoerifche bebepnfthept / ende eenen open: mar bin
men/ ende ben een arm fwack en ſterffelijck baren Godts lafter ende afgoderpe/ gelijck: Luc.213.
menfche geworden / U in alle dingen gelijk) | men (eplacen) nu bp det werelt ſpeuren en fien
uptgenamen de fande / ick hebbe u 1m mjnder magh. ER u
rodter lief den / ſoo neerſtelijck gefoaht/ el:|__D lieffelijche vergaderinge / en Chꝛiſtelijcke
endigh / verdzietigh / janmerlijck/ ja half Bzuploft/ dat van den Heere ſeibe geordineert
dood hebbe ick u gebonden / den dienſt mijn” | ende beroepen is / ín den welcken niet eenige
Der lief den hebbe ick ſoo hertelijck aen u bewe⸗ | tpdelijcke welluft/ bleefch/ oft bunch, dan
fen / uwe zeeren hebbe ick verbonden / uwe De heerlijchke heplige verbozgeniſſe met defen
bloed hebbe ick afgewiſcht Wijn ende Olpe ſiemijcken telien onder Wzood ende Wijn alten
fn uwe vezrotte buple wonden gegoten / upt waerachtigen€ hzift-geloovigen afgebeelt/ gez
den mond der helfcher Bepzen en Leeuwen gez | focht/en begeert worden. PRN
pridt / ick hebbe wop mijn fchouderen geno⸗ _® Lieffelijchte vergaderinge / en Cheiſtelicke
men / ende in de hutten deg beedeg‘ngevoert / | Bzunloft / hi den welcken geen ongefoutene
uwe naeckhent hebbe ick bedeclst / uwe ellende | fchandelijche fpotterpe en onnutte liedekens /
hebbe ick mp ontfeemt. De wet hebbe ick voor maer dat brame Chꝛiſtelijcke leben / vrede /
u berbult/ uwe fonden hebbe ick wech geno· eenighepdt ander alle zake daer toe oock
men/ den zede / genade ende gunft mijns dat berblpdende Woot der Godlijcker Par recht
Daders hebbe ick u verkondigt / fijnen goeden | genaden / fijn — weldaden / gunft/ nml
wille hebbe ick u geopent / den wegh det waer: liefde / dienſt / tranen/ bidden) Lrung/ dachtenis en
—A—— beloofs * —— — eral * lieffelijchet danckſegginge in vermaninge
0 b e Dalig u/{ Godfaliger blijdſchap voorge MR ter welr
dat hebbe ick met mijn ongehoozde Ceeckenen / —— Bert gofebap voorgedragen en VEE aaien Chi
en geoote Wwonder-werckten / krachtelijck bez
and fti, aen ons
Olieffelijcke bergaderinge/en Chꝛiſtelijclie beweren.
tupgbt. | Bzuploft / tat den welcken de onboet vrerdige
_ Siet lieve kinderen / dus lange hebbe ick by ende ſtoute verachters (na inhoudt der ſchrift)
ugewandelt met mijng Daders Waordt / gez | nier becoepen en, zijn / gelijck daer. zijn Woe
leert / vermaent / beftraffet / getrooſtet / en | cen / Boeven) Gberſpeelders Beouwenſchen⸗
in fijnen HNaem bewaert / maer nu is mijn uure | ders / Napers / Foovers / Teugenaers Bee
biet / in deſer nacht ſal ick vezraden werden / dziegers / Tprannen Bloedvergieters Afgo- De vleefche-
alle wat de Pzopheten van mp geſproken heb: | den-Ddienaerg / Uafteraers /Ec. Want.zu en Hieke ende
ben / heeft ſijn epnde / nu ick u niet langer en | zijn deg Weeren volck: niet. act die upt Bod Moms
magt dienen met mijn leeve en leven Wil cf u | geboren zijn / de waerachtige Ehziftenen/ Die hebben geen
ten Jaetſten Dienen met mijn bitter lijden / | haer fanden begraven / ende met Ehꝛriſto in cen deel aen des
vleeſch / bloedt / kruns /en doodt. ‚| Goòfaligh nieuw Teven wandelen: Die haer naief
En dit ig nu Die epgentlijcke oorſaeck / daer⸗ vleeſch keupcen / van den Wenligen Geeſt gez ok
om dat ick u tot defen Avond - eeten hebbe be⸗ dreven worden / die Godt ban herten gelooz
roepen / op Dat ich u deſen gebrunck onder | ven / ſoeclien / vzeeſen / lief hebben / ende in
Ozad en Wyn odineeren macht/Dat gp ſom⸗ haer ſwackhendt geerne Willen dienen ende
tijds na mijn doodt bp den anderen komen / gehoorſaem zjjn : Want Dat zijn leden Des lí- Eph. 5-30. ,
ende De bheerlijcke weldaden mijnder ernſtiger chaemg Eheiftí / vleeſch van fijnen vleefche/en
— oo obervloedelijcken aen u beweſen / been van fijne beenen.
ier mede gedencken fout / ende bpfonder / at Olieffelijcke han en Chꝛiſtelijcke
2 Bzup⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibl
iotheek, Den Haag.
sReg.15-23. vijl niet fien. Ongehoorſaemheydt
28
hoort en wort / inaer daer de hongerige Con
fcientíen verfadigt worden met den hewmelfchen
bzoode deg Godlijclten woorts / ende met den
wijn des hepligen Geeſts / ende Daer de vredi⸗
ge vzoljcke zielen fpelen ende fpringen Loo?
den Heere. bij
Waeckt op ghn Die in duyſterniſſen fit / ende
in deg doots ſchaduwe wandelt : Waeckt op /
(feggeiclt) ende neemeti waer dat dat Nacht⸗
ntacl dat afp tot noch toe gehouden hebt / niet
en is dat Hachtmael Chꝛiſti dan des An⸗
techziften / niet Des Werven Cafcl/ Dan des
@Dupbelg Tafel; want het weet gemepntijckt
níet dan van openbare vervoerders ende Afgo⸗
dendienaers uptgedenlt / en van ſoo een bolck
genietet / Dat noch heel moetwillich Vleeſch⸗
lijck / ende Des Heeren woordt ongeloovigh en
wederſpannigh is. Daer en boven noch / dat
voor des Heeren weſcntlijcke vleeſch en bloedt
bekent / ende met ſulcken onbetamelijcken
Pepdenfchen pracht en pzael gebrupckt wert :
OD grouwel ende Afgodt.
Lieve Leſers Jicht betumgeu de waerhepdt
ín Cheiſto / ende en liege niet/ als dat dat
Peplige Nachtmael Chꝛiſti van geenen bet
voerders uptgedeplt/ noch ban geenen on⸗
boetveerdigen ende wederſpannigen en Wil gez
nietet zijn. Wet en eyſcht oock ſoo geenen
peacht ende praecl der kleederen / gelijck als
de wereldt voor een maniere heeft / oaclt geen
gulden baten noch gebepngden fchijn van
biechten abfolveeren/ nepgen en bozſtſlaen / EC.
Face het Wil met een gebzoocken herte /
met waerachtige boete / met cen bernederde
Confcientie/ met een ongeverwede vierige
lief De / met vrede ende beeughde inden Hep⸗
ligen Geeft gehouden ende bedient zijn.
Noch eeng waeckt op/ ende denciit nae
wat ick ſchrijye: Gods werck en is geen doo⸗
de letter apen/ ende nae fpeelen/ heten
oockk geen geklanck ban veel kKlocken / Oz⸗
geten ende fingen: Maer het is een hemel-
fche kacht ende leven de beroeringe des Denz
ligen Geeſts / Die dat herte ende gemoed Det
cloovigen ontfteeckt/ Booz-Dringt / trooſt /
alft/ vypmoedigt/ opweckt / beweeght /
blijven niet ín De beltende waerheydt /
is | fin zijn dan Hepfer / Woninckt / Fijckt / geleerde
Van’t Nachtmacl des Heeren.
Be vergade- Bzuploft / in den welcken Dat gulfige ecten en | kent Bod niet / want Godt ís Die lief De / ſom⸗
ven deincken niet gebrunckt / noch De Godtlooſe m erd
hemaet POelhept ban pijpen ende teonnmnelen niet ge⸗ | Diektt / gelooft / gedoopt / genagtmaclt / gepro⸗
ma / founder de lief De is't al te vergeefs gepre:
pheteert en geleden.
Daeromme vermanen wy alle De geene Die t Cor-13-3-
dit nachtmael begeeren te houden / dat fr doch
te vecht leeren bekennen / wat dat rechte
Pachtmael zp wat dat beteeckent hoe
(ende waer toe men Dat gebaumekt / ende Wat Hem met
Ende alfea reeckens
alleen te
bolcit Dat 't gebemcken fal.
Gen ſewen na Paulus leere Wel onderſoecken —*
errſe van defen broode eeten / ende van deſen % wacrach-
lielck drincken / op datſe haer met De uptwen⸗ tige welen
dige tehenen niet vertrooſten / ende aen dat Len ——
waerachtige weſen dat er mede betekent Wart gevend.
faelgeeen. Want alle die Chriſtum en fijne
gerechtigheyt níet en bekennen / Chziſto ende
fijn Waordt niet en gelooven: In Chzifto en
Ehꝛiſtus Woord niet en wandelen / maer Wan:
delen nae De ſuperſtitien / leeringen ende gez
boden dee menſchen / fetten hem evenwel by
Des Weeren Tafel / díe ſelve eeten en dzincken
he u felven het oordeel.
Nile die De Weeren Woozdt over het geloo⸗
ve aengenomen en boo? vecht Belkent hebben /
ende dat felve nu Wederom overtreden / ende en De afvallige
treden hebben geen
weder op Den runmen wegh / ende doen weder: nachtmacl.
om deg wereldts lief de acn / verſtooten Chri⸗
ſtum cude Chriftug woordt / verlaten hen op
der Geteerden bervoeringe / gloſen / en balfche
toefeaaen ; fodanige en hebben geen deel aen
Des Beeren Tafel / want fin en hebben geenen
Godt / gelijck Joannes fent: Wíe obertreet /
en im De lecre Ciygifti niet cn blijſt / Die en heeft
geenen Godt.
Nile die Daer wandelen in haerg heeten haag:
moet / ende haren naeften om fijnder armoede / De hos-
eltende of keanckthepdt verachten / ende en We: veerdigeen
ten níet Dat fp ſebve cen arm ſterffelijck bleef Nast
zijn / Adams zaet / een fipijfe Der Wormen / en fen
cen berdwijnende blaeme / faaerde en aſſchen ds Heeren
root.
Ee. Ende fetten hen met al fodanigett ffouten
heet bp deg Peeven Tafel / die eeten ende dzin⸗
ken hen felven Dat oozdeel.
He Die hen van deg Weeren geeft / nacm /
berbondt / woordt / belienteniſſe / verdienſt / ge⸗
2 Joan. r ↄ.
en | made/bloet en doot beroemen / berftaoten even:
fu Gode Tuftigh ende vredigh maeckt. ant wel fijnen Henligen raedt lere / gebooden /
dat is de epgentlijcke aert / natuve en kracht | ozdeninge ende onbeftraffelijck voorbeelt / fis
ban des Weeren Woordt / Wanneer Het
gepzedicht wozdt / ende van fijnen Heyligen haten / achterklappen /
Sacramenten / Wanneer ſy vecht gebaupcitt ’
worden.
aerom isꝰt weltijdt/ dat men op Des
vecht | ver floten en bedzoeven den Pepligen Geeft
ip
en belegen haten nae⸗
ften / ende fetten ten alfoo bp des Heeren Taz
fel / die eeten cn dzinckien hen ſelben dat oozbeel.
SUlle díe lieber heben /hups / landt / geedt / 1 Cor. 11.25
Weeren Woozdt merckt: Want alle Die Daer, vrienden } hinderen / wevelt/ gunſt / Des vleeſch
gerdſch ende vieeſchelijck gefint zijn / upt gemack eere en tijdlijcke leben fdan fn Chri⸗
Bodt ende Sods Woordt niet gebooren en zijn | ſtum en Chriſtus Woordt hebben j gaen eben:
De Deere ende fijn Woordt wederfpannig zijn | wel tat des Heeren Tafel/ die eeten cn drincken
die hare naeſten niet lief en hebben / haer ín | hen felven eh
der liefden niet beljulpeltjch en sijn /Ec‚ Die | Dieper wat liever heeft dan mp /_ cn IS mijne
en zijmin deg Weeren gemepnfchap niet / ende der niet weerdigh
oock geen koomen aen | niet zijn.
en konnen daeromme } -
fijn broodt ende geen Gaſten bn fijn tafel sijn.
{Bant vleefchetijctt gefint te zijn ſpreeckt Pau:
tus ) is de doodt. Die niet van boven geboren
en Wordt (ſpreeckt Chriſtus) Die en
dat oogdeel. Want Cheiſtus ſpzeeſit. Matt ro. 37.
uc.Ig. 26:
}en kan oock mijn Difcipel
Ende dit is de hooft-fonmme/ Dat alle de
eene Die hen met'en Difcipelen ende Ga:
en Cheꝛiſii bp des Weeren Cafel fetten wil⸗
fa Gods ien / fp zijn dan hoogt ofte leegh van flate /
fendt Sa⸗ rijckt ofte arm / Die moeten in 't geloove
—
— — —
|
|
J
| mel) {8 maepte en afgoderpe / díe fijnen nae: | heplfaerm / ende ín den wandel ende Teven
fien niet lief en heeft (fendt Joannes) blijft onbeftraffelijck zijn / hier en zijn noch
| 17*inden doodt, Item Die niet lief en Geeft / en | Uepſer / noch Koninck uptgenomen / *
L⸗
| |
|
|
Lt
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Verwoeftinge des Nachtmaels. 29
gr dodren Hertogh / noch Fidder / noch Gzave / noch |__ Hier bi fettet nu dat Hachtmael dat bp de
iscenaen- Cdelman/ jafoa fange ſy ín der leere ende ge | Werelde gebrunckt wezdt / foo mooght gp dat
Gender _ Toove dwalen / ende in denn wandel vieeſchelhek | vecht leccen kermen / Wat eenen grouwel dat
perfoonen. ende beftvaffelijch zijn / en mogen ffrin geener | den Antichziſt daer af gemaeckt / ende Wat
manieten met den Godvzeefenden ende boet: | tooverne hn daer mede bedzeeven heeft / ende
veerdigen in de gemeenſchap des Hepligen hoe won ellendige fondaers met alie onfe voor·
Nachtmaeis toegelaten worden / Want ſy en vaderen veel hondert Garen / met dat Afgodi⸗
zijn in Ehꝛiſto niet / maer moeten bupten blij⸗ ſche Iſraẽl / Laor de Uoopere Slange gewiez
ben/ tot dat ſy hen ban herten ‚tat Eheiſtum | coockt / ende om dat Gulden Half gedanſt heb⸗
ben: och mijn getrouwe Leeſers / zeeft Godt
bekkeeren / oprechte boete doen / op Des Heeren
wegh wandelen / ende alſoo een ín den geeft en —— — onderſoeckt de Scheíft en gelooft
e waerhent.
geldove met Chriſto ende fijn Gemeente wer⸗
Den : want dat Pachtmael is een gemeenfchap
des Vleeſchs ende Bloedts Theiſti / die miet den
Gedloofen ende verſtockten / maer den oprech⸗
ten Cheiſt geloobigen ende boetveerdigen tot
eenen fchat der berfoeninge geſchoncken zijn /
gelijck alg’er verhaelt 18. À
Maer foo pemandt eenen goeden ſchijn unt⸗
wendigh boor de menfchen boert / ende is I-
wendiah hoobeerdigh / gierigh / bleefchelijck/
ende fander Godts Geeft / over ſoodanige en
pfalz.ro. rechtet niet De gemeente / maer De Heere ſelve
toan.i7.10. Die De eenige onderſoecker Der Gerten ende nie⸗
Rom827. renig/ gelijck de Schzift meldt. Dermanen
Apoc223- gan hier mede allen den genen / Die hen aen Des
Heeren Tafel fetten willen / dat fp hen felven
wel beproeven ect fp tat defe Bafterpe in tre⸗
den. Want alle die ontweerdelijcken ban defen
tCer1125. o5soode eten / ende van Defen lielek Dzinekken /
Die eeten ende Drinchen hen felven dat ooz⸗
deel.
Biet lieve Petten D. ende B. dus vermaent
ong dat Broodt des Wepligen Nachtmaels /
ten eerſten / des Vleeſchs 7— /dat hu Loo?
ons geoffert / ende Den Welch Dep Bloedts
Eh eiſti dat hp tot vergevinge onſer fonden /
fu fijuder grooter liefden voor ons bergoten
eeft.
' Ean tweeden / vermaenet ong tot eenighent
liefden / ende des vrzerdes / Die nae den Geeft
Yeere / ende voorbeeldt Chꝛeiſti / bp allen oprech⸗
vEôrxons. ten Chꝛriſten sijn moeten) ‘want Paulus fepdt
/ Wp die alle van eenen Bzoode genieten | 3ijn
gen broodt ende lichaem / Ec.
Cen derden / bermaenet ong tot de opverijke
wedergeboopte Die upt Godt is / tot alderley
erechtigheyt danckſegginge / vreughde ende
53 ín den Wepligen Geeſt / tot een
toom onſtraffelijck leben : Want het is een
gemeenſchap des Lichaems ende Bloedts
Theiſti / dat doch niemandt deelac igh en is /
noch deelachtigh worden en kan het zy dat
koet gp na inhoudt van Gods Woozd / een ootmoe:
85 Diah vꝛeedſaligh Godvzuchtigh afgeſtorven
msze. — Chriften / unt Godt geboorten werde / in Chri⸗
Ephesia zo/ ende Chiftus in been zy / bleefch van
EChaiftug vleeſch ende been ban Chꝛiſtus ge
peente : want dat heet recht des Heeren bleef
bebt ende bloedts gemeenſaem zyu / gelijck oock
DER aulus feodt : Wp sijn Chris deelachtigh
Exod, 32%.
Hier volght de verwoeftinge des
Heyligen Nachtmaels,
D & gantfche Schzeift leert Dat wp anders EG.53-7-
geen Offer voor de ſonden en hebben Darp Natt.20. ak |
des Deeren Vleeſch ende Bloedt / gelijck gefrpt
is; maer Bewijle de Wwederpartpe Ehzifti Dat Pan-7-11- iN
Cathedzam fao lange jaren befeten heeft / die ij
de wetten des Alderhooghſten na het uptwij⸗
fen der Schrift verandert / ende fijn Woefte
grouwelen weder aen haer ſtede geozdineert
heeft / heeft hp ooctt dit feltve Nachtmael met
fijne Concilien / gewelt ende balfche leere alfaa
te niete gemaeckt / dat het eplacen níet dan den
ſchijn ende blooten name gehouden heeft / ende
heeft dat tot uptroepinge ende verwoeſtinge
Des oprvechten ende eeuwigen Offers Chꝛiſti /
dat alleene boor Godt gelt/ tat eenen dagelijck⸗
fchen Offer boo de ſonden eget gelick⸗
men in de Canon ſijnder Miſſen opentlijken
leeſen ende ſien magh. Dat ſonder twyffel
eenen grouwel boven alle grouwelen is: Want
daer mede werdt Chriſtus Jeſus met fijne bol:
maechte eeuwige Offer in den grondt afge⸗
daen / ende Wozdt te niet gemaeckt Dat ha de
Berfoeninge ende Middelaer Des Nieuwen
Ceſtaments zp. Bp wert van den Stael fijner
ajeftent — ende Wert met alle ſijn Ht
erdienſte Livups/ Bloedt ende Doodt ver⸗ Merekt der EE
acht/ fa alle boozbeelden ende fchadutwen Forwelmet | | HE
Topi / alle Propbgetien der Propheten / de be- “Ar OEE-
lofte der Engelen / ende dat gantſche Nieuwe
Ceftament wopden daer mede verloochent / die
alle met ‚den anderen eendzachtelijckt wijfen a
dat eenige ende eeuwige Offer Chrifti/ ende
werdt weder ín fijn ſtede verordineert een onz
reyn / blindt / vervoeriſch ende vleeſchelijck af
goden-Dienaer / met een ſtuck Broodts. Wies
he Leeſers / verkeert mpdat woozdt hiet niet /
want het ig de waerhept dat ick ſchrijve.
Met defe Goddeloofe berboeringe ís ’t ſoo
bere gekomen / dat fp haer alle geweldt hebben
aengenomen / fn den el / op Der Aerden mier meickt
ende ín Der Hellen / ende daerom breken ſy dit wacrom dat
bzoodt in Drie ſtuclien / met dat eerſte berfoenen Erooar in
fb Bodt / met dat tweede verbidden fee e⸗ drie duckes
reldt / ende met Dat derde de Zielen die in het gebronken
/ go vp maer Dat begin fijns weſens Vagevier zijn / foo fa boorgeden.
—— vaft behouden. | met defe verbloente fchande zijn ſy in fo hao:
\ Diet liebe Leeſer / hier hebt an nude rechte | get eeren opgeklommen dat fp boen alle Ge⸗
fine van des Peeren Peplige Hacht⸗ | weldige op Aerden geklommen zijn / en De ſelve
een bedupdingen vrucht / kracht | tot engen knechten gemaekt hebben/en hebben Apoc.17.àt
natuere ende genieters; gelijclt ons Des Heeren | met deſe haren fchijnenden Gods ⸗ dienſt / en toe
mondt geozdineert / ende de Heylige Apoſtelen verſe Afgoderpe/bp een geſchraept Gelt / Goet /
na gelaten ende geleert hebben met welche Bez | Gout/Siver/ Landt) Zandt, Kloofters) Ste⸗
kenteniffe / geloove / liefde eenighent / breede, | den, Porſtendemmen en Fiijken. Om dat eenen
Hroombept / gebzunck ende opdeninge Dat In beb € defen heerlickenGods-dienft als een
Gods gemeente beljoopt gehouden se Lozden. epligh Soddelijck — bemint / 9 ——
3 dog
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Je | Verwoeftinge
—— lupdbare naemen en De „isen | sil J——— — — leven / DE
den Godts Dienaren ge-eert ende gebzeeſt Chziſtumſmet getrouwer herten na/ gaet m
heeft. — J——— ende Verbondt ſijus eeuwigen Dzees
Met defe ſeer behendige ende liſtige toove- des / in De gemeenſchap fijns Bleefchs ende:
rye / heeft den Lioamfchen Wntictzift ſulcken Bloedts: Heemt op fijn genoechelijche Jocht / Matt-2r.15.
aenfien ende gewelt verlireegen / Dat oock: De ende lichten Laſt / foo meught gj cufte in He
Kepſerlijcke Majeſtent / Die alderhooghſte zielen binden / ende met der waerheyt roemen
DesPaus _ Wooghept op Verden (Dien Gode felve heeft dat op Chziftenen zijt / dat gn dooe de genacde
hooghmoet geboden te eeren ende te bzeefen/) her moet ‘uwes Gadg/ ende door de Verdienften Chriſti
ende gewelt. ——— si fijn — — Ja J— —— — ie / sede
Dat meet is / Fredericus WDartbatoffa/cen groot⸗ namen Des eeuwigen Kijcks zijt. Godt gun⸗
dadigh kloeckmoedigh Kenſer / en konde met ne wallen fijne barmhertige genaede / Amen.
xeyſer Fre- Den Paus Alexander de Derde van dien naem /Cen tweeden / hebben ſy dat Broodt des
— niet verſoent worzden / foo lange als hp Den Hepligen Hachtmaels / tot des Leeren weſent⸗
van den Paus Boogiberoemden Heldt te Benctien boor de | lichte Vleeſch / ende den Wijn tat fijn weſent⸗
metvoeteu Herche niet met boeten getreden en hadde. lijcke Bloedt gemaerlit / ende Dat upt dert
getreeden. Siet foa heeft den Antichziſt met deſe fijne Woorden Chziſti letterlijcht gebact : eemt ens
Offer de gantfche Wereldt betaovert. De deeet/ datis mijn Lichaem / Ee, Niet merc⸗
barmhertige Dader moet eeuwigh gelooft zijn/ | kende dat Chriſtus Foan. 6. (daer hu gronde⸗
die og —— —— —* fin — bloet den PD Ae — a *
genade Lan deſen betooberden et bevzijt | fijn Bloet dzinckten fal) felve fpzeclt : Date
‚beeft / ende heeft ons dat eenige ende eeuwige niet nut en zp fijn Vleeſch wefenttijck te eeten/
Hebr.s7. VOffer fijns Soons Jeſu Chaiſti aengewefen / | ende fijn Bloedt wefentlijch te drincken / het en
34. Diena Melchiſedechs ordinantie tot eenen hoo: | konde oock niet gefchieden. Want he wilde
Seger —
t L
biddende ende ſmeeckende met ſtercken geroep | ende dat dzinclien fijng Bloedts niet na Deletz
Luce 12.46. ende tranen tot dien geoffert heeft / Die hem ter / maer na den Geeft verſtaen / gelijck hp _
Heb.s.10; hen * we hete — — ís ts —— — —— oee / sin Die zecht ;
oozt om Dat hy Bodt ineeren hadde. Deſe Geeftende Leven. Alle die dit aldus upt de
ſegge ick / heeft geoffert een aengenaem Offer | Schrift bekternien / die Worden voor vervloelite Nachtmaci
Col.r.19. __ een Offer des foeten reucks dat eeuwigh ban | Hetterg ende Sacrament-fchenders bu beelen leeren-mae-
Chritus eerden blijft/ Daer mede hp deg Daders geſcholden / ende moeten t met Watet / Duur ten Sacra-
Offer heeft goopne geftilt / dat menfcheltjche geffachte ber: | ende Zweert ontgelden; ——
ies ‚ dersende
foent/ den Wemel geopent / de elle gefloten, O lieve Heere is dat niet een godlooſe dwa⸗ ketters
Plal.rro.n. Ende vzeedigh gemaeckt heeft Die inden Hemel linge / ende gebe blinthept / te leeren / en te gez heeten.
Marza.ar. ende op Aerden zijn / ende fit nu baoztaen tot! looben / Dat een ſtuck Bzogdts / ende eenen
25 ſins Daders vechter-handt/ ter tijdt toe Dat ha | dronck Wijns ín dat waerachtigh wefentlijcke
Heb.r.13. … fijn opanden fal leggen tot een voet · banck fij: | Pleeg cnde Blaedt deg Soons Godts veran:
Heb.ro.to. ner boeten / ja met deſe fijn Offer heeft In vol⸗ dert werden / daer. mede Wp ban Helle / Dun⸗
pep * komen gentaeckt ín eeuwighent de gene Die ge⸗ Del / Sonde ende Doodt bevzdt / ende Winde:
peert heplígbht wodden. — ten det genaden geworden zijn: O onbeleefde
| Piet tegen én maah noch Keyſer / noch Ko⸗ Yetterpe. | —
ninclt/ noch Dactaz / noch Meeſter noch | _@ eilendiah blindt menſche / gelooft doch
Engel / noch Dunbel / het Woojdt fract vaſt Chriſtus woordt / die daet fpreeckt : Dat het toene.
ende onbewegelijck / hp heeft met een Offer / niet nut en 32 / untwendigh ende wefentlijck
ick ſegge met een Offer volliomen gemaeckt ín | fijn Vleeſch te eten / ende Dat fijn woordenceft
eeuwighent den genen die gehepnlight werden, | ende Keten zijn. Gelooft dat hp is opgevaren) MatL-19-16,
Ech mijn Leeſers / mijn lieve Leeſers / ick | ende fit ter Hechter-hand fijns Daders : Ende Rom.8./4.
meen alle Die / díe noch bupten Chriſtus Geeſt daerom en kan hu van geen tanden gebeeten / Col.z.1s.
_ ende woozdt zijn / merckt doch; wat udes Hee⸗ in geenen bupclt befioten / noch vart geenen
ren woozdt leert / ende neemt Waer welcke de | ouderdom / buur ende wonnen Hertecrt woz:
techte Weere Cheiſti is De vechte Leeraers / den / gelijck alg met defen ſienljtken Bzoodt
de rechte Sacramenten / de rechte Gemeente | ende Wijn geſchiet / ſoo men klaerlijchk merkten
ende Dat rechte Chziftelijke leven dat upt God | endefienmagb. _
fs : Op dat gp doch eemnael mocht leeren be-| Maer foa waer des Weeren emeente dE
kennen wat Herders dat u wenden / wat Doop liebe Jongeren Chzeiſti / am dat WP. Dachtmael
ende — Lagaar met wat Offer | te gebrꝛupcken met een Waetachtigh geloove /
gy verfoent wort / Wat leven Dat gp voert ende lieſde ende gehoorſaemhent in Chziftus ame
—Wbveceelcks lijf gleden dat on sij. bergadert zijn / Daet cet De int Wendige vergan⸗
Provrai. —_ Ogponberftandige/ fendt Salomon : hoe | kelickte menfche / verganchelich WBroadt ende
fange wilt gp doch onberftandigh blijben : En⸗ Wijn / ende de inwendige ontverganchelicke
_ deg fotten hoe lange ſult op luft tot fothepdt \menfche deg herten dat onverganchelijelte
ebben. Hoe lange wilt gp onder De zware pac⸗ Vleeſch ende Bloedt Cheiſti (verſtaet geeftes
zen uwer fonden (aa gevangen gaen : Boe lan: lijck) datmen noch eten noch verteeren en kan/
ge wilt gp ín de gemeenfchap der Dimbelen alg gefent ig. Want gelijck moet van gelijck Gede sone,
lijven / ende w alfoa met den ſtricken des on=| genut Werden / dut is antwederfgzeeslkelijch, CP — —
geloofs na den afgrondt der Hellen laten flee- | De ſienlijcke menſche eeneert hem met de fen: —
Eaisvrr, pen: Waecht dach op ende verloſt uwe arme | lijche ſpſe / ende de onfichtbate menſche met Gelijck
2Cor6.17. zielen. AWDijckt unt het midden van haer / de onfichtbate fpijfe / gelijckmen upt deg Heer moet met
Apoc. . æ. wijckt ban alle balfche leete / mijdt allen qua⸗ cen engen mondt / Yoan. 6. geondelijcks merr⸗
‚efo. den fchijn/ gelooft Cheifto Jeſin / neemt aen, ſien ende verſtaen kan. den.
Ne
ie
Ì Î
if |
IL E |
Le J 4 | |
bek id
EN
|
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
des Nachtmaels. 31
Alle die dan in Cheiſto zijn / die met geloo⸗ moeten alte tangen belijden / dat ha de Heere
viger en boetveerdiger herten op Dat rene
Offer des Vleeſchs ende Bloedts Chꝛiſti ver⸗
trouwen / ende bekennen dat et alleene De eeni⸗
ge afwaſſchinge ende verſoeninge haerer ſon⸗
den zm / dat eenige ende eeuwige middel der gez
naden / Die eten vecht Chriſtus Diees / ende
Merekthoe Daínchen vecht Chriſtus Bloedt. Hiet met
men Chile mondt ende buck / maer. met den geloove ín
ende fijn den Geeſt / als gefent ís, ,
Bloedtdrin- · ¶ Upt deſe woorden kan nude Leeſer lichte:
kea ſal. lijch mercſien / dat dat Broodt geen Dlees /
ende de Wijn geen Bloedt zijn en kan. Want
waert dat’et Pleeg ende Bloedt ware) gelijck
De ren ſeeren / ende den armen bolcke
voor geben foo maefte eén ban bepden bolgen /
of de verderffeljcke aertſche Creatuere als
Bꝛoodt ende Wijn: Moeſte ín de onberderffe
iijjcheende Wemelfche Sone Gods verandert
werden / of de Sone Gods moefte Broodt en
Wijn werden / is onwederſpzekelick ·
Olieve Heeren / immers zjn ſoodanige onz
verſtandiger dan eenige Wepdenen van den be:
ginne tot noch toe geweeſt zijn / want díe heb⸗
ben wel Sonne/ Mane ende Sterven aenge⸗
beden / ende ge⸗ eert die ín deſe onderfte Dingen
kracht betuijfen: Sp hebben gedient Oſſen /
Draken / Slangen / Duur ende andere Crea:
tueren meer / die eengdeels oock levendigen
Afgodery Adem ín haer gehadt hebben. Oock Zouten /
derHeyde- Steenen / Gulden ende Silveren Beelden) die
Afodery _ Door der Werclt-meefters konſte / nae gelijclie⸗
vandegene níffe ban menfchen konſtelijcken gegoten / ge⸗
diehaerlien neden ende verriert waren: Maer die haer
Chriftenen _madeg Weeren ame noemen laten / aenbid⸗
roemen. Ben) eeven ende Dienen een ſtuck Broodts ende
een mondt bol Wijns Loor dat wefentlijcke
Vleeſch ende Bloedt Chꝛiſti / Die tot onfer aller
oock met den Dleefche niet wederkomen dan
in de Wolcken des Hemels / dat hu richte De
Bocken ende de Schapen.
Daerom fegge ick noch eenmael / dat hp
van geenen tanden gebeten, noch in geens
menfchen lijf verteert en magh Worden. Dit
al gegeeten.
Wp weten wel liebe Teeſers / dat Anauftiz
nus dat níet ban dat uptwendige eeten Des
Peplige Pachtmaelg / maer ban dat intoendiz
ge eten / Dat door den Geloobe ín den Geeft gez
fchiet/ gefchzeeben heeft Wp hebben’t oockt
upt ſulcke meeninge aengeteechkent / op Dat de
Godvꝛreeſende Leeſer / tuſſchen dat wat wendíe
ge ende Dat Inwendige eten een onderfchent
hebbe. Dat hn dat uptwendige Lao? dat inz
wendige / ende Dat inwendige voor dat uptwen⸗
dige niet en gebzuncke. Want dat uptwen⸗
dige gebrunck Der teeckenen / en is niet dan een
valſchen ſchijn / ende huychelwerck / wanneer
Maer ſoo waer de verholentheyt bp de Teec⸗
kenen ffaet / daerom fp verordineert zijn / Haer
bintmen Chriſtus Doop / en Chriſtus acht:
mael gelijck de Schzift leert. |
Maer dit ſelbige is baarde Wereldt verbor⸗
gen. Sy beliennen wel dater een Nachtmael
in de Schzrift geleert Wordt: Maer wat het ín
hem ſelven zy / Wat het afbeelt/ ende welcke
(8 tot glorie enbe prijs fijng Daders, nen fal As
att.25. 33.
.1.7.
ſelvige heeft oock Auguſtinus wel belient / daer Dit fchrijft
hi fpzeeckt : Waerom berepdt qu tanden ende Argutine
bupclt: En gelooft maer / ende gu hebt hem Joannis.
de onfienlijcke Ufbeeldingen met de teeckenen Pe Sacra- ·
wmtwendígh boo? gedragen / niet Daer en zijn, Pereen on”
Met den Boop der onmondige Hinderen / En: Geer ende
de met des Wereldts Nachtmael maghmen woord: zij
dat lichteſijck oock fander Schrift bewijſen. krachteloos.
foan.313. Salighent banden Hemel hier neder gedaelt / Gaſten dat — ſullen / en weten fp niet / Apoc-17.:-
e
Eph4-ro. _ MNenſche geworden / ende aen den Boom des ſoo gantſchelijcken heeftfe de Babelſche Hoere
loan6.6 irimces ao? de ſonde ger offert is. Oonver⸗ | in deſe ſaeke herlent ende betoovert. |
draeghlijcke grouwel en ſchande / dat de prijs Dat Heplige Nachtmael / dat van Chꝛiſto
Gode de heerlijckhent Jeſu Chꝛeiſti in alſulc⸗ ende van den Wpoftelen geleert ig / beftvaft alle
hen Wwacken Afgodt omgekeert ende veran⸗ Afgoderpe ende vzeemde middelen der berfoez
Deet is / die noch weeken 6 noe foot, noch —— haet / onbzede / ende ongerechtig⸗
oren / noch fien / noch gaen / noch ſtaen en
en cen eten / ende den Ouder: | Chꝛiſti /met fijnen Dleefthe ende Bloede een:
dom verteert, Die van menſchen handen moet | mael geſchiet / als gefepdt is. Wet beeldt af den
opgeflaten / bewaert/ geholpen ende gedzagen Chꝛeiſtelijcken Dzede / eenigheyt / bzoederlijcke
Baru6.3. werden / gefijchde Goden ban WBabilanien alg | liefde / ende Dat vzoome onſtraffelijck leben als
Baruch fendt. Och mijn getrouwe Leeſer / | gehoopt is Daerom en Willen fn dat niet /
eert doeh Thriſtum Jeſum te vecht bekennen. maer fr hebben Des Heeren woogdt ende orde⸗
protheo kone Pr en wil den Fabuleuſen Pꝛothed niet gelijcht Kebe berlaten/ ende hebben haer ban den
dena:hem. zijn / Dat hnnu de eeuwige Almachtige Sone | Schepper tot creature) ende van Dat waerach⸗
de Poëtcfa- Dog Eeuwigen ende. Almachtigen Godts/ en | tige wefen tot Dat berganckelijcke teecken gez
bulen vande sar eer gevganckielijcke Cteature Broad ende | keert. Ja dat de laſterlijcke ſchande Der God⸗
re zijn sijwfoude. @ neen : Dat hp is dat blijft delooſer Miſſe / deg Leeren Offer / ende dat
veranderen. fyn / fat oacks bihven in det ceuwighepdt. Daer | Broodtende Wijn fijn Wefentlijcke Vleeſch en
beneden ſoo en kan hy oock in geen Hunſen / Bloedt heeten moeten. Want dat is aller
evcken/ unameren/ Gulden ende Silbere Godlooſen gebzupelt ende wijſe / dewyle fh dert
Haten beſſlooten Wogden : Want na fijn eeu⸗ waerachtigen Godt / den Godt des Hemelen
xa6ór. Wwigh en Goddelijk weten if Den Hemei fijnen der Werden niet en kennen / fijn heplige Weer:
A&748. Stoel) enden Verdhodent de Doetbanck fijn: dige waardt niet en gelooven: / den vechten
ent / ant het wijft alleen op Dat eenige Offer Hebr-10.13-
Rom..as.
en 17.25. ende na fijn Heplige Menfchept Gods-dienft haten / ende vpandt zíjn / Datfe Exod.z2.ze.
pri eden, 5 hp Opgebaren ín ben emel/ ende fit tev een fienlijcken- ende: arijpelijcken creatuer ín ; 1257
A.8:32.
Hebr.rs. _ endealmachttge kracht/ klaerhent woordt / Godts: dienft opwerpen. Ulloa dede Iſrael
Matt.28.23. waerhepdt / wijshepdt / ende: dat Evenbeeldt met den Gulden lalveren met Waat ende
Ephvar Gods. Huheeftalle macht boven in den We-| Moloch. Antiochus met ſijnen Maoſim / de
rr mel/-ende beneden op der Verden: Het is alle Babnloniers met haren Beks Egppten met
onder fijne boeten gedaen / ín fijnen name moe⸗ den fide / &C. Ende unt deſe JFontepne is gez
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
en / ende hem vloeßt alle de grouwelijckie Afgoderpe / die met:
ten: gebogen worden allen linpen / hem vloent fgoderpe / des
Bechter-handt fijng Daders / hp is De eeuwige, Gods ſtede fetten/ ende cen —— berfierden SL Sia.
Edi À
—— — —— — — — —— ——— — —— ——— — ————— — —
| 32 Verwoeftinge des Nachtmaels.
|
Merektwat deſen Grouwel gedzeben wozt / gelijck daer is [meer luft aen verderben heeft dan aen gez
Ben Pautelin het Ommedzagen/ Opheffen / Aenbidden/ | neefen. |
kerbiosde Wieroocken / bier of daer: te verſoecken / God⸗ Alſoo is't oockt met dit onaerdige geflachte/
bedreven lijcke eere ende dienſt bewijſen. Waer af niet fin baeten wel ſomtijdts bp avontuͤeren dat ſu
1 worde, een ſtiplien noch met Letter noch met Geeſt / | niet wel te paffe en zijn : Maer fa ſoecken tez
E | inde gantfche Schrift beweert en magh wor⸗ | medie Ga de gene / Die met hare bergiftige Me⸗
| Den. Ya het ís bp de meefte menighte (eplacen) dicijnen al meet ende meer berderben / ende en
| foo gehouden datſe fegyen : Dit is de gene Die | Worden van have zeeren níet geneefen. Die
ons aen ’t Lieupce berfoent heeft/ gelijck Iſrael | wel ecbaren ende Hemelſche Chirurgijn ende
Erodzad. tot het Kalf. Dat zijn uwe Boden Afcaël die | IDedicijn/ Chꝛriſtus Jeſus / van allen Patriar⸗
uupt Egupten Landt gelent hebben. chen / Pzopheten / Apoſtelen / Engelen ende
Daer beneven wert dat gebaumels deg elclis van den Dader felge aengeweſen / en wilen ſu
by den Boamfchen/ den gemeenen Valcke ont: | níet díe foo geerne tot alien den genen komen toan.7.37-
tvoclten : Waer ’t nudes Weeren Nachtmael | wil / die foo dootlijcken gewont zijn. Wp biet weed
Dat jn gebruncken / als fn voorgeven / faa moeft | fijnen dienst fander gelt ende naven acu / ME
het immers na des Weeren ogdeninge onder | heeft een welrieckkende geneefende. Salve / Die
bende geftalten gefchieden : Maer nut bewijft | ſeer beguaem is om onfe wonden te geneſen /
dat gebzunck / Dat het niet dat Nachtmael | namelijckt fijn krachtige woort tot onderwij⸗
Chaiftt/ maet een tooverſche verlepdinge deg | finge / ende fijn roode Bloedt tot verſoeninge/
Anticheiſts zp, ſoo gehooet ig. Maer Mm en willen hem niet /
Prowror, Hierom foo weeft wijs ende nuchteren / op | fn heeren hem af met handen en boeten / met
die u nae Des Weeren aem laet noemen / | alte valfche leere / met frheiden / Wegen / terra: vince r9.14.
ſpouwt unt den ingedzoncken Wijn der Ban: den / oproeren / vervolgen ende maozden/ alg’:
loniſche Hoerernen / qu hebt lange genoegh gee | blijckt. D liebe Heere Wat raet met Dit ongez
Exod3219. danſt ende Dat ulden Walf Getaieraacht / hoorzſame / verkeerde ende blinde geflachte.
geeft den Almachtigen fijnen behoozlijcken | ch mijn weerde Leefers / de waerbent bez
rCor.zo,7. ꝑꝛijs ende eere / opdat u niet en gefchiede dat | tupgen wp u ín Chꝛiſto / neemt ’t waer /qn gez
den ongeloovigen / ongehoorfaemen ende c:fqo- looft / Doet / hoopt / ende ſoeckt / waer ende wat
Difchen Aftaël gefchiet is. Want hoewel dat gp Wilt / won zijn des gewis / Dat gp ín eeuwig:
Godt haer fo genadelijckt unt dat geweit ende bept geen ander middel tegen uwe fonden upt
Exod.14.22, tprannpe van Pharao berloft hadde / maeften | Gods Woozt bevinden en fuit / dat boor Bodt
Pals35. ſy nochtans om haerder ontrouwe ende rebel | beftaen kan / dan wp u bewefen hebben / Chri⸗
lighent / noch fivaffe dzagen ende ín der Waer | (lus Jeſus: of de gantfche Schriftuere moeſte
Hes, ſtijnen bergaen. Alſoo is t oock te vergeefs onrecht ende balfch zijn.
* Dat wp upt Des Duvels Heerſchapppe ende | Aldus ſpzeeckt Eſaias: Ick ben 't / ick eÀi4z.a5;
gewelt met des Heeren Bloedt gekocht zijn/ | ben t ſelfs fpzeecht De Weere/ Die uwe onge: J
ſoo wp geen boete en doen / bp de Afgoderne | vechtigheden unt doet / ende Dat om mp.
blijven / ín Chriſtum Jeſum niet en gelooven /|_ De Dader heeft onfer. aller onrechtbeerdig⸗ Ei 53.7.
ende fijn Woozdt niet in onfe zwakhent en vol⸗ heden op hem gelent. [
gen ende gehoorſaem zijn. î De Engel fpzack tot Joſeph: op fult fijnen
Cen derden leeren fn/ Dat dit Broodt tot Name heeten Jeſus. Want hp fal fijn Bolck Matt.r.ars
quijtſcheldinge der fonden uptgedeelt wordt. faligh maecken aan hare fonden.
Mijn getrouwe Leſer / merlit wat ick ſchrijve: it is mijn Bloedt Des Nieuwen Cefta- Matt.as.ay
Soo waer dat hair Jeſus met fijn Woot ments dat boor u ende boo? belen bergoten
ende Geeft niet beltent enn Wordt / daer en ís níet | Wort / tat vergebinge der fonden.
dan ongeloobe/ afgoderne / doolinge endeeen | Siet / Dat is dat Wam Godts / Dat is toan.r.8g.
ongewiffe wanckelmoedige Confcientie/ ge-|die/ die wegh neemt de Sonden der We
lijckmen fien magh. hg | 1 | teldt, |
Sp ſoecken altefamen middelen tegen hare Die geen fande en Kende / heeft hn tat fande » Cor.s.::.
fonden / maet dat rechte waerachtige middel | Loor ong gemaekt / op dat wp de gerechtighent
welck Chriſtus ig) en kennen fa niet / ende | in hem worden die hoo? Godt geldt.
ebben daerom foo Geel middelen bedacht/| Hr heeft anfe fanden gedzagen op dat hout » pet.n.24.
Dat menfe noch beſchrijven noch tellen Kan / | ín fijn lfchaem.
gelijck Daer í$ Dat Noomſche Aflact/ Wp-|_ Dat Bioedt fijns Soons Jeſu Chziſti rep⸗ « loan.
Water/ Daften/ Biechten/ Miſſen/ Bee night ons ban onfe ſonden.
Devaerden / Hinder - doop / Bzoodt ende | Lp heeft ons lief gehadt / ende beeft Apoc.s.s.
Wijn / ze. ons gewaffchen ban onfe Bonden ín fijn
Gelijckenle. cht en Weet niet bp wien datmen dit gez Bloedt. HSG
flachte gelijcken fal / anders Dan bp een kranckt Min goede Teeſers / fiet baor u/ ende en
ende gewont man / Die hem eenen onervaren | bedzieght u ſeiven níet / want foa daer eenigh
Medicijn betrouwt / die geen dorbaerlicke ander middel voo? De ſonde waere / Dan hiet
Rancken geben / ende geen geneefende Plac- berhaelt is / ſoo machten wy met vecht feggen/
even leggen en kan. Wp verquiſt fijn Gelt / dat ong defe/ ende defe geiſche ſpreucken
bu lijdt pijn en ſmert / ende hn verderft evenwel meer / niet vecht geweſen en hadden. Sooen
meer als hugeneeſt. Een expert ende wel-er= | hadde oock als dan de Veplige Paulus niet: Ties:
baren Medicijn wordt her geweſen / díe ’t niet wepnigh gedwaelt / Daer hu fipzeecht : Daer
om gelt ende gaven/ maer upt enchel barmher⸗ is een Godt/ ende een Middelacr tuſſchen
tighent ende liefde / hem tot fijn epgen hups | Godt ende den menfchen / de menfche Chꝛi⸗
verſoecken / fijn wonden berbinden / ende wel | fins Jeſus / die hem felven gegeven heeft boog
Matt.g.za, Benefen wil: Maer bp en wil alſulcken goeder | allen tot berloffinge / dat fulcks tat fijner tijdt
ende beleefden Medicijn niet, wie fal hem over | foude gepzedicht worden.
foodanigen menfch beklagen; Dewijle be Alle De gene die nu andere middelen ſoecken
tegen
— *
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
tegen hate fonden / hoe heerlijck ende heyligh
fb oock fchijnen / dan dit ban Godt geſchonc⸗
ken middel alleene / Die verſaeckien des Veeren
doodt Die hp boor ong geftorven 8 / ende fijn
onfchuldige Bloedt dat hp Loor ong vergoten
| beeft : Ende zijn de gene/ aber welche de eere
lere.re, .· klaeght dooz den ephe Jeremiam / ende
ſpreeckt: Mijn Bolck heeft dubbel quaet gez
Bar.z.r2. daen: My / de levendige JFontepne / verlaten
fi) ende graven haer ſelben Putten die geen
Dateynde Water geven en konnen. Ende alle balfche
van valfche
leere is Chrj- IEEE reyckt daer henen / den waerachtigen gez
ftumtever. Maden Stoel Cheiftum Jeſum te verſaecken /
fecken: die alleene onfe gerechtighepdt is die Loos
Godt gelt/ ende beeemde Balim op te werpen)
Die ín Chriſtus flede mogen aengebeden ende
ge-eert werden / gelijck alg gefent is.
iet liebe H. D. en B. hier hebt qu de hepl⸗
fame waerhent ende epgentlijke grant ban des
Heeren Nachtmael / op het kostfte wel aengee | ij
teeckent / wat het zu / wien het bevodineert
p/ ende Wat het ong met fijne verholent⸗
eeden ende bediedingen leert ende booze
draeght. | ’
@ock hebt qm hiet eensdeels dat Antich⸗i⸗
ſtiſche Machtmael / met fijne verſchrickelheie
grouwelen / daer mede hp des Weeren Nacht⸗
mael berwoeft heeft / fijn epgen rijck beveſtight
iTefas. heeft / ende ín Godts Stoel ende Stede gez
Degeleerde klommen is / Daet nrede ſoo menigh hondert
— dupfent zielen (eylacen) hiet voortijds bedzo⸗
fehaldieen gen zijn) ende oock noch dagelijks bedrogen
bloeds oor- wozden. Ende daerom oackt faa Hele vrome
faccke, · ¶ herten / die haet van de lafterlijche Mfgoderpe
af keeren / door Dat nijdige roepen ende ſchel⸗
den der geleerden / ín ſommige Steden faa |D
—— omkomen ende vermoordt
opden.
fet nu Defe twee by malltanderen ende
weechtſe vecht met deg Heeren Geeft / ge
ende Ordeninge / ende gp ſult bebinden/ (foo
ge maer gelooft dat Gods Woord de waerhept
3u) tot wat vervaerlijcker Afgodt ende grou⸗
el dat et gekomen zy / ende dat tap u hier
den aften qrondt Der waerhept / met klare
wooden unt des Weeren Woordt/ nae onfe
ze gabe aengewefen ende berklaert hel
en
Danckt den Alderhooghſten / op alle die
den Heere beeeft/ Dat hu fijn onmetelijche
groote liefde ende genade ín defe verſchrickelic⸗
| he tijdt alles ongeloofs / aen ong ellendige fon-
2Cor46. daren foo beweſen heeft / Dat hp dat helle Klare
licht fijns Wepligen Euangeliums/ ende der
waerachtiger kenniffe fijns Soons Jeſu Chzi- ; To
ſti npt de dunſterniſſen heeft laten fchijnen /
dat foo beel hondert Gaten ín Dit Doncker
Eoppten onder die dicke Wolcken det Anti
chziftifche grouwelen bedeckt gelegen heeft.
Daerom foo laet ong blijtighlijken dact op
waken ende trouwelijken daer M Wandelen /
Op dat et ons niet wederom ín een doodtlijcke
Dupfterniffe berheert en worde / als de Pzo-
pheet fet. |
Och mijn hettelijke Leeſers / leert Chriſto
Jeſum techt bekennen) díe dit Deplige Nacht⸗
mael en Bzood· brelien alle fijn Longeren en
Chiſteuen aldus berogdineert heeft. Gelooft
De heerljcke ende onuptfpzekelijke weldaden
fijner genaden / vreeſt / bemint! eert / dient ende
volght hem : wandelt in Godfaliger eenighept/
Viefde ende vzeede met uwen naeften / gelijck u
Ier, 13.10.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van de Mijdinge Babels.
33
Dit felbe Nachtmael met fijne Afbeeldingen
betunght en aenwijft.
Sterft uw quactwillige vleeſch / krunſt fijne Gar. 23;
onvepne luſten / ſchickt u in alle uwe wegen na
Des Heeren Geeft / Woordt / ende Poozbeeldt /
fo fal uw Nachtmael tot des Heeren prijs zijn /
ende uwe zielen blijven in het eeuwige leven.
Van de Mijdinge
Babels,
N Och leeren ende bermanen Wp wat Gode
MWooꝛdt / Dat alle waerachtige Winderen
Gods /die nu upt dat onberderffeliche levendige
zaet des Godlijcken Woods herboren zijn /
ende haer nac inhoudt der Scherift ban dit Sf,
godiſche geflachte afgefchepden / ende ín de gez
oofaembepdt onder Dat Jock ende Urups Matr.z.15:
Chꝛiſti begeven hebben / die tuſſchen de vechhte En 11:14
leere ende valfche leere / tuſſchen Chriſtium en ler:23.25.
den Antichziſt vechht vichten konnen / dat deſelve loan ror.
ſegh ick allen verboeriſchen ende Afgodiſchen —
Predikers / in Heere / Sacramenten en Gode, rin.
bienft/ nae inhoudt der Schzift mijden moez 2 toan.r.7.
ten : Die inde reyne leere Chziftí/ ende indat 2 Tim.218.
——7 gebzunck fijner Heylige Sacra⸗ n z· iz ·
menten níet bevonden en worden / ſy zijn dan
ban welch Geloove / Heere / Secten ende Paz
men fp oock zijn: De 55* is deſe: Om
dat ſn nach roepinge / nach Teere / noch Leven
en hebben / die des Heeren Wooꝛdt gelijkma⸗
tigh zijn: Maer van den Antichziſt verordi⸗
—— in fijn Ampt ende Dienſt gefchickt wer:
@m dat fp de tepne Heere Cheiſti / ende Dat Der seleer-
ogdentlijk gebrunck der Teplice —— den Sacra.
ten / det Vpoftolifche Uerckien niet alleen die Henten zijn
gebzuncken noch en bekennen / maet oock tot Afgoden.
enckel woefte / grouwelen ende openbare Af:
goden gemaeckt hebben / als gefoost ís. |
Om dat fp dat koftelijke fijne Gout deg Ef: as.
Goddelijken Woords / met den lichten fchupm
det menfchen leere / ende den edelen Klaren
Wijn met De ontepne wateren haerer dwaſer
wijshept foo balfchelijk vermengen. |
Omdat fide Stadt Gods / de Stadt dèr Efâ.s6.7;
Gerechtighepts ende deg eeuwigen Dreedes / er-7.14-
Dat lieflijke Jeruſalem / met den Henligen att.2i.x.
Tempel / dat ups des Gebeds / foo jannmer Marci 11.17:
lijk fchelden / fehenden/ aenftormen / geerne Lee 19 +5:
uptraepen / verbernen / of met haer Geeftelijlke perri 2 45:
1Diffelbancken/ Pharifeeufche Wetten / ende
oberfche kramerpe / daer ín hanteeten ende
heerſchen fouden.
‚Omdat fp de heerlijke Vaten deg Weeren / t Petri 15:
de Edele Zielen / die hh met fijn Fooden Bloe⸗ APC:
De gewent heeft/ ende ín den welcken billijk den
vechten Gods-dienft gefchteden faude / ín hate
Babplonifche Hoererne ende Dꝛonckenſchap
met Belſaſer ſoo onbarmbertelijk migbzupken Dan.s.2.
ende fchenden. —3
Om dat fn Chꝛiſtum / Gods eeuwige Wijs⸗
bent / met Derodes als een Sot beſpotten / ín
een Dots kleet / ende fijn Heplige Apoftelen /1uce a3. i1.
De getungen fijner eeutwiger waerhent | alg ons
nutte klappers / ende leugen
ifs vee veran di, ſpreelers untſtoo⸗
omma, dat f DE leugen boor de waer:
hendt / de dunſterniſſe boo? dat dicht / de da
boo? Dat leven / — —V boek
den Antichziſt boog
Chꝛiſts
34
Chꝛiſto Den armen Dolke Pzediken en Loop:
dragen.
Hierom en betaemt immers niet / Dat de
Brat Chzꝛiſti / Die alleen om haer Bzunde⸗
goms ſtemine te hooten alle Wegen berepdt
| loan. iz. 4. ftaet / de liebe kinderen Gods die hare boeten
gewaſſchen / en haet Kleed gevepnight hebben
Joan.3. 29.
Apoc.7. 14. 5 *
—8 *ndat Bloed des Lams / die gegrond zijn op dat
onbewegelijcke Fondament der. Apoftelen en
Pꝛopheten / op den edelen ende welgeſchiliten
hoeliſteen / Chriſtum Jeſum / dat die wederom
Der. Antichziſten leere / ende Dee vreemdelin⸗
gen ſtemme hooren / ende haer voeten ende
loau.io · z. Kleed beſmetten ſullen. Ende ſullen alſoo im
Heere / Geloove / Gods · dienſt en Leven een
met die werden / die met haer Leere / Geloo⸗
be) Godg-dienft en LTeven (ſo ſy haer niet en
bekeeren) van Der ſchrift geaogdeelt en den doot
— toege-engent zijn.
— Dit ſelf de leeren wp na onſe klepne gaven
1Cor.6.9. met aller neerftighendt fo veele als in ons is / en
Gal.sz1. dat niet wat berachtinge / Dat Weet De Deere /
er2e 7: och upt epgenfimighendt ende hartnechige
partne/ gelijck ons de bleefchelijcke Wereldt
toefcheift. Och neen. Godt beware allen
Den fijnen voor partue / maer ton doen ’t upt de
tepne vreeſe Des Heeren / unt grooter benant⸗
hept onſer Confcientien: Want Gotds dzinz
vfeefch en gende Woost / ende de Hertgrondelijcke lief de
fal met den wer armer zielen benauwt ons / gelijck men
|
Partycis een
werk des
doodse door des Heeren Genade / bolgende / in groo:
ter klaechepdt breeder hooren en fien fal.
den.
Gal.5.7.
Van de Sendinge der
Predikanten,
De Sendinge
ef Roepinge
D8 Sendinge ende Boepinge der Chziſte⸗
der waerach-
kanten is
tweederley.
Act.i.ꝛ24.en
14. 13.
1Tim.3.2.
Tit. 1.5. maah.
zCoOr.ro,r.
| Roem.1s. 4.
2Tim.3. 16.
Scepter en Nichtſnoer za / met Welke Des Hee⸗
764. 41.
| Heb.1.8.
| repner Gods vreſe gebroken en te niete gedaen
worden.
dat Leven der
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van de Mijdinge Babels.
bp beroepen is / ín aller lief den ootmoedelijck | AIS hu nochtans faah dat fn godloos War niet.
bermaent hebben / dat gp doch de falighepdt u-| ren / ende niet cecht en handelden ende ſpra⸗ let. ao.5.
| wer armer stelen vecht bedencken Wilt / ende | ken / fepde hp: Gods Woozt wert ín mijn»
wilt De — of oepinge/ de Leere en | Der herten als een bernende vper in mijn gee
iſſchoppen/ Herderen ende | beente / dat ick't niet lijden en konde / en ick
Predikanten uwer Yerchen met des Weeven | hadde bp na bergaen.
| | ín fijn Ampt / Dienften Gzaet / daer ín dat te Pzopheteeren in Den aem Des Leeren. ny
Geeft/ ende met der %poftelen Heere ende
gebaupekt vecht onderſoecken / Deijle qu foa
veele Godvrzuchtige Drome Chriftenen/ det
Godlooſer Afgaden - hupfen halben / DBA om de mij-
dat bloedige Moozt· ſchreyen Der geleerden/ die dinge der af-
daer af gevoet Worden / fo brantlijkt vervolght goderve
ende uutroept. Ja wy en twijffelen niet / vane nerven
foo op flis met getrouwer herten na volgde / ;
foud gu haeſt gewaer worden / hae wy ellen?
Digem Defer falen niet meer en Doen / dan ons
Gods epgen Woord leerd ende oplept / ende
Dat uwe Predilianten níet Dienaers Christi /
maer huerlingen / hunchelaers / vervoerders loan. to. 12,
ende ſpotters zijn / daer ban ong de Schyziftal- pes
om waerſehouwt / en met veele berfchgichelic: zur.
he namen betekent en afinaelt.
Gerfame redelijcke Weefers / laet u Dit een
gewiffe ende vafte egel zijn: Alle Die gene Die
Cheiftum ende fijn Woozd vecht Pzedilien / en
den Heere gehoorſame Kinderen daer mede ba:
ven fullen/ die moeten dooz eenige ban defe Aom-10.17:
ooogfepde middelen beroepen Werden / ff mat? rac.ro.5s.
ten Door de Wwaerachtige ongeverwede liefde
Godts ende haers naeften / dooz de Kracht des
Hepligen Geeft in Des Leeren Ackerwerck |
gedzeben worden : Sp moeten Dat pondt der Matt25-17:
genaden/Ddat haer ban Godt gegeven is / op
Winninge ende waecker uptgeven/ De fonden
beftvaffen/ Dat geloove ende de gerechtighept /
fonder eenigh aenfien Der perfanen/ vecht lee⸗
ven / Des Weeren Woorden Prijs Loorftaen /
fijn werk ende dienſt trouwelijcken uptrich⸗
ten / ende alfoa de bergaderde garven en gez
wonnen penningen ín des Weeren Schueren en
Schatkamer invoeren. rie
uik een Werder was de trouwe Moſes.
Want foo haeft als hem ban den Heere werdt
aengefept / dat Ffaël een gegoten Kalf ie-
maeckt hadde / haeftede ha ban den Bergh met
lijcker Predikanten nae der Schaft / ge⸗ grooter haeſten / ende als hp hoorde dat ru⸗
tiger Predi- ſchiet op tweederlep wijfe. Sonnnige worden moer / ende ſagh De fpeelende ſcharen / ont:
founder eenige middel der menfchen alleene Lau) ffakt hem fijn herte ín toomíigen pber/ hu
Godt beroepen) gelijk met den Pzopbeten en brack De ffeenen Tafelen / Die De Heere met Motes yver
Apoſtelen vefchiet is. Ende ſommige door | fijn ergen Linger beſchzeven hadde / Lp en de afgoden:
middel der Godtvzuchtiger / gelijckmen fien | vreesde noch Weven noch Doodt / hy fiptong dienaers-
midden ondet Dat Afgodifche Balk/ ende
Wp verhopen immers dater niemandt foo ſtrafteſe berde met mont ende zweert / om
onberftandig en is / díe ban redelijcher act iS / Dat fp De ceve des Almachtigen Godts / die F*-3°-7-
of hp bekent wel dat ons de geheele Schrift / haer met foo trouwe lief de ſoo heerlijcken
| bepde Des Ouden en deg PieuwenTeftaments/ | upt Egppten-landt verloft hadde/ een gegoz
tot onder wijfinge / vermaninge / ende beſtraf⸗ ten Creatuere ende verbannen grouwel gaz
finge gefchzeben 30 / ende dat ſy ook dat rechte ven.
Zacharias / Barachiag Sone/ cen Fan -Par.24. ze
| ven nijlt / Huns / Lerke en Gemepnte gere⸗ bol des Hepligen Geeſtes / als hu ſagh dat
geert ende afgemeten moet worden. Alle wat {fp ſulcken Dalfchen ran rr
dan der Schaift contrarie is het 3 Teere / Gez | bh fijn leben gewaeght / ha heeft
loobe / Sacramenten) Gods-dienft/of Keben/ | Peijs baorgeftaen/ Dat obertredende Iſraẽl
dat moet met dit onbedrieghlijcke Nicht · ſnoer ſjnen Bzoederen beſtraft ende gefent :
\ afgemeten / en met dit rechtveerdige Godtlijc⸗ om overtreet qp des Heeren geboden/ datu
| ke Scepter /fonder eenig menſchens aenfien/{n | niet gelucken en fal.
deden/ heeft
des Weeren
aer·
Alſſoo ook Jeremias de weerdige Propheet.
Poe wel hu door veel lijden ende krups zwa⸗
| ieram wíllen wp uwe goetwillige Díena-|cinhept (Daer mede hu fijng touwen dienft- |
| | ten ende mede-genooten gelijcker frevffelijchter | halen niet weynigh bemoept en wert) ín leremia had A
Kk - Natueren uwer aller lief De /, eenen pegelicken | fijner heeten hadde Hao? genomen / niet meer Een Ee-
wegen maer
en konde
Item
35
zCorgr6. mj/ ig t dat ich Dat Euangelfum niet en pre⸗ | ) ——
welkeree. Òike/ doe ick't geerne / foo ſal't mo geloont gevalſchte bekenteniſſe / luft en per des hep: Die TE Si
raers haer Werden : Maer dae ick't noode foo is mp ſigen Godlijckten Woozds tot defen dienſt in CN Sn Chrito
is: So Willen wp nude goedhertige Leeſers Pe Sendingé
der werelts ,
biet mede trouwelijk vermaent hebben / Datfe preairanten
aet felven alle wegen ongeſchilit geacht / dat
fe Gods Bolk bedienen / en alſulcken hoogen
Mofes oot · Doen nu Moſes van den heere beroepen
moet. weet / Dat ha dat Doll ſoude uptboeren / Wepz
| ‚a Dat foecken
het moet Dieper gefocht zijn.: derek
anders niet dan een welluſtigh luß ed
| nigh wert.
Elias klage. Efaias ſchaemde hem / dat hi des Heeren,
EGG5. Woort Predikken foude/ en klaegde dat hn bart
ontepnen lippen was / totdat de Engel fijnen
mont cepnigde.
deremias on- — van Moeders Lichaem aen tot
fchult. een Pzopheet van God beroepen ende berent /
dens. heeft gefent / och Heere Deere / ick on deug niet
te Prediken / want ich ben te jonk,
Petro onder. ¶ Hetrus wert Dziemacl ban den Deere gebra⸗
foek. get) of hu hem ook lief hadde / eer hn hem de ſoz⸗
Koan.ar.rs. qe fijnder fchapen bevelen Woude.
— Paulus wert ban den Hemel beroepen en
sTim.r.rz. Doop Den Deere felve in Den Dienft des Euange⸗
A@nas. ms geſchilit want hu hem ernſtigh in fijn
vboor nemen / en tot den Dienft beguaem ach⸗
tede.
NMatikias. Tatthiag wert doog dat pberig Gebed der
Gemepnten ende door dat loten Der Apoſte⸗
{en tot eenen Apoſtel in Judas Stede verlio⸗
ven.
Alle de gene dan Die aldus Lan God niet gez
tijds van den Antechziſt en fijn Dienaren / niet
dan met toveren / ſtelen ende roven íngefchzabt kN
en bermeerdert eu zijn. | —9
Sp en worden dok niet geroepen Dart unt merke met —9
vleeſchelijcke lief de / gunſt en partije. De war Geeft Hi
een heeft cen Some / de tweede/een broeder / De dar de Papen
derde/eenigh Maegſchap en goetgunftiger / de vorden. |
vierde / Wort met gelt en gaven Daer toe berwil⸗ |
|
light. |
Sp wozden oolt met gelijcken Geeft inge⸗
boert ende ín haer Ampt gefct/ te Weten /
met veel drinclien ende eeten/ met braſſen en
grooten oberdaet/met heerlijcke groetingen/
Thoor -brieben/ Denominatien / Pꝛeſenta⸗
tien / Inbeſtitueren / en met alſulcke Anti⸗
chriſtiſche deltſels en ſchanden meer. Maer ban
n ten: Dan de Gemeynte: Och neen / Chri⸗ erker van
ſonden / noch van een onſtraffelijcken Chriſten ſtus Gemepnte en kent alſiullie Roepinge / mar wie de apesù
Gemepnte / na Chꝛiſtus endet Apoftelen oz· niere /gebrupkt en Leeraers níet. Maer van gerospen
deninge beroepen en worden / als gefent is / die |een vergadering Der onboetbeerdigen /hoobeer:
hiet Door den Wenligen Geeft / ende Dood de digen / Gierigen / Noerenauers ——
3 6
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
“Kom. 14.10. g u dan Verbergen voor den toorne Godts :
Van de Leere der Predikanten.
Dꝛonckaerts en Afgodendienaers / die noch
God noch Gods Woo?d niet en kennen / nae
Des bleefchs luft wandelen/ ende alle Chei⸗
fielijche Waerhept fchelden / verbolgen / ende
brand zijn. |
Stem / waer toe worden fp geroepen : Dat
ſu Des Peeren WOo02d ontervalfcht prediken :
Ende den armen Holcite met leere en leven na
Schꝛifts ozdeninge onbetraffelijctt fullen voor⸗ dat de Sendinge ende Noepinge uwer Predíz
—— De de gaen: @ — / Kk he ſu oeh * kanten eit unt God * ig Waord/ maer
roepen wor leringen ende geboden der rtenfchen / dat fn | npt den Antichzift/ Prack/ ende Beeft zin :
denn De Heplige Waerhept fullen tegenfirijden / den Da dara fp
Godbzuchtigen ende Promen / dien den rup-
men wegt niet wandelen en dozven / den bloet⸗
gierigen ſullen aenbzengen / en alſoo Dat Rijcke
Dee Dellen met aller neecftighepdt beweeren en
voorſtaen.
dijn liebe Leſers / wat wil ick veel klagen /
bet is noch veel erger alg ick fchzijven kan / de
eene blinde vaept den anderen / den cene Afgo⸗
Den-Dienaer den anderen / en De een Godlooſe
den anderen / en het gaet alsde Pzopheet fcpt:
Dat Bervoerders / Teugenſpreliers Dronc-
— Swelgers / goede Prꝛopheten boor dit
olck zijn.
ae? ® vleefchelijcke Pzedikers dat gp met Waz
—— rach / Dathan / Abnram onberoepen loopt. En
bpfonder qu / Die eensdeels wel bekent dat uwe
toepinge en handel heel fonder Gods Geeft en
Woordis / vechtet doch uwe herten eens op
Des Weeren Woord / Vzeeſt fijn ſtrange ſtraffe
ende zware oozdeel / ende merkt hoe feer verz
haet / want fp gaen Den wegh Eains / fn val
fen om Dat gewin ín de Dwalinge Balaams/
haer ís behouden een donckere dunſterni
in der eeuwiahepdt.
f I
Diet liebe Heeren / Daienden en Broederen/ A
dewijle Wp dat met opene herten bekennen /
te om Des Heeren Woordt te peedilten/ maer
ban den buptt om met den Jeroboamſchen
Pꝛieſteren den gulden Valveren te dienen gee
dongen ende beroepen Worden / ende niet tot
de rechte deure ín en treden / daerom betupgen
denaers zijn.
len / Chziſtum Jeſum / upt den mondder Pel-
ſtricken Der bedechter Dieven ende Moozde
naren gebzijt sijn : Ende zijn nu op de Edele
bzuchtbare Bergen Iſralẽs ende ín de groene
daer in (Den Heere zp eeuwigh dankt) onfe
hongerige Conftíentien met den Doeder det
eeuwigen levens cijchelijck gebocdt worden.
Soo foude Dat imner cen verdoemelijcke fots
e zwar hepdt zijn / ſulck eenen getrouwen Verder
fchzicktelijkk de boorgemelde Daer ober ban | met faa koftelijckte ſchoone Wende te berlaten/
den eere boor gebeel Iſraẽl eflagen zijn. |ende ons wederom op éen doze ende woeſte
det Doet Den verſieerden vleeſch wel ſachte | Wende onder ſulcke trouweloofe Herderen
Num 16.31. hier een welluſtigh leven op aerden te boe-! wederom te er Hedel Die niet anders en doen /
ren/ met opgepzonkte gemefte lijven / en ge | dan datfe God nen pzijs fteelen en roben / en
bantíchoende handen hier te pralen/ Dactay, | onfe acme ellendige zielen eeuwig verderben en
Luc.i.ic. Heer / ende IDeeftee)/ van den menfchen gez moosden.
fr te wogden / mact wanneer De bode des
gods Voor de Deure uwer Zielen Kloppen fal/
en ſeggen: Geeft rekenſchap / gren meught
niet langer entmeefter blijven / wanneer qu | Swingelfche hebben / ban Wat Geeft zm get
boo; Den ſtoel deg eeuwigen Majeſtepts ber: dreven worden / wat zp foecken / en tat bruch⸗
ſchijnen moet / ende armẽ ellendige zielen / die ten der boeten ff met haer Heere ende Sacras
gu met we berlepdifche valfche Heere / Aſfgo⸗ menten doen / willen wp geetne alle Gods· ge⸗
Difcher Toberne / et godloos runm leben/ bau leerde vechten laten. |
4 techte hi Cain hebt Arre upt uwen
eugenachtigen m upt uitje j UE
kenen, ubcitde omgelontge Van de Leere der
Predikanten.
blinde heeten en upt uwe lecker lune bupcz
ken fallen gefcheuct worden. Och waer wilt
Als dan fal men feqgen. Bu bergen valt Elijck wp hier dat eerfte Deel / te weten
ons / ende on heuvelen bedeckt ons / och /ach Ge Sendinge ende lade e bed ef
Apoc.6.16. dan ſult gp bekennen wat fendinge gp gelhadt / achtigen Predikkerg unt Gods t den Le⸗
Kuc2329 wat ampt ende leven gu gevoect / ende dat gp fee hebben aengetwefen/ alfoo wil ick hier nu
wuemand dart uwen zwacken Godt/ den bunk / dat tweede Deel door des Weeren Genade in
Phils.z, Dupbel/ ende uwe EDE boofe | gelijcher maten aentwfjfen/ ce weten / de Wez
— bleeſch gediendt en hebt / dat gu ongeſonden
geloopen / ende ongevocpen gekomen zijt / en {De Foepínge (8/ foo ig oo
niet dan Det fchapen melck / Wol ende bleefch | Leere.
gefocht en hebt : Mat de cene blinde den ande:
Mat.rs.r4. Ten gelepdt heeft / totdat gu bepde in den put | dikken / daer wort Dat Wooꝛt onberbalfcht in ieere,
Des afgrandg ende des eeuwigen toorns des Des Geeſts kracht geleert / ende oprechte Kina
Ulmachtigen Gods / en der helſcher quaten ge: | deven des Geeſt Daer mede gebaerdt. Maer
ballen zijt. waer bleefch en bloet untdzingen daer Wort eert
Ee Weerde Marmer / waeckt op / ende bleefchelijche Weere geleect/ ende bleefchelijce
Luc.6.24. Dzeeft Godt. Want de utre naelit dat dit uwe) ke Jongeren gebaert : Want nelijk baect ge⸗
lac.j.1 …… Dogen blijckelijcke facchen in een eeuwigh lijk / is onwederfpeehelijk, Dit felbe hier
ke rapen wenen / Defe uwe horte deeughde in een een met beel Schaiften te bewijfen / acht ick onnoe
metale Wige fimerte/ ende Dit welluftige tijdtlijcke digh te zijn / want de fchifnende daet geeft gee
vervoerifhe Wel =lehen in cen eeutbige wee en doodt tupgeriffe.
| De
zedffkanten aldus aengetekent: Maer wat
endinge of coepinge oocit de Wunterfche ende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ſal verkeert worden / gelijck Judas fent : Wee Predikanten
ende fit bergaen in Den oproer Core, ist aenhangers
ge tet COL:
t fy niet ban Gods Geeft ende de Gemepn- 2Reg.10. 18.
wp met Gods Woord / datſe Dieben en maoz- roan. ro, 11:
Aengeſien Wp dan daor den grooten Werder |
der Schapen / ende Hoogen Pziefter onfer zie: Heb.r3. ze.
ſcher Leeuwen ende Weeren / ende apt den zäeg: 17,55,
bette Wende des Heyligen Woozds ín geboert / Ezech.z4. 8.
Dit hebbe ick byſonder van de Paufelijche Ioan. 1e.1e,
te. Want daer aen fenlet wepní € ſoo Hoedani
ME) toad ook genegen be en
fendinge is
Waer dat Gods Geeft upldringt om te Pre⸗ Siris is
Van de Leere der Predikanten.
Honwaere «De Schrift leert openbaer / hoe een vecht ge⸗
—— roepen Prediker Bode Woozot onwervaſſcht
hy Godes leeren / Dat ſelve met geen goſſen verdzacpen/
Woordt lee- HOC met geen Suet-deenh beermengen cn
zen fal. moet/ als Petrus fendt. Wie dacr ſpreecrlit /
Xet.4Aut. die ſpreeke vecht al8 de woorden Godts. Die
Des Pepligen Geeft anderen zijn / Die fpzee-
ken dat Woordt des Geefts / gelijck Chꝛiſtus
Aatt.tro· ao· ſendt. Gnen zijt niet de gene Die daer fpzeekt /
koan334e maer het is De Geeft mijns Daders die in u
ſPreelit. Wie van Godt gefanden is die preekt
Gors Wooꝛdt.
Datſe dat Wooꝛdt onbeſtraffelijk ende heyl⸗
ſaem ſullen Prediken/ is dat hooghſte ende
—3Wwacrſte bevel / Dat haer ban Cheiſto opgelept
@ods kinde. ende bevalen is / gelijcht hp fendt: Gaet inde
ten worden gantfche Wereldt / ende Pzedicht dat Euange⸗
Wooriege- Îium allen Eregtueren en
boren. … > ADant dat Euangelium (Godts Wooꝛdt)
Marci 16.15. gnbermenght ín s Geeſts kracht gepsedickt /
,
zielen eeuwi
doen boo? de Zielen ‘ende
Gelijckenis. Gods kinderen geboorten werden / gelijctt een | miam,
beet Bzoods / ende Soppe
ſentlijcke Vleeſch ende Bloed
Die Daer leeren ende feggem
Defe woorden geſprolien hebbe
pusmeum: De eere wil / of hy en wil niet / al
fonde den Lemel ſcheuren / ende de Merde inz
ballen / ſoo moet hn hier afklimmen / ende op
haere Ufgobifche handen komen: d blaſphe⸗
37
Dader gehoort hebbe / dat hebbe ick u te ken⸗
nen gegeven. Nae Dien dan de rerhte Boden
Gods niet en leeren dan des Heeren Woord :
Want dat felve de eenige leere is daer bp onfe
gh leven moeten/ gelijck de Heere
ſpreekt: Soa heeftmen daer mede lichtelijk te
techten Wat Dat boor Leeraers zijn / Die Dat tere. 15.
acme roecktelooft bolckt op Tegenden / Hiſtorien
ende Fabulen wijfen / op Dierdagen Beelden, Per Papiten
WDp-water / Keerſen ende Palmen /op Biech⸗
ten/ Bedebaerden / Miſſen/ Mettens ende
Defpers : Die daer boorgeven bau Dagevier /
Digilien / Tijden / Buiten / Offeren/ Ende vol⸗
Sonden: Die een
ns tot dat we⸗
Chriſti maelien:
anneer ſy maer:
n: Hoceft cor»
@ liebe Deere) mijn heete fehuddet mp ín
mijnen lijve / Dat ick ſoodanige berfchzickelijke
grouwelen verhalen ende voeren moet : Fa
dewijle dat dat eenboudíge flechte volck/ dat
hem boo? fulcke berlepders niet en wacht / bart
deſe onnutte menfchen vecht wnt met blinde
oogen/met gebonden handen ende boeten hater
Confcientien/ ín Den eeuwigen dood / en der
hellen bloet gevoert wort / faa en kan ick dat
foo fin haere Kinderen upt menſchen ieere baert / niet verzwijgen / maer moet dat
ende niet umt Gods Woozdt / ſoo en ís fp Chat: | balfte liefde Gods ende uwer Zieten / open
ſto níet getrouw / ende haer Linderen en zijn doen: Wie weet of Godt eenmael genade gave
Marci 16. 15.
Matt,28,19, ———— Euangelium: Ende leertſe On: | boven gehoost is / die wort cen
erhouden al wat ick u bevolen hebbe.
Muüun getrouwe Teeſers / neemt waer : alle moet als een eerelooſe berblaeck
Hebr.g.2.”
Salighmaekerg ín geenen beet zoog berz
Num.12.7, ende en heeft niet aengericht noch geleert) dat — hoe recht sijcar
t
Elaigors. Eſaias met allen Pzopbetcn betupgen aen beel | dat fB feagen : W
ellen ban die / daer af geſchreeben
“n426. plaetſen / wat leete datſe leerden/ ende van Wien | den dood / ende een beſtant met det hellen gez
swart,
| ens * Heere der Hepzſcharen. Item / De mondt deg
Kom.1s.18. 5
eeven heeft 't geſprooſten &. Paulus en ( Wee u / want qp noemt dat qva
| dorſte niet fpzelken / dat Chriſtus niet door hem | dat goet quaet / Ee bere upt dupfteenifte
en weochte. Jae Chziftus felbe en heeft niet | ſicht ende up
fijn Woordt / maer dat Woodt fijns Daders —5— flut dat Aijcke der Hemelen Hoor de
t
ican/us. gs: ende geleert / gelijck hip fepdt : Mijn | ND
eere en is mine leere niet/ maer fp ís des geeng | de arme zielen dwaelende opden wegh/ noch Peut.27-17.
Q 5
| Die np gef ë:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
—
Deut.8,3-
Matt. 4:40
Luce 4.4.
leeren-ende
grouwelen,
38 Van de Leere der Predikanten. —
Ja doch dat ſoodanige ſoo plompe fchande dan dat ſy oorſaecken mogen vinden / omte
Teeven) ende verwondert mp ſoo ſeer niet / de⸗ ſchelden: Ende daerom ent ſien ſy niet / dan op
tuijle ſy noch Chriſtum / noch fijn woort bekent Judam⸗ maer op Petrum / Andzeam ende
en hebben / maer alle dingen houden ende lee: | Joannein en fien ſy niet: Maer wat ſp ſelve
ten gelijk ſn van Der jonclihent aen unt oude ge⸗ vooz lieden zijn / ende wat fp voor Diſcipelen
waonten en Paufelijclie gefetten geleert zijn. hebben / enmercken fp niet.
,
iaer dat doet mp ten meeften wee fn mijner | Daer en baken en ist niet dan Genade / — ——
jelen / dat oock de gene die nu eensdeels de | Gonſt / Barmhertighent ende liefde Godts / en behoort
bedechte hoevere Des Babilonifchen Wijfs | al wat fis vaar haer gierige / hooveerdige / pra⸗ nlet den
bekent / ende ſommige ban haren Mgedzonc- lige / onfipvere/ dzouckene ende onboetveer⸗·· ooft
ken grouwelen uptgebzoken hebben / dat Die dige Gemeenten Pꝛzedilien ende roemen / niet maerde wer
noch foo aen der menschen Sopbifterie han⸗ merckende Dat de gantſche Schrift getupght / tot ——
Die wort van gen / datmenſe noch met Godts krachtige | dat ſulcke dat Nijcke Godts niet be-erben en ge —
eb innen Woordt / wach met dat onbeſtraffelijck leven / ſullen / ende ſterckien alſoo de handen Der boos” nare ge-:
gefchrevens gepmoedige bekenteniffe / ende onfclhuldige | achtige / op dat hem oock niemandt en bekeere predickt te
woordsbe- Bloed Han foo beel brome hepligen bewegen / van fijne booshepdt / gelijck De Propbeette len:
roemen. nochte leeren en kan / hoewel haerer ſommige \klaeght. neten
wel by tijlen met verſtopten mande / ende (_@ onnutte bpuchteloofe Leeraers / gp die U
oberwannen herte boor de waerhepdt hebben laet duncken / dat ap des Heeren baten draeght
moeten Wijchen / nach en laten fn evenwel tot u fijn deſe mijne woorden: wat roept OU
níet af de heldere klare waerhept Cheiſti / ende \ doch foabeel ban geloove ende liefde / daer OP
de vroome Kinderen Godts Loor haet vlee: | hare vzuchten haet ende vnandt zijt: Hebt Op
fchelijche blinde Gemeenten) Die Ban gele: | de oprechte ongeberwede Daeefe ende Liefde
Ken Geeft worden gedreven als fn / met bpane | uws Gods / foo laetfe doo? uwe wercken ſchij⸗ Tas- se
delijcker tongen / ende lafterlijcke lippen (gez | nen ende openbaer worden.
tijck als oock: haer Schaibenten doen) tebelie:| Seghtlieve Predikerg: Waer is doch uwe
gen / fchelden ende fchenden / gelijckmen | Chaiftelijke vernederthent / uwen Bodfaligen
(eplacen) over al hooren ende fien maak / alfaa | Chꝛiſteljken pier / luft / vzeede / ende vꝛeughde
dat íclt ns bebreeſe / Dat fin Veeren / Doeften / | in Chꝛriſto Jeſu. —
ende Overigheden mede aendzagen/ klagen / Waer ig uwe barmhertighent die qu bewijſt:
lafteren / coepen / ende en fchrijven níet Wen: | waer zijn de nachte Die gp kleedt / de hongerige Mit a5. 57.
Apoc176. niger als de Pauſen tegen Godts Ham ende ‚Die qu ſpüſt / ende de ellendige die qr het:
fijn Untverlidoren / tot berbolginge bewegen / berght.
ende oproeren / Wanneermen haer vervoe- Waer is dat berlooren Dat gp weder ſoeckt / Eze.34.4.
riſchen Suer⸗-deegh / ende voornaemelijcken | dat gewonde dat gu verbindt / ende dat kranke
z Rege 12.32 Den Ralver · dienſt van haeren Linder-doop en | dat gp geneeft : Waer is uw onbeſtraffelijcke
ongerijmde Hachtmael niet en wil. broom leven / dat unt Godt is: het is doch ten
Een pegelijkk fie vao? hem / ende leertſe vecht | meeften deel enckel gevepnfihept alle Wat gu
Kennen : Gek Weet waerachtigh datfe bunten Pzedickt / deijft ende toeftaet- :
Ehriſtus Geeft / ende fendinge fijns Woods | Uwer ſommige pzijfen eensdeels Wel een Sy (es —*
zijn / want ick hebbe dat met ooren gehoort en | broom Chziſtelijck leven / Predilien oock veel rvd
met handen getaft/hoe bpandiijken fp ten mee⸗ | van Chꝛiſto / ban fijn Derdienfte/ Geeft ende
ften tegen alle Die gedreven Worden / Die den | Genade / ende felve zijt gur De gene Die een runm Aatt. 13.57.
Peere ban herten vreeſen / ende geerne Chriſten vleeſchelijſi leben boert / Cheiſtum ban nieuws
Dat foecken zijn wouden: Ende dat ſy in haer Leere ende krupſt / fijnen Geeſt fchent / ende fijn Genade
— doen / menſchen vrientſchap / eere / pracht / veracht / gelijkmen fien magh.
Euangelifth tenten / ſchoone hupſen / ende een cupmlecker | Och rog Pꝛediliers / hoe vecht eeft
heeten. _ Teben niet wepniger en ſoecken / als de Dapíften u de Heylige Geeft bp de droage FFontepnen / 2 Pet-2-17,
€ waterlaofe Wolcken / ende onbzuchthare Booz Juda. 13»
Och mijn garde Leeſers / ſy en zijn de Lee⸗ men geteelen / van den welcken men geen bez
pan.12.13. raers niet/ Die Beel tat ’er gerechtighent wijfen/ / quame wateren ſcheppen / noch geen oozbaer⸗
ende Die daer lichten ſullen als des Hemels ſijkie vruchten plucken kan. Gc en Weet niet
klaechept / ende als de Sterven nu ende ín eeu- | bp wien men u genoeghlijker gelijken kan / |
pefetebe- wighepdt: Want ick en weet niet waermen | dan bji een Pouwe díe ſelve ín allerlen ſchande
Rrafien ie … eenige Gemeente vinden fal / Die ſp met haren | ende leelijkhepde leeft / evenwel beel ban eer⸗
Ten moet Dient ende Heere tat een vꝛoom boetveerdigh baerheyt ende deughden fpzecken wil. Sal
noch breder leben / ende vechten Gadö-dienft geboet heb: [men niet haer woord boo? fpatterpe achten/
fien. ber. Want haren ſterclien roep is ten meeſten ende (eagen : Wat prijſt fa doch eerbaerhept en
ober den Paus miet fijne Cacdmalen/ Biſ⸗ kupshent / daerſe ſelve aller aneeren en fchande
ſrhoppen / Papen ende Monnicken. Daer | vol iS.
Devromete nac moeten die alle Sacrament-fchendets/|_ Wi weten wel / dat qu De klepne Goden pe tacken
ftraffenis derdoopers / Swermers en Ketters van haer | Babels/ als gebzoocken hebt / gelijck Daer zijn war af
onrecht. gefchalden zijn / Die Gate verboeriſche Weer / [zijn den Moomfchen Aflaet / dat aentaepen Sen
fgodifche Sacramenten) ende pdele leben | Der verſtozven Heyligen / ontepne reynighent / — *
met Godts Woordt beſtraffen / en geerne Dat |
onderfchent der fpijfen / ende Diergelijke epgen de wortelen
befte aen hare arme ziel ſien ſouden. Gerechtigheden / Afgoderpen ende Suͤper⸗ is gebleven.
Depredikers Fa Wanneer fn maer een binden konden / | flitien meer : Maer De bevfcheickelijke laftez
foecken oor: (hoewel afgefieden). die hier bootijdts met | ven ende geoutwelen ziju nach (eplacen) al gee
ae Ce des Weeren Dolckt-een geweeſt is / ende nu in bleven / gelijck Daer zijn / dat berdoemelijke
Schelden __ eenigenlafter valt / daer nae maeten dan alle | ongeloove / De hertneckige wederfppannighent/
mogen. — bomen oock gericht worden. Siet (fegaen fp) | dat Aerdſche gemoet / de Schaifteloofe Line
fiilekken bolck 8E; want fp en ſoecken niet der · doop / dat AUfgodifche Nachtmael / tube
a
4
doen / als gehoort is.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van ’ Leven der Predikanten. 20
digh niet dan verſlindende Molven: Sp zijn De Mattx15-
zeemde / wiens ftem Chriſtus Schapen niet LoantOS-
dat onboetbeerdige oude leven Dat unt den vlee:
fche komt. |
Hierom betupgen ende feggen wp / ende dat
met Det waerhent / alg dat gp in deſer gedaente
| geen gefondene Gods Boden / ende geen Chri⸗
—— fieljke Teeraers en zijt. Want het is open:
roan rei. Daer/ Dat ap deg Heeren Woord ende Orde⸗
ninge verwerpt: Dan ſelfs loopt: U felven
wepdet: Onder den fchijn ende Naem det
Euangeliſcher Herderen / deg Veeren Scha⸗
pen verſtroont / ende ſoo deel hondert dunſent
Zielen met uwe lichtveerdige Heere / Afgodi-
fche Sacvamenten / ende vleeſcheljck runm
Leven ín ’t verderven boert.
perechte Maer De Leeraers Die van Godt gefonden /
Leeraen le ende recht bevoepen werden) leeren Gods
WMooꝛd onberbalfcht / fp blifden in fijn Heplige
leven o en in fj 8
fraffelijck. Ordeninge / fi leben ne bare zwacktept onz
beftvaffelijck : Want fn zijn upt Godt gebo⸗
as. ven / ſy worden ban den Pepligen Geeft geleert
1 Teff 203e ende gedzeben / fa en foeken geït / noch goet /
noch gemackelijk leben / noch menfchen peijs
op Aerden / fh Wachten op haer opgelepden
dienſt met alle neerſtigheyt: fa vreeſen Godt
ban herten / fis ſoekeen hare naeſten met grooter
Cot.s7 · trouwe : fp zijn gekleet met de wapenen der gez
rechtighent / tet vechter ende ter flincker hant :
| pn handelen fonder eenigh aenfien der perſoo⸗
Heb4re nen: Dat krachtige fcherp Zweert des Gode
delijken Woods fnijt unt hare, manden :. De
blinckende Tanteernen zijn mn hare anden /
fp zijn geleert in der gerechtigheyt / bol met alle
—_ geeftelijke wijshept : fp fchenden dat goet van't
| quuaet / dat hepligh van ’t onhepligh/ ende dat
Lev.toJ0. « tepne ban’tontepne: Somma / fn licijten in
ler1519 leere ende leven / gelijck ban den beginne tat
_ noch toe aen allen waerachtigen Propheten /
Matt:.14: fr | ende Dienaren Gods gemerckt en
geſien (8. *
Glieve Heere / hae lieffelijcke Herders ende
Leeraers zijn dat / die anders niet en ſoecken
dan dat ſy dat Nijcke Gods uptbzepden / dat
Wooꝛd der boeten ende der genaden vecht Pre⸗
Dikken / ende beel Zielen winnen magen / ende
daer voor op ſtellen naem / faem / hups/ goet /
Hf ende leben.
Deſe zijn de gene / Die met Chziſto haer
Pooft en Verder vergaderen / ende fijn Scha⸗
per vecht wepden. Maer de andere zijn De
gente / Die Daer verſtronen / ffelen ende moogden.
berarr4 Sp3ijn Pzopheten / maer niet upt Godt: Sp
Ezec.13-16e —53 maer niet unt des Heeren Mond:
j ſtercken de handen Decr Godloofen: Sp
flaen Dood de zielen Die eeuwigh leben / ende
maken levendigh die eeuwigh ſterven moeten /
ende dat om een handt bol gerſte / ende om een
peete Broods : ſp Pzediken den Volcke Dzede/
jer.8e-…" foetwel dat De Vzede bpant is. Daeram fullen
fin met ſchande ſtaen / Die ſulcke grouwelen dzij-
J J koe fn willen ongeſchent zijn ende hen
níet ſchamen Díet weerde Leeſers / na Dien ſp
belient is / fp zijn de gene Daer ong Paulus vooz
waerfchautwt /en fpeekst ; Ach bermane u lieve
broeders / dat gn acht wilt hebben op De gene
die fecten en ergerniſſen aen vechten benebende -
leeve Die qu geleert hebt / wijkt ban den ſelven / Rom.16.17:
want fn dienen niet den Heere Jeſu Chjzifta /
maer haren bunck / ende door ſoete Woorden en
heerlijke veden verboeren fp de onfchuldige herz
ten. Item / Joannes : Alle wie overtreed / en
ín de ſeere Chaiftiniet en blijft / en heeft geenen
Godt. Sao pemand tat u komt ende en brengt
deſe leere níet) Die en neemt níet int hups /
ende en groet hem oock níet / Want wie hem
groet / die maeckt hem deelachtigh fijn booſe
wercken. Vengefien ons dan Gods Wooꝛd fa 2 loan „1.16
overvloedelijk vermaent / dat wy foodanige laz
ten/ en óns oo? haer Wachten ſullen / haet
ſtennme mijden en Van haer wijcken / ende in
onfe hupfen níet ontfangen en fullen/ als gez
hoort is: Zijn wp nu Chꝛiſtus Schapen) ende
deg Pepligen Geeſts Kinderen. / ſoo moeten Wp
immers Ehꝛriſtus ſtemme hooren / en dat ber:
manen deg Bepligen Geeſts nakomen en ge⸗
hoorſaem zijn, Gedenchtaack hoe trouwelijk
de Heplige Paulus den Philippenſen vermaent Phil.z.2.
heeft / datſe hen boog De honden / guade arben⸗ Elai.56.11.
ders / ende Beſnijdinge wachten ſouden: leert
De getrouwe Dienaer Gods / dat fa die mijden
fouden/ die níet wijder en faljeerden (foo ’t
fchijnt) dan datſe mact vaſt hielden over de bez
fniyjdinge / die fp ban Den Daderen ontfangen
hadden / ende níet en Wouden toeſtaen datje in
Chꝛiſto foude ophouden / en ſchelt haer daerom
met foo leelijke namen: hoe heel te neerſtiger
behooren Wp ong dan voor Die te wachten /
díe De gantfche Wereld vervoeren / allen vroo⸗
men ſchelden ende vervolgen / alle waerhepdt
krunſen / alle valſche leeve / alle Gods lafter /
Nfgodêtpen ende grouwelen leeven drijven / op⸗
rechten ende toe ſtaen.
Van dat Leven det
Predikantert:
Elijck op hier Den grondt ban. de Noe⸗
pinge ende Leere Der Pzedikanten nu gez
hoopt hebt / alſoo willen Wp boortbaren / ende
Sc nak aenwijfen / hoe De rechte Aphſtelen /
Biſſchoppen / Leeraers ende Herdets in De
Kercke Chziſti oock in haren Wandel én Teven
moeten gefchickt zijn: Want het is niet gez
noegh / dat pemand ín dert fchijn veel ban des
Heeren Woord ſpreeken kan / maer het moet
oockt met een broom onbeftraffelijcit leben bez
weert worden / gelijck de Schzift leert
Soo fpseecht Paulus / ick kaftijde
fieten/fijn Schapen verſtropen en mett zweert lieden en Pzedihe/ en felve verworpelijclt bez
Der verboeriſche leere / de arme zielen dooden / vonden Want behoren oocit Di feerun⸗
díe ſoo hooge Lan den Heere bemint / foo vezre | gen een on
foan.toers: gefocht jen foa diere ban hem gekocht zijn: fijn | meer dan de Heeraers/ DEWI fp De letrlmgert
eninge / ende gebrunck foo bpand- regeeren ende voorſtaen / gelijck Palins ſept⸗ tiet:
wWoord / o2d
eſtraffeihn leben te boeren / hoe veel
lijk tegen vechten :-Soofeggen ende leeren wp | Gedenckt- der genen die u boorftaert / die u
el … met Chꝛiſto/
Matt.igj. i4· der bunden leyders: wacht u voor ſulclie val⸗
fehe Propheten / want hoewel fp in een fchijn
ber Schapen komen/ fo zijn ſu evenwel mwen-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
laetfe varen / want fj zijn blint en | Gods Woord gefpzoocken hebben / mêtcht op
haer epnde / ende bolght haer geloove Ha.
Dit felbige Lermaent han dock fifren Tú
motheum / ende fepdt : En tact —
| e
doo? deg Weeren genade hier met de Heylige
à fi * mijn Hebr.9.27;
Eheiſio Dan fijn eere en gewin fo jammerlijken lichaem en tennne dat / op Dat ickt niet andere KA
229,
37e
40 Van 't leven der Predikanten.
uwe jonckheydt verachten maer weeft qu | Foepinge / met aldusdanigen Geeft / Heere en
een Doozbeeldt ín’t Woordt / mt Leven / Mm | Leven tot des Heeren Ackerwerck in treden / ter. z. 10.
de Wiefde / inden Geeft / in't Geloove / in de | alg gefept ís / Dat zijn de Herders Daer af gez
upshent. fcheeven ſtaet namelijcken ; ick wil u Herders
Maer over al ſettet u ſelben tot een Dooz- | beforgen na mijn herte / die Wenden fallen met Dan.raerz.
beeldt det goede wercken / met een onberbalfche | Ieece ende wijshept. 5
te leere / met eerlijfkhent / Ec. Want dat onge⸗ Sn zijn de Leeraers / die daer bele wijfen ter
twijffelt foo behoort / ſoo pemant andere ſie⸗ gerechtighent / ende fullen lichten als des Pez
den leeren ende beftvaffen wil / dat hp eecft- | melg klaerhept / en als de Steven altaog ende
mael vecht geleert ende onbeſtraffelijck zijn | eeuwiglijck. à *
Merckt hoe moet / gelijck Paulus fept : Die een Biſſchops Sp zijnde Geeſtelijcke Ploeden ende Nibie⸗ De Reviers
derechte Ampt begeert; Die begeert een goet werck: | ten / Die upt de JFontepne des Paradijs (Chzíz —
773Maer een Biſſchop moet onſtraffelljck zijn / | fla) untvloenen / om vochtigh en vzuchtbaer te
den wandel
Tim.4.9.
Tit.2.7.
moeten ge- di ‘ 4
fchickt zijn. ſedigh / herberghſaem / lecvachtigh/ geen Wijn-
ſunper / niet bijtigh / geen bechter / niet begee⸗
righ nae ſchandigh gein / die fijn ergen Pups
wel regeeren kan / die gehoorſaeme Linderen
heeft / met alle cerlijkbent / ig ’t Dat hu fijn ep-
gen Pups niet vegeeren en kan / hoe fal hu dan
regeeren de Gemeente
eener Drouwen Man / nuchteren / matigh / | maeken dat gantfche Landt.
Sy zijn de Geeftelijcte Poſten ofte Pilae⸗ mores pi.
ren om De Hutte Mopſi / die behangen zijn Ke |
et den Capijten ban Witte getwernder “*9-27-3-
ijden.
Sy zijn de tſeſtigh Stercken / upt de Sterc⸗ Cant-3.7-
ken ín Yfraêl/ díe rontom Dat Bedde Sala: Nomen
Gods: Been nieuwe: monis ftaen / ende beaten ’t/ om der beeeſen kers.
lingh / op dat hu hem niet op en blafe/ ede den | wille deg nachts / haet Zweerden hebben
Laſteraer in't oogdeel valle : Hu moet een goe⸗ | fn op haer Lenden / ende zijn berept om te
be getupgeniffe hebben bau die / Die daer bumten ſtrijden.
ijn / op dat ha den Laſteraer níet ín de ſmaet⸗
bent ende ſtrick en balle: Hu moet goedigh
zijn / tuchtigh / rechtbaerdigh / heyligh/ kuns
Die Daer haft houd over Dat Woord dat gewis
Tiens.
De Huys-
vrouwen der
waerachtie oock hare Beouwen eerlijck zijn / geen laſter⸗
en Predi- ſchen / nuchteren / trouw in alle Dingen.
ers moeten
Sy zijn de feven Hoornen ofte Baſupnen De hoornen
de Gulden Jaers / door Welcker Geklanck / des Gulden
Tcere ende BRedicatie / de Mueren ban Jeri· zo.
cha (dat ís) alie valſche leere kracht ende gez
fg ende leecen kan : Die machtigh is te verma⸗ | welt die tegen den waerachtigen Joſue / Chri⸗
nen met de heplfaeme leete / ende de wederſpre⸗ ſtum / ende fijnen volcke ſtrijden / vallen/ende tec
kers te ficaffen. Des felben gelijken ſullen neder gaen moeten.
Sy zijn De lieffelijchte Boden des Vzeedes Vrede-
dieong ellendige bekommerde Sondaren/ Ga Boden.
fais
Diet weerde Leeſer / aldus behooren alle | des genade / gonft / barmhertighent / liefde en —
en vroom predikers ende Leeraers in haer leben gefthikkt | vrecde Pzediſiten/ ende ons de goede Dingen
te zijn / Die des Weeren Gemeente vecht ſullen leeven.
regeeren ende boorſtaen. Want foa pemandt
Su zijn de ſeben ongemeten Bergen met De heerlijke
andere lieden wil ſtraffen ende leeren / ende is | Nooſen ende Welien beplantet / in wiens reulie luftebergen.
bn hem (elven beſtraffelijck ende ongeleert / Die | ende fchoonhept haer berluftigen alle Die den
moet met vecht hooren / Wat leert gp anderen / | Heere bzeefen.,
ende en leert u felaen niet: Gn Pꝛedickt men
Sy zijn de fchaone hupſe Uroone det. bee Apoc. i2. «.
fal niet ſteelen / ende ap ſteelt ſelbe: Gu preekt | bauchte Drouwen / Die in Rints nooden is / ver⸗ Pe Kroone
men fal geen Overſpel Doen / ende gu doet ’t | ciect met de twaelf Steen.
ſelve u arouwelt Hoor de Afgoden / ende qu
berooft Godt van dat fijne / qu beroemt u des
Rom.2.13. ret , * ge ſchent Godt dooz overtredinge
Alle die dan aldus beroepen zijn in de leere
— ende in de wandelinge onbeſtraffe⸗
clt/. Die mogen Leeren/ Vermanen / Bez
ffeaffen/ Hutroepen/ende bouwen in den naem
Derechte des Heeren / haten dienſt en fal niet fonder | Sods tot Bi
Leeraers _ gaucht blijven / gelijcimen aen Moſen / Sa:
vracht want muelem / Eliam / Helizeum / Eſaiam / Gere:
haren dient miam / Petrum / Paulum / Joannem / met
is uyt Godt. alle wacrachtige Pꝛopheten / Apoſtelen ende
Dienaren Gods / die deg Leeren Woordt onbe⸗
ſtraffelijſt in kracht des Geeſts geprediclit heb⸗
ben / wel gefien heeft. |
Haer Heere heeft geſneden als een fchêtp
der bevruch.
te vrouwen,
Sy zijn de Mueren Des Nieuwen Hemel⸗ Apoc.r 1.12.
fchen Jeruſalems / die gegrondeert zijn op De De Mueren
twaelf Fondamenten / dat is / op den grande leruſalems.
ende leere Der ttaaelf Apoftelen.
iet weerde Leeſers / met foodanige en Dietz
geljche heerlicke beelden ende gelijckeniffen
meet / worden alle broome Herders ende Lee⸗
caers in de BE vereert / die de Heylige Geeft
choppen ende Doorftanders in
a Ae J. Gemeente en Pups berordineert
eeft.
Defe mogen met den Wepligen Paulo ſeg⸗
gen : weeft onfe navolgers /. gelijck op navol⸗
gets Tia zijn: Want onfe vermaninge en De vroome
tepcht niet tot Dwalinge / nach. tot ontepnig: ae
hept/ noch met lifte / maer gelijch als w ban „oomer
Godt beweert zijn / dat. ons dat Euangelinm herten.
Zweert / want het hadde kracht / veucht / | toebetrauwt is te Teeven /alfoo fpreelten Wop niet 1 Tete:
Geeft ende naedruck / gelijck de Propheet fépt | als willen wp den menfchen. behagelen iin /
Denregen Gelijchalg-den Viegen ende Sneeuw ban den
vochtight dat Hemel valt / ende Daer niet weder en komt /
Landt, alfoo maer bechtight de Aerde / ende macktfe vzucht⸗
oock Goss, haer ende waffende / datfezact geeft om te zae-
Confeientie. fet ende broodt om te eeten : Alſoo ſal dat
Eſ.55.10.
Deut.32.2. het en ſal niet ledigh weder tot mp komen /
Dood dat wat mijnen Monde gact/ vock zijn/ ſocht.
maer Godt die onfe herten proeft. Want wp Rechte Lees
en hebben nopt met ſmeeckende woorden om 13° eden
egaen (alg gu wel weet) noch nae de gierig- hen niee)
ept geftaen (Godt is Dies cen DEE Wp Waerachtige
en hebben ooch geen cete bn den Menſchen ge⸗ Prekers en
—— gen
eit noc
Defe / ſegge ick noch eenmael/ zijn De gene mentchen
Matt. tz·az maer Doen dat mp behaeght / ende het fal hert die met Cizifta vergaderen dat verſtront is / prijs-
wel gelucken daer íckkt om fende.
Jaalledie met aldusdanigen Sendinge of
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
berbfnden Dat gewont Í8/ ende geneefen Dat F2234-1*-
kwanck ig; Want fn werden van deg Perven "5
Geeft
— — — —
lar. 1. 10,
Mc hd et Rd
Yoan.d. 14.
loan.15.8.
Dat dienlijk
ampt is in
een Heeren
werk veran- De/ moepte forgen/ verachtinge / ellende / dzoef⸗ zj
dert.
Mich.zo.9. ude geel Hieederen in Des Weeren Achier
Luc.9.3.
1Cor4.r3. alle dage alg onnoſele
Rom.8.36. men ín veel plactjen der Schaift lefen en fien
Apoc.i815. Op Verden geworden. Al-ormine beſtraffelijk /
pꝛacht / Pozſtelijke heerljkhept verandert heb⸗
Van het Leven der Predikanten. 45
Geeft gedzeven / ende van de reyne ongeveer: ſchrubenen kan: Overdadigh / Ontuchtigh /
wede lief de gedrongen: Su waecken en wach⸗ Ondermhertigh / Haters / Schelders / Ou⸗
Pad
ten op haten bevolen Dienft vljtighlijk/ Sn beleeft / Onrechtveerdigh Heugenaers / Dof:
fecihent met Den geweere Der gerechtighendt ſuppers haer Tafelen zijn vol ontepuighent,
alle dagen dapperlijk. Sn fcheuren / Geelien/ als Cfatas fepe. Hare Herten zijn daozoze⸗ ais.
en berftooren ale wat tegen Godts Woozdt | ben met giecighept / nijdighop den geenen Die
is / nietmeer untterlick gewelt/ doop pfer en | haet niet wat in den Mondt en geven. Op
zweert / maer Door De pzedikatie Des Weplfgen | Pzediken Dat’er een oozloge opſtaen ll / gez
Woords / in gewelt des Geeſts / met des Hee: lijk Micheas leert. Sp hebben voren Wol ↄpet.2. r4.
ven Waord. Su bouwen / zaepen/ gieten/ | overspel / Sp fitten t'hüns met Poeren/ Sp Paruch. 6,9.
en planten. Sp maepen dat rijgen af / ſy ber: [Winnen haer Hinderen Lupten Gods Wzùiz
gaderen hare vzuchten ende ſchoven / en voe⸗ nantie / Sp zijn ongeloovigh / weder ſpannig / —
renſe ín deg Heeren Schueren/ en De vzuch⸗ hoobeerdigh/ eergierigh ben Woorde ongt⸗ rim.3. 2.
ten ſullen blijven inꝰt eeuwige Leben. boozfaem / met den ſtrick des Bupbelg gebou⸗
Pademael de Schzift dan aldugdanige Kee: |Den. Bock Gan belen Die de waerhendt nach
raers heben wil / alg gefept ig / isꝰt noodigh niet cn kennen / alseen Taft eu fchande der
Dat tw híer Dat legen uwer JPzediltanten met | aerden geacht. Hare verſchrickelijſie leclijke
De wage en rechtſnoer des Godlicken Woords vzuchten betupgen boo? de gantſehe Werxelt.
boo? uwen oogen Wegen en afieten/op Dat gp (Sp firijden tegen Cheiſtum ende Chriſtus
fien meught hoe vezre fn ban dat Monſter der | Woozdt / Sp haten alie Prome / fp fchelden
waecachtiger Biſſchoppen / Pzedikers ende | ende fchenden afte de geene Die den eere ban
Herderen / van den Bepligen Paiilo tot Timo⸗ herten foecken Hef hebben ende becefen. Som:
therm en Titum acugetogen/ in haren gant: ma / het is onmogelijk alie haer leelickheden /
fchen leben en doen verſchenden ffaen : Ende boeverpen / Godloosheden / bepmeliche onde
Datfe dat rechte tegendeel zijn / Die maer in ee⸗ openbare lafteren/ / ſchanden / eude grauwe
nen vaſchen ſchijn fander Geeſt / Woozd / werk len te vertellen. O liebe Heere / hoe recht
ende waerhent bp der Werelt alſoo geroeint en | epen zijn fp dat tegendeel van Den oprechten en
waden. waerachtigen Biſſchoppen / Poozſtanders/ en
tet ig openbaer / lieve Leſers / als dat fr dat | Herders geworden. Evenwel roemt hem Dit
nederige Ampt eens waerachtigen Biſſchops/ baoveerdige geflachte/ Dat ſu Chꝛiſtum mo⸗
Predikants ende Herders (Dat ecn Ampt eens | gen upt Den Hemel halen / Godt verſoenen /
Thꝛiſtelicken dienſts is: Dat vol is / Wanneer | de fanden vergeven / ende datfe de rechte Piz
dat et vecht bedient wort / met acbept / armoe⸗ | laten / Hoof den / eu De oogen Der Gemeenten
u
Ende hoe Wel ick dít voornamelijcken ban
den Koomſchen Predikanten aldus geſchreven
hebbe / fullen ebenwel de Leſers weten / dat
ick De gene die haer des Woords vroemen / hiet
mede níet vzn en kenne / in geenderlep Wijfe :
Want fp in den gemmeenen loop haers Wandelg/
uptgenomen openbaer overfpel ende hoererne /
ín dat ſoecken ende begeeren des onbehooztjc⸗
ken gewing/ afgoderpe te Danen wet Doop R
ende Nachtmael /den Bodhzuchtigen bpantiie: „ri. 3.8.
ken te beletten / faem / rooben ende lafteren/ 2Reg. 12. 31:
(8’t gantſch wepnigh datfe werfchepden zijn/ jE°8-18-2s-
uptgenomen ſommige Afgodiſche misbrunc⸗ rers.0.
hen des Broods / die foo niet bu haer bebonden Er.;s. ro.
en worden. EN ien
Alſoo dat ick vreeſe datfe alle mrt malkan- wars 75.
deren / Die foa om loon dienen ende der Werelt mart-23.13.
hupchelen/ Die Geeftelijcke Toobenaers in ere
Egipten zijn. De Pziefters der hooaten. Die- ——
naers van Baal / ende Prꝛopheten ban Jeſa⸗ verkere my
bel. Verdervers en Verwoeſters van Des Hee⸗ dete namen:
ven Wijn-bergh. Befimetters des Landts. van gon
Blinde Wachters / en ſtomme Ponden. Der” arche Lee-
treders der goeder Wepden / ende ommeroer⸗ reers in de
ders der klare wateren. Zielen-cterg. Dal — ge-
fche Propbetenen grijpende Wolven, Deeflin- .
ders der Weduwen hupfen. Dieven en Moor⸗ rus.
feniffe / keups ende fimerte ) in eenen godlooſen
ben/ alſoo dat fp van allen menſchen / Wiens
namen in denheinel niet geſchreven en zijn / ſeer
gebreeft / ende hooge geacht werdeu / dewijle
fp met alſulcken heerlijcken Mantel daer hee:
nen pralen / en met alſulcken ſchoonen ſchijn
bekleedt zijn / als met hooveerdige namen /
met ſalben / kruncen / kappen / lange kleede⸗
ren/ onreyne repuigheyt / met klooſteren /
Keecken / klacken / ozgelen / geſauck / miſſen /
offeren / lange getijden / Ac. Daer niet cen
Heeter ín der gautſcher Scheift af geleſen en
ost. Daer onder men den fchuplenden wolf /
dat aerdſche vleeſchelicke genoedt / de Anti⸗
chriſuiſche vervoeringen ende bloed - grouwelen
—— grypen ende ſien kan. Want fp
anders niet en ſoecken dan Menſchen gunft /
rere / proncherpe / prael / leckerhent /lughendt /
epgen · pzofijt / goud /ſilver / vleeſch en bunk / Ec⸗
Laten haer Geeftelijke) Doctores) Meefters /
Peeren/ Abten / Guardiauen / Paters ende
Prioreg noemen. Och hoe vezre ig ’t ban der
Kpoftelen ende Pzoheten Umpt/ Dienft /
Poorheelt / Gebaupk/ Leven / Soecken/ en
Doen Derfchepden/ díe fonder Caſſche / Geld
getreden zin / die aller : dereld-fchourgel /
{/ ende Aſſchafſel zijn moeften/ die
— Slacht ſchapen Loo?
deg Weeren waerhept ſterven moeften/ als
epnde De verdoemeniſſe / De upis haer adt Apec-9.2.
ende haer eere ſchande ís / ende op aerdfche
dingen gefintizijn: balſche Leeraers / Meeſters Luc.11.39.
der Secten / bervloelite Kinderen / dwalende phil. 19.
ftezven / verdorde Boomen / uptgewastelt / on” 5535.
bruchtbaer / tweemael geſtorven / uptfchup” marc.7.r.
merg ban haer eygen booshept / den welcken roan. i2. 47.
behouden is cen donckere dupfterniffe tot in — ——
eeuwighept / Antichziſten / Speinkhanen/die Gar, 21.
op gewaeflemet zijn upt — Put des Afgrants Eph, 5-5.
r t * 2
iaer deſer Kiſten ende Waffen zijn Lol/ rijc⸗
Ke ban Babels handel ende toberpe / Vorſten
Prouwenfchenderg / welcker leelijken handel
men in defer fakien niet wel verſinnen noch bez
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
denaers. Vpanden des Keuris Chziſti / eller « roan. 2. 22.
Matt. Is. 13e
AT Van ’t Leven der
om den genen te befchadigen die Dat teecken
Godts niet en Gebben ín haven Pooꝛ:hoof⸗
Den Somma / foo ſy haer niet en bekee⸗
ven / dat ſy nae Det Schrift al gericht zijn. |
piet mijn goede Leeſers / Dat ick vemandt
rechte / ick weet wel Dat er geſchreven ſtaet;
En oordeelt niet / op Dat gp niet veroordeelt
en wert / verdoemt niet) op dat gp niet ver⸗
doemt en Wert; maer ſy Worden bandien qe:
oogdeelt / Die Daer fpzeelit : Dat Wooꝛdt dat
ick gefprookken hebbe, dat fat hen oogdeelen
acu den jonghftendage. |
Die fuickte ende dietgelijcke werken doen/
— Paulus / en ſullen t Rijcke Godts niet
efiten; wanneer nu dan pemandt De werken
Doet daer van Dat Paulus ſpreekt / ſoo en Wert
ha niet door mp en de menfchen / maer doo?
deg Weeren woozd gericht Daeronnme bidden
ton u/ dat gp dat leben uwer Predikanten
met der Schaift wilt afmeten / ſoo moogt gp
bevinden Ban wien ſy gericht zijn.
Bellendige Pzedikers/ welkers blindthept
men wel bitterlijkk bewenen magh / hoe goede
waer’t u/ dat op nimmermeer gebaoren en
waert / ‘want wanneer dít kort verganckelicke
welluftige pdele leven upt geloopen is / faan
u niet om en keert (als boo? gerhaelt is) fal
—— Gods eeuwige ſtraffe / toorn / oozdeel / de eeu⸗
unz.iz. mige heiſche pijne/ bzand/ Wee ende doodt
deel zijn / gelijck de Schaft
defe / Want an Chgiftum verz
dt berachtet/ Dat De eenige
uw epmde ende
_ dzepabt.
loan.6. 27% Ooꝛſaelte is
ſtotet / fijn Woo
| Nart _ fpijfe onfer zielen is daer bp wp eeuwigh leben
| sap.16.26. moeten / daeromme dat et uwe onnuttelijche
SERRE ſiraft / dat ín den grond niet dan vleeſch /
Apocss.g. bupk / werelt ende dupbel is / gelijk men fien
Deut 8.3. magh / dat gunde arme zielen faa jammerlijcken
Matt4.4. verboert / ende allen den genen die u falighent
gan heeten ſoeclien / ja ín alder lief den met Des
Peeren Wood vermanen / uwe Lervoetijt! €
gi eeve / ende Godlofen handel in alte reedelicz
edig fa vpautlijk haten / beliegen/
chelden / vezraden / om landt / ecve f goed / le⸗
ben / en bloed bzengen.
@O Balam/ Galam/ hoe lange wilt qu
den armen Ezel / díe alder werelt laſter ſpot /
ende fchande om dat getupageniffe fijns eer
ren Chpifti dragen moet/ dus onbermherte⸗
lijcken ffaoten ende flaen: ende nimmermeer
met goeder herten aenmerkten / hoe hp u met
menſchelijcken ſtemmen antwoordt / en ſtraft
am aa.as. uwe groote dwaeshent dat hu ban den En⸗
Hoemen _ mel met den bloten zweerde / te weten van Des
—* — eeren Geeft ende Woord gekeert wert / Dat
ecfterts _bpuínuwen Godlofen Wefen niet langer dza⸗
fal even we
niet gehol- gen en kan.
pen worden. Nu wel aen/ gy Caíns/ Torahs/ ende
lersn ate Balams zaet / vuftet-u in tegenweer / lieght /
bedrieght / ſchendet / laſtert / hatet / vezra⸗
det) ſchendet ende moordet / ſoo veel als im u
t alle Concilien / Schribenten en
die van veel hondert jaren
ís / age }
ooge Meeſter
— / beroept alle Heeren ende
zoningen / ende Groot⸗
hier geweeſt zijn
Vorſten / Uepſers / Uoni
machtigen die op aerden zi
konſt ende kloekheyt na alle
en helpt doch altemael níet / D
verwinnen ende den ſtrijdt behou
vollt ſal triumpheeren / niet met
Geweer ende Wapenen / maer ín lijdſaemh
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
fn/gebeupkst gewelt /
ubermogen / het
at Lam fal’t az
den / Godts
t uptterlijck
ent/
met Gods Heeft ende Woord / Gerufalem en
Predikanten.
ewel de Apo.17- 14»
den Tempel moet gebouwet zijn / ho
Aſoten / ende Sanabaliten dat beletten / wil⸗ is es
fen niet ban den dooden ſteenen / Die numet ——
uwe ontepne voeten worzden vertreden op alle Mar, 16.19.
ftvaten/ en hocwel hem roeren alle paogten Det
Pellen/ foo moet evenwel Babel verwoeft
zijn/ De Chien Koningen fullen haten dienſt Ap.17-2-
Dzpben/Daer tae dat fp Beroepen zijn.
Poh fuit gp uwe tongen ban fmerte bij
ten / bitterlijke fclhjzepen en Weenen / om Ba:
bels gualen willen / ende feggen: Wee de
groote Stadt / die met Sÿden / Purperen jen
Scharlaken bekleedet was ende overgult
was met goude ende eedele ſteenen / en peer⸗ Ap.1. 8,
len / ín eender uure zíjn ſodanige rjkdommen en 18 16,
berwoeft/ Want haer fonden reyken in Den
Pemel/ ende Godt denckt aen hare weeedt⸗
hendt.
Dat Enangelium Chꝛiſti ſal gehoort wor⸗
den / de logen fal ontdeckt ende uwe blinde mat; 14.
Dwaestepdt alle menfchen bekent worden. 2Corzrs.
Ende ſoo ik ende onfe lieve Bzoederen dooz
Den Doodt ſchoon afgingen/ dat Wp dat miet
en fagen/fo fal dat dan fonder twijffel tot fijne
tifo noch evenwel gefchieden / dat Gods Loep:
Yigen Geeft dao? den Weerdigen Man Joan⸗
nem fo opentlijtt belooft en geleert beeft:
@ gp hertneckige boofe aerdt / hoe lange
‘wilt ap doch wederftaen den Pepligen Geeft /
hoelange falde waerhept ban u gelaftert ende
De logen ban u gepzefen wozden: hoe lange
fullen uwe handen ende herten ban dat bloed EL. 1. 15:
der. onfchuldigen drzuppen ende nat zijn: Wer MIC3. 3e
tert u boofe leben
A&.7. s1,
) breeft uwen Bodt van herz
ten / fact baren alle uwe glofen/goedduncken
ende menfchen leere / tredet met ong ín 't opene
lt met ong met deg Heeren Woort
[op dat?et Euangelium vecht mag) gepzedilt /
en met een broom onftvaffelijcht leben beweert
werden. Gch wout qu ſulſis doen fo moghte
dat onſchuldigh bloedt onvergoten blijven / en
de waerheyt aen den dagh komen.
Maer ick forge dat ’et gaen fal gelijck De Dan.12. 20.
Prophet fept : De goddeloofen fullen een god:
deloos leven boeren ende en fullen’t níet achten)
maet De verſtandige fullen’t achten, Want dat pie mer den
is aller Secten aert / Die bupten Chꝛiſtum en zweerde
Epziftug Woogdt zijn / haren zond / Geloo: semen °°
ve en Pandel met de zweerden te beweeren. De Chritum
Boomfche/ Ariani Circumcellionere/ Lu⸗ nier.
therſche / Swingelſche en Mumſterſche zijn Chritus en
mijn getupgen/ maer Chꝛiſtus met den fijnen de —
Die lijden en verdzagen. pen,
Ist niet cen bedzoef De dwalinge / dat de
acme Veden willen Chriſtenen zijn / daer fi
fulke goddeloofe geouwelen drijven /alg rupten/
vaoben / vangen / branden / worgen / maagden,
Ec. dr den ſchijn / recht of men Dat Aijcke
Thriſt / de Heerlickheyt des Heeren / Dat
Woozt en Waerhent Gods met fulke verſchric⸗
kelijcke ſchanden moet beweeren en voorftaen.
Och neen / ellendige menſchen / neen/ alle
Die ban Chriſtus Geeft gedreven wozden / en
Kennen geen zweert / dan Des Heeren Woord / ar. 9.
haer wapenen zijn een krachtigh vperig gebed/ Ep.s. 17.
een Yankfimnigty geduldigh herte / een paft on: Heb.4-12-
beroerlijkk Gelaove/ cen levendige hope / ende
cen onbeſtraffelijk leven / alg gehoort is: Daer
mede Wil dat Euangelium Des Hijkg dat
Woord deg Daedes ungebzendt / ende tegen alle
Helſche Poorten beweert zijn.
Wiebe Leſer / nemet waer / hebt qu *
ze
baer / hande
€ Mat.:6. 18,
*
Mat.16.1$,
Ela.s 2.15.
200r.6. 17.
Ap. 18. 4
Matt.7.17.
Dit vertre-
den ende
uytfchudden
en is hier an-
ders niet,
Matt. 5. 3e
Dan van ha-
ren Gods-
dienft af -
fcheyden.
Ik meene
Paulus heeft
hier des We-
relds Prekerr
vzeeſe Gods / foo leert doch uwe Biſſchoppen /
Daopeten /Herders / ende Leergers vecht bez
ennen / en gedenkt dater gefchzeven fact :
aet unt ban haer ende fchepdet ban hact af /
ende voert niet aen Dat onrepn is / foa fult on
mijn Sonen en Dochteren zijn/fprecht de Al⸗
machtige Heere /nocheenmael : Gact upt op
Dat gp niet deelachtigh en wodt haerer ſonden /
ende niet en ontfangt Lan haren plagen / gez
denlit doch dat ons des Weeren mont alfoa gez
ſproken heeft Wacht u Loor de valſche Pro⸗
pheten / Die tot u kamen ín ſchaeps kleederen/
want inwendigh zíjn ſy grijpende Wolven / bp
hare vzuchten ſult guſe kennen. Men en kan
geen dzuve lefen ban doornen / noch geen vij⸗
gen ban den Diftelen. |
Sy zijn ’t fout dat krachteloos gewogden
is / dat nergens toe nut en is dan dat ment Weg
werpeende vertrede / gelijk de Meere ſpzeeltt.
Somma / fn zijn De gene daer ons Paulus Hoog
gewaerfchoutwt heeft/ en fepdt: Gpfult We-
ten/ dat in De laetſte Dagen ſullen grouwe⸗
lijcke tijden komen / Want daer ſullen men:
ſchen zijn / Die van hem ſelben veel ſullen hou⸗
Den / gierigh / grootſprekers hoveerdigh / la⸗
ſteraers / den ouden ongehoorſaem / ondanek-
baer / ongeeſtelijſt / ſtuer / hertneckigh / onver⸗
ſoenlijck ſchenders / onkunſch / wilt / ongoe⸗
wel befchre- digh / vezraders / wzeeckers / opgeblaſen / die
2Ti. 3. 1.
Matt.7. 15.
iTef.s. 22»
laan. io. Se
Matt.15.14.
aPet. Le Ì 7e
iCor.10. 12.
Matt.6.14.
Luc.ii.23.
Matt. 3 ze 3 Oe
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bi
meet beminnen de welluften dan Godt / die
daer hebben eenen fchijn des Godtſaligen Le:
bens / maer fijn kracht verſaken zy / ende fulke
mijdet.
Smabers gu dan met aagen fiet / ende met
handen taftet / alg dat uwe Herders en Pzedi⸗
lers / ſoodanige ieden zijn alg hier verhaelt en
aen fa veele plaetfen der Scheift geboden ende
geemaent wert / Dat Wp ong van ſodanige ful-
len afmaken haer ſchouwen mijden en vlieden /
Ec: Dacromme is't dat wp openbaer leeren /
haer vervoeriſche Pzedikatien niet te hooren /
harte Sactamenten níet te gebzupcken / ende
met haten balfchen Godtg-dienft niet gemeen
Van de Tegenfpreucken Babels. _ 43
Nengêfien wp dan doog des Weeren Genade)
uwer Peediltanten / Sendinge / Heere / en Lee
gen met foo apen oogen inſien / hoe dat fn ban
felf$ loopen / Gods Woordt vervalfchen / een
moetwilligh bleefchelijk Teen boeren / dat ar⸗
me bollt berlepden / en foo grondelijcken Lan
Der Scheift Lermaent Warden / dat wy foor
danige Pꝛedikers laten / ſchouwen / en mijden
fullen / dewijle ſy foo plat tegen Chziſtumen
Chꝛiſtus Wooꝛrdt ſtaen / begeeren Wp oockt in
Defer fake ons Verders ſtemme gehoorſaem
te zijn / gelijk allen bramen Schapen Chꝛiſti %
dat behoort / Want den gehoogfamen is Dat loan.io. 4
rijcke belooft / gelijk de Schaift fept : Niet den
genen Die Daer ſeggen: Heere eere / maer Matt.7. ar.
Die Den Wille mijns Daders doen / ſullen ín dat
Wemelrijkt komen. _ |
Ende hebben alfo na het inhout ban Godts Dat wy ons
Wooꝛd ons ban hare Leere / Sacramenten / en 11e: —
Gods-dienft afgekeert / ende betungen dat met 4.
mand en leven / met goed en bloed boor Heeren vacramenten
en Dopften / Loor Steden en Handen / u ende en-vermen-
der gantſcher Wereldt tot vermaninge / leere geicniet
en aenwijſinge / op dat gy alle te ſamen / bepde oriile *
Leeraer ende CToehoorder / recht moght opwa-mentchen …
Ken / de waerhent nadencken / boete doen / dat ten dienſte.
Nijke en De Gemeenſchap Antich ziſti verlaten /
ende in Dat Kijke ende Gemeenſchap Chꝛiſti in
treden / en alſo uwe arme ellendige zielen / upt
den nette des ongeloofs bewaren / ende eeuwigh
ſaligh werden moogt.
Want wp hebben veel liever ellende / armoe⸗
de / dzuk / honger (Dorft/hitte/koude/banden ende
dood in onſer ſterffelijken vleeſche te ljden / en
bp des Heeren Wooꝛt te bljven / dan dat wp een
rupm oan leben met ’er Wereldt ſullen boeren /
ende fouden om een foa vergankelijk kopt leven
onfeatme nacchte Zielen ín ’t verderen bren⸗
gen. | | ze
Wp achten Dat met den Hepligen Petro / Act.5.zoe
dat et nutter zp Godt te hooren dan de men:
ſchen / ende met de liebe kupfche Sufanna te *
vallen ín de handen det menſchen / dan te val⸗ Dan.r3. 23.
len ín de handen Gods. Alle díe den PEERKE
te zijn. {
Bengt lieve / Wat Godſaligheydt kan doch vzeeſen mogen Leſen en Hechten.
gadl van Aſſyrien / Egnpten/ en Babilonien
halen : |
k Woe kan dert rechten Godts-dienft bp dert
Priefteren Baals bevonden wopden:
Poe meught gp Lan den ongeleerden in God⸗
delijke faker tot ’er gerechtighent vecht geleert
worden. saar —
Poe kont an doch Chꝛiſto van Antichziſto /
Ee Gods Waozdt van den balfchen Propheten
ceren.
Poe kont gp ban den berbloechten Gebe⸗
nedijt /en dan den blinden vecht gelent worden.
Poe wilt gp water upt dzooge FFontepnen
(ebevpen / en vachten ban dorre boomen pluc⸗
ien. on ade
Poe kont op deelachtigh zijn/bepde des Hee⸗
ven Tafel en der Dupvelen Tafel. |
Poekont gp te gelijk drincken den Kelk des
Weeren / en den Welk dec Dunbelen / in de Bez
meenfchap Cheiſti zijn en in De Gemeenfchap
Antichziftí. — sene
Gy en might geen twee Beeren (Die con⸗
trarie den anderen zijn) te gelijckt Dienen / qu
moet den eenen lief hebben / en den anderen ha:
ten / den eenen aenhangen en den anderen ber”
laten. Gn moet met Chzífta zijn /of tegen hem /
met hem vergaderen / of tegen hem verſtropen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
bliotheek, Den Haag.
Hier volgen de Tegen-
fpreucken Babels.
HS: Wel / redelijcke Leeſers / wy hiet eert
klaer ende goed onderfchept tuſſchen de
rechte Predikers / enden valſchen Pzedikers
aengewefen hebben ende Waerom Wp den
balfchen niet hooren en mogen / alfoodat ick
hope / Dat de Godvruchtigen / die des Heeren
oordt voor recht bekennen / den grond en
waerhept met vollen handen grijpen mogen /
foo bint men dan noch onder den felven Pre⸗
lers / Die een pact wel bekennen / dat haet
fake nader Schrift niet beffaen en kan / even:
wel dewijle fp upt Godt niet geboorten zijn /
Godt niet breefen / Werelt / Buyck ende dat
onbeloorlijcke gewin foecken / hebben fn foms
mige fpzeucken upt der Schaft gebroken daer.
mede fn de eenvoudige ſimpele herten / ende
Die boor dat krunce Chizſti een. verſchricken
hebben / wijs maecken / Dat men hare Meere
wel 5 ende Kercken⸗ dienſt wel genieten
magh / opdat fp bp dat forgeloofe leben blijz
| ben/ en goede Dagen hebben imrgen geben boog
p e
*— —
4 Van de Tegenſpreucken Babels.
Maazen. ten eerſten Dat Chriſtus ſpreekt: Op Woſes
falke Pre njſioel ſitten de Scheift geieerden ende Phari⸗
dikershen zeen / alle wat ſy u ſeggen dat gp ſult houden
felventot dat houdt ende doet / maer na hare wercken
Cà en fult go miet daen. Piece uut beflupten. fj
leerden. dat gelijk alsde Schzift geleerden ende Pha:
Matt 16.6. rigeen fitten op Moſes Stoel / ende hoewel
Martis. fmmigefuerdeegh onder den foeren deegh ver:
ue. i2.n. endden / daer boog De Heere zijn Dífcipulen
waerſchouwde / evenwel fepden : Ale Wat fj
u ſeggen / dat gy ſult gouden / Dat houdt ende
doet / Dat ſy oocſt nu alſoo fitten op Chriſtus
Stoel/hoe wel haer leere ende handel niet alte⸗
famen oprecht en ſunver en is / dat menfe even:
twel hooten fal wat fp ín Gods leere nakomen /
maer níet na haet Werken Doen.
Pier op antwoorde ick ten eerſten / en bra⸗
ge: Of ſp dan met den Schzeift geleerden en
hacizeen willen cons zijn of niet: fpreken ip
| hl foo moeten fp felve Nechters zijn/ dat fa
Luca346, mede · genooten der gener zijn Die Chriſtum gez
loan.is.tt Heut / Stephamun geſteenight / de Apoſte⸗
A&738 jen gegeeffelt /den Pepligen vervolght hebben /
ende die met Dat eeuwige Wee foa menighmael
gedzepght zijn / foo mogen ſy ook als dan boog
den eere en fijnen gevichte Wel met recht ver:
ſchricken en vzeeſen: Maer ſpreken fp ween /
ſoo en konnen ſy met deſe ſpreulie niet bewijſen.
Cen anderen ſegge ick: Soo fp deſe ſpreuc⸗
ke willen iwoereñ quaſi argumentum à umili,
dat fp moeten aenmerken /. alg dat dat heet op
Moſes Stoel fitten / / Moſes Wet met fijne
Ceremonien vecht predilkten ende plegen : Dit
Wat hetzy felipe hebbende Bcijsife-geleerden en Phari⸗
op Moree zeen alfao gedaen / fa hebben de Wet met her
Mattis3. Le Ceremonien ongebrolten gelaten/ eu daer
fn níet verandert hoewel fp ſommige ſuper⸗
fiitien daer bp gebrunckten / gelijk men fien
magh: want hadden fa dat berandert ſoo en
hadden Mm op Moſes Stoel niet gefeten.
Watherzy Gelijk dan De Dchaife-geleerden ende Pha
op Chritus rizeen ſaten op Moſes Stoel) alſo moeten ook
Stoel fisven- Defe nu bewijſen / dat fn op Cheiſtus Stoel
fitten /(Hac is) fin moeten bewijſen dat fp Chri⸗
ſtus Euangelium/ Doop / achtmael/ Af⸗
ſnhdinge / en alles vecht prediken ende gebaupe:
Ken/of Dat argumentum àfimili, en kan níet
geftaen. Maer wanneer fulks geſchiedt / als
Dan moghtmen de Schgift vaed-ozagen Wat fn
neffeng fommige menfchelijckt toefettinge
ijden ende dragen konde. Doch ick weet wel
datſe niet te vinden en zijn.
Cen derden /fegae ick: Nademael de Schaift-
—— en Pharizeen op Moſes Stoelſaten /
eWet díe op Theiſtum wijsde / met de Wet⸗
telijcke Ceremonien leerden / ende gebzupliten
als voor verhaelt / heeft Cheiſtus den vollie en
ſijnen ap op dier tijd nach tat haer aen:
geweren / Want de Wet en Was noch níet bol
eqmd / dat volkomen Offer / Dat alle figuerlic⸗
ke Offeren foude af Doen / en Was nach níet
/\mijdet allen boofen fchijn /
Gelijck dat dan nu een nieuw wefen in
Cheiſto en Door Chriſtum gewozden is / ende
Moͤſes Dolk tot den Pzedikkerg van Cheiſto
oooz ſjnen doodt hier geweten 3ijn/ die fijn
Weten Ceremonien vecht leerden/ ende OP
fijnen Stoel ſaten / alfoo werden op nu ín dat
Nicuwe Ceſtament na den doodt Chzifti tot
den Predikerg gewefen/ Die op Chriſtus ſtoel 2713: te
fitten / fijn Woozd onbeftraffelijkt teeven / ende “*”
fijn Sacramenten foo gebzuncken / alg De
Dchrifcieert.
jaer boor Die Die EC hziftus Woordt Verbal:
fchen/ fijme Sacramenten misbruncken / dat
Polk verlenden / een Wilt roeckeldos leven voe⸗
ren / waerſchouwt ons de Schzift allet wegen/
dat wnfe ſullen vlieden wijden / en van haer Au.
afſchenden / in onfe hupſen niet ontfangen / Rom.15.16,
io fp —— gr fitten / niet Op :Ti6. zo.
beiftus ſtoel / als gehoogt 19.
Een anderen) geven fpuoor/ dat Paulug zTefl sx.
fept : Den Geeft en bluſt niet unt / de Pzophe⸗
tien en verachtet níet / proeft alle Dinge / en Dat
goede behoud /mijdet allen bofen fchijn:
Antwoorde ick / ban wat deeft en Pzophe⸗ zcor.4.1.
tien Paulus dit geſproken heeft werdt na mijn
bedincken / Han hem ſelben Wel verklaert:
want foo hier des %poftels mepringe fo ware)
afs dat wp ons tot openbare Derboerders Mm
openbare Afgoden-dienften en hupfen maken
ſuͤſlen / om aldaer haren Geeft ende Leere te bez
pꝛoeven / daer Wy doch fo klaerlijcken weten /
vat fp Des Heeren WDoozd ende Sacramenten
vervalſchen / niet dan vleeſch en bupk ſoecken /
ende dat ſu foo bere bupten Chriſtus Geeft en
Woozd zijn / foo hadde Paulus in hem felben
twiſtigh geweeſt: Want hu fepdt / dat wy ons
ban ſod anige ſullen affchepden / mijden en blie⸗
den / gelijk gehoort is.
Ochneen / Paulus heeft dit banden Bun⸗
ten-pzedikierg niet geſproken / gelijk de Schrift.
eik ende Phartzeen Waten/ noch van de
fgadifche-papen im Egppten ende Babplo⸗
nien /@&c. (derſtaget wel wat ick mepne)maet
heeft Dat ban den Pzopheten / Herders ende
eeraers binnen Der gemmepnten geſprolien /
dat men haten Geeſt niet fal umebtifeben /
haer leere proche /dat goede behouden / ende Kem. i23.
foo ſy pets wat voorgaben dat der Schriften
Geloobe niet gelchfonniah ware / mijden :
want foo pemandt propbetie heeft / die moet
den geloove gelijkt zijn / ende Dit is't ſelf de
dat Johannes ſijn Pifcipulen bermaent ende
fpreekit: Alderliefſte on geloovet niet eenen
egelijcken Geeſt / maer bepzoevet de geeſten t Taams.
of ſy ban Godt zijn. Ook 7 deſe ſpreulie /
wel als een ſon⸗
derlinge ſpreucke voo? hem verſtaen wozden /
* den boorgendemden niet behoorigh
enis.
Mijn goede Leeſers ap hebben uwe Pze⸗
Dikkers in haven eeft ende Teere foo wel *
—
aeofrert / de gozdhne Des Tempeis noch niet, proeft / dat tap met goeder Conſcienticn wel
gefcheurt / en die Weelden en ſchaduwen / en
Waren ín dat nieuwe Blijvende wefen noch niet
foan.r9.3: _gevandert. Waer doen ’t nu alle na der Scheift
»Cons-6 ag iptgeticht / ende in Chriſto nieuw gewor:
den / heeft hp niet den Schzift-geleerden ende
Pharizeen Met Moſes leete / maer fijne Diſri⸗
‘pulen met fijne leeve migeſchint ende gefeodt :
Marzs.1. Gaet in de gantfche Dereld / ende pzedickt dat
Mata8ig, Suangelium allen Creatueren / en leertſe on⸗
derhoũden al Wat ick u beholen hebbe.
2
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Daten ſeggen / dat fa niet wat Bodten Gods |
Wood / maer upt Den put Des afgronds dza⸗ Apo. 132:
fie en beeft zijn. Seqt liebe Hefer / hoe falmen “9
Dock Die boo? Leeraers bekennen / Die ſo moet”
willighlicken tegcn Gods Woord fieijden/Wat acor.s.r4-
gentepnfchap heeft doch Dat licht met ’er dup⸗
ſterniſſen / en Wat eenighept heeft Chriſtus met
Belial : het is ten meeftendeel enkel vervoerin⸗
e ende A aeg wat fp leeren en hande⸗
len. Mijn lefer berkeeort my Dit woozdeken bead
an
Van de Tegenfpreucken Babels. 45
want dat ick De waerhept ſchrijve / magh ickt leugenfpreeker is / die De leugen ſijn epgentlijke Een Duyvels |
met haer engen Keere / Barramenten en Le⸗ gert / natuere / wjſe en Werelt is gelijk De eere geet kan |
ben boog De gantſche Wereld betupgen. ſpzeelit / hoe kan hn dan Gods Woord / dat de nier preaie |
DPederdeve- ¶ Cen derden feqgen fin/ waerom datmen Haer waerhent is / en Dat fijn leugenachtige aert on ken,
genfprenke. níet hooren wil/ Daer Doch de Wijfen upt den | natuere ſoo plat tegen is / wat vechte meeninge Hin
rsi @Ooften Herodem wel gehoort hebben. pemand leeren en acntwijfen. Hij
hen fommi- _ 2ntwoogd : deſe — dunckt mp ſoo Ende ſo hy ſchoon de waerbhent recht ſprack / |
| gegeleerden kinds te zijn / Dat fn in geender manteren ant en Chriftus fijnen prijs gave / ſoo Doet he dat |
| ee tot He: woord weerdigh en is. Want Herodes anders doch unt balfcher herte / Want hu is cen Dupe |
| rodianen· ¶ niet gedaen heeft dan Dat ha daor ondezrichtin⸗ | bel / en de waerbept en is níet ín hem.
ge der Schaift-geleerde / den Wijfen de Stadt | Hn bekende Chriſtum naden inhoudt fijner Des Duyvels —4—
beteeckende daer Der Goden liominck ſoude Woorden vecht / doen hp fepde: By zijt Chri⸗ bekentenis » if
fius de WHeplige Gods / qu zijt Ehiftus de en iehijn
Sone Gods: evenwel en Woude Chriſtus fijn recht , bevict
belftenteniffe níet) ſtrafte hem / ende fpzachs ; den Heere
Zwijght / ende vaert upt ban hem. Want fijn BENE
—— geſchiede unt dupvelfcher herten / ni
als gefent ís,
Een tweeden ſegge ick : Soo pemandt deg
Dunvels ſtemme hooren Wil / Die en Deef niet
bere loopen / ha bindfe (eplacen) inallen
plaetfen wel / alle wie leugen ſpzeeckt / Díe Loar-3.44-
ſpreeckt upt den Dupbel. An den beginne Gen3.4.
ſprack ha Door de Slange / in Ffraël doog Res22.23-
de balfche Propheten ende nu daor den
mondt fijnder Peediltanten / op Dat Gp de
Wereldt bedziege ende ban de rechte waer:
ept afkeeve / Datfe nimmermeer faligh en
Werden.
Nengeften hp / (fegge íclt /) dan ſoo eert leu⸗ Toan.8.44-
gen Geeft/ Wederpartpe Gods / bervalfcher PEI,
Der Schzift/ ende maopder der Zielen/ van °®
den —— af geweeſt is / noch is / ende eeu⸗
wigh blijven ſal / die niet goets leeren noch
dzagen en kan / dewijle van natuere onrenn /
|
leugenachtigh ende valfch ís / ende alles goets
geboorten zijn / ende dat noch upt bloetgieriger
herten / gelijk de navolgende Daed mede brengt.
Pu fchichte haer na Bethlehem / ende fipzack :
Herodes ge- Gaet henen en verneemt neer ftelijkt na Dat kin⸗
—— dekker / ende wanneer gy Dat gebonden hebt foo
— (rab mj ee weder / op Dat ick oack kome ende
Herodes vreesde / als hp hoorde dat den Hoz
den een epgen Koninck geboorten Was / dat hp
mogelijck fijn rijck ende heerlijckhent berliefen
moght / forach bp unt enckel gebepnfthent
ende liſtigheyt met den WDijfen/ als die na des
Kinds dood begeerigh was / op dat hp ſulcks in
tijds moghte boorkomen. Want als hn ſagh
dat hem fijn hupcheterpe faljeerde / is hy feet
toornigh geworden / ende bewees fijn tprannig
Hetodesty- Godloos gemoet / bp verworghde alle de on:
rannye ende fchuldige twetjarige Kinderen / ende daer bene:
bloet- moor den die tot Beihlehem en Daer onttent waren /
| j Matt2,3. do dat ho oock Den gebooren Koninck vinden
moght / gelijken mercken en fien magh.
Och mijn goede Leeſer / hoe vecht beroepen
fp haet op defen gebepngden / leugenachtigen/
eergierigen ende tprannifchen Herodem want
fin doch ten meeftendeel al van gelijckter geeft | ppandt is / willen wu onfe ooren doo? deg
ende aect zijn / het is haer ſoo hercelijk leet Dat Heeren genade Loo? fulche lafterlijcke ceden
Ehꝛiſtus weder Doo? fijn Woord gebaoren is / |toeflunten / den Dupbel met allen Heugen-
fis boeven een gebepngden ſchijn met Herodes / predikers, na inhoudt ban Godts Woordt /
jaliegen/ ende fegaen/ hoe ſy't ban herten onſen rugge toe keeren ende met trouwer eenft
meenen / ende oackt recht boor hebben ; maer fp | beblijtigen / dat de gantfche Schrift op Chei⸗ |
reefen voor haer fchandelijck gewin/ ryck en | ſtum wijſt / om hem te hooren / Chriſtus op — — se
Yup lesen / ſo Chriſtus ín dat regiment qůame / [fijne Difcipulen/ ende de Difcipulen op ſoo⸗ Mátcs
gelijck Herodes breesde dat hp fijn rijck verlie⸗ danige Leeraers / die in leere ende leben on: matr.19.14.
fen ſoude / ende ffaen nadat beeder ben Der bzas ſtraffelijck zijn / gelijck hier verhaelt is. De tTim3.1.
men / gelijcht Herodes nae den bloede Chriſti bacmbertige / —— toil alle vroome it. io.
Dede / alg geljaozt is. heeten voor Dit Herodiſche Geflachte / en voor
Pademael fin dan faa openbare gebepnsde Des Dupbelg Peedikers eeuwigh bewaren,
leugenaers en aerds · geſinde zijn / die oock Wel | Amen. |
een pact op bloet loeren / algmen aen ommige | Cen vijfden / feggen oock noch ſommige / Pe vijfde tés
plaetfen fien maah. Hierom foo willen wp ook | alg Bat dat vptwendigh gehoor wel vin ffaet / S*Preuke.
ín Deft faelse den Wijſen tat cen boogbeeldt nez | Wanneer Wap ons van haer niet vervoeren en
Mattz.az. men / díe daor een Hemelſſe in· ſpraeſt beemaent) | laten,
niet weder: tot Herodem en quamen /ende door, Antwoode ick / dat de Leeſer / ten eerſten / Gods volck
Gody genade des Weeren in-fpzacls/ raet / eere | wel moet aenmerken / hoe dat Gods Voick / al spe
en beermaninge trouwelijk waet nemen en ons (ban Abzahams tijden af / een afgefondert aert volck
tot díe keeren / Die ons Chziſtus in der kracht | Volck geweeſt is / ende befonder van Moſes geweett.
aenwijfen / en na den Geeft ín der waerhept |aen fijn engen befondere Predikiers Weete/
vecht leeren en voordzagen. Ceremonien / Ordeninge ende Gods-dienft /
pe vierde en bierden/feggen oock ſonnmige: of oolt al | tat noch toe gehadt heeft gelijckmen in allen
— ſchoon de BDunvel Gods woord peedichit/waer: plaetſen dao? den geheelen Moſen leeſen ende pe valſehe
preuke. __omidatmen hem dan niet hooren en ſoude. fien kan. Propheten HEE BN
Deſe onmutte lafter-monden wil ick ten eet-{ Ten tweeden / dat Iſrakl van Godt bebolen moetten KE
fen fa antwoorden /Dat 't wel goet waer /Dat fr |Wwag/ foo Wanneer cen balg Propheet onder een: Hij
en
’s Oumbels geeft/arct en natuere ban Ebziftug | haer opftande / foa yn aact fljaan teekenen en en 5.5.
Beef) cen Patuere vecht leerden ban Den | Wonderen dede / dat hu ſterven ſoude. uint en
anderen ſchenden / eer ſy ſulcke ongefouten lee-| Cen derden / Dat Iſraẽl geen Meere nach heet fijner HN
lijkse —** den armen volcke voorgaben. Gods · dienſt van eenige vreemde natien / die reder) HE
oan8ss De Dupbel is ban den beginme een leugen | om haer lagen / moeſte leeten of halen) maer Heydenea if
* eeft geweeft/ hu fal dat oock ongetwijffelt hem vaſt aen De Wet ende fijn getumgeniffen mezen
blijver eeuwwelijckt. Nademael he dan ſoo cen | Gouden moeften. —* — ——
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Achab / Manaſſes / ende ſulcke meer / Die haer
Gods genade Dienft beminnen / ende der valſcher Prꝛopheten
ende trouwe geel werden / die dat Polck van den Heere ende
over de fijne: fijn Wet af keerden / dat Daer tegen de trouwe
gewaer- Pzopheten / Cfatas / Jeremias / Ec. genaz
Íchouwt dat Dighlijck Lan Godt berweckt werden / die De
pl wrd ed ongehoorſaeme afgodifche Koningen ende val
(prekers niet frhe Propheten upt deg heeren mondt beſtraf⸗
loeien. ten) dat gemeene Dolclt trouwelijk voor haer
Elai.as.16. waerſchouwden / ende fepden : En hoozt niet
de waopden der Pzopheten die u Pzedilien ofte
Propteteeren / fp bedziegen u / fin Pꝛediken
haer ’S herten goetduncken / en niet upt den
mond deg Heeren. Welcke Propheten oock op
Chꝛiſtum / op fijn Rijſt en Negiment heerlijken
gewefen hebben.
Chriftus Cen vijfden/ dat Chriſtus oock in fijn Nijck /
heef: fijn ey gsemeente of ercke / gelijck alg Moſes ín fijn
gen Leeren agechte fijn engen Prediuers Heere / Geremo:
Marci 18. 15. mien ende @zdeningen beftelt heeft, Daer bp
Matt.16.14. Dat alle waerachtige Chziftenen leen en eeu-
wigh blijven moeten.
Wen feften/ Datong de Heplige Apoftelen
over al leeren / caden/ ende vermanen / dat
om 1616 top ong (nde deere ende Godtg-dienft/ ban
2 allen den genen ſullen af-fchepden/ gedoopt
Tiezie. of ongedoopt/die met Chriſtus Geeft) Heere /
2Ioan.-ro: Oydeninge ende Voozbeeldt niet en ſtenunen
ende een zijn. |
Ten ſebenden / Dat de geheele Wereldt /
met haten Geeſt/ eere) Sactamenten,
Sods dienſt ende Leven / van Chriſtus Geeft)
Woordt / Sacramenten / Godtg-dienft ende
Pooꝛ beeldt / bezre verſchepden zijn / en epla⸗
cen) niet dan een nieuw Sodoma / Egoptus
ende Babel zijn.
Een achtften/ Dat alle die die Godts
Chriftenen Boo?d beltennen ende fijns Geeſts deelachtigh
dazyin / daer toe beroepen zijn / dat fp alg een licht
lichten zijn. imt Der dunſterniſſe ſchjnen / ende boo? de Wez
Matt.se14e reld recht lichten ſullen / dat fp dat goddeloofe
Matt. 15.14:
Joan.1o.s.
Rom.16.16.
Apoc.11. 8.
en 17.2
Alle ware
Philag: _ vwefen met mondt werck / leben ende DOODE
seerag. beſtraffen / deg Heeren Lepligen Naem /
Wood ende Wille bekkenmen/ ende met LEN
broom onbeſtraffelijck leven nae De Schrift bez
weeren fullen.
Cen negenden/ Dat ’t beter ig aen een Mo⸗
fenfteen gebonden te zijn / en in de Zee gewor⸗
pen te worden / dan een van den allerkleenſten
te verergeren / die aen Chziſtum gelooben.
Cen tienden / Datmen Wel bedencke /
Matt.15.6. . waexomne of upt wat oozfaeckie men ſulcke
de waerhept bp de leugen / ende dat leben bp
Chaiftug Geeft/ ALeere /
Permacninge/ Gemeente ende
Merckt wat acht Jaintich
vracht uyt afgodecpen / vc en gemeente ſterent / heu
hoorden De wereld ín Den quaden fchijn gelijk ſtelt / met
— de wereid hunchelt / meenigh Godveuc htigh
olght.
sThefsat.
3 Timozrg, men aenvicht / ende Dat onſchuldigh blaed ber:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
epgen gerechtigteden ende afgoderpen/ meer fen / ende Def
alg deg Weeren Woozdt ende vechten Godts- ffen aengewefn/ met deg Heeren Geeft ende
| Wooꝛd vecht oozdeelt / Die fal over Defen grondt
Den dooden / maer wilmen Van haer niet | upt fijn geloove leeft /
zijn) doch foo boor een bapbept gebzuycken / goede vruchten
gelijck fp dat noemen / foo moeten beliennen / gewis / dat een ootmoedige nederige Ziele r per z.2.
Dat futck een hooren geen hooren / maer pdel- | nimmermeer met Goudt / Peerlen / of kofte- —
Bent ende gebeynſtheyt zy/ daer mede men tijckte hleederen veel proncken of pzalen fal/ of ek
Kind bedroeft / en ergert / twiſt onder Denb2oz
46 Van de Tegenfpreucken Babels-
Cen bierden / doei nu ſommige goddeloart geefgacht/ dat om die faekken Wille acn veel
Honingen opguamen / gelijck Jeroboam / | plactfen vergoten wert. 4
Diet mijn Leeſers / alle Die Den Heere baco: De fefte e-
e tien articulen hier met den hort⸗ sen-toreukes
miet houden / n aer fal deg Hepligen Geefls
raet eu vermaeninge wel trouwelijcken waer⸗
nemen / Be wereld met eere ende werck be⸗
ſiraffen / den be ofen ſchijn mijden/ en onſtraffe⸗
lijkt tn des Weeren hups wandelen. |
Maer too bere Den valſchen Gods⸗ dienſt
aengaet / trooſten hen De lichtveerdige onder
malkanderen / ende feggen foo : Men magk Alle sod-
fijn Winderen wel Doopen laten/ Want het mph
kind ig reyn / het water is vepn / waſſchen ende * Heeren
baden is repu/ Ec. Oock maghmen Der Pze⸗ Woordt
Dikkanten HRachtmaei wel genieten / Want hoe Vs:
el dat Mm Afgoden hupſen gefchict/ ſoo dee
hebben nu doch de Cheiſtenen geenen Afgodt
meer / eeten °t aaclt niet / dan voor Brood ende
Wijn / die doch den reynen reyn zijn/ want den
vennen (fent Paulus) zijn allen Dingen reyn —
wijfen op Naman den Hooftman des Konintis
ín Sprien / ende op Dat hups Rimmon / ende
feggen foa/ wy en achten der Papen Afgode⸗
vpe níet / maer wp bidden díe aen die Hemelen
Aerde gemaeckt heeft / Ec.
Antwoorde íclt: Kanmen ons maer cen De recht gez
keachtige fpgeucke upt de gantfche Schaift hiet P9S50 20
boor brengen / dat onrennighent / ſonde / ber⸗ 1oan.13.
valfchinge der Ordinantien Gods / afgoderne/
ongehoorſaemheyt des Woords / ende huge
chelrne den repnen / Dat sijn De waerachtige
geloovige / ergens reyn ende ban geſtaen hadde /
foomoghtmen doch een weypnigh nadencken /
maer nu weet ick waerachtigh / dat dat niet
gefchieden en kan.
Och mijn lieve Keefer/hadden de lieve mans
nen Gods de Schift alfo beeft aen / gelijck deſe
arme lieden Doen / geenſins en hadden de drie Pan.s-18-
jonge Belden hen ín den Oven laten werpen / enen
de oude eerlijche Gleazarug/deodtuzeefende
deughtfaeme Moeder met hare ſeven Sonen /
de Peplige Peopheten / Apoftelen ende vzꝛoome
getupgen Gods hadden haer leven wel geveijt/
de waere martelifatie ende pijne ontgaen/ en
gefent: Den vepnen zijn alte Dingen repn / liebe 1 Cor.6.17.
Heeren wy willen ’t geevne doen.
Oetyneen / mijn goede Leeſer / neen: Dat ——
onvepne en til van den vepmen niet geroert goor is —
zin: Boert met aen / fpgeekt Gods Geeft Dang al wat van É
Eſaiam ende Paulum / dat ontenu is / Dat ig / Bodt ver-
| pat ban de Schyift verboden is. Wat baet dat/ verse
Dat hem pemandt ban den dooden laet repni⸗ :
gen / wanneer hp den dooden weder aentoett :
2 Reg.5.17.
Predikanten hoozt / want foo men Laet hoort Fs’t niet enckel dwaeshendt datmen fijn kleet
om van * geleert te werden / ſoo foecktmen | wafcht! en dat weder in den Drecht tredet⸗
De Schꝛift leert openbacr) dat De gevechtige Abar.4.
ende ecn goede boom Ber-1.17-
moet / ich weet wel E31”:
dzagen eb to 38.
oo de mat
GOꝛdeninge / Naet / dat de gene Die Godt vreeſt / eerlijck / kunſch is, artoo is
Yevche ver⸗ ende nuchteren is / beel met eerloofe Wijven oock het
ziſtus berboeringen Jgrouwelen / | Deincken / fpreclten / fingen ende danſſen ſal / gebaer.
want de bekentenis / vreeſe ende liefde Godts
ende fijng Woords weeren hem / ende Wanneer
hp ſullis dede / moeſtmen bekennen dat fijn licht _
dimſterniſſe / ende fijnen wandel dat Woordt
níet gelijckmaetigh en ware. Alſoo en en >
het
het oock niet / Dat de gene Die her des Woods
roemen Willen / dec Predikanten Dervoetin-
ge/ Nfgoderpe en Grouwelen met de Schzift
beſtraffen Willen/ Dat fp met Baer Heere /
Mattase Sactamenten ende balfchen Godts-dienft
om nst geemengen fullen/ want feggen ſonder doen
en ſticht niet / en hebt geen gemmeenfchap met
Ephefsstn. De onbeuchtbare wercken der dupſtermiſſen/
maet fivaftfe veel meer. —
't IAs waer / den cepnen zijn alle dingen
z2 2 repn/ Verftaet ’t Die niet tegen Gods Geeft en
* Woorden zijn / Want niemandt en wort verm
in de Scheift genoemt / Dandie hem nae Des
Heeren Geeft en Woord ſchickt: alle Die een
met het Woord zijn / Die zjn alle toegelaten
reyne dingen reyn / Eten / Drincken / Kleedin⸗
ge/ Hups / Hof / Landen/ Gout / Silver /
Pzouwe / kinderen / Goet / Viſch / Pleeſch /
Walken / Slapen /Spzelien/ Zwijgen / ende
al wat ons Godt tot nootdzuft geſchapen ende
gefchickt heeft / Want dewijle fp reyn zijn / foo
gebrimcken fp oock alle toegelatene ende vepne
Pe reyne ge- Dingen reyn / te weten / in Gods vreeſe / noodt⸗
erdee wendigh / met danckſegginge en mate) tot prijs
ende vrye DES Weeren / en Dienfte deg nacften / Daer toe ſn
dingen reyn. Van odt gefchapen / ende den menſchen in ’t
gebzunck gegeven zijn. —
Maer al wat van Godt verboden is / gelijck
als hunchelen / hem met De oubruchtbare Wer:
ken te bermengen/ hem de Wereld gelijck te
Xom.i2.2. ſtellen / ín overvloet / prael ende afgodifch gez
laet te wandelen / is den vennen / dat ís Den gez
loovigen en gehoorſaemen Chꝛiſti / alle dingen
onreyn / en mogen oock in eeuwigheyt nae
Gods wille ban den reynen nimmermeer cepn
gebrunckt worden / Want Gods Geeft ende
Wooꝛd beletten t haet.
Adam wag alle krunt / Bucht en Gewas
Der Werden van Godt vap gelaten / dat hp hem
Daer van geneeten foude/ uptgenomen ban Den
Boom des belkenteniffe / goets en des quaets /
foo hp daer van ate / ſoude hp den dood ſterven.
Gena.16. Alle vruchten en creatueren warten door Gods
Den reynen toelatinge den reynen dam reyn / maer den
Adam was genen Boom was hem doopt Derbont Gods
den Boom Ontern/ hu heeft 'er Van gegeten / ende is
onreyn. * ſijnen gantfchen Zade ín Den dood gez
vallen.
Ende gelijck nu alte Dingen den tepnen vern
Wat ons
Gen. 3.6
zijn oock wederom den ontepnen alle dingen
oncern / en ſtrecken den quaden tot quaet /
want dewijle ſy ouvepn zijn / ſoo gebruncken
Van de Tegenfpreucken Babels. 47
en hebbet geen gemeenſchap met de onvbzucht⸗
bare wercken der dupſterniſſen: wijde allen » Tet.5.22
boofen fchíjn/ Ec, Soa waer aoclt de ergerniſſe
Des krupces al ge-epndtabt,/ neen / neen / eenn
vecht waerachtigh Ehaiften behoort bepde ban
binnen en ban bupten vroom te zijn / Godt te
prijſen / bepde ín lichaem enn geeft.
Aaron / cen hooge Prieſter ban Godt beroe⸗ Erle.
pen / een voorbeeldt des Weeren Cheiſti / lS bp ; core.zo.
vanden volcke gedrongen Wert/ Dat hy haer Aarons
Goden maken foude/ die haer voorgingen/ig hjp zwackheyt-
Doo? zwackhent fijns bleefchs gedzongen/ dat
Gu den Afgoden Dienaren verhoore / ende dat
aulden Valf maeckte: Aaron en heeft Dat met Aaron wifte
fijner heeten niet gedient / want ha wifte wel WLS Se
Dat ’t níet de Godt en was / diefe daor de voode En was.
zee geboert hadde / maer een gemaeckt rear
tuer ban Goude was : het is cventwel den goe⸗
den Waren foo gereekkent dat Moſes fpzack :
Wat heeft u dit Volck gedaen / Dat gn een ſoo
grooten fande ober haet gebzaght hebt / jade rxod.z2.r.
Peere Woude hem uptgeroent hebben (oa Mo⸗ Deur.6 20.
fes voor hem níet gebeden en hadde.
Felt woude Wel / dat doch alle Secte-maes
kers / ende dwaelende Geeſten / Die haer
keups-bluchtighent/ luphent / aertſche gemoet /
ende huchelerne / altoos met eenen goeden
ſchijn onder Gods Woord bekleeden / deſe ge⸗
ſchiedeniſſe van Aaron recht Wouden na denc⸗ Sen 3.4.
lien / ick ſoude verhopen / dat fn haer naeckt⸗
hept ende ſchande / niet meer foo met Dijgen- Gen.3.7.
blaederen bekleeden / maer den waerachtigen
Pels-vock/ Chziſtiuum / van Godt berepdt / aenz
trecken fouden / want fp met deſen haren god⸗
delaofen handel / die ſy een Vephent noemen /
den armen roeckelooſen Dolcke in haer anger vreefe der
loove ende afgoderpe traaften ende ſtercken / valfcher vry-
den vzoomen tot ín den doodt bedrodeven/ ende ber: ·
de arme Wanckelmoedige Zielen verzwacken
ende ergeren / Daer ban geſchzeeven ffact :
Wie eenen Lan deſe kleenfte ergert Die aen Matt.18.6.
mp gelooft / Dien Waer’ beter dat ecnen
Molen-fteen aen fijn Wals gehangen Waer /
ende worde verdzoncken in De Diepte Der
cc.
Maer welcker der Chriſtenen behept zp / Rom. 14-16.
ende hoemenſe nae Gods Wille gebzupeken fal/ 1587"
wert wel berklaert. en 10,21.
Seght an beminde / hoe kanmen dat dochs
zijn / ende den goeden ten beften Dienen / alſoo in de Thziſtelijcke vaphept beflupten / dat foa
openbaerlijck tegen foo veele Klare fprenciten
| dev Hepliger Schrift gefchiet / tegen de bzoe⸗
derlijcke liefde ende oock gemeene liefde / ende
fp oockt alle creatueren Gods onxenn / haer eten | tegen dat heerlijchte voorbeeldt/ foo veeler vzoo⸗
ende dzincken geſchiet in obervloedighent/ haer { me Wenligen / als gefent is.
Kleedinge ende ſchoenen / in hooveerdighent /
Gch waren fp ban herten reyn / Die ſulcke
act brouwen gebzuncken fp in gulſighent / looſe gronden invoeren / ende niet boven Chie
bate Ninderen voeden ſy op in pdelhent / haer ſtum ende fijn Woordt def hadden / hoe haeſt
Sout/ Silver / Pupfen en Goeden befitten fin | ſouden fn bekennen dat haer beweeringe tegen
ín gierighent / daer en is gantſch niet Dat fn reyñ
na Godg wille gebeupelen / want ſy zijn on-
reym / bleefchelijk/ den Woogde ongehoorſaem /
en op aertfche dingen gefint / als de Schzrift
Tit.1.1Se
De fevende
fpreucke.
Pooꝛder foo í$ dat oock eenen groutwelijken |
tegen Yafter en fchhandelijke vervoeringe / Dat de ſom⸗ moetmen deſe volgende ſpreucken neerftelijch ezen:
mige voorgeben en ſeggen: De uptwendige af:
Godts Geeft ende Woordt ware/ maer nu
vreeſe ick dat ſn de gene zijn daer van geſchree⸗
ben ſtaet: Daer ís een aect / Die hen laet Dum: pro.zo.r2.
ken dat ſy reyn zijn / ende en zijn evenwel Lan
haren dzeck niet gewaſſchen.
Maer ſoo verre Namans handel aengact De achtte
ke,
aemmeeekten. Ceneerften/ dat aman geen Bamar aye
goderpe en Kan níet beſmetten Wanneer fn | Gode noch Foden-genote / maer cen Atlan” syzien.
mee Der Gerten niet ge-eert en Wordt. Tijn der was die onderde Leere / Ceremonien /
goede LTeeſer / Wanneer ſulclis waer was / ſoo Ozdeninge ende Gerechtigheden Iſrakls
waren ſulcke ſprꝛeucken al te vergeef gefipza- [niet begrepen en was. Want hoewelhn niet
„Ger.ror4 Hen / te Weten / vliet bam den Afgoden dienſt Vanger den Afgoden / maer den Heere dienen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
cnde
Van de Tegenfpreucken Babels.
ende offeren woude / en Geeft hy evenwel dat beltennen / dart toe met De wercken / goet /
Joodſche teeken / te weten / DE Beſndinge / | bloedt / even ende doodt betupgen ſullen / ende B
uiet ontfangen. níet ſoo achteloofelijfken / tot fuicke Gzouwel-
Een tzeden/ Dat hu fijns Weeren Bienaer hunfen te loopen / daermen ſijnen hoogen aen⸗
Was / aen welckers hand de Koninck leunde / biddelijken Name foa jaunmerlijken fchendet ler.8.5.
ende daerom aack op fijng Peeren dienft wach⸗ ende fcheldet : Endedaermen oock geen Waer:
ten moefte / en woude oock niet als de Koninſi hent hooren / noch geen vroomheut leeren en
fijnen immon Wievoockte / dan den waer: | kaun / want het is doch al enchel hiwchelerne
achtigen Godt die hem gerepnight hadde) aen⸗ | wat ſy leeren / hoewel met des Weeren Wardt
bidden. verbloemt / gelijk men in hare Bzuchten opentz
— Een derden / Datmen unt deg Propheten lijck mercken ende fien kan.
ant woordt niet gewis beflupten en kan hoe) Sp loopen alle (ſpzeeckt De Pꝛopheet) bende Oze.4,16.
bezre hy bewillighde of niet bewillighde. Leeraer ende Toehoorder / gelijck alseen dulle
Een vierden Dat hp dat hums Aimmon/ Loe / (2 haten alte beftraffinge ende onderwijz
met fijn Godg-bienft/ ende deſe onfe Cempe⸗ finge/ eben na haren moet ille wreedelijch / Ez-21.13.
fen met haren dienſt níet eenderlep en 3N / Godts Woozdt en Willen fo níet / daerom ick
want ín dat hups Uimmon en wert Gods vreeſe dat de kaftijdende Noede al gevat / ende
Pame/ Gefet / Ozdeningeende Ceremonien | dat Wraeckt-zweert Han den PEERC al
níet misbzupckt / want fp en kendenfe niet ; getrocken is / dat mouyrlijken De eeue Godlooſe 926-414:
maer wat boor misbrupclien / fchande / hean- den auderen foo maakte bijten / dat haerer bele
fpracke/ grouwel ende Gobdg-lafter in defe onfe |Van malktanderen opgegeten cn berteert woz:
Cempelen/ onder Chriſtus Name gedreben ke / want dat dulle bolck wil geflagen zijn.
⁊ Reg.5.18.
werden / mogen alle recht⸗ verſtandigen met de, Een vijfden moetmen acmmercken / dat Wp Hoort Chri-
Schrift af wegen. nu in Dat Nieuwe Teſtament op Chꝛiſtus a ai
Danner dan vemand foo fpreecht : Wat Geeft/ Woont, Waet/ Dermaeninge ende wir by an-
beksonnmert u der Papen handel: Bidt gu gebzupk geweſen worden / wat ons Die toelaet / ders niet be-
Godtaen/ gelijck Haman dede. Dat lupd Dat is ban: Maer wat hp afraet / ende verbiet drogen zijn.
nae mijn bedunciten alfaa: Diet men fal uwe dat is onbe / hier na behooren hen alle waer⸗
noch fterker
gacde Dader ſeer lafterlijk beſpotten / ſchand⸗ ſchit
ſuſcke donckere geſchiedeniſſen ende ſpreuken /
dleclien ende ſchelden / ende veel leeds aendoen :
Haetu van fucks niet bewegen / maer komt
gp Daer mede toe/ Goud u ſtille ja doch in
uier Gerten / cert uwen lieven Dader / Er.
Seght liebe / Wat vernuftigh redelijck Kint
foude ficken grooten Gerten lerdt aen fijnen
Yienen Dader magen fien / ende daer toe noch |
ende ſtille zijn. :
won dan met foo klare oogen in⸗
fien / hoe bedzoeffelijken fp in hare grouwel-
Gupfen met onfen eeuwigen Dader omgaen /
die ons foo hooge bemint heeft/ ende oak:
met fijuen leven Sone Jeſu Chꝛiſto / die ons
met faa dieven ſchat gekocht heeft / hae fu fijn
epligen Geeft wptbluffehen / fijnen wille ha⸗
zwijgen
Aengeſien
achtige Chriſtenen te ſchicken / ende niet nae
daer imt men geen vaſtigheyt grijpen en kan /
ende dat tegendeel aan Des Heeren Npoftelen
opentlijck geleert Wert ;
Pier mede wil ick dan den gocthectgen Le⸗
ſer trouwelijck vermaent hebben / dat fp haer
doch met fulche woozden niet beroeren en laz
ten / maer alle wegen onveranderlijck aen den
vaſten grondt blijven ende houden / die ong De
trouwe getupgen Ti {te weten / de heplige
Apoſielen m haer Schgiften met ſoo heldere
klare woorden na gelaten ende geleert hebben.
Want foodanige en foechten niet
den Wanckelmoedigen mogen
ende Bar fn Des Krups Chꝛiſti magen Tog
| ban Dat ſpr Corz-ra
verwezren / Cal16-15-
ten) fijn Woord vervalſchen / fijn Sactamen-
ten migbeumchen / fijn Groeninge en Geboden
bevrachten / fijn Sinderen Schelden ende ſchen⸗
Den / de arme Zielen vervoeren / Chriſto fijn
zijn. |
Waer ſy willen feggen: Tp achten ’t beter De negende
te zijn / dat wy bp wijlen ſulcks doen / op dat —
wp bouwen ende kinderen Mogen vooftacn
gewin ende prijs ſteelen en tap fouden ons | en de arme dienen / Ec, Dan dat wp ans gantſch
dan noch tat ſucke openbare vnanden Gods | ende heel ban den Predikers af keeren / ende \ |
maeken / met haer hupchelen/ haer godde⸗ daer Met alle onfe goet ín eenen roof geven / |
looſe berlepdinge ende grouwel-wercken hoo: | daer op antwoopde cht ten eevften : Dat eerfte
ren / foo moeften wp ondanckbare kinderen Gebodt leert: Gu ſult lief hebben Den Heere
zijn/ ende geen Liefde hebben / t íg onweder⸗ uwen Godt / met geheeler herten / met geheeler
zeekelijckt. _ stelen / ende upt alle uwe krachten : Waer
Peen / ſulcks en is Der Doomer Chriftenen (Dan Gods Naem gelaftert / ende tegen fijn
aertniet: Maer gelijck Ehzriſtus hem fijner | Woozdt gehandelt wert / daer behoort oP dat
g5emeenten aenneemt/ haerer niet en ſchaemt / met eenen onbeftwaffeij Aen wandel/ ende met
met fijnen Hepligen Geeft ende Woozdt ber: Gods Woodt ín aller liefden te beſtraffen ende
licht / ín alle hare wooden vertrooſt / in haer | fijnen prijs boog te ſtaen / foo veel in uis / ende
tifden ſtercut met kracht ende wijshept / boo? gedenckt dat De Pere preekt: Soo pemandt
Heeren ende Vorſten / boa Wijfen ende Gez | liever heeft Vader / Moeder / Suſter Bzacder/
\eerden / ende Loor de gantſche Wereld begaeft
Peauwe/ ninderen / Goet ende even / dan
ende befchenckt/ dat fu oock alle met den an:
bu mp heeft / en kan mijt Diſcipel niet zijn.
Chriftus ver- deren bao? een arm nederig Ehriſten moeten) Ten tweeden / Dat alle die gelooven dat
ciertfijn zwiggen en befchaemt ſtaen / Daet toe oock! Godt Wemel ende erde gefchapen heeft / |
Gemeente, noch aen den jonghften dagt voor fijnen Dader
fcaël veertigh Taren met WBzoodt van Den
Deut.9.5.
Matt.22:36s
Matt.10,37.
Luce 14.26.
Exo.16.15. |
bekennen / ende met dat eeuwige Wijck bez Hemel / ende met Water unt den Steen gez Rare |
ſchencken Wil : Alſoo epfcht oock wederom | voet heeft. Elie dooz den Have fijn nootdauf- —
Ehriſtus Geeft) Aert onde Liefde van ons / tighept beſchickt heeft: De Vogelen ín der:
Dat kun fijn Goddelijke Gere / Woord / Wille / ucht / de Biſſchen ide Wateren / ende alle
keunpende Creatueren op Den Aerdbodem
Gꝛdeninge eude Gebodt / oog de menſchen hare
a
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van de Tegenfpreucken Babels. 4ò
hare fpíjfe geeft / Die ſullen oock ongetwijffelt ( dreven / verſchenden zijn. De barmhertige
aende goethent/ kracht / ende belofte haers hebe Weere gunne u al te facmen fijn venne
* Heeren Chꝛeiſti niet miſtrouwen / die Dact | waerhent te bekennen ende trouwelck daer ín
Matt.653. ſpzeelit ‘ Sockt eerſt dat Aijcke Gods en fijn | te Wandelen / Amen. —7—
| Gerechtighept / en defe dingen fullenutoege-| Cen laetſten /feggen fi: Als dat wn ín Bar De elfde ton
| wogpen Worden. Want is dat aengeſicht fijnct | bel noch gevangen zijn / ende daerom Babels sen-fpreikee
genade ín deſer fake oock over Die / die hem ver⸗ wercken wel in den fchijn Doen mogen. Alle⸗
| achten / hoe beel te meer is't ober Die / die hem | geeren Baruch in ’ fefte / daer In ſpreelit: Br
ar vreeſen en fijn Geboden houden. fide tot Sabel fien / datmen op De ſchouderen
Shatra LCen derden / Dat de Almachtige / Njcke ( Dragen fal Guldene / Silvere ende Wouten Uf-
is, die flerk „ Heere / de Godt Schadai / wel machtigh fg den | goden / boor de welche haer de Wepdenen vree⸗
almogende, armen en ellendigen fonder alle Afgoderpe / fen : Daeram fiet Loor u dat an haer ſulcks niet
aat upehelerpe en Dupbels dienſt te oñnderhou⸗ naen Doet / en den Pepdenen níet gelijck en
datallemil- den / ende dat haaen ſulcke offeren en gaven | wort: ende als qu dat volck fiet / dat voor ende
delijckuyt- Det Óngerechtighept geen behagen en heeft / achter gaet / de Afgoden aenbidden / fa ſpreelit
deelt. gelijck de Pzopbeet fepdt : Geboozfaembent is gu in uwer Herten: Weere/ ualleen falmen
betet dan offerhande/ ende taelupfteren is beter | aenbidden.
hers *1. Dan dat bette ban den Kannen: Wantonge:! Antwoordt. Hier moetmen ten eerſten aen⸗ Merckt wat
—— hoorſaemhent is een ſonde der tooberye / ende | mercken / wat met de Babelſche gebanlieniſſe mer de ge-
wederſpannighept is moepte en Ufgaderpe. | beteekent wordt. Want doen de Gfratliten vanekenis
Alle die dan feggen dat fr dat om haet vzou⸗ Godt in haer engen Tandt niet vecht en diene veert is
wen / Kinderen / ende om Den Armen doen / den / moeften fn na uptwijſen Moſes Woordt / Deur.4.24.
Die fallen weten /datfe haer bzonrwen en Kinde | daar Gods rechtveerdige ende genadige ſtraffe / en 28. i5.
… ten boven Bodt lief hebben / Godts arm ende | onder den Depdenen en Dolcken verſtront / cu
— bri macht verkleenen / ende dat fp den Heere liegen / onder dat Babiloniſche gewelt gevangen zijn:
| datexemper CDE alfoa haer luptghepdt / keupg-vluch-| Wlfoa oock met dien Die haer dat Geefielijke
van Anania tighent / ongelootse / aectfche gemact ende hup: | Iſraẽl beroemen : Want dewwijle fn den Weere
en — chelerpe onder ſulcken ſchijn dercieren en dec⸗ ontrouwe geworden zijn / ende hebben ſijn
nero) ken Willen. Een pegelck wacht hem / ende | Woozdt verftooten / haer ooren na de Keugen-
niet en liege. pzeeſe Godt / de Vperblammige vogen / Die | predikers gekeert / heeft ooch de Babeſſche
Aâs4o. ” Bemelen Verde Doogfien/ en Wogden met Koninck / Antichziſtüs de overhanttegenbhaet
fchaane woorden niet verblint. genomen / ende heeftfe ban hare rechte Meere / Van waer de
he tiendere- Ptem/ daer fn oock voorder af vaorgeen | Ceremonien ende Gods-dienft berooft / haer zeefielijcke.
Atsrag, … Dat Paulus hem na de Goodfche wijfe vepnig- | onder fijn gewelt gevoert / ende met den ſtric· gekds
A@163. de / en Cimotheum beſneed / dat heeft heel cen | ken fijner dalingen / ende afgodifche grauwe men is, endé
ander aenfien : Want dat waren wercken díe | len jammerlijcſi gevangen. wat{e zy.
Godt geboden hadde / hoewel fp ín Chriſto op ⸗ Maer Die nu wederom met des Weeren Geeft
hielden / die Paulus upt ſulcker ooꝛſaeſie op Díe | ende Wooꝛdt vecht verlicht worden / daer daar
—— bewillighde / op dat hp te Vaper Dat | Upt Godt gebooren worden / dat oude Teven det
oord den Goden Pzedinten moghte / gelijctt ſonden afftersen / alle menfchelijke vervoerin⸗
bp fepdt: Ick ben den Joden gewozden alg, gen berlaten / des Heeren Heplige Sacramen⸗
een Jode / op Dat ick Ben Goden gewinne / die /, ten / Ozdeninge en Gods · dienſt vecht gebrun⸗
tEot.g.20. Die onder de Wet gn, ben ick gewogden alg | ken / de floezin unt Dat Geeſtelijcke Babel /
waer ick onder de Wet. dat is / ban Sonde / Welle / Dood / Dupvel /
Naedien dan de felbe wetcken haten oog: | ban De leete ende geboden det menfchen / ende
ſpronck hiet upt den Antichziſt maer upt van alle afgodifche grouwelen ende laſteren
Godt hadden / daer mede Paulus den zwacken afgebrijdt / als Paulus fepdt : Daer en Í
oden te gemoet quam / alg berklaert is: Doe | geen verdoemenis Mm den genen Die ingelijft
kaumen daer dan mede beweeren / alg Dat bal- | zijn Cheifta Jeſu Die nac den Geeft wandelen/
ſche Pzedikiers te hooren / Antichziftus Doop | ende niet na den Dleefche : Want de Wet des Deep vij-
ende Hachtmael te genieten! openbaere Afga- | Geefts Die leven maeckt in Chriſto Jeſu / heeft Ginu at KAN
Dderpe en Bods-lafteringe / dock met de Wereld | ons bep gemaekit ban De Wet der fonden ende Gjnen Geet; ik a
(al hoewel dat niet én gefchiet met Per herten / deg doods. Rom8.1; IKE
foo gefchiet ’t nochtans ten minſten in ſulcken ꝛille die dan feggen/ datſe noch in Babel
ſchijn) te gebzupckien / bep ſtaen: Of men gevangen zijn / Die betupgen daer mede datſe
moefte De wercken Des Wets Die upt Godt door den waerachtigen Cores / Chriſtum Yez
waren / foo onrepn en Godloos achten / alsde | ſum / noch ban Haere fonden uiet bep gelacten
wercken ende grouwelen der dunſterniſſen / die | upt Chaldea tot Jexuſalem gekkamen zijn.
unt den Dunvel zijn. Ende dat afleggen deg | Cen tweeden / Dat Iſratl hier niet bebo⸗
keups Chꝛiſti immer alfo hooge prijfen/als den | fen en tozdt / als datfe haer den Hepdenen fou: AN HL
per Pautt/ dat hp fijnen Goden dat Cuange- den gelijck ffellen: Fact Wanneerft fagei Í
lium ban Cheiftoleeren woude. datſe hare Vfgoden droegen / gelijck als wp Pik
Och / mijn getrouwe Veefer/ wilt gp wide , ooch fn De Paufelijke Proceſſien ende grouwel· OAN b
arme Stelen niet verlieſen / ſoo lact uwen Chꝛi⸗ | Dagen fien / hoewel op niet ín hate Cempelen HN
ftum ongefchoffiert blijven / foeckt fijnen pzijs en zijn / foo ſouden fp Godt alleen aenbidden / —9000
terecht / volght fijnen Geeft / Meere / Naet ende hem de eere geben. Waut foo haer Godt
Vermaeninge ende Poorbeeldt na / foo en fuit, dat hadde bevolen dat fp haer den Babelſchen
— —— — — —
ap nimmermeer te ſchanden worden. En gp ín deit Afgodiſchen handel met er gedaente
| fult dock haeft bevinden Dat Paulus Lepnin-| fouden gelijck macken | ende Den Heere alleen
ge/ ende Timothens Befnijdinge vezre ban | meter heeten in t verbozgen dienen/foen had:
| Antichriſtus handel / grouwel / afgoderpe en | den Sadzach/ Meſach / ende Abdenego niet Dan:3.i;
lafter tat noch toe onder Chziſtus Naem gez {vecht gehandelt / Dat fn Des grooten Gulden
G Beelds
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
50 Een Vermaeninge
aen de Overigheyt-
Aldie hare Beelds-dienſt wengerden / Daer over fp in Des | herde aengrijpt: ick en foecke Gout noctj 1 Teffz.s.
prbelfche Doods naodt guanren. Och neen : Dat graate
met Babels wonder · werck aen haer van Godt beweſen /
fevankeniffe betunghde wel datfe vecht deden.
vereerd Alle Die Dam leeren / feggeick / dat De recht⸗
wijfendaer Geloovige unt Babel niet gevzijt en zijn / Die
mede datfe Verfaeken daer mede Cheriſtus berdienfte / dood
geen verftant ende bloedt / dat geloobe met fijne krachten /
ñen enbeden Wepligen Geeft met fijne vanbeden /
cende bevrachten alle dat onfcljuldige bloedt / dat
am dat vzne getupeheniffe der bzpe inderen
Gods hier en Daer bergaten woꝛt.
Een pegelijck fie wel toe wat dat hu gelooft
enleect : Want ick ſorge / bende dat de bergie:
td ende De verachter un gelijcke ſtraffe ſtaen
ullen.
Pevryheyt · Mijn goede Leeſer / onderſoeclit de Schyift
—— Z echt ende gp ſult bebinden Dat den vzuen in⸗
Chrifteren deren Gods bier op Aerden geen baplept nac
niet belooft, Den bleefche belooft en is / gelijk Chriſtus fent :
mattes Gp fult van alle menfchen gehaet Wogden om
roan zes) Mijns Naems wille. Die im wil volgen die
verſaeke hemſelven / hp neme fijn krups op en
Tim.z.122. golgempua. We die u dooden / fullen mee-
nen Datfe Godt eenen Dienft daer aen Doen.
ile Die Bodfalig willen leven ín Chriſto Jeſu
(fepdt Paulus) die moeten vervolginge lijden.
Dooꝛ veel dzoefFeniffen moeten wp ín ’t Rijcke
Af 1422, Gods gaen. Wantde vephent des Geeſts wil
330 met veel ellende / dzuck / bervalgh/ banden /
preekt: Ick bangighent en doodt beweert zijn. De knecht
ben zwart en is niet grooter Dan fijn Heere / ende De jon:
—— ge Ger níet boben fijn Meeſter: maer het is Ben
lei felven genoegh dat hu fijnen Meeſter en Heere
Can.1.6, gelijck zp.
Marrons. Dlt) liebe Beeren / Dzienden ende Broede⸗
enis.io, ren / hier hebt gp nude principaelſte ſtucken
en Hooft· articulen eens Chꝛiſtelijcken gronds
ofte Fondaments / met een klare aenwijfinge
ende berklaetinge der Antichziſtiſcher grou⸗
weten / ende Babiloniſchen handel) daer mede
dat Waerachtige %poftolifche Fondament /
mids lanckhent der tijden te niet gedaen / ende
te gronde geftooten is. Ende hebber alfa licht
ende dunſterniſſe / leugen ende waerheyt tegen
malkanderen gefet/ op dat met ſulcks / onfe
ſoeken / leere / geloove / voornemen en zwack
doen / magt aen dert dagh komen.
Silver / (dat weet De WPeere /) maer flac met
ben trouwe Moſe berept / ongemack met den
Volcke Gods te lijden / liever dan de tijdelijche
genoeghte der fanden te gebruken. Felt achte Hebt. i1.25.
aockt de verachtinge Chꝛiſti waerder/ dan alle
de fclhjatten van Eghpten: Want ick weet wat
ons de Schrift belooft * Want dat is mijn
eenige vzeughde ende herten wenſch / dat ich
dat Nijcke Gods untbrepden / de waerhent aen
den dagh bzengen / de ſonden beſtraffen / de gez
rechtigheyt leeren / Den hongerigen confcien:
tien met des Heeren Bzoodt fpijfigen / De herz
doolde Schapen op deu vechten wegh wijfen /
ende den Heere veel Zielen dooz fijnen Geeft /
bracht ende Genade winnen magt: Ende in
mijner acmer zwackhent foo handelen / gelijck
mp die geleert heeft / die mp ellendige fondaer /
met fijn roode bloet gekocht / ende met den
Euangelío fijnder Genaden / ín defen fin bez
keert heeft / namelijck Chriſtus Jeſus. Dien
zp prijs ende eeuwigh Kijck / Amen.
Een Chriftelijcke ende lieffelijcke
Vermaeninge aen allen Overigheden;,
Geleerden , Gemeenen Volcke, Secten,
ende aen de Bruydt Chrifti, die van de
hitte der Sonne niet weynigh op alle plaet-
fen verbrandt worden. re
W B hebben in de Mooz-réedetr aengeteets
kent/ getrouwe Leeſer / upt wat oor⸗
ſaecke / ofte waerom dat wp defe onfe Sljzif
ten aen Den dagh gebzaght hebben / name: —
lichen / om de grouwelijclie bervoeringe ende
overvloedige periculen deſer tijdt. Naedien Veelbeyt dee
(eplacen) foo meenigerhande verſchepden der Sctten beyde
meenten / Kercken ende Secten gebonden Ch rinenea.
worden / die haer alle na Des Weeren Naem
noemen laten / als Noomſche ofte Paufelijke /
Lutherſehe / Swingelfche / dwalende Secten/
ende De Chziſtenen die men Loor Weder⸗
doopers ſcheldet: Gelijck in voorzleden tijden
be den Goden / Hasbutei / Merobaptiſte /
ſſei / Sadducei / Phariſei Ec. elijk eens»
deels De Schaift/ ende oock de Hiſtorien daer
van meldat. Cen pegelijck bevaemt hem dat
Eai28.16. Ende hoope door des Meeren genade / dat hu de emeente Chrifti/ ende dat hu deg
Ephef.,19. guꝰt ſult met bolle handen grijpen / ig ’t dat gu
Pae 72n maer vedelijckter aert en zijt) Die feloe met trou”
Mattzr.ar. Wer herten leeft/ / uwen Bodt breeft/ ende Chri⸗
Luce 20.17, ffenen goor den vechten man houdt: Dat wp
Aber. op den eenigen ende eeuwigen Hoeck⸗ ſteen gez
atont zíjn / doop den vechten wegh (evenwel ín
zwackbent) wandelen/ ende de rechte klacre
Waerhent hebben. Ende dat 'er anders geenen
geont-wegt ende waerhent ín de Schrift ge-
vonden en ſal wozden / Die boor Godt beftaen
kan / dan die / Die wp hier gewefen hebben / ende
met ſoo veel zware Dzoeffeniffen alonune bez
weeren ende boorftaen,
Ende hebbe uwer aller liefden hier met deſe
Peeren Woordt heeft / hoewel fp ten meeften
Deele alle Des Weeren Geeſt / Woozdt ende
Dooz-beeldt niet alleen niet gelckformigh /
maer oock feet nijdelijck ſchelden / ſchenden /
ende ban herten Bpandtzijn / ende gact ge⸗
lijck het ban aenbeginne gefchiet is / als dat
de bzoome ban den onbroomen beel hebben
moeten lijden / gelijck Ubel ban Cain / Iſaac Gens.s.
ban Ffmaêl/ Jacob ban Efau/ gc. Hoewel enz7.41.
fa van eenen gelijcken Bodt gefchapen zijn / co srs
eenen oorſproũck deg natueren heben / éenen Antichriet;
gelijcken Chriſtum coemen/ ende fn den dagh vecht mer
deg oordeels eenen gelijcken Kichter binden cen yferen
fullen, Antichriſtus regeert Door gebernft maer chri-
mijne kleene gave alfoa gedient / gelijck ickſe hept ende leugen / wet gewelt ende zwaert / tus vecht
ban kannen Godt ontfangen hebbe / ick wou⸗ maer Cheiſtũs daor berduldighepdt / met mot fijn
k
de oac
‘wel dat ick noch tot eeníger tijbt met | fijnen Geeft ende Woordt. Wp en heeft oock Weerdt:
grooter ende rijcker genade) tot Des Weeren anders geen Zwaert noch Mes. O Men:
4Ld. 13.9
pzijs / Doen konde. Ick hebbe oock daerom ſche / menſche / merckt doch op de onredelijke
Naem / Faem / Eere / Gemack ende alles ver⸗ ende grijpende Creatueren / ende leert wijs⸗
laten / ende mp onder Dat dzuckende Vrups heydt. Alle bzieſſchende Leeuwen / alle ver⸗
mijns Heeren Chꝛiſti gewillighlijcki begeven / ſchrickelijcke Beyren / ende alte verſcheurende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
dat mijn arme zwacke blees ſomtijds al wat Wolven / houden Daede een pegelijck ín fijn
ge:
Een Vermaeninge aen de Overigheyt. 51
geflachte: Maer gn ellendige zwackte Woz dat Wet-boeck Gods nopt gehoort en hebben /
men / gp Die na Gods epgen Beeld geſchapen | De Weplige Stad en Tempel berwoeft gelegen/
ende een vedelijche Creatuere genaemt zijt / | en onder de Babploniſche tprannpe en gewelt 2 Aezts 4
fander tanden / klaeuwen / hoornen / ende met | geftaen hebben / gelijck boven gekhooet wodt.
eenn kranck teeder vleeſch gebaoren Woet / fin: | Ende de barmhertige Dader hem nu over de
neloos / fpzalieloog/ krachteloos / ja oock dat | zware ellendighept en dzoeffeniſſe fijns Volcks
gp noch gaen noch ffaen en kondt / en gantſch | ontfermt / ende ong Den waerachtigen Moſen
Pe menfche VAN Des moeders hulpe leven moet / utot een | ende Sorobabel / Ehriſtum Jeſum dooz fijnen
is — leere Dat gp een menſche deg vredes en niet des | Geeft ende Woozdt wederom verweckt heeft :
zeichepen. twiſts zijn ſult. Als gr nu tot verſtant ende | Soo beoogde het immers u nu / O go hoogh⸗
mamnnelijſte jaren gekomen zijt / fo zijt ap fo bol | beroemde Heeren ende Vorſten / nae Dien gp u
met ongeftadighept / met tprannpe ende weeet: | oock met ons ban eenen gelijcken €hzifto /
bent / foo Lol met bloet en onbacmbertighept / Euangelio / Berloffinge ende Wijck beroert /
alfoo Daemen ’t nach berfinmen / noch feggen / dat gp den Dolcke Gods niet langer haer paf: Pat ver Pant
noch ſcheijven en kan, De openbare daet geeft ſagie / ofte vepfe nae dat eeutwige Beloofde zer
getupgeniffe : Ende nach derft ap uberoemen | Landt /Doo? uwe JPandamenten ende gewelt is cider ge-
dat gp Cheiftenen zijt. Och neen / mijn gez, en belettet/ maer de ſelve al meer ende meer vonden, dat
Yoan.14.27. trouwe Leeſer / neen / Chriſtus leert: Mijnen dooz uwe genadige bewillinge gunnen ende /e9 veel hon-
Chriſtus· Dꝛede geve ich u/ mijnen Bzede late ick u. vozderen wilt. Dat gn dat weder gebonden verven is
he rage De Vꝛede Gods (fept Paulus) hebbe de ober: | Boeck: des Wets Chꝛiſti / dat ſoo lange jaren geweer.
Wiede, handt in uwe heeten tot welcken gp beroepen verlooren ge weeft í$/ met den Edelen Hzaomen 2 Telia +
Col3.16. ʒijt / in een lichaem / en weeft dankbaer / de Sone Joſia /met een gebroocken ootmoedigh herte /
etn rr des Menſchenen ig niet gekomen omde zielen | ín cepnder Gods vreeſen hoort ende leeft / uwe
Wee I® te verderven / maer om ſaligh te maelien. heeten ſcheurt ende niet uwe kleederen. Want
Aengeſien dan uwer foa beel zijn/ die foo on- | gp níet alleen ban de vechte Bane af geboert /
menſchelijckt met Den beamen Kinderen om | maer oock foo wijt van de mensche der fonden
gaen, alsmen fien magh / foo hebben wp onfe | betoobert zijt / Dat gp de onfchuldige vzoome
handelingen / gront / geloove ende leere / op het | herten berbolght / die noch u / noch geen men⸗
liortſte unt Des Weeren Woozd verbat / en met | fchen op Verden oock om een hap? krencken
gefchaift af dDaucit in't licht gebzacht/ op Dat alie / noch ſchadelijck en zijn.
laſterlijcke quaet (paeehers ende bloedige ber-| Wilt alſoo de arme gevangen Kkinderen / die
bolgerg/ doop ſullis bevinden en leeren mogen / | daer huplen ende Weenen bp de Water· vloeden Pfal.r35.r.
wat ong engentlijck voornemen / ſoecken ende | Babplons / met den hoogen Honmekt Epra * E12:
doen ís / op wat grondt de Stadt Gods moet | upt dat Landt der Chaldeen/ log laten / dat
gebouwt ffaen/ ende welck ban alle deſe voor⸗ fn dat Geeftelijcke Landt Canaan weder. ine ler · zo. 18.
genaemde Vergaderingen of Werckten/ de echte | nemen / dat Geeſtelijcke Jeruſalem / Altaer
Gen.rar. Ende rechte Vierche Chrifi zp: Want gelijck |ende Tempel op haer oude Waoft-ftede bou⸗
Gen7.1. als daer niet meer alg een Adam ende een Coa | wen / dat Geeftelijcke Pzieſterdom oprechten /
—— geweeſt is / een Noẽ ende een Acke / een Iſaac en dat Beeftelijke Offer ende Gods-dienft / na
Koef mie Ende een nebecca: Alſoo isſ er oockt maer een | het untwijſen ban Gods Woordt/gebzupclten
meer alseen. Gemeente Chzeiſti / die dat Lichaem / Stadt / mogen / dat fp níet langer de Babelfche Wet:
Gemeente. Tempel / Huns en Bzundt Gods is / die maer | ten / namelijck / menſchen leere ende geboden /
eenderlen Euangelium / Geloove/ Doope / maer Iſraẽls Wetten/ te Weten/ Godtg
Nachtmael / en Gods · dienſt heeft / die op een | Wooꝛd ende gerechtiahept/ hooren ende dienen
derlen wegh wandelt / ende een broom onſtraf⸗ mogen. Want hoewel uwer ſommige alteede
felijck leven boert / als de Scheift leert. (hoewel eplacen wennigh) foo vezre doop Gods Gods Woorr
Ulle die dan dat reyne onvermengde Woord | genade ende Woordt oock wel geleert zijt / (al preien, Bi.
Gods / dat waerachtige werckende Geloove / ick verhope) als dat gp wel bekent hoe noch ven.
met des Weeren Heylige Doop en 1achtmael gewoonte / nach Concilien/ noch geleerthept/ 1 Corz-r1.
ín den Geeft en kracht niet en hebben / op den noch zwaert / noch placcaet/ Dat Woord des
runmen wegh des vleeſch Wandelen / en zijn | allerhooghſten Gods / dat Woozd der waer⸗
Chꝛriſtus Gemeente noch Kercke niet. Wier en | hept/Dat Woord der Hemelſcher getupgeniſſen /
gelt noch naem / noch bevoemen / Wp moeten [ dat Euangelirun deg Njcks bupgen of beeken
ztoan.r.s. in Chꝛiſto zijn / en Chriſtus moet ín ons zijn / en moet: want daer en magh ín der eeuwighent
loan.8.31. wy moeten ban fijnen Geeft gedzeben worden / | geen ander grant gelent worden / behalven die/
Rom9.7. _ en bepde inwendigh en untwendigh ín fijndep- | Die gelept is / welche is Chriſtus Jeſus.
Seboorte, Tigh Woordt blijven/ of wpen hebben geenen) Hierom foo keert u ooren tot mijner ſtraffe / Prov.r25-
Beroeminge Godt. etn ſpzeeckt de Wwijshent. Siet ick wil u mijnen
engeldentot Wet en mochte dat figuerlijche Iſraẽl niet Geeft openen / en mijn Wooden kennelijckt
de laligheyt ſaligh maekien / dat fp van den beomen Abra⸗ maeken.
. ham geboren waren / alg ft op Abzahams we-| ebt lief de gevechtighept / qu Aegenten ín Sap.u.r.
gen niet en wandelden. Noch Wepniger ong / den Lande.
Dat wp ong na Chꝛiſtus naem laten noemen /| _Waet u onderwijfen gp Woningen / ende laet Praze.
wanneer wp fijn prijs van gantfcher zielen niet / u deughdelijſt maeken qu Fichterg op Verden.
en ſoecken / ende fijnen Wepligen Wille niet Dient ben eere met beeefen / ende berblijdt
ban herten en haoren / volgen ende gehoorſaem | ofte verheught u met beben: Want de Hoz
zijn. ninckt die de wijshept leert Die ſal eeuwighlijck Sap-5-25-
Exod.ie:. _ Yengefien dat’t dan alien vꝛomen Wel kenz| Kegeeren.
nelijck is / als dat Wp ende onfe Dooz-vaders aerom foa onderfoeckt nu deſe onfe gee
ſoo veel hondert jaren onder Den zwaren laft | trouwe aenwijfinge met aotmaediger herten /
ende Dienft van Egppten geflaeft ende gedient in De vzeeſe uwes Gods / ende oozdeeltfe met
aRegza8. Gebben / van De valjche Pzopheten vervoert / Cheiftus epgen Geeft 6 Wooꝛd / foo geel *
2 n
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
52 Een Vermaeninge aen de Overigheyt.
fu is / met De leere ende dat Teven Der Apofter, Predikanten / gedoopte of ongedoopte. Op
len / met de vromighept / liefde / gebzunckt / Ganz | dat fr De A!machtige Majeftept Gods / onfen
delinge / ellendiahent / keups ende lijden der [eenigen ende ecutwigen Salighmaeker Thais
eerſter keeche : Ick beehoope door Gods ger | ſtum Jeſtim / den Wepligen Geeft met dat
nade Dat gu met bollen handen fultarijpen/ dat | Woozdt der genaden niet meer ſoo en gerklen:
onfe leeriũge de onbedziegelijke leeringe / ende |nen/ noch bat lichtveerdige misbeupekt ende
gront det Schaiftig. Men leefe dit ong Fon- | Ufgoderpe in cenen fchijn dee waerhent invoe⸗
dament boeck/ met defe andere Boechstieng / | ven / gelijck tot noch toe geſchiet is / ende alfoa
Die hieer nu by geſet zijn: Als dat Boeck Lan | dat Kijclte Gods fonder alle gewelt / bloet ende
het geloove ende fijn kracht : Man de Weder- | zweert met cen genadige confenteeringe of toe⸗
geboozte of nieuwe creatuere : Dan dat kruns / |latinge / wijſe vaet / ende met een broom onbe⸗
lijden ende vervolgh der Pepligen : Dan de Ex⸗ ſtraffelijck leven / in aller liefden ende ernſt unt⸗
communicatie / Ban of untſluntinge / met | beepden / helpen ende voorſtaen.
ſommige andere Boeckghens/ baorennaaen| Siet / lieve Heeren / Dit is uwe beroepinge en Exod.18.ze.
den dagh gebracht / en qu fult doo? Gods ae- |opgelept ambacht. Ende níet foo Wzeedelijck 5e
nade bevinden dat de ſeive leere Dat onbervalfte | cegen Gods Hinderen en Woord te heerſchap⸗ peur.r7 13.
Guangelium is / dat de Heere met ſjn engen | ven / gelijck alg uwer beel (eplacen) een Gez 2 Pa.r5.5.
mondt geleert / ende fijn Weplige Apoftelen A
beek hebben / alge blckt. —
Door de gantfche Wereldt gepredickt / ende in | - Ul dusdanige Vorſten zijn geweeſt Moſes , per.a.13.
kracht deg Geeſts met leven en dood betunght | Ioſus / Dabid / Ezechias Joſaphat / Joſias /
Zorubabel / Ec. Ap hebben haer beroepenen
Dienft vebeltiek uptgevoert / ende haer na Gods
Wood geſchickt / haer Onderfaten met een
— — — —
hebben.
SodsWoort Dnfſe leeringe en is geen nieuwe leeringe /
lecre. gelijck als u de Predittanten / fonder alle waer- \
r Cor4.15. hent / voorgeben en wijs maelten / maer fin 8 De | erſtige forme voozgeſtaen / deg Heeren bevel * —
vin oude leeringe die al over bijftien-handert jaren (tra gevolght/ den valfchen Pzopheten ende stan
Heras ín Chpiftug Kercke geleert ende gedreven weet / | Babels Priefterg met hate Altaren / Hoogh⸗ vortten.
Daer mede De Gemeente gebaert ig / gebaert [ten ende Afgoderpen afgedaen / en hebben
wort / ende gebaert fal worden voort tot den | haven Volcke en Wanden bp des Weeren Ordi⸗
epndetoe. | nantie / Wetten ende vechhte Gods · dienſt / dooz
OD gn hoogh-beroemde Heeren ende Porſten Moſen bevolen / getvautvelijck onderhouden:
Prov.Brs. Keeetutot de waerhent Gods / ende omhelſt Want Godg vreeſe was in hare herten / ende
ſtraffinge ende twifshept : Want daar wijsthent | dat Wet-boeckt in haere handen / daer nae heb⸗
vegeeren de Woningen / ende de Naets heeren | ben fp haer gehouden / dat volck geoordeelt / en
fetten Daer daor dat vecht / ende aenmerckt hae
bewe doch uwen Geeft / Geloove ende Leven /
aan des Heeren Geeft / Waosdt / ende Leven /
verſchenden is. Sp hebben Bodt van heeten gebzeeft / fijnen
Meent qu / lieve Heeren / dat geniet dan om | Maem gepzefen ende haer upt alle hare krach⸗
te peoncken ende pralen / ende tot een pel | teu Waor hem vernedert / gelijck Dabid dede /
bleefchelijch lesen geboorten zt: dat qe na doen hp met eenen linnen WLijf-rackt omgegoet
uwe moetwilighent ende verderffelijcke luften | boor deg Heeren Arche danfte. Ya dat hy oock pavias ver-
moogt voort varen / alfoa ’t u beliefc/en dan | ban fijn Pups-brouwe Michol veracht worde: nederinge.
Rom89. noch evertwel Chriſtenen zijn / och neen. Wie Maer hp ſprack: Ick Wil boorden Heere ſpe⸗Res ·6· aʒ.
Eheiſtus Geeft niet eu heeft / Die en behoort | lers Die mp verkooren heeft / en wil noch kleen:
hem niet tac. der Worden ín mijne oagen.
erov as. iy · Salomon fpzeeckt : Een Godtloofe díe ober | © qu hoogtj-beroemde Edele Heere gelooft
en5912 pen arm bolck vegeert / Defelve is als een grim⸗ Chriſtus Woord/ beeft Gods gramfchap /
mende Leeuw / ende eenen gievigen Beyr. En | hebt lief de gervechtiahept/ doet Weduwen ende EGi1.18.
alg een Vorſt ſonder berftant is / ſoo gefchiet | Weefen vecht / oozdeelt vecht tuffchen den man
Daer beel onrechts / dit ſelbe heeft ool de Poeẽt | ende fijnen naeften/ vzeeſt niemants hooghent /
twel hekkent / Die Daer ſpreeclit: Quicquid deli- [veracht niemands kleunhent / hatet alle gie⸗
rant Reges pletuntur Achivi, dat is / wat de |rigtept / ſtraft met befchepdenbent / laet leeren
Honingen daor ſothent bedzijven / Dat moet het | Gods Woozd ín vepbhept / belet niemant om te Pro.29.14.
gemeene Volck betaclen of ontgelden. Maer | wandelen in De et bupgt u onder fijnen ee
een ‘wijs Boninck verſtroont de goddelooſen. Scepter die u tot Defen hoogen Dienft beroe⸗
prox ao.26. ¶ Daerom / lieke Weeren / neemt u ſelben wel pen heeft / foo fal uwen Throon baft blijven
Warder _ aer/dit ig het geene Daer qu toe Beroepen zijt/ | eeuwelijck. —
Vorften zoe- ge weten Dat qu ín rewder Gode beeeiede| _ Gelijchk den Scepter Caífií een oprecht
gingenade dpenbaere quaetdoenders met alie billighept Scepter is / dat een pegeljk ſonder eenigh ach”
ende Chriftelijcke befchepdenthent tuchtigen | fien der perfaonen leert / oozdeelt / ende ftvaft /
ende ſtraffen fult/ gelijck als Dieben / Mooz⸗ | moet ick arme ende ongeleerde mijn bloodig⸗
denaers / Bogers /Overſpeelders Drouwen: hept achter rugge ſetten / ende in Der liefde
frhenders Hoere jaegers Tovenaers/ Doot- ſtout worden / daer mede ick uwe arme Zielen
flagers/ Geweidengers/ Straetſchenders / geerne verloſſen ſoude. Ende moet met Sar 1 ACB 15:16.
teraas Woobers/@c. Datgprecht tuſſchen partnen muel den Saul) met Abdo den Jerobeam / met BED >
Ghrifelicke ende partpen doet / ende de Verdeuchten van Elia den Achab / met Efata den Hiskiam / met ra.;s.r,
Vortenen peg geweldigers handt verloffen fuit: Patan) Pathan ende Gad den Dabidem) ader haere 2 Reg.nr
niet bloet- De openbare berlenderg (die de acme ellendige | mishandelinge ende overtredinge cen wemigh
gierighte Zielen bi foo veel hondert dDupfenden ſoo jam: ſtraffen / en alfoo mijns Heeren Geeſt / Woord /
** merlijck int verderven ienden) met redeljcke | en Wille verkondigen: Wie weet of "er eenige
middelen (bevftaet fonder tprannpe ende bloet) zijn moghten Die haer arme dienaers trouwe en
beletten ſult / fs zijn dan Papen / Monniken / | liefde merckten / fijne Wel-meenende ſtemme
5 en
des Heeren haers Gods altijt gedachtigh ge⸗
weeft / die haer tot ſulcke hooge Potentatenen Deat.r7.r.
Wegenten oder fijn Volck geftelt hadde.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ve J
a2Para,24.20
Reg . 22. 21.
Mar.7.28»
Matt.26.32.
Mar.15 24»
Luc. 23: 3%
Ioan.i9.18.
Gen.5. 25e
Gen.3.19.
Mat.10. 30
Mar. 8. 35.
Matt.16. 25.
Uyt den Het
mel ís dat
woort ( kent it en
u felven) ge- ge 3u
daeclt.
lac.4. 14.
E{2.40.6.
aPet.i.24.
LEx.I5. 26.
ve 8
Luc 16, Le
enChriftelijkke beermaninge hoorder jen alſo Lan
fijn Sodlofe wefen en Lofe wegen af
lijk oolt ſammige van De voorꝛgenoem
gen Dat beſtraffen
keerde/ gez
de Woord upt dert mand det
Pzopheten / met vreeſe tot beteringe gehoordt
en ootmoedelijſt aengenomen hebben.
Enof het al ſchooñ waer dat mp ooli mijnen
etronwen dienft
ende lief de met dert Doodt
elaont worde / gelijk ick aol vermoede Dat ’et
wel geſchieden moghte / nadien dat cen hobveer⸗
digh ſtout vleeſch
zijn/maer altijts
foo en Kan nm
níet geeene en wil gefivaft
fifnen boofen aerd gebruken /
evenwel niet erger aefchteden /
‚ dam den vꝛomen Eſaia van Manaſſe Zachar
víe ban Joas / Arie
van Joachim / den Abime⸗
lech met den anderen Pzieſteren ban Saul /
efoanní ban
Herode / Cijzifto van Pilato ende
Gan den Schrift-geleerdenen / ende Apoſtelen
famen met alle getupgen (Godts ban De gez
Beele werelt gefchied is.
Ick en achte míjn leven níet beter alg de liez
be mannen Godts dat haer
gedaen hebben /mp
en kan oack níet meer alg een verderffelijck
ſierffelijſie vleeſch genom
dochs eens (alwaert ſchoon dat
en worden / ’t welck
íclt Mathuſa⸗
temg Ouder af leef De ) ſterven ende weder tot
aerde warden moet : een hap? en
neu hoofde niet vallen
Pemelfchen Daders
gen om Chꝛiſtum en
| kan van mij:
ſonder den wille mijns
Perliefe ick dan mijn lez
fijner getupeheniffen wil⸗
*
bd
de / en om de getrouwe liefde mijns naeften / fa
weet ick gewiſſe
wige leven.
verbergen /
reypner Gods vzee
betungen enn opdo
met ong acme en
ntſproten / ende in deſe bedro
men ende zijt niet meer als eenen
een vallende vlceſch /
den vaak /
Kende blaeme / aerde
zijn : heden zijt oP
in geaoter en hoger
neder / en moet DEL
{ran daerom de W
maer moet ’et míjn lieve Heeren In
eene met den anderen / 't 3u
geachtede upt eenen zade
efde werelt geko⸗
verdwijnen⸗
een verwelc ·
| en aſſchen / gelijk wp alle
Woningen ende triumpheert
eeren7 mozgen ligt gp tet
flangen ende wonnen ſpijſe
dat ick ’t fal bewaren in't eeu⸗
de waechepdt niet
fen/ ſonder alle bebennſthent
en
dat an gekomen zijt / wat
Kenſer of Konink /
on
Wiee edele Peren leert u ſelven eens vecht
bekennen / van waer 3
wat gp worden fuit. Gp sit alle de
Een Vermaninge aen de Overigheydt.
de koinn⸗ | en Joanne voor De w
|
iu.
an Heeren / mijn lieve Heeren vernedert
is hu / die u fake verhooren / en
u / rechtveerdigh
ſterlt is hy / die u oorzdee
gev Heere
Heplige Verſcheickelcke / Hoo
jPonderdadige Godt/ die Peme
gefchapen Be Jen
au
leert kennen /
Heerſchap
gewelt in de
eeft/ hem
waelit op en ſi
qu ſult hooren /
hupshoudinge/gp en
en hoogt den geenen niet Die de
dat lupe leven ſoecken / ſy bez
ren u na uws heeten luſt / ſp
ſchandelijck gewins wille /
Yoofe Londen unt haers herten
j_en níet upt den mond deg Dee:
ger lijden en Hoeren goede Da:
zuwer arme zielen / (lieve
wat ick meene) hoe wel
Euangelio wel hoogh en wijt
meefter blijven.
Daerom ſoo
vette gagie / en
Dziegenu / ſy lee
ſmneelien want dat
fn prediken U
goeddunclter
ven / fp meften hb
gen / ban dat vett
Heeren verſtaet
fp haer vanden
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wel
fen fal/fijnen Name heet
hu ís de Almachtige /
gijfelijke/en
ende Aerde
alte hooalgent / kracht / en
Dt fijner ſterckhendt befloten
hem leert vreeſen /
et voor u / het en is niet verre Dat
geeft veecktenfchap van uwe
mooght niet langer Bent:
53
beroemen ; maer hoort den geenen Diede waefz
fende rieten niet gelijck enzyn / Die met Elia
4 zoeftijne Der ellendigheydt
foo feer niet en verſchricken / die alte dage tijdens
om det waerhents wille / die gout en houdt met
een gelijſie liefde lief hebben / die bepde prijs en
verſmaedhent / rijkdommen armoede / Ieben en
dood al gelijct achten. Die alleenede glotie
Chꝛiſti / eu de falighept haerer liever bzoederen
faecken / en niet en prediken dan dat vepne onz
bermengde Gods Woord / met Geeft / kracht /
en werkt betungen / gelijk dat van Cheiſto bee
volen / en ban fijnen Wepligen Apoſtelen voorz
de gantfche Wereldt untgeroepen ende gez
leerdt ís,
_ Sch fegge nach eens / hoordt ende en volght
niet de veelheyt der geleerden / die haer Docto⸗
ces / Heeren en Meeſters noemen laten / Want
ſy zijn op vleeſch en bloed gefint / maer ſoeckt
en volght dien / Die alle werelts ſchouſpel / vunl⸗
niſſe / vloekt / en bege-offer zijn moeten / Want
daer ſult gn Chziſtum / Geeft / Waerhepdt /
Matt.i1.7.-
Rom.8.36.
ICox. IL 3:
Kracht / Werk /ende Beven vinden. Hy fuit:
ook deor Gods genade haeft bevinden / hoe Dat
gp met uwe Leeraers / Geeft) Geloove / Doop /
Pachtmael / Teven / Gemeente / en Doen bez
te bunten Chriſtus Geeft / leere / gebodt / ber:
bodt / ordinautie / en gebruk zijt.
Seaht/ @ gp Konmgen en Gechters in Den
Yande / waer is doch uwe geloove en liefde met
haren vroomen aert: Waer isde vreeſe uws
Gods / uwe lichtende Lanteerne / ive oatmaez
digh afgeſtorven herte / en uwe onbeſtraffelijek
godſaligh leben dat unt Godt is / is het niet al
enkel werelt cn vleeſch wat gp ſoekt ende LOO?
ſtaet: Men bint immers ten meeftendeel in
uwe hupfen ende hoven niet / dan een untſchij⸗
nende pronckerne ende pralerpe Det kleederen /
ſtouthent ende overmoet Des herten / een on?
verſadelijlte gievighent / haet ende nijdighendt / 't Gebruyk
achterklappen/ vezraden / hoereeren / vzꝛouwen⸗
ſchenden / dobbelen / ſpelen /braſſen / bzunſen
en leven in
der Heeren
hoven.
danfen / vloecken / zweeren / ſteken / bzeken EC.
Dit is uwe ridderljcke gebzupkk en hoviſch lez
ven alle de tijd uws levens | ende en bedenckt
níet eens door wat ellende/ droefenis / ootz
moedighendt / lief de en gerechtighent die Deere
aller Weeren / en De Yoninlt aller Koningen den
wegh baar w gewandelt heeft. Wat dat hp der
menfehen kinderen geleect / en wat voozbeeldt
of evempel hp haer gelaten heeft. Dat bedroefde
bungen de gerechtigheot en
ten op keckers en
dat ’et (Godt betert
Heeren Name vergadert zijn / ban Des Heerer
woord fpreken/ cn des Heeren werk dzijven
op beloopen of verklaget ea | foo moete
3
waer dat bier of vijf / thien of twintigh in des
kermen der eſſendigen en klinkt niet op in uwe
ooren / der armen zweet bint men in uwe hup:
fen / en dat onſchuldigh bloed in uwe handen /
daer ontfangt men gefchenken en gaven om te
houdet raedt tegen Pfalz:2-
den Heere en fijn gefalfde / De Propheten van
Jeſabel en de Priefteven van Baal / luſt· predi⸗
heeg ende plupmfieijkers zijn bp u in grooter 1Para18.2 5.
weerden / fitten op gemackelijke kuffens/ cn
leben wel ; maer Dien met Michea dat ongelijk
en de rechte waerhent prediken / Die felfde moe⸗
banden wachten / daer toe
ook de doodt en alte ſchande weerdigh zijn : Ja mn Goes
fo vezre gekomen is /ſoo naem moet
men eylacen
niet vergade-
l ren.
Matt. 18,
fn wellier midden Chꝛeiſtus is - Die Bodt Lan
heeten breefen / en cen Dzeom onſtraffelijſt Le⸗
ben boog de gantſche werelt boeren / foo fp daer
n
fp
3197 B 28
54 Een Vermaninge aen de Overigheyt.
fa bart ’E oper en zwaert verteert Worden / of in
bes waters grondt zwemmen. %
en daer die in Beliag name vergadert zijn / de
lefen bergaderinge aller ſchallihent / die Dodoma ende
Rom.1.24. @omozra in de booshent bewe te boven gaen /
Tir9 daer Mannen met Mannen / ende Douwen
met Pzouwen / anvedelijfkhent bedrijven / gelijk
in Spangien / Italien / en den Kloofteren / gez
fchiec/%c. Item de openbare hoeren-hupten/
feel-hupfen /_fcheem-fchoolen/ ende de ver⸗
bloekte droncken herbergen / díe ín foo open”
bare fchanden/ leven ende fo bottelijcken tez
gen Gods Woozdt handelen / Teven im alle bape
heyd en vzede.
Ick verſwijge dan noch van de openbare
leghtſe ban mallanderen / gelijck alg ín eenen
poten als dat vleeſch in cen ketel. Daerom
als gy nu tot den Heere roepen fult/ fa enfal
hp u niet verbooren / maer hu fal fijn aengeficht Mic-s.r.
boor u verbergen tot De felfde tijd gelijk als grt
met u booſe wefen beedient hebt.
Wee de Gevachtelijke/ ondeughdelijke tpran-
nífche ſtadt finen Willen niet hooren / noch
haer ondertwijfen laten / ſy en Willen haer niet
op den Deere berlaten/ noch haer tot haren
Godt houden / haer Boeften zijn onder haer
als grimmende Leeuwen / ende haer Gechterg
als Wolven aen den avondt / Die niet ober en
laten blijven tot den morgen / haer Pzophe⸗
ten zijn verachters / ende licht beerdigh/ haere
bergaderingen aller Afgoderye / Daer de hoog: | Prieſters ontwyen dat Heplighdom / en bez
peiffelijkte Diece name Gods fo jammerlijken gez | Dieden De Wet tot hardighept of Wzeethepdt.
laſtert wort / dat bloed Chriſti veracht / de Hey⸗ Maer De Heere / die onder haer ig / leert wel
lige Geeft bedroevet / de Waerhept gefchendt / vecht/ ende en Doet niet quaeds/&Ec. Maer
de Heugen gepeefen/ De arme Zielen ver⸗ de booſe lieden en willen haer niet ſchamen /
leydt / ende dat blinde domme Dolls niet alleen daerom fa wil ick deſe lieden untroenen / hare
tot Water / Bzoodt / Wijn / ende Miſſen / Burgten of Kaſteelen verwoeſten / ende hare
maer ook tot ſtomme Afgoden / als Houdt ende | ſtraten fa ledigh maken / dat niemand daer op
Steen gewefen worden / gelijk men (eplacen) | gaen en fal.
op alle plactfen fien magh.
Och / mijn lieve Leeren / wat maeckt qn/
waer is doch dat zweerd Der gerechtighepdt
Pevoren Daergu u van beroemt/ dat u gegeven ende
gebruyker Gevolenig: Gp moet immers bekennen dat
gp dat in fijner fchepden geftelken ende Dat qu
dat zweert der ongerechtighent weder ín fijn
plactfe uptgetrockken hebt. Ja / licbe Weeren /
het wordt (God betert) alfoo gemaelit / dat
de Propheten / met vecht wel mogen fchzijven
ende roepen: Uwe Pozſten zijn af vallige /
ende Der Dieven mede gefellen. Sy nemen al
te famen geerne gefchenkien/ en ftaen na gaz
Ben / den Wefen en doen za geen vecht / en Det
weduwen falen komen niet voor haer. Daer⸗
om ſpzeeckt De Heere Heere Sebaoth / de
achtige in Iſraẽl: O wee / ick fal mp dooz
mijne bpanden trooſten / ende ick fal map door
mijne panden weeken. eden
Siet de Dozften in Iſrael / een penelijk is
machtigh ba u bloed te vergieten / de veeemmdee
lingen doen ſy ge welt ende onrecht / De Wedu⸗
wen en Weefen bezwaren zp. Sy zijn gelijck
de verſcheurende Wolven / om bloed te ſtozten
ende sielen te dooden / am hare gierighepts wil:
le. Siet / ick fla mijn handen te ſamen / fpzecht
xze.ꝛ2.13. De Heere / over De gieviggept die gu bedzijft ende
ober ’t bloed Dat ín u vergoten Wort.
— Wee den genen / die daer gedenken om ſcha⸗
Overheeren Detedoen/ ende gaen met baofen falten om /
defe {preuc. op haren leger / op dat ſp het vroegh / als’
kewelter licht wort / bolbzengen mogen / nadien dat fj:
—— Dede macht hebben : fp rapen de ackers tot haer,
zr ende nemen de hupſen / dewelke haer wel aen⸗
ſtaen / alfo bedrijven fp gewelt met eens pege⸗
lijks / cnde met een pegelijkg erve. Daerom
fo ſpreekit De Heere alfo/ fiet ick gedenke wat
guaeds over Dit geflachte/ Daer gp uwen hals
niet upt trecken/ ende ſoo ſtout niet baozt
verkeert.
Ela.1, 23.
Mica. 1,
gaenenfult/ want het fal een boofe tijd zijn. | H
Hooꝛt doch qu hoofden ín den hupfe Jacobs,
—— ende gp Vozſten in den huyſe Iſraẽls / gu fuit
een gelijke- billtjcken zijn die dat recht wiſten / maer
nisoverdat gp haet Dat goede ende bemindt dat quaet.
Benne Óptrecht haer de hupdt af / ende Dat vleeſch
der Overhee- DAN hare gebeenten / en eet dat vleeſch mijns
zen. vollis / ende als gp haer de hupdt afgetcac:
ken hebt / fo bzeekt go haer oock de beenen en
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Immer zijt gp ſeer weynigh / ja iel breeſe e.3
nau cen / die den Heere ban herten ſoelit / vzeeſt en 7.15.
mepnt / of dient. Daerom fa ſal ook den toor⸗ Hoe wel dat
ne Gods alg water ober u pt gefchuddet woz: Sed: fo her-
den / endat zweert der Wratten boort komen) / raft
gelijk men (Godt betert) aen belen placefen haer noch-
dagelijks fien magh.
H (ſpzeekt Sapiens } is De Overhendt ofte se rele
Maght ban den Heere gegeven / énde gewelt
banden Alderhoogſten / die welke bragen fal
hoe Dat op handelt/ ende berepfchen wat gu
ogdineert / Want qu zijt ambachtg-lfeden ban
fijn Wijte. Maer qu en gebrunckt uwe Um:
bacht niet rechtelijcſien / ende en houdt geen
recht / ende en Doet niet na’tgene/ Dat de
Veere geogdineert heeft. Lp ſal gantſch grou Die van vere
welijk ín koeten gen ober ultomen/ en Daer (andiger.
fal een gantfch fcherp oozdeel ober Die Ober⸗ an IT
heeren gaen / Den Klepnen gefchiedt Genade / voor duta-
maer de geweldige fullen geweldelickten geftvaft nige (preuc-
wozden / want de gene Die over alle dingen cen £SPYCE
Heere is / die ſelbe cn fal boo? geen perſonen
vreeſen noch de maght fchouwen/ hu heeft bep:
de den klepnen en den grooten gemacht / ende
forget boor allen gelijk / maer ober den machtí-
gen fal een ſterk oogdeel gehouden worden.
Hierom / liebe Weeren / fiet boor u met aller
wijshept/ dat gp doch uwe hooge ende per iz
culeufe ambacht vecht meught uptbaeren nae
Den wille Gods / daer uwer beele / bzeefe ick /
tot noch toe eplacen / feer Wepnigh op geacht
hebben / Daer ban het dan komt/ dat Ante Antiehriftus
chaiftus met fijn ongerechtigtept verheben en Ijs vefiaee
Chriſtus met fijn gerechtighent berftooten ringe, leugen
wort; neemt doch een tepfe tex herten ’t gene en gewelt.
dat ’er geſchreven ſtaet / Weeſt bezre van bal, F%22-7.
fche falen / den onſchuldigen ende gerechtigen
fult op nfet verworgen / Want íclt enlate den
Goddelaofen niet vecht hebben / fpzeecht de
eere,
Pier wete ick twel / dat twn hooren moeten
van Munſter / WVoninkrijk/ veelhendt der erf
Vzouwen / Zweert/ Dieberpe / Moozderne / zijn verbloe-
en Diergelijke grouwelen ende fchanden meer / Tin det
dewelke gn altijdt fegget datfe volgen unt den —* nn
Doop / en vervolget alfo alle wat des Beeren
mondt bebolen/ ende de Heplige Apoſtelen
geleecdt ende gebrunckt hebben / ende bzen⸗
get
tans de dom-
— —
Een Vermaninge aen Overigheydt. 55
ige oproerifche Secten / die en hebben de ſommige níet belient / daerom Apza.
ier de ber ——— coepei/|( hebben daer fa vele gefteupkelt en gedwaelt / 2Con1r.1s-
en u blaedt worgen / wel gedaen heeten moet. | En Fijn Doo? De berlepders (eplacen) op den
Peen / lieve Beeren / neen / heten fal u niet krommen wegh gekomen / maer door den doop
magen bebruden in den dagh der gevechhtighept en is't niet geſchied / want dat ſtomme aj erf
Gods. cit ſpꝛeeke u de waerhepdt in Chri⸗ tiſche water noch leeren noch bekeren en kau ;
tuearso. fla) neemt waer / de recht gedoopte Jonge⸗ maer het is Door De valſche Pꝛopheten geſchiet /
ren Cheiſtl / die met den Geeft ende Bper van daer voos (ſegge ick wp van Des Heeren epgen
binnen / ende met den Water ban bupten na | mondt fo getrouwelijk gewaerſchouwet EU
het inhoudt van Godts Wood gedoopt zjn, Lieve Heeren / vzeeſt Godt/ ende oordeeldt
Die ſeifde en keimen geen wapenen / dan alleen recht; De waerhepdt Gods en magt immers,
Matt.rens; berduldigtept / hopen / Zwijgen / ende Gods | om deg Dupvels leugen/ geen bervoeringe Fi —
El3015- Wood. De Wapenen onfes idderſchaps dinalinge warden. Ech neen / Gods Woozd Tren,
Wapenen _(fept Paulus) en zijn niet vleeſchelijk / Maer blijft ín der eeuwighent. p …_ De vromeen
der wacrache ractitigh voor God / om te verſtooren de aen- | Sullen oolt de vzome Engel: om Lucifers behooren
enen zijn flagen / ende alle hoogheden die haet verheffen | hooveerdighept/ boos geooedeelt / en met ſijn niet in des
geeftelijk. tegen de bekentenifte Gods ende —— al ir — —— * on —F
300r.10.4. oo ——
Erg — — ——0 Ae nr / — Gal.6.7.
è én geen wapenen Daer | een pegelijfs fal fijn epgen Taft drager
—— Gaten verwoeſt / en fal niet dragen De misdaed des faans / nachte —
FDueven ende Pooten bzeelt / ende Dat men⸗ de faane oolk niet de migdaed Des vaders / mact Ez:19-20.
fchelijkte bloedt als water vergiet A * ʒiele die daer ſondight / die ſal den doodt ſter⸗
ijjn We men dat Geefte: | Den.
B vraat Úik Eels beefloa/ Dat godloog| Wat kon men dat Chꝛiſto en de Apoſtoliſche ver 3 —
—— ín de Confcientien der menſchen te niete leeringe verwijten / Dat de Dader der leugenen cars.
gier de Lig: Doet/ ende De fEcenige harde herten verplet / onder Chriſtus naem verwekte Die de beſnijdin⸗ en 6. 15.
hamen. ¶ Dewelcke haet leef dage van dent Pemelfchen | ge alg nodigt) tat der falighent dreven. —
Douwe des Hepligen Woords novt bedzoopen | Dat de dooden aen Den Jongſten dagh nf
zijn geroeeft/ wap hebben en kennen aok ans | bezrijfen ſullen: Aar PRS
ders geen wapenen meer / dat weet De Hee⸗ Dat Philetus en mens ín boer mh
te / al fouden wyin dunſent ficken verſcheurt ey gij dee Dooden doen al geſchiedt
worden / ende ſo veel valſche getungen / tegen
dat / en zant Dat ſommige voorgaven / dat den grooten
oa be oever her se —— —— dagh des Heereñ Goor De deure was. iTels. 3
Wat meen —— —* ——
Í aient / onfe zwaert Nicolaiten hare brouwen in't gemeen gebzupk⸗
Lue.rt. 28 — — —F * — nge ís ten gelijli alg Euſebius verhaelt : * a
Hers. _ Dat vepmoedigh/vaft ende ougeverwede Geloo:| Datde Ebioniterg de Bodlent Cheiſti ver⸗ ——
—— : Aer / Metael / Spieſ⸗ ſaekten en leerden Dat Chꝛiſtus eerſt in IDaria jn Pons
E be aen Chriſtum Jeſu: Er batdege kr
longen Gerende Swaerden laten wp den genen Die | fijn beginfel genomen hadde. Lude |
(eplacen ) menfchen ende gerkkeng-blaedt bp na rinthiani hielden / dat De werelt Doo? De Enge⸗ ier afteeft
helt gelijken paijg achten. Dic verſtandigh is / | len gemaekt was / dat Chriſtus niet meet als men indé
Die oopdeele wat ick meene.
ach eens / onfe wagenborgh is Chꝛiſtus /
een tmenfche en Was / — semi, —— Hiftorien.
ope Veeren / dat 'er | maer met ong in ’t toekomende nach vezrijſen
—— ———— met een⸗ | ende daer na dupſent jaer met den ſijnen ín deg
besten Doop / uptterlijf ín ben fchijn met ong vleeſchs luft noch regeeren foude. —
doopt zijn / gelijkt als ook Sieven / Moorz⸗Alle deſe Secten voerden haer ín der Apo⸗
Benares} Straetfchenders / Tovenaers / en | ffelen tijden/ nochtans is dat Euangelium
ſucke lieden meet / inet u ooch gedoopt zijn / | Chziftijdat waerachtige Euangelium ende de
maer fp en zijn van den onfen niet geweeſt / | Teeringe dev Npoftelen/ De rechte Leeringe qe
want hadden ff van ons geweeft (gelijk Joan | bleven, in deltbe Ro,16.16
es fept) fin waren wel bp ons ebleven. De Schꝛift leect/Dat men alfodanige ete” Ro.16.16,
5 Palfche Ehrſienen ende Valſche Propheten | makerg/ en Hetterfche menfchen fchouwen en 5,
Matag.rr (ſpeeeut Chriſtus ſulſen dpſtaen / en groote | mijden fal/wp berhoopen ook dat felfoe ín goet: , oane.
* telsenen en wonderdaden doen/ alſo oock Dat De | williger gehoorſaemhept te achtervolgen alle de
uptberkkoren (‘waer ’t mogelijk) fn Dwalinge | dagen onfeS lebens.
den gelept worden. Siet lick heb’tutebvoo-| WPierom/mijn heve Leeren / foo boert doch
foude rant ín defe onfe fake cen onpactpdigh/ ende een
fe Waerſchouwinge Chꝛiſti en is Den verſtandigh oosdeel / als boo? uwen Godt / Die
G ddeloofen gerffockten, verachters niet gez | aol w aen fijnen Dage oordeelen fal / dat re
fi bied / antde felfde zijn doch in Dat net | wp om Jeſus wille / want wp en foeckten hier |
J ongerechtigheyt alrede al verſtrikt: maer fps | op deſer aerden niet (Dat weet DE deere) DAN ons wecken
penn genen gefchjicd/ die van gebeokender her⸗ | den rechten grond der Waerhent | den P28 en wort zie
* —— zielen zyn op Dat fp de gee- | Chifti/ De gehoorſgenhent Des Woods / Cn often
ften fouden leeren kennen | en haer niet in dDwaz | dat in een goede confcientie / gelijkt als wp met …n gea
{nae laten boeren/want de Dunvel gaet om de | Schriften / Wooden / Goed / Bloed / Leven dagh ge
Bodu gefende Geenen (fepdt Petrus) als een | en Dood Booz De gantfche Werelt bewijfen en bracht.
Bet 5. briefichende Teeuwe / faecltende wie hp magt) | openbaer maken.
, Wp ſcheyben u de Waerhepdt ín Chzifto
bert es uobels liſtigheyt / en fchalkhent/ die
ende en liegen níet/ alg dat wp geenen ween
hem met Engelfcher klaerhept vercieren kan/ | winks na den Geeft kennen/leeven/ en —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Pí.2. 6.
Cn 47 Je
El3j. 22.
Je.sr. 14.
Zach 9.9,
Mat.2 1.5.
Joan.r. 21.
1Cor.2. 6,
Ap.17. 14.
en 19. 16.
2Reg. 1. 39.
2Reg. 8. 20.
Pí 89.19.
Eſa.ↄ. 5.
Lu.r.29.
Mat 17.24.
en 22. 16.
Rom.13.t.
Tiz. Le
Tit.3. te
rPet.2. 13.
De Chrifte-
nen en zijn
geen over-
heyt onge-
hoorfaem
wanneer dat
fy niet tegen
Gods woort
noch Boven ín Den Hemel / noch beneden
op Der aerden Dan alleen. den eenigen cen
wigen en waerachtigen Vortintt Davbvid / in den
Geeft Chꝛiſtum Jeſum / dieeen Heere adder
Heeren en een Konuk aller Koningen ig, En
ſo daer pemandt ig die hem irt Like Chꝛiſti
cn fijn vegiment Lao? een Koninck opwerpt /
gelijkt Gan ban Kepden binnen Munſter gez
daen heeft / Dat die feif De met Adonia de ſtraffe
niet ontgaen en fat / Want de waerachtige Daz
lomon / Chriſtus Jeſus / moet alleene Dat Lijkt
behouden / en op Dabids ſtoel fitten eeuwiglii.
Maer naden bleefche leeren en Germanen
wp Hepfeten ende Koningen / Heeren / Porſten
en alle Oberigheden redelijke gehaogfaembent
te bewijſen in alte tijdlijchke handelen en Poli⸗
cien/ foo vezre alg De felfde niet tegen Gades
Wooꝛt en zijn.
Wp en leeren noch bekennen anders geen
zweert noch oproer ín Chriſtus Nijlt en Herle)
dan alleen Dat ſcherpe zweert deg Geeſtes/
Gods Wood / gelijk als hier ende in al onſe
en gebieden. Schriften genoegh verklaert is / Dat ſcherper
Ap.1.16.
En 2. Iz.
en 19.21.
Mat.10,35:
Rom.13eLe
1Pet.2.13.
De Chrifte-
nen en op-
roeren niet
dan met
Gods woort.
Gen 9.6.
Mat.26.5 Le
Mat. 19.4.
Ma.1C:6.
Ep.5.22.
Mat. 5.3 2e
Mar.10. II.
Gen.2.26.
Mat.r 0.6.
1Cor7.15,
Rom.14-17:
Ioan.16.36e
Iob r. 21.
iTi.6, 7.
en doordringender is dan eenigh zweert / Dat
aen bepden zijden fmjt en tet des Heeren mond
voort komt. Daer mede Wp oproerigh makken
den Dader tegen fijnen Done / en den Sane tez
gen ſijnen Dader / de Moeder tegen hate Doch⸗
ter / en des Soons Pzouwe tegen haers mans
Moeder / maer dat zweert der Wereltlijchter
Politien laten Wp den genen Die dat bevolen is /
een pegelijkt wachte hem dat hy hem aen dat
zweert niet en vergrijpe / op Dat ba in deg
zweerts fivaffe niet vervalle.
Wyen bekennen / leeren noch en confenteez
veh anders ooit geene Echt / dan ons Chꝛiſtus
t ſamen met fijn Apoſtelen inde openbare klaz
ve letter ín dat nieuwe Teftament geleert heb⸗
ben / vatttelijfk een Hert en een Vzouwe / ende
dat díe ſelfde niet dan om oberfgelen mogen
ſchepden / Want fp twee zijn een vleeſch / ende
ook ſoo de ongeloobige ſcheyt / ſoo en ſtatt de
Broeder noch de Suſter niet verbonden in al?
fodantgen gevalle.
Geen vijft kennen /letven / of ſoeken wy dan
Dat Heerlijke Wijk Cheiſti/ dat eeuwigh due:
ten fal/ Dat Welke geen peoncken / praten /
goud/ fiber / eeten en drincken / maet gerech⸗
tigheyt / beede / en vzeughde ín den Pepligen
Geeftzp. Want won bekennen met Chriſto/
dat ong Wijk nict ín deſe werelt enig. Vp en
hebben niet in deſe werelt gebzaght / daerom en
fallen top Daer oolt niet weder unt brengen / gez
Allé doodt- lijft De Schrift fent.
flager en
heeft geen
eeuwigh le-
ven in hem
blyvende.
Rom.1.26.
Gal. s.2t,
loan.z21.
Ap.22-15.
Geen moozderpe en kennen wu / noch wepe
niger leeren en confenteeven Wss / want bop gez
looven waerachtigh / dat een doodſlager geen
lot of deel aen Gods Lijk en heeft. Och ite ve
Weeren / hoe ſouden wp doch eenigh menschen
bloet begeeven / daer ap felve alle dage ſterven
om der menſchen wille / ende voor God niet en
Der Chrifte-fgeclken/ dat Weet de Heere díe ons geſchapen
hen wrake is
het quaet
met goet te
vergelden.
Peut.z2.3 4e
Prov.25.21-
Heb.10.30.
Rom.12.20e
Mat.5.44
100r. 13.5.
Een waer-
heeft / dan dat wy de gantſche Wijde wereldt
alſoo met leere / leben / bloedt en doodt mogen
onderwijſen en voorgaen / dat fin moghten na⸗
dencken / opwaecken / boete doen ende ſaligh
worden; want dat is Der reyner lief den aerdt
en natuere / om voor have bervolgers te bidden /
goedt voor quaet te doen / fijnen Dpand lief te
hebben / vnerige Kolen ap fijn hooft te vergade:
achtigh Chri-ken / en dien De wzake op te geben die daer vecht
fen en be-
oogdeelen fal.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Een Vermaningeaende Overigheyt.
Vp en Kenmen geen dieverne / noch Beel wen⸗ noort niet
niger leeren en confenteeven wyſe nraer Wp weyniger fij-
ftaen oge: Cod ende den menfchen Berent ont har net.
engen gacben / goudt / hups / hof en alles Wat ben als hem
wu hebeen (boe wepnigh dat'et oolt zu9) daer elven.
toe oactt onſen ſueren zwetigen avbepdt / den DELL
vechten arinen tot haerer nooddzuft ban ge⸗ rosrz.
heelder heeten mede te deylen / gelijk ong De Mar.s.44-
Heeren Beeft en Woordt / en De waerachtige Luc.6-27-
Graederlijke liefde / dat felfbe lecten ende mede- GAL
beengen. Wp weeten oolt wel / alg dat dieve⸗ rp.4.28.
vpe met cen uptgedzukt woord in Dee Scheift Colz.32-
verboden is. Endat ſy nader menfchen Joz if 13.16,
licien en gebak met de galge/ et na Godts —
vecht (is't dat ſn haer nieten bekeeren) met en 4.7.
dert ceuwigen doodt geſtraft worden. **
De Almachtige Bermhertige Heere fal on Deurs:
getwijffelt alle vrome dBodhzeefende herten) die Rom.r3.9.
gem kennen en met getvouwer neerftighepdt Ep-4-28-
meptten / boor alfulke verſchrickelijſie Dwalin: '“9°'3°
gen en godloofe grouwelen / daag fijn baderlicz
ke genade) Geeft en kracht/ wel tot aen ’t eyn⸗
de toe fonder aenftootinge behoeden ende bewa⸗
ven.
Enof’tfalte waer / dat ’er noch op eenige
plaetfen eenigh oberblijffel van fodanige grou:
wel-Danbers zijn moghten / ( d'welli my gehee⸗
lijk onlennelhk is) en pet Wat aenrechten wil⸗
den Dat unt den Dupbel waer / ſullen mijn
lieve Heeren weten / dat ſy van't beginfel af
bunten ons geweeſt hebben / en eeuwigh bun⸗
ten ong blijven ſullen /’tent zy Dan dat ſy haer
gan herten helteeven / ecn waerachtige boete
doen en een met Cheiſtus Geeft / leere en vooz⸗
beeldt worden / alg de Schziſt leert. De lieve
Heere gunne haer / Dat fp magen opwalien / oo⸗
gen vijgen / haet Werkt leecen Kennen / hare
ſchande fien / ende ban des Dunbels ſtrick log
worden / daer mede de arme ellendige leden na
fijnen Wille ſoo jammerlijk gevangen zijn.
Hieromme / liebe Heeren / wacht u dat an
boch den roekelooſen en onvberſtandigen (nt De Vorften
gerichte over het geloove niet gelijk en zijt / Die jr eenen
Daer fander eenige Bekenteniffe der falen / al8 veent ce
dat onbernuftige gedierte va haer goeddunc- richten.
lien en moetwille baogt-baren / fchelden dat Lud-1- 10.
goede / en prijfen Dat quade / vervolgen en ber? ‚neg 3.5.
doemen dat fa niet en verſtaen.
Aacheens/fede iclt / en Wilt fodanige bloed:
gierige berwoede/ weeede menſchen niet gez
ijk zijn / maer onderfoeckt de Schaift met bez
ben / bidt met Salomon om wijshept / fiet op
Chꝛiſtus Geeſt / Woord / daen / en voorbeelt / en
richtet alfo ven onpartudgih en vecht gerichte R
na de waerhept / gelijk allen Princen en Rich⸗ peu.aar:
ters van Godt in det Schyzift opgelent en bebo⸗ en 17- 13-
lenis / als gehoort is
Och / lieve Heeren / nemet waer / is ons Bee zra.15. s.
loove / eere / Satramenten / Handelen doen ler-22-13-
niet wpt God / gelijk wp alderwegen gelaſtert 83 rs a
worden / fo zijn wp de ellendigfte van allemen: 8
fchen die op aerden zijn / Want Wp bier ín deſer
werelt alle mans vervoerders / ketters / weder⸗
doopers / boeven / Loetbantkt en voof zijn moer
ten: flaken/ galgen/ raden / zweert / oper /
water / en alles dzagen moeten / en onfe arme
ellendige zielen / moeften dan noch een epgens
dom der Dupbelen en der Hellen brandt zijn /
hae Wel wy in onfer armer zwakthept den Dees
te fa hertelijken ſoeken / en het fo vecht goedt
meenen/ gelijkmen fien magh. Och neen/ mijn
lee Heerem neen / Chriſtus Geeft; leeve ag.
Lal
— —
317 ven en ſullen ous miet bedriegen; want fijn
3. woozt is De waerhent en fija gebod dat eeuwige
leen. Godts belofte ftact baft eude onder
weeglijk /ende en fal den Godbruchtigen nim⸗
mermeer facljeeten,
—* hengst Daerom bidden ende vermanen tun / fac
—— raden ende begeeren / Dat gn doch eens Ans
tigheyrfal ſoecken tegen uwe ſoecken/ onſen Geeft te:
—— gen uwen Geeſt / onſe leere tegen der geleer⸗
Maryig. Den Leere / onſen Wandel tegen uwen wan⸗
del / onfe armoede tegen uwe rijke dagen /
onſe verachtinge ende beefmaethent tegen u⸗
We eerſoecken / onfe dzuck ende dzroeffeniſſe
tegen uwe welluſt ende vol leben / onfe lijdt⸗
faembept tegen uwe tpranníe/ ende onſe hers
de banden ende ſmadelijcken Dood tegen uwe
ongenadige verwoede en onbermhertige weeet
eptfetten Wilt: (ich ſpreeke van Die / Die fchult
zoek e- ebben/ bevint gp Dan Dat uwe leere / geloove /
wijlen mer leven / ſoecken endedoen/ met Des Meeren
Gods Geeft Geeft / WDoort en even ſtemmet / ende beter
en Woort, dan dat onſe is / ſoo onderwij ſt ons met ecnen
henkeren Daderlijken Geeſt / Wp willen fo geerne hoo⸗
zweer ten ende gehoorſaem zijn / Want de Waer:
bende begeeren wy nae te komen tot ín den
godt,
Maer en kont qn ons met de Schrift niet
ſtraffen / ende kent qu dat onfe het befte te zijn/
foo isꝰt immers geheel hepdenfch ja godioos
ende tyramniſch / ong met gewelt ende zweert |
upt dat leven in den doodt / ende upt den He⸗
Een Vermaningeaende Overigheyt. 57
Dat verteerende bper/ voor welkers hittighent ers ;:
de Bergen fmelten moeten / uwen vleeſchlic⸗
fen fin / en Aerdſche gemoed toegeben en wij:
hen wil: Deen / nern / voor hem ig de groote S2p.6-4-
als de Klepue / de rijke alg de arme / De ſterke —
als de zwaclie / de geleerde als de ongeleerde De de
kloecke als de Dwaft / bp hem en is GLE aen⸗ Rom. 11.
fien Der perſoonen / al die hem niet cn bzeefen / dl — —
haer na fijnen racdt / leere / geeft en boozbeeldt „277 9
niet en ſchicken / hn 3u Kepfer of Wonik/ Doc: geroof:, en
ter of Wicentíiact / moeten eeuwigh fijn ſtraffe Lal ° leven
dragen / ende fijn gerichte ende toopn onder: niet hepren
worpen zijn. toorne Gods
Lieve Heeren / vreeſt Godt / handelt recht / drijft op hen:
leert wijsheut en waerbent/repnight uwe ham loan-3-36.
den Die van den bloede der onfchuldiger drun⸗
pen ende nat zijn / en denkt na / hoe Be rechte
veerdige Godt alle onrecht / weretheyt ende
gewelt tot fijner tijd ſtraffet / en hoe beet hy dat
onſchuldigh bloed / marteliſatie / en dood ſijnder
Henligen aen den moetwilligen bloedgierigen
Cprannen van den beginſel tot noch toe gez
werolien en verſocht heeft.
De bloeddozſtige Cain moefte een vervloelit Cain.
vluchtig Ballink zijn in Den lande fijn leefda⸗ Gen-+'4-
ge / om dat hp fijnen onfchuldigen Weoeder
Abel fo branthjelten vermoort hadde.
De onbarmhertige wreede moorder Pharao) Ex. 14. 24
is doo? Gods rechtveerdigh gericht met fijnen Ex-*- *
gantſchen hep? in de roode zee omgebraght /
en 3.7.
am fijne onbermhertige wreede Cprannie en en 4. zr.
mel in der Hellen te Dingen / moet qu ooft be⸗ hoogmoed / Die haaende Uinderen Facobs / —
lijden ende toeſtaen / maer fa beel befchepden: | Gods vollt / bewees.
hent (vreeſe ick ) en fal men aen ang ellendige
Kinderen niet bewijfen / Dat men eenmael de
falte op De Wage des Bepligen Woorts woege, | bloede des Dromen Za
ende met het rechtſnoer Chziſti af mate / maer
| Der Papen fchelden / vezraden ende oproeren /
Der Werelt gok uwe onbermhertige Mandamenten ende
Khrijfer … Placcaten moeten onfe Schgift en uwe Hac-
overden hers / Beuls / Coorns / Pijnbanlien Water /
Godvruch- Stalien / Vper / en Sweert / (O Godt )onfe on⸗
Re derwijſers en leeraers zijn Daer wp bedzoef de
Kinderen aen beel plaetfen hooren en oolt ten
factften met onfe goedt ende bloedt dancken
moeten.
Maer hoe hem dit met Chriſtus Geeſt / Le⸗
re / Leven / ende met der Chziftelijker befchen=
denhent / lief de ende betendelijkbept vijmet /
mogen mijn liebe Heeren een weynigh bzeeder
Geerten _ Bloedt Pꝛedikers , Die ſullts leeren en raden / en
Woord niet alle vegenten die Dat gebruncken en voorſtaen
een en isen Chꝛiſtus Diſcipulen niet en zijn / de uure uws
Chifen, Leelenfchaps/ als gp moet van hiet ſchepden /
fal u wel de waerhent leeren. Weten betaemt
(nummers níet (fept Cipzianug) dat. aldus
danigen Leeuwen caferpe / en Wolven wzeet-
hept fal wonen in een Chriſten heete. Och hoe
goed waer het ſommige vanu/ ja hae goedt
waer het dat fn nimmermeer geboten en wa⸗
ren / want zer veel noch Wet noch) Euange⸗
lium / noch Wemel / noch Welle / noch Godt /
noch Dupbel en achten / maer dat booſe vleeſch
wil fijnen Wille hebben / en na fijnen fin boort:
baten.
Meunt qu liebe Heeren / dat de Almachti⸗
| ge Goden Heere / Die Wemel ende Aerde met
—** ſunder hand grijpt / die doodt ende levendigh
Heba, maeckt /de regnerende Konink over al / die het
met den woorde fijner ſterckhendt alles onder
houd / op bzengt / en Weder te niette maecht
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Joas / Wert bau fijn engen knechten omge: wis
bracht tot eender Weaken Des onfchuidigen water
íe/ Die ho tuffchen tyrannyfeer=
den Tempel ende den Altaer ballendede. _ dsaliois hy
Manaſſe wert gevankelijkken in Babel wech om met den
gevoert / am fijne groote grouwelen en afgo⸗ Water van
Berpe Die hn Dede / en om dat onnoſel bloet daer Fres.
en hp Gecufalem tot den monde toc vervult Manage,
a ge.
Achab Wert met eenen pijl doorz · ſchooten / -Reg. 12 ze.
ende fijn bloed van Den honden bp dat water
Samaríe opgelekt. Ende fijn Pupg-ozou Ber spans.
fabel ter benfteren uptgeftooten / met peerden Achab.
overtreden /en haer vleeſch van Den honden gez —— 34
geten, Cot ſtraffe haerder godtlooſen hãan⸗· 3.
delen / ende des Bloedts Naboth na den aneg.z1. 18
i A woorde des Beeren door Eliam den Chisbiter. sanherib
Diemet _ madenchen: Ick Weet wel gewis/ dat alle
Sanherib moefte van Jeruſalem met ſchan⸗ ien
de aftrecken / om fijn lafterlijct haogfip2e- Reg 19. 35.
ken / daer mede hu den Alderhoogſten Bodt EL 35.18.
geſchent hadt/ de Engel deg Heeren ſloegh cn 37-56.
in —* leger hondert en tachtentigh dumfendt
in eender nacht / en hu ſelbe Wert doorftelten
rien hd —— feeen kinderen ín
en Tempel fij iſroth —
Debucadne zat om fijng hoagindedg wille Noucadae·
ban den lieden berſtooten ſeben tijden of jaren ren groot
fantt/ wert den onvedelijcken beeften gelijck) en vertchric:
ginck wepden ap den belde / at gras alg een kelijk
Offe/ lagh onder deg Hemels dauwe / ende werk Goan
wert nat/ totdat fijn hap? wies fo groot als pan. ,.32.
Arents bederen / ende fijn nagelen alg bogels-
Klaeuwen werden.
Belſazar beafte met ſijnen geweldigen Belfazar.
hooft-lieden / vrouwen / ende Concubinen/en Ue
waren bzolfjk/ Droncken unt de Peplige Dar uden dert
ten/ die Hebucadnezar fijn Dader upt den geweldigen
@Cempel tot been root adde / ende —— ver⸗
boen fa nu ín bolder gie 8 eren
U
2 Dans: te
3197 B 28
58 Een Vermaninge aen de Overigheydt,
vzeughden leefden / en haer gulden / fileren / heylige en Waerachtige/ hoelange vicht gp / Ap.G. re.
looperen/pferen/ en ſtenen Goden prefen/is De | ende en wzeekt onfe bloedt niet aen die / Die op
onboetveerdige verſtockte Cyran in den felfden | aerden waonen: Sproepen (ſegge ick) ende rac.;.a.
nacht ſonder alte barmhertighendt van Godt | haer roepen klinkt ín de ooven Des Weeren Dez
eſtraft / dat heop een vepfe verloor landen en | baoth. Wzekende fal hyſe weeken / ende dat
feden/lijf en leven. bloet fijnder knechten ban uwen handen ep⸗
Antiochus. Antiochus met den toename de Edele / cen | fchen.
Macs.) Loninſi en Doeft alderboosthent / en een Ep-{ Onfchuldight u daer mede niet qp liebe Hee⸗
tan allert Cprannen/ wert met ſullie plage | ven ende Nechters / Dat qu keyſers Dicnaerg
ban Godt geplaegt/ datde mapen noch bu) zijt / het en fal u niet magen vzyen in den dagh
—— ſijnen leven upt fijnen vleeſche kriemelden / en | der weaelien het en heeft Pilato niet gevoꝛdert Fem aen
tyrannie, _ qantfche ſtucken ban fijnen lijve afvielen / dat hp —— in des kepſers naem krupſte / CHESS
alfo was ook fanck foo grouwelijck / dat niemand boor | dient den Kepſer in Menferlijkte ſaken / ſoo Veste enrchen te
—— den ſtanck blijven / dock ſelfs niet verdzagen | de Schzift toe laet / ende Dient Godt in Bad: decken, is al
— tijche ſaecken / ſoo mooght opu der genaden verlooren,
en konde Godts Kechtveerdigen Caan
dzonah ober den Bodtlaofen Booswicht / en —— ende na des Heeren naem noemen
aten.
moeſte alſoo met ongehoozder pijne en ſmer⸗ ns 5 re
te/ zijn haoveerdighh / bloedtgierigh / onrecht⸗ Gꝛijpt niet in Dat recht ende tijk Cheiſti / waer Chri-
beerdigh leben epnden / en ban der Werelt afz | want hpís alleen De Begeerder der confcien: ftus —
ſchenden. tien / en behalven hem en ig geen ander meer ergen, dacs
Herodes. Herodes met fijnen Woninklijken klecde op: | die fact ín Defer falien u Keyſer / ende fijn hep⸗ en wort dat
gepzontit / ende in fijnen echtſtoel gefeten / | ligh Woordt u Placcaet zijn / foo ſult gpdeg ontchuldigh
heeft Gem dooz deg volks plupmfieijcken/ op — en wozgens welhaeſt ſadt en moede a
erden.
fijn wel ſpreken ende wijshept in fijner herten
tegen fijnen Godt verheven / is ban ftonden| Bp moet uwen Godt boen den Keyſer
—— hooren / en fijn Woord meer als deg Kepfers
Herodes aen ban deg Heeren Engel geflagen/ Wort ik
hoste Wanden wormen gegeten. Ende heeft na Cu- | Woozdt gehoorſaem zijn / ſoo niet / ſoo zijt gn de
Aîzazr. ſebius fchzijben foo eenen uptgantt ban fijnen | Kichter daer bp Micheam af geſchzeven ſtaet:
Sp ftaen flechtg daer na Dat fn bloet vergieten)
bleefche gemaeckt/ dat hem billick alle hoor ſſecht
beerdige foute Cyrannen daer aen ſpiegelen cen pegelijckt jaeght den anderen dat hu hert
ende een berfcheichen nemen mogen. verderve / ende meenen ſy doen Wel daer aen
Somma/ hoe Dat Pilato; Neroni / Dor | wanneer fp quaedtdoen. Wat de Dozft wil dat
mitiano / Maximinio/ Diocletiano / met al: | fpgeecht De Hechter op dat hn hem weder eenen
len wzeden en bloeddorſtigen Cpraunen / gee | Dienftdaen fal/ de geweldige raden na haren
meenlijkt gegaen is / ende wat epnde ſy genoz | moetwille fchande te doen ende Dzapen ’t foo fa
men hebben / die tegen Chziftum en fijn hep: | willen/ de alderbefte onder haer is alg Door: Mmic.7.5.
ligen op ffonden/ mach men bepde ín der fchaift nen / ende De alderredelijchfte als diftelen /
en Hiſtozien· ſchrijvers na foelsen. _ {maer alg Den dagh Des Pzedikants komen
Met Wat doodt ende confcientie fannnige | fal dat ſy berfocht ſullen worden / dan fullen
bloedſchuldige nu tot onfe tijden haer affchept | fh niet weten waer, henen.
b Hierom en ficijt niet langer tegen Dat Aas 4:
upt Defer werelt genomen hebben/ wíl ick om
Pike han. oorſake in der pennelaten/ evenwel ſoo beel | Wam ende fijn Aptberlioorenẽ / het falu al
delen op den feggen hee haer noch Keyſer / noch Placcaet /
Keyferen daer op fo haer bp haren leven altoos berie⸗
fijn Maces. pen / ín De uuve haers ſtervens ſtillen noch vre⸗
penheet _ Digenen konde / maer menichmael upt berz
rechtop _ fichtender herten met klagender ſtemmen
tookende haer ober Dat ontſchuldigh blaedt bekonnnert
wen, dat ſy in deg Wepfers naem vergoten hadden
en gefept : Wy ellendige menfchen / hoe fullen
wp ’t nu maken.
E heet ballen tegen defen fcherpen prickel te
ooten.
_Gufult mogelijken met allen) Derachterg zPet5-
íu uwe herten fpzeechen / Waer blijft de bez
lofte fijnec toekomſt: Och lieve Weeren nez
met waer / Wp hebben Diet ſoo bele gekent / Ick hebbe
Die met u in zijden ende flouweel / met gout Gpres*
ende filber hiet gepzaelt op haoge ſtoelen qe: Godioors
feten ende ober Dat onfchuldigk bloed gericht geen die
@ Godt wat raed: Lieke Edele Weeren hebben / maer nu en zijn fn niet meer / men was in
2Pets.toe wat raed : hoe wilt dach met uwe arme zielen | vzaegt na hare ſtede / ende ſy en is niet te vin
ftaen ín den dach / alg De Hemelen vergaen ful- | d |
len met groot gekraeck / ende De Elementen
ban grooter bitten ſmelten / alg de gerde ber:
brandt fal worden / en alle werken Die Daer ín | Der / fict op / en betert u / wp fien met openen ginck, fiet
zijn/ alg alle boor den rechtveerdigen
oogen dat de beam knopt / Die ſomer in Det doen was hy
ape 6. Hechter beefchijnen en boor den onpartpdigen | deuren is / en dat onfe verloſſer haeſt / Die alle wegh ick
2Cors.ro. recht · ſtoel treden moeten daer een negelijk loon | ellendige bedroefde zielenupt aller noodt erz j1cEnde na
P{2r,ro, _ WA fijnen wercken ontfangen fal. De behoe⸗ loſſen / en alte ſtoute verachters met haren ver⸗ en wert hy
Hebao.37. der Iſraẽl en flaept noch en flupmert níet. Het | dienden foon bergelden fl. nergens ge-
is maer om een klepn wepnigt te doen / faofal | Ja den dagh kamt ende en is níet gezve Daer vonden
bp komen die Daer komen fal / ja hy fal komen | fn de rechtveerdige fullen flaen met grooter *7**"
_en níet vertoeven. _____ (bepmoedighepdt / tegen Die Diefe benauwt ende
Hierom / laet afden HEEENG te grijpen in | haren acbent wegh; genomen hebben / want
Zach, a.d. fijn ooge/ Want wie fijn Hepligen roert / Die | ſy Dan fulkgfien/ fullen fn met vzeefelijcker
roert Den appel finder oagen / ontfiet doch ue | berſchrikinge bevfchzicht worden / en ſp ſullen
we epgen zielen die dat eeuwigk met den dood | hen berwonderen ober ſullie ſalighept / fp ſullen
ín det helſcher qualen betalen moeten / fo gp | fuchten unt benauthept des Geeſtes / leetdraz
u niet van gantſcher heeten tot Godt en be, | gen ſeggen / Dit fijn Die / die wy vooztijds befpot
Keert / ende ban den bloede fijnder hepligen af; | en befchimpt hebben / wp dwaſen hielden haer
fact Dagelijks vaepen fp tot hem / O Meere gy (leben boo? onfinnighepdt en haer epnde Loor
ſchan⸗
groenen lau-
en.
Den dagh fal hiet boor beeechen alg eenen werboom
blixem / ende uure hem haeften alg cen onwe⸗ doen men
voor b
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ſchandt / fiet! vu zijn fin onder Godts kinde:
ren geveltent / ende haer erve is onder fijn Hey⸗
ligen / daeromme zijn Lap ban den wegh det
waerhent afgedwaelt / ende Dat licht dec vecht:
beerdighent en heeft ons niet verfchenen / ende
de Sonne degrechten verſtants en is ons niet
opgegaen / wy zijn moede geworden in den
wegh dee ongerechtighepten der verdoeme⸗
niffen / wp hebben zware Wegen gewandelt /
maer Des Heeren wegh en hebben wy niet ge⸗
weten / wat helpt ong nu onfen pzacl: Wat
beengen ong nude rijkommen m met den
hoogmoed : 't is altemael wegh gevaren gez
ijli alg een ſchaduwe / ende alg een gevoep dat
baozbp gact. — —
Zo ſal dat verſchrickelijck onverdzaeghlijck
gerichte gaen over alle die die Bod niet en ken⸗
nen/ endie den Euangelio ons Heeren Jeſu
Peonge- Chrifi niet gehoorꝛſaem en zijn De pijne ſullen
hoorfaem- Ypden / dat eeuwige verderven ban Den aenge⸗
Bit fal dat
klaegliedt
der Godloe-
fen zijn.
Sap.S.le
Dede de fichte Des Weeren / ende van de macht fijnder
fraffe ge- heerlijkhept / wanneer hy kamen fal/ heerlijk
ee & waden in ſijnen heyligen en wonderlijk in
Tellr8. affen geloovigen. Ende fullen hooren : Gaet
— ban wp ap verbloeckte in Dat eeuwige oper /
— * Den Supvel berent is ende fijner Enge⸗
en.
Als dan ſal uwe lacchen in Weenen / uwe
blijdschap in ſmerten / uwe welluftige tijdt⸗
Hijfte leben ín den eeuwigen dood / uwe weelden
ín cen eeuwige wee / uwen hoogmoet in ſtof en
wormen / uwe gewelt in lijden / uwe pꝛacht in
Luc.s. 25. Jeelſſchept verandert / en uwe wreede onbarm⸗
ese hertige tecannie met Dat onbluſſchelijcke Hel⸗
ſche vner betaelt worden. —
PC Dijn lieve Heeren / bp hem en fal niet ver⸗
define boꝛgen noch bergeten blijven / het is de Nich⸗
Rom.8.27. ter Die herten eñ nieren onderſoeckt / Die De
hooghent dee Wemelen/ de diephent des af?
gronds en lengte der aerden doogfiet / die niet
„Cor.s.1e. Alleen de booſe werken / nach de onnutte wooz⸗
Mat.1i.2ee den / maer ook de ontepne bleefchelijke gedachz
EG6634. ten fal ſtraffen en vechten. staand
lieve Veere / OHeere alder Heeren / waer
ſal men dan den Kepſer en fijn Placcaet | de
balfche Propheten en hare looſe Heere binden /
dan fal men himlen en Weenen / en upt bedzuli-
ter zielen coepen : Gp Bergen valt op ons/ en
Ap.6.16. gp Dteen-rotzen berberght ons voor den aen?
vett, gefichte deg geens die op den Stoel fit / en boor
en 1536. Den toorne deg Lams; want gu ſult fien Dat et
nfet dan leugen en wint geweeft on is / daer op
gp u getrooft hebt/ als gefent is. _— _ |
Wie hem Wiebe Weeren/ waelt op/ noch is't hee
beroemen den / roemt niet dat gp upt der Koningen en
vite Boeften ſtammen zijt en genadige Heeren gee
dies dat hy noemt wozt /’t en is —* img of
maet er⸗
my wete en ende 00 moed /
—— Eise erb gu upt Godt geboren wozt / cen
te /_ een koninklijſie Prie⸗
ick de Heere
ben. uptberkkoren geſlach
lers-22, ſterſchap / wi Hepligh Dolkt/ een Dolft Des
iPetzs. · gewing sit / ende fijn deughden verkondight /
Die ong unt der dunſterniſſen tot fijnen won⸗
Derlijcken licht beroepen heeft. ke,
oemt niet dat qu Geweldige op Verden
zijt ende groote macht hebt / maer roemt
e Vanden in reynder Godts
Dies foo qu uwe 2e 1
bzeefe met deugdelijcker Wijshendt in Chꝛi⸗
ſtelhcker gerechtighept regeert tot des Heeren
Peijs.
roemt ook niet dat qu Peeren ende Do
2⸗
ſten / Steden ende Landen dwingen meug
t/
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Aen den Geleerden.
59
maer roemt dies / fen on u Aerdſche ge
moedt bedwingt / uwe wiecfchelijcke aenvech⸗
tingen ín kracht des Geloofs overwint) dat
Geddeloofe weſen afftervet / dooz Chziſtum
truumpheert / ende met allen Bomen Came
peren Gods dat Mijke ter eeren inmeemet/ De beroe-
ende De beloofde Hroone van deg Weeren Er Eaerijker
Handt verlirijgen moogt; Want foo qp ſoo⸗ Koningen.
danige Koningen zijt / zijt qu niet alleen Ko⸗ Ap.10. zo.
ningen naden vleeſche maer ook na, den
Geeft / Die de Prince aldert Haningen bemint)
met fijnen Bloede ban ſouden gewaffehen / Dir Waer
ende tot Honingen ende Priefteren Gode en Koningen
fijnen Dader gemaekt heeft / bebeerfchappen roemen _
ende overwinnen met allen kinderen dBodg heerfehappie
Werelt / Vleefch/ Glaed/ Sonde / Doodt/ 1417
Dunvel / Dalfche Heere / en alle helfche pooz-
ten / fp verblijden haer niet dat hare namen
ín dat KRegiſter der Wereltlijker Woningen /
maer ín Dat Boel: des Levens fn den Hemel
ingefchzesen zijn,
O/ap Hoogberoemde Edele Heeren en Doz:
ſten / wilt doch defe eenvoudige flechte/ jae
dach waerachtige aenwijfmge uws armen Dies
naers ín aller lief den demoedelijk ontfangen /
en niet verachten / daer mede ick uwer alders
weerde hooghent upt fa goeder herten fo gront⸗
lijk vermaent hebbe. |
Siet niet op mijn fchamelhept / oolt wet op
mijne ongeleerthepdt / maer fiet op Chriſtus
Geeft / Woozt en Baorbeelt / Die ick u en allen
menfchen hiet na mijn kleyne gabe / met
goeder trouwe aengeweſen en geleert hebbe.
Doet een vechtfchapen Boete / Die boog
Godt.beftaen kan / huplt ende Weent met :
David / bekleedt u met facen en met. hapren PLUS
hemden / affchen ſtropt op uwe hoafden / bets „par 35.1à.
nedert u met den Konink ban Ninive / bekent
ufchult met Manaſſe / ſterft uwe eergierige
vleeſch ende hooghmoed / vreeſt uwen Heere
uwen Godt upt allen uwen krachten / Bichtet
in alle wijshept met verſchzicken ende been /
helpt den bedzukten / ende en bedzoeft den el⸗
lendigen niet / vordert der Weduwen en Wez
fen falen Daer fp vecht hebben / befchekmt den *6. 16.
goeden / ſtraft den boofen na Chriſteljker actt/ 87
bedient uwe Ampten recht Dat uban Bodt
gegeven is / ſtaet na Dat Kijkt en Wand dat eeu⸗
| wigh blijven fal / ende gedenkt dat gp hier op
(aerden (hoewel hoogh gehouden) niet dan
| Pelgrimmen ende Gaſten in een vrzeemt land
ztje, — |
* —*X gelooft / vzeeſt / bemint / dient / en |
bolaht uwen Peere ende Peplandt Chriſtum Lev.rs.r0.
Jeſum / Want huisde gene / Den welken al⸗ Heb.1:. 15-
fen kiten bupgen moeten. Gods eeuwige Brir.ro.
Woort/ Wijshept / Waerhent /en Sone) fijn za 45.23-
eere ende prijs ſoeckt malle uwe gedachten, Apis. Hr
wooden en weeken / fa ſult grin eeuwighendt je, 3:
Luc.i 1. 3 te
regneeren. Ion.14.6.
Sap.6. ape
Phil.4. —
Reg.iꝛ. 1%
Aen den Geleerden.
He mede wil iclt allen Heeten ende Dore
K ſien / met allen Overigheden en Regen⸗
ten Die van haer gefonden zijn / in Des Wees
| ren Handt laten / ende Wwilmp tot ulieeren /
|@op geleerden / qu Die ulaet duncken / Dat
[op des Hemels Dleutelen hebt / ende des
Bollis Lichten en Oogensinl en wil *
| ì ?
u 60 Aen den Geleerden
1
Lai efen / als met die / welckers ſalighent ick Sacramenten ijn tooberifch/ uive bzoombept
1 ei ie —— ſoecke / dewijle ick met openen | is ten meeftendeel godlooshent / en uwe Godg-
IR | oogen fie/ dat bepde gu ende uwe leerlingen | dienſt ig cen openbaere grouwel en afgoderpe /
J ij ſoo bepmoedelijcken in Dat be te uwer ſommige en bzeefen noch Godt noch
Ian uwer armer zielen loopt / beroemt u eben Dupvel / Gods naem laftert gu / fijn Peplige
ALE wel/ dat gu De gefonden Leeraers / ende u} Moord vervalfcht op / fijne kinderen en diena⸗
Lak Gemeenten / de Gemeenten Cheiſti zijn / en | ren vervolght go / en op fijn genade doet gp alle
EE wil u altefamen KRoomſchen / pete a, quaedt / alleen wanneer gp maer cen ſorgeloos
9 ende Swingelfchen / over deſe volgende Ar⸗ rimm leven boeren en goede Dagen hebben
La ticulen upt goeder trouwen broederlijk ver⸗ meugt ſo is” t wel gemacht: Segget/ lieve) ig 't
J maent hebben ; dat gu doch ten eerſten ilt | niet alfo/waerde mannen / is t niet alſo: Dit is
I Apsit. aenmerken/ hoe dat uwe Ampt en Dienſt immers uwer aller voopacmfte ſoecken en ja⸗
Lan níet wat Godt en Gades Dood / maer UPE gen / groot en lilenn / moet qu beltenmen en taez
IEN den vut deg afaronds hergevloten en gekomen ſtaen want de bucht blijkt door de gantfe Wee
Bin Wieden (3, Want het is openbaet / Dat ap Cheiſtus | velt / en Wil Dat niet fanger verborgen bljven.
00 aes fchent, oord / ordeninge en geboden laftert eirver Och Mannen / annen / nemet waer foo :
J dien al God galght/ ende Aut ichziſtus woord / ordenin⸗ men daor deſen rupmen wegh / Die GD leerdt en dn
BEEN | hemden. ge ende geboden teert ende indzinght/ dat op | wandelt / tot den leben konden ingaen / CUM gie zer hel-
108 Gants Cempel fehendt/ ende Steenen Cem | fe zielen in Godt behouden / moghten wa Wel ten invoert.
118 pelen bouwet ende eert / De levendige Beelden) | klagen en ſeggen / datde Pzopbeten / Apofle- Mat. 13.
EEN | Daer ín Bos Geeft woont / breent / nde gul” ien / en alle getupgen Gods/ daer toe ook Chri⸗
| Deun / ſiberen / ende houten beelden maeckt en ſtus Jeſus ſelve / niet kloeckelijk gehandelt / en
op-pronkt / dat gu dat vꝛoome onbeſtraffelijck ool niet recht tegen ons gedaen hadden Dat
Icven haet / ende dat ongeorzdineerde dülle ſy ín fo veel zwate benautbept /dzuk droeffe⸗ Smal is den
ieven deg vleeſchs met uwen lichtveerdigen niſſe en ſmerte in defen bedzoef den jammerdal Ah, rijke
ererpel lijft ende voorſtaet. Segget / mijn gewandelt / en ong ellendige zwacke kinderen
KNEED du beminde / Waer is dach eenn letter van alle uz op een fo engen wegh geweſen hebben.
IIa peceremo= me hastdelen en Geds-dienft/ als van DIEN) Och neen / mijn beminde / neen / De Waer?
niender Winderdoon / Bozkiecht / Ec. In de gantſche hent fal de waerhent blijven ceuwelijk/ fo ou
geleerden Behpife bebolen: HP’ niet altemale in den niet ín eenen beeteren / Chꝛiſtelijcken fin bez
zijnfondsr grandt entel verwoetinge/gevepufthept/Bods- keert wordet ende uwe verboermaen / en oolt Loan.3.5-
Gods WOO fafter / geaukvael en afgoderpe/ wat gu ten mee⸗ uwe onnutte bleefch-giecige leben niet af n 5.
ftendeel drijft cn boorſtaet: Waer Dat deſe uwe ſterft / geen boete endoet / ende den onmofelen mac. 3.
Dpt en Vienft hergelomen zijn / en upt wie | eenvoudigen kinderen in Der booshept niet ge⸗ —
fin zijn / rade ick u ín trouwer lefden / datgp lijk en wozt/ en fult gu niet mt Pemelvijch Rome. 6.
doeh met der. Schrift in reunder Gods breefe | komen mogen / want bleefchelijk gefint te zijn
eenmael wilt nadenken. (fpgeelit Paulus) is de doodt. npe
Een twetden / merkt aen/ Wat ook indefe | Weert / roept / hoopt ende vaemt hoe ende en middel
uwe Ampt ende Dienſt pgentlijck ban u gez wat ge wilt / wilt an ſaligh worden / fa moet zot der A-
facht wort / gr ende ick hebben hier voortijds | ap op Des Weeren wegh wandelen / ende fijn —— —*
ín eenderlep roepinge / ampt / ende dienſt gez | Woord hooren / ende gehoorſaem zijn / want 5
ſtaen / ende ick bekerme bep upt / dat felt in | Daer eu gelt niet im Hemel noch op Berden / worden „ei
pe vieefche- allen mijn ſtuderen van det jonckhendt aen / om ſaligh te wopden/nochh Ponp/noch achte in’ lieke
üjkezijn Pyedikenende Singen / niet dan een Idel / mael/ noch fchaan fpzeelken / noch geleerdt- wand sien »
vleefchelijk ding / Lecher Weer / Peijs / ende gunst der Geve norh Concilium / noch gewoonte / noch ii.
Komt. menfchen / ja enckel vleeſch ende beukt gefocht | Kepfer / noch placcact / daer tar oolt niet Chri⸗ Schrift.
Soecken hebbe/ totdat mpde genadige groote Heere ſtus met fijn genade / verdienfte / doodt ende
ook niet dan „et fijner genadigen Geeft befchentende/ en | bloet / foo von (verſtaet die ooren hebben am te
* mijns herten oogen opende / dat ick met Den | hooren / ende herten om te perftaen ) niet vpt
* veder Salomon bekende) hae dat alle mijn | Godt geboren worden / fijn woort van herten
gechen / ieben en doen pdel ware / en het epnz gelooven / int licht wandelen / recht doen / ge⸗
de daer van met dan De gewiſſe Helle en Dood | lijk Joannes fept : Dat ig de verkondinge /
en was. die Wp van hem gehooꝛt hebben ent u verkondi⸗
MWaer dat gpnoch dat felvige ſoeckt / is gen / dat Godt een licht 18 / ende geen dupſter⸗
Klaerder / danmen loochenen kan / Want foo | nije ín hee cht (8. Sao wy ſeggen dat wp gez zloan.r.s. » \
Vervloek- Daer geen Proten ende Nooſteren en waren / | meevfchap met hem hebben / en noch mdup”
— — fouden der predinanten / Papen en Monnic⸗ſterniſſe wandelen / ſo liegen ton / ende en doen
aldergro gen wepnigh gevonden Worden / wete ich wel | de waerhept niet / inaer fo Wp in t licht wan⸗
bnn getuiffe;maer fo lange Die zijn/ en fal’t De wez [delen gelijkt als hp in't licht is foo hebben wp
velt aen vervoerders en hupchelaers níet ge: gemeenſchap onder malkanderen / en dat bloet
Beelen. fijns Soons Jeſu Chriſti maeckt ons reyn
a Segget / lieve / wat is doch uwe gantfele | ban alle fonden. ;
KEEN foecken ende doen / dan Werelde / Dleefch /GEbertreders / Overtreders / gaet in uwe Den hoog-
Î Í Bunk ende cen welluftiah Weven : Wie iser) | heeten / neemt mijne Woorden waer / ende moet des
Í
ierten, en
- * pn: Ì
| í € emoed en bleefchelijke Leven leert wijshept / ap die in welluften leeft / ende —
J aderen id beſchehven Kan: Nwer | feker zie / _qp Die in uwe herten ſpreektt: Wy preken der
Í perPredi- · fontmíge promen in bonte / zijde / en fluweel / | zijn t/ en bupten ons enig geen ander meer / geleerden is
| kanten foec- Damdere leven ín de vallen fLps/ deſe gieren en | wat wp gebieden Dat fal gehoort worden / ende E37. h
Geisdients rapen die ſchenden jonkvrouwen ent maegden / wat wp ſpreken / ſal op Aerden gelden / Wp rer.15.28,
de ſonmige beſmetten dat bedde van haren na: | en konnen in der Scheift niet dwalen / in den
ſten der anderen kupsthept is alg de kupshept raedt niet miſſen of faeljeren/ en niet onrechte
Soboma / uwer alder leeve is vervoeriſch/ uwe teeven. Och / och / dat hoogberoemen ef
nnen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Aen den Geleerden. 61
wijshent verlent u / ende den hooghmoet uier | dozr
herten ſtortet u / keert weder / uwen gangh is Herders / Dit zijn De vzuchten Die B voozt
op dat flibberige/ ende uwen wegh leydt tot ’er |beenght / ende De Schapen Die ap wendet / dit
Hellen afqrant. zijn de Gemeenten ende Jongeren / die TP met
Wie hemna ¶ Waerde mannen / leert doch eenmael Ken: | des Heeren Bloedt trooſt / genade ende zede
——— nen Wat Gods eenige ende eeuwige Sone verkondight / Boop en Pachtmael untvenckt.
endedoen Chriftug Jeſus hier op aerden geſocht / wat hp | Schrijve ick onrecht / foa fivaft mp. Oliebe
Schickt, Gl geleert / ende wat Doorbeelde huu nagelaten Heeren / ſoo gantſch hebt on alie Chziftelijke
ed heefc/ fifu foechen was fijn vaders pzijg ende | vedelijkhent ende vernuft / daer toe oock Licht
vide de ſalighept onfer arme zielen / fijn leete was en Schaift verlooren / ende houd alfoo dat arme
fijns Daders Woordt / ende fijnen Loortganctt Domme Volck / geheele Koninckrijcken / Ste:
eenen gewiſſen wegt ín dat Nijcke Gadg: doen | Den ende Wanden / fa de gantſche wijde Wereld
Phila6. huin Goddelijke gedaente was (fepdt Paulus) in aller godlooshept onder Dev ellen gewelt
en heeft hp dat vaor geenen roof geacht / Godt | gevangen) ende dat (@ Godt) am een foo klee⸗
geljck te zijn / maer hu heeft hem ſelben verz | nen loan : te weten / om cen handt val Gerfief
kleent / ende heeft de gedaente eens knechts | ende am een heete Bzoodts / als de Propheet
aengenomen / is arm ende ellendigh ín defe be- | fendt: Och / dat ick doch De leugen ſpraecke /
Luce27. _ Dzoefde Wereld geltomen / hy en had geen plaet⸗ | ende niet de waerheyt: maer Klaet is der Done
Chrifus ſe in de Herbergen doen hn geboorten worde. | nen fchijn / ende noch Klaerder is de waerhept
zijck, als de In de tijt fijns dienſts níet daer op hu fijn hooft | Die ick ſcheijve.
vofichenen ſeggen / noch ín fijn verſterven daer mede hp | Ende dit en is nach níet genoegh / O Man⸗
Vogelen ſyin dozftige heete laven konde : hoewel hp de [nen / Dat que de arme ellendige zielen Dus jam⸗
Lueeg. ‚se. geene Was daer door de Almachtige / Bijche | merlijken bedzieght / gp moet oock noch alten
Matt27.47. Dader alle gefchapen creatueren / wooninge / den genen die Godt ban herten foechen ende
dechfel / ſphs ende dranck befchickte / gelijck | beeefen/ alle ongerechtigtept met leere en leens
Paulus fepdt : Gp weet de genade ons Weeren beſtraffen / ende foa gewillighljck in Chriſto
Jeſu Cheiſti / dat / hoewel hu Njli was/wert hn | Jeſu wandelen / fchelden / fchenden / beliegen /
dach arm om uwent wille / op dat qu doop fijn | verraden / am goet ende bloedt brengen / op Dat
acmoede foud rijck worden. an doch by den volcke in hooger ceren bp uwen
2 Cor.$-9. Pebt genu eenige bzeefe uw's Gods / en- | doen ongelaftert/ bp dat onbelaoglijk gewin
de en wilt qp bepde uwe / ende oock deg ar⸗ onverhindert / ende bp Dat gemachielijche en
men Voiclis Zielen niet moetwillighlijcken í | volle leven tot den epnde toe blijven meught.
den doodt boeren / faa fet nu uw foecken bp | _Och/ hoe vecht zijt gy ban De Wshepdt
Chꝛꝛiſtus foechten / uwe leere bn Chriſtus leeve / | Gods —— die Daer fpzeekst; Wee u/
uwen geeft ba Chriſtus Geeft / ende u leben bp | ap Schziftgeleerde / Pharizeen en Beveynsde /
Theiſtus leben / foa hondt on vecht bevinden / ap flupt dat UNijck Der Hemelen Loor de men:
of gu ín Chzífto-of bupten Chrifttun zijt Wie |fchen/ ende gu en komt felve níet daer ín /
dat uwe Godt is / wat Weete dat oa Dient / (merckt wel) ende Die Daer geerne Willen in⸗
ende welckerlen Geeft ende Wijck kinderen | gaen /en laet gp dat niet toe.
dat on zijt. Wat ick dencke / dat ſchrijve ick / ende en
Diet / gp dorre Boomen / ende onachtſaeme tud. rra.
e.23.11.
egeleer- ¶ Een derden / merckt wat doch voor vrucht | bepnfe niet / ick vrzeeſe (weerde Mannen) dat Pat dit En
den dienft — nuttighept uw ampt ende dienſt mede- | uwer Veel ſoo Goddeloos zijn / ende foo op dat dant die
en brenght bzenght / want wat is doch uwe leere anders / | ſchandige gewin / ape leven / en det menfchen wet , die oo
geen vacht. fg een pdel krachteloos wint-facpen/ dat nach prijs vervallen zijn / dat qu liever alle Bod: msenieh. …
geeft noch kracht en heeft / uwe Sacramen | vzuchtige foud aen eenen ſtaek flen/ Dan dat en zoer en
ten / als fEeuningen det onboetveerdigen / ende | gu eenen gulden aen u venten berliefen (AUD / Lioed: bren-
uwe leven alg een Door-beeld tot der baostent. df een quaet woord vande Overhept en Werelt gen.
Waer zijn de gierige die gp gemildiget /De D2on- | om de waerhent hooren ſoud.
Kaects die gp genuchtert/ de onfupvere Diean | _O/an Hoerenaenſicht Wanneer ſult qu u
geluwſeht / ende de hooveerdige die qr veroot⸗· ſchamen: Gy Diamant / wanneer ſult gh gez re 3.25.
moedight hebt : Poe wilt qr doch andere lieden | weest Worden : Ende gu Mooz · man / Wan: Zac.7.r2.
feeen / Daer qr ſelve ongeleert zijt: Ende) neer fult op gewit —— Ick achte Wel /
Chꝛiſto een aengename gemeente Baren / daer nimmermeer. Want hoe kond gu wat goets Matt.12.35.
gp ſelve / in Defer geftalte / Antichriſtus dienae⸗ Doen dewijle grt Dat quaet geleert / ende van der
den / ende Belials kinderen zijt : Bp moet (me wiege aen gewent zijt.
merg bekennen dat gu ende ü leeringen / berde Och / mijn ziele moet haet om uwent Wille
hooge ende leege ban ffaten / mannen en bzou⸗ bedzoeben / ende Weemoedelijken beklagen /
cans, ben alle doode lichamen zijt / ende Gods) dat an dus jammerliſten dwaelt / ende Daer toe Mart-15-15.
te Geeftmiet en hebt / Want gebzoaltene heeten / oockt noch alte uwe fchanden onder Cheiſtus Bek. 1.35.
Waerachtige bektenteniffe Ehziſti / waere lfefde/ | Woord ende Name dechkt / ende en mercht niet / en z:r.
den hertgrondelhcke luft tot den Nijcke Gods | © gu Mannen / dat u over al niet dan ſtraffe / ors roe
afſtervinge der aertſche Dingen) / waerachtige toom / verdoemeniſſe / een donckere dunſter⸗ } LEE tr
dormoed ghent gerechtigheßt vriendelijkheyt / niſſt / den vlannnenden Poel / een eeuwigh oe As.
barmhert gheyt/ kunshept / gehoorſaemhept / tanden-klapperen / hunlen / weenen / buur / en 22.15.
wijshent / waerheyt en vrede ent bintmen niet; | wee ende doodt / met allen valfchen Prꝛopheten
maer allerwegen haet / nijt / verſtoclite wzeede in de Schaift belaoft/ ende ban Des Heeren
Heeten / een walgen en verachtinge des God⸗ Geeft gedzepaht is.
Belijcken Woods / luft ende liefde deſer We⸗ De ure is nae Bi/ datmen moet hooren:
reld / hoogmeet / pracht / prael / leugenen / | geeft veelkenfchap/ Ec. Och / moght ons als
fchalckhept / ſchande / oberſpel / hoererne / run⸗ Dan gebeuren / als dien dagh hier í/ dumfent
ten / caoven / bzanden/ wozgen / vloecken / | fact langh op brandende kolen/ en fn glaepende
weeren ende alle booshent. pantſieren te gaen / es ſoudemen dan *
23 20e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
r
Luse 29.19.
t Par, 19.23.
Matt.7.26.
Deut.18.15.
Efa.6.3.
en 7.14.
en 9.1.
Luce 1.2.
Matt.17.5-
Joan-7.37-
en 12.44/.
7hil.2. 10.
Dieop
Jeſum Chrí-
{tum bouwt
62 Aen den Geleerden.
brolijk en blijde zijn. Maer nu isꝰt door uwen upt gelijclier meeninge ent oorſaeke / betupge de
e Geleere
Predie
hGoonhmeet / afcrighept / en dat oogenblijkelij- · waerhepdt onverborgen / dewhle iclt ME ron ais de
he bolle lesen bedechkt voor uwen oogen, oagen fie / ende met handen tafte / Dat gu alle vorften ende
Ick fal bp avontueren van u op mijn kinne: met den anderen / den Heeren en Bogften hip⸗ de Werelde
bacften gefiagen worden / ende met Michea chelt de Wereld plupm · ſtrijckt / ende (eylacen)
ban Zedechiã hooren moeten: Daag welcken niemant en is die hem met fijns Heeren Woort
wegh is des Heeren Geeſt van ons gegaen / dat tegen dat Goddelooſe weſen ſet / ende der
hu door u ſpreelit: Gch / mijn beminde / vzeeſt Menſchen booshepdt ſtraft. Moet 't oock
Godt ende berſtaet de waerhent / qa wijftde daerom (als oockt De voorſepde) niet wepnigh
arme roeclielooſe zielen / op de fubtijthept ende | horen en dzagen / hoewel felt Dat fo recht goet
hooren wil.
Pilofophie dee Geleerden / op De Veeihept det | meene / en cen fo getuiffen baften gront hebbe, Onfe en der
Toncilien / op gewoonten ende lange gebrunckt Och / weerde annen / befint u / en Dencht en
eken; is
Der tijden / op Vienferlijcke Placcaten / opde de ſalie na / behertight dat epnde/ en merck we
kanten
vere
ſeeringen ende geboden der menſchen / die niet den untgangh / gp vertrooſt uw op menſchen ges ſcheyden.
Dan deif-fant en zijn / ende Dat hups Loor dat Dichten / maer Wp op Gods Wooꝛd en waer⸗
onweder gantſch niet behouden en mogen | hept : Gp opde Wereld / Wp op Dent Pemel :
maer ick niet alfo-/ maer ickt wijfe u met Mafe: | Gu op dat tegenwoordige / up op Dat tockoz
ende den Pzopheten /met den Apoſtelen / En: mende : Gp op den Keyſer ende gewelt / ende
gelen / ende met den Dader ſelve / op Chziſtum Won op Chriſtum ende fijn beloften / tot bat kur
FJeſinn / dien alte Keyſeren / Koningen / Con: | alle voor hem verſchijnen / die met den wolcken
cilien/ gewoonten ende Geleerden Wijckten des Hemels komen/ ende alle vleeſch vergelden Chriftus ver-
fchijninge als
moeten / want fijn Woord is de waerhent / en ſal: VIS Dan fit ap fien wat on gefacht / WAE vens yeze-
fijn Gebodt dat eeuwige leben : Pem macten | ampt qu getvaert / Wat vruchten ap gedaen / Lijcies herte
bupgen alie Hnien / dienden Heinel / Verde om wat loon gu gedient / wiens woordt gp gez openbast
ende ander der Verden zijn / alte Die Gem ver: | dzeven / Wiens tact an veracht / ende m Wien
ſiooten / die verſtooten den Dader die hem gez | qu (O Mannen) ſoo vnandlijck geftelten hebt.
ſonden heeft. Wil dan hier mede un Geleerden ende Pzedi⸗
Defeleere ick u: Op ſijnen Geeft / Woord / kanten den Heere bevolen hebben / ende hidde
Leden / Gebodt / verbodt / ordeninge ende gez | om Gods Wille (uwe acme zielen ten beften)
en fal nict te beupelt wijfe ick u / als opeen vaſt ende onbe⸗ Dat gp dach Defe mijne getrouwe waerſchou⸗
Schande
worden.
2 Par.18.6.
3 Par.18-23°
p Par. 1 8.5.
2 Par.24-20,
Verorum
Conciana
Corum
Numerus
Semper
7aucus.
wegelijck Fondament / geïept ín den grant ban | winge upt hertgrondelijche Chriſtelijcke mee⸗
Sion op eenen wel-gebaenden ende ſeeckeren ninge aen U geſchreeven / in danck en liefde
wegh ban Godt berent / die nae fijn waerach⸗ aenneemt / met berftandiger heeten leeft / ende
tige toefeggen / allen waerachtige / boetveerdi⸗ met bzeefen en beven nae denckt ende herleeft ;
genen Chzift-geloovigen ſal lepden in t eeu | Felt weet gewis / dat gp Daer in niet dan ecn
wige leven, koegenenght gemoet / liefde / ernſt en een gewis
Liebe mannen / neemt waer: Daer waren | Fondament deg eenigen en onverwinnelijken
bier hondert valſche Propheten in den tijden | waerheypts binden fuit.
Achab des Honincks in Ifraël/ Propheteer⸗ Ende of uwer ſommi
ftraft Ì
ge haer duncken lieten sen meenigë
macken.
De Schrift
rt
den eendzachtelijckt geluck ende wel⸗ haert / hy | dat ick al te hert fivaffen moght / fo ſult gy Wez plactien.
foude maer op trecken / ende Godt Woude Die | ten / dat ick niet fander aenwijſinge / raet ende
branden des Uoninck ín fijner handt geben : leere Der Heplige Pzopheten / Chzifti ende de
Maer daer was maer eenen eenige Micheas / Apoftelen alſoo gedaen hebbe / icli heb geen na⸗
Die de rechte waerheppt / ende dat ongeluck in men gegeven / Lupten Gods Wooꝛd. Wie ans
des Heeren naem ſpzack. ſchuldigh is / dancke Godt / ende verblijde hem/
Daer. waren dock bier hondert en vijſtigh maer wie ſchuldigh is / die en wort niet van
Propheten Baals / ende bier hondert Pzopbe: | nm / maer ban Gods Geeft ende Woot bez
ten der Wagen / die alle van Yefabels Cafel| fivaft-
aten. maer daer was een Cliag/ cen man| Gch / mijn gewenfchte Dzienden | oreeft
Gods / ende een Pzopheet Des Heeren / Die) Godt ende fijn gerichte / betert uwe aertſche
over De Wet fijns Gods perde / ende Des Hee⸗ vleefchelijke leen / Tact alte uwe berboeringen/
ven prijs vooꝛſtont. blintheden/ verlepdingen en grouwelen varen /
Joas met alle Dosften/ Pziefteren / ende | daer in op toc noch toe geſteken hebt / ſoeckt
t gemeene Volck ſtemden alle met malkandes|upt alle uwe krachten na de rechte waerhent /
ven over hare Wagen en valfchen Gods-dienft | bid Godt om wijshent / waerſchouwt alle man/
dien fp nae Jojadas deg Hoogen Pziefterg doot | handelt en wandelt onbe ſtraffelijck. Alsdan
verkooren hadden / ende daer en was niet meer | en ſtaet ap onder de herde ende veefcheickelijke
dan de eenige Zachariag/ die den Godloofen | namen der Schzift niet begreepen. Ende fo en
grouwel ffvafte/ en fijns Gods toozue en ſtraffe ſult gu oock niet ongenade / ſtraffe on toorne:
deepalde- Maer genade/ barmhertighent / en Dat leben
Selhck dan de hooge ende diere mannen
; | evben / gelift alg de Pzopteet fendt : Wanneer
Gode / ende die weynigh met haer hooge ende
eerlijke gaven de ongehoorſame en afgodifche
Die hp gedaen heeft / ende houd alle mijn Hech⸗
oníngen / Vorſten / Prieſteren / en Den ge⸗ ten / ende doet vecht ende wel / foo fal hy Teven
meenen Bolcke / fonder eenigh aenfien Der per⸗ | ende níet ſterven / alle fijne overtredingen Die
faonen upt vepner Gadlijcker buerighent / ins ha gedaen heeft/ en ſullen níet gedacht worden.
Seeſis kracht beſtraft / ende met de Wet haers |De barmhertige / liebe Deere gunne u al fas
Gods trouwelijck vermaent hebben / ende daer men fijn genade / bekenteuiſſe / Geeft / wijs⸗
ober verachtinge / eltende/ dzoeffeniffe / banden | hent / licht ende waerhent /dat gy mooght ban
ende doodt geleden heben / gelijken in de herten opwaken / boete doen / ende eenwigh
Schrift en Hiſtorien alam leefen ende fien kan. ſaligh Wozden / Amen. |
Alſoo doen ick oock hier met mijn kleene gave) Es
€
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
hem de Gooloofe belieert van alle fijne fonden / Ez.18.21.
— —
Aen den Gemeynen
Volcke.
Hí Oort toe gn Dolcken / ende bat ’t ín uwe
goten / gp Die u op leugenen betrouwt en
beroemt dat gp Chziftenen zijt : Scheurt uwe
banden in ſtucken / ende en laet u níet langer
als de gebonden Ezels / onder De packen uwer
ſonden / van deſe voorgenoemde Dzijbers lijden :
kvant fin bedziegen u / fn Pzedilten u nae haers
herten gaetduncken / ende níet wat den monde
Des Weeren : Sp trooften u fm uw booſe wefen :
Sp en roepen niet dan genade ende ozede / hoer
twel dat enckel ongenade ende ſtraffe is / gelijck
De Pzopheet fepdt: De Priefters ende 20:
pheeteu teeven eenen balfchen Gods· dienſt / en⸗
de trooſten mijn Volck in haer ongeluck/ dat
fp ’t kleen achten fouden / ende feggen : VBeede /
bede / daer Dochy genen Vzede en is. Sprziju de
Matt.15.14. blinde verlenders / díe bepde haer ende u rechts
Eze.338. weeghs inden gracht leyden. De blinde wach:
Sybeloven ters /die ober Gods Stadt geen waeke en hou
deer po- Dent. Dieven ende HPaozdenaers / die met den
trús) vryheyt zwaerde Gaever valfcher Leere / uwe arme sie:
ende fijn fel- Jen verwozgen / ende u des Heeren Nijck ende
veknechten woord ſteelen. Gierige Herders die uwe wolle /
derverden melck ende vieeſch foeckten / ende niet uwe zie:
ei fen. Sonnna/ fp zijn de gene / dooz welcke Dat
Ter,8.83
2 Petar.
koan:10:1 Nijcke Cheriſti in Den grondt berwoeft / ende
36 dat Bijche des Antichriſts in hooger eeven dooz
* — de gautſche Wereld verbrend is: Ende Die u
hetvolek _ plfendige Linderen ín uwe Woefte grouwelen
— * de waer · onde verharde blinde leven / altijdt trooſten en
geheise _goopftaen dater (eplacen) niemandt en is Die
ter8.3. hem van heeten tot den Meere bekeert/ fijn fan:
en beilaeght / ende fpreeckt : wat makte iclt.
Oeh / weerde Uinderen ende Bzoederen / | fen / te weten: Gp fult lief heben uwen Deere
„
Aen den gemeynen Volcke.
63
Den armen ende ellendigen Bedzoeft ghy / den
belommerden / Godvruchtigen / ende Decr
delingen ſchent qu / om quaet te Doen denckt P224-16
ende practiſeert qp / loopt (fepdt de Prꝛopheet)
algeen dulle Hoe. Proncken en pralen noemt
an een Landts gebrimelt ende wijſe / de eene
ſtaet den anderen na eere/goet ende leGen/ende _
jaeght dat hu hem berderbe/ alg De Propheet Mic. 7 . 3.
fendt « Uw geloove is hupchelerpe / ü wen
Godg-dienft Afgoderpe/ ende uw gantfche
leven is Wereldt ende Vleeſch / gelijckmen ſien
magb. Hoch ſpzeeckt gu: Wie ſimpelijck
wandelt / Die wandelt vecht. Vecht of onwe⸗
tenhent / blinthent / verachtinge der waerhept
ende godlooshent / een broom eenvoudigh ende
flecht leven Ware. Wiee Kinderen / ſchaemt u
doch van u lelijke moettwillighept ende verdoe⸗
melijlie dwaeshent.
Meent on dat Chriſtus een leugenaer / ende
ſijn Woordt een fabel zu: Och neen / fijn ſen⸗
tentie ſtaet onbewegelijck / ende en ſal nim⸗
mermeer verandert Woden. Isꝰt dat qu na rona 3.5.
det hooghmoet/ gierigheyt / qudfighept / on: Rom-1.32-
lamshent ende des vleeſchs luſten deeft / Chie EB
ſtum ende fijn Woozdt niet en gelooft / aertſch ats.21.
gefint blijft / pt Godtniet geboren en Wordt / Eph-5-5-
dat gn den doodt ſterven moet / ofte de eeft Apo.2-5-
Gods maet leugenachtigh en valſch zijn. *
Seoht lieve / waerom prijſt gp doch de Apo⸗
ſtelen ende Propheeten / daer gu doch haer
Heere voor Wetterpe / ende haer Weven voorz
raſerne fcheldet : Ende waerom laet gp u
Cheriſten noemen / Daer gn Chriſtus Woordt
— se met boller herten haet ende
pandt zijt.
Seght on / wp fijn kleen ban berftande / on-
geleert / ende en hennen de Schzift niet. Soo Peut. ro.rs.
antwoorde ick wederam : Wet ig cen Klaer ber Vaer ze
ſtandelijck Waordt / en het en Geeft geen glof- Rom.r3.5.
Deut.6.5.
mijn herte in mijnen lijve benauwt ende LET: | uwen Godt van gantfchet herten / van gant: Es lig
fehzickt mn / Wanneer ick bedencke / dat foo
ontellijche geel menfchen dus onnut geboren
wozden / Die Des Weeren toopm/ handt ende
ſtraffe / foo fp haer niet en bekeeren/ / eeuwigh
moeten dagen / en nimmermeer geen genade
binden en fallen.
Liebe Rinderen / neemt waer / aldus leert u
Mattn83 Cheiſtus Jeſus: Doorwaer fegge ick u: Ten
fp dan dat gpu omkeert / ende wort als kinde-
ren / gu en fult níet in't Hemelrijck komen. O
rituma.ꝛ. liebe Heeren / dít ſpzeeckt Gods eeuwige Waer:
Rom34 _hept / Die níet liegen en kan. En hoe Godde-
oofelijcht gp arme domme lieden leeft / ende hoe
vezre gp Van Der kinderen onſchult beefchepden
miet merckt zijt / bewijſen uwe vzuchten wel ; want gp ber-
dat dulle ene acht Godt ende Gods Woozdt / an haet alle
dewoefte _erechtighept ende waerhept / uwer beele leen
leven desge- jg de onr edelſcke beeften / de andere rechten/
Volcks. _ Hechten / laecken / zweeren / gieten / vapen /
woeckeren / liegen / bedziegen/ doen haer onder
malktanderen gewelt ende onrecht / trouwe
ende vzomighent bintmen onder u wepnigh /
ontrouwe ende fchalckhept (eplacen) alamme /
dobbelen / fpeelen / ſuppen / braffen/ i$ hp u een
tijdtberdeijf. Pzouwen en —— ſchen⸗
den / heet Boel houwen ende lief hebben. Die
den anderen wel inhalen / bekoopen / ende om
dat fijne brengen kan / noemt gp vernuft ende
kloeckhent. Neuſen zijt op in't Bier / ende
Elafro, Hitijghs-mannen ín den Wijn. Ongerechtíg:
Rome 10e,
hepdt ende verderbinge ís in alle uwe wegen. lumshept / lijdſaemhent / gerechtighept ende Luce
ſcher zielen/ ende upt alte uwe krachten. Ende *"”
uwen naeften es u felben.
Gy fult den hongerigen u brood bzeeken / en
de ellendige in u huns ——
Heeft gp na den vleeſche / ſoo ſult gp ſter⸗ Rom8.13
—* Nea bleefchelijck gefint te zijn/ is de
oodt.
De gierige / dzonckaerts / haoveerdige / Ec, 1 Cor-6-10.
en ſullen Gods Kijck niet be-eren.
‚ Godt fal de Overfpeelderg ende Woeten- Heb.r5-4-
jagers berdoemen. Ende diergelijche ſpꝛeuken
meet. ile die aldusdanige Schziften niet en
berftaen/ zijn meer beeften als menfchen/ meer
blocken alg Chaiftenen: Moetmen bekennen
ende toeftaen.
Och mijn kinderen / mijn liebe Kinderen /
en bedrieght u epgen ziele niet. Soekt dat vers
ſtant ende wijshept / gelijck qu de tíijdlijke neez
vinge doet / ende gp fult groote rjckdommen
binden. Want dat Nijcke der Hemelen lijt gez Matt.rr.ra,
welt. Deinght (ſpreeckt Chziſtus) om in te race 17.25.
gaen Doo? De enge Poorte. Bidt ap /fafultan
onrfangen : Saeckt gp/ fa fult gp binden. En roan 4.7
klopt gp foa fal u open gedaen Worden. en 7.33
De Almachtige groote eere en wil hem en 14-5-
met geen bloote namen laten te breeden ſtelen sr, 7.
maet hp wil een waerachtigh bzuchthaer ge- raars.
loobe/ een ongeverwede bueride tiefde/ een en 15.2.
nieuw omgekeert bevandert herte / een Waer- CP 10-35
achtige ootmoedighendt / barmhertigheydt / mars ‚es.
14:36,
zede :
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Aen de verdorven Seften.
zede: Hy wil den geheelen menfch / here / waer / had on deſe trouwe waerſchouwinge
mondt ende daed / Die fijne luft in des Heeren ons Weeren ende Salighmaekers Chzifti wel Al die vatt
Woozdt heeft / Die De waerheyt ban herten | ter herten gewomen/ ende hadt fijnen Geeft / 0 DES
fpgeelkt / Die fijn vleeſch lrunſt / en Die fijn goet | Heere ende Hepligh leven Loor een volkomen Se eort
en bloedt (alg’t de naodt eyſcht) gewülighlijk | Geeft / Heere cnde leben bekent / en hem Lao? veelt kleven,
boor des Weeren Wooꝛdt ſtelt. _ | den waerachtigen Pzopheet (nde Schgift bezen ſullen
Diet / lieve Kinderen / dit is den wegh dien | laaft / ende boor den waerachtigen ende leben⸗ heer var zee
Wp alle wandelen moeten/ foo wu ſaligh willen digen Gods Sone ontfangen/ nimmermeer en chen taten
ijn. Daerom waeckt op ende leert wijsthent. | had qu u foo verre Ban fijne wegen laten aftoe: vervoeren.
Hoost de aenlloppende ſtemme uws Beds, (ren / ende fulclie beefchzichelijche Dwalinge
boet open / ende gont hem ingangh / op dat hp
ober u nieten klage / gelijck hp vaostijds Hoor
fijne Prꝛopheten over Dat hertneckige verherde
Juda ende Jeruſalem gedaen heeft. Ick heb
(ſpreekt hin) kinderen opgebaed ende verheven /
ende fi zijn mp af gevallen: Eenen Oſſe kent
fijnen Deere / ende eenen Ezel de Kribbe fijns
plactfe gegeven / maer nu zijn uwer ſommige
O Deere) foo bege betoovert datfe (vzeeſe ickt)
nimm̃ermeer tot haten vechten Werder Chris
ſtum kermen en ſullen: Want fp oock De grou⸗
welijclie wercken dev Goddelooshent / die niet
alleen tegen Chriſtus Geeft / Woord en wille /
maer ooch tegen alle cedelijke beſcheydenhent /
— Meeſters: Maer Iſraẽl en kennet niet / ende | natuere ende vernuft zijn / voor vecht ende goet
aes Wijn Polck en verſtaet't niet. O Wee / Des | beweeren / ende met eenen verkeerden dunſte⸗ |
Heyligen ſondelijlien Vollis des Volcks ban grooten | ven beeftande der Schaift voorſtaen.
Geefts, over mígdaet des boogachtigen Zaets / der ſchade⸗
des Volcks
weder-fpan-
nigheyt.
Jere.8'3.
Matt.2 3.36.
Luce 19.42
lac.i.21.
Eſ.ao.ii.
IJoan.ro.1r.
Heb.13- 20.
1 Pet.2.9,
Matt.7.15e
Marci 13. 24
lijker Winderen/ Die den Heere verlaten / den
Hepligen in Iſrael lafteren / ende te cugge
wijchen.
Su loopen alle haeren loop (ſpreeckt Jere⸗
mias) alg eenen grimmigen Henghſt in den
ſtrijdt. Een Opevaer onder den Hemel weet
fijnen tijdt / een Toptel-dunbe/ Kraen ende
Saluiue mercken op haren tijdt / Wanneer
ſp weder komen ſullen maet mijn Dolck en
wil dat vecht des Heeren niet befkennen.
Gedenckt / waerde Kinderen / hoe Diep
Chꝛiſtus Jeſus der Joden wederſpannighent /
ende blindthent tet heeten genomen heeft / doen
hefepde: Jeruſalem / Jeruſalem / hoe dich:
wils hebbe ick uwe Hinderen willen vergade⸗
ven / gelijck alg een Winne hare Kieliens ver⸗
gadert onder haere vleugelen. Weende ende
zaclt: Daer 'tdat gp Wift/ Wat tot uwen
vrede Dient / foo found gu dat in deſe dagen bez
5— / maer nu is dat voor uwen oogen ver⸗
orgen.
Daerom legt ban u af allerlen onrennighept /
ende overbloedigheyt der booshept / met facht-
moedighept : Ontfangt dat geplante woort
dat maah faligh, matten uwe zielen. Soeckit
Godt met boller herten / Doet boete Van gaut⸗
fcher zielen / verpmight uw binnenfte boor den
Heere / laet baten Wereld / vleeſch / valſche
leere / ende alle wat tegen Gods eere / wille /
ende Wood is / hoort / gelooft / ende volght den
eenigen en Waerachtigen Herder uier zielen /
Chꝛiſtum Jeſum / dieu in foo greater liefden
Js ’tniet een bedzoefde Dwalinge/ dat qu u
ban alſulcken onnutten menſchen ſoo Deerlijk
betooberen / ende fao jammerlijck Lan de eene
onrenne Secte ín de andere lact boeren / eerſt ·
macl Munſterſch / daet na Batenborghs / nu
Davbvitiſch / ende alfoo ban Beëlzebub tot Lu⸗
cifer ende van Belial tot Behemoth / leeren al⸗
tijdt/ende en komen nimmermeer tat de rechte
fkenniffe deg gewiſſen waerhents / laet °t u met 1 Ti3.z.
alfe winden ende valſche leeren be waepen / ver⸗
hieft u felben eenen wegh / gelijckt als alle Pa⸗
pen ende Momnichken doen / ende en houd u Eph.4.14
níet aen dat Hooft / Chziſtum / unt welcken
dat geheele lichaem te ſaemen geboeght werdt) Coll.aꝙ.
ende ſijn volle weſen / ende ouderdom nemen
moct,
Cat een fivaffe uwer fonden / vreeſe íclt / om —— ens
dat gu op Aerde ende Vleeſch geſint zijt / WALL ar; cker
daor gn de reyne kenniffe Chriſti van u floot / dingen ver-
dat Aruns C heifti haet / ende u tegen alle ver⸗
maninge det Schꝛrift / tegen dat onbedziegelijke Gods Woort.
Vooꝛbeeldt Chꝛeiſti / ende fijnder henligen / ín
pacht / pzael/ eten/ fimpen/ ſothent / gebepnft-
hent / ende valſchen Gods · dienſt / deſe hoobeer⸗
dige / onnutte / pdele Afgodiſche Wereld gelijk
te ſtellen / Die qa met vecht / met cen vroom /
ootmoedigh / nuchteren ende Godbzuchtigen
wandel leeren ende Germanen foud.
O / gp afvallige kinderen / denckt nae hoe
deerlick dat gp den Wepligen Moſen ſchendet /
Die u unt Gods mondt leert / ende ſpreeckt:
Jelt wil haer eenen Pzopheet / alsan zijt! bees
wecken vpt haren bzoederen/ ende mijn Woost
ocht / ende met foo waerden ſchat gekocht in fijnen mondt geben: Die fal tat haer ſprec
eeft / foo mooght gp u met vecht roemen / Dat | ken / alle wat ick hem gebieden fal/ ende díe
qu Gods Volck/ ende Chriſtus Lievche zijt : | mijn Woorden niet en Wil hooren / Die hp út
Den felben lieven Veere ende Heplandt Chri⸗ mijnen Naem ſpreeſien fal / van dien ſal ich dat
55 | 3 Peijs ende eeuüwigh Wijck / 5 Vooꝛder van Petro ende Stephano
, echaelt.
Aen de verdorven
Seéten.
® Hꝛiſtus ff
doch alle de hooge Pzo⸗ Deut.18.1s,
Act.z.23.
Waer beenght 8
pheten Gods / als David/ Efatas/ Jeremias /
Gzechiel/ Ec. Die ong de ingebinge deg
Henligen Geefts / met ſoo heldere klare wooz
den acn foa beel plaetſen op Chriſtum ende
fijn Wijck wijfen : Immers moeten fin alle leu⸗
pheten / Die teekenen ende Wonderen doen / dat | onweder-fpzeekelijkt.
fo oock de Antberkorene berlepden ſouden foa
Spreekt niet de Weplige Paulus / foo oock
het mogelijck waer: Maer fiet gu Loor u/| Wp / of een Engel ban den Heniel een ander
fiet / ick hels 't u altemael te voren gefept. Och, Euangelium Peediſiten / dan Wp gepzedicht
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ge afvallige berdwaelde Hinderen / nemet hebben / die fin bervloeckt / Die fa verbannen.
En:
fmooren
en 7.37.
Pfal.2.2.
en 22,5.
Efa.7.14.
en
or
echt: Waer ſullen hem ver⸗ genen fpreeken/ of uwe Propheten moeten en se
beffen balfche Chriſtenen en balfche Pza- | vervoerders ende valfche Meeſters zijn/ is meg ke
Ez.34.16.
| Aen de. verdorven Seften. 65
Ende dat ume Pronheten / met haren Konink) geeſtelijcke ende blijvende iiche ig, Dat niet Rom.14.17-
Kijck / eelent dee brouwen) zweert / Ec. Met | eten ende drincken / maer gerechtighent /bacde
Paulus ende Dee Apoſtelen leere ende Euau-| ende blijdſchap ín den Penligen Geeft ig Baer
elio niet aber een en komen / moet qa alleen in geen Honineit en regeert / Dan aleene de —
ekennen ende toeſtaen Waer unt alsdan ge⸗ waerachtige Montels Sion Chziſtis Hef ns.
Sal8. weldelijck volght / datſe met haer leeve en han-, de konine der gevechtighept / de Kontich des on *
Del vervloeckt en verbamen zijn. edes / de Boniek aller Koningen / Bie alle Hebr.7.a,
Seght / mijn Beminde / waer henen doch met | gewelt heeft boven in den Hemel / ende beneden * *
dat opgedechite qeondelijke Wardt en getun⸗ op dee Aerden: Dien alle kinnen masten bitse Marr. s.
geniſſe deg Almachtigen Daders / dat hu ban (nen / ende alie tangen meeten prijſen. De phitz.ur.
fijnen Sone felve getũpght heeft / ende preekt : | Macrachtige koninck Davin in den Geeft, Eze-34 25:
Matras. Die ff mijn lieve Sone / aen ven \welchen ich cen | Die deo? fijn gevechtighent / berdienfte ende ZA
— seg goet bejagen hebbe / hem fut gu hooren (bers| coode Bloedt / dat geroofde Schaep unt DE pe rechre
blijven ,zijn fact ’t Wel /) hem fit op hooren / dewile op | monde dee helſcher Heermen ende Bepren ende waer-
fijne Jon- fien Geeft / Woord ende Voozbeelt verſtoot / verloſt / den verſchrickeljcken grooten Oor — —
geren. volght / ende hoort den genen Bie met Haren liath ter neder geflagen / ende Den geeftelijken ;, crinus.
Marc c er. geeft) ſeere en handel upt den Put des Az Acatl Bads een ceuwigh hepl ende baede ver⸗ Apoc.r1c.
Een beter …_ gronds / fa openbare Antichziſten eude balſche orven Heeft. Dat deſe Konmech met alle fijn Hebr.4.rr.
| leeretever: Paapleten zijn. Dienaeren geen zwaert en voert / Dan dat
5* ga Gedencht qu niet dat de Done Gods ſelvye zinaert des Geeſts / Dac lijf ende ziele daoeſn jt /
| geleerthecft, bevolen heeft/ Dat kon ſullen anderfgonden al Gods Wooꝛdt / daer mede hu fijn Nijke baert re *
iscenen · wat hp ong geboden heeft / ende hy wil tot aen bouwt / unthzepd / regeert ende tegen alle hele , por...
: gonwel. des Wereld eunde be ong zijtt. | fche Poorten aenlaopt / ende gewelt ander Dat lae.1.:8.
/ Wilt on dan ſeggen / dat Chriſtus ende Det, dzuckiende “cups in alie fijne berſoeckiuge ende — pel
Apoſtelen lepte flict werck geweeſt za/ ende) aenvechtinge genadelijct behoudt ende Gee Gen vier
mu ín de uwen Dat bolmaechte efen leeren ſchermt / erde wiet met fer ende Stael / ge⸗ ende zwacrt
ende Ínsoeren. Sao antwoorde ick / dat ſullis lijk de wilde Wrede Wereldt doet Want fijn —“
te Jeeren ende te gelooven den alter verſchrie⸗ Htjclt en heerſchappue ig Geeft / on niet letter / woe Sr.
kelickften laſter / ende De ſpotteljckſte tegen: ale gepaart is. houden de
ſpreucke is / die immermeer tegen den aller⸗ atmen in dit Rijckt / ende onder deſen o⸗ Gemeente.
hooghſten magh geſproken worden / want Daer | ninck geen Echt andergen gebamekt/ dan een Hat s-32
mede beltent qr dat Chzriſtus de waerachtige man ende een -hzouwe] gelicht Godt Dat ban cen vrouwe
one deg waerachtigen Gods / de vollomene | den beginne im Adam ende ua geordiucert / Leert der
Weeraer/ ende dat Wwaerachtige Baogbeelt Der | ende Chriſtus weder in ſjjn Leere Berat heeft) creatueren
gerechtighept niet geweeſt en ig / qu berfaecht | Defe {wee een vlecſch/ ende Datfe wiet dan om gE er
de gantfehe Schriſt / qu berwerpt Dat getun-| oberfpel ſchenden enmagen- Math. s. 32. CN Nieuwen
geniffe Moft ende aller Prapbeten die op| 19.9. Wat.ro.rr. Tuce 16,18. 1 Cop. 7. 10. Teftaments
deſen eenigen ende Waerachtigen Chriſtum Eple.s.3r. 1CTim.2. 12. Tit.1,6, ordeninge
wijſen / als gehoort ig. Gp veracht deg Daders it Nicken is geen Kjck Daer in men met
Wooꝛdt ende verſtoot Chziſtum Jeſum met Gout / Silber / Peerlen / Sijde / Fluweel/ en:
fijnen Geeſt / Woozdt / NRijck ende geeſtelijck de koſteljcke pzonckerne herpzaelt / gelijck De
Negiment / ende vecht uwe herten ende hope⸗ hoobeerdige ſtoute Wereldt doet) ende oock
ninge op een leugenachtigh ſterffelijck vleeſch | uwe lepderg u met defe berbloeminge iceren en
ende menſche / ende op een aertſeh bergancke⸗ wap maeckten / namelijck ſoo gut maer met ’er
lijck wefen / Dat alg ffof voor Den Windt ber | herten nieten begeert ende dient, Diet foa kan kt
gaen moet / gelijk de Schrift leert. Of dit niet | Satanas ſijnen hoogmoet beweeren / ende fij- ene vderhe.
een groote lafter en íg tegen den Almachtigen / nev oagen luft reyn ende goet maecken / maer den, konnen
mooght an ín de vreeſe Des Weeren met De (ún het ijcke aller ootmoet / daer ín (fegge ick) haeronfchule
Schaft beter nadencken. niet de mtvoendige vercieringe Des lichaems / kapt Ek:
Seght / gn vervoerde Uinderen waer is doch maer de inwendige vercieringe deg Geeft / sei voor
een letter in de gantfche leere Chriſti eude Bet | met grooten ner ende vlijt / met een gebzoſien wenden.
Apoſtelen (na welckers geeſt / leeve / handelen herte ende verflagen gemoet / unt alte krachten
boogbeelt alle Schaft moet beftaen Worden) | gefacht ende begeert Wordt / Matth. 22. 11.
Daer mede gp een van alle uwe dwalende actiz! Apoc. 19. 8. |
kulen mooght beweeren en vaſt maecken. dier en weetmen oock van geen liegen / eten / De waerach-
Wilt guu opdat letterlijche verſtandt ende ſuppen / hupchelen / ende Gen de deontiene aber: „3 orn
nen fchou-
handel Moſi ende der Pzopheten beroepen / | bloedige / pete ende Afgodiſche Wereld in gez wen attege-
Alle onge-
foo moet qp oock Soden worden / De Beſnij⸗ | lacet gelijck te ſtellen / ende Dat Krups Chart ——
De drophe- Dinge aennemen / dat Tandt Canaan letter⸗ alſoo van hem te leggen / gelijck an daet / mact van —
ten moeten ljck beſitten dat Joodſche Nijck teder op⸗ | het heet hier met herte / ende daet oprecht end en werck
pa Chriftus vechten / de Stadt en Tempel bouwen / na de | broom zijn / de waerhent van herten ſprekzen / zijn cen.
worden, of Wet Offeren / ende Gods-dienft plegen ende | een voozſichtigh nuchteten leven tepden. Zälle Pars -408
daer fallen bekennen hoe dat Cheiſtus de beloofde Saligh⸗ Afgoderpe ende valſche Heere van binen ende cor”
wonderlijke maecker noch niet gekomen en 3u / Die Dat let: | vau hinten fchouwen / allen boofen fchijn mijz phets.as.
pf en terlijcke / beeldelijeke weſen / (indat nieuwe gee: | den / den waerachtigen Gods-dienft ban het⸗ Tit-212.
| foan.18.36. ‘fielijcke blijvende Wefen amgekeert ende bev: | ten Doen / in Cheiſtus Woord ende Oodenige 1,155:
Ehis9. andert heeft, B onveranderlijck blijoen / cen anftcaffelijck lez reed
—— Gu ellendige dwaelende Schapen / neemt't ven boor de gantſche Wereldt boeven. Ende en 16.11.
Hebr... waer / ich hebbe boen ende Oberighept aen ⸗ Chriſtum Jeſum met mandt / werck / gact en 3325
geteecitent / hoe dat ’et Nijcke Chziftt niet van | bloedt betupgen / alg 't Den nood der Godlijlier , rim.s
Defe ſienlijcke / grijpelijcke ende vergancke⸗ eeven bogdect. wide 2 Tiem.2.rs-
lijcke Werelden is/ maer dat teeneentwigh | Bieren kentmen de KE od niet / Die par Tit 35.
an
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
* * *
— — — —— — —
door de
valíche Pro-
pheten aen
gezicht.
niet by
fjnen ‘Geeft
én Woort
en blijft,
66
ban den uwen voorgeeft / maer híer biechtmen
pden Woorzde Godts gedaen. Woe plompe
grouwelen Gebben haerder fomimíge in den
fchijn deg goeds aengerecht / en hoe groote 003:
fake des onfchuld igen bloeds der armer blin⸗
Det Gberighent daer mede gegeven / die ( enlaz
cen) des Penligen Woozts geen groot verftant
en hebben.
Icn meene het ware aolt een maeltijd dat op
Heere verſaken / dieſe gekiocht heeft / en uwe
arme dwalende Schapen op hare epaen leu-
genachtige viſioenen / Dzoomen en goeddunc:
ken haers herten ſtueren / en tegen alle Schrift
op cenen Dalfchen ende Woofen geondt Loe:
“5 gen zijt qu den genen gelijck geworden
oe even zijt gy |
Daer bp Euſebunn af geſchreven ſtaet / Die de
Propheten na haerg heeten luft bedieden/ die
Paulum ende dat NRieuwe Teftament verloo⸗
chenden / en een boekt bj hen om droegen / daer
fe ban roemden Dat ’t haer tot een gefchenck
van den Hemel afgeballen was.
Aen de verdorvén Secten.
Oock foo met u/ Op bezruckte (houdet Merkt hier
Wet deg Geeſtes / dat door den ñoon felbe ges
geben / en met den bloede deg eeuwigen Der:
Heb. 1e.rze
bonds beveſtight is. Heb.s.iz
Sp waren alle valfche Propheten / Die pet Deur, …
wat tegen Moſes Waart leerden / want fpen en 1.32 «
moeften daer niet af noch tae doen / maer heu —* —
alle wegen op de Wet ende fijn getupcheniflt „ennen „
vechten. %ifoazijn taock hedendaegs alle welke de
zlean.r10. ben repneu en den waerarhtigen Godt alieen | nm tegoeden / want het ifde waerhepdtidat pes ries
Beni WN dien wp gefondiatst jen onfen naefien daer | ich fchpijve ) de Propheten Leeft gp na Ioodt vedrogh on
— tegen wp mishandelt hebben. fchen verftande / de Heere Chriſti en der Apo⸗ dwalinge.
ride: fer ieert men en gebzupelt men fchaemte / | ffelen is al volepndt / ſeght an / en geeft voor
KELI37 tue ept / en aen ontucht / fchande | het zu nu een ander tijdt / Ec. Ende en merkt
Marc.8.34. tucht / eerbaerhept /eng Dt, ſcha
Matsrse1o. en leelijkhept : Felt vermoede gp verſtaet wel | niet dat gp daer mede Den Sone Gods ber:
Phil.r.27- wat ick mepne. ° —— did alle Schrift verloochent / en op enliel
Luc 26. ° Samma/ bier leert men Chriſtus Geeft/ leugenen vertrooft / gelijck alg aak dat onge:
Mat.18.15. woort / wille / gebodt / berbodt / ordeninge / gez — Iſraẽl tat ſij nen tijden wel gedaen
Lol·z. 13 . bzuphk / en voozbeelt / daer op De gantfcheSchzift | heeft.
Ep432- _ mijft / en níet Der valfcher Propheten goeddun⸗O / liebe Heere / hoe lange fal doch deſe zwa⸗
fien / bevfterde woorden / taaerifc hen ſchijn / | re plage dueren: Woe lange fal deg Weeren
grootſprenen / droomen / viſioenen / leugenach⸗· | aem dus door u gelaſtert / ende fijn heplige
tige wonderwercken / daer voor ong Godts | woort dus Door u geſchendet worzden /i8 't niet
Geeft in der Schrift aller wegen waerfchauwt | een verdzieteljke dwalinge / ende dulle raſe⸗
en afraet. Mat. 24.4. —— rpe / dat Cheiſtus / de Sone deg levendigen
Wietse Lrinderen / betert u / alte Die wt anders | Bodg/die de eeuwige gerechtigheyt hier boor —
leeren / dan hier met deg Heeren Woozdt be⸗gebracht / Daer toe Heinel ende Aerde met DEN ar grooter
tunght wort / fo ’t oolt al ſchoon eender wate / | bloede fijng krupces gebzedight heeft/ met Den oneere,en
Die deg Meps gront uptdzoagen / ende Ste: | woorde fijnder waerkepdt / enmet dat gegdt ihande
Galx:8. ren vanden hemel af werpen konde / fo Wa: | deg eeuwigenlebeng/ wat uwer herten berftar gen varrchea
re hp evenwel verbannen / ende ſijn leere ber= | ten wordt / díe hp met een foo dieen ſchat ge⸗ propheren
boerifch ende onrecht. Want daer en magb | kocht heeft / en met vecht een Woonftede Chri⸗ wort aen ges
ín der eeuwigheyt geenen anderen grondt gez | ftí zijn foude / en dat een arm fondelijk vleeſch hansen.
Iepdt wozden / Dan die / die gelept is / Chriſtus en flecfrelik menfche/ upt Adams zade het
sCorzens. Jeſus. Hp is de Hoekſteen of Fondament | gefproten/ bol alder ongerechtighept met fijn
ín Sion / alle bouwinge die op hem gefchiedt / | groot fpzekten / leugenen / en openbare vervoe⸗
Die nafijnen wille Geeft ende Woort weet | ringen weder van ũ aen genomen / cn aen fijn
did / verli toteen Heyligh Hups en ſtede geftelt wogt.
Cempel in den zeere. Och / liebe kinderen) wat maekegn / zijt. gy Gal.r. z,
zpha. 19: @ch/ op afvallige Kinderen / hoort Godts | ſo Sante betooberd /Dat gp alle redelijſhept /
Er À oort / en ſchickt u / want uwen wegh is ín beenuft / daer toe ook Schrift / en alles fo gez
dat donckere / en uwen ganck lepdet tot DEN | peer verloren hebt/ dat gp gantfch niet en fiet/
dooden / omheiſt de twaerhept/ en leert wijde | fà moetn God genadigh sijn.
hept/ want uwe trooſters beeftooren u NDE | Soede kinderen / neemt waer / een letter
| Szar berderven den wegh Die gu gaen moet. HU |, rochter van Moſes Wet niet verandert
EEEN Proeveder ffev en Amſtelredam mogen u ‘wel cen eeuwi⸗ tworden / tot dat de nieutwe / bie
di: tropheten. ge permaninge en leecinge sijn, Warmeer cen | ae de oet ‚n Ppzopbeten belooft was/Ejzie
EINE It Propheet (fept Moſes fpreeckt in feet) of flus Hefug. Was nu dat Waard der letterlijs
9 deg Heeren / Is Chat EME En B inooot dat | Ket Det ürachtich dadigh / vaft en ín fijnen
—90 dat er niet af en komt / foo eeft Ak HOOP tijd onberanderlijk/ hoe wel niet meer dan dao?
EI be Heere niet gefwaoken en her gf) ormofel herte | den knecht gegeven /eu met een bevaanchelijk Exeg.7:
Ad en ——— menige arme ziele | bloed geſegelt. Hoe veel krachtiger /badigee/
alken Ik chade en
fl | ' dhande bben fp vervoert / hoe groote ſchande hebben vaſter / ende anverandeelijckter Ig dan De bape
—
Can.r. 15 : * Eh iſtus Geeſt / valfche Pro.
‚tot f t / en uwe leugenachtige / trouwelooz | valfche Przopheten Die tegen Chriſtus Geeſt PL
Pernd. fe Ten berbaerifche eneen kennen teecdet/ | Woost / Gehodt /Derbodt/ Ozdeninge ende or,
lude rt pet zijn de Poffen Die deg Beeren Wijnbergty | Doozbeeld leeren / of fp oock alfchoan in den
| Plbord Derderben. Wet zijn uwer zielen Dieben en | fchijn hepliger als Joannes, bperiger alg
faektden Moordenaers. Palſche Propbeten die den | Elias / en waonderdadiger als Moſes voorga⸗
Heere die q
ben.
Naer datfe u wijs maken, Der Apoſtelen
leere zp ſtukwerlt geweeft / ende Datfe nu dat
bolmaekte-wefen leeren / is een vervoeringe Ik meene,
boven alle berboeringen / als boven gehoort / pi * ae
want Daec mede Wort de creatuere boven DEN 5ogsTem-
Schepper ge-eert: Paulus en heeft oak hiet pet ſetten.
Bat volkomen wefen niet op cen ander ende =Tete.s-
beter leere gemeent / maer op dat eenige blijz
gende Wefen door der Apoftelen leere acngoe
tupget/ dat Wp (nde vezrijſeniſſe der gerech⸗
tigen / alg alle leere fijn eynde hebben fal/ in
eeutwiger kilaerheyt / na Gods onbebziegelijke
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Aen de Bru
ydt Chriſti. | 67
toeſegginge in nemen ende ontfangen ſullen. ve de waerhept / Godt haet alle leugenaers / dat
Want anders ſtrede Paulus met hem ſelven / eeuwigh wee / en Der tanden klapperen fal der
ende Dat Waerachtige Wefen en Ware in Chꝛri⸗
: ſto niet bevonden.
In den dagh
des gerichts
enderver. Geleerden feggen/ als dat Elias noch Loo?
gebepngden pact en Deel gi Wie overtreet cn PL.s.7
niet ín Chꝛiſtus leere en blijft / en heeft genen 219-1-
Stem / Wilt qu met den Loden en Schzift-, Godt
odt.
@cly/gp ellendige betooverde kinderen) Keert
kijfcnifen Den grooten en Dupftecen dach toeliomende z/ | weder / Wift gn wat het ware / Die levendige
fal't ftuk- en alfoo alle wegen op wat nieuws wachten / | FFontepne —— te verlaten en hem felven
werk der
MA⸗Antwoorde ick u ten eerften met Chriſtus ep:
Apoftolifche
— ophou- gen Woost / hoe dat alle Propheten en de Wet
* t tot op Joannem toe geproheteert hebben / en
ele Den qu het —* aennemen/dat hu Elias ís / die
eeuwige men ſoude.
heerlij kheyt Een anderen / fa Elías ſchoon quame / dat
doot t tuk- hu Dan ebenwel niet tegen den Grout en Meere
verk betuy- gE fppiftí en Der Apoftelen [maer eendrachtig met
reken. _ den ſelvigen leeren en prediken maefte fo hin an:
Mat.rr.13. Ders dat Ampt eens waerachtigen Peedilters
a Fecht boeren woude / want op Chziftus Geeft)
Dooper was LD0O2t/ andel /en Doozbeelt (fegge ickt ) moet
de beloofde alle tot op dat laetſte oopdeel toe gerichtet wor
Elias. __Den/of de gantſche Schrift moeft onvecht ende
balfch zijn. |
Wil alſoo een ban bepden bolgen/ of Dat
wp geenen Elam meer krijgen en fullen/ dee
| wijle Joannes de Elias Was Die toeltamende
— 25 Wwas/ of foo daer noch eenige quame / dat
echte wage Dit ong Dan niet dan Chzriſtus Grondt / ende
engout- Wooꝛd na inhoudt der Schaft voozdragen en
feemop _ leeren moet / want Chziftug is de man die
alie Geeften Op Datids ſtoel zit endein Jacobs Lijck /
weegenen Wupg ende Gemeente vegeeren fal eeuwigh⸗
frijcken lijk.
Beet TOfdan hiet mede u al te famen upt hertfen
De grond bermaent hebben / dat gp doch alder
Geeften Leere / Geloove / ende Handel /
met Chriſtus Geeſt / Leere / ende Handel /
wegen ende recht bepzoeben wilt / op dat gn
meugt nuchteren werden / alle geeſten Die daer
mede obser een komen / zijn upt Bod / maer die
Daer tegen zijn / zijn upt Dien / Die Adam en
fijn geflachte ban den, beginfcl af Lan God af-
refe Jen doo? de letigen ín den doot geboert
eeft. j
Maer en hoort gp niet / en Wilt aller wegen
de ooren nader leugen keeren / meer Die vervoe⸗
riſche creatuer alg den onbedgiegelijclten ſchep⸗
| per gelooven / uwen boet op Dat ſlibberige fet:
—— jeuc- ten/ geen ſchrift / vermaninge / noch God
oeren te, _ hande ende ſtraffe / vzeeſen noch waernemen /
begeeren Maer alles verachten / en alg onnutte en pdel
der herten · bezijden fetten /u met leugenen/gefichten/ d2o:
gefchierde men ſchoonen fchijn en balfe bediedinge altoos
rine” frooften laten /en alfa ſonder keupg op den rug
aTefa.a. men wegh blijven / fal u oock de. vechtveerdige
eere fpotterg en vervoerders bp haopen toe:
chicken / ende dooz fijn rechtveerdige oordeel
bande eene Godloofe Dwalinge in de andere
vallen laten/gelijkmen fien maat. ·
Gy fult met ſeugenen / wint / ſothent / ende
hunchelne berfadight worden / de beuchten
uwer lichtbeerdighepdt bergaderen /ende ten
laetſten met allen valfchen Pzopheten / ende
logenachtíge wonder doenders hooren: WDijkt
Uai.j.aa. alle ban mp/ gp guaed doenders / ick en hebbe
unoptgekent.
Wier mede zijt eeuwigh gewaerſchout / ende
tvoutwelijck ín Godt vermaent / Siet voor u
Ben dagh die naeckt / doet boete en betert u/
Gods Woozt is de waerhent. Iſſer pmant
onder u die Bodt breeſt / Die denlie na / wat ick
Tes. 57. |
hier fchrijve / hp onderſoeke De fchaift / en gelo
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ſullie dDroagefrantepnen te graven / die geen Wa: Baz. tz.
ter geben en konnen / hoe ftogtelijkt fout gp den ler 2. lo⸗
valfche Pzopheten / en dat hupehelfche leven
den cugge keeven en u Den Waerachtigen He⸗
codes onfer zielen Chriſto begeven / en fijn gez
wiſſe raed / leere / vermaninge / opdeninge/ ende
henlige voozbeelt (hoewel ín det zwakhent )vol⸗
gen en nakomen: maer De tooverſche blinthept
beeft (eplacen)dat verſtant berdonttert: De liez
be barmhertige Heere gunneu alte famen
oagen am te fien / ende herten om te verſtaen /
wenfchen wp wat geont onfer zielen/ Amen.
Des Heeren Bruydt ‚ Rijcke;
Stadt, Lijf en Gemeynte gena-
de ende vrede.
Idus fpreecht de Brupdegom Chꝛriſtus Hone
Jeſus dooz Salomo tot fijn Bꝛundt / De Bruytyvriene
gemeente : Stact op. mijn Dziendinne / mijn dinne,fchoo-
fchoone / ende komt hier / Want fiet dert win⸗ —— ze⸗
ter is vergangen / den regen is wegh en daer
henen / díe bloemen zijn hiet voor gekomen in
den lande / de Mep· tijd ís hier / en De Toꝛtel⸗
dupe laet haer hooren in onfen Landen, de
VDijgeboom heeft knoppen gekicegen / ——
ſtocken hebben oogen gewennen en geven ha⸗
ten reuck: ſtaet op mijn vziendinne / en komt /
mijn fchoone komt bier. —
Uptberkoren trouwe kinderen / qp die met can.2. 10.
mp tot gelijcke Genade Erbe/Deel/ ende
Nijcke beroepen zijt en na des heeren naem Dele vercie-
genoemt wo / hoort De flemme uws Hor mine neyite
ninks Chꝛiſti / hoozt de ſtemme des Bzrunde⸗ ginge en
goms / @ gp Bzupdt Gods / gy Deiendinne rechtveer-
des Heeren ſtaet ap en berciect u/ uwen Hor PBS Be
nínks en Baumdegom tot eeren / hoe Wel QU geloove in
reyn zijt / vepnight u noch meer / hoe wel gp den Geeft.
hepligh zijt / beplightunach meet / ende hae AP22 19
[heel gp rechtbeerdiah zijt/ rechtveerdiget porren zijn
(moch meer / verciert u met dat witte zijden de twe teſta-
‘kleedt der gevechtighepdt/ hangt aen uwen rd
halfe de gulden Keeten aller beoombept/ am? en gone
gogdet u met Dat ſchoone gopdel der Bzocder: den reuk
lijcket lieſden / neeimt aen Den ttou-tink ceng der Lalven
waerachtigen Geloofs / vergult u met dat edel verdaen de
fijne gout deg Godlijcken Woords / verciert gerechtig- «
met de peerlen ban menigerlen deughden / waſ⸗ heyt door de
fchet u met de klare wateren der genaden / en Liepan des
falft u met de olie Des Heyligen Geeft /waftht en door t
we boeten ín de Klare blinckende Vloed DES honighen +,
Nimachtigen Godts / laet u geheel lichaem ie ven,
funver en reyn zíjn / Wantu vziendt haet aile 3337,
rimpelen en vleclien / foafal hn luft aen uwer curisus.
fchoonbept hebben / u peijen ende feqgen / hep Can‚4.1o.
hoe fchoon zijn uwe Borſten mijn Suſter / liez ien nd
be Bupd uwe bozften zijn lieflijker dan wijn / "SOLI
ende den reuck uwer falen gaet. boven alle
Keumden / uwe lippen zijn als deuppende Ho⸗
nigſeem / honigh ende melck is onder uwe
tonge. ih Ki ef
F Dersiijde u/ O gu beloof de des Weeren)
want fchoon is hr — alle aaneen, det
2
—9—
68 | Aen de Bruydt Chriſti.
menſchen / Die ugetrouwt heeft / uptverlio⸗ koude winter is berzwonden/ cn den bucht, OGenader
ren onder veel Dupfenden / fijn hooft is alg dat | baren luſtigen Men is hier toe gekomen / De Mey den tij
touf aout / fijn hapz is kroes / fijn oogen als lieflijke ſchoone Bloemen ontfprupten acn alten des Euange-
Ver Duper oogen aen de water · beecken met | kanten / de Tosteldupbe gruptet / dat heplfaem veen ge)
mell: gewaſſchen / fijn kaken fijn als de waſ⸗ Hepligh Woot / dat Woozt der boeten / dat —
fende heugt hoven / fijn lippen als de rooſen | Woort der Genaden/ en des eeuwigen vredes
\riendelic- Dfevansmpare drzuppen / fijn handen fijn als de | wert met mondt / ſchrift / ven en dood betupgt
eter gulden vingen vol met Turſionſen / fijn lijf | ín vele landen.
heyt. | |
EEN 8 al een term Etpenbeen met Saphieren Moöent u op gp alderfcheonfte / gaet in den Ps Lufthof
verciert / fijn beenen fijn alg marmelen pijla⸗ Luſthof en Wijnberg uws Preiends / en fiet De ;s ae verga
— ven / gefondeert op gulden boeten / fijn geftal- | Vijgeboom die knopt ende de Wijngaerden gez deringe der
Defocte te fSalg Den Libanon / ende fijn kele is foet / | ben haren ſoeten reuk / dat geloove dat geaent/ gerechtiges.
kele is’t _ ende fijn Woot lieflijk / voepet ende fpzeckt : | De liefde bloent / de fonne Die wijkt / en De waer⸗
ded wd gaart dochter / fiet Haer op/ ende burght u | hept wert vertoont / díe foo ontallijke bele ja⸗
denrjken ooren / bergeet uws bolks/ en Dat hups uws ren fonder vrucht geweeſt if / ende hoe wel gu
Woorts. Daders / Want de Koninlt begeert uwe }nueen wepnigh tijds der Bonnen bzant moez
3. fehoonhept, — ſtet Dagen / foo Weet qp ebenwel bat / dat u dat
c.u7Treet voorwaerts / O on Koninginne / Ogn rijte der eeren fr eeuwiger bzeughden toe geſeyt
welberende ende ſchoonſte boven alle Prou⸗ en bevent is.
wen / bupgt uwen hals met Heſter ander fijn | Derblijtu /en waekt/ zwert zijt qp/ maer
geweldige Scepter / hoozt fijn waart en breeſt gantſch lieflijk / op zijt als De hutte Ueder / als
fijn gerechte / beltent fijn grooteliiefse / Want | de Tageten Solomo/ gp zijt dat Kruntdhof⸗
hu Derft hem ſoo ſeer tegen u beridepnt/ ui | ken ns vziends / daer over Den Noorden ende
geflact;te tag unt dert Cananíten: Bandt / u Sinden wint herwaenpet / Dat ook uwe krim⸗
pe Pader was Lan Den Amoriteren / ende uwe den dzuppen moeten. |
oenadiee Moeder banden Hetiteren / uwen navel en|_ Baceft nivt gn Wepme bergederinge / want ets
verkleynin= wert miet beſneden / doen angeboten Wert! (her gelieft den Dader om ute geben Dat vijke/ wig
ge Che met water Wert om niet gebadet / miet fout | niet Dat berganckelijke Kücke ban Aſſſprien / r.uc.na. 32.
resen one mier gekureen/ noch in wandelen gewonden/ Meden / Matedonien / of Mamen/ maer
ende op taeght in uwen bloede verſtiktt fiet / dat cijche Der Wepligen/ Dat rijcke deg groo: Dan.7. 14.
Aa.i6.6. ſoo Bevacht was uwe ziele / gelijk de PP ten Konnks / dat vijche Dabids/ Dat rijcke Luc1.29.
; der Genaden / en def eeuwigen Daedes / Dat
nimmermeer bergaen/ maer eeuwig blijven
ende ffaen ſal. Hierom hoozt hem / ende zijt oa..e.
ꝛopheet
Maer hu heeft hem over u ontfermt / dat
leven toegeſent /apgevaedt / uwe ſchande toe⸗
gedeckt / ban uwe onrernighent geſunvert / gehoorſaem / op dat gu niet metde hoobeer⸗ Hebr.
ban uwen bloede afgewiffchet / met valſem dige ongehoorſame Vaſthi untgeſtooten maer en 2-11.
Chritus geſalft / met geeftelijke eederen bekteedt/|met de dotmöedige Proome Heſter ín eeuwi⸗
‚genade, met ſpanſelen/ oozringen / ende eeu ſchoone | ger heerlijkhepdt voor ben Waren Ahasvero
5
—— Éroone geciert / voor fijn Brupdt aengeno⸗ Chꝛeiſtum ſeven / ende eeuwigh bp hem blij⸗ zetten
liefdeover Men / ende een ecuwigh verbont met u ge⸗ ben mooght. Siet op gh Dochter Sion / en schoon we-
ons maelit / met olíe/ honigh/ ende ſemelmeel merckt aen wat ubelooft is / @ Jeruſalem / der
Caan, heeft Gau gefpijft/ m de flaepkamer fijnder | hoewel op nu als een troofteioofe eenen tíijdt vrg à
slijzeen _ Hiefden itngeboert/ ende geluſt met Den monde |Lanck fit / ende alterlep onweder / ende hagel heiper ader
hulpfatige fijns vredes. dzagen moet / falevenwel uwe noodthulper eliendige die
epi deren Ep hoe een liefFelijk gunſtigh Brundegom | cot beguamer tijd daer zijn / Die alg den moz⸗ Gedlijk be-
onser 5e ende genadigh Kant is dat / Die fijn acme | genftond u gerechtigheyt hier voortbrengen, Srosft zijn.
Seerige / Ongeachte / jae Hoerachtige dienft- | ende ubefchermer voor alie winden ende ſtoz⸗
deerne tot een foo hoogen Douwe verkoren / men zijn fal/ Want foa ſpzeeckt hn die u lief
ende tot een foo heerliſjken Vroninginne beroe⸗ heeft gehadt / ick Wil uwe ſteenen als een
gen heeft / ende en heeft hem geen moepte /atz| proncherpe leggen / ende Wil umet Saphy⸗
bent noch onkoften laten verdrieten / tot dat ren fondeeren / uwe Venſteren Wil iek Han
Bu fe de alderſchoonſte / ſunverſte / weerdig⸗ Chꝛriſtallen / ende uwe Poozten van Carbone
ſte ende edelſte bopen alle Wijven gemaeckt kelen maken / ende alle üwe palen vanuntge⸗
heeft. lefene Steenen / alle uwe kinderen ſullen ban
Staet op / ende haeſt u / verciert en pronkt | Den Heere geleert zijn / en grooten vrede heb⸗
uop / looft ende prijft Dien die u gefchapen/ en | ben/ doorz gerechtigd erk ſuldn berenpt wozden / rasse.
met den woorde ſijnder genaden tot ſoo hooger onrecht ende gewelt en ſullen niet meer ín u — 19.
geven beroepen heeft. * zijn. | el den ge-
De winter ende vegen zijn bergangen/ de eet waer / uwe mueren ſtaen op twaelf pts
bloemen worden gefien / en de Tozteldupbe gez | Fondamenten geveſtight uwe poorten zijn shout in
hoort ín onfe landen / daer is niet meer Dat ons (ban peerlen / de ffadt van louteren goude / De finder heer.
deeren en letten kan / helle fande / dupbel en | ſtroom des levendigen Waters van Den ſtoele likhers
dood/ daer toe werelt / vleeſth / vaer en zweert | Gods en des Lams midden op hare ſtraten en
zijn van allen Gods kinderen Dao? Chziffum | dat hout des levens op berde zijden / ende fijne
al verwonnen / al haer Wetenfchap fs Chri⸗ | bladeren dienen tot geforthept det Pepdenen/
2Cor. 2. 16. ſtus Jeſus / haer foeckten is De venne Apoſtel⸗ Saligh en Henligh ís die / die een deel aen deſe
fche leere / endat vrome onbeftvaffelijke leven ſtadt Geeft. ——
— dat upt God is. Hierom ſoo rermight u / ou die den Heere Deut. io. 16.
By den wine of fh Den alderhoogſten / die de leugen ver⸗ ſoekt / befnijt de voortent uwer heeten/Want Ier4-4-
dentijddes ſtomt /en de waerhent klinkt ín allen ſtraten | deſe heplige weerde Stadt en‘ magh Langer
Wersof den Antichriſtus wort befchaemt / ende Chriſtus nen oubefneden bewoont / haer gulden ſtra⸗
tijdeder Klimt im hooger ceren / fae de onvruchtbare) ten van genen onrepne voeten getreden an
te
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
| Conclufie defes Boecks. 69
Sy * Klare wateren ban geen durepuen gedzonlien /
Reenen zijn DE vzucht des levens ban geen Godloofen gege⸗
die defe rade tet Warden eeuwelijck / maer daer bupten zijn
beyroonen bonden / tobenaers / hoeren-jagers/ Dootfla-|__
Apoesa.ry. BEES/ afgoden-dienaerg ende alie Die De leugen Q Het / liebe Heeren / Drienden / en Bracter
Rom.15.3. lief hebben ende doen, | ten/ bier hebben bop u op het kogtfte genge⸗
—5 — Weeſt alle eenderlen gefint nae Chriſtum keekent / op wat grant) reden ende Scheiften
— Jeſum/ zijt vljtigh te houden de eenigheyt des | wp gebouwt ffaen / Wat wp faecken ende naos |
Colz4. Beeſts / Door den band deg bzedes / gu zijt doch hebben /ende hoe alle Grauwelen / Secten |
alle een eenígen Cempel) Pups) Stadt j lende Godloosheden der gantfcher Werelds / |
Bergh / Lijf ende Gemeente) Mm Chriſto ſoo Wel bn den grooten als bn den Kleenen /
Jefu. onder eenigh aenfien Der perfoonen/ tet dee
Mattsrge Uw licht fettet op Den Kandelaer uwe | Heeren Woozdt beſtraffen / cnde de Bepifzeme
Stadt bouwt op eenen hoogen Bergh leeft Fepne Wwaerhept een pegelijctt aentoiifen: de
onfivaffelijct/ handelt in alle dingen Chriſte⸗ Godvreeſende mogen leefen ende rechten.
lijck / beeft Godt in alle uwe wegen) pzijfthem |, Ack en hebt niet unt alfatchen oozfacch gez
Roma616. in alle uwe wercken / groot is De gerade Die|daen/ als dat ich meene) Dat Hrups Ersirtá
x Tim... berfchenen ís / bewijft u in alle Dingen als de | Daer daor log ofte ontflagen te Warder / ín mec
Roma, … Bene die ut Godt gebaoren zijn / mjdet alle, Ker manieren / want ick weet en bent feecher/
2Tefl3.3s. Valfche leere / Betaelt geen quaet met quaet / dat Dat Wam met den Wolf, de Dinve moet
Luce 21.7 maer vergeldet Dat quaet met goet / biddet fan: |Den Stoot · vogel ende Einiftug met Betial
der ophouden / in lijdfaemhent beſittet üwe Winnmermeer en fulten vrede krijgen / De waer:
zielen / vechtet alle uwe gedachten / na Eheí-|hept fal gehaet worden / al wacr t ſchoon datfe
ſtus gedachten uwe woozden / na Chriſtus Cheiftus ſelpe van den Hemel Praene Daer en
woorden / ende u leben na Chriſtus leben / ſoo magh nach Schrift / noch Braomhent/ noch
mooght on ín der eeuwighent nimmermeer be⸗ Chriſtus / nach Apoſtelen / noch Popheten
Concluſie.
Dogen worden noch Heyligen / noch Goet/ noch Bloed End
a bns or td fi Dis Je Dungen
Ephe4.r. Wandelt weerdelijcken na de roepinge / daer | Menschen gelden / al De gene Die deſe hoobeerdi De oprechte
mede gp geroepen zijt / laetfe tprammfeeren / ge / gitrige / ſtoute / afgodifche / blget donche Liefde wor
lafteren / fchelden ende woeden) alle die deur | ne Wereld in eenen Boter vente! —— lees
Deere ende fijn woorden haten ende vpant zijn, ſtraft / hare faliahene ende eeuwige welvaert weeeld:
Als. ſpen vervolgen niet u/ maer Chziftum geftun, ban heeten ſoeckt / Die moet Bier lijden / ende de Peloont-
dieſe tot fijner tijdt vechten ende (foo fu haer | Derffe tveden. —
niet belieeren) weder ín haeren ſchoot vergel⸗Go meet van alle menſchen (ſpreeckt Chri —
den ſal. arn, ftus) gehaet wozden om mijns raemg wille, Luce 24.45.
Spoezr __ Otrijt ende kampt Wridderlijck / op Dat u de ®ag: beel dzuckis moeten wp ingaen/ tat dat
sretr.;.s Beoone niet ontnomen en tozdt/ vlieght tot Rycke Bods / Chriſtus moefte felve tijde
5 , * Dien / en
Matr.1o.22. Den bergh der behoudinge / Chzriſtum / Jeſtim alſoo weder ín fijn Glorie ingaen.
— omgozt u met de wapeñen Det gerechtighent / Maer ick heb't daerom gedaen / op dat de
Romie beftent Gods Woord in vnmoedigheyt / wanc⸗ edele klare Waerhent moght teder acn den
4 Eldz6.7e, Helt noch en wijckt / Godt ís uwe Kepbsman/ dagh komen / defe / ofte die Daer door gewon:
weeft touw tot in den doodt / ſoo ſült gu deg | ven / de blinde op Den vechten Wegt geweſen /
levens Kroone erven. de hongerigen met dat Bzoodt Gods gefiijft /
Apocazo, _ ÎDíe overwint fal met witte Kleederen be- Den berdwaelden Weder tat Chriſtum haren
tn35 Kleet / en fijnen name upt dat boeck deg Icbens | erder gewefen / den onwijſen geleert/ Gode
J niet gewiſſchet worden / ende hoewel vp voor Kijck untgebrzend / ende fijnen Heyngen Daem
| de oogen Der onwijfen fchijnen te ſterven / ende | groot gemaeckt ende gepzeefen worde. Ende
| Sap3.2. dat wp ban Den vechten wegh geweecken zijn / | Dit alle met t ſamen onſe onſchult / ſal alte bloet:
| fa zijn evenwel onfe zielen in gewiſſe hoope ende | gierige Torannen / oock alle Berlenderg ende
bzede. 7 valfche Propheten / ende alie Heeftoct;te-ende
| Tuma. i2. Het is een ongetwijffelt Woozdt (ſpreeckt onboetveerdige / ín den dagh deg oordeels / tot
| Paulus) ſoo wu met Chꝛiſto ſterben / fullen | een getungenſſe zijn Dat haer de waerhent bez
wp met hem leven / ſoo wp mee hem lijden / | tunght ende gefepdt ís,
ſullen wp wet hem regeeren / maer {g’tDat wp |__ARact wiſt gyſe niet haaren / foo zp u fonde
hem verſaecken / faa fal hr ons oock ber-jopu/ Gods Geeft / Waarde, rondt / Doder
aechen. — ninge en Wille heb ick u na mijn Leene gave
tersrao. Daerom ſoo breeſt uwen Godt van heeten / herkondight / ende de gerechtinthent acngerue-
wackt ende Bidt / ende beveelt Dien met Jere⸗ | fet / Wie oven heeft / die hoore | ende wie ver⸗
mia uwe ſaecke / Die w tat fijn lieve Baupdt / | ffant heeft / die magh berftaen : Acht betupge 4 Eld.2.27.
Kinderen ende Lidtmaten verkoren / tot dat | mijnen Salighmaecker openbact /ickt betupae
nijck fijner genaden / ende erbe fijner heerlijcks- | hem / ende en hiwehele niet / Ís’t dat an geen
hept beroepen / en met den onbeblleckten bloede | boete en doet / upt Godt niet geboren en Wort /
fijner eeuwiger liefden gekocht heeft / Ehzifta | in uwen Geeft, Geloate / Weben / ende Gods.
Jeſu. diemſt met Chriſio níet eens en wort / fa ia dat
Doede fpmetu/ de Geeſt / Vracht ende Bee | vomniſſe uwer verdoemeniſſe ober nive arme
nade onſes Beeren Jeſu Cheiſti / zu met alle | ziele door de geheele Scherift berept. ;
mijne Medehulperen / Geloofs-genooten /| _ Alle die u anders leeren dan on u hier wat
| Bioederen ende Suſteren / cat ín Dat cenwíge | Gods Woordt geleert ende betumght heben /
i leven Amen. die bedriegen u. Dit is den fimallen eghy daer Matt-7.13.
| Dao? wp alle wandelen / ende tot de enge paozt
ukrunpen moeten / ſoo ton anders faligh wil:
len zijn.
Á 3 Wier
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
70 Conclufie defes Boecks.
Niemanten _ Hier en is noch Keyſer / noch Koninck / noch
happ —— Hertogh / noch Grave) noch Nidder / noch
Chrifelijker gonchier/ noch Doctoz / noch LTicent iaet / nach
aert is. nñijck / nach Arm / noch Man / noch Douwe
zloan.2.6. uptgenomen / wie hem beroemt Dat hp een
Rom89 _ Ehziften ig/ die moet wandelen gelijk Chriſtus
rloan.3.8. gewandelt heeft / Wie Chꝛriſtus Geeft niet en
Paerenhel- Geeft / dieen behoort hem niet toe/ Wie over:
pengeen. treedt en ín Chꝛiſtus Meere niet en blijft die en
noch godde- Heeft geenen Godt) wie fonde doet / Die isunt
lijck,noch Den Dupbel / hier en mogen nu noch Boop /
menfchelijk, noch zRachtmael / noch Biechten/ nach Ab⸗
Vime een folgeeren helpen. Deſe en diergelijke Schzif-
zijn,foo _ ten ffaen onbeweeglijk / ende richten alte den
moetmen _ geenen die bunten Chriſtus Geeft en Woordt
uyt Godren feven/ ende op aertſche vleeſchelijke dingen
gebooren _ gefint zijn. Ap en magen oockt ban Engel
zijn, noch van Dunvel omgeſtooten / verdraent / noch
gezwackt worden eeuwelijclt.
8’t dat op nu met dat Wederfpannige
Iſraẽl ſeggen wilt. 1Dp en willen na dat wao2t
níet hoocen / Dat gr ong ín Des Meeren Naem
zedickt maer wp Willen doen gelijck anft
oozvaders / onfe Koningen en Dosften van
fange Garen tat hier toe gedaen hebben. Soo
antwoorde ick met den Hepligen Jeremia / en
fegge alſoo: Dewijle qu luft tot de leugenen
ter44.16. hebt) en ſulcke grouwelen doet: Soo Heeft
Gods ftraffe oock de Deere uwe boofe wefen ter herten gez
overde __nomen/endefchicktu de eene harde ſtraffe over
fende.
De andere / Wonger / Peſtilentie Onweder /
gelijck u des Leeren mond dat over al opgelent
ende bevolen heeft, ,
Boopder fegge ick / alg dat de ormutte wer 1°*-
derſpannige Wereldt gemeenlijck tegen haren ** *”
wille vermaent ende beſtraft is waer dooz oock lee· a.ð.
dat meeftendeel Der Propheten ende Der getrou⸗
we Dienaeren Gods / Lan den Boeften ende
Okerigheden als Oproerderg ende zlupte:
maelkierg/ ende ban De Prieſters ende gemeenen
Polcke/ als Verlepders ende Ketters gevichtet/
ende vermoort zijn.
Waer op Wp onfe veelkenfchap / bepde om te
leeren ende om te lijden gemaeckt hebben / wel
vermoedende dat ons in Dier ſaecke niet beter
alg haer oberkomen ende gefchieden fal. Maer
won feggen- evenwel met Ezechiel foo veel:
Wanneet het komt / dat daer komen fal / foo
fuit op bebinden / dat u des Heeren Woozdt
fonder alle bedeckthepdt ende hupchelerpe in
pee laeve Wetteren boozgedzagen ende ge⸗
eert is.
De Barmhertige Genadige Bader / Doop Kec:s3-34.
fijnen lieven beminden Zane Jeſum Chꝛi⸗
ſtum onfen Heere / gume u al te faemen de
Gave ende Genade fijns Wepligen Beeftes /
dat gp Defen mijnen Chꝛiſtelijcken arbepdt
ende Dienft Der trouwer liefden / met iale
ſulcker herten hooren ende leeſen meught /
dat gu de ongevalfchte cepne waerhendt upt
voller zielen na jagen / belkennen/ gelooven /
navolgen/ en eeuwigh faligt werden meught /
fammer / ellende en Dat verteerende wzeede Amen.
EZ waert / dat uwe Landen tot een verwoeſtin⸗
Wiebe Edele Peeren/ gunnet uwe arme
ge / wonder / ende tot eenen vloeck gemaeckt | Diengers / dat Wp den Heere van herten ma:
werden /gelijkmen aen beel plaetfen fien magt. | gen bzeefen / Gods Woozdt Przediken en vecht
Daerom dat qa Den vreemden Gods-dienft | Doen /dat bidden Wp om Jeſus wille.
Doet / den Weete uwen Bodt betracht / fijn
O Heere / Dader aller genaden/ opentdach -
Wooꝛrdt verwerpt / Dat onfchuldigh Bloedt | de oogen aller blinden / dat fp uwen Weg /
bergiet/ na- uwen moedwilie handelt/ tegen | Woordt / Waerhent ende Wille mogen fen /
wen Godt ſondight / ende ín fijn Wetten / | ende daer in met getrouwer herten wandelen /
Oꝛdeninge ende Seboden niet en wandelt /\ Amen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Roor my M, S,
ep
le)
ej
T
—
O
[an]
*
®
®
£
Ke
2
[aa]
®
En
—
5
—
5
Ava
*
5
>
n
®
®
5
>
fe)
Vv
De
me)
DT
®
Vv
>
7
fe)
ed
je
®
*
ed
®
lop)
le)
E
oo
ON
[=a)
IN
O
0
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
VAN HET RECHTE
CHRISTEN GELOOVE.
Dar des Menfchen herte omkeert, verandert,
Godvreefende, oprecht, nieuw , vredigh, vrolijck ende
Saligh maeckt met fijne rechte natuerlijcke eygen-
fchappen, aert, natuere, werckingen
ende krachten.
ANNO MDLVI.
Wederom met grooter neerftigheyt doorfien
ende wat formeelijcker gefet.
DOOR
MENNO SYMONS.
Joan. 1x. 25.
Wie aen my gelooft (fpreeckt Chriſtus) die fal leven, al waer *t oock
dat hy florve. Ende die daer leeft ende gelooft aen my;
die en fal in der eeuwigheyt niet flerven.
1 Corint. 3. 11,
Daer en magh geen ander Fondament geleyt worden,
behalven dater geleyt is, Chriftus feſus.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
en
8
8
T
—
ko)
[an]
ns
®
®
E
Oo
Me)
5
®
me
av
5
S
5
AVA
Ke)
2
ed
®
=
per |}
3
Le,
2e
ES
J
8
8
2
2
8
2
a
Ò
9
beed
8
5
8
E
lee)
ON
[aa]
Dan
On
on
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Fol. 73
VAN HET RECHTE
CHRISTEN GELOOVE,
—
Allen uytverkoren Kinderen Godts, onſen lieven Broeders ende Su-⸗
9—
— 5
— 6
ſters in Chriſto Jeſu, wenſchen wy vermeerderinge des Geloofs,
Genade ende Vrede, een geeftelijcke vreughde, de volkomen
gerechtigheyt, ende dat eeuwige leven van Godt onfen Hemel-
fchen Vader door Jefum Chriftum fijn eenigen gebooren Sone
onfen Heere, de welcke ons heeft lief gehadt, ende heeft ons As.
gewaflchen van onfe Sonden in fijn Bloedt, hemzy Lof, Eer,
ende Prijs, Rijck, Kracht ende Majefteyt, van eeuwigheydt;
ineeuwigheydt, AMEN.
HYtverkore Wiebe | ryen op dat alter grouwelijckſte / ja hn golbet maer nù
Kinderen / Bzoe⸗ unt de verſchrickelijſte waãterſtroomen fijnder deor de
jin Cheifto Jeſu / Geweldigen na de |
seg hoe Wel wp (O hebzucht is met des Veeren Woort / hoopende
bf (ONS God ) faa neerſte⸗ Dat hyſe met haer zaed uptroepen ende te nieté
lijken tan Defe maken fal. Dan God zu eeuwigh gebenedijd/
jj) onverſtandighen dieſe boo? den rooden drzaelt bewaert ende cen
blinde werelt ber- plaetfe inde woeſtijne berepd heeft.
Jip eN bindert worzden / Aengeſien (ſegge ick) dan / dat ick met de
Ang) om Dat rechte Tebendige ſtemme om de aengetekende oozfake
Euangelium onz | opentlijk níet leeren en han / fo wil itk u noch
*
Ne ‘,
—F —F
De geleerde fog Saligmalters Chꝛziſti voo? alte man man: | evenwel / folange alst mp de Heere toe laet /
beletten de
waecheyt. delijk te leeren / en de wzeede bloedige tptannie ende ick lebe/ Sc giftelijk alle wegen met míjrt
„ Doop dat aendzijven ban onfe onmutte bofe Pa⸗ Klepne gave Dienen / die mpde genadige Das
gen en Pzedíftantent / foo onbefchepdelijk tegen | Der Doog fijnen Chziſtum upt de obervloepende
Chꝛiſtum en fijn Woort gebzupkt wort/ want fchatten fijnder Pemelfcher Rijckdommen gez
fp acme
gout / d
lainderen Dat fchupm veel meer als dat geben heeft. Dienen (fegge ick met den Pen:
at laf als De tatwe / Deleugenalg de | Ïgen Paulo ) wíl ík w/niet met heerlijke woor:
waerhent / en de dunſterniſſe alg dat licht faec- den det menfchjelijker Wijsthent / want ick en
Een / en lief hebben / fo wil cbentwel Gods cent: Hebe noch en kenfe niee Sk laetſe de gene
ge onovetwinlijke waerhendt / die alle wegen
Door den Heyligen Geeft / inde rechte Godts
kinderen triumpheert dragen haer Wroort /
niet tegen ffaende / Dat ſy ban de overwonnen
Hier merket aes en fijnen zade / gelijk de ſtoute verach⸗
eugenaers en blaedbergteters fa deerlijcz
nieuwe Eva liën ín haer Wielen gebeten Wordt / dat fh dock
in de hielen Hat in De
hoe het
Serpent de ters /
bijt. ſti gaen
Chꝛiſto
zijn
Nademael dat dan defe oude lwomme flan:
ge / die van aenbeginne tegen Godt ſtout / hoo⸗
veerdigh / leugenachtigh / en cen wreede Moor⸗
denaer geweeſt (8/ aldiis onder De baeten Thei⸗
ſti en fijnder gemeenten gelent is / en De beenie-
linge fijns leũgenachtigen zaeds doo? de geo⸗
penbaerde waerhent lijden en fien moet / daer:
Indenbe- OM knerſchet hp op fijn fenijnige tanden met
Sinne (prak grimmigen toon en blaeft upc den leugenach⸗
Satanas door tirer
de flange Kili de.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
de hoe grouwelijfken fp ook tieren / moeten dit
ſelbige nijdige bloedige zaed en flange evenwel
met gebroocken hoofde gantſch krachteloos
onder haer boeten blijvem als Die door kracht
Des Geeſts met de Euangelifche waerbepdt ín
Den berdoemelijken helfchen adem aller ketter
foecken / Die daet na begeerigh zijn. ——
roem is alleen met den felfden Paula, Chpí- Philz. 11:
ftum te kennen / en dat die voor ong gekstupft
is. Want fijn kenniffe is dat eeuwige Leven /
daerom en kan ong oock Godt met geen beter rea.r7.;:
Wijsbepd begaben / dan met defe/ boe twel fn Chrittam *
een fo leelijcken ſotheyt bp der wereld is want ze vens *
fu overtreft alle goud en filver / alle peerlen en wijsheye
koftelijk gefteente / daer en is niet onder den
Hemel dat men met haer vergelijcken magt /
haer wegen zijn lieflijke wegen / en haer paden
zijn De paden des bzedes, Sy is eenen boom
des lebeng allert den genen dieſe aeweerden en
ſaligh zijn die / dieſe bewaren.
Áalliebe Bzoeders / alle Die in deſe wijshent Pro3.t4i
(want fp alleene de wijshept der Hepligen ís )
recht ban Godt geleert word / magh men om
det genaden wiſſe die hem gegeven is / boben
alle pramote Doctoren / Cheologen / Juriſten /
hoorſaemheyt haers Heeren Chri⸗
of toen et maah : Dit alle niet letten:
Jeſu geheel overwonnen en vertreden
men / of hp alfchoon ooli geen handen en had amtte.
De om te ſchehben / noch tonge om te fpzeelten/
ent warendealdet eilendigfte Irus die op der
gantfcher aerden is.
Maer alle die in deſe wijshent van God niet |
geleert en wozdt / foo hn oocls afvede fa heerlijk Sien de
waer alg Salomon / fo — als —
ta ber
Ont fijnder Propheten en Prediltanten;
en —— — —
Niders en Sufterg tprannpen doo? nen Overheeren en ikan
eerlijcke PBrouwe / die daer Ap.12. 19;
Oꝛatoren / ende Poẽten met rechte Wel bevoez Irus de aldert
74 Van het Chrift
ierk gie der / ſoo rijck als Creſus / foo fleck al Hercu⸗
pikvan e jes / foo geleert als Placa / ſoo fubtijl als Ari:
Godt geleert ſtoteles / ſoo welfpzeehende alg Demoſthenes
en wort. en Cicero / en in fa menigh tongen ervaren als
MCLSe Mitridates / ja ſoo hooge en Diepe verſocht /
Dat ook fijns gelijke van aenbeginne niet gez
weeft — ſoo is hu doch een fot boor des
Heeren Oogen / moet men mi bekkermen ende
toeftaen.
Met defe felfde wijsheyt dan / fa veele mn
De goede Dader (ſegge icit ) Die De vechte gever
alder goeder / en volmaeliter gaven ig / daor
Chꝛriſtum ſijnen Soon daer van gegeven heeft /
begeer ick niet alfeene onfen Bzoeders ende
Suſters / maer ook alle De wereldt van gant:
ſcher herten te Dienen / op Dat alle hongeri⸗
e / ende dozſtige zielen / Die geerne nac Des
eeren Wille leben ſouden / die haet tot fijvi-
Der eeren geſchapen /ende met dat bloed fijns
oons gekocht heeft/ met befe Wemelfche
Whshend tot fijnen prijs ban boten mogen
worden aengedaen ende verſadight / ende Îee-
ten Den Almachtigen grooten God door fijnen
oon en Woozdt ín fijnen Geeft vecht bekken:
nen/ Diedaer ſpreelit: De wijſe en beroeme
hem níet van fijnder Wijshendt / de ſterke en |
eroeme hein niet ban fijne ſterkhendt / nach |
De KRijlie ban fijnen Rijckidom / maer Die heur |
beroemen wil/ Die bevoeme hem des / dat ha
ma wete ende kenne / dat icit De Heere ben / die
daer doet barmhertighendt / vecht / ende ge⸗
rechtighendt op Herben / Want ſullis behaet
n
Iae.i. 5.
Tas.1.17e
der,9.22.
Och / mijn beminde kinderen / qu die met
bes Leeren Woort boorden Geeft gẽbaert zijt /
gedenkt eenmael vecht in uwe herten vac /
bee onbegrijpelijk groot dat de Hemelſche
goedhendt ende genade ig / díe ons daar Chei⸗
ſtum eefchenen/ ende ban den Wader gege
ben is / dat hp ong bedroefde ſondaers in onz
fe aldert grouwelijkfie blindhendt / doen tn
noch Godt / nach Chriſtum en kenden/vrermt
ban ’t leben Dat uut Godt is/ kinderen des
toons ende Des eeuwigen voors waren / bez
kenden Dat Maagt des Deedes niet / en dwael⸗
den ats de Schagen die ban geenen Herder
en Weten / met deſe heerlijke Godfauge gave
fijnder ijshent ſo barmherteljſi Berchonten
heeft/ Bahu ons den kaftelijken dieven chat
Det vechter waevachtiget kenniffe tot den vij-
he Godts / díe foo henmelijken in den Neher
begraven lept daag ſijnen Geeft heeft laten Line
Den: Ende heeft ous de berlalenhepdt fijn t
welbehagens / ende Dat rechte wederbaren
De verſtant fijns heplfgen Euangelimus geaz
penbaett/ Dat men ín geenen Haagen ſcholen
leeren / met geenen gaven koopen / ín geen
bege landen halen / noch met geenen werken
berdienen kan. Dat hu onsde rechte ſalig
makende waerhendt doa? Den fleutel ban fijn
Woord ende Geeft ontbonden/ ende boog
Kenſeren / Koningen / Heeren / Vorften/WDij-
feen Geleerde dee gantſcher Wereld beflooten
heeft. Dat hu ons van de macht Der Dupfter-
niſſen verloſt / ende in Dat rijke ban fijn be
minde Soon/ na fijn goed behagen gevoert
heeft. Ja dat hu ous tot koningen en Prie
ſteren gemaeht heeft / dat wy cen verlioren
henligh vollt zijn fallen / een volck dat hem in
Der liefden Dienen / ende epgen zijn fal/ om
Dat wu fijne krachten ſullen berkondigen/dat
hu ons unt Der dupfterniffe in fijn Wonderlij:
zPet.r. 23:
Jac. 1.9.
Gal, 4. 19.
Egh.2:4.
en 4.28.
Mat.9, 13.
Mar.6.57e
Mat.13.44e
Beut.zo.12e
Rom.1o, 6.
1Cor.2. 7.
Mat 11. 29.
Col.1.r3.
Ex.19. 6,
De zijn meeten / tat faa f
en Geloove,
Ke Licht beroepen heeft / als Petrus fent / O 1 Pera. ze.
groote genade en liefde,
Alderliefſte Bzoeders / verblijdt win den Le LA «
Heere alle tijdt / noch anderwerf fegge ick u
met Paulo / berblijde u / dat de aldergroot⸗
machtigſte Kepſer / Cheiſtus Sefur/ dic alle
gewelt heeft in Den Wemel ende op der Aer
den / (oo een genade aen u beweſen heeft /
Dat bn u arme ongeachtede Kinderen / die
bier alder wereldt ſpot / fmaet/ ende ſchan⸗
gager eeren beroe⸗
gen heeft / Dat hau tot} oningen ende Prie⸗
ſteren gebepligt heeft / Mmingen fegge ick / Ap-:.6.
Die met De Olpe Der genaden dooz den Pep rs ze
gen Geeft geſalft zin / gekroont met de
Aroone der eeren / gengedaen met Dat cie⸗
raet Der gerechtighendt / ende regntren door
Chriſtum uwen lienſer/ níet met dat ge⸗
weer des Doots / als met Buſſchen/ Spie⸗ Atte waam
ſen / Sweerden / Peerden / upteren/ ende achtige
lnechten / gelijk De Wontugen deſer wereidt Chriftenen
doen / Dan met onderwinlijke eeuwige frep lijke Koni.
ter Des krachts Gods/ te Weten / met dat genen haer
doorſnudende fcherpe Sweert deg henligen regeeringe
Woords ober Gout/ Silver / Steden) Lans
den / Heeren / Doeften / Vleeſch / Blaedt/
Pangen / Bannen/ Stweert / Stakten,/1Das
ter / Der / Honger / Dorſt / HNaeckhepdt /
Hel / onde) Werf DVaecfe / Oupbel ende
Doodt. Ende triumpheren bictorieufelijken
Dao? De overwinnende kracht uwes geloge
Bens volſtandigh / bende (mn t leben en doodt /
van alle nwe bpanden / fienlijks of anfienlijk/
die u door Der Ouden Slangen raedt ende
zaedt dat beloofde Wijk geerne ontweldigen/
Ja ſtelen ende rooven fouden. Der Geefter
lijken Koningen Heerſchappne ende Negua⸗
ten is dBeeftelijk / ende daerom en magen Phil4.130
fu ooft met geen Emraunie/ noch) valſche lee: Deut.33. 29.
te/ nach baofe ten doodlijken verwwonnen Apr.
Wozden / Want ſu bermogen ’t al daar Chie zes S
ſtum / Die haet fleckt/ foo bu doch hare hel⸗ en 25.44.
per ende verloſſer / haren ſchut en Dat zweert en 30-25
harer glorien ís,
Item / ook zijt gn Prieſters pan Godt ger achtige
hepligt/ niet met de upttwendige Olie van Shrilienen
Aaron ende fijne Sonen / noch ook niet met 1 versen
dat bergankielijke blaedt ban Öffen en Scha- ren en ofre-
pen / of met eenige heerlijke gemachte kee 25
deren ban goudt fijde ende edel gefteente) **
gelijk de Wet enfchede/ maer die met de Gie
bes Hepligen Geeſts met dat bloed Chaifri/
ende met Dat kleedt Der gevechtighepdt gez Num28. 3.
falft / befpronkelt/ ende berciert zijt. Daer
toe van Godt verozdineert ende beroepen /
níet om De Offerlijke Ereatueren ende Diez
ren / alle Dage met een pferen Hete daoden/
ende Die ſelbe alfo ín eenen uetwendigen ſee⸗
ven Cempel of gemaekte Putte op eenen ge⸗
maekten Altaer op te Offeren / gelijk ae
fes Den Prieſters im De Wet geboden hadde :
Maer dat gp met dat mes des henligen wooets
alu leefdage menfthen fult daaden (berftact ’
geeftelijk) met famen u engen tegenfpane
nige bleefch en bloedt / Dat (8 / Dat gn u ende
haer met des Wetten Geeft ende Woort / foa
fult teeven ende tuchtigen/dat an en fn uwe
ongetechtighepdt ende alle boofe luſten affer⸗
ven / verdempen ende te niet malen / ende
alſoo in die geeftelijke utte of Tempel op-
offeren / Die niet van Defer timmeragie en ig /
| name⸗
Alle waer
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Heb.9. rr.
en 15 · 10.
Dat Offer
der Room-
Cher Papen.
Var.6,8.
Pfalm 51.19.
Heb. 13.18.
Efa.s3.9.
1 Pet.2.35.
Eph.z.r.
Tit. 3.3.
Lſai.1.6.
Eph.z- 3e
1 Cor.6.rn.
a Pet.a35.
Eze. 34-14.
Matt.4.4.
Prov.6.18.
Joan.7.38.
2 Pet.2.3.
Iud.1.6.
Gen.6.13.
En 7,I7e
en 8.21.
Gen.19.24e
Eze.16.50,
Exo.32.27.
Num,ares.
Num.16.31I.
en 25.8.
1 Cor.10.8.
Hebr.3.17.
Matt,11.30.
namelijk in des Heeren Gemeente op den eeni⸗
gen ende eeuwigen Altaer onfer Verſoeninge /
Chꝛiſtum Jeſum̃.
Daer benevens en zijt qp oocht niet ſulcke
Pees die upt engen berkoren gerechtig⸗
heyt / Bzoodt ende Wijn voor de fanden ende
ovbertreedingen deg gemeenen Volcks / en Loor
De stelen Der verſtozben fult opofferen / op en
fuit oackt geen Miſſen ſingen of leeſen / nach
den Gulden / Silberen / Houten ende Steenen
Beelden aenbidden / Dienen of Wieroocken /
gelijck de arme domme Papen deſer Wereldt
doen / maer ap zijt Heplige Prieſters die u en⸗
gen lichaem alle dagen repnight / heylight ende
iden tijdt des noods tot eenen ſoeten reuck
voor des Heeren waerhept vznwillighlijck op-
offert / met Pfamen uwe vuerige Gebeden en
vzolijcke Danchfeaginge unt een geloovigh /
omgekeert / reyn herte; want ficke offerhan-
den behagen hem. Och / wilde Godt / dat ſp
aliedie haet Pziefters naemen laten/ ín al⸗
dusdanige Prieſters verandert waren / hen Wat
wouder al onfchuldigh bloedt onbergoten blij-
ben / hoe heerlijcken foude de waerhent untge⸗
beept wozden / ende Wat wonder cen edel /
Chziftelijck ende dierbaere Wereldt zijn.
Seght / liebe Bzoeders / wie (9 er Die deſe bez
roerde genade Lallkkomelijcken begrijpen of die
Dwaclt als berlooven Schapen die genen Herz
det en hebben / wp hebben na de onrenne boofe
luften ban anfe verkeerde leclijche vleeſch gez oprecht werckiende geloobe / na meldinge van roan 1.13:
_ wandelt / gelijck fm alle Doen / die Den wegh des | aile
Vaders niet en bekennen / Wp waren ongeloo⸗
vigh ende ín alle Goddelijcke faclken gantſch
blint / ende onberftandigh/ Lol met zweeren | men / alle lie
Van het Chriften Geloove.
75
Alderliefſte Kinderen) neemt °t Waer : Heeft
nude gaede Dader aldus wonderijch na fine
groote barmhertigheyt met ons gehandelt / en
beeft hp fijn groote liefde ſonder alte onfe bere
dienften aldus genadelijck aen ons beweſen / fa
(St immer vecht ende vedelijckk Dat vn dusda⸗
uien goeden Heere ende barmhertigen Dader
upt alle onfe krachten wederom lief hebven /
vzeeſen / prijſen / eeren / Dienen ende nac alie
onfe zwacke vermogen hooren en gehoorſaem
zijn.
Nademael hp (ſegge ick) ſoo onuntſpreeke⸗
lijcken groaten liefde ende genade aen ong be⸗
dzoefde fondaers bewefen heeft / als gefept is.
Welche liefde ende genade / men met de blinde
gogen / ende domme vernuft deg bleefch nim⸗
mermeer vecht inſien of verſtaen en kan : maet
men moet ’talleene met de inwendige oogen
deg gemoets/ ende Salbinge des Hepligen
Geefts inſien ende verſtaen / dat is / met cen
oprecht / ſeeker / vaſt / betrauwende / doorgrij⸗
pende / onbebepnft ende vpn geloove / alsde
Schzift leert.
Aengeſien het dan met ſoo een ongeberwede
geloove geſchieden moet / als verhaelt is / ende
wy het klaerlijcken ín des Weeren Woordt bez
binden / hoe Dat den gautſchen handel en ſom⸗ Dat gantſehe
waerachtigen Chriſtendoms / als we⸗ Chriftendora
Defe weldaden vecht beetellen kan? Hach ſegh | der-gebaozte ofte nieutwe creature
ick eens: Wp hebben hieer voormaels alle gez | tige boete / afſtervinge der fanden /
ma des
| een nieuwe
wandelinge/vechte gerechtighept / gehoorſaem⸗
hent / ſalighent ende Dat eeuwige leben / ín ecn
chaift gelegen is / gelijckmen op beel en 4-14-
plaetfen Der Schuft leeſen ende fien maals / foo
heb ick daor Des Heeren genade voor mp genoz en 8.11,
f-hebheven deg eeuwigen Waer er 5-31
en 6,17,
en 7.38.
| waerache seioore.
en ettechbuplen ban den baeten tat Den hoofde. | hents /met Goddelijclie getungeniffen gronde CP 1425-
En waren Han natueren Hinderen des toorns / ſjcken upt des Weeren Woordt
gelijck de andere) maer de Heere zu gebenedijt/ / welck dat het bs geloove is / Dat voor Godt Marci 16.15
nu ziju wp gewaſſchen / vu zijn won geheplight / gelt / ende in de
nu zijn wy gerechtveerdight / daor den ame ſick / dat nadzuckt / kacht / werck ende vrucht
onſes Heeren Jeſu / ende Doo den Geeft van heeft / Chziſtüs Euangelio ende der
ouſen Godt. Somma / Wp zijn bekeerdt tot | Weere gelijchformiah / op dat at
den vechten Herder eu bewaerder onſer zielen / | onfe Schaiften ſullen ſien / Teefen ofte hooren /
Chziftum/die ons vu wepdet in de vette Wen⸗ grondigh ende vecht Belkennen mogen / hac dat
den fijner waerhent / fpijfiget met dat beoodt Dat ongefchickte vruchtelooſe geloobe defer
fijns Woozds / voedet met Dat hout des lebens/ | Wereldt / onnut / pdel ende doodt, ja oock: Loor
ende laeft met de Dateren fijng Geefts : noch | Godt ceuwigh berbannen ende vermale
fegge ick eens: Wie kan deſe genade begrijpen / dijt is.
ofte vertellen Want fijn bruchten zijn enckel hunchelerne /
Daer benevens heeft hp oock ons / Doen wp menſchen geboden/ Afgoderne/ ende eenen
noch Goddeloos ende baanden Waren / in der balfchen Godg-dienft. Wer en \ederbaert me⸗
ſtraffinge der fondigende Engelen niet gelijck |maudt. Det is aectfch ende vleefchelnks gefint.
getmaecht/ noch de eerfte verdorven Wereldt / Wet flact ende beebo'aht alle waerhent. Want
och die ban Sodoma ende Gomoꝛra / nach het en kent moch Chzifrum/ noch Chaſtus
deit Kalven diengers / noch den Cemteerders/ Woozdt / gelijckinen in openbare daet daar de
nach den Rebelleerders / Hoereerders / noch alle gantſche Wereld mercken en fien magh. Ende
die die in de Woeftijne tegen fijn Woorzdt ende | Bods Woozd en kent anders geen geloove dans
Wille handelden / Want hp heeftfe alte vernielt / Dat kracht ende bucht heeft / dat’t herte Wez
tact ons heeft hp dao? fijne groote barmher⸗ | Der-baert / omkeert ende beenieuwt / aclijckt de
tighent geſpaert / met fijn vechterhandt gelent /
02 fijn gaedighept getogen / Met fijn Woordt
lebenñ.
vernieuwt / erde alfaa met ſjnen Heligen Geeft
Pet ig al te vergeefs geloove geroemt / wan⸗
n 4.7.
En 5. 1.
Apoſtelen Gai.z. rr.
ledie/ die deſe 03
Schzift ſendt: De gerechtige fal fijns geloofs Abas.
getunght / ende met Dat heldere klare lieht ſjns [meer niet de Godſalige meuwe vruchten ende Gal3-1:
waerheyts / omfchenen dat Wp Doos fijn Ge⸗ wercken deg geloofs daer en zijn. ——
nade Wereldt / Vleeſch Dupvel ende alles Vermanende daerom alle míjn Godvzeeſen⸗
hebben afgeſent / ende hebben op den wegh Des |De Leeſers im Den Heere / ende bidde haer al te
vᷣzedes / onder Dat genoenhlijcke Jock fijns | famen / Dat fr het Doch in Dat binnenfte harer
Euangeliums gewillighljyck begeven. Ick zielen indzucken / ende in de bleefchelijke tafez
mijne / dit magh Amers wel genade hee⸗ len haers herten ſcheijven willen hoe dat onfe
ten. allerheplighſte — Seloohe geen —
3 ofte
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
EN 16.2 Te
aen te Woijfen / en 17.3.
chaift belofte heeft: zAames Bom3as,
e
6,
Rom.r.17.
Ze
76 Van het Chriften Geloove.
Dat rechte Ofte oude meeninge en is / gelijk de gemeene
Chriten _ Wereldt meent. acht geen woozdelijcke
Geloove is beroeminge alleen / gelijck men bp de groote
eon kracht en runme Secten bindet/ maer het is een bez
5. roerende gave en kracht Gods / een levendige
Pemelfche beroepinge (neen ontfloten open
Herte ofte Confcientie/ Die Daer ſeelierlijcken
en vaſt gelooft/ aengrijpt en beltent alle wooz⸗
Den Gods / foo wel De dzeygende Wet / als
dat vertrooſtende Euangelium vecht en waer
te zijn. Waer doo? dan dat berte mits den
Hepligen Geeft met een fonderlinge wederba⸗
rende / vernieuwende ende levendighmalien⸗
De kracht doogfineden ende beweegt Wort / en
patrechte Vaert alfoo ten eerſten De bzeefe Gods / want
Chriften ge- het bekent deg Heeren Oopdeelen ende Toorn
leovebaert ober alle overtredinge ende ſonden / die te
ten ane gen fijnen wille en woozt gefchieden / het ver⸗
Gods. ſchrikt / vzeeſt en ontfet hem boog fijnen Godt/
ende enderf daerom niets doen / raden of bez
willigen dat ’et door ’t woozd in den Geeft bez
kent/ dat Godt de vechtveerdige Nechter ín
fijnder zielen hact / en in fijn hepligh Woozdt
berboden heeft.
Daer nafaabaert oock De lief de Godts /
Daer mede Wp hem lief hebben. Want het bez
kent upt het getupgeniffe der hepliger Schyzift
vecht in den Geeft gevaet/ De ongrondelijke
groote Nijkdommen dec genaden / daer Mez
de ong onfe bacmbertige goede Dader doo?
ſijnen Chziftum foo genadialijk befchoncken
beeft. Cn daerom fa beinintet ook wederom
Dat rechte ſijnen lief hebbenden Godt / betwecht zijnde
Chrifien 8e- Door de bewefen weldaden der baogfepder Ge⸗
ten tweeden Naden: Ende Wort alſoo door de wercltende
deliefde kracht fijnder liefden (voortkomende upt al:
se ſulcki een ongevepnft Geloove) bspwillige
eanrg.zr, elen gedreven tot der gehoorſaemhendt
allee geboden Gods / gelijk Chꝛiſtus fept /
Soa mp pmandt lief heeft / Die fal mijn Waor:
den houden.
Diet / dit (8 ’t Geloove / Daer ban Wp ín de fe
bolgende Schriften hebben te handelen. Want
het is dat eenige geloove / Daer mede ons de
Scheift de falighepdt / ende dat eeuwige leven
Doo? Chiftum Godts eengeborene en eerſtge⸗
bovene Sone toefent. em zu pzijs in eeuwig:
bept/AMER.
_ Wp fien ende bevinden fn De vptwendige
timmeragie Defer wereldt / foo Wanneer men
een goedt hups/ ofte eenen hoogen baften
Cooꝛn aenleggen ende timmeren Wil / datmen
alsdan eeeft eenen goeden vaſten grondt leg⸗
gen moet / die Den opgetinrmerden laſt / wan⸗
Getrouwe Bzoeders / neemt waer: Delen onsiaus 5
edelen / eenigen ende welgefchickten Hoeclt⸗ ac hoek-
ſteen Geondt/ ende Fondament ín Dion / fen daer
ons van den Dader Daer toe berept / daermen sop
de ganefche Timmeragie onſes Geloofs OP gaen moet.
fondeeren en fetten moet/ is allene Chri⸗ EL8.16.
ſtus Jeſus: alle die op Defen grondt recht gez nen
bouwt worden en fullen van Dat oper Det Soor; 11.
tribulatien níet berteert Worden / Want ſy rp.a. 19.
zijn levendige ſteenen aen des Heeren Tempel/ 1Pe.2 +
fn zijn Dat cdele gout/ filver / ende koftelijke 79/3; "°°
gefteente bergelijckt ende en magen van geen welk der
helſche Poozten/ alg ban valſche leeve/bleefth/ Hellen
bloedt / Wereldt / fonde/ dupbel / water / Poorten zijns
vper / zweert) ofte eenige andere middelen
meet omgeftooten wozden eeutwiglijckt/ hoe
hooge ende harde zp ooclt berfocht wozden /
want fp zijnalfoaop Chꝛiſtum gefondeert /
alfoa inꝰt Geloove bebeftigt/ ende Door den
Pepligen Geeft alſoo in't Woozt verſekert /
dat haer alle de wzeede bloedige Nerones / die
onder dert gantfchen Hemel zijn / met alle haet
geouwelijke tpranníien niet en magen af kees
ren van De reyne heplfame leere Cheiſti / en
van dat onſtraffeljcke vroome leven dat upt
Godt is / gelijck men in twintigh Jaren her⸗
waerts in beel plaetſen meer alg genoeg geſien
heeft. Want ſy foo onbewegelijcken alg den
Berg Sion / als bafte Pilaeren / als ſtrijdt⸗
bare Nidders / en als dappere selig Sie an
Chꝛiſti voor des Weeren Wooden Waerhend
tor in den doodt geftreden hebben / fp doen ’t
ook noch ( Gode zp eeuwig lof ) alle dage. Il
——— ban die / die des Heeren Geeft en woort
hebben.
“Fa / deſen ſelfden ſteen leyt ſoo baft ín hare
herten beſlooten / en is doo? den geloobe alſoo
in hare zielen verzegelt / dat ſy oolt ín haven
alderhoogſten nood / noch op Dader / noch op
Moeder / op Wijf / noch op kint / op gelt / noch
deg / opleven / noch op dood en achten.
Want fp worden door De lief hebbende bzeefe Mat.ro.s5.
Gods alſoo in hare herten gedzeben (om dat jar 535:
Thriſtus fept: Wie mp niet en belijdt boog ***7"
de menſchen / Dien en fal ick Wederom níet
belijden boor mijne Wader / maer Wie rap belijt
Dien ſal icli wederom belijden / Ac.) Dat fp ook En echte
niet een leugenachtig woordt en Dozben ſpree⸗ has
Ken / om daer mede unt de handen der bloetgiez niet,
rigen / en periculen des doods gebzijt te Wogden/
alg men fien magh.
Maer ick beeefe foo harde ſeer (het wordt
met der daet oock alfoo bebonden) dat den
meeften hoop van alle Die / die defe onnoofele
neet fin zwaer wort / houden ende dzagen kan/ | fchapen booz bermaledijde Uetters fchelden / PLr-re.
op dat het aengelepde Werkt / dat met fa zwa⸗ | bezvaden / Vangen / bannen / om lijf en goedt
te groote onkoften begonnen is / niet met
ſchade ende fchande en bervalle en nae blijve,
Alſoo moetet metalle waerachtige Chꝛiſte⸗
nen oak toegaen / fp moeten alſullt een gez
wiſſe en bafte grondt hebben in hare herten /
dat fp inde tinumeringe haers Geloofs / boog
Mat7a4. alle opvallende flopmwinden/ plas-tegenen
ende watervloeden / Die haer niet wepnig bez
ſoeken en fullen / onverhindert en vaſt mogen
Luc.14-28. ſtaende blijken / ende mogen haer aengelepde
weelt en timmeringe Door deg Weeren hulpe
recht uptboeren : Bp dat ſy niet met eeuwiger
fchade en ſchande haerder armer zielen / weder
Hete 38.· han de rechte bane en wijken : Want wie daer
Ap.21.8.
en 22. 15.
beengen/ haer niet en ſchamen / noch voor ha⸗ —
ren God en ontſetten / die alle booſe leugenaers
haet en vpandt is / om de weerde van eenen
ſtunver / fa boor neen / ende neen Voo? ja te
gebeupken / doden haer noch ebenwel Chri⸗
ſtum coemen en haer na fijne naem noemen
laten. Zijn fp nu fo leugenachtig en ontrou⸗
we in dat weynigh / wat fp dan in Dat groote
Doen fouden / wanneer Het lijf en goedt golde /
gelijk het defen doet / magh lichtelijck geraden
orden.
Och Hefer / dencket na / ſoo nu die oude
kromme Slange met fijn bedziegerpe / vals⸗
hept en leugenen ín der Chriſtenen herte woon⸗
wijcht (fent Paulus) en ſal des Weeren ziele de /gelijck hy ín hare berbolgerg doet /hare goe⸗
niet belagen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
3197 B 28
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
den fouden wel ongerooft / en haer bloed wet
on⸗
Alle die de
waerheyt
haten,dat
Van Het Chriſten Geloove. 54
onvergoten blijven, Oock en ſouden fp de | fchuldige Bloedt der Herligen Taten berfadia
Waerhent niet alleene verzwijgen / maer dockt gen?
met alle Dupvels kinderen Wel haten ende |_- Wanmeer fal Cheiftus Jeſus met fijn woort /
vpandt zijn. Alle die upt der waerhendt gebo⸗ Geeſt / en Leven / door ’t Geloove in u ontfans
zijn puyrels en zijn / haten de leugen. Wederomn / alle díe | gen en in De Werkende daet van u gebaert wor⸗
kinderen.
… Daer mede fh tot der getechtighepdt gebaett /
Wee haer (y De bertoonde waer heyt / mits den gelaobe in
zijn Câins
weggegaen. fe gedreven Worden) haere ſuerdeegſche pdele
lud.r.rr.
DerPapen
verraderye is
leelijker als Ven Ha de Wille Gods. Heere /aldug leeftmen
men feggen
kan.
upt der leugen geboorten zijn / haten de waer- | Den 2 Ach bzeefe Wel ninmermeer: Want uu
hendt. Daten fp de Waerhent/ hoe ſouden fs | heete ís ſoo gertſch en bleefchelijk gefint / en de
dan De waerhent fpzeelten/ bpfonder wanneer | oogen uws gemoeds zijn fo berdonkert/dat gr
t haer lieden Wijf en goedt golde : Willen onfe | de wereldt beel liever hebt alg den Wemel / de
Negenten ende Nechteren van Dit onderfchent | leugen alg de waerhept / de fande alg de gerech⸗
gewis zijn / foo laet haer fommige migdaderg/ | tighept/ en De eere en prijs der menſchen / als de
Die Des Doods ſtraffinge weerdigh zijn/na haren | eere en prijs Gods.
techten eenmael vooz haer gerichte ftellen/en | _ Ya /. leve Beeren / wat wil men beel ſeg⸗
haer de facke (maer fonder pijnigen) grow |gen? het gaet even met u toe /-gelijk’t met
delijcken ende Wel onder vzagen / wat geldet / Den Papen ende Predikanten doet / Die door
of ft oolt hare misdaedt / daerom fia ſterven des Schaiftg aenwijfinge de waerhendt eens
moeten / foo gewilliglijk bekennen fullen / als | deels wel bekennen / evenwel om dat fp haren
Defe onnoofele kinderen haer geloove Doen. Ga! keupsvluchtigen armen bunk meer als haren
dat noch meer is / laet uwe alderberoemfte { Godt beminnen/ ſoo pzediſien / en Veeren fn
JPonnícken op haer Pꝛofeſſien en Cappen / | even alſoo vezre en bele / alg der Dozften Man:
en uwe aldergeſchikſte Papen op haer getijden | damenten ende WBefluntingen lijden en dragen
en Miſſen fa doodlijken eenmael verſocht woz: | magen/op dat fa innmers deg werelts ongunft
den / als men defe op haer Geloove doet / laet) niet op haer en laden / ende alſoo upt haer
fien waer Dat dan alle Pzofeſſien en Cappen / Wereldtlijchke eere ende gemackelijck leben ver⸗
Getijden en Miſſen blijben fullen. Maer men | floaten Worden. In gelijcker maten gact
fept boor een gemeen ſpꝛeekwoozt: De Wolf) het ook met u toe / mijn lieve Heeren / want
ie wel fijnen pels door het woud beengen/maer | hoe wel uwer bele der Papen en PDzedikkanten
et Schaep moet gevilt zijn. | Heere) Ceremonien/ Godsdienft en Leven
Nademael Dan (fegge ick) dat Defefelfde | als teugenachtig / verlepdifch/ afgodifch /
Schapen upt der waerheyt gebaren zijn / ende valſch ende bleefchelijkk wel bekennen / ende
Cheiſtus met fijn waerhent ende geeft in have | Dat De onfe des Weeren Heere en Ceremonien
herten woont/ foa en fal men ook in hare zijn / en der Arpa gelikformioh evenwel
gantfche leven ende ſterben niet anders Dân De | op Dat gp des Wepfers Vetendfchap ende uwe
vechte flechte waerhepdt Chriſti bevinden / | gagien houden meught / (umeene ick die aen
den bloede fchuldigh zijt ) foo moet Chꝛziſtus
efus met fijne onnofele Lammerkens fonder
alle beembertighepdt (alg men de Mandaten
deinat) als Dat hooft ban alle Schalken en
boeven/en die wel alte pijn en fchande weert is /
van ugebangen / gebannen / berooft ende tot
den dood verdoemt Werden. Ende het moet
dan al heeten Des kepſers Placcaten rich⸗
ten u. —
Liebe Weeren’) fiet vooz u / De uure is na
bp/ Dat de Almachtige groote ende ver⸗
fcheichelijcke Bodt) de onpartijdifche vechtz
veerdige Hechter onfer alter falen / oozdeelen
ende richten fal. AS dan (ult qp alte late
fien Wien dat gp vervolgt / ende in wien dat
gp geſteken hebt/ daerom Waeckt op ín tijds/
rde Godt / denkt na en betert u / noch is ’t
ns EEN indelen «0
Ich bidde u / mijn Leeſer / en Vaetet u doch
niet berdzieten / Dat ick Dus bee beſijden af
geloopen ben/want ſonder dorſake en í$ ’t niet
gefchied/ maer nu Willen wp ín des Weeren
name met onfe voorgenomen fake boortbaren/
ende Daer ſoo bele van handelen ende leeren /
alg ons De bermhertige Dader genade en hulpe
daer toe geben wil / ap Dat wp alfaa alle God:
vreeſende Confcientien / Die de waerhepdt
ban herten ſoecken / dat rechte onderfchepdt
tuſſchen Gelaove ende Geloove / tuſſchen de
Pzuchten des Geloofs, ende de Dauchten
des Ongelaofs / befchepbdelijken genwijſen
mogen / en fia in Dat rechte Chriſten Geldobe
alſo mogen opwaſſen / tot datſe de goedige Daz
ber na de cijkdonnnen ſijnder heerlijkheyt met
kracht aen Den inwendigen Menſche dooz
er ingeplant worden? fijnen Geeft ſterk maecken / ende Ehriſtus
Wanneer fult gp u eenmael met dat vꝛome doort Geloope ín hare herten woone. Dat ſu
bnftvaffelijk Weven ftillen/ ende met dat on⸗ | alfoa dooz de Liefde gewoztelt ende gefimdeend
og
ende ín hare herten omgekteert ende veran⸗
dert zijn. Noch evenwel is't openbaer/ hoe
bzoom ende onſtraffelijk fp ook leven / dat onſe
leugenachtige / overſpelige / hoerachtige / af⸗
godiſche / dzonckene Papen en Momnicken /
die God openbaerlijk ſijnen prijg ſteelen / ende
De zielen ſtoutelijj vermoozden / Die Chziſtus
Jeſus met fijn dierbaer Bloedt gekocht heeft /
haet voor de gantſche wereldt beliegen / bez:
raden / aen ſtaeken ende: palen brengen / en
dat om anders geen oozfakke dan dat ſp door
haet herten door Des Weeren Geeft ende vree⸗
valfche Veere ende Afgodiſche Sacramenten
achter telaten / „en van gantfcher heeten te lez
met alle die / die u van gantfcher herten ſoeſten
en veeeſen. eN pa
Segt / liebe Heeren wanneer fullen doch deſe
leelijkke vezraders / dit moozdadige / bloedige
zaedt in hare Joodtſche bezraderpen ban u af
gewefen en gewepgert worden? j
Wanneer fuit gp hare vervoeriſche leugenen
ben rugge keeren / en Chziftus waerhept dat
hooft bieden? * |
Wanneer ſal u doodlijke wzeede zweert ban
* onfchtuldige bloed afgewiſcht / en eenmael Wez
Der ín fijn fchepde geftelken worden *
Wanneet ſiut ge Godt meer hooten ende
breefen / als gu den Pzincen ende Dozften
Doet?
_ Wanneer fal Antichriſtus grouwel unt uwe
erten uptgeroept/en Chriſtus Leere Daer we⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Onfe Papeù
en Rechte-
ren endie-
nen Godt
niet,‚maer
denVorften:
Dat eeuwigé
weeftaet
over alle die
die dat on.
fchul digh
bloed veze
gieten.
Deut.27.
Apsr.#;
Eeh.3 16,
Matt.17.5.
Marci 9.6.
78 Van het Geloove der Papiften en Lutherfchen.
mogen worden / dat fp met allen Henligen bez | Ende dít ís haet noch niet genoegh / datſe
grijpen welche de bzeedte en lenghte / De diepte \alfulchie gracte grouwelen bedzijben / maer
einde hooghte zn / op dat fn beltennen de over:
bloedige groote liefde der kermiſſe Chriſti ende ! ten des Gelooſs ban Gods Sone felbe bevolen)
alfoo berbult waden met allerlen volheydt de oprechte cepne liefde ende bzeefe Gods / de
Gods: Mack daer beneben magen mercken/ liefde ende dienſt deg naeften / de warrachtige
hae datt enckiel haet en leugenen zijn/ alle wat Sacramenten ende rechten Gods dienſt/ Ec.
de Schriftgeleerden (aengaende De ſaecke ons niet alleene alg pdel ende onnut bevrachten /
Geloofs / ende oac: allen anderen ſaecken / als maer oock alg berdaemelijkt ende Ketters fchelz
ban zwaert / oproer / veelhent der Wijven / Ec.) |Den / uptroepen en vervolgen. Ick meene dít
moeten noch vaer en boven alle oprechte bzuche
tegen ang leeven ende opwerpen. cli ſpreecike magh met vecht immers wel een Decte
ban ’t gene/ Dat ban ong/ ende ban onfen lieben | heeten.
mede-broedeven / allen goethertigen Confcien |”
tien/ bet 3m hepmelijck ofte openbaer dooz
Schriften of mondelijcke vermaeningen vaoz-
gedzagen ende geleert wordt.
Wert-grondelijcke lieve Broeders / wanneer
men de ontepne leelijcke leeringe ban ’t gelobe/
Dat Geloove der
Lutherfchen.
met alle dat grouwelijcke ongeloove / ende D E teit leeren ende gelooven / dat
berbijfterde booſe leven / die upt ſulcke leeljcke ons het gelaove alleen Saligh maeckt /
leeringen ber komen van den genen Die haet | aack fonder eenigh toedoen Der wercken. S
Chꝛriſtum beroemen / met geeſtelijcke oogen | drijven ’t foa harde ende hoage of’et gantíc
recht kan ínfien / ſoo maghmen hem welmet |geen wercken noodigh en Waten/ jae Dat’et
recht oger haer groote blindhept ende zware | oac: ven fao een acrt en natuere is dat tgeen
Dwaelíngen verwonderen ende tot ín den doodt |yveecken benevens hem toelaten ofte Hiden en
bedzoeven. Want hoe leelijck ende plomp het | kar. Ende belet see beo
pock gemaeckt wordt / foo moet het noch al tige ernſtachtige Bzief (am datie een lichtveer⸗
ebenwel dat Pepligh Chriſten Geloove heer | dige pdeleleere ende geloove ſtraft) als ſtron⸗
ten, achtigh bp haer aengeften ende —— zijn. O
ftoute ſothent / iz de ſeere ſtropachtigh / ſoo moet
oock De untverliooren Apoſtel / deſe getrouwe
Dienaer ende Getunge Chꝛiſti / dieſe befchzes
ben ende geleert heeft cen ſtronachtigh man
—5 sijn UW — haa — als den nerds: dagh
’ ne De leere betunght hoedanigh dat De
TS Wel waer (leeren ende gelooven de man ig. babe ch
Papiſten /) als dat Jeſus Chriſtus Gods, Een pegelijck fie wel toe hoe hp leert / want
one is / ende dat bn fijn Dleefch voor ons met defe felve leere hebbenfe dat voeckeloofe
opgeoffert / ende fijn Bloedt boor ong Gergoten | domme volek groot ende Glepn/ Borger ende
beeft / evenwel wilmen dat mede genieten ende | Hunsman / ín alſulcken vzuchteloofen wilden
deelachtigh zijn / ſoo moecmen den Paus ende leven ingevoert / en den taam fao vupm gelaten)
fijn %-ccke aenhangen ende gehoorzſaem zijn / | datmen onder De Turken enTartaten(berrmoes
Miſſe moet men hooren) het WDij-water a t-| De ich) naeuwe fo een godloos Leelijk leen (gez
fangen/ Bedebaerden loopen / Des Heeten lijcknien Wel br defen doet) binden fat. De
Dat Geloove der
Papiften,
Dat oordedk
der Luthers
fchen oven
den Brief
Jacobi.
Matt.12.5e
Luce 74e
Poeder en De verſtozwen Hepligen genroepen / openbaere Daet geeft getumgeniffe Want dat D
tweemael deg jaers op ’t wepnigfte Biechten / | obervloedige eten enbel — 5 / ie oherbatige vlefeheijke
tene abfolutie ontfangen / Kinderen | groote pracht / ende prael / hacreeren / liegen / —
a
ten Doopen / de Vier dagen bieren / ende de bedriegen / blaecken / zweeren bp des Weeren
Paften-dagen baſten / De Papen meeten rep: | Wonden/ Sacrament, aLifnensolsectengte,
níghept belooven / haet en ende Wijn | ten ende Dechten/ Ec. Dat br haerer belen
moetmen des Heeren Pleeſch ende Bloede bebonden Wozdt (eplacen) en heeft nach mate
heeten : Behalven alle have andere afgoderpen noch epnde. Bepde de Leeraer ende de Diſci⸗
ende grouwelen / die noch dagelijc'ts ben haer | pel dzagen ín beel vleeſchelijcke wercken ende
gedzeven Wozden / algmen fien magh. eenerlen kappe / alsmen ſeydt. Dat iclt weet /
Ende dít alle noemt Dat arme Danne bolck ſcheijve ickt/ ſelber gehoort ende geſien hebbe /
Bat allecheplighfte Chriſten Geloobe / ende de | getupge iel / ende íclt weet dat ick de Waerhent
infettingen der Hepliger Chzíftelijcker Werchte. | getupge.
Poewe nm haet fj niet en zijn dan enchel goet-| Soo wie flechtg alleen met haet feggen kan
Dunckenhent dec menſchen / engen berkoren | Pep / want zijn De bertwijffelde Papen ende
gerechtighent / een woal ed eende | Monnicken / eecloofe Schelmen en Boeven /
openbare verboeringe der zielen/ cen onbehooz⸗ | blocckenfe de pockten in t herte. De henloofe
lcke lijf-neecinge ende gewin Dee fupe Papen / Paus met fijn gefchoten hooge (fragen fp) hehe
bermaledide grouwelen / een terguge Gods / [ben ons Tange —I met haer Vagevier /
fehandelijckte laſteringe / een onweerde verach⸗ Biechten ende Baſten bedzogenn Wp eten alg
tige des Bloedts Chaift/ een epgen bedacht | wa honger hebben het zy Viſch of Dleefch/als’t
Boomemen / een ongehoorſame wederfgannig-| ong gelieft /want alle Creatuere Gods 1 goet
hent Des Depligen Boddelijcken Waordes. | (fepdt Paulus) ende niet verwerpelijk. Maer
Sotmma/ een valfche ftinchende Gods-dienft | wat ’er nae bolaht / en verſtaen fp niet / te we⸗
en openbare Afgoderne. Want ons Chriftus | ten/ den geloobigen / díe de waerhent bekkens
Jeſus (Baer op De Dader Wijft) niet een De | nen / ende met danchfegginge genieten. Seq
aller minſte letter van allen defen naegelaten en gen voozder: hae teettichen hebben fn onsarme
beyoolen en heeft, teden bp gebzaght/ datſe ong ban des —
Q d
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
—— ——— — ——
— — — —
Van het rechte Chriften Geloove. 79
Bloedt berooft hebben / ende hebben ons op | (foa fin anders een met hem zijn) hoe dat haren Hier merkt
hare kramerpe ende tooverſche wercken gewe⸗
Salighmaecker niet Gods eerft-geboren ende wat Mikron
voor eenen
ten. Maer Godt zp gelooft / nu zijn Wop ’t bzoet | een-gebaoren engen Sone / maer eens vzouwen icum
geworden / als Dat onfe wercken niet en gelden | onrenm / leelijck menſtruael bloet ís.
heeft.
Dan dat Chꝛiſtus Doodt ende Bloedt atteen| Schzrijft Daer benevens / Joannes a Watco / + ier merckt
onſe fanden moeten untſtrijcken ende betalen. | als dat Chriſtus geen ander vleeſch deelachtigt we d oannes
afco , daer
Heffen aen eenen Pfalm te fingen: Wet ſtrick geworden cn ís / Dan Dat de fonde (op DAE hu mede de En-
is ontwee / ende wy zijn bp / Ec. Onder dies |getemteert foude ozden) ende deu doodt on: gelſchen
bloent wel dat Wier ende Wijn upt hare dronc⸗ derworpen was, Schrijft noch in Dat felve eens zijn»
voor eenen
kene neufen ende monden. Alle Die flechts deſen boecksken: Soo hu hepligh is / waerom he oriaum
tijm wel met haer op De vingeren leefen kan / hn dan om De fonde ín des Daders gerichte veroor⸗ neef:
lebe oock ſoo vleeſchelijck alg hy leve / Dat ig | Deelt is: Dat ick immers niet anders boog
ecn fijn Euangeliſch Man /en cen Wel geſchilit mijnen Godt berftaen en kan / dan dat hu gez
broeder. Ende ſoo Waneer dan eener komt | looft / dat de menfche Chriſtus Jeſus eenſon⸗
Die haet upt oprechter trouwer liefde hier ober | dige en dootfchuldige Chriſtus geweeft is: men
beemanen of ſtraffen wil / haer Chriſtum Gez leeſe fijn befcherminge ban de menfchwerdinge
fum met fijn Leere / Sacramenten ende onbe | tegen mp gemaekt/ daer mooght gu leeſen
ſtraffelijck Voorzbeeldt vecht aenwijfen wil / Wat fijnen grant ig,
en dat’t geen Chriſtenen en betaemt alfoo te| Godt díe behoede alle trouwe herten / datfe
pralen / ſoo te ſuppen / te fchelden ende te vloec⸗ Doch in eeuwighent nimmermeer alſulcke onz
ken / Ec. die moet ban ſtonden aen hooren / Dat berdzaegelijcke qroote grouwelen en geloo⸗
hu een werck-heplige zu / of een Hemel· ſtormer / ben. My walght / ja ick ſchame mp ín mijnet
of een Fot-geeft/ of Swermer /of Glijgner / zielen / Dat ickſe boor menfchen doven voeren
of Sacvament-fchender /of Weder· dooper. moet / want fa zijn al te leelijchk ; maer nadez
Siet/ foo laet Godt de rechtveerdige Heere mael fp ong boo? alle man bevruchtigen ende
den geenen dwalen / ende ín hare herten berftijz | Dagelijks faem-roaven / bepde met mont ende
ben / Die de aller dierbaerſte doodt ende aller- | Schzriften / hoe gantſch leeſjcke grant en leere
heplighſte Dleefch ende Bloedt onſes Weeren | Dat wp ban Chziſto hebben om dat Wp met
eſu Cheriſti des Soons Gods / met Pfamen de gantfche Schrift bekennen / dat 't de eerſt⸗
fijn Salighmaeckende glorieuſe Woozdt tot | gebaoten ende een-geboren Sone Godts gez
weelden treckten / ende tat cen oorſaecke haers | weeft is / Die hao? ons geſtorven is / ende fp dat
ontepnen fondelijcken vleeſchs boo? wenden. [arme fimpele bolck fulcke ongehoorde leelijkte
Ick laet mp dunclien/ Dat dit oock wel met (Dingen boor Dragen/ alg gemelt/ ende haer
recht een cupme ende bape Secte heeten magh. ſoo jammerlijk Daer mede bedriegen / ben ick
dao? mijn Conſcientie (Godt ter eeren / ende
alle Godbzeefende zielen ter waerfchautwinge)
gedzangen / Dat ick Dit hier aldus hebbe moe⸗
tert aenteekenernt / ende den Leeſer / die gevan⸗
gen in zijn gemoet han haet gehouden Wozdt /
a nae te eb an) boeren De leet ick en
& Engelfche ofte Swingelfche gelaotse Weet immers niet / hoemen doch leelijcker ban
D ende eng alg dat?er. twee Sonen Chziffa geladen / leeren / voelen { houden ofte
ín Chꝛiſto zijn : De eent is Gods ſonder moe⸗ ſpreeken kan / dan datmen fendt : het en is
Der / ende dic onlijdelijckt, Ende de tweede is Gods Sone niet geweeſt / die voor ons geſtoz⸗
Marie ofte deg menſchen Sone/fander Dader, Len is / maer het is een ontenn menftvuael
ende Die lijdelijckt. Ende (n defe lijdelijche Sane | bloet geweeft / een menſche Der ſonden ende deg
Natte / foude de onlifdelijchke Sane Godts ger DOODS / Ec. | |
Mikronen woont hebben. Alſoo dat de Sone Marie die |, Ende ſoo fa nu ſulckss nin verſaecken wou⸗
Hermesbe- Boot ang gelvunft ende geſtorben í/ Gods den/ ende Wouden ſeggen? dat ick hier al te
kentenifle Sone niet geweeftenig, Dit felfde heeft een | rumm ende bzeet haer na gefehzeeben hadt / foo
vaa Chrifto. gam haer voornaemſte Leeragers Martinus 8 ’t Doch ſoo meenighmael / ende voor ſoo bele
Nme iliron genoemt / met noch eenen Vermes | blame heeten gefchiet / dat fp ’t mp níet verſge⸗
ban Bonfen geheeten (foa ich fijnen vaer an⸗ Hen en magen. Ende fal ín den dagt des recht⸗
ders vecht behouden hebbe) Anno 54/ fn een | Deerdigen Oordeels boo? de oogen des eeuwi⸗
bolle vergaderinge meer alg eens / twee of dzie⸗ KEN ende grooten Majeſteyts alſoo bevanden
mael tegen mp alfoa beleden. worden / alg ick bier gefchzeeben hebbe, O
Pozoer heeft mp de gemelde Miliron / als ick grouwelijcke Secte.
hem vraegde / hoe hp hem nu ober Dat vꝛouwen
zaet Daer Gan Wp veel woozden fn den eer fien
handel gebzunckt hadden, bedacht hadde /
Mikron __ Opentlijk beleden en gefept : Dat moet ick wel
heeft bekent beftentten dat cen bzouwe geen zaet / maer een
eenmen- … menfeuael bloedt heeft. Siet door Godt / het Toe *
is De waerhent dat ick ſchrijve. En heeft in een V V leeren ende gelooven / ende Dat met
wen te zijn boelsken / ín Engelant gedruckt / gefchzeeven kracht en — der gantſcher Schꝛift /
endegeen _algdat ’t bloet Maria ín haren buyck (ſoo lun⸗ als dat de geheele Chriſtus Jeſus van boben
we, den fijn Woorden) Pfamen geronnen (8. Gs nu | tot beneden / van binnen en van bunten / ſienlijk
dat bloet dan alfa in haer lichaem te fameu gez | ende onſienlijck Godts cerft-geboorne ende
ronnen / gelijck dat Boeckgken aenwijſt en | een-geboopne epgen Sone is / het onbesindelijk
bu beeft bekent/ als dat een btouwe ín dien Deel | eeuwige Woordt daer alle dingen doo} geſcha⸗
fo maet een menſtruael bloet heeft/ als gemelt : | pen zijn / de eerſt · geboorne aller creatueren / een
Soo isꝰt immers openbaer/ alg datfe gelaosen | waerachtigh menſch / EE: Des Almachtigen
eeu⸗
Dat Geloove der
Engelſchen.
Dat rechte Chriſten
Geloove.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
lean.r.15.
Gol. 1.15.
Team.1.14.
loag, 3.16.
Col.s.rs.
| ‘Hebr.1.3.
| Deut.18,1g.
Heb.s.r.
en 6.20,
en 7.3”
| en 8. 1.
en⸗Au.
en 10. I1.
Rom.8.3.
| Col.1.2.
| Epheſ.q21.
Matt.11.19,
Ioan. 13.4.
Ephel.5.2.
Cpheſ.2. 12.
Poor 't ge-
loove wort
dat herte
verandert.
Rom.10.10.
Act.t 5-8 9
— — —
2 Pet.2.3e
Tud.1.6.
Gen.6.17»
en 7.17.
en 8.21.
Gen.19.28,
| Ela.53.6.
—
— — — — —
— Cy mn — — * * _
— — — — er < — did 5 * —— za — —— en ——
— — — — — E * — * — 2 — zn - — —
— qm — —— en ens — — mn - = es 5
— 5 Es — — — —
— ——— —— —— — — E — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — * * enden se ee — en à - — — a — — — — — — —
— nt — — — mn — — ——— —— — — — — — — ẽ nn ẽ — — —— — — —
Matt.27.45.
Die Gods
toorn ende
oordeelen
van alle
quact.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
TE rd EE ri mdm eN
Se Van het rechte Chriften Geloove.
eeuwigen Vaders / eeuwige Geeft ende ſterckier dat verſchrickeltjcke eeuwige oogdeel en toozn Hebr-10.26,
Yacht / boven allee menfchen begrijp ende Wez | haers Gods ballen ſouden. —
tenfchap ín Maria de repne Jonckbzouwe ge⸗Dit ſelve hebben aldus gelooft de vrꝛoome —
worden / ong upt louter barmhertigheyt / ende | oude Wet-geleecde Eleazarus / ende De Gode pan.z.rz.
genade Ban den Dader gefonden ende gegeven / | beeefende deughdelijke Moeder met haer ſeben pan.s.ro. ·
Dat uptgedzuchte Beeldt deg onfienlijcken Bonen / de dzie getrouwe Jongelingen in den
Gods / ende dat fchijnfel fijner heerljckheut | Oben / oock de ſieve Daniel / oock de ſchoone
teeven ende gelaoben / dat defe felfde ecvft-ge- | kupfche Sufanna/ dat eerlijcke / edele Booz⸗ Dan.r5.e.
boovene ende een-gebaotene Gods epgen Sone / beeldt aller vzoomer Drouwen / ende hebben €
Ehꝛiſtus Jeſus / onſe cenige ende eeuwige Meſ⸗ daerom beel beter geacht / hier der tprannen
ſias / Propbeet / Leeraer en Wooge-priefter is / toorn ende gramſchap ecn Klepne tijt te lijden
Die de qe-enfchte Wet voor alle fijn geloobigen dan datſe fouden ſondigen / ende alfaa des
(nademael fp ſulcks door de zwackheyt haers | Heeren gramſchap ende toon eeuwigh op haet
bleefchh niet en bermmoghten) heeft vol gedaen. | laden.
recht geloo-
ven, wijken {| keeren
ne ende goede confeieritie niet en ontfingen /
Mie ons fijns Daders goede Wille ende welbe⸗
oorbeeldt voor gewandelt heeft / ende heeft
alfoa hem felven boor onfe ſonden ín het keups
Den Pader tot eenen ſoeten reuck vzpwilligh⸗
lijch henen gegeben / dao? Den welcken wp al
te ſamen hebben (die dat met 'et herten geloo⸗
ben) quijtfcheldinge onfer ſonden / genade /
gonfte/ barmhertighept / vrphent / zede / Dat
eeuwige leben/ een berfoende Dader / ende
eenen ben toegangh tot Godt ín den Geeft.
Ende dit alle doos fijn berdienften } gerech⸗
tighept / boozbidden en bloedt / ende niet door
oñſe wercken eeuwighlijck. Siet / dat is de ep-
gentlijke ſomma ong gefoofs van Chꝛiſto onfen
Salighmaker / Gods Sone.
Alle die Dit aldus boor gewis ende waerach⸗
tigh met ’er heeten kannen gelooven / ende zijn | G
doo? het Woordt in haten geeft befegelt / alſoo⸗
danige worden ín den inwendigen menfche ber:
andert / ontfangen des Heeren vreeſe en liefde)
De gerechtige (fendt de Schzife) fal upt fijn aba.2.4-
eg Rom,1.17«
hdd
agen geleect heeft / ong als een onftraffelijck | geloove leven : Want dat rechte Euangeliſch —
geloove / dat dat herte boor Godt oprecht ende —
broom maeckt/ dat beroert / verandert / drzinght
ende dzijft de menſchen alſoo / datſe altijdt dat
booſe haten / ende geerne dat recht ende goet
is / nae komen willen. Jae gelijck het niet
van nooden en is datmen een recht verſtan⸗
digh / Wwel-gefind menſch waerſchouwen ofte
vermaenen ſal / alg Dat hp hem ſelben den hals
níet afſteeken en fal/ geen fenijn drincken en
fal / niet van eenen hoogen tooren af ſpringen
en fal/ noch in een Diep oe water / Dez
wijle hp wel weet / foo hp ſulcks Dede / dat hr
den dood niet ontgaen en konde. Alſoo en is't
oock niet ban noode datmen de gene: vermae⸗ Rom.6.19.
nen ofte waerſchouwen fal/ Die ’t ban herten
elooven Dat ’t loon Det fanden de doodt is / dat
De Deonciten dzinckers / leugenaers / hoeren:
jagers / oberſpeelders / afgoden· diengers / gie⸗
rige / Godt verachters / haters / bloetvergie⸗
baten upt haer geloove de gerechtighendt /| ters / mepn-cedige / dieven / ende diergelijcke
bucht / Keacht/ een anbeftvaffelijck leben / | fondaerg meer / Chriſtus Bijck niet befitten en
ende nieuw wefen/ alg Paulug fepde / name⸗ ſullen / Datfe niet —— drincken en ſullen /
lijckt : met'er herten gelooftmen ter gerechtig⸗ niet hoereeren en fu
hept/ daor ’t gelaoke (fepdt Paulus) repnight
Godt onfe heeten / ende alfoa volgen De vzuch⸗
ten der gerechtighept alle Wegen upt een opz
en / Ec. Want de Bodde:
lijcke vzeeſe die unt foa een geloove herkomt /
waerſchouwt / vermaent / tuchtight / drijft en
verſchriclit haer alſoo / Datfe nimmermeer alz
recht / ongevennff/ broom Chriften geloove. | fulcke vleeſchelijcke Godloofe wercken conſen⸗
/ ongebepnft/ vz beiften g teeven / noch Wepníiger doen ſullen. Want Rom.r32.
Hebt er acht op.
Want alle die De rechtveerdige oozdeelen | haer geloove ſegge ick) dao? “t Woordt in den
Gods en fijn eeuwigen toom / ober alle fonden | Geeft befegelt/ leet haer alg Dat ’t eynde de
ende boosheden ban heeten gelooven / ende ín | doodt is.
Den geeft daer aen niet en twijffelen / fien op De
en 6.23.
1 Cor.6.g,
Eph. 5.5.
Apoc.2r.8,
Siet! foo moetmen met et heeten gelooben / 22-15;
gevallen Engelen: Op de eerfte verdorven | als Paulus fepdt / dat i/ wp moeten foo aen ’t
Wereldt: Op Sodoma ende Gomorra / ende | woordt hangen ende Kleben/ foa aennemen
op dat ongehoorfaeme wederfpannige Iſraẽl / ende indzucken / dat wp ons daer nimmermeer
mernen aen/ hoe hy fijnen onfchuldigen Sone, | ban af en keeren / nach af keeren en laten/ dan
díe van geen fonde en wiſte / ende geen bedzie- dat t ín °t herte noch al Dieper ende Dieper altijt
gerpe in fijven mondt gevonden en ode / om inwortelt /
dat wp dooz fijn kracht / Godt
onfer fonden wille alſoo vernederde / Dat hude unt allen onfen vermogen vreeſen / ende onfe
ellendighſte ondet alle mannet was: Jae dat
Hu alfoa geflagen ende geplaeght was / dat hp
fonden vecht boeten mogen. Want de hertz
grondelijke ongeverwede breeſe drijft De ſonden
aen’t Ycups hangende orinoofelijk fijnen Ba⸗ upt/ ende fg onmogelijck ſonder Gods vzeeſe
Der klaegde: Mijn Godt/ mijn Godt/ waerom rechtbeerdigh te worden.
hebt gpamp verlaten?
ile) fegae ick / die Dit aldus ín hare herten | brucht des geloofg dat Des
boot gewis gelooven / Die vlieden van alle onz
fer merckie nae / hoe een
eeren vzeeſe is /
want ſy is de eygentlijcke kracht Die de ſonden
gerechtigden alg van eener flangen tandt / Dee gelovigen untdzijft / begraeft / ſterft / ver⸗
aer vanalle fondenaf / ende ſchou⸗
wenfe veel meet als fasen beenende bper ofte
ſteeckende zwaert Doen. Want haer geheel
gemoet ende conſcientie getupght haer / wan⸗ |
ficer fia wetens ende willeng tegen Gods Wet
ende Moordt ſondighden / Chriſtum in een reu⸗
na den vleeſche leefden / deg Heeren aenklop:
pende ftenune verachteden / datſe daer mede in,
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
plet ende te niete maeckt / t welck dat eerſte
Deel ban een waerachtige boete is / gelijck ons
egIe.8,
erlijclie ſchoone Ecc.2.47.
miet dat Doopfel der geloobigen afgebeelt ende 891
2.11
bermaent wort. De vreeſe des Weeren (fendt par eerie
Dabvid) is dat beginfel der wijshent / het is cen deel der base
fchaone Kloeckhept/ Die daer nae doet / fijnen of ten is dee
blijft eeutwelijckt.
Baader / alle die oock Gods groote ſorgh⸗ —
buldighepdt ende neerſtighendt ober ons (ickt
Red, ſpreelre
Lu
Van het rechte Chriften: Geloove. ; 81
ſpreele hiet ban hem nae menfchelijche wijſe) oock de aert ende natuere Det henliger Godlij⸗ a dek
ende fijn overmate groote gonft / barmhertig⸗ ker liefde. Want alle die / die daor de vecht en
hent ende liefde foo baderlijch neben ong bewer | Waerachtige kenniffe der voorſeyder weldaden
doet gewile
lighlijck al
fen dao? Chriſtum Jeſum / met een oprecht mits dat geloove met den Vader ende fijnen wat Godt.
baft geloobigh herte / vecht grijpen ende batten | Sone Chriſto Jeſu ín der liefde ende geeft een hebben wite
kan / als dat hp den felben fijnen eeuwigen | zijn / De ſelbe en derfmen uiet vermeenen dat
Sone (daer doo? hy Hemel / Verde ende eZee ſy den Heere dienen fallen / Gods RNijck foecz
met hate gantſche volhendt geſchapen heeft)
wijshendt niet geſpaert en heeft / maer dat
bu hem om onfent wilte ober gegeven en Geene:
| ken ſullen / Doop ende Avontmael na ordenin⸗
herte ende tange dwingen ſullen / des Heeren
Det en Wille met voller ernſt nadenchen fulz
fijn onbebindelijke eeuwige Waordt / kacht en | ge ban de Schzift vecht gebruncken fullen /
Bert heeft / heeft hem laten hongeren / dorzſten /
len / Chriſtum hooren ende volgen fitllen/ ende
laſteren / vangen / befpotten / ín fijn heplíge | dat fi Gout en Sítver / Geit en Boet Wijf er
aengeficht ſpyen / geeffelen / met doorne krooz
Petar, Men veroozdeelen / kcupcigen ende dooden. Op
2 Cor.s.9. dat top doop fijn kranckhent ende framen tot
gefonthept/ dooz fijn armoede tat rijckhent /
dooz fijn verachtinge tot heerlijchhept / door
fijn matedictíe tot benedictie / door fijn ſtraffin
ge tot genade / doop ſijn bloet tot quijtſcheldin⸗
ge/ doo? fijn offer tat verſoeninge / ende door
fijn daodt tat dat eeuwige leben komen fouden.
och Dat hu ons alle creatueren tat nuttig
bent gefchapen / ende ons dooz ’t Woord onder:
worpen heeft / Dat ha ons met Winter ende
amer / met hitte ende koude) met nacht ende
dagh / met vegen ende dzooghte / dient en voor⸗
flact. Dat hp ons fijn Wenlige Apoſtelen met
fijn Heyligh Woorzd gefonden heeft / ons met
fijnen Geeft befchonken/ verlicht / regeert /
bermaent / ſtraft en trooſt ong nootdzuftige
deckſel en boetfel beſchickt / ende midden onder
dat verkeerde leeuwiſch geflachte ín fijn genaz
sclooven, EeNS/ Die Dit aldus gelooven / grijpen en vaten
acttde _kan/Die en magh immer noch doo Engel noch
liefde. dooꝛ Mupbel / door leben. noch doot verhindert
baembertige Dader / Die ſoo groote genade en
liefde aen ons bedroefde Sondacrs bewefen
beeft) unt Dat binnenfte fijner zielen lief heh
en / ja hem prijſen / eeren / dancken / dienen en
gehoorſaem ziju / fijn leefdage.
Want Dat ís der gelaovigen hooghſten luſt
ende vzeughde / dat fr in haet arme zwachhept
nae des Weeren Wille ende Woorzdt wandelen
Deliefdeen ende leven magen, Want dat en kan nimmer:
der vrucieen meer faljeeven / ofte faa waer de onbervalfte
zijn. reyne liefde Gods is / dat daer oockt den angez
Joan.r4.ar, Drongen gewilligen dienſt der felfder liefden / te
—— weten / De onderhoudinge fijner geboden zijn
Saps.9. moet, Die ín hem betrouwen/ (fepdt Sa: S
piens) fullen de waethendt berftaen ende gez
oobige in der lief den fullen hem te wille zijn /
ende Dat isꝰt woordt Dat Paulus fepdt : Dat
Én Chꝛriſto noch Befnijdeniffe noch Onbefnij-
deniſſe en gelt maer 't gelaose dat daor de
liefde wercht. —
Dat nu de liefde foa eert werckende kracht
ende aert heeft / magh aen de natuerlijke liefde
De natuere Meer als Klaer gefien Worden. Want men
kertons derf geen vedelijche Ouders daer ober vermaez
derliefden MEN) Dat fn haere Kinderkens met eten ofte
acrtis, Deincken / met kleedinge ofte fchoepinge ver-
forgen ſullen / dan daer falfe de natuerlijche
liefde wel toe beemaenen. Oock des ſeiben gez
Iijcken man ende vzouwe die malkanderen met
ten eerlijche echtelijcke liefde van herten lief
hebben / die en laten °t haer niet berdzieten mat-
kanderen gewillighlhen te dienen / ende alles
Met Den anderen upt te boeren / alst oock bíl-
Gals 6
lijck ig/ nademael fix een pleefch zijn / alfoa is | Eeeft droeffeniſſe / daer na preuohde. Somma/
2
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Úrinderen/ Wijf en Leben boven Chrifi en
fijn Woozd niet beminnen en ſulſen ac. Tant
De werckende aect Der bperiger liefden Gode
Die Daer is upt een eenn herte / goede confcien-
tie / ende ongevennſt geloove / dzinaht / deijft /
woelt / ende werckt foo in hare herten / datſe
met lijf ende ziele / met goet ende bloet C hriſto
gewilligh ende bereyt ſtaen / om te doen wat
bp geboden heeft / endetelaten wat hu verbo⸗
den heeft / gelijckmen (Godt zy lof) ín grooter
Klaechept en kracht aen faa ontalijfte eel vro⸗
me herten dagelijcks hooren en fien magh.
Ende is hier mede openbaer / ſoomen Godt
lief hebben / ende onderdaniglijk ín fijn geboden
wandelen wil / datmen alsdan gelooven /op fijri
weldaden wel achten / ende geñꝰt Woord fijner
beloften met’er herten vaft hangen ende klez
ben moet / alsgefent is. Want de ſiefde / die op:
recht is / is een feet edel dierbaere vrucht / tack
ende ſprupte Des geloofs / Daer ban dat tweede
Deel eener Waerachtiger baeten / namelijck /
dat onftraffelijke nieuwe leven herkomt/ ong
met den Doop afgebeeldt / gelijck oock haven Sonder dé
ban des Weeren bzeefe cemmael gefendt {8 : liefde zijn
Sonder welcke liefoe alle welfpzeektenthepde alie on:
endetongen/ alle wetenfchap ende verſtant / doode"
alle beroemingen des geloofs / kenniſſe man: : cor.13.4,
derdaden ende prophetien / alle aelmoeſſen / ber⸗
volgh / krups ende lijden boor Godt pdel/ jac
gron ende doodt zijn.
Die lief heeft / is unt Godt geboren / ende t 10.45:
kent Godt / want Godt ís de liefde / ende met
foo cen gaen alle dingen optecht Hoost nae des
Heeren Aert ende Woordt. Want fn ig de Romirz.re,
vervullinge des Wets / de gehoorſfaemhendt
ſijner Geboden / ſy ís De bande der balkso- bgn,
menbept ende des Peedes / afgebeeldt bp den senad
—— ſchoonen gorzdel ban Aaron ent fijn Eph ee
Deliefde (fepdt Salomon) is ſterck alg de
daodt / ende den paer ig vaſt als de helle / haven
gloet is vuerigh / ende een vlanme des Weeren; Can 3.6;
bat oock beel wateren De liefde niet en mogen
untbluſſchen / ja ſoo vaſt / ſterck ende vuerigh —
is de liefde / Dat ft alle te basen gaet / ober··
wint ende berbeent/want hem tegen Chriſtum draoghe ’t al.
ende fijn Woozdt opmacken ende fetten derf /
het 3u dan Wereld of Vleeſch / Tpran of Duy:
bel / Sonde of Doodt / of watmenfoa anders
bedencken of noemen Kkan/ ende dat doorde
kracht en Geeft des geens / daerſe unt gebaert Fom.s.35-
is / Chriſtus Jeſus.
Ende alſoo moet Moſes Loot aen gaen met
De vreeſe / ende Daer nae Chziftus met de liefde.
erft De verſchrickende Wet / ende daer. nac
Dat bertrooftende Euangelium. Gerft toom
inꝰt voelen anfer confcientien / ende daer nae
de genade. Eerſt onbzede / daer nae beede.
erft
82 Van het rechte Chriften Geloove,
erft de doodt / flaende letter/ ende Daer na den
lebendighmaekkenden Geeft.
iet / mijn Leeſer / aldusdanigen geloove /
alg gemelt / is dat rechte Cheiſten geloobe / dat
Godt de Dader en fijn Soon / Chriſtus Jeſus /
Dao? een Îief-hebbende vreeſe en vzeeſende liefde /
prijſt / eert / heerlijk / heyligh en groot maeckt /
want het belient des Daders goeden Wille dao?
Chꝛriſtium tegen ons / bet bekent (feage ick)
dat alle beloften der Daderen / dat verwachten
Der Patriarchen / de geheele figuerlijcke Wet /
en alle Peopbetien Der Popheten in Chꝛiſto /
met Chꝛiſto / ende door Chriſtum vervult zijn/
Dat de felfde Chriſtus / onſe Uoninek / Hertogh /
Rom.ioa. Deere / Meſſias ende beloofde David is. De
enzsns. Teenw upt Juda / de ſtercke Heuſe / de Dooft
Ezec.34.23, Des Vzedes en de Dader der toekamender Wez
Gen.49.9. reld / Gods Almachtige onbebindelijcke eeu⸗
2Car.3-13e
Apocss. wige Woozdt ende wijshept / de Eerſt· geboo⸗
Joas. tenaller Creatueren. ®atiicht dev Wereldt.
: — 5. De Sonne der gerechtighent. Den vechten
entasr. rechte deure ende erder der Schapen. Dat
Sapi.s.c. vrechte fondament. Den edelen welgeſchikten
Ioan.1s.r. Joekt-fteen in Sion. Ben vechten wegh / waer⸗
Kee7s37, hepdt en Dat eben, De beloofde JDzopbeet.
.7 Onfe Meefter en Leeraer. Onfe Verioſſer /
1Cor.z.ir Salighmaecker / ziende ende Bzupdegom,
Faia8x6. Somma) onfe eenige en eeuwige Middelaer /
rpersó Woor-fprache / Paoge-priefter / Pooꝛbidder en
loan.14.6. Soen man: Ya ong Hooft ende Broeder / Ec.
— * ld oe datt dit alle —— t (legge cd
sere __Daerom foa neemt ’t oock fijn Woordt rech
72. waer / het hoort fijn ſtemme / ende volght fijn
en 13322. exxempel ende raet trouwelicken na / het fchepù
Mattens hem ban alle Goddeloofe weſens af / want het
Col.raa, herte is verandert / het gemoet is nieuw gez
Luce 2.30. Worden / het kleeft alfao met Moſes aen De
ket: toekomende belofte / vecht offe voor oogen daer
Carr, — Geftelt waer / ende verwachtſe met den vzoo⸗
enz16. men Abraham berduldelijck / tot dat ſyſe in't
en 3.5. waerachtige wefen eeuwigh met alle Aptberz
oan.z.ag, _ Hooven innemen ende he-erben fal. Want het
»Tias. _ Geloobe (fent Paulus) is een ſeecker weſen der
zloanze. Dingen diemen hoopt / ende het fchickt hem na
— De dingen diemen niet en fiet) noch fepdt hu;
enzaa. De hoope die gefien wordt / en is geen hope /
en56. __ Godt fpzeecht: Chꝛziſtus felge is een Geeft /
engts. fijn Woordt ende Genade zijn Geeftehjck / de
enizsa, — Pelofte deg Nieuwen Ceſtaments ig Geeſte⸗
Ephef.i22. lijck / fijn Nijck eude heerfchappne zijn Geefte-
Col.ra8. liijcli / ende daeromme foa maetmen oock altez
Matt.12,50. male dooreen oprecht / cepn ende baft geloobe
Hebasz. meteen open herte ende geeftelijcke oogen oor⸗
2Tefa3. Deelen ende inſien. Maer wp mogen wel met
Paulo feggen / als dat ’t geloove niet pegelijks
Dinah en is.
Alle de geene dan / Die nu haer ooren boor de
Aâi7.37 beſtraffende / dzepgende / ende doodtflaende
Wet toeſtoppen / ende haren Godt niet vree⸗
fen en willen / oock dat genadelhcke Euange⸗
lium Cheiſti ban haer ſtooten / ende hem niet
lief heben en Willen / haer aagen boo? dat licht
Der gevechtighepdt toe-flupten / ende den
vechten wegh noch fien noch wandelen willen /
haer heeten beeftijven / ende des Veeren recht⸗
beerdige Oordeelen / Toorn ende Ongenade/ | Ì
oock fijn barmhertighendt / weldaden / ende
groote genade niet bekennen en Willen/ Die
Hier merckt zijn ongeloobigh/ want fp verſtooten Chri⸗
wiede onge- ffum Sef / ende gaen froutelijchsen den ver⸗
OOvige Ak. keerden wegh. Sp berkiefen hen felven een
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Wijnſtock. De Fantepne des Levens. De God
gevechtighept ende middel Der genaden tegen
Gods Woordt. Des Heeren wijghent achten
fp voor ſothent Sijn waerhent boor leugen /
fijn Euangelium boog berlepdinge. Dat deug:
delijck Chziftelijcht leben boo? vaferpe. Dat
rechte geb2upelt fijner Sacramenten boog Ket⸗
terpe. Openbaere afgoderpe / menfchen gez
boden / ſuperſtitien / ende leelijcke verſierde
leugenen zijn haeren hooghſten trooſt en beften
GBods-dienft. Laren buyck is haven Godt.
De Wereldt is haer lieber alg den Wemel ig.
Al haren luft is gieren ende capen / in paonc: vn onge-
ken ende praclen / ín Gout / Silver / Belt ende
goet. Waer koopen ende verkoopen gefchiet ;
met bedrogh ende fchalckhent. Wet gemeene
leven ís dancken / fpeelen / bloechen / zweeren /
haten / kijben/ vechten. Wet Vleeſch ende fijne
luſten volgen. Sp faem· rooven / ſoecken haers
naeſten ongeluck / oneere / ſchaemte / ſchade
ende ſchande. Somma / fin ſpreecken met De Pfalrsa.x.
fotten in haere herten : Daer en is een Ss,
a
t,
Ende hoewel fp hacr van Godt met den
mondt beroemen / fijnen JRacm met de lippen
prijſen / haer knnen untwendigh toor hem bep:
gen / ende ſeggen / dat fp met Chriſtus Doodt
ende Bloedt verloſt zijn / ſoo ist doch alte⸗
mael enckel hupchelpe/want het geſchiet ſlechs
untwendigh daor gewoonte ín eenen fchijn /
ende niet inwendig Door ’t geloove ín de kracht
ende waerhent. Ap zijn De gene Daer ban gez
ſchreven ffaet : Sp feggen met den mondt dat Tit.r.1e,
ſy Bodt Kkennen/ dan met De wercken berfaken Benen ,
fin hem / want fp zijn die gene daer Godt han Dat eynde
walget / ongehoorſaem het Woordt / ende on⸗ der ongeloo-
gefchicht tat alle goede wercken. Ende dít alle vigcn is de
daeromme / dat fp Cheiſto in fijn wooden niet Marc re. 1
en gelaoben / weickers epnde De doodt zijn fal/ zoan.z.18. —
alfoa hu fent : Wie niet en gelooft) fal verdoemt
worden. Ja hp ís alreede al berdoemt.
Necht is dat Paulus fepdt : als. dat ’t on:
mogelijken is Godt founder geloove te behagen.
Maer wie tot Godt komt/ die moet geloo⸗ Hebr.116,
ben dat Godt is / ende dat hp een bergelder is
van die / Die hem ſoecken / @ een open herte /
@ een diep verſtant / jac algmen deſe woorden
vecht inſiet foo maghmen hem fijns Geeſts
ende Wijshent wel verwonderen : Want wan:
neevmen De faecke vecht nadenckt/ faa moeten
op immers vooz Den Heere bekennen / díe
onfe herten ende nieren proeft / als dat wa
met het herte niet gelooft en hebben /dat Godt
is / ende dat Wp daerom alfuicken pdelen god⸗
loofen lesen gelept hebben. Want dat en kan
níet falfeeren / alle Die ban heeten gelooft dat nr
Godt is / Die gelooft oock Dat fijn Woordt *
waerachtigh ís / datꝰt loon der ſonden de doot
is / dat ’tal naeckt ende blaot boor fijnen
oogen / ende boor hem niet verborgen en ís /
Dat wp ban alle onfe gedachten / woorden ende
wercken ceeckenfchap ín den dagh fijner open:
baeringe vooz zijn Gerichte geben moeten.
Dit dan aldus geloovende / ſoo begintmen Efi66.4-
hem boor alfulchen alweetenden rechtveer⸗ MAE-12-36.
digen Bichter ende Heere te ontfetten/ jaupt cor.;.re.
dat diepſte dev zielen te verſcheicken onde te
even.
Cen tweeden/ ſegge ick : Alle die van herten Gode maekt
gelooven dat Godt is / die gelooven oock Dat hp piemande j
waerachtigh is / ende daeromme oack niemant ne werd,
tegen fijn WDodzdt en magh ſaligh maecken.
Want hp ís de Godt der waerhept / en daer r
Van hee rechte Chriften Geloove.
is geen leugen ín Bent. Dijn afgeſeydt Woozdt | meer / Want dat en ſal ons nimmermeer fal- aag
dat ſtaet / hn en kan nach bungen nach breeken. ( feeven / of foa waer een oprecht Chriſten gez 5 xe.
Dit alfoa geloovende / beginnen fp Loor fijn loove is / dat daer aaclt cen afgeſtorren menſch / toove
rechtvrerdighept te vzeeſen / ſy werpen alle bal: | een nieuwe creatuers / een oprechte baete/ ende
fche placktingen achter haer / alle valſche belof⸗ | cen oprecht / wedergeboren) onftvaffelijk Chri⸗
ten) peuluwen ende kuffenen der valſcher ſten is. Ien en leeft daer niet meer na de luz
_ Peonheten / ende ſoecken den Weere / diefe gez | ſten Der fenden / maer na den wille des geenes
Die Gods
barmhertig-
heyt gelooft
is alreede al
getrooft.
Mier merckt
wat der ge-
loovige ey-
—— jcke
decken is.
Heb. rr.
kacht heeft/ ff wozden Kleyn ín haer epgen | die ons met fijn Bloedt gekocht; wet fijnen
oogen / want het herte wodt bernedert/ fps | Geeft getogen / ende met fijn Woozdt gebaert
fuchten ende Weenen / bidden ende kermen / heeft / dat is / Christus Jeſus.
kloppen ende roepen boorden thzoon Der ge-| Maer ſoo waermen dat geloove alleene ín
waden / tat Dat fin berhoozt met Dat Woopdt |Den mondt draeght / ende en volght geen gez
fijng Bzeedes / met de belofte ſijner genaden / vechtighept/ noch veranderinge / nach nieuw
en met de Olpe fijns Wepligen Geefts gefalft /
opgerecht ende vertrooſt zijn.
Ten derden / fegge ick / alte die gelooben dat
Godt ís / die gelooben oock dat hp genadigh en
barmhertigh ís /dat hp ons fijnen epgen Sone
gefonden ende geſchoncken heeft / ende dat die
ons de vechten wegh geleert heeft/de Wet voor
ans vervult heeft / De Daders Coa berfoent
heeft / ons met fijn dierbaer Bloedt en bitteren
Doodt verloſt heeft / Pelle / / Vunvel / Sonde
ende Doodt oberwonnen heeft / genade) gonft/
barmhertighent / ende bat eeuwige leben ver⸗
worven heeft / Ec. Ende daeromme wort haer
weemoedigh treurigh herte / dat tc boren door
gemoet / of boetveerdigh leven / Daer is't niet
dan ongeloove / huncheſpe ende leugen/ hoe beel
men oock ban de Scheift fpzeechten of diſputee⸗
ren kan / Dievegel ſtaet baft / ende en ſa nim:
mermeer gebroocken woeden ; leeft qu na den
bleefche/ ſoo ſult qu ſterben. Nile die dan in Rom.S.r3.
pacht ende prael leben / ín eten ende drincken /
overſpel / hoeverpe/ gierighent / hact/ nijdt /
qulfighept/ bedziegerpe of diergelijcke fonden
meer. Die des Weeren hepligen ende hoogen
Naem / Wooꝛd / Wille ende dock fijn Gemeente
laſteren / haeren naeſten ſchenden / faem roo⸗
ben / om eere / naem / welbaert / lijf ende goet
beengen / bp des Weeren Lijden / Wonden /
bat berfchzichelijke dzouwen ende deepgen des | Sacramenten / Virups ende Doodt blaecken
Wets /niet dan Gods toeren / ende den eeuwi⸗ of zweeren / Ec. Dat foodanige ongelaavige
gen doodt boor oogen ſagh nu wederomme Hendenen / ende geen geloobige Chziftenen en
berguickt, Sp werden bepmoedigh / vrzedigh | zijn/ is klaerder als den klaren dagh is / want
ende vrolijck in den Geeft / ontfangen eenen [haer bzuchten getupgen Lao? de geheele Wez
blijden moet / ende Wozden mits ſulcks haer reldt / Dat fin de rechte Olijf-boomen nachte
Hooft ende Salighmaecker alfoa tat epgen / [Wijn-tancken níet en zijn / Daer ban men De
alſoo aengebonden ende ingelijbet/ alfoa door rechte rijpe bzuchten lecfen ofte plucken kan /
Gods Geeft ende de ongevalfchede vene liefde | want fo waermen hem op leeringen en geboden
fngeplantet en berfet/Dat fn een Herte Geeft / dee menfchen vertrooſt / een vreemden Doop /
ende Ziele met hem zijn. Bencken / ſpzeeken | Avontmael ende Godg-dienft gebrunckt / die
ende leven nae haerer zwackheyt / gelijcht ha ons Chꝛiſtus níet geleert en heeft / quijtſchel⸗
haer ín fijn WDoordt geleert ende bevolen heeft, Dinge det fanden ín eenige vreemde middelen / Dat rethte
Op berfaeken ende ſchouwen alle valſche leere / als in Wij-water/ Miſſen Biechten/ Be- phriften ze
ende ongeloove / alle balfche Sacramenten / baerden/ Ec. foeckt / eenen verkeerden krom⸗ nem atteen
alle Afgoderpe / met noch den bebleckten rock men wegh wandelt/ datmen daer. Chriſto ende genoegen
Der fonden / de welck dat verkeerde baofe leben | fijn WDoozdt niet en gelooft / moeten fn alte bez Met des Hee-
ren Woordte
is /dat upt den vleefche heckkomt. Sy ſoecken kennen / die flechtg natuerlijcke kloeckhendt
De Keere en Sacramenten die haer van Chri⸗ ende berftant hebben. Maer alle die Chriſtum
fo bebolen zijn / den Gods-dienft die haer nde | voor den Sone Gods (ende fijn Woordt boor
Scheift geleert is / ende Dat onbeſtraffelijcke de rechte waerhent bekennen /) bekennen dat
vproome leven / dat upt Godt ís. Want fp zijn | fijn Gebodt dat eeuwigh leben is / die en ſoeken
doorꝰt geloobe ín Dat inwendige wefen haerg | geenen anderen Gods-dienft / geen ander
herten gerandert / omgelieect ende nieuwe ge⸗ Wooꝛdt / geen ander Sactamenten/ geen mid:
koogden. Daer mede Dat fp alfoo een verſegelde delen der Derfoeninge / noch geenen anderen
berfeecherde Confcientie hebben / Welck haer | weg of leven / dan Cheiſtus Gods epgen Sone /
betunght dat Bodt is / ende dat hp vechtheer: | met dat Woordt fijner waerhept voorgedragen
digh is / waerachtigh is / ende barinhertigh is / | ende geleert heeft.
ende goedertieren is. Ende daeromme faaen | Is dan hier mede openbaer / ſoo Waer dat Rom.3.22.
begeeren / ſoecken ende handelen fp oock bende | oprechte Chriſten geloove ig / dat vaor Godt Lat
inwendigh ende uptwendigh/ anders niet /Dan | gelt/ dat een gave Gods ig / ende unt dat ge Rom.ro.s.
fin doop ’t Woordt bekennen/dat haer Chriſtus hoor des Hepligen Woods herkkomt / door den Waer 't ge-
Jeſus met fijn Heplige AUpoftelen ende P2o- | blaependen Boom deg Hebeng/ ig ol met al- Pose, daer
Peen in de Schaift nagelaten ende geleert lerlep koftelijcke fchaone vruchten der gerech 5
tighept/ alg met de bzeefe ende Liefoe Gods / ten.
en.
Siet / mijn Broeders / hier fiet gp nu welche
den epgentlijcken aert ende natuere eens Waer:
achtigen Chziften geloove is / ende Welck ven
groote verholenthent / bedieninge / geeft ende
kracht / dat alſulcke ſtorte flechte woozden ín
haer befloten hebben / te weten / hp moet gelo:
ben dat Godt is. Wie in hem gelooft heeft dat
lean.z.1s, eeuwige leben. Wie gelooft en gedoopt Wozt /
Marcir6. 16. í
—8 in
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
barmhertighent / vriendelijckhent / kupsbept /
foberhept/ ootmoedigthent /_bepmoediakent /
waerhent / brede ende beeüghde in den hepligen
Geeft/ Ec. Want waer een oprecht Euange⸗
liſch / broom geloove is / Daet zijn oock de op-
vechte / Cuangelifche vzoome bauchten/ en dat
nades Guangeliums aert.
Ick fegge/ Euangeliſche vzuchten / want
worden / Wie in hem betrouwt en ſal die vzeemde bruchten / gelijck kinder doop
chaemt wozden / ende ſulcke Schriſten Miſſen / Metten / Defper /
appen / Sscupfen/
L3 Herc:
dn,
Van het Geloove Noë,
lercken / Altaren / Ulocken / Ac. En lient
dat Euangelium niet / wantſe Godt / noch
doo? Chriſtum ſijnen Sone / noch doo? A⸗ Van 't Geloove Noë.
poſtel of Pzopheet bevalen en heeft / daer⸗
orn fn oolt grouwelen / ende geen Geloovi⸗ | |
oke ge Dzuchten en zijn/ gelijck bp Iſtakl de jk Schziſtuere getupgt van aach/ den
er 625: D3e Guiden Halveren waren / de dienften Saals/ A” Sone Lamech / alg dat u Genade boo,
curri6. Den Bergh) Altaren ende Herken/ ende den eere Gant / Dat hp een vecht bzoom
dat fr hare Hinderen Tieten Door het bper | Jan was/ fonder beranderinge/ ende cen
gaen. Godtlijkk leben lende tot fijnen cijden. Petrus „per.2.s.
Dat rechte Euangelifche Geloove / fiet en noemt hem een Przediker of Leeraer der ge⸗
achtet alieene op Chꝛiſtus Leere / Ceremo⸗ rechtighent / hoog en heerlijck igt getungeniſ⸗
nien / Gebod / Verbodt / en onbeſtraffelijck ſe / Dat van deſen man in der Schzift gegeven
Vooꝛbeeldt / ende fchikt hem daer na uptalz | Woet. '
le fijn vermogen. Want gelijk dat vper upt Doen nu alle bleefchh fijnen weg Hop
fijn ingefchapene epgen aerden natuere niet | Godt berdogven hadde / ende Den Hert odem
en kan baren / dan Branden Vlammen / de | bol booshept was / de kinderen Gods op der
Sonne niet dan klaerhendt en warmte / Dat menſchen dochteren fagen / om dat fp ſchoon |
3
Gen.6.9.
water baert vochtighept / en een goede boom | waren / ende tot wijven namen / die ſp flechts
goede vruchten / ende Dat na fijnen engen in⸗ wouden / ende en wilden haer van Gods Geeft
geplanteden goeder aerd. Alſoo baert oock | niet meer ſtraffen laten. Doen ſpzak De Hee⸗ |
Dat oprechte Euangelifche Geloove fijn op⸗ re: Ick wilſe noch vefpijt geben hondert en
rechte Euangelifche Vzuchten (fegge ick twintig Garen. En gaf Hoẽ een bevel / dat
noch andermael) ende Dat na fijn oprechte {hp een Arke / Schip of Kifte maken foude /
Euangelifche goede Nerd. Ja gelijk een eer⸗ daer mede hp en 59* voor de toekomen⸗
e
2*
lijcke —— WBrupdt dooz de kracht en | de Diluvie en Stra
Dat rechte Kan/ het ſo vreughde of droeffeniffe / verſa⸗ dat alle hooge Bergen onder den geheelen He⸗
Geloove dinge of honger / labinge of dozſt / prijs of | mel vijftien ellen hooge met den water bedekt
feliſche Wandelinge / een opvechtereone boe: | waert worde.
derlijke Liefde / en een vzuwillige gehoorfaem-| _ Door’t Geloobe(fept Paulus) heeft Noach
Godt ge-eert/ en heeft de Arke tot ſalighendt
8737 De gevechtige (feage telt) leeft unt fijn Gez | ban fijn Aups bevept / als hp een Godlijch bez
ebiosg, foobe/ gelijk ín de navolgende erempelen der | bel ontfink / ban de Dingen die noch níet gefien
Heb.10.3
en worden / door welke hp de Werelt verdoeme
de / en íg cen erfgenaem Der gerechtighepdt gez
woden / die pt Den Geloove hetkomt.
@ een lieffelijke erempel / een heerlijke
Boozbeeldt ban cen ſeker ende vaſt Geloobe.
Want om dat hp fijnen Godt geloofde) fo was Noachs Se · |
hp oprecht / broom/fonder beranderinge / ge ——
Hn geloofde de gedrepode ſiraffe aiſoo baf ‚ #
Heb.11.7.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ak —
Van het Geloove Noë,
als of hpfe tegentwaordig (fegge te noch een | ende hauren hemden bekleeden / waerachtige
mael) met oogen aenſagh: Ende daevamme | boete doen / Dat boofe leben beteren / ie F
timmerde hu foo, lange Jaren / Daer meden rerhtighept na jagen/ en met onfen nieuwer
chris PE ongeloobige, ongebhaorfame geeften ofte | en geeftelijcten Poach/ Cheiſto ef / in een
heefrdoor ienfchen/ die in hare fonden gevangen la: | nieuwe en geeftelijche Atke / welke fijn Ger wer;
' fjaen Geet BEN, tot boete ende beteringe Door Chziftug | meente ig/intreden / alte tijd forgende en vee:
van aenbe- Geeft / Die eeuwigh ís / bermaendt/ bzefende fende / Datong doch de geouwelijke diluvie
Sraa _ fins Heeren Wodrdt want hp twijfelde niet/ |van den tackomenden toom God niet onder:
ierzao. Of Bet moefte alfoa gefchieden / gelijcit de Bee- |fieng met allen ongeloosigen en onboetveer-
te Dat gefgzoolen hadde / want hp wifte wel/ | digen / die noch Godt noch Theifum / noch
| Dat fijn Woost fijn valmaekkte werke zijn moe: |Geeft/ noch Doozden bekennen / tat eenige
sElL6 SS. ſte / gelijk ook Eſdzas ſepdt: O Heere (fepdt | tijd overvalle/ gelijk fp de eerfte berdozbene
se —— Pien daher (loeeelt gedaen beeft) alsgefent is. Aa wo en sur,
ee creatuten/ het worde Hemel enz |fouden ban heeten op deg Weeren tú ai.
be Jerde / ende u ãboordt if een bolmacht besten op des teeven toekomft
wachten / op den tijd der genaden achten/ onſe
erlt. Bzuplofs kleed bewaren en Olie ín onfe lam: zur. z6.
En doen hy nu wel beertig / tachtentíig of
hondert Jaren lank gepzedikt en getimmert
pen hebben/ op Dat onfe hups niet ter ontijdt
hadde / (dach hoe lange Dat hu timmerde) en
—— * og len — vi Den bez
‘ hae; oenden gaft upt des Weeren Bzuplaoft geſtoo⸗
| | leerde de Schrift niet) enis hp ebenwel doo? ——
't lange vertoeben niet zwack in fijn Geloove
En — — enb wepen ——
Et worden / en alſoo eeuwig bunten der deüren —
geworden / Want hy wiſte wel dat Godt fijn | bl —— en 25.10.
ſtraffe ober de onbekkeerlijckte maefte laten ka:
BREM zi Ee
Maer om dat wondes Weeren deepgemen:
men/ omdat hp dat te boren alfaatot hem | ten / flcaffingen / tao2n en —— ——
geſprooken hadde. Ende dat hy wederomme
hem en De fijne / dooz fijn barmhertighendt en
níet en gelooben/ ende op de erempeien Der
wird: genade wel bewaren ſoude / om dat ha hem
Schrift wepnig acht hebben/ daerom í8’t
î | — Dat wp met Den ſpotters feggen : Tieve waer
Hebo,ig, [WS toegefept ende belooft hadde. Want
bu is de God der waerhent / en geen leugen en
is de belofte fijnder toekomſt / blijen níet alle
hu Dingen als fp banden beginne geweeſt zijn /
is in hem. fint dier tijdt dat de Vaderen ontflapen zijn. et.3. 4.
Gelijk dan Godt de Heere / den goeden en
brꝛoomen Joach op dier tijdt trouwelijcken
En het fal (vzeeſe ick) daetom met ons
n gaen/ gelijck het met den ongeloobigen en ons Gen.7. i7.
waerfchouwede en ſende: Dat epnde van alle
vleeſch is boor mp gekomen / Want de aerde
geboofamen bp den tijden Hoach en Loth ce 821.
De aerde | gegaen is / doen haer de haeftige ffvaffe older: 927
ís bol haerder booshept / ende fiet / ick wilfe
Gen.6r5. berderven met der Aerden. Alſo heeft hp ans
biel. Gelijck men ootk opentlijcken van —
oocſkt nu Door fijn engen gebenedijde Soone /
Boaz fijnen Penligen Apoſtelen ende Pzophe⸗
— daken toe - Komft Heefen ende fien
d Noch ſegge ick eenmael / om dat wp deg
ten / met fijn Henlige Woord trouwelijck gez Heeren deengementen/oordeelen en toom niet
waerfchauwt ende gefendt : So gu geen boete [en gelooven / Dan klepe achten / daerom is t
en doet / upt Godt niet geboorten en Wort / in dat wy aldusdanigen coekelofen wijden leben
Chꝛiſtum níet en gelooft / in fijn geboden niet leyden / alles doen wat onfe baofe vieeſch ges
en wandelt / uwe lelijke boofe leben niet en | luft: eten / Drinken / bouwen/ zaepen/maepen/
‚betert / vzeemde Goden Dient / hoobeerdigh / | trouwen ſonder alte fozge / gieren / vapen / her:
ſtout / eergierig / hoerachtig / bloeddoeftia / gaderen geldt / goed /gaut en fiber. / bu mal:
loan824. nijdig / ougerechtig /pdel / aerdſch / vleeſche⸗
Yoan.z.r8 lilt en dDupbelfch zijt / moet gp in uwe fon-
Mar.16.16. Den fterden. Ant Rijcke Gods niet komen.
ftoutelijkt in onfe herten hect Tefs-5-
$pan8. Derdoemt wozden. In den biecigen poelge: | _Anderwerf/ ſegge ick: Gen pegelijkt fie toe
Are 5 worpen worden. Dat —— eeuwi⸗ [ende wake/ De ledebode met ij perempto-
1Cor.6,1o, ge jammer / wee en pijne met allen verdoemden
en dunvelen be-erben. En geen patt nochte
Deel ín Chrziſtus Nijcke hebben tert eeuwigen
dagen. … —
En Leeſer / neem't waer / foo Wop nu
Defe trouwe waerſchouwinge Cheiſti ‘en fijng
Pepligen Geeftg met den oprechten ende bro⸗
men HNoach wel waet namen / en ban gant:
fcher heeten geloofden / geloofden (fegge ick )
Gods Wooyd waerachtig en onveranderlijk
te zijn / endedatde gedzepgde ſtraffe tot fijne
: Det tijd komen moefte/ offe al fchaon oock
dupfent facen noch bertogen wozde (ick vade
dat een pegelijk wake/ Want alle die ín hare
fonden ſiterben / hebben hare ſtraffe alreede al
ontfangen / tant den tíjd der genaden is dan
met haer al upt) wy ſouden ongetwijfelt boo,
den 3waren toon en ſtraffe allen onbekeerlij⸗
Yen in dev Schrift gedzepat/ ende díe eeuwig
en eeuwig dueren ſal / upt Dat aldecbinnenfte
onfer zielen wel verſchricken ende beben/ on⸗
fen Godt om genadebidden/ ong met ſacken
ken beamen Hoach recht ende vaft gelooben /
geloofden aol gewiffelijken het gene / dat al⸗
len Waerachtigen kinderen Gods alg toeko:
mende Dao? Thriſtum belooft is / op fou
den fonder twijffel aldug onachtfaem / flas
perig ende lun niet bevonden worden / maer
met volder ernſte fonder eenige bettoeben Ei
upt onfe leelijcke fonden opftaen/ ons ban EERE EN.
alle grouwelen affchepden/ ende Wel alfoo / 9 LN
of noch beel meer Dat boofe ſchouwen / als |
men wel een hongerige brzieſſchende Leeuwe /
of een bloeddoeftige moordadige brandt doen
faude. Souden oockt Wel met opene oogen
waken onfe leef dage / opdat ong de goede
Hunsvader niet fo en quame dat tap fliepen /_
en fijnder geen wachte en hadden / ook * Mat.aá.úf.
e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
86 Van Abrahams Geloove, |
|
| | ——— mede knechten niet en ſloegen met den nochte winnen / up hebben een huns vol kin⸗
ij 1 Bwelgers niet en aten noch en drancken / op deren / ende en kunnen onfe bzoodt fn andere
Ik Mat, 13. 37e
KEI Tuin se Dit hp níet onfe part en Deel met Den huß⸗ Handen niet berdienen /bzeefen ook bp toijlen /
If — chelacrs en fette. Dan dít ſelfde waeken / als dat De eere níet forge boor ons dragen
KI Apon leeft *. mogte gelijck hp wel boor Abraham gedaen
| heet | &. — — eagen À Jop sd =d |
0 ebben groote goeden / Wp zijn oock jonck VAN nem te ont · t
ENE Van Abrahams Geloove “Jaren / magen noch; lome boet Pader ende fchuidigen, |
1 ende ſijn gehoor- Moeder beletten ong / de Daouwefept : Mijn maer t°
| Palts [man íg mp contvarie / en de man mijn yzoutwe 'PEE"
EN acemneydt. is mp contrarie ende diergelijcke ongeloovige / |
IE | —— —— ian ———
EE Bꝛaham de hoogberoemde Patriarcha / Die, (et eemnael ter herten nemende noch beken⸗
Appe, inder ceren riet enhaddealg nende hoe dat u Chriſtus onbedziegelijcken |
EEND Becha4as Syrachfent: Omdat ho fijnen Goùt geloof: | waerachtigen mond) hupfinge/ hoft/_ kleedinz
ak IN de en met older heeten op fijn Woozd betvau- | BE }_en allen nooddzuft aber de gantfchen aert⸗
ERE! De / faa heeft hp ook kracht / vzucht en gehooz⸗ bodem (foo qu flechts bp fijn woordt blijdet )
HEEE faemhendt ts fijn Gelaave bewefen / want afg | cijkelijken toe gefept en belooft heeft) Jonck s 33
BENNEN De Heere hem geboodt / en fpzackt : Gaet unt (fende ook Dabid) ben ick geweeft / onde Ben en 15.25.
1E uws Vaders Landt / en van u Maeghſchap oudt geworden / ick en hebt mijn leefdage niet marzo. 29e
KI en upt uws Daders hups / en gaet ín cen land gefien/ dat de gevechtige verlaten is geweeft / — ————
1 Dat ick u wijfen fal/ en ich fal u tat een groot | of dat fijn zaed om bzood gink. gn
BEEREN bol makken / ende ick fal u gebenedijen / ende Trouwe Leeſers / neemt ’t Waer fo WU Are acte
EEEN EN uwen naem ataot maken / en gp fult een gebe: | alfao een vaſt gelove ende gewiſſe betrouwen dingen ſeyt
HIE _ nedijdinge zijn. Ack falfe gebenedijen | dieu | hadden / gelijck Defe bzoime man gehadt heeft / —— de
LITER Senat, gebenedhen / en verbloecken Die w vervloecken/ nde dorſten ong van herten op Den levendigen zeydenen.
| en ín u fulleir gebenenifdt worden alte geſtach⸗ Ged verlaten | Och hoe gantſch wennigh ſou⸗ Mac.6. za,
den wp ons met aldugdanige hepdenſche for: zret-s-7.
gen / alg met woonen / eeten / drincken / klee⸗
Dinge en fchoepinge bemoepen / nademael Wp
wel weten / dat ons Chziſtus / Godts eygen
Soone / belooft heeft / fa wp flechts dat Kijclie
Gods en fijn gevechtigtept ſoecken / onfe han⸗
den naonfe zwacke bermogen redelijcken tot
den achept keeren / Dat hu ong in ceuwighepdt
niet gerlaten/ maer ons alle noodtdzuft toez
werpen en geben wil. Want hu ís ’t/ Die boog
ons forget.
Cen tweeden / merkt fijn geloove / Want
doen hem nu geboodfchappet worde / al Dat
Toth die fijns bzoeders Sone was / van Wedor- Met 300 en
Kaomoy/een Konink han Elam / met t ſamen zeer bra
fijne mede koningen / tat Sodoma gevangen / nam, vier
eu met al ſijn goet wegh gevoert was/ heeft Ip Koningen ia
hem met fijn 318. mechten opgemackt oi versen:
Die Doorfende Koningen nageſaeght Hop heeftfe Genie. 1e
over nacht obervallen en geflagen/ ende pe
alle dat goed weder / ook fijnen Broeder Toth /
dat gevangen volk en De brouwen.
fev heeft Defe trouwetdader unt fijn Gelos:
be fijn ief De be wefen/ende en heeft dat gewelt
det. bier Roningen niet gevzeeft. Op den le⸗
vendigen Godt heeft hngehoopt / en heeft fijn
epgen leben / oock Dat leben aller: fijner knech⸗
ten níet gefpaert / dan in de perijkel deg doods
bepmoedelijken over gegeven / opdat hp fijnen
armen verdruckten Broeder tolinipe komen /
ende upt de handen fijnder branden verloſſen
moghte. Allen Geeftelijkken kinderen Ahꝛra⸗
hans tot een voorbeeldt } dat fp haren lieven
Bꝛoederen / die nu Upt Dat onberganchelijcke
zaed deg Penligen Godlijkten Woozts met haer
gebooren zíjn / alſoo beminnen fullen / dat fpfe
niet alleen met handeenkinge ban geld of goed : Loan-3-16
bedienen / maer ook haet leben Euangeliſcher
wüjſe ín de tijd des noods boor haer ſetten ende
laten ſullen.
ek fegge Euangeliſcher wijſe Want Dat pe rechte.
hefpen met den zweerde/ (gallen waerachtigen Geloovige _
Chziftenen doo? Chriſtum al verboden / het vechten nie
heet nu ín dat Nieuwe Ceſtament bp allen
rechtgeloobigen / berduddelijken lijden —
me
| ten on Verden. Doen haozde hn Dat bebel/en
1 geloofde fijnen Godt / ende en heeft hem noch
—4— met de ſoꝛ,vuldighept fijns vleeſch / noch met
becnuft raed gebraegt / maer Ia ginck hem ſel⸗
ben te bumten / ende en heeft tegen fijnen Goot
| (Die hp ’t alleg toe betroude / en hem om upd Le
gaen gebood níet geſtreden noch gekeven. Pu
en begeerde te voren oock niet te- Weten CEL hu
vepfen woude / in wat Kandt dat hu trecken
foude. Pu geloof de fijnen God van gantſcher
herten / hp was gehoorſaem en ginck ban ſton⸗
Den aen met fijn vrouwe Sara upt / gelijk hem
Be Heere Dat geherten hadde / niet wetende
waer hu komen (oude. Op Gods belofte heeft
J hi hei verlaten / vaſt en feelrerlijli betrouwen⸗
KN De / als dat ho hem noch liegen noch bedziegen
18 erf foude / nademael.hp wel wifte / dat hp foo
1 gen Godt was die in alle ſjn Woogden gez
1 ttauwe en vaſt was / en hem daerom dock Wel
EN Ip in een Land brengen foude / gelijck hn hem bez
| looft hadde.
| Siet / aldus eenvoudigh / recht ende flecht /
J gehoorſaem en vol betrouwens is Dat oprechte
1 Thꝛiſten geloove / gelijkt men hier aen deſe Pa⸗
ian teíarcha fien maah. egt gant eenmael uwe
| Dar waer. geloove met fijne vruchten ha Abrahams Be:
ii ChrifienGe- laase en fijne Buchten / ick vermoede gp wer⸗
1 looveis det bevonden / als dat gu fijn geloovige zaedt
1 aaf en en kinderen noch niet gewozden en zijt. Want
1 eebt. het is openbaer / dat gp noch wederſpannig / en
4 ongeloovigh zijt / ſoo vleeſchelijk en aerdſch gez
fint / datgpniet geerne een leemen hupskeu/
q noch cen onniafcl beddenen / loe of peect omt des
aa Heeren Woord en fijn getuncheniſſe verlaten /
Ki of een ſphtigh Waart hooten en fout. Ick zwij⸗
1— ge dan dat gp Dader en Moeder / Dzienden/en
Dat landt uwer gebaogten om u geloove verla⸗
a tent / ende alfa met wijven en kinderen (gelijck
braam gedaen heeft) in onbekende landen
| cenfert ſoudt.
1 Dat vervloeckte ongeloove verhindert de
an gautfche wereldt van Der waerheyt / want hoe
| hantfeb vele feggende : 1Dp weten weldat gu
Aa de waerept hebt / dan wat raed / Wp zijn am
| > gn out ban Haten) honnen niet meet werken
— — —— — — * — — *
— — — — — — * — — — — —
— * * > — De te
— —— —— —
— > en —
Eet
zz
EE en
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van Abrahams Geloove,
87
met zweerden en buſſen vechten ende ſtrijden. |
erdzancken Worden / ſo ſalnoch ebenwel den ——
Maer foo wanneer tp onſes naeften ziele met | daal ban onfer verhoelinge haeſt hier zijn/dat ">
des Heeren hulpe) Geeft ende Woord hoopten alte onfe tranen van onfen oogen afgewiſeht /
Salig te malien of te winnen / of fo wanneer | kp ín witte zijde Kleederen der gerechtighepd
wp onfen WBzecheren Gol fn nooden fagenjdat benen pronken / Het Lam volgen / met Abza⸗
n om des Weeren Woord verdreven worden / ham / Iſaac ende Jacob mꝰt lijkt Gods ſit⸗
J * Dat wy als dan onfe Deuren met Bao? haer toe (ten / ende dat weerdige luſtige Landt der an:
en ſſunten / maer ín onfen hunſen ontfangen/ verganckeljcker ceuwiger beeugden heerlijk
Onfe Bzood mede deylen hantrepkinge/tvaoft/ \befitten fallen. Prijſt Gode ende heft op u we
fitte eee in haerder Dzoeffenitjen doen hoofden die nu om Yefus wilte tijden / ‘den tijd
uilen / @c.
Mat.20. 28.
en 26. 65.
Ioan.ro.1t.
tPet.2.2t.
en 4.r.
1loan.4.7.
Gen.13.5.
Heb.6, 23,
Luc.2r.30.
Rom.4.3.
Gal.3.6.
Heb.11.8.
loan. 3. 19.
Mats, 36.
In alſullier voegen (fegge irk) bez
hooren Wp onfe leven te ſetten boa? onfe broe⸗
Deten / of tn’talfchoan oak -atveede wiſten /
Dat wp ’tmet den doodt bekoopen moeſten.
Dat Doorbeelt hebben Wpracn Chꝛiſtum / die
bent felben om onfen’t wille niet gefpaert /
maer fijn leven gewilliglijken ín Den dood ge-
geven heeft; op Dat wp doo? hem teven mogij-
ten.
Cen derden / merkt aen / als nu Abraham
ban Godt belooft wert / Dat hu fijn Zaet foo
bele alsde Sterren aen den Pemel maectten
Wilde / en Dat ook Dat felfde zacd vremdeliugen
ſouden worden (meen ander Hand / Dat hacr
niet sijn en foude. Endat menfe Daer dwin⸗
gen foude om te dienen / en Plagen foude biet
hondert Jaeren lanck /&c. Boen heeft hp dat
gelooft / hp heeftet gelooft (fear ick ) ende het
is hem tot gevechtighent gerekkent. Wuheeftfe
met lanlamoedighept verwacht / en tot fjnder
tiytontfangen / niet mozrende / noch met God
diſputerende / dat Dat felfde Zaet foo lange Ya
cen fa obermate bete lyden moefte. Allen wãer⸗
achtigen Cheiſt geloobigen ter beemantnge /
Dat fin met voller herten aen Des Weeen Woost
klieven / en vaſt aen fijn belofte houden futen /
want Godt ís ſoo een Bodt / Dat ha nimmer⸗ | bel
meet beegeten of beelen er kan dat hneens bez
looft beeft. Hemel en Aerde fulten bergaen /
maer fijn Woord fal eeuwig ſtaen. Alle die hem
Daer op vertrout/ Dien fal’ctot gerechtighendt
gevelkent wozden / gelijk het Abraham tot ge⸗
rechtighent gerekkent is.
Dooꝛ het Geloobe faah hy de belofte van
vezre: Hy ſagſe (ſegge ick ) ende heeft er hem
8 bertrooſt / fn gelyclier maten ook met ons.
De belofte des toeliomenden eeuwigen tevens
is door Chriſtum ons gegeben /
gefept / Dat top ban Dit Berkeetde booſe ge
flachte om fijns naems Witte vele moeten ſij⸗
Den. Deſe belofte wort van verve geſien Nile
wieſe van herten gelsoben ende haer daer o
vertrooſten / die fullenfe ook ongetwijffelt wel
tot fijnder tijd vntfangen / hee harde en Tan:
gefpootk ban dit Egpptiſche erge qeflachte
vervolgt en geplaegt Worden. Want hoe twel |
Be kinderen Abzahams ſommige hondert Ja⸗
ven tfanlt miet veel kommer ende Iden berraut
waren / ſo heeftſe De Peerve evenwel ten laetſten
na ſijnder beloften victorieufelijken wtgeboert
en dat beloofoe Hand gegtven. Des felven
gelijken ook met ons / foo wa ach {ijn Belofte
Es na bp / dat an file hooren : Wort gp Gebe⸗ Matras. 34.
nedÿde / ende u eetttwig als dan met
„blijden.
f
ijn en haren vleeſche befnijden foude ; Endat Sen-17-re-
hem zijn foude. Doen
gem ver⸗
Cen bierden / genmerlit / als nu Abraham
een bebel bam God ontfum / Dat hy hein (elden
en ooft ſijn achtdagige knechtltieus met dte fijn
engen knechten / die hem t° huns geboren / of
elders gekogt waten/ Dat boor fsf ken Lan
Dat felfde een Berbond-teken tuſſchen ad en
en is hp niet wederſpan⸗
nig noch verdzietig Daer ober tegen Godt gez
ende daer bn |D
niet en twijfelen / matt met etn vaft Geloobe
daer aen houden/gelijk Nbraam gedaen heeft.
Den Deere dieſe
be/ vreefen / Vief heben / ceren / danckien die⸗
nen / en in fijn geboden Wandelen / onfe zièten
met v —98 — beſitten Ec. Hoe jam⸗
merljcken tp nu oock ban den heſſt
| heſſchen Pha⸗
rao / ende fijn wzeede onbermhertige Diena-
cen biet vervolgt geplaegt/ geſlagen / berooft / baten of wat vraegt
gedoodt / aen palen Herbzand / ende ín ’t water Het is ons genoeg /fo
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wozden. Hy en heeftook niet met eenig toor:
Delen tegen hem geklaeat / warrom hp doch
ſullien grooten pine en ſmerte ín fijn oude daz
gen lijden / en ſulck een oneerlijck fpottelijck /
werkt toevichten moefte/daer mede hnSod niet
peijfen / en fijnen naefteu níet helpen noch Diez
nemen onde, Maer ha hoorde cn geloofde fijns
Heeren Woozdt / en ís ’t ſonder eenig vertoeben
onderdaniglijkien ín den beuchten mageliomen.
Wel wetende) als dat Gn geen Genade / geen
Benedictie/ noch ook geen belofte berkeijgen …
J foa hp niet fijns Godts Dood re rr. 4.
en mogte
Lev.16: te
Deu.27.19s
en geloofde / ende Dede dat hu hem beboten Mat.7. 24°
badde /
elofte.
Ende alfo wort hièr noch eenmael de ſimpe⸗
le flechte gelatenhendt erde gewilllge gehoor:
ſaemhent ban Abrahams Geloobe in fijnder
beucht bekent. Want alſoo In vleeſch ende
bloedt foude gevolgt / of hem Daer mede bez
raedſlaegt hadde / hu en haddet ongettwijfelt
niet gedaen / maer hh hadde met Bodt m ’
vecht getreden / often weynigſten doch tot
hemgeſent: Peen Heere / het en fat alfa niet
zijn/want dat teken en kan mp niet baten / vas
emael ap Daer door níet geprefen/ noch vorſt
Minet naeſten daer mede niet gedfent en wost.
ol: fl ’t bp alle Heydenen die uier grooten
naem niet en kennen / vooreen Nazrenwereſt
p | gefchotden Worden / om dat et alfa aen dat
manlijſte lidt gefehieden moet, Octytreen / hu
en heeft fijns heeren mondt niet tegen geſpo
ken/maer hu geloofde het en dede het / en het fs
gem gerelient tot gevechtighend end ehn fe cen
veiendt Gods genoemt.
Allen Vzomen tot verfterchinge / dat ſides
Heeren Dood gelooven / en (hoe —— en
Ppottelhl het don fcbijnt) gewilligſhſen bo
ſullen. HNiet met den eere fErijdende / Waer:
om hp 'talfoo Gevolen Geeft. Maer het ís
genoeg (ſegge ick) dat fp Weten Dat In ’t bez
boten heeft en in wellieriey wijfe hu ’t bevolen
eêft,
gegeven heeft / doos ’t-Geéto- | heeft
Wederom alten moetwilligen bevrachters
en ongeloabige befpotters ter befchaemthent/
die haten lafterlijcken teelfjcken mont/ foo
ſtoute ljck tegen Chriſtum dozven opſperren
ende ſeggen: ) Watkan ons den doop
Godt na fo Heel waters.
wp maer aen Den twen-
M digen
want gehoorfaembepdt be-thet , de Ioan 5-14-
Cor.7.19,
Iá,2, 23.
Dát techte
Geloove en
frrijdt niet
gen tegen Godt;
88 Van Abrahams Geloove
digen menſch vroom en zijn / dat Wy op de gez | Wilde laten Komen ín’t beloofde Land. Ende
Boden der liefoen achten / cen goet deugdelijk die Dat bloed-teeelen Der beſnijdinge Met en
Tegen lepden / en diergeljlie hypocrijtſche woor⸗ | ontfingen / dat men de ſelfde Lan haer volck
Den meer / en arme huwchelaers en weten niet/ | moeſte uptrocpen. .
fo wanneer De inwendige menfche (daer ſuaf
Waer upt men dan egentlijk verſtaen moet /
toemen) mits den gelaove oprecht en bzaoim | als dat hu fijn woordt ende wille gehouden wil
daor des Weeren Genade / Woort enn Geeft! ín hebben / wil men anders ſalig zijn. ant ha
Godt geworden is / dat hy dan níet een hapz
breet bandes Leeren WDaozt en wegen Wijlen
en Deef / maer Doet altijt gewilliglijſen al wat
hem God geboden heeft/het zu ook wat het zy.
Nengefien Get dan meer alg Wlactis/ Dat
sat iki ons Chꝛiſtus Jeſus op De belijdinge ban ang
Mar.i6. 15, Geloove / Den Waterdoop bevolen heeft. Hy
Mat3.16. die ſelbe ontfangen heeft. De Heplige Apo⸗
— fielen Die oock niet anders geleerdt noch gez
eros, Dompkt en hebben / haer bediedinge ende effect
en1ó.1s. ooft niet anderg mede en bzengt / ende foo veel
eni94 heerlijke belofte daer aengehangen zijn / gelijkt
week men opentlijcken leefen cn fien magt. En dat
Rom,6.4. Cenwel niet (verſtaet mprecht)omDdes gez
1Cor. 12. 13, Wachten wercks wille / maer dat men Chai
— ſtum / (daer in de Dader de belofte gegeven
P4:5- heeft) Daoz’t Geloove aen neemt) ende fijn
iPer.3.31. Wooꝛdt berepdt ſtaet. Segget lieve / hae fal
Datrechte men díe felfde aengehangene belofte nu verſirij⸗
Geloove gen/ foo men niet en Doet Dat hu bevoolen
t
— belofte
at ons rot J
ter doope Naer wat isꝰt? Alle Die Des Heeren woozt
— niet en gelooven / die gelt / ende goet / lijf en
De ongejoo. leben liever hebben / al ſy Chriſtum Doen /
vise en En sijn op acrdfche ende bleefchelijke Dingen
vleefchelij- geſint / Dat zijn de gene die hem tegenſtrijden /
keverach- De Schzꝛift breſien / diſputeren en ſeggen / wat
tenGods Yan ons Dat water helpen? Maer foa fh
bevel. deg Weeren Woozt ban gantfcher herten met
Abzaham geloofden/ ende door de kracht
ban Dat felfde Geloove nieuwe omgekeerde
menfchen in Chriſto Jeſu gewozden waren /
konden hare branden Lief hebben / goet doen
den genen die haer quaet Doen / ende voor den
genen bidden Die haer vervolgen / bevept wa⸗
ten gelt/ goet/ ende alle wat fi zijn en heb:
ben / boordes Weeren prijs te laten / cnde te
fetten tot eenen noodfaltelijken Dienft ban ha:
Ë cen naeſten / des Heeren kruns niet en Wepger:
Wiedat _Den/ vleeſch ende bloet geftorven Waren /
geerne doen vzeesden Godt erde fijne Oozdeelen / ende
willen, _ beminden hem ín fijn weldaden / fj en ſouden
weygert ook ſonder twijffel fa niet tegen haten Godt moz-
dat minie verende diſputeren/ maer met voller heeten | emel zijn. | —
Siet/gp alderliefſte / hir merkt qp nu hoe Dat Pat rechte
et
Diegodis betept ffaen! haer Gelaobe met Abzaham
woort ver Doo? de vzucht befegelen / den gebodenen doa:
eee, Pe ontfangen / haer ín alle gehoorſaemhendt
miet. recht ſchicken / en na haerder armer zwakihept
ín fijn geboden Wandelen / gelijck Des Heeren
Wooꝛdð allen waerachtigen Chꝛiſtenen leert en
oplent.
Maer om dat ſy Chriſtum ende fijn Woot
niet en geloben/ hem noch vzeeſen / noch
liefhebben / daerom ist dat fh fijn heplige
Heere) Geeft/ Gebod/ Verbod/ Ordenin⸗
ge ende gebzupk alg een vervoeriſche Ketterpe /
is de God / díe Hemel en Verde met hare gant:
fche volhend gemaccht heeft / De Amachtige
verfchaichelijche groote God/ die eeuwig in
fijnder Majeſtent en glovie leeft / cen geweldig
Heerſchapper en gebieden overal: Wee dien /
die hem tegenſpreekt / en die fijnen wille ende
woort veracht. Bat werk getungt openbaer /
dat fodaniger cen in Chziſto niet cn gelooft. En
wie níet en gelooft (getupgt Chaiftus felve ) is Die ontrou
elrede verdoemt / en Dacrom ig ’t al te vergeefs /
in ’ kleyn-
fteis, is
onfchult gemaekt en vptblucht te ſoeken. Wie noch on-
foongeloovig en wederfpannig is / dat hp God rrouwer in't
cen hand bol waters wepgert / hoe hem die in sroore
dat lief hebben fijnder panden, ín dat affterz
ven fijns viceſchs / in den dienſt fijns naeſten /
en ín dat opnemen des Chriſtelijcken Arupces
ſchicken ſian / wil ick den blijtigen Leeſer in de
beecfe fijns Gods laten nadenken.
Ich weet gewis / Dat alie haer diſputatien /
voorwendingen / en uptbluchten / niet dan ens
hel Bijgebladeren / en haer leven niet an hupe
chelne en is. / *
Een vijfſten / merkt aen / doen nude Deez
re tet Abzaham geſpzoken hadde / alg dat In
over een Gaer woude Weder komen / ende
dat fijn WPupsvronwe Dara eenen Sone hels
ben foude/ wiens name hp Iſaac noemen
foude / ende Dat hu fijn eeuwig Derbondt met
den ſelfde malten woude / ende met fijn Zaed
na hem / als dat bn (hoe wel hp ontrent hon⸗
dert Karen out was / ende Sara (negentig
daerom cvenwel niet en twijfelde / ho en heeft
ook op fijn berftozben Lichaem ende op díe
onbeuchtbaethept van Sara niet eenmael gez
acht / maer opdes Weeren belofte heeft hu
hem bertrooft / vaſt en ſterck ín fijn Geloobe /
Godt voog fijn Genade prijfende/ Want ha
beltende met bolder herten / Dat hp wel mach?
tig was hem te geben Dat hy hem belooft had:
de : warrom ook / upt defen felfden Abraham
ſoo vele nakomelingen geboren zijn / als dat
zand es zee is / ende De Sterzren aen den
emel 3
een oprecht ongevepnft Chriſten Geloobe fijnen
Heb, 12. 18.
elooyg
ekent
Godt voo? Almachtig en wactachtig hout en Godes
bekent / diet alles doen kanen mag Wat hp macht.
belooft : en daerom en fag Abraham op haer:
der. bepder verſtorvenheyt en oudbept niet / hp
en twijfelde aen ’t toegefepde Woordt nier/
(nademacl hp fijns Weeren Woozt geloofde ) Rom.4. 18.
Ë
|
maer hp geloofde * ſonder alle wankielen/Want toa. $.
bp wiſte wel Dat de felfde Godt / die Demel
ende Verde met hare gantfche volheyt dooz fijn
Wood geſchapen had / die den Wemel uptgez
beepd/ ende De rupſſchende Lloepende Zee ſij⸗
ende fijn gehoorſaemheydt alg een openbare | nen Oever ende Perclt gefet hadde) Dieden Iet s- zr-
| groutel fehefden / lafteven / en verachten. Och | Verdbodem doo? ’t Woord opde wateren op: 5e5. 25/5;
1 Teefer fiet boozi/ Godt de Heere is foo een | hout / die't alle regeert met dat Wooꝛt ſijnder Roma. 17.
| Godt / díe over fijn Woordt hout / Dat hn A⸗ ſterkhend / ende Den dooden Dat Teven geeft /
dam en Eva met alle hate nakkomelingenom{&e. oli fonder twijffel/ Wel macht hadde/
| een verboden vrucht in fo zwaren noot gebzagt | eens uptgebloepden onvbzuchtbaren Wijfs
Genze. Heeft. Ufaomeen foo kleynen obertredinge / | Lichaem Wederom bloepende ende bzuchtbaer
aReg.6.6. met den dood geftvaft heeft / Dein getrouwen te maecken / Wanneer 't hem mact alſoo en
| 32Moſes om eender overtredinge Wille niet en | geliefde, —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van
Gen:ar. 1.
Heb.rr.rr.
Berecht vendig ín God / ſn ontfanat den Nieuwen ende
Geloovige Geeftelijken Iſaar / Chriſtum Jeſum/ eeuwia
e gebenedijdt / ende baert hem ff den bzuchten /
Chriftum gelijk Chriſtus fept: Mijn Moeder en Brac:
geeftelijk. ders zijn die Die Gody Woord hooren en daer
Mantsjoe. Na doen/maer wie niet en gelooft /en fan defen
Mar3-3;. Afaac niet antfangen/maet Gods toon blijft
Ioan3.36. ophem.
Gerlteke … Cen feften/ aenmerkt / hoe harde dat de
Moeder en eere brahams Geioobe berfochte / Doen hj
Broeders _fzalt: JAeemt uwen eenigen Boone faac /
zene'd Dien gu lief hebt/ en gaet int Land ÎPoria/
inwoore enoffert hem daer tot eenen B andt · offer dp
geloven en Den Berg die ick ufeggen fal. Abraham hoorzde
Behoosfaem fing {Peeven Woord / en was gelhoorfaem. Hp
sis nam mede fijn %ínt/ ende ginc na de plaetfe
Die hem Godt geboden hadde. En als fp nu
Sen.⸗2. x. tot der plaetfen quamen / fpzak Iſaac: ijn
Dader / fiet hiet is vper ende hout / Waer t
Schaep dat men offeren fal: Abzaham ant:
woorde fijnen Sone en fpzakt: Mijn Saone /
De Deere fal cen Schaep booeften tat den bzant: | H
offer.
Och / mijn alderlieffte / Denkt, doch dit bez
ſpreck ende deſen handel tuſſchen Abzaham
ende ſijnen Sone Iſaac met Dieper herten na/
icl beemoede het vernuft fal u wel teeven / hae
obetmate bol dat Dat Vaderlijck gemoedt
met dzoeffeniſſe ende ſmerte over fijn al-
Derlieffte kindt geweeft ig / nademael hu niet
wepniger ban bleefch ende bloed en was / als
kop. Dat hp dat felfde untverkoren kindt /
dat hem boben de Hatuere door Godts Gave
eude Belofte ín ſijn oude dagen geboren was /
fijnen eenigen geborenen ban der Vrpe/ fijns | k
Berten wenſch en blijdfchap / den ffoks fijng ou-
derdoms / daer ín hn ook de trooſtelijſie belofte
ontfangen hadde/ fijnen hals alfa af houwen /
—het leben nemen en met den vpere verbranden
moeſte.
Hoe herde ooli fijn vleeſch hier mede bevoch⸗
ten wort / ſoo en heeft hp ebenwel níet met
een eenig Woordt tegen odt geſtreden / noch
gefent : Waerom dat hp hem die gegeven had⸗
De / nademael hp hem alſoo Weder dooden
moefte. Ook en verweet hp ’t den Veere niet/
als dat hn hem felven tat eenen leugenaer daer
mede makken wilde / hoe hp hem alfoo offeren
foude/ Daer hy dooy den felfden De belofte hem | 1
gegeven hadde / maer hp betroude fijnen God
ban gantfcher herten / ende is ſijn vernuft en
Eloeckhent daerom te bupten getreden / fijn
finneliffkhepd ende. bleefch niet gebolat / effde
en heeft fijn alderlteffte int om fijns Weeren
Wille niet geſpaert / fijnen God bezre boven fijn
Kint beminnende / ende daerom en beeft hy
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Abrahams Geloove.
Hademael (fegge ick) hem dan alſtillis hem ook
ban Godt toegefept ende belooft was / ſoo en ken den genen weder tot cen LGrandt-o
twijfelde In ooft aen fijn belofte en macht niet /
maer hp hoopte die Dingen / die na der Natue⸗
ten aen hem en bpfonder aen Saraniet meet
te hopen en waren / en heeft alfa doos fijn Ge⸗
loove ban Godt ontfangen / Dat be hem bez
looft hadde / namelijkken / ſjnen Soan/Afaac /
ban fijn Oude en Onvruchtbare Sara) in gee
lijker manieren oock Geeftelijfken met ons.
Want {8 ’t dat wp dat toegefende Woozdt der
genaden/Wwelk íf dat Euangelium des vredes /
daer mede ons de quijtſcheldinge onſer ſonden
dooz des Weeren Bloed verkondigt wort / ban
gantſcher herten gelooven / fo wort onſe ver⸗
ſtorvene Doode Confcientie bloependeen lez
wighent / Amen.
89
niet gewepgert hem ———
er
*
te offeren / dien hem gegeven hadde. Hp
bandt ende lende hem op dat hout / hief fijn
handt ende meg op dat hp hem flaen foude /
in ſijnder herten baft geloovende / als dat
Godt hem Wel wederom Lan der doodt ver⸗
weclten konde. Lp boer boort na het bevel |
dat ha ontfangen hadde/ tat Dat cen Engtl Sen. z2. 18
ban Den Demel fprak: En ſteelit uwe handt
niet aen den jongen ende en doet hem niet /
want nu fie ick dat qu God breef? / ende Dat
gp uwen eenigen Sone om mijnent wille níet
geſpaert en hebt / ende alfoa heeft de ondere F
danige Geloobige Abzaham fijnen Boone Heb.11 17.
Iſaac tot een Doozbeeldt der bezrijfenigfen 12c-2-23-
weder genommen : vecht í8’t Woord dat Ja⸗
cobus ſent / Abzaham heeft Godt gelooft /
ende het is hem tot gerechtighepdt gerez
kent/ en hp is een Deiendt Godts genoemt:
Alderliefſte Kinderen nemet Waer / op
moeten immers alle met den anderen (wan⸗
neet Wop op Abzahams Geloove ende fijne
Deuchten fien) met dit onfe Glenn Gelaove
ende feer zwacke Vzuchten vboor onfen Godt
befchaemt ſtaen. Waut hu wergerde niet in Gen.r2 £.
onbekende Landen te tepfen / foo haeſt alst
hen geboden Wert / hn was cen man Lal vredes /
ende en ſocht fijn epgen bate niet / hp verloſte
Hoth upt de handen finder Branden / hp
Gen.rz. 8,
Gen.14. 14.
Gen.15.5.
Gen 17.24.
Abraham
geloofde de belofte ban dat toegefende Uandt —* gewil⸗
ende Zaedt! niet mosende om de Yann:
galle wat
hem Godt
hepdt des tijds / nach om De harde bezwa⸗ gebood!
ringen ſijnder nakomelingen / hu liet hem
befnijden ín fijn oude Dagen / hu geloofde des
Heeren toefegginge ban den betoafden gfaac /
ende Weerde fijn huns en Uinderen dat fp des
eecen Wegen houden / ende wat recht ende
goet Ware doen fouden. Iſaac Woude hn Wez
det offeren alg ’t hen geboden wert : ick meene
immers / dat Dit wel magh een Geloove heeten.
Siet / ſo geheelijcke was deſe vꝛome man hem
felven untgegaen en geſtorven / dat hp ookt alle
fijne luften / fijn GAN wille en gemoed ver⸗
faekte / en fijnen God alleene leefde, Hem bant
gantfcher heeten en zielen aenbangende / hee
trouwende / vzeeſende / lief hebbende / eerende /
dienende / en na alte fijne geboden wandelende/
gelijkmen aen alle fijne Druchten / en oolt aen
veel plaetſen der Schrift merken ende verftaen
an, En wat onfe balfche beroemde Chꝛiſte⸗
nent (díe * laten dunken dat fn Abrahams
zaed zijn ) Loor een gelaobe hebben /- wil ick
hate beuchten laten Wechters zijn. Want fn
gieten en rapen / vloeken en zweeren / liegen
en bedziegen / pꝛonken en pralen / bzaffen en ſun⸗
pen / hoereeren / overſpelen / vechten / runten /
rooven / ſchatten en ſcheeren / bol met al af⸗
goderpe en boosheyt: De andere / die al een
wepnig lichts hebben / en wepgeren haer maer
ban dat een Dozy ín °t ander / of ban Deen ſtadt
ineen anderte berhupfen/ om des Weeren
Woord en Waerheydt / ſy ſoecken haet epgen
boogdeel en przofijt / en achten de bzoederlijche
iefde wepnig. Op gerdſche dingen zijn fin gez
fint en vlieden boo? dat krups Chꝛiſti. —
Heeren belofte ende weldaden en beminnen ù
niet / ſp en bzeefen dock fijn toekomende aap:
deel ende ſtraffe niet / ſy heben de gefchapene
Creatueren liever / dan dien / dieſe gefchapen
heeft. Sijnen name 3pgebenedijt ín der eeu
MA 2 Somma
Gen.1$.17,
Gen.22.9.
Niet naem
en roem,
maer Ge-
looveen …
daed gelden
voor den
Heeree,
3197 B 28
; Ty . Dn Ei > = — F
met —F — — ERE E 3 — ne — 5 - = — —
— — — — — — = — —— — —
— — Oe " rin en - — — — — — — — — — — — —— — — — — —
En
— —
— — — — —
in
— —
— — — ——— —— —
omge sd
— —
EL:
— —
==
go Van Mofes Geloove en Trouwigheydt.
Somma) ilt en weet nict wat?’er zu / daer den Afgoden dienaers / Hoereerders ende Wie: Nu.25.6.
in Dat fin haer felven niet endeben / ende alſoo „belieerders / met eenftigen ſtraffe. Ou ſloegh ke
mede handelen / gelijck haer Godt bebolen Sihon der Ammoriteren Konink / en Og den Den; 1.
heeft/ nach roemen fn evenwel Dat fn Abra⸗ Lonink cor Baſan / de Heere wag met hem in
hams Uinderen zijn ende fijn belofte hebben. alle fijn wegen.
Och neen brienden / neen / uwe Pzopbeten Gaar’t Geloobe (fept Paulus.) wengerde
verlenden u ende uwe balſche hope bedriegt u. pt / doen bp groot gewozden was / Pha⸗
Hier merket
welk dat
Abtahams
erfgenamen
en kinderen
zijn,
Gal.3.29.
Rom. 9-7.
Mofes oot-
moedige
ontfchuldin=
ge dat hy
1fraëls vorft
niet zijn en
woude.
ExXx.4. 10.
EX.3.10,
EX.4. 13:
Ex, 5. 1.
en.7. 15.
en 8-1:
eng. 1.
CIT 10. 1.
CAII.IO.
Ex. 14. 22 ·
Ex. 32. 15
en 34.1.
Gal.3.2r.
Ex.16. 32e
en 17.6.
Ex.25. Ie
en 26.1.
en 27 «Ie
en 28.1.
en 29.1.
en 38.209.
Nu.g. 15.
XX.32. IIe
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Ich fegge u/ foo Wacrachtig als De Heere vaas Dochter Sonete heeten / ende Ber koos
,
eeft / foo qp des Meeren Woord niet ban gant⸗ lieber ongemali met dat volli Gods te lijden /
ſcher herten en gelooft / en door de liracht des dan die tijdlijke genoegte der ſonden te gebrun⸗
felfden Geloofs op fijn wegen niet en wandelt ken.
| Hp achtede de verſmaedtheydt Chaiſti Door't
de oprechte Chriſtelhlie Bzuchten Ber gerech⸗ voor bele Heerlijke Aijkdonunen / dan alle De ——
tighendt wiet ent bäerdt / ende de gehoozſa⸗ Schatten ban Egppten / Want hp ſagh op DE are wat hy !
nie voetſtappen ban defen Proomen Patri⸗ beloouinge. dede,
archa niet eñ volgt / foenzijtaufijn Zaeten) Loopt Geloobe verliet hp Egypten / ende
Kinderen niet / gp en hebt oacks fijn Gelaove | en ontfag des Koninlis weeethept niet / Want
en Belofte niet. Naer aldie Cheiſtum Mhaer hy hielt foa ober den onfiathjchen / vecht of hu
heeten vecht Door ’t Geldove indzuckt hem Ben met oogen aenſage. ‚
dad? ’t Geloobe recht ontfangen ende baren / oor ’t Geloobe hielt hp gokt dat Paeſſchen
vecht door t Geloobe acn ſijn Woozd hangen / en untgieten des Bloets / op dat die / die de eerſt⸗
en dat gehoogfacm zijn / dat zjn Abzahains geboozte in Eghpten doode / haer niet vaken
GBeeftelijkke Winderen en Erfgenamen fijnder en foute.
beloften: Want die zijn gerecckent Loor fijn Edede Teeſer / hebt acht opuws Heeren rx.12.r3.
Zaedt. Woord. Wanneer Wp aldusdanige / heerlijke Heb.1x. 28.
exmpelen met Geeftelijken aagen fien / cn —* ——
dacr bp leggen de andzagtelijcke zware ſtou en venchren
tichend / hooveerdighend / gievighepd / afgode⸗ verre van
ver / ongebhoogfaembhepd / en ontrouwe der Ne⸗ des werelds
genten van de gantfche Wereld / met tfamen 53233*
Vruchten
vat dulle bijftere / blmde ongeloove des geme⸗ verfcheyden
Van Mofes Geloove
en Trouwigheydt.
B gelijken is ook Moſes / een Diez
naer cu Bode Godts / getvonkge/ wac⸗
Yer / lebendig cn dadig in fijn Geloobe bebon-
den. Dan den deere worde huberoepen / dat
ha Iſrael upt Eghpten boeven ſoude. Moſes
en heeft hem daer mue niet verhoobeerdigt dat
hu tot een groot Porſt zijn ſoude / maer ban
gantſcher heten boor fijnen Goat verootmoe⸗
Diat/ ude gefepdt: Dende eere / Dien op
fenden wilt / Wat ben iclt doch vaag een Dat iis
tof Pharao gaen / en Aftaël upt lepden fauùe $
Daer benevens hebbe i wach een zware tonge
gehadt / ban dier tijdt aen Dat gp Met uiven
Énecht gefpzolien hebt / en wepgerdet fo lanoe
dat be Heere toomigh worde ſÿnen berorpen
dienft heeft hy ten lactften met bzefen en beken
aengenomen / en heeft hein felven fijnen Godt
(Bien hu’t alleg toebetroude) geheelijken bege:
n
ven.
Pp tradt benmoedelijk boor den wreede Pha⸗
raa/ en dede qraate wonderen end krachten
boog hem en alle fijne knechten. Hn berloftet
bôlck door Gods uptgerechten arm cn. ſtercke
handt. Hy deplde de roode Zee en nck met
Iſratl onbeſchadight / midden dao? de Diepe
wateren. Wp antfink de Steenen Tafelen daag
den Dienft der Engelen/ befchrchen met des
Weeren Geboden / hy liet Dat Bzaod ban den
Pemel cegenen/ en Dat water upt den heerden
Steen vloenen. Hu bevende de Eente of Ca⸗
beenakel dee getupehenifjen/ gelijck hem op
den Bergh vertoont worde / bu verorzdineerde
dat letterlijke Prieſterſchap met alie fijne dien⸗
flen / oſſerhauden / wpingen en kleederen / nae
Des Heeren Geel.
Wp toog met den volke / fette Die Tenten en
bzachtfe weder op/ na des Hecren Woost. on
gafſe den geboden en gerechtigheden / gelijck
hem van Godt gebaden worde. Wp fant
alg cen getrouwe middelaer tuſſrhen Godt en
Dat volk / Doen fn gefondigt hadden / en keer⸗
de alfoa De gramschap Han Iſrael. Lp ſtrafte
dat fp nach allen met den anderen ſeer besve
ban dat gehoorſame dadige Geloobe Moſi bere
ſchenden zijn : Ha ongeloobige Hepdenen ende
geen Chꝛiſtenen en zijn.
Moſes geloofde fijnen God / en daerom fa
handelde hy ook vecht ín alle fijne faken. Hy
was goetwillig meerftig enn ſoꝛgbuldig boog fijn
(wen bellis / fa macten Wp dat bekennen alg seweekt.
bolk /dat hem bevolen Was. De ſagtmoedig⸗ Nu. 12.7:
ſie aam allen menſchen op aecden. Lp en Dien
de om Giften nach Gaben: Bijns Heeren
Wood en Stemme was hp gehoorſaent / gez Heb.3-2.
trouwe in dat geheele Huns Gods. En heeft
fijnen beroepen Dienſt en Ampt ín Des Heeren
vrzeeſe vedelijken unt geboert. Iſraẽl unt Gods
mont trouwelijk gebiedende / en ín oprechter
liefden alle tijdt vermanende / dat fh en hare
nalomelingen ban geflachte tot geflachte hoo⸗
ten cu gehoorſaem zijn ſoũden / de ſtemme deg
Heeren haerder Vaderen God /ende en fouden
geen ander zeden / geboden / gevechtigheden /
nach Godtg-dienft navolgen / dan bp haet
Weerde / en Geboodt / tot dat de nieuwe Pzo⸗
pheet ſoude kamen / de Leeraer Det gerech tige
bepd / dat Gebenedijde Zaedt van Abzaham / Deurs. te
Ehaiftus Jeſus.
Fact fo top nu tot onfe Negenten / Heeren /
Poeften/ Biſſchoppen / Papen/ Monnic⸗
en / Pzedikanten/ en tot alle die Die haet
van Chziſtus Geloobe ‘en Name berocmen /
wouden gaen / en Wouden haer Geloobe ende
Gehoorſaemhent eenmael vecht met des Hee⸗
ven Woord afmeten/ Wat geldet/ of menfe
gokt foude binden die Chriſtum Jeſum ban
heeten meenen enfoeken/ ban herten bzeefen
ende lef hebben / ban herten gelooven ende
betrouwen / Die fijn Oꝛdeninge / Geboden /
Sacramenten ende den waerachtigen Bodts-
dienſt vecht Teeven en gebrupken /Die haer gez
heel leven bende inwendig en uptwendig vecht.
na des Weeren Woordt ende Voorbeeldt ſchic⸗
fen / ende Die haven opgelenden Dienften en
rec
vecht inder liefden untboeren / gelijck deſe ge⸗
trouwe Moſes in alle fijn handelingen gedaen
Men magh Geeft. Ack vreeſe men ſoude wel berte loopen
Van Jofue ende Calebs Geloove. 91
riep de geheele Gemeente / ende dat Volck dat
weende De gantſche nacht: Sp murmureer⸗ Dat Volck
den tegen Moſen ende Aaron / ende fenden : reren Mo
de tegen Mor
welveel en lange ſoecken / maer wepnigtj vinden. Ende | Och / dat wn doch in Egppten Landt geſtoz⸗ cen ende
Mofe ft ; *
Mofeflen of Go daer a ſchoon fammige sijn die moeten (en-
fecken _ Tacen) aller bloetgierigen roof zijn/ ende des
maer weye — Heeren keupee Dragen.
nigh vinden.
gen waren / ofmoch in defe Woeſtijne konden Aaron om
ſterven. Wacrom ted ons dach Be Heere in —
dit Tandt / dat onfe Wijven Doog ’t zwaert wine.
De waerhent betupge ick u in Chriſto / ende | vallen / ende onfe Uinderen eenen roof Worden
Dcut.i8.17· ——
—— — liege niet: Alle die Thriſtus ſtemme wet En futen $ Is t niet beter dat wa weder in Egup⸗
hooren / fijn heplige Waadt nict en gelooven / | ten trecken 2 Ende fepden tot malkanderen :
ende fijn reyn onbeftvaffelijckte leven niet van
gantſcher heeten in alte fachtmoedighent / ber:
Laet ons eenen Pooftman maken / Ec. Moſes
ende Aaron dít hoorende / vielen ſy op hatr aen:
Dutdíghent / ootmoedighept / gehoozſaemhent | gefichten Laag de geheele vergaderinge. Ende
ende liefoe maen volgen / Die en hebben Mo⸗
Joſue ende Caleb verſcheurde hare kleederen
ſes werck ende ſebendige geloove niet / zijn | ende ſpralen tot den volcke: Dat Landt dat
gock nae nhoud fijner leere alveede algerichtet.
Oei Leeſer / fiet voor u / uen gelt noch naem /
wp door gewandelt hebben / ot te beſpieden /
(8 ſeer goet. WiS’t den Heere belieft / ſoo fal hn Jofue ende
noch roemen / maet kracht ende daet | faa gp | ong daer ín biengen / ende ons Dat Land geben —
anders wilt ſaligh wozden ende niet verdoemt
zijn.
Van Jofue ende Calebs
Geloove.
Num.n3.. Tee ende Caleb zijn oock Door ’t geloor
be ober De Jozdaen gekomen in bet bez
dat ban Meſck ende Honigh bloept. En ber: voick ende
bietect doch den Heere niet / en vzeeſt niet booz dacromme
dat Volck van defen Lande / want wp fullenfe —— ſyſe
beeflinden als een ftuck Broods. We huipeig ecuuer.
van haer geweecken. De Heere is met ons /
en vzeeft u niet boor haer. Doen ſprack alle Dat Nam. i4.s.
Volck / laetſe ons ſteenigen.
Diet / weerde Leeſer/ om dat deſe twee gez Pou⸗ ende
teouwe sdarmen / Gads Waogdt ende toege: Caleb wijf
fende Belofte van gantſcher herten gelpafden / Gods betof-
Yoofde Kandt. Want doen Moſes de Waelf | ende haet op fijn Almachtige kracht / op fijn te ende
verſpieders berfant / om het Landt te befien /
Jofueende ſprack hu: Creckt op tegen tZupden/ ende
Calebwor- gaet opdat geberghte ende verſpiet dat Landt /
den mer den hoe batig / met Dat Voick Dat er inne woont·
eenden. of ”t ſierck ofte zwach is / luttel van getale ofte
3 gele. Ende Goedanigh een Landt dat het zu /
Vaderlijke Baembertighept ende groote won⸗ macht niet,
deren / faa fectkerlijf betrouwden / vecht of fn ’t
Areede ontfangen hadden / ende fagen nu Dat
grouwelijcke ongeloove / ende hoogden dat bit⸗
tee mirinureeren haerer Jede-broederen /
datfe zijn Almachtige Majeftept alſoo ver⸗
ofte vet ofte mager zu / goet ofte quaet /_ ende | Rleenden / recht of hp níet —— en waer
of’ Boomen nme zijn ofteniet/ oock wat ’t
Num.rga Voor Steden zijn / 0 fp met Mueren
zijn of niet / zijt getrooſt / en brenght de vruch⸗
ten deg Hands met u/ want het Was recht
(fepbdt den Cext) ín den tijdt der eerſter Wijn⸗
Beſpen.
Sn gingen opwaerts / ende beſpieden het | van feg-mael hondert dupfent Mannen / di
ande) gelijck Moſes haer upt Des Weeren
mondt bevolen hadde. Ende quamen Weder
De Befpie- « na veertigh dagen tot Woſen ende Aaron /
derskomen ende tot de geheeie Gemeente ín de Woeftijne
weder. Parantot adeg/ mede-dragende cen 1Dijn-
agt-appelen eude Vgen / ſeggen⸗
—— in — / Daer índat | ken odt / den odt haerer Vaderen Abza⸗
de: wo zijn in ’t
Petckt ende Honigh vloent / ende Dit zijn fijn
bewaett | dat hu haet doo fj
haer te geven Dat ha haer belooft hadde / ende
n toegefepde Belofte ende 5
{Dood alfoo bedragen hadde : Daerom zijn ſp oee ge
gantfch weemoedigh ende treurigh geworden / zone ende
— haer kleederen / als gehoort is. Ende catcb geko-
aerom zijn fp oock alleen De eenige twee / Die men in « be-
e loofde Lant.
met soft upt Egppten getogen waren / ME geen
beloofde Land gekomen zijn. De andere zijn mochten
alte faemen ín den tijdt ban beertigh Jaeren nier venen
ín de Woeftijne uptgeroept ende vervallen / en 5, ande.
de en hebben dat toegefepde Ecf-deel niet ont:
fangen. Want fr aen den Almachtigen ſtere⸗
Bam / Pfaacende Jacob / niet en geloofden /
vᷣꝛuchten. Maer daer Woont een ſterck Volck | die haer doo? foar ongehoode groote teekenen
ín / Get zijn oock ſeer vaſte eude groote Steden/
en fagen oock Enacks kinderen daer / EC.
Maer Caleb ſtude dat Dolck tegen MWoſen /
De ſprꝛack: Laet ons henen optrecken en dat
nt innemen / want wp konnen t el over:
ende wonderdaden door de Noode Zee ſoo ge⸗
weldeltjcht hadde uptgeboert / ende foo genade
lijcht in de Woeftijne optelt ende bewaerde.
Evenwel deffeloen gelijken / gact’t hedeus⸗
daeghs met ſonnnige (cplacen) oock toe, Dat
gen. iaer de Pannen die Met her op- Weerdige luftige Land hebben fp beſpied fijn
—— geloofden des Heeren Woozdt | koftelijke vruchten heben fin gefien ende ge⸗
en Welofte niet) ende daerom ſepden fin: Wp, nietet/ met Des Heeren Wordt zijn fB ver⸗
en mogen niet henen optreclien tegen dat licht, De Hemelſche Gave hebben f gefinacht. zeb,6.s,
Polck/want fi zijn ong te ſterck. Ende mack: Den Wepligen Geeft zijn fp deelachtig gewoz⸗
ten aiſoo een quaet geruchte onder. Iſratt/ den/ fh Gebben gefmaeckt Dat foete Woozdt
vant Tandt datfe beſpiet hadden / ende ſey⸗ Gods/ ende De krachten des toekomenden
De Befpie- Den. Dat Landt dat wp verfpied hebben / verz | Werelds. Ende hebben de vriendelijkheyt des
ders brengen fljnt fijn Inwoonders ende al’t Dolck dat | Peeren aenfchoutt. och evenwel om datſe
boofe tijdin- on Daer fagen/ waren Leden Van grooter | Miet Met Godt / maer met haer ongehoozſae⸗
en onder
Fer volck. lenghte, Ooctt fagen Wp Neuſer
kinderen ban den neuſen. End
Speinck· hanen voor onſen ooge
waren wp oock boog haren oogen.
Mum.13-27°
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
vaer / Enaks | míge/ wederfpannige lupe vleeſch te vade gaen/
g fr waren als | dat altijdt DAE fijne ſoeckit ende nimmermeer
n/ ende alfoo | des Heeren KRruys geerne Dragen en wil / ende
numet gleefchelijke oogen fien / datſe ſoo veel
Doen. nu Afraët atie defe woorden hoorde / | geweldige winde hoogh bemuerde Varik
1 3
Steden
eendiefe
92 Van des Konincks Jofie Geloove.
Bier merckt Dteden tegen haet hebben ; de Wilde Woeftij- | van geen vleeſchelijcke luſten overwinnen en
wacrom{oo ne Doo? paſſeeren / ende over ſoo veel hooge laten / noch Door eenigen ſchoonen ſchin det
vele van der
waerheyt af. SOevgen ſilimmen moeten) eete/ gelt / goet / wijf /
Alen enae kind/ lijf ende leven in een Noof geben moeten /
fo vele iste daerom is t Datfe tegen Moſen ende Varan be:
aen rechten, pinmente murmureeren / Foe en Caleb ſoeken
te ſteenigen / maelien hare arme Leeraers ende
Doorgangers (Diefe met foo getrouwer liefden
op Chꝛiſtus Geeft / Woopdt ende VPooꝛbeeldt
alteen wijfen / De cerne waerhept Loordzagen)
foo ondzagelijken zwaren ontuft ende moente /
| … achterklappenſe / eude faem-voovenfe fonder
Deafvallige ole mate / weepen hen felen hier ende daer
foofe foeken. ecvten Hooft · man / valſche Propheet ofte Lee⸗
gemeynlijck raer op/ dieſe met ſchoone woozden in eenen
eendiefe doeden ſchijn weder in Egupten boert. Want
Werelde Dat tijdelijke hebben fp boen dat eeuwigh herz
vöert. Koren / ende breeſen den ftevffelijclten menſche
meer, alg fr den onfterffelijken eeuwigen Godt
boen / die aller Wereld Schepper ende Heere
fg. Snu ſpzeeken met Dat ongeloovige vlee⸗
ſchelck Iſraẽl in haren herten. Wy en zijn
niet maghtigh em op te trecken tegen dít groo⸗
te ende frevche Dolclt. En vermogen niet
Theiſtus Weere / Ordeninge ende leben in rech⸗
ter gehoorſaemhent nac te kamen/ want alle
de geheele Wereld treet ang onder oogen. Alle
Heeren ende Vozſten vervolgen ons. Alle Pze⸗
dinanten ende apen ſchelden ende laſteren
ons / moeten aller Wereld fabel ende ſpot zijn ;
Wp zijn al te zwack fulcken grooten jammer
ende laft te dragen : Willen ’t daerom den Hec⸗
Sapara peopdzagen/&. Dit denchen fn ende dwar
Ien / Want haer ongeloovigh Bleefchelijehk heete
heeftfe verblindt / datſe Gods techtbeerdige
oordeelen níet en bekennen / en hopen wiet Dat
een hepligh leven fal beloont worden / noch en
achten oock de eere niet / Die de onſtraffelijcke
Zielen hebben ſullen.
Tieve Teeſer / fiet boor u / ſoo waerachtigh
als de Veere leeft / ſegge ick u / Dat alle De gene
díe deg Veeren Waadt aldug berwerpen / Wez
Derom harer Godt aldus ongeloovigh worden,
foo aertſch ende vleeſchelijck gefint wozden /
datfe den genen vzeefen dieſe billick ín alfulcker
gedaente níet en fouden vzeeſen / ende dieſe
fouden vzeeſen / niet en vreeſen / meer ox de ver⸗
anchelijche Creatueren / als op Pups / Hof /
landt | Zandt / Gout / Silver) Wijf / Kinde:
ren / Wijf ende Leven / dan op den onſterffelij⸗
Ken Godt ende fijn eeuwige Nijck gefint zijn /
_ ende grooter luft hebben Dat donckere dupſtere
Deafvallige Eghoten van onfe Godlooſe bedroefde Wereld
Pretinko. geijaer of half met beeden Haers vleeſch te bez
mentetdes fitten/ Dan dat weerdige/ luſtige Landt aller
Heeren Erf- hzeughden / met eenen dnophoudelijcken vrede
Merckt.
— ín Godt eeuwigh te be-erben / dat ſoodanige
en 4.2. alle ín de Waeftijne moeten vervallen / ende in
der eeuwigheyt nimmermeer (foo ſy haer niet
ban gantfcher herten en bekeeren) en magen ín
gaen tot fijner ruſte
Kum.1430. daer Die met Joſue ede Caleb baftaen
deg Peeren Woord houden / baft aen Chriſtum
gelooven / gelijck de Scheift ſeydt / vaſt in ha⸗
te herten door den Hepligen Geeft beſegelt zijn /
Dat haer Godt níet in eenigh woordeken faljeez
reri / maer tot ſjner tíjdt wel geven fal Dat
Maatt.16.17. hi belooft heeft. Ende die haer van geen poor⸗
ten det Vellen overweldigen en laten / ban gee⸗
ne fubtijle leugenen ende Philoſophie der Gez
valſcher Propheten betooveren en laten / MALE
wandelen vzumoedelijk * de rechte koninki⸗
lijke Hepz· ſtrate / volgen Chriſtum haren Her⸗
der ende voorganger na / ende rechten alle hate De geloovi-
wegen na fijn Geeft / Woord en onbeftvaffelijkk eid
Voorbeeldt / wijckken noch ter vechter noch ECU zeer befitren.
fincliet-zijdenaf / fiet dat zijn De gene Die Dat peur.17.r6.
geeftelijke Beloofde Landt / De eeuwige vufte
ende brede / Gods ecuwige Nijck ende Glorie
met allen Heyligen ende Beloovigen victorieu⸗
felijch fnmemen / ende in der genaden eeuwigh
met Chꝛiſto be⸗ erven ſüllen / gelyck Joſue en
Taleb dat wptwendige letterlijk Landt doort
geloove ingenomen / ende met haren kKinderen
na haer be erft hebben. Och / Kinderkens gez
looft Get. Alle dingen (ſeyt Theiſtus) zijn mo⸗ Matts as.
gelijck den Geloovigen.
Van ’t Geloove des Vroomen
Konincks Jofie.
nen / die aen Dat Puyg des Heeten arbenden.
toom die fn 't gevonden Boeck gedzenght
opde.
Ahlkam / Achboz / Saphan ende Aſiam henen
geſonden en gefent : Gaet en bzaegt den Heere
boor mp/voor’t volck en voor geheel Juda van
De woorden deg Boelis dat gevonden is / want
gedaen na allen wat daer in geſchreeben is.
Ende fp gingen tot cen Pꝛopheteſſe / Fulda
genoemt / een Wijf Sallums / ende vraeghden ——
Jeiijck Joſias haer bevolen hadde : De Dude on den
antwaorde / ende ſprack: Soo fepdt De Heere neere.
De Godt Iſrakls Seght den man die ü tot
mp gefonden heeft / foo 5 dt de Heere : Diet /
ick wil ongeluckt over defe Stadt en over hare
fnwoonderg beengen/ alle De Woorden Des
Wets die de Yonink Juda heeft laten leeſen
omt datfe mp verlaten / en andere Goden gez
roockt hebben / en hebben mp vertoopnt met de
wercken harer handen. Daerom fal mijn ver⸗
bolgenthept haer over defe plaetfen ontfiecken
en níet uptgeblufcht waden.
Daer den Woninckt Juda / Die u tot my gez Per Prophe:
teffe ant-
leerden berlepden en laten / ban geen Cran: fonden heeft / om den Heere te vragen / fult gu voort aen
npe der blaetgierigen verſchricken en laten / | aldus feggen : Soo fendt de Heere ede Konink,
taë
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ed
e
Van des Konincks Jofie Geloove. 93
Iſraẽls: Om dat uw heete vermurwt gewor⸗ Ende dat foa heerlijck Dat nont Vechter noch
Ben is van de wooden bie gu gehoort hebt / / Koninck dat alfoo boor hem gehouden en
ende hebt u veraotmoedight boo? den Heere / | hadde.
als ap hoort wat ick tegen deſe Stadt en haet | _ Oock veeghde hy upt alle Wactfeggers /
Inwoonders geſproken hebbe / datſe een ver⸗ Teecken bed ebers / Beelden ende Afgoden / —04
\uaeftinge ende vloeck zijn ſullen / en hebt uwe | met alte grouwelen die nde Wanden Guda en 0
lleederen verſcheurt / cnde Hog, mj geweent / Jeruſalem gefien worden. Op dat ſy De |
foo hebbe ick u oockt verhoozt / ſpreekt De Heere. Woorden des Wets ſouden oprechten / Die in 04
Emde wil u by uwe Vaderen ín u graf vergader dat Baeck (Dat Hilkia de hooge Pꝛieſter in Des KI
ven met Beeden / dat uwen oogen dat ongeluck Heeren hups gebonden hadde) geſchreeven —0—
niet fien en ſullen / Dat ick over deſe glaetfe | flonden. Sins gelijck en was geen Yoninclk f
Brengen wil. Ende alfaa ſenden fi’ den Hoz |oo hem geweest / díe hem alſoo unt geheeler 4 Reg-22-2- Í
nincit weder. | heeten / upt geheeler zielen / ende upt alle fijn — F |
Ende doen nu de Koninck defe Woorden | vachten tot den Heere beheerde na alle de Wet en 551. VE 8
hoorzde / Befchickte ho allen Oudſten in Juda ndofi / ende nae hem en quam fijns gelijke niet —4
ende Jeruſalem met allen Prieſteren ende 220: | meet op. ge Ii 8
pheten/ ende gingh met haer in't hups des Poozt nu toe / O op geootmachtige Princen |
Peeren / met alle dat Volck klenn ende graat) | ende koningen / met alle die / Die u laet Dune:
ende men. las haer boor hare voren alle de [ken Dat oP gelaovige Weeren / ende Chꝛiſte⸗
woogden unt Dat Boelt des Perbonds / dewelkt lijcke Vozſten zijt) tot uis Defe mijue vermae⸗
mn des heeren hups gevonden wag. Endede ninge. Hebt op doch eenige vzeeſe Gods /
Hier — ennck fettede hem aen een Colomne / ende | eenige liefde tot Chziſtium ende fijn gebenedijde Ei
cenen reele anorte pen Derbomdt voor den Heere / dat ho Woordt / ofte iS daer noch eenige vedelijckte Í
ten Rijcks- 3 e
daghken- den Heere Woude navolgen / ende houden fijn natuere ende aett bp u / Die beeftant heeft / ſoo Ei
nen. … geboden / getupgeniffen ende zeden upt gehee⸗ bekent *t doch / Dat gp geen Goden LAN den Ki
ler herten / ende upt geheeler zielen / datfe op | Hemel / mact arme ſterffeljcke menſchen /
fouden vechten alte de woorzden des Derbonds/ | van Adams onrepne ftevfrelijche vleeſch cert
Die in dat Boeck gefchrectven ſtonden / ende alle | zaet ZIE. Perootmoedight u onder de Almach⸗ ij
dat Balck trat in het Derbond. Ende Joſias | tige handt Gods / en fet ’t doch deſen Joſiam /
machte dat fia alte) die in Iſrael gebonden wor⸗ | met fijn geloove ende vruchten / eenmael bu |
Den / den Heere diende ende en weeken niet ban | uwen geloove en beuchten / op dat gp Met INE
bert / foo lange als Joſias leefde. fulchg meught leeren kennen / hoe geheel berg UNIE
Pier mercht / liebe Leeſer / wat nu deft {or | Dat gp noch ban Chriſtus Geeft. cnde eben —0
ſias voor een geloove en vruchten gehadt heeft. | verfchepden zíjt/ ende dat gp níet dan vdele (IN In
Hy hoorde des Heeren Woord en geloofde het. | namen en voert. Hf
Pp ſcheurde fijne kleederen. Po bzaeghdeden | Doen Joſias noch een Vindt was j ende Í
Peeve en vernieuwde Dat DPerband/alg gehoozt jongh Lan jaren / vreesde hp Godt / ende bez |
Leel 8. Ende om dat hy hoozde hoe dat Godt m wees fijn oude graeuwe finnen in alle fijn Wer:
peutaz. den ſelven Boeck bevolen hadde / datſe nieten ‘ken, Maer gp (mijn lieve Weeren) en beeeft …
en 22:32 _ fouden doen gelijck als haer goet dochte / en noch Godt noch Dupbvel / dat verdoemde ons Onfr Voe- (|
endeaen _fouden oock geen vreemde Goden LOL haerer geioode is uwe moeder / ende de Beliaſſche on” leone ade HE
De gpgener ſchaden / noch de grouwelen Det Cana | gevechtighent is uwe ſuſter. Fu Godlijke falien orinchey: ia —0
plaetfen, mten / ende der andere hepdenen / die Doo? haet blijft qu bindt / doof / flam/ jae onverſtan⸗ alten God- HN
vberdreven waren / navolgen / maer ſy fouden digh alg de domme kinderen alle uw leef—⸗ lijken ſaken, ii
den eere alleen dienen / hem aenhangen / en | Dage.
alle de geboden / zeden ende gevechtigheden on” | Acht Jaeren was Joſias oudt doen hp Ko⸗
derhouden / die hp haer gebood / íg ho flevclt gez ninck werdt / ende in Dat achtfte Pact fijns HE A
wogden ín den Deere. Hp greep EEL maulijckt Nijcks begonde hp fijn Dader Davids Godt te —116
de handelde dapperlijck in alle ſoecken. Maer u ſoecken van der Wiege aen / | Ï
gemoet aen / en ken.
ijne aenflagen. Want hy geloofde / ende bez |en is niet Dan enckel pracht ende pracl / eet *
ner Vote
ts fijnen odt wpt alle fijne krachten / ſtoute hooveerdiahept DES heeten / qulfiahept, wen foech
en heeft met ernftigen yver in den gront neder haererpe/ overſpel / rijden / jagen / fteechen / iswereldt IN
geworpen / alle wat fijn Daog-vaderen en Yo | bzeeclten / Uwe Nijclien ende Kandt-palen HIL en Vleeſeh. EEK!
ningen unt goeder meeninge en epgen gerkie-|te brepden/ uwe gunft ende ſchatten te ver⸗ (KE
finge alg eenen hepligen Godg-dienft ingeboert meerderen / lrigen / Ooꝛloogen / Schatten / |
ende gefticht hadden. j Scheeren / den ellendigen ende armen te bez if
‚le de Daten Baals pact hy ín ſtucken. dzoeven / De een boven den anderen te domi⸗ |
Hn verſcheurde alle boſſchen / hooghten ende neeren / ende in aller vꝛnmoedigheydt nae DEN (iN
Sijtaren in den Lande Juda ende Zamaris. Dleefcthy met vollen tuften te ieven/ foo bel bii
Yo ontrepnighde dat CTophet M dat dal der als in uw ig, De opcubaere daet geeft gekuipe 2 Par.34-54.
Kinderen Hamon Pp vermelde De Deerden DEL geníg dat ick u de waerbent fchzijbe. … …
lerz . za· Bonnen / ende hact Wagens verbrande hy Joſias begonde in Dat twaelffic Jaer ſij⸗
met den vnere. Hy vermelde Den Altaer te ner Negeeringe Jeruſalem eude Juda te
Beth El / nadat hode Aſaodiſche Prieſteren vepnigen van de Hooghten Bofichen/ Afgo⸗
ende de verſtoeben beenen daer op-geaffert |Den ende gegaten Beelden / Ec. Maer qu De vorften
Badde) gelijck de Man Gods upt Juda dat boutwtfe in alle Steden ende Dorpen / acn zin aller
yitaer foo lange te boren ut: | Straten ende Stegen / op alle hooge Bergen, ——
z Zeß. i322 tegen den ſelven
—— — ende gepzopheteert hadde. Pp roep: | ende alle Diepe gronden. Ende foo Wie u daer ——
figheytom Dealle dat geneupt/ dat benevens ofte tegen | over met Chꝛiſtus Geeft ende Woord vermae⸗ ders-
alleafgode- Gods Det ingefcten bedacht Was. nen wíl / Die moet uwe) ende aller Wereldt
eend, … Bp bielt fijnen Godt Pactiehen | gelijk Fener zijn/ ende De perſſe Dev droeffeniſſe
Bren. Dat Boeck deg Verbonds geſchreeven ftondt; , treden. —
oſi
— European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
mages reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, D
— ibliotheek, Den Haag.
ee nn
zE —— —
= — — —— —
94 Van des Konincks Joſie Geloove.
Joſias dzoegh ſorge voort Hups Des Hee: ren / ende weende vooz den Heere / vzeeſende
ren / hp liet Arbepders daer aen beſchicken en den toekkomenden toorn / om Dat fp ende haer
betaelen. Maer qu zijt de geene / Die Chriſtus Dooz-vaderen Gods Woordt verworpen had:
Pups ende Waonficde/dat hy met fijnen Geeft den. Maer qu (O mijn lieve Deeren) zijt alfoa
geheplight / met fijnen Bloede gevepnight, en verhart ende verblint / alſoo door dat berbloekte
pe Voiſten met ſijns Daders Woord / Opdeninge en Sa⸗ ongeloove / Van uwe ſonden ende vleeſchs luſt
beletten rramenten verciert heeft / te weten / ſijn Ge⸗ gebonden / alſoo banden valſchen Przopheten * *
Chriftus meente afbreekt / ende met uwe ongoddelijke betoobert / / datmenu / noch met De dzengende ersse
A waeede Mandamenten / Eprannpe / ende 8
meente foo Wet des Heeren / noch met fijnen grouwelijlien gen witten
veel alsin; waert belet) dat ’t doch niet weder nae de (toom ende berfelgziekelijke oogdeel / noch met (eylacen)
hacris. _ Dimoftolifche Klaethepdt apgerechtet / ende in dat berflindende Helſche vuer ende eeuwige niet scheer?
Teere Sacvamenten ende Heven/ op fijn ottde doodt / oock niet met Dat vzedige Crangelia”!"
aöft=ffede nae Cheiſtus ende fijns Hepligen der Genaden/ noch met Dat diere Bloedt
oozds recht· fnoer acngelept ende boleprd fal | Cheiſti noch met dat vzoome enbeftvaffelijke
worden. | leven aller Hepligen / Die Met Dat onnooſel
FJoſias veeghde unt alle Teelien · bedieders / ſlechte ja ende neen / als arme weerlooſe Scha⸗
ende Waerſeggers / hp offerde de Afgodiſche pen dagelijks boor uwen oogen vzymoedelijck
Prieſters op have Afgobiſche Altaren / hp vet- om haer geloove ende vzoom igheyt in den dood
brande de doode beenen / Ec. Maer datgebeen: geleyt worden / in uwe onboetveerdige verſtijfde
te des Mans Gods upt Guda / ende des Pro⸗ herten / (oock niet fn Dat alderminfte) kan flaen
pheten upt Samaria en berbzande hp niet. | of tot boete beroeren ende bewegen. Pet waer
Maer qr zijt de gene / die alle valſche Prophe⸗ wel tijt dat grropwaehte / ende eenmael merke
ten ende verlendiſche Papen / Die ’cv dock een [te / hoe dat gp ende Wp met onfe Vooz · vaderen
2 Petri ars. Weoot deel noch openbaere Pzonckaerts zijn / | Gods rechtveerdige ſtraffe ende toorn met onfe
Phi.3.18. zouwen · ſchenders / Afgoden-Dienaets / vol leelijcke vleeſchelycke fonden ende menighvul⸗
3. nret alle ongerechtighepdt / die herten hebben dige zware Afgoderne foo overvloedeljck ver⸗
91019. Boor dreven met gier lghept / díe Ben bugcn ha⸗ dient / ende na de Schzift / menighmael op
ren Godt is / ſtonnne honden / Dicven Der ons geladen hebben. De barmhertige Heere
eere Gods / Moordenaers der arme ellendige gunne u doch oogen Dat gp ſien mooght.
Sielen / blinde Wachters / Ec. Als herders Joſias bekeerde hem tot Den Heere upt ges
det Schapen Cheriſti/ ende berforgers uwer heeler herten / upt geheelen zieten / ende upt alle
elen haut-haven ende voorftaen. Den voor⸗ | fijne krachten) Ec. Ende gp Durft uwen Godt
danh hebben fivín uwe Poven/en de hooghſte ſtoutelijk bevachten/ die u geſchapen heeft/ den
Stoelen aen uwe Tafelen. Met heoge Nae⸗ Heere berſaelien / Dieu gekocht heeft / ende u
men ende groote Citulen Worden ſyvereert / tot de flomme Afgoden keeren) tot Houten / :
Doctoren / Veeren ende Meeſters ban nege: Steenen / Gulden ende Silveren Beelden / tot ———
Gonftende Yfjlhe gegroet. Gu beſchencktfe met ſchoone | Water / Brood ende Wijn / tot de onnutte lee⸗ „oorlijcke
liefdeder Hupfen / veel Menten ende groste goeden, En | tingen ende geboden Der menſchen / ja tot open: leelijeke Af
de valfche moet al heeten : Wíe datt Euangelium be⸗bare grouwelen en Afgodernen / níet tettende ——
dient / moet oackt van den Euangelio leven. dat er geſchreeven ſtaet der Afgodendienaren“Focnt
Iz. i31n3. Hoewel ſy anders níet en doen / dan datſe ude part ende deel ſal in den vuerigen Poel zijn.
peuluwen ende kuſſenen gemackelijck /Siet gu / lieve Heeren / dat dit voor · brroerde
ende na dat jeucken uwer ooven Dzeetken. |altemael aldus de waerhent is / magh ick met
2Ti4.s. Maer de oprechte vroome Lecraers ende gez | u hoogt-prachtige / hoerachtige / bleefthelijke
trouwe Ymechten Cheiſti / Die uwe ende alter | leven met alte De verdorvene / verbrande ende
Wereld ſalighent van gantſcher herten ſoeken / verſchattede Landen ende Steden / daer toe
Ongunften- Cheriſtum vecht aenwijfen/ fijn Sacramenten gock met dat oude oberdadige groote getal ban
de haerder vende Ordeninge recht gebruycken / uende alle Vercken / kKlooſteren Papen / Monnícken /
Verliente- _yenfclhen op den echten wegh ſtieren / ende ín | Netten en Defperen/ ende alle andere valſche
—— een bzoom onbeſtraffelijk leven voor wandelen Gods-dienften in ſchijnender daet bewijſen.
díe Worden ſonder alte bacmbertighept ende, Ende oock noch Daer en boven foo meenigh⸗
Ehzíftelijche befchepdenhent van u vervolght / | mael wp om onfe oberbloedige groote fonden
tot den vuere ende Water bevoordeelt /en maez wille / met Peſtilentie / diere Tijden / Oozlo⸗
ten aller Wereld ſpot en fchande dragen. gen ofte met eenige andere periculeufe beeemde
“fofiag maekte een Verbond met Den Heere ſiranckten ende plagen/Van den Heere verſocht
oock met allen Putften / Prieſteren / Pꝛophe⸗ worden / foo zijn Dat uwe hooghſte ende befte
ten ende Gemeen Botckt /Datfe den Heere dienz middelen om Den bertoomden Godt weder te
Den fijn lebenlangh /Ec. Maer ap hebt u ver⸗ verſoenen / ende Dat aengeſteekzen buer Det
bond met den Uutichzift gemaeckt / oock met | geamfchappen weder upt te bluſſchen / te Wez
alte uwe Predilianten / Papen / Monnicken / [ten / Afgodifche Miſſen te heten / / Pzoceſſien Onfer vor.
Dat Verbont nerhters ende Negenten /Datmen den verkeer⸗ (geltjck gp dat noemt) met doode Geenen / —* ——
der Vorften Ber cupmen Weg deg vieeſch wandelen fal/| Beeiden irimren einde Vanen te houden. ningen in
tegen Chi _menfchen geboden / leeringen ende infettingen |Den weeften grouwel (der Papiften meyne den tijd: dee
fijne Ge- Woerden vechten Gods-dienft ende eeve houden ick) tedzagen / ende Den ſelben met ongederſite stamichap- ,
falfden. ende volgen fal. Chpiftus Polck / Leeringe / [hoofden / geboeghde handen/ ende bernende —
Geboden Geeſt / Doop / Avontmael / Teben Was lichten va te volgen / Ec. Daer mede qu
ende afſonderiuge geen plaetſe gonnen en ſal. de ſtraffende gramſchap niet en keert / maer
Ende ſoo wie daer tegen doet of preekt / dat⸗ noch al meer ende meer ontſteekt. Want u en
men den felfden fijn leben nemen / of ban fijn | Wil noct en magh fijn Godlijlte eere menfchen
goet berooven fal. hand· wercken / eygen verkieſingen / ende foo
Joſias hoorde fijns Weeren Woordt ende | een gewaſſchen ende gebacken ctcatuer niet ges
vernnuirwde fijn heete / hu fcheurde fijn Kleeder | ben. En kent ook fodanige Saifenr Proce fien/
cups
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
—— —
Îer.7, 30.
Ap.18. 5,
Ap.17. 14.
lac.4.8.
loe,2.13e
Hier merket
welke
fchande by
die,die haer
alleen ge
dragen
maer ook
gebruyke
worden,
Van des Koninks Jofte Geloove
Kruncen / beelden en grouwelen niet / en heeftſe
95
openbare Dronkene herbergen / mett ſamen
gal nopt in fijnen zinne gehadt /gelijckt de P2a: | der Afgoden Cempelen / Hoogten / Boſſchen /
pheet ſent. |
Liebe Heeren / betertu,; Dat Wet-baeck
Chꝛiſti is gantſch ende geheel bp u verloven :
Chꝛiſtum en fijn Waerhendt / Sacramenten /
Geeften Leben / en hebt gp noch uwe leef aaz
ge niet gekent / noch wepniger gehad : Pzeem⸗
De Boden dient qu: Antichriſtus Leere / Sar
cramenten / Oꝛdeninge en Geboden hoozt /
gebrukt en volgt gn : een onvepn bleefchelijckt
ende Goddeloos leben boert gp. Och Heeren
Kerken /en Klooſteren / die Ga fo groote hopen
door enckel blindhept en misverſtant ban onſe
Vooꝛvaderen tegen alle Schrift opgerecht en
gebout zijn.
Alle bervoeriſche leeringen en valſche fecten
groot en kleyn / die tegen Thriſtus Geeſt / Or⸗
deninge / Woozd en Leben zijn/helpt met aus
beletten / niet daor gewelt/tprannpe of zweert /
gelijcht (eplacen) ugebzupeli ís / maer doo?
Theiſtus Geeſt met leeren en vermanen / ende
hebt er acht ap: Awe ſonden zijn tat den He⸗ diergelijcke deughdelijke dienſten en lieffelijcke
mel toe geltomen.
Ende hoe wel het (God betert) fo wennig
bn ugeacht wort /foo is evenwel dit Baeck
Eheiſti nu Door Godts Genade bn ſommige
weder gevonden. De reyne onbervalſchſte
Waerhepdt is Door Dat vepne onvermengde
Euangeluun aen den Dag gekomen : En mogt
in Kracht des Geeſts met een Godſalig deugh⸗
Delijkk leben / met een bepmoedige bekente⸗
níffe / enmet foo obermaten keel goedts ende
bloeds der Henligen in ſoo getrouwer liefden
dagelijſis ín uwen ooren geleſen / en voor uwen
oogen verklaert. Noch blijven uwe herten
chenwel alſo verſteenigt en verſtijft / datmenſe
noch door Genade / noch doa? toorn / nach
Doo? ſuur / noch door foet / om keeren of bewe⸗
gen en kan / als eenmael gefentis- Siet / ſoo
is De blindheydt ban Sodoma / de dunſterniſſe
ban Egypten / en de verhartheyt van Pharao
doo? Dat vechtbeerdige Oordeel Gods over
onfe ellendige bedzoefde Kioningen / Prin⸗
cen/ Weeren/ Vorſten ende Wegenten gela
men.
Wiebe Weeren / Wackt opende fchiktu/ de
Baſunne wort geblafen /cuftet u. Awe doode
lijke hrankhedenende verterende vunle Won:
den wozden ugeweſen / Tact u helpen / raede
ick u. Noch Chꝛiſtum noch Chriſtus Woozt
(fegge ick) en hebt gp niet. Nwen ſtrijt is
tegen het Lamen ſijn Antvechoren. Uwen
weg is inder Dupfterniffen/ endepdet tat der
dellen Uigront/ Des Heeren gramſchappe ís
ober u /ende uwen Wanden aengegaen/ Want
uwe leen is vleeſchelijker en booſer dan wen
verſinnen of befchrijvenkan. Och Heeren /
mijn liebe Weeren betertu: Doet eens boete
Die Boor Godt beftaen mag. Repnigt uwe
herten er handen baarden Heere.
oobeerdpe ín ootmoedighert / ende uwe wel⸗
uſtige dele vzolijſihent in treurighent veran⸗
dert worden.
Scheurt uwe onbekeerlijcke beeftokste herz
ten / en niet uwe kleederen. Hoort en ſoeclit
Chꝛiſtum ende niet Antichziftum. Chꝛeriſtus
Geeft) Aeeringe / Sacramenten / Ozdeninge /
Geboden / Verboden / ende onbedziegelijekt
Vooꝛbeeld / bolgtalleennaende niet (fegge
fch de onnutte pdele Leeringen en Geboden
der menſchen / ant fia berderven ende en bete⸗
cen niet.
rven / Miſſen / Altaren / Uinderdoop / Hat
Afgodiſche Bꝛood of Avoandmael (ich meent
Chriftenen gelijk ?E bp der Werelt gebzupkit wort) Beel⸗
roemen,nict Den / Biechten / de hoerachtige Sodomitiſche
onreypnighent derjPapiftifcher Papen en Mon⸗
Läet uwe
[middelenmeer. Opdat fn hen ban ’tquacdt
af keeven/ ende Chrꝛiſtum hooren en bolgen
mogen.
Gunt allen getrouwen Boden en Diena:
ten Gods / datſe Chrziſtum vecht na der Scherift
leeren / fijn Sacramenten en Ordeninge recht
nader Scheift gebeupchen magen / een boet:
beerdia ontbeftrafeitich leben recht nae der
Schaift lepden magen / en Chzifto alfoa door
GodsHeeft en Genade een heerlijke Gemeenz
tevecht nader Schrift vergaderen/ en een on⸗
beblekte hupfche Jonckbrouwe toe voegen en
winnen magen.
Noch feg ick cenmael/Betert u. Daer ig al te
lange gedwaelt. Al te lange met Godt geſpot.
NL te lange Antichziſtum voor Chriſto aenge⸗
beden. AI te lange ben Lerkeerden cupren Weg
Des Doods gewandelt. Wackt op noch is ’t hez
ben. Siet / dat rechte Wetboelt / Chriſtus
heplfame cerne Euangelium / is gebanden /
dat míts Antichziſtus grouwel fo bele hondert
garen hedekt geweeſt is.
Hooꝛt en leeft vlijtelijk / geloovet enonder:
haudet trouwelijk / het is ons Heeren en Gods
Wooꝛd /dat ons Chꝛiſtus Jeſus des almachti⸗
gen eeuwigen Daders eerſte geboren en eenige
geboren engen Sone unt den Hemel gedragen /
beef met ſijnen Waerachtigen mondt geleerdt
geeft.
Onder fijngerechtigen Scepter bungt u/hem
vreeſt / hem bemint / hem dient, eert / en volgt / en
dat upt geheelder herten / unt geheelder zielen /
en upé allen uwen krachten / gelijk defe getrou⸗
we brame Joſias gedaen heeft. Want onfe
Heere en God ís cen Heere boen alie Beeren)
en een Godt boven alle Goden / grootmachtig
ende verſchrickelijk / ende en kent noch enn vreeſt
geen perſoonen.
Fa/ leve Heeren / kondet gu walfoo ban
herten bekeeren / u alſoo ban herten verande⸗
ten ent Loor uwen Godt verootmoedigen / u
ſelven -alfoa berfaken / Chriſtum ende ſijn ge⸗
vechtighendt alfaafoelten ende najagen / Wwe⸗
velt ende vleeſch met alle haer ouvepneluften
alfo verachten / gelijck als gehoozt is fao en
fout gn niet alleene vleefchelijch / maer oock
vgeeftelijke Vontagen en Pzieſteren zijn / uwe
zielen in vzede beſitten / nwe landen met Chri⸗
ſtelhker wijshent in vepnder Gods vreeſe vecijt
regeeren / victorie tegen alte fehadelijke Vpan⸗
Alle ergerniſſen / grouwelen ende Afgode⸗ den onſer zielen hebben / in genade leben; ende
in Genade ſterven / en alfa met Bet waerhent
ſonder alle hunchelue / Chziſtelijelre Woningen
lende geloobige Princen genoemt worden.
— Petri tot allen Chriſtenen
(iel ſegge tat allen Chriſtenen) is waerach⸗
nieten doet weg ban des Heeren voogen. Veegt tig: Gn zijt dat untberkoren geflachte / dat
unt alle De verdloeckte hendenſche ſchanden / Wor
gelijk Woeren-hupfen / Dobbelfcholen/ de Jools / Ec,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Woniuchlijche Pziefterfcgap / dat Lenliah
N Maer
Hier merkt
hoemen met
den ſecten
handelen en
leven fal.
2Cor.rr4s
Deu.2.3.
Sap. 6. 4.
At. 10.34.
Rom.2. r.
Ep.6. 9.
Col.3-25.
lac. 2,9.
rPet.2.9,
Alle Chri-⸗
ftenen zijn
Geeftelijke
Koningen
fy zijn arm
of rij!
of groot.
jk kleya
et
men
96 Van des Hooftmans Geloove tot Capernaum.
Maer isꝰt dat qu u Dies wengert en blijft | fijn Woord bungen moefte / onde prakt: Ak
alte tijt die gene Die gu noch zijt / verkieſt Defe | ben ook een menfche eens anderen overighept
bergankelijkke tijdelijke genoegte ende heerlijk: | onderdanig / ende heb Urijgslinechten onder
hept / boor de onbergancktelijdke eeuwige mp. Tot den eenen fegge ick: Gaet henen /
beeugde ende heerlijkhept / foo Woude ick Wel |ende ſoo gaet hp/ ende tot den anderen :
dat gp aen de fpzeuclten Syzachs woudet gez | Komt bier / ende ſoo komt ha / ende tot mij:
Ecrort, … denken) die Daer fept : Wat verheft hem De nen Knecht/ Doet Dat/ ende foo doet hut :
Hier merket apme aerde en aſſche: Wp is Boch ndel fchan- | Becht of hp alſoo tot Chriftum feggen wou⸗
de: Siet Heere / ick ben felste een menſche
ende moet Den Waedt ban Women Dienen / pe zoofr-
nach ebenwel heb íclt felven macht ober mijn man beken-
linechten / dat fp moeten doen / Wat ick haer de Chriftus
gebiede. Naer gu Heere zijt faa cen Heere / dat Macht
alle geweldige LOI? u buchen/ en al Wat ín den
Wemel en op der aerde ís / hem bupgen moet ;
fchennie- delijkien deelt / Dewijle ha noch leeft. eden
tigheytshoe is hp een Koninlt / ende morgen is Ip doodt.
groorny Jawat zijn fin alle/ Die ban Adams Zaet
ook. herkomen / anders dan flijm en ffof/een wai⸗
fende wint / cen berdwijnende cook / een arm
eltendig ſterffelijſ vleeſch / cen fpijfe der Woz-
men / ja menfchen ende níet God. Och Bee:
ven, zijt gewaerfchout / waelit op ende betert
u/ Godt ís de Heere die urechten fal. Hoch
eens zijt gewaerſchout. —
Siet/ mijngoede Leeſer / hiet zijn u nu
ſommige exempelen eens waerachtigen Gez
loofg gelijſt Noach en Abraham voor De Wet,
en ooft ſoinmige / gelijk Moſes/ Joſue / Ca⸗
leb ende Joſias inde Wet / upt der Schzift
voozgeſteſt daer aen gy merkelijcken leeren
meugt / hoe eenvoudig / recht ende ſlecht / on⸗
gevepnft/ vznmoedig/ ende gehoorſaem / ja
hoe bol met alderlen deugden en vzuchten cen
vecht waerachtig Geloove van aenbeginme af
altijd geweeft is / gelijck men ook aen Abel / |D
Enoch / Iſaar / Jacob / Joſeph / Jephtha /
Barach / Gideon/ Samſon / Kahab / Sar
muel/ David/ Ezechia / lia / Helizeo / en
aen noch meer andere fien mag. Nuwil ick
u ooft door Gods Genade fommige exempe⸗
fen unt dat Nieuwe ETeftament boorftellen /
Baer aen gp op het alderklaerſte leeren meugt /
hoe overbloedigen groaten kracht / vrucht /
geeft / leven en nadzuck / een vecht waerachtig
Theiſten Geloove van ſijns felfg natuere al:
tijd in hem beflooten heeft / op dat gu u niet
Door ecn Valfche meeninge deſe ongeloovige
donme werelt gelijft en maekst/Díe haer vzuch⸗
teloofe doode meeninge en Hiſtoriſche belien-
teniffe ban Chꝛriſto voor een oprecht Euange⸗
liſch Chriſten Geloove Durven roemen en voor⸗
geben:
Van des Hooftmans Geloove
tot Capernaum.
foo gp dan Der kranckhendt ende doodt gez
biet/ fullen fp u wel gehoozfacm zijn / ende
mijn kint verlaten. Ende wederomme / ſoo
qu der gefonthept en Dat leben gebiet / ſullen
fn wel tot hem komen. Hieromme foo (St
snnoodig / dat op in uws onweerdigen Diez
naers bups komt / alleen Heere ſpzeeckt Des Hooft-
ſlechts een eenigh woordt / erde mijn kint
(fegge icht) ſal geſont woꝛden. Doen nu
ſeer verwondert ende tot Den navolgende
Bolcke gefent : Voozwaer ſegge icku: Alſoo
een Geloove en hebbe ick ín Iſraẽl niet gevon⸗
en.
Siet / trouwe Weefer / hier hebt qu Defen
Hooftman tot een levendig Voorbeeldt/ daer
aen qu leeren moet / hoe dat hen een oprecht
Chziften Geloobe voor fijnen Godt veroot⸗
moedigt / aen Godts macht niet en twijfelt
ende hoe barmhertelijcken Dat et met fijnen
armen Dienftboden (fi zijn dan knechten of
maegden ) ín getrouwer fiefoen alle Wegen
handelt ende ommegaet. Ban gantfcher herz
ten Was ho beroert ober fijn arme Diengaer /
ende dzoeg alſoo een ſorge Hoor hem dat hp
hem oock níet en liet verdrieten den Outſten
der Joden te bemoepen/ om Chꝛiſtum te
bidden / Dat hp doch fijnen kranken Dienger
belgen woude. Allen valſchen Chriſtenen tat
befchaemthept ende fchande / ende bpfander
velen rijſien / die een part vnbarmhertiger en
wreeder ober hare acme knechten en maegden
zijn/ dan fp (met oozlof gefept ) ober haer
honden ende beeften zijn : Want alfo haeft fis
flechts foo krankt wozden Dat fp den ezelijken
atbept níet en vermogen / moeten fj ſtraks ſon⸗
der alle baembertighept ter deuren unt / hiet
of daer ergens in een Gaſt hups befchickt
Jeſus defe Woozden hoorde / heeft hu fijnder —
mans be-
treuwende
geloove.
Mat.8.s.
loa.4.47.
woden / of Weder tot hacen Ouders ende Sommigee
Hé gebeurde op eenen tijdt dat de Deere j : tat *
Drienden / Die ſelber bb wijlen nauwe een bete menschen
Chꝛiſtus te Capernaum quam / en eens
Hooftmans knecht ſeer ſtrranck lagh / die de | Bzoods / of een arm out bebdelien ín haer hups a emee
Hooftman gautſch lief hadde: doen hp nu | en hebben. tigheyt
Pes Hooft- hoorde dat Jeſus daer was / heeft hu ſoinmi⸗
mans as. de Vanden Outften der Joden bewilligt / en
| eg 5" met foo een bede aen hem gefonden/ dat hu
fiefderoe Doch tot hem kamen woude / ende woude fij-
fijnen Die: men kranken knecht gefont maken / en Je⸗
facs, (us gink met haet. Als fb nu niet verre van
des Wooftmang hus en Waren / ſondt hy
fommige ban fijn vrienden en liet hem ſeggen:
Och Heereen vermoent uniet/ ick en ben’t
ommige andere moeten met groote ſchan⸗ tegen haer
arme dienft-
den ban haer kleun berdienden Laon ande⸗ ogen.
cen weder. in hare ſtede winnen / alſoo lange
als fp kranck zijn. Ende Wanneer fn als
fchoon met ſueren zwaren arbendt haren
beſtemden tijd al ín geſontheodt overbrengen /
ſoo wtc noch ſommige onbacmbertige
wreede loeder daer op toe; dat ſu de
fchapen/ die daer walien moeten als ſy flapen/
niet weerdig Dat gr onder mijn Dackt komt /
(hier merkt fijn aotmoedighept ) ende en hels
tp ooft niet weerdig geacht / Dat ick ſelve tot
u komen foude/ ſpreeckt flechts alleen een
Wooꝛt / en mijn kint fal gefont worden. Wp
bekende Dat'et hem alle onder Chriſtum en
atbepden als fp ruſten / lopen als fp gebieden / en
ftaen alg fp fitten een groot deel van haren zwe⸗
tigen bleedigen arbeyndt ontheeren en te ſchan⸗
de maechken mogen. Ju is'er eenen lepel
verloten klagen fh / dan iser een fchotel yes
broken / altijt ís ’tqualijkk ban haer gemaekt.
Xan:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van des Hooftmans Geloove, 97
Konden volt haerder ‘een part haer met water de / alfo moghtmen ook daer en tegen Wel van
ende ſtroo Hoeden ende met der zwepen ende
kaf betalen / gelijcht men de ploegenden Oſſen
ende Peerden doet / wanneer fp haer ſlechts
defe lieden getupgen / dat alfa een achteloos /
weeet / hoobeerdig / fout ende onbarmher⸗
tíg ongeloove onder den onbekenden Hepdenen
boo? De menfchen niet en ontfagen / dieg | (die noch nopt laet leef-dagen van Cheiftus
fouden ſy haer boog den Heere dien ft (enlacen)
níet en kennen / wennig fchamen. O wee ober
gen alfulche hepdenfche Tpzannie en onbarm⸗
hertige ent
De Hooftman noemde fijn Dienaer fijn
Kint te zijn/Daer mede hu fijn Baderlijke liefde
ende ootmoedige heete tat fijnen armen knecht
betungde. Want hoe wel hp de Heere was /
en ín hooger eeren gehouden / heeft hu hem
evenwel ín fijnder heeten boven fijnen ſchame⸗
len Dienaer niet verheven / wel kennende dat
fin bepde ban eenen gelijcken God gefthapen
en van eenen zade afgekomen en geboren wa:
rensmaet wat boog een deught en liefde ſommi⸗
ge hepdenfche Chꝛriſtenen tot haer bedroefde
MDienft-boden menigmael bewijfen / leert ons
(eplacen ) hate openbare daet wel.
‚Woe geheel krachtelijken wozden de arme
Kinderen ban haerder ſommige verachtet / hoe
menig ſchentljck woordt moeten ſy dickwils
ban haer hooren / ende hoe menigen zwaren
ſlag moeteñ oockt ſommige dragen / Dat ver⸗
bande kijven ende quaed fpzeelen duert van
den morgen tot den avond. Sommige ban
haer maegden maken fp oock tot hoeren ende
fcheucken. Ja wat wil ick bele feggen. Gelijk
De ongeachtede magere Ezelen bj de heerlijcz
ke Bette Pengften / en Die drzeckige Hiefelingen
by de ſchoone peerlen/ foo zijn. ook deſe arme
kinderen bele en byſonder bp den cíjkten aenge⸗
fien ende geachtet : och Leeſer het is noch al
beel erger alg ick ſchrijjen han. Het waer wel
eenmael tijt dat fn toefagen/ende de liefde Wat
Dieper nadachten. _ |
De Hooftman vernederde hem ban gant:
fcher herten boor den PEERG/ hem fel-
ben niet weerdig achtende / Dat hy onder fijn
dack kommen foude. Maer onfe hooveerdige
ftaute hepdenen treden daer met opgeblafene
hetten ende untgeſtrekte halfen / grootdunc⸗
kigende ſtout / de cen op fijn geflachte / de
ander op fijnen cijckdom / de derde op fijne
wijshept / De Lierde op fijn konfte of ſchoon⸗
heyt / @c. Ende den onnofelen ootmoedigen
Theriſtum Die Daer fent: Heert van mp/ dat
\ ick fachtmoedíig ben / en ootmoedig van her:
Matr.29. ten (Diens Woort / Mame / Dood / en Bloed
fp valfchelijken roemen ) hebben en kennen fp
niet, J
De Hooftman geloofde dat Chriſtus mach⸗
tig was alles met fijn Woozdt unt te vechten
wat hem beliefde / maer deſe ellendige ver⸗
bijſterde lieden en achten dat niet meet dan fl
cen Muciaenfche of Eſopiſſche fabel en doen.
Daer henen het dan komt/ dat ſp foo een
onboetbeerdía vleeſchelijk leven boeven / alſulke
Afgodiſche Sacramenten en valſchen Gods-
dienft gebzupken / en foo bezre ban Den rech⸗
ten Boninklijken weg afgeweken ende ber:
fchepden zijn. Willen noch al gelijckewel de
rechte Apoſtoliſche Werke ende Geloobige Ge:
meente Theiſti zijn. Maer gelijk Chꝛiſtus
ban den hooftman getupgde/ alg Dat hp foo
éen Geloode ín Gfvaël niet gevonden en had:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Woozdt gehoozt en hebben) niet gebonden
en wort. Siet / alfoolaet de vechtveerdige
eere den genen Dwalen ende ín een blint ver
ſtock herte bervallen/ Die fijn alderhenligfte
Waard ſoo hlepn achten / en fijn Daderlijckie Al pe —
Senade / Goedhept / Geeſt / Henniſſe / en Gelove Soer on
haten en verwerpen. | Woort niet
Maecr niet fo onder u / mijn alderlieffte / maer en houden
fet gu deſen getcoutwen bomen Poaftman die waren
tot uwen voozbeeid / op dat gp hem in fijn Bee’ ie
loove / liefde votmoedighept / ende deught gez
lijkt zijt. En dzaegt fo een ſorge voor uwe dienſt⸗
boden/ gelijck hp voor Den fijnen hier gedaen
heeft : onderwijſtſe / leertſe / vermaentſe/ en
beſtraftſe / met eenen Daderlijken Geeſt / ſoo
dilwils fp niet vecht en doen. Gaetſe onſtraffe⸗
lijken voor in alle gerechtighept en vzoomhept.
Hebt oock fomwijten een Wepnig medelijden
met haren ſueren zwaren acbept. Vertrooſtſe
ín hare armoede) bertrooftfe(fege ick) ende en
bedzoeftfe niet. Geeftfe haren bebhooglijcken
nooddzuftigen koften verdienden loon/ ende
verkortſe niet. Stactfe boog ín alle redelijke
faeken. Wekijftfe niet als fp geen ſchult en
hebben / op dat fp niet Klepnmoedig en worden.
Derdzijftfe ook niet bupten tijds / maer lactfe
ban ende onbefchadigt upt Dienen als ’t beſpro⸗
ken is / opdatdes PEERCER Nauje niet
gelafterten worde. Hout u altijd vriendelijck Fier merkee
tegen haer. En wanneer fp kvanks zijn / fog hoe licftelikk
heïptfe ende Dientfe / krijgt cen ander op haer GET En TEE
flede ſonder haer fchade/ tot datfe de Deete hak
henen neemt of wederomme gefant maeckt. delen Gl.
Medelijdig /en barmhertig zijt over haer / en
komtfe telyulpe in alle haven nooden. Verheft
uwe heeten niet ober haer / ende ett veracht⸗
fe niet ín haerder kleynhendt / want ſp zijn
oock uwe bleef ende hzoeders, Somma
hout u alfoo inder liefden tegen haet / gelijck
hem Chiftus Jeſus tegen ons gehouden *
bre / altijt gedenkende als Dat wp oock een Roma. 16.
eere in den Wemel hebben / toog wiens ge⸗ ——
echte wp verſchijnen / en velenfchap van al⸗
len onſen Werkten geben moeten. … Col3.4-
Maer ff ’t dat fp moet willig ende halſtazrig
zijn / ende en willen uwe gebodt en woort niee
hooren / uwe bermaninge en raed niet balgen / Kenan 50e
willen regeeren en niet dienen. Berſimmen haet „oe men”
tijd en arbend lupelijck. Sijn ontrouwe / we⸗ mer den
derſpannig / of moepelijk. Verderven u Hups ongehoors
en Hinderen boetelijk) Ec. So komter mede A oger:
ober een nevens haren verdienden laan / vooz handelen Al
een / twee of drie getupgen/ op Dat de ſchuldt
aen uwer zijden nieten ſtae / ende Des Heeten
Woord geen ſchanden en dage. Gn alſulcker
maten laetſe oan haten weg pafferen / op, Dat
ge uwe goede Caonfcientien om harent wille
niet en verſtoort / en u hups en kinderen niet
gerdozven en worden. Ja mijn Broeders / pe rechte
Dat gp u arme huerlingen / knechten en maeg⸗ liefde leert
| den fout doen gelijkt gp begeert Dat u faude gez STEEN
fchieden / fa gp in gelijken Deel als fp / beroepen mar, 12.
waert/ Dat leeren uw De Wet ende alle Pzo⸗
pheten.
Ee Van
3197 B 28
en ne
|
|
)
1
hi
3
0% van het Geloove Zachei des Tollenaers,
Van 't Geloove Zachei
des Tollenaers.
HE gefchiede / als Lucas fept / dat Jeſus
ginn doorz Jericho / ende fiet / daer was
een man / Zacheug genaemt / een Overſte Det
Tollenaren / of der openbaren Sondaren / en
wastijkk/ Die begeerde Jeſum te fien / wie bi
ware / ende hp en konde dat niet doen om des
vollis wille / Want hp was Klepn ban perſone.
Ende hy liep hoor) en klam op eenen Moer⸗
beſien / of gelfjcht ſommige feggen/ op eenen
wilden Vijgenboom / op dat hu hem fien mog⸗
te/ want daer ſoude hp boor bp gaen. Ende
als Jeſus aen de ſelve ftede quam / fag hu op
en worde fifnder gewaer / ende fende tot hem:
Zachei / Wimt haeftelijcit af Want ick moet
heden ín uw hups herbergen. Zacheus dede
alfa / ende oncfinit Jeſum met vreugden ende
fprak tot hem. Diet Heere / De helft van mij-
ne goeden gebe ick den armen / ende foo ick
pemand bedzogen hebbe / dat gebe ick viervou⸗
big weder. Jeſus ſpzak tot hem: Peden ís
Dit hups ſalſghend gefchtedt om dat hp oock
Abrahams Sone ís.
Rom.15.4 Paulus fepdt: Alle wat onste boven gez
Lucagr. ſchreven is / dat is tot onfer leeringe geſchre⸗
kkn baet gen, WWantdatwp wel Zacheug Geloove /
mieede Bꝛeugde Varmhertighend / liefde ende heet:
hooren of qrondelijfe belteeringen weten / en haet Ons
teweten — niet. Wanneer ton níet fijn Geloove met fijn
wanneee 7 hoetgeerdige bzome Hꝛuchten en volgen / ende
Schrifiniet Maen komen. Bidde Daer om allen mijnen
enfchicken Teeſeren die noch in openbare fonden leven /
ale ricke / gierigen/ alle onvechtveerdige
Hooplieden en Kramers) alle Financiers ende
Woekenaers / alte geïtgiervige Vechteren / Ad⸗
vocaten / en Poorſpraecſten / alle Predikanten /
amedee Papen en Monnicken / alle Dꝛonkliene Her⸗
e dergiers met alle die / Die Dat onbelaaslijche
Cheftus gewin hanteeren/door de liefde onſes Peeven en
Woort met Saligmakers Chziſti / dat fp doch deſe Hiſto⸗
hd wa eie en geſchiedeniſſe van Zacheo met verſtan⸗
en beteren Dige heeten vecht willen aenmerken / op Dat
en hebben fp míts fulkg mogen teeven kennen / hoe ſp
Chritumen Dat rechte waerachtige Geloove en Chaiften-
ale. dom (Dat boor God gelt ) noch níet en hebben
Zacheus en nfetdaneen vruchteloos pdelen roem Lan
barmhertig- Chriſto en Den Geloove en boeren.
bene Zacheus was een Oberfte der openbare
zenden _ Sondaten / en ontfinkt Chꝛiſtum ín fijn hups
armen. en berte met beeugden / geloovig ende nieuw is
hp geworden / fijn leven heeft hy gebetert /en de
ande boofe wegen niet meer gewandelt. Maer
Dat onfe openbare overtreders haer oud God:
Toog leven noch niet en beteren / en daerom ook
Etyziftrum en fijn Geloove níet en hebben / noch
en willen / hoe ff haer daer ban beroemen / 18
Klaerder als den lichten dag is.
Zacheus was rtijk ban goeden / en De helft
Daer ban gaf hy den avmen. Maer onfe rij⸗
ken faeken noch al meer en meer / hoe fp haer
eit en goed vermeerderen / hare hupſen koſte⸗
ijken bouwen / en den eenen acker aen Den
Berrijken anderen trecken mogen. Der ellendigen en
enbannher- armen nooddruftigheyt en nemen. fin haer niet
seuipnept. Aem/ onbarmhertig / ſtout / gievig ende wel:
luſtig / endeen gedencken niet dat van haer
geſchreben ſtaet: B gu vijken / huplt en weent
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ober uwe ellendigheden/ die u over komen,
ſullen / uwe Rijſdommen fijn vervuplt / uwe
klederen fijn vanden matten gegeten / uwe
gout en ſilver is berroeſt / ende haren roeſt ſal
utat getuncheniſſen zijn / ende fal uwe oleefch raes.
geeflinden alg cen vner / oock niet dat Daz r£37.3.
oid fept: Ick ſag eenen godloofen/ ende Die
was ſtout / hu beepde hem upt alg eenen groe⸗
ren LTauwerboom / ick ginck vooz by / fiet
doen was hp weg / ick ſochte hem na / maer
pen wert nergens gevonden / och / och / hoe 24-
zwaren woortig’t/ datde Heere ſext: Wee he
u Mijekten / qu Die hier uwe beetvaoftinge hebt À,
in uwe Wjchdonunen, Wet ideen Kameel
lichter (fepde h/ ) door eens Naelden voge te
|gaen/ dan’tíis cen Nijck menſch in bet rijke
| Gods te komen. —
Zarheus fprak tot den Heere / fa ick nemand gente den
heb bedzagen / dat geve ickt viervout weder. verkorteden
iaer onfebedzoefde Gieren en laten nimmer⸗ te verfoer,
meer af haven naeften te bedriegen, Want de PEP:
geheele wijde wereld / bepde mannen en bzou⸗
wen / jagen foo na dat onbehoozlijcke ſchandige
gewin / dat men't noch verſinnen noch ſeg⸗
gen en kan. |
_ Beeren ende Porſten ſoeken noch alle dage en
níeuïme vonden en practijken / Dat ſp hare do⸗ Er schie
minien / chijnfen/ tollen en venten magen Bet: veerdige
meerderen. Sp ſchatten en ſcheeren / rapen en neeringe.
rooven fander alle barmhertighendt en mate /
fupgen dat arme bolck het merg upt harten beer
nen / ende bewijfen ’t met der daet Dat fp mede·
genooten der gener zijn / daer van geſchzeven
ſaet: Uwe boeften zijn afvallige en der Dieven Efa-r23:
gefclien/&c. Och dat fn Chriſtum kenden /
boete deden / dan het boofe aflieten) en de liefde
wat dieper na dachten. |
Nechteren / Advoraten ende Poorſpraken
ſoelien oock alle kunſt omdat gewin te krij⸗
gen / want fr Dienen alle om geld ende gaven/
wepnig uptgenomen. Soo fn geen pzofijt
en hoopten / noch Biwgemeefter / noch Nech⸗ Der gemee-
tet en faud ’er ín Dat geheele Hepferdom bevon⸗ nen zechte-
den worden / bew ich wel gewiffe, Om dat we en
gewin fitten ende vechten fp ende foelien oock gierigheyt.
fomtijden lichte oorſaken / opdat ſy ſcheeren
mogen / haerder fommíige bupgen ook bp wijz
len wel het recht / ende dat om Der gaven wil
le / ende endencken niet nadat Joſaphat tot
haer gefent heeft : Diet toe wat gp doet / want
qe en houdet dat vecht miet den menfchen /
maer den Veere / ende hu is met u ín ’t gerich⸗
te. Daeram foalaet de vreeſe Des Weeren
bp u zijn / ende Wachtet u / ende Doettet.
Want bp den Weere onfen Godt en is GEEN apar,19.6.
onvecht/ noch aenfien der perfoonen/ noch
aenneminge der gaen.
Paoft-heden / Nunteren / Knechten en dier⸗ per Krijge-
gelijke bloed menſchen meer /dzagen lijf en ziele lieden
te koope omt gewin. Sweeren met opgerech⸗ godleofe
te bingeren dat ſy ſteden en landen verderben Broer nerin-
willen / Burger en Hunsman vangen) dooden ge.
en om dat hare brengen willen / hoewel díe ſel⸗
ve haer nont geen leet gedaen noch een quaedt
woort gegeven en heben. O God welk eenen
bermaledijden Godloofen grouwel en handel.
En moet noch al heeten Dat fin landen en lieden
beſchermen / en dat vecht helpen hand-haven
en voooꝛſtaen.
Papen / Monnicken ende Pꝛedilianten
zijn in gelijker maten ookt alſoo op dat ſchan⸗
Delijche gewin gefint/ Dat fp hacer (eplacen )
niet
— — — — —
—
níet en ontfien Gods eenige gebaren ende eerft-
geboren epgen Sone / fijn almachtige eeuwige
Wooꝛdt ende Wijsheut / Bat cenige ende eeu⸗
ige fFondament ban den Hemel ende ban det
Nerden/ Chriſtum Jeſum / met fijnen hepligen
Apoſtelen tot openbare valſche getungeniſſen /
Ketters ende Berlenders te maecken. Want
Cheiftug ſeydt: Wie gelooft en gedoopt woꝛt /
Maxci 16.16. Die ſal ſaligh worden. Su ſeggen: Wie gelooft
ende gedoopt wordt is een Hetter ende ſal ver⸗
doemt worden. |
Chriftus fept: Wilton inꝰt leben gaen / foo
hout de geboden. Spfeggen: Gods geboden
en magh niemant houden. |
Paulus fendt : Heeft gp naden vleeſche / foo
ſult qu ſterven. Noch op een ander plaetſe: De
onrechtveerdige (dzoucken drinckers / gievige /
hooveerdige / onkupſſche ende diergelijcke meer
meent hp) en ſullen Gods Bijche níet be-ecben.
Maer fn fegaen: Wp zijn arme Sondaers /
twíe kan altijt alfoa leben als de Schrift leert?
Chꝛiſtus is doch voor de Sondaers geſtorven /
ende ſoodanige trooſt woozden meet. Daer
mede fin Chriſtum ende fijn Woordt verſaeken /
ende de gantſche wijde Wereldt / Lijche ende
Arme / den klepnen ende grooten / alſoo ín haer
Matt.19.17.
Rom.8.13.
3 Cor‚6.9
Van Zachei des Tollenaers Geloove, 99
en machen / haer van der gierighent niet over:
winnen en laten / maer in De handelinge kloer⸗
kelijken voorſien / ende Loor het perijkel wach:
ten magen.
_@ack Wwowden ſommige andere tot Dieben /
fommíge tot moozdenaers / ſommige tot ſtraet⸗
fchenders / / ſommige tot gunchelaers / ende
Dunvbels· ſronſtengers / ſommige tat hoeven en
hoevenweerders of voorſtanders / ſommige tot
tunſſchers ende dobbelaers fonnníge tot ver⸗
vaders / ſommige tot beuls ende rackters / ende
oock ſommige tot vervolgers ende dootflaners
der Godbzuchtigen/ Ec. Ende dat alle (legge
ick) em dat berbannen gewins wille, Daer pe er.
mede fe dan dpentijch betupgen / nademael fit vev;in maeke
op foodanige wegen wandelen / ende alſoo na vele onvro-
dat eurechtveerdige gewin jagen / Dat fp upt men ja hoer
den Puptel ende niet upt Godt en zíjn / Chri⸗ ESES
fun en fijn Geloove ende Woordt niet en heb⸗
ben / maer ín aller manteren haten ende baant
zijn. | k
Ya / goede Leeſer / de gelecle wijde Wereld …—
js alfoamet defe bevmaledijde gierighept / ber Alle die An-
gerechtigh
driegerne / balfche practijken / ende onbehooz: gewin han-
lite neeringen / met deſe Valfcije handelen ende reeren . en
koopmanfchappen / met deft finantie / waeker zijn seen
verbijſterde quaet leven fteecken / datter (epla⸗ {ende epgen Laet befinet ende belangen / dat ick
Om daton- ten) wepnigh zijn / die rechte boete daen / of Die | níet en weet / hae’t dach erger of booſer wor
behoorlijke nae Godt vagen. Ende predicken eten al De | den kan : Ebenwel blijven fh nach al der Pa⸗
gewin ver-
leyden de
hlinde donne Wereldt hebben / ende hooren | pen ende Peediltanten Chriſtenen / ende maet
Predikanten Wil. Wp dat fp Bach dat Biliamfehe gewin | al heeten Dat fp haer Gzoodt redelijk geneeren
ende Papen (hare Wloofterg ende Leenen / mepn ick) Mende eenen pegelijchken gelijck ende vecht
de geheele
Wereldt.
Ende en weten arme kinderen niet / dat
goeden vrede befitten / ende cen Epicuriſch {un | doen.
ſevben / fouder alle fozge Daer ban lepden magen.
Och / mijn Leeſer / hae gantſch vezre is doch
fp de, Dit altemael van Zacheus Geloove / Geeft en
ene zijn / Daer van geſchreeven flaet. Wee bekeerde Leven verfchepden. Want foo ſp
Ter.r.tr.
2Petarse ende vallen in De Dwalinge van Dalam /
vergaen ín den opraer ban Core / vermal
lieden. O Godt dat fn toeſagen.
9
haer / want fi zijn gegaen den weak ban Cain / Zacheus Geeft / Geloove ende kracht hadden/
ende | diemen immers heben moet / ſalmen ſaligh
edijde | zijn / ſoo Wouden nae mijn bedencken / wen⸗
nígl Meeren ende Vozſten bj haer graat gewelt
De onvechtoeerdíge Wooplieden enlzramers | ende runme leven / wepnigh Kupteren ende
per onrecht- (ick ſegge de onrechtbeerdige / Want die
veerdige
recht⸗ Bmechten by haren ongoddelijken dienſt ende
beecdigh ende broom zijn / en mepne ick níet), bloetwozgen / wepnigh Nechteren / Advocaten
_Kooplieden met alle die / die met gievighept omgaen / ende, ende Voorſpraeken bp hare Hecht-hupfen ende
en Kramers
gierighey, Daer dooz haer neeringe drijven / ſtaen oock foo | Dchrijf-kamers / weynigh Kijcken bp dat on:
ende bedrie- nag Dat vervloekte gewin dat fn Godt gantſch repne gebrunck haerer Nckdommen / wennigh
gelijcke
neeringe.
Dat fp billick prijfen / ende prijſen Dat ſp
Takken fouden / liegen ende zweeren / geb?
peel onnutte woogden / vervalſchen haet
daer mede fr dat volck bedriegen / ende a
billickt ende periculooſe neevinge / ende wennigh Peer
upken | dikkanten / Papen ende Nonniclien bp haere
ware | Gagien / Leenen ende Klooſters blijven. Let
mdat ſoude Wel haeſt ecn ander ende beter: geftalte
Chriftenene
Waer het
geloove 15
dae
van haren heeten uptflupten. Want fp laken Sooplfeden ende Kramers by haeren Woecher baord
alle dingen
reyn ehde
recht.
hare brengen. Verkoopen/ eenen ende borgen | hebben, So het dach niet feplen kan of magh:
den bebjoeftigen op groot gewin en woeckier/| De gerechtige moet fijns geloofsleven. Ja Abas.
niet eenmael vecht nadenkende nach tet heeten met een nieuw vpzolijck herte / geeften gemoct Rom 1.17.
4 rTeſ 4.6.
eenigen handel.
Gal. z3.11-
nemende dat ’er gefclhzeeven ſtaet· Niemant ſouden fp met Zacheo ſeggen / den armen Wils gers ost.
en verbordeele noch bedziege fijven bzoeder in Yen wp getwidlighlijfken met onfe goeden dieuen /
ende foa wy pemandt bedrogen hebben / dien
egel woude wel Dat fin Sprachs leeringe willen Wap fan geerne Wederom vergenoe—
D wat grondelijker behertigen Wilden / daer hy
fepdt: Een (koopman kan hem swack bos
hetontecht wachten / ende een Viramer hoo?
Moewelde fonden. Want om des goets wille daender Lele
goopman onrecht. Ende die eijcft willen Wozden keeven
{chapsia de dogen af: Gelfjckt als eenen nagel tuſſchen
niet onrecht twee fteencn ín der mueren ſteeckt / alfoa ſteekt
en is,foois dock de ſonde tuſſchen den Kooper ende verkioo⸗
er per / hout ho het niet met DIJEN de vzeeſe Des
eelhef bee. Weeren) foo fal fijn hups haeſt berftaort woz⸗
xingc.. en. |
%eca73 Dit ſchrijve iclt den Godbreeſen den Loop:
lieden ende krameren aldus tot waerfchauz
gen.
Want alle die met Zacheo Chriſtum Jeſuum
ín dat hups haerer Confcientien vecht ontfan:
gen / Chriſtus Woozd vecht met hein gelooven)
ende daer. upt recht met hem geboren Worden /
van Ehꝛriſtus Geeft vecht gedreven Worden /
díe zijn oock eeng met Chriſto gefint/ en daer⸗
om vock onmogelijck / als dat fr pemandt / ja
oock om eenen peiminck fouden beraogdeelen DE Wast
ofte verkogten. Soo dat doch aller rechtger Chritenen
faobigen epgentlijke gebeupels/ natuere ende en verkorten
aert is / niemant op Den gantfchen Aerdbodem niemant,
tebefchaofgen / maer alle menfchen (faa vele PAD,
toinge / op dat fp haer den godlooſen niet gelijk | haer mogelijck ís) te helpen / hiemandt, te verkorte
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
4 3 e⸗
Ik | 100 Van des Moordenaers Geloove.
In bedriegen / maer cenen pegelijckten gelijck ende) afgoden-dienaers / noch alle die de leugen liet
Í
enn B
—
ee ee —
eeen
nn — —— —
—— ——
En « ——e— KL: Ee: e 2 ” 5 _ *
—— —— — — — pmen es — — —— —
— — — TE : —
— — — — — — — *
— —
recht tedoen /@c. Beltick Paulus fendt / na- | hebben ofte daen / plaetſe hebben mogen / jat
| Á — bie en! denn níet | alfao lange als Zacheus een ban Die was /
meet/ maer hp arbende met fijne handen) alg ’t was hn bunten. Tant foadaníige (fepdt Pau
melijekt. Wie geftolen heeft / die en ft
recht is / op dat hp hebbe Daer ban hp den noot:
druftigen deple.
foo
1 Cor.6.16,
We) en hebben geen Deel aen ’t Nijckie Gods en
ziſti.
IHaer foo haeſt als hp des Weeren Woozdt
parts en weet ick niet waermen de geweldige geloofde / dooz't geloove boete Dede / ende hem
ende rijclie / ín Wat Hoven ende Nechthunſen | tot er liefde Keerde) / is hem ban ſtonden aen “
de borgerſchap ban Chꝛiſto felbe toegefent / die De geloovige
pooste des levens ís hen: geopent/ vzede is hem en —
berkondight / de ſalighent is hem geſchoncken Gen genade
ende ig voor een mede-erbe Der genaden / ende
ende vrede.
ten / Papen ende Monnicken binden fat / die voor ecn Vindt Gods bekent cn aengenomen / Luce 15.10.
Eph4.8, Maer wat falmen veel feggen: Mijns
datmen De Nechters/ Advocaten ende Vooz⸗
ſpraeken / in wat Steden en Handen datmen
de Kooplieden ende Uramers / ofte ín Wat,
Ulooſters ende Kercken datmen de Predikan⸗
Ier.8.7.
Alledegie- volgen / die upt een nieuw boetbeerdigh broom | huns geſchiet / Ec. ck d
herte alle onbehoorlijſie pzactiſatien / bedriege: \ Hepligh fs / alſoo moeten oock fijn kinderen /
rige —* die
liefde hane ryen / ſubtijle Dietserpen/fchandelijke neeringen /
delen en zijn ende booſe gewin afflaen/ ende met Zacheo
inChriftus (eggen : die wp bedzogen hebben / willen wa ’t
niet.
1 Cor‚ra. rs. gijn fp gierigh (klaeght de Pzopheet) bende
Epha.rs. Kleyn ende graat.
Ebba Ende nadernael fp dan nach ap de verbande
leelijcke gierigheyt ende onbehooglijchke gewin
alſoo gefint zijn / en foo plamp ende plat tegen
alte liefde handelen / ende over al geen oprechte
boete bp haet gebonden en wordt / foo fg ’t oocl
Daer mede openbaer/ alg Dat fp ín Chziftus
Herche ende Gemeente niet en zijn. Want
Chꝛiſtus Werchte ofte Gemeente) fijn Lichaem
ende Beupdt ín der Schzift genoemt Wozdt.
Is fp nu fijn lichaem / foo moet ſy oock vleeſch
ban fijnen bleefche/ende been ban fijner beenen
zijn. Ende is ſy fijn Daudt / ſoo moet fn oock
fijng geflachts zijn / gerechtigh / heyligh / oot⸗
moedigh / kupfch/ waerachtiah/ lieffelijck /
barmhertigh / jae fijn ſtemme hooren ende gez
hoozfaem zijn : Ende daerom en kan Chꝛriſtus
oock geen ander lidtmaten ín fijn Gemeente
toelaten / Dandie een Hert / eeft ende Ziele
met hem zijn / fijns Geefts deelachtigh / Die alle
ongerechtighent affterven / dat oude boofe lez
ben der fonden begraven / onſtraffelijck ín een
nieuw leben doop de liefde Wandelen / de Waer:
heyt met vzeughden ontfaugen/ haten naeften
gewillighlijcken dienen / gelijck defe geloovige
weder-gebarene ende nieuwe Zacheus gedaen
Rom,6,4e
heeft.
Wp begeerde Cheiſtum te ſien / ende ontfinck
hem met vreughden / hu geloofde fijn Woozdt
ende keerde van fijn ongodlijkte leven af. Hp
Zachieus diende den armen ende verſoende die / die In
geloove ende verliorꝛt hadde. Somma / hp bewees hem alg
vruehten. een oprecht broom Weder · geboren kind Gods
Luce 19.10. in alle fijne vruchten. Ende daerom foo hoorde
hp oock dat vredige vreughden Woozdt der
Goddelijcker genaden : Heden is dit huns fa-
lighent gefchiet/Want hp oock een Sone Abra⸗
Derechte
hams is.
Zacheen zijn Siet / weerde Leeſer / die aldugdanige geloo⸗
in des Hee- vige boetbeerdige ende nieuwe Zacheen zijn /
ren Gemeen: Die aldus in de liefde Wandelen/ die behooren
teende _totdeg heeren Gemeente ende Lichaem̃ / ges
aPets.s. lijck —— ſelve fendt / namelijck / daer aen
loan.13.35e ſalmen bekennen dat gp mijn Jongeren zijt /
Deonboet- ſoo gu wonder malktanderen lief hebt / fn zijn De
veerdige en
viervoudigh wederom betalen. AI te famen |
Ehzifto vecht gelooben/ Ehziftum recht nae | gelijck de Heere fende. Salighent is heden Dit
Want gelicht Cheiſtus 1 Petrrs
Levit.ar.4de
19.%
bzoederen / lidmaten / gemeente ende de Bzuud —
bepligh sijn / gelijcker geſchzeeven ſtaet: Zijt
hepligh / want ick ben hepligh.
Van des Moordenaers
Geloove.
D E Guangeliften Teeven dat ’er'twee mig:
dabers ofte maogdenaerg met Chꝛiſto gez
fseupft zijn / De eene tot fijner rechter-handt /
en de andere tot fijn flinclier, Ende de eene
blafphemeerde hem / en ſprack: Zijt gp Chzi-
fius / ſoo helpt ufelven ende oock ons. Maer
de andere ſtrafte hem Daer ober / ende fepde :
Daeeft gp Godt niet / daer ap ín gelijke verdoe⸗
meniffe zijt: 't Is waer / ons gefchiet vecht
daer aen / Want wp ontfangen gelijck wp met
onfe wercken verdient heben : Maer deſe ent
heeft niet quaets gedaen. Ende ſprack tat Je⸗ Luce 23.35.
fam Heere / gedencht mijner / wanneer qu in
u Nijck komt. Ende Jeſus fepde tot hem :
Vooꝛwaer fegge iclhtu : Leden fult gp met mp
ín het Paradijs zijn. |
Goede Heefer/ hebt ’er acht op Wat íckt
fchzijve. Wanneermen defes migdaders belijz :
dinge wel aenmerckt / ſoo maghmen hem ober
de ſterclie kracht / goede aert / rijcke bzuchten/
geeftelijchke gefichten / Drijvende liefde / ende
bepmoedige bekentenifle fijns geloofs / Wel |
verwonderen. Want het ig openbaer Dat hp DE Moorde-
een feet bijftere goddeloofe boebe moet geweeft overwegen
zijn / Die fijnen Godt noch en kende / noch en boeve ge-
vreesde / die in alle fonden ende boogtent wan⸗ —— voor
delde / fijns naeſten goet roofde / en fijn bloedt dehceriage
bergoot. Want Mattheus en Marcus noez
men hem een JPooPdenaer/ en Lucas cen mig:
dader. Blijkt oock Daer aen wel / want hy bez
tupghde felbe/ als dat hp om fijn migdaetg
tille ſterven moefte.
Dit alle níet lettende / alfoo haeft als hp dat
foet Woordt Gods tuſſchen Jeruſalem en den
Berg bant alvarien/ookaen’t Krunce hangen:
de / iñ fijner laetſter noot upt des Heeren mondt
hoozde / heeft het alſulck een kracht in hem gez
weocht/ dat binnenſte fijns herten alfoa beroert
en verandert / dat hp Van ſtonden aen fijng nac:
ften ſaligheyt fochte / en zijn blafphemeerende wers —
medegefelle beftvafte/feagende: Dzeeft gp Godt
| vleefchelijke levendige Steenen aen des Leeren Tempel / niet : Sijn epgen booshent en ſonden bekende / aus woordt
| en mogen ende De rechte Borgers te Jeruſalem / Daer in ſeggende: TDp ontfangen gelijckt Wp met onfe hoort foo
in —— dat geen honden / geen Dieven / geen onrecht⸗ wercken verdient hebben, Ende den armen heeft
J veerdige / geen gierige / geen toovenaers / bevoordeelde Chriſtum die alg een Der aller god-°
hebben.
—— 5geen hoeren jagers / geen doodt · ſſagers / geen | loofte misdader tot het keups berbloeckt was /
van
IJ —— —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Alfohet gam Den Obeeften / Prieſteren / Pharizeen /
deneroor Scheift-geleerden / ende vant gemeene Boick
loofde “foo Werloochent/ ende ín den doodt verbamen
Warenoock was / vooz gerechtigh / onſchuldigh / vern en
* boeteen ſonder ſonde bekiende feggende : Defe en heeft
Ernehte niet quaetg gedaen. Heeft dock noch daer en
daer. boven genade ende barmhertighendt aen hem
Eaiss6, gefocht/ hoewel het fcheen/ oacht geen verz
naer ocht Huft anders vechten en konde / dan dat hy fel-
genadeby Be geheel ende al van alle barmhertighent ende
dien ,dien gonſt bende bn Godt ende den menfchen ont-
— fet ende berooft was / want hp op díe tijdt de
Genade aller verwozpenſte ende ongeachtfte ban alie
gebeuren en JBannen was / gelijck de Propheet klaeght.
mochte. Ende en heeft hem tat niemandt anders / nach
ín den Wemel nach op der Werden gekeert /
dan tat Defen onnoſelen gelafterden/ verban⸗
den ende gelkeunften Jeſum / met bollen bez
trouwen tvedende tof hem / alg tot den troon
der Goddelijcker genaden / op dat hm de verz
gebinge fijner fonden bp hem binden mocht /
leggende: Heere gedenchit mijner als gu inu
Wijck komt. *
Ick meene Dat deſe wel met recht een waer⸗
achtig Chriſten Geloove ende weerdige vruch⸗
ten ban penitentie heeten mogen. Ende het
en is den Deere oock niet anders / dan alseen
Par aller ko. verlioelinge ban fijn dorſtige ziele / alg een verz
tielijckfteby ſachtinge ban fijn Diepe wonden / als cen verz
Chriftumen trooftinge van fijn zware plagen / ende als
den Vader, een verquickinge ban fijn bitter lijden ende
ſterven geweeft. Dat hp dock van. ffonden
gezicle. Aen/ dat trooftelijche vzeuchden Woordt der
Goddelijcker Genaden ende des. eeuwigen
Daedes van Chzifta geloot heeft / namelijck :
Vꝛeeſt niet / Want alle u ſonden / die gn hier
boormaelg in uwe onwetenhendt bedreben
hebt / zijn al gedecht. An eeuwighendt en
fullen fp nach ba mp / nach bp mijnen Dader
gedacht worden. Mijn onfchuldigh Bloedt
fet ick Daer baar te pande. Daerom foa zijt
getrooſt Dat an begeert/ hebt qu alreede
ontfangen : eden ſult gn met mp in ’t Para
dijs zijn, —— |
Diet / mijn Leeſer / hieer hebt gp in defen
aengeteeckenden Moozdenaer nu noch een
ſeer ſchoon erempel ban een oprecht Cheiſten
Geloove / met fijn epgentlijcke toebehoorende
epgenfchappen / aert / natuere / krachten ende
bzuchten. Met welcke Moordenaer bele on:
nutte pdele verachters haer felven ín haet onz
Peverach- boetveerdigh ſondelijck Teen Kittelen ende
gers trooften graoften /_denckende ende feggende ba haer
met leugen ſebben / Godt is een barmhertigh Godt / hu
achtige troo- Weet wel Dat wp Adams kinderen zyn / ende
Îüngen. niet foo al te famen en leen / gelijch de Scheift
wel leert ende hebben Wil / hopen evenwel fijn
genade / ende Dat Wp met den Moozdenaer
twel ſullen ſaligh worden / Ec. Ende en weten
arme kinderen niet / dat de Moordenaer haer
tot een zwaer oordeel zijn ſal om Dat fn des | w
Heeren Wooꝛd foa dickwils hooren / ende dat
níet en gelooven noch gehoorꝛſaem en zijn. Och
Leeſer / en laet ong foo met Godt miet (potten,
Pet fal velen (beeft ick) miſſlucken / Dat fn in
defer faclten meenen ende Hoopen.
Noch eens fegge ick / dat alle moetwillige
verachters / die Dat alfoa ín hare herten ſeg⸗
gen ofte dencken / eeuwigh dooz defen Mooꝛ⸗
denaer boo? den Heere moeten overtuught enz
De befchaemt ffaen. Want alſoo haeft als hu
Van des Moordenaers Geloove. | 101
hyt in een reyne ende goede conſcientie door
den geloove gengenomen. Boctveerdigh/
nieuw ende vzoomis Gp geworden. Ende deſe De versch
hooren ’t van Yare tot Jare / fien foo vele or hi
fchoone vruchteñ dagelijcks voor haren oagen/ /
ende datt oock met goet ende bloedt foo heer:
lijchten betuyght wodt / noch blijven fn al evert
ongeloobigh/ ende ín hare ſonden verhart.
Want die arnliloppende genade verſtooten fin /
den beroerenden Geeft tegenfirijden ſy / dat ge⸗
pꝛedickte Woordt verachten fa / de aengeboden
gaven vertreden fn. Seght waer isde Schzift /
Daer mede men ſulckte onbeleefde leelijcke verz
achters ín haer verſterven trooſten/ ofte des
Weeren genade en bzede toefeggen en verkon⸗
digen magh.
Ick bzeefte Dat fh de onbenchthare dorre Aer⸗
De zijn / Daer Paulus af fendt : Vie den vegen
des Depligen Godlijcken Woo:dts diclwils
ontfangen / ende noch al evenwel diftelen ende Een stod.
doornen dagen / ende daerom oock Den bloeckt Aje eee"
nae bu zijn/ ende ten lactften met het vuer willige ver-
moeten verbrandt worden / oack de gene Daer achters.
de Wijshepdt over klaeaht/ ende fendt: O gp Heb-67-
befpotters/ hoe lange wilt op Wft tot fpotterpe
hebben / ende gp dwaſen de leeringe haten:
Telt roepe / ende qr wengert u / ich ſteelie mijn Pro-1-23.
handtupt/ ende qu en acht Daer niet op / alie P24*5-
mijnen vact laet gp baren / ende en Wilt mijn
beftvaffinge niet. Daerom Wil ick oock lag:
chen/ als'er komt dat gn vzeeſt / ende als gu
tot mproept/ foaen Wil fc u niet antwoor⸗
den / Want om dat fn op ’tlicht níet en Waes Pro. 1.22.
ken / noch op en nemen / de wijle dat het fchijnt
foo wozt ’t haer oockt ín een Doodlijke Dupfter- le.r3. 16.
niffe verandert. - |
De Moordenaer geloofde foa haeft als hu
hoorde. Och / dat fn oock alſoo deden / ende PAL-55.8.
de ſpꝛeucke Davids bedachten : ſoo an heden Heb 2-7-
des Weeren ſtemme hoogt / foo en verhard uwe
herten niet gelijck in de berbitteringe. —
De Mooꝛdenaer en hoorde (feqge ick) niet Dee Noot·
meer Dan eenmael ende hee geloofde. Ende —
deſe hooren foo menighmael / ende en gelooven „ijn vane
níet : Hy haozde / ende Wert berandert / maet in haren
defe hooren / ende blijven Dat fn zijn / ende ber: doen ver-
harden hare heeten noch al meer en meer, De Cheyden,
Mooꝛdenaer befirafte fijn blafphemeerende
medegefelle ende vermaende hem dat hu Godt
beeefen faude : maer deſe blaſphemeeren ent lac
ſteren alte trouwe herten / die alfilckis doen / en
hebben lief / Die de waerhent haten ende bpant
zijn. * —
De Mooꝛdenaer beltende zijn ſchult ende Dat Bloed: _
booshent bepmoedigh ende ſonder alle ſchro⸗ —— —
men / maer deſe / hoe gierigh / hoe dDranchen / werd
hoe en 00/ boe onfimber / hatigh ende verdient:
Afgodiſch fn oock zijn / en kermen noch fchuit
noch fonde / ende alsmenfe tat beteringe / en:
de boete vermaent / feggen fp: jae wat doen
)
Doe Mooꝛdenaer belkende als dat Chriſtus
Gijclt niet Wereldlijch en was / want hu fende :
Als gr in u Wijck homt. Ende deſe hebben
haten gantfchen luft in Gout ende Silver / in
eten ende drincken / in pracht ende prael / ende
in De berganckelijcke fienlijchke Viijckdormmen
deſer Wereldt / ende en achten alle de onfien:
hjche eeuwige Nijckdommen niet / die Chei⸗
ftus alle fijn geloobigen unt genaden geſchonc⸗
ken ende met dat vergieten fijns dierbaeren
De
Dat Euangelnun Der Genaden hoorde / heeft | blaeds / verdient heeft.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
102 Van des Moordenaers Geloove,
De Mooꝛdenaer beleed den armen trip heeft Yaten aenbieden ; Ende ick ben ſoo moet⸗
deelden ende gekseupften Jeſum boo? allen D-
bevften / Prieſteren / Pharizeen / ende vooz alle
dat gemeene Volck / ende bekende Gem boo?
fijn Salighmaecker ende Heere : Maer defe
(eptacen) verloochenen fijn Abnachtige Maje⸗
tent / fijn Hemelſche herkomſten heerlijkhept /
ende en achten fijn Oordeelen / Geeft / Woord /
Oydeninge / Geboden | Sacramenten en Be⸗
Yoften niet: Woewel hu hem als een trium⸗
Hebr.r.1. heerende Porſt ende Overwinner tot fijns
en 8.1. Daders rechterhandt gefet / ende alte gewelt en
macht / bepde ín den Hemel ende op det
Matra8n8. Verden in ceuwiger Glove van hem ontfan-
gen heeft.
De Moodenaer ſocht bacmbhertinhept / gez
nade ende vergevinge fijner fanden van Cheiſto
te ontfangen / ende Defe faecken ’t ban haeren
Predikanten / Papen ende Monnicken / ende
Dat dooz Miſſen / Biechten/ Abſolutien /
Bꝛeoodt / Wijn / Wy · water ende Diergelijkke ſu⸗
perſtitien en grouwelen meet.
De Moodenaer hoorde (am dat hu aen
Chꝛiſtum geloofde) dat liefelijk ſoete Woordt.
Peden fuit ga met mp ín ’t Paradijs zijn.
Hier merekt Faer Defe moeten hooren (om dat fp aen
een er den Chgiftum niet en gelooven) den berfcljzichelij-
Eentieende Hen onverdzaegblijken — donderſlagh:
oordeel. Gaet van nin gp beemaledijde ín dat eeuwige
Matt.25:42. guer : Want ongelijk ig ’t geloave geweeſt
ongelijk fal oock dat loan zijn / daer magen alle
bevrachters gedachtigh op zijn.
Ende alfao fal ten laetſten (neemt ’t waer)
deſe arme boetbeerdige Sondaer daer mede ſy
haer in hare ſonden ſoecken te vertrooſten / in
Dat gerichte des Almachtigen ende grooten
Gods tegen haer opftaen/ ende haer boor dat
De Moorde- gengefichte fijner Majeſtent befcijuldigen ende
maer (älaller gerdoemen. Want ſ dat genoeatslijke ar:
befchuidiger pen gelunt ende dat nieuwe Liedeken / te Wer
ende rechter ten / Dat ſoete Woordt Gods) foo menighmael
* gehoort hebben / ende haer noch nopt met vro⸗
Apo nner dankfeaginge Daecinne verluſtight / noch
oock nopt met opene nieuwe heeten geleert en
gelooft en hebben. Ende defe (fegh iclt) en
heeft t maer eenmael gehoozt / ende van ſton⸗
den aen gelooft.
@cly / lieve Kinderen / fiet boo? u / ende ſoeclit
Cheiſtum / dewijle hn noch gevonden magh
woden / ende roept hem aen / dewhle hp noch
nae bn is. Op dat fijn grimmige toorn niet
unt en gae / ende u met het vuer fijner gran
fchappen níet en verteere.
Meentgp/ O qu verkeerde verachters / dat
ap geloove / boete / berouw ende Gods genade
futt mogen opnemen als het u aelieft: Och
Dit woordt neen. De Peplige Paulus fendt: Om dat
dn Dd, fm ’t nevgeng voor geacht hebben Godt te ken⸗
gen. nen / foo heeftfe Godt oock henen gegeven ín
Rom.rar, genen verkeerden fin / dat oordeel fal alle ſtoute
gerachterg overkomen / Uinderen hebt ’er
… acht op. —
tt bd Apercht een gelijkeniffe. Daer is een feet
— rijck Potentaet / epſer of Koninck / Dien ick
door groote onwetenheyt mijn leben langh gez
haet hebbe) die heeft hem foa ober mp ont-
feermt/ omdat ick een foo armen man ben/ dat
bp va doop fijn getrouwe Dienaers / niet alleen
fijn gonſt ende vrientſchap / maer oock een ge⸗
heel groote fonnme Gouts / veel koftelijke Ge:
fieenten ende ſchoone VYilepnodien upt enckel
barmhertigheydt ende liefde genadighlijcken
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
willfafy ende ondauckbaer / Dat ick Des ſelpen
goetgunſtigen / ende wel berdienden Vorſten
getrouwe Dicnaerg (die mp aackt ſoo hertelijc:
ken tief hebben) Booz de groote weldaet niet
alleen níet en dancke/eten ofte drinken en geve)
maer íclt deijffe oock met beel ſchaemten ende
fchanden ter Deuren upt. Helt werpfe met Deci
ende ſteenen / fettefe in gevanckeniſſen ende
banden / brengeſe om lijf ende leben / ende nez
me de gepzeſenteerde gaven / ende ſluntſe in
in een privaet/ treedſe met baeten, Ec. ende
laet alſoo den Vorſte aenſeggen: Nwe geſchen⸗ wa waer
Ken en wil ick nu niet / maer fao gp over een qa: Sie de
jaer ofte thíen uwe Dienaers noch eenmael verachters
met fulcke gaven tot mp fondet / foo mocht ick ein
mp bp abontueren algdan bedencken / dat ickſe ———
ontfinge / ende u vooz uwe goede gonſt danlien. wouden na-
Pu geef iclt u allen ſelbe te oordeelen / oft oolt dencken.
billijk ſoude zfin / Dat foo een Vorſt ſulcks wez
deromme foude doen aenbieden / nademael ick
fao ontrouwelijlien aen hem en fijne Dienaers
handelde / maer of hu niet heel meer fijn genade
ín ongenade / fijn liefde in toorn over mp veran⸗
anderen / ende mp mijne ondanckbare wzeede
tprannpe/ ſtoute bevachtinge / ende groote on:
trouwe ín mijnen ſchoot vergelden / ende tot
fijner tijdt harde aen mp ſtraffen foude : Ick
beemoede / gp foud mn fijn ſtraffe ende niet fijn
genade toefeggen.
Ndus gaet ’t oock met u toe / O gp verach⸗
ters. De barmhertige groote CE AE
wieng ijckhent ende Genade ongemeten IF /
heeft hem ober onfe groote zware blintheden
ende dDoodliffte armoeden / (hoewel wp fijnen
hepligen wille ban der wiege aen gehaet heb⸗
ben) nu in deſen grouwelijken laetſten tijdt /
wederom genadighlijck ontfermt / ende heeft
ong fijnen lieben Soone met fijn Heplige
Woodt / Geeft / Devdienften/ Odeninge en
Doozbeeldt door fijne getrouwe Dienaers ín
alte klaerhept boorgedzagen/fijn genade) brede)
eeuwigh leven / vijckt / erve bzeugtde) heerlijk⸗
hept/ met t'ſamen de vergevinge onſer ſonden
aengeboden / ons arme vruchtelooſe boomen Luce 13.5.
Yange jaren gemeftende omgegraven. Noept
ende leert oock noch alle dage daor fijn untber⸗
kovene / die haer goet ende bloed lijf ende leben
gewillighljken daer boo? wegh geben. 1
gevweekt den Vader tegen fijnen Saone / ende Matt. zo 35.
den Saone tegen fijnen Dader / de Moeder tez
gen haer Dochter / ende de Dochter tegen haet
aeder / Dat een hunsgeſin tegen dat ander /
ende den eenen vriendt tegen den anderen / Ec.
Sommige tact he zwerben in vreemde Hanz
den met denauwthept / kommer / ellende / droef⸗
feniſſe /gebreck en ongemack / in »t Geberghte /
índe Woeftijne ende fn de holen ende ſcheuren Heb, 11.9.
Der aerden. Wu geeft tekenen ín det Sonnen / Luce 21.2.
maen ende Steen / boven ín den Hemel /
ende Herdbevingen/ Oozlogen / Peſtilentie /
nieuwe ranckheden / diere tijden ende onge:
hoorde wonderen beneden op der Verden, Op Mart.24.30.
dat hp ons (gelijckt een goede Klock · hinne hare a eg
“Jongen doet) onder De vleugelen fijner liefden
bergaderen/en gelijkt een getrouwe Herder fijn
Tanmeren enSchapen tot den vechten ffal fij- Can. 1.1.
net genaden brengen mag. In de flaep-kaemer
fijns Berbonts voeren / en met den mondt fijns
edes Kufyen magh. Dan alte ouſe ourepnighe⸗
den waftchen/ en hem tot fijn Baupdt vertrou⸗
wen magh. Apt dat KNijcke der ellen — ej
oo
ö— — ee — —
Eph. r. 3.
Col.i.ꝛ22.
Alle Godts
verweckin⸗
gen gefchie-
den den
verachters al
te vergeefs.
Jer.2. 23.
Sa.7. 11.
10b 21.r4.
Mal.ʒ. 15.
Heb.1o. 29.
De Verach-
ters fullen
doots berloffen / ende ín dat Hemelſche Nijck
fijns eeuwigen lebens fepden maah. Som:
ma/ Dat hp ons vande macht der dupfternif”-
fen ende des Dupbelssantbinden / ende voor
zijn untberkoren kinderen en erfgenamen aenz
nemen en bepligen magh.
Maer neffeng u (eplacen) alte mael te ver⸗
geefs, Want ( gelijck eenmaei gefent is) fijn
aengeboden moordt ende genade verſtoot gin:
fijn getrouwe Wmechten ende Díenaerg ver:
bolght ende doodt ahp: dat onbeftcaffelijck
proome Teven / met tfamen de vromoedige
belieuteníffe alle fijnder Wepligen ſcheit ende
laſtert ghu: alle zijn groote tekenen / feltfaz
me wonderen ende baderlijcke ſtraffingen ver⸗
acht ghn / ende ſettet uwe aengefichten als de
Hoeren aengefichten/ ende uwe herten als
een Diamant / wilt u noch fchamen noch bez
keeren. Speeeckt met alle verſteerde verach⸗
ters: Maecſit u van ons/ wp én willen van
uwe Wegen niet Weten, Wie is de Amachti
ge / dat wp hem dienen fouden* Ofte wat
zijn Wap daer mede gebetert / Dat wp hem aen-
roepen $
Aengeſien ghn dan fa ondanckbaer / ja ge⸗
heel onnut ende wzeveltjcts tegen uwen Godt
bebonden wordt / die fa groote barmhertig⸗
hept van aenbegin aen ong bewefen heeft / en
aaclt noch dagelijcks bewwijft/ dat ghy oock al
le fijne baderlijche vermaningen / kaftijdin-
gen / leeringen / ende gebooden / de gehoor⸗
faembent fijns hepligen Woordts / dat on⸗
fchuldige blaedt zijnder Wepligen / mett t’fa-
men alle zijne groote krachten ende wonder⸗
Daden fa gantſch ende geheel berwerpt/ ja
boo? enckel verlepdinge ende ketterpe achtet /
op Den tijdt der genaden níet en waecht / Ehri⸗
ſtum Jeſum met fijn Peplige Geeft / / Euan⸗
gelia/, nieuwe geboozte/ geloove / Sacra⸗
menten / doodt ende bloet / met alle fijn an⸗
dere geeſtelijcke rijckdommen ende Hemielſche
gaben / fa onweerdighlijcken onder uwe boe:
ten treedt / ende den almachtigen / onfterfe-
lijcken eenigen ende eeuwigen Godt niet en
preeeſen / ſoecken / liefchebben / eeven/ Dance:
fen / nochen dienen / ende noch evenwel | dà
hoopt als dat ghn met den Mooꝛrdenaer wel
fuit ſaligh worden) ſo ſegge ende waerſchou⸗
we ick u ín getrouwer ſiefden / dewhle het
noch tijdt ende dagh is / uwe hope ſal u fael⸗
jeeren / Want als gh hem ſult niennen te vin⸗
den / fa fal hp hem voor u verbergen / Gp ſal
Chriftum in fijn aengeſichte ín 't quade op u fetten / en niet
der noot
niet vinden.
Prov.2,24.
Den Heere
behoortmen
in’t goede) gelijck De ſchrift fendt : fia füllen van
faecken en níet binden / tat mp roepen / en ick
en falfe níet verhooren. e
Bidde en vermane daerom al mijne Leſers
in't gemepn : boost doch / dewijle ghy noch
Geren hebt / en fiet be wijle ghp noch Magen
hebt / verſtaet dewijle gh noch Herten helt /
waeckt en werclit Deijle ghu noch tijdt ende
tefoecken dagh hebt / op dat uwe ooren / oogen / herten /
fo lange
men hem
vinden mag
1Cor.7. 29,
lac.5.9.
tijdt en dagh niet tat cenenmael gelijck genoz
men / en in een Doof / blint / onboetbeerdigh /
verſtockt gemoet en fin gelevert en wordt,
Och vrienden neemt'et waer/nu isꝰt heden /
giſteren is voorbn / ende den mogen en is ons
niet belooft. Kort is den tijt / fiet de Nechter
ſtaet boo? De Deuten, Daeronnne ſoo en ber:
trecket Dochy níet omt te bekeeren tot den Peez
re / ende enfettet níet op van dage te dage /
want haeft fal fijnen toorn komen /en u verder:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van des Moordenaers Geloove; 10
ben/late penítentie (fept Auguſtinus) ís fer-
den waerachtíg / maer als fp waerachtig is / ſo
en is fp nimmermeer te late. · Doet penitentie
dewijle ga noch gefant zijt/en ick fegue u (fepc
bu) dat gn ſeker zijt.
Hiero name fo doet gelijk defen Mooꝛdenaer
gedaen heeft / want alfa haeſt alg hu hoorde fo
gelaafde hu; Hooꝛt gp ook alfa / enn geieoft in
gelijcker maten/ Want de oogen des Weeren
fien op het Geloove / Die daer hongeren ende
dorſten na der gerechtigheyt /fent Chꝛiſtus)
ſullen berfadigt worden. Die daer fozchen
fullen binden. Die begeeren ſullen gutfangen:
en Die kloppen / fal open gedaen Warden. Maer
isꝰt dat fp’t wepgeren (Wanneer hyſe fackt /
en geerne fijn Genade geven wil) ſoo fal hut
oolt wederomme Wepgeren / als fin her faec-
ken/ ende geene fijn Genade heben fouden.
Die mp veracht (fepdt De Heere) fullen weder:
om ban beracijt Worden. E
Soelit / daerom ſegge ick / dewijle het noch
Dag is / op Dat gp binden meugt : Bidt / op dat
qu berkrijgen meugt : Hoost / op dat qu geloo⸗
ben meugt : Gelooft / op dat qu doen meugt /
ende Doet / op dat gn Icben meugt. Want upt
dat gehooz volgt het Geloobe: Apt den Gez
love de gehoorſaemheyt: en op de gehoorſaem⸗
bepdt de belofte.
Ende upt Dier oorſaekeen wort ’t oock den
Geloobe altemale ín det Schzift toe geepgent/
gelijkt de nieuwe geboorte / De rechte bacte/
de tepniginge des herten/ De gerechtighent
Die boor Godtgelt/ de Gebencdijdinge, de
Salighent / ende dat eeuwige Weven / want
het den vechten Oofpronckt ende Barr-rmoe:
der.alles goeds is / als meer alg genueg berz
haelt ís.
Aengeſien Dit ín Defen Deel Den vechten enz
gentlijcken gront der Schrift is gelijck alg
wp hier ín Kostighent verklaert hebben / foa
moet gp immers alle bekennen / als dat alle
moetwillige bevrachters door’terempel van
Defen Moordenaer ín haren geheelen ‘Doen
befchaemt wozden / ende dat hn hare beſchu⸗
diger ín den Dag des Weeren zijn fal / gelijck
e PE EAME oock fept van den zie
niviten / ende ban Der Koningimne unt den
Zunden.
Maer alle Die Chꝛiſtus Wooꝛdt hooren /
ende gelooven / haer Doo? de kracht des Bez
loofs ban gebeelder heeten tat Eheiſtum bez
keeven. Chriſtum met een onftcaffelijk bzoom
Leben en bepmoedige Belijdinge Loor de qes
eele Wereld belkennen. Sijn Genade ende
armhertighent met bollen betrouwen foecz
ken/@&c. Den felfden is hn een heerlijk trooſt⸗
beelt / ende een ſeer koſteiijcke Balſem⸗olie /
ende geneſende ſalve in hare bedroefde gewon⸗
de Conſeientie geworden / daer aen fn Gods
pg groote gunft/ barmhertighent /
ende liefde neffens allen waerachtigen boet:
beerdigen Sondaers/ hae lange ende zwaer
ſy oock gefandigt hebben / opentlijcken fien
ende Lenmen mogen, Op dat ſy haer Zie
len míts ſullis dao? den Geloove vzedigen /
ende gen Gods Genade / mits dat onde ſon⸗
dige Leven / daer inne fin certijds foo viee⸗
ſchelijck gewandelt hebben / niet en vertzagen /
want de YHEENAG en heeft fijn Gena—
de uiet bectoogen noch gefent: Zeen Mooꝛ⸗
denaer uwe ſonden zijn te zwaer ende te Gez
le / gu hebt oock af te lange gefondiakht /
@ maer
—
Feel
Anguftinus.
Ier. s. 3.
Mat. 5.6,
1Rez.2,30.
De Veracht-
ters Godts
fullen weder
van hem
veracht
worden »
denker op.
Rom.ro.8.
Gal.5.13.
Mat.7.2I.
10. 15. 14.
lac. 2.14.
1Cor.7. 19.
oa. 1. 13.
Act.2. 38
Rom.3. 4.
CRLITe
en 19.10
Gal.3 &.
Mar.i6. 16.
Ioa. 3-36.
Maât.12: 4x,
Redd
Mem ad
Dee Ar een
Met der
herten
104 | Van def Sondereffen Geloove.
maer fa haeſt bu fijn nieuwe herte ſagh / ende u vergeven / u Geloobe heeft u geholpen / gaet
Amen fijn belijdende mont hoozde / Geeft hj fijn gez in zeden. 8 —*
— gerech made over den armen Gekkonnmerden Sondaer Lieve Lecſer / hebt'er acht op. Alle DE Luc.7. 443
tigheyt en
met den
mond ge-
fchied de
5 ri + pt 2 * — — lee⸗
untgeſtort / Geeft hem alle fijn ſonden verge⸗ haoveerdige / pꝛonbachtige / gierige / v
oat pad gefept: Heden fult gp met nan br ?E [febelijche / ende hoerachtige / Die haet beroe⸗
Paradijs zijn: Want Die aen Mp gelooft / heeft men Dat fp Chziſtenen zijn / en fende zijn het
belijdinge Dateeuwige Heten. Dept oak een Peopheet: niet (want fn betupgen met haer geheel gez
tot aligheyt. {jg De ongerechtige hem af keert van fijnder (moet / hert, zin ende leen / dat ſy Chziftunt
0.10 8 8
10a.3.36.
en 6:47.
en 7.38.
en 11.225.
Bz.18,2 1.
Luc.7, 36
Mat-26.6.
Mart. 14. 3e
Luc.8. 2.
en 10,42.
104.123»
Par rechte
Geloove
maekt ge-
techtig en
vroom.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
angerechtighepdt endoet gerechtigheyt / faen |haten ende brandt zijn) worden doo? deſe
wit ick alle fijn ongerechtigheden die hp gedaen | wedergeborene Lboetbeerdige Sondereſſe in
eeft / niet meer gedenken. allen haren doen beſchaemt / ende geſtraft /
heeft / niet meet q h
want om dat fp geloof de foo worde haer hoor
veerdig / pralig / ſtout hert Daer mede m een
ootmoedig/ gebroken ende vernedert berte
verandert, En defe ſeggen Dat fit gelooven /
zoch evenwel heeft hare vervloelite ſtoutig⸗
hent haren Dwaegachtigen pronkt ende pzael /
met Zpde/ Fluweel ende —— derd
es ArNe —
aac meten ren ude oben nen opeen Be Kina
aft ín fijn hupg / en fette hem ter Tafelen. En Silvber = O7 — trepvonckte Dem:
fiet een wijf in der ffadyoie cen Bondereffe was) ben / met fondenoe HENDE en, inie
bat veenemende / Gzaght fis een glag met fal- den / Walsdoecken) Z2upben, wehl à
ben/ en trat wan achter tot fijne boeten / en Íevert/ Dchozteldaechen / — ——
weende / en begoft fijn boeten nat te mak met Pautoffelen / ende Dievgelijlke Ge apr »
haten tranen / en met dat Gap haecs Ghoofot Mere) Ceplacen) nac —— Deteus
te drogen / en Iutfte fijn boeten / en fa!faefe met |achtende Dat et De hoage BLOTE et rug
false en Paulus / alle Chriſtenen Wijven met klare
tE *
Van der Sondereflen
Geloove.
Fé Pharizeus (fept Lucas) badt Chei⸗
mael Kenmen / at voor een herte en gemoet /
| tig Chriſten * 4
0 —— ——— gend ee oren | ven aop gangers ende hoofden zijn. Willen
are Die Marta och al gelijkewel de gemeente Chzꝛiſti heeten;
met (anus (1 aes Di Dae eije pela oog (ok brt
gefiften vertalen) befeten ende teefde (foo’c lett toch wel erdee mpm *
febijnt) na haet heeten uſt want fini een ene wil denanderenindeehe Pate ten
Soudereffe ín det Schzift genoemt / foo lange |DEVDE geerne — anke
haer de Heere unt De dupſterniſſen in't licht / ers ile qe in we Harts n hebt niet
padt an leunen tac „Dee er ih * ief be werelt “hoch dat ín ber werelt iS:
be) —— — (Wíe dat de werelt lief heeft in dien en is niet
ende nieuw Herte AGEROMEN. wereldt 8, gelijck den luft des vleeſchs/ den
een eben En * luft Dev gogen / ende dat hooveerdige leben /
wozden is haer ongerechtia/ bleefchetijch |C IS miet ban Den — —
wapde fa ontfteelien ende beroert / Dat kelt ende De Werelt vergat, ENDE uenuu;
Pie bond. (iepen alg de water-beerkens/ dat — die Gods wille doet / die blijft in eeu⸗
| ) t
oock des Weeren boeten daer mede nat wighent.
rete, Daemon gerant, ee Bite be
4 aer
Keern vante.” * —— 9 ſtonden aen aen haer onſunver — nge
want fin falfde fijn ooft ende Doeten met fa beſneden / oan nen up —
gen diece Sawe / Daecmenfe wel am dzíe hon: daer unt gedzenen q ——
dert Penningen ſoude gerliocht eben Pact ed er 5 ijd e Ws,
recdí igde fin / en | PE ——
meg Ve Berne af Mannen ende Vijven/ (Die Daer roemen
Pronkerye
der valfchee
Chriftenen.
Pracht en
* 35 „⸗ untgedzuckte woorden afgeleert en verboden
Pier leeven Lap aen deſe Sodereſſe noch een ebbers.“ Dozt cr den wijven beraden praelisallek
hoe heel te meer Dan den mannen Die haer Wijz verboden.
Pact doge |De liefde Des Daders. Want alle wat in Der toan:2.r;
maer fi fat weemoediglijcken bn des Hee⸗ dat fi gelooven ) in alle fteden ende Wanden Italiem, Hif«
, 4 | belanden wordt / weet die op het beſte / dien 't
— ADE erueduee alle naeckt ſtaet — in ——
pese 7 4 DCL 2
gen dat de Pharizeus ſag / murmureer⸗ tE) ook Bp den Menten EERST
Bebo ; Ebitweroraf tot hem: Simon / fiet bozgen. —— rege Gerd
gp dit wijf wel? Ick ben in u hups gekomen / | geheele wereld bos me * —*
ip en Deb mgee aen gegen ot mij —
i aer deſe heeft mijn voeten genat |: COMES) TEEN
— — —— eet dat hang — Cent * ee etn, * — js
‚ Gn en hebt mp geenen liu S |
Bega mat bee aar eigenen tent et
í8/ en heeft niet afgelaten mijn boeten te kuſ⸗ De Garf dee her be Oberf velfter el
‚ @nen hebt mijn hooft aokk met olie niet De Overſpeelder 8
gef) bef aen been De en, Oe, DEE Te Bn
cfalft. Daerom fegge ick u: Veel ſonden 4 „AIEE 8
in * reien HA fi fa heeft vele lef Ende dat De onechte Hinderen ook noch niet
panien ende
gelijk alle
onfe Kloo-
fters zijn vol
met alfulke
Sodomiteu
en Boggers.
Lue. 20, 10.
Deu 22, 23e
De Over-
fpeelders
moeften in
de Wet
flerven, maer
dat Euange-
lium en
leert nw
alfulks niet
maer het
gehadt. En ſpzalt tat dat wijf / landen zijn na dat tiende lidt in de Gemeente Des Heeren ee
Yxod. 12.16; komen en fouder: Ende dat noch meer is /
| Deut. 22, 18. het was Godts openbare gebodt ende ordenin⸗
Wieeen ge/ ſoo wanneer pemant een “fonckvzouwe
jenckvrouw
Van der Sondereflen Geloove,
epgen lichamen / Bzaeders/ Suſters / Ge
flachte ende Brupdt zijn.
Cen derden bzage ick / of Dat gebodt Gn
105
Op de liefs
epin in Iſraẽl beflie jet verl ilt liefchebl ften gelijck u ſelven/ den des Nas-
û p/ Die noch niet berlooft en ſult lief-heben uwen naeften gelijck u ſelven/ Jen des
kt Ifaël die Was / ende het wozde bevonden / Dat hyfe ten | niet alfoa Wel den Ehziftenen als Aftaël gege Gn dries
moeftefe ten wijve nemen moefte foo vezre alg ’t haven bar
wijve hou-
den,
verlaten fijn ìcef-dage/ want hp hadfe ver⸗
nedert,
Och Hefer denekt et na / Wat dit laetſte
gebodt ín hem befioten heeft. Sp roemen alle
(hee hoerachtigh fn dock zijn) datfe De geefter
lijcke Iſraẽliten zijn / dat fp De waerhept heb
ben / ende in Cheiſtus naem gedoopt zijn) en
ſchamen hen evenwel niet / haer arme ſwar⸗
ke Suſters/ Die met haet ander eenderlep
Geloove / Doop / Avondt· mael ende Gods·
dienſt begrepen ſtaen / tot arme eerlooſe / gez
ſchende ſſetten / tegen alle ſchrift ende Chꝛi⸗
ſtelicke liefoe te malien / hoewel haer Godts
epgen mont / ende dit aengetekende gebodt
bebolen heeft (waunneer ſpſe beflapen hebben)
Dat ſpſe tot Wijven ſullen nemen/ ende níet
berlacen haer leef-Dage. Wouden fp dit wat
Dieper nadenckten /foo fouder wel menigh haet
fchande na blijven / Daer nu foo menigh geet
mans kint foo ontfermelijck geſchendt / eu foa
overmaten geel Foncki-beauwen en Maegden
Van haereere ende goeden naem antfet ende
becaoft worden.
De waerhendt ſchrijve iclt u in Chriſta / qu
mooghtꝰet gelooven / foa gp wilt. As ’t dat
geeen Chziften zijt ende zijn wilt / ende gp ee⸗
nigh avm kint met uwen liſtigen berfacelken
Mereke en aengeven ín defen Deel bedzogen hebt (en foo
neerſtelijck. gp anders uwe arme ziele niet berliefen en
wilt) foo moet qofe ten wijve nemen / en niet
berlaten nach gan u ſtooten Want qu hebt
haer vernedert / als gehoort is. Siet / dat ig
Des Heeren engen Woordt en orzdeninge: Nile
(ben enis? Seght gu neen / foo hebt op dat
Der bewilligen woude / ende en moghtſe niet. geheele Nieuwe Teſtament berfaccht/ dat ons
de ſelfde liefde foo geheel ernſtelijckt leert ende
voo drꝛaeght. Maer ſegt quja/ ſoo ſegge ichkt
ten derdenmael datfe uwe vrouwe zijn moet:
Want nademacl qu haer tegen dat gebodt der
liefden fao deerlijcht vernedert hebt / foa teert u
(Dat gebodt / dat gu haer wederom beveeren /
‚en bear uwe echte bzouwe houden fult. Een
pegelijch fte voor hem / Die geboden der liefden
en vervallen nimmermeer / faligt fijn die / diez
| k recht waernemen ende ín Der bzucht wel na:
iomen.
| Cen bievden bzage ick / of oock eenigh men⸗
\fche Godts gebadt met goeder conſcientien
overtreden of beelen macht Seght guja / foa
gerloochent qu de geheele Schrift / Die daer
eert Dat wp op des EERE wegen wan:
(Delen / en fijn geboden volgen fullen. Maer
feabhtgn neen/ als't oock neen is / ſoo ſegge
ick ten vierden mael / als datſe u wijf is / en
zijun moet / Want hetis Godts gebod / ín der
liefden vaſt gefondeert/ is't dat gn cen befla:
ns de
fchrift.
De geboden
der liefde ed
vervallen
niet.
Godts orde-
ninge en ge-
boden en
willen niet
gebroken
‚pen hebt / Dat gnfe ten houwelijck nemen / en zin :
uleef-Dage niet verlaten meuat/ als gehoort ís,
Diet LTeeſer / hier hebt an nu meer alg aer
wat u des Leeren woordt in deſen deel leert eri
medebeenghe. Ende foe ga nach ſoo Godloos
blijbet/ dat gp uws Weeren gehad overtreet
Róm, r. 24.
r Cor. 6: 195
Gal. s. rg.
om uwer hoerernen wille / de eene fchendt en Eph. s. s.
De andere neemt / Wat dat u eunde cude agg: Apoc. zr. B,
| deel zijnfal (isꝰ
heelder herten en betert) wil ik ſelve Laten leſen.
Dit en ſchrijve ick hier daerom niet aldus /
als dat pemant/ Die ’t eerſtdaeghs doot onwes
Die nu wetens ende Willens Defe ozdeninge ' tenhent gedaen heeft / fijn beaute (die hj daer
Godts verachten / en verſtooten de gefchofz na getrout heeft) verlaten fal/ ende nemen de
fierde ende trouwen een ander / die moeten
immers bekennen hee de eerſte hare echte
zoute boor Godt ig / en niet de laetſte. O qu
Deut. 23.2. eere iede / denckt na leere en Wijze
hept.
Wilt op nu ſeggen / alg dat dit gebodt
Iſraẽl aengact/ ende niet den Chziftenen /
foo wil ick ten eerſten Dit gerzaeght hebben / of
gp u voor een Cheiſten houdt of niets Scaht
gp neen / ſoo doet als in u is / en verwacht dat
oogdeel / dat allen Godloofen die bupten Chri⸗
Chriftenen flum zijn / gedzenght is. Maer feat qu ja/
en moeten ſoo is De facche al gericht dat fp uwe Lzouwe
niemant zijn moet. Want een Chꝛiſten en moet foo niet
Schoftieren_rraet fijn arme fuſter leben / alg dat hyfe tot een
rechtdoen. hoere maken maah. Och ueen ; de fchzift leect
dat de Chꝛiſtenen C hetftus leden zijn/ geen hoe⸗
ren en boeven. Ack hoope immers dat hun
Defe plompe vreden Wel verſtaen kondt.
| Ten tweeden brage ich / welcfte ban bepden
| bolcken dat henlighſte of gefchichfte zijn fal /
| dat letterlijcke of Dat geeftelijche? Seght on
Matth. y. 20, dat letterlijcke faa hebt qu Moſes met fijn
| 2 Cor.3.6. volck ende dienſt boven Chziſtum ende fijn
Hebr.3. zen bolckt verheben / Dat opentlijck tegen alte
* 3 ͥchꝛift is. Maer ſeght on dat geeftelijcke / fo
men behoo- DEB gu de fake noch al eenmael gericht dat fi
| ren een vol. Uwe vrouwe zijn moet / Want moefte dat let:
gecoprumpeerde weder aen haer flede/ geens
(fing : want ick en twijfele niet / of de barmher⸗
tige bader falfe met genade overſien / die onz
wetende miſgrepen hebben / en nu voortaen
den Heere vreeſen / en geerne recht doen ſoude.
Maer hierom ſchrijve íclk’t/ om Dat een pe⸗
gelijck hem boor ſülcke ſchande wachten fal /
des Weeren gebod en De liefde Wat Dieper na⸗
dencken ſal / en mercken hoe geheel en gantfchs
dat Ciiftus bp de geheele werelt veracht tent.
Want fp gemepnelijer (enlacen) alle met den
anderen / —— / Boeften/ Papen / Mon⸗
nicken / Edel, On-Edel / Borger en Hups⸗
man (wennigh uptgenomen) alſoo ban hare
verbande luſten gedzeven Worden / Datfe de
onbehooslijke dunvelſche fchanden der Leze
blaechter hoerderpen / met alſoo eenen brandt
ende hittighepdt najagen / gelijck de Windt-
bonden eenen Haſe doen: ſy brieſſchen (ſendt
Jeremias) na de hups pꝛouwen tan haren
Haeſten / gelijck de weeldige Pengften doen,
HNiets níet en (8 er Dat haer ban Defen verma⸗
ledijden grouwel verſchricken of beletten han,
Noch de aengeboren vedelijcke aett der natuez
ren / noch Woſes metal fÌin Deengementen /
noch Pzopheeten / noch Apoſtelen/ noch
Cheiftus Jeſug felve/nach Demel moch Engel/
noch Delle/macth dupvel / noch leven /noch doodt.
komen volk terlijcke fijn Sufters níet tot hoeren maken / Als fp maer haer onlumſche leelijckte uften boe⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
tzijn. noch Wepniger dat geeftelijelie / Die des Heeren ten mogen / ſoo is't by haet wel gemaeckt.
O 2 Nile
tdatgp u anders niet ban gez SP 2.. 15.
De geheele
weerelt ig
vol mert o-
verfpel endé
hoererye, ,
Jerem. 5. &
enne = — — — — — — — == —
— ————— — —
106
Alle haer gantſche neerſtighendt keeren fa
daer toe / bedriegen ſammige met ſubthle li⸗
ſtige woorden / ſommige met ſchalkachtige
beloften ende gaven / ſommige met Wijn Daite
lien / danſen ende pdele liedeltens / ſommige
met hoobeeren / pzoncken / ende diergelijcke
have trecken meer / jaooclt Wel de ſomnuge
met tooberfche ſuchten ende tranen War:
neer fp flechts hare Goddelaofe aenflagen en
boofe begeerten konnen nakomen / foo ís het
bp haer enkel gewin ende vreugde. Maer dat
fp Den WUlmachtigen Godt daer mede ber:
tdoznen / fijn Peplige Woort overtreden / ha⸗
ven naeften te fchande malien / De liefde bzez
Ken / Dat echtelijclte bedde belechen / Jonli⸗
brouwen ende Maegden ſchenden / onech⸗
te hinderen winnen / haer arme Zielen ceu-
Wig verdoemen / en magen fit niet om f02
gen / het heet met haer / dít is onfe pact ende
deel / en anders niet.
Segge evenwel met Moſe / alle die ſoo een
Dt pris godloos weſen drijven / datſe van Godt ber:
overalle _maledijt zijn / en alt volſt ſal ſeggen: Amen.
overfpeel- Met Job dat haer de Welle weg fal nemen
ders en … gelijfk be dorheyt en hitte Dat water Des ſneuws
ee gerteeven / met Pauis datſe Godt verdoemen
lob z4.20: fal/ ende met Joamie / dat haer part ende
Hebrzt Deel ín den poel zijn ſal / Die ban folfer en per
pars brand/ welcke De eeuwige doodt is:och datſe
arme menfchen toefagen enn des Heeren Woozt
geloof den en Waer namen.
Ten tweeden / fchzijve ickꝰt daerom / dat
een pegelijk opwaelie / van herten Locte Doe/
fijnen boorteden! leclijke handel Gitterlijkt boo?
ſijnen Godt betweene/ op dat hp Gem niet
eeuwiglijſt en berſtoote / maer doo? fijns Soons
bloed genadig zu: Niemand fijns naften bede
de meer cn heblecke / Jonlwzouwen nach
Maegden en —— maer in alle eerbaer⸗
heyt met ſijn Echte Egade wandele / de onge⸗
oude her van alte hoererpe onthouden / en
Daof foolp bzand lijd / cen goede-beome Vꝛouwe
nem in De vzeeſe ſjns Gods ſoelie. Ende die mis⸗
een yegelijk treden heeft ende noch geen ander genomen en
beteren fa. heeft / Dat Die den berũederden vereere / ende
ín Chꝛiſtelijcker liefen vecht ua des Heeren
Woozt weder unt den Deelt helpe. Ende leeven
alfa haten kinderen / ende kints kinderen ban
geflachte tat geflachte / gelijk Be Godvruchti⸗
ge vrome Tobias fijnen lieben Saan gedaen
eeft / ſeggende: Mijn Sone Wacht u voor
rTob4.9. alle hoererpe/ ende en hout u tot geen anderen /
iCors,15. dan tot uwer bꝛouwen aliecne. s
En weetgpniet (fendt Paulus) dat uwe
Tichamen Lidmaten Cheiſti zijn! Salmen nu
Chꝛiſtus Lidmaten nemen / en maken Die tot
Widtmaten eender Woeren * Dat zp bere.
och op ten ander plaetfe : Dat ís den wille
Bods/uwe Wepliginge) dat gr u ban hoererpe
onthout/ ende dat een pegelck fijn Lat (Dat is
ijn Lichaem )weet in hepligmakinge en eere te
efitten/en níet ín luftziekten/alg de Pepdenen
díe ban God niet en Weten/Wwant God en heeft
ong níet gevoepen tot ontepniathendt/ maer tot
srefgs. Hepligmalunge. Ja /goede Heefer/ Daer bez
Merker Hoost alſoo ecrbaecr kunſch leven onder allen
welkeeen geloobigen gelepdt te waden / Dat men niet
kuysheyt de germael noch hepmelijk noch openbare ban
den Chrifte- eenige overſpei/ haererpe of onktupshepdt bj
neneyft. _ eenige perfaonen (maer tot vermaninge ende
waerfchouwinge ) ander haer hooren of fpzecs
Sap.2e7e
Pat oordeel
Daer
Van der Sondereffen Geloove
En gelijſt men vn Beel bossachtige mannen
vint / Die (eplacen ) veel ſchamele herten jam⸗
merlijk bedriegen / alſoo bint men daer ou te⸗
gen volt wederom veel onbeſchaemde wijven
en maegden / die menigmael de eerſte oorſale
daer toe zijn / dat ſulcke ſchanden acn haer
verſocht / ende bpwijlen aak bedreven worden.
Ende hoewel haerder veelin't werck niet en
vervallen / fo zijnfe evenwel daer ſchuldig aen/ / eraer
Dat fn haer met ander mannen ende gefellen ae wijven
fo gemeen maeckten/ ſoo een open gelaet Met brengt me-
fingen / danſſen / drinclien / küſſen / boelen / nis tor ce-
peonchten / pzalen / ende Diergelijke pdelheden ————
Dat ydele
ende grouwelen meer / toonen / daer mede ſu
dat bper der boofer luſten bp fonuutgen faa
oneftelten/ datſe nietaf en laten foo lange (2
| te niet op haer cn ontſteke / en u ſinne
verbrandt en zijn/alg men fier mag. |
Sch hoe recht bermaent ong Syrach daer Ecc.3.3
hu ſept: Wacht u voor de boelerfche/ op dat
gp in haven ſtriſt niet en valt. En keert niet
tot de Sangereſſe / datſe u met hart aentrec⸗
ken niet en vange. En fiet niet na de Jonck-
brouwen op dat qu niet ontſteken en wort. En
hangt untet aen den Hoeren / op dat gp niet
om dat uwe en komt. Engacpt niet ronts⸗
om in der ſtadt / ende en loopt niet door alle
hoecken. Wendet u aengeficht Lan ſchoone
wijven / ende en ſiet niet nade gedaente bau
andere bzouwen/ want ſchoone wijven hel:
ben menigen bedrogen / ende de booſe luſten
ontſteken Daer ban / gelijkt vner. En fit niet
bp eens anders mang vrouwe / en kuſtſe niet/
noch en bzaft ook niet met haer / op Dat u her⸗
beſpot
waden, i |
Waer nu bp alſo / Dat de baosfende Wijven waer getoo-
ende maegden vecht geloovig waren / gelijck ve is, daer
defe Dondereffe geweeſt is/ ouden fp Den is ta! recht
Heere ſoo twel vzeefen/ datje ſulke pdelleden/ ocw or der.
ende godlooſe handelen wel fouden nae laten / 3
níemant geen ſtricken ſpannen / noch oorſa⸗
ke tot den quaden geven / in alle eerbaerhend
ende tucht Wel wandelen / alle onnutte pron⸗
herpen ende prael Wel mijden) en geen an⸗
der Kleederen maken of begeeren / Dan haet
tot naodtdeuftighendt ende Dagelijkfchen avs
bepde/ oopbaer ende bequaem Waren ; Want pen op KEE
fp haer alg dan ín de Afgodifche Cempelen merkten,
ende onnutte gafterpen / daeromme ſulcke ook om de
groote pracht ende pronctterpe gemeenlijck BO enen
— wort / wepnig wouden laten fien ende gemenen:
noen. prael ge-
_ De Sondereffe bercierde haer ziele ban bin⸗ mackt.
nen en niet haet vleeſch van bupten / Want fn
geloofde /maer deſe proncken haer bleefch van
bupten / ende niet haer ziele van binnen/want
ſy en gelooben met.
De Sonderefte ſuchte en weende) verſchril⸗
te boorde PEEREN toom en eogdeel /
want fo ſagh hoe ſy mighandelt ende geſondigt
hadde / maer deſe lagchen ende ſingen / dane
fen ende ſpringen / ende fien haer zware mig:
handelingen en groote ſonden niet/ en bzeeſen
ooft daerom des EENE4n toekomende
oozdeel en toorn niet. A
De Sonderefft wasmedelijdig ende barm⸗
bevei / falfde des Heeren hooft ende boer
ten / ende hadde Ben vechten Gods-dienft gez
bonden. Haer defe zijn onbarmhertig ende
reet / ende en Kennen geenen Gods-dienft/
dan tat Werchte teloopen / Wplwater te ant:
Ep.4. 14.
Yen en fal /Want alfa betaemt den hepligen.
SN
fangen / Keerſen en Waslichten / den ——
oc⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
blacken en beelden te offeren / Miſſen en Defz
pers te hooren / den verſtozwenen Pepligen om
hulpe aen te roepen / eens ofte tweemael deg
Saers hare afgodifche / dzonckene en hoerach⸗
tige Papen te Biechten / haet grouwel Bzood
Van der Sondarefle Geloove. —
alleen een geloovigh/ gebrooken / verſlagen
Geeſt ende gemoet / cen boetveerdigh veran⸗ Hier merckt
dert nieuw herte een afgeſtozven vroom leven hoedanigh
nader waerhept / ſoo een biecht ende boete isꝰt „ge biechte,
geweeft/ Die defe Sondareſſe gedaen heeft. boete, abo
ende Nbfolutien te ontfangen / en Diergelijcke Sp heeft dock van fronden aen gehoort: { lurie ge-
ſuperſtitien en bedetegerpen meer.
De Sondareffe focht ’t gefelfchap der gez
vechtigen / maer deſe foeclten ’t geſelſchap der
En wije „ Ongerechtigen / komen bp malkanderen om
is goddeloos, Alle ſothent te hanteeren: Nemen haten nacz
ſten fijn goet gevuchte / faem-raoven ende ach⸗
ter-klappen / feagen alle ſchaemte ende fchande
ban malkanderen) ſpreeken ban koftelijck
Wups-ract/ Wunfen/ Goeden ende fchaane
Gefellen/ Mans ende Hleederen. Somma /
haer werck getupgt openbaer / als dat fn dat
geloovbe der Sondareſſe niet en heben / ende in
Der gevechtigen gemepnſchap niet en zijn.
De Sondareſſe fat on Chꝛiſtus voeten / en
hoorde fijn heplige Woozdt / maer defen hare
Leeraers / Die haer de ooren kittelen konnen /
DieGodt ende alſoo Peedilten als fp ‘€ geerne hebben en
fen zijn hooren willen. Wat wil ick veel ſeggen: Let
diekwils ot- 8 (O Godt) alſoo verdorven / datmen over alie
teninde De geheele Wereldt miet en bind Dan ſotten ende
voege fottimen (iclt meene geeftelijk) doone aoren /
De gantfche Onberftandige heeten / ende Dat De blinden den
Wereldeis blinden alfoa lenden / dat fn alle met den andez
verdorvern. ren (foo fr anders geen gefichte en krijgen) in
Den put deg eeuwigen doods vallen moeten / ſo
on ’tanderg gelooven vecht te zijn / Dat ons
Des Weeren mondt geleert heeft. Want het is
dach al enckel valsche Keere / valſche Dacta
menten / balfchen Gods-dienft{ enckel onge-
loove / ende pdel bleefchelijk leven al waermen
hem wenden keert.
_ Diet; Weefer/ hier merckt nu/ hoe geheel
herre dat de Sondareſſe met haer geloobe ende
Yeben náe haet bekieevinge/ ban Dat geloove en
Teen defer Wereldt verfchepden is. Ap zijn de
Sondareſſe vooz der. bekeeringe gelijck / ende
hiet nae de bekeeringe. Ende of nu ſoodanige
geloovigh zijn/ wil ick den verftandigen Leeſer
met des EEn E 2 engen Geeft en Woost
laten nadenckien. —
Ick weet gewis / dat een ſtout hoobeerdigh
menſch geen Cheiſten en is / ha zy oack wie hy
zp: Gen gierigh epgenſoeckeljſt menſche geen
Theiſten en is: Een dzoncken gulſigh menſch
Ailedienae geen Chzriſten en is: Cen onſunver hoerach⸗
den vleefche digh menſch geen Chriſten en is: Gen hartig
leven en zijn rijdigt meufchj geen Chriſten en ig: Een on-
peen Chi geaosfaemígh afgodiſch menfel geen Cheiſten
en is: Een valfch leugenachtigh menſch geen
ECipiften en 8: Een ontrouw diefachtigh
meuſch geen Cheriſten en is: Gen ſaemroovig
achter appigh menſch geen Cheiſten en is
noch doen een bloedig / onbarmhertig / wzeet
Matt.ugar. meuſch geen Eheiſten en is / of fi al ſchoon
Marci 16.14. hendertmael gedoopt waren / ende alle dagen
Joan147- totdeg PEEAC 9Bzoat gingen. Want
enéóy. wiet de Sacramenten of teekenen / gelijk Doop
2373 ende Abomtmael/ maer dat oprecht Chꝛriſte⸗
lijk geloove met fijn onftvaffelijke bzame bruch⸗
ten ft de Sacramenten afgebeeldt/ maeckt een
waerachtigh Chziften/ ende heeft belofte tot
het leben / ende op noch geel andere plaetſen
meet. … |
Dier en geïden oock noch Miſſen / noch
TOp-water / nach vueren / noch kranſen lefen/
hoch Biechten/ noeh Abſolveeren. Hier gelt
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
fonden zin u bergeven/ u geloove beeft u gee MEE zijn
holpen / gaet in vzeden. —
Maer de grouwel · biecht der ooren / Die ſoo
hooge bp de Wereldt getogen wort / en iS niet RER)
dan enckel hupcijelpe / een menfehelijche gez seaoe
vechtighept ende ſuperſtitie een openbaer be: ende ver-
drogh det ongelooviger zielen / een valſeh Be? vloeckt.
trouwen der onboetbeerdiger Sondaren / ende
een fubtijl bedaght gewin der gieriger Papen /
daet mede fp vechte biechte ende boete berftagz
ten ende de geheele Wereldt in haet roeckeloos
godlaofe leben ſterken en voorſtaen.
Maer Wilt gp een vechte biechte ende Boete
doen / ende een vechte abfolutie van uwen Godt *
ontfangen ſo treet tot hem met een geloobig / eee enso
boetveerdigh / verandert herte / met cen Wee: voete,
moedigt geflagen / beroert gemoet/ laet af van
fonden / doet gelijck ende vecht uwe nacften /
bemint / helpt / dient / ffcaft ende trooft hem /
ende 8 ’tDat ap tegen hem gefondight hebt /
ofte ergens in verkort / Dat felve biecht en Herz
uoeght hem. Siet/ dat is de eenige en vechte
boete ende biechte / Die u uws Heeren Woordt
geleert heeft. De liebe B EERE gonne u
Dat gpfe vecht verſtaen / ende inder Daet wel
nae komen mogt. 3
Bidde ende begeerte Dan. hier mede aen U
Wijven alle ín ’t gemeyn / daor de barmhertig⸗
hent des Weeren /fet u doch deſe arme bedzoefde
Sondareffe tat een Voozbeeldt / ende volght
haer geloove na. Perootmoedight u boo? dert
Peere ende ſtraſt alle uwe gievighent/ hoobaer⸗
dre / onſunverheyt ende alle guact / laet alle
uwe gedachten ſunver ende reyn zijn / alle uwe
woozden befchepden ende met Zout bekrunt.
Ende alle wat gp doet Dat doet in Den naem Col.4-s-
ende vzeeſe Des Beeren Jeſu. En verriert u niet
met out ende Diet) met hoftelijke Peerlen C9-3-17-
ende Hapz vlechten / noch met duere Eucienfe
kleederen: maer gebrupekt Kleedinge Die den , ri...
Gods-dienfiigen betaemt / ende u profijtelijckt « Per.2 9.
is tot den atbept. Zijt gehoorſaem vie Dis Col.3.18,
heeren ín alte billijke faclien/ op Dat oock Die / Eph.s.1.
die nach niet en gelooven / door uwe oprechte * Pers.re
peome converfatie/ fonder’t Woordt mager
gewonnen waden / als Petrus fendt. |
Blijft binnen uwe Lupfe ende Poozten / ten De Chriſte·
zu dat gp wat noodlijcks hebt te beſtieren / gez vang! benen
lijckt boatfchappen upt te richten Den nodt⸗ maer
deuftigen te Dienen/ des PEER E Pl weynighte
Woodt te hooren / ofte fijn Heplige Dacta laten fien.
menten te gebruncken Ec. Heemt uwe be⸗ —
roepinge Rinderen / Hupſen / Hupsgeſinnen / en
al wat u bebolen is wel waer / ende wandelt
in allen dingen / gelijck defe arme Sondareſſe
nae haere Bekeevinge gedaen heeft/ op Dat
au rechte Dochteren Dara) geloovige Wijz
ben/ Sufters Chpífti/ ende Erfgenamen
deg toekkomenden Hevens zijn mooght: [aoe 1 pet3.6.
vende dat Benaeden-rijche Woozdt / te we⸗
ten ; Nwe fonden zjn U vergeven / u qez
— heeft bw geholpen / gaet in Dier
en.
O3 Van
—
EEE ej —
— — — —, —— — ẽ — — — — — — E at
— — t — — —
ps * me —
nn ee
108
Van dat Geloove des Cana-
neetfchen Vrouken,
[ee (ſent Mattheus) ontweelt ban daer /
ende quam in den Landen ban Cprus en
Sidon: Ende fiet cen Cananeetſche Droutve
ginck unt der ſelver eynden / en ciep hem nae /
ende fipzackt. Och h E LC U & op Soor
ne Davids ontfermt u mijnder / Want mijn
Dochter wordt geheel feec van Den Dupbel
geplaegt. Ende hn en antwoorde haer niet
eenn Woogdt. Doen traden fijn Jongeren
tot hem / baden hem ertfenden/ laetſe doch
ban u/ want fin roept ong nae. Maer hp
antwoorde / ende fpzalt: cl en ben niet gez
fonden Dan alleen totde verlooren Schapen
bant huns Iſrael. Haer fin quam ende biel
boo? hem neder / ende ſprackt: Heere helpt
mp. Ppantwaode)/ ende fepde : °t En is niet
Mat.1s.22. goedt dat men den kinderen Dat D2a0d nemen
Mar.726. ende Den honden toewerpenfal. An fpzaclt
Eenrecht- a Heere / De honden eeten ook vau de keupm-
Elelhernier eng/ Die ban haerder Weeren Tafelen bal:
vanftonden Ten. Doen antwoorzde Jeſus ende fende tot
aen verhoort haer: © Bzouwe / groot is u Gelaove) u
en verfager Gefchiede ſlechts als qu wilt. En haer Dochter
evenwel Wert gefont tat de ſelve ure.
daeromniet, Hier hebt np wederom noch een fect ſchoon
exempel ende voorbeelt van een oprecht Chꝛri⸗
ſten Geloove. Want doen defe Dzouwe ber?
nam / hoe krachtelijken dat Chriſtus de gena⸗
Deleerde. Hoorde daer beneffeng Dat hy al de⸗
De wat hy ſſechts Woude. Barmhertighendt
ende liefde oeffende / ende Dat hp niemand an:
getrooſt en liet henen gaen / daerom is ſy bar:
tnoedelijk tat hem aengetreden / aen fijn Gez
nade / Barmhertighent / liefde en fleckte Kracht
niet mishopende / hoe wel fp noch ten eerſten
nach ten tweedenmael Lan hem verhoozt en
tert: Voiſtandig blijvende / bende ín haer
Geloove ende bidden / met foo een begeeren
Datfe als een arm hondelien Gan de Geeſte⸗
lijke bzoclten zijnder barmhertighendt genie
ten/ ende hulpe voor haer ellendige Dochter
(Die fa jammerlijken ban den Dunvel gequelt
worde) Krijgen mogte. Ja fn heeft alſoo cen
Geloobe / alſoo een beftandighent / ootmoe⸗
dighent ende bromighent beweſen dat de Deez
re tot haet fepde: O Douwe / groot is u Gez
foove/u geſchiede alſo qp wilt.
Getrouwe Leeſer / nemet waer / Woude
ten deſe Vrouwe ín haer Geloove en Buch
ten met Chꝛiſtelijken oagen vecht aenfien / fo
faudemen bpfonder ín twee merkelijkte ſtucken
treffelijck ban haer geleert Worden. Want
dewijle (ſegge íckt ) dacfe hoorde dat de DEE
BE enchtel Barmhertighendt ende Genade /
boete ende beteringe des levens leerde / Dat
vijche Godts peedikite/ De dooden berwelite /
de blinde fiende machte / De doove hoorende /
De Kreugele gaende / de Melaetſchen repnig⸗
De / De Krancken genas / ende De onrerme
Geeften unt dreef: Dat he de Schziftgeleer⸗
den / Pharizeen / ende dat gemeene bolkt ban
haer ongeloave/ gerkeerthepdt / blinde hup
chelpe / ende vleeſcheihcke leven Lefivafte/
ende betupgde / dat hu de Pzopheet en Meſ⸗
fiag was / Die in de Wet ende Pzopbeten bez
looft was. Maer mede hu dat gebeele Juda /
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van dat Geloove des Cananecetfchen Vrouken.
t'ſamen met De aenftootende Handen feet be⸗
voert maekte / ſoo is haer vzouwelijcke herz
te en gemoet doo? alſulcke getupeheniffen /
wonderdaden/ leeringen / ende dienſten der
liefden alfoa tot hem gekeert / datſe geheeljſt
aen fijn barmhertighendt / macht / goedig⸗
hent en genade níet enn twijffelde. Is daer⸗
om met bolder begeerten ín een felter. ende gez
wid geloove tot hem gegaen / hem van geheel:
der herten toe betrauwende / dat hu haet har
re ootmoedige bede níet afflaen / maer gena⸗
delijcken na komen en doen foude. Sp heeft
oalt berkregen datfe begeerde.
Sn hoorde ende geloofde / fit fag ende ber Daer dd
Kende / maer defe onfinnige lieden laten haer inten en
duncken datfe gelaobige Chziſtenen zijn / ende Papen Chri-
zijn na mijn berftant / noch ongelooviger / — rea
binder / berftachter/ en erger / al De apen: 5e nier en
bate Curlien / Cartaren / of eenige andere weer hoe ’t
onbekende Wepdenen zijn. Het Werk geeft eenige Hey-
getupgenis dat iel de waerheyt ſchrijve. Ende Serj 18°
en mogenfe met geen Godfalige middelen / en Kon nen.
dienſten / nach met eenige leeren ende verma⸗
nen / noch met bat onbeftcaffelijcke vꝛoome
Leben / ende ontſchuldige bloet der Pepligen
(dat dagelijks Loor haer oogen vergoten wort) De verkeers
daer henen bewegen / dat fp de waerbept wil: Je Flen
len hooven of gehoorſaem zijn / gelijck oock —
van t Geloove des Moordenaers boven eens⸗ geholpen
deels geroert is. Ze mijn
De beroerte ende leere des Hepligen God: —
lijken Woogdt hebben won gehadt in Duntfche vewijkin
U anden ban beel jaren af / ende Dat noch alle on te Neder-
dage al meer ende meer / ín alfo een kracht en reg
Glaerhept dat fp ’t met handen magen taften / iracht,
dat het des Weeren vinger en werkt if. Want
de hooveerdige worden ootmoedig / de gierige
milde / de Deonkene nuchteren / de onſupbe⸗
ve kupſch / Ec. En dorzven niet een gedachte
woozd of werck toe laten / dat deg Heeren
wille / Woord of Geeft contrarie is / en Woet
met alſoo een gewisſighendt van haer gevat /
datfe ook niet en breeſen Vaderen Moeder / DAE Woord:
Man / Wijf ende Kinderen / Goedt en Bloedt onte Neder-
Daer baorte laten ende gewillig ín den doot te landen van
tveden / ant beel wordender om verbzandt / ——
geel om berdzenkt/beel met den zweerde om gez ,
vecht/ veel om gevangen / gebannen ende haer
goeden gerooft / noch geldet bj defe verſtockte
menfchen al gelijke geel : Als men ſlechs fent/
(als’et een arm onnoofel Schaep geflachtet
is) het Was een Wederdooper/ fa ig ’t al recht we —*
gemaekt / en vragen níet eenmael na / wat hi ‚ners met
doch hoop bewweeringe en fchriften gehad heeft/ des Heeren
af wat hp Booz een wandelinge enleben gevoert — oa
heeft / ende of hp pemand leet gedaen heeft Of hem verban.
niet: @nachten noch en gedenchten Bolt niet nen waren.
alg dat ’et een ſonderlinge werk en kracht zijn
moet / dat cender fo gebeelijk ban al fijn dron⸗
ken Drinken / hoercken / pronkerpe / pzael /
pdeleden/ leelyjlte leugenen / bleefchelijkk les
ben en van alle fijn Afgoderpe afdringt / ende
wederom ín alle ſoberhendt / kupshent / ootz
moediahept / vzoomigheyt / waerhent / ende ín
den rechten Godsdienf? in dringt daerom men
foo obermaten beel fchacmte en fchaude hoo⸗
ren / ſoo veel vervolginge en jammer lijden / en
ook fo dikwils met Den doodt en bloedt betalen
moet/aïs gp fien moogt. |
Wort er een Dief ter Galgen gelent / of een
Mooꝛdenaer gerabraekt / of eenig ander Mis⸗
dader met een ſonderlinge zware —
raft
id
Van het Cananeetfche Vroukens Geloove. 109
| egelijck vraeght Wat Ip gedaen) Lomt er een geroep Van Krijgh ende Vnechz Hil
en ooo ooch benshet veces miet} ten /-{o0 {g “cal bebgeeft Wat innen Den lande
berwefen / fo lange finden gront en waethendt is / groot ende klepn/ Borger en Hunſman /
zijns mifdacts niet vécht verſtaen en hebben. koopen harnas / waecken / ende fetten haer — OE
iaer Wanneer een onnoofel boedtveerdigh in tegenweer / alſo veele als inbaet ís. Ofte sy vreeſen if |
Ehriften (dien de baembertige heere upt Dat | hooren fp van Dieren tijdt ende peftilentie / foa alle dar fien” INEEN
boofe Godloofe wefen dee. fonden geholpen / | beven fp alle Die berſtant hebben. Komt er oock Pariijer, en
ende og Den wegh des vreedes beroepen heeft ) | cen tijdige ban ruſte en bzede / Van welvaert niet dat on- Hi In
pechrifte-Van Den Papen ende zedilkanten aenge⸗ ende geluck des Landts / foo verblijden ſy hen fienlijck en | —
nen en acht-B2aght/ boor haer gericht geſtelt wordt / en alle die dat haaren. Ende nu laet De groote LATUS —4
men niet achten fat met weerdigh / am vecht van hem Heere Chriſtus Jeſus fijn Trompetten bla: IE
waerdig, dat ge onderfoechen / welcke oogfaken ende ſcheif⸗ fen/ ende fijn Tronmelen flaen/ waerſchout
— ten hem daer toc bewegen / dat hu ſijn Papen | ans in getrouwer liefden / door alle fijn Apo⸗
lijck onder- ende Predicanten uiet haaren en wil: fijn kinz | flelen ende Pzopbeten/ boor deg Dupbels —4
vragende, deren niet doopen laten en wíl: haten Vievce | kiftige bedzogh ende fchalclten aenloop / ende IK
venen der en-DienfE nier genieten cn wil : met haer noch Dat fp allen Den doodt maeten ſterven / die HEN
ven Gal ſiwpen noch eten/ enden Dupvel dienen en ‚her volgen ende gehoorſaem zijn. Wennigh regen des - |
wil: En begeeren oack niet te weten / / waer⸗ | Wozden er ebenwel gebonden / Die Dat Harnas Sheer ee
om hu zijn leben gebetert/ ende Chziſtus Godts aentvecken / op Des Satans boomen weynig.
doop ouefangen heeft / oft Wat hem dringt lijche inſumpen walien / ende haer in tegem ph. 6. 11.
dat hu ſoo geerne boo? fijn geloobe ſterven ende | Weet ſetten. Sy loopen hem alle geaillighe 1 Tet 5.6.
Der Chrifte- fien uil, Dzagen flechts alleen of hu gez lijcken in De handen Lepde mannen ende
— — 82 Sendt hoja / Pis de ſententie als | vrouwen / ende Doen met volder begeerten |
fe seo: Ka in el eet: Ì | wat hem behaechelijck is. Ende die dat niet |
—— Ende alle die dan ſulcken grooten Wonder: | EM —* / — op veel dzoeffeniſſe ende jam⸗ |
ienaers werck deg Almachtigen geaoten Godts fien | merg wachten, p |
Teide of ai dat —— ongeleert menfche | Is daer beneffens openbaer / als Dat Die I
welen, (fae oock bp wijlen wel acme ſwacke wijven grouwelijckte ſware peſtileutie der valſcher lee⸗
en Maeghden) alſo in Godt beveftight is / | ve de geheele Werelt verſlint / en Dat het bzoodt
Dat hem noch Bechter/ wach Beul/ noch | der zielen voor alle hongerige cantcrentien Doo? 10
vner / noch water / noch ſtrick/ noch fweert / dat nijdige roepen en Leugenachtige ſcheyven Groot is de | JE
nach leven / noch doodt en verſchricken ende der Slangiſſchen Pzedicanten feet diere —
van fijn geloove afdringen kan / Vragen niet ende weypnigh zijnder (eplacen) Die Dactam «ge aieren-
eenmtael na wat hp gedaen heeft * Of hp oock
cht | fuchten ende Weenen, mat op ac i ij |
fteden ende landen vezraden heeft? Ander liez
— open F ee — —— den.
nomen heeft: pemants hertigheyt / gonft/ Leerlijclkhent / rijelt / en
—— — — heeft? vrede Chꝛriſti aengeboden/ maer onfe ooren
Enof hu al bedzeven heeft/ dat met des | zijn dick geworden / onfe heeten verſteenight /
PEERE 1 Woordt / oft met de gemepne | ende. ONE gerkeerde booshent en wilſe miet,
eerbaertent | ende natuerlijcke vedelijckthent | Saa en heeft Dit getrouwe Bzouken niet ge⸗ |
Wie kem mit beſtaen en konde? Och neen / ſo geel bez daen / maer ſy heeft ſegge ick) gehoorzt ende IE!
Wieten fchepdentendt en Liefde en vintmen níet. Alleen | gelooft / fijn groote wonderdaden gefien/ en iN
feafkeert ſiechts als husijug BEER E nl Wordt | fijn kracht beltent/ hadt daerom met betrauz IRL
(feyr de Pro- (eeft en gelooft / fijn bebel en ozdeninge in wen / ende verkreegh Dat fp begeerde / Want |
— vechter gehodrſaemheydt ma komt ende | fp geloofde Cheiſto van herten / ende en twijfz
lijcks roof geerne zijn acme ſwacke leden na der waer: felde aen fijn genade niet. BES
zijne bent febichen wit / moet hy der Heeren op· … Een tweeden / foo vermaentſe oock alle vzo⸗
: me Daders ende Moeders / Datfe een Cheiſte⸗
eden Vetter / ende by het qe Mm
— —— gerichtet Sin dat he fo een lijcke fo2ge Doop de falighept haerder kinderen |
| ate doodt wel waerdt ís. dragen fullen / Daer mede Datfe foo getrou⸗ if
heee feet le moogdadige bloetgierige welijck voor haer beſetene Dochter gebeden KI
Dupbel / doa? zijt Papen en Pzedicanten (O heeft / NIet aflatende / faa lange fp niet bant Á ij
Godt) de geheele werelt bedzogen. Ja dat et | hem verhoozt en worde. Want dat en fal mu I
oock ander hondert dupfent (veeeſe ick) nau⸗ | niet faeljeeven / ist Dat iclt een vecht Cheiſten
we een gevonden en wordt / Die alſulcken dap: ben / ſoo zijn oock alle mijne wercken voo, God
even aften geloove / gehoogfaembept / bape | en mijnen Haeſten met er liefden een. Want
— kracht / groot lijden ende ſma⸗ Godt (unt wiens woordt cen — —
Noch lijden, delijcken doodt alfa tet herten neemt / Dat In | wozdt) fepdt Joannes / is de liefde. En bat de Godts we
moch bloet Gin leeihckie ongeloove / fchandige boof hept / baerder en fijn gebaerde ban eenderlepacrt en ——
—— J moettoillige vleeſchelicke leven een macl | fin zijn / is klaevder alg den lieben daabis. — Eer derdr.
verkeerden heaintnate dencken / of aen fijnder JPzedican- Soecke ick nu dan mijns Heeren peijs Lan
bewegen. ten leece Sacramenten / leven ende Gods- herten / ende heb ick lief De falighent van mij⸗
dienſt te twijfelen. Och hoe vecht heeft de Pro⸗ neu naeften/ Die ick veel mju ige niet
Efa, 56. 13. pheet gefent : De oprechte heplige lieden woz⸗ geſien en hebbe / hae eel te meet fa ick Dan
kn wegh genomen / ende niemandt, en acht | lief-hehben de falighept ban mijne liebe kinde⸗
* Vn mer en Kander onder den geheelen ven / Die ap Godt gegeven heeft / Die upt mijn
Demel geen boofer. verſtockter ongeloove / | epgen lendenen gegaen zijn / en mijn natuer⸗
ben verſteerder bevachtinge/. geen verſtee⸗ crd ende bloet zijn. Op datde groote
ze er moetwillighent /. geen berdoemelijcker Peere van haer gepzeſen / ende fijn eere aen
onfinmiatsent / och geen beemaledijder Godt: | haet magh hebben eenwighlick. —
| loofer. wefen bevonden Worden dan Wp hiet sel eb — — ge ——
dertelt hebben. | i gewiſſe ge wege
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
De Geloo-
vige Oude
ren feecken
het ga ook
haren
vleefche foo
het gae.
PL Lee
De Geloovi-
ge hebben
haer kinde-
zen lief in
Godt.
Soo niet
— — —
niet ontloo-
pen.
Alle Chrift.
geloovige
Vaders en
Moeders
fullen haer-
der eygen
huyfen Lee-
raers zijn.
IReg.2. 27:
en 4:13.
— —— *
2e — — ——
—— mss —
— — —— —
EEE EE — —
See en nn —
= — —
Deu.2. 1.
Rom. 7.18.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
110
Van het Cananeetſche Vroukens Geloove.
mijnder epgender confcientien / vecht als voor fijnen laftlept / ſoo en laet ick niet af / tot dat Deu.ra.r.
onfen Godt (Daer ick voor fla) dat alle vecht- hu geholpen is / hae veel te meer fal ick Dan Ex· a3 · 4.
geloovige baders
_ bare kinderen ge fint zijn dat fpfe hondectmael mijn oogen ſie / Dat fn door
ende moeders alfaa neffens ſorge voor mijn kinderen dragen / Die ick voor
den beegiftigen
liever fouden fien fitten om dat Woord Gods | Slangen aerd onder de zware packen haerder
inder Afgoden Herken / of by den dzonkenen
bolten inde Perbergen / of by de bergaderin:
gen der fpatters / Die Des Weeren Naem bers
achten / ende fijn Heylige Woozdt haten ende
bpand zijn.
Hondertmael liever Dat fp met gebonden
handen ende geboende boeten fouden gefleept
Worden om des Heeren waerhept voor Leeren
ende Dosften/ dan dat fp aen rijcke gefellen
en Jonlibzouwen ſouden bplijken/ dic Godt
niet en breeſen / ende op Des Heeren wegen
hiet enn wandelen /en alfaa in heerlijker pracht /
met Pijpen / en Crommelen / Wupten ende
Camborijnen/ met Geel wijns ende biers bez
danſt / beſongen en befpeelt wozden. |
Pandertmael liever Dat fin Van den hoofde |
tot den boeten om des Weeren Glorie en Hey:
ligen Naems wille fouden gegeeffelt worden /
dan dat fp haer fouden proncken met 31de en
fluweel / met gout en filver/ met koftelijcke
geſtrjpt en geſnedene klederen / en met Dietz
gelijcke ndeſheden en veel pranckerpen meer.
Sa Gondertdupjentmael liever Dat fp om
Der gerechtigheuts wille ten lande fauden Woz” |
Den uut geBammen / an ſtocken en palen berz
nen/ in ⁊ water verdzencken / of op een vat
fitzent en ſalig Wogden / dan Dat ſy bunten God
in alte weelden eu vleeſchelijcke luften fouden
leben / RHeyſeren en Woningen zijn / ende alſo
berdoemt worden.
Weealledie/ ja wee die / díe alſoo neffens
haer kinderen niet gefint en zijn / Want ig’
Dat ick haet vleeſch alfoa beminne / dat (k met
hare fonden daog de vingeren fien / de overtre⸗
dinge aen den jongenmet Der roeden / en aen
den jarigen met der tongen níet en ſtraffe / haer
beg Heeren wegen níet en leeve / niet met eert
onftvaffelijk legen vooren ga / op Chriſtum en
fijn Woord, Ordeninge / Geladen en Door
beeld ’snachts en def daegs niet en wijfe / en
haer ſalighendt unt Dat alder binnenfte mijn:
Det zielen niee cu ſoeke / ſoo en fal ick mijn
ſtraffe niet ontgaen / want haet zielen en bloet /
verdoemeniſſe ende doodt / fullen ban my alg
Ban eenen ſtommen en blinden wachter ín des
Weeren Dag gefocht Worden.
Dat alle Chriftene Daders en Moeders als
een ſcherp doorbijtig fout / als een lichtende
lanteecne/en alg de onbeſtraffelijſie trouwe Le⸗
raers / een pegelijk ín fijn epgen huns zijn fal/
leert De Ehziftelijchke aerd ín alle klaechepdt.
De ooge Pꝛieſter Eli moeft fijn ſchult dra⸗
gen / om dat hu fijn kinderenniet genoeg gez
ſtraft en hadde.
Die ick mijns naeften Ofte of Ezel dwa⸗
len / fa moet ick hem weder te huns beengen /
of tot fijnen beften ophouden / gelijk ons Mo⸗
fes leert / behoore fcit nu neffens eens andere
onvedelijke beeft alfa gefchiit te zijn / hoe veel
te meet dan neffeng de zielen mijn engender
kinderen / die fa geerne daor haer jange vleeſch
(daer niet goets ín en woont ) verbijſteren / en | 2
ban den Weg dev Wwaerhept Dwalen willen.
Sie ick ook mijns naeften Oſſe of Ezel ín
eenen put ballen / of dat hu op den Weg ander:
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
haer kinde- ende fijn getupoheniſſe ín eenen Diepen dupftez | fanden liggen / en fo fp niet met geheelder ernſt
ren aligheyt ven Werker / Dan bp den verlendiſchen Papen) dao? beftraffinge / onderwijfinge en verma⸗
nínge ín der genaden Waergenamenen Waz: …
den / naden Helſchen put des eeuwigen doods
toe ballen. 5
Noch eenmael: Sie ík mijns naeſten huys
beenen en fijn goeden vergaen / billik ist dat
ick neerſtig ben / Dat ick den brandt bluſſrhen /
en De goeden (fa verre mp mogelijkenis ) bere
gen mag/ noch beel biſſicker is't / dat ik dat
quade vper det booſer begeerten met de wate⸗
cen des Hepligen Woordts aen mijn kinderen
blufiche / en de Wemelfche goeden (fo deel als
ín mp ig) trouwelijken aen haer beware ende
waerneme.
De Heplige Schꝛift leert / dat Godt die hets At 15. 5e
ten door het Gelaobe vepnigt / dat het Geloo⸗ o .
be Geekomt wat dat gehoor/ en wat het Gelaos en 5,
be de gevechtighent / Ec. Daerom fie een Pez
gelijk wel toe ( fo hp anders fijne kinderen lief
heeft na der waerhent) dat hp haet des HEE⸗ Trouwelijk
BEI Woord (fa haeſt fa ooren rijgen om te genen
hooren / en herten om te verſtaen) recht ende ren waer te
vern hoor drage / op den Weg der Wacrbepdt nemen.
ſtiere / en een neerſtig opfien op aile hare gans
gen hebbe / dat fp Den Heere haren Godt ban
jonks op mogen ſeeren kennen / vzeeſen / lief⸗
hebben / eeren / danctien en dienen / op dat de
aengeborene boofe aerd der fonden ín haer niet
en regneren / noch tot eeuwiger ſchanden
haerder armer zielen de oberhand en neme.
Moſes leerde Iſraẽlen fende/vat deſe woor⸗
den in uwer herten: en ín uwer zielen / en bintſe
boog een teeken op uwe handen / dat fp w een
gedenkteelien zijn vooruwe oogen / en leertfe
uwen Kinderen (merckt) dat gu Daer van mores bevel:
ſpreelit als gu ín uwen hupfen fit/ op den dat men fijn
weg gaet / ligt of opftaet / en ſchrijftſe aon de kinderen
paften van uwen hupfen/ en aen uwen pooze Ges Heeren
ten/ op dat gu en uwe kinderen lange moogt ieeren fat,
leen ín ’t Land, dat de Heere uwen Vaderen Deu.6.6.
gezworen heeft haer te geven / alfalange alg cn 1118.
— Dagen des Hemels op Verden zjn ſul⸗
en,
Noch opeen ander plactfe fent In ; Als uwe
kinderen feggen fullen : Wat bedieden ons defe
zeden en gerechtigheden / die Wp hier Gouden
en doen? So ſult gu fa tat haer feggen : Onſe
Vaderen waren knechten in Egnptenland / en
de HEEAE heeftfe untgelent met een ſtercke
hant / en untgereliten arm / %c.
Ook gebood Joſua Afraël door des PEG:
AE bevel / enfende: Gaet henen boo? De
Arke Des PECHEN uws Gods midden revel
in der Jordanen / en eenn pegelijch ( der mau⸗ rofie sen
nen waren twalef unt ellis geflachte een ) nez 1zaël.
mie eenen ſteen ops fijne ſchouderen na dat getal
van den ſtammen Der kinderen Iſraẽls / dat
fpeenteelten zijn onder u / Wanneer dan hiet:
namaelg uwe kinderen haren Baderen vragen
fullen : Wat bedieden deſe ſteenen daer sat
at haer dan feggen fult : Dat hem dat water
der Yodanen voor de Atke deg Verbonds des
EEE gedenlt heeft/ doen fn door de
Jordaen gingen / dat defe fteenen den: kinder Tou-4.5-
ven Iſraels tot een eeuwige gedachtenifte
sijn. |
Siet /
EX.11. 16.
en 13.14»
Diet /weerde Hefer / aldug moefte dat letter:
lijcke Iſraẽl ban joncks op fijne kindeven keez
ten / ende haer alle de weldaden ende groote
wonder · wercken des Heeren voorhouden / Dic
aen haet ende aen haer Vaderen geſchiet
Waren / op dat fn den Heere moghten bzeefen /
| lief-hebben / ende Dienen al haer leef-Dage /
Deut. 8. 12," en alſo De benedictie ontfangen / en de maledicz
Ley.25.1. tien ontgaen / Die ín der Wet begrepen warten.
In gelijcker maten oockt wp. As ’tdat wp
Chꝛiſtum te vecht belkenmen/ ende aen fijn
Waordt gelooven / ende begeeren dat weerdi⸗
ge luftige Landt met onfen kinderen te ont:
fangen/ ende eeuwigh inder genaden te be-
erven / °t welck haden fijnen met fijn epgen
Waecrachtige mondt belooft heeft. Sa laet ons
nudan Dat niet verſimmen / maer met alie onz
fe krachten waernemen/ dat wy onfe kinde:
gr ten des REEK EE ze Wooddt vecht leeren /
fijn vechtbeerdige ſtraffinge / toorn / en grou⸗
welijcle oordeelen vecht aenwijſen / op dat fit
met ſulcks hem ban heeten vreeſen / ende ban
het boofe af keeven mogen.
Oock fijn ongrondelijcke groote barmher⸗
tighept / liefde ende De dienſten ſijnder gena⸗
den recht boordzagen/ op dat fp hem mits
Fſulclis lief-hebben/ ende in fijn geboden Wan-
delen mogen,
Chriſtum Jeſum onfen eenigen ende eeuwi⸗
gen Salighmaker/ met fijn Peplige Geeft /
Wooꝛd ende leven / vecht inbeelden / op Dat fis
hem recht kennen/ ende fijne Loetftappen
vecht bolgen magen. 5
Ende gaenfe alfoa boor ín alderlen wijshept /
vo merechtighept / ende waerhent / met cen God:
Vrome ou: faligh deughdelijck leven / op Dat fp door al⸗
desen falcite fazahuudige vermaningen ende onbe⸗
deren niet on fwaffelichten voorganck haerder vzoomer oude:
alleen leeren ten / mogen Onderwefen en geleert Worden
maer oock tot den Rijcke Gods /gefchjicht tot alle goede
den voors © Werclkien.
gaen. Want alie Die alſoo een geloove hebben / ge⸗
lijck Befe bzouwe gehad heeft / ende fien dat 'et
epnde der fonden de doodt is / en ſullen niet
af-laten tet den PEERGE te fuchten / en
te kermen dat jr haer arme kinderen doop fijn
genade Daer tag helpen wil / Dat ſy den onren⸗
nen Dupvelfchen Geeft alfa mogen tegen hou⸗
Den en bellen / Dat hyſe tot eeuwiger ſchade en
fchande haerder avmer zielen na fijnen booſer
wille niet en baere noch en drijve. *
Maer dat fn Den onſterfelijcken eeuwigen
Godt ende Vader / daag fijnen lieven Soone
Cheiſtum Jeſum / ban haer jonge jaren af /
recht magen Teeven kennen / ende hem vecht
ín Der waerhendt onder fijn Keupee dienen.
Ende verrellen alſoo de groote Daden ende
wouderwercken deg EERE onfes Gods.
De groote barmhertighept / genade / gonft /
ende de liefde des Almachtigen Daders / dat
Woord / wille / opdentnge en leven / t famen
met de berdienften / kracht / ende vzucht van
den doodt ende dat bloet Chriſti fijns Soons
gebenedijt/ / Oock de goedighent / wijshent /
waerhent / en De gaven fijns eeuwigen ende
Hepligen Geefts/ hare kKinderen ende Hints
Veinderen op alle hare nakomelingen / tot dat
Mattha5.3r. de Heere Chriſtus Jeſus in de Heerlijcke Ma⸗
Komt 33 Jeftept fijns Hemelſchen Vaders / met den
Cor. . 10: Woſcluen deg Pemels tat het eeuwige oordeel
verſchijnen / en eenen pegelijcken na fijn were:
/ _ ken betalen fal / het ſy dan goet ofte quaet,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van het Cananeetfche Vroukens Geloove, 111
Siet / weerde Leeſers / aldus behooren de
rechte Chriſtenen haer Kinderen te leeren ende
te beemanen/ te beftcaffen / en te tuchtigen/
ín aller gevechtighept boog te gaen / op te boez
den ín deg PEEP beeft / ſorge dza⸗
gende boor haet arme zielen / op Dat ſy mits
bare verſunmelijckhent van de rechte Bane nief
en wijchen / in hare fanden níet en ſterven /en al⸗
fo ten laetſten in haer ongelove niet en vergaen.
De PEERE getupghde ban Abzatam
ende ſprack: oe kan ick Abraham Lerbergen Abraham
Datickt Doe / nademael hptot een groot ende eerde lijnen
machtig bolck wozden fal/ ende dat alle gen zeere
t volck op aerden ín hem fal gebenedijdt wor⸗ dienen ende
den, Want ick weet dat hu fijn Hinderen ende vreefen ſou·
fijn huns na hem bevelen fal/ Dat fn des PEE- LP:
ÂEI wegen hauden/ ende doen wat vecht °° ** 7
ende goet ís, —
De goede Cobias leerde oock ſijns ſoons
Kinderen ende ſende: Nu mijn foonen / haoat „Topias ver
uwen bader : Dient den DEERE ín Oer jn toons
Waerhept / en hout u oprecht tot hemm : Doet kinderen.
wat ha u geboden heeft / en teert oock ſulcks Tob. 14, se
uwe kinderen / Dat fn aclmaeffen geben / dat
fh Godt altijdt vreeſen / ende hem ban gant:
ſcher herten betrouwen. |
En wanneer fdan tot hate jaten komen / /
ende de gave am te onthouden nieten heben / Hoe datde
wieſe heeft / vade ick met Paulo / dat hpfe geloovige
in den DEGCHE gebruncke) Die en laet ven de geo-
miet beuen / aen die / die bupten Chriſtum en vige vryen -
fijn Gemepnte zijn / edele / rijcke / of ſchoone / ende hyliken
gelijck de hoobeerdige/ gierige / ende onkkupfctje fallen:
defer Werelt doen / maer laetfe aen ſoodanige
vepen/ Die Den Meere van gantfcher herten
becefen / van gantſcher heeten liefchebben /
mepnen/ eeven/ bolgen/ dancken / en dienen / ſp
* dan edel of on· edel / rijck / arm / of ſchoon /
of niet ſchoon / want fp zijn Bepligen en kinde⸗ —
ren der Hepligen / ende daerombehoort et en , cor 95.
moet ’et in Den Heere gefchieden,
Een pegelijck fie vooz hem en handele techt/
op Dat de grouwelijcke ſtraffe en toom Godts /
om ſijnder onkupshept ende boofe luften wille
over hem niet en kome / gelicht fp oock eens⸗
deels ín den tijden Noachs / om gelijcker oor⸗ ——
aecke ober De eerſte wereldt gekomenis. enn”
Maer (eplacen)hoe gantſch wepnigh zijn fn ens. 2:
die Dit behertigen/ en haerder kinderen ſalig⸗
bept van heeten foeckten. Wanneer ſyſe maer
rijckelijck na den bleefche te wege brengen moz
gen/foís’t nabaer begeeren vecht gemraecht:. ·
Der Papen opdinantie en Hercken-Dienft is al- De; Papeli
leen haer geloove / hope / en den voet haerder ordinantieie
falighent: fp en ſoecken nach en kennen aocl; des wereles
anders geen. | gelaove,
Haer eerfte begin / middel en eynde is tegen
Chꝛiſtus Woozdt: want alfoo haeftalsfpge ⸗
boten Worden / Wozden fh den Afgodiſchen Des werst
balfchen Badt toegedzagen / deg Weeren Den: ingesen
lige Name wordt ober haer migbzupelit / woz⸗ worden qua-
den opgetogen: in alle pdellent en blindthent / lijck opgera-
ín peonck eñ prael{ ineen openbaere afgadez sen.
vpe ende balfchen Godts · dienſt / ende in dat
domme rupme legen alder werelt, wt
Binnen ende bupten haten hupfen en hoo⸗ De werelt
ven ende fien fp niet Dan alle ongerechtighendt 210"
ende baastepdt / liegen / bedziegen / bloecken / quatijck
zweeren / ontroutwe/gierinhent / kijven / vech⸗ voor.
ten / dponchen-Dainken / hoereeren / ende alle
fchande. Zpen leeven nimmermeer Chriſtum
| ende fijn Woord vecht kennen / haten de waer⸗
P heydt /
112
aen lijf en ziele / van binnen ende ban bunten
met den onvepnen Geeft bol zijn / en na ſijnen
en gan hem gedreven Worden / als men fien
tach. … :
Want het en kan niet feplen / alſodanig als
uwen Geeft is / alfa moeten ook uwe leven en
Allodes _ auchten zijn / is Chriſtus Geeft in u / die hen⸗
Geeft is, alfo lig en reyn is / vepn en heplig zijn ook u gant:
zijn ook fijn ſche leben en bzuchten. |
Vruchten. derom / is de dünvelſche Geeft ín u / die onreyn
èn boog is / boog en ontepn zijn alle u wegen en
bzuchten/ is onwederfpzelielijk.
En daerom 5 ’t dat Paulus fent : Die ban
Gods Geeft gedzeven worden / zijn Gods kin:
deren. Wederom / die ban Des Dupvels Geeft
gedzeven wozden / Die zijn Dupvels Kinderen.
Och Leeſer / hebt er acht op.
Ja dat fin acme ieden een bonkkskken ban des
Heeren Geeft hadden / fauden ſy dupfentmael
Gain niee en Weber in een ziedende Olie of bernende Dpet
ontfangt gaen /eer fp ſulcken Sothept/ Godloosheudt
blijft in den en moet wille aen haet kinderen ſouden fien of
Wie Chri-
Dood. hooren / ick zwijge leeren en voorſtaen. Want
het is onwederſprekelijck nae der kracht aller
—— Schrift, foo fp Cheiſtum niet en ontfan⸗
gen / dat haer eynde de eeuwige Doodt zijn
inoet:
Hieromme gp alle die Den Heere veeeſt /
Ee uwe kinderen lief / miet een Goddelijke
iefde / foechkt hare falighept ban gantſcher
| HH Ki Genaut. heeten / elijk als Abrahain / Tobias, mm
Tob.4. te
dat. 27, De Machãbeeſche Moedt gedaen hebben. O-
vertreden ff / fa ſtraftſe fcherpelijk. Dwalen
fia foo vermaentſe Baderlijkt. Zijn fin kints /
ſoo dzaegtſe lieffelijtt, Ende zijn fa verſtan⸗
dig / fao onderwijftfe Chriftelijk. Offertſe en
Wepligtfe den Deere bander jonckhepdt aen.
* Wacſlit oer haere Zielen / foo lange ſy uwe
Een befluy- ſorge bevolen zijn / opdat gp oolt twe Dalig-
tende verme- Gent om harent wille niet en belieft. Bidt
— fonder aflaten / gelijſi deſe getrouwe Prouwe
Ouders. _ gedaen beeft / Dat haer de Heere fijn Genade
geve) dat fa den Dunvel mogen wederftaen /
=> - > Haten aengeboren boofen aett Der: fonden Doog
| | des WEENE N Geeft ende hulpe onder-
KEN dzucken / ende wandelen ban haere jonge Da:
RENK gen aen baor den Heere en fijn Gemeente / ín
INEEN 0 alle gevechtighept/ waerheyt ende wijshent/
KEREN | ín een oprecht vaſt geloove) ongevalſchte lief-
RENE de / en levendige hope / in een eerlijk heplig le-
| i Es ben / onbeftraffelijckt / en fonder alle ergeniſſe /
BIEREN 0 * in ale beuchten des geloofs / tot in Dat eeuwige
TIUN lesen / UIC. hals
GENK | Deffelven gelijken mach ook de vlijtige Lee⸗
fer noch tat alle defe voorſende ex empelen / dat
Ia Luc.a.32. geloove des onbevleckten en glorieuſen Moe⸗
ie „Mats.9. ders Maria / Dat gelodve ban Matheus.
—1 Lies. Ban den ouden Simeon en Anna. Ook van
1 5. den blinden. En diergelijcke meer / met een
EN “Mar.1046. goede eri Vroome confctentie ernſtig nadenlien /
| íck hope Ip fal ’t daor des Heeten hulpe en gez
| nade in voller kracht verſtaen / hoe gantſch
rig / bzedig / vzolijck / barm
fijnen Godt ín der Frachten uptwendig voor
— EN tE
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— —
Van het Canancetfche Vroukens Geloove:
heyt / en vervolgen de gevechtighent. Som: | Fa gelijck een goede vzuchtbare baart nit fijn
ma/ fh bewijfen met dev daet/ Dat fn bepde | epgen goede actd fonder eenig bedwanks altijdt
fijn gaede vꝛuchten boort beengt / Dat oalt alſoo
een oprecht Chriſten Geloove doen moet.
Want ’t niet feplen en kan / de gevechtige moet
unt fijn gelooven leben.
Want hebben Abzaham / Iſaac / en Har Aba. 24.
cob / Moſes / Joſue / en Samuel/ metalle TE
Oude Vaderen en Pzopheten / haers Heeren ze. zo.57-
Wooꝛd gelooft / dat haer door den Engelen toe-
Eer contrarien we⸗ | gedragen Wert / ende zijn fp getrouwe Daer in
geweeſt / hae beel te meer ſullen wy dan dat
| Woozd gelooven / ende getrouwe daer ín zijn /
dat ong de Vorſt alder Engelen / Godts cent
| geboren epgen Done / De waerachtige getupge
en leeraer der gevechtighepdt Chriſtus Hefus
van den hoogen Hemel unt fijns Daders boft
ſewe gedragen / en beneden op dev aerden hier To2.7-28.
geleert heeft. ne 7 pe
Het en ig niet genoeg met den mont te feg- oere ni
gen/ Dat Chriſtũs Jeſus de Sone Gods zp / geen Go-
dat hu de Wet Loor ons volbracht heeft/ Dat Ip loore.
onfe fonden met fijn bloct betaelt ende fijn Daz
der met fijn Offer ende Dood berfoent heeft.
Hoch Dat fijn Euangelium waerachtig en ſijn Rom. to. re.
Woord recht is. Dat het foon der fonden de
Doodt / ende De Genade dat eeuwig leven is:
Maer het moet ooft im’t herte vecht begrepen /
en ín der zielen Lan binnen vecht befloten zijn /
of heten maeckt niet gevechtig. Met der hets
ai fent Paulus ) geloaft meu tot der gerech⸗
tighent.
MMaer alle Diet ban herten gelooven / Dat zer. 5;
Chꝛiſtus Jeſus de rechte fppupte ende plant penrsr;-
Davids ís / De techtueerdige wijſe Koninck —
is. De rechte beloofde Pzopheet is / De rech⸗ roaz.2:
te wegh ende waerhendt is / ende oock onſe Heb.s-r.
eenige Verſoener / Poozſpraeke / Middelaer 5,0
ende Hooge Pꝛiſter is / Die gelooben ook Daer en 8.5.
mede Dat alle fijn woorden onveranderlijken/ en 5.15.
aft ende waer zijn / ende dat fijn Offer ge⸗ 107:
noegfaem ende bolmaekst ís / volgen daerom °° 57
fijn Woord / Wandelen ín fijn geboden / bun⸗
gen hen onder fijnen Scepter / ende veedigen
hate Confcientien met fijn Genade / Verſoe⸗
ninge / Derdienften/ Offer / Belofte / Dood
ende Bloed. Gelooven ende bekennen / faa
fp fijn Woozd ende Wille berlaten/ ende fijn
Gebooden met rijpen wille overtreden / ende
naden bleefche leven / dat Godt dat aen haer
verſoecken / ende met Dat bper fijndet granr
fchappen dooz fijn rechtveerdig oopdeel eeuwig
aen haer ſtraffen fal. Want foodie/ Die De Deur":
Wet Moſi moetwillens overtraden / ſonder
alle barmhertighent onder dat getupgenifte
ban twee of drie ſterven moeften/ hoe deel te
meer ſullen die dan geftraft wodden / die den
Saone Godts met boeten treden/ dat alder
fupberfte bloet des NRieuwen Teftaments on⸗ neb.io. «8.
reyn achten/en den Depligen Geeft der Gena:
den fchenden. st:
Jae goede Heefer / fo tap ’t Waerachtelijckt
geloof den / en ín onfer zielen vecht bekenden /
het foude onfe herten alſoo beroeren / alfaa
eenvoudig / vecht en flecht / onbevepngdig / | met deg Weeren breefe en liefde ontſteken / ſoo
Godvbruchtig / rechtbeerdig lankſmnig / ope | ook ſchoon alle Chrannen die van aenbeginne
ertig / lieffelijckt | geweeſt zijn / met alle hare werfchzickelijcke
behulpelijk / goedig / zedig / ootmoedig / neer⸗ toamenten / ende bloedperffen boor onfen oo⸗
fig / onbeftaffelijckt/ en vroom Dat ecn recht gen ffanden / foo en fouden fp ons doch niet
twederbarig Chriſten Geloobe inwendig boos | in een dat alderminſte ſtipken ban deg Weeren
Waadt ende Wegen mogen affchricken ofte
fijnen naeftert in der vrücht altijt gekmeeft is. (beletten. Souden oock Daer beneven alle
onfe
Van het Cananeetfche Vroukens Gelodve. 113
onfe onrenne bleefchelijcke gedachten / onge⸗ ſchenden ban de liefde Godts: Soo bet doch
foutene pdele Woorden / ende ounutte God: |nünmermeer gefchieden en magh / wanneer iel « Tim. 1. f.
looſe wercken lichtelijck ondergaen en berſter⸗ met den band der volliomentheyt aen hem gez
ben / gelijck Spracty fendt. De zeeft deg Heer | bonden fka / hem met een renn herte / goede Der Gelovi-
cen dzijft De fonde wat. Wet ig onmogelijck onz | confcientie/ cn ongebepnsden geloove Tief- 5
Det De vzeeſe Godts rechtveerdigh te worden. hebbe / dat np als dan cenige middel van hem in des Hee-
— Aeungeſien het dan meer als klaer is { dat jaf wenden of ſchenden kan : want hetis mijn «
dehtig Chei- een oprecht Ehziſten geloove Godt ín fijnder eenige luft en hooghſte vreughde / dat ick van
ften geloove rechtveerdighendt vecht bekent / ende daecam |fijn Waozdt hoore of ſpreecſie ende in mijnder
— boo? fijn oordeelen vreeſt / ende alſoo doop de |fwachthent wandele / gelijcht bp doo? fijnen
heylige. …_ breefe De fonden begvaeft ende uptgaet / gelijck | Soon bevolen ende geleert hecft/ Bet kofte dan
Eccl. 1.27. Meet als een mael verhaelt is / ende gp noch geit of goet/ bleefch of bloct / als hem
Waereen in alle gierighept onkunshept/ droncken- | gelieft.
vleefchelick
is, drincken / toornighent / Goerderpe/ blindt-| Siet lieve Hefer / nademael het ín der Den:
ae enis bept/ Afgoderne ende in alle booshept leeft / liger Schrift dan klaerder al ilaer is / alg
geen gelove. ſeght lice / Waer is dan u geloove en Godts | dat het techte Chri
ften Geloove doop de vreefe
Wooꝛdt / dat gn ſoo menighmael roemt ende [fijns Godts de fonden afſterft / ende doorde
boorgeeft. Weet gp níet dat ’er geſchreven liefde de gerechtighent (hoe wel ín fwackhept)
Rom. 8.13. ffaet: Leeft gu na den vleeſche / foo fultqn |nakomt/ foo qcbe ick ufelven hier mede nu
fterben. Of mepnt qu dat gp met uwen Godt dat oordeel / of doch
gelicht met eenen menfche uwe geckerpe drij- | ten gelooven / die m
Gal.6.9. ben mooght: En dwaelt niet (fepdt Paulus) Chꝛiſtus bloet dat
hept ín Chꝛiſto / wacht u/ fo gp u van gant: biecht) Miſſen guldene/fvere/en houten Ben-
ſcher heeten niet en bekeert / uwen Godt daa? ligen/gewaffene en gebachkene Chaſtuffem ſtee⸗
e luſt en
xeugde ís
en Woerdt
fodanige lieden van her⸗ Ane de gee
et den mont feggen / dat Le die
reemde
foen-offer haevder fonden Ves
want Godt en laet hem niet befpatten. is) ende noch evenwel alderten Afgoderpe / hee —
Och Leſer fiet voor u / ich fegge u de waer⸗ als Kinder·doop / Wij⸗water / Aflact/ op: ninge oec·
— Chꝛiſtum niet en ſoeckt / niet en hoort/ met nen Werchen ende de dronckene hoerachtige
1 Cor. 6.23, en gelooft / niet en vzeeſt / maer aectfch ende | Papen ſoecken en na-toopen. Och hoe goet
Gal. sar. bleeſchelijck blijfe / ende na uwe Tuften Wan | waer ’t dat fp toc-fagen.
Eph. 5, 5. & Delf / foa is de fententie des doodtg alveede| Ick fegge foo waerachtigh als de Heere E@i. 53-15.
Apoc. 21.
laetften dagh. ken/ noch berdienfte
De onboet- ch rade u Daerom recht alg Lao? Godt / (foo fn oock fchoon
veerdige zijn
ken zijn or-
geloovyigh
rs. Algegeeben, Als oock Cheiſtus felve fendt : leeft / in eeuwighept en ſader geen ander mid- Macth 26-27.
Jean, 1. 47. Achten oordeele uniet/ maer dat Wooꝛrdt Dat | Del noch ín Den Hemel / noch op der Werden ge ML 424
Luc. 22. 29.
ick gefpzoacken hebbe / dat aogdeelt u ín Den | vanden wozden tegen onfe ſonden / noch Werc: Rom. 3.24.
n/ noch Sacramenten / Col. 1- 3*
na der Schrift alreede * *
| alreede _ Belijcht iek mijn epge ziele doe / leaget haeſte⸗ gebzuncht worden) noch Dzuck / nach teíou- 1192: *:7°
geoordeelt. lijck ban u alle valfche leere / alle ongeloove | Latie / noch dat onfchuldiah bloedt der Henli⸗
ende Ufgoderpe / en uwe onbehoorlijck ſchan⸗ |gen / noch Engelen / noch Menſchen / cenige
delijck leben / Daer gn (eplacen) tat noch toe | middelen anders / dan alleene dat roode onbe:
Sodt is ge· ſoo bleefchelijch ín gewandelt hebt. Op dat vleckte bloet der Offer-lammekens Christi /
nadigden UW DEN toom Godts onverfieng in Den flaep | Dat ceng unt enchtel genade / barmhertighent /
genendie uwer fonden níet en overballe,
aer bekee-
ende liefde / tot vergevinge aller onfer fanden
ej WDaecktop/ noch is hp genadigh / faeckt | uptaeftort ende vergoten ís.
ende ombelft een vechte Weere/ ende recht aerom ís ’t onwederfpzekelicht / Dat alle pie andere
Geloove / echte Sacramenten) rechte Gods- ‚De geene/ Die alfulcke Wtgodifche/ / vzemde middelen
dienſt / ende een broom Godtſaligh leven als
gaen/ gelijck den fchoonen dageract |_uwe jen zijn. f
beteringe fal toe-nemen/ uwe gevechtighept | ®aerom wil ick:
3 fal boo? wenen gaen / ende de heerlijchbept de Euangelífche ende Apoftolifche Schrift
Elai.s8.6. des Veeren fal u tot hem nemen. _ |boogftellen/ ende die alg een Klare Dpiegel
oogder fegge ick: foa qu waevachtelijck {Loor de oogen uwer confcientien hangen /
geloofdet/ en met der heeten vecht batedet / [Daer ín qu merckten en
ufommige Spzeucken upt
Dat qp upt Adam of ín Adam met fijn onge: | cen geloovigh Cheiſten zijt of niet.
boozfacmbept/ Kinderen deg Dupvels des) Aldus teert Des Weeren Woozdt: Door
tooms/ ende Des eeuwigen doodts gewozden | Waer / voorwaer fegae ict u/ bet en ſy dan
waert Godts rechtveerdige oordeel ende Dat pemant Lan nieuws geboren Wordt / ſoo
vloeck onderwozpen Waert/ ende nu weder | en fal hp dat Trijck
om alle uwe hinderniſſen ende fonden fn dat een ander plaete.
e Godts niet fien. Noch op
Doorwaer feghichku/ het
Apoc.r.s.
en 7e Ide
Chriftus of.
fer is alleen
onſe verfoe-
ninge,
| middelen tegen haer fonden gebzumeken/ ín der verloe-
de Schaft leert. Als Dan fal uwe Licht op- de gelaobige danchbare gemepnte &iyrifti niet Ì
inge foec-
en dan des
Heeren
bloedt, die
en fijn in
de gemeyn=
chap Chrifti
niet.
de fien mooght / af gy JP 3. 3
Apoc. 1.6. repne ende onbetlechte bloet Chriſti wegh ge⸗ en zn dan dat gn uammekeert en wordt alg de Die uyt
Pet2s nomen ende verfoent Waren : Alſoo dat op
kinderen / ſoo en fudt gp ín ’tAPemelrijch niet Sost sebo-
n worden
upt den taopn fn genade / vpt de maledictie in komen / bepzaeft u hieer mede. Zijt GU NU zijn coat-
benedictie / ende unt den doodt in het leben be⸗ unt dat venne Zacùt deg Hepligen Woozdts lijk gent,
roepen waert / (ick ſwijge noch alle De andere | geboren / fa moet des zaedts natuere in u zijn /
weldaden: Der genaden/ Die dagelijcks aen u
bewefen Worden) uwe herten fouden ontſprun⸗ lijck geworden /
eu zijt op kinderen fm der booshept ge—
foo in Leven / Hoverdpe /
ten als de webrieckende bloenende violen doen / onlumshept/ gietigheyt / haet/ en nijdt /
bol met reynder liefden / ja ontfpzingen als de niet meet ínu/ Want de aunoofele Kinderen
levendige FFontepnen uptoloepende Dat ge⸗ en kennen fulclte fonden niet. Haer foo on
noeghlijcke foete Water der gerechtighept/| noch ín Dat oude wefen Adams / ende niet
foudet met den Wepligen Paula upt gront ín Dat meuwe Wefen Chꝛiſti en leeft/ ende
Kom.8. 53 uwer zielen ſeguen: Wie fal ons mogen af- | nade verdozvene ki 1 luften uws vleeſchs
IJ 2
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wan⸗
ende en le⸗
ven de fonde
niet meer.
Mat, 18. 3»
114 Van het Cananeetfche Vroukens Geloove
Dienaden Wandelt / fo bewijſt gu met der daed dat qu upt | fo geeft Des Heeren epgen mont getupgẽniſſe —
vleefchele- Bad niet gebooren en zijt / en fijn Geloobe niet | dat gu ougeſloobvig zijt / en dat u eynde De ver⸗
yen enheb- om hebt. as telf zijn as 6 * *
Eed vl ie hd KI eens ee t n 902 :
Senvri doch eens / leert Des Heeren Maord : Gaet nafs toe ihk / — haer vleeſch
Chritti nier. ende Pzedikzt dat Cuangelum allen Creatue⸗ ej, ftem ende begeerten / want Diena den Cals-23
Mar.16.15. ven/wie gelooft en gedoopt woꝛt / die fal ſaligh bleefchsteven/ gelift Bverfpeetderg / Paeren-
de bepsoeft u noch eenmael |; /
Wigclaafe ende vecht geboot id, bie Doet janers Donners) Dranclen — Datichers)
bieinhaer ten waerachtige boete / hm beft fijn hevte) | Oievige' Poblelace lS helf ref —2
fonden leven B ſterft fijn ſonden / hp ffact op met Chriſto —— Beanie Perachhtees) ende Af Deere
enhetben (neen GE. „SADE OD AMOR goden dienaers fullen den doodt flerben. Wier
Geloove _ goetveerdig/ uherte onbeſneden / u fonden | Albee zele Hr erft
moch Doóop. ongeftazt en / ende leeft gp bupten Chꝛiſtum beproeft uten bijftemael: heerſchen uwe luſten
ende Cijziftug Woozd / ſoo ig u werk u getupe | Wiet in U/ ende dat grin geen van deſe of
ge/ dat gp ongeloobigh zijt / ende den Doop,
je Chꝛiſti niet en hebt.
Mat. 19. 17.
37 Noch eens / leert des heeren Woord: Wilt
Beu6.s. gp tot den leven ingaen / fo hout de geboden /
330* Want ín Chꝛiſto (ſendt Paulus) en gelt be⸗
73 ſnhdinge moch onbefnijdinge dan de onder⸗
Rom.r3.8. houdinge der geboden Gods / en Dit is fijn
Ga.s.14. gebodt / Dat gp fult lef hebben uwen Heere
Matsa3o yigen Godt upt geheelder herten / unt ge⸗
enter heelder zielen) ende upt allen uwe krach
zlo.s.ze _ ten/ ende uwe naeften gelijck wfelven. Wier
Dieinder hegzoeft u tenderde-mal/ hebt gp Godt lief
Goden foo hout gp gewilliglijkeen fijn geboden / ende
fijnen na- Doet gp eben wwen naeften / gelijk gp wilt dat
ften.niet en. p geſchieden ſal / maer íg ’t dat qu fijn Woord
wandelten geracht/ fijn Ozdeninge in Leere Daop/
Geloeve. Avontmael / ende Af onderinge niet nac en
komt/ en na fijn Weplige Godlijke geboden
níet en wandelt. Gock uwen naeften beliegt /
bedrieght / vezraedt / omiijf ende leben bzengt /
fijn Drouwe/ Dochteren / en Maegden ſchent /
ontrouwelijcken met hem handelt / de arme
Blinde zielen vervoert / van des Heeren waer⸗
hept/ weg / ende gehoorſaemhent / (het zu
boor perſecutie of balſche Leere) afdringt / en
alfa van Dat eeuwige vijkt berooft ende na Der
Hellen toeboert / foo isꝰt meer als klaer / Dat
gp des Heeren geboden haet en fijn geloove niet
en hebt.
Noch eens / Heert des Weeren Woord / gaet
in door De enge poozte/ Want de poozte is
tijt / ende Den weg ig breet Die tat Det verdoe⸗
«Els. mexniſſen afvoert / ende haerder zijn beel Die
Lurzar daer op wandelen) ende de paogte ig enge en
Mat7.15- den weg is fmal / die tot den leben voert/ en
haerder zijn wennig die hem binden : noch op
Mat.16,24 gen ander plactfe: Die mp Wil bolgen (fept
nm) die beefache hem ſelben / hu neme fijn
cups op hem / ende volge mp nae / wie Daz
Mat.10.37; Det of Moeder Ian of Drouwe/ Soon
Lu1426. of Dochter / Ec. Lieber heeft als mm/ die
en is mijnder niet weerdig / hier beproeft u
ô ten vierde mael. Hebt gy ſoo eenen Geeft /
Die den … Dppmoedighent ende Geloode / Dat gp bevept
dendoode ftaetomdat ibood Godsende fijn getupge⸗
bereyt faen niffe Dader / Moeder / ende alles in die thdt Hier beproeft u ten ſebendemael / Soo gu
ei deg noots te verlaten/ / Chriſtus Veups op u | defe Woorden Cheiſti vecht met Der herten gez
here fe nemen / u felven in alder maten te verſae⸗ looft / dat de Almachtige eeuwige Dader foo
ken / met Chgifto op den weg der ellendigheyt | een liefde tat u ende tat Dat gantſche menfthez
te treden / ende alſoo met dat arme Klepne | lijkt geflacht gehadt heeft dat hp fijn onbevin⸗
hoopkken door de enge nauwe poorte (nne te | delijke Almachtige eeuwige woord / wijstent/
dringen / foo ſterlie u De Heere · Maer isꝰt waerheut / ende Soone / Daer door hu Wez
Dat gpu felben leeft / Cheiſtus kruns van u mel / Aerde / ende de Zee met hare gantſche
floot / Dader, Moeder / Wijf/ Hinderen / volhept geſchapen heeft/ fijn eeuwige glorie ent
Goed / of u Leven boven Ciyziftum lief hebt /| heerlijkhept/ hiet ín deſen jammerdal geſon⸗
met den grooten hoop op de breede ffraete | denheeft/ een arm / bedroeft / ellendig men:
wandelt / ende door de Wijde poozte mtveet;/ | (Che heeft laten Worden / ende heeft war *
den / hier bepzoeft u ter ſeſten mael. Sogn Ext) He
4
=d
—
*
hen)
RS
z
=d
es
e
enn
es
—
er
5
es
DE
—5
es
—
—
es,
es
=d
2
hand
=d
S
ed
ken verwaerde / ende Elam dooz de Havens ——
ſorge *
ellendigheden niet berlaten / maer dooz fijn ge⸗ „ten beruy-
nade wel beſorgen ſal / dat is een gewis teſten / gen met det
dat gp uws Heeren Woost hebt. Maer ſoo daer dat fy
ge ban nwe forgen foo gedrongen Wort / dat Sloven
qe dat Bijchke Godts ende fijn gevechtighepdt
achter u fettet / meer Dat tijdelijke als dat eeu:
wig ſoent ende ſoo bekommert zijt / vecht of
God meer forgen boor de Bloemen / en Dor Piet Rijk
gelen alg boo? wende uwe Kinderen dragen Fotsom
faude/ ſoo en roemt niet / Want gu en gelooft sorge na
uws Weeren belofte en Woord niet. laten en ge
doch eens leert des Heeren Woord / alfa ooren
lief heeft Bodt de twereldt gehadt / Dat hy fijz nier.
nen eenigen Soone gaf/ op dat alle die aen
hem gelooben/ niet berlooven en Worden /
maer Dat ——— hebben. Want Godt
en heeft ſijnen Sone in der werelt niet geſon⸗
den / dat hp De werelt veroordeele maer Dat de
werelt doo? hem falig worde, Wie aen hem
gelooft en wordt niet beroordeeldt / maer wie
aen hem niet en gelooft) is alreede veroordeelt /
want hr en gelooft niet aen Ben naem Des een” roa.z.r5,
3
gebaoren Soons Gods.
me ae
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Bekracht onſer alter fonden willen / hongeren / dorſten /
Belson °° lafteren / vangen/ geefelen / keaonen /keuvcen/
en ſterven laten / ſoo en mag ’t níet na blijven /
of u out bleefchelijk herte moet ecn nieuw gee:
fielijkk heete worden. &_ gedachten moeten
kunſch en reyn worden. woorden beſchen⸗
Ben ende met fout gekrunt / en u gantfch Wez
ben bzoom en onbeftvaffelijkt.
Dan ffonden aen fulc gp opwaeckten / den
vechten weg gaen / alle grouwelen en Afgode⸗
tpenafftaen. Alle valfche Dagger, Beed
Kanten en Papen na laten. De rechte Lee⸗
raers / Sacramenten en Gods-dienft foeckert.
oe rechte Want een oprecht Chriſten Geloove / en mag
werkealeija Wiet ledig ſtaen / maer het verandert bernieut /
gafijnen veynigt / hepligt en vechtbeerdigt al meer ende
aerd, meer. Wet maekt vredig en Gzolijk / want het
belient / dat Helle / Dunvel / Sonde / en Doot
Kom8. 3: Doo? Chꝛiſtum oberwonnen zijn. Genade /
— barmhertighent / quijtfcheldinge der ſonden en
— Dat eeuwigh Teven door hem vberworven zijn.
aPetrg. Het treet met bollen betrouwen tot den Dader
REA ín den name Chꝛiſti / het ontfangt den Wen:
Odell ligen Geeft / het wort deelachtig der Godlijc-
het Haturen (en vernieut na den Beelde des
geens Die hem geſchapen heeft/ het leeft upt
De kracht Chriſti Die in hem is. Alle fijn we⸗
gen / fijn gerechtigheyt / Godſalighept / eer⸗
baerheyt /kunshent / waerheyt / wijshendt/
—— vziendelijckhent / licht / liefde en
cut.
Pet hepligt fijn Lichaem en herte tot een
woonſtede en Tempel Chiſto en fijnen Henli⸗
gen Geeſt / het hatet alle wat tegen God ende
Gods WDoord ís. Het eert / pzijft ende dankt
fifnen adt met trauwer herten. Daer en
is niet dat hem verbaren kan / noch odzdeel ,
nach toom / noch helle / noch dupvel / noch
Ditisde ſonde / noch eeuwige doodt. Want Iet weet
dre tie je Dat 'et Chriſtum tot een voorſpraeke / middez
Wyegedre- laet en foens-man Geeft. Let bekent met deu
ven wordt, Hepligen Paulo dat ’er geen verdoemeniſſe det
zloa4.18. genen en is / Die ingelijvet zijn in Chriſto Jeſu /
Rom8ir díe naden Geeft wandelen / ende niet nae dent
blecfche. Des Weeren Geeft verſekert hem /
Dat et een hint Gods en een mede erve € heiftí
fs. Begeeft hem daerom gantfch ende geheel
ban binnen en van bunten fijnen Heere en Daz
ligmaker Chpíffa tot epgen/ die hem dooz
Een recht fijn Genade gevoepen/ met fijnen Geeft geto⸗
Taen gen |_ met fijn Woogdt verlicht / ende met fijn
die hem ge- Bleed geliocht heeft. :
kochtheeft. Siet / alfa een levendig Geloove ist / dat
alfoo een Drijvende Dringende kacht / Geeft /
vrueht / nadaukt en leben heeft dat boo? Godt
it/ ende belofte inder Schaiftheeft/ ſalig
die die t heeft / en heplfaem tat aen Dende
toe bewaert.
Dier mede (feq ick noch eenmael) bepsoeft
u/ ofap in t Geloove zijt of niet / in Chziſto
of bunten Cheiſtum / boetveerdig of onboet⸗
beerdig. Want ín deſen voorgehangen ſpie⸗
gel moogt gp dat geheele aengefichte uwer
Eonfeientien ende leven vecht beſchouwen / ſoo
flechts gelooft * uws Heeren Woordt
aerachtig en recht is.
Pier merkt nu/ hoe dat het rechte Chriſten
Geloobe mits der Genaden / de eenige ſprin⸗
pen SFontepne is / Daer upt nietalleen dat
tbeerdig meuwe teven / maer oolkde gez
hoorſaemhept der Guangeliſcher Ceremonien)
gelijk Doop ende Avondmael / her komen en | niet wederſpannig ba ted maer fl
3
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Van het Cananeetfche Vroukens Geloove. 115
volgen moeten / níet als gedreeben door de pr
Wet / ant deg Drijvers Froede is al gebzoken/ } 227:3:,
maet Dao? den beumoedigen onderdanigen gew ittige
Geeft der liefden / die unt den goeden aerd en doen gewil-
eigenfchap finder Chyiftelijker Hatueren tot 5 wat
alle goede werken en gehoorſaemhent deg heg:
—F Godlijcken Woords gewillig ende berent
aet.
Want de rechte wedergeborene en geeſtelij⸗
ke geſinde / vechten hen alle wegen na deg Bees
cen Woort en Bedeninge. Piet daeromme /
alsdat fn daer mede de betfoeninge haerder
fonden en Dat eeuüwige leben meenen te verdie⸗
nen/ in geendet manieren. In dien deel hou⸗ par rechte ;
den ſy ober gene dingen / dan alleene aber de Geloove
waerachtige belofte des barmhertigen vaders, 8 *
allen geloovigen upt genade gegeben / ín Dat ziet op ja
bloed en De verdienſten Chriſti. Wellte bloed verdienen.
fegge ick noch eemmael alleene Den eenigen en
eeuwigen middel onfer verſoeninge is ende blif:
benfal/ en geen werken / Daop of Abondt⸗
beelt ke gelijck boven meer als eenmael herz
aelt ís,
Want fa onfe verſoeninge fn werlien of cete:
monien ffonde / fo waett met det genaden unt /
ende de berdienfte ende berucht ban des Weeren pie op fijné
bloed waren al geenndigt. Ochhueen/ het ff werken of
genade / ende het fal genade blijven in eeuwig” SStemonien
bept/ al wat de barmhertige Wader daor fijnen vercacke
lieben Soone ende Hepligen Geeft acti ong bez dacr mede
beefde Sondaers doet en handelt. | de genade en
Maer daerom gefchiet’t/ om dat fin des
Heeren ſtemme hooren / en fijn Waard geloo⸗
ben / en Dacrom de afbeeldingen der bepderlen
teelienen onder water / bzoodten wijn / boos
gedzagen ín der gehoorſaemhent (hoewel met
zwakihept) geerne nakomen en doen fouden.
Want een techt geloovig Chziften/ ig alfoo qe-
fint/ dat hp níet anderg doen en Wil, noch en
mag /dan hem fijns Petten Woord leert ende
oplept/ want hp bekent en weet / als dat de
moetwillige ongehoozſaemhendt een tooberi⸗ De Recht.
fche fande is / en fijn epnde is De doot. ——
Ja goede Leeſer / het vecht paken gelaobe naer Geloë-
ban der Schzift geenfchet / ís fo levendig / dzij⸗ ve mer den
bende / fleck en krachtig brallen die/ Die het ceremonien,
dooz des Weeren genade vecht gebat hebben / gres: 23°
dat ſy ook niet en bzeefen Bader en Hoeder / eb:zo,rd.
Dijf en Kinderen / gelt en goet om des GEE:
AC Wooꝛd en fijn getupgeniffe te berlaten/
alle ſpot en fchande / ongemak en bangigheyt
te lijden en ten laetften ook haer arme zwaclie
bleefchh (Dat foo noode lijden wil ) aen eenen
pael te fetten / gelijk men aen fo obermate bele as seird
vroome kinderen en getrouwe geturgen Jeſu / chriften
bpfonder ín onfe Nederlanden Dagelijks fpeu- Setooveé
cen en fien mag: arte ijdel.
Och hoe bele hebbe ick ’er eertijdtg gelient / om des neé-
kenfe ook nach / een geoot deel op deſer uurenten wille.
bepde mannen ende brouwen/ ſmechten ende
maegden (Woude Godt dat fp tot fijnen prijs
en alder werelt ſaligheyt mochten uptgebzept
worden ín veele hondert dDupfenden ) die Chꝛi⸗
ſtum ende fijn Woosdtupt dat alderbinnenſte
haerder zielen ſoecken / ende een onbeſtrafljck
zoom leben (doch alle tijd in zwakheyt) voor pe gereshni:
God en alle menfchen lepyden. Oprecht ende ge(feyr Da-
heplſaem ín dee leere /onbeftcaffelijk (feq ick ) vid) moeten
in het leben/ ol met Der bgeefen en liefde Bad je Le
eenen pegeljkken behuip aem / baemBertigh)/ °°
medelijdidig / ootmoedig / nuchteren/ kuntch/
ende
Komtz. rende beedig) der Oherhept in alle alten die niet | worde) en de Herde worde / en met dat Woord door de be-
ri.aa· tegen Godt enzijn/ gefyoorfaem ende noch | fao waren Lende de Hemel ende Verde daer. ——
ebenwel een part ſommige Jaren Tanck niet | Want ſijn Woord (fept Eſdzas) is fijn bol? rangen al
feer beel op haer epgen bedden geflapen en heb: maelite werk / oock fepde hp tot Iſrael: Isꝰt Gen 1.
Datrechte hen /ende don noch niet. Want fin worden fa (Dat qu urijn ffemme gehoorſaem zijt / fa ſullen —
wortvan de Vander werelt gehaet / Dat menſe (eplacen ) {wallie deſe benedictien ontmoeten. Eer con⸗4
|
4 | |
| | J 116 Van het Cananeetfche Vroukens Geloove.
Deu.28.1,
Ì
1 gantfche als openbare ſtraet · ſrhenders / dieven cn mooz- trarien wederomme / foo gpfe ongehoorꝛſaem Godt en kan
ik werelt ver Denaerg Sonder alle bacmbextighept vervolgt / zijt / foo ſullen u alledefe maledictien ontmoe niet liegen.
13 eer pezraed vangt / bant / ende om lijf ende goedt ten / is oock geſchiet als Ffraël gefept was. Nu. 23. 10.
| Í een beengt. Ende dat om anders geen oozſaecke | Want Godt (fept Bileam) en is niet alg een
| : dan alleene Dat fp haer unt vennder Gods beeez menſch / Die Daer liegt / noch alg eens men:
Im fe met Dat leelijke hleefchelijke leven / en met ſchen kint / die berouwe heeft / en Dier oorfalken
E | De vervloeckte fchandelijcke Afgoderpe deſer halven / foo moet oock den recht Geloobe de
ANR Blinder werelt niet vermengen en dozven. De belofte bolgen/ of Bodt (die cen Godt det
Hi om iuiſche dzontkene hoerachtige Papen en ber: | waerkent is) moefte een onwaerachtig en onz
1m lepdifche blinde Pzedikkanten boog vechte Apo: | trouwe God zijn / en kan men niet berſaecken.
om zer ftolifche/en van God gefondene Heeraers nach; | Och neen / alle wat hp wil dat moet gefchiez
EE | Bikansen hooren nach befiennen en dozen. Dat afgodí- |Den / en wat hp belooft / moet plaetſe hebben /
Ki handel wort fChe Bzood met den gierigen / nijdigen / hoo⸗ [en dat niet anders dan ín dee maten alg’t bes
| aldaron- veerdigen Dzonkten-Dzinchers / hoeren ende |looftig. Want hp is alleene twacrachtig/ en PC1r.6.
wr alieleugenaers. En foo on ſchoon onge: Fom-3-4-
{chuldig boeven ban haren handen niet genieten en | 2Tim.arze
loobig zijn / en blijven /fo is hp (fent Paulus) 7%
eene Doren. Pare kinderkens tot den Antichgiftie
evenwel getrouwe / ende en kan hem ſelven
niet berfalzen.
fchenbadt ende doop niet dragen en dorben.
Maer fodanige JPzedikanten ende Keeracrs /
Nengefien het Geloove dan foo vaſt bekent
als dat Bodt fijn belofte niet bꝛeckken en kan /
ſoecken ook fa een doop / avondmael / gemeen?
te en Icven Die der Schaft gelijkformig zijn/ en
na des Heeten Woot beftacn mogen. maer houden moet / dewijle hn de waerkepdt
is / ende niet liegen en mag/ als gehooet is /
daerom mahet ook ſijnen kinderen bꝛumoediq /
Siet boor Godt / het ís de waerhept dat ilt
beedig ende vzolijck in den Geeft / alg fp ooctkt De Recht.
ſcheyve. Aa het is ſoo een bolkk/ fa ickſe an-
Bers vecht kenne (humchelaers uptgenomen)
alreede ín kerkers / banden / water / en vper trip
Die meer fchzepen alg lagchen / meer treuren
leggen/ of aen Ketens en palen ftaen: Want gerroor in
fp zijn doozꝰt Geloobe verſekert in den Geeft / den nood en
Dat Bod haer fijn belofte niet ontheeven/ maer dood.
tot fijnder tijd wel geben fal/ want fm aen
Chꝛiſtum nu gelooven daer ín De belofte verz
zegelt ſtaet oolt fijne Genade / Wood / en
Dille dao? hem bekennen / níet tegenftaende/
dat fp ín boozleden tijden foo Godloofelijkt gez
—— ende ſoo vleeſchelijck gewandelt heb⸗
en.
Sp hopen met den getrouwen Abraham Kom.4.18.
dat niet te hopen en is / en fchícken hen na de
onfienlijke dingen / alsof fpfe boor aagen far Heb.11. 53.
gen / met baften betrouwe aenklebende de gez
wiffe vaftighept / waerhent / trouwe en kracht
det hemelſcher beloften / die ons de onbedrie
gelijfe waerachtige mondt onſes Heeren Icſu
Chꝛiſti des Soons Gods ſonder alie onfe Gooz:
aende Werken of berdienfte door fijns barm⸗
hertigen Daders genadige berkiefinge ende
wille ín fijn waerachtige Woord toegefent en
belooft heeft.
En Dit felve wederbarende/ vechtheerdig- 15,117-
maeliende / ommekteevende / boetbeerdige / daz rhiltas,
dige en baft betrouwende Geloove / De Welke Rom.ra, sr.
daer herliomt ban den Dader der lichten / upt
HN als na den bleeſche vrolijk zijn/ liever geben alg
BIEN EN H nemen / ende Hie daer tae bevent ffaen / niet
4 alleene gelt / goed en haer geheele armoede /
maer aacit haer lijf en leben te ſetten boor des
Heeren pzijs / en tot eenen nooddelijken dienſt
ban haten naeften / na Schaiftg-opdeninge / fo
heele als ín haer ís.
En hoe jammerlijlien feer fin arme kinderen
aol geplacgt worden / zijn fr evenwel alſoo in
Godt gefterkt / datmenie noch bewegen noch
Mat.a4.s vervaren en kan; Sy befitten hare zielen met
verduldighent / en wachten op de vzeuchde Die
belooft is. echt ſpreelit Chriſtus: Bp fuit van
allen menfchen gehaet Worden om mijns
Naems wille,
„ik —— Aengeſien het dan unt allen deſen klaer en
BAREN Mar.r6.16, Openbaerig/ alg dat dat rechte Euangelifche
Bie Lur7.6. Geloove ban alfa een aerd en nature is / gelijk
| 1Cor.1z.2e geſent is / enalleen de ceníge baermoeder en
El Roms. boomis/ die mits der Genaden Godts alle
J en 5.1. gaede vzuchten baert en voort beengt / daerom
KE | en 10:10, wortet ook boor Dat alder edelfte hoogfte werk
BRNNKEN 0 haters. fnder Scherift gepzefen. En het wort den gez
EREN 0 ar.16.1 ze *
BINK zPer.r.s. _ loove al te ſamen toe geengent / gelijk wander:
BENNE | loa3.36. _ Daden en Krachten te doen. Dat wp kinderen
HEURE | en1r25. Gods woeden / gerechtig Worden. Gebenediit
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
1 118 enfalig worden. Hepn en heplig worden En | het gehoor fijns Pepligen Waords ſcoge ick
Em Dat eeuwig leben hebben / gelijck boben van | noch eens) is alleene het Geloove dat voor
ki deg Moozdenaers Geloobe eensdeeis ver: | dod gelt/ en ban De toegeſende belofte der gez
an haelt ig. naden ín’tWDoo2d dao? den Pepligen Geeft
an Miet / weerde Leeſer / Dat wp meenen / als verſenert ís, En ook behalben dit / en kent de
En Mat.14.33: dat het Geloove Doo? fijn weerdighepdt fulks | Peplige Schrift anders geen Geloobe
1 3 aal verdienen kan / in geender manieren. Waer |_ Gels heb eerdaegs bn ſommigen wel geleſen
(En en7.38. nademael dat Gods welbehagen Den vechten | dat fin fchrijven / als dat?er niet meer dan cen
8 eni126. waerachtigen Geloove fijn belofte daar ’t | goed ‘werk enig / dat ong falig maeckt / te wez
| | Her Geloo. Woozd aengehangen heeft/ ſo moet ſn oock | ten/ het Geldobe. En oock niet meer dart
J vermaekt _ Doogkracht des ſelfden Woords den Geloove | cen ſonde die ons berdoemt / te Weten / bet
| faligsiee volgen. Want de Schaift leert klaer/ Dat | ongelaobe. at toil ick alfa laten goeùt zíjn)
1 — 53 alle dingen (bepde fienlijk en onfienlijk) Gods | ende niet beftcaffen. Want waer een oprecht
11 ſterke Woord hooren / bucken / Dienen en vol- | goedt Seloobe 18 daer zfjn ook alie oprechte
1 fesmaer ¶ gen moeten / gelijk Doen hp prak: De Hemel | gaede beuchten. Ter coutrarien wederan⸗
me
Marci 16.16. Mie / waerꝰt ongeloove is / Daer zijn oock alle
Joan. 3.36. _quade vzuchten. Daerom Wordt de faliahept
den gelooe / ende de verdoemeniſſe den onge⸗
loove te rechte toegeſchreven.
Getrouwe Leſer hebt'er acht op/ na de⸗
mael Wap dan met onfen oogen fien / en met
onfen handen taften/ Dat De gantſche Wijde
werelt / Papiften / Wutherianen / Swingliae:
nen / Dabidianen / Libertinen / Ec. den cupmen
bzeeden wegh det ſonden wandelen en een vlee⸗
ſchelijck pdel leven voeren (en niet puer en hepl⸗
ſaem bp De volmaeckte reyne leere Sacra:
menten / en bp dat onbeftcaffelijkke reyne vooz⸗
biarthoa ra, Veele Cheriſti en blijven / ſoo sijn ſp umer fele
1 bernene Des getupgen / als dat fp den gront-feen Chri⸗
ſtum verwerpen / ende aen fijn Woozdt en
waerhept nieten gelooven / hoe Wel haerder
fömmige fao veele van ’t geloove fclzijven / en
van der Scheift klappen konnen.
|
Van het Cananeetfche Vroukens Geloove. 117
geweeſt zijn / dat het onſchuldigh bloedt foo tu⸗ pe Geleer·
ramnighlijck vergoten is / en noch vergoten den zijn alle
wordt / Want fin zijn De gene / Die de Overhept —
tot moorden / en dat onbedachte roeckelooſe volk? “5
tot laſteren en ſchelden verwecken / ſullen (vzee⸗
fe íclt) oock wel blijven tot den eynde toe,
Noch evenwel fullen de uptverkoorene op⸗ Dit fai met
waeckten / boete doen /en des Heeren ſtemme des Heeren
nakomen: Want de Afgadifche/ blaedtdoz- Joelt onde
ftige berwerde Babel fal ondergaen en berwoeſt schien, ende
Worden / ende Dat fchoone Jeruſalem / De niet met y-
Stadt Des vzeedts fal toenemen / en Door des Isr ende
almachtigen Godts kracht ín heerlijckheyt gez poe. 19.
bout worden. Dies verblijden haer alle Die / Phil. 44.
Die tat De Dzuploft des Lams beroepen zijn :
Ende haer namen ín dat boeck des Ueveng bp
Godt gefchzeven zijn. Wier is verſtant ende
wijshepdt/ geloove / ende verduldighendt der:
Pepligen. Wie van kiloecker herten is / Die
Segget lee / hebt gp oock uw leef-Dage in mercke Daer op / Des Heeren Woordt fal waer
dev Schrift geleefen ofte gehoort dat een vecht
De gelovige getoovigh weder-geboren Chriſten na fijnder
ievenhare boete ende bekeeringe / bp fijn hooveerdne /
fouden niet gierighent / gulfighent / onkunshept / haet /
6. „… tpranupe ende Afgoderpe gebleven is / ende
Col.2,5. _ Dat ha nade boofe luſten fijns vleeſchs al Tanz
fe noch geleeft heeft / Gp moet innners neen
eggen.
Ende ſo gu wip Lan Petro en David ſeggen
woudet / ſoo merckt aen / hoe kort ofte hoe
fange dat haren val gedueet heeft / ende wat
boete fin Daer boor gedaen hebben, Ende men
n ſeere hem nu tot den Ooſten ofte Weften /
2Regind. Cypden ofte Hoorden / men bint bn alle Die /
—— zr. Die haer deg geloofs voemen / alſulcken God⸗
loofen / pdelen / pronckachtigen en dullen han:
gant. pj. Delen leven) datmen uiet Thiſti en Joanne
Torn. 8. moet feagen/ dat fp (wepnigh uptgenomen )
Satan en fijn ppt Den Dupvel ende niet unt Bodt en zijn.
kinderèn _iDant de Duvel is ban aenbeginne haber:
hele en Diq ende ffout geweeſt / alfoo fijn ft oock. Vp
grachten. _íg een leugenaet geweeft/ alſoo zijn ſy oock. Hy
is eert verbalſchet van des Veeren Woordt gez
tweeft / alfda Zijn fit ooctt. Op ís een Weder-
pattijder Godts geweeft/ alfa zijn ſy oock.
Somma/ hj ig een wzeet moordadigh doodt:
flager/ ende grouwelijck bloedigh Tyran gez
weeft) alfda zijn haerder veele dock. Want
hoe fit met Dent geenen leben die Chriſtium met
getrouwer Heeten ſoecken / gelooven / Wree
fen / volgen / dienen ende aeuroepen / is al⸗
reede meer als genoegh gefendt.
Ja ſy zjn (eplacen) met ſoo eenen haet /
zijn. Saligh zijn die / die haer fchickten en op
des Lams taekkamfte wachten.
Diet alfao een ongeloobig / onboetbeerdigh /
tyrannigh / Afgodiſch / wederfpannigh/ onz
gehoozſaem / blindt / en bleefchelijck volck ig ’t:
Die haer laten dunckten / Dat fp de gelooviggee
Gemepnten / en de echte vechte Baupdt Chri⸗ De geheele
ftizijn / ende en mercken arme Kinderen niet ene Is
Dat ’et al berdorben is wat onder Den gant? „eraorven,
fchen hemelis / gelijck de Peopbeet klaeght: oze. 4. 1.
Daer enig noch trouwe/ nach liefde) noch
Godts lienniſſe in den Lande / dan lafteren. /
liegen / moorden / ſtelen / ende oberfpel heb:
ben de overhandt genomen / en de eene bloedt:
fchuit komt na de andere. De geheele Werelt z roan. vrg.
(fendt Goannes) lent inꝰt quaedt. —
Uomt gu tot Weeren ende Vozſten / Daer Dat onboet
bint gn fooeen ſtoute hooveerdpe/ pracht en jesrdise bo.
prael / foa een guifigh eten en fungen / bp (om: genera
míge fo een onkunſch oberſpel en hoerderpe/ fa Vorfen.
een onvernuftige blmde afgoderpe/ ende bj 1 Reg: 25. 3:
gelen oackt faa cen onbarmhertige cafende tp Matth: 9. 25.
canmpe / dat u met beter Waerhept/ hoogh⸗
moedige Hebucad Nezars/ Deonckene Bel⸗
ſazars en Nabals / en bloedige wzeede Antio⸗
chi / Nerones en Marximini / als Chꝛiſt ge⸗
loovige Heeren ende goed aerdige Bozſten mo⸗
gen genoemt worden.
kõmt gp tot Aechters en Kegenten / cen
negelijck in fijnder ozdeninge / Daer bindt gu
bp den ſommigen enckel gewelt en onrecht / bn
ſommigen enckel gierighent / wonderlijcke
pꝛactijcken om eerlijck te ſteelen en om eer⸗
oom ende geimmighept ober haer verhit / dat bareljck te roben / oordeelen am gewin en ga: Deh Godio
Der-ôngelo: fofk — —— bn haere rechte namen en ven de hoogen eeren ſy / en Den Klepnen verach⸗ fen handel
der ongelos
iger (chelt- noemen / maer worden Anabaptiften / ten fp. Cn helpen de armen/ Weduwen) Wee: k
Weken el emmers / Oproerders} Fotgeeften Wince fen / en De bedzukte bedroefde beeemdelingen ————
Ai allege- ſel pꝛedikers/ Herlepders / Retters / Weder- niet tat hare falken/ boeren haten dienſt en
oorige · Booperg/ nieuwe Momnicken / fchelmen en heeefchappre ſtrengelijk en niet broederlijkt.
e
booswichten bn alle man gefchalden. Loe wel | Dienen
ſy clear kek nocty eenmael) dat Nijcke Godts
ende fijn gevechtighent (weet Die / Die herten
ende nieren kent) upt dat alderbinnenfte haer:
n Vorſten en niet Godt / gelijk de
Pꝛopheet klaeght : foo wat de Prince wil / dat Mich. 7. 3.
fpzeekt de Nechter / op Dat hp her weder eenen
Dienft doe. Och waer falmen eenen binden /
Det zielen ſoeclien / en niearant op de gantfchje | die Godt van herten mepnt / die de gierighept
gerden eenen quaden wenfch wenfchen.
haet / de waerhent ſoelit / en Die Den Godvruch⸗
Ende dat atemael upt dat onverſtandigh / tigen in billicker liefden voozſtaet en recht Doet.
faemroovigh / nidigh / bloedtſpouwigh lee⸗
Komt gp tot Papen en Monnicken / daer
cen / voegen ende fchrijven haerder gez vindt qu ẽen ſos onver ſadeljcke gievighent /
Een Mame ae Predicanten / die ban de | dat fraach alle haet Gebeden, Pfalmen/ Met⸗
Ápoc. 13,7: tijdt aen / dat het lafterlijche beeft de Anti⸗ |ten / Befperen/ iflen/ / Predinen / Doop/
chriſt ín fijnder vegeecinge en heerlickhent ge- | Avontmael / Abſolutien / en al haren gantſchen
zielen
klammen ig aichdt de epgentlijeke oozſake Kerken dienſt / met t' ſamen dock haer epgen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
der gemee-
ne Papen €
Mar:12.39»
Lu.20.'45.
Sy hebben
Í oogen vol
ml overfpels,
2Pet.2. 14.
Sy braſſen
wel van u
ePet.2,1 ze
Elai.s.12.
doen ’t dat
de lieden
dig blijven
Ier.23. 14.
2 Pet, 2,19.
Deu.13.6.
leven met
leere der
diefe Euan
men.
Der Predi-
OER voedinge.
REN ter. 8.2.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Datbyftere lieffte Schagen. Willen geerne van den menz
teclijk leven ſrhen ge-eert ende gepzefen zijn. Haten ien en onbeſneden boog / dat men hem ber wondes
gelifche roe-
118 Van het Cananeetfche Vroukens Geloove.
zielen. alleman om geït te koopdragen. zer ,veel/ alsde aerdſchgeſinde bleefchelijke Obe⸗
men pachten en venten vanden dooden. Dar righent hebben ende hooren wil. Seggen dat
ven om cenen gulden ſes of tien. ban De cen | arme onbaetbeerdige bolkk vzede toe / hoewel
plaetſe op de ander / waer ſy De meeſte melcit; | het encliel onvacde ig.
Geloove en
wolle en vleefch vinden daer zijn tb haer de | omt qu tat het gemeene volk / fo bint gp fo leven des
Doctoren / Weeren / Meeſters / Noten / 20: | Len moet / en kennen noch Godt / noch Gods
Monnicken. fien / Prioren / Paters / Gardianen / om: | Woord / leert de natuere Wat vedelijks / dat is
mandeuren /en Peefidenten noemen. Gaen hare vꝛoomhent. Maer van Chriſtus Geeſt /
emsenen
eenen ougefchichten / bleefchelijken / blinden /
geevne ín lange hleederen. Soechen de groe⸗ Wooꝛd / opdeninge / wille en leben / Weten fp Iex-6. 16.
tingen op de merckten/ ende de hoogfte fte in der kracht geheel wepnig. Somma / het
den aen der Tafelen ende ín ercken / gelijck is fa vezre bp der werelt gekomen / Dat wp met
Ehꝛriſtus ban den Schrift-geleerden en Phari⸗ Den Pepligen Pzopheet wel mogen klagen / en
zeen ook gefent heeft. Webenden meeftendeel feggen. Gact doop de ſtraten te Jeruſalem /
daer beneffens in alfullke boererpe ende Sodo⸗ befiet en onderfoekt of gp ook pemand bint die
mitifche fchanden / dat hen de Engelen dact vecht Doet en na ’t geloove vzaegt.
ober moeten ontfetten ende Gefchamen. Sp Denecenen ſteen en is (eplacen ) op den anz
fchenden de eene echte mans Prouwe over de, deren niet gebleben: bet is al verwoeſt / wat
audere / ende De eene Maegd over de ander ous Cheiſtus en fijn getrouwe boden van ’t gez
te. Bedriegen ende verderven De gantfche loove / liefde / doop / avondmael / verſoeninge
werelt/ bende geeftelijk en vleefchelijk. Ach der fonden / boete / wedergeboorte) affonderinz
ten ’t boog enkel blijdschap dat tijdelijk wellu⸗ ge /leevaers / diakenen / ende van den vechten
fig leben. Studeren s nachts ende Daens / Godg-Dienft geleert hebben: Wozden noch
hoe fp haer hooveerdig pdel (npe vleeſch op Dat | evenwel de Gemeente Chziftí ban hare blinde
lieve goede. Afdergemackelijkfte voeden ende dienen mo⸗ Papenen Pzedilerggeroemt/ vecht of men
gen. Gzaffen en beupfen/ en ſeggen bp Den Chꝛiſto en den Dader met namen / bzood / wijn
Peppee; komt laet ong wijn halen en bul: en water betalen kan. Och neen: Chꝛiſtus
en dus / dat wp dDeoncken wopden/ endoen Kerlie zijn De uptverkorene Gods / fijn gehen:
mo2gen gelijck al heden ende noch veel meer, ligde en beminde / Die haer kleederen hebben
Pemraden de getrouwe vroome herten / die gewit int bloet deg Hams / die npt Godt gez
De geleerde Theiſtum ende fijn eeuwigh leven foeckenupt boren zijn / ende van Chriſtus Geeft gedzchen
alte haer Grachten. Waerfclhouwen eenen per worden / díe ín Chriſto zijn en Cheiſtus in
onboetveer- gelijken goor de waerhent en fijnnabolgers / haet is: Die fijn Woordt hooren en gelooven /
roepen ende beijten hoort ong/ pzijn uwe nafijn geboden in haerder zwakhept leben /
Herders en Teeraers / op willen onfe zielen eu fijn Boetffappen in der berduldighept ootz
ín dat oogdeel Gods voor ufetten / en ſterlen moedelijck navolgen. Die dat quaet haten
alſoo de boogachtigen op dat hem Ammers nie⸗ en Dat goet lief hebben / en met boller ernſte
mand en bekeere ban fijnder baastept / ende | Daer na ſtaen / datſe Chriſtum mogen begrij
beloven ander lieden vzuhendt / ende zijn feltse | pen gelijck fp ban hem begrepen zijn / Want
knechten der berdervinge. alle Die in Chꝛiſto zijn / zijn nieuwe creatueren /
Ich en weet niet hoe fint erger maken mor bleeſeh ban Ehziftus vleeſch / ende been ban
gen/ noch moeten al evenwel Befe onbeſchaem⸗ Chꝛiſtus beenen / lidmaten aen fijn Weplige
delijke menſchen die men na NMoſes Wet ſou⸗ Lichaem, En hoe gpnu met alle de wereldt
de geſteenigt hebben / ende eeuwig ( fo fp haer | daer mede ober een komt / wil ick u en alle vez
níet en bekeeren) na Der Schrift vermale: | delijke leſers beyde met het berftant en Schrift
ret.a.15. dijt / en verdoemt zijn / eplacen/ des arme roo⸗ in de vzeeſe inos Gods felbe laten nadenken.
1 Dat gemeen ſeſooſen volks Paſtoren en Leeraers heeten. Nademael het dan al te ſamen doo? Godts
EE Piamen de @íet / foo is de gantſche werelt verdorven. rechtbeerdigen toorn en oogdeel ( dewijle fn luft
Lomt tot den Peediltanten die haer deg | tot der ongerechtighept en leugen achadt heb⸗
Predikanten Modeds beroemen ſoo bebint gu dat haerder | ben / als Paulus fept ) ban den valſchen Pzo⸗
fommige openbare leugenaers zijn / ſommi⸗ pheten ende grijpende Wolben fo geheel verz
ge Dronckendrinckers / ſommige Woecke⸗ woeſt ig / en niets niet na den rechten ſin ende
daers / ſommige Pronckers en Pzalers / ſom⸗ gront Chꝛiſti ende ſijnder Hepliger Apoſtelen
Lanen en mige Scheider en Laſteraers ſonnnige ook heplſaem gebleven enis / en men over alle de
Hervoigers en Bezraders der onſchuldigen / werelt / in alle groote en rupme Secten hiet
Chriftus
Kerke en
gemeynte
wie,
Chriftus
Kerke,aerd
en natuere.
Phil.3,12.
2 Cor‚5.17«
Eph,s.30°,
1Cor, 1227.
hoe ook ſommige haet houden / haer Wijven en bint Dan pdel roemingen / nackte namen /
gelegen hebben / en watfe boo? wijven —* valſche Leere / valſche Sacramenten / enckel
ben/ wil ick den Heere en haer bevolen heb⸗ ongeloove / en een onboetveerdig bleefchelijck
ben. Heeren bedeltelijk alg dat ’er twee So⸗ |Ieven/ endat noch al ander den naem en fChijn
nen ín Chzifto zijn/ Gods Sone en Marien Chꝛiſti en fijnder Heyliger Gemepnten / foa
Sone /en dat die, Die boor ous geftorben is / ben ick unt waerachtiger Chziftelijker liefden
Gods Sone niet gemeeften ig, Heeren ende | gedrongen / de kracht ende geont Der Hepliger
gebaupeken cenen Paop/ die in der Schrift Schriſt na mijne lepne gave Die mp Han
niet bevolen en ig. Sommige ook een Avont⸗ Godt gegeven is / mits Defen aen te wijfen /
mael /daer het WBzood Chriſtus Lichaem / en | welke dat rechte waerachtige Chriſten Gelo⸗
de Wijn fijn Bloed zijn moer. En hebben en ve zy / dat belofte heeft / te weten / dat den
houden Den meeftendeel genen ban dan gal menſchen (Die ’trecht grijpen ) uptꝰt quaedt
gen enraden. Voeren een ruym / lun en lec- | ín 't goed omkeert / in een godlijke aerd veran⸗
herdeven. Geneeven hen met enckel berlep: Dect / bepde inwendig en untwendig / heplig /
‚Ben en plunniſtrijlien / ban Antichziſtus ge rechtbeerdig ) gehoogfacm/ nieuw / vzoom /
ſtolen goed en rooberne /en predilten eben alfo vaedi en bzolijkk mackt/als gehoopt is.
| Van het Cananeetfche Vroukens Geloove, 119
Oerfake
Wwaerom d
Dy dat alle goede vzome heeten / die geer⸗ Een is oock geen Wonder dat fm ’t ons doen.
boeksken … te den techten wegh wandelen ſouden / en Do (fepe Cheiftus) hebben ſy oolt den Pꝛo⸗
gefchreven Dan hare blinde Papen ende Predikanten
* (eplacen) Daer ín verhindert worden / díe
deſe mijn trouwe verklaringe ende Bzoeder⸗
lijche aenwijſinge fullen lefen ofte hooren /
daer Dao? inder waerhept mogen ondezricht
wozden / De lupe ſlappe mogen opgewecut
worden / alle hupchelaers tot beteringe mogen
beſchaemt worden / ende alle die Godt met
ernſte meenen / dieg te meer mogen in den
Geloobe onderwefcn ende geleert Worden /
foa fh 'tandeeg vaa? den vaften grond Godts
bekennen ende aenfien/ als’eig/ oolt eeuwig
ggk fclt wel Weet) blijven fal. De lieve
eete gume datt beel alſoo moeten lefen
ende verſtaen / alfoa aennemen ende nalioz
men / datfe oprechte boete doen / en ſalig woz:
den. Amen.
Ende nademael ick't dan unt fo oprechter
bromer Berten doe / ende upt anders geen
meeninge en acbepde (Dies de groote Godt /
bie herten ende nieten proeft / mijn getupge
15) dan dat ick De domme cukcloofe wereld
Die niet Wepniger en hent of en beeft dan
Chꝛiſtum ende Chziftus Woord / boete feeren
mag / tot Chꝛriſtum en fijn eere / Dacta:
menten ende Doorbeeldt leden maah / ende
alfao veel moghten falíg wozden. Ende men
boo? oogen. fiet/- Dat foa menigh rulieloos
| vleeſchelijck menfche fijn fandelijckt quaedt
| feven Daer dooz betert en een oprecht boet:
| Derwereig veerdig vroom leben in De bzeefe fijns Gods
ondanbaer. Benneemt/ foo is't immers een feet groote
heyt neffens Ondankbaerhept/ ja een berbande Godloo⸗
allen ge- fe tyramighept / dat fit mp ende mijn gee
Dienssen trouwe medehulperen/ die met foo oberma⸗
Gods. ten belen zware kommer ende lijden / foo
groote trouwe ende liefde aen haer bewij⸗
fen/faontjdelijk haten / en fo leelijk loonen en
afdanken.
De Prophe. Dochy Dug hebbenſe ban aenbeginne met
van jn ook allen Propheten en trouwe knechten Gods
voorvaders Behandelt! Die haers Weeren Woord ende wil
qualijk in fo goeder trouwe voorgedzagen / hare ſou⸗
Beloont. den beſtraft / ende-haerder zielen faliahepdt
upt al haer krachten / met foo beel tranen/
waecken / bidden / acbepdt/ loopen / moep:
te ende forge tot finden dood gefacht hebben /
— — —— ——— — — — — ——
DEN L
Sk —
pheten gedaen / die voor u geweeſt zijn.
Bid ende begeere Dan hier mede daor de Mats. 13.
barmhertighent ons Weeren Jeſu Cheiſti, Lees. 2.
acn allen mijne Leeſers ende Coehoogders
in't gemeen / an zijt dan ban wat Ramen /
Aummten / Staten ende Conditien gp oock
zijt / dat an defen mijnen arbept níet en laftert/
noch verwerpen en wilt foolange gp ’t niet
met onpactijdifchen herten / bediedelijk geler
fen/ vecht gehoord / ende wel berftaen en
hebt / fchepdet daerom Ehaſtum ende dee
Apoſtelen Teere / Saccamenten { ende Le⸗
ven bander Papen en Predikanten Heere /
Sacramenten ende Teven vecht van malkan:
deren. Geloove ende Ongeloobe / Geeft en
Vleeſch / Gerechtighendt ende Ongerechtig⸗
hent. Soekt na de rechte waerhent / pbert
om uwe falighent / gelooft Dat Godt een
waerachtig Godt is / Die dat goed beloonen /
ende tboofe ſtraffen fal: dat fijn Wood de
waerhent is / ende eeuwig blijven ſal. Deeeft
fijn oo2deelen / ende hebt lief fijn weldaden /
foo fult an’t door ’s Heeren Genade wel bez
kennen dat dit boozfepde t rechte Chziſten
Geloove is / dat vaar Godt gelt / ende in der
Schzift belofte heeft/ gelijk won u bier unt
Gods Wwaerachtige Woord met foo over vloe:
dige beel ſterke ende onwederſprekelijke vedez
nen / fchaiften ende erempelen fonder alle vals⸗
hept ende bedzogh / vecht alg voor God ín
guur Jeſu aengewefen ende betupgt heb:
De Ulmachtige / barmhertige Godt
Dader /doog fijnen lieven —* Ere
ſum / lepde u alle te famen alfa ín fijn Hepli⸗
ge Godtlijcke kenniffe ende Euangeliſche
waerheyt / ende malie u Geloove alfa krach:
tig / vꝛuchtbaer ende dadig / dat op met ope
cechte nieuwe heeten berduldig onder fijn
krups / in allen dzuck ende tribulatie onge:
bepnft in der liefden / vreedſaem ende brolijk
ín Den Geeft/ als de onfivaffelijke vzoome
kinderen Gods boor den Heere en fijn gemeen:
te moghte Wandelen / alle de Dagen uws Ie:
bens / en moght alfo de epndelijke belofte der
genaden/Dat epnde uws geloofs / daer ban bzenz reet. 1
gen/welkk ís de falighent uwer zielen. Amen.
EESER
Oe ESF:
PEiſame Lefer, hier hebt gy nu mijnen grondt en leere vanhet Geloove, met fijn eygen
rechte natuerlijke kracht, werkingen , aerd
en vruchten. Biddeudan, foo lief als u Chri=
ftusen uwe faligheyt is, drukt uwen verkeerden zin , ende en vertoornt u niet, fo gy wat vint
dat onferVoorvaderen gebruyk, lange gewoonten,of datPhilofophifche fchrijven en roepen der
geleerden mogte tegen zijn. Maer proevet eerft recht , onderfoeket wel met Chriftus en fijnder
Heyligen Apoftelen eygen Woord , Geeft, leven , en voorbeelt,of’t niet den rechten inhoudt ,
meeninge ‚grond en zin der gant{cher Schriften is. Bevindetja, fo moet gy de onfchriftma-
tige gebruyken , en dat vervoerifche roepen der geleerden laten varen , en u alleen aen des Hee-
ren Woordt houden ‚wilt gy anders falig zijn.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Laet daerom u herte onpartydig , en u oordeel oprecht, en nader waerheyt zijn. Want
QQ de
pn de * — p Ni
— REN on ae ne Em de ed EE — grenen — al |
i i lyden moeten, wil
dt ende Heere dien alle knien buygen, en alle tongen bely.
sr — —— ‚ noch langegebruycken , noch gewoonten wijken » —— *
de Heer „en wy fijn knechten. Wy moeten hem volgen, en hy nietons. Och Leeſer he
—— i htd niemandts
ij ok ſoo gy bevint dat wy met onfe leeren recht doorgaen ,
| h er RE ide —— vreeſen, noch eenigen geleerden mei ——
| —— fonder alle aenſien der perfonen met des Heeren Heyligen Geeft , Woord,
ar aman
ij ffen |
i echter reynder liefden trouwelijk leeren, vermanen en ftraften ,
—— —— — * bid — eenmael dat gy dat niet eenige vleeſchelijke ftou=
—— —F met wel meenende vrymoedigheyt en Chriftelijke dwaesheyt toe meten , en wijten |
Ik woude fo geerne dat gy alle recht wandelen en falig worden mogt. Daerom ick (ey-
ij ick’ le in Chrifto
iet uwe en alder wereld gek en fotte zijn, fo ick ‘er maer ve
doe. — * * des Heeren Heyligen Geeft en fterke Woord tot de wijsheyt Ser len
en brengen mochte ‚ ick weet ook wel dat Chriftus met allen fijn —— King ropheten
—F een dwaesheyt gedreven ‚en eenen gelijken zin met my hier in gehadt hebben. —
Beftraf ik dan, fo beftraffen fy noch ERE Dreyge ik met * de *
| sr; Zij leefchelijk of ftout geweelt : €.
| deel , fy noch al meer; ZIT ———— kd ren predikers } de vervloekte valfche lee=
b TLeefer waer niet den donkeren duyfteren rook der ooren p Sl > p Ae laiah geads
— khanen, uyt den put des afgronds alſoo 8 » »
re, der verfchrickelijker leelijker {prin — hase aat. Schriek ge gebruyk der Hey-
hadden de ernftige beftraffingen ; de rechte reyne leere, REN; — ——
affonderinge der onboetveerdigen, ſonder atie aen r pe
* —— seren —* mermeer en hadde de fchoone klare Sonne haren lieflijcken.
—* * verlooren ‚ noch de Gemeente in alſo eenen bedroefden doodlijken val gekomen.
A * daerom met Paulo weynig dat ik in defer ſaken van menfchen geoordeelt worde, Want
dreke dat ik °t goet meene; recht doe; ende niet dan met waerheyt ende ſtraffe, op dat ſy haer
bekeeren mogen. iggebenedijt, verlichte alle donkere
ge Hemelfche licht Chriftus Jefus eeuwig gebenedijt ,
guyftereherren er den blinkende (choonen (hin Gas arlie Seen EN
heyt, om in een ongeverwer reyn Geloove te befchouwen de onophoudélij re ey ’
tot prijs en eere fijns grooten Naems en faligheyt veelder menſchen. AMEN.
lacen } niet weynig droef heyts hooren en lijden moet.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
EEN CRO OO Mt
| GRONDELYKE LEERINGE
UYT DES
HEEREN WOORD.
Allen menfchen (die haer nae Chriftus naem laten
noemen ) neerftelijck vermanende tot de Hemelfche
geboorte ende nieuwe Creatuere, fonder welcke nie-
|
mant die tot fijn verftant gekomen is, een waer-
achtigh Chriften en is, noch zijn en kan,
ANNO MDLVI.
Wederom met grooter neerftigheyt door gefien ,
vermeerdert en verbetert.
DOOR
MENNO SYMONS
Galaten 6. 17.
| In Chriſto Jfeſu en gelt nochbefnijdeniffe noch onbeſnyde-
niſſe, maer een nieuwe Creatuere.
| Ô, __r Corint. 3. 11.
| — Daer en magh geen ander Fondament geleyt worden;
dandat’er geleyt is ‚dat is FefusChriftus.
Gedrukt in't Jaer onfes Heeren, MDCLXXXI,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
a dt eN
|
|
|
|
|
|
4
II
|
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
EEN 8e HOO NB
GRONDELYKE LEERINGE
UYT DES |
HEEREN WOORD.
Van de Nieuwe Geboorte:
P En hoort mijn woorden Segtmp mijn alderliefſte Waer of wan⸗
Àlle de ES TE
gantfhe BAARNS Wisan) alle bolchen ende batfe neer hebt gp in der Schaft gelefen (Die Dat ge
werelthoe | d == Ik — —
ij 7 eh vecht in uooren / die u wiſſe geturgeniſſe deg Hepligen Beefts/ en |
— bi, dunken dat op dat eenige recht-foet ofer confcientien is ) |
emendat (ng 1 Chpiftenen zit / ende u als dar een ongelovig / ongehoorſaem vlee⸗ >, vreerzne- |
dentijn. UR 204 met arooter ſtoutigheyd fchelijk /overfpelig / hoerachtig / dDzonken/gie: lijke en on
EN van des Heeren Genade) rig / afgodifch of pralig menfche eenige belof- en eng |
HEI Derdienften / Dleefch/ | ten aen Chriſtus ijk en gemeente) ja part of et |
EENES Bloed) Veuns/ Wijck Deel acn fijn berdienften/ dood en bloed gehadt geen acer. |
ende @ood beroemen Zorft/ hoewel dat er heeft, Ack fequ de waerhepd in det cheift Roms. zy. |
noch Ehaiftelijk Geloove/ noch Broederlijke en leeffmen ’t nergens en vimmermeer, maer on ns |
Liefde / noch Boete/ noch recht gebauph: det | alfo ftaet ín Paulo gefcheeven: Heeft op NAE pn. s.
Sacramenten Chzeiſti / nach repne Meere / | den bleefche/ ſoo ſult gp ſterven. De ober: |
noeh dat onbeftvaffelijck Godfalige legen dat ſpeelders / hoerenjagers/ kmapenfchenders / |
unt God is (Daer toe ons de gantfche Schrift | weekelingen de onrepne de afgoden · die⸗ | |
bermaent) nach vechten Godsdienſt / noch naers/ dzonkiendrinkers / hooveerdige gieri⸗ II
eeigen Guangelifchen Werd / Hatuere / ofte ge/ hatige / vezraders / ende Die on rhuldigh IE
gehoorſaemhent bp u bebonden en wort/ maer bloed vergieten / dieben / moopdenaers / leu⸗
aber al/eplacen / een leclijk byſter ongeloove / genaets / onbarmhertige en De ongehoozſami⸗
een ontuchtig vleeſchelijck leven / valfche Nees | oe Gods en Chʒiſti (foo ſy haer niet en beltee⸗
te valfche verzierde Sacramenten / een Sac den) fullen Gods Ank niet bezitten. Aahaer —4
tanſch heet engemoet / een vervloekte Hey⸗ deel ſal in den vperigen poel zijn Die bernen ſal 4
denſche Afgoderne onder Chriſtus naem / een | Lan ſolpher en vper / welk De tweede dood ig, — KE
blinde-Bloeddorftige Tprannie/ ende een on-| Siet / Weerde Leeſer / hier ſtaet &oùs sa pet |
barmheteige nijdige wreethept tegen alle Rite | wederroepelijke fententie en oozdeel ober ale schr zee
deren. Gods / jaren openbare wedetfpannige | die Die na Den bleef he leven / hu zp oolt wie D giet over
an gefoorfacmbhent en verachtinge aldet woor⸗ | zp / Keyſer of Lonink / ertog of Grave) 0 dee 5
den hifi en ſins Heyligen Geeſts gelijkmen rous / Widder of Joncker / Edel/ on edel fi
door de gantfche wijde wereld met opene oo⸗ Paep / Monnik / geleert / ongeleert / eel / rphs y.
gen en ballet handen taften en ſien magh. act / man / Wijf /engenof bape / al Die na DEN col.j.5.
| Opdat gp u dan niet langer alſoo met ſule⸗ vleeſche leven / die moeten Gods techtveerdige
| ke leugenachtige pdele hopen fot wwet ceutwí- oozdrel en ſtrengen taart eeuwig onderworpen
ger verdoemem ſſen tegenalle Schriften ver⸗ Zijn / of De gantfche Schrift moet leugenach⸗
tvooft/ ook niette vergeefs en glorieert in de | ti en balfch zijn. —
doorgendemde rijkdommen der heerlykhepdt En daerom wozt Dat arme domme voll Met mere,
| ber hinderen Sads/_ als in Chaiftus tjk/ ge: | Milen / Tetten / Defpers / Biechte Beez
nade / vetdienften / vleeſch bloed kruns / doot / baerden en Whwater / ch dat noch meer is /
| en belofte) %c. Weicke u noch niet. toe en be: | ook met Cheiſtus genade doodt en bloed alte
| hoeven / nademael gu fo gantſch Jerſch / vlee⸗ (Vetgtefs getrooſt : Get Woord fract ongebzs⸗
| fehgelij% en Deels geſint zijt) Cheiftum verz | Hein / leeft pu na den vleeſthe / fa ſult dip ſter⸗ rom.s. €.
foot / endet aen. fijnen Geeft / Waard ende | Ven / Want Bleefchelijkk gefint zijn / iede doot,
Doorbeeld niet cenbhaut/ fonder Well niemant Lade ende Bidden daetam v alte in t gemeen /
| een € hriften zijn en tan / ſoo heb ick dao? de | hoort doch Chziſtumm Jeſum / kee)
barinbertige genade deg Heeren Door mp gez | getungen der waerheyt van DEN Hemel geſon⸗
nomen / foa veel als ín np i uop'talder den is. Want alfa feit bir / eef feq ielt
korſte upt dat onbedriegelijchte / krachtige en u / ten zu Dat gp u omkeert eit wozt als in⸗
| faligtmakende Woordt des Pepligen Cuange- deren / foo en ſult qu in t Hemelrik niet lio
| Kums Jeſu Clift / en upt De angebalfte côn- men. Noch fept jp op eender fiede: Vod —
ne eere finder Hepliger Apoſtelen / in deſen waer boorwaer ſeg ick u; 't en zp Dat pemandt Mac.18. s
mifrren Sent brief aci te wijfen/soie De gene zijn | vant boben wort geboren, fo en kari hp dat rijke
of wiefe niet cn zijn / Die wiet de vostgenaemde Gods niet fien, Noch eenmael: Boozwaer
gaven / verdienſten en beloften Chriſti van God Hei fed ien E 2 Ads rake vemand upt
in det genade ver · rert en Gefchonken zijn. ai ater en Geeft q V ozt / Ec. dak
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ioan.3.3.
124 Van de Nieuwe Creatuere,
Trouwe Leeſer / nemet waer: Defe woor:
den en zijn ban, geenen menfche verſiert noch
in geſet / fp en zijn oock ban genen Concilien
op gewozpen noch befloten/ maer fis zijn dat
onbedziegelijche diere Woordt/ bet welck De
Soone Gods / Chriftus Jeſus / upt fijns Da⸗
ders mond tot ons gedzagen/ ende den goe⸗
den vzoomen Wet-geleerden Nicodemo / met
Menſchelike eenen Dobbelen eed bezworen heeft: dít ſelve
zerechtig ·
heyt verden-
kert Gods
——
eyt.
2rTeſ.z.1.
Antichriſt
domineert
Woord ís krachtig ende klaer / ende en meene
níet alleen den gemeden FRicodemum/ maer
ook alle Adams kinderen die tor haren ver⸗
ſtande gekomen zijn. Maer het is (eplacen )
met den leclijken ſeurdeegſchen dzeck Der men:
fchelijker geboden / ſtatupten en glofen alfoa
berdonkert / Dat ’er nauwe ecn of twee onder
Dupfent gebonden en Worden / díe der Hemel⸗
ſcher geboorten vecht fien of berftaen heb:
ben / ick zwijge dan Dat ſy fijn werkende aert/
natuere / krachtende bzucht hebben fouden.
Ja fb hebben ’t met der tijd dooz haer Philoſo⸗
phiſche kloeckheydt en epgen verkoren heplig⸗
in de pꝓiaetſe hept fo vezre gedzeven / Dat De eeuwige wijs⸗
Chrifti,
Chtiftus
erdin antie
gelt alleen
voor God.
1Cor.3.1f,
Gal.1.8.
sCor, 11.6.
De groet-
machtige en benꝰt met hare Concilien/ Deercten/ ende
geleerde zijn
alle des ver-
dervens
oorſake.
Wie heydens
leeft is cen
Heyden .
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ept Gods) Chriſtus Jeſus / in der eeuwighept
gebenedijdt / als een arm onberftandig geks⸗
ken/ upt dat hups fijndec ceren / dewelck
fijn gemeente is / met fijn Weplige Geeft /
Wood / Doop/ Nvondmael/ Hods-Dienft,
Nffonderinge / en onbeftraffelijk Voorbeeldt / / moordenaers.
gebannen is / en Dat de menſch det ſonden / dat
kint der verdervinge / Met fijn leelijke leeve /
Afgodiſche kinder-doop en Avondmael/ met
fijn ontepne repnighept en beloften / met fijn
Vierken/ Klooſters Papen/ Monnicken /
allen hare werkten ) hoe fis geen Chriſtenen /
maer enckel bleefchelijcke / hoveerdige / gieri⸗
e/ gukziae, onkupfche/ dronkene en afgodi⸗
che blinde Wepdenen zijn : En dat noch meer
is / haerder fommige oock onbarmbertige /
moogdadige/ wzeede / bloedige dupvels zijn /
want veel haerder Werken gefchieden na des
Dupbelg wille. Met vecht magmen hem ober
bare faken wel beklagen / want dat rechtveer⸗
Dige Mopdeel is fo over haer gekomen / datſe 19244
gantſch onbekeerlijk zijn en weynig heplfaems
bphaetiggebleben.
Ech! hoe hlaegelijch ig de Edele fchoone E52.
Wijngaert verwoeſt / en hoe ganfch jammer: on, ro,
lijk zijn fijn Cachen berdott / fijnen Tupn pe wijn.
leptplat/ de verdezvende Doffe heeft De ober; gacre de»
hend genomen. De wolke zíjn dzoge en geben „ern een:
geen Water meer / Dact en is noch befnoeper cor.a.s.
noch metſer meer voorhanden / en foo daer per Pite,
mand is / die moet ban den Dzake Lerflonden / |
of vandat Apocalypſche bloet-dzonken Wijf
bermoogt zijn. O barmhertige / genadige Da:
det / hoe lange fal doch Defen 3waren jammert
dueren? Onſe Ober-heeven zijn gelijck ver⸗
fcheurende Leeuwen en Beeren / onfe Daders
jn onfe vezraders / onfe wepders zijn onfe ber:
epders / en Die haer laten duncken dat fp onfe
Verders zijn, Die zijn onfer zielen Dieben ende
p mogen wel upt Dieper herz
ten Weenen en Klagen. Pet hups is ons woeft Lutr-s-
gelaten / want Die te boven Chziſtus herke en De eygene:
Bijk was / is nu / eplacen / Antichziſtus Rerlie lijke oortake
en Nijk gewozden / en dat om geen ander oor⸗ en
fake (nemet waer ) dan dat ft Dat A oogt der chri.
Mifren / Wetten Defpers / Wijwater / genaden ondankbaerlijk verftooten en niet en um en ijn
Breiden / Beevaerden / Pagcbier / Pígilien/ / Willen/als dat de Peerfehapper Meere Chriſtus Woort.
Biechten / Abſolutien / Ec. wederom ín fijnen
ſtoel gefeten {8 / Die doch alte famen niet dan
enkel leeringen en geboden der menfchen zijn/
tegen alle grond der Schrift opgeworpen /
een berbannen Afgoderpe ende grouwel / cen
openbare bernielinge van des Heeren Doodt
en Offer / een berachtinge des Nieuwen Te⸗
ſtaments of deg Derbonds dat met dat bloedt
Des onfchuidigen Hams beſegelt is / cen ver⸗
fcheuringe der heplfamer ogdinantien Chꝛiſti
ban der ſeere / Doop / avondmoel / leben / en afz
fonderinge oberbloedig ín de Schzift betupgt/
welcke opdinantie hp im onwedertpzekelijcher
kracht ente klaerheyt na fijns Daders bebel
Die inde werelt geleert/en fijn kinderen doorzt
oozd neg elaten heeft/fal ookt geen ander op-
— worden die boor hem beftaen ſal eeu⸗
iglijk.
Somma / de Sccibenten en gelterden heb:
Statupten / met alle de tpranníe cnde gewelt
der grootmachtigen/ allengkens fo verdozben /
dat ’er (Bodt betert ) nauwe een Artijkel ban
alle ’t gene dat ong den mond Chꝛiſti en fijn-
dee Wepliger Apoſtelen geleert beeft / onge:
broken bp de mentchen gebleven ig. Alle de
boozgeroerde grouwelen met alle dat Godloo⸗
fe bieefcheljke leven der gantſcher werelt / roep
ick tot mijn getupgen / noch willen algelijke:
wel de Peplige Chaiftelijehe Kerke zijn en hee⸗
ten / en Die haer upt oprechter vepnder liefden
met des Weeren Geeft ende Woozd bermaent)
Die moet hacr vermaledijde W cDder-Doopet en
Vetter zijn: ich fegge u noch cenmael / fp wil-
lende Chaiftelijke Merke zijn cn heeten/ en
bet is openbaer (ende dat Door ’t bewijs ban
nnn Et Ede he ee kenen tt B Ee ne eg
FJeſus met dat gerechtige Scepter fing hey verttoot.
Lu.59er4
ende domineren fal/ noch eben dom hoopt |
dit arme blinde geflachte/ als dat fp Godts |
genade ende belofte dooz haten kinder-doop / |
Wiſſen / Biechten/ ende Diergelijke ſuper⸗ |
ſtitieuſe Ceremonien / ende Afgoderpen meer
(Die fp den vechten Gods· dienſt noemen) ende
temedien tegen haer ſonden gebaupeken wel
beekeijgen ſullen. Och neen / lieve neen / de
hope der Godloofe/fept Sapiens / is gelijkt cen Sa.s.15.
dozre Diftel-bloeme Die ban Den wint henen
fiupft / eenmael heb ick't u geſeyt / ick feq ’tu
noch andermael / en Dat upt des Heeren mont/
die noch liegen noch bedziegen en kan / ist Mat.18.'z.
batgp unfet om en keert / en wopt als Kinde: 192:3-3-.
ren / m't Pemelrijk en fuit gp niet komen / en
í8’tdat gp níet van boven en wozt gebooren /
fo en ſult gp het rijke Gods níet fien.
JT ijn fect beminde Beefer/ hebt doch acht Godt en
op ug Perren Woord / ende deert Den Waet- maekt
achtigen Bodt eenmael te recht bekennen) ik rig cegen’e
waerfchouwe u upt getrouwer herten / nemet woord.
waer f8’tdat op wilt, hp maoh u niet ſaligh Mat.4.17-
maken noch u uwe fonden bergeben/ barm⸗
bertighept noch genade bewijſen / anderg dan
na fijn afgefepde A oogd/te weten: So gp boe⸗
te doet / ſo gy in hem gelooft / fo qp upt hemm gez
boren wozt/ fo gp doet dat hy u bevolen heeft/
ende wandelt gelijck bp gewandelt beeft.
Want foo hp een onvechtbeerdig bleefchelijck
menſch / fonder wedergeboorte / geloobe CM ro; ”
boete falig konde maken / foo en hadde hp ongen.z4.24.
be waerhept níet geleert: En hyis de Waer-Mar-16:15 hb.
beet, ende geen leugen en is in hein. Ende „ò
hierom ſegge itk noch cenmacl a gp met 1 roas.r.
fegae itk noch) l als dat F
ligen Woozds ende Geeſts over haer moop
G alsde Miſſen / Metten / Veſpers / Ceremo⸗
Van de Nieuwe Creature.
125
meer / ende Dat na het beeldt Des geenes dieſe
nien/ Sacramenten / Concilien/ Statupten geſchapen heeft. Waer gefinthept is nade ge- pr; . F
ende geboden / die onder den gantſchen Hemel
Natth. re, An / Die De Pauſen met haren aenhanck van
De gantfche genbegin germaeckt hebben / niet en macht verz
Schriftver- foent worden) want het zijn geouwelen ende
leyt ons tot Geet berfoeningen, waerfchoutwe ick u / te verz
boet geefs (fept Cheiſtus) eecen fa mp / leerende de
leeringen ende geboden Der menschen. Maer
boo? al ende boog al wilt gn ſaligh zijn / fa moet
uacctfch/ vleefchelijck / Godlooë wefen gebe⸗
tert zijn Waut’tenig niet dan boete en beter
tige / wat ons de gantfche ſchrift / met alle
fijn vermaningen) drepgementen / ſtraffingen /
wonderwerclien / evempelen / cecemonien en
Sacramenten leert en voordraeght / en doet qu
Joan.3.3. Been boete / ſoo en íg ’er niet in Hemel noch op
Matth. 18. 3. Verden dat u helpen kan/ Want ſonder waer:
Hier merkt achtige boete woꝛdtmen al te vergeefs getrooſt.
welkede dijn volck / fendt De JOzopheet/uwe Trooſters
beerta. vervoeren u/ ende verſtooren den wegh dien
gegaen fult. Wp moeten ban boven geboren
zjn / in onfe herten omgekeert / bevandert /
ende vernieuwt zijn / ende alſoo upt der onge:
techtigen booſen aerdt en natuere ban Adam /
fn Cheiftus gerechtige goede aert en natuure
verſet zijn / of Wp en magen met geenen mid⸗
Delen (fn zijn Godlijck ofte menfchelijck ) gez
holpen worden eeuwelijck / Want foo waer de
oprechte waerachtige boete ende nieuwe Crea:
tuere niet en zijn (ickt fprelte van deu verſtandi⸗
gen) daer moetmen eeuwigh verloren zijn / is
hlaerder als men tegenfipzelten kan. Dat
magh een pegelijckt in dat kofferken zijnder
confcientien wel beflupten / die niet aen zijnder
zielen en wil bedrogen zijn. Deſe felve weder-
pe nieuwe Btboorte) Daer af Dat von fchzijven/ daer unt
geboorte dat boetbeerdige vrome leben volght / dat be-
komt van lofte heeft / Komt nergens anders heenen / dan
Gode door unt deg Heeren Woozdt / wanneer het vecht
Ron ter, geleert \wogdt (en alfoo mits dat gehoor doo?
1 Cor 4.7. <t Geloobe ín ’t herte des toehoozders vecht
zPet. 1.25. Doorden Pepligen Heeft gebaet Wardt.
Berlgelbhe- _ @everfte geboopte deg menfchen ig unt den
lijke geboor- eerſten ende aertfchen Adam / ende daerom ig
te isin oocſt haere nature aertſch ende Adams / dat is
Adam ver …bleefchelijck geſint ongeloobigh / ongeljoo?:
leydetorde faem / in Godtlijcke ſaecken blindt / doof / en
doodt, onverſtandigh / dieg epmde (ſoo fp niet Doop '£
Wooꝛdt vernieuwt en Worden) de eeuwige ver⸗
doemeniſſe en doodt zijn. Wilt gu nu in uwen
aengeboren boſen aerdt ende natuere gebetert
zijn / en alſoo ban de eeuwige verdoemeniſſe en
doodt ben zijn / op Dat gu met alle waerachti⸗
ge Chaiftenen ontfaugen maogbt/ dat haer
Gelooft {8 / foo moet gp van nieuws geboren
zijn / want de, Wedergeboten zijn onder de gez
De wederge- ade / „ende ebben de belofte / als gelaat is /
nieuwt ende ende Hoeren daerom een boetbeerdigh nieuw
leyttenle- Jepen/ Want ſy zijn in Chriſto nieuw gewoz⸗
Ven vruche den / ende hebben een nieuw hert ende geeft
der nieuwe -Ontfangen / te boren Waren ſu aertſch gefint /
gebeorte. _ nu hemelfch/ te baren vleeſchelijck / nu geeſte⸗
lijck / te boren ongerechtigh / nu gerechtigh /
te vooren guaedt / nu goedt / ende en lesen nu
niet langer na dat oude verdorwen Wefen / Lan
Den eerſten ende aertſchen Adam / maer na dat
mieuwe oprechte Wefen banden nieuwen ende
hemelſchen Adam / Cheiſtus Fefus/_ gelijck
Gal. 2.21.
Col.3: 19: maer Cheiſtus leeft fa mp. Haer arme zwache
leven vernieuwen fp alle dage noch al meer en
Paulus fepde : Ick en leve nu niet Tanger /-
fmthept Cyziſti / ende Willen geerne wander rac. 5.
len gelijk ho gewandelt heeft / fp krupcen ende
temmen haet vleeſch met alle fijn boofe uſten. Gen. 5. 25.
Sn begraven haer fonden met den Daar in GPS +
Des Heeren doodt / ende ſtaen weder meeten re
op fot een nieuw leben, Waer herten befnijden
fa met des Heeren Woordt. En worden in dat
onbeblechte 19, Lichaem Cheiſti / als gehooz⸗
fame Lidtmaten ende Medegenooten ſijnder
Gemennten / ín vechter o2donnantien / ern na
deg Heeren Woopdt / door den Bepligen Geest, Cor.12. 13
gedoopt. Sp trecken Chriſtium Zeftum aen / cala ze
ende bewijſen fijnen Geeft / aerdt ende Kracht en 3-27.
ín alle hare bzuchten. Sp baeefen Godt mact
boller herten / ende en fgechen in alie haer ge⸗
dachten / woorden ende werclien anders met/
dan den prijs ban haren Godt / ende de Sa⸗
lighent ban haren lieve Broederen. Daet ende Matth. 5.44.
zake en kennen fia niet / want fn beminnen de SO 12-20.
geene Die haer hacten / fr doen goedt den geez
nen Die haer quaedt doen / en bidden Loor den
geenen Die haer vervolgen. Gievighent / hoor
beerdighent / onkunshept / pronchen / pralen /
Dzonken-Deincken/ overſpel / haererne / haet /
nijt / achterklap / liegen / bedriegen / bijven /
vechten / runten / vaoven / blaedt-bergieten /
valfche heplighent/ afgoderpe. Somma, alte
ontepne bleefchelijke weeken haten ende tegen= Gar. 6.
ftvijden fn /_ende verſalien De werelt met alte Prat. :. 3.
fijn luften. Waer gepepus is nacht ende dagh Rom. zo. 12.
inde Wet Des Weeren. Sp verblijden haer in Matth: 25-
t goet / en bedzoeven haer im ’t quaedt/ quacdt ” Tie ned:
en betalen fp niet met quaedt /maer het quaede ey den rech-
met het goede. Sp en foecken níet dat haer ten Godrs-
ſelven alleen/ maer oock dat haren naeften aar; Hert als by
baerlijk ende mit is / bepde aen lijf ende ziele, 5.
op (pijfen De hongerige / ende laven de dorſt blijke.
ge/ fp herbergen de ellendige / fn bectoffen de oen: 3-16
gevangenen / fp befdecken De krancken/ fr maik” 13°
tvooften De kleynmoedigen / fa vermanen De zac. 5. 12.
Dwalende/ en zijn berept na haerg meefterg Bom. 14:17,
boogbeelt / ooelt haer leven te fetten voor haer
bzoeders. Item / Haer gedachten zijn reyn en
kupfch/ haet woozden zijn waerachtigh ende
met zout gelicupt. Wp haer is jadat ja, ende
neen dat neen is / ende hare wercken gefchie:
den in Des Weeren vreeſe. Haer herte iS Dez
melfch ende nieuw / haer gemoet beediat en
weolijck / ende ſoecken De gevechtigtent na alle
act vermogen. Sonnna fin zijn foo in haer ges
abe Dao? Godts Geeft ende Woordt herfchert; Kracht ende
dat ſy mits de Kracht des felver geloofs alte PPS
bloedige wreede Tpranmen / met atie haer tore derzeboren.
menten / bangen/ bannen/ goedt-rooven/
ſtaecken oft palen/ Beus / rackers ende vaden
ridderlijck oberwinnen / ende wit eenen vennen
per / met een onnooſel flecht ja ende neen gez
willigh in den doodt treden / Ehriſtus glorie /
de foctighent des Woordts / ene de Dalig:
hent haerder zielen is haer liever / dan al ’t geez
ne Dat onder den Hemel ís,
Diet / Weerde Îefer / alle de gene / Die aldus De wederge
upt Godt met Cheiſto gehoren Worden / aldus borene zijn
hare ſwacke leben na den Euangelio fchieken / etschte
haer aldus omkeeren ende Wandelen het baor- nebben de
beelt cThꝛiſti na/ hooren ende gelooven fijn beloften.
Heplige Wooꝛdt / ende bolgen fijn geboden die Het- 12- 25-
hp ong met Klare woozden inder fchyzift na ge- 07 S 15
7 Ioan. 1, 52
laten ende bevolen heeft / Die zijn De enlace Heb.3 s-
Chꝛiſtelijcke liercke / die belofte Geeft —* nà —
te Heb, 9, 4.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
EE ln — — —
——
—
en
— —
126 Van de Nieuwe Creatuere.
te kinderen Godts / Broeders ende Suſters de menighvuldige misgrijpingen ende ſtruye⸗
Chꝛiſti / want ſu zijn met hem upt eenen Dader
eboren / De nieuwe Eva / de vechte kupſſche
zunt / vleeſch van Chriſtus vleeſch / ende been
ban Chꝛiſtus beenen / Dat geeftelijche Hups
Iſraẽls de geeftelijke Stadt Jeruſalem / Tem⸗
pel ende Bergh Sion / de geeftelijke Arche Des
Veeren / Daer ín dat befloten liggen dat waer?
achtigh Hemels Bzoodt / Chriſtis Jeſus / on
fijn gebenedijde Woordt / de groene bloepende
Koede des Geloofs ende de geeftelijke Steenen
Tafelen/ befchzeeben met de Geboden des Hee⸗
ven. Sp zijn dat geeftelijke Zaet Abzahe / hinz
kelingen van haer zwache leven. Waren flcijdt
bepde inwendigh en untwendigh / en cuft nanz
mermeer. Waer ſuchten ende voegen is tot den
Allerhooghſten. Vechten ende Kampen tegen Phil.5.7,
den Dunbel / Wereldt ende Vleeſch / alte haer
leefdage / jagen naden boorgefetten prijs / dat
fpfe Krijgen moghten / ende bewijfen ’t alfoa
met’er Daet/Dat fn Des Weeren Wooꝛt gelaoven/
Dat fin Chriſtum in de kracht hebben ende ken
nen/ upt Bodt geboren zijn/ en Godt tot eenen
Vader hebben.
Siet) weerde Keefer / gelijck ick eenmael gez roan.r ra.
deren der Beloften / Bondt-genooten Gades / | fept hebbe / ſo ſegge ilk noch eens / dit zijn de hei⸗ Eph.2. 12.
declachtigh ín alle Hemeſſche goeden. | ftenen die Belofte hebben) ende van Gods Geeft
Chriftusis Deſe felfde Weder-geborene hebben eenen verſegelt zijn/dat haer Chziſtus Jeſus met alle
alleen de
geeftelijcke geeſtelijcken Koninck aber haer / dieſe vegeert | fijn verdienften/ gerechtigheden / bidden / woozt /
Koninck der Met den ongebzolien ſtaf ſijns Monds / name⸗
geloovigen. lijlt met fijnen Wenligen Geeft ende Woordt.
Hu belileetſe met het hleet Der gerechtigheydt
van reyne witte Dijde / hy laeftfe met de leven:
dige Wateren fijns Geeſts / ende ſpijſtſe met Bet
Broodt des Levens / fijnen QNaem is Chꝛiſtus
Jeſus.
— zijn De Kinderen des Veedes / Die hare
boreneen zwaerden tat Ploegh⸗· yſers / en have fpieffen tot
oor Sichelen gemaekt heben / ende en weten van
vechten niet. geenen krijgh meer/Efa.2.4. Mic.4.3. DP ge⸗
Matt.22.2t. den den Mepfer dat den Kepfer toebehoort / ende
Godt dat Bodt toebehoort.
tzwaert Waer zwaert ís Dat zwaert des Geeſts / dat fin
der wederge- pen goede confctentíe boeven Door den WP. Geeft.
— Eph.6.17. Hebꝛ 4. 12. Apoc.1.16.
Echt. Haer echt ig een Man /en een Wijf / na Gods
epgen opdinantie. Genef.r.27. Matth. 19.4.
Mar.10.6.1 Co2.7.5, 1 Cim. 3.12. Cit. 1.6.
Rfjck. Paer Rijck is dat Rijck Der genaden / hier in
Phiz:to. de hope / ende hier na inꝰt eeuwige leben. Mat.
25.1, Luc. 12. 31. en 13.16, HNom. 8.14.
De weder. Waer burgerſchap is in den Hemel / ende ge⸗
Preken aile bruncken deſe onderfte Creatueren/ als eten/
ruyke 3 : '
Ceremonien drincken / kleedinge / hupfinge met danckbaer⸗
reyn. bept / ende tot cen nootdzuftige onderhoudinge
Tide van haer epgen leben. Ende tot eenen gewil⸗
lighlijcken dienſt ban haren uaeften / nae des
Heeren Woozdt. Efaí. 58.7. Tobie 4. 13. en
14. 12. Matth. 25.35. Luce 6,38. Vrom.
12. 20
De Leere Haer Keere is dat onberbalfchte Woozdt
en weder- Godts / door Moſen ende den Propheten/daor
zeborcnen.· Ehꝛriſtum en den Apoſtelen betuught / daer op
fis haet geloove beftigen / ende maeckt Saligh
onfe Zielen. Ende alle wat daer tegen is / ach:
ten fp verbannen.
Jac. rar, Paren Doop bedienen ſy op Den geloobe nae
3333*des Heeren bevel / ende na de leere en gebrupek
Matt.28.rg. Det Heplige Apoſtelen. Act. 2.38. en 8.11. en
Marci16.15. 10.47. en 16,15, € 19.4. Ec.
Nachtmael. Waer Nachtmael houden fn tot een gedach⸗
a Cor.ai.az. teniſſe Ban Des Werven Weldaden ende doodt.
TCor1016. · Mar.14.21. Luc.22. 19. Ende
tot een verweckinge bande waerachtige bzoez
derlijlie liefde.
DenBanof _ Paren Pan ofte affonderinge gaet ober alle
—— foute verachters / groot ende kleyn / rijck en
geborene. _ AtM/ fonder alle genſien der perſoonen / Die cer
Rom.16.16. tijds onder woordt getreden zijn / ende nu af:
1Cors.3. vallende wederom ín’t Pups des Weeren erger:
liruns / lijden / vleeſch / bloet / doodt / vezrijſeniſſe /
rijck / ende alle fijne goeden ſonder alle haer ver⸗
dienſt mt enchel genade Lan Bodt geſchonken
ende gegeven is. Maer Wat dat de Sectifche
Vierchien (ſn heeten dan oock hoe fn heeten) boog
cen Leere / Geloobe / Leven / Weder-geboorte/ EN
Doop / Nachtmael / Ban en Gods-dienft heb⸗
ben / ende wat voor eenen loon haer oock: ín de
Schzift belooft is / wil irk den rechtverſtandi⸗
gen LTeeſer met des Heeren Geeft ende Woozdt
laten nadenckieu. |
Hier wil ick laten boogteeden ale de groot Merckt.
machtigen / Heeren / Vorſten ende Fegenten /
Die onder Den gantfchen Hemel zijn. Daer toe
oock alle Pauſen / Cardmalen / Biſſchoppen /
met alte wijfen en geleerden / díe ong de Schrift
van aenbeginne aldus gebroken en berdupftert
hebben / konnen fp ons met een eenigh woozdt
upt den gantfchen Bpbel / be wijfen (ick feage)
unt den Bpbel / Want menfchen fabulen (ende
leugenen en achten Wp niet) dat cen ongeloo:
vigh / regeer vleeſchelijc k menfche/
ſonder de Weder-geboozte ende waerachtige
Boete / tot eenigen tijden faligh geworden is /
ofte ſaligh worden magh / em dat hp hem foa
maet ban ’t Geloobe ende Chriſtus Doodt bez
roentt/ ofte Det Papen Miſſen ende Dienft
hoort / gelijcht de gantfche Wereldt doet/ de ſalie
fal met haer gewonnen zijn. Dan aenbeginne
en is't niet geſchiet / het en fal oock niet gefchiez
den ten eeuwigen dagen. Want konden ſulcke
onnutte menſchen fonder Boete ende Weder⸗
geboozte / door haer Miſſen hooren ende Biech⸗ ee waer
ten ſaligh wozden / gelijck fp arme kinderen het a:
founder alle Schzift berhopen/ ſoo moghtmen
wel met alle waechept feggen dat die voozſende
middelen ſterker (hoewel fn Afgodiſch zijn) als
des Weeren Woozdt waren.
Want het Wooꝛdt en kent geen Miſſen / enz
de fendt / Dat de onboetbeerdige ín haer ſonden Luce 13-3-
ſterven fullen, Bock waren Moſes en de Pro⸗
pheten/ Chriſtus en de Apoſtelen als dan de
valfche getupgen geweeft / en hadden ons bez
dzoefde Schapen (Daer mede ſy ons op een foa
engen ſmallen wegh gewefen hebben) jammer⸗
lijk bedzogen.
VOch neen / vrient neen / fiet boor u / dat rade
ick u/ Godts Mondt en fal u niet liegen / noch Mal-5:5-
bedriegen. Ick ben Godt / fpreeckst hn door de
Pꝛopheet / ende en liege niet. Alle wat hp ons
doo? fijn Propheten / Door Chriſtum ende fijn
Rain lijcken leeren ofte teven / tot Dat boete aen haer | Apoftelen in fijn Wenlige Woorzdt betunght
‚ bebonden wort.
heeft / Dat is alfaa fijn eeuwige onberander:
Haer dagelijckſche kermen ende klagen ig \lijchte wille Dat magen Wp alle Wel bedencs
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ober haer Arnie ongevallige boofs Dleefch/otger [ken / Willen Wp aen onfe zielen anders gr
Van de Nieuwe Creature. 127
bedrogen zijn: Det is kort omme al te vergeefs | doet/ gelijck hp gebiet ent hebben Wil / maer gen anders
gemift, alte bergeefs gevaed-vzacgt en gemid⸗ als gu wilt / fo is daer mede genoeg bewefen dan de mout
delt / De geboorte ban boven ende De —— als dat gp niet en gelooft dat Jeſus Cheri⸗ ‘preekt.
| boete moeten Daer zijn; Chziſtum ende fijn ſtus Gods Sone is / hoewel gp alfa fpzeecht /
WDao2D moeten wa gelooven, ende bp fijnen ‘aak niet dat fijn Wood de waerhent is: Ik
| Geeft / OpDinancie en Voozbeelt alleene ende | Want het Geloove en fijn Weuchten moeten ii
onverhindert blijven / of Die eeuwige Helſche by malkanderen ſtaen / Dat fullen fp ong alle |
beandt en pijne moeten onfen loan en deel zijn / | met deg Heeren genade moeten bekermen en KEEN
ig onwederſpzeekelijli. toeftaen. 10
Lermane en bidde u daerom / als die u ziele | „Pap arme blinde menſchen / zwijat ftille en
ín Godt bemint/ doet boete/ Doet boete ſeage ſchaemt u / ende laet doch Cheiſtum Jeſum/
Mat.3.1o. ick / ende en toeft niet. Want de bijte ig aen wet fijnen Geeſt en Woord / u Leermeeſter en
De Wortel ban den Boom gelent/ draegt hp | Boordeelt / oock uwen wegh ende fpiegel zijn.
geen goede vruchten / fa fal hu afgelauwen en | leent on Dat'et u genoeg zp / ſoo gu Cipi- |
tt oper geworpen wotden, VBaent dach over ſtum maer na den bleefche cn bekent : @f faa God en |
uarme ziele, Die met foa haftelijken fchat gez wanneer gp mactenfeat/ Dat gp aen hen gez foekt niet |
kacht is / ende en laet u doch níet langer met ,leoft: Dat gn gedoopt zijt: Ehiftenen zijt — ————— |
Lu1s.16. openbare leugenen vertrooſten /noch met Der: | En Dat gu met chriſtus dood en bloct gekocht xracht en
kens Deaf berfadigen. Want fiet / in Chꝛiſto (3e: Och neen / ick he u meenigmael gefent/ daet.
fegge iſt n / daer en is niet onder den gantfchen ; Citi ſeg t u noch eens/ gp moet alfa upt Godt
Hemel dat boor God beftact/of beftaen fal ecu gebaren sjn/ alfa in u leben bekeert en veran:
wiglijck (de geleerde roepen eu ſchrjben ook ſo deet zijn / Dat qu nieuwe menfchen in Chzifto
hupde en (a lange alg fn willen ) dat de nieuwe 3UE/ dat Cheiſtus in u is / ende qu in Cheiſto
Creatuere/ het Gelaave Dat daor De liefde, 3UE/ of gp en meugt geen Chziftenen zijn. zcor.s. 17.
wercht ende De onderhaudinge der geboden | Want foo wie in Chjzifta is / die is cen nieuwe
Gods. Crrature, |
Galen. Min getroutoe Leeſer / hier gelooft nu |, DStlooft ga nurecht in Jeſumm Chriſtum ret getoore |
Gals. miet * — het Dern Ber ie pe Booz | Belk qu roemt / ſoo betoonet nu met uwen de: —— |
Corvin, Gods genade met mijne lepne gate u gemes | VEN DAE gu gelooft : Want de gevechtige loeft NS |
Voor Godt fen hebbe, Want ien feggeudat/ ſoo waer: | UPL fijn Gelaove / als de Schaft fept, Eudat/ Ros: |
gelt alleen valle df even; | Dat alfa de waerhept is / heben Abel / Enacty Galz.rr.
—— achtig als de Heere leeft / alle díe u anders leren / en PD Er ij — Nii nad
Creme Dan wp hier upe des Heeten Woosdt betupgt 5 oe, Abzaham / Iſaac / Jacob / en Jo⸗ He-te-s5- |
z13.18. _bebbenf fn zijn dan oalt wie datfe zijn / dat zijn PRO) IPofes / Hofue / Caleb | Samuel / Da: IE
ierrg.14. De Propheeten dieu berlepden / en Die u kuif: D ‚„artheus/ Sacheus / Magdalena ende | J
snagar. feng onder uwe armen en die peulen an” | Ser us * noch alle bzoame kinderen Gods /
Easj-ro: Dee uwe hooft leggen / die den wand met val- |P an genbeginne geweeft zijn/ en oock noch
ſchen kalck plachten / en de Godiooſen vrede el met € week en Daet/ genoegfacm boor de
toefeggen / maer niet unt deg Weeren monot, | ZAWÊfthe werelt bewefen.
want alfa ſeker en vaſt alg het is dat de we⸗Maer hoe gpu door uwen gelaobe ín uwen
Dergeboorene ende boetveerdige De vechte leven fchikit / en ook hoe qp gefint zijt mag aen
Cheiſtenen zijn / die Godes waerhept/ dat uwe overdadige plompe liegen / bedriegen /
rechte licht / Die quifdfeheldinge haerder fon- | gieren / rapen / vloecken / zweeren / proncken
Merket den / endede gewiſſe belofte tot het eeuwige | en pralen / eplacen/meer als te beel gefien woz⸗ |
neerftiglijk, Teven hebben / alfo ſelier en vaft ist ook dat de |Den. Want uwe heete brandt inder ongerech⸗ |
bleefchelijke en onbaetveerdige/ De valſche tighept / gu en bzeeft God noch Gods Woozt / |
Chꝛiſtenen zijn/ Diede Serpenrifche leugen / | nach evenwel roemt gn/ dat gp in Cheiſtum It
dunſterniſſe / epgenſchap det fanden / ende de (gelooft / Chriſtus Woost hebt/ en Chꝛiſtenen | | Al
gcwiffe belofte tot den eeuwigen dood hebben. zijt / Ec. Hach ſegge ik eenmael /betertu/ oft Ike
ran dit —— —— is / ſal in — zwijgt ſtille / en ſchaemt u.
hept voor Ben Almachtigen ende grooten Bod Vooꝛder Tact an zen / rf
niet anders bevonden worden / Dies fal mp uwen ðooop DE akin * idd
fijn gewiffe Woord een waerachtig vetunge Geeft ontfangen hebt. Getrouwe Hefer denkt zeit dae
zijn ben ík Dooz fijn genade vaſt ende Wel Verz na / wanneer het aen u alfo geſchiet waer / gelijſt acht op wt
ſeeliert. q feat / fo moeſt gu mp innner bekennen/ hae hier geleyt
u fal ons bp abontueren ban fannnige (Dat ſulcke uwe Wedergeboorte fonder alle WP
gefent worden. Onfe geloove is/ als dat [gehoor des Woozts ſonderGeloove en kemiſſe
Thriſtus Jeſus Gads Sone is / dat fn Woot Chꝛiſti / ooſ fonder alle menſchelijcke verſtant
de waerhent is / en Dat hnons met ſijnen daat en wetenſchap geſchiet ware / en dat oock daer
en bloed gekocht heeft. Gok dat tn in onſen beneven de voorſende geboorte / en Dien ontfan⸗ HN
Doop herboren zijn / ende den Hepligen dBeeft ‚gen Geeft als dan fonder alle werkinge / wijd: —
ontfangen hebben / ende daerom gok De rechte hept / kracht en vrucht / ja ooli onnut en doodt Hi
Hecke / eu de Gemeente Chriftt zijn / ant: | inu zijn moeften. Want dat gy na den Geeft
wooden Wa : So u geloove alfo is gelijk qp | nach oackt na de kracht der nieuwer geboorten
fegt/ Waerantendaet go Dan niet / Dat hp u | niet en leeft / late ick De oogenſchijnelijcke
în zijn Woord geboden heeft? Want fijn gebot groote gierighent / dzonkenſchap / pralerne / ende
wars. 1, fent: Betertu/ betert u / en hout de geboden/ dat afgodifche bleefchelijcke lesen aller uwer
Martis. Chet is openbaer / dat qu alle dage noch al | gedoopten mijn getupgen zijn. Ja mijn |
Mat.18.3. erger En erger Waat / dat ongerechtigkendt ui | Defend wanneer gy alſoo in uwen Doop upt Wier de
——— Dader / en de booshent uwe Hoeder iS / en dat | God gebaren waert / en alſo De Heplige Geeſt nieuwe ge·
der verkeer- DES Heeren wprgedzukite gebaden u een fottept | ontfangen hadt / gelijck u uwe trooſters ws
den beruy- ett fpotterpe zijn. Wengefien gp dan fa niet en | malten/fo en kondet u niet en of dat —— zijh vrucht.
| eeſte⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
128 Van de Nieuwe Greatuere.
Geeſtelijke Been met fijne nieutwe Greftelijke | onruſtige en booſe confcientíe boor Godt hebt. pat den on ·
Bzuchten / moeften oocſi dact zijn / gelijkt het Want alle defe aengeteechtende ſuperſtitien en Woord —
van aenbeginne bp den hepligen geweeſt is / en | valſche Gods dienſten / Die alle weder-gebaet: Gods. dienst
oock noch ig. Want het is meer dan klaer / als
Dat de Weder-geborene moet willigh haer fou
Rom64 gen niet meer enteven / maer door den geloove
| ín een waerachtige boete met ’er Doop in
Galy.16. · Thꝛiſtus Dood begraven (ende alfoo met hem,
opftaen tat een nieuw leven, Ende dat die / die
Des Weeren Geeft hebben / oocli des Geeſts
Buchten baren / ende dat ap uwe fonden niet
en begeaeft / maet ín voller kracht Dient ende
leeft / énde oock des Geeftg Dzuchten niet en
baert / dat wort noch (Godt betert) met u pdel
Afgodiſch / bleefchelijck leven alle dagen wel
Bewefen. Mijn beiendt/ vpt reyner liefden
waerſchouwe iclt u / vermane en bidde u / waelit
op ende fiet doch toe wat deg Heeren Woordt
Sap.t4. leert / want den Geeft deg Weeren en wil niet
woonen ín een boofe ziele / noch im een lichaem
dat der fonden onderworpen ís.
Gal.3. Een tweeden / fegge icltu / ſoo qu vecht nae
des Weeren Woozdt gedoopt zijt / gelijck gp
meent / foo hebt gu Chꝛiſtum aengedaen / ende
Merckt. en leeft nuniet langer na Adams aengeborene
boofe aert / maer na Chriſtus Weder-geboren
goede act /&Ec. Ende nademael dan fulcr aen
u niet bevonden en Wort / maet noch gantſch
aertfch ende vleeſchelijck zijt/ gelijk het in allen
uwen vzuchten blijckt / foa is ’t daer upt open:
baer hoe gp niee WDeder-geborene Gedoopte
Ehriftenen / maer onboetveerdige vleeſchelijke
Wepdenen zijt / want uwe wercken geſchieden
ten meeftendeel na der Hepdenen wille/ algmen
de vzome ende goede confcientien vooz enckel is , dar Live
grouwelen achten / fien wp dat uwer conſcien⸗ is den vro-
tien (dewijle gu Chꝛiſtum niet en hebt / oc geuwel
en kent) befte —— ende hooghſten troo
zijn / mijn vriendt / fiet vooz u / gp wozdt van
uwe trooſters jammerlijk bedrogen. 4
De Geeft dee Pzophetien fepdt : Schzijft
aldus den Engel van Smirna / Dat fepdt de
eerſte ende De laetſte Die Daer doodt was ende
lebendigt geworden is: Ick Weet de laſterin⸗ Apoca.s-
gen van den genen mel Die Daer ſeggen Dat ſp
Joden zijn / ende fp en zijn ’t niet / maet fp zijn
des Dupbelg Schoole. Alſoo magh hp nu op
defen tíjdt oock wel feggen tot alle de groote ent
tupme Secten defer Wereldt / te weten / ick
weet de zware laſteringe / ende fie ooclt dat
quaet leben van den genen wel / Die daer ſeggen
dat fp Weder-geborene/ gedoopte Chꝛiſtenen
zijn / ende ſpy en zijn’t niet / maer ſy zijn des —
Duvels Schoole. Want ick en fie niet hoe (Ù se, geweldt-
bet erger maeckten konnen als ſy doen / Want sen.
komtmen tot de Over·heeren en Machtigen /
daer (8 ’t enckel ftoutighent ende hooghmoet /
enckel proncken ende pralen / danſſen / ſpringen /
hoereren / rden / jagen / ſtelien / bzelten/ oorlo⸗
gen / Steden en Landen verderven / ende leven
na haers heeten luft. N
Yomtmen tot de Ober-heeven en Rechters / bien —
Daer is een onberfadelijke gferighent/ groote "ETE
ontrouwe ende falighept / kloelte acnflagen om
de ellendige ende Godvreeſende te bedriegen
fien magh. Ick ſegge / noch eens / waeckt op / | (den beleefden ende vromen en meen ick niet)
ende hoûzt toe wat des Weeren Wooydt leert /
want foo ghp Cheiftum hebt aengedaen/ Dat
Í8) fao Chꝛiſtus in u is / ſoo isꝰt lichaem doot
om der ſonden wille / maer de Geeft is ’t leben,
Rom.8.ro. om der gerechtighepts wille.
Ten derden / fegge ick : Soo gu recht na des
Peeren Woordt gedoopt zijt / foo zijt ap lidma⸗
7 Cor.12.13. ten ende miedegenoten aen het Lichaem Chei-
1Perzzr- ſti geworden / ende hebt dat getungeniſſe eenct
Neemt dit goeder confcientie boor Godt: Maer aenge⸗
lelve weleer fien een lichaem ín hem felven nimmermeer gez
Deplt en ſtaet / noch fijn epgen lidmaten haet
oftelcedt en doet / maer Dat'teen lidt altoos
Dat ander Dient, helpt ende bpftact/ ende het nu
oogenfchijnelijcken ende met ’er daet aen u bez
banden wort / dat qu de uptverkoren lidmaten
Chꝛiſti foo onbarmhertighlijck vervolght / ber:
moozt en untroept / die oock u engen vleeſch en
bloed zijn, en die hp met fijn dood gekocht / met
fijn Woord gebaert/met fijn Geeft beſchonkien /
en hem tot een engen bpfonder volck alfoo ber:
koren heeft. Ende daer beneven oock cen We⸗
dergebaerde nieuwe ende goede confctentie aen
geen menfchelijke mfettinge / hulp ende trooſt
giften en gaven ſoecken ſy / dat vecht Des vecht:
beerdigen krommen fit / nemen geerne geſchen⸗
ken om onfchuldigh bloet te forten / De waer⸗
hept berbolgen fp / dat vecht ende goet verſtoo⸗
ten fin / Gods beeft en is niet boo? haet oogen.
Yomtmen tot de Schyziftgeleerden ; fin zijn 't Leven der
dan Pzedíltanten/ Papen of Monnicſien / daer Selserden-
bintmen foo een pdel/ lecker / lun / welluftigh en
bleefchelijk leven faa een verdorvene Antichaíz
ſtiſche leere ende verſtant des Woords / foo een
haet / nijt / laſteren / vezraden / liegen en oproe⸗
ren / ober allen vzomen / dat ick mp ſchame / dat
iclt't boor deughdelijcke eerlijcie ooren ver⸗
haelen ofteroeren ſal.
Dat gemeene Volck loopt als een dulle Hoe) Oze-4-16.
gelijckde Propheet klaeght. Sy liegen en bez
driegen / vloecken ende zweeren bp des Weeren
wonden en Sacramenten /bp fijn oordeel / hant /
macht / lijden / doodt en bloet. Ick fchame my
in mijner zielen / dat ick deſe laſterlijcke zware
grouwelen hier gedenken moet. Sy tunſſch
ende fpelen / Dainken en bechten. Summa
haer overdadige) leelijk quaet leben en is niet te
beletten / ende haer groote fothept en is niet te
Geloove en foeclit / maer met den gelaobe reyn ende al⸗ keeren / noch mact Pt evenwel heeten / dat gez
verlaet hem Yeene aen des heeren / Geñade / Gerechtighent/| melde Heeren / Nechters / Geleerden en ’t gez
alleenop _ ebedt/ Derdienfte/ Doodt ende Bloedi
Chriftum en
meene bolck de vechte Weder-geborvene Werke)
fijn verdien- hanqht / ende qp u noch op der Papen ende en de gedoopte gemeente € heifti zijn. De barm⸗
— banen / Pien Biechten / Abſolutien / hertige lietse Heere wil doch alle fijn untverko⸗
Water | Broodt/ Wijn / Olie ende Vigilien tene kinderen boo? alfoodanigen Wedet-ges
berlaet ende trooſt / foo geeft het werckt getun⸗ boozte / Doop ende Gemeente eeuwigh behoe⸗
geniſſe door hem ſelben / als dat gp niet alieene | Den ende bewaren. |
geen Dienftelijcke lidtmaten aen 't boogfepde
De waerhent betupge ickt u ín Chzifto/neemt Chriftus en
lichaem / maer veel meer verſcheurders ende | het waer foo grt wilt / ban aenbeginne en heeft ——
ſchenders zijt. Dock dat op geen vaſte ſa⸗ Chziftug Jeſus nont alſullie openbare onboet⸗ «a.
maer een feet wanckelmaedige / verdoemde / | Stadt / Nijck ende Gemeente geleden /
ligh -tupgende / breedfamige ende goede / | beerdige bleefchjelijke Sondaers ín fijn Pele
pen
falfe
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
| Van de Nieuwe Creatuere, 129
falfe oock niet lijden tot eeuwigen tijden, Dat, giet / den armen Burget ende Huysman uwes
gelaoft mp. * engen Gelaofs-genooten om lijf ende goet
„©® Almachtige Godt en Heere / hoe jammer⸗ brenght J brandt / plondert / untrooft / vanght /
lijclt wordt boch uwen Hepligen Daderlifchen | fchhat / pijnight / aackt den genen die u noyt geen
Dille / ende uwen aenbiddelijcken hoogen) leet gedaen / nach quaet woort gege ben en heb⸗
Naem befpat : En hoe onweerdigh én kler! bern, Ack en weet voodwaetr niet hoe de heſſche
wort u henlſame Diere Waaid geacht : ja hae | Behemoth hem dunvelfee ende ſeclijker foude
ten leelijlie / afgoͤdiſchen / vleefchjerijitert / wiee | magen tiecen als qr / ofte uwe lidmaten doen /
den en bldetgietigen Dupvel wort van Cheſio | die haer laten dunſten Dat fin Chriſtus Kercke
u beminden Soon gemaekt : Want alle haer | zijn. Godt die behoede ons, Wijven en Macqge
grouwelen / ſondem fchendernen warden van |Den fchent: au / den vroomen Godvzeefende verz
ed met fijnen gebenedijden Heyligen Haem / | volght gn. Openbare Hoeren hipſen /dronkes
doord Doodt en Bloedt bedeckt. ne Herbergen / Scheem -fchaolen / Dpeel-
Schaemt u / O qu achtelooſe verkeerde men⸗ banken ende Biergelijfe fchanden meer lijt qp.
fchen/ fchacmtu/ (feade iCk) voor Gadt ende Der Afgoden Himſen ende. Beelden mer alie
fijne Eugelen / Dat ms aldus öngefchicht / re⸗ den valſchen Godg-dienft et is bp u noch mate
bel / wilt ende Wocft leeft / ende noach durft fed- noͤch eynde / ick laet noch ſtaen uwe ondzaegh⸗
gen als Bat an de rechte Weder geborene e-| lijke laſter Ilie vloeken ende zwecten / liegen /
ende werce meenten / ende De gedoopte Herche Cheiſti zijt) | bedziegen / dronken deinlien } hoereeren/ pon⸗
Vanfuleke ende fiet ín al de gantſche Wereſdt / wat ſeben
SE Een Doodt ende Bloede met u dragen / en dock
diclzwils hel felt Eu verhaelt / ick veehael’t u ken/ pzalen / &c. Wat wilje veel feggen: Sch
noch ceumael: alle die tat Godt gebaren zijn | ſrheyder at / want ick Tact nin Duunchen Det er Recht Leb
inden Geeft / Der ende Water vecht gedoopt | ander den gantſchen Wemel niemandt en fal Joannes _
zijn / gelijk de Schrift eere/Die zijn Hemelſch | geböriden wodden die uws Geloofs en Doopg- ers uk
dus in malo
ende Goddelijk gefint / hate ſonden begraven génoaten zware grouwelen / böoſe ftuchten/rug- conftitutus
fa / ende beten een boetveerdigh/ v2oam | handelingen / ende groote grove fchanden / op <t,
derigljdelijk levén nae deg Heeren Doazdt / ſy het naentte kan vertellen. Een gerechhtige ziele * 1o**--1:
bewüſen den aect ende kracht Chriſti/ met | moet hem verſchricken over defe groote ſonden.
mondt ende werck Die ín haet woont / fin haven: | Tiebe Deere fiechtand. Ja wie het noch niet
be beuchhten des Geeſts j ende dempen De werc⸗ | berfkaen en kan / als dat gy ban boven niet gez
ken des vleeſchs. Sy zijn aogbaerlijke lidma⸗ boren en zijt / niet vecht/maer tegen alle Schrift
ten aen Des Heeren lichaem ende werken nade gedoopt zijt/ eñ dat och alle uwe beroemingen
mate als haer gegeven is. Sonmia / fn zijn | ban quhtſcheidinge Der ſonden / ban Chriſtus
wuchtbrengende tankskens aen Den techten barnihertighent / genade) berdienften / 9 eeſch /
Wijnftackt / ende hare vruchten blijven ín dat bloedt / ktups / doodt / gemeente / vijch en eert:
eeuwige lesen. ‚os | Wige belofte) onmut en ſonder Schrift zijn / dat
Maer nademael het ín u nu openbaer ig / dat moet een qantfch onberftandí bende plomy
gp in allen uwen bzuchten dat tegendeel be⸗ menſche zijn / moetmen —————
wijſt / ende men aen u gantſche leven niet en/ _ Och Leeſer / hoe wepnigh denkt gr opuws
fiet / noch fien en lian / dan dat ’t enchiel Werelt | Heeren Woozdt / dat u faa hoogh en Dier beboz
ende vlees is / foo isꝰt immer daer mede meet | Yen is. En hoe flern acht gp u arme ziele Die
‚als lilaer / als Dat wwen gemelden roem ban de met foo koftelijken fchat gekocht is/ Die eeu⸗
nieuwe Geboorten / Geeft / Doop / Gemeente wigh met Bode in den Hemel leben / ofte eeuz
en Kercke niet alfoa de waerdent / maer in den wigh niet den Dupbel ín det Bellen ſterven
gront pdel/ leugenachtigh en valfch ís. moet. Meent gp mijn veient/ dat de Heere een
De Henplige Schrift ende ons gemeen ge⸗ dromer is: ofte Dat fijn Woordt een fabel zu /
loove leeren ons / hee de Heplige Cheiſtelijke och neen /_een eenige letter en falder op aerden
Berclte een bergaderinge der getechtigen ende | miet vervallen / van alte ’t gene dat bo geſpro⸗
een gemeenſchap der Lepiigen is ende Wíe | ken heeft. Wet waer wel titdt dat gn toefacht /
ſlechts met halve oogen in de Scheift fien ſian / ende leert kennen hoe de belifte dee genadert
moet belsennen / hoe dat uwe laercke en verga⸗ | niet den onbelieerden en onboetbeerdigen / maer
deringe / cen bergaderinge en kercke Bet onge: | den bekeerden en boethgeerdigen van Godt toe:
techtigen/ Der hoerachtigen / der onboetbeer: | gefent eu geſchomen Bes 5
digen / det vleeſchelijke ende Sodamiten / fac Gen pegelijcit za getwactfchoutwt ende en bez
ooclt der bloetdorſtige Wolven /Leeuwen / Bey⸗ trouwe niet langer op leugenen / als dat hj eenn
ren / Bafilisten / Serpenten / en dee vnerige geddopt weder-geboren Cijziften zn / uiet où
bliegende Draeken is. lange gewoonten Der tijden / noch op des Paus
Och osfenden/ vecht doch op uwe hoofden / Decreten / noch; Vepferlijke Placcaten/noch op
ende Doet open uwe oggen / O gp betooverde /| de kloethhept ende glofen der geleerden /. noch
eenige menfchelijfte goetdunkenhent / Conci-
Dat fp boeren) Die gelijken Doop met in ont⸗ lien / Gnfettingen ende wijëhent. FDijnen vaet FEA.
gen of Chri- fangen/ gelijck Avõöntmael en Werckten-dienft | (fpzecht Bodt Dao: den % — — ende
met u gebzuolien / gelijken roem ban des Hee⸗ alle wat ictt wait / falgefchieden / Gods Woerdt
ge — rr B — —
Ant Het is Alaerder als den klaren dagh (8 / | Concilien en Infettingen mogen geen gehobe
bat uwer bele foù onſinnigh zijn / foo Lan des maken / Dat ardoch pinant doos foude Saliaf *
Oupbelg geeft gedtechen worden / dat ap u ſod worden / ig onmogelije: — —
onder malſtanderen haet / benijt / bijt ende ver-|_ Ong is een Encuum ín den Demel ge⸗
teert / dat jb oock gantfche Poꝛſtendommen / inaeckt bat wp alieene hooren en bofgen moe⸗
teden / Sloten ende Burchten met uwe ver⸗ terr / ein is Dat / dat ong Chꝛriſtus Gods eerſige⸗
loekte Oozlogen ende Oproeren ín den gront borene / en eenighgeborene Sone ſelve unt dert
erderft / Dat menfchelijke blacdt als water ger: | Ademel deagen/ unt hips Vaders mondt ge
% leett /
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
blijft ín eeuwighent. Doeften gewelt en men- EG.40 8.
fchen geboden! met alle haer Vijlis-dagen / Petras.
136 Een Lieflijke Vermaningë. | *
i Te met teelienen ende wonderdaden be⸗wijſen. Want nademael de gantſche were
lam Chriti hencheiat / ende tenlaetften met fijn toode | (wepnig untgenomen) op enliel ——
en wort niet loet berzegeit heeft. Dit Concilium ſtaet / het leere / leugenen / gedichten / fabulen/ L fs |
yeanders sraet (feggeickt ) ende en fal oan genen pooz: |dzapde gloſen / op enkel Afgoderpe / ‘ende ij |
Mat.17.5. ten der Pellen omgeftaoten of verandert Woz: | eenen valfchen Gods-dienft gebouwet ſtae
Mar.9:6. aliikt. haer daer op vertrooſten / en roemen het gene
—— de wort ong allen m’t gemeen dat zy niet en hebben noch en zjn / ſos bebich
en jk gelectt/ Dat wp Ehzittum moeten hooren / ín (u upt rechter tvouwer lief den met Dat onwer⸗
5 —* az |valfchede cepne Woord dee waerhent / op't
— —— — eioeetn har ad —*— nae mijn fimpele gave in deſen
335. gan beden meeten gebooren woyden / den kin: | Send brief gengeweſen / wie de techte weder⸗
Mat3.8. deren gelijk warden / niet aen t verſtant / maer geborene / boetveerdige / en gedoopte Chai
Lut3s- aen der. booshept / Chpifto gelijk gefint woz- | ftenen zijn/ die belofte hebben of wie fp niet
ri den / dat wp alfa behooren te wandelen gelijkt | en zijn / op dat alfoo alle hongerige dozſtige
1Cori4. alg Chelſtus gewandelt heeft dat wp ong conſcientien / Die oM God poeren / in vechter
Phila.s: _ felwen moeten verfaken/ ons Keung moeten | wijfe ter eeuwiger falighepdt magen Met det
oant opnemen / ende Chgiftum navolgen / foa Wp | waechept berfadigt wozden en niet langer DE
Mat.10:37. Dader of Neder / Sone of Dochter / beg er — hen ee ditg
KEEN | Lu.14.26. ons epqen felfs leven liever hebben dan Hem wget verdoememſſe #
HIE —— Dat —— dan niet weerdig en zijn/ |gen. Jadat fp volt alle mogen BOND
HEEN | soa sis. OOk niet fijn jongeren ie mogen sn 5 led) —* — dpd ———
(IER Roma.» Dat de overfpeelders/ hoerenjager ⸗
EEEN | he dDoodflagers / afgoden-dienaerg/ en ellendig / ſeerig / arm / nackt en bloot voor des
EEEN — — er Ae Godts vijck niet | Peeren oogen ffacn. De Heere ſtercke u.
HELEN | B ns. Geeerven en fullen/dat men de wereld en al wat | Gelooft Godtg onbedzieglijke waerachtige
1 sPelat. Daer iig/ niet lief hebben en fal/ hem der Woordt. Betert u boofe ſondeljeke leben /
4 Mata619- wereid niet gelijk ſtellen en fal/ dat men doo? bidt met betrouwen) en zijt gehoorſamig F
00 . het Geloove fijn booſe vleeſch afſterven / ende — Chai / Aad ld
EREN 0 | Mar.14:21. wael overwinnen fal/ dat men een Op: | KOFLE EO ;
BEREIDEN —— —* —— vroom * in den —— light: en in en er ale
AREN —— nde recht ín allen dingen na des |gen / die Godt ;
BENEN E | zach Beert abaen heetten fel Stem /dat men fjnen lieben Hinderen Doo? Ehaiftum Jeſum
UITEN 2Tel36. dp den Gelaove / en níet fonder gelaove Door heeft toegefeptengegeben. n ) die Chziz
EREN | Nereis. penfal/ deg Leeren Peplige Noondmaclmet | Genade zu met allen dert — od big
ig loan. EER oprechte boetveerdige gemeente({ft meen 't gu Kid —— * ſo q
| 587. | u⸗ —
OE en gemeten
0 hap schaf J sn odt ban Geeſt en Woord laten ũichter zijn / fo ſalmen
HERRE EN Lev.io.1g De Schrift boeven fal/ dat men Godt ban d der wacts
KEEN saligisdie, gantfethec heten vreefen en Dienen / lief hels | wel bekennen / dat den vaften grou
OBE | dieindes ben en in fijn gebooden wandelen ſal / en fine hept betungt is.
Woord _ Maeften met alles wat men heeft of ——
wandelt. ¶ helpen / trooſten en Dienen fal/ en Diergelijke
999— 3 leermgen meet, Een lieffelijke Vermaninge aen
k 1 Been Siet/ weerdige Leeſer / giet hebt gp eens⸗ den verftrooyden, en onbekenden
Woord deeis dat onveranderlijke eeuwige Concilium Kinderen Gere Anno Vb nin
| | veracht. Bodg/ Dat in de wijfe Faed-kamer fijnder der getal gantfch Broedelijk
KEIEN NHajeſtept verfegelt en befloten is / en bupten gelchreven:
ELN | Dit en kent ho geen ander meer. Saligh zijn
alte die/ die bit met een waerachtig vaft Bez |
| Joove aennemen / cu die haer na haer ontfanz A Len untherkoren Kindereu Gods biet ett
il gene mate in haerder amer zwackhent nae) daer verſtroont den gehepligden in Chri⸗
fj fijn beftmtinge (datis nae Chpiftus Geeft /|ffo Jeſu mp nae den vleeſch onbekent/ mijn
J Woord Gdinantie / Gebodt / Verbodt en ſeer beminde Bzoederen en stek gehe if
Í anbefivaffelijke Doorbeeld) in — F —— — le ent Berduldigheyt Chzifti /
hoozfaemhept geene houden en ſchicken wil⸗ Deede.
a heben / beemaledijt zijn atte die/ die |_ Wertgeondelijke lieve Broeders J ned
| Dat bevrachten) tberftooten / berbloecken / ha⸗ in Chriſto Jeſü / ick late ih zò ee ee
ten / fafteven / beſpotten / verbolgen / upt-|den Weten / alg Dat mp ban ed F ge
J roepen / int water en oper ſtooten haer ap | Broeders aengeſchreven en 5 — * Ee u
et menfchen gewelt / inſettingen / ende fabulen de barmhertige getrouwe “4 Via e⸗
J— hertrooſten / want fs berfalten den Deere dieſe melſche gaven ſijnder Godlijker kenniſſe alfa
EE geocthe heeft / en verwerpen dat Euangelium befchenckt en met ſijn Peplige Geeft alfa ver:
| Deg vreeds / gelooven ook. niet dat €Chaiftug licht / dat u Geloobe doo? de liefde dadig uwe
IE apetars — Jeſus haer Meſſias/ ee ij / Wooge- | hope levendig / uwe eenighept onder m rite °
| Priefter | Propheet ig. Och hoe goed waer [keten Cheiſtel lt / em den Brede (eer Vieffelijc 1
J. het dat zu arme lieden nimmermerr gebaren is / en Dat de emeente des heeren haer noch
in en waren. De barmhertige liebe Heere gun: alle dagen ín grooter kracht ert heerlijkhepdt
|
Î
|
dert en untbzendt.
ne haer omgekeerde nieuwe herten / dat zn | Doo? Gods Genade bermeer!
| (a falia orden ($’t | Waer boor ick fijne Daderlijke goedtient met
| — doen en eeuwig ſalig worden is biijder per be cle Jen fifn emade bide nas |
a Wil dan nu hier mede de Materie af korten | demael hputot De gemeenscgap n
| en Ben Wel-meenende Keefer tot dev Scheift den Soons / ende tot Dat onbergauckelic
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Een Lieffelijke Vermaningë. 131*
“Telgen ¶ Eeuwige Büch finder eeren dooz fijn Hepligh op met dat ſchone blinkende Kleed van repnder |
Cuangelium alfa beroepen heeft / Dat hp ook | witter zijden. Weeſt hem getrouwe tot de den
ut nut voortaen met De flecke ſrracht fijng God⸗ | dood / en wacht u van bzeemde boelen. Geeft |
| lijcken arms in u aengevangen Geloobe/lu geheelijckien hem tot epgen/ Dat he uwe if
Iiefde / Leeringe / waerhept ende leven heyl⸗ Heere en man z / die umet fijnen H. Geeft |
| (ai en fonder alle ergerniffe tat aen ‘tepnde en Wood / Heere / tuchtige / vegere/lepde en |
J eware / getrouw ís ha die u geroepen | ſtiere ende fijn volle werk in u dppbe : want
beeft, bp fal’t dock fonder alle twijffel wel, gn zijt fijns / want hu heeft u doe? fijn Genade 2Cor-5.20: Ie
— foo gp maer vierig inꝰt gebedt ent an | aengenomen / én getrout / met fijn diere bloet —— li
evanderlijck in uwe voornemen blijft niet fla gekocht / fijnen Dader berfoent / tot Prieſte⸗ — |
perig noch Yup en wort / en alſoo ten laetften | ten en Honingen gehenligt / en tot erfgenamen —“J—
TN wederam met dat wederfpannige ongelhoogfa- fijns eeuwigen Tijks gemaekt. Immner ís ’t —J.—
me Iſraẽl naden vleeſch - patten van Egyp⸗ billijk en vecht / dat wa fo cen beleeft Heere en KE
tente fien / daer ong de genadige groote Heere | Man voo fuiche fijn groote gaven dancken / |
eenig boo, beware. hem hooren / fijn Woorden wel ter herten
Aengeſien gu dan (feahick) tot alfulkken nemen / en doen wat hem beaegelijk ig,
hoogen en heerlijfken Genade beroepen zijt/alg | Wieve Kinderkens / en Vaceft niet / iaer
verhaelt i$/ ende wp ongettwijffelt wel weten zijt in Den Heere Wel getrooft/ want het ig
met wat zwacker neder vleeſch wy arme kin⸗ een foo getrouwen Lroomen Konink /dien qu
der en behangen zijn / en hee dat de boofe fot: | gezworen en nwe nie en booz gebogen·; hebt /
delijke aero van Adam in onſe merg en ſenu⸗ den Dat dderminfte woord eu fult geniet aen
wen Mgedzongen is / onſe hert ende gantfche | fijn belofte faeljeeren; hp wit oufen fchilt en Gen.rs.t.
leben verontrepnigt j oock Daer benebenupt ſeer grooten loon zijn. Daerom en twijffelt
iPer.s.5 der Schri t aenmerchken/ hoe onſe wederpar⸗ noch wanckelt niet: Want bet is een hlepne
thder Satanag rontom ons gaet als cen bzief- fafie/ Dat wpnu den band der Sonnen / bez
ſchende Leeuw / houdt wach vierdagh nach nauthept / angſt dzuk aenverhtinge/ bez
ruſte / maer foekt / Wacht / en wacht op fijnen roobinge / bervalginge / gebankeruffe / en ook
tijd Dat bi ong verflinde, : det Bood. cen foo keten tijd lyden en dragen Matas. 3
— Daerom is mijue trouwe vermaninge det moeten / is Doch alrecde De Babe boor Der |
ensoc er u / al8 mijne gelijclie Medeſtryders in dit deuten/ die ons (eggen (al: Aamt gp gebene?
—— quaedwillige vleeſch en hutte des doods / dat Djde/ ende gact in de vreugde ivv⸗ Heeren.
Rom1.29. GP Doch een nauwe achtinge bepde inwendigh | NIS dan ſal deſe onſe kazte tocucighept Mm cert
— — en untwendig wilt hebben op u ſelben datgn! eeuwig lagchen / en onſe vergarhelijke pijne |
col.r.ro. Wweberten met Gods Geeft en Woozt befnijt/ [fn een onophoudelijke vrolijk ept berandert
‘Phils.27, leert / reypnigt / bermaent/ en tuchtigt uwe | worden. De Eprannen mer bare bloedige
Shilat 5 gedachten in Den toom houdet / uwe onrepne | Placcaten filler: alsdan op eeh epnde zijnen
mn de boofe luften ín de vzeeſe uwes Gods dempt | het wer tmet alien onfen verbolgeren/Facherg/ Ap.7.5:
zloas.s. en untbluſt / want falig zijn die / die van herten | en Beuls unt zijn. Het Lam fullen top vol; +ELz4c
repn zjn. Wandelt weerdiglijk den Heere en se met blinchende klederen aengedaen/ heb⸗ ****7:
fijn Euangelio / Daer toe dat ap gekomen zijt; „ben Palm-tacken ín onfe benden en Kronen
oet alle wat u Godt bevalen heeft / fonder | op onfe hoofden/ geen quate noch ſmerte / noch
alle twiſt en mnemureren/ houdet en ſcrhint u pine des doods en fullen ong meer aencoeren /
alfa dat niemant met der waerhept ober u te inaer wp fullen Dien die op den froel fit / ende
Klagen en hebbe / oprechte hinderen Gods, Dat Lam in onuptfpreekelijker vzeugde ende paaie
onftraffelijkk midden onder dit erge ende ver⸗ heerlijktept graat maken / prijfen / eu danken Mar;.1.
Keerde geflachte / en gelijck de fchoone Klaere | eeuwiglijk.
fackelen lichten ín den donketen dupfteren | Diet / mifit kinderen / op deſe aengetogen
nachte ban deſe tegenwoordige boofe We: | toekomfte veranderinge vertrooſten haer alle
veld. | * techt-geloovige broome heeten / daer mede fin
De Deere Jeſum Chriſtum ſetet u tot een hare zielen ín lijdefaembepdt bezitten wel we- Ár2:5-
Doozbeelt/ eñde bolgt fijne boet ffappen nae / tende / dat haren loon groot ín den Pemel ig; P-*"* Li
wandelt gelijk alg ha gewandelt heeft / want | en dat daer en tegen aïler gadloofen patt en HE
daerom hebben gepredikt Moſes ende alle de | Deel Dat eeuwige onuptbluffehelijke vper on: HEE
Pꝛopheten / Daer toe ig de Soone Gods ban der Dat onberdzaeglijke verſchrikelijk Oordeel
beu hoogen Hemel afgekomen / en de 19: Apo | Gode ín der Dellen afarontis/ foo fn haet
ſtelen uptgeſonden / Doop ende Nachtmael | anders niet bekeeten en ban gantſcher heeten
7 en — — ———— en: @ Wee / wee des atmen volks /
oo? Die ſelve vermaent zijnde / Op waecken / tot Welck eener ij je
| brt Ben > — ——— 3 hen quaden dagh zijn fp gebo
| even m der gerechtigheyt boeren Mullen. WDeeft | _ Mijn kinderliens zijt vapindedia ín Cheiſto
20. 16. ‘ é *
| Perras beplig (fpteclst de Heere) want ick ben heplig/ ende eu berzaegt niee fo lange wp Godt
| Perag. gpy (fept Petrus) cen uptverkoren geflachte / | met vollen eruſte meenen /Betm foetten/v3eefen/
Ex.19.6. een Loning / Prieſterdom / een henlig Volck / | lief hebben / eeren / ende dienen / en met eenen
n een bolck dat Godt gewonnen is / omdat qu | aprechten tepnen phiee ín Der waerhept Wan:
an fijn deuchden fult verkondigen / Die u vpt Der delen ſo en kan ons noch Werelt / noch bleefch/
dupftecniffen geroepen heeft ín fijn toonder: | noch tprannie / noch dupbel / noch fande/ nori
loaaas. life licht. Gp zijt gaften aen Des Weeren | helle / noch dood beletten / maer de dverwin
Cafel beroepen /en tot de Bzunloft des Lams | inge / die met een vaſt geloobe in Cheiius
ingetreden / ja fijn untverkoren Vziendinne | bloed gefchied / fal door Gods genade onver: PL.18.3e;
€
g. en Bzupd zijt gn geworden /Dattomme fa höost | hindert aen onfer zijden ſtaen / en dat doorden Phit.a.fs.
| vld ooft fijn femme gewilliglijlk / en alle wat-hem | Geeft Chꝛiſti die in ons — Dooꝛ mijnen —
| Ez168 gelieft dat doet onderdaniglijelt. Verciert u | Godt (ent David ) we ick ober De muuren
| 3 ſprin⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Epb.s. Je
Mat.arelte
en 25.59
et.4. 23.
1 Ioa:4 je
Cot. 13.4.
Ro.a3. d.
XX. 28.39.
Col.3.14-
Eph.6s15°
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
133 Van de Nieuwe Creatuert,
ſpringen. Paulus ſeyt: Ick vermach alles
door Chꝛeiſtium / die nan fleck: macht,
Debt goede moet (tent Christus ) ik heb de
wereld overwonnen. Alſod oberwumen vaks
alte die / díe bp Chriſtum blijven / gelijk men
níet alleen aen De Prophetten / niet alleen acn
De Apoſielen / maer oock aën bete vzꝛoome her⸗
ten nu tot onfen tijden ín fo grooten kracht en
klaerhent ſpeuren en fieumag. _ :
Sonderlinlis mi niet meer / maer fiet toͤe dat
gy et laet, wandelt / waengetdgen Bzun⸗
lofg=kleed bewaert / altijd Olie in uwen Lam⸗
pen hebt / op dat u de Heere niet ter ontijt en
kome / betoept en nackt u bevinde / ende alſo
bunten der detwen ſſunte / of in De diepste dun⸗
ſterniſſe henenftooten.
Met ongevalſter waetachtiger beoederlijd:
Ket liefden unt vepnder herten hebt malkanz
deren Beetelijcken lief/ alg die wedergeboren
zijn/ niet upt een beederffelijkk / maer úpt dat
Ouverdetffelijlt zaed/ wat dat Woord td: levert:
digen Gods / en die Daer blijft ín eeuwighent /
want de liefde is uyt Godt / en Godlijker aert/
fp handelt bepde Lao? Godt en den menfchen
oprecht / ſy ig lancktmoedig / etn 2 ende
vꝛeedſamigh / fp en Doet niemandt ongelijck.
omma de liefde is ontbefttaffelijk ende baert
bare viuchten Cheíftelijk / ſy is den Geeftelij-
Ken geftickten Gordel ban Aaron ende fijnen
waerachtig / ongebalſcht en broom: Chꝛiſten. zloa4,: 6:
@aerom ſos neemt doch deſen bant wel Waer,
want fo guhem verlie ſt / ſoo verlieft gn Char
ſtum Jeſum en dat eeuwige leben.
Wacht u van alle valſche leere / van alle
oneenighent / twiſt / en tweedracht / en hout u
ſonder alle wanckelen aen Chꝛiſtus Geeft /
Woord en Poorbeeld / ſoͤ gu anderg Wilt ou⸗
bedroogen zijn, Waut een pegelijkk Geeſt die
be met Chaiftus Geeft / Woord ende Pooz⸗
eelt niet genoegen en laet / en hem ín fijnder
zwakthept daer na niet en ſchilit / Die eu is niet
unt God / maer hetis den Geeft des Antie
cheífts / Die u en allen bzomen geerne wederonr
van Dat diere licht des openbaren waerhepts /
dat ong arme kinderen nu in defe geouweljke
laetſte tijd fo genadelijk betfchenen if / beroo⸗
ven / ende alfoa opden verkeerden krommen
wen des doods andet eenen goeden fchijn der
Schzift voevenenlepdenfoude. *
Mijn kinderkens in Chtifto / sik gewaer⸗
ed upt getrouwer Bzoederlijcker liefden
ſchrijve ikku. De barmhertige genadige Heere
gunne u dat qu het met ſodanige herten moet
lefen / hooren en verſtaen / dat ’et ele vzꝛuch⸗
ten ondet u bꝛenge en uwe vruchten mogen
Blijver fn ’t eeuwige leven. Biddet voor
uwen Armen onbekenden Broeder / Die ulief
beeft inder waerhept. Wie volſtandigh tat Mat.28.ns.
Soonen/den Goydel det volliomenthent en den aen t epnde blijft fal ſaligh wozden. De
ſchoonen band des bꝛeedes. Och ——
ſaligmakende kracht ende breugt des Rooden
a íg Die / Die met defen bant begort is / want Bloeds Chꝛiſti za metu/ en alle mijne Apts
{8 upt Godt geboren / hy is ín Bod en God verkorene liebe Bꝛoeders ende Suſters meene —
dle ig heim Fa waer defe liefde ig / daer iß een wighent / UIC:
E E _N In
TROOSTELYCKE
VERMANINGE;: (|I
Van dat Lijden, Kruys, Vervolginge der EEN
Heyligen, om dat Woordt Godts ANN
ende fijne Getuygenifle. ELKE
DOOR
MENNO ST MON &
Matth. 5.11.
Saligh zijt gy „als ude menfthen verfinadenende vervolgen;
ende eggen allerley quaet tegen uommijnent wille,is'8
dat fy daer aenliegen ‚ Zijt vrolijk „verblijdt u, het Ie
falu inden Hemel welgeloont wordenswant 1 HIE
alſoo hebben fy de Propheten vervolght
die voor u geweeft zijn,
1 Corint, 3. 11.
Daer en magb geen ander-Fondament geleyt worden, dan das 'er
geleyt is, dat is Chriftus feſus.
Gedrukt in't Jaer onfes Heeren, MDGLXXXh
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ep)
8
8
T
—
©
[an]
Ev
®
®
£
Ke
=
—
®
ee
vj
5
GS
5
ra
5
Pand
ed
2
2
3
Vv
2e
4
a)
®
Vv
—2
5
8
el
®
®
beed
®
D
8
E
oo
ON
[aa]
NN
en
em)
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Genade en Vrede , een open gefichte des Heeren,
een volftandig gemoedt in allen verfoekingen, wenfcheik M.S.
allen waerachtigen kinderen Godsvan gantfcher zielen, van
God onfen Hemelfchen Vader, door fijnen Sone Jefam Chri-
| ftum onfen Heere in de kracht fijns Heyligen Geeftes , tor
| onfer aller ftichtinge en Saligheyt, AMEN.
VOORREDEN.
—— Broeders en Suſters in den Heere, na dien de alderbarmhertigſte
AEGodt enVader door fijn ongrondelijke Genade en goetheyt nu in deſe lactfte
tijden alles ongeloofs, grouwelen , fonden enafgoderyen, ja indefe laetſte ver-
fchrickelijke moetwillige, rukelooſe, verkeerde en bloedige Werelt , fijnen ge-
| benedijden eenigen en eeuwigen Soone Jefum Chriftum , die oo veel hondert Ja-
ren onbekent geweeft is ‚ nu wederomme ommige voorde oogen haerder con-
| fcientien gebeeldet heeft, dat boek der Godlijker bekenteniflen, en des eeuwi-
| gen waerheyts, dat fo menigh hondert Jaren geflooten geweeftis, weder geopent
heeft. Sommige dooden, die nu niet vier dagen na den vleefche, gelijk Lazarus, |
maer wel twintig of dertig Jaren „ ja alle haer leven lank na den Geeft in alle fon- |
den en godloosheden verrot en verftorven , uyt die vuyleftinkende graven haers |
ongeloofs en ongerechtigheden, opwekt, en indat Nieuwe onbeftraffelijke Le- |
venroept, en roept, nu fommige arme, ellendige, verbijfterde, magere, ver-
hongerde Schapen, door de Predikatie fijns Heylfamen Woorts in de kracht fijns ij
H. Geeftes, uyt de handen der trouweloofer Herderen, uyt de tanden der ver- |
|
|
|
fcheurender Wolven, en voertfeuyt de dorre onvruchtbare weyden der meníche- |
lijker Leeringen en geboden in diegroene vette Weyden op den Berg Ifraëls, en |
ſetſe onder de hant en bewaringe haers eenigen en eeuwigen Herders Jefu Chri-
| fti, die haer met ſijn roode en dierbare bloet cot eenen vryen eygendom aengeno-
men, gereinigt , engekocht heeft, daeromme vefftooren hem nualle Helfche
Poorten , Herodes is uyttermaten feer verftoort, ende gantfche Stadt met hem, IE
om dat fy uyt den wijfen hooren, die van Godt geleert zijn, dat de Konink der Ii
Jodenisgebooren, den grooten Draek, de oude'kromme Slange, dievan den ik
Hemel afgeworpen is,en nu fijn hooft en kracht door dat beloofde Vrouwen-Staet Ii
gebrooken is, overwonnen omdat, bloet des Lams, en om dat Woord fijnder
getuygenifle ‚isin grooten toorn ontfteeken » wel wetende dat fijnen tijt weynigh |
en kort is, drijft fijn werk en cyranniedoor fijn kinderen en dienaren des ongeloof; u
met grooter grimmigheyt en raſerye tegen allen den genen, die met des Lamsbloet —0
beſprenget zijn. Annas ende Cayphas met allen Schrift-geleerden raetflaen in
Chriftus doot. Judas metallen valfchen Apoftelen en Leeraers verraden en leve-
ren hem. Herodes met allen Heeren en Vorften verfimaden en befpotten hem,
Dat gemeene Volk roept: Crucifige, Crucifige. Pilatusen alle dien des Sweerts
S
dienft
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— J
ze zn de —— — — —
VOOR-REDEN.
dienft bevolen is,rechten hem ten Staecke, Vuer, Zwaert ende Water, Dedienaers
vangen, befpouwen, geeffelen , kroonen ende dooden hem. Centurio opent zijn
fijde, die andere befpotten,lafteren ende fchelden hem. Wie iffer doch die dat arme
onfchuldige, vreedlamige, weerloofe Lammeken (het zy dan meter herten, mondt
ofte hant ) niet en vervolght ‚, moordten fchendt? Ja inde Goddeloofe Caim heeft
de bloedige moordadige Tyrannye fijnen oorfpronck genomen, ende heeft fijn
konft, aert, vrucht ende natuere aen den vroomen ende Godvruchtigen Abel wel
meefterlick bewefen 4
Gelijck dan dat verhaelde Lammeken van begin der Creatueren des overwonnen
Serpentsnijdigheyt, en fijn uytverkoren lidmaten, belogen , vervolght en gedoodt
is, ende foo het fchijnt, oock fulcks (na Schrifts verhalinge) niet en fal ophouden,
foo lange te famen gerechtige ende ongerechtige op aerden zijn fullen, ende nu oock
byfonder tot onfen tijden dat Kruyce Chriſti hem over allen Godvreefenden Godts
Kinderen, die uyt dat krachtige Zaet des Heyligen Woords aen den binnenften
menfche W eder-gebooren zijn , aen allen kanten na den voorbeelde der eerfter Va-
deren ‚roertende fien laet. En kan ick des niet achter laten , ick moet mijnen lieven
Broederen ende Sufteren , de Medegenooten onfes geloofs ende lijdens, een wey-
nigh met des Heeren W oordt vermanen van dat lijden, kruys ende vervolgingeder
Heyligen, in de Schrift overvloedelijck verhaelten aen den vorigen Vaderen, beyde
des Ouden en Nieuwen Teftaments, oock nu aen vele vrome getuygen tot onfen
tijden * blijckelijck in der daet beweſen, op dat fy oock nat Exempel der ſel-
viger Vaderen , haren voorgefêtten kamp en ftrijt in allerley lanckfinnigheyt , lijdt-
faemheyt, fterckheyt, vrymoedigheyt en volftandigheyt, door de kracht haersge-
loofs ‚ in Chrifto Jefu onbevreeft en ridderlijck onderhouden ; en alfoo de beloofde
krooneontfangen mogen. Hier toe gunne ons de Vader aller goeder en volmaeck-
ter gaven, door fijnen lieven Sone Chriftum Jefum onfen Heere,fijn Rijcke Genade
in de kracht fijns Heyligen Geeft.
rly European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
a EE
TROOSTELYCKE
VERMANINGE,
VandatLijden, Kruys, Vervolginge der Heyligen, om
dat Woordt Godts ende fijne getuygeniflë.
Van 't Kruys Chrifti.
Matt, 5.10. Aligh zijn Die (fepde Chri⸗
A ſtus) Die verbolginge lijden
om der gevechtighent/Want
dat Hemelrijck hoort haer
toe.
Ick vermoede wel weer:
p De Broeders ende Sufters
| | Win den eere / als Dat de gez
trouwe arbepderg ende Dienaers Godts / Die
met alle neerftighent cen pegelijk na fijn ont:
fangen gave onder u geplant ende genct heh
ben /u met Dat letgendige Woozdt des Henligen
Euangeliums Jeſu Chzifti gebaert hebben /
op den aften anberaerlijken haekſteen Jeſum
Chꝛiſtum na Godlijker aert gebouwt hebben /
u Gods Wenlige Woozdt / Wille ende Ozde-
ninge nae fijn welbehagen geleect hebhen/ u
als een goetwillige gehoorſaeme ende vepne
Beundt uwen Gzupdegam Chꝛiſto Jeſu ín
allee liefden bygevoeght hebben / dat Die ſelvi⸗
ge oock Defen ſeer engen/ nacuwen ende ver⸗
finadelijken wegh in aller ernſt voorgedragen /
Luce 4. dat Rrüns gepzedicht/ ende defe moepelijke onz
Mar.r6.24. boften tat Defe Godſalige bauwerne Wel aengez
—
REN
SE
eN) —
1Cor.3.21,
3 Cor.q.1s,
Eph. 1.13.
:Cor.3.21.
Matt.7.14.
332. efen ende vermaent hebben / want het doch
loan.1.1z. Miet faljeeren en kan (gelijck gp wel weet) ofte
en 2.3 alle Die / Die Chriſtum Beftun hooren ende vol⸗
es Kee gen willen / door de rechte deure Chziſtum Fez
Di
—— Chꝛiſtum nae den eeuwigen leben (het licht
Chriften zijn C hzifto)wandelen Willen Die moeten eerſtmael
denkrmyce Den felben ban geheeler herten verſaken / daer
bereyt ffaen. Nae oock alles wat haer is fa maeten dat druc⸗
Matt.16.24. Bent Rruns allee armoeden / ellendighendts /
Luce 14.25. verſmaetheyts / jammers ende bangighendts
op hen laden / ende volgen alſoo den ellendi⸗
gen / verachten / untgeſtootenen / bloedigen
ende gekrunſten Chriſtum Jeſum nae / gelijck
hu ſelve fepdt : Die mp volgen Wil/ díe ber:
faeclie hem felven / hp neme fijn krups op hem
ende volge mpnac. Jae al die / die tot Dit ſeer
gehatede affchouwelijkke bange leben des heup:
ces ende dzoeffeniſſen niet bevepdt en fact /
ende niet en hact Dader, Hoeder / Sone /
Goudt/ Goedt/ daer toe oockt fijn engen
fende u als Schapen onder de Wolven / daerom Matt-zo.26,
weeft voorſichtigh als Serpenten/ en fander
valshent alg de Dupben. Wacht u voor de
menfchen / want fp fullen u leveren Mm haer
raethupſen / en in haer fcholen fullen fp u geeſſe⸗
fen en boo? Dozften en Koningen fult ge gelent
worden / om mijnent wille / haerlieden en den
Hepdenen tat een getupgenifte. *
Item / De eene broeder fal den anderen in Natt. 10.24.
den doodt leveren / en de Dader den Sone / en de
Kinderen fullen hen berheffen tegen hare Ou⸗
ders / en haer ter doodt helpen / en gp moet gez
haet wozden ban alle menfchen/ om mijns
Naems wille.
Item / De Difcipel en is niet boven fijnen Matt-ro.24s
Weeſter / noch De linecht boven fijnen Heere)
het is den Diſcipel genoegh dat ha zu als fijn
Meeſter / ende de Knecht als fijn Heere : heb⸗
ben fia den WPupg-bader Beẽlzebub geheeten / Matt.10.37,
hoe beel te meet ſullen fn zijn Pups-genooten
alfoo heeten.
Item / Wie Dader ende Moeder meer lief
heeft dan mp/ Die en is mijns niet werdigh /
ende wie Sone of Dochter meet lief heeft dan
muj / die en is mijns nict weerdigh / ende wie
fijn keupee niet op hem en neemt / ende volght
mp na, die en is mijng nict weerdigh / wie fijn
leben bint / Die fal dat verlieſen / ende Wie fijn
ſum indringen willen / dooz de rechte Hepr· ſtrate leben berlieft om mijnent wille / Die fal het
vinden.
Item / Sp ſullen u im Druck leveren / ende Matt-24-9-
ſullen uw dooden / ende gu moct om mijnes
——— wille gehaet Worden ban alle volc⸗
ieren.
Item / in Joanne / Sp ſullen u ín den ban loan.i6.2.
Doen / maer den tijdt komt foo Wíe u doodt die LCC 9-5-
fal meenen / ha doe daer Godt eenen Dienft en sant
aen. loan. 15.20.
Item / Leeſt oock / Mat. 16.24. Mar.8.34. MISE,
en 13.9. Ti 3.12
124
he, 2Ti. 3
_Gtem/in Acts / doop veel dzuclis moeten Wy 2 Tiaer 1.
gaen tot ’t ANijcke Gods.
Item / Paulus, Alie die Godſaligh Wils
len leben ín Chriſto Jeſu moeten vervolginge
Dochter / Man / Pzouwe / Hups / %eher/ | lij heiſto ef
ijden.
Item / Is't dat wp mede ſterven ſoo ſullen
In J |
Heben/ Die en magh des Weeren Difcipel niet | wp mede leben / foo vp mede lijden / fullen wa
zijn.
Mijn getrouwe Broeders / Dit is cen Waer-
achtigh ende gewiſſe Woordt / want de eeutuíz
|
oock mede regneren / Ec. Ya van deſe aengetes
kende bangighept / dzuck / dzoeffeniſſe / clieude /
bannen / flagen: fchelden / beliegen / bezraden /
ge waerhent / Chriſtus Jeſus / heeft’taen beel | bangen/ beroven / fmadelijkken doodt en hrupce
plaetfen der Schzift in grooter klaerhept felve
acngewefen ende betupght. Diet fent hu: Ick
der Hepligen / oberbloent de gantfche Schrift
bepde met — ende ooclt met
2 creme
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van't Kruys Chriſti.
exempelen ende gefchtedeniffen aen alten plaet⸗ een volks dat Lan de Chꝛiſtelijlie liefde en vrede
fen niet en weet /Dat fijn heete ende handen ín den
Dewijle dan de rechte waerachtige gerech⸗ bloede badet / dat van naturen tot vangen en }
tighent ende Godtfalige bramighept van den Wozgen geboren is / kinderen en mede-genoz
Werelt aen / dug.ellendelijk gehaet / vervolgt / ten des geens / Die ban den beginfel af een
uptgeftooten ende Vermoord ís) gelijck aen Dn | Doodflager en. Leugenaer geweeft is / daer
borigenHodbzuchtigenDaderen overblaedelijkt |ban de gantfche Schzift getupgt / datfe den
bewefen is / dock nu ín def laetfie tijden aen ‚ondzagelijken vloek en maledictie/ Dat ber:
geel wel gefier en bevonden Wozt / alg gefept — oordeel Gods en Dat berflinden:
is / acht ick ’tna mijn bedenken wel profte⸗ De helfche vper toc eeuwigen tijden lijden en
lijk en goet te zijn onfen jongen zwacken en draegen moeten / of't en zp Dat ſy opwaecken
anbefachten Bzoederen en Suſteren unt Gods upt den doodelijken diepen flaep haerder leelij-
Pet.2.12.
a.9.44
loag.44. ;
Woozdt aen te wijfen / Wie en hoedanigh fa | ket ſonden / Lan gantfcher zielen boete doen / Mat.3-8-”
zijn / Die ons aldüs vervolgen / en ons deſen Dat vzolijſje Euangelium Cthiſti met volder
bzuli ende leet aen doen Waeramme fp dat | heeten gelooven / Chriſtum Jeſum inder kracht
doen / waermede fin haer Cyrannie en bloedt: aentrecken / en alſoo in haren gantſchen leben
handel voor vecht beweren / Wat profijt ons | en zuchten met der daet bewijfen / datfe ha⸗
wipt het krunce ontfozinkt / en Wat belofte dat | ten God upt alle hare Krachten ſoeken / vzeeſen
Hoss toegefent wort alle den genen Die door De | en lief heben / hp zp dan lieyſer of Koninck /
hracht haers Geloofs ín allen aenvechtingen Doctor of Wicentiaet / Borger of Hupsman /
Cher en nooder overwinnen / en Door Chriſtum Aer Man of Pzouwe / want bp Bod / fept Pau⸗
bereythem ſum den fivijt behouden / op datſe Gem Dao? lus/ en is geen genſien Det perfonen/ maer
altijt toe … ſulne goede aenwijfhngen in der tijd tot alſul⸗ Wie Dat fande doet / fal fijne fonden dza⸗
verlakinge, fie verjnchingen rufen en ſthicken mogen / |gen.
vEefgz, gengedaen met Der Pauzier Der getechtige| Min weerde en getraume Broeders in den
ben Schilt des Geloofs / ende gegort met het naekten /armen / ellendigen eu onverſtandi⸗
zweert deg Geeſts / im | gen bolt ist in Oobttijcke handelen/ Dieu
alderiep ootmoedighept / fachtmoedighepdt / Uwer confcientien en Geloofshalben dus bit:
ljdfaembept / met bierige gebeden en fuchten terlijk fonder alle bavmbectighepd / uptroepen
tat den Deere / fo wanneer Daer eenige haefti- | En ombzengen.
qe berwaedende oproer tegen ons opſtaet ende Daerom behoort oock allen uptberkooren
uptgeroepen wert / ons dat felve alg dan on- | gebepligden kinderen Gods / hoe hert zp ooft
beefieng niet en overvalle / eenen onverhoopten Met Den Virupce ban haer benaut ende belogen
wind ſiorm / en plascegen onfe hupg niet ter | wozden / niet aber haer te vertoozuen / maer
Mat.7.27. neder en werpe / den brand Der Zonnen dat hertelijk medelijden met haer te hebben; over
Lu86. opgewaſſen keupt niet en berdzooge/ des | haer arme zielen weemoedelijkt te fuchten /
1Gor3. 15, pers hitte en beacht dat opgebouwt werck | en met alder ootmoedigkept en bievighept nae
al.3.27.
Rom,13; 7:
bert / besteed met den Belder falighept/met | eere / merhet woel : Aldusdauigen blinden / „cor2. 1.
tot afftheu niet en verbernen / cn wp ong alfo | deu voozbeelde Chriſti eñ Atephani vaar hare Ac7.se.
boas haer grouwelijk dreygen / oproeren ende | woedige en Gerdoermelijke onwetenhepdt ende
wee tot eenen Doodelijcken afval niet en |blindheptte bidden/ Want ſn en Weten aldert
ontfetten ende berfchzicken/ daerom Lieve foo Dat níet watfe Doen.
deert ’t en verſtaetꝰt in alder liefden / Want npt
e weet offe God noch eenmael BOGEN en rn saulu⸗
renner. Hiefden heb ick dat mijnen dieven Breoe⸗ | heeten gade / om noch tot eeniger tijt te ſien / magh cen
beren / a mikt ontfangen gave tendienfte | En te bekennen / ín wac blinde ongeloobe Dat Paulus
eſchreven / weet de Deere. dat
— ae eerſten / leve Broeders / achte ick Dat | wat balk datſe vervolgt / en in wien datfe gez
feet noodigh te zijn/ een pegelijk Godvruch⸗ ſteken hebben.
tfaf kint Gods ende ſtryder onder den krupce{ Och mijn liebe Broeders aemmerkt u eygen
Ehꝛiſti / die verfachtinge ende verkoelinge ín | boozleden Teven Wel; wp hebben alle eenen
fijnen dauck en lijden foet / Welk hem over⸗ Heere hiet baortijdg met haet gedient / eender⸗
omt om dat aetupgeniffe Gods en fijnder | lep kleedinge met haer gedzagen / gelijkmen
canfcientien / met alder neerſtigheyt te beden⸗ ſpreekt: Maer Wat wp nu zyn / Daten zijn
ken / wie / en hoedanig datfe ziju / Die hem | Wp niet unt ons/ maer upt God inder Gez
fa berwoedelijk vervolgen /Benoutwen/moepen | naden Dooz Chriſtum Jeſum.
en leet aendaen / hae dat fin geaert en genatu⸗ | det
reeet sijn/op wat wegen dat fa wandelen / en | grooter barmhertighept unt onfe verdoemelij⸗
unt wat Bader ſo naden Geeſt geboren zijn / | ke dupſterniſſe in fijnen wonderlicken lichte
alte Die dat met neeeftigtent fien / ende met | beraepen heeft/ leeft eenwíalijk / fijn oore en
der Schrift wel vechten kan/ fal na mijnen | (niet beeftopt / fijn hand en is niet bekort /
heduncken wel bebinden datfe geen Ehriſtenen | kan oolt haet wel hooren en helpen / gelijk hj
maer een ongelovig / bleefcheljfk/ aectfch / | ong gedaen heeft/f8 ongetwijffelt.
fi gelegen / wat onvepne leben datie gevoert / Warden-
E96.
Defterche Godt / Die ong dan na fijndet „per2.2r,
moettoflligfp / blind / berftolt / leugenachtig, Enoffe hen dan ninmneemeer en bekeerden) Ess:
Hier leert sekd : \
nnen diſch verkeert / nidigh / wzeed / onbarm⸗ maer met berlteerde onboetveerdiger herten in
in Dg dn ne —
erna TE *
visten volk : Een bolck; dat inder daet en brucht betwijft | epnde namen / Weten Wy wel / wat de ſchrift
vervolgen. datſe noch, Chriſtum Jeſum / noch ſtjnen Va⸗ | alsdan over haer betungt en untſpzeelit / te
loa.16.2. der en beenen, hoe wel ſp fijnen Hepligen | weten datfe dat Rijkze Godts niet he-erben en
—— naem met Den mond fo hooge prhſen / en met ſullen / maer Dat haer Deel ín Den bperigen
den lippen groot maecken/ een volck Dat op pael zijn fal / die Daer brandt vper en ſolpher /
ſſibberige kromme en verkeerde Wegen gaet | CU dat vner fal een eeuwig bper zjn. —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Rom.r.3 2e
iCor6.ro. Alle die Dan dit aldus grondelijck kan bez
Galsar. Hennenen inſien / te weten/ Dat zijn vervol⸗
—5 gers dus geheel blind en onverſtandig zijn / in
c Alles wat den Geeft aengaet / geihen boben
O Godt wie geſent is / en Dat haten loon en deel met den
kandefe Engel deg afgrands den eeuwigen ondzagelij-
Gure maffe ken toorn Sods Dood ende Helfche brande
nimmermeer ophouden en fal/
Veups om dat getupgenifje
opgelepdt / níet meer dan tijdlijckk ende do⸗
genblickelijck en is / Die heeft daermede eenen
fijnen middel / zijn herte door Gods Genade
Van ’Kruys Chrifti,
139
Koninklijke wel gebaende Heyzſtrate tot ben
eeuwigen leben met goeder trouwen voordra⸗
gen/ en alſo voor de eeuwige Pelfche Doodt
en Gods toorn / met Leere en Leven / fa veel
als in ons is / in allen goeden manieren Waer:
ſchouwen en afſehricken.
Siet / mijn getrouwe Broeders / om deſe
zijn ſullen / die eeuwig en ceuwig dueren en oozfaue hier berhaelt/ licht / fchzijft/ roept /
ende Datong predikt / ende, opvoert de gautſche Wijde We-
Jeſu van haer veld Dus nijdelijk over alten broamen/ ende is
in ſullien anmenfchelijken verwoedthent ont:
fielen / als gu ſien meugt. Dat oon de ver⸗
fcheurende Wzeede Wolven / ende bzullende
renn / ban allen toorn / nijdighepdt ende we⸗ Lecuwen / mer haer vergelclien geen Wolven
Derwzaeckt tegen haer te bewaten / vieriglijck ende Veenwen/ maer enckel tamme Gedier
boo? haer te bidden / God onfen eenigen noot”
helper fijn ſaecke alfeen bevelen / ende fijn ziez
le midden in den Verckter/ vper ende Water / | haers Daders / datfe noch
in alderlen fachtmaedigheptd / lanckmoedig⸗
hendt / ende vzede onberbzoocken te bewar
ren,
Cen tweeden / achte ick dat aack een fijne
beefachtende plaefter ende verkoelinge onfer
ellendighent ende jammers te zijn / fo wan:
Titz4 neer Wp maer De epgentlijcke oogfalte wel en
: bedenchen / waerom onfe vervolgers ong
et.4.2. vnandlijck haten / en foo Deerlijck om naem /
faem / welvaert / goedt ende bloed brengen /
| namelijk / daerom / om dat ong de verſchee⸗
erger men Genade Gods door Chziftum Jeſum ín
enzo28. gelichtet is / Dat wp dat gepzedichte Euange:
toa. lium met eenvoudiger herten gelooven / en Van
Rom.8.3. onſe blinde ruſie ooſe lesen en Doodelijcke were:
I Ken afftacu/ dat op de rechte wacrac ige
enz.4. Gerechtighept deg geloofs van God ge-epfchet
Mat.28.18. en de gehoorſaemhent deg H. WDaords door de
xTim.6. 13 repme bacefe onde liefde Gods / ín onfer acmet
Mat.13.:6. Chziſtium Jeſum in eeuwighendt gebenedijt
ten / ende ſachte Lammeren zijn: Want ſoo 102-8.44-
hert Dzifie De bronſtige bloedgierige Geeft 3375
Del | op de Wet Godts Gal 4.
ende Chzeiſti / wellke De liefe ig / noch op vreden
ende befchepdentjept / noch ap de ingeſchreven
Wet der Natueren / door welker De eene vedez
lijke menfche den anderen billijk nae Godts
welbehagen in alder liefden bejegenen / dzas Geen nijdig-
gen / Bermanen / ende dienen foude/ acht of hert © groot
merk hebben/ jae dat aach wel fomtijdtg De here an S
natuerlijke Dader fijnen epgen Soone / ende vegen Godes
de Soone fijnen Dader / De Moeder haer veg 5.
Dochter / ende de Dochter haer moeder / de “OH
eene Broeder den anderen fijns geloofs halben
met hact/mont of hand inder daat levert / gelijſt
Chꝛiſtus fept. —
Siet / foo ſtoutelijk treden ſy ſonder eeni⸗
ge mijden ende vreeſe in de Juriſdictie Gods /
in Dat Ampt des Lepligen Geeſts: Deijven Eph.r.az.
Chꝛiſtum Jeſum / dar: ooft alder Borſten⸗ Col. 2. 10.
dommen en geweldigen / Die alle macht heeft
in den Wemel ende op Der Aerden / upr den
alſoo met haren pferen zweerde/ nae
loa.i3.13. 3Wachhepdt begeerenna te komen/ dat wp | Stoel fijns Godlijken Majeſtents/ en ear
ACL Mat.ar,
Hier merket alleen boo? onfen eenigen Verloſſer / Midde⸗
deoorfaks Jaer/ Doorbidder, Weplandt/ Geeftelijcke
vrome lijden Konink / Boorbeeld/ erder / ende Boo? on:
moeten. ſen eenigen onbedziegelijken Leeraer en Mee⸗
teen ſter houden / en bekennen: Dat wa alle Gee⸗
Matz.rs. ſten / Heere) Concilien/ Oedeningen/ Sta:
en 15.14. tuptenren Ceremonien / foa verwe den Geeft /
Res: Ende Geloobe aengact / met Chriſtus Geeft /
zloa.r.so, heere) Ordeninge / Geboden / en Ceremo⸗
nien / echten / en pzoeven / en alfoa alle dez
boden enn Ceremonien der menfchen/die Gods
Geboden ent erermanien untſtooten en beenie:
len / niet alfeen boor pdel en onnut / maer oolt
als beedoemelijk en Aſgodiſch met der Schrift
achten en genſien omm dat Wp onfen Godt |
boben alle menſchen eeren en vzeeſen / fijn |Den, | | IE
gloricufe waerachtige Wood fn Weerden hou: gebiet en hebben wil, (0 LN
Den/ om Dat wp De ourchne / ongefonden | Deh! dat God doch eenmael gave / Dat de rr35.,. | |
epgen blind goedtduncken ende vleeſchelijck |
voornemen / de uptveritooten Godbzeefende
vroome herten doo? Chziftum Jeſum in God
verlicht / ober welker geen letterlijk zweerdt
en richtet noch richten en magh ceuwiglijck:
Want fb zijn geeftelijk ende pwweren om Godt
ende ont fa Peplige Woord unt dat binnenſte
haerder Zielen/aock tot den doodt toe. |
Siet / fa ſpijtig en ſtout (fegge ick ) is dat |
menfchelijk vernuft /en fo ſeer Meet en vpand⸗ HEEN
lijk is de Datanfche nijdighendt / dat et hem ME
niet enn bzeeft met fijn moogdadige doodlijcht | |
zweerd te ſtrijden tegen den Alderhoogſten / |
te ſtelien in Chziſtum Jeſum / en na alte fijn —
vermogen te verbolgen Gods P. Beeft/ gas [1
ven / Woord / waerhept / ende alles wat God |
TE en eee ge
Afgodiſche / verboeriſche / ende bloeddozſtige blinde Wachters defer wereld / ick meene De DePredikers
Peediltanten na der Dcheifeniet hooren doz⸗ Predikanten ende Schzift · geleerden / haren
ben / om dat tp de gantſche wereld ſoo verre hoozne in vechten toon/ en tot beguamet tijd 0
op immer konnen ende mogen / Met Godts blaſen konden / of datſe hem aen Den wandt ae oorfike, [|
Woord en Dactamenten / en met cen ootmoe: [hangen lieten /Datfe dat doodeljk maastgekitijg
dig nedzig leken / ja doch ín Der zwackhendt / [daer mede níet fa tprannelijken upt en riepen /
ua onſe ontfangen gave in aldet liefden ver⸗ de bleefchelijke blinde wereld niet langer ſoo
manen en boozgaen / en alfa ín haet berboerf- en vervoerden / noch De geweldt · hebbers ende
fche Leere / Afgodiſche Sacramenten / ende | Overigheden tot dat berderben ende bloedt: KE
ín haer mactwillige/ aerdſche vleeſchelijcke wozgen der Hepligen als De honden op een Nee J
leven/ hae wel alles tot haren beſten / bez hisſeden / of dat gemeene bollk eenmael van |
ſtraffen en in haren heeten ende confcientien | haren feutdeeg en Zwijnen Draf / ja van haer Tuc. 15, |
befchacmt maken. Somma) am Dat wp | Geeftelfjk ſtelen ende maopPden / een hertelijck zoa. zor. KE
haer de gewiſſe en onbedsiegelijke Gods waer: | walgen en verſchricken krijgen konden. Gak Aro.17.6. |
bent / dat rechte waerachtige Licht / ende de |allen Negenten en kh iu haven toom
3 ei
fijn des ont-
fchuldigen ikk
Mat.16: 6. kk
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
mmm n
— — — ⸗— —
— ee * X
et) 5 1 —— er” ê EE * ES * nen * c— * —
J * — ⸗ — — — — — ns - — * Em * — E = 2 men : s — N
— 8 x — * — —— — ——— — * ES — vld „ati ——— — — 5 = sn ee ee ee — - - B
- — * en hmm — _ = ” ES Es — — —— —— — — — — — — — î7,— — — — es — L$
— — = n 7 — — — — — = * — — v8 — m en 5 — — — — — — a — — Ie — — we « HK
: 5 _ : — — — — — — — ç — — — e
/ S n _ * — er oe en — — — — — En — a. mr pn * - — - — — * maine mai Mn — — * 1
pm ek inn ——— maas n ne a aan * * * _ _ — * mn — e — — — — — — — — E pe N J
nn a — . * — —— * — — —— re 8 — — ——— —— — — — — > — — — — * — — — —
— — — — — — — en == — ⸗ ö— — — — — — — — — —— —— —— — — — — — J
— — z = == — — — E ã | K
’
— — —
Gea. 3.1.
Mat.5.39.,
Gen.4. 2
Abel was
Gode aen-
genaem ·
Laet ons
en heeft den
Hebreeu-
140
Van ’ Kruys Chrifti,
ende gebit unt den mondt ſcheurden / en veele | ende hadde grooten Tuftaen jagen. Als hu
verfchzichelijche opfitterg ende bloeddzijvers | eenmael te huns quam / feer vermoent / heeft
ban haten rugge afſtieten / ende niet langer hu Jacob fijnen Broeder om eender fpijfen
als gebonden Efelg alfo van haer drijven lieten | halven fijn cerfie geboorte verkocht en toege⸗
3
foude (fo mp dunkt ) haten acmen zielen voor
Godt wel geraden ende goet zijn. Doch ick
vzeeſe Dies / Dat de leugenachtige moozdadige
Slange wel de nijdige bijtende Slange blijven
fal: Endat de firijdende Douwe / de nieuwe
Eva dat dagelijkkfche bijten en knagen in alder
verduldighent ende lanckfinnighept met haren
Viinderen aen haer hielen tot aen’t epnde lijden
en d2agen moet.
Gelijk ick dan uwer liefden hier onder wen:
nigh woorden aengeteeckent hebbe / de epgen:
ſchap / Geeft / en Natuere van den geenen Die
u verderven / goed en bloed ſoelien: en oockt De
pꝛincipaelſte / dzingende aogfakken/\waecom ſy
ſullis boen / So wil icli ook nu ſammige Hiſto⸗
rien ende exempelen upt der H. Schzrift mijnen
2Broeders voorꝛoragen / tot trooſte en lavinge
van alle ellendige, / bekommerde / bedroefde herz
ten / die om der gerechtighepts wille dzuck ende
ellende ín haren vleeſche lijden moeten hoe het
gevalt / in welker hiftovien en exempelen al fulx
alle (als gehoort is) in alle klaerhent bevonden
en geſpeurt wert.
Ten eerſten / als nu onſer alder Moeder
Eva haer twee eerſte Soonen / te weten Caim
en Abel / gebaert hadde / is Abeleen Schaep⸗
Bert geweeft/ ende Caim een Ackerman.
et is gefchiedt (fendt Geneſis) na fonunige
Dagen dat Caim den Deere eenen Offer bzag⸗
te banden bzuchten des Ackers / Abel desge⸗
lijks ban de eerftelingen fijnder Schapen en
ban haren bette/ ende De Heere heeft gefien op
Ubel ende fijne gaven: Maer op Caim ende
fijne gaven en heeft ha niet gefien: Daerom
ís Caim feet toomig geworden / en heeft fijn
aenfchijn door grooten toorn verſtelt / gelijck
De Godloofen ober de Godzeefende altijdt, | |
* den Lande ſijnder geboorten ín heeten / tat
Deen / om Dat Godt haer aenfiet/ en haren
Offer bemint / fpzacht bedziegelijk met fijnen
beoomen ende cenvauvigen Bzoeder Khel /
ichentexe ende als fin nu op den belde Waren / / moght
mict.
fijnen moogdadigen bperigen Geeft / niet | d
gehaet ende van ſijnen ongeeftelijkken/ / wilden /
langer gebonden ende fijn bloedige wzaeck⸗
gierige herte niet langer verbozgen blijven /
het moefte in ’t werck blijcken / Dat in het
woren.
Daer na (gt ook geſchied / dat Jacob dooz
bedzog ende liftighepdt fijns Moeders van
fijn berjaerde Dader Iſaac onder Den name
of in Den ſchijn fijns Beoeders Eſaus / de Be⸗Rom.⸗. 10
nedictie bertiteeg : doch het was alſoo Gods
opfet en Wille / tot een gedenkeniffe der letter:
ike Spnagoge ende det Gemeenten Chaiftí /
nae den woorde des Weeren tot Rebeccam gez
fchiet / doen {p noch zwanger was / te Weten ;
weederlen volcken zijn in uwen Lichaeme /
ende tweederlep lieden ſullen hen uptſchenden
upt uwen lichaem / ende dat een volk fat dat
ander te boen gaen / en de outfte fal den jong:
ften dienen. |
Als nu Efau fulks gewaer worde / heeft
hu bitcerlijk geweent ende geſent: met recht
is hu Jacob genoemt / want hp heeft mp nu
tweetnael vertreden De Benedictie heeft hu Gen27-36.
gefocht / maer níet als Jacob mogen verkrij⸗
gen. Want God die en woudes niet, als boven
gefent is.
Eſau is tooꝛnig geworden op fijnen Broeder
Jacob / om det Benedictien wille met wel⸗
ke hem fijn Dader Iſaac Gebenedijt hadde,
De nijdige bittere gramfchap bzack hem uyt /
enfpzakk: Den tijd fal haeft komen / dat mijn
Dader rouwe dragen fat : Want ft Wil mijnen
Bzoeder Jacob dooden. Daerom moeſte de
gefegende Jacob van fijnen lieven Dader en
Moeder af wijken boog vat aenficht fijns toor:
nigen Broeders; in bere Vanden Llirden/
een dienſtelijcke Knecht fijn in den hupſe
Labans / twintig Laren tank / Die ooñ niet
nae der billijckheydt ende liefde met hem en
handelde / huen dorzſt oak niet Wederom nae
Dat de Heere tot hem fpzalt: Erecht weder
ín u Daderland/en tot u maegſchap / ili wil met Gen.31.$.
buyten gaen Die fijns Weoeders nijdighept ende bloedige U
herre niee en wite, act ong bupten gaen / |
3u. 8
Mijn hertelijcke liebe Broeders / nemet
waer: Want gelijk de Patriarch me om
De woterlijche Gerftgeboorte ende Benedíctie
ende hoerachtigen Broeder Eſau verbvolght
wert / alfo Wozden oockt noch heden ten dage
pe bloetgie- herte begreepen lagh. Hu ſtont op tegen fij alle de gene die nae den Geeft metden name
rige Caim
verworget
den vromen DOO?
Abel om dat worgt ende fijn leven gevaoft.
nen onfchuldigen Broeder / ende heeft hem
fijnen groufamen grimmigen toon ber:
Waerom is
fijn werken Dat gefchiedt * Dan dat Caim upt den,
recht waren.
110431 Le
Gen.25.26.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
quaden was / ende fijne Werken quacdt/ en |
dat fijns Broeders werkten goet waren / gelijk
Johannes fept. *
Ick meene Wieve Broeders / dit is wel een |
fijn erempel/ en goede aenwijfinge/ waerom de
gevechtige alle wegen der ongerechtiger uyt⸗
beegfel / en roof geweeft is / noch is / en ook
wel blijven fal/ gelijck de Schrift genoeg bez,
tupgt/ ende oockt de Dagelijclifche ervaringe
eb licht ende klaer inder daet leert ende mede
zengt.
“Jacob genoemt zijn / namelijſi de waerachtige Alle wacr-
achtige
ende Bloed ín de kracht des Hepligen Geeft / Eijn ook
overmits den geloove bertreden/ dat recht der jacob.
Chꝛiſtenen Die den Duvel / Wereld / Vleeſch
eerſter geborener die in denhemel ingeſchreven
zijn / verkrijgen / en door onfen waerachtigen
Iſaac / Cheiſtum Jeſum / met Geeftelijcher Heb.12.23.
Benedictien it Hemelſche weſen tot eeuwi⸗ Eph. 12e
haren ongeeſtelijken / wilden en hoerachtigen
F heerlijckhendt Gebenedijdt werden / van
zoeders ſeer nijdelijſt gehaet / en tot der Dood
toe berbolgt. Moeten ook daerom vlieden van mat. io z.
d'een Land inꝰt ander / van d'een Stad in de Hebar.zo.
andere / met grooten dzuck / gebreck en onge⸗
[matt / ín Verkerg en Banden / met honger en
Een tweeden / Godt de Heere gebenedijde ſlagen /tot water / bper/ en zweert / alle De
den Aerdſch Dader Iſaac / ende gaf hem tot ,
eemnael twee Soonen / de Outſte worde gez
noemt Eſau / ende de jonckſte Jacob / Eſau
was een ? Ickerman / en wiltvauk of wen man/
— haers Levens / gelijck men fien
maai.
Siet / alſo tprannifeert de bleefchelijke Eſau
tegen Den Geeſtelijcken Jacob / 9 F
eeſte⸗
Van ’t Kruys Chriíti. 141
we ved eerſt geboorte ende benedictie | bzuncken / ende tegen fijne untberliorene / ge⸗ Gods genade
wille :
gewel fp bepden met den anderen uat lijclimen hier aen Saul / ende op andere plaet⸗ ende hulpe
„ genen Dader Adam / ende upt eenen Moeder | fender Schaift /aen Pharaonen / aen Antia- vSralie
vrome.
Hevam geboren / ende na den beelde Gods gez | chum / aen Achab ende Jeſabel / Herodem en r4.22.
fchapen zijn.
YReg.rs.23. _ (Cen Derden: Daul de cerfte Uoninck Mm
noch meet andere fien magh. 1 Reg.a3-1de
Pp kan daer tegen fijne Uptverkorene twel 2 18-18-46:
en 19.16.
Iſraẽl ís om fijner gaetdunkenheptg en onge: \ bewaren en helpen upt aller nood / hoe feet ſp Reg,6.20:
hoogfaembepts wille ban den Deere verſtooten | oockt benauwt zijn.
Gelijck hp aen gantfclj dan 3. 17.
ende David de Sone Iſai / de Bethlehemiter | Iſraẽl bp de Foode Zee / hier bp David / aen en s-20-
sRegrórr. is Wederom Door den Peopheet Samuel nae | Sliam ende Welifenm / aen Danielem aen
Gods bevel van de Rudde opgenomen /endem der Heeuwen kunl / aen den Gongelingen
fijn plaetfe gefalft/ doch bp den leven Sauls in den Oben / ende aen meer andere in grooter
Dat ijcke niet ontfangen. De eere was met | leacht fchijnbaerlijk wel bewefen ende getoont
David / ende ſterlite fijn hant) hr weocht wone | heeft.
derlijlie krachten ín des Heeren Naem / hp ver⸗
Hier hebben wy wederom een klaer exempel
loſte dat geroofde Schaep unt den mont Der | cnde voorbeelt aen Saul ende David / hoe dat
Leeuwen ende Der Beyren / ha verworghde | ober al De ffoute/ moetwillige/ engenfinnige
1 Reg.1734. Den verſchrickelijken grooten Goliath / hu ober | ende bleefchelijke Doeften / hoewel fp Chriſte⸗
1 Reg.1745. quam twee hondert Boorhunden banden Phi⸗ | lijke Pozſten ende genadige Weeren willen gez
liſteen/ hy handelde in alie dingen Kloekielijk / noemt zijn / met alle weeecthept ende bitterhept
recht ende Dapperlijkt/ want de Heere fegge ick handelen ende voortvaren tegen den waerach⸗
was met hein. Maer het gefchiede/daen Saul tigen Davids Chriſtum Jeſum / ende tegen
eder quam Lan der Philiſthnen flach/ datde
Drouwen wat alte Steden Iſraels den lionink |
cle fijne geheyplighde / Die hp overgoten ende
met de Olie fijns PepligenBeefts gefalft heeft/
te gemoete vzolijk fpeelden en ſongen in aller: | Die kracht hebben upt der hooghte/ met hem /
hande Snaren-fgel / met Crommen en Dedez in hem / ende door hem / te ober winnen den ver⸗
len / genoechelijk onder mallianderen / ende ſcheickelijken helſchen Wecuw / Bep? ende Go⸗ Codvreecn-
fenden : Saul heeft er dupfent geflagen / ende liath / Helle Sonde, Doodt / Dundel / Nate- Len ken-
1Rega87. Dabid thíen dumfent. Doen vergramde Saul
feer / ende Dat woordt geviel hem gualijkt / ende
fpzackt : Sp hebben Dabid chien dupfent gez
geven / endeinp dupſent: Wat gebzeelit hem
meet dan ’t Liijclt 4
Deeerfte Ende van Dien dage aen en Gadde David
oorfäke __ geen gunfte meet bp Saul/ maet Saul dacht
Saul tegen pegmeljk ende openbaer met grooter vlijt ende
David ver”
gramde.
Dat de Weere met hem Was: Ha fijn herte
nen by de
dictie ende Toorn Gods. Deſe en mayen met wereltgenen
den ergbj-mepnenden Saul overal genen Gzede vrede heb-
hebben/ hoe onſchuldigh / Godbreeſende ende Per-
vroom ſu oock zijn. Hier en helpt gantſch geen
onſchult nach bzoombept / bidden noch tcanen/
Wooꝛdt noch Chziſtus / het moet u doch met
David alles berdzaept ende ten erghſten qez
keet worden. Pet is alam ſoo geweeft / het fal
fighept nae fijn bloede ende leven. Hoewel | oock foo (nae mijn bedenken) wel blijven tot
Saul de broombhent Davids wel bekende ende |Den epnde toe,
Nochtans mijn Broeders / en zeeft niet:
Sauls nijdig- baande ín alfulchen afgumftighept / nijt/ zake | want alle uwe vervolgerg ende Genijders ſinen PÄLre2-r7-
heyt tegen
den vromen
David,
ende bloed· dorſt / doen David ontkomen was / doch alg een kleet verduden / hoe machtigh / hoe
dat oock De goede Achimelech met deg Weeren | heerlijk ende hoe glorieus fp oock nu gehouden
S1.9.
Prieſters / ende De gantfche Stadt Poteam | zijn. Want alle vleeſch is Hon / ende alle heer: E&40.6.
Dabids wille moefte ſterven en opp eenen hoop | kijcktepdt des bleeſchs is alg een Bloeme des * Pet2-24-
0
liggen.
Reg 22.9. Iyen aenſagh nach broomhept / noch beleeft
Maer gp ſult in Godt bloenen en toenemen /
heyt / noch trouwe / noch weldaet ban David ende uwe vrucht en fal nimmermeer verwele⸗
tegen hem ende oock tegen gantſch Iſraelbe⸗ ken: want dat Nijcke Jeruſalems is u gegez
wefen/ ooclt niet Gods gonfte/ werck en Wille: [ben / ende de heee fchapper Heere fat eere aen u * Er-z-10.
Maer hp was foo uptfinnigh ende dzonken ín [hebben / en Die fal u (hoe feer oock Saul raeſt)
fijnen toon ende nijt geworden / dat alle De bez | De eeuwige hutten geben / die hp u en alte Unt⸗
1Reg2359. nijders ende Gewaderg Davids / gelijk Doẽg | verkorenen ban eeuwigen tijden in fijner groo⸗
Idumeus ende de Sipheren / hoogt bp hem | tex liefden toege-epgent en berent heeft.
gefien ende ge-eert waren. Maer de bzede-
Cen bierden: Jeremias / Pellhie Sone /
maeliers / ende die ten goeden rieden / gelijck een Prieſter unt Den Prieſteren tot Anatoth/
1 Reg.zo zor ziju eygen Sone Jonathan / alg ſuſpect bj hem | een gehepligde van Harders Lichaem / Die is 3
gebaet ende gehouden waren.
r Reg.23.1.
en 24.1.
anderen / tot dat Saul van de Philiſthuen ober-
wonnen / op den bergh Gelboe fijn bloedige
over de moorddadige zweett (Dat hp oock tegen Den'ge-
bloetgierige rechtigen ende onfchuldigen getrocken hadde/)
Tyennen. doo encliel mígcraoftigtept ende onverduldig⸗
53E Gept ín fijn herte wzanck / ende hem felven dat
leven nam.
Exod 1428. Aldus ſtraft de Almachtige Heere onde Ge-
2 Mac.6.18. welt⸗hebber aller dingen / de ſtoute bloed-doz:
33 ſtige Cprannen/ eenen pegelijken tot fijner tijt/
Aars. Die dat zweert haers Ampts tegen Godt ge⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
er 3
van Godt ban fijner jonkbept aen tot eenen en 16
Sonuna / David moefte De Mucht nemen | Siender ende Peopheet verſioren / hp heeft en 7-t-
ende vlieden ſammige Paren langh ban dat een “Juda ende Benjamin ban hare ongeljaoz: “* Sr.
landt in Dat ander / ende ban d'een woeſtijne in ſaemhent / hertneckighendt / alleclep overtre:
De andere / ende Han den eenen bergh op den dinge / ſonden / valſchen Gods - dienſt Af 4235:
33-15.
goderpen ende bloet-fchultupt Godts Mondt
ende fijn Wet Gert ende hert beſtraft / hu leevde
boete ende af fkeeringe / ende Propheteerde ban
den beloofden Meſſia / dien hu de gerechtige
ſprunte ende plante Davids noemt / hu predikt
de toekomende ſtraffe ende De toorne Gods / te
weten / De gevankeniſſe ende ondergangh deg,
Yontnks / de berwoeſtinge der Stadt ende deg 1222
Tempels / ende de gebanckeniffe des Dolchs en 29.10.
tot Pfebentigl jaren toe / Ec.
Ende defe fijne Prophetien / trouwe waer:
ſchou⸗
— — — — — — — — — — — —
— — — pn
p - — * * — — * — J
— — — —— * — — — — — — J E
— — — — — —
— — — — — — — — — ẽ — * — E = —
— — — — — — — — — — — — — — — e
— — —
e ———
— — —
—
mn
— —
——— ————7s,—
—
—
EE:
— — —
er
—
— —
142 Van ’ Kruys Chriſti—
ſchouwingen / gefichten ende beſtraffingen upt
deg Heeren Mondt / zijn hem tot enckel ſcherp
ſteekende doornen geworden / ſijn Woordt en
Vermauingen hebben fp verſtooten / ende niet
lerze.8. gewilt. De zome Pzopheet ende ttauwe Dies
lert24 naer Gods moefte haerer aller trouwelooſe ber:
lerzode _ gader/ oproerder ende ketter zijn. Des Hee⸗
en37.1. _ ten Wooꝛdt maeft hem tot een dagelijks ber:
ler.ir.rg. wijt ende ſpot zijn: ha wert menighmael gez
en 1818 vangen ende geflagen / ende ín vunſe ſtinkende
putten gelent/ ín fijnen doodt hebben fp gez
vaet-flaeabt/ hp werdt alfoo met den keupce
berdzukkt ende bezwaert/ Dat hu eenmael in
fijner herte boopnam, niet meer te Pzediken
inden Naem des Weeren / ja hp bervloekte den
dagh fijner geboorten / ende den man/ die fijz
nen Dader boodfchapte / dat hem een knecht:
ken geboren was,
ler.20.9. Adus heeft De weerde man Godts om fijns
leremiaeen Weeren Woordt ende waerhent / den zwarten
zecht voor _zantfack veel jaren moeten dzagen / alle ſchel⸗
waerachti- ders het oore / ende alie flagers den rugge bie:
gerPredi- den / tot dat dat water Det droeffeniſſen / dat
kanten. _ geeftockt/ hertneckigh / ongelaosigt volck ín
den mondt ginck / ende (eplacen) al te late fage
dat Jeremias / Des Weeren vechte Wade ende
waerachtige Propheet was / noch heeft hp bo⸗
ben alten deſen / tot een danch-penntnglh fijnet
groote liefden ende ſueren zwaren acbept / ín
Egppten onder de fieenen/ fijn leven moeten
epndigen ende influpten.
Mijn beminde Broeders in den Heere / hiet
mede wíl ick de Hiſtorien deg Ouden Cefta:
ments afkozten / want den tijt en gunt ’t niet /
371 Dier al te vertellen. Waerom oock De vrome
VP FAoſeph ban fijnen Bzoederen foo jammerlijk
droefenis. gehaet wert / ban haer-lieden in den kupl gez
Gen.39.20. morgen werdt/ wederom uptgetogen/ den
Iſmaẽliten verkocht wert /en ban fijns Heeren
onkupfche Hupsvꝛouwe alg een trouweloos
overſpeelder aengeklaegt / onſchuldigh fijns
—— toorn / kerker en banden lijden moeſte.
| eggelijkg waerom de Edele hoogberoemde
Eaiâs mar. Propheet ende Euangeliſt Eſaias onder den
telifacie. bloedigen en afgadifchen Cyran Manaſſe met
eener faege ín twee ftuchten geſneden is / gelijck
de Wiftocien melden. Waerom de liebe en Beez
Kzechiels _ fielijke Pꝛopheet Ezechiel van de obergeblevez
dot. ne wpt Man en Gad met den ſteenen overrom⸗
Uriasvan pelt is. Wacom Ariag ban Cariathiarim
— — van Joachim Den Vonink Juda / met den
wei zwaerde gedoodt is.
Waerom Zacharias de Sone Barachie tuf-
ſchen den Tempel en den Altaer gefteenight ís.
: Waerom de qrootmachtige en Wonderdadige
Elias vlucht, Propheet Elias boor De bloetdzonkiene en AUf-
TOEN godifche Jeſabel wijken moeſte. Waerom de
Dan.z. 12. Drie Jongelingen / Sadrach / Meſach en Abed⸗
en 8.. negoso / ín den gloependen Oven moeſten / ende
1Mac6a8. Daniel in der Teeuwen kuple. Ende waerom
Del Sromen de eerſame volſtandige oude Achriftgeleerde
Eleazari ¶ Gleazarus / en de hoog-prijfelijkke Godvzeefende
endeder Donwe met haet ſeben Sonen/ ban de ver⸗
Sollied ſchrickelijſie godlooſe Wolvige Antiocho / ſoo
8 7 J |
vrouwen ommenfchelijft en grouwelijgehandelt / gemar⸗
met hare Íe- teliſeert gebzaden / oamgebzaght ende vermoort
efiende ende 3. En diergelijke raſernen / bloetbergieten en
doodt, tt nmpen meer. |
_iet/ mijn Bzocders / hiet moet een pegez
lijk Chziften toe berdacht zijn / want Dit is de
epgentlijlte belooninge ende kroone Defer werelt
met welcke fp alom afgedanckt / belaant/ ende
Zacharia.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
bereert heeft allen getrouwen Dienaren ende
Vinechten Godts / die haer Dat Wijck Godts /
Wooꝛdt ende Wille / in vepner liefde voordra⸗
gen/ tot boete ende penitentie viepen/ meni⸗ Exod.17-5-
gerhande Godſaligheyt / gonfte ende dienſt bez
weſen / ende die in allerlen hepligheyt / gerech⸗
tigbept/ waerbent/ Gods vreeſe ende liefde / als
den gulden Kandelaer ín des Weeren Putte ge
lichtet ende alg de vruchtbare Olijf-baamen in
den hupfe Gods gegroent ende gebloept heh:
ben, Alle die Defe ende Diergelijke gefchiedenifs
fen ende Hiſtorien Der bomer Mannen Gods
wel bedenckt/ Die en fal fonder twijffel niet
bertfagen / maer ín alle fijnen be, kruns
ende lijden door Gods Genade wel beſtaen / en
* * epnde toe owerandert / vroom en ſterck
ijven.
Gelijk ich dan uwer liefden ſommige Hiſto⸗
rien upt de Heplige Schrift aengeweſen hebbe /
ín De welche klaerlijk geſien wordt / hoe dat
over alde rechte waerachtige gevechtighept gez
leden heeft / uptgeroept ende gelicupftig/ foo
| wel boor de Wet alg im de Wet/ Wil ick oock
door Gods denade nu ſommige exempelen unt
Den Nieuwen Ceftamente Daer flellen / door
welche een pegelijk ín fijner confcientie genoeg⸗
ſaem magh geleert wozden / om met Den Hep ⸗·
ligen Paula te bekennen / dat alle die Godſa⸗⸗Ti. 3. 12.
liglijken willen leben in Chriſto Jeſu / verbol⸗
ginge moeten lijden.
Cen eerften / Joamnes/ de Dooper Chꝛiſti / toanr.33.
een menſch ban Godt gefonden/ gelijck de
Euangelift getupgt / een beenende en lichtende roan. 3.
Lanteerne / gelijk Chziſtus ſent. Dan den |
welcken Efatas foa lange te boven gepzophe⸗
teert hadde / feggende : Cen voepende ſtemme E4o5.
in der Woeftijnen/ berept den wegh deg Dee: 1233:
ten / ende maeckt fijne voetpaden techt. Den *
welcken Malachias noemt / den Engel deg
Heeren. Wiens geboorte / grootheyt / heplig⸗
hent / ampt/ leecinge ende vzeeſe / door den He⸗
melſchen Dode Gabrielem / fijnen Dader Za: Matt.i12. 10
charia verkondight ende geleert is: Die met
den Pepligen Geeft noch ín den lichaem fijns
moederg berbult was : Die gantſch Judeen
boete en penitentie Paedichte / Clgifrum Je⸗
fum des gantfchen Werelds Saligmaker ende
eeuwige verloſſer aenwees / ende fepde/ Diet
dat Lam Gods / fiet Die wech neemt De fonden penn be
ber Wereldt / van den welcken ooch de Sone za,
Gods felve getungeniſſe gaf / dat hp geen wae⸗
pende riet en was / met fachte heerlijke kleede⸗
cen niet gekleet en Was) dat hn grooter dan een
Propheet Was / dat ha De toekomende Elias Mart.11.5.
was /dat hp daor den weg Der gerechtighent gez Marente
kamen was /en dat ander allen brouwen kindez *
ven geen meerder en Was opgeftaen/ als hy / die
oock bp der gemeenten Loor een Propheet gez
—7 was / evenwel hebben fp geſeyt. Dn
eeft den Dunvel / ja hp is van Herode den (oz
nink / als een oneerlijke buple boeve untgeſtoo⸗
ten/ en moeft nafonumfge dagen de glorieuſe
Hutberkoven 9, Man en vrient Gods om cen
Poeren wille / alseen ſchandig quaetdoender /
onder de handen des Pang-mang fijnen Doe MAAS
nig-blaepende mondt en hooft henen geven, en
ballendaten / en Daer boven van een pdele hoo⸗
beerdige danffende deerne / en Ban een onkünſſe
overſpelige vrouwe / als een prefent en banket
gerecht / den dzꝛonkenen /onnutten en Godlao⸗
fen gaften Herodis / in cen ſchotel gepzefenteert
en vertoont worden.
O Heere /
Van t Kruys Chrift, 143
OHeere / aldus hlagelijk ende jammerlijk, digden / der Welcker vezraders ende moorders
Zijn over alde gerechtige am haerer broombept | gu geworden zijt. Gn hebt de Wet ontfan-
wille / van defe geouwelijke / bloedige /maoz- | gen / daor den Engelen befchickt / ende qa en
dadige Wereld oingebraght ende gevicht / ende | hebtfe niet gehouden. Ende als fn deſe ſtraf⸗
niemant en neemt ’ec ter heeten / jae Daer Wozt | fende ende fcljerp-lupdende Woorden hoozden /
alfoa met haer omgegacn ende gehandelt / dat | en hebben ffe niet langer konnen verdzagen /
lek mepne het fchijnt baa? de oogen der ontwijfen / vecht want haere heeten fneden Van malkanderen/
Chriftenes of De vrome baar ſijnen Godt eenen flanks ende —— fp knerſten met haeren tanden over
hem:
mogen wel grouwel is/ Gan Bodt verbannen ende ber:
met zeche _matedijt is / en Dat hu ín der eeuwighent genen | _IPaer Stephanus Lol ban den Wepligen
fight trooſt noch genade bu fijnen Godt en magh | Geeft / fag op naden Hemel / ende fag de heer:
worden. hoopen noch vinden. Och neen / de Heere zu | lijkhent Gods, en Jeſum ſtaende ter vechter-
1Cor4.13. gebenedijt/ hoewel haer leven bp de onver: | hant Godg/ende fepde : Siet / ick fie den Hemel
ed *3. ſftandige Wereldt niet dan enckel raſernne en |open/en deg menfchenDane tat ter rechterhant
ed fchijnt / ende haer epnde fonder eere / foo wer | Gods flaen. Doen riepen fa lupde / en ſtopten
Pfal. tet, Ì
Sap. F 1 ten wp evenwel datſe des Meeren Oog-appel/ | hare oaren / ende en kanden ſulcke lafterlijche
Matts.ar. Volck ende Rinderen zijn / Dat hare doodt ende | Waarden niet langer dragen /Dat Die booſe ketter
bloedt dierbaer boor des Heeren oogen is / dat | hem foa hooge roemde / en den gekrupſten Chri⸗
fn nae een wenmigh dzucſis ín belen ſullen bez! ſto ſulcke eere gaf. Sn liepen eendzachtelijck
fchicht worden / Dat haer dat Áijke der Heme⸗ | tat hem / ende fr lieten hem ter Stadt unt / en
lenig / Dat haet De pijne deg eeuwigen doodts fteenigden hem in grooten taogn ende cafernpe.
— niet voeren en ſal: Maer dat hare edele zielen Maer Saulus bewaerde der getungen kleede⸗
ín de eeuwige ruſte ende vzeede zijn. Jae mijn
Broeders / dies magh hem een vegeſj Chꝛi⸗
ſten in allen wooden ende aenvechtingen/
ſijnder Gerten wel trooſten en verblij⸗
en.
ten. Stephanus riep / en fepde : Heere Jeſu ont⸗
fangt mijnen Geeſt / hy knielde neder / en ſchren⸗
De met tupder ſtemme / na den aert en voozbeelt
haer deſe fonde niet toe Want fp en Weten niet
wat fp daer : Ende alſoo is defe vrome getupge
Cen tweeden : Stephanus de gekroonde,
A.7.s6:
Stephânuë
doodt endé
affcheyt,
fijns Meeſters in den Veupce : Heere / en velkent Luce 23.33
Gods / een Man bol met geloove / kracht en | ontflapen in den Veere / ende heeft ontfangen 1C‚112-
met Den Hepligen eeft / en dede groote won⸗ De Ursone des Levens / die Godt belooft heeft
deren ende teeckenen onder den Volcke / gelijk | allen den genen Die hem Lan gantfeher herten
Luce 21,9. Bucas ſendt / met alſulcken wijshept en Geeſt / in der warrhept vzeeſen / lief hebben ende foe-
nade belofte Cheiftí van Godt begaeft/ dat | ken.
oock alle fijne wederſpreekers / te weten / de Merclit wel / O gh Godvzeeſende Leeſer /
Libertiners / Cyriners / Alexandriners/ Ee. ende leert doch daag alſulcke Exempelen ken⸗
boor hem moeſten zwijgen en beſchaemt ſtgen. nen / hoe dat alle de gene / die des Weeren
NIS fp dat fagen/ Woude de Geeft haers Ba⸗ Mooꝛdt met getrouwer herten gelooben / deel
loan.844. ders ſijnen gert bewijfen / gelijk hy oock van |achtig werden deg Wepligen Beefts / aenge⸗
Den beginne gedaen heeft / De verteerende mj⸗ daen met ’er kracht upt der hoogte / weickers
digheyt moefte fijn konfte gebzupchen/ Ste monden untbloeyen gehaede ende wijshept /
planus moefte daor danfen / recht en bilighent des Werelds ſchande ende fanden firaffen / die
hebben ſy untgeſtooten / Belials mannen heb⸗ moeten met Stephane ter Stadt urt/ ende
hen ſy bewilligt / die den Godbauchtigen ende De bliegende ſteenen ſmaecken. Liebe Wzoe-
beamen Stephamun met leugenachtige ende ders / biddet vperiglijck / ende berepdet u/
doodelijie tangen ſſoegen / ende fepden : Tp ‚aant doo? veel Orchis moeten Wp Mmgaen tot
hebben hem hooren ſpzeeken lafterlijke woor- |Den Kijclie Godts / hiet is lijdfacmhent ende
Den tegen Monſen / ende oock tegen Godt / aelaove Der Hepligen och mijn Beoeders
hp fendt aackt Dat Jeſus ban Nazareth deſe |Waecht,
plaetfe fal verwoeſten / ende veranderen de Een derden / Paulus cen knecht Gods ende
Wetten die ons JPopfes gegeven heeft. Wdus een Apoſtel Yefin Cheiſti een Antverkoren
heeft de Serpentifche teugen ober al dat rechte Dat / een Vorſte des PD. Woods / een Apoftel
gehouden / daermen geraetſlaeght heeft om de | cn leevacr der Heydenen / díe niet Van den men-
Henligen te beentelen. Sijn epgen branden ſchen op der. acrden/ maer ban Godt felbe unt
fagen fijn aenficht gen / als Dat aenficht eens | Den Hemel in den dienſt des Wuangeliums ve
Engels Godts. Da ſprack dat WDoozdt des toepen was / krachtig en vperig ín der leere / on⸗
Heeren onbebzeeſt. Vp beſtrafte dat balfche | firaffelifk in den leben) die meer gefaopen / ende
betrouwen op haet Wet ende Tempel: Hy bez | meer Dan alle die andere Ypoftelen geatbept
tungde Chriſtum Jeſum in qrooter kracht / hadde / die den Supbel upt Dreef in des Weeren
op welcken SPopfes ende alle Propheten gez | aem / Die den doot gevallen Eutnchum wez
peouheteert ende gewefen hadden. La fs ten deromme berweckte / die met fijn zweetdoeken
laetſten in fijn reden tat der bergaderfnge fer | den kranken gefonthent gaf / die de hanthsleven-
heet ende huerig geworden / om Dat ſy De barm⸗ |De flange ober al niet eñ fchade / díe als een
hertige beſoeckende Godt in alle fijne weldaden waerachtigh Pꝛopheet beel toekomende din⸗
ende aengeboden genade) ſoo ondanckbaer⸗ gen op De Taetfte tijden Peopheteerde! ín dert
lijk unt ſtieten / ende over af niet en Wrigen, (Derden Pemel opgetogen / ín den Paradijſe
© np hartneckige (fendt hu) ende qa onbefne⸗ Gods ingeboert / ende fiche Viſidenen gefien
Bene ban Gerten ende ban ooren! qu weder: Dat 'et geen menfche om upt te fpreecken he-
ftaet doch aller wegen den Hepligen Beeft ge⸗ grtaem en was / die cen onbeùriegelijehe voor:
fijcht aime Daderen / alfoo oock gu. Wie (9 ’E | ganger was in allerlen gerechtighent / henlig-
han den Propheten / Die uwe Daderen níet Bept/ Godfalighept ende deugden / die niet
becvolat en heben £ Ga fr verworden alle hem felven/ maer fijnen Godt ende ſhnen
bic De toekomſte van deſen gerechtigen berhon⸗ naeſten van gantſcher ſeten fachte / ende
( be⸗
At.6.9,
A61 Se
Stephanus
vrymoedige
beftraffinge.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
2 Tim.4.8.
Tit.t.t.
9.15.
Act.14.8.
1 Tim.2.7.
2 Tim.rrt.
Gal.r.rr,
2 Cor. i 1.24.
Act.i6.18.
Act.20.9.
A.i9.1t,
AC.28.3.
1 Tim.4.re
2 Tim.3. 1.
2 Coïra.r.
1 Cor.14,9.
1 Cor;12,é,
Phil.3.4.
en 4.12.
2 Thef.3.7s
2 Cor.g.2.
Phil.3.7.
Rom.15.19
144
beminde / die niet en hadde dat hen befchuldig-
De / Die alle fijn gewin boor ſchade achte / op
Dat hr alleen Chgiftum Jeſum winnen mogt.
Sfae die miet en dorſte fpzelken Dat Chriſtus Je⸗
fus ín hem niet en wachte. Dit alles niet hel⸗
pende / hoe heplig / hoe onſtraffelijk / hae neer:
Matt.27.3%. '
At.9.17.
Paulus ver-
foekinge en-
de ellénde.
At.9.25.
2 Cor.11.25%
1 Cor.r.23.
ſtig / hoe hoog beroepen / hoe wonderdadig en
hoe Gods-dienftig ha was / moeſte hp even⸗
el met Spmon Cerenea/ Chꝛiſto dat keupce
helpen dragen. Want foo haeft hp ban den Dez
mel beroepen was / van Ananta geleert ende
gedoopt wag/ van fijnder Cprannpen afliet /
in Damaſco Chriſtum zedikkce) heeft hu ſelve
úp der nacht ín eenen koef over De mueren nez
Van * Kruys Chrifti.
eeuwige leben / ruſte eride bzede met allen Pere
ligen begeeren ín te gaen / gelijck Cheriſtus ſel⸗
be fepat: Wie mp navolgen Wil die Let:
falke hem ſelve / ende neme fijn kruys op / ende
volge mp na. Daeromme liebe Bzroeders / gu
Die den Heere foecktt / vreeſt ende lief hebt / en⸗
Matt. 16.24.
De daerom ban dít erge ende Afgodifche gez 22
flachte vele lijden ende Dragen moet/ Dzeeft “Pt
níet den genen Die vw goet nemen / Chriſtum
ende den Wemel en mogen fp u niet nemen hard leert
ofte die u lichaem dooden / uwe zielen mogen — fate.
fp niet dooden / maer zeeft van gantfcher herz
ten / den genen die macht heeft uwe lichaemen
ende uwe ziele eeuwelijck te verſtooten tot der
der gelaten / der blaetgierigen lagen moeten | ellen / fae mijn Broeders / wilt qu des Deez
ontwijcken / ende daor blien.
ren Volck ende Diſcipel zijn / ſoo moet oaclt
Meenigmael is hu gevangen / dzfemael met Dat Vrupce Jeſu Chaiftt ban u gedzaegen
roeden gegeeffelt eeumael gefteenigt/tot Ephe⸗ zijn / is ongetwijffelt ende waerachtigh.
ſum den wilden Dieren voor geworpen / ende
Ten vierden: Nae dien Wp wel treffelijke
ten laetſten nae onbegeijpelijche ende ontellijke Hiſtorien upt De Bpbelſche Schaift den goet⸗
veel Neyſen ende maepten van ’t eene landt in't hertigen Leeſer hebben Lao? gedzagen/ in
andere / nae vete geledene naerkthept / koude / Welclten dat tpranniſche gemoedt / Dat uijdige
hitte / dorſt honger / arbent / waecken / fo2z
gen/ pericuten ende bangigheden/ is hp tat
herte der Wolvige fcheuven ende pluchen / dat
ellendige beeftige Marteliſeeren ende bloetver⸗
Aâ 2127. FJeruſalem vanden Goden acengegrepen/ ge⸗ gieten Defer Goddelaofer Wereldt / tegen den
Act.ꝛ3.12.
Act.27.41.
en 6.28.
flagen / voor ben Nechter beſchuldight / en fijn
doot gezwooren / tot Ceſariam ingeſloten /
gerechtigen opentlijckkien afgebeeldt ende ges
ſpeurt wert. Soo willen Wp oock nu ten laet⸗
Paulus doodt ende nae fijne Appellatien met bele vervareniſ⸗ ffen door Gods Genade / een wennig aenteecz
ende uyt.
ganck.
fen/ ende Schip-bzeucken te amen gekomen,
boo? den Gente gefieit/ ende tot fijner tijdt
ouder Nerone / allee bloetgierigen Cprannen
Waoft ende Voꝛſt mee den Zwaerde gerich⸗
AG.s.4r.
Act.8.i.
Act.i2. I.
Dat Kruys
heeft in den
Nieuwen
Teftamente
den wactr-
achtigen
Heyligen tot
noch toe ge
drucket.
tet / heeft hu fijn ziele moeten opaffecen en fijn |
leben daer geben. J
In gelijcher maten zijn oock Die Apoſtelen
kenen/ hoe niet alleene De kmechten/ bar
welcken wa nu hiet gefept hebben / maer ook
de Heere en Vozſt ſelbe beel heeft moeten lijden /
ende alſoo weder tot fijner heerlijckhepde ín
gaen.
De Npoftelen getungen oberblaedelijk / hae
dat’et Lam Gods / Chꝛeiſtus Jeſus eeuwigh
binnen Jeruſalem gevangen ende gegeeffelt / gebenedijt / Dat waerachtige Hooft aller rechts
De gemeente verſtropt en berbalgt/ ende Jacob gelooigen/ ban den beginne niet alleene ín
onder Herode met den Zwaerde afgehouwen
en vermoozt / Ec. sd
Alle die nu noch meer Wiftorien/ alg hier
upt de Peplige Schzrift aengeteekent zijn / on⸗
Derfoechen ende weten Wil/ die leeft ín Euſe⸗
bium / in Ercleſiaſtica Hiſtoria / en hy fal alſule⸗
lie onmenfchelijke grouwelen / tyranmpen / on:
barmhertigheden / nijdige helſche leugenen te⸗
gen den onſchuldigen bevinden / daer beneffens
ooft ſulcke ſonderſinge nieuwe bedachte manie:
ren / omde Ehziftenen te pijnigen / marteliſeren /
om te Beengen / upt te roepen / cn te verwor⸗
gen/ dateen natuerlijk menfche / ick zwijge
GBeeftelijk / Daer Haer m fijner herten moet ber-
ſchriclien en uptſetten.
Wijn allerlteffte Broeders ín Chriſto Jeſu /
zijt doch beumoedigh ende fn den Heere wel ge
trooſt / gu die uwe fchouderen ende rugge on⸗
Mâtt.7. 14.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Der dat Arunce Jeſu Chriſti ongedwongen en
benwilliglijken gebrupekt hebt. Want gp unt⸗
ter Scheift / en aen deſe voorgeſette exempelen /
bende des Ouden en Aieuwen Teſtaments / wel
fiet ende merckit / hoe Dat alle Godvreeſende
Pannen en Hinderen Gods / alle gerechtige en
Pꝛopheten / alle Apoſtelen en Waerachtige ge
tupgen Chꝛiſti / ja oock Chriſtus Jeſus felve /
gelijkt wp noch hooren ſullen / dooz deſe eenſame
Woeftijne / doos deſen engen ſmadelijcken ende
bloedigen wegh aller ellenden/ keus en lijdens
tot den waerachtigen beloofden lande / en tat
det eeuwiger heerlijckthept ingedrongen zijn.
Jae deſe is ende blijft alleene Die eenige
enge ende naeuwe wegh ende poozte / dooz
welcken wy alle paffeecen moeten / ende Doo?
geenen anderen nimmermeer / díe Wop tot Den
den fijnen geleden en heeft / alst boven gefent
is / maer dat hp oock in den laetſten tijden ſel⸗
ve in den vleeſche heeft moeten lijden / hoewel
hp de overwinner deg Serpents was / Adam
Luce 24.25
Apoc.iʒ.
ende Eva belooft. Wiler volcken benedictie / 333315,
n.22.1$,
die waerachtige Siloach / Meſſias ende Daz Ari: iciro,
muel/ De vechte fprupte ende plante Davids / Eà.7.1o.
de Heere / Die ong oprecht maeckt / De greed 1ex-23-5.
fame Vozſt / jac de waerachtige Done des Al⸗
en 33.15.
Efai.
machtigen ende Levendigen Gods díe alle marc.15.16,
gerechtige ende waerachtige Gods Pzopheten
met groote begeerten / begeert hadden/ als
díe nu nae Der beloften den aderen gegeven /
menfche gewozden was / ende Peedickte in
voller Geeſts kracht dat boetveerdige nieuwe
Leven ín aller liefden / ootmoedighepdt / gez
rechtighent / vzede ende gehoorſaemhent / dat
ſtreuge verſchrickelijcke gerichte Gods ober
den onbekeerlijckten. Daer tegen dat eeuwi⸗
ge Nijck / de eeuwige Genade ende barmher⸗
tighent de heetelijke gonft/ ende liefde fijns
Hemelſchen Daders over Den bekteerlijchen /
Rom.9.28.
loan.12.47.
Matt. 12.36.
1 Ioan,4.84
felve was dat affkogtende Woozdt ín Der ge⸗ Toan14 6.
vechtighept / over al Godt gebenedijt ín eeu⸗
wighepdt/ dat onbedziegelijcke Voorbeeldt /
de eeuwige Wijshepde/ Wiefde/ ende Waer:
hendt / dat fchijnfel Des Goddelijcken heer⸗
yckhendts / Dat untgedzuckte Beeldt ſijns
Hebr. 1.3.
Gen.1.26»,
Weefens / nae welcken de eerſte menſche gez -
beeldt ende gefchapen worde) (verſtaet nae
den Ínwendigen Weefen) De eeuwige kracht
Godts / dat Almachtige Woozdt / daor welc⸗
ken alle dingen gefchapen zijn/ geregeert
worden / ende (n den welcken alle Dingen
beſtaen moeten. Die geen fonde on kende /
noch
(Oan. 1.5.
Col.1.16.
EBELZ AL
loan. te4»
en 3.19.
Efa.s 3.6.
Matt.8.20,
Luce 9.58.
Luee 2.7.
Matt.2, J 3 e
Matt.10,8.
Luce 18.35.
Marci 12.22.
Matt.8.28.
en 12.22.
Luce 11.14.
Matt.9:2.
loan.t1.zr.
Matt.14.15.
en 15.33.
loan.8.46.
Luce 23.18. h
Joan.14.6.
1 Joan.s.20.
Marci 15.15.
Toan.19. 5:
Joau. 13. 12.
Matt.27.43.
Plal.ꝛ2.1.
Tre.2. 13 ·
noch bedzog in fijnen mand bevonden en worde.
Dat waerachtige licht des eeuwigen levens /
dat ſelbige is ban De Dupfterniste / te weten /
ban de Wereldt alfaa gehaet / gelaftert / Herz
bolgt/ uptgeftooten ende vertceden/ Dat hu
de aller verwerpelijliſte aller Mannen geacht
was. De Koninck aller Honingen) en de
deere aller Weeren / was acmer dan de Voſſen
ende Vogelen geworden / want hu en hadde
niet daer ha fijn gebenedijde hooft ep cuften
moghte / hp en bandt ín den dagh fijner qez
boorte geen plaetfe in de Verbergen / maer det
Oſſen Kribbe moefte fijn Weger zijn/ ende
faa haeft alg hp geboren was / moefte hy bj der
nacht De blucht in Eghpten kiefen.
Ende hoewel hu in den tijdt fijns Ampts de
blinde fiende maeclite / De doove hoorende / de
ſtanme ſpreecliende / De lazarige vennigde/ De
gichtige ende gebzeckelijcke gefont maeckte /
De Dupbelg untdzeef / de Dooden tat Het Wez
ben verweckte / tweemael Geel Dupfent met
Wepnig Brooden / ende met wenig Bifichen
fpijgde/ ende alle bauchten ende dienſten der
Van ’t Kruys Chrifti,
145
aller ſalighendt arm gewozden / de eeuwige ——
beerlijkhent veroneert / De eeuwige gerechtig⸗ Gar; 3.
bept vervolgt / De eeuwige waerhent gelaftert/
de eeuwige falighent uptgeftaaten / de eeuwi⸗
ge benenictie vervloeckt ende Dat eeuwige
leben met den allerfchandelijkften doodt omge⸗
bracht ende bermoogzt.
Alderliefſte Broeders ín Ben Heere / merclit
wel / hebben nu de Acker lieden haers Weeren
one niet verſchoont / maer hebben hem ten Matt. 21.38.
Wijngaerde untgeſtooten ende gedoodt / hoe
veel te meer dan fijne knechten: Want heb⸗ *
ben fp den Dader des Hunsgeſins Beklzebub Matt. 10.5
geheeten / waeromme dau oock niet fijn hups⸗
genoaten : gelijk Chziftus ſelve fcpdt : Hebben
fp mp vervoloht / ſoo fallen fp u oocit vervol⸗
gen/ noch fent hp: is't dat ude Wereld hact/
foo fult gu weten / Datfe my Loor ual gehaet loas · 15-20.
heeft / want de Diſcipel en is niet baven fijnen
Meeſter / noch de knecht boven fijnen Deere /
maer het is den Diſcipel genoeg / dat hp is gelijkt toan.13-ra
fijnen Meeſter / ende den Unecht / Dat In ig At. 10. 24
gelijk fijnen Heere / ende Diergelijke ſpzeucken
reyner liefden aen haer beweeg / Daer en boven
niemandt en was / die hem im Woorden ofte
in der Schzift feet bele,
Acht verhope weerde Broeders / dat hiet it
leben flvaffen konde) cheuwel Warden Haer
loetgierige nijdige herten / foo ober hem
ontſteeken / Datfe de grouwelijcke Boeve ende
Iuooꝛdenaer Bawabam/ die de Wet in den
Defe aengeteechende evempelen/ den Gad:
vzuchtigen confcientien/ rykelijſt ende overs 1020344.
blocdelijk genoeg beweſen is / Wat het aller
doot rechtede / begeerden tot den leben / ende
dat eeuwige leven felve / de Schepper ende
Onderhouder alle creatueren / met verwoe⸗
Den en bloed-dzinchtende herten ín Den doodt
fachten,
Dat reyne Pemelfche Tichaem aller deug-
den / is alfoa met geeffelen ende ſtramen ver⸗
maelt / dat glorieufe aenficht ende hooft aller
eeren / alſoo met blaedt / ſpeegſel ende dooz⸗
nen mismaechit / oock met alſulcken ſpotte⸗
lijken Klecdt beſchimpt datt den Heydenſchen
Vechter Pilato ſelbe jammerde / ende fende ;
iet welck een meuſche. Jae weerde Broer
ders / het en moght al niet helpen / geen pijne/
een, marteliſatie / ween ellende en Was gez
noegh / fa en konden hiet gevzecdigt wordeu /
tot dat be ban haren oogen Weg genoomen /
ende met den aller ſchandelijcliſten doodt ver:
doemt was / als cen pefe in een booge op deu
heupee uptgerecht was / fijn handen ende
baeten met plompe nagelen / ende ſijn zijde
met eenct lancie doorgegraven Was / ende \vag
als een Bloem ende Aerts⸗ vader alter fchalc:
ken aen De galge des Kruns genaqelt/ ende
onder De Moozdenaers gereekent / fin hebben
hem voor fijn onbegeijpelijche brandende liefde
ende weldaden faa bedanckt / dat hu in fijnen
beefmachten bitteren dozſt / in De laetſte ure
fijns ſterbens níet een Deuppel Waters verkrij
gen en mocht / maer. moeſte hem met Edict
ende Balle laten genoegen : Somma) daer
is alſoo met hem gehandelt/ Dat bp oock acn
den Boom des Vruptes met lunder ſtemmen
tat fijnen Dader ſchreude: Mijn God / mjn God
waer toe hebt qì mp gelaten: Dat ha klaegt
Boor den Peopheet/ ſeggende: Tek ben een 5
WDoamken / ende geen iDenfche / cen fchande
det menfchen/ ende cen verwormentlhent det
Dolcken. Hy machte met Geremiaofte met
Jerufalem Wel ſuchten ende fegaen/ O qui
alle die Boorn gaet/ merckt ende fiet / oft |t
daer oock eenige ſmerte mijt ſmerte gelijclt zp.
Ende aldus is De ceuwige rijckhent om onfer | alles wat u duck ende oe aenklebende fonz —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wegen boo? een Polck geweeft i8/ une Wat,
Dader fn gebooren zijn / ende wat Geeft datſe SPOC13-de
gedzeben beeft / Die Chriſtum Jeſum / ja dat
bieffelijke / bzecdfaemige / onfchuldige ende gez
hoogfacmíge Lam Godts ende fijn Peplige
Lidmaten ban den beginne foo entfermelijken
hebben uptgeftooten/ geplondert/ belaagen /
gevangen / gepijnight/ umtgerecht/ geſtee⸗
uigt/ afgehauwen/ berdzancken/ gebzaden/
verſtickt / omgebzacht ende vermoost / tot op
defen tegenwoordigen dagh toe/ ende fal oolt
nae mju berftant/ dat ick ín Des Weeren
Woozdt bebe / deſe Cpranmpe niet upt Diez
hen tot Dat De untgeſtootene / bertworgde /
en gekrupſte Chziſtůs Jeſus met allen fijnen
epligen alg een Almachtigen Gewelthebber /
Ober wumer ende Glorieuſe Koninck ten laet: Apoc-1-7°
ften Oordeel nde Wolchen des Hemels alten
Geflachten berfchijnen fat.
Nae Dien dan de beeft heiehelijke tprannpe
defer blinde Wereldt / alle wegen albus den
lainderen Godts op den Wals gelegen heeft / Matt.7. i4-
noch lepdt / ende oock mogelijcken tot den —
cpude toe Wel liggen fal/ gelijck gefendt ís / Hier mer
doornhechtigen wegh des krups iek meene na gie ofte
den bleefche / doch na den Geeft rimm/ ſacht bane ie.
ende lieffelijck) geen ander wegh tat Des levens
poortelulent/ moch inlepden en magh/ gelijck
de Schrift getungt.
00 ſchoept doch uwe boeten wel met Dat Eoh.rs-
Euangelinm deg vredes/ met de lieffelijche een
belofte Godts / met De repne bekentenige 7"
Chꝛiſti met de verfmaethept van u felven /
metde lijdtfaembepdt ende geloobe Det Hepli
gen/ met De getwiffe hoopinge op dat Hijche Febus.
ods: Op dat de harde flcenen/ / de ſcher me 1e
pe ſteeckende Doomen der berfoechingen packen der
iiet welcken alle vzoomen berfocht Wor tidlijcker
den / u niet en berſcheicken ende op den ren ende
fachten rimmen wegh deg Dleefchs voe⸗ beladen is,
en. en kan den
Dat ga oock alle Dingen ban u af-leghht / wezh des
mat DER
—— — — — —— —— — —
en evenwel behaben deſen eenigen / ſteenigen rechte baſſa
Rom.8.
Toa.19. 36.
— — — ni De + - - I —— — En = Te F 5 x en ne — * mn —
EE ——— — mn — ⏑— 3 _ nn — — ẽ — — —— * ⸗ — — —
———— — — . , 8 — — * — — — — — — — — * = = En — ⸗— — — — — = *—
—— — — — — — — — — — — ——— — — — en — * E * — — nne - — * EE = — — —
— — — — — —— —— — — ——— — => — — — — = — = *
DEE
Mat.s.12.
zCor.4.1 Le
nen == — —
EE Te SE IN
— — — es
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van’t Kruys Chrifti.
Den / de verdoemelijke werken der dunſterniſ⸗ haer geheel leben was boete en vꝛoomheyt. Sy
fen / gierighept/ onnutte ſorgen / den luft tot, haetteden / mijden / en beftvaften alle grouwe⸗
bups/ goed / gout / ſilver / pronkerpen/pzael | len |, fonden / ende booshent: HNiemandt en Ler-23. s-
ende alte dat bergankelijkerris / alle dzonkken-| was ’er dieſe met Gods Mooꝛd ín haren gehee⸗ los. io. 16.
fchap en alte Dvecvloedighept/ alle Afgode⸗ len wandel ſtraffen konde, Evenwel om dat
rpe / eén pdelhepdt/ alle onbefitedene vleeſche⸗ ip Des Werelds pdel / vieefchelijk / Goddeloos
lijke woorden / en alle packen der boostepdt / leven contrarie Waren (gelijk wp noch zijn /
op datſe u niet ex oberwegen / en alfa ban | aol dooz Gods Genade eenig blijken fullen)
defen eenfgen engen en Woninkdijken weg /op | det. vervoeriſche Pzopheeten Woorden niet
ongebaende ett kromme bp-wegen afftoatén/| hooren en dozſten / haer edel zielen den Geer
efijfs won tot onfen tijden (eplacen ) wel gezien | flelijken Dieven en Moozdenaers niet bes
ebben. trouwen en dozſten / de gemaekte houten /
Daerom mijn ſeer gewenſchede Bzoeders Steenen / Silberen en gebacken Goden niet
en Suſters in den Heere / ſoo neemt doch den aenbidden en eeren en dozſten / de onſchꝛrift⸗
geſrunſten Jeſum Chꝛiſtum tot uwen voor⸗ matige / Afgodiſche vercierde Sacramenten
beeldt/ daer toe oolt allen Gods gerechtigen niet gebrunſen cn dorſten / Ec. Somma /
Apoſtelen ende Pzopheeten / en leert in haer | om datfe alleen den waerachtigen en levendi⸗
kennen /hoe fp alle cot deſe enge naeuwe Poorte gen Gode hooden/ geloofden / vzeesden /
in geloopen zijn / ende hebben alles aen de lief hadden/ en dienden / daerom heeft dat
poften hangen laten/ want fp hadden haere leugenachtige Slangen zaed ſijnen mond op:
herten daer gerechtet / en waren alfa'van God gefperer / en beeft fa menige valſche / vuple /
begaeft / ende getogen / datſe over al niet en ja onmenſchelcke leugen ín dat aenſicht der
lenden / niet en ſochten / niet lief en hadden / vzoomen uptgefpogen / en haer op hare ſtoelen
níet en wouden / dan dat eeuwige Heineſſche der piſtilentien alfa geſchantvlektt met alfulken
en onsergankelijke goet en weſen / God ende epfchelijken berwe ende geſtalte ban haren
dat eeuwige Heven. Alſoo in der liefden gez blinden Diftipulen afgeroepen, datfe der
grondet en verhittet / alfa vaſt enonbe-evvelijk gantfcher wereldeen alſullien vloek en ſtanck
geworden / datſe noch teven / noch dood noch geworden zijn/ dat alte menſchen neufen en
Engelen / noch Borſtendommen /noch gewel; monden Loor haer toeffoppen/ en cen ver⸗
digen / noch hanger /noch zweert / noch eenige fchzicken hebber en afulieden/ ja alle die maer
andere mactelifatie / pijne of middelen mogt over een arm Bodbreefende Eheiften wel
berſchziclen van de liefde / die daer is in Chriſto neerſtelijk ſchelden en liegen kan / dat is des
deu / haer denken en ſpreeken / haer doen en Werelds befte Pzedikant / on welgeachtſte
aten/ haer leen ende ſterven was Chziftug Leeraer.
Jeſus / haer Nick en vuften enfochten {niet Geen leugen foo beeftig en plomp / die fn
op defer aerden / want haer gemoet waste: tegen den Godvbreeſenden niet ſeggen en doz⸗
mels en Geeſtelijk / alle hare vruchten waren ben : u witten wp ſteden en Tanden meinen,
netechtighent/ licht en waerhent / haet gant- ſcheldenſe / foo wilten Wp de gantfche wereldt
fche leben wag enchtel lfefde / kupsthepdtende Lernielen/ nu zijn Vp Ovberſpeelders / dan
ootmoedigheyt / gehoorſaemhent en beede. De Dieven en Moordenaers. Nu leggen Wn
berganchelijcke boofe wereld / miet alle haere dat den Sondaer geen boete achter gelaten en
werfen was haer eenen doodelhken ſtanck en is / dan verwerpen Wp dat Nieuwe Ceſta⸗
grouwel / fp hadden lief haren God van geheel⸗ ment ende Chriſtum: Somma wie niet over
Der zielen / ende daectam hebben fp beftraft al den Godvrzeeſenden en vaeft en liegt / en is bu
wat tegen fijnen Wepligen wille / Gereende der weereld geen Chziften/ / O Heere hoe reyn
Woord was/fp hadden lief haren naeften gelijk en ba zijn evenwel alder hepligen Gerten en
aer ſelven / en daerom hebben fa haer in alder conſcientien boo? haren God/ ban alle defe
fefden vermaent / beftvaft / gedient / Godts | ende Defer gelijcke ſchand reden ende leugenen
repne wille / Woord ende Waectent met alder | meet.
neerftighept aengewefen en geleert / en hebben | Ende dat onchziſtelijck Helſche liegen en is
hare falighept gefocht na alle haer bermogen/ | det Wereld nach niet genoeg / maet fp moe:
en dat met grooten achterdeele ban hare epgen ten noch al fcherper aengetaft/ ende noch al
roeden Haem en Teben Ende daeromme | herder beſocht wozden / die Chriſtum Jeſum
heeftſe De vptfinninge/ mijdige ondanckbare Kernen / en geerne na ſijn Woorzd leven Wil
Wereld, Die ober den ooren ín den bloede wa⸗ len / gelijk Wp boor oogen fien mogen / Want
Det / fa jammerlijk gehaet / vervolgt / enmet hoe menig. vzoom kint Gods hebben fp bin⸗
den dood beloont, a en kosten Gaten om dat getupgenifte Go⸗
Wijn liebe Broeders / Dit ig niet alleen aen Des / en haerder Confcientien upt haren hun
de Propheten/ Apoſtelen / en aen den genen ſeñ en goeden uptgertooten / haren arnwedt
díe boo? ons geweeft zijn / gefchiet / gelfjk ons | en nooddzuft den bodemlooſe Wenfees hiſte
de Schaift berhaelt/ maer wp hebben ’t oock toegeſchreben hoe menigen hebben fn beze
ſelbe in Defe laetſte tijden oberbloedigljcken raden / iwt Steden en Vanden gedreben /
gefien met onfen epgen oogen. Woe menigh geſtolit / en geblockt / Den armen weeskinde⸗
droom kind Gods hebber wp gekent binnen | ten naelit op den dijk geſet / ſommige hebben
korten Garen / kennen ook noch fonumige/ de fh aen galgen gehangen / ſommigen met on”
Peere moet eeuwig daer Hao? gelooft zijn / Die menfchelijker tyrannien gepijnigt Baer na met
hꝛiſtum Jeſum en Dat eeuwige onderganc- ſtricken aen eenen ffalte verworzgt / fonnnige
Kelijkeleven fochten/ en noch foelten met gez levendig gebraden en gebrandt, Die haerder
trouwer envennder herten / die Bod vreesden ſommige haer ingewant ín haren handen heb⸗
PC19,18.
Wie over *
den vromen
beft liegen
kan, wert
byder wee
relt hoogft ,
geprefen.
O tyran nie
en grouwel
Hier me rket
hoe onbarm-=
hestig de ar=
me blinde
werelt met
alle den ge-
nen handelt»
die Go
Godt
unt dat binnenfte haerder zielen / haet herten bende/ noch krachtelijck ban des Weeren an nerten
bloeyden in Des Weeren Woord en Wiefde/haer Woord ſpzalien fommige hebben ſy met den vreefens —
mouden Blaenden in kracht) geeſt / en wijshent) zweerde gerechtet / ende De Dogelen des re
mels
Van’t Kruys Chrifti.
melg tot eender ſpijſe gegeven / ſommige heb
beu fa Den viſſchen toegeworpen / fonunige
hebben fp haer hupſen afgebzooken/ / ſommi⸗
ge in ſſjckige poelen geftooten/ ſommigt
haer baeten afgehouwen / van welker ick ec-
nen geſproken en gefien heb / de andere zwer- | nat zijnen Dat haer fake en handel fo openbaer
beu hiet en Daer met gebzeik/ ellende / ende | zn plat tegen deg Peeren Geeft, Voort en Hes
ongemalt m’tgebergte / woeftijne/ holen en ven is
Heb,irze. ſchueren of Klagen der Werden/ gelijk Pau⸗ Och konden doch de arme blimde ende
lus fepe / moeten wijken en vooz· vlieden met verherde herten vecht Gelkennen / en wel dooz
baren Drouwen en klepne kinderen / van't meten den epgentlijkken gerd / natuere ende
Mat.10.23. LENE Hand in’t ander / ban De eene Stadt | Geeft eens waerachtigen Chriſtens / fp moer
in de andete/ bart alle menfchen gehaet / ſten hen boor haven Godt ſchamen / en ban
gefcholden/ gelaſtert / beſpot / belogen / ver⸗ ganticher zielen beklagen, Datfe fijnen glo⸗
treden / gekettert / van Den pzeechftoelen et rieuſen naem / fijn gebenedijde Wood / fijn
Vaeùt-bhupfen afgeroepen / in hare neeringe Godlijke Genade / ende fijn roode dierbaer
verkort / in Den Kouden winter opgedzeben / | bloedt fo jammerlijk misbzupken/ ſoo val⸗
ban haer bzood berooft / met vungeren gez | fchelijken roemen / en fo fchandelijcken tat
weſen / ja alte wie een acm berdzuckt Chai |een dekſel alder haerder moetwilighepdt /
ften verongelijclien kan / hp meent / Dat Gp! fcljanden en booshent trecken.
147
Hecke geſien zijn / ende en merken niet eenmael
op haer Goddeloofe vunl onboetveerdig leben
dat’et ín den grand gerdſch vleeſſchelijß / en tes
gen Godts Woot ig / dat haerder ſommiger
handen ban den Chziftenen blacdt deugen en
Mat.5. 11.
Joar6e God eenen Dienft daer aen doet / gelijck De, Want cen vechtgeloobig Cheiften/ is cen roa. 1.13:
deere fpreckit. menſche Die na den Geeft upt Bod geboren is / 2 Cor.5-17,
Efasg.8. Merkt liebe Broeders / hae vezre Dat doch een nieuwe creature in Chriſto Jeſu geworden an
de geheele wijde Wereld bupten Godt ende is/Die fijnen bleefche met ſuſten kruyſt / die alie
Gods Woord is/ hoe ſuel Dat haer boeten Godloofighept en fonden van herten haet. Alle
tat den bloede loopen / hoe nijdiglijken ſy fijn vruchten zijn gerechtia / IHdſamig / Waer:
Hier merken
een
recht Chrie
Dat licht hateu/ ende hoe bittectijken fa de | hepe/ gehoorſaemhept / otmoed / kupghent / Ren zy.
eeuwige fatigtnakiende waerhept/ dat cepne | liefde en vzede / hp wort van deg hHeeren Geeft
onbeblechte Euangelium onſes Heeren Gefu | gedzeven/en alte fijn gedachten zijn in des Hee⸗
Chꝛiſti / dat vroome Godfalige leven alder | ven Wet / en ſpzeelit Daer ban nacht ens dag, alle
Pepligen vervolgen / fchenden en untroenen. | fijn Wooꝛden der in der geraden met zout bez
Endat niet alleen bp den Papiſten en Turken | fpeengt / hp ffaet ban herten na dat beome lez
maer ook fo vele bp die / die haer Des Hepli⸗ ven / dat upt God is. Dip dreef? fijnen Bod upt
gen Woods beroemen. Doe wel fh vele den grand fijnder zielen. Somma) hp ís nae
in den beginne Haers fehzijvens Lan Den | fifn ontfangen gabe geaert en genaturecrt alg
Epha.4s Geloove gepredicht ende geleert hebben / te ie se Jeſus. ——
weten / als dac’et Geloobe een gave Gods Honden nu deſe ellendige Lieden beken:
zp/ Dwelck niet met cenig pferen zweert / [nen / dat een vecht waerachtig Chriſten al-
maer alleen met den Woord moet in der | dus (alg hier verhaelt ís) geſint iS / aldug-
menfchen Gerten gedrongen worden / want | danigen lieffelijken en bzedeljcken eveacuer
het een aenkleben deg Gerten en Willens ig. ende Linde Godts is / ende hadden dan de
maer defe ſelvige ieere hebben De gez| Genade; Dat fn ook ſelve alſoo gefmt Waz
leerde over (ommige Karen al weder imge-|ven/ Deijle fp haer Chziſtenen roemen / ſo
Klapt/ ende (fomp dunkt) in haer boeken en fouden fp niemand haten / maer ſelve
uetgewifcht / want fint datfe Deer ende | wel gehaet Worben / niemand beliegen/maes
Boſten / Steden en Wanden / ín haere bape en ſelbe beloogen wozden / niemand verkozten /
pleeffchelijkte leere hebben ingetogen / hebben | maer verkorzt worden / niemant vezraden / maer
fa dat tegendeel wijt uptgeroepen / alg unt vezraden worden niemand berooben / maer bee
haren ſcheiften wel openbaer is / en ſtooten rooft Worden / niet moorden / maer gemoogt
geel Godvzeefende vroome herten / dooz haer Worden / niet Dat Schaep bijten / maer ſelve
ogroevig ſchehven ende Pzedilkanten/ Den | van Den Wolf gebeten worden /niet De Dupben
Hangman inden Handen / die haer met Dat | bangen / maer felve ban den Valke gevangen
heldere klare Gong Wood en Euaugelio Wes | en gegeten worden / gelijk men Loor oogen
berfpreehern ſtraffen en vermanen / en Wij- | fien magh. 5
fen haer Den rechten grond des Pepligen |_ Zijn onfe vervolgers dan Chziftenen/gelijk
Woods aen / te Weten Dat krachtig Wer ſy Mepnen / waerom en zijn ſy dan niet vt
kende Geloote Doo Díe Tiefde / Dat boetbeer⸗ Bodt / ende upt Godts Woordt gebaoren 2
me levert / de gehoorſaemheyt Gods Waerome zijn fp dan noch de oude vervloek⸗
te creatuure en legen na luſten haers vleeſchs?
en de rechte Cuangelifche order
hoop en Pachtmacl affiijdinge/ | wacromme laten fp hen dan ‘van bes Dune
Gal.s. 6.
Mat.28. 1 ge
Mar.26. Tye KE \
Mat.z6. 25e dige nieu
Mär.r4. 22. hk SETI
parte See en Chꝛiſt
3 Cor egt * ninge in Doop
arne gelijk Cheiftug Jeſus ſelbe ingeſet en bebolen | velg Geeft dzuben? waerom hebben ſu dan
Mat 5. beeft de fie Depuige Apoftelen geleert en noch alle haer gepepng op de Lerganktelijche
1747 Gebeunkt hebben. tifdtlijcke dingen / en zijn Daer mede bekom⸗
niert / nacht en dagh £ wacrom overvloenen
dan noch hare monden ban onkupshepdt /
vdelhept / leugenen / vloeken / en zweeren? waer:
Ia alle die ſullis unt reynder liefden Doet
hare vermaledijde Wederdooper / Op⸗
voerder / Berlender. ende Ketter zijn / Daer
mogen hen alle Godbreeſende na ſchicken
en vechten, Ebvenwel willen ſy allen met
malkanderen / Weeren / Doeften / Predikan-
Die onſchul· gen / Schrift-geleerden./ gemeen Lolk / fp zijn
disisen dan Papíften/ Lutherianen/ of Swinglis⸗
nen / de Chziftelijkke Gemepnte/, en de Hepli⸗
gemeent.
waevom zíjn ſy Dan De berboerifche oude flan:
ge ín Der natuuren noch gelijk / en fijnen wil⸗
le —— En waerom zijn fin dan noch
fulke verſchrickelijcke berfcheurende Wols
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
or en Breefen fp dan God en fijn Woost niet +
ven / Heeuwen/ Dalcken/ ende geipende
C 3 Da:
Rom.8, 14»
Pí1.2.
Col.4.15s
Phil.2, Su
De vervol-
gers hebben
Chriftus aert
niet,want de
Chrittenen,
en vervol
gen pie-
mant,maer
werden vere
volght.
Kom $.9.
Dogels / en geen Weerloofe censoudige Scha⸗
ger en Dupven/gelijk de Schzift leert $
Van ’t Kruys Chriftí.
tegen zijn / ende en willen met haet eten noch
drinken / noch ín eenigen dingen gemepnfaem
Och lieve Broeders / laetſe vroemen Wat ſp
roemen / Chriſtus Jeſus en kent alſodanige
moetwillige aertſche / bleefchelijke / verſchric⸗
kelijckie / en bloedige Theiſtenen niet / hu
kent alleene die / Die ſijnen Geeft hebben /
I die hem van gantfcher heeten gelooven en gez
hboozfaem zijn / Die bleefch ban fijnen vlee⸗
fche/ en been Gan fifjnen beenen zijn / onder:
zijn/na de leeve Cheiſti en Pauli / ten zp! datfe * Pors: 10»
van hare dwalingen afftaen/ en in det Godfa- mar. 15.15.
liger leere nuchteren en gefont worden.
Gelijk dan de Papiſten en Lutherianen niet Wie Chri-
eeníg / dan verſchenden zijn / noch veel meer gu kent
zijn wp ín den grond Herfchepden Han DEL munfterfche
Munſterſchen / en Lan ſomige andere ACC: grouwelen
ten die upt haer ontfprooten zijn / dat dit de niet conten-
— — — — 5
— * * — 8 1
ade ES,
manden mese — Hà
—— — — — HI
zn = = = .
— — ÜM — — en. 4
— ——— ——— — —
ee = —— —J
— — Hi 4
J—
— — — >
EE Eph.s.30.
een:
Mat.s. 9.
Maât-16.24.
Rom.8.3 5
Gal.6.
Marc.8. 34e
worpen / nedzig / gadbzuchtig heplig en reyn
ban herten / Die Chaiftum Jeſum Gelijden
met mond en legen boor Dit boofe en arge
‚ geflachte) Die hen felven berſaekken / dat krup⸗
ce Chꝛriſti opnemen en hem na volgen / die
met den Hepligen Paula feggen: Wat fal
ong mogen affclhepden ban de liefoe Godts £
En oder al ín geenen Dingen glorieren / dan
ín dat Kruus onfes Weeren Jeſu Chzꝛiſti / door
wellie fa Dec Werelt gekrunſt zijn en de we⸗
velt haer / alle Die aldus gezint en gefchicht
ziju) zijn Die gefalfde Gods / Wepligen en
Chꝛeiſtenen / en níet de onboetbeerdige vlee⸗
fchelijke bloedige roemers / magh een nege⸗
lijk in berdacht zijn / of die gantſche Schaft
moet onrecht en gelogen zijn.
Ick meene leve Bzoeders / Dat nu de
Godzuchtige Leſer hier upt genoeg verftaen
magt / wat ’et Booz een vollt is / Die u fo ver⸗
fimadelijfken met boeten ffaaten / met vunſten
ſlaen / met leugens beladen / goed en leben
nemen, Daer beneffens ooli or Wat oozſale
ſy alſullis doen / te weten) am Dat gewiſſe onz
bedriegelijcke getungeniffe Gods / en uwe
Confcientten / en hoe ſy ook alle (wepnig unt⸗
genomen) díe ban den beginne Godt geſocht /
gebzeeſt en lief gehadt hebben; na fijn God:
lijke Wooꝛt / en wille gewandelt hebben / de
verbijſterde dwalende Werelt ín ’t booſe bez
ficaft/ en tat het befte beſtraft en bermaent
hebben/ deſe blaed-perffe hebben getreden /
en hebben alle mang uptvaegfel/ ketter ende
roof maecten zijn.
Du willen tap vooztvaren ín Den Name
deg Weeren / en onder Wepnig Waozden gen⸗
teekenen Wat krachteloafe ongerijmde excu⸗
fatien onfe vervolgers voorſtellen (die doch
níet beter voor God en boog fijn Woort alg
Stoppelen en Sulpher boo? Dat vner beſtaen
en magen) Waer Door fp len nochtans mez
nen te ontfchuldigen/ Datfe techt en Wel
Doen / datfe den vꝛoomen alfo malefteren en
feet aendoen/ Want alle ſonden zijn ban al
waerheyt is hebben Wp met ſcheiften / leven / STE
en mondelijke getupgeniffe voor Heeren / Voz⸗
ffen en boor de gantfche Werelt ooft met den
bloede veler vzomer Chꝛziſtenen / Dat in Leel
Landen als water vergooten is / ober menig
jaren herwaers wel beweſen.
Dat evenwel de werelt Dit niet gelooven
en wil / en konnen wp niet keeren / maer
wp getupgen onfe herten en confcientien ban
aften opvoer / haet / weder · wraek / en bloet⸗
dozſten voor onfen Godt repn en Lan te zijn /
en ftaen daer na met aller neerftighent/ om
met allen menſchen in zede te leben na Der
leere Pauli / fa bezre het mogelijk is / eu foo
bet niet magelijkken en is / Dat Wp bzede met Romera. 18.
haet houden magen / en weeecken Lap eben⸗
wel ons felben niet / mact Wp geben ’top Deja. 35.
Dien / Die Daer fent/ geeft mp De wzake / en
íclt fal ’t vergelden / en bevelen hem alleen
onfe fachen/ gelijk Jeremias met alle vzome
ban den beginne dat gedaen hebben.
Ten tweeden / antwaozden Wp: waerom mer ao;
ft ong doch ban alfulkke oproeren foa onbe:
fchepdendlijkt befchuldigen/ daer Wp ban al:
len oproeren fo heel ontſchuldig zijn / en ban
zijn / alsgefent is / en op haer epgen verſlin⸗
Dende / bloedige / mooPdadige oproeren niet
eenmaelen merken / die doch ( eplacen) noch
mate noch epnde en hebben / gelijktren fien
magt: O lieve Weere/ hoe menig Vozſten⸗
dom/ Stadt/ en Hand hebben fn im den
grond verwoeſt / hae menigen bzand hebben
fn geftichtt hoe menig hondert dupfent hehe
ben fp verworzgt? Woe hebben ff dach den
armen Hunsman / die geecne vzede gehouden
hadde / en der Dopften fwiſt ontſchuldig was
fijn goeden gerooft / gevilt, en gepluchet Hoe
meuig @delinang vrouwe en maget hebben ſy
geſchent? wat beeftiger / onmenfchelijker helz
fer tnvauníe hebben fx bedzeven/en bedrnven ſu
noch alledage* En dit alle en fien (pp niet / ja
het moet noch al vecht en wel gedaen heeten.
EEn liebe / hoe fijn accogdeert dit doch met de
leere / aert / natuere / en geeft Chziſti / hoe fijn vij- me 18, 3.
met hem met den ormoofelen kinderen/ diende zo
Ehaiftenen ín der boosheyt moeten gelijk zijn: enriaus
En met den armen Weerloofen ſchapen en een⸗ geeft, acre ,
bondige dunven/Daet op de Schrift wijft. Dele en nafuere
bendandeg wereltds Overigheden Chriſtus en Chri-
Aert / Hatuere / en Geeft niet / foa moet oalé fen,
een pegelijkk bekennen / Dat ſu geen Chriſtenen
en zijn.
Ick weet wel / dat de tuvanmen / die haer
Chꝛſtenen roemen / hare geouwelijke krij⸗
nen (oproeren / en bloet bergieten met Moſe /
Joſug / en Diergelijken meer / wel geerne voor
Ei | ſullier aert / Datfe haer dekſel en onfchult foe:
OENE EE | ken / en cen pegelijk hoe ſchandig dat hut
EK | oolt maeckt / evenwel niet baar guact ende
Goddeldos / maer vooꝛ enkel gerechtighent /
(En vroom en Chziſten toil gehouden en geacht
u.
Sen eerſten: Beſchuldigen ong onfe ver⸗
volgers / en ſeggen dat ap oproerig zijn /
gelijk die Munſterſche / en dat on De Oe
Ik derhept niet gehoorſaem en zijn. Antwooz⸗
| den op ten eerſten /Dat de Munflerfche op:
| roerig zijn geweeſt / en in geel Dingen. bumten
EE | Gods Waart gehandelt hebben / belijden wy /
| | mact dat wp met haet ſouden eens zijn / Daer | Geclpt beweeren / en tat een goet werk maken
EE ſeggen von neen toe / ant uy Die oproerige fouden, Maer fu en gedencken uiet Dat
| grouwelen als van Konink / vijlk / en zweet / | Moſes ende fijn Navolgers in Dier wijfe met
| Ec. Item van veel wijven / metter Werelt te, haer pferen zweert hebben untgedient / en Dat
4 vennſen / en diergelijcke ſchaude en grou⸗ ons mi Christus Jeſus cen nieuwe gebot ge⸗
welen meer / van gantſcher zielen haten en | geen / en cen ander zweert op onſen een
) Kal
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Io.13.34-
Van ’t Kruys Chriſti.
gegozt heeft ilt en ſprekie hier niet vanꝰt zweert, Zijt qu niet/Dít ( fepde ooft Achab tot Eliam )
149
Mat.ro. to. Der Juſtitien / Want dat heeft een ander bez | Die Dat gantfche Iſraẽl verſtoort? neen(fende
Eph.6.17.
Rom.13:9e
dac fp dat ſelvige krups / zweert / datſe tegen
alle Euangeliſche Schriſt voeren / ook tegen
haet eygen Bzoeders ſteken / te weten / tegen
Die / Die haet geloofs genoemt zijn / Die eenen
doop met haer ontfangen hebben / en een broot
met haer gebrunliẽ / en alfa leden eens lijfg zijn.
“tem / Wat vreemde bloedige oproeren
ook de Luterſche om haer Heere in te Voeten
of te beweeren / ban ſommige jaren af / qe:
maekt hebben / geve ick haer felven te beden:
ken. &@venwel moeten wp (hoe wel onſchul⸗
Dig) de oproeriſche ketters en ſy Godbruch⸗
tige/ vrome en vreedſamige Chꝛiſtenen zijn.
Ziet / ſoo jammerlijlien ís dat verſtant deſer
blinder werelt verdonliert.
Wel aen fp magen met ons handelen als
haer belieft / De barmhertige genadige Dader/
falaug voor alſodanige verſchzickelijcke op”
roeren / gelijk de Munterſche aenrechteden /
en oekk noch alle dage (eplacen) bp onfe ver⸗
mengde Chziftenen in zwange gaet / Wel
bewaren ; want ton hebben door Gods Ge:
nade/ Die ong verſchenen is / onfe zweerden
toc plocg-pfers / cn onfe lancien tot ſickelen
gemaefic / en fullen onder onfen waerachtigen
Wiſtock / Chriſto / ouder den Vorſt en Pzin⸗
De ware ct odes eeuwigen vredes ſitten / en ous tot Den
‘Chriftenen ypterlijken ſtryde en krijge deg bloets nimmer⸗
en vechten peer meet oeffenen.
eben, en derden / antwoorden en feggen ton :
dat wp geen ander zweert en kennen noch en
gebzupken/ dan ons Cheiſtus Jeſus felve
Mat.1o.10.… upt den Hemel op Det Aerden. gebraght en
Ela.2.4
Mic.4.3e
Ep.6.17 eeft /_ en de Apoſtelen in Geeſts Kracht gez
—— if en gevoert hebben / te Weten Dat / dat
Mier mert pt des teeven mondt gaet / Dat zweert des
rweerten … Geefteg / dat ſcherper is dan eenig upterlijc⸗
macht. ke zweert / Dat aen bepden zijden ſnidt /
want het doordringt en fchepdet Geeft ende
Cielen / mergen zenuwen/ en vechtet De gez
dachten en zinnen onfer herten.
et dit zweert en geen ander begeeren wy
Dat rijke deg Dumvelg te verſtooren / alle onz
gevechtighept te beſtraffen / en alle gerechtig⸗
hept te planten / den Dader te verwecken tez
gen fijnen Sone / den Sone tegen den Dader,
Mat‚vo 34. De Moeder tegen haer Dochter en de Doch⸗
ter tegen haer Moeder /Ec. An dier maten/gez
lijk Chgiftus Jeſus en fijnWPepligeApoftelen en
Pꝛopheten hiet in defer Werelt gedaen hebben.
El en meene hier niet de Pꝛopheten Eliam
en Damuelem (verſtaet gn ’trecht) die oock
ameg.®. go, Wpteelijk 't zweert gebeupkt hebben / maet ick:
_rReg.is-33 meene hier Eſalam / Jeremiam / Zachariam /
Amos/ Ec. Die met der leere beſtraft heb⸗
ben/en anders niet.
Dit felbige zweert voeren wp / ende en mo⸗
gen ’t ons van Hepfer / noch van Lroninft/ban
Amptman noch Burgermeeſter laten af bin⸗
den / want Petrus fept. Wy moeten God meer
gehoorſaem zijn / alg den menſchen / den gez
nen Die tong dan aengegozt heeft / moeten
wp dat ook ten prijſe en dienſte voeren / het gez
lucke ons tel even of te ſterven fo ’t God belieft.
Dat ong nu De Wereldt Defen trouwen
dienſt der reynder liefden aen haer beweſen tot
oproer keeren wil/moeten wp ín ljdfaembept
AÂ.r.je.
fchept en aenften : maer ich ſpreke ſoo wijt alg | De Pzopheet) ich en ben ’tniet/ maer gy zijt
krijgen oproer aengaet, En denkt oak niet / het / en dat hups uws Daders. Jeremias
aReg.18, 17
moefte om fijn getrouwe waerſchouwinge / en
beplfame vermaningen haren muptmaker en
ketter zijn. Chriſtus Jeſus aen’t krunce han:
gen. Paulus ende Apoſtelen alg verboerders
en oproerders in kerkers en banden fpzingen /
en ten laetſten haer martelifatie lijden.
Vande nu de wereldt een oprecht gerichte
ſtellen / foo foudenfe wel bekennen / hoe Dat niet
Chꝛiſtus en De fijne ober de werelt. Maer dat
De werelt alle wegen over Chziſtum / ende Den
fijne geoproert heeft/ dat don alfaa niet Wp
over pemanden / maer alle menfchen aber ons
optaeven/tprannifeecen en krijg· hepligen / gez
ijlimen fien mag.
Stem / dat Wpde Oherhept fouden onge:
hoorſaem zijn / in't gene daerſe Van Godt toe
geozdineert zijn / en fal met der waerheyt nim⸗
mermeer bebonden warden) verſtaet in dDifken/ Ro-13-7-
wegen / wateren / Cijs / Col /Tribunt / c. Maer *Pen2-13-
datje boben Chriſtum Jeſum / of tegen Chri⸗
ſtum Jeſum in onſer confcientien / nae haven
moetwille / en niet na Gods wille met men⸗
ſchen geſetten en geboden domineren wil⸗
len / en conſenteren wp haet niet / maer hebben Sodes
veel leer goed en bloed te verlieſen eer pom Wooren
eenigg menfchen wille bj zulienſer of Konink/ Beyen mas
weteng en willeng/ tegen Chriſtum Jeſum / en om men-
tegen fijn Heplige Woozt fondigenfouden. ſchen be⸗
Dat wp hier m niet en imighandelen/ maer Swank niet
vecht en wel doen / betupgt de Schrift oer: werden.
bloedelijk/ achten ’cDacram met de Vrome en Dan.13.
Godbzeefende Suſanna veel beter te zijn dat
wp God gehoozſaem zijn / en ballen alſoo in de
handen Dee menfchen/Dan dat wy den menz
ſchen / gehoorſaem zijn / en ballen alfa ín de hans
den Gods : die lieve Dader dooz ſijnen gebene⸗ niſtorie
dijden SooneChziſtum Jeſum gebe doch deſe sutan.3.23.
doove en blinde wereld ooren om te hooren/ en
oogen om te zien / app datſe haet ban gantſcher
heeten mogen belteren on eeuwig falig Worden.
Een tweeden / foo worden wo ook hert ſon⸗
der oorſake van onfen vervolgers beſchuldigt /
Chriſtus en
defijne en
oproeren
over nie-
mant.
onbekieerlijkke menſchen zijn / die ong over al
niet en Willen leeren noch onderwijfen laten /
antwoozden op ten eerſten: Soo nu deſe
hare befchuldinge ober ons ſchoon vecht ende
waer ware / datſe doch nieten is / Dat en bes
boost evenwel onfen bervelgers níiet/ ong
daerom upt te voepen/ of leet te Doen / De: Mar.16.16
wijle fp haer roemen dat fr Chriſtenen zijn / 1923 25-
want de ſtraffe des ongeloofg fal eeuwig zijn/ * °°°”
gelijk de Schaft betungt.
Dat Geloove (fept Paulus) ot ig niet per
gelijks dink / maer het is een gave Godts :
is't dan een gave / fo en mag ’t oolt met geen
unterlijlt gewelt of zweert ingedrongen tor
den; maer moet alleen door de vepne Meere
des Wenligen Woods, en met een ootmoe⸗ Ro. ro.17,
dig bperig gebedt in der Genaden ban Godt
Dao? den 1. Geeft berfchenen Wozden / het en
is oolt des WPupsbaders wille niet/Dat onkkerupt Mac .1zer2x.
upete pluckten / tot dat den dagh des Oogſts
daer niet en is / gelijk de Cuangelifche parabel
ín grooter klaerheyt aenwijft en mede brengt. om het Ge.
Zijn nu onfe betbolgers Chriſtenen gelijk loove en be-
fp meenen / ende Des Leeren Woordt voor „eer men
Eph.2. 4.
niemant
met onfen Daozvaderen Dragen jen opnemen: | vecht houden / waerom en hooren en volgen fn teer te doen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
dan
— —
ee
nn:
Matt. 3:30,
Matt.9.r 3.
Ioan.8.44:
Rechte les-
raers hoo-
ren de Chri-
ften geern,
Matt.24.45,
Joan, 6.33,
Matt,16,6,
Iex.23.1.
lean. 10.1.
Toan.6. 50.
Luce 15.16.
Ez.14:18.
loan.1.41.
De ware
Chriftenen
fchouwen
alle valfche
Leeraers.
Toan. 17.17.
: Pet‚2.8.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
150
Van't Kruys Chriſti.
dan Christus Waordt ende Gebodt niett| menten) Vfgodernen ende Lalfchen Gods-
waerom plucken ſu Dat apt Door den tijdt *
Waerom en bzeefen ſy uiet Dat ſu de CTerwe
pluchen fullen / ende niet dat onkrunt? waer⸗
om treden fp ín Der Engelen dienſt? Die alsdan
Dat onkrupt in hoopen binden / ende in den
oben deg eeuwigen vuurs werpen fullen,
Vecht waer dat / dewijle Wa niemandt op
der gantfcher Werden met onfen geloove ofte
ongeloove / foa Dat immers ongeloobe zijn
moet / (gelijk fp voorgeven) oock om een hang
lrenlien of fchadelijk zijn / Dat fp ang den Beez
ve ende fijn gerichte met onfen geloove ofte on-
geloove alleen bebeelden / Die ’t alles tot fijner
tijde vechten fal / ende niet alfoo met haet ber:
flindende zweerden als Wilde verwoede Wende:
neun regen ons boogtboeren, Het is De vechte
ende Wwaerachtige aett ban eenen waerachti⸗
gen ende vromen Ehziften / den armen Lerz
dwaelden fondaer tat boete te fackken / ende
niet om te verderven / gelijk Defe doen. Alle
die dan dat contrarie bewijſen / upt wat Dader
fp gebooren zijn / kau een vecht verſtandigh
Chꝛiſten met der Scheift wel af meten.
Ten tweeden / antwoorden wu / Dat wu alle
heplfaeme leeringen / vermaeningen / onder:
wijfingen ende beſtraffingen in der gerechtig⸗
hept ín allen manieren aack tot der daat berept
ſtaen / Willen ong geen acbent / geen moepte/
geen onkoften laten verdrieten / ſoo Wp maet
de trouwe huns·houders overkomen magen /
die ons De ſpijſe uptdeelen tat bequaner tijdt /
Want onfe ziele hongert nae den levendigen
broode / ende onſe herte dorſt na het levendige
water / alle díe ong dat recht baar beelen / ende
dit wel infchenken konnen / begeeren Wp met
getrouwer herten te hooren / ende haet leeve
gehoorſaem te zijn.
Maer dat fuevdeegh Der Phariſeen ende
Sadduceen / dat liegen ende verboeren der bal:
ſcher Propheten / Dat freelen ende Worgen der
Dieven ende Mooꝛdenaren en Willen Wy niet/
ons gefchiede Daer over Watde Heere toe laet/
Godt zp lof / dat Hemels DBzoodt hebben Wp
gefinaekt / daerom zijn Wy Dat ſuerdeegh ende
Verkeng draf der Geleerden gantſch moede gez
wozden / De klare wateren hebben wp gedron⸗
dienft / ende met haet ſchandigh onrepne quact
leben vermengen durven / teewijlen Wp ban
Gods Geeft / vander Scheift / ende ban dat
getupgeniffe onfer confcientien gekeert Woz:
den / daerom moeten wp hertkoppige / engen:
finnige ende onbekkeerlijke menfchen heeten /
en moeten (eplacen) alle mang ketters / ſpot /
ende roof zijn. .
Ick hope immers / lieke Wzoederg/ Dat al- Ea. 55.5.
dusdanige ongerijmde befchuldingen/ de herz
ten der vzoomen nimmermeer verſchricken en
zwack maeken en ſullen / dewijle fp geheel gee⸗
nen ſchijn noch formam en hebben / ende Wop
daer tegen de gantſche Schzift / daer toe De Pzo⸗
pheten/ Apoftelen/ Gerechtigen/ ja Chꝛi⸗
ſtum Jeſum felve voorons hebben / die in alle
waerhent ende gevechtighent tegen alle valſche
leeve / mactelifatie ende tprannpe / baft ende
onberoerlijkt tat ín den doot gebleven zijn / ende
en hebben der Godloofighept niet in een eenigh
Wooꝛdt / noch met herte / noch met mondt /
he met werck geconfenteert ende bewil—
ight.
Souden wp nudan Wederom dat Hemelſche
licht verwerpen / ende De bevdoemelijke duß⸗
ſterniſſe opnemen / De eeuwige waerhent ende
dat eeuwige leben verlaten / de leugen ende de
doot na volgen / om eenn wennig vergankelijckt
goets/ ende om een hale we tijdelijck lebens?
heter waer Dat / dat wp niet gebaren en Waren.
Godt fal ons (hope ick) voor alſulcken dood⸗
lijken bal dooz fijn groote liefde eeuwigh behou⸗ |
den ende bewaren.
Cen derden / antwoorden Wpr/ dat Wp al
faodaníge onderwijfingen ende bekeeringen /
met welcken ans onſe verbolgers onderwijfen
ende bekeeren Willen / ban gantſcher herten
baten ende bpant zijn / Want haer epnde vepkt
tot der doodt / na dat getupgenifte aller Schaíft.
Ooꝛſaelie: want haer Veere is valſch ende ver
voeriſch haer Sacramenten zijn Afgodiſch
en bupten Gods Woordt / haren Gods dienſt
is enchel Afgoderne / ende haer gantſche leben
is aertſch / bleefchelijctt ende tegen Godts
Wooꝛdt / gelijk men fen maah / jae het is een Tac.3.15.
alſulcken golctt / dat wp met groot vecht van Jere-5-4-
ken / dat onreyne laten Wy haer ſelve houden / [haer mogen getungen dat ſy op ons dzaenen
de waerhent is tot ong ingegaen / De teugen | Willen / te weten / dat ’et een hertneckigh / op-
moet bupten ſtaen / dat licht dat ig verſchenen /
de duyſterniſſe en bint geen plaetſe meer, Som-
ma / Chriſtiun Jeſum den waerachtigen Meſ⸗
fiam hebben wp gebonden / fijn Saligmaken⸗
De Waoordt / fijn vepne Oedeninge ende fijn
heplige onbeftvaffelijk leven (beeftact ’t na onſe
ontfangen gave) ende Dacramme hebben Wp
den %Antichzift onfen vugge toe gekeert / ende
hopen in der eeuwighent ninmermeer fijn lee⸗
raers te hooren / fijn Ozdeningh in kinder⸗
daop ende afgodiſch Nachtmael te gebrunſien /
ende met fijn vunle vleeſchelijke ende godlooſe
teben eenigh te zijn.
Saa wp hier aen Hoor onfen Godt ende Hoo?
fijn Gemeente ſondigen ende onrecht doen /
gelijkt fin meenen / ſoo hebben ong de Poorvade⸗
ten en de Schzift janmnmerljkt bedeogen: Deh
neen / Gods Woordt is de waerhent / het fal
roerig ende onbekeerlijckt volck is / welcherg Zac.7, rz:
herte harder is al cen Diamant / een bolk dat
fijnen Godt nieten kent / gelijck de Pzopheet
van Iſraẽl geſproſen heeft / ende gefept : een zrai.r.3.
Os kent fijnen Deere) ende een Ezel de Viribbe
fijns Meeſters / maer Iſraẽl en bektent het níet /
ende mijn Polck en heeft geen Leeftant.
@ Wee / dat fondige Dolck / dat Volek ban De onver-
grooter misdaet / Dat booſe zaet / De berdop- vuftige crea-
ene kinderen / die Den Heere verlaten / den 272,
Hepligen ín Iſraẽl vertoornen / ende te rugge de ongeloo-
wijchen / fp houden haer ſoo vaſt (fepdt Jere⸗ vige ondank
miag) aen den valſchen Bods-dienft / bacfe bare men-
—— niet en willen laten afkeeren. cht fie en zons 2"
oore (fept hp) dat fis niet vecht en leeren / Daer rer.8.a.
en iſſer wiet een Die fijn boosheyt leet (8 / ende
fept : Waeromme hebbe ick dat gedaen t Sy
loopen alle haren loop / gelijk eenen cafenden
docſt de waerhent blijven eeuwelijſt hoewel | Pengft ín den ſtrijt: den Opebaer onder den
fis hen daer aen ſtooten alle díe op aerden woo⸗
nen, saf
Ende om Dat kan ons dan niet wederom met
haer balfthe Heere / met hare verſterde Sacra: | bolk en Wil dat vecht des Leeren niet belkennen/
Hemel weet fijnen tijdt/ de Tostel-dupbe /
Trane ende Swaluwe meecken op haren tijdt
wanneer fia weder (kamen fulten ii maer mijn
ende
— Van’t Kruys Chriſti. tst:
en fullie ſpreulien meer. Men magfe met Joan⸗ Putten / Staken/ en Sweerden / daer toe
— yk Dooper wel gertelijk beſtraffen en ook honger, dozit / gebzel: / ongemafs ij
rek 8 oct doch weerdige bzuchten van boe: Den / ellende / benauthept naelithept / dzoefft⸗
leà.8.39. Ii he — fegt niet dat gn Chꝛiſtenen zijt/gez niſſe / tranen / ſlagen / heckers en banden moe:
neren fenden/ datfe Abzaham tot | ten Op deſer aerden haer part en Deel zijn / niez
Ard J er hadden/ want Godt en kent alfo-|mande en magſe fonder perijliel van geedt of
Mazee. nit ee en bleefclgelijke Chriſtenen | bloedt vziendelijk en Dienftelijk zijn / de Wader
pii bh ijſe is aen des booms wortel gefet /| en mag ſinen Sone / noch de Sone ſjnen Pa⸗ |
6 bege ijk boom / die geen goede vzuchten en | Der ontfangen / en bebulpelijk zijn / ſomma /
— a fal afgehouwen / en in ’t vper gewor⸗ ſy worden / alfo bn det werelſt gehouden / als ff
1Cor6-1o. Ho Vden / de dzonkaerts (fent Paulus) de | fb noch Wemel nach Merde weerdigh en zijn :
Balsa. eerdige / de gierige / de nijdige/ de aſgodiſche | Daer boven fchouwen fn alte pronck en prael /
Ephy.s. De oberſgeelders de hoeren-jagers en fullen níet | ezen / ſunpen en dat ndeie weilnftige leben) EC
es etri be-erben dat tijke Gods : magen daeramme | Daer op de wijde gantſche werelt gefint is ent
—— wel met medelijdiger herten tot onſen vervol⸗ | alie menfehen met luſte gebeukt / ſoo veel alg
gets feggen die doch ſodanige zijn : Wetert u/ | in hen 1S/daer tegen alle nedzighept! foberhent/
want fn (eplacen )alle met den anderen / Hee: | een arm onnooſel verworpen Ycben ín de vzecfe
ren / Borſten / Geleerde Ongqeleerde / Bur⸗ | des Weeren te lenden / welcke de gantfche we⸗
ger / Hupsmau/ Man en Pzouwe alder wegen | telt haet, leeren ſu / is Daeram (dunkt nm) ook
in de betbloechte vruchten Dec moet willigen ‚geen wonder / dat De Dwalende blinde wercld/
rand, fonde Wandelen en berballen zijn / | Die den H. Geeft niet en beeft / noch en kent /
es ks fijn Wood verſtooten ſu / den H. Geeft Gelijk Chriſtus ſepd / en alleen gerdſche Dingen 22.14.17.
eſ alle gevechtighept en bzaombepe dent / kent ende techtet/ die felte goor encliel LS —*
rupeigen ſy / Godts breeſe en lief de haten fp / verlendinge ende bedzogh acht, hact ; ende Belien
—— * genen / Die in Det waer: inſiet. \ gts: is
Eren Drees en bloet fteren/ Pemelg | Maer de gene die ban Godt geleert zijn
ie Beeftelijk gefint zijn, Die Chriſtum Jeſum | upt Dat Oude leben der ſonden ha t ——
at eeuwige onbergankelijke leven met gez | Leben met Chriſto opgeſtaen zijn den Geeſt
rouwer betten ſoecken Betert u / laet u deelachtig geworden zijn / Beeftelijckt gefint
onderwijfen / en Diergelijcite Wooden meer / zijn / en alleg na den Geeft rechten ende inz
recht of Wp de leugen / en fp de waerhepdt | flen/ en achten het boog geen bedzog en verboe⸗
hebben, hae wel up na onfen ontfangen gabe/ | ciige /maer bemint het boven alle Goudt en
| den Deere faa hevtelijk meenen ende foeckten / | Dilver / boven alte Konſt en Wijshept / bos De weder-
| | maer Wat fpdoen/ Wil ick een vocht beeftan: | ven alte Ktjcken en Geren / boven alle Ciera- Sboorene
Dig Chꝛiſten rechten laten. gie en Schaan rechten alle DiN 18
| | | jaanhepdt/ en bobben all dingen ek
Datr beneffeng moeten ſy ook ſelve be⸗ der den Demel genoemt —————— elek rj
tungen datde byerighent / liefde / en bzucht Want fh ban heeten beker 7
Det onſen / Dat haers wijt overtreft en te bo eenige eere dat eeuwige en onbergankiijke
ben gaet / evenwel moeten wp noch de ver⸗ efen veruregen wordt / en daerom en ſien RIED
boerde hartkoppige / epgenfinnige / en onbe [ P ookt niet op dat bergankielijcke / macr op 2 Cot.4: 13 RENE
heerlijke Ketters zijn) en fp de waetachtige | Dat onbergantselijke / fb focken en vergader Mat.633. Kif
—* geſalfde Chriſtenen / en de rechte kin: ren eenn Erbe en Schat dat im den Hemel'Cor.z. ig.
— Gods zijn. blijft / maer Dat gantfche en achten fn níet /
rieser mede lieve Broe ders oosdeelt vut Goe | fp faeken de wijstept die eeuwig i8/ en daer:
achteloos eu Metig Dat in deſe bloedhande⸗ om moeten fp bier alder werelt focten zijn ſn
len des werelds ercufatten zijn / en hoe vnbe⸗ beecieren haet met Dat inwendige kleed der 1E EN 1
fchepden en kindts wp van haer befchuidigt | gevechtighept / en haten dat upterlijke berz ENE.
worden / Dat alle onft berbolgerg genade ban | mateede Kleed der hoveerdigheydt / fin jagen | |
Den Heere ontfangen tot beteringe / wen⸗ | na dat Nijke en de Kroone Der ceren / Die eeuz |
fchen Wp haer ban gantſcher heeten : ant | Wig blijven fullen / ende dat aerdfche Kiijclt
Op te Waelien/ en hem tot den Weere te ber | met fijn heerlijkheydt laten fp den genen / die
A3 — 8 * Da vk — daer op gefint zijn. |
anneer en derden / Wenden aol onfe vervolgess Dacrom f$*tnaodia / liehe £5 4
—— een ontſchuldigen voor / en ſeggen het ís recht dingen Geefielijk gerechten nd —
fakenvlee- Dat men ons vervolgt / want wp veel men: | (St bp der wereld gekomen / dat de venne
fchelijk, ſchen jammerlijk verlenden / en m’t verdere | Keere Jeſu Cheiſti en fijnder Hepliger Us
—— ben boeten. Wier op antwoorden wp: So poftelen / Ketterpe zijn moet / Chꝛiſtim Je⸗
groote ver Mien De factie naden vleeſche aenſiet / en rech⸗ ſum fijnen Geeft en — fijn repne Woozt/
voeringe te ten fal/ fchijnt ’E immer / Dat beel menfchen Wille / en Ozdeninge te Pꝛediken bar Polclt
zijn. ellendiglijli ban ons bedraagen Worden:want | van’t quade ten goede bekecren / berboeringe
en bedzogh zijn moet. Siet/ fa blindt ende
fa alle/ Die Defe onfe leeren geloobe / ieven /
onberftandig zijn onfe Dervolgers ín allen
begoreige ín —7— gefjoogfaeinept en lacht
eten nae te komen / alle m't perijchel | Goddelijken handelinnen{ die ons ban we—
ets moeten / watſe ban God ontfangen | gen der twacrhhent — — berdzuce - EN
hebben / Naem/ Faem / Landt / Zandt / | lien / berbolgen / en moorden. ae mine 1
Rus, Dof / Goudt / Silver, Dader, Moe⸗ | Broeders / hier is lijdfaembhent en geloove De werelt
Sol Suffer / WBaoeder/ Man / Pzouwe/ der Lepligen : Alle die Dit ( als bier verha) karin God-
ee ne) Dochter / ja Lijf ende Beven / fp [van Geeten beltent/ die fal fijn zicte in vreden ———
een een neee ea etn er
natte man det / en unt alle fijne krac py Fecht is,
gebaet/ belogen / en gefehendt/ beraden / en | bidden, — ht / roor fijne vpanden “ei
in den Doodt gelevert / Galgen / Raden/Cen vierden / beſchuldigen ons dock onfe
P
ver⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
152
vervolgers met qeooter bitterheyt / om dat op
ang san haer leere / Sacramenten / kercken⸗
Dienft ende van dat vleeſchelijck runm leven
affchenden / ende in alſulcx met haer níet te
doen hebben enn dozven / feggen daerom dat
wp daer mede haer verdoemen / ende ter hel:
ten beewijfen. Hier op antwoorden wu ten
eerſten / ende feggen alfoa : dat wp haer Pze⸗
dicanten / Sactamenten / Uercken⸗dienſt /
en onreyue bleefchelijche leven in eeuwighept
met Waadt noch met werck bewilligen of
toeftaen en Dozven. Ooꝛſalie: Want fn opent⸗
lich tegen Godt en Gades Woozdt zijn/ de
Pzedicanten lopen ongefanden / haer leere is
halſch / verlendiſch en tegen De heylſame grant
der waerheyt / haer leben is alleſms beſtraffe⸗
lijck: Sp dienen am eenen gehuerden loan / fp
hupnchelen der Werelt na haer begeeren / Den
gront haers geloofs en Neligions zijn Lieyſers /
koningen / Dosften / en gewelchebberen / wat
bie gebieden dat leeren fn / en wat fp verbieden
dat taten fi / haven kinder doop is fonder alle
Schrift / heer Nachtmael ís Afgodiſch ende
onrepu / ende wordt van den ontepnen toe gez
Dient ende gebzupckt/ haren Herclten-dienft
en is niet na de leere dee Apoſtelen / ende haer
gemepn leben is ten meeftendeel foa vleeſche⸗
fijclt ende Goddeloos / dat hen alle Godbzeee
fende Gods Winderen ban gantſcher herten
daer over ontſetten ende verſchricken.
Nadien dan haer leere / Sacramenten /
Yerchen-Dienft ende leven faa opentlijck tegen
Godts Woordt zijn / hoe ſouden Wp ong dar
3 Cor6. 17. in alſulcken grouwelen wederom met haet
beemengen en gemeyn maken? Maer dat wp
ans aldug van haer affchepden / ís alſoo Gods
uptgedzuckte Woazdt en wille. Want wat ge
mepnfchap (fepdt Paulus) heeft doch dat licht
met de Bupfternijfet Hoe accorderen Chꝛriſtus
en Belials Hoe ſteint hen de gevechtighept met
de ongerechtighept* Wat deel heeft de geloo⸗
ige met den ongeloovigen/ ende hoe ftemt
dock de Tempel Godts / met den Afgoden?
Want an zijt (fendt hu) den Tempel deg leven:
digen Gods/ gelijck Godt fpreecht : Gek fal
ín haer woonen / ende onder haer wandelen /
ende fp ſullen mijn bolclt zijn / ende ick fal
haer Bodt zijn. Daerom faa gaet npt het mid⸗
ben van haer / en fchepdt u van laet af (ſepdt
be Deere) ende en voert niet aen Dat onrenn is/
ende ick falw ontfangen / ende ick falu oock
een Dader zijn / ende gp ſult mp als Soonen
me Dochteren zijn / fpzeechtt de Almachtige
Deere.
Defe Woozden Pauli zijn Klaet ende herz
ſtandelijck / ende tan daerom oocft niet gez
fchieden / Dat de geene / Die dat waerachtigh
licht / Chriſtum Jeſum / de Godtfalige gez
rechtigheyt / ende Dat krachtige ſtercke gee
foohe upt Godts gave ban boven ontfangen
hebben / eenen beguamen Cempel Gods gez
worden zijn/ ban den Pepligen Geeft Gods
gedreven worden / tot Hinderen ban Godt op:
genomen en verkoren zíjn / dat ſy hen wederom
met der dupſterniſſen / met Balial / met der on:
gerechtighept/met den ongelobigen / en met den
Afgoden beemengen fouden: Want dewijle gp
doo? Gods genade haer Leere / Sacramenten /
Yerchen-dienft en leben ſeeckerlijck en ín Den
pri), Geont voo? onrecht ende valſeh bekent / hoe
Roma. Hont gp dan (f$°tdat gp anders met getrou⸗
Apoc.7.13. wer herten om Godt ngert/ alles harz drecli
jer. 23. 21.
Eccl. 13. 1.
1 Cor. 13.16
en6. 19.
Levit, 26.
Efa, 52.
Van’t Kruys Chrifti.
acht / op dat gp met Paula Chriſtinn Winn et
moogt / na de Schaft dat goede aenhangt/
en dat booſe hatet / uwe Klecderen ín ’t bloedt
des Kamg gewit hebt / en alle uwe gedachten /
wooden ende wercken / na dat vecht fnaer des
H. Wooꝛdts / en na Den voozbeelde Chꝛeiſti rich⸗
tet) u wederomme met haer vereenigen / en tot
baten grouwel ja ſeggen? Wy en magen im⸗
mers geen twee Heeren te gelijck Dienen / Wp
en mogen immers niet te gelijcke inder gez
mepnfchap Chꝛiſti / en ín De gemepnfchap
der Dupvelen zijn / wy en mogen geen kinde:
cen en dienaren Bods/ en oockt kinderen ende
dienaren Des Sathans zijn : beminnen Wp dat
goede / ſoo moeten wp dat booſe haten / EN NE nom, re;
men wp de waerhent aen / foo moeten Wp De
teugen gerlaten / ende diergelijcke Nedenen en
ſchriften meet.
Ende om Dat Wp dan alfodanige affondez
ringe ban haet maken / ende bepde met mant
ende Daet oock ín Den doodt betupgen / dat
haer wercken boos zijn. Daerom roert hem
de Drijber haers heeten in ommenfchelijckter
teopn en nijdighent / en ſpreeckt met herte en
mondt / gelijck alle Godlooſe Lan acnbeginne
gedaen heben / te weten : Wpwitlen den bzoo⸗ 522: * 1:
men bedziegen / Want hp is ans onnut / en hr
is tegen onfe wercken. Hp berwijt ong dat
wp tegen de Wet ſondigen / ende hp beruch⸗
tight ong als overtreders aller eerbaer⸗
heyt / %c. Wp beengt onfe aenflagen cude
boomermen te boosfcljijn / tp en mogen hem Hest peer
niet aenfien / Want fijn leben en is niet AÌS wit niet zijn
der anderen leven / ende fijn wegen zijn Han betraft,
den onfen wijt veefchenden / wu zijn als leu:
genaets by hem geacht, Pa ontvet hem
van onfe wegen als ban onvepnigheden / dat
uptterfte der gerechtigen / Dat fet hn voor Ec.
Ende daeram willen wp hem met den aldert:
ſmadelikſten doodt berdoemen.
Mijn hertelijke liebe WBzoeders / hier heeft sap. 2. 20:
den Henligen Geeft dat vechte parck getreft /
wat defe onfe werkelijke belijdinge / te weten
de affonderinge ban haer / is de epgentlijke
oofake/ waerom De blinde bloedige werelt
over ons foo grouwelijck raeſt / ende Wp ſoo
veele hooren ende lijden moeten / gelijk ook
Petrus fepdt: Wet geeft haer beeemt/ dat * Pet 4 4.
gn met haer niet en loopt in ’t felve overvloe⸗
dige ende onapdentlijke leven / ende lafteven
u. Ga daerom moeften ook Efatas/ Jere⸗
mias / Zactarias / Sadzach/ Meſach ende
Abdenego / Dantel/ Cleazarug ende De , mach..ze.
Moeder met haet ſeven Sonen/ Chꝛiſtus en 7. 2.
Jeſus ende alle beoome ſterven / ende Dat
Krups Dragen / Detuijle zp De Werelt ín leere /
ceremonien ende Teben hert befiraften/ ende
met der doodt Daer Legen waren.
Dat felve is oolt nach heden ten dage de
eenige moberende oogfatte / ende in Den gront
geen ander / hoewel onfe vervolgers geel voor⸗
wenden/ gelijk wp aengetekkent hebben: waerz
om wp aldert werelt Weder-dopers / Letters /
Bocrven / Derlenders ende Mintmakers zijn
moeten / Daer tae water / vuer / galgen ende
raden ecben moeten.
Doch de Heere zu gebenedijt/ Wp weten
Waeram dat wp lijden. Wp weten oock dat
De geene die ons ín deſe genade beroepen heeft/
en Dien wp betrouwen / onfe fake wel ſal unt:
boeren / ende fal fijn arme verdreven kinde⸗
cen ín allen wooden ende winst tot
nen
Matth. 6. 24,
1 Cot.10.2 1»
Dat Ged.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
verloſſen ende boorftaen,
Ende hoewel onfe vervolgers ſeggen / dat
op ons upt enckel wzebel ende epgenfinnige
gept van haet affchepden / foo is doch boor
Godt (Die alte herten kent) vaiſch en onvechht :
Want onfe affanderinge en gefchiet upt genen
anderen gront of meprmge /dan dat wp Gods
Wooꝛdt ende bevel Ban gantſcher herten in on⸗
ft arme zwackhent geerne wilden na komen.
Ende Dat wy de gantfche Werelt ín vepnder
liefden / oock met ’er daet mogen betupgen /
hoe ſy alle ín Dat baofe liggen / za bupten God
ende Gods Wooꝛdt zijn / op dat fin nach tot bez
nuamer tijdt mogen opwaken / ende haet ban
‘€ booſe af keeren. Want hoe lianmen doch pez
mant mildighent / kupshept / ootmoedighept /
of anderg wat goeds vecht leeren / Wanneer
men felve aller gierighent / hoererne / hoogh⸗
moet / en alles quaedts val ist Pet ſoude uus
merg oackt een groote dwaes hept zijn / datmen
ander lieden op den vechten Wegh wijſde / oock
hoop De Rovers en Moordenaers waerſchou⸗
De / en ſelve op kromme ongewandelde wegen
wandelde / ende Ben Waters en Moordenaers
moetwilligh ín De ſpieſſe liep. Mijn Bzoeders
mogen nadencken Wat ich mepne,
Het en is een waerachtigh Chꝛiſten niet gez
noegh / alleenlijck ban de Waerhent te ſprelien /
maer wat ha ſpzeeckt / moet hj oock in der
kracht en daet bewijſen en nakomen: of Gu
maet met de Pharizeen haaren : Gp feat het /
ende en Doet het niet / gelijk oock Paulus tot
Den Fomerpnen ban den Goden fclzijft: On
leevt niet ſtelen / en qu fteelt felter: Sp fegt:men
fal geenoverſpel doen / en qu Doet ſelve ober:
fpel, A geouwelt voor den Afgoden / en qu Ges
rooft Godt ban dat zijne ; qa beroemt u van
Een Chri-
flens hert ,
woordt en
werk moet
een zijn,
Matth. % 3
Ram. 2. 2e
Van * Kruys Chrifti,
zijnen eeuwigen prijfe ende heerlijckhent wel
|
153
leben / en leetweſende rouwigh herte / in dat
Dadige geloove Jeſu Chriſti tot den waerach⸗
tigen ende levendigen Godt / dat hu geen Chzi⸗ Joan. 12.47.
ſten en is / en Dat Nijcke Godts niet beẽrven
en ſal. Alsꝰt dan ſoo gerichtet wordt / foo en nae
zijn wp niet De geene Die Dat vichten / maer de
chaift richt het faa/ gelijck dock Chziſtus
fepdt: Die mp berwerpt ende mijn woorden
niet ontfaugt/ die heeft die her vichtet. Dat
Wooꝛdt dat ick geſpzolien hebbe/ ral hem ooge
Deelen ín den joncliſten dagh. Wy weren ooctt
wel / Dat Godt niemant tegen fijn Wooꝛdt far
ligh en Maeckt/ of ſaligh maectten en magh /
Want buis de Waerhept / ende en kent geent
leugen. Soa waer dan geen Geloobe en komt /
geenen nieuwen fin en komt / geen leetwefen
De rouwigh herte en komt / Ec. Eplacen ober Jorn. 8 24
Dien heeft Chriſtus Jeſus dat oozdeel alveede
geſtreken / gelijck ho ſepdt / is't dat gn níet
en gelooft dat ick ’t ben / ſoo fuit qu alle ín uwe
fonden flerven. En foo gp geen boete en doet
En ſult gn alle bergaen/ ende ſulcke peuken
cet,
Siet mijn Bzoeders / aldus en oordeelen ——
op niemant met onſe Wooꝛdt boor Der tijdt
gelijck gp weet / maer wp laten ’t Chriſtum
Jeſum en zijn Woordt / díe falſe gogdeelen tat pratm 34. 13.
zijnder tijde. Up en berdoemen oock haet niet « Petri 3. 10.
met onfe affonderinge / gelijck fp klagen/ maer
wyleeren ende vermanen haer dooz2 ’t Woordt
en Werelt met alder neerftighept en trouwe /
Dat fr ban ꝰt booſe ſullen af ceren / Dat goede
navolgen / vecht en wel doen / Godt in cen
Dn conſcientie ſoecken ende vzeefen / op dat
pin haren ongeloobe en fanden niet en ber:
Chriftus ís
ſterven / en níet eeuwigh onder Godts geriche
Eeen toorn blijven: Doch reyne Kefde en trou⸗
wen dienſt moeten over al den vzomen ín ’t bas
De Wet / en qu fchendt God daor abertredinge fe verkeert / en tot fchande bediet werden.
des Wets: Somma / een Chziften lecct ende
Doet / hp bekent ende wercht/ hu gelooft en is
gehoozſaem / ba wijſt aen/ ende gact ſelve
boor: Ja hert / mant ende Werelt zijn een.
Soa niet! foa isꝰt een huychelaer ende geen
Chaiften/ gelijck tat onfen tijden (eplacen)
keel op ter banen zijn / Die haer ban belitente⸗
niſſe en wijshept hoogh beraemen / evenwel in
Der kracht onbruchtbaer ende pdel zijn.
Cen tweeden antwoorden tp: dat onfe verz
volgers ons met onecht en getwelt beslagen
dat wy haer verdoemen / eu ter hellen wijfen /
Och neen /het ſy bezre van ons dat op pemant
onder den gantfehen Hemel / Gj zu dan fo boog
als hu zy / ſouden berdoemen Loor den tidt.
Want tap weten Wel dat de Schrift fpreecht :
verdoemet niet / op Dat on níet verdoemt en
wordt: ecn iser Die alle menfchen tot fijnder
tijde eenen pegelictt na fijn wercken vichten
fal/ te weten die / Die den Dader dat oozdeel
gegeven heeft! wie in fijn gerichte treedt / die en
ſal niet ongeftraft blijven. Oock en Weten wp
niet / Wat genade De fondaer hier noch voo?
fijnen doodt verkrijgen magh. Daerom wy
ooclt Om andere lieden te verdoemen / baar den
Heere onfchuldighen van zijn: nochtans foo
dorven Wa in deſer wije met Godts Woordt
1 Cor. 4.
Matth. 7.10,
Luc. 6 37.
2 Cor. j . 10e
Rom. 2. y.
en Ig. 10.
Cen vijfſten / declien dock veele hate Ty⸗
ranme ende bloedſchult met een kranck bijge-
blad / en ſeggen alfoo : Wp en oordeelen u niet/
maer Des Kenſers Placaet oosdeeltu. Hier op
antwoogden Wp: is 't dat onfe vervolgers
Chꝛiſtenen zijn / en Chriſtum kennen / gelijk
fa mepnen/ begeeren op met alder oot1moes
dighent am Gades wille / datfe doch den (epe
fer eenmael willen tegen Ehriſtum fetten / en
wel aenmercken / of oock: de Benfer en Chei⸗
ſtus eens geeſts zijn / ende of Ip oock wandelt
gelijclt Chriſtus den fijnen geleert en boor gee
wandelt heeft. Des felben gelijcken voen des
Viepferg Placcaet bp den Euangelio Chrifkí
houden. Bebinden fp dan/ dat de Lepfer nr
den Geeft en leben met Chꝛiſto niet eens en is /
en dat fijn Placcact daer fenarichten/ tegen
den Euangelio is / foo moeten ſu immer belijz
den / Dat De lieyſer geen Chriſten en is/ ende
dat fijn Placcaet vodr Godt verbannen ende
berbloecht ís, —
Det is cen ſeer jammerlijcke /_klagelijcke
blindthept / datſe den armen diertſchen Kenfer
ſoo hoogh boen Chriſtum Jeſum / ende fijn
bloedige wrede Placcaet boven dat lieffelijche
Euangelium eeven en vreeſen / en noch evene
wel Willen Chriſtenen zijn. Och dat de Yieps
welrichten / ende ſeggen / is't Dat een gierige ſer ende de fijne Chriſtenen waren / gelijch wi
ban fijnder giecighept niet afen Keert / en de haet wel ban herten wenfchen / faude geel on:
Hoereerder van fijnder hoerderpen / cen dronc⸗ ſchuldigh bloet verſchoont Worden / dat mite⸗
laert ban ſijnen dronckenſchap / cen
dienaer van fijnder Afgoderpen / ende en be⸗
lieert hem niet daoz cen vzꝛoom boetveerdigh
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Afgoden· |gen alle Schrift/
redelhckhept ende li
als water vergoten wordt. bep eſde /
Seoht doch / gu alle / die aen Ben bloede der
Da on:
154
Dat xeyler· onſchuldigen ſchuldigh zijt ende u met Des |
lijk Placcaet Nepfers Placcaet verſchoonen wilt / waer hebt | te bekormnerde Chziſtenen / Die nu met Den
enfalin den
dage Chrifti
den bloet-
gierigen
geen on-
fchult zijn.
Van ’t Kruys Chriſti.
Op defen dagh vertrooſten haer alte bedank:
op doch een letter in De geheele handelinge | krunce Chꝛiſti beladen gaen / tat cen gewiſſe
hꝛiſti geleeſen / datmen pemandt om fijn hoopinge Des toekomenden levens / ende beve⸗
Waerom tredet De leyſer ende qu in Gods ſte⸗
De / ende oordeelt dat gene Dat gu niet en ver⸗
wat Pharaoni/ Antiochio / Herodi / ende
noch meer andere overkomen is? daeram Dat
fia den Alderhoogſten niet en ozeegden / ende
tegen fijn Dolch raegden. Bekent doch/ Oan h
Cprannen ende Harmen des bloeds / Dat niet
de Kepſer Dat Hooft Cheifti/ maer dat Char
fiug dat Hooft deg Wepferg is: Dat niet De
Sepfer Ehriſtum/ maer Dat Chꝛeiſtus dent
Venfer beheerſchen ende cichtenfal, Weerde
amen / hoe zijt an doch ſoo fors ende ſtout
tegen dien / die u geſchapen heeft? Meent on
dat de Schrift met aus ſpot / ende De wacthept
Deut.32: 39. niet en ſpꝛeeut Ofte hoopt gp dat u uur-qlas
Phil.2.10.
Elaa 5-24e
Luc. 6.2.
Pſ.37. 10.
zPet.1.24.
Efa.s1.8.
1loa, 2.17
Sap.5-Ie
Mal.4-3-
E.49.6e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
eeuwig dueren ende nimmermeer uptlaopen en
zalf Hꝛeeſt Doch dien Die Wemel ende Aerde in
ſijner hande befloten heeft / die de vuer· ſtralen
fijner Bliremen / ende fijn WDind-ftopnen unt⸗
blaeft/ ende de Gergen beven doet/ Die Dat
alles regeert met den WDaozde fijner ſterckhept /
dien alle Annen bungen / die ín den Wemel /
Merde ende onder der Berden zijn / ende Dien
alle tangen belijden Dat nde eere 18. Als u
Die roept / ſoo moet qu ten Hove komen (citat
enim peremptorie) gi zijt dan wie / hoe ende
waer uͤn zijt. Daer en gelt geen ontwijcken /
geenen vact / geen onfchult / als hp roept moet
an daer zijn / geeft reekenſchap op en mooght
miet langer Nent · meeſter blijven/ het en ſal
maer wefen eenen kleynen tijdt / ende de Bod
Yoofe en is niet meer. Hoewel het nit fchijnt
daf fijnen Stoel onder de Wolcken Des Hemels
ffact/ ende dat fijn heerſchappye tot aen des
Werelts epnde reÿcken fal/ foo falmen egen
wel binnen weynigh dagen na Gem dragen Jen
fijn plactfe foecken / ende niet vinden.
Pievom liebe kinderen ende Bzoederen / Die
in den Deere zijn / zijt doch vꝛumoedigh ende in
Eh ꝛiſto Befu Wel getrooſt / want alle uwe
berbolgers moeten zijn als {Jon / ende alte hare
Kracht ende heerlijthent alg een Bloeme de
Pops, Daerom ſoo en vreeſt niet voor eenen,
ſterffelijckien menſche / maer beeft den Deere
díe u verkoren heeft. Want alie menſchen kin⸗
deren fullen alg dat gras verwelclien / alg eenen
nebel beedwijnen / en alg een leet berouden : |
geloobe tot den bloede ſtraffen / ende met den | fen alfe Cprannen met hare Hepdenſche Plac⸗
zwaerde vichten zal? Waer hebbende Apoſte⸗ caten / Gode ende fijn gerichte: Maer fp blij:
len opt alfulckg geleert ofte gebzunckt? Sal gen onveranderlijk bp Chriſtum Jeſum ende
niet de faeche Des Geeft (verftaet dat geloove) bp fijnen Hepligen Wooꝛde / ende richten al⸗
deg Geeſts gerichte alleene voorbehouden zijn? leenlijkk daer na alle haer Leere / Geloobe / Daz
cramenten ende Kezen / ende nae anders geen
Heere noch Placcaten eeuwelijk / gelijkt de Da: Mat.17. 5.
ſtaet / noch u bevolen eu is? Gedenckt gu níet \ der van den Wemel dat bevolen heeft / ende
Ehriſtus Jeſus met fijne Peplige %poftelen
allen bramen ende Godvreeſenden Gods Linz
deren im alle klaecheyt nac gelaten ende geleert
ebben. ——
Ick meene / liebe Bzoeders / hier za nit gez
noegh verklaert hae det Cpranuen ercufatien/
met welche fp bare Cyranniſche Moozden
voor vecht ende gact beweeren / geheel niet enz
de Hepdenfch zijn / ende Dat hare beſchuldingen
overons / ſonder alle grondt ende waerbepdt
openttijckt tegen Chaſtum ende Chziftus
1Doozdt / ja tegen aile billighent / vecht ende
liefde zijn.
De barmhertige lieve Dader geve alle Die /
Die om fijne waerſſeyt lijden / cen gefont ende
heylſaem berftant ſijner woorden / ende cen
opp gemoet tot alle verſoeckingen / Amen.
Maer nu willen wp door Gods Genade cen
wepnighaenteeclenen / hoe dat ’t ons feet ten
goeden Dient / dat wp met geel dzucks ende
’ ne J Gen.6. |
teibulatien op deſer Werden in onfen Vleeſche ron,’rs.
aengevochten en berſocht wozden.
NIS wp aenfien/ Weerde Beoeders / anfen
ſeer zwacken fondigen aert ende natuere / hae
wp alle ban der Jonckhent aen tot Den boofen
genenoht zijn / Dat ’er niet goets ín onfen vlee⸗
fche en woont / ende dat wpde ongerechtig:
hept ende De ſonden drincken als water / gelijk
Eliphas Themanites tat Gab fende. Ende job.ry.i6.
alle wegen (hoewel Wp Godt wel ſoecken ende
vreeſen) geeene op Vertfche ende vergancke⸗
lijcke dingen willen gefint zijn / heeft De gena⸗
|
dige Godt ende Dader / die DOO? fijn eeuwige
liefde altoos fozge boog ſijne kinderen dzaeght /
een fijne comedie en Medicijne daer tegen in
fijnen hunſe nagelaten en beſchik / te weten / dat
dzuckende krupce Chꝛeiſti / op dat wp/ die nu Dat Kruys
daor Ctifkkan Jeſum tot deg Paders prijg in dient den
vromen ten
eeuwiger genade opgenomen zijn/ ín Chriſtum veren.
s Jeſum met reyner heeten gelooven / ende in
onfer zwackhepdt lief hebben / doo? dat boor:
fende krupce (Dat í$) dao? beel dzucks / tribu⸗
{atten / benauwtheden / vangen / binden / goet
te rooben /Ec. van alle vergankelijke / aetdz
ſche dingen en oogen luften magen afftaen/ Col.z.r.
maer gn-fult blijven eeuwelijck / gelijck De Wereld / ende Vleeſch ſterven / God alleen
Schrift getunght / ende uwe zielen ful'en eeu⸗
welijck leven.
lief hebben / en foekten De Dingen die daer
boben zijn / daer Chriſtus tot dee Kechter⸗
efa/ lieve Bzoeders / Den begeerlijken daat, hand Gods zit / gelijk ook Petrus fendt: „pera.r,
u\per verkoelingen fal haeft hier zijn/ in Den eeft Ehriſtus aldus vaar u geleden (ſpreekt
welken qp ſtaen fult in gradter volftandiahent/ | hu) in den bleefche / foo wapent uook met
tegen die / Die ubenauwt hebben / ende heben | den ſelben zin / want wie fn Den vleeſche lijt/
weg-genomen uwen ſueren zweetigen acbept / | Die hout op van fonden / alfaa dat hp nu niet
jae bloedt ende teven. Alsdan fullen alle onfe | meer na der menfchen luften / mact den tijd
vervolgers alg Aſſche onder onfe boeten zijn / die noch overigh is in den vleeſche / na Gods
ende al te late bekkenmen / hae dat keyſer Ko⸗
nénck / Wertoat! Booft/ Uroone Scepter / J
Majeſteyt Gewelt / Zweert ende Placcaet Bꝛoeders/ dat be gene die vrywilligljk hare
niet dan Verde / Stof / Winde eude oock ge⸗ ſchauderen bungen onder Godts Woozdt en
weeft en zijn.
welbehagen leise. ie
Pet dunkt mp onmogelijk te zijn / weerde
(wille / het Woordt ín allen dingen gewillig
ende
Mât.6. 33.
Heb,10.34
ende berent ſtaen / en daerom altijd vervolgt /
benauwt / gelaftert/ gevangen / berooft en
gedood werden / dat die hare herten tot de
liefde der tijdlijcker Dingen / en tat de onnut”
te luften des Aertſchen weſens keeren ende
bupgenfouden. Want wat hebben wp doch
met gelt en goed te maecken/ Wanneer Wu
maer en gelooven dat wp eenen beter en fchat
ín den Hemel hebben / en dat dit tegenwoor
dige ong níet falíg matten nach helpen en kant
Gock niet en Weten Wanneer ° den Noovers
in de handen ballen ſal? Of hoe fouden Wy
Rom.re, 14. OOÉ onſe vleeſch ín fijne luften mogen boeten! /
let. r.rt.
Daer Wp alle oogenblik niet anderg en vermoe⸗
den noch en verwachten / dan dat ons De Die:
naers vangen / endede Geul na fijnder wijſe
handelen / pijnigen / marteliſeeren / verdzine⸗
ken / beenen / ende beemoorden fal Woe kan
ons ooft de werelt centen luft zijn / daer wo al
Det werelt vervoerders / ketters / ſpotbogels /
en fatten zijn *
Na Dien dan de eeuwige wijshent onft ar⸗
me zwakhent wel bekent / ende dat tijdlijcke |
gemack / veede en Welvaert ons fo geerne haa? |
anfen God omftaaten en berderben/ onacht⸗
fem / rebel / lun ende flaperig maken willen /
heeft hu ooli dat krups algeen Waltende roede |
Den fijnen verozdineert / met wellien hp alom
als cen getrouwe Huns vader ſijuen leven
Kinderen in der tucht en Gods vreeſe houdt /
Van't Kruys Chriſti. | 155
fen / hem met der Wereld níet gelijk nratsen /
vleeſch en bloet niet meer leben / en alfo ter
laetften als gehoozfame en tuchtige Godts
kinderen, Dat beloofde erve en vijkk verktijgen,
Maer ($’t/ Datfede kaftpende roede wen⸗
geven / Dat Krunce Jeſu Chꝛeiſti van hen ſto⸗
ten/ en dooz haer Vaders hieffelijchie haftij-
Dinge al meer en meer verderven ende rebel
worden / haer Vaders Wille ende woort vere
werpen / nae epgen goedduncken handelen
en boortbaren / moeten fp ten lactften met
den eerlooſen Baſtaerden en niet met den rech⸗
ten Echt-hinderen / untgeſtooten ende getelt
—
arrom / Heplige Bzoeders / en Wepgert
doch de kaſtpende roede van uien lieven Da⸗
der niet / het geſchiet doch alles u ten dienſte /
en beſten / te weten/ daerom / dat qu dat al⸗
le afleggen ſult Wat u dzucket en De genlile⸗
bende ſonde / en alſoo in allen dingen (níet
uptgenemen ) uwen Dader vzeeſen / lief heb⸗
ben / en gehoorſaem zijn. Siet aldus is de-
fe ſelbe voede des krupces Cheiſti enkel gunſt
en liefde; en niet toome en wzeethent / alg:
men ’t na Gods Woorden Geeft / en niet na
den vleeſche wel fien en vechten kan,
Apt alſulker oosfaeke / als hier berhaelt /
heeft ook God fijn volli Iſraẽl ban den Phi⸗
liſtjnen / Aſſpriers Chaldeers / Ec. menig:
mael laten ſtraffen Wanneer fin haten Godt
opwekt / en voozdeijft / gelijk Paulus ſept: onachtfaem ende rebel Waren / op datſe doo? jer
Pros-16. Mijn Sone/ en verwerpt de haftijdinge des | alfulke flagen en ſtraffingen / wederom haren „cen endeet
Veeren niet / ende en laet niet af als go van Godt foeciten/ De Wet hooren / ban Ket aen 1ract
hem geficaft wozdet. Den welken De Meere quade aflaten / en in allen vecht en Wel doen verloren. BROER
lief heeft / Dien ffcaft hp. Wu kaftijt eenen |\fouden. Maer de Daderlijke flagen Waren OAN EIN
Apo · z.i. _negelijcken Saone / Die hraenneemt. Is't ten meeftendeel aen Iſraẽl al verlooren / gez EE ED (ik
dat gu De kkaftijdinge lijdet/ fa biet Bodem) lijk de Pzopbeet fept : hu heeft dilimaels gee Ez.ar.s7.
Hebra8. ſelven u aen als fijn kinderen. Wie is de So⸗ ſtraft / maer wat heeft ’t geholpen; De roede
ne / dien de Dader níet en kaftijt? Zijt gu
fander kaftijdinge / die fp alle Deelachtig zijn
geworden / fa zijt gn Baſtaerden / ende geen
Echte kinderen. beton wu ooft de Daders
onſes vleeſchs tot Cuchtmeeſters gehadt / en
haer gebreeſt / ſullen Wa dan niet veel meet
Den Dader der Geeſten onderdanigh worden /
en leven? En’tís waer / fin heben ons wen⸗
nige dagen gekaſtijt na haren dunken : Maer
Defe tat onfen peofijte/ op dat Wp de henligin:
ge verkrijgen ſouden.
Siet / mijn Broeders / deſe Waarden des
Apoſtels zijn obermaten Lieffelijkk/ en vol alz
les trooſts baoz allen den genen/ die Des Hee⸗
Dat opgeleyt Een kruns dzagen moeten. Want gelijkk cen
Kruys is des getrouwe en welgefchichte Pupg-vader fijne
dec baofer kinderen en helpt niet / ſpreelit de
Heere Heere.
Stem / neemt waer: honger / plage) Dzoef? d.x6.io
hept/ angſt / zijn gefonden alg geeffelen tot
ſtraffe en beteringe / en in defen alten en ſul⸗
len ſy hen nach niet bekeeren van hare boos⸗ let.5. 3.
hept/ en fp en ſullen ook der geeſſelen en flagen
wiet meet gedachtig zijn.
Item / quflaetfe / maer het en Doet hact
niet wee. Gp ffraftfe tot beteringe / maer fn
en willen de fcaffe niet aennemen / fr hebben
haer acngefichten harder gemacht als eenen
bperfteen ende en hebben hen niet Willen bez
keeren.
Deſe boosfende woorden der Propheten bez
tupgen klaerlijck Waerom de Fftaêliten foa
Vadersge- fefndecen / Die hu ban natueren lief heeft / en ‚menigmael van den Deere geftvaft en geflagen
ijdinge alle wegen dat beſte begeert te Teeven ende te zijn / te weten / daerom / datfe haer bekeeren
onderwijfen/ oock ſomtijdts Wel met harde
flagen vermaent / kaſtijt en ficaft / evenwel,
upt enkel Baderlijke liefde / tot ondertwijfinge
en nuttighent fijnder liever kinderen / niet tez
genftaende / Dat et wel den Kinderen in den
fouden ; doch alles te vergeefs / gelijck de liebe
Pꝛopheten in defe aengeteſtende woorden bez
klagen en kondt doen.
Liebe Broeders) laet u dít cen vermaninge
zijn / Dat an doch dat angehoogfame cn ver⸗
bleefche wee doet / ap Dat fm haers Daders: ſtockte Iſrael / in Dien vat/ niet gelijck en
wille/ gebodt ende ſteime niet en bevachten / | wort / maer Dat qp uws Daders barmhertige
maer gan Gerten beeefen eu volgen fullen : kaſtijdinge en ſtraffe venwilliglijk onderwerpt)
eerbaerhept/ bzoombept/ en onderwijfinge | en gedenkt dat 'er geſchzeveñ ffact: NIS wp
navolgen en leeren fillen. Alſo kaftijt oock gerichtet werden / foo worden Wp ban den icox. i. zo. |
menigmael onfe Hemelſche Dader fijne npt: | Deere geſtraft / op dat Wp met ter Werelt niet |
berkorene kinderen met fijn Daderlijke toes | en fullen berdoemt worden. Bl
de / op datfe hem in fijn Weplige Woord / wil, _ Wierom/ liebe Broeders en Suſters ín den ik
le en geboden fullen hooren ende gehoorſaem Heere / ſoo en verwerpt doch de ſtraffinge en |
ijn. Alle Godfalige onderwijſinge en vꝛoom⸗ onderwijſinge uws lieben Daders niet : maer ijf
bent nakomen/ God metgaeder heeten vree⸗ ontfanght de beni fijnder getrou⸗ |
| 3 wer
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Eph. 1. Se
Phil. 3. 19
2Cor.4. 8.
Tit.a.13.
Tac,ze 2e
Des Kruys
vrucht en
nuttigbeyt.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
156 Van ’t Kruys Chrifti.
koer liefden / met grooter blijdfchappen / ende
danckt hem dat hp u doop fijn vaderlijke goet⸗
bept tot fijnen lieben Kinderen in Ehzíifta
ejefu uptberkeoren heeft / met fijn krachtige
Woozd geroepen en geleert heeft / met fijnen
Hepligen Geeft berlicht heeft op Dat ho u
arme swacke menfchelijke vleeſch / Dat met
foo geel ſchadelijlie en berderffelijke krenckten
Der luften verſocht wort / dooz Dat middel en
medecijne Des krups Chꝛeiſti fa genadelijkk ver
medieert en Van der werelt Ìufte en liefde af
dringt / op dat gp met ſullis gemeenſaem meugt
worden des drzuks Chzeiſti / en gelijkformigh
ſijn doodt / en verkrijgen alſo de verrijſſeniſſe
upt den dooden / gelijck Paulus aen eender
plaetfen aenwijften fpreekt/ te weten. Wy
hebben ín alle Dingen dzuck / maer Wp en
wozden niet beangſt: Wy lijden arbent maer
wp en bzedfen niet: Wy worden vervolght /
maer wy en wozden niet berlaten : Lap woz⸗
Den ondergedzulit / maer wp en vergaen niet:
Wy dragen altijt om Dat ſterven Des Heeren
Jeſu acu onfe lichhaem / op Dat ookt Dat leben
Des Weeren aen onfe lichaem openbaer wozde:
Maer won Die leben / Wogden immers in Den
doot overgegeven om Jeſus wille / op Dat ook
Dat leven Jeſu openbaer worde aen ong ſterf⸗
felijk vleeſch.
iet / daerom leert / vermaent / beſtraft /
drengt / en kaftijt hp / op dat wp fouden ver⸗
‚ faeclien dat Godlooſe wefen / en De wereltlijz
Ke luften / en ín Den grond afſterven wereldt
vleeſch en dunvel / ende ſoeken alleen onſen
ſchat / erve en deel / Dat in den Hemel is / ge⸗
looven ende beminnen alleen den eeuwigen
waerachtigen / en levendigen Godt / en ver⸗
wachten alfa met lijdſaemheyt de Godſalige
rand en de heerlijke verschijninge onfes
ceren en Salighmakers Jeſu Chaiſti / Die
em ſelven heeft obergegeven voor ons / op dat
he ons ſoudeverloſſen van alleongerechtighept /
en ons hem ſelven reynigen tot cen epgen by⸗
fonder bolck om hem te Dienen in alderlep gez
rechtighept ende Godſalighepdt alle de Dagen
gufestevens. }
En daerom ís 't / Dat Jacobus fept: mijn
Broeders acht ’t voor enckel blijdſchap / als
gp ín meuigerlep verſoekinge valt / en weet /
Dat de derſoekinginge uws Geloofs verdul⸗
dighendt baert / de verduldighendt moet een
volmaelit werlt hebben / op Dat gu vollkomen
en geheel zijt enn ober al niet en gebizelte: Want
gelijk dat gout Doop deg vners bittighendt Dat
onnutte ſchunm ban hem doet / en alfa door
’ vner al reynder en reynder wert : Aifa wozt
oock de ancfankelijchke menfche Gods ín den
oven en oper Det tribulatien verootmoedigt /
geloutert / en gerennigt / op dat hu alfa Chzri⸗
ſto en fijnen Dader tat eenen eeuwigen Lof /
Prijs / en Heerlijkhendt zijn maah / en maal)
Den felven Godt met getvouwer herten (als
ban allen dingen onberbindert ) bzeefen/ lief
hebben / eeren danken endienen.
En dit is het Woord / Dat in Sapientia ge⸗
ſchzeven fact / te Weten: Fu luttel zijn ſy
gequelt / fu velen ſullen fis gelaont worden:
want God de eere verſoelit / en bepzoeftſe
en bebint / datfe fijndec weert zijn / ja gelijckt
Dat goud (nt fornens bepzoeft odt / alfoa
heeftſe God beproeft en gefoutert / en hy ont-
fanatfe alg een Offerhande deg Brand-offers
en tot fijnder tijd (al hp op haer ſien / de vzoo⸗
me fullen fchijnen en blinken/en ſullen daer he⸗
nen bacen/gelijk Dat bper Doop de ſtoppelen / u
fulten de Natien oordeelen / ſy fullen de Vollien
berheeren / en haer Heere fal in dev eeuwighent $2P-3- 3-
regneren.
Daerom / Tieve Baoeders/ zijt ín den Heere
wel getrooſt / en dzaegt nu den dzul bepmoede:
lijk) alg bzame Nidders Chziſti / op dat gp bez
haeglyn zijt / hem / Die u tat ſtrijders aengeno⸗
men ende bevoepen heeft : Want alle die daer 2Ti.:.5.
ficijt (fept Paulus ) en fal niet gekroont wer:
den /’t en zy Dan/dat hp vidderlijkk ſtrijt: Woert
gp dan uwen ſtrijt vecht upt/ ſoo fal uwen Ko⸗
niks cen Welbehagen aen u hebben: Maer ís °t
dat gy beeeft / uwe wapenen en zweert ban U
legt / en den ſtrijd verlaet / ſo en ſult gu oolt geen
lirdone verſirijgen. Want wie volſtandig blijft
(ſpreekit Chaftus ) cot den eunde / Die ſal ſalig Mat. 10.23.
wozden.
lk vꝛeeſe Dat fonnnige onder onſe jonge en
onbefochte Bzoederen mogten bevonden Woz
den / die haer ban De Vliegende gedachten haers
herten verſchzickken laten: Waerom dat den
ongeloovigen en godlooſen fa geluckelijlt gaet
en toevalt / en Dat de gerechtige fa beel lijden
moeten/ja het en fchijnt niet anders (n Der onz
wijfen oogen dan of De ongerechtigen tot alten
geluk geboorten zijn / want ſn wafjen en nemen pat gerak ,
toe gelijk de groene fpaupten doen / fn heuwen vrede,en
en trouwen / fp zaepen en maepen / fn bergades Plijdfcha
ren dat Koorn in haer ſchueren / en Dat geld in
haer kiſten haet hupfen zijn heerlik / vol / en wel
gegeonkt / fp kleeden haer met goud en ſilver /
met zijde enn flouweel / ſn voeden haet herten als
op eene flag-dag/ haer wenden en ackers bloe⸗
jen obervloedelijk / haer beeften zijn gefont en
eon lt ge kinderen zijn luſtig en friſch /
en kortswijlig voor haren oogen / fin ſpelen o
pijpen en trommen / op bedelen en lunten / fx
fimgen ende ſpringen / eñ feggen tot hare zielen
gebzunkt u / hanteert genoegte en blijdſchap bp
uwe leven / Ec.
Haer JPzediltanten ſterken en trooſtenſe en
haven Godg-Dienft is eenen luft boven alle lu⸗
ſten / ſommg / het laet hem fo aenſien / recht of fix
met cen fonderlijke liefde ban God bemint en
gebenedijt zijn/en dat daer tegen De gevechtige
der Godloo⸗
fen.
Tob ar.25%
met cene byfonderen haet van dod dehaet en xcza.x..
verblocht zijn. Want fp zijn als de magere
ſtrunkskens upt eenen doven Aerdrijlie / als
een acme verſchobe nacht-uple Die ban alle ba: Píro:.7.
gelen geplukt wort / als een Pellicaen in der
woeftijnen / en alg een fpeclintt of muſſche onz
der den dalie / alle dieſe fiet beſpotſe / dieſe kent/
die haetſe / geen Koninlirijſt / geen Vorſtendom /
geen Stad / geen Wand ís groot / dat een arm
berftoten Chriſten dzagen en lijden kan. Alle
wie hem ſcheynt / laftert / en leet Doet / meent
dat hr Godt eenen dienft doet.
Mijn Broeders fouden tn nae menfchez
lijke Wijfe vechten Wp fouden fander twijffet
met den Heyligen Jeremia moeten feggen ;
ende klagen: @ Heere ä zijt gerechtiger
dan Dat tvp met u twiften ſouden. Ya doch
fo gunnet ong dat Wp met u fpzelten magen
het gene dat ons vecht dunkt : Woe gaet dat
toe / Dat deer Godloofen voomemen foo gez
luckſaligh is / ende dat?ct allen Den genen
Die fo onbefchaemt overtreden / fa wel gaet?
Ier. ra: Ie
Met Ubacuc: Waerom fiet gp opde God aba.2. 13.
loofe ſchallien ende zwijght / ende fiet door
de bingeren / alg De bzaome ban haer dn
onz
— Ü 0„mff—
Van ’t Kruys Chriſti. 157
flonden wort? enmet Eſdza: Of Babnlon , bezre ban mm dat íclt glorieren faude anderg Gals.
GERL.3. qr. Dan beter doet als pon! Aſſaph hadde bp | dan ín dat keupee onfes Veeren Feliu Chaiftí /
na met fijnen boeten geflippert / om Dat hp | Daer door inp de wereld gekrunſt is / en ike der
ſagh dat geluck der ongerechtigen en den Wez wereld. Item / de Apoftelen gingen oo: bzoz
Derftaot en graten Dzukk Der vzomen. lk bandat aengefichte des Nacdts / om dat
Alle die dan met alfulken gedachten beſtre⸗ fin weerdigh Waren verſmaedhend voor den
Den worden / rade ende vermane ickt/ datſe aem Fefia telijden. HN
haer herten en oogen op deg Leeren Woost | Ende detwijle won dan dat wel weten / dat AL 5-42. REE
vechten en wel aenmerken / wat ban dat upt- | dat onft arme zwaclie bleefchh foo harde HN
terſte en epnde der bepden gefchzeben fraet / ſteelit ende fo gantſch wee doet / gelijf. wp
en ten eerften vanden bofen. Sp lenden haer (Mm Job / Jeren a / Eila, en noch meer au⸗
— Dagen (fept Aob) ín welluftighept / ende ín | dere oalt Wel bevinden / desgelijks De Weere rob. 5:
Debefof. ECNEN oogenblik Dalen zu neder ter hellen ; Ge | felfS begeerde, fou het mogelijk waer / dat ie-zo.14-
— tem bertoornt u niet ſeyt David) ober den den lielſi van hem machte genomen wozden / 3 F°E-19-2-
godloofen, Goddeloofen / en zijt niet nijdig over De quaet: | ja unt grooter bangigheydt water en bloed =*****
Pzz.r. doenders / want gelijk dat gras ſullen fp ver⸗ zweete / fchudde/ en beefde, dat cen En-
Rom8,rz. Wellien /en gelij’: Dat groene keunt fillen ſy af: | get unt den Wemel hem bertcooften moefte /
gebouwen Wopden. Item: Heeft qp naden daerom is ong feer geraden dat wp miet gee
bleefche ( fendt Paulus) ſoo ſult gu ſterven. loobiger ootmaediger herten alleen tot onten
Vleeſcheſijck gefint te zijn iS De doodt / cur dier: | God vlieden / gelijk oock alte vzoome krups
gelijlie ſpreulken vele. Dragers ban den beginne hiet gedaen hebben /
daer van't epnde Der gerechtigen ſtaet alfa | fijn Genade / hulpe / byſtand en tvooft met syr.z. n.
geſchzeven: De zielen Dec vbzomen zijn in bolder berouwen foetken: Want wie heeft
Gods hand / en geen pijne Des doods en ſalſe op hem betrouwt / Die hu berlaeten Heeft
teniete Doen/ Loor De oogen Der ontwijfen | Ende tie heeft tot hem geroepen die hp nict
Sap3 fchijnen fin te ſterven / en haren uptgank/Weg/ | verhoort en heeft? Wp is one Godt ende 2C1S.3:
3420. € Epmde wozt voor verderffeniſſe geacht/maer | Dader / buig onfe Heere ende Koninck eren
— fg zijn in gewiſſe ruſte en vzede. Item de | hu f$ ouſe Bchuper ende Befchudder /onz
—5 moeten veel lijden / maer De Heere | fe ſterckte ende vaſtighendt / onfen trooft en
elptfe upt allen Defen. Item / ſalig zijt gn / | toevlucht ín der noodt. Hu ís den hoorn
alg ude menfchen berfmaden en verbolgen / onſes Hepls / ende onfchaduiwe Loor De hit-
en fpzelen alderlep quaet van u/ Daer aen) te: Dao? mijn God (fet Bavid) tal m over 27-13-30.
liegende / om mijnent wille/ verblijdt en ver⸗ De muuren ſpringen alg God met ons ís / B
heugt u/ het fal winden Hemel wel geloant | Wie kan dan tegen ong zijn 4 Dn vermogen CHN
DP Cene lik
d ? | genen | beelt uwe ſalie / hn Werlit ín fij |
J — Pots La jen u díe —— ——— 5 hpi |
et/ ruſte met ons Wanneer nude Wecte Je⸗ ommige heeft hy unt der tprannen hand Pan-3: 17: KEM
fus openbaer Wozden fal ban den Wemel / met verloſt / ſonnnige heeft hu — in Ben beg —* KIND |
de, Engelen fijnder kracht / en met den vblam⸗ | behouden / Det grijpende hongeriger Leeu BK Hf
menden vper / wzalie tedoen over den genen/ / Wen monden Loorden anderen toegebonden.
aTels.6. die Godt nieten kennen / en Dien denn Euan⸗ Deſe heeft hj pt kerkers / en gevankeniffen
gelio onfes Heeren Jeſu Ehriftí niet gehooz⸗ gelet / den anderen heeft ha de vzeeſe des
ſaem en zijn/ welche pijne fullen lijden / dat | doods onder haer boeten gelept / ende hebben
eeuwige verderven Booz den aengefichte des dao? de kracht haeres geloofs victorieufelijck
Heeren / en voor De heerlijkbept finder flerkt- | overwonnen / honger / dorſt / fpot / fclhande / 1e-26-24-
hept/ alg hp komen fal hem te verklaeren fm naektlepd/flagen/vangen! bangighend / daer
fijnen Vepligen / en Wonderlijk te wopden fn | toe ook galgen / raden/ worgen /martelifatie /
allen geloovigen / ja allen Die / Die de Schzift water / vner leven en ſterben ac. Want de door⸗
vecht leſen / gelooven en wel verſtaen / Cn alſo driugende krachtige liefde des Weeren dzeeffe |
een goede achtinge op Den ſeer ongelijckten upt⸗ | die Dat bitter tot foete / en dat berfchzickelijk | HI
gankt en epnde bepde hebben / die en ſullen de | tot begeerlijk machte. Detiefde (fent Dar Can.s.6.
felvige haer korte welvaert / blijdfchap en ge⸗ lomon) is ftecher dan de daad f bed —— |
lukfalighent niet misgumen / ende hem ín | en mogenfe niet utbluffchen / en bele ſtro⸗
haerder eygenlellende / dzult / en krupce / door men cn mogenſe niet verſmoren / al wieſe recht
Sods genade wel ſchicſien en trooſten. „| gebattet heeft / fept met den heyligen Pau⸗
Wy weten wel / liebe Bzoeders / hoe Dat Dit | lo: wie fal ong mogen affchenden van be lef:
Heberzar. ſelbe eupee allen vleeſche feet harde / onbzien- | de Gods? Of dmuk of banainh ent} @f hers noms
delijlien / en bitter toe fchijnt/ en tegenWaoy- volginge? Ofbonger Of naehtlhent of pee 3e
Dig niet voor cen vzolijlt dinlt/ maer boor een | vijttel $ Of zweert * gelijft alser nefchzeben
dzoebig dink wert aengefien/ alg Paulus fent: | ffact : Om u worden wp gedood Dagcitjeks / Paa.:s.
Dorh Deijle dat et fs beel muttiahepds en | tp sijn als de Schapen die tat der flachtinge
vreugde fn hem beflooten heeft / Dat 'ct Den / berend 3tjn / maer im allen deſen oberwinnen
vzomen altijd bramer mackt / van Wereld en / wp door hem die ons heeft lief gehadt/ ici
bleefch af keert God en fijn Woord vreeſen | ben dies feker en gewis dat noch Icen / noch
Doet / fo boen gefent is / oolt alfo Des Daders dood / Ec. ons en fal mogen af wenden van die
heplige wille is / dat de bzoomen / Daer door | liefde Die daer is in Chaifto Jeſu.
fullen beweert) en De gebepngde in hare ge-|__ Daerom liebe Bzoeders / an die onder des
bepnfthend openbaer worden / ſo ſtaen oock Heeren ſiruns ſteunen gact/Delent nmendsod/
alle trouwe Gods hinderen daerom haers Ha⸗ | beceft ende hebt uwen God lief/ gelooft en-
bets wille Door De liefde berept / en verblijden | de betranwt uwen God / dient ende leeft u-
haer in alſullis / gelijk Paudusfept; het zp | wen God/ en dat met volder en tepnder herz
ten /
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Sac.a. .
Cox.IO.iʒ.
Heb. ir. de
en 12,24.
Rom4.3.
k Gen 39,7.
Iob.r.2r.
| Tob, 2,15
ſ 2Mac.6. 30.
en 7.1.
Heb,11.36.
Mat.23. 34»
loa.13.t4e
Ioa. 3.21.
1 Ioa.4.9.
| HE KE Tear 6.3.
iPet.4.r.
Jea.16.2.
— —
Act. 14 22.
ms ne
— — —
geen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ten / na den voozbeelde allee Hepligen ende
Chꝛiſti / ende barmhertige getrouwe Dader
en ſal u na fijnder grooter liefden niet verla⸗
ten / maer hp fal boor u alg vooz fijnen
oog-appel forge dzagen / met alder trouwe / in
allen dzuck en noode bpftaen / de hant langen/
en u tot fijnen peijfe en heerlijkbhept / ende tot
uwer zielen faligbept/ het ſy dan door het lez
ben / of door den doot / fo’t hem belieft / Wel
bewaren / en voorſtaen: want hp is fo genadig
en getrouwe / Dat ha u niet en kan laten ber:
foelien boven u vermogen / maer hp fal door
fijn groote bavmbertighept / een genadig unt:
komen geven / fa qu fijn Woozdt vecht en vaſt
gelooft / en hem voor uwen getrouwen Daz
Der hout. — |
fet / mijn weerde Broeders) Wanneer qu
ualdus als hier verhaelt ín uwen dzult ende
berfoettingen bewijſt ende met aldert verdul⸗
Dighept des Heeren Welclt Drinkt; Chziſtum
Jeſum ende fijn Heylig weerde Woord / wet
mond ende werkt betupgt / als fachtmaedige
lammerliens om fijn getupgeniffe ín boller vol⸗
flandighept / tot der ſlachtbank lepden fact /
fo fat den Naem Des Meeren daar u geprefen /
heplig en heerlijk gemacht Worden / De hoope
Der hepligen wert geopenbaert/ dat tijkte der
Hemelen uatgebzept / dat Woord Gods bez
kent/ enn uwe acme zwacke Broeders ende
Medegenooten ín den Heere / dooz alſulcke
uwe Gepmeoedighent gefterkt en geleert. Ja/
mijn Broeders / op deſe wijfe/ fo hier verhaelt /
leert en fpzeeckit ong noch heden ten dage Dat
offer en bloed Abels / dat geloove en gehoor⸗
faembepdt ban Abzaham / Iſaac en Jacob /
de kupsheptban Joſeph / de verduldighendt
ban Sob en Cobia/ de manlijke en treffelijc⸗
ke belijdinge Cleazarí/ en des Hoeders met
haer feben Soonen/ de vepmoedighept/ bol
ſtandighent en vzoomhept alder hepligen / Die
Bao? ang geweeft zijn / en De Waeracht ige on:
geverwede liefde / gotmoedighepdt/ Hee | qe
rechtighept / en vzpwilligen vepnen offer Chri⸗
ſti / Die ong na Godts belofte tot eenen onbez
Drieglijken Leeraer / en tot een eeuwig vooz⸗
beelt alles goets van Godt onſen Wemelfchen
Vader ín eeuwiger liefoen Ban den hoogen Pez
mel bier geſchickt en gekomen is,
Mijñ alderlieffte Broeders en Suſters ín
Chꝛiſto Jeſu / in alten Landen verſtroont / die
icli deſe mijne vermaninge unt cepnder Chri⸗
fielijkker liefde ten dienſte ba mallianderen ge⸗
Dragen en oberſchreben hebbe / ick wil de ma⸗
terie af kosten en wil u met alder ootmoedig:
hept gebeden hebben / dat gp dach ten cerften
wel overleggen wilt / wat het voor een bolks
is / dieu fo nijdiglijken vervolgen / ende om
goed en bloed beengen.
(Een tweeden / waerom fp u berbolgen/ en
fulfken leed aen doen.
Ten derden / hoe dat alle Heyligen / oock
Ehriftug Jeſus felve defe berbolginge geleden
hebben / en alle brooren ook noch lijden moez
ten/geltff men fien magh.
Cen vierden / hoe krachteloos dat doch al-
le hare argumenten zijn / met welken fp hem
ín hare bloedſchult verſchoonen / ende ons bez
fchuldígen willen / vecht / of ſy daer aen Wel
Doen / ende wp wel alder fchandenen ſtraffe
weert zijn.
Cen bijfden/ hoe profijtelijk en Dienftelijk
ong oolt Dat keupee zn / Dat op Dagelijckg om
Van’t Kruys Chriſti.
des Heeren Woord opnemen / en dragen moe⸗
ten/ hee Wp Chriſtum Jeſum begeeren te
hooren / te gelooven / en gehoorſaem te zijn
want foo gp deſe vijf flucken befchepdentlijckt
en na der Schzift wel nadenkt / en met reyn⸗
dev herten infiet/ en twijfel ick niet het fal
een ſterke en onverwinlijkke kracht / pantſier /
en ſchilt zijn tegen alle droeffeniſſen / vervolg
en bangigbept/als den nood Daer is.
Cen lactften/ vermane en hegeere ick / dat
gp met afder neerftighent wilt bedenken/ Wat
alle fivijders en overwinderg ín Chꝛiſto / in toe⸗
komende tijden belooft is / te weten / dat one
vergankelijke eeuwige vijke/ de kroone der vez
ten / ende dat leven Dat eeuwigh blijven fal.
Daerom / O gp bolck Gods wapent u / en be⸗ vee. r.s,
cept u tot Ben krijg / niet met upterlijk geweer) Heb.10.36
en wapenen / gelijk De bloedige verwoede Wes 61-1-
velt doet maer alleen met een baft betrouwen /
fille lIdſaemheyt en vperig gebedt / het en wil /
noch en mag niet anders zijn / defen ſtrijt des
krups die moet gefiveden en De perſſe Der el-
lenden moet getreden zijn. OD on Beunt en
Suſters Cheiftí / vuft u / de Troone moet doog
u ooft / en de Nagelen moeten daor u Wan:
Denen Moeten gaen / u Lichaem dat moet
gegeeffelt ende u Aenſicht dat moct beſpogen
zijn / omgozt u en zijt bereyt / Want op moet
met uwen Heere en Bzundegom ter Stadt
unt / en ſijn verſmaethendt dzagen/op den Bal: red. 13. 12,
gen-2Berg moet gp houden / en u offer doen /
waekten bidt/ uwe bpanden zijn meer alg
de hapzen opu hooft en Dat zand aen Der zee
is / hoewel hare herten / handen / voeten / en
zweerden fa obermaten bloedtverwig en voedt
zijn / ſoo en beceft evenwel niet / Want Godt 4E(.16.76.
is u hooftman / u leben en is niet dan cenen
ſtrijdt op der Aerden / ſtrijd Kidderlijlt / ſoo
fult gp ontfangen De Kroone / die u belooft
&
gens eten / Dat midden ín Den Parvadijfe
—— en van deu verbozgen Hemelſchen
oode.
Wie verwint die Wil Godt tot eenen Pilaer
in fijnen Tempel maken / en ſijnen Naem en
den Name deg Nieuwen Jeruſalams op hem
fchzijven. N
Wie verwint en fal niet befchadigt worden
van De tweede doot: Wie verwint / fal met
witte kleederen gekleedt worden / ende fijnen
naem en falníet uptden Baeck des Lebens Apo.3.s-
gewiſcht worden / en Chriſtus Jeſus fal fijnen
Name belijden boog ſijnen Dader en Hoog fijne
Engelen. —
Wie verwint / Die ſal met Chꝛiſto fitten
op ſijnen Stoel / gelijck Cheiſtus over:
wonnen heeft / ende zie met den Dader op
fijnen Stoel.
O gu ſtrijders Gods / ſchickt u / ende en
vreeſt niet / Defe perſſe moet gu tveden/ defen
engen weg moet qu wandelen / ende door defe MAJ 4-
nauwe poogte tot den leven ingaen
De Heere is uwe flerkte/tvaaft en toeblucht /
hy fit met u ín kerckers en banden / kn blucht
met u ín vezre landen /hp gaet met u in vper en
water, hp en fal u in eeuwighent niet verlaten
noch verſunmen / ja hp fal haeft komen/en fijz
nen geooten loan fal met hem zijn.
Saligh zíjn fin die vervolginge lijden om der
getechtighept/ want haet
Hemelen toe, |
Ber
7Wie verwint ſal ban den houte deg Hes Apo.z3. re.
hoogt dat Nijcke der MALT
He,ro. 35.
Heb.ro.28,
Ab.2.4
Rom.r. 17.
Gal.z.rr.
1 Cor.3. 12
Mat.7.26.
Van’ Kruys Chrifti. 159
Bedzoeft u niet dat gn zwart zijt / qu zijt,
evenwel fchoon en den üonnen aengenaem /
ge moet gelijkt een rooſe ander De doornen op
waſſen / en Dat fielen lijden. Verblijt u/ de
Konink begeert u fchoonhent.
Want hoewel hp in fijn eerfre verſchijninge
als een _onnoofel Lam geoffert is / en fijnen
mond niet geopent en heeft / fal noch evenwel
eenmael den tijd komen / dat hu een trium
pherende Vorſt en aberwinnende Yonink tot w
Dat gerichte verſchijnen fal / alg dan fullen ou⸗
fe Vervolgers fien / ín wien fn geſteken heb
ben / dan fal men fchzepen en voepen: Gu
Bergen valt op ong / gu Heubelen bedekt ans/
maer qu fult van grooter blijdfchap huppelen
en danſſen / gelijk de gemefte Kalveren doen /
geneuchte en vzolijkhendt en fullen niet van u
wijken / ant uwen Konink / Beupdegom en
Derloffer Chriſtus Jeſus fal eeuwig ba u zijn /
alle dzoeffeniſſe en elfende dood en pijne en ful-
len niet meet zijn / en alle tvanen {ullen afgez
wifcht zijn van uwen oogen.
Gods prijs/ ceve en danksfenginge fal upt u⸗
ken monde vloenen eeuwiglijk. Noch fegge
ik eenmael ſtrijt / de kroone der eeren die ís u
berent Wijkt noch en wanckelt / het en fal
maer wefen een wepnig tijds / ende Die toelio⸗
mende is / ſal komen / de gerechtige fal unt
fijn Geloove leven. Maer i8’tdat hp wijkt,
fo faldes Weeren ziele een mighagen aen hem
en,
Roedet en wacht u / dat dat hner des krups
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
u als hout / hap en ffoppel niet en verteere / dens
plagcegen en Windftormen des vervolgins dat
huns niet omen ſtooten / der Sonnen-bzandt Mat.13. 6.
dat krunt niet en berdzaogde / Dat gp niet Wez
der met den honden ín en flikt / dat gu untge⸗
fpagen hebt / uwe klederen en voeten / die gh Ben 22.
gewaſſen bebt / níet weder onreyn en maelt /
en niet feven erger Geeften tot u in en treden /
en zeg De lactfte Dwalinge erger alg de eerſte
opde,
Daerom liebe Broeders en Sufters ín den
Heere / ſoo vzeeſt doch uwen Godt van gant:
ſcher heeten / en van gantfcher zielen / en ſoekt
hem upt allen uwen krachten /waekt ’S nachts
en daegs / klopt voor den troon fijnder Gena⸗
Den / Dat he udach met fijn aderlijke hande
in alle ellende onderhoude / in allen dzuit ende
nooden / genadelijcken bpftaen/ en in fijnen
weg / woord / en Waerhept trouwelijken bez
ware / op dat gp uwe boeten niet en ſtoot aen ersr.5.
eenen ſteen / en alfa in uwe belijdinge en leven
niet en vervalt / bzeekt en te fchanden en wert /
maer dat gu uwen toe-betrouden ſchat tat op
Dien Dag bep en reyn bewaert en alfa met alten zTi2.4.
b2omen Pepligen dat beloofde Land / Erve /
LNijk / Leven en Yiroone verkrijgt. Dat guns
ne u en ons allen / de barmhertige liebe Dader /
dao? fijn gebenedijde Soon; Jeſuum Chziftum/
ín kracht fijns eeuwigen en Hepligen Geefts /
tat fijnen — paijfe ende heerlijckhepdt /
6 *
— EN ennn MR —— TET Sn Sr —— — — “ ch *
Mat. 5. 11.
Salighzijtgy» alswde menfthen verfmadenen vervolgen,
ende feggen allerley quaet tegenu om mijnent wille, 15’t
dat fy daer aen liegen, Zijt vrolijk, verblijdt u, het
fal u in den Hemelwelgeloont worden ‚ want
alfo hebben f} de Propheten vervoight
die vooru geweeft zijn.
r Corint. 3,11.
Daer enmagh geen ander Fondament geleyt worden, dan dat ’er
geleyt is, dat is Chriſtus Jefus. p
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
EEN SEER LIEFFELYKE
ME Dt Ear TO N
EN DE
GODSALIGE OEFFENINGE
Met vele Chriftelijke Leeringen, vooreen bedroefde bekommer.
de Confcientie, die van der Wereldt, Vleefch, Helle 5
Sonde, Doodt ende Duyvel beftreden wordt, (op
den XXV. Palm «Ad te Javavi animam
meam, int Latijn genoemt) biddender
wijfe vervattet.
D O O R
MENNO SIMONS
Pſalm 120, 1.
*
Ikrvepe tot den Heere in mijnder nood, en hy verhoort my,
Hy beware mijne ziele vanden leugenachtigenmon-
den, en vanden valfthen tongen.
1 Corint. 3. rr,
Lenen anderen grond en kan niemant leggen ‚dan alleen
dien, diegeleyt is, Chriſtus Yefus,
Gedrukt inst Jaer onfes Heeren, MDCL XXXL,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
produced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
mages re
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
lop)
le)
le}
de
c
5)
a
Ev
®
riesy of Koninklijke Bibliothe
Images reproduced by cou
3197 B 28
VOORREDEN
Et is openbaer, lieve Leefer, dat ick mer veel lafteren en
lougenen van misgunftigen achter mijnen rugge jammerlijck beladen
worde , daerom hebbeik mijngeheel Herte, Gunft, Geeft, Geloove, Lee-
re, Soecken, &c. opdelen 24e Pfalm nae der Latijnfcher, en den 25 nae der
Hebrecufcher rekeninge, biddefcher wijfein’tkorte vervat, niet met woor=
den der menfchelijker wijsheyd, niet Dialeticè noch Rethoricè » ick en hebfe
niet, dan uyt een flecht en eenvoudige verhalinge mijns herten, aenwijfende
den onderfcheydelijkenaerd, en natuere eens waerachtigen en valfchen Chri-
ſten, metal den grond en hope mijns Geloofs, wat ik van Chrifto Jefu , van
lijn Leere, Doop, Nachtmael, Ordeninge , Geboden Verbod ‚ hoeik te-
gen Heeren en Vorften, en tegen eenen yegelijkengefintben , die nochin de
duyfternis haers ongeloofs fitten, en dat licht der waerheyt nieten bekennen.
Dac ick opdeferaerdenalderdingen, anders nieten foecke, noch door Gods
Genade foeken fal, dan dat onvermengde reyne Woord onfes Heeren Jefu
Chriftt, en dat na Schrifts verhalinge : feyleik dan ergensin, dat ick evene
wel door Gods Genade hope datick nietendoe, fo bidde ik eenen yegelijken
om des Heeren wille, om dat ik in mijnder zielen niette fchande en werde,
fo yemant fterker fchrift, en krachtiger waerheyt heeft, dat hy my door Broe-
derlijke vermaninge enonderwijfinge te hulpe komt, ik begeere dat van her-
ten aen tenemen, fohy recht hadde. Men handele met my gelijk Chriftus
Geeften Woord medebrengen, kan men my dan eenige misgrijpinge met ter
Schrift overtuygen, en ik dan die felvige niet af en ftae ‚ maer halfterk tegen
Gods Woord en Broederlijke vermaningeblyve, dat men als dan Neronis,
Tioclitiani, of Maxentii tyrannie aen my, alsaen eenen verftokten en god-
lofen Ketter bedryve, ftaeik in alder maten overbodig en bereyt, hoe wel dat
na der leereen gebruyk dereefter Kerken billik fo niet zijn enfoude, want het
is openbaer „dat fy om des Geloofs halven niemand leed gedaen, noch weyniger
gedoot hebben, maer den Dwalenden en Ketterfchen hebben fy trouwelijk
vermaent, niet wederkeerende, van die gemeyníchap der Kerken afgedaen.
Fie 3. Daer naby dentijden Arii hebben fy haer in Exilia in ellendigheydt
hier en daer gefchikt. Ten laeften heeft de bloedige Tyrannie Antechrifti alles
finsde overhand genomen, ende hebben alle moeten aenhouden, die met den
Paus en fijn grouwelen niet en ftemden en eenig waren, blijft ook noch foge-
lijkmen in openbare daet aen veel plaetſen (eylſacen ) fpeuren en fien mag.
Ik worde by velen die my noch gehoort noch gefien hebben gefcholden, dat
ik een vervoerifch Ketter ben, hetmoet al geleden zijn , ik en ben niet beter
dan alle Godvreefende Vaderen geweeft zijn, dieook niet weynig gehoort en
geleden en hebben, evenwel waer ik van herten geneygt, dat ik met den doot be-
koopen foude, dat de wereld mijnfoeken, geloove enleere recht vaten en wel
X 3 ver-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
— Ee — — —
add Se ENG dd Et VEE ii dS tt
Sadam ee ne dE it
VOORREDEN,
verftaen konde, want ik weet gewifle dat ik Gods Woordt hebbe, mijn Leefer
en verkeere my niet dat ik alfo fchrijve. | |
—
Iken begeere voor mijnen God anders niet, wee die, die my geſchapen heeft,
dan met levendiger (temmen te handelen voor een yegelijk alsdie met Chriſtus
Geeften Woord weloverwinnen, of overwonnen worden : want mijn eenige
foeken is dat alleene dat ik mag falig werden , en vele met my , is daerom onnoo-
digeenig fweert tegen my te gebruyken ; want en hebik de waerheyt niet, fo be-
geere ikfe van herten geleert te zijn, gelijk verhaelt is ; maer heb ikfe, foo en ver-
volgt men niet my maer dien, die de waerheyt is, Chriftum Jeſum.
Noch feg ik eenmael met Chriftus Geeft en Woord begeer ik te overwinnen ik
of overwonnen te worden, daer mede beroep ik my voor de gantiche werelt, wie
dies belieft,maer het en wil alfo niet zijn;maer de waerheyt moet verfmoort,en de
leugen met den fweerde beweert zijn : want dat is Antichriſtus eygentlijcke aert,
werk , en maniere, fchelden ‚lafteren, vangen, pijnigen, branden en moorden |
tegen Gods Geeft en W oord te gebruyken, maer de Heere fal het fien en focken. K
Wil dan hier mededen Leefer trouwelijcken vermaent hebben, dat hy met
neerftigheyt fta na dat Rijke Gods, en examincre defen Pfalm met neerttigheyt, |
van woorde tot woorde ‚ meteen ootmoedig nedrig herte, ik hopehy fal door
Gods Genade daer in verkoelinge in der verfoekinge, en dat rechte onderfcheyt |
eens Gelovigens enOngelovigens in klaerheyt en kracht bevinden. |
God en de Vader onfes Heeren Jefu Chrifti gunne den Leefer een yverig vie- |
rig herte, een oprecht werkende Geloove, een ongeverwede Chriftelijke liefde, |
ende gehoorfaemheyt fijns Heyligen Woords ‚ door Jefam Chriftum fijnen lie- J
ven Soone onfenHeere,dien zy prijs ineeuwigheyt. AMEN.
HEE
HEE
HEEE
|
ANN
|
| ;
| Ï
| Í
Ì
HENK Í
BN |
|
|
|
Í
IN |
EE 1 \
Î |
Hi
Ì |
4 |
|
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
BERN ER RE Minke
EFRELYKE
MEDITATION
EN D E
GODSALIGE OEFFENINGE,
biddender-wijfe
uytgeleydt.
Vers 1
Mijn ziele hebbeikopgeheven tot u
ô Heere ; ick betrouwe op u;
daerom en fal ick my niet
fchamen.
O Heerſchapper Heere / Heere des Hemels |
Matth11 28
en der Verden / ik noenie u Heere / ende
ben evenwel niet weert / dat ilk u Sienaer hee:
Vers 2.
Laet my mijn vyanden niet befpot-
ten, want al die u verwach-
ten en fullen niet te fchan-
de worden,
Heere der Heprſcharen / O Heere alder
Heeren / wijn bleefch is zwak / mijn el
fende en nood is geoot / evenwel beeft ikk dat
ten fal / want ick ban mijnder jonkhendt aen | bleefchelijckt ſpotten mijnder bpanden níet /
nietu/ maer uwen wederpactijder den Dup⸗ | maer dat beeefe (hk almeer en meer / Dac ick
bel met neerſtigheydt gedient heb : En twij⸗ uwen aenbiddelijcken grooten naem niet en
fel evenwel aen uwe genadighept niet / Want verſake / en niet ban uwer waerhepdt af en
ick bevinde Daag ’t Woord uwer waerhept / dat, Wwijke/ opdat fp ban mijnder 3wakhept ende
gp een Wijk Heere zijt over alle die Die u aen⸗ obertredinge wegen niet en berblijden/mijnder
voepen. Hoepedacromtotu/ Heere verz, befpatten en feggen : Waer ig nu fijnen God #
hoogt mp /berhaort mp B eere. Fk hebbe, Waer (Snu fijnen Godt Waer ig nu fijnen
Matth. 6, 19. Opgeheven met bollen betrouwen / en met een Chꝛiſtus?En u Godlijke eere alfo Dao? np ges
gewig gemoedt/ niet mijn hooft noch mijn laſtert worde: O Heere bewaert my / bewaert
handen / gelijk de gebepngde ín der Spnago⸗ mp O Heere want mijn bpanden zijn mach⸗
God fal men Gen Deen / maer ick heb op geheven mijn zie: | tig en vele / jae meer alg dat hap: op mijn
allcenbid- ſe / ick hebfe opgeheben / fegge ick / niet tot | hooft / en alg dat gras op het belt/ daer en
Joël 1. 14.
Amos 5.27:
senenaen- Abraham / Want ho en heeft ons niet gewe⸗
roepen.
ten/ noch tot Iſrael / want hp en heeft ons
níet gekent/ maer tot u alleen / tant ap zijt
onfe Deere en Dader / qu zijt onfe Verloſſer /
ban ouds is Dat uwen name / gelijck De Pro⸗
pheetfept. Hieromis het liebe eere / Dat ikk
opu betrouwe / want ick weet waerachtigh /
dat gp een getrouwe God zijt ober alle die / die
u betrouwen. Ben ick in der dupſterniſſe /
fo zijt an mijn licht / ben ick ín den kerker / fo
zt ge met mp / ben ick berlaten/ fao zijt op
nijnen trooft / ben ick inden dood / foo zijt
ap mijnleven. Wanneer fp mp bloekken/ (ult
gp gebenedijen / Wanneer fp bedroeben / ſult
gp berblijden/ wanneer fp mp dooden / ſult
gp berwecken/ en al wandelde ick in dunſter⸗
dalen / fo ſult gp ateijt bp mp zijn: vecht fs’
O Weere / Dat ick mijn Bedzuchte ellendige
zieletot u opheffe / uwe beloften betrouwe /
en mp níet en fchame.
Efaia 13.9
Pfalm.9.
Pfalm23.4.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
bpert mijn onreyn vleeſch nimmermeer / Daz
tanas omringt mp alg cen brullende Weeuwes
dat hp mp berflinde. De bloedſchuldige wzez
De wereld ffact map na mijn leben / oockt hact/ Im. —
vervolgt / brand / en mooꝛdſe alle die / Die uꝰ petri s.
wen prijs foecken. O mp ellendig man / íckt
en weet niet waer fclt mp wenden fal / druk /
droeffeniſſe jammer en bangighend is’t alz
omme / firijd van binnen / en vervolgh ban
bunten / ſegge ick evenwel met den Roninckt 2 par, zo. 12.
Jaſaphat / Wanner ick niet en Weet waer
henen/ fo hebbe ick noch mijne oogen te
keeren tot u/ en berlaet mp alleen opu Gez
nade/ Goed / gelijck Abraham ín Berat / ——
Jacob in Meſopotamien / Joſeph in Earp: soa...
ten/ / Moſes ín Midian / Sfraël in De Woe⸗ en ;
fijne) Dabid in t gebergte/ Ezechias ín en 17. 1.
Jeruſalem / de Jongelingen ín Den vierigen 'Àezrs. 1.
oben / Daniel ín der Leeũwen kupl / fa alte
Godbzuchtige Vaderen hebben gehoopt ín u/
fs heben uwer verwachtet / ende en zijn níet
te fchande gekomen.
166 Meditatie op den XXV. Pfalm vers 3.4.5.
Vers 3
Tefchande moeten ſy worden, alle
die verachten fonder fake,
Ex.34. 6. O Heerſchapper Heere / gelijck u barmher⸗
tige genade is over alle Die u vreeſen / alſo
is oolt uwen grimmigen toom ober alle die / Die
uverachten/ Die na hare luſten wandelen/ en
PC13.r. met allen dwaſen dozven ín haerder herten ſeg⸗
E{28.15- gen: Daer en is geen Godt. Wp hebben een
berdeagh met den Doodt gemaeckt / ende een
10.22.13. verbont met de Welle / Godt en weet niet van
1Gorss.3 onſen handel / de Wolcken zijn fijn deckfel /
ende en merckt niet op der menschen wercken:
Xun willen eten en drzincken /mozgen fullen wy
ſterven: Want ong leben is kozt ende bol at:
bendts / ende Daer en is doch geen verkoelin⸗
ge / wanneer Wp ban hier gevaren zijn / Wp
willen een bal Teven voeren / ſoo lange Dat
nach boo? handen is / ende De creatueren gez
beup ken foo ’t ong gelieft. Den armen willen
tn verdrincken / ende den gerechtigen bedziez
gen / met den alderfchandelijckften doodt wíl:
sazar, ten won Gem berdoemen. o Wiebe Deere / al
dus dwaelt de geheele Werelt / ende en is al⸗
enthalven niet Ban eenen luft des vleeſchs / en
r Ioan.2. 17. Juft dec oogen/ en hooghmoet Des levens /
enckel valfchept / ongerechtighent/ en tpranz
npe / waermen hem wendet en keert / Wepnig
zijn die Die uwen Name vzeefen. Paulus
fendt: Dieefchelijck gefint te zijn is De doodt :
Rom8.6, Dat vecht is al gewefen: Heeft men na den
bleefche / ſoo moetmen ſterben / leert De gant:
ſche Schife/ / wanneermen hem níet en bekeert
en is ’ec niet gewiſſer dan uwen ffcengen
toorn. Daerom liebe Heere / treckt / ſtraft /
bermaent ende leert / of fn noch eenmael
machten vouwe krijgen / de Waerhept beken:
nen ende Saligh worden. Sp zijn immer dat
wercu uwer handen / na uwe gebeelteniſſe gez
ſchapen / diete gekocht / laetfe niet te fchande
tot Der doodt / door Defen wegh wandelt de
gantfche werelt vrꝛumoedigh ende onbevzeeft /
ende hebben Dat berganckelijekke voor dat on⸗
berganckelijcke / Dat — voor goedt / en
de dunſterniſſe voor dat licht verſtoren / ſy wan⸗
delen alle den verkeerden krommen wegh / ſu
worden moede in den wegh der ongerechtig⸗
hent / ende en Itennen des Heeren Wegh niet.
Pet is wel waer) den weg det dwalinge fchijnt
den Dwaſen cecht voor haten oogen / maer ik
bekenne doo? uwen Geeft en Woordt / datfe
den gewiffen wegh ís tat der Wellen Aſgront.
Daerom bidde ick liebe Heere / Weeft mp cle
lendigh Sondaer genadigh/ Wijft mp uwe
paden / ende leect mp uwe wegen / Want ue
wen wegh is den vechten wegh / Godtſaligh
ende lieffelijck / ootmoedigh / kupyſch / Lol
vzeeds ende alles goeds / en fal mijn ziele lepe
Ben ín ’t eeuwige lezen.
Vers. 5.
Schikt my in uwe waerheyt en leert-
fe my » want gy zijt Godt mijn
Saligmaker , dagelijcks heb
ik u verwacht,
O Deere Heere rijn tranen (fepd David)
zijn miju ſpijſe dagt en vacht / mijn herz
te ín mijnen ſhve beeft im / mijn ſterkhepdt
d
‘en kracht betlaten mp / en Dat licht mijnder
oogen is nauwe bp mp / en dat om die ontal⸗
ljlte vele periculen / en liſtige ſtricken Die mijne
ziele geftelt werden / vzeeſende / alle wegen /
of ícl daor menfchelijke miggrijpinge of doos
Satanfche berboeringe ban den wegh uwer
waerhept wijken machten. O Heere / Der
geleerden vernuft handelt ſcherp en liſtelijck.
Satanas gebzunkt zíjn konfte meefterlijcht. 2Gor1r.rs:
Sommige en leeren niet dan geboden ende lees 947"
ringe der menfchen/ dat onvruchtbare ende
buple boomen zijn / ſommige en toepen níet
wozden/gelijckt Caim / Sodoma / Pharao / en dan Genade / Geert | en Chriftus. Dectres
Autiochus tot ſchande geworden zijn/met alle
Die / Die verachtet heben fonder oozfalie.
Vers 4.
Heere wijft my uwe wegen, leert
my uwe paden. «
O Deere der Heprſcharen / ick bekenne door
den woode uiver genaden / dat' er niet
meer dan eenen eenigen wegh enis / die ons
den evenwel uwe Genade dagelijks / fp bez
dzoeven uwen Wepligen Geeſt / en kruncigen
uwen Sone met haer pdel bleefchelijk leven /
gelijkt openbaer is / ſommige die Giet boogtijtg
upt Sodoma/ Egopto/ en Babplonia ontko⸗
men waren /getveden onder Dat jock en Kkeumce
Chꝛiſti zijn wederom ban den middacgfchen
Dupel alfo berftonden/ alfoo ban Den balfchen
Propheten vervoert /cecht offe uwe 1Do02d en
wille níet bekent hadden: Fa feven erger
Geeften zijn ingetreden tot haer en De lactfte
Mat7-14. got den teven intent / Die nadert vieeſche enge dwalinge (eplacen) ig erger alg De cerfie gez
(d, 7.7.
— en ſmal is eenen voet breedt / als Esdras fent/
met grouwelijken doozhagen ende periculen uwe Pepligen
rontomme betupnt / die van wennigen gevon⸗ |
den / en ban noch wepniger gewandelt Wordt /
Kleynist hpis geljel een ſchadt in eenen Diepen cher /
getal der _ Die niemant vinden en kan / het en íg dau dat
Godvree- het hem aan u wen Geeft geweſen worzde / liebe
worden) een pegelijk deckt hem evenwel met
ende wille, hoe wel gp nopt fulks gedacht /
noch weniger geilt hebt / waet ober ick mn
al meer en meer bedroeve / vol treurens ende
heeten leet / wel wetende / Dat u Waerachtig
fenden. / | :
en f&qeenen wegh / dan gu al⸗ Woozd / met een bervoerifche leugen / foo
— aile wie boot wandelt / fal de poorte ſyſe boeven / maer De gerechtige waerhendt
mat.n3.44. des levens binden : Daer ís noch eenen ande: is / Die uwen onbedziegelijken mond op Aer⸗
laa.ras6. ren wegh / Die beelen wel vecht dunchit / Die, Den hier getungt / en ín deſe bedzoefde Wereldt
dat engenfaechelijchte vleeſch ſeer lieffelijck toe- geleect heeft / alle die unt der waerhent zijn hoz
acht / die alder dingen facht/ plat / en runm ren uwe ſtenme alg De ſtemme Gaers eenigen 1oa.z. 29e
fchijnt/ met rooſen geplant/ luſtigh ende
goedt fn onfen agen / maer haer eynde ſtreclit | nt
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Herders en de Waerachtigen Bzudegoms /
Pſ4ꝝ.4-
Pſ.z38.12.
P{yt. fe
Woord en Gedeninge / geen Lu.rr. 24
voor / het zralfoa uwe welbehagen / woozdt / +Pet.222-
Ioa, 17.6,
en 10.4
aer de ſtemme Des vzeemdelings pine fn / en 18.37
zee⸗
—
4 ON dollen
Meditatie op den XXV. Pſalm vers6,7.
beeefende altaog en altoos / datfe bedzagen / Weeren Jeſu Cheiſti gewilliglijk
mochten worden. O heere gedenkt uws bez
Dzukiten en armen Dienacrs/ qu zijt de bez
Kender alder heeten / gu kent mp/ gu weet
dat ick niet dan uwen wille en foelie ende bez
geerte. Daerom lieve eere / fchickt mp in
uwe waerhent / en leertſe mp / want an; zijt
mijn, Heere en Godt alleen / mijn Saligma-
Ket, behalen i en Ken ick geenen anderen
meet / alleen zijt gu mijn hope / mijnen trooſt/
167
begeven / ou
dat ick oock met allen Canpperen Gods ende
Diſcipulen Chꝛiſti dat beloofde rijck en erve
verlirjgen machte / nach ſegge ict ceumacl/
uwe barmhertighent is grooter dan alle uwe
werken. Daerom liebe Heere kamt mp te
hulpe/ftaet bn en vertrooſt inn / vertrooſt mp el |
lendig Sondaer. 0—
An ziele is ín des Doods naode /en de peri⸗ 10
let᷑.i7.10.
Rom.8.27.
—
Eſ4ꝓ3. 10.
culen der Hellen omringen mp: Helpt Heere
ſchilt / borgt / en vaftighept / daer op icnun | en bewaert mp / bewaert ende en vergramt Per God-
met gewiſſer Confcientte verlate /
feniffe/en nood verwachte.
Vers 6.
Heere gedenkt aen uwe goetheyde
en groote barmhertigheyt, die
van der Wereldt aen gee
| weeft zijn:
O
Ez476. barmhertighent is greater / dan alie uwe wer
Ken/ wie 18 het lee Deere / Die met vromer
heeten tat u gekomen ís / Die gp verſtdoten
hebt? Wie heeft. u gefocht / díe uniet gevon:
In lijnder Demen beeft ® Wie heeft hulpe van u begeert /
hese feng” Diefe niet bechvegen en heeft Wie heeft orn
Paulus heeft Uwe Genade gebeden / dieſe niet mede ont-
hy ons falig fangen en heeft. $ En wie heeft tat u geroe⸗
Bemack:. pen) die gp níet verhooet en hebt? Ja lieve
| Veere hoe veele hebt an der in genaden aenge⸗
| nomen / Die dat Beel anders na uwer ſtrenger
| rechtbeerdighept berdient hadden. Adam
| | week banu/ en gelaafde Det flangen racù /
hp overtcad u Verbond / ende werde een kint
Des Doods boor u bevonden / uwe Daderlijke
goedhepdt en heeft hem níet verſtooten / maer
in Genaden weder gefocht/ geroepen / bez
ſtraft / fijne naechitlhend met pelfen bekleedt /
| en met Dat zaed ſoo barmhertelijſten getrooſt.
| Paulus u uptverkooren Dat, woede als cen
| bzullende Weeuwe ; en verſcheurende Wolf /
op uwen Depligen Berg / ebenwel heeft hem
ugenade om fcheenen / ín fijnder blindhepdt
verlicht / banden Wemel geraepen / ende tot
eenen Apoftel en Dienaer in uwen hupſe verz
koten / teh alſoo lieve Heere / ick de grootſte
ouder alle Sonderen et de minfte onder alle
Henligen ben/ u kindt of kmecht genoëmt te
orden / want ick in den Wemel gefondighr
hebbe / en baar u / hoe wel ick u glorieuſe weerde
Wooꝛd en uwen Hepyligen wille nat alle mijne
Krachten tegen geftacu hebbe / boortijds met
ſienden oogen / ende met berftandiger her-
Luexsar, den tegen uwe openbare bekende Waer-
bent gediſputeert / geleert ende geleeft hebbe /
mijn vleeſch / roem / en epgen prijg meer alg
u gerechtighent / eeve / Woord / en waerhepdt
geſocht hebbe / evenwel en heeft uwe Bader:
lijke Genade mm ellendig Sondaer uiet berla-
ten / maer heeft mn in de liefde aengenomen /
m eenen anderen fin bekeert / met fijn rech⸗
Gen.3.7.
Act.9.1.
Gods barm. erhand gelent / en met ſijnen Heyligen Geert
hertigege- geleert / tat Dat ik eenen vnwiſligen ſtrjdt/ | b
nade heeft Legen Wereld / vleeſch en důpvel hebbe aenge-
my beroe- · Nomen
/ untgetreden alle mijn gemak / vreuch⸗
De / heerlijkhent / luft / en vleeſchs / welbaert/
en hebbe mp onder dat dzuliende krunce mijns
pen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Het C ende dage:
lijlis in mijnder bangighept/ ellende / droef⸗
Veere der Heyrſcharen / wanneer ín |
de barmhertige wateren uwer genaden
zwemme / fa bebinde ik dat ickſe noch gron⸗
den / noch unt meten en kan, want uwe |
miet / gedenkt aen uwe groote goedhent / Die einge
fp alle deelachtig geworden zijn / Die op uwen zijn vers.
Hepligen HNamẽe en genaden rijcke barmher⸗
tigheden gehoopt hebben / die Ban der wereldt
aen geweeſt zijn.
Vers 7.
En gedenkt de fonden mijnderjonk-
heyt niet, noch mijnder over-
tredingen , maer gedenkt
| mijnder na u barmher-
tgheyt, om uwer
goetheyt wille.
|
O Beerfchapper Heere / in ſonden ben ick pa.sr.7:
ontfangen en in ſonden ontfinck mp mijn
Hoeder / ick ben upt een onreyn ſondelijck
bleefchh ontfprongen/ dat Looft zaed is daor
Adam gezacpd in mijnder herten / Daer foa
eel jammers untgewaſſen is / ick ellendigh
Sondaer en hebbe mijn gebreken níet gekent /
ſoo lauge fp mp Door vazen Geeft niet geweſen
en Werden. Gel meene / dat ick een Chꝛiſten
was doen ick mp wel be ſagh / heb ick mp heel
aerdſch / bleefchelijk/ cn bupten uwe Woost be⸗
banden / mijn licht was dupſterniſſe mijn
waerhent leugen / mijn gerechtighept fande /
mijnen Godsdienfteen openbaer Afgoderne /
en mijnleen was de feltere Dood. O liche
deere) ick en hebbe mp felben níet gekent /
eet íclt mp in uwe Woord fpiegelde / DOEI rac:r.23.
hebbe ick mijn blindhend / naelithent / ſerig⸗ Ro7.1ë.
hepd / mijn aengeborene booſe aerd Geel bloot
bekent en met Paula gefien dater nier goeds
in mijnen bleefche en Woonde. Det Was al sro.
bol met zweeren / etterbunlen / van den Loez
ten tot den hoofde. Och / och mijn gondt
Was ſchunm / mijn terwe was haf / alte min
Dienften Waren enchel vervoeringe ende leu—
genen / behalven dat ick noch boor win mijn
vleeſch bedzeef. Mijn gedachten maren
Dleefchelijk / mijn Waarden ende wercken
fonder Gods breefe, Mijn waken ende flac
pen ontenn/ mijn gebedt geveynſthendt
niets niet en hebbe ick gehandelt fonder fonde.
O Deere en gedenckt doch de fanden mijnder Dier en is
jonlihend niet / Die ick wetentlijken cn onwe⸗ geen gerech-
tentlijft fa beel voor u gedaen hebbe / oock niet * * —
mijnder dagelijkiſcher overtredinge daer mik nieten iou-
Bao? mijne groote zwalkhend (enlacen ) immer dige.
ín bevonden worde / maer gedentit mijnder na zer
uwe groote barmhertighend / blind ben felt / dr
verlicht mp/nackt ben ik/beltleed my /aewant rz se.5.
en ilt / geneeft ram / Daod ben ik / Verelst map Loar 144:
geen licht Medecijn of leen cn kenne ík / dan
ualleen / neemt mp ín uwer genaden { aturzet
mp uwe barmhertighent / gunſt en trouwe om
uwer goethents wille / O Heere.
P Vers
xeech.i d.32.
Exol. 19, je
en 20.19.
Deutr. 5. 4.
Heb 4. 1.
Exod. 25.31.
4 Eldee 9.19.
Jean. 3. 16.
1 Joan. 4.9.
x Ioan. 1.3.
Apoc. 1. 5.
Mat. 28. 18.’
Marci 16, Ij«
Plalm 115,1.
Pfalm 95. 7»
en®9. 7.13.
Píalm 1. 5-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
168 Meditatie op den XXV. Pfalm vers 8.9.
Wooꝛd heeft mp geleert/ uwen H. Geeſt heeft
Vers 8. my gedreven / tot Dat ick den toel der ſpot⸗ pranm rr. «
; tevijen / den raed Der Godlooſen / en den wegh
De Heere is goed enrecht, daerom tn then verlaten hebbe. “Felt hebbe Gods
fal hy de Sondaers onderwijfen oe —— — hebbe de —— * pe
rechtigheyd gedragen menig ja Ce |
op den wegh. wask in alle dwaeshend / onnutte woorden /
O Deere der Heprſcharen / hae Wel ík ban | poeihepd/fpelen/fuppen/cten wag mijn tijtver⸗ Rſai. 5. 24
mijnder jonkihept aen / faa onrecht boog drijvinge alle dage / Gods bzeefe en Wag niet
u gewandelt hebbe / Dat ikk mp ſchame / DAE | voor mijnen aagen / Daer toe was ilt oolt een
ick mijne oogen tot den Hemel keeren fa! / an: en Vorſt in Babel geworden / een pege⸗
evenwel trede ick vooz wwer Genade⸗ Croon / ſjn ſocht en begeerde mp / De Wereld beminde
want ick wect / qu zijt barmhertig en goed / my / en (kde Wereld / De cerſte ſtede was mijn
en wilt niet den Dood deg Sondaers / mact | in de gaſterjen en Spnagogen / den voorgank
bat hu hem bekeere en Dat leven hebbe / gu | padde ilk voor allen meuſchen / oock voor den
fondet wat uwen getrouwen Dienaer Moſen / | geijfen van Beel jaren. Eerbiedig was np al:
Die Iſraẽl De Wet door der Engelen dienst bez ſe man wanneer ik ſprak / zwegen ſy / wanneer
ſchinte / oolt uwe knechten de Pꝛopheten / die {lk wenſiede / quamen ſu / wanneer iliſe wegh
Den weg der boeten Pzedikten / en den vollie | fende / liepen fp/Wat mp beliefde / deden fp nun
dat Bidod deg levens Loordzoegen / De ſon⸗ Wood triumpheerde in allen faken / den wens
den hebben ſy met neecftighend geſtraft /uwe fche mijng heeten wag mp gegeven / mact ſoo
Genade Wijd untgeroepen / ende den rechten Kost alg ick Dit alle met Salomon Hoop pdelz
weg geleert / u ſcherp boort Lis hepd/ en met Paulo Loor fchadeachte/ Dat pri. ; s.
was im haren monden / Haer leven hoveerdige Godloos wefen defer wereld na liez
den gulden nandelaer / fp waren als blaepen: | te / wen ueijk fochte / Dat eeuwig blijven fal /
De Dlijf-boamen/ alg eenen genoeghlijcken : hebbe ík allenfing dat wederſpel tegen map bez
reun eeng hoftelijken Apotekers / jae als de vonden. Tevoren was ik heerlijk) nu ben ielt
heerlijke fchoone Bergen met Faofen en Le⸗ | oneerlijk/te boren lief / nu leet / te voren vzind /
fien geplant / coenwel hebben fp fe niet ge⸗ nu vpand / te voren wijs / uu een fot/ te boren
wilt / maer hebben fp weedelijck uptge- vzooin / nu quaed / te voren een Chziſten / nu
ſtooten / geſchoiden / vervolgt / ende in Den een Ketter / ja eenen grouwel en misdader ben
dood gelebert / noch en is Daer mede de Fon⸗ ick een pegelijken geworden. OHeere trooſt
tepne uwer goedhend niet npegeloopen / maer im / bewaert uwen bedzoefden Dienaer / want
uwen lieven Soone hebt gp geſonden / den Diet: ‘ík ben overmaten ſeer arm en ellendig: Mijn
baecften pant uwer Genaden/ die u Woord ges fonden beſtrijden mp/ de gautfche Wereldt
prenist/u gevechtighent bol gedaen/uwen Wille haet en befpot np / Weeren en Vozſten vervol:
ik,
volbracht/onfe ſonden gedzagen/ met fijn bloed gen mp/de geleerden Lloeken en ſchenden my /
uptaewifcht/ uwen toorn gebredigt/ Pup: mijn aïderlieffte vrienden verlaten mp / en Die Sap. 2. zo.
get/Pelle/ Sonde en Dood overwonnen) Ges mp nabp waren / Die ffaen ban beste. Wie
nade / Barmhertighend / Gunſt / en Dede al: is ’er Die hem ober mp ontfermt / en Die hem
Yen den genen verkregen / die met getrouwer mijnder aenneemtt Ellendig ben ick / lieve
heeten aen hem gelooben/ ſijn gebodt ig Dat | Heere / ontfermt u mijnder/ en neemt mp aen
eeuwige leben. Hpᷣ heeft uptgefonden Die vzede met eeren / daer en is doch niemand die mp
predikende boden/ fijn %poftelen/ die Deft | kan bewaren / dan gr alleene, Daerom bid:
Genade heben untgebzeyd / Door de gantfche de ík lieve Heere nepgt u ooren tot mijn bidden /
wereld / die gelijck klare fchifnende fachelen Tent mp met u rechter-hand / lept nap op rech⸗
lichteden baoz alle menfchen / op dat fam | eer ſtraten / op Dat ick met mijnen Loeten níet
met alle verdwaclde Sondaren moebten boe: | acn den donkeren Berg en ſtoote / ik fie dat der Rom. 13.13.
ren opden rechten. weg. O Heere) niet mp | menschen kinderen niet vecht en Teeven ende
maer uwen Hame 3u prijs en eere. Haer doen / fchalk en valſch vinde ik alle vleeſch / de
Wooꝛd bemitine ickt / haer gebzupkk volge ick / vervoeriſche Secten zijn groote en veel / een
uwen lieven Sone Chꝛiſto Jeſu / die fia ñm gez | pegelijkk beweert dat fijne / vecht of fp op eenen
predikt hebben / geloobe ili/fijnen Wille en wegh | gaften ſteen gebouwet hadden/ evenwel en
foche ick uwe obervloedige groote liefde belten: | geben fp uwe waerhent niet. Hierom lieve Hee⸗
ne iſt / niet doo? mp/maer Doo? u. O Heer / want | ref liebe Heere / leertſe mu / ende en verwerpt
nn zijt goed en ili quaed / gn waerachtig ende ilt my niet Van uwen aengeſichte / want ick ben
feugenachtig/gp gerechtig / ik ongerechtig / on⸗ eflendig / ik wandele hier midden onder De leeu⸗
derwijſt mp lieve Heere den rechten weg / lieve wen en beeren die mijn ziele foeken te verflin⸗
Heere onderwijſt mp. Ik ben immer een bau den / en ban den weg der waerhepd af te ſtoo⸗
de Schapen uwer Wenden / neemt mp aen in ten/D Peere flecht mp/ O Heere onderhoudet
uwer behoede / onder De fchaduwe uwer bleu: | sp / op dat ick op uwe wegen blijve / want
gelen / bedekt mp/Want ik worde ſeer geguelt / cht weet waerachtigh datfe de ongevalfchede
Aendig en jammerlijk ben (k/en tot in den doot repme waerhepd / en den gewiſſen wegh deg
bedroeft. viedes ig.
Vers 9.
Hy leydt de ellendige recht, ende
leert den ellendigen ſijnen
wegh.
eerſchapper Heere / u Godſalige Gena⸗
®, De beeft 8* — / u Goddelijck
Vers
Sap.3.23e
en 5. 15.
1Cor.6.9.
PL34.16.
Io.i .14.
Pr. 14.19.
Gen.4.
Mat.26.
loan.18.
Lu.23.8,
1lo.r.r.
1Pet.r. 20.
Apo.1.5.
Deu.22, Ee
Vers ro.
Allede wegen des Heeren zijn goct-
heyt en trouwe, den genen die
fijnVerbondt en fijn getuy-
niſſe houden,
O deere Det Wepefcharen / fp roemen hen
alle uwer genaden en goedhept /_en hoe⸗
wel fn kinderen der angenaden opentlijcken ín
allen haren doen bevonden worden. Dy líe-
gen en bedefegen / eten en ſuppen / hoereren
en oberfpelen / gieven en rapen / bloeckten en
zweeren founder alle mate/en declten ’t al onder
uwe genade en Cheifiug bloed. Gen pegelijckt
fingten roept / De barmhertighendt des Pee:
ten is groot: Chꝛiſtus is voor ons Sondaerg
geſtorven / onfen arbend is onrecht en fande.
Det is wel waer liebe Heere / evenwel Weet
ick / Dat fp geen Deel met u en hebben / dat
haer hope pdel is / haren arbent founder vrucht /
en hare Werken onnut / ja haer hope ig al
een Dore Diftel-blaeme / die Van den Winde
weg flupft/ geen Deel en fullen fp aen uwe
rijcke hebben / want fh blijven onboetveerdig/
ende en gelooven uwe waerhend niet: Och
och / fin befkennen niet dat uwe genade eeuwig
ober den genen duert / Die u bzeefen / ende u
Derbond houden. Uwe goedhept (fepd Paz
bid ) 18 tot uwen hepligen / ende uwe opfien
ober uwe uptberkoren. Awe oogen fien op
De gerechtige / en u ooren zijn tot haten gez
beden / maer u aenficht is over Die / Die quaet
Doen / dat ap hate gedachteniffe wilt untroei⸗
jen upt Den lande/ uwen beiend ben ick /
wanneer ík doe Dat gu mp bevolen hebt / het
is De waerhendt liebe Heere dat ons Chꝛiſtus
gefchanken / en den Dood Loor ons geſtorven
is / evenwel niet tat ſoo cen eynde / dat wp
daerom na onfe boofe luften / ſonden en wille,
maet na uwen goeden wille / Wood en Ge⸗
boden leven ſullen / ick weet liebe Heere/ dat
gp niet Wepniger gevecht als gacd en zijt /
den boſen haet gn / ende den beomen hebt gr
lief / Den goeden zijt an goed / maer den boo:
fen zijt gn als een rechtbeerdigh rechter tot
fijnder tijd beefchenen. Wat heeft dach dat
tepne bloed des ceuwigen Verbonds Caim en
Jude gevordert / Detuijte fn u Genade verach⸗
tet / en hem met hare bezradifche moort bup⸗
ten De berdienfte uws lieven Soons gefloten
hebben? Wat profijt was ’et Pilato en hero⸗
de / Anne en Capphe dat fp de genaden rijclie
frontepne uwer goedhend Chriſtum Jeſum
met oogen fagen / en met handen taften / ſoo
fin doch dat onbeblekzte Kam / den Wonink al-
det eeren / outſchuldigh ten Krupce vervloeli⸗
ten / en ín den dood veroozdeelden. Maer dic
u Verbond houden en u getungeniſſe bewaren!
melijk Abel / Enoch/ en Noach / Abraham / I⸗
faac en Jarob ín haren dagen deden. Den felf-
den en zijn u wegen niet dan vrede en vreuch⸗
il enkel barmhertighend / goethend / en trou⸗
Ê.
Vers 11.
Om uwsNaems wille weeft genadig
mijn misdaet,die daer groot is.
O Heere Heere / ik bidde met den Hepligen
— — — — — —
—
|
|
\
Dabid / en ſtraft mp niet in uwen taor-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Meditatie op den XXV. Pfalm vérs ro. 11, 169
ne / ende en Kaftijdt mp níet ín uwer gram: ea.s.:.
ſchap / want ik weet dat mijne Wonden on:
renn / fiinltende en vunl zijn. Mijn fonden
hebben mp alg eenen zwarten laft berdzukt /
daer en ís genen bzede ín mijnen beenen. Hpt Dan.5.4.
grond mijns herten biechte ick met den lies
ben Daniel booru: Olieve Heere / OD qu
graote en berfchjaichelijke God / ik heb geſon⸗
digt / onrecht Goo u gedaen / Godloog ben
ik geweeſt / afvallig ben ick geworden/ in u gez
boden en rechten en heb ick niet gewandelt / u
aenkloppende genade hebbe ilt veracht / uwe
henlige oord hebbe in verſtooten / uwen lie⸗
vern Sone hebbe (lt getrunſt / uwen hepligen
Geefte hebbe ick bedzoeft/ onrecht hebbe ick
gehandelt ín alle mijne werkten / Gheere / De Gen.4.s.
veelheden mijnder ſonden verſchricken mp/ ik Gen.18.2r.
en eet geen quaed / dat ich nier bedzeben en EX 4-5-
hebbe / nijdig wag ick met Caim / ſtout / en +Reg.rs. zo.
onreyn met Sodoma / onbarmhertig met 3Reg-12.28.
Pharao / wederfpannig met laorach / hoer: Na
achtig met Simri / ongehoorſaem met Saul/ / 26.
afgadifch met Gerabaam/gevepnft met Joab/ en 56.4.
hopeerdigh met Nebucadnefer/ gierig met en 37:5-
Bileam dronkien met Nabal / groet-Dune: 475,
kig met Sanherib / blasphemig met Nabſa⸗
lie / bloedgierig met Herode/ ieugenachtigh
met Ananie. Ya it ſegge met Manaſſe den
Lonink / Dat mijne fonden meer als dat zand
by der zee / en als de Stezren aen den Pemel
zijn. °8 Nachts en daegs quellen fp mp/ niet
goeds en Woont in mijnen bleefche / het is al
ongerechtighept en fonde wat het ſoekt ende
boorthzengt níet Dat lk wil) maer dat ilk niet Rom.7.
en wil / Doe fl. Ick ellendig menſch en Weet
niet waer {lk mp heeten ſal. Bae ík tot np
ſelven / fo vinde ík eel ffeupkelingen/ontepne
luſten / een bat der fonden. Gae ilt tot mijnen
naeften/ fo en heeft hp niet dat mp helpen kan/
want Daer helpt keunt noch plaefter / maer: Sap.16.26.
u Wosozd alleene Dat geneeft alte dingen. Dat
loon Der fonden / fept Paulus / is de doodt :
Maer u genade (8 Dat ceuwige leben. Deſe Rom.6.23.
Genade foelie ick / Defe Genade begeere ick /
want fh is alleene De plaefter / Die mijn ſeeri⸗
ge ziele heelen kan. Deſe gebaupkte dat ſon⸗ —* ——
dige vzoulien / ſo haeſt als fn Gare ſeeren ſag / en Ab· i ·
hare ſmerte gevoelde / deſe gebruncliten de
gewonde Dabid / doen fu de vrome Vefam
ontfchuldig gedoodet / en Bathſebam beſia⸗
pen hadde. poot was fijn krankhept / hu
fag fijne booshent / ende fprak : Alt hebbe ter
gen Den Heere gefondigt/ hp begeerde mer
decijne: B God fepde hp/Wweeft np genadig na p; s14:
uwe groote goedbept / wafcht mp van mijne
fonden / en vernigt mp Lan mijnder booshent.
Dan ſtonden aen heeft dat genaden-rijche
Woozd des Pzopbheten geklonken ín fijnen
ooren: Uwe fonde is van u genomen. Sijn
herte is gebzedigt / u naem heeft hp gepzefen /
ubaembertighept wijd uptroepen / ende uwe Gods barm-
Genade hoog boten alle uwe werken gelooft. „jn SN
O Deere / Oliete Heere / ick bedzoefde Sone woon,
Daer / gelijcks kranckhept gevoele ick / gelijc:
fte medicijne begeere ick / en flupt mp niet bupz
tende Apotheke uwer beembsertighent. Ick
en ſoecke geenen trooft dan bp u alleene / O He⸗
te / om uws hepligen Naems wille helpt mn ·
op dat ick mach danckien en prijfen eeuwelijck.
Wiſcht unt alle mijne fonden/ ende weeft
genadigh alle mijne misdaet / Want fia fcer
graat ís,
| V % Vers
Der Gerech-
tiger getal is
kleyn.
Gen. 4. 3.
Gen. 18. 20.
en ag. 16.
Num. 32.11.
en 2óe 5 Ie
Kom. 3-19.
Eccl, 1,87.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den
3197 B 28
170
* Vers 12.
Wie is die ‚die den Heere vreeft,
hy fal hem onderwijfen den
wegh dien hy verkieft.
O Peerfchapper Heere / uwen wegh is den
wegh des vreeds / ſaligh is hy / Die daer
og wandeit / want barmhertighept / liefde) ge⸗
rechtighent / ootmoedighent / gewillighept / en
gerduldighept vintmen op hare ſtraten. ZU
Kleet den naeckten / ſy fpijft Den hongerigen /
fin laeft den Doeftigen/ fp herberght den ellen:
bigen / fp ſtraft / drenght / trooſt / en bermaent /
al is fp ín allen geworden, ſy ig nuchteren / eer⸗
baeten kupfch/ recht en ſiecht niemant en
float hem aen haer / haren uptganck lepdt In
t eeutwige leben : Maer wennigh fijnfe (ep
lacen) dieſe vinden. Ya ick vreeſe lieve Heere /
datter onder dunſent nauwe tien en zijn / dieſe
binden. Nauwe bijf Diefe wandelen / het blijft
alsꝰt banden beginne geweeft is / Doen maer
bier menfchen op aerden en Waren / daet De
Schꝛrift af getupght / Werden De twee onge⸗
hoo aem Voor u bebonden ende De Derde ver⸗
worgde fijnen Broeder. Acht gevec htige Waz
ren ‘er Doe de wereldt verdzanck/ De eene bez
fipattede noch zijnen Dader. In Sodoma ende
@Gomozra/ met haer byliggende fteden / waren
bier gerechtige / de eene ſagh te vugge/en Wert in
eenen foucfteen verandert. Daer gingen meet
als ſesmael hondert dupfent ſtrjtbare man⸗
nent unt Egppten / daer en zijnder niet meet als
twee gekomen ín ’t beloofde Landt. Hiet liebe
Peere /datfe alle verdoemt zijn/ die opp den Wez
ge geftorven zijn : Maer de toegefepde belofte
des Cananitifchen landts / dat haer allen bez
looft was / en hebben fp om haerg ongeloofs
wille niet beekivegen / alfaa ooſt nu liebe Heere /
ong allen is dat eeuwige Landt belooft / fo wy
anderg den wegh wandelen / Dien gp verkoren
bebt. Maer nu Wandelen ſn Den krommen weg
Des Boodts. Daerom gelijck ſo dat tijdelijckie /
en fulten oock deefe dat eeuwige niet beëcven.
@ Weere ick mach wel fuchten ende feagen /
wie is er die den Heere vzeeſt? Wie ís ’or Die
berftant heeft WDie (f ’er Die na Godt vzaeght?
fi zijn dach alie afgewelten / en onnut gewor⸗
den / Daer en is niemant die goedt doet: Laer
Keele is alg een open graf / hate tonge gez
bzuncken fp tot bedzogh / dat flangen fenijn
is onder haer lippen / hare baeten loopen
fel om onfchuldigh bloedt te fforten. On⸗
gevechtighept ende verderbinge is ín have
wegen / Den wegh des vreedes en Kennen ſy
níet / uwe beeefe en is niet voor haren oogen.
Al watmen bp haer bindt / is enkel ontrouwe
ende leugen / uwe gerechtigheyt verachten /
fchelden ende fchenden zy / noch fingen en ſpre⸗
fen (pp geele ban nine Waerhent en beroemen
haer uwes hoogen aems/ hoewel niet cen
rijpe Dzupbe aen haren Wijnſtok / noch eeni⸗
ge beguame vrucht aen harte Boomen gevon⸗
Denen worden. Maer die u beeefen O Heere /
wijchen ban alle quaedt. Want uwe Hreeft
(preekt Sprach) drijft De fonde unt / ende is
bet begintfel dev wijsthent. Uwe aagen fien op
Die / Die u vrꝛeeſen / uwen hepligen Geeft lent-
fe/ u genadige hant bewaertfe / ſy en fallen
verſchricken nach been / want qr zijt haer
befchutfel ende Deckfel baarder Bitten ín den
Meditatie op den XXV. Pſalm vers 12,13.
de opbelpinge haers vals / op berlicht hare
oogen / qu bermaeckt hare zielen / gp geeftfe
genade / zegeninge/ ende rijcken vreede. Wie Eccl. 34. 19.
|u veeeft/ fchicht hem / ende Wie tat u wacht /
wandelt vecht : Want gr onderwijſt hem den
wegh dien gu verkoren hebt.
Vers 13.
Sijn ziele fal in ’tgoede woonen, en
fijn zacdt fal dat Landt befitten.
O Heere Der Heypzſcharen / datis de epmdez 4 Esdra 2.10.
ljcke baucht ban Die Die u bekennen /
Dat fijn ziele fal maanen inſt goede/ ende ín
dat Paradijs fijns Gods / op den Bergh
Spon / ín dat Hemelfche Jeruſalem / ín de
Gemeynte des levendigen Gods / inde vergaz
deringe der getechtigen / die ín Den Hemelin⸗
gefchreven zijn: Wp ís Lan Belle / Sonde) ebr. 12. 23.
Doodt ende Dupvel verloſt / en Dient boor u
ín bzeugde en vroliſheyt fijner heeten / fijn leef-
dage / hp flaept fonder alle vreeſe / want qu zijt
fijn flechte ende Schilt / hpruft onder de ſcha ⸗
duwe uwer bleugelen/ hu is uwe / hem en Luce 26. 4.
zeeft miet / Want gp verwarmt hem met de
bperftcalen uwer lief den hem en hongert niet /
want gu foijft hem met dat bzoodt des levens, Joan-6-71-
Hem en doaft niet / Want qu laeft hem met de Las *
wateren uwes Hepligen Geeſts / hem en gez
bzeeckt niet Want gr zijt ſijnen ſchadt ende
rijſdom / hp woont in dat huns uwes vreeds
ín de hutten uwer gerechtighept / en in ſtouter
cufte/ gelijck de Propheet fepdt : Sijnen luft ria ‚a.
heeft hp in uwe Wet / ende ſpreekt ban uwe Palm. 1.
woorden nacht ende dagh midden onder alle
bolchen, Hp baet de Voeten fijnder zielen / in S9P- 7- 26:
de klare blinkende bloet uwer Wacthent/ hu Jac. 1.23.
fpiegelt Dat aenficht ſijnder confcientien ín de
klare fpíegel uwer Wijshept, Sijn gedachten Matth, 5. 134
zijn techt ende flecht / fijn Woorden zijn in
der genaden met fout gekrunt. Aijn Werc:
ken zijn encliel waerheyt ende trouwe. Dat
licht 3zijnder broomighent licht al omme.
Dat ha foecht bindt bhp. Dat hu begeert /
rijgt bo. Sijn ziele Woont in de vol⸗
heyt uwer goederen/ De Dauwe uwer gez
naden heeft hem bedzapen/ den Acker zijne
der confcientien dzaeght Wijn / Olie ende Aaor.r4. 2:
Moſt fonder alle mate, Ende hoe wel fijn « Tin. 3.12.
vlees ſomtijds beel jammers / ellende / ende
Dzoeffeniffe dzagen moet / Weet hp evenwel /
Dat de wegh des kruns Den naeften wegh is /
Die tat Dat leben inlent/ hp en fchaemt hem
fijns Heeren wegh / kruns en wapen niet.
Hn loopt met Chꝛiſto fijnen voorgeſetten
camp verduldelijck / en boert fijn ſtrijt Nidder⸗
lijſt / tat dat bn den Peijs gegrepen ende de
toegefende Kroone verkregen heeft. Daer
en is níet Dat hem letten kan/ dewijle hu
ban uwen Geeſt geniet/ ende uwe ſoetig⸗
bent gefimaekt heeft. Ap en wankelt nach
en wijkt/ fijn hups ſtaet op eenen vaſten
ſteen gebouwt, Wis alg een pitacr in uwen
Hepligen Tempele / Want hp heeft ban uwen
verborgen Pemelfchen bzoode gegeten. @ Apo.z.n.
Deere) u 3u prys uwe vacefe blijft rader
lijk boo? fijnen oogen / fn uwen wege wan:
belt hp, Daerom fal fijn ziele ín het goede
woonen / ende fijn zaed / Dat ha met den
Depligen eeft ende Woord gebaert heeft / ecz437.
fal dat Land Der levendigen befitten/ tact
ín gu en uwe uwytberkorene in vrolijker heer:
*
Le
Mat.7.14-
middagh / qu zijt de vergevinge haerder ſchult / lijlhent ſullen regneeren ten eeuwigen dagen.
Haag.
IN
Vers
&E(d.9.5.
Goden
heeft niz-
mand tex
verdoemenis
gefchapen.
Eph.2.9.
Ec. 15.2 tn
Ez.18.23.
aPet.3.g.
ac. 1.17.
Ter.3r. as.
Eph. 1.4.
Ro.ↄ. 13.
PLrig.r.
1Cor.4. 7.
Joa.1.16.
1Cor.1,24.
Mat.11.25.
Lu.rr.ar.
Efa,66.2.
Vers 14.
De verholentheyt des Heeren;
onder den genen die hem vree-
fen, en fijn verbondt laet
hy haer weten,
5 deere Heere / de gedachten ming herz
ten verſchricken mu/ alle mijn binnen:
ſten verſtooren mp/ om dat ik-met Efdza
bekenne / dat’er fo bele onmut geboven wor
den. Wat fal ick feggen lieve Heere? Dat
ge dan Den boofen tot het boofe verogdineect
hebt / gelijk de fommmige doen + Dat zu ber
te. Ick weet dat un dat eeuwige goet zijt/
ende Dat dacrom niets quaeds bp u gevan:
den en magh Worden / wp zijn Dat werck
uwer handen / gefchapen in Chzifta J
tot goede werkten / Dat Wp Daer Mm Wander
len fullen water ende vper / leben ende dood
bebt gp gefct in onfen wille, Op en wilt
miet De Daad deg Sondaers / maer dat hp
hem bekeere / en dat leben hebbe. Gu zijt
Dat eeuwige licht / daerom haet qu oals atie
Oupftecnifle aen mp. Gpen Wilt níet dat
pemand verloren blijve, maer dat hu boete
doe / tot de kenniſſe uwer waerhept Korne en fa-
lig werde. D lieve Heere / hoe jainnerlik hebben
fin uwe onuntſpreſielijſe groote goedighepd ju
eeuwige Warmbhertighent/ en u Almachtige
Majeſtent in defer facetten gelaftert / dat fin u/
© God alder genaden / ende Schepper al-
Der Dingen / tot ſullt cenen Wzeeden Dunvel
gemacht hebben / dat gn een oozfakier. foud
zijn alles quaeds qp die daer een Dader der daz
gen en Det lichten genoemt wozt. Wet ig oe
penbaer / dat unt goet geen quãed / unt licht
geen dunſterniſſe / upt ‘tieven geen dood / en
upt God geen Dupvel geboren en kan Woz:
Ben. Evenwel moet haer verſtokt heete en
bleefchelijk gemoed uwen Wille toegemeten
worden / op dat fp immers op cupme ‘wegen
blijken / ende cen dekſel haerder fanden heb
ben mogen/ dit alle daerom / om dat fh
noch uwe Godlike goedhend/ noch haet
epgen aengeboren booshepd en bekkernmen.
@ Deere God / on hebbet ong met eeuwi⸗
gee lief den bemind/ gh hebt ons untver⸗
koren eer De wereldt gefondeert wert / dat
Wp onftvaffelijk ende heptigh voor u fouden
zijn inder liefden. Niet achtende/ Dat wy
bp den getrouwen Paulum / ban den Efau/
Pharaonem en ban Aftaêl alfoa geſchreven
binden: ha heeft’t ons ten heffen alſoo ge⸗
daen / op Dat Wp niet ons / maer uien naem
de eere geben fouden. Wat hebben won el-
lendige Sondaers/ daer Wp ban beroemen
mogen:wat hebben wy / dat wy niet ban u ont:
fangen hebben : fa het is doch ban uwe vol⸗
bent/ alle wat wp hebben/ Dies Dancken | verfcheikt /
ook u / alle díe 1 Woord beltennen. Olie⸗
Ate {de verholentheydt uws Henligen
oo?
genen Edelen/ noch Wijfen: Maer den ar:
men / eenboudigen ende. klepnen kinderen
gegeben Worden / jae Dader fepd Cheiftus /
ſoo is uwen aengenamen wille. Eſaias fent/
dat gp fiilt op den ellendigen fien/ die eens
gebooken Geeſts is / en Die Voor nine woor:
Meditatie op den XXV. Píalm vers 14, 15.
eſu {uft m
—— — — — ——— — — — —— — — —— — — — —
|
|
|
uws Verbonds vecht kennen! dat gn ong
verdlenſte / upt louter gunft en Genade met
ons gemaekt hebt in Chriſto Jeſu. Want
uwe verholenthend word by die bevonden die
u breeſen / en u Verbond laet qu haer weten.
Vers 15.
Mijn oogen fien geftadelijck
tot den Heere, want hy fal
mijnen voet uyt het
Net trecken.
O Heerſchapper Heere / ich ſegge met den
Propheet: Wilt gp De ſonde toerekenen/
foo en kan niemand voor u ſtaende blijven.
Ick ellendige groote Sondaer heb ín voller
ijn herte gelieert tot alle fathept/ tat
goud en filver/ tot pronck en prael / tot cen
bzeermd en berboden vleeſch; heb mijn oo⸗
gen geliecrt tot openbare Afgoden / hout /
ende ſteen / ende beel jaeven Daer mede qez
hoereert op alle hooge Bergen en onder aile
171
Tit3 4.
is} zijt / eu op u zijn/ dat op fander atie onfe Uyt genade
heeft Godt
ons in
Chrifto aen-
genornen.
Pſ. 31.5.
groene Bomen / gelijck de Propheet ſendt:
mijn Afgoden Waren na't getal der dagen.
Zekt heb mijn knien gebagen voor een gefne⸗
den of gegoten Beeld en gefepd : berloft up
ap zijt mijn Godt. Ack fochtdat geficht bp
den blinden Dat leben bp den dooden / ende
hulpe bn den genen Die haer felven van den
ſtof / roeſt Dieben / ende uplen niet bewa⸗
ven en konden. Ja ick Geb tot een zwak ver⸗
Ela.46,6,
Bar.6.s.
Derffelijk Creatuer gefept dat upt dev aerden
gewaffen/ in der Heulen gebroken / en bp
‘toper gebacken was / dat ick met mijnen
tanden gebeten / ende met mifnen Buͤpck
verteert heb / te Weten tot een mondt - bol
bzoods: Gp hebt mp berloft / gelijk Iſrati
tot het gulde Half: Derblijd u Gfraëi/ dat
zijnu Goden díe u upt Eoppten Hand ges
lend hebben. O God aldus heb ik ellendig
Sondaer met De Babplanifche Hoere geboez
leert beel jaren / Want ick meende Datfe cen
eetbare / eerlijke en kupfche Drouwe was /
een Koninginne der gerechtighend / die heers
ſijſt / hepligh / ende aengenaem was voor
uwen oogen / Want ick ſaghſe verciert met
Purper ende Scharlaken/ met gaudt /. edel
gefteente ende peerlen / eenen gulden Drinck-
befier in haer hant / geweldiah ober alle Co⸗
ningen op aerden / daerom en wiſt ilt niet datfe
foo obermaten pochigh ende ſeerigh was / dat
ín fille eenen fchaonen bekker / full ceren groo⸗
ten grouwel was / datfe full een onbefchaemde
fchandige Hoere ende Moordereſſe was / die
den aerdbodem berlepde / de untberkoren ver⸗
volghde / ende dat bloedt Der Hepligen dronk.
Maer nu heb ick hare leelijcke ſchande met
oogen geſien / en met handen getaſt / en ben ſeer
om Dat it u @ Levendige Fon⸗
tepne / foo lange verlaten hebbe / ende heb mp
Der onnutte putten getraoft/ Die geen Water
ds en fal nergens nae genen rijcken / geben en kounen/ Dat in u eere den Beelden
EX.32ze 4
De groote
fchoone en
heerlijke
hoere Babi-
lon.
Ap.17 3.
erem. 2.10,
Baruch 3.12.
Rom. r. 25.
ende ereatueren gegeven hebbe / en hebben dat sa. 13. 5.
gefchapene veel meer alg den Schepper gefert/
Die gebenedijt is ín eentwighent. Det ís oock
eensdeels daor de bedefegelijkhept mijnder aas
gen gefchiet / om dat ick dao? den heerlijcken
fchijn deg voorfepden Wijſs in mijnder herten
Den breeſt. Daerom liebe Heere bidden wy betovert ſtont/ maer nu lieve Heere) fien
ellendige) lepd ons in uwe Waerhend/ leert mijne oagen geftadelijk op u/ tot dat ick ban *
ons uwe verholentheden / Doet ons de kracht u berhoort worde. Sp we gefiadelijdsen op eb. 5. 3.
de 3 en
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
==
— — —— — * " — — — = — - : —E — — —
—— — —— —— * — mm — ——— — — — —— — — — — nn *
— —— en = Ed *
— — ——— ——
172 Meditatie op den XXV. Pſalm vers 16. 17.
Den Stoel uwer genaden met vaſten betrou⸗
wen / tot dat ick bacmbertighept ende qena:
ende eltendigh ben ft / mijn ſonden zijn groot
ende heel / mijn confcientie knaegt mp / mijn
de bj: u veriteijge. Want gp zijt alleene / die gedachten verftooren mp/ mijn herte lilaegt
mp ín mijnder verſoekinge helpen / ende mijn | ende ſücht / dewijl ik fao geauwwelijk vaa? u gez
heſtricite bocten upt dat Godloofe Net Det |fondigt hebbe / mijn ſonden hebben tuſſchen U os, „5
fonden berloffen en trecken kan.
Vers 16.
Keert u tot my, ende weeft mijns
genadig: Want ik ben een-
faem ende ellendigh.
OO Peers der heyrſcharen / mijn fonden /
fchult en overtredinge en verberge ik niet
boor u / maer belijdefe met openen monde / a
dat ilk ben voorleden tijdt mijnder jaren / na den
—— wille der Hepdenen hebbe overgebracht / ende
rEetrig. 3 fefsbe met haer gewandelt ín alderlep Godtlo⸗
fe iuſten / in pronk ende prael / ín bzaffen ende
fuppen / ende in een onbehoorlijke blinde Af⸗
goderpe / ick Dede al Dat mijn quaedtwilli⸗
ge vleeſch geliefde / ili was een kint des taoms/
Ephef.23- gelijck andere/ uwen Hepligen Name was
mp eenen fot / u Woorzdt wag mp een fabel /
op u genade Dede ick alle quaedt. Fk was als
—— de ſchoone gewitte Graven / untwendigh boo?
ARES TD Den menfchen / zedigh / kupfch/ milde/ nie⸗
mant en waffer die mijn handel ffrafte : Maer
inwendigh wag (% vol daoder beenen / flinken:
ruee 7.40, de Bleefch/ ende gerterende worzmen / VAN
Eohel ses, bupten was mijnen beker repn / maer van bin⸗
nen was Ip bol roofs en overdaedts. Wat in
% hepmelijck ban mp gefchiede / ig ſchande
om te feggen. Alle mijn gedachten waren on:
ſunver / poel / ſtout / eergierigh en Godloos /
ongonft/ haet / nijt / weder wzakte / en vnant⸗
rium s,z, Chap hadde ile ín mijnder herten, Mijn bez
3. geerte gink tot alle quacdt / ſondigh over al
ſonder alle mate / ili en vreesde nach God /
noch Duppel / noch Wet / noch Euange⸗
ĩum / noch Belle) noch Hemel / niet en Was EL
Dat mp verſchricken konde / ik en aehtede noch
u/ noch u Woordt / mijnen voortgaukt wag in
alte boosheyt / il en facht niet dan de vriendt⸗
fchap en liefde Defer werelt / hebbe daeromme
geene leelijkte ſtucken Jgelijk overſpel / hoererne /
en diergelijke ſchanden meer kennelijk voo?
Der werelt bedzeben / Dat evenwel niet UPE u:
wer breefe/ maer Dat ilk dee menſchen gonft/ en
mijn geruchte niet gerliefen en wilde. Daer bez
neven moefte mijn —5 — lioztswillighent /
mijn dronkenſchap / vro lihent / mijn ontepne
juſtem liefde / mijn openbare ſonden / gebzecke⸗
lijüheyt / mijn hooveerdighept / eerbaerhent / en
mijn Afgoderpe eenen rechten Gods-dienft
heeten. Ga ook alle mijnen handel / heyme⸗
{ik of opeubaer / en was Loo? uwe opervlam:
Apoe. 1.15. mige oogen niet verbozgen. Aldus heb ík be⸗
droefde ſondaer mjn {eben vooztgebracht / ende
en heu, @ God der genaden / vaag mijnen
Godt, Schepper en verloffer in Det kracht
níet bekent / tot dat uwen Pepligen Geeft mp
Door u Woordt geleert / / uwen wille geopent
ende índe berhalenthent uwer kenniſſe eens-
beelggevoert Geeft. Hu bekenne il hoe oneer⸗
lijken ík soor u gewandelt hebbe/ja niet anders
Dan of in u fn uwen aengefichte geſpogen / bj
den have getagen/ met bunften geflagen/ met
boeten getreden / ende alg eenen onwijſen fat
beſpot hadde. O Heere / liebe Heere / eenſaem
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
en aap geſchepden / waengeficht boog mp: verre
verborgen / en uwen toorn over mp verdient /
ja een ſoijſe en brandt Der Hellen ben lk gewor
den. Jadoch / hoe ik Dieper en Dieper bedzoeft
ben / hoe ùt ook hoger en hoger doo? u Woordt
vertrooſt worde want dat leett mp uwe barm⸗
hertigheyt / genade / gonft / en De quijtſcheldin⸗
ge minder ſonden Doo? Chreiſtum uwen
leben Soone onfen Heere / niet achtende
Dat ík u voortijds noch geftent/noch gevzeeſt en
hebbe) defe belofte vzedigt mp/ defe belofte ver⸗ uce⸗. 8
Is | heugt mp / defe belofte lept mp met Dat fONDIGE en vo. 35.
vzouken boor uwe gebenedijde voeten } met
een gewig betrouwen en vzu gemoedt / Wel ‚es. 18
wetende / dat uwen wederkeerende fone niet —
met ongenaden van u geſtooten en werdt / hoe
twel ilk uwe baderlijke ecbe en goedt / ſoo oneer⸗ ruce 15. ze.
lijk met Hoeren en Boeven in verre vreemde
landen in mijnder ongerechtighept verteert
hebbe /mijn God / keert nu dat lieffelijke aen:
gefichte uws vreedes tot mp! (fe heb gefondigt/
ín den Memel en vooz u/ legt De handt uwer ges
naden op mp / Weeft mp arme bedroefde Dons
daer genadigh / want ík ben eenſaem on ellen:
digh.
Vers 17.
Den anghſt mijns herten is groot
voert my uyt mijnen nooden.
CG) Deere Heere) mijn herte weent on klaegt/
mijn conſcientie fchut en beeft / mijn zie: dee rd
le is als een bedzaef de moeder / Die hares eeni⸗ ——
gen kinds berooft is / Die niet vertrooſt en kan
werden / nademael ik arme roekelooſe ſondaer
foo lange jaren / uwe Godtlijke lief de / ende
uwe vaderlijke goedthept nopt vecht gefocht /
noat vecht bekent / nopt vecht bemindt / nont
vecht gemepnt en hebbe / ik hebbe leelicker gez
leeft dan eenonvernuftigh beeft doet / Dat in
eten en drinken met alle andere werken Det
natueven niet wijder en handelt / dan zijn naz
tuulijke aect ende luſt begeert / wiet overtre⸗
dende de Wet / Die haer mgebeelt ís, Maer
ík hebbe vzuchteloos / geeſteldos / tegen de aen⸗
gebooren Wet der Natueren beel oberdadiger
ín der ongerechtiahent geleeft / dan mijn God-
loos vleeſch gelufte/ ende wepníigh daer na heb⸗ Rom. 8. 5.
be ff ten meeftendeel wel bekent / dat De bez
geerte mijug vleeſches de doodt wrochte / uwen
Geeft wacrfchouwede mp dikwils ban alle
quaedt / noch werdet al Doo? mijn vleeſch ver⸗
denkt. Ikk was in allen Dingen een engen
knecht der fonden / ende een gef waren DET on⸗ joan. 8. 35-
gerechtigtept gewogden/ ik dzonk De fonden Rom. 6-24"
gelijk water / mijnen luft was in alle dwaes⸗ ed” Ad
hept. De uptgeftrekte hant uüwer genaden en
faaty ft níet / uwe voepende ſtemme en hoorde
n miet / uwe aenliloppende liefde en Woude ilt
niet. Somma, uwe bekenniffe hebbe lk gez
haet / ende uwe vreeſe hebbe ilt achter mp gez
fet / ende dit en is nach niet genoegh / liebe Deez
re Dat ík ín mijnder onwetenhept dus Deerlijk
gewandelt hebbe / maer il bevinde noch da-
gelijke Dat mijn gevechtighent alg een onz
vent
Prov. Le 24.
sen et
EL64059.
len 30,6.
Pfaarje
7.34 6
P{.s1.r9.
EG$7.13
en 61. 1.
en 66,2.
Lu.4.18.
Lſa.G1.a.
Mat.rr.29.
Ela.ss.r.
Ap.22,18,
loa.7.38
aPet.a.3j.
Ex 24.8.
Meditatieop den XXV.Pfalm vers 18,19.
173
gean hieedig/ als felt meene daticlt gae / ſoo oprechte Chziftenen hem als een telen uws
hal ick / dat ick ſta / ſo ligge iclt / en dat iclt
iets wat ben / fo en ben ick heel niet. O liebe
Hecre bewaert mn / den angft mijnder herten
is obermaten groot / ja grooter als ick ſeggen
of fcizijven kan. cht ben bp wijlen alg een
brouwe die in kinde nooden ís / mjn acnficht
is bieelt / boo? uwer bzeefe / mijn handen zijn
op mijn lenden om mijns heeten quale/ de pez
riculen Der hellen omringen np / Dat bette ín
mijnen beenen verdraagt my / want het en gelt
hicr gel noch goed/ vleeſch noch bloed alz
een / maer hee gelt mijn ellende naekite ziele
Dat eeuwige leven of Den eeuwigen dood.
Bidde dacrom en verfact wp niet leve Deere)
Doet open De aogen uwer barmhertighent / en
fict acn mijnen zwaren laft en bangighepdt /
ffact mp bp ende bewaert mp upt allen mijnen
nooden.
Vers 18.
Siet aen mijn jammer en ellende,
en vergeeft my alle mijne
ſonden.
O Heerſchapper Heere / Wanneer De ge
rechtige tot u roepen / fo verhoort qu het /
Wanneer fn tot u genaken fa ontfangt gu hen/
qu zijt nabp die / die eens gebroken heete zijn)
qp vertrooſt die / die cen verflagen gemoedt
hebben. Dat offer dat boor ugelt/ ig cen
gebroken Geeft / een gebroken en verflagen
herte en fulc ap niet verachten. Gp bebt upt-
gefonden uwen fievenDoone/gefalft met uwen
13. Beeftjam Den eltendigen te pzediken / de gez,
bzoakken Geeten te verbinden / te verkondigen
den gevangen verloffinge / den gebonden een den / alle Die van mp
quijtſcheldinge en unt te roepen eeu genadiah
jaev des Heeren / te trooſten alfetreurigen / te
beforgen de weemoedigen tat Sion/ dat hen
vercieren voor aſſchen / en beeuchden-olíe boog,
treurighend / en ſchoone Kleederen boor eenen
bedzoe den dBeeft gegeven Werde/ deſe Verz
koansiht verloſſinge al den genen/ die belaft
en beladen zijn / en met getrouwe heeten tat
hem komen. Wp noodet alle dorzſtige tot den
wateren des Levens / alle onfe ſonden heeft
hu gedragen op dat haut in fijn lichaem / ende
one ſchult heeft hu met fijnen bloede untge⸗
wiſcht / gelijck Moſes te boren met den
Schaduwen ende Weelden repnigde/ Wan
neee hu dat onrepne Iſrael met Dat bloedt
ban Gſſen en Bocken / en met de Aſſchen der
Jonger ooder Hoe befprengede : Worde ook
î der Wet met bergietinge des bloeds Lu nae
alle geeepniat / was nu dat figuerlijke bloede
ban alfilker fwacht/ dat't tot reyminge des
bleefcheg heyligen konde / hae vrel te meer
Dandat remie bloed uws lieven Soons / Die,
Wooꝛds bzunken / en in hooger weerden hou⸗
den) dan Bat diere bloed uws Soons alleene /
die mn van u geſchonlien is / en mp ellendig
Sondaer upt enkele Genade en liefde van De zPer.:.1t.
pdele Wandelinge mijns voozleden Lebens
barmbertelijk gebrijt heeft. Pierom O God
Det waechepd bp den welken geen leugen ber > ze,
bonden en is / gedenkt de woorden uws 7 —
pheten / díe hp in uwen naem geſproken heeft /
te weten / í$’tDat de Godlooſe hem bekeert
ban alie fijne ſonden / die hp gedaen heeft / en
hout alle uwerechten/ en doet recht en Wel /
ſo ſal hn leden en niet ſterven / alle fijn obers
tredinge Die hp gedaen heeft / enfal niet ge⸗
Dacht worden. O mijn God en fiet niet op mp/
maer op u ecuwigen — Jeſum
Chꝛiſtum / dien gr tot eenen hoogen Prieſter
over u huns geſet hebt / op den vzeden rijcken
koninti uwer gerechtigheyd / Die geen begin
Der Dagen noch epnde des levens qehjadt en
eeft) en een hooge Prijfter blijft in Der eeu⸗ Heb.7-3.
ighepd / die hem felven geen eere gengeno⸗
men en heeft / maer hu is van u ge-eufcht en
geordineert gelijk Aaron / die met lupden gez
roep en trauen tot u gebeden heeft / en ig ban
u verhoort / omdat Ip u ín eere hadde / om
fijven t wille verhoozt mp/ om fijnen ’t wille
ontfangt mp / om fijnen 't wille weeft mp gee
nadig/ trooft uwen bedzoefden Dienaer/ilt en
hebbe geenen trooſt in den Hemel noch; op Aere
den ban u alleen / ontfermt u ober mijnen gro⸗
ten jammer en ellende / mijn ontepn fondee
lijk bleefch quelt mp / mijnen booten aerd bez
tijt mp/ daer beneffens ben ick om uwg
Woods wille een affchouwelijkhept / Dees
geoffer ende fabel voo? allen menfchen gewor:
hoofden ober mp: uptwondig en inwendigh
binde ick geent ruſte. Ick fegge nach eenmael:
mijn fonden beftcijden mp/ mijn ziele is ín
dzoeffeniſſe en ſinerte: Daerom liebe Heere /
en bidde ick niet am goud en ſilver / fn en fallen
(mp bach niet helpen im den dag der wzaken /
ook níet omeen langeleben/ het Wil alle wez
gen den verkeerden weg (u: Maer dat bidde cn
begeere ík ban w alleen uit mijns heeten gront /
dat gr mp ellendig Sondaer aenſchout met DE
genadige oogen wimer barmhertighent / dat op
u ober mijnen geooten nood ontfermt/mp met
uwen 19. Geeft vertrooſt / en neemt weg alle
mujue fonden.
Vers 19.
‘Siet aen dat mijne V yandenfo veel
zijn en haten my met on-
rechten haten.
Deere dee Hepzſcharen / doen ick met
Heb.3. 1
Heb, 5.10.
8
hooren / ſchudden haer zGor4.13:
Ez.7.1g.
hem felven onbevtekt door den eeuwigen Geeſt der Wereld cen was / fp k en Dede ick
*5 heeft / fal reynigen onfe conſcientien als de wereld / en De wereld en beeft mp níet ge⸗
ban den dooden werken / emutedienen: O haet : Maer foo haeft (ft Dat vertoonde Boeck *
ebendige God door de verdienſten Uws bloets op at / hae wel het foet in mynen mond was / lok. 15. 18.
ontfangen wp de quijtscheldinge onfer fonden/ {gE ſeer bitter in —5— upck geworden /
alleen na den vijfdam uwer Genaden / fa met want het wag vol geſchrenen met ach/ kermen
Dat bloed fiing krups heeft ho acvzedigt alle die en twee. Doen ick De we teld diende / heeft de
op %erden en in den Perel woonen / bekenne wereld mp geloont / fi hebben mp alle gepre⸗ |
Daerom baorulice Heere / dat ick alderdin⸗ fen/ gelijk De voorvaderen Den balfchen Pro⸗ ||
gen genen middel en hebbe / noch en kenne te⸗ pheten deden. Maer nu (k De wereld met eert,
gren mine fonden noct) werk / nach berdienfte/ Godlijke liefde / hate falighend ende welnaert
noch Doope noch Avondmael (hoewel alle an heeten foekke/met u Henligh Woozd — |
He.rt. 23»
xPet.n 3e
Ep.2. 12.
Lx. 2. 8.
C.l.a.i 3e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
174 Meditatie op den XXV, Pſalm vers 20.
ne / leere / ende beſtraffe / ende haet op den gez | ick dan mijn Heere met wine onuptſprekelhe
keupften Chriſtum Jeſum wüjſe / is fr map | Klare woort en met Der opdeninge uws Soons
De Wereld tot eenen zwaren krups / endeenkel galle ge- | beweere wie lan rap Dan beſtraffen en met det
—— Ere worden / fo vpandlijken ban haer gehaet / dat waerhent obertungen / dat ick cen vervoerder
Bod lief níet alleene ick / maer oolt alle Die mn liefde | ben? Heert uiet de gantſche Schrift dat Chyi.
hebben. _ batmbertighepd en gunſte bewijfen / aen fore \ ſtus de waerhepd is en eeuwig blijben fal ? Is 1oa. 14.2
mige plaetfen op banden endé dood wachten niet de Apoſtoliſche Merke, Die rechte Chziſte⸗
moeten, lieve Heere / immers ben ilt er⸗ lijke Kerke / wo weten dat alle menftielijke lecs
er dan openbaere Dieven en doodſſagers bp | ce ſchunm en kaf is / ende dat Antichziſtus de
aet geachtet/ ben ick niet alg een verlaten | eere Chriſti verwoeſt ende vervalſcht heeft Ear 22.
Schaepiten / Dat ín De wilde Woeftijne deſer waerom haten fa my dan Dat ick De vechte vepns let 39
werelt van alle grijpende wolven na gejacgt / | ne leere Cheiſti en fijnder Apoftelen in cepnen
benaut / en in den dood gefocht wort? Wen | pber onvervalſcht Heere en boordzage? hatet
ili nictalgeen deſperaet ſchip in de Diepte det | doch niemand Antie heiſtus tegenpartijen, dan
Zee dat Maſteldos / Zeploog / Foerloag/ ban | Die / die fijn leden zijn. Wad ick Chziſtus
alle herde Winden en ſterke wateren gedzeven | Woozd niet hoe geerne Woude ick dat geleerdt
lerra.r. wozt? Wijn bleefch hadde bna gefent / ick | zijn / want ikk foelt 'tmet vreeſen ende beben /
— ben bedzoogen / dewijle ilk dat ongerechtige immer kan ich hier in niet bedragen wozden /
DEES goekeloofe volk fo heerlijk / vijtt / geluhfaligh | ilt hebbe u heplige waerhend dooz uwe Gena⸗
en ín fo groote cufte en vꝛede beuinde / en Dat | De gelooft en aengenomen doo? uwen Gepligen
de Godvzeeſende ſo veel honger / dorzſt / bez | Geeft/ alg dat gewiffe Woord uws welbeha⸗
nauthept / en kommer moeten lijden / hare | gens. Meten fal np ook niet bedziegen ín der
wooningen zijn onfelter / winnen haer bzoadt | eeuwighepd. Laet ſe ſchrijven en voepen/dzaiz
ſuurlijſt fp werden berbloekt / beſpot / ber: | jen en diſputeren / laetſe dDeepgen en grootſpre⸗
bolgt / en afg een grouwel en flank ban alle ken / untroenen / vervolgen en dooden / ſoo haer
menfchen gehaet. @ liebe Heere / mijn vpan⸗ | belieft / u Wooꝛd fal triumpheren/en dat Haru
den zijn groot en veel / hare heeten bzullen: | den ſtrjt behouden. Ga ik ben Dies wel ſeker en
gelijtt De Weede Leeuwen doen / haer woor⸗ gewig dat in mee deſe mijne leere die u Woozt
den zijn Doodelfjke pijlen / haer tonge is al- is / in den dage der openbaringe Chꝛiſti / niet al:
tijd tegen mp/ nu wozde ilt een balfche ver⸗ leen Dee Wereld maer oock De Engelen fal aas: vore.
voerder / dan cen berbloekt Wetter ban haer) deelen en richten / en fo ilk alfchoan met mijne
geſchoſden / hoewel ík daor uwe Genade níet | lieve mede-bzoederen in den grond untgeroent /
Gal416. dan de ſterne waerhepd en hebbe. Aldus ben | en alle ban der Verden weg genomen wozden/
il haet doodelijke vnand omdat ickſe op den ſo fal nochtans u Woozd de waerhent eeuwigh
vechten wegbiwijfe / O Veere ick en ſchame blijven.
mp mijnder Leere Boor uwen uwen Engelen) Wyn en zijn níet beter dan onfe lieve medeger
niet / noch wepniger boo? deſe rebelle wereld) | noten die boog ong geweeſt zijn / evenwel ſuſſen
want {lt weet waerachtig dat ick uwe Woord | fp nach eenmael u hand berdeffen/en mogelijk
leere. Ik en hebbe aller Dingen niet geleerùt | ce laet ſien / in wien fp fa tprannelijckt gefielen Ap uj.
Cora.iꝛ Dam een waerachtige bacte/ affterbinge ons | hebben. @ Heere) met hoe onrechten haet hac
ſondigen bleefchs/ en Dat nieuwe Weven dat | ten ſy mp/ wien hel ich met een Woord beron-
upt Bodt is / ict heb dat waerachtiah vecht | gelijkt Wien hel ilt in eenen pennink verkozt?
Geloove geleert aen u / eu agen uwen beminden | Wiens gout of ſilver / koe of kalf / oſſe of efel heb
Sate / dat et doo? de liefde dadig en krachtig dk begeert Ick hebſe lief gehadt met vernder aa. 34.
züijn ſal / ich heb Chriſtum Jeſum geleert ende liefden tot in den dood / u Woorzd en wille hels ikk
dat die gekrũnſt is waerachtig God en menſch / | fe geleerd en den weg der ſalighend met groo
díe boor allen tijden onbegrijpelijk, onuntſpre⸗ | ter neerſtighend doo? uwe genade aengeweſen.
Ketijkken onbefcheijvelijk unt u geboren is uwe | Daerom fijn mijne branden ſoo veel / en haten
eeuwige Woord en Wijshend /t fchijnfel umer | mp met onvechten hate, -
heerlijkkhept ende dat umtgedzukte Beeld uws J
wefens / en dat hp op fijn vervulden tijd door er
De fvacht uws 1. Geeft in Maria de onbe- | Bewaert mijn ziele, en verloft my, en
ee 7* rn feel en — ‚| laet my niet te ſchanden worden,
een ſienlijk / grijpeliſt / ende ftecflijk menfche 4.
geloosd (8, Adam en fijne kinderen allee want ik betrouwe op u.
dingen gelijkt / uotgenomen de fonde upt dat O Heere Heere / dat Woord Paulí beefchzikt
geflachte of Zaet Abrahe en Davids geboren, up / Die daer fpreekit : Wie ffact / Die fict
geftorven/begeaven/weder opgeſtaen / tenhemel toe dat hr niet en balie. Wie meent, hu fn Wat) cor. ro. 12.
gevaren / en alfaa onfe eenige en eeuwige Booz: | fo hp doch níet en is / bedriegt hem felven/Wwant
Galg.4. ſpꝛzalie / middelaer / voorbidder en berloffer bp | alle vleeſch van uwen Geeft berlat en is / Doch
Matter py geworden / hebben dit riet alle Pzopheten / | aller Dingen blind/ ín Godlijken handelen onz
Apoſtelen / en Euangeliſten Ban Ben beginne | beeftandig. Heel valſch ongerechtig / ja ſonde en Gal.65-
in grooter klaerhent alfa geleett/ ſoo oil ick | daod/gelijks in ín David en Petro opentlijt gez en aard
geerne mijn fchaemte ende ſtraffe dragen / ick merkt hebbe / want doen uwen Geeft ban Dar gacr ist en-
en heb geenen anderen Doop geen ander | bid Weelt / hoe wel hp een fo hoogen Prophet kel onge-
Pachtmael noch geen ander Oꝛdeninge gez was / een man na uwer herten / getrouw ín ek
deert / Dan den warrachtigen mond Des Heeren uwen wegen / waer is doen fijn kupshepdt / fijn OPS
Jeſu Chriſti en Dat openbaer exempel en ge⸗ liefde / fijn dotmoedighent / en de vzeefe fijns
bzupk fijnder Wenliger Apoſtelen / verhael en Gods gebleven? Is In niet een openbaer ober⸗ 2 Reg . 1. ab.
mede Geengt. Gl zwijge noch dat obervloedige ſpeelder / doodflager/ en beroemer ſijnder heer⸗ en 23.i.
bewijs bende der hiſtorien en Geleerden / Dee lijkhent geworden? Tot dat hem uwen Hepli⸗
eerſter en tegenwoordiger kerken. Nademael gen Geeft weder dooz Des Peopheten Woord
ver⸗
Ap.17.14s
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
berlichte, Dae bekende hp hae doodlijk hu gez
a Reg 12.9;fOnDIGt/ en hoe fattelifks Gp soor u gehandeit
Mac, 16.18, hadde. Deffelven gelijk oon Petrus / die uwen
leven Sone Chriſtum / niet door vieeſch ende
blaedt/ maer door den Geeft uwer genade vecht
bekende / eenen fteen ban Eheiſto genoemt / wů⸗
De met Chꝛiſto in de gebanneniſſe ende doodt
gaen / de beefoeftinge quam / u wen Geeft week
ten Wepnigh ban heim / hu en Geeft niet een
Mat.26,er. Waogdekken ban eender Maegt kunnen dragen.
Luce za. 6r Hn verloochende Cheiſtiun ende fwoer dat hu
hem níet en kende / maer fa haeft Chriſtus op
hem ſag / en uwen Geeft weder qnam heeft hu
fijnen bal bekent / bitterlijſt geweent / en Chei⸗
Actor.r. i5. ſtus naem opentlijſt gepzeditkt ander alle vol⸗
5-30 kKien / niet achtende/dat ’et hem met gevanlieniſ⸗
fe/geeffelen/Deepgelijke woorden fengelijk verz
boden Worde. Wu heeft Lemmaecdig geant:
woordt / dat hn God meer als de menschen hoz
ten moeſte. Bidde daerom liebe Heere / bewaert
doch mijn arme ziele / die met een fa Dieven ſchat
gekocht is / Dat ik doch níet ban uwe waerhent
en wijlie / want hoewel ík mp nu met Petro wel
Luce 22.34, ſAude laten Dunlien dat ík mijn leven baar u ſet⸗
Rom.8.35. ten ſoude / en met Paulo / dat vn noch dzult /
nach bangighent / nach vervolg / noch hanger/
noch naelithent / noch perijkel/ noch zwaert /
noch leven / nach doodt / noch eenig ander crea:
tuur / van uwe liefde trecken ſoude fa en ben fl
evenwel mijn ſelven nach niet bekent / alle mijn
betrouwen ftaet ín u. Alt en hebbe noch tot den
Heb. 12.4. bloede níet tegen geftreden/hoe wel ilt een wen⸗
Mat. 20.22. nig upt den Kelk uws lijdens gedzankken hebbe /
foo en hebbe (lt evenwel dat onderſte niet gez
fimaekt ; Want wanneer geleden a wr herz
kers en banden / boorgeftelt Worden leben en
doodt / vner en zwaert / als dan fal dat gout ban
thout / dat (vee van ’tficaa / en de peerlen
ban den floppelen vecht onderfclhenden Woz
Den. En berlaet mp Dan niet lieve Heere / want
Rom.s.7. t is wel gefchiet / Dat de ſchoone ingewostelde
Renn. bomen van dat tempeeftigh Stoxn-weder upt
der Werden gevukt/ ende De hooge vafte bergen
Dao? zware aectbebinge Han malkanderen gez
ſcheurt zijn / hadde níet bp na Tob ende Jere⸗
zer dori. Hag de lieve mannen der becdûldighept ín det
Ier. t2.2. Werfaelkinge geſtrunkelt en teven üwen Wille
1Cor.1o 13. gemuemueert * Hieromme lice Heere / laet
Hebe %. mp boven mijn krachten níet verfoclten/want
* gy zijt getvautue en gaet/ op dat ils ín minder
telen níet te fcljande en erde. Ht en bid niet
Booz mijn vleeſch / it weet Dat ’et cenrmael lij:
den en ſterven moet / maer dat hidde (lk alleen /
flerkkt map ín mijnen flrcijt/koamt mp te hulpe en
rCor.1o.13. bewaert mp/mackt mp een uptkomen bp mijn
verſoekinge / verloſt mn/ ende en Tact mp niet te
fchande Worden /Wwant ik op u betrouwe,
Vers 21.
Slecht ende recht behoedet my ,
wantik verwachte uwer.
Peerfchapper Heere @ God/ doen de
Mat. 13.15. O hunsvader goedt zacdt op zijnen Vcher
… gaende) foo heeft ook fijn vpandt als hu fliep /
Dat onkrunt Daet onder gezaent / want doen de
Kinderen Gods boor den Heere traden / is ook
Satanas midden onder haer geweeſt: Waer
Chriſtus komt / daer wil oak de Dunbel haeft
bp gebonden Worden / gelijkt lt ín koste facen
(eplacen)wel gefien hebbe. A heplfaem Woord/
u genadencijke Euangelium / dat de rechte
Luce8. s1.
Iob 16e
mmm en
Meditatie op den XXV. Pſalm vers 21.
175
fpijfe mijnder ziele is / unt welkers Kracht ſn
eeuwig leven fal/ dat foo beel jaren alg een pdel
Fabel en onnutte leugen van Antícljaifto ber:
treden is geweeſt / nu wederom door uwe barm⸗
hertige genade ban ſommige ín der kracht aen⸗ —
genomen / gelooft en bekent werdt. Fu brult £ Petri 5.8.
den Helſchen Leeuwe ín grammigen toom/ -
gaet rondtom haer ſoekende of hyſe verſlinden
konde / en hout geenen vierdag noch ruſte / wel
wetende dat fijn vijf / ende heerfchapppe daer 2 Cor. ur 16
door eenen ondergank en val hebben moet / hy
gebrzunlit fijn konfte ende klocklent/ verandert
bemineen Engel deg Tichts/ die hp nu dooy
uwe Wooꝛdt verloren hadde/ heeft In wederom
Dao? onvepne leere ín fijn Het en ſtri etogen /
en heeft den termen heplfame ſin der Dchaiftue
re dooz be valfche Przopheten en enverftandige
Leeraers ín eenen bleefchelijken en vervoert
ſchen verſtande verandert aenrechtende zwactt
en wapenen / ende Daer mede een wzaekgierig
herte tegen alle werelt / daer tac een openbaer
overſpel opgepronkt met dat gebrupelt Der
Joodſcher Baderen. Dot: een letterlijk Kijk
ende Koninlt / met ſommige andere fchanden
meet / Daer boog hem een waerachtig Cheiſten
ontfet en fchaemt. Maer alle wat gp niet gez Mat. 15-13.
plant en hebt /fal te fchande warden. O Heere /
bewaert mp flecht en vecht in uwe waerhent /
dat fl doch niet gelove noch en leere / dan dat uz
wen hepligen wille en Woordt gelijkfarmig is /
een vecht gelove / een waerachtige lefde / eenen
rechten Doop en Nachtmael / cen onbeſtraffe⸗
lil leven / en een Schriftmatige afſnijdinge dee
geenen Die ergerniſſen met leere of Teven aen⸗
richten / bewaert mp lieve Heere / vooz alle Ket:
tevijen en dwalinge / bewaert mp/fa gp in uwer
genade tot noch toe gedaen hebt / laet mp en
mijn liebe mede-bzoeders u van gantfchen herz
ten ſoeken / beminnen en bzeefen. De oberigheyt
in alle tijdelijke handelen Die niet tegen aBadts „Cshoer-
Woozdt en zijn/ gehoozſaem zijn, Want fucks ser oven.
(fcheiyft Paulus) is aengenaem eu goet voor u/ heyt leert de
bewaert ong vooz deg dũnvels bedzog / Die ong chrift-
eenen anderen Konink naden geeft ſeeren wil / Erm *
dan den waerachtigen konink Sion / Chriſtum Tivam 3.1.
Zeſum / Die met den yſeren Scepter uwes
Wosꝛds over uwen hepligen berg regeert. Die
een Konink alder koningen / en een Heere alder
Heeren (S/gefeten tat uwer vechterhandt in den
Demel / ober alle Dorftendommen/ gewelt /
macht/heerfchapppe/en alle dat genoemt mach Ephet: 1. ze.
worden / niet alleen ín defe werelt / maer ook ín
de toekomende / Dien het alle ander fijn baeten
gedaen is / die alle gewelt heeft boben in den he⸗ Mat. 28. 18.
mel en beneden op der Aerden / dien alle mien Fai 45. 24-
moeten bupgen / en alle tongen moeten belijz °°“
den / Dat hj De Heere is tot prijs uws grooten
Naems. O lieve Heere / bewaert mp (fegge ls)
recht en fleclyt onder u krups / dat ik u ende u
heplig Woozdt ín der aenvechtinge niet en ver⸗
fake/ u Goddelicke waerhent en wille / met gez
vepnfthept/ met leugenen / en met twijffelach⸗
tige dunſtere woozden níet en bedecke / op dat ilt
met allen Heynligen in de berfchijninge uwes
lieben Soons mijng Heeren Jeſu Chꝛiſti dat
beloofde vijk / erve en loon mach ontfangen/dat
wp met gewiffer heeten en bollen betrouwen
uptde belofte uwer genaden Dagelijks hopen
ende verwachten.
S Vers
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
mmm
— —
Mat. 16.6.
Marci6. 7.
iReg. 22,17
Eli. s. 6.
Exod. 1. 11,
Tren. ze Te
Micha 3. 1.
Efai. 5.6.7.
—— — —
Apoc. 2. 22
— ——— —
Pfalm 45. 10.
Ez. 16, I5.
— —
1Reg. 4.16,
Mat. 27. 37-
Plalm 22, I9-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Meditatie opden XXV.Pfalm vers 22,
de ſyreken als Dat beeſt / eergierig / goedtgier ig
bupliſoekig / aertſch en bleefchelijft geſint / en lee:
ren na de luſten ende begeerten der menſchen /
daer en is bp na niemant Die na rechte waer⸗
hept vraegt / en fo Daer pemant is / moet u
rupce Dragen : Dievamme zijn mijne tranen
oger mijn wangen 's nachts en daegs mijn
ziele en kan niet vertrooſtet Worden / geen bes
geerlijke braadt of dzauck en Wert ín mijnen
176
Vers 22.
Godt verlofle Ifraël uyt alle
zijne noodt.
O Heere der Heurſcharen / nu ik mijne fon-
den boog u beleden / vooz mijn overtredin⸗
ge gebeden/ uwe ——— gepzeſen / en
uwe genade begeert hebbe / ſo moet ík oolt met
.David bidden boor mijnen beoederen ; Want
ík fie Iſraẽl berftcopt en dwalende / gelijk de
fchhapen fander herder/en Dat den luftigen Wijn-
berg deg Heeren verwoeſt is / en Fot vertredin⸗
ge aller menſchen geworden is / dat dat uptberz
korene zaedt Abrzahe / dat huns Jacob weder⸗
omme cen engen flabe ín De zware dienſten
Pharaonis in Egupten geworden is. Dat dat
Michea wel nachten bloot gaen / roepen als
de Draken/en treuren als De jonge Strimſſen /
ík magt wel Weemoedelijk met Esdza klagen
en feggen / ons Henligdom ís verwoeſt / onfen
Outacr is vernielt / onfen Tempel lendt tet nez
der / onſen falter houdt op / onſen Lofſanſt
zwijgt ſtille onfe vroljlihent en ig niet meer /
heerlijke geflachte Juda / met alle Geplige ba: | Dat licht onſes KRandelaers is uptgebluſcht /
ten weg gevoert zijn ín Gabplonía/ en worden de Arlie deg Verbonds is gevooft / onfe Hepli⸗
ban Belt-zazar / met fijn confortten klager gen fijn beſmet / uwen aem Die over ons gen⸗
lijkt mishandelt en migbzupht/dat Jeruſalein | geroepen is / is onthepligt / onfe kinderen heb⸗
dat lieffelijhe geſichte des breede / Die een Dup- | ben verſmaedhept geleden / onfe Prieſters zijn
ve vergeleken was in eene ommenfchelijke ber | verbrand / onfe Leviten zijn gevangen / onſe
finder fche des onfchuldigen bloeds / en ín cen | Maegden zijn gefchend / onfe Prouwen zijn
beefcheurende Heeuwinne verandert is. Die verkracht / onfe gevechtige zijn weg gerust /
Daer was een Dzouwe der Wepdenen / een ſtad ouſe Klepne Kinderen zijn beloten / onfe Kous
des grooten Honinkg / heel Koninkilaag/ / Boz⸗ | gelingen dienen / onfe ſterke zijn zwakt gevaorz
gerloog/ muerloos / alg een eendje woeftijne den / Sion is berooft ban haer heerljkhent / en is
deworden is. Dat den Tempel des Heeren /dat | gelevert nde handen Landen geenen Die ong
Pups des Gebeds / in welker billijk den vechten | haten. O Godt / O Bodt verloſſet Gfraëlupt
&odg-dienft gefchieden foude/eenen openbaren zijnder noodt / fiet aen onfen zwarten jammer
Roort-kuplen hol der Leeuwen / Bepren/
Wolven; Baſelisken / Dzaken en Serpenten/ | Hact fog unt Den pferen oven Van Egppten :
cen Pups aldert Afgoden / ja een hoeracheigh | Kept upt dat lande der Chaldeen / laet de Hep⸗
bedde des Overſpeelſters Gefabels geworden | lige Stadt weder bouwen op fijn oude hooft-
is. Dat de Bzund Cheiſti de heerlijke bouwe) , ſtede / met mueren en poorten / laet repareren
die met menigerlen bercierfel ban beefchepden ' den berballen Tempel/ welkers ſteenen bertrez
gaen den Vonink ter eeen opgepzonkt wag/ | den leggen op allen ſtraten vergadert uwe
gantſch en geheel ín een ſchandige — veran⸗ | Berdwaelde Schapen / ontfanget uwe weder⸗
dert is dat de Acke des heeren / de heeriijkhepd , keerende Pzouwe die foo qualijken met den
Iſratis van den Philiſteen gevangen is / en is beeemden Boelen gehandelt heeft. O Godt
mondt gebonden / it magh met den Propteet Micha 1. 8.
want boog de plage Iſraẽls en is geenen raed / «rra. zo.ars
en ellende met De oogen uwer barmbertighent: … ,
Pfalm 51. zaé
Ioan. 4. 35e
gevoert ín den Tempel Dagon. Wat wil
vrel klagen/guda is Babnlonia / Canaan is
Egypten / en Paleſtina is Sodoma geworden /
en de konink alder eeren / Chriſtus Jeſus / eeu⸗
wig gebenedijt wordt dagelijks alg cen ontij
fe boog eenen Dot gereltent / en alg cen dwaes
befpot. Sijn heplige Apoſtelen / de liebe getun⸗
gen uwer Waerhepd/ moeten met haer leere
als feugenaerg Wijken boor alle menfchen,
Synen gebrepden rok / Die de Schaift niet en
woude gebzooken hebben / is in bier of ín bijf
deelen verſcheurt. Antichziſt domineert in alle
Tanden met feugen predilien / en met gewelt
odt uwe Woord verſmoort / ikt reyſe in het
Ooften of Weften/ Zunden of oorden / ik en
bínde allenthalven niet dan enkel wederſpan⸗
nighent / verlieerthent / blindthept / gierighent /
hooamoet / een gulſigh eten en ſunpen / pracht
en pzael/ haet / nijt / en Godlooghent op allen
plaetfen / ikk vinde (fegge ik) gewelt en balfche
ſeer / en een onreyn vervoeriſch gebaunk uwer
Sacramenten. Ak vinde ober alle De Wereld de
tpcanmen geweldig/ fortſich en triumphig ín de
hoven van alle vorſten. Ik vinde Dat De geleer:
Iſraẽls / ſchept in ong een reyn Herte / dat na
uwe gebenedijde Woordt en wille begeerig ís,
Sendt rechte Maeners ín uwen Oogfte/ Die
Dat rijpe afſnijden en Vergaderen tot bequa⸗
met tijdt / rechte Bolwerlters die ong leggen
eenen goeden gront / op dat in Dat laetfte der
dagen u hus maah heerlijk worden / en uptz
fchijnen boven alle Bergen / dat beel bolken za: . 3.
daer toe lopen maogen/en ſeggen: Komt hier / Micha 4. 2.
en laet ong op tot des Beeren Berg gaen / tat
Dat hups des Gods Jacobs / dat hp ons fijne
wegen leere ; en Wop op fijne paden wandelen
mogen / Dat wy ín zede en banhept onfer con⸗
fcientíen boor u mogen dienen ons leef-dage /
onder De Badbseefende Overigheden / en ons
ſtraffelijke leeraers / met eenen Chriſtelijcken
Doop / waerachtig Avondmael / Godſalig Ie:
ven / en rechte affnijdinge/ op Dat gp ín ong alg
ín uien lieven Ginderen ín rechte Kracht
moogt ge-eert ent geprefen Worden eeu welijk /
dao? irwen lieven Sone Jeſum Chriſtum on
ſen vg / den ſelvigen metu/ DO Heere Daz
der / en uien Wepligen Geeft zu prijs en eeu⸗
wigh rijck AME B,
EEN OKER RE
ONDERWYSINGE
UYL B.E:&
_ HEEREN WOORD,
Vande Geeftelijke Verrijſeniſſe, ende Nieuwe
of Hemelfche Geboorte.
D O O R
MENNO SIMONS.
Apoc. 20,
Salighen heylighis hy, dieeendeel heeft in de eerfte Verrijfenife,
over alfulken en heeft de tweede doodt geen macht,
1 Corint. 3,11.
Daer en maghgeen ander Fondament geleyt worden ‚dan dat ‘er
gelet is, ’t welck is Chriftus Jeſus. |
Gedrukt in’t Jaer onfes Heeren, MDCL XXXL
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
m e
3197 B 28
Rl
„al
|
|
|
|
|
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Eph. s.
Eph.4.
Romé,
Col.3.
Col.3.
PL3o.
LA RK B
ONDERWYSINGE
Ee eK
HEEREN
D E S
WOORD.
Van die Geeftelijke Verrijfeniffe.
N Mende Chꝛſſtus fat u verlich⸗
— ij ten,
LS: De Schaifture doet ons
‘ NY en wijfinge ban tweederlen
NG) AAC W sexhfentfen / te weten:
aat Lichamelijke, ban den doot
des Lichaemg ten jongſten dage / en Geeſte⸗
lijke / upt den daad Der fanden tot een nieuw le:
ben Des gemoedg.
Hoe nu Die menfche Geeftelijcken dat Tig⸗
chaem der ſonden dooden en begraven fal / en
bezijfen / en teeven der. gevechtiahent Gods ;
bat bewijſt en tungt ang de geheele Schrifture
aen allen plaetfen.
Paulus vermaent dus en fept: Saleat nu
af na der eerſter wandelinge dert ouden mien:
fche /. Die Daoy luft der dolinge verderft. Der
nfeuwt u ín den Geeft uws gemoeds / en doet
genden nieuwen menfche/ die nae Godt ge⸗
ſchapen is / (oprechter gevechtighepd / ende
hrnliahenD. Treckt Den ouden menſche met
jnen werken upten trekt den nieuwen aen /
Die Daer vernieuwt Wordt tot det kenmiſſe nae ! ben
gelijken Beelde des geren Die hem gefchapen
beeft. Doodet uwe aerdſche leden / Ec. Nu
en verrijſt niemand naden Tichaem van den
Dood / ha moet eerft geſtorven zijn / en Wozden
eerft fielt en krann / cn lijden pijne en droef⸗
feniſſe in den lichame / tant den Hood des
vleeſch bitter eit zwaer is: Alſo en mag dock
Geeſtelijck niemand van den dood der ſonden
opſtaen en bescijfen/’ten zp dan dat ha dat
ſondig lichaem gedood en begraven hebbe / en
neen ſmerten en Der fonden laft gedragen
jebbe / Dat is berauwe / mishagen / leetwe-
fen / dzoeffeniſſe om Det ſonden wil geſmaelit
en geleden hebbe / fo ig de Schrift getupgt.
David fent : Heere en ſtraft mp niet in uwen
toomme/ende en kaftijt mp niet in ugtamfchap/
Want we pijlen fleken in mp / en uwe hand
Dacht mp. Daer en is niet geſonts in mijn
lijf vaa? udepgen : en daer en is genen vzede
{mijn gebeenten Hoog mijne ſonden. Want
mijn misdaden, zijn ober mijn, hooft gegaen/
gelijcit eenen zwaren laft zijn fp mp te zwaer
gewaden. Mijn wonden ſtincken en vloepen
ban etter / aunt mjnder dwaesheyt wille. Gli
kronune ende bunge mm Geel feet : den heelen
Dag gae ick treurig henen. Want mijn inge⸗
want is heel verdorben / en niet geſonds en ig
aen mijn lijf. Ik ben al te fcer geſtooten / en
geflagen : ik huple ban ontufte mijns herten.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ES Hecht op op Die Daer flaept/ Heere boor u is al mijn begeerte / en mijn ſuch⸗
VE (N en ſtaet op ban ben dooden | ten en ſs u niet berborgen. Min herte beeft
mijn kracht heeft mp verlaten / en ’ licht
mijner oogen en ís bp mu niet.
Weeft ellendig —— Jacobus) en dzaegt lec· ·
cou / en weent / u lagchen verandere in wee⸗
nen/ en uwe breugt in dzoef hepd. Paulus
fepd: gu zijt Godlijck bedzoeft gewogden tot
berouw / want de Bodlijke droef hepd Werkt
tat der ſalighent eenen rouwe / die niemant en
berouwt / maet Den vrouwe ban deſer wereldt
werkt De dood. Siet/ dat gp Bodlijck be⸗ 2Cor.7.
droeft zijt geworden / hoe grote neerftighent
dat’et in u gewzocht heeft/ daer tae verant⸗
woordinge / onwille / vzeeſe / verlangen / bez
geerte! waalte / Ec.
Diet aldus moefte top met Cheiſto der ſon⸗
den ſterben / fouden Wp met her lebendig ge-
maekt moden ; Want niemand en mag hem
met Chriſto verblijden ha moet eerſt met
Chꝛiſts den. Want Dit 18 een ſelier wood Tim.
(ſeyt Paulus) zijn wy mede geſtozven fa ſul⸗
len Wp mede leben: AS't dat Wp mede lij:
den/foo ſullen Wop mede heerſchappie hehe
Defe Bewijfeniffe beflunt in haet Die nieu⸗ ret
we Creature / Geeftelijctte Behaoste / en de
Hepligmakinge / fonder De wellie niemant den
Heere fien enfal: Dat betoont ons Paulus
met koete woorden / ſeggende: Fn Theiſto Ge!.6
Jeſu en gelt beſnijdeniſſe noch onbefnifdenifFe/ °°“
maet cen nieuwe Create. Item: Gs ’er
iemand in Chaifto Jeſu die is cen nieuwe
Creatie. Het ude is vergaen / fiet/ het
ig al nieuw geworden /Ec. En dit ig de eerfte Cot.s-
Dezrijſeniſſe want (8’t Dat top hem fn ge⸗ Roms.
griffet zijn Doop De gelijkenifte fijns doods! dat
is / Door doodinge Der ſondiger aerd en nat uz
te Des gerdſchen Adams met alte fijne leden /
of quade luften/ foo fitten wa oak der verri⸗
ſeniſſe deelachtig zijn dat wetende / dat onferi
ouden menfche met hem gekrupft moet we⸗
fen / op dat het ſondigh lichaem byere en den
techten Sabbat in Ehio houde / door af- col..
leggingen des ſondigen liichaems in Den blee⸗
fche beſneden zijnde met de befnijdinge
Chꝛeiſti / Die fander handen gefchiet/ begra-
ben zijnde door dat Boopfel / int Welke San
aol met hem verreſen moeten zijn boor ’t Ge⸗
oobe dat Bad werkt / aflatende ban alte wer⸗ car,
ken Des vleeſchs / gedzeven zijnde daor den Roms.
Geeft om baogt te brengen De bemeten Heg Pera
Geeſts / om boogtaen niet meer Der fanden
te dienen / Wetende dat ‘ct genoeg zy Dat won
den
Gale.
a2Cor.s.
Gen, r.
Ioan. 3.
loa,3,
Rom8.
1Cor.s,
Eph.a.
Col.t.
Rom. fe
Eph.2.
Col. Ie
* pn _ — — en J — — F — = _ : acne. * — 3 > $ —
== — — — 2 — E — Ee — zm S — * —— — — 3 _ rammen > - — we — — — — — — e — En ne = NN
5 ae ke en — * * — — * * — F — — — — — *
7 = ss 5 en _ - n > e „Er * * —— ns = — — ⸗ * e F
m0 — — ———— — nn — N —— ee — — — en — — —— — — — — — ——— — — — — úÜ -
— — * — mn - — _ . pn en — —* e
nn = - — — X nn — F En n = — — — — —* — —
— — — —— — * — — — — — — nen - — — — == — . )
enn — — — — —— * — — —* — — — — —
ol |
= = = 4 ed Ee
J me a ' *
hid
R
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Rom.3,
180
den voozleden tijd deg levens overgebzanbe |
hebben na den Hepdenſchen wille / Daen Wu,
wandelden ín Dertelhepdt / in welluſten / in
Dronkenfchap / in bzaſſerie / in fupperie/ en
ín onbebooglijckte afgoderie/ Dat Wp nu dat
gene dater noch overblijft ín den vleeſche /
níet na der menfchen luſten maet na den
wille Godg fullen teven / op dat Wp daer nac
met Paulo mogen feggen: Ik ben met Chriſto
gelcupft / ik leve nochtans (níet ilz / maer Chri⸗
ſtus leeft ín mp / Want dat leben dat ík leve in
Den vleeſche / dat leve íclt ín Den Geloove des
Soons Gods / die mp lief gehad / en hem felven
boog nm ober gegeven heeft: want hpis daerom
booz allen geſtorven / op Dat Die gene die daer le⸗
ven haer felven niet en fauden leven/ mact den
genen díe voor haer geſtorven en bezrefen is.
_@m nu wat bzeder befchepds ban defe vez⸗
vijfeniffe en wedergeboorte te heben / foo ſal⸗
men weten / hoe dat alle gefchapen creaturen
Doop haer zaed vooztbrengen ende baten haers
gelijkk/en Dat ſelve is geſint / geaert / of genatu⸗
teert upt ſijnen aengeboren weſen / als het gez
ne is / waer ban 't voortgebraght ende gebaren
wort / als Chriſtus fent: wat geboren is upt
Der vleeſch / dat is —— en mag het eeu⸗
wig lesen níet fien. Wat geboren is upt den
Geeſt dat is Geeſt / Levenſen Heede) welke is
t eeuwig leven. Wat nu ban den vleeſche unt
ter aerden doo? bergankielilt zaet geboren wort /
dat is vleeſchelijck geſint / dat is gerts / het
Van de Geeſtelijke Verrijſeniſſe.
ſodanig het zaed is / ſodanig zijn de vzuchten
daer van komende; want hoedanig de menſche Gal.6.
zaent alſodanig ſal hn maeyen: wie nu in den
vleeſche zacpt Die ſal van den vleeſche maepen
erderflijkhent / en beengen de dood-Lzuchten
vaozt / altjds fondigende alg fijn Bader / ban
wien en dooz wiens zaed hj: geboren is / want jen:
Gude Dader dee leugenen iS /en heeft van bes roa s.
ginne gefandigt/ hp en is niet ffacnde gebleven Gens.
in der wacrhept. Wie nu fonde Doet die is upt £ loas-
den dunvel / want de fonde en is niet uytGod /
maer van Ben dupvel / Want wie ſonde doet / die
en heeft God niet geſien noch gekent. En lun
weten dat die Soone Gods daer toe geopen⸗
baert is / dat hp de ſonden Weg nemen ſoude / en
die werken des dunvels breken en dooz ſijnen
doodde macht ſoude benemen / hem Die des
Doods geweit hadde / dat is De dunvel / en dat hp Heb-2:
verloſſen ſoude De gene die daag vbzeſe Des doots
alle haer leven lang tot knecytfchap of dienſt⸗
baechepd berbanden Waren : Want door eens
menſchen ſonde de dood heerfchappie gehadt
heeft ober alle menſchen. Wie ſonde doet die
is een knecht Der ſonden / Die volbrengt deg Rom.s.
geeng wil en Werk dien hj dient / ende wiens loas.
Geeft hem dzijft: Want pegelijk is deg geens
Bnecht dien bp dient of gehoorſaem ig, Get zp Rom.6.2-
| Der fonde tot der dood / of der gehoorſaemhept
tot Der gerechtighent / want wie onrecht Doet / cobz.
die ſal ontfangen dat-hp misdaen heeft. Tot
defen fpzeekt Paulus dat voorſpꝛalien Wooꝛd /
fpzeekst van der aerden) het is begeerlik naaectg | haer lieden bermanende dat fp van Den flaeg
en bergankelijke dingen. Shne gedachten/fijn | eu dood Der ſonden opwakten en vezrijſen fou
gevoelen /ja alte fijn verlangen) aopen en deij⸗
ben íg na aerdſche / tijdelijcke) of ſienbaerlijcke
Dingen / gelijk dat gene daer het van geboren
en gegenereert is.
Wat van vleeſch en bloed gebaren is/ dat iS
bleefch en blaed/en ook vleeſchelijli gefint/ende
bleefchelijkt gefint te zijn/ is een vnandſchap te
gen God/om dat'et der Wet Gods niet onder:
danig en is want ’t en vermaght ookt níet.
Daerom die vleeſchelijk zijn/ en mogen Godt
niet behagen. Want fodanige zijn gantſch doof
en blint/en onwerſtandig ín Godlijke falie:want
een bleefchelijk menfche en kan noch en magh
ban Godlijke dingen niet begrijpen noch ver⸗
ſtaen / want fijnen aerd of nature upt fijnen
aengeboren wefen en is ſüulks niet / want hu
contrarie een Godloos tegen-actd of af wefen
Gods heeft. Want cen bleefchelijk menfche en
begrijpt niet dat deg Geeſts is / immers hu en
mag níet / want hp ban natiwen een kind deg
dupbelg is / en níet van Godlijkier aerd / daerom
en wort oock níet Godlijſis Lan hem begrepen
noch verſtaen / Want fijn wefen na fijnder gez
boozten is een af wefen / een vervbremdinge
Gods / ende en heeft niet ban Der epgenfchap af
aerd Gods / in hem niet gemeyns hebbende met
God/maer heeft veel meet een tegenaert Gods
ín hem/te weten : onbarmhertig / onrecht veer⸗
dig onreyn onbreedſaem / onlijdſaem / of onver⸗
duldig/ongehoorfaem/onberftandig en onſalig /
Ec. Sodanige zijn alle menfcljen na haer eerfte
geboorte en af komſte na den bleefche ban na⸗
turen) aett/ wefen en gemoet. Dit ig den eer:
ften of den ouden Adam / en wort ín der Schrift
met een Woord begrepen / alg ongodlijkt ofte
Godloos / dat is / Die fonder od is / vezre en
bzemt ban den aerd of nature Gods.
Dit ís de epgenfchap deg aerdſchen en Dupe
belfchen zacds/en fijne aecd en bauchten/ want
ben / op dat díe tweede Dood geen macht ober
haet ende krijge / ſeggende: Waeckt op qn die
—* ſlaept / rijſt op ban den dooden / en Chzi⸗ Eph.s.
us falu verlichten.
‚ Wederom contractie / alle Die gene Die bart roa.r.
boben upt God dooz dat levendigeSods woogt Lac. r-
geboren en vernieut worden / die zijn oolt alfog 11
geaert / geſint / eerweſich / en hebben alſulcken
gemdet en toegenegenhept tot den goeden / als
De gene waer af fn gebaert ende voortgebragt
wopden. Wat nude aerden nature Gods of
Chꝛiſti ís / dat mogen wo lichtelijk daor aen⸗
wijfinge der Schrift merken en Weten / want
Chziftus heeft hem felaen ín fijn Woord unt⸗
dzuckelijſi afgebeelt/te weten / na ſijnder aerd /
waer In dat hp Wil dat we hem begrijpen / bez
kennen / en navolgen fullen / en geljkformigh
ſullen zijn/ níet na het wefen finder Bodhent/
fo hm ig dat rechte beeld des onftenlijken Bang) Cols.
en een ſchinſel fijnder heerlikhent /en cen cven- Hebt
1 Tim.6.
/ EK.33. d
daer niemandt toe gekomen en kan / Den zoar.
beelt fijns wefens / die daer woont ín een licht
welcken geen menſch gefien en heeft / nach
geffen en kan/ maer na fijn leben ende con⸗
verfatie of wandelinge biet op Dec aerden /
bp of onder den menfchen getoont ende bez
wefen / in Waogden ende wercken / alg een
Exemplaer ende Voozbeeldt ons voozge⸗
ſtelt om dat na te volgen ende gelijlſor⸗
mig te wogen. Opdat wp diens Wefen in mar.rr.
den Geeft verwerven mogbten / om ban na: P(‚s4-8.85°
turen dat felf De gelijk te worden. Fu fo Woet 5-3:
ons Ehriſtus ober al in der Schrift af ge peor.
maelt / alg dat hy is ootmoedig / fachtmoe: : corr.
dig / barmhertig / rechtveerdig / henlig / wijs/ pad,
…
geeftelijkk / lankmoedig / en lijdfaem / vzeed- 43
ſaem / De falighent / de liefde / gehoorſaem / 2 Cor.4.
en alleen goet / ja het bolkomen aller dingen /
want ín hem is een oprecht wefen. —
it
Col, 3.
ditꝰs dat Beel Gods of Chziftí in den geſich⸗
te des Geeſts / het wellie wp alg ven exemplaer
dragen ſullen / tot Dat Wp dat felfde ban nar
tuuven gelijk worden / ende na het leven unt⸗
drucken. Aldusdanig zijn alle wedergeboren
Gode kinderen gefint / genatuveert/ en heb⸗
ben alſulken affectie ende gemoet: Want
fp aerden na den geenen ban wien fn voort⸗
gebzaat zijn. Ende defe wozden ook / alg die
andere onder een woordt bereftacn ende ber
grepen / als te weten / Godlijſt ofte Godlijke
menfchen/ alg die geene Die Wat gemepus
met hem hebben / eenderlen eygenhent / aert ofte
geftalte en beelde Gods in haet hebben / gez
lijk ons datde Schrift bende des Ouden ende
Pieuwen Ceſtaments rijkelijk betupgt in
veele plaetfen/ ende byſonder tot Den Coloſ⸗
fenfen in’t 3 Capit. daec hp fepdt : Trelit den
ouden menſche met fijne werken upt / ende
trekt den nieuwen aen / Die Daer vernieut
wozdt tot kenniffe na gelijken beelde Des gee
nen die hem gefchhapen heeft; Item: Soo doet
Van de Geeftelijke Verrijfeniffe.
181
williglijken met David aen Godt berplicht en pam 113.
verbonden / om nu voortaen na fijnen gebez
nedijden Wille te lezen alie De dagen haers le
gens, Des felven gelijken heeft wederom
den Duppel met fijnen confoogten / als werelt
ende vleeſch (ontſteken zijnde met grooter NI:
dDighept) een oogloge tegen haer aengenos
men / ende zijn alfoa haerlieden dDoodtupans
den gewozden. Defe ter contravien zijn Det
Sonde ende Dupbel bpant geworden / ende
zijn met haren Prince ende Hertoge deg leveng Actorum 3:
ende Des geloofs / onder Die Waniere Des
vooden Hrups/ tegen alle haer bpanden te >È
belde getogen / aengedaen zijnde met de Waz
peren Gods / omgefchroeft zijnde Lan den
Engel des Weeren / altijt wacht houdende
met geaoter forgvuldighepd/ op datſe niet van
hate bpanden (Die nict en lagen / maer altijt
als beultende Keeuwen omgaen / ſoekende of
fs pemanden verſlinden / krenken of Wonden
moghten) overwonnen en worden. Cn íg’t bp
alſo / dat fp ban haten vpanden Lewaft zijnde /
Apoc. 120
Heb. 12.
ef. 6.
Plali ze
r Petri g.
nmaen / alg uotverkocen Gods Hepligen en \ gewont Wosden/fa en lijden fp nochtans haer:
beminde / cen heetelijk ontfermen / vrien⸗ | Der zielen geen ſchade / en De quetſuere en is
delikhent / ootmoedighept / fachtmaedighent / | Niet tot der Dood / want ſy hebben De falbinge joan. s. an
Gal. 4.
Phul, 2.
Heb. Te
Rom. 8.
Ephef. 4
3 Joan. 3.
Gal. 6.
Rom. 6.
Gal. g.
laumocdighent / ende berdzaegt malliande⸗ Godtg/den vechten Samaritaen en den waer⸗ Luce ro,
cen / vergeeft De een Den anderen / alg pemant
eenige klagte tegen den anderen heeft / gelijk
als Chgiftus ubergeven heeft / alfoa ook gu:
Maer boven al/ foo doet de liefde aen / Die daer
is den bandt der volliomenheyt / en Den vrede
Gods behouden De oberhant in uwer Gerten /
tot den welken gp ook geroepen zijt / in eenen
lichame / ende weeft danckbaer Ec. Mijn
liege Uinderkens / die ik weder met angften
bare / tot dat Cheiſtus een geftalte in u
krijge / weeft alfo gefint / hebt alſulkken gemoet
ín ulieden/alg daer geweeſt is in Chriſto Jeſu.
Want Chꝛiſtus is get ebenbeelt Gods / dat
achtigen Medicijnmeeſter bp haer lieden /
Die haer Wonden Lerbinden ende geneefen
magh/ want ha medelijden heeft met onfe
zwaſihent of kerankhept/ dooz wiens quetſu⸗
ve Wp genefen zijn / Want fp en worden alſoo
nict verwonnen / Dat fe haer geweer en wape⸗
nen van haer werpen / ent alfaa haer lieden gez
vangen geven ont wederom Der fanden
Efai, 61.
Efai, 5 3«
Rora. €
knechten te wozden / alfaa dat de fonde haet Ephef: 6.
weder regeert / en heerſchappie aber haer heb⸗ Phil 4
be: mact ſterk zijnde in den Heere en in Det
liracht ſijnder ſterckhent volharden fp ín den
ſtrijt / tot dat fn dooz hem / Boor den welckten
tun gelijkformia moeten weſen / Want den | fr '£ alle vermogen / alle hare vppanden verwon⸗
genen die hu te Vooren geweten hadde; die heeft |
nen hebben met groter beroemen / ſeggende tat
bhp geordineert dat hu gelijkt zijn foude den | Baten baanden: doot / waer is uien pricliel?
beke fijng8 Soons: bie nu Dat beelde Fefiu | @ helle/waer is uwe victorie? Gode dankſeg⸗
Chꝛiſti gelijkformig geworden zijn / dat zijn
dan Die vechte wedergeborene funderen Gods
ende hebben nptgetrocken den ouden menſche /
ende Den nieuwen Weder aengedaen / Die na
God gefchapen is ín oprechter gevechtighept
ende henlighent.
Defe/ Wanneer fp nu dat beeldt Gods gez
lifkfonnig gewozden zijn / ende unt Godt gez
boren zijn / ende daer na aalt in God Glijden /
foo en fondigen fp niet / Want dat zaedt Gods
blijft in haer / ende hebben de werelt verwon⸗
nen / want fp zijn der werelt gekrunſt / en De
werelt is haer gelirunſt / ende hebben haer
bleefchh gedaodt / ende dat ſondigh lichaem met
Ehꝛiſio inden Doop begraven met luſten en
begeerten / ende en Dienen nu niet meer Der
fanden tot der ongerechtiahept/ maer beef
meer Dev gerechtighept tot henligmakinge :
gende met Paulo: Kof hebbe Bod / de welke
ong de bictorie gegeven heeft dooz onfen Hee⸗
te Jeſum Chriſtum. De Meere (fept Fez
remias) was bp np alg eenen flecken Ficufe.
Daerom zijn mijn Dervolgers onder geval
len / ende en hebben mp niet berwonnen /
3e. Enmet David ſprekende: Gelooft zn
Die Meere mijn Schepper die mijn handen
leert ſtrijden / ende mijn vingeren Krijgen /
niet beweegt zijnde tat dat fb hare bpanden
verſmaden / ende ſeggen: Gelooft zp de Hee⸗
re / dat hp ons níet en heeft gegeben tot ee»
nen roof in haer tanden / onfe ziele is ont⸗
komen / gelijk een bagel den trilt des Doge:
laers : Den ſtrick is gebzoken / ende wp zijn
verloft ban onfe branden / en alle der gener
handt díe ons haten/ Ec. De Heere if nit
een betaelder der geener Die hem ſoeken / lief
Want fn hebben Theiſtum Jeſum gengeto⸗ hebben / en Dienen / gelijkt gefcheeven ffact :
t Cors 1.
Jerem. 20.
Pſalm 143,
Pſalm 123.
Luce te
Heb, «1.
meb.g, — Ben/ ende fp zijn gerepnigt door den Depligen| Diet de eere komt / en fijnen loont is met zeeer 2
Gal. y.
Rom. 6
Geeft in haerder confcientien Ban de Daode hem: ja fijnen toon of foudre / en De gabe
werlien / om te Dieren den levenden God / dooe Gods is dat eeuwigh leben / Dao? Jeſum
den geeft boogtbzengende De vzuchten des Chriſtum onfen Peere/ Want fa an den Deez
Seeſis / wiens epnde ig dat eeuwig leven / Ec, | ve Jeſu Cheiſto dient / ſoo fult gp ban den Hee⸗
Want nu defe (faa boven gefent is) Dupvel / | ve ontfangen dat loon der erffeniſſen / Díe kra
vlees / en werelt afgedankt hebben / en den dienſt ne deg levens / De welke God belooft heeft den
Der fonden opgefent hebben / om niet meet Der
fanden te leven / of te dienen/ foo hebben fn haer
geenen díe hem lief-hebben.
Col. 3.
Jacob. 1.
2 Tim, 4«
Alſo boven gefepdt is / hoe dat alle Creatue
fclven alg getrouwe Dienaerg Godts bzp-|ven haven aerdt en natuure of at
ca
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
182 Van de Geeftelijke Verrijfenifle,
wefen hebben des genes / Daer ſy unt boortel Wie nudes oprechten weſens ín den Geeft/
komen en gebaert wozden / en zijn gelijk ge: | Gemoed / en Werd heeft / Die heeft Cheiftum
ik | aerden eenweſigh alst zaed / waer door ſu Jeſum aengetagen/ en ís hem gelijſformig
| eboren Worden / foo willen Wp nu bier een | geworden / en heeft dat beeld of de geftaite
4 ennig ban der aert en engenfchap / en wer⸗ Gods ín hem / en is Geeftelijck gefint/ van
kinge Des zaeds des Bodlijchen Woods ver: | den Geeft in den Geeft gedreven / upt wiens zoas.
alen / Waer Doop Badde Dader met onunt: Geeſtelhck lichaem/ Beeftelijche vruchten |
peekelijker luſten unt fijne Brund / fijne hep: | vooztgebraght warden / als JF ontepnen fpzíne |
lige Gemeente / fijn Kinderen baert en voort⸗ gende tot mt eeüwigh leven. Want fp zijn
beenat / fijnen beelde / gert / en wefen gelijke | ia Die anderde gebaozte doo? het Wood in
Mat. formig / want fo wanner dit zaed valt en ontz by herten gezaent ban God voortge
3.. fangen word ín een goede aerde Des menschen | braght / en andermael gebaert tat een vrucht
— Daer waſt'et / en wozt gebaert fijns gee | Des levens. Waerom fa ook als kinderen upt
jk ban naturen en weſen / en verandert ende | God geboren met haren Dader eenwwefigh/ een
vernieuwt Den geheelen menfche/ te meten / ban aerd / fin/ ende gemoed zijn / hebbende
Aa gleefchelijk in Geeftelijck / unt aerdfel ín he- | die nature Gods haerg Daders diefe gebaert
Roms. melſch / unt dood in leben / uptangeloobig in \ heeft / wieng gedachten Bemelfch zijn/ wieng
loan. geloovig / het maeckt den menfche faligh / woorden waerachtig zijn / met fout gemengt/
Gans, Want daor Dit zaed worden gebenedijt alle ger | Wiens werken goed en heplig zijn/aengenaem —
heit flachten der aerden. Dacrom (fent Jaco : God enden menfchen/ Want fn heplige Ba- *”
: bus) legt af alle onfunverhent en alle boog: ten zijn ter eeren en den hupshouder borders
hend / ontfangt met ſachtmoedighent dat in⸗ lijcken / ende tot alle goede wercken bez
geplante Woord / dat faligh maah maken quaem.
uwe zielen. Het if ook De cepne augevalfchte | __ Gelijk nu Paulus den genen / die doo ver⸗
1eor.3. melk / Waer doo? die jonge en nieuwe gebo | gankelijk zaed/ upt vieeſch en blacd geboren
Ephu4. ten Gods kinderen mede gefaogt / en gevoed | zijn/ die unt der aerden aectfchh / vleeſchelijk /
worden / tot Dat ſu opwaſſen tot den bolftoz onverſtandig en blind ín Godlijke falicn, jae Rom.6.
men ouderdom Chꝛeiſti. Het is ooch ſtercke kinderen des toorns Gods zijn / beemanene
Heb.s. fijfe voor den volliomen en ouden in Chzifto de is / Dat ſp dat ichaem der ſonden / dat ig /
apet.ꝛ. Sef, Somma / dit zaed Des Godtlijchen |Den aerd / luft en begeerte nac der eerſter ges
| Wooꝛds ig een Geeftelijke ſpijſe waer Doo? gez boorten ín Den vleeſche ſterven / bernieten /
hoed word De geheele menfche inwendigh op / dooden en begraven fuifen / ende daer na doog
Dat hp niet en bergae en verſmachte ín die wil: | kracht des ipemelfchen Zaeds upt den flaeg |
De Wwoeftijne Defer berwoefter wereld / gelijck ‚en dood der fonden herboren worden ende op |
fi alle verſmachten moeten Die dit brood deg ſtaen en bezrijfen fullen tot een nieuwe leven
Godlijken Woords niet dagelijcks en verga⸗ en Wandelinge / Dd? welck is Die cevfte verrijſe⸗
deren / tot verſadinge haerder hongeriger zie: niſſe / feggende : Wacht op gn die daer flaept / Epb.5.
len: want de menſche en leeft níet alleen ban | en ftaet op ban den dooden en Chꝛiſtus ſal
Ben broode / maer ban elken woorde / dat upt |U verlichten: Alſo vermaent ook Paulus al- 1Perr.”
Deut.s, _ Gods mond komt, Waerom ook wel ſaligh len nieuwe wedergeboren God kinderen /
Mats. · s de menfche/ Die luft ende honger heeft tat | Die dao? dat eeuwig blijvende en faligmakende
Befen Hemelſchen broode / en dat ingeplante | Gods zaedin haren finnen en gemoed veran
Wooꝛd ontfangt en bewaert / want het fal na | Dect / herboren en vezreſen zijn/ dat fp nu
Matts. ¶ fifnder aecd tat fijnder tijd hondert fout bzuche ( Bodlijck / Geeftelijek / en Hemelſch gefint
ten voortbꝛengen. Want gelijk als den tegen ſullen wefen / en na Hemelſche onbergancke:
en ſneeuw ban den Heuel af komt (fpzeeckt ljfte Dingen verlangen / foecken en begeeren
E&ss. de Deere) en derwaerts níet weder en keect/ ſüllen / en nu haer heete wefen fal daer haren Lu.ra.
maet maekt Die aerde bocht en vruchtbaer / Schat is in bet Wemelfche wefen / en haer Fph-r-
en gtaepende / Dat fin zaed geeft te zaenen / en converſatie in den Wemel als mede Borgers
bzood te eten: Alſo faloock dat Woord dat der Hepligen en {upsgenooten Gods / feq:
Up mijn monde komt niet ledig weder tot nm (gende tot haer: zt gp nu opgeftacn met Cel3-
komen / maet het fal mijnen wille doen / en Theiſto ſoo ſoecit dat daer boven is / daer
het ſal geluckelijk zijn / in het gene daer ik't toe | Chriſtus is/ ſittende ter rechter hand Gods:
ſende. Smaekt dat Pemelfch is / en met dat Aertſch
end
is / want qu zijt geftorven / en uwe teven is
Siet / dit is den aerd / epgenfchap / en wers
"Per Kinge des zaeds des Woordg Gods ais dat | verborgen met Chzifto in Cod. Als Chꝛriſtus
Die ons leben is / hem openbaren ſal / dan fuit
Aij —— — * * — Cree ij ed zaed /
e weten / Dat levendige Woord Gods / dat gn eockk met hem o enbaren ín dee heerlijck⸗
Daer eeuwiglijk blijft / bernieuwet/ herba- | hepd 9 Ë Den
| / pd.
ren / gehepligt / en falígh gemaekt worden / Hier haozt men nu ook hoe dat die weder⸗
en worden met een gelijke kracht ban boven
geboren Gods kinderen / die nu met Chrifto
Lu.24. neder gedaelt / aengedaen / en met den Pep: Jeſu ban den dooden opgeftaen en ——
—— ligen Geeſt overgoten / en alfa met Bod ber (zijn / en nu met Chꝛiſto Jeſu leben / contverz
ezen eenigt ende vermengt; dat ft der Godlijker | fecen in ’t Hemelſche wefen / en fchifnen voor
Colo, * Aerden naturen Ddeelachtig Worden / en Den | der wereld niet meer. te leben / want haer Ies
Apt. beelde fijns Soons gelijkfarmig wozden / die | ben ig ín od verborgen / gelijk Sint Jo⸗ loa..
Rom7. daer is de eerftelink onder die wedergeborene/ | hannes fent/ won zijn nu Gods kínderen/maet |
en Der gene die nu met hem vezreſen zijn unt |’t en is noch niet geopenbaert Wat ton zijn
den flaep en Dood Der fanden / om boort niet ſullen. Haer won weten als bn openbaren
meer te Dienen ín Dat oude wefen Des Hetterg/ | fal / dat wo hem dan gelijk fallen zijn / want
maetom haten od te dienen ín een nieuwe | Wp fallen hem fien gelijkt hp is.
wefen des Geeſtes. Met deſe dooozden en deſer gelijke / die te
lan⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Heb.2,
Rom.6.
loa,r.
Ap.5.7 19.
Ez.9.
Ap.7.
Eph. s.
Web. 12,
Eph 2.
4&E{d.2.
Ap.t4.
loa.ro.
Jac.r.
Eph.s.
1Pet.2.
Apo.
aCor. se
lange zijn om te verhalen bn Schriften / ver⸗
Maent Die Schrifture den vechten nieuwen gez
borene /en nieuwen vezreſenen dat fin haven
fallen (meen nieuwe Godfaiige wandeiinge /
want fofe Chpiftí deelachtig geworden zijn /
Dat fa dat begin zijns wefens tot aen dat enn:
De toe vaft Gebonden ſullen / op dat fp door bez
— bet ſonden / en daor een arch herte des
ongeloofs niet weder af enn treden Lan den le
Kender Godt / maer volherdig blijven als unt⸗
Verkoren Gods kinderen / om ce ber erven dat
rijli haers Vaders / om alfa ín eeuwighend te
dommineren ín ’t hemelfche wefen / over fan:
De /Dood/ duvel ende helle/ en alle vpanden
Des Nijlis / Die ſy daar Chriſtum en gelijk met
Chꝛiſto overwonnen hebben) als ſtrijdbare
Keuſen / dacrom fullen ſu oacht met Cheiſto
ſitten aen de Cafelen deg Heeren / en eten dat
Bꝛeood / en Dzincken den Wijn mt Lujkte Der
Hemelen / gelijk Chriſtus verwonnen heeft,
en fie met fijnen Dader in fijn Wijhe / het
wellte haer berend ig alg een Wel geboude ſter⸗
ke ſtadt / ben ban alle ſorge der bpanden / vol
Ruſte ende dD;ede / vol Levens en Dzeuchde.
Want fn eten daer Ban den houte des leveng /
Dat midden fn Den Paradhſe geplant ſtaet /
Wellen Uuft-hof baar den ouden / onwederz
geborene menſchen Geflaten blijft / ende boor
atlete gene Die naden actd Adams / noch
gerdſch / of bleefchelijk gefint zijn / bie noch
Die waorichaten en middelwanden/ ’t welck |
is / Die de ſonden Voor hare herten Dragen / die
haet Adam gemaekt heeft; Ec.
Dit zijn Die gene Die met Chzifta der fonden
geftogven/ entecht vezreſen zijn / Dit zijn Die
nieuwe gehoren / dien macht gegeven iS kin: |
deren Gods te worden / Defe zijn gekocht unt |
alle Tongen / upt alle atten en dollien. Der,
Van de Geeftelijke Verrijfeniffe.
183
Datalban God / die ons met hem ſelben ber:
| foent heeft door Jeſum Cheiſtum. Dit zijn:
[ | fe/die met Palmen in hare handen ſtaen / en met Ap.s,
roep waernemen ſullen / en volherdig blijven !
witte kleederen aengedaen boot den Throon
Gods/ ſeggende: Benedictie / en lilaerhent /
Len wijsgent / en Dank / cere/ kracht / en ſterk⸗
bent / zp ouſen Godt van eeuwighept tot ecus
wighept/ Amen.
Dit is een kozte onderzichtinge Lan de Beer
felijhe vezrijſeniſſe of nieuwe geboorte / ende
het onderſchept tuſſchen de eerſte en tweede gez
baage/tuifchen De vleefchelijke en geeftelijche)
tuſſchen de Aerdſche en Wemelfche / en hoe
| dat oock een pegelijk na fijnder geboorte ende
af homſte ge-aett of genatureert / eenweſigh
en gelijkformig is deg geeng Daer ha af gebo⸗
tenen gegenereert ig, Want die natuertijke
menſche en is niet De yeeftclijke/ noch wat
‚Ban den bloede geboren ig / eñis niet de geez
flclijke geboozte Gods wat den Hemel / mast
een pegelik geboozce is oprecht fu ſijnen gract/
nature / ende weſen: ſodanig de natuerlijclie
‚tene : ſodanig God is (Die een Geeft ig / en in
|Den Hemel waont ſodanig zijn die geeftelijke
geborene unt dat emelfche wefen: welche
geeftelijke Hemelſche geborene vezre te boen
gaen den vleeſchelijcken natueclijken gebore:
nen.
Hier in / als ín eenen klaren Spiegel / mag
her de menſche beſchouwen / en onder taften
met fijns ſelfs oordeel ban wat geboorte /
aerd / gemaet/ Wefen en nature / leven ende
wandelinge dat hu ís, Want unt defen kan de
menfche met Elepnen acbept hem felben oo:
delen en proeven. Want des menſchen gan:
gen /Woozden / en gelaet / / getungen ban den
menfche / en Den fin Des herten uaelegger bers
meldet eenen pegelijeken / hoedaniah ha fs :
fe hebben haer klederen tot de Beuploft deg Want de menſche kent hem ſelven op ’t al⸗
Hams. Defe hebben dat teeken Chau in ha⸗ derbeſte. Want niemand ban den menfchen :cor.z.
ten voozhoofden ontfangen) daer de knech⸗
zijn. Defezijn de
ten Gods mede geteltent
Geeftelijke Baume Cheiſti/ fijn Heylige Gez
meente / en fijn Geeftelijk Tichaem / vleeſch
ban ſijnen vleeſche en gebeente ban fijn gez
Beente. Deſe zijn tat dat Hemelſche Jerufa⸗
lem / De ſtad Des Icenden Gods gekomin / Die
neder gedaelt is ban Den Wemel. Deſe zijn
geliomen tot dee menigten Lan veel dunſent
Engelen / en tat der vergaderinge Det cerfter
geborenen / Die in den Wemel in geſchreven
zijn / en tat den Middelager des Nieuwen Ce⸗
flamentg Jeſum / MDede-borgers en Pups-
genosten Gods. Dit zijnfe Die den flerflijcz
en rockt af hebben geleut / en hebben den onz
fteeflijken aengenamen / en hebben den Na—
me Gods beleden / die De geboden Gods bez
Waren / en Dat geloode Jefu / Die vechte Scha-
pen Cheiſti / Die fijn flemme alleen hooren / gez
ne anderen kennende / die eerſtelingen fijnder
creaturen / hebbende den Geeft en fijn Chzi⸗
ſti / daerom oackt berftandig Wat des Weeren
wille zu/ ja Dat untverkoren geflachte/ dat
Geeftelijkke en Yoninklijke Prieſterdom / dat
heplig bolckt/ dat bolck beg epgendams/ fn
bootijden geen vollt / maer nu Godts bolk:
Want God haerder ontfermt heeft. Dit zijn
De zielen der Boodgeflagender om het Woozd
Gods / onder den Outaer.
Summa / ín deſen zijn díe oude dingen verz
gaen / fiet / het iß almieuw geworden : Maer
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
en weet wat M den menschen is / dan alleen
de Geeft deg menfchen diein hemis.
Stem / foa beel der nu haet bebinden ín het
pꝛoeven haers felfs na haerder eerſter geboor⸗
ten / in den vleeſche / in haren ſin / verſtandt /
Geeft en gemoet niet verandert / vernieuwt /
herboren en herſchapen te zijn: maer over al
noch bleefchelijk / aertſch / wereldſch / en dun⸗
velſch geſint zijn / ende upt haren aengeboren
aert ende weſen geneygt en untgeſtort zijn tot
alle quaed / díe veroötmoedigeñ haer boor ha⸗
ten God / met Jeremia / ſeggende: laet ong Tren.
onfe Wegen ſoeſten / enn ondertaſten / en ong
tot den Deere bekeeren. Laet ang onfe heeten
t'ſamen met onfe handen opheffen tot Gode
in den Hemel / en feggen : Wy hebben geſon⸗
digt / en boofelijken boor ugedaen / en utot
gramſchap verwekt. act onſe oogen voort⸗
bzengen tranen / en onſe wijnbrauwen over?
loopen met water. En met David: Uomt
laet ong nedervallen/ ede aenbidden onfen PÉlm 54.
God: Laet ong fchzepen boorden Heere Die
ons gemaecht Geeft / hem biddende Dat hu
hem dach níet en Wil verontweerdigen / om fijn
handwerk te vermalien / Dat hn her verweer⸗
dight heeft te malen / te vernieuwen / en herz
fcheppen dat hu geſchapen heeft : hem met Diez
per ootmoedigtept biddende am fijnen Geeft / cor. 12.
Die de Werkk-man is Van allen Defen / en ſeg⸗ PC193-
gen: Meere fend unt uwen Geeft / en fn ful-
len gefchhapen worden / en hj fult —
a et
memſh is / ſodanig zijn die natuerlijke gebo⸗ 1924:
* ree *
EE En
— Nn sd neemen nt 4 — aa
—
tCoxr.
75. 17.
Phil.r.
aPet.r.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
184
het aenfchijn det aevden. Volherdig blijde nde
met midden / ende int verlangen tot haten
God / tet dat fp van beven mer Ber kracht des
Geeft aengedaen / vermaelit en vernieuwt
warden ín haven Geeft en gemoet / ſeggende
als aan met verwonderen ha
is de veranderinge deg rechter·
Alderhoogſten.
ſal Godt ſchenden.
unt ſjnen Hepligen
hp is getrouwe / d
ers felfs: Dit
band Gods des
Des felven gelijken / die haer ſelben in het
onderfoekken bevinden van boben unt God her:
boren te zijn/ en nieuwe Creatucen im Chzi⸗
flo | en eenen Tempel Gods geworden te zijn/
dat nu die felae na Den raed der Schzifture
haer felgen waernemen eu gade flaen fullen /
Dat fa fp nu gewaffen/ gevepnigt/ herboren
en gehenliat zijn / dat ſy haer felven niet Wez
Det durenn enn maken/den Tempel Gods niet
en onthenligen / ontwijen / violeren / en ſchen⸗
den. Want ſo wie Gods Cempel ſchent dien
Maer met een vaſt be⸗
trouwen in den Geeſt tot Godt haren Vader
biddende met Dabid / O God belirachtigt ong,
en beveſtight inong’tfelve dat gp in ons gez
wzocht hebt / en bp fal haer na fijnder beloften
Cempel verhoren. Want
ie dat goede werck ín haer
begoft heeft / Die fal dat ook volbrengen / tot
inden dagh Jeſu Chꝛi
ſtigheyt daer toe (ſpree
ſti. Doet uwe neer⸗
kt Petrus) dat gy in
uwen Geloobe deugt bewijft/ in det deugt
wetenhent / ín dec wetenhept matelijkbhepdt /
ín der matelijkhepdt ljdſaemhendt / en In det
Tijdtſaemheudt Godfalighepdt / ende in der
Gadfalighende broederlijke liefde / ende in Der
bzaederlijker liefde gemeene liefde.
Defe Dingen overvloedelijck bp u 3
Is t Dat
ijn / ſoo en
ſullen fn u niet ledigh noch onvruchtbaer la⸗
ten weſen in der kenniſſe onſes Heeren Jeſu
Christ. Maer Die deſe dingen bp hem niet
en heeft/ die is blind / en taft met der handt
na den wegh / en vergeet De repninge fijnder
boogtedender fonden. Daerom liebe Broe⸗
ders / Doet deg te meet neerftighepdt / om u
roepinge en verkieſinge baft te maken, Ist
Dat qu dat doet / fo cn ſult gp niet ballen / en
alfoo ſal u overbloedelijck berept worden den
íngank tot den eeuwigen Bijche onſes Heeren
en Saligmakers Jeſu Cheifti.
De Godt aller Genaden / die inde laetſte
verrijſeniſſe fijn uptverkoren ín fijn eeuwigh
vól vergaderen fal/
heete) fin en gemoet / Da
díe Wil ons geben alfuliten
t wp dooz een recht
Geloave ende afſterbinge ang felf alfa geheel
ons felven verſalten en te bupten gaen/ dat wy
ín defe eerſte vezrijſeniſſe (Daer hier ban geſept
is) een deel moghten krijgen. Wellie bezrijz
feniſſe níet en geſchiet ín opſtandinge Der lig⸗
chamelijclier daod/ gelijck geſchieden fal in
de tweede verrijſeniſſe cen jongſten dage / maer
alleen ín dat ſterven / dooden / en begraven
deg ſondigen lichaems / Dao? aflegginge en
afſterbinge deg ouden levens / en vezrijſen / en
vernieuwt te worden ín een nieuwe Godſalige
wandelinge / Amen.
Van de Geeftelijke Verrijfeniffe.
Concluíie,
H Jer hebt gy / goedtwillige Weferjeen kleyn
ondezrichtinge van die eerſte of Geeſte lij⸗
lie Dezrijſeniſſe / vpt den dood of flacy der ſon⸗
den op te wecken en te vezrijſen / om boortaen
ín cen nieuw Godſalig vroom onfteaffelijk les
ven te wandelen / na den erempel en voozbeel⸗
de Jeſu Chziſti: alg ong de Schijt in mee
nigevlep plaetfen aenwijſt / en hier aol eene
deelg verhaelt is. Want op deſen Chriſtum
wijſt ong de Dader van den hoogen Hemel
ſelbe / en fept: Dit ig mijnen beminden Sos
ne/ ín den welken ick een goed behagen heb⸗
be / hem fult:gp horen. Wpfept: Dem fult
gp hooren: En Maoſes getupgt ban hem met
klare woorden / en fept: Gad de Heere fal u
eenen Pzopheet berwectten vpt uwen Bzoedez
cen / mp gelijk / ende Dien fult gp hooren alg
nm, Cn wie Dat De woorden deſes Pꝛopheets
on en hoort / Dieng ziele fal uptgeroept woz⸗
en.
Dus raden en vermanen wp alle menfchen
ín’tgemeen/ fn zijn Dan Lan wat ame /
State / en Conditien dat fp zijn / Dat fp dach
goede achtinge Willen hebben op bes Beeren
Wooꝛd / het wellte op hiet na onfe eenboudi⸗
ge gabe en Klep berftant aengeweſen en voor⸗
gedragen hebben / ick hope door des Weeren
Genade / Dat gp Daer in niet Dan De onz
bedriegelijcke waerhendt Jeſu Chaifti en
fuit binden. Want wp en hebben u bier
níet gewefen op menfchen / noch op feeringen
en geboden Der menfchen/ maer alleen op
€ hriftaam Jeſum / en op fijn Heplig Woord / Matrs-
het welke Gp hier op Aerden nagelaten / en mass.
geleect / en met fijnen onfchuldigen dood ende
dierbaer bloet befegelt heeft / cn heeft dat fel»
be daer na doo? fijne trouwe getupgen / te
weten / door fijn Weplige Apoftelen / over den
gauntfchen Aerdbodem laten pzedilen ende lee⸗ mar.16.
ven.
En wp feggen daer beneben / Dat alle lee⸗
ringe / die met de leeringe Jeſu Chziftí/ ende
ſijnder Apoſtelen niet over een en homt/ het
fchijne dan foo Heplig alg ’t immers fchijnen car.r.
mag / verbannen en bervloekt is: Want fijn Loa-12.17-
Wood dat ig de waerhept / en fijn gebodt ís
dat eeuwig leven. Daerom is onfe bziendelijs
| ke bede en ootmoedige begeerte upt Dat bin⸗
nenfte onſer zielen / Dat op doch deſe Klepne
aenwijſinge / die wp hiet van die Geeftelijche
vezrijſinge en nieuwe geboozte acn den dag gez
bzaght hebben / met berftandiger heeten wilt
lefen / en met de leevinge der Apoſtelen pzoe⸗
ben enn proberen: Uomtſe Daer niet mede ober
een / fo is fp vervloekt : Want een ander Fon⸗
dament en mag niemant leggen/ dan dat ’er
gelept is / het welli is Jeſus Chꝛiſtus.
Hem zy Lof vaneeuwigheydt tot
eeuwigheydt. Amen,
1Cor.fs
E EN
GRONDELYK ONDERWYS,
OG PRK —
VandeExcommunicatie, Ban, Uyc{(luytinge
of Affonderinge
D E R
KERKEN CHRISTI,
Wat fy in der kracht zy, over wat Lieden dat fy gaen moet, en welke haer
principaclfte oorfaken en eynden zijn, &c. Daerom fy ons vandes —
Heeren Heylige Apoftelen, in fijn Heylige Woord bevolen, _
nagelaten , en geleert is. Allen Lief-hebberen des eeuwigen
waerheydts; tot den dienfte des H. Chriftelijken Vre=
des, fonder eenige vleefch , of partie, uyt den gront
| der Heyliger Godlijker Schrift in goeder trgu-
| wen voor geftelt. 5
in DOOR
MENNO SIMONS,
Phil, 2. 3
Zijt eenderley geſint, ende en doet niet door vwift of ydele eere.
1 Corint. 3,11.
Daer enmagh geen ander Fondament geleyt worden , behalven dat’er
geleyt is, de welcke is Chriftus Fefus. ——
Gedrukt in’t Jaer onfes Heeren, NDCLXXXIL
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ep)
8
je)
T
8
O
a)
pe
ij
®
£
‚o
—
%
EE
—
5
G
5
*
5
—
kred
®
E
=|
3
ov
2e
-ô
J
©
v
>
en
8
2
el
®
2
bed
kj
ep)
le)
E
oo
en |
[aa]
Dan
en
0
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
7
(Á
Ep = &
Ne — 3 — 5 zr =l 2 *
— — — ẽ — * Ne ⸗ sr k ner
Se CP 3 an 2
(AAV od \
* NE:
\
VOORREDEN.
B Roeders en Sufters in Chrifto Jefu, het is voor alle rechte Kin-
deren Gods, die van fijnen H. Geeft verlichtet zijn,kennelijken en op@n-
baer, dat dat menfchelijke vernuft mits den ingefteken angel van de oude krom-
me Slange in Adamalfoo verdorvenis, dae’t geheel weynigh gefichts dat tot
der Godfaligheyt leyden kan, in hem behouden heef: ; jae’tis foo ongefchikr ;
hooveerdigh, dom en blindt in hem geworden, dat’etoock des Heeren fijns
Gods Woort ftoutelijk veranderen, buygen, breken, tegenfpreken, rechten
en meefteren derf. Niemants Geeft noch Gave en wijckt, het wil en moet al.
leenlij ken recht hebben , en altemale Gods Woordt heeten, alle wat het dri jft,
leyt, of voor heeft, waer door de Heylſame Waerheyt dan menigmael fware ge⸗
welt, en de vreedſame liefde en heflijke vrede grooten af breuk, fchadeen fchan-
de lijden moet, fo gy fien meugt.
Fentweeden, is’topenbaer, dat ook de tooverfche Geeft van Antichrift de
gantfche wijde Werelt met fijnen grouwel.dranck alfo befchonken heeft, Chriftí
en fijnder H. Apoftelen Leere,Sacramenten,Geeft, Leven;Ordeninge, gebruyck,
Voorbeelt , ende den rechten Godsdienft alfo verftooten heeft, dater gantích
weynigh heylfaems by den menfchen gebleven, en daerom oock dat vervallene
fwaerlijk in fijn rechte ordeninge opgerecht, en weder tot fijnen behoorlijken
gebruyk, daer toe het van des Heeren Geeft bevolen is, gebraght kan worden,
Fen derden, is’ openbaer , hoe de oude Meefter Satanas ‚een erf-vyant Gods,
en onfer alder zielen , geftadelijk rontom ons henen gaet, gelijck een grimmen-
de Leeuween foeckt wien hy verflinden magh , foo Petrus feyt, grijptons aen
door vele verfcheyden wegenen wijfen, fo metde onreyne boofe aerd van onfe
verdorvene quaede vleefch , dan meteen betooverde valfche Leere, ende foetc
ſmeeckende woorden. Nu met Vervolginge, Kruysen Benautheyt, dan met
een ruym wereltlijk leven, en vryheyt des vleefchs, Nu met Rijckdom en O-
vervloet, dan wederom met gebreck en armoede, Somma ‚ zijn fcherpe doot-
lijke pijlen en vieren nimmermeer, vliegen beyde by dagen en by nacht in’ ver=
borgen en openbaer. Wie hem niet met gantfcher ernfte aen des Heeren vrefe
en hout, en magh voor den menigvuldigen aenloop fijnder aenvechtingen niet
ftaende blijven. Jae wanneer men by wijlen meent , het zy al gewonnen, foo
grijpt hy ons noch eerftemael aen op dat alderfterckfte. Verweckt fommige in
eenen fchijn der waerheyt ( die Paulus menfchen van gebroken finnen noemt,
en die der waerheyt belooft zijn) tot twiftenen difputeren, Dier vruchten en-
kel leelijke bittere benijdinge, hatelijke faem roovinge, lafterlijke fcheltwoor-
den, onreyne verftoorde gemoeden, een klaeglijke verfcheuringe des H.God-
lijken vredes,een bedroefde vernietinge der reynder Chriftelijker liefden,een ge⸗
Weldige belettinge der heylfamer Leere, een vruchtbare Moeder der oneenigen
Aa 3 Secten,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
VOOR-REDEN.
Setten, ende een welgebaende platte wegh tot den afval zijn ‚ gelijck wy
in den tijdt des geopenbaerden waerheyts (eylacen ) meer als te veel gefien
hebben. B
Och Broeders zijt gewaerfchout, wederom fegge ick van herten; zijt ge-
waerfchout en wacht u. Want Jacobus feyt‚ dat alfulck cen wijsheyt van
boven nietenis, maer dat ſy aertſch, vleefehelijk, en duyvelfch ss. Want de
wijsheyt (feyt hy) die van boven is, isten eerften kuyfch, daer naook vreet-
famigh (merkt ) vriendelijk, ( andermael merkt ) laet haer geerne onderwijfen
(ten derdenmael merckt ) is vol met barmhertigheyt, en allegoede vruchten;
onpartijdigh (ten vierdenmael merkt jen fonder huychelye; Jacob. 3. Ja mijn
Broeders, waeralfo een vreetfamige,vriendelijke, leerlijke, en onpartijdifche
wijsheyt niet en is; daeren is niet dan eenen gemaekten fchijn des goets; cen
beloftloofen onreyn ‚ en fondelijk gebedt, een ongeftadigh, wankelmoedigh
gemoed, en eenen ongeruften bekommerden fin, vol met onrufte ende twee-
dracht. Men roeme hem ook der waerheyt hoe men roeme, De Heere gunne
ons oogen dat wy ’t fien mogen. |
Ten vierden, is’toock openbaer hoe de gemeente of kercke noch in een
heylfame Leere , noch ineen onbeftraffelijk vroom leven, fonder dat rechte
gebruyk desrechten bans beftaen en kan. Want gelijk een Stad is, die fon=
der poorten en muuren is, of een acker die fonder graven of tuynen is, en
een huys dat fonder wanden en deuren is, alfoo is oock een gemeente; die
fonder de rechte Apoftolifche uytfluytinge of Ban is. Want fy ftaet allen
vervoerifchen Geeften open, allen Godloofen grouwelaers ende ftoute Ver-
achters, allen Afgodendienaers ende moetwillige verkeerde fondaers, ja ook
allen ontuchtigen Schandtdrijvers ; Sodomiten; Hoeren ende Boeven , gelijk
men byallede groote Seêten der gantfcher wereld, die haer vande Kerkeen
Gemeente Chrifti (doch met onrecht) beroemen, opentlijcken fpeuren en
fienmagh: ja watfalmen vele feggen? Mijns bedenkens is’teen {onderlinge
ebruyk, eere , en welvaert eender oprechter gemeenten,wanneer fy de rech-
te Apoftolifche affonderinge in Chriftelijker befcheydenheyt met ernfte leeren
en in een forgvuldige waeckende liefde, na ordeninge der H. Godlijker Schrift
met getrouwer forge waernemen. Is ook meer dan klaer , fo wy niet met vol-
der vlijt tot onfen tijden daer op geleten hadden, dat wy der Munfter{chen en
alder verkeerder Secten medegenooten moeften by alle man geheeten hebben,
daer ’tnu ( God zy eeuwigh prijs voor fijn Genade ) door defen middel des
H.Bans , in vele verfcheyden Vorftendommen, Steden en Landen, by vele
duyfenden, eerlijke, redelijke lieden kennelijcken openbaer is, hoe wy van
alle Godloofe grouwelen alder verkeerder Seêten onfchuldig, en vry zijn, ge-
lijck wy dat ook nier alleene met onſe Leere en Leven, macr ook met onfe goed
en bloed in fchijnender daet voor alle de gantfche Wereldt vrymoedelijck be-
tuygen en kondt doen.
Dit dan altefamen nualdus gemerckt, en ons nu dat heldere klare licht des
H. Euangeliums Chrifti, in defe laetfte ergerlijcke tijd aller Antechriftifcher
grouwelen, wederom in volder klaerheyt in fchijnt, Gods eenige geborene
endeeerfte geboren eygen waerachtige Sonc,Chriftus Jefus heerlijken geopen-
baert wort: Sijn welbehagende goede wille en H. W oort van *t Geloove, We:
dergeboorte, Boete, Doop, Nachtmael, en de gantfche heylfame Leeringe,
Levenen Ordeninge door veel ſoecken, bidden, handelen, lefen, leeren en
Schrijven aen den dagh komt, dat nualle dingen (God zy lof voor fijn Gena-
dige gave ) naden rechten Apoftolifchen regel ende mate in der Gemeenten ot”
dentlijcken voortgaen, waer door dat Rijke Chriftt in volder eeren opgact —
e
pnt
VOOR-REDEN.
het Rijke Antechrifti in volder {chanden ondergaet, fo fet hem nu onfe voor- | ii
gemelde erf-vyant geweldelijken daer tegen; gebruykt fijn oude meefterfchap 1
en kunft op’talderkloekfte, wort ook in den fchijn een Chriſten. Verſtaet
recht, hoe ick dat meene. Roemt hem des Geloofs ftoutelijk, misprijft, ja
verwerpt oock alle Babylonifche handelen, laet hem mede doopen; fechem
oock midden onder den Heyligen in des Heeren Nachtmael, prijft dat leven
der Godvreefenden, hoort vermaningen, geeftaelmoeflen, ontfangt den el-
lendigen, wafcht der Heyligen voeten, feytdat Jefus Chriftusde Sone Gods
is. Somma, hy hout hem inden {chijn als een onbeftraffelijk wedergeboren;
boetveerdigh , en waerachtigh Chriften; maer daer en tuflchen wachten mickt
hy, waer hy ons op hetaldergevoeglijckfteaengrijpen ‚ en op het aldermeefte
fchaden en treffen magh. TFrektluftelijken in onfe verdorvene en betooverde
verftanden, die noch een part, fo het blijkt, weynig weten wat des H. Geeftes if
aerten{finis, drijftſe gantfch behendelijck, want hy weet hem op dat alder- Ki
fchoonfte met de letter van der Schrift te bekleden; laet hem fuyverlijcken RIN
hooren, foo wat hy doet, dathy dar altefamen uyt enkel vreefe Gods en lief. 1 |
deder gemeenten, metdes Heeren Waerheydt en Woordt doet: Vangt aen 0000
(feggeickandermael ) recht als uyt dieper bangigheydt eender benauder con- END |
fcientien met fommige tetwiften, entedifputeren, en dataldermeeft van der
aflonderinge, die hy foqualijck verdragenen lijden kan. Vindt hierendaer |
fijnebehende (doch verderflijcke ) vragen en antwoorden, waer mede hy de |
felve verdorvene betooverde verftanden alfo aen malkanderen hiflet en verhit, —4
dat oock haerder ſommige, wanneer fy voor de fcherpte en kracht der waer- | HIA
|
|
heyt niet beftaen en mogen, uytenkel partie haers verfuurden vleefches , dat
lieflijk Jerufalemdes vredes verlaten, en dat onreyne blinde Babel weder toe-
loopen: of een afgefonderde eygen Seête by haer felven vergaderen, en toes
rechten, gelijck ick in blijckende daet tot mijnen tijden, eylacen, meer als
eens, twee, of driemael met grooter fwarer treurigheyt gefien hebbe,
En fiet, dat is dat kleynodie, dat de oude vervoerifche Meefter, met fijnen |
twiften foekt, wantof wy uytder Afgoden Kerken blijven of niet en blijven, E
gedoopt worden of niet en worden, gelt hem al gelijke veel. So hy maer on- | —99
fe herten in haet en bitterheyt tegen malkanderen verhitten, onſe gemoede |
verontreynigen, de liefde af breeken, den vrede verftooren, lafteringe; |
quaedt vermoeden, leugen, vyandíchap, ende faemroovingen toerechten, |
of zaeyen kan, die gemeenlijck of alle wegen, {oo hy wel weet, uyt alfulc=
ke fijne cwift-handelen herkomen, foo heeft hy alrede, dat hy foeckt, al Hi 1
gevonden. Och Broeders neemt’er acht op, want het is meer als klaer , dat | | 4
alle de gene, die de ootmoedige afgeſtorvene, vriendelijcke, lieflijcke, en TIK
vreedtfalige Geeft Chrifti niet en hebben, dan op twiften, difputeren,
fcheuren ende breecken gefint zijn, uyt Godt niet en zijn, och latct u ge-
feyt zijn.
“ Aengefien,fegge ick, wy nu dan weten, hoe hy ons met defe fijn fchalke
drijvingen , onvruchtbare twiſtige vragen, antwoorden, ende menigfoudige |
dwaesachtige ende fchadelijke difpuyten foo overmaten vele fmerte ende her=
ten leedt vanaenbegin des verklaerden Euangeliums tot op defe uure toe ge-
maekt heeft, foo isnu mijne hertgrondelijke bede ende getrouwe vermaninge
aen alle die, die geerne in des Heeren haeres Godts vreefe met een ftille en |
vreedtfamige confcientie voor den Heere ende fijn Gemeente wandelen fou- |
den, dat {fy doch allemet den anderen, recht als voor Godt in Chrifto Jeſu
grondiglijk behertigen willen, hoe getrouwelijck dat ons de Heylige Geeft
Chrifto voor alle onnutte, dwaesachtige vragen; antwoorden, difputeren;
kijven
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
VOOR-REDEN,
kijven, en twiften (die hy met vollen haet hatet ) gewaerfchout heeft. Want
hy isde Geeft der liefden en des vredes, en daerom oock die felvige ‚ te weten,
liefdeen vrede allen den fijnen alfoo leert en met den genadigen vinger fijnder
Hemelfcher vlammen, in deonfienlijke cafelen haerder herten in fchrijft. Och
denkt nadat wy aenwijfen, ookmede, dat fijn Heylige Rijken Woord, een
Rijk en Woord des vredes, en nietdestwiftesis. Opdatgy, gy die u na fijnen
Heyligen ende grooten Name noemen laet, en alleene van hem, diederechte
Koninck des eeuwigen vredesis, in dat Rijcke fijns vredes, doordat Woordt
fijns vredes genadiglijken beroepen zijt. Des Duyvels bedeckte ftricken en la-
gen onverlet ontgaen meugt. Alfoo in alle uwe wegen, woorden en werken.na
Chriftus goeden wille en welbehagen tegen alle menfchen handelen, ende fijn
Heylige Woord en Ordeninge voeren ende voorftaen meugt; dat gy de rechte
wacrachtige gerechtigheyt van Godt geeyſſchet, gelijk Geloove, Liefde, boe-
te, wedergeboorte, vroomheytende vrede, mits alle andere vruchten des Hey-
ligen Geefts Chrifti daer mede plantenen bouwen, alle bedruckte bekommerde
herten, met t'ſamen alle jonge en tedere zielen grondelijck in Chrifto Jefù daer
mede verheugen, en met eenen oprechten voortganck van een oprechte Chri-
ftelijke vrede inalleaenliggendenooden, verfoekingen, droeffeniffen en ban-
gigheden fterken entrooften meugt. Opdat alfoo de Heylige Stadt en Tem-
pel die foo menigh hondert Jaren plat gelegen hebben, wederom op hare oude
Hooftftede heerlijcken getimmert ‚ en met hare behoorlijcke weerdigheydt ge-
bruyk, offer en Goddienft in rechter ordeninge gebracht mogen worden. Jae
dar dat Salighmakende Licht des waerachtigen Euangeliums Chrifti onder alle
volken , geflachten en tongen in fijnder klaerheyt en kracht vrolijcken magh op-
gaen, ende verdoemende leugen Antichriftí in fijn duyfterheyt magh wijcken
en ondergaen.
Gemerkt (feggeick ) dat dan des Heeren fterke Woort met grooter kracht,
hoe langer hoe meer geheel wonderlijk inbreeckt, en daeromme ook alle trou-
we herten geerne cenigheyt in defen deel des Bans ( daer mede fy foo doodtlijc-
ken foo menighmael bemoeyt zijn, foo gehoort is) hebbenenfienfouden , op
dat fy allenaeenderley Regel in Schrifts mate voortvaren moghten, foo Chri-
ftelijk en recht is, en ickonweerdiger de fwakfte onder alle Heyligen nu on-
trent den tijd vanxxn. Jaren van veel verfcheyden Geeften harde in defen deel
beftredenben, en menigen fwaren aenloop tot diverfche tijden daer over ge-
leden hebbe, waer mede ander lieden niet alleene van my geleert en zijn, maer
oock felfs van ander lieden geleert ben, den gever vanalle goede gaven fy prijs
infijnder Gemeenten. Ook mede mits lankheyt des tijds door menigerley ge-
vallen, onderfoeken, ende nadenken in fommigen dingen een weynigh beter
ervaringe „ als voor henen gekregen hebbe. Soo ben ick van veel vroome
herten, die’tfoogeerne goedt in allen fienfouden, feer broederlijck daer toe
vermaent engebeden, datick my noch voor mijns levens eynde doch bevlij-
tigen woude, mijnen alderinnerlijkften gront, fin en meeninge van den rech-
ten Apoftolifchen Ban of Affonderinge ordentlijk in Schriften te vervaten, en
doen te onderfoeken den ourften en Dienaers der Gemeenten, met t'ſamen alle
vreethongerigen voor ftellen woude. Opdat, fo daer yemant eenige droeffe-
nifle, twift oftweedracht na mijnen afganck ( foo ick doch gantích fwak, ende
oock met der tijt een out man ben ) onder den ftillen en vredigen inalfoo eenen
fchijn mogte toerichten, alsof hy ’t eeniger tijt dus of fo van my moght gehoort,
of uyt eenige van mijn fchriftep,die noch noyt voor defén dagh alfoo grondelijck
van man en vrouwe,en oock mede van de openbare ergerlijcke en vleefchelijcke
Sondaers, als hier , van my verklaert zijn, verftaen hebben, fy den felvigen dan
F
Ì — wam
Nen
VOOR-REDEN.
op mijnen befluytelijken gront wijfen mochten, daer mede ick in Godt ontfla«
pen, en mijnen henen vaert uyt mijnen vleefch genomen hadde. Ook daer be-
nevens de Godtvreefende twijffelmoedige confcientien daer door geholpen; op
dat fy tot een gewiſſe vaftigheyt haers gemoets komen mochten.
Welke bede (hoewel fy geheel Chriftelijk en goet was) ik evenwel met groo-
ten vreefe en beven heb aengenomen , en dat byfonder daeromme; om dat ick
wel wifte, dat fy nietal te famen Broedersen Sufters in der waerheyt en kracht
Zijnen fullen, die’twellefen, hooren of fien fullen. En waer dande gemoc-
den niet reyn en zijn noch de liefde ongevalfchet, daer wilook gemeenlijk het
verftant geerne partijdifch, en de uytlegginge verkeert zijn, gelijk ick tot mij-
nen tijden aen my felven van fommige (eylacen) wel geleert hebbe. Och'mogh.
ten fy nueen part Genadevinden, weetoock daer benevens dat der menfchen
goedduncken, vernuften, affeten en finnen menigerley zijn, en dat dat doot-
grijpende gefichteder waerheyt, noch des Heeren vreeſe, Geeft, en Salvinge
niet by eenen yegelijken al gelijke grooten zijn, en daerom vreefeick , dat ick
‘took alfoo niet maken en fal, dat fy’talle voor goedt aennemen , en als den va-
ſten grond der waerheyt volgen fullen. Hadden wy alle oogen des verftandts ,
die ons laten dunken dat wy fien konnen, het woude mijns bedenkens met ſom-
migen haeft eenen vafteren grondten voet hebben,
Staet evenwel mijn vaft betrouwen tot alle dien, die “in rechter Godts
vreefe de eenigheydt ende vrede met getrouwer herten onder allen vroomen
foecken ende nae dat aldergewifte begeerigh zijn , dat fy mijnen forgvuldi-
gen Broederlijcken arbeydt tot eenen dienft des Heyligen vredes ende ver«
klaringe des eeuwigen waerheydts uyt rechte Chriftelijcke trouwe aengeno-
men, niet verachten noch en fchelden , maer met vrolijcken ‘gemoede op-
nemen, ende den Heere van fijn Genade dancken fullen. Want ick late
my duncken (doch by avontuuren dwaesachtigh ) dat men in defen deel
genen fekerder noch gewifler wegh nae der waerheyt treffen en fal, daer me-
de men voor Godt ende den menfchen beftaen fal, dan wy hier in het vol-
gende fonder alle vleefch ende partye nae onfe kleyne gave uyt grondt der
Heyliger Godlijcker Schrift recht als voor God in Chrifto Jefu aengewefen en
verklaert hebben.
Den halfterken , ftouten, ende verkeerden verachters: noch ook den on-
buygfamen partijdifchen en verfuurde T wiftmaekers en diene ick niet, maer
diedieneick, die haer met een onpartijdig nieuw ende Chriftelijck gemoet,
van den Heyligen Geeft der vreefen Gods, ende der ongevalfchter reynder
liefden geerneleeren ende leyden laten. Die des Heeren Heylige Woordt
ende waerheyt in eenen reynen fin gevaet , door haer ontfangen Salvinge on-
derdaniglijken volgenende nakomen. Endealfoo van alle bittere partye, ydel
eere, haet ende nijdt, ont{chuldigen vry ftaen. Want by alfulken vint men
den lieflijken Geeft des vredes, een oprecht en vroom gemoet, ende een on-
verfuurde reyn hert, aerdt endeliefde: Ende daerom oockeen oprecht reyn
verftant, ende eenen onverdorven heylfaemen gront ende uytlegginge. Le-
ven haer eergierige eygen(oecklijcke vleefchs niet meer, maer Chriftoende ha-
ren naeften. Onderwerpen haer alleman , zijn kleyn in haer eygen oogen , ha-
tenalle onfchriftmatigen twift en tweedracht, bekennen geerne hare gebreken ;
daer in fy misgrepen hebben: Verfoenen haren naeften, dien fy by haer fchulc
bedroeft hebben, en fienop eere noch oponeere, vergaderen vyerige kolen
op der tegenpartyen hoofden , gaenfe onftraffelijcken voor, op dat fy mits de
liefde, weder in der waerheyt opwecken, van den dwalenden wegh afvoe-
ren, Chriftotoebrengen, ende eeuwigh faligh — — ſiet dat zijn de
gene
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ze
ne a der nt dane — — il td — — a dd
— den en nn
| VOOR-REDEN.,
gene (feggeick ) die ick met defe mijne Schriften diene. Want fy hebben
Chriftum in der kracht met fijn Geeft, Woort,en Liefde. En alfoomet hem,
in hem, en voor dat rechte waerachtige Chriftendom , dat voor Godt gelt, en
een geholpen; luftige „ vredige ,en vrolijke fake. Och kinderkens zijt gewaer.
fchouc. Leerteenmael des Duyvels diepheyt recht bekennen , en wacht u van
tweedracht: Debarmhertige Vader gunneons alte famen den wijfen Geeft
ſijnder Genaden.
A ME N.
me
aTef.1. 7.
E E_N
GRONDELYK BEWYS,
ee Gl EJ
BE nr.
Van de Excommunicatie, Ban, Uytſluytinge,
of Afſonderinge
Dieu SER
Fol, 193
KERKEN CHRISTI
Van derechte Apoftolifche Affonderinge of Ban ,
en ten eerften wat fy is,
Dat Eerfte Capittel. Alle wat in Iſraẽl na wetlijker ordeninge
verbannen —* t waren dan menfchen of
NC Ectgrandelijcke getrouwe bee / Dat moefte fterven / ende dat verbannen
js ijn ziele lief heeft in der berfclaichelijken en zwaren Ban was ’t:mact
ys waerhept / dewijl ick mp nuin Chꝛriſtus rijk en vegiment (foo men ſij⸗
zdefen ſeer periculooſen nen grond en liracht / Wanneer daer geen hoe:
Farbend / u en allen bromen | te upt en bolgt/ vecht fiet) nach al veel
Ì k ten beften / unt rechte Daz | berfchzichelijker en zwaerder / want hu en is
jn org Verlijke trouwe heb aenge⸗ | nu geen lichamelijke uptroepinge of doot ons
nomen (cht ſegge periculooſen ; om Dieg wil: vleeſchs / gelijk Moſes ban Was / fo gehoort
le dat ick wel weet Dat ’er foa obermaten veel | ig. ach oock geen untſtootinge upt cenige
treurighepts bp den eenvoudigen eenen tijdt uptwendige ſteenen Cempelen/ of Spnago⸗
lanck mede gemaecht{ig : vreefe oach dat et | gen / gelijck nu der Goden ende deg Werelds
noch niet al gedaen en is) fa bidde ick u alle Banis / maer hu ís een Waerachtige verkon⸗
met Den anderen in °t gemeen / bende bez Dinge of berboodtfchappinge ban de eeuwige
moent en onbemoept / door de diepe bloedtver⸗ dood onfer zielen / dao? de oprechte Dienaers
Wige wonden Jeſu/ en dat unt mijnder zie⸗ Chꝛiſti meter Schꝛrift over alle ergerlijche
len grond / gu Die uwe knien boo? den Al⸗ | bleefchelijke Sondaers
h/ kinderen ín den Veere / die goed met den bpere berbzandt wozden / eenen zo
Nu.2s,2e
Deu.7. 5.
lof.6.17.
en 7.1.
en 8.8.
en 9.24:
en 11.8.
IReg.15.2»
s / ende onbelieerljcke Den Ban der
machtigen/ en grooten Godt te ſamen met Cwiftmakerg, Een oberleveringe deg Din Chrittenen.
mp gebogen hebt. Jae vermane u bp dat | belg. facen gemeene affegginge / untſſuptin⸗
rechtveerdige oopdeel finder tockarnft / Dat | ge/ of affonderinge van beenie, —
hp in de Wollen des Hemels met dat vlam | Kichaem en Gijche Cheiſti / en dat in Chri-
mende boet en DenEngelen fijnder hepriracht ftus ame met fijn bindende kracht van fij-
tot fijnder tijd houden fat: Dat men doch | nen 19. Geeft en ſterſie
gt fijn 0 Wooꝛd.
Dit mijnen ſorgelijcken arbent niet na vleeſch Wengefien nu dan deſen ſelfden Ban cen alfa
noch bloet / unt ongonft noch) gartpe/ maer verſchrickelijcken en el dd foa gez
unt een onpactijdig en reyn hert des bzedes / | hoort ig / foo magh een pegelijk ook wel boog
ban actijkel / tat actijkel/ ja van waarde te | hem ſien / Dat hu alte fijne Wegen boor Godt
woorde Door Den ongevalfchten Geeft der | en fijn Gemeente aïfo
eN o richte fhm ín eeu⸗
Ehzifteliikter befchendenhhepe in oprechter roue |wíghent nimmermect miet — —*
wer liefden / na den regel eu gerond Der Waer: vloen ban Cheiſto en fijn Gemeente gefkagen
bend vechten Wil. En merken ten eerften wel |en werde / Dat hu alg een verbande dodlaos
aen / wat doch den Dan Der Berken Chꝛriſti | fe ziele bunten Theiſtus Heplige Gemeente /
Dertieewacht 5m/ Die ons ban deg Beeren Wichaem/ Stade / Ceryel Liechen / Wijlt
Heylige Apoſtelen int Woord nae gelaten en |
| | ende Dus zijn maet. Aant alte die bumten
geleertig. Op dar hem niemand daor on: Ehziflus diddl en enden
Wecke zijn / moeten ín
Gerffant verachte / nach met den fpatece en Antichriſtus Gemeente en —* zijn is on⸗
fegge: Laet van bannen; Haer bannen en is wederſprekelij. Ende wat dan alfadanige in
a —— niht be dl —— boor eenen loon verwachten / ſpo
; » oe Daechendt betupge ich ín | fn haer anders ban heeten niet € J
Chꝛiſto ende en liege níet: lieber tm Doo? ne anders ban h u bekeeren
h ín goede klare letteren wel qefien 4 ’
Gods hulpe van ſtuckte te uche tat Den jang- | den. Deh kinderen hebt ’er actit ou tumit alle
ften gecichte toe (fa het alfo mogelijkken \az | uwe krachten / wachtet u / wa í
ht blijtielik :
te ) ontleden laten / Dan ma eenmmael recht na | Biddet bnerinlii chi 5 \
7 derden perinlijk /en fchikt u : Want «
Der Schrift han Des Heeren Dienaers en ín | Oordeelen zijn aroutwelijf {_en ín ab
emeente bannen laten. Och 2 te be Icke fijn banden
hebt er acht op. h Bzocderg rvallen ig berfcheichelijk,
Db 2
Over
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
1Cor.s.3.
2 COr.13.2e
Rom. 16,16.
Tit.3.10.
r Cor.5.3.
iTim.r.a0.
ICOr, 53e
Rom.1.32,
en 6. 23.
1Cor6.10.
Gal.s.ar,
Eph.s.s.
2Tef.r.8.
„ po.21.8.
en 22.15.
IJ
maai JE EA
4" Verklaringe des Apoftolifchen Bans.
Over wat lieden defen Apoftoli-
Getrouwe Kinderen / zijt gewaerſchout / joan. r. »:
verſchrickelijk (8 °t woordt dat Joannes fepd : x Joan. 3. 5.
chen Ban behoort gebruyk ‚ [Wie dat obertreed ende in Cihziftugleeve.niet
te worden.
Dat tweede Ca pittel.
Ephel. re A En beele plaetfen der hepliger Schzift bez
——— vinden wy / als dat de rechtgeloobige gez
Hebr. 12.24. meynte Cheiſti / onſen eenigen ende geeſtelij⸗
: Cor.9. 16. hen hoofts/ Brundegoms / Koninks / ende
eus. 13. Hoodgepeieſters geeftelijke lichaem / Beupdt /
heprleger / Stadt ende Cempel is / met de eer⸗
fte letterlijke Eva, Nebecca / ende dev Iſraeli⸗
ten heyzleger / Stadt ende Tempel afgebeelt.
Fu well palitifche regiment van Ffraël geen
en blijft / en heeft geenen Bodt) oock noch
op een ander plactfe: Wie Dat fondigt / die ig
upt den Bupbel/ noch ten tweedenmael zijt
gewaerſchout.
Oorfaeke waeromme ons deſen Ban
van der Schrift bevolen ís.
Dat derde Capittel.
J Oannes leert en ſeydt:Als Dat Godt De lief: roan. 4. 16.
De is /gelijkk dan Bod de liefde is / alſo bewijſt
melaetſchen / geen ettervloedigen / noch ooft hp ook de natuure van het geene Dat hpis/ te
die * * dooden verontrepnigden / piaetſe | Weten de liefde / Dat dit felfde oalt alfa de waer⸗
binnen den hepgleger hebben konden / alſoo bepd is magh aen deScheppinge en Onderhou⸗
lange fp niet wederomme na inhoudinge des dinge ſijnder creatuuren / aen De weder oprech⸗
Wets / van hare onrepnigheden gevepnight /
tingé ban Adam en Eva / aen de be waringe ban
en ban haer gezeken gefupbert waren, Moe⸗ Hoach en fijnSonen met der Arken enDilubie/ ——
ſten ook hare lichamen in den ſelfden hepdleger
níet ontledigen : geen onbeſnedene / noch on:
Der gemeen: vene en mogbhten tot deg Leeren Paſcha toer
heytinden gelaten worden, Moeſten oon daer. beneven
Giefthier Ihier merkt nu „Jtvatls Bau) alle Die) —
————————
ieten e
Deur ven / ende andere Goden dienden / metten
Exod.12. 48. mee of drie getupgen overtungt / fonder alle
Num 96. barmhertighept ſterven. Want fa fouden Den
Deut. * Er Heere (fepde Moſes) een Hepligh volk zijn.
Deut. 17.7. es felven gelijken ook vu in ’t Nieuwe
—— weſen Chiiſti alfoa : — — of
126. Werkeig een gemepnfchap det Hepligen/
—— der Gerechtigen / gelijkt oolt de
Niceeniſſche Patres al over veele hondert ja⸗
cen met ong bekent hebben. Gelijk dan Adam
De kercke maer een Evam en hadde / díe vleeſch van fijn
Chriftiwie engen vleeſch was / ende Been ban fijn beenen/
ende wat. Iſaac een Bebecca Die van fijn epgen geftachte
Gena vo, ag / ende Ehpíftug cen lichaem/ Dat He⸗
"Goera. melfchj oan den hemel / ende ín alle fijn lidt:
maten gerechtigh ende hepligh wag : alſoo en
,
heeft hp nu ooft maer een Evam / in den geeft |
Gen. 3. 15.
aen de Benedíctie van Abzaham / Iſaac en Ja⸗ Gen. 5. 13.
cob / aen de verloſſuge ban Iſrael uut Eghp⸗ en 7.7.
ten/ aen De fendinge van. Mopnſes ende den en 8 18.
Propheeten. Ende aldermeeft aen De alder- ST, 2 F-
bepligfte Menſch-werdinge ong Meeren Jeſu en 28: ra.
Chaiftides Soons Gods/ aen fijn genadige / Exod. 14. 29.
krachtige Leere Wonder-werken/ bidden / endibs
weenen / krups / bloedt ende doodt / oolt aen „ Ea, 4:
de openbaringe van fijnen Heuligen Geeft / en Toan. 3. 16.
uptfendinge fijnder hepliger Apoſtelen lichte⸗ Rom. 8. zen
lijk geſpeurt worden.
Nengefien het / van fegge ilt / openbaer is /
dat hp de lef De alfoo ig / ende ook ecuwelijken
blijven fal/ ende ban aenbeginne de bheerlijke
vzuchten fijnder liefden aen fijn lieve kinderen
foo hewefen heeft / ſoo gefendt ig: alſoo doet
hu hier ook noch met Defe fijn affonderinge /
hae wel fp alſoo geheel berfcheickelijken ende
zwaer is / ende aen den halftechen onbekeerz
lijken fondaer foo eenen geouwelijfken untganlt
heeft / alſoo gehoort is: Want nademael hu
de Wijfe ende alwetende Godt is / die alleene
met fijn vpervlammige oogen alder menfchen
herten ende nieren fiet / haer wegen weegt /
een nieuwe Vebecca) die fijn geeſtelijli lichaem / ende ong / Wp Die fijnder fcheppinge / maelifel
Drouwe/ Gemennte) Kerſie / ende Bzundt
í8/ te weten Die / Die geloonige / wedergebore⸗
ne / ootmoedige / barmhertige / afgeftozbene /
gerechtige / breedfamige / lieffelijkie en gehooz-
famíige ſinderen in Dat vijke ende hups fijnes
bredes zijn. Supvere / kupfiche Lonltozou-
wen in Den geeft / henlige zielen / Die van fijn
Godlijke geflachte ende heplig vleeſch ban fijn
Ephef. 5. so. bieefch/ en heplige beeren ban fijn beenen zijn.
Waer upt dan na inhoudt der hepliger Apo⸗
ſtelen deere ook klaer ende openbaer ig / Dat ’er
Rom. 16.16. geen halſterge twift-makerg ofte Sectiſſchen /
xTim.6.6. Die tegen De leevinge der Godſalighent erger:
2 Tim, 22.3: iff einde tweedracht inbrengen / noch ook alle
Joan. 1.9. Die) Die in Chriftug eere niet en blijven) die
Cor. 5.5. cen ergerlijk bleefchelijk leven lenden / ofte cuz
aci rleufe Tupe ende leckere dagen ban andere liez
5e pen tafelen ende bundelen boeren plaetſe in
Theiſtus heplige Woon-flede / Hensleger /
Stadt / Tempel Uerke ende Lichaem welke
De Gemennte is / heben en mogen / dan dat:
menfe met gemennder ſtemmen af-daen/ en
alfa tot onfer epgender ziele bewaringe / ende
haerder beteringe/ na fcheiftg vegel ende maz
te ſchauwen ende mijden fal.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ende Werkt zijn / op het befte kent / hoe arme
zwacke baten Dat wy zijn. Ja dat dok onſer
een part niet een kleyn windelien ban vervoe⸗
ringe konnen lteeven ofte tegenſtaen / maer la⸗
ten ons van ſtonden aen bewegen / of ook met
Dat verſuurde leelijlie leven der moetwilligen
verontrepnigen: ſoo heeft hp ong door ſijn va⸗ DeBanis
derlijke liefde ende overgroote barmhertigheyt Sen dend
alg fijne arme zwacke kinderen / Defen felf DEN Goa,
middel deg affonderings / dooz fijnen Pepligen
Geeft ende Woozdt ten eerften Daer tegen gez
lent / ende tat alfao een epnde bevolen / alg
dat wp de onruſtige halſterlie twiſtemaliers / pa certe
met te famen De argerlijcke / bleefchelijcke oortake des
ſchandt· drijvers van fijn WHeplige Gemepnte/ Bans.
beke / ende peede-hupgaf-doen/ ende na Ins
haut Des hepligen ADoordts tot op den tijdt
haerder beſieeringe ſchouwen / en mijden ſul⸗
len. Op dat fin ong met haer opgepzonkte níjs
dige Wooden van onfe Laftighent / die Wp in
Chꝛiſtus waerheyt hebben / niet en bezeuciten
(faa doch de valfche leere alle wegen rontom
act knaeght / gelijk de kanker doer / foo Pau⸗ —
us fepdt) nach oackt de grouwelaers met haer z Cors. ᷣ
onreyne gleefchelijke leven niet en berſuuren /
noch
TL dadels
we, an
* — — — —
noch eenen booſen naem bp die / Die bupten
zijn/ maken ſullen / ende ſiet dat is De eerſte oor⸗
fake Bes Bans / waeromme Ip ong van Des
Weeren Geeft met eens ſoo grooten ernſte ín fijn
beplíge Woordt bevolen ende geleerdt ig : ende
of nu deſe ſelfde oozſalie niet een byſonder
groot Werk der getrouwer lief den Chzifií en
ig / Die aen Allen vzomen fijn bpfondere nut:
tighept / dienſt / kracht ende bucht heeft /
wil ick alle getrouwe Herten ín de vzeeſe haers
Godts míts deſen laten na dencken.
De tweede oogfakte is / Dat alle de gene / Die
_nu dat heplíge woort ende Den vechten wegh
wederom verlaten / ín Det werelt berlaopen/
dat heplige verbont verachten / haren ont:
fangen doop en belofte der gevechtighept ndel
ende onnut maecken/ Dat fp wederomme
den valſchen Propheten hooren / werelts lief:
de aememen / ende den cupmmen bzeeden wegh
deg vleeſchs te wandelen / oft Die twift ende
tweedzacht / fecten ende verkeerde Dingen
onder den bzoomen aenrichten / Ec. daor dez
fen middel des Bang verſchrickt / haer Wez
derom ban Gerten bekeeren ; eenighept ende
gede ſoecken / ende alfoa Lan den Datanfchen
ſtrick haers twift-handelg/ oft des Godloo⸗
fen flupperigen leveng boo? den eere ende
fijn gemepnte magen log ende bop Worden.
Ende fiet / dat is De tweede oozſake / Waer:
am ons defen Gan van deg Weeren Geeft in
fijn heplige woort met ſoo grooter neerſtighent
bevolen ende geleert is. Ende oft nu defe felf-
De oogfakte oocit níet een Bpfonder goet ende
groot werck fijnder liefden is / en cen gelijchte
kracht / nuttighent / dienſt / ende vzucht aen
Den onvromen heeft (foo ſuſe anders inder vre⸗
fe vecht waernemen) gelijck De eerſte aen Dent
bramen Geeft / magen in De (elfde mate alle
getrouwe herten ín det beeft Godtg na denc⸗
fen, Ja Die Defe boorfepde oorſalien te vecht
nader ſchrift kennen ende fien kan / heeft den
rechten gront-fleen Des Heyligen Dans na
mijn bedencken al gebonden.
Yengefien wy dan nu weten / dat deſe onfe
Ban ofte affonderinge/ ong (ſegge ick) ban
Der ſchzift bevolen / twee alſulcke hooge naat:
Druftine en Wichtige oozſalien heeft / ſoo ber:
haelt is / ſoo zijn Wp oock genoegh daer Doop
veroorſaecktt / foo Wp ong anders Des Chriſte⸗
lijcken naems recht beroemen / om Dit felfde
openbaer plat bevel / leere/ ende odeninge
Ehꝛiſti ende zijnder hepliger Apoſtelen / als
een hooghprijſelijck / oozbaerlijck ende goet
werck haerder grooter liefden ordentlijck te
Teeven / ende met gewilliger gehoozfaembept
onderdanighiifcken na te komen. Is oock
felen gelijcken mits defen meer als klaer /
Dat fp haer aen Dat henlige Apoſtoliſche woord
en haͤre groote liefde / aen de trouwighept ende
gemennten / ende aldermeeſt aen
elen zwaerlijcken beſondigen / die
deſe nutfalige Godlijcke ordeninge mits hare
ongehoorſame / Tue ende verlieerde vleeſch
boo? een twiſt werck deg Dupbels ſchelden /
ende alſoo met de vunle dreckige boeten haer:
Der Godtloofer lafteringe foo onweerdiglijc⸗
Des
liefoe Der get
hare engen zi
nn pan
— —— * me
Verklaringe des Apoftolifchen Bans, 195.
Dat de rechte Apoftolifche Ban -
geen perfoonen uyt en neemt. Erps
Dat vierde Capittel.
O Ds ig fonder alle twijfel wel bektent/
weerde Broeders / als dattet een ſeer
flevclt ende eruſtigh Gebodt der Hepliger
Scheift is Fa dat alder-eerfte in de tweede
tafel is. Geet Bader ende Moeder / en Dat fja Exod.a0. ra:
na Moſes Wet alle moeften ſterven / die ha: Deut. 5. 11
ten Dader oft Moeder bloeckten/ flaegen oft
angehoorfaem waren / ooclt mede Dat den Exod.21. 17-
bant des onbevleckten eerlicken Echts mu in „… „o. ,
Chꝛiſtus rijck ende vegiment fao bondigh ende Deuc. 21.18,
vaſt is / dat geen man fijn beouwe/ noch oaclt
geen bouwe haren manom eenigerlen andez
te falten magh verlaten / ende cen ander trauz
wen / Lerftatet woort vecht dat Ciziftus fent/
ende eenen anderen trouwen / Dan om over⸗ mar. :5. za
ſpels wille Wil oock Paulus) dat ſy male Marc.1o. 11.
kanderen alfao geheel beebonden ende eygen Zee 16. 18,
fullen zijn / Dat de man niet Be macht ban fijn
lichaem / noch oock níet De bronwe De macht » cor. 7. á
van haet lichaem hebben fal.
Deſe bepde regulen / alſoo wel de eerſte ban
ben Ouders / alg de tweede ban de echt ſtaen
vaſt ende onverbzektelijchken / ende en moeten
noch en mogen ban eenige menschen beranz
dert nach tot eeniger tijdt gebzalten wozden /
alſoo vezre alSmenfe maer in Godt ende met
Godt ín een goede Conſcientie / gelijck De ver⸗
haelde regulen eyſſchen / ſonder eenige obertre⸗
dingen des Heyligen woorts onverhindert na
komen ende houden kan. Maer wanneerꝰt al⸗
foo niet weſen en kan / foo moet uiet Dat gees
ſtelijcke Bet vleeſchelijcke / maer het bleefchee
lijcke dat Geeftelijcke wijchen / is klaerder
als men tegenſpzeecken han,
Bidde daeromme allen brommen om des Mees
cen wille / die Chziſtum Jeſum Door den Geeft
Des vzedes míts Den geloobe ín fijn diere bloet J
t'ſamen met ong gehepliget zijn / fin doch met HIE
Godtvseefen berftandigen herten deſes vol— | AAE Ii
gende oorſaken / fonder alle vleeſch ende par:
tpe/ met Geeftelijchen oogen willen inſien/ die
ons in onſen gemoeden benauwen / dat top
geerne Defen grant allen onfen lieven mede-
genooten des geloofs dient / tot eeniger tijdt
ten Deele ballen moght / (Daer haer de goede
Peere eeuwigh voor beware ) ín Chꝛiſtelijcker
befchepdenthept leeren / ende tot berloffinge
haerder zielen ſonder alle aenftaotinge det joñ⸗
gen ende ſwacken confcientien ín getrouwer
lief den vooz dragen ſouden. Alle Die dan God
vreeſen / laet ick vechten dat wy aenwijftn.
De eevfte oozſake is / om dat wp waerach⸗
tighlijcki door Gods geeft ende woort belen
nen / alg dat de Wemelfche Echt tuſſchen
Chꝛiſtum ende onfe zielen ín dat boorkomen
van fijn onſchuldige doodt ende dierbaer blaet oze. a. s.
mitg het geloobse fn den Geeft gemaeckt / in Poc. 19- 7:
gewillfger gehoorſaemhept des felfden eenigen
en eeuwigen Bzundegoms vaft ende ongebzoz
Ken ín het flijclt treden / ſiout is de menſch díe | ken moet geljouden Worden. Ende daeromme
fijnen Bokt ſtraffen / oft ín fijn Woort tegen | men oock noch vader / noch moeder / noch
ſpyzelien en meeſteren derf. Dencket na / wat |fone/ nach dochter / noch man / noch vrou⸗
Wy acntwijfen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
we) fa oock noch leben noch doodt / ín éeníge
ongeljoorfaembept fijns woorts / oock ín dat
alderminfte taegeben oft wijcken moet. Want
Gh 3 Godt
VOR —
— Te
——
196 Verklaringe des Apoſtoliſchen Bans.
Godt de Heere wil / ſal / ende moet alleen de | met geen Godſalige middelen anders Lan ’t
Godt onfer canfcientien) ende de eenige Wees | boofe afboeren ende weder opten Wegt der
te onfer zielen blijven / ende niet onfe Bader | Hepligen bzengen en kan. Denckt na Wat
Deut 13.6. noch Moeder / Man noch Brouwe / gelijck men aenwijft.
Mado. 37, in goede klare Letter magh gefien worden. De bierde oorſake is / om Dat op waerach⸗ Det —F
Luc.14. 26. @etweede ooꝛſalie is / om datde getrouwe telijck bekennen/ datter niet meer Dan cen
Apoſtelen / Joames ende Paulug/ ong foa | eenderlepe uptfluptinge oft Ban ín dev ſchriſt
geandiaklijcken leeren / datmen ten eerſten enis / Die niet alleene over De geeftelijcke ges
De afvallige Daecannne mijden fal / om dat ſu mepnfchap / gelijclt oger Nachtmael / handt/
ong met hare ontepne vervoeriſche leere / noch | ende kuſſe deg bzedes / maer oock oer De vlee⸗
met haer ongoddelijck bleefchelijck leven / niet : fchelijcke gemepufchap/ gelijck eten / drinc⸗
en verſueren / noch ín de gemepnfchap haer⸗ | ken/dagelijckfe handel ende Wandel fijn ver⸗
„cor; ‚, Der boofer wercken invluchten ſullen / gelijck bodt heeft) ende de Dader dan fijnen Sone/
2 Joa. 1, 11. vock in De oorſakien ban den Ban botsen al verz | ofte de Sane fijnen Dader/ de Jan fijn Prou⸗
klaert is. Ende wp nu met oogen fien / ende we / ofte De Dzouwe haren Man / alleene
met handen taften / dat ans niemant eer noch maer in De geeftelijke gemepnfchap mijden en
meer en verſuert / noch verſueren en kan / dan | faude ende niet mede in de vleeſchelijcke / ſoo
De tweede ONS onfe engen Bader) Moeder / Man / Brou: | moeften Daer twee Bannen inder fchaift zijn/
eocake. weo oft hinderen Doen / als fn verdorven zijn | Waer van dan eenen alleen maer ober De gee⸗
ende dat byſonder / om de Dagelijckfche ber: | ſtelijje gemepufchap ende den anderen bepe
fellinge ende De natuerlijcke licfae Diemen rd De over De geeftelijke ende ook bleefchelijke
der malkanderen heeft/ ende oaclt dat noch | gemepnfchap fijn berbodt hadden / is klaers
meer íg / Dewijle Man ende VPzouwe een lig: der als den lichten dagh ís. Noch eenmael
chaem zijn / fo weet ick (mmer níet / wan: | denkt na wat wp genwijſen.
neet fn deg Weeren Heylige Woozt ende trau-|_ De bijfffe oogfalie is / om Dat de baome Ou: pe vijfde
wen raet in deſen deel niet met alle vlijt waer ders over hare afvallige Kinderen / ende De oorake.
en nemen / hac fn voor dat gefpande net deg | Brome kinderen ober hare afballige Ouders:
doodts ontgaen ſullen: Want foo bidden ende De vrome Man obser fijn afvallige Prouwe /
fmetten fp / Dan wederom ſiijven ende ſlaen fp. | ende De vzome VPzouwe over haren afvalligen
| Pu lafteren ende ſchelden ſy ban Weenen ende | Man te famen met der Gemepnte den Ban
| keemen fp. Och kinderen sj gewaerſchouwt / bewilligen / ende Dat haet na dert Schrift vecht
Crocodilus fare tranen zijn enckel Crocodillen tranen/ | gefchiet / ſteume moeten: Ende fn dan de
lijek water. Chde hare tonge is ontfteken ban der Helle / ſoo felfde maer alleene ín de geeftelijcke gemepnz
Jacobug fept. Ick ſwijge nach / dat haerder ſchap mijdende / foo caſſeerden fp Daer mede
dier in Egyp-
ten, dateen fommiqe tot afle Afgoderne en valfche Pra- | haet engen gerichte metter Gemepnten upt-
geſproken / ende fochten de Salighent ban
menfche í | f !
heten loopen. Chziftus Peplige woort / far ,
p p cha daer alder-lieffte brienden met alfoo eenen
weent daer 6 Pr
mede aen- Cramenten ende odeninge heftiglijcken ſchel⸗ |
— eenfte ende Geeſtelhelne liefde niet/ als haer
dat ban des Weeren Geeft ende Waordt bevo⸗
lockt ende Den/ ende Antichriſtus grouwelen hooge vooz⸗
verlint. __Deagen. Daer toe ig dock Der ſommigen leven
Jae. 3 6. niet dan enckel gieten / capen / prachten / pra: | len Wort / bleven ook noch daer en boven al
Yen / braffen ende brupſen Ec. Ende hoe on: even diep ín de periculen Des verdervingens
befteken / om den welken onberhindert te
ontgaen / Defen felfden Ban allen beomen
tuchtighlijck oock een part met hare arme
brouwen leben / bpfonder alg fp droncken ende
(fegge ick nach) eenmael) ban deg Weeren
woordt ſonder eenige exceptie Lan man oft
bol zijn / laet ick de Heere vechter zijn. Ende
oftmen nu noch al evenwel bp alſulcke moet:
willige beeheerde vleeſchelijcke ende Godtloo⸗ brouwe / Ouders oft kinderen / met cen ſilaer
fe grouwelaers foude woonen mogen / ende | Ende plat bebel nagelaten ende geleert is / ſoo
ín fijn geloove / liefde / ende falbinge van haer | gehoort ig. Wederomme fegge ick / gedencz
niet geſirenckit worden / ende met alfuiche lee: | ket na Wat op aenwijfen.
De fefte oofaeche is / omdat ick niet beel De rerse
wepniger dan dzy hondert echte perfoonen/ oorake.
Car. J. 1e»
lijclie / onrepne ende beklijvende peck· vaten
omgaen / ende in fijn conſrientie van haer niet
De derde
oor fake.
Col. 3. 20
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
befinet worden / wil ick alle Die des Hepligen
woozts berftant hebben met de ſalbinge haers
Geeft laten na denchen.
De derde oozfake ($/ om dat ons Paulus
leert / datmen de afballfge aack ten tweeden
daer am mijden ſal / dat fn door de befchaemt-
hepdt ban alfao ten mijdinge na denckten/ ende
alſoo cen optechte baete van haer booſe leven /
ofte ſectiſche leere Doen fullen. Gemerckt wy
dit Dan weten / dat dit ſelfde alfoa den gront
ende de fin deg Pepligen Geeſts met den Ban
is als verhaelt / foa isꝰt immer oock vecht/ en
na der ſchrift behoorlijck / dat ton fijn God⸗
lijckte vact /liefde / leere / goeden Wille / ende
ernſtige bevel gehaorſamighlijcken híer ín vol⸗
gen / ende niet wenniger dan Leel meer aen
onfe alderlieffte Dader / Moeder / Man /
Prouwe / ende Kinderen / alg aen den ande:
ten / ín getrouwer liefden na kamen / dewijle/
bp mijnen tijden gekent en hebbe/ Die haers
Heeren ende fijnder 12. Apoſtelen ordeninge
raet / leere \uille ende bevel van der mijdin⸗
gen niet en hebben aen malkandcren waerge⸗
nomen / ende alfaa ín den afbal ende verdervin⸗
ge metten anderen geloopen zijn / Och God.
Waer over wp bedacht ffaen / Dat alſoo cen
tveffelijke ſchade oolt eensdeels daor onfe bloo⸗
de ſwijgen moght gefchiet zijn. Wilden’t daer:
omme ook geerne na defen alſoo maken / dee
wijle de ſorge der gemepnten ouweerdigh ong
bevolen ís / dat wp alfoa eene ware verder⸗
pinge ende afval (alfoa vele als in ong is) wat
beter na dee PD. Apoſtelen leere ende vacdt
moghten boo? komen / ende moghten defe ſelf⸗
de odeninge deg Bans alfoo wel tuſſchen ou⸗
ders ende Kinderen / man ende vzouwe / alg
den anderen / allen onfen lieven Bzoederen
(wanneer ’t alfoo de materie / tijdt / perfoon
fegge ick / ſy onfe alderlieffte vrienden / fa ang | ende gelegenthent eyſſchede) an alten onver⸗
epgen vleeſch ende been zijn / ende men haer
hindert / reyn ende plepn leeren ende voor hou-
den.
PE en men …
Verklaringe des Apoftolifchen Bans. 197
den. Op dat wp alſoo ten eerſten ong epgen ſtelten / een gefant oordeel na der waerhent voe⸗
ielen metter leere vznen / ende alfaa onbez ren / de ſonde ban de gemepnte afkeeven / ende
huldigt Lao? Bodt ende alle fijn IPepligen in alſoo Des Weeren onwederfpschelijke hlaerce
en geooten dagh Chriſti flaen mogen. En- | Wooꝛd cact ende bevel / ín onderdaniger gez
De ten tweeden oock niemant faa het hem ten | haozfaembent ordentelijck met allen bzomen
Deele biel / na defen onſchult Baere / ende ſeg⸗ {n’t gebrunit brengen / ende in alder beſchen⸗
ge: Det en is mpniet gefent. denbept helpen / handhaven ende voorſtaen.
Siet untverkorene Bzoeders fn den Heere) / Een tweeden bidde ien alle die / die foo cert
Dit zijn nu de gewichtigfte acticulen ende prin: | fo2ge boor der onverſtandigen after: hebben
cipaelſte oogfaken/ Die ong op het ſtercke bez | mochten / Dat fn doeh de fake met cen od:
nauwe / dat wa (feg ick) geeene defen geont | lijcht ende nieuw gefichte vecht Willen inſien /
alfoa leeren ende inꝰt gebzupek oalt bzengen | hoe níet Dit alleen / maer ook Ben gantſchen
fouden. * nu eenige menſche onder Den handel Cheiſti / gelijk Den vechten Euanges
gantfchen Hemel / hp zp oock wie/ hoe / ofte liſchen Doop / FPachtmael/ Leven/ ende
ae: bpsu/ geleect ofte ongeleert / jonk ofte | den vechten Godg-dienft/ Fc. Bode gants
out / binnen / ofte bupten ong / man ofte | fche werelt alſoo gehaet ward / Ja alſoo eez
vrouwe / Die ons met De kracht der waerhent | nen grouwel / laſter ende ſchande is / dat fn
onderrichten kan/ dat de Echt des Geefts ook upt enkel haet det. waerhept / haer niet
met Chꝛiſto ín den geloobe gemaekt/ boorde en ſchamen alle vromen boor bermaledijde
untwendige Echt in't Lleefch met menschen | ketters / wederdoopers / vot-geerten / hoeren
gemaekt / wijken magh/ metket, Ofte dat | ende boeven te fcheiden ende aen veel plactfen
een Man fijn Douwe / ofte de Drouwe haren | ook om goet ende bloedt te biengen foo gn
Man noch vervoeren / noch met het leben ver⸗ fien meugt. Zijn evenwel bp Godt alſoo ver⸗ Der ónvrd-
ontrepnigen kan/ ten tweeden meeket. Ofte | bert / Dat hpfe voorz fijn uptverkoren hinderen we
dateen braam Man oak niet ſchuldigh en is | bekent ende aenneemt / boor fijn fonen ende romen prijs
De ſalighent aen fijn onbzome vzouwe na vaet/| dochteren / Gogappel Baud ende baouwe. ende eere.
gront en bebel der Pepliger Godlijker Scheift | Ende befehenchefe met de erve fijng onver: Ephef 1. 5.
te foelten / ofte de bzome Vrouwe aen harten | gauchelijken tebeng / Wanter nietg niet on: EeP- * 13
onbzomen Man / ten Derden merkt / ofte dat ———
/ der Den — Hemel en is / dat fp boven sach. 2. 8.
daer twee Banen in deer Schaft. zijn/ Daer | Godt oft gelijk God beminnen, gelijck ſp in Apoc. 19. 7»
van den eenen alleen maer ouer de Geeftelijke bolder kracht met haer opentlijcke daedt Matt- s- 3-
gemepnfchap/ ende den anderen bende over vooz alde geheele werelt betupgen ende kont „Tin, va,
Geeftelijke ende Lleefchelijke gemennfchap | d
fijn berbont heeft / ten bierden merket/ ofte
oen:
In gelijcker maten ook hier met defe onfe
datde vrome Echt · genoot ín der affanderinge fi
níet mede metter Gemepnten afer fijn onvro⸗
faeckte alſoo / Want hoe kan daer imnermeer
20: | grooter ende heerlijchker liefde Godts/
me Echt-genote ſtemmen en derf / ten vijf⸗ ende booahpgijfelijcke belijdinghe bevon⸗
den merchet. Ofte dat er eenige wptneminge | den worden / dan dat eener gewilligh ende
ban Man ofte Prouwe / Ouders ofte kinde⸗ berendt ffaet / niet alleene fijn tijdtlijcke
ten ín de gantfche Schrift aen defen deel gez
bonden wozt / ten fefden mevchet. Ofte dat
gaoedt / gemack/ eere / ende Welvaerdt tilde omt
De Geeſtelijcke liefde vooz De vleeſchelijcke lief:
maet oock fijnen alderliefften vriend die wacr-
ha op aevden heeft / upt de —— vreeſe heyts wille
De Wijchen moet/ Ec. Ten fevenden mere:
ket. Saa begeeren wp ban heeten deſen on⸗
Ehufti tot gehoorſaemhepdt fijng eeuwigen te ——
ten ende Wepligen waerhepdts / noch bp gez Sd nies
fen gront te berlaten/ onſe vergrijpinge te bee | fonden ſtercken lijve onderdanighlijcken tot geen.
kennen / ende Dat tegendeel voor alle de gan:
fche werelt met getrouwer ernſte te leeren/ foo
Chꝛiſtelijck ende vecht is: Want ons en
op die tijdt finder belteeringhe te betmijs
nelt noch lafteven noch prijſen / cete noch
dent Gods reyne bekentenifte met t’famen
de ongevalfte gehoorſaemhendt fijns alderhens
fchande / maer ons gelt alleene de glorie Gods
ende Chꝛiſti / ende De eeuwige ſalighent uwer
ligſten —* en baert geenen ſchouwelijſen
ielen / daeromme wp oocſt een alſulcken onz
laſter noch ſchande. Och latet u geſent zijn.
eerden afſchaefſel / beech-offer/ dreck ende
Cen derden bidde ick dock allen lieben broe⸗
deten in't gemeyn / Dat fn doch alle wegert
buplniffe belet menſchen zijn moeten / foo
men fien maah.
met nuchteren kloecken finnen gedenttert wufls
len / waer toe ſy hate ſchouderen onder dat
vrziendelijcke jack deg almachtigen ende Lebens
Yan ment oackt alfoo níet doen / al& men | digen Gods aebogen hebben. Op dat fh met
t oock nimmermeer en kan / foo is ten eer: alſoo een geſchicktlijckhendt in dat aiderhep⸗
ſten mijn hertgrondelijcke trouwe bede ende
Broederlijchte vermaninge aen alle Die / die
een miſduncken over deſe fatte heben moch⸗
ligſte verbondt ſijnder genaden voor hem ende
alle Menſchen handelen / ende met haeren
| achte | Echt-genaot / ín alfoo een bꝛomighent /liefde/
ten / ſy haer doch niet met eenige lafterlijcke | eenighent / ende zede leben ende wandelert
ſchelt woorden aen Den ſteen ende fijn Bou⸗ magen / met alſoo een trouwighent erde foze
lieden dao? een onrenn verſuert gemoet ver⸗ ge waernemen / datmen na defen in ceuwig⸗
ene grijpen willen / noch pemanden met onberftant | hepdt nimmermeer / meet ban dat bedzoefde
naer. Ám eenige ongehoorſaemheyt des woords / ofte | Bannen ende afdoen / dan bande oprechte
ín de periculen deg afbals ende Des verder⸗ Chziftelijke vromighepdt luſt ende Bodlijcke
vings ophouden / ſtercken oft trooſten willen / vreughde nu ende tot allen tijden / fprecken
op dat fp Der vreemder fonden niet op haer en | erde haaren moet. Dencket nà watmen aen⸗
laden) Maer Dat fin deg Weeen goeden witte wijſt.
ende nutfalige odeninge / fijn bebhoorlijehe | Cen bieden bidt ick alle die / Die tot eeni⸗
eere ende prijs ook fn deſen deel geven willen. get tijd met defen f Waren jammer machten rt
Dat ergerende ooge haerg misverſtants untz) °t bevdriet komen / dat fa haer dach alfdan ht
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
*
5
198 Verklaringe des Apoftoltfchen Bans.
voorſien / Dat fr Dat ſorovuldige epgenſoecke⸗
life lupe en trage vleeſch Boven Chꝛiſtum niet
en ſoelien / noch met eenige bijgebladeren deez
Yen. Opdat haer des Heeren toozu / Die al⸗
le valfche leugenen / hunchelie / ende liftige
Ee is / níet en ſtraffe / met ver⸗
lindinge en berkeerthent/ níet en flac / ende
De reyne vreeſe Godts Kloechelijctsein wíllen | ook daerom De factie nach nont met ernſte né
gedacht. Siet / het ig voo? Godt de waerhepd
dat ick ſchrijve.
Des ſelven gelijlten hebbe ick oock ontrent
Anno 49. In een geſchzeven boeksken gedaen
tegen ſommigen / Die Den Ban alleen op DE
Geeftelijke gemeenſchap dringen wouden / en
ons alle wegen met laſterljcke woorden over
haer deel met Den hupchelaers fette: Maer klaegden / hae Wp een hert / wzeet / onbarm⸗
Dat fp dooz kracht eens waerachtigen geloofs/
(detwijle het haer ongetwijffelt / hert / en zwaer
ballen woude) haer felven im Chriſto Jeſu
cídderlijken mogen overwinnen / en alfoo ín
dee gehooozſaemhent volftandelijk nackomen
dat haer de Heplige Geeft der liefden Chziftí:
ook in Defen Deel bevolen / en met ſiin Heplige
— geleert heeft. Och laet'et ong naden”
ten.
Cen laetſten / bidde ick alle outften / / Tee⸗
raers / Dienaers en Doogftanderg ín der lief”
de Chriftí/ Dat fp doch deſe gantſch zware far
ke níet met vookeloofe/harde en onverftandige
finnen/ maer met bolder Gods boreeſe / Chri⸗
ſtelijke beſchendenhept / cn vechte Vaderlijcke
ſorge ín Der rechte Apoſtoliſche maete leeren
hertig en Phariſeenſchen Lan driven.
Een laetften / oock met gantſch weypnigh
woorden tegen Gelleus Faber. Ende en hels
nopt tot op deſen dagh tot eenige gewiſſe ons
derſchendt ín mijn gedzuchte Schziften daer
van gemaekt / noch dock niet konnen makten/
bekenne ík bop ups. Want ick niet bevichtig
genoeg Daer in geftaen en hebbe / alſo lange De
ſaeke níet bp fommígen ín twift gevallen / en
alfa tot mp gekomen is. Maer doen ick nu
den grond des twift ljtigkjk gehoozt / ende
alle fijn omſtandigheden op dat gewichte des
Pepligen Godthjelten Woordts met grooter
forgvuldighent bp mp felven gewegen hadde /
hebben mp defe fes volgende oozfacken een
gerfegelde gewiffighende met bolder kracht
en drijven willen. ANiet al te haeſte / ook niet al | daer in gemaeckt (Den helper aller benaeu⸗
telanchfaem/ níet al te hardt noch te flappe.
Ex.23.19. Op dat fp de jonge tedere bocksſtens niet en
en 34:26, Kooken / alfoo lange fn noch haers Moeders
eu.i4.22. DDelkfimgen/ Maer Dat fr de nieuwe weelie
Anꝛkens van haers Kants bzuchten eerſtmael
bj Dac Hemelſche bper ban een ongevalfchte
Des Beeren pepne liefde hart en dzooge maclien. Gu den
liefdeder _mogtiet deg hepligen woozds ín ſtucken ſtoo⸗
Broederen fen, De olpe deg h. Geeſts / Die ong tot alle
leertrecht geboogfaembepdt Ehriſti eenen goeden Wille
“_ geeft / Daer op dzunpen. Den welriekenden
tepnen wieroock ban een oprecht vaſt Geloo:
ve / daer unt het alle volgen moet / en alſoo
Zever. luſtig ín des Heeren neufe rielit / daer op leg-
gen/ en alfo den Heere tot eenen aengenaem
fpijg-offer in fijnen Wepligen Tempel toebzen-
gen/ín getrouwer liefoen / neem ’t waer / Wat
mijns vermanens grand is.
Dat men de bekende ergerlijke vlee-
_fchelijcke fondaers ende gebande
Gods van der Gemeenten af-
doen, ende alfoo tot een ge-
noegfacme boete met der
Schriftaen wijfen fal.
Dat vijfde Capittel,
AN eer ickt dan tot de verklaringe ban dez
fen Artijliel voortvare / il ick den Le⸗
ſer eerſtmael foo veel vermaent hebben / hoe
fcit ontrent den tijt van achtien Garen een ver⸗
maninekgken ín dzuck heb laten untgaen /
daer ín ick geen onderfchepd Dec fonden over
sonderbe- af gemaecht / dan doo? mijn onberfochthepdt
jeinge af m’t gemeen op drie vermaningen gewefen
weynig. hebðbe: fch fegge onverfochthent/ want ick
mijns weteng doen ter tijd noch nopt ban ee⸗
nige Woerderpe / Oberfpel/ Ec. onder Den
SBroederen gehoort / noch bevondenen had⸗
De. Wetdochte mp ookt onmogelijkten te zijn/
dat de gene / die haer mede op De Bane der
gerechtigen begaven/ luft af wille tat alfulken
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
droven geouwelen hebben fouden. Ende had en mede-genaoten Chzifttachteden, En De
alfo
Der zielen fn pzijs boo? fijn Genade) als dat
men de ergerlijke bleefchelijke Sondaers / ge-
lijk Hoereerders / Overſpeelders / zone:
| kaerts/ Ec. tot een openbaer beſchaemthend /
en beſtraffinge Gaerder grover fchanden / met
haer Godtloofe boofe werk / oalt fander eenic 3GO1-56.;
ge middel Der Voorgaender vermaningen fn 771
kracht des Pepligen Godlijkken Woods Lan
des Heeren Peplige Gemeente afdoen / ende poonSro
alfo tot de Boete wijfen fal / ick ſegge in kracht coro ze.
Des WooPds/ want bet is ten eerſten open⸗ Gals.zr.
baer / Dat Paulus leert / hoe noch de Hoereer⸗ ——
ders noch Gverſpreiders / noch Weechtingen / 7-8:
noch jongenſchenders / noch de gierigen / noch en 21.15.
drzonliaerts / noch laſteraers / noch Dieven /
noch roovers / Gods rijck be-erben en ſullen.
Maer dat haer deel De eeuwige dood / en vperi⸗
gen poel zijn ſullen.
Aengeſien het dan meer als klaer is / dat
haet berdoermende oordeel (ſegge ick ) afreede
daer flaet / Daer mede fj ban Godt ſelve door
fijnen eeuwigen Geeft en ſterke Woozd bepde
in den Demel enn op der Verden al gericht zijn /
haer felven afdoen / en De germeente mits haer
ongodlijcke boofe Werk berlaten / Dat fn nu
niet meet gelijck voorhenen / vleeſch ban
Cheiſtus blecfch/ noch Lidmaten acn fijn
Heplige lichaem en ziju / dewijle ſy fa bleeſche⸗
lijken dupbels zijn. Ja haer ſelven wederom „pet. 22.
tet {Ponden ende Swijnen/ ende tot epqen Loa8.34»
knechten der fonden gemaelst hebben / en wpa Rom.zo.
haer dan noch / Die alreede (ſegge ick) dun⸗
bels kinderen zijn / vermanen / en fo men om
een Bloote belofte wille / oock fander eenige
blijkende beuchten ban een oprechte waerach⸗
tige boete baar onfe lieve Gzoeders houden /
ende met deg Leeren vzede begroeten fan
Den / Waer immers in der Kracht Lan ons
anders níet gedaen / Dan dat wp dat vecht:
beerdige oopdeel Des almachtigen en grooten
Gods ban fijnen engen Geeft en Woort ober:
alſulſe evgerlijke leelijke vleckers dooz fijn
H. Apoftelen uptgefpzoocken boor onbondia
en valfch hielden. En alſullie openbare plons
pe grouwelaers noch voor kinderen Godts
ai ee
‘ige grant
Verklaringe des Apoftolifchen Bans. 199
alſoo cen groote verachtinge Chriſti / ende / Weten / de overtreders een onrechte boete mits
—— fijng rechtbeerdigen — ole Schrift ——— boor God ende fijn Gemepnte doen / |
dat gy mee beftaen kan / woude ich Dat wp alle ín be bree: | ende alfao cen geſupvert / reyn / ende nieuwe |
wi iechten fe ong Gods / fonder alle partne vecht kon: | confcientie weder met Garen offer ende gaven
Rom, 9, 20, den nadenchen. als de wacrachtíige gevepnigde Hepligen Cheri⸗
| Cen tweeden i8’topenbact/ alg dat onfe
misgonſtige met alle neerftighept daer op toe
leggen / Datfe maer een hieyn ſplinterken aen
ons binden konnen (dewijle fp ons om der
waerhents wille fao nijdelijk haten) dat fp tat
eerten grooten Balck maken ende hooge aen
Ons lafteren mogen. Ende Wp Dan noch al
evenwel alſulcke openbare ergerlijke fchanden
ende ban Bodt berbanden grauwelaers fan:
Dec eenige blijkende vzuchten ban een Waer:
achtige boete / alleen flechts ( ſegge ick noch
andermael om een bloote belofte wille / die bj
avontueren meet unt bleefchelijckter fchaemte
ſti / tat den Alcaer Der verſoeninge in fijnen
Henligen Tempel komen mogen / Och denez
bet na wat wp aenwijſen.
Cen bierden ís °t openbaer/ als dat ons
Paulus leert hae Wy een fectifchh oft ketters
menſche eens oft tweemael maer bermaent/
ende hn hem dan niet en fchicket / bermijden
fullen / aengefien wp hier dan niet wijder ban rit. 5. zo.
Des Heeten Deplige Geeft gedzongen en Wop- Hebben niet
‚Den / Dan maer eens ofte tweemael alfullie “ls enden
3. vermanin=
lieden te vermanen / die een pact noch ím’t gen?
uptwendige leben gantfchh Lzoom zijn / ende
ooft bp avontuere haerder ſommige anders
ofte hunchelne / alg unt eeníge vzeeſe Godts ‚miet en Weten / dan dat fp met hate falke vecht
| gefchiet ) baoranfe liebe Broeders beltennen/ | daer aen zijn: Segt lieve / hoe falmen die
* ende Dat vzeedſalige Brood der ongevalſter Dan dan mael moeten bermanen die haer níet
Chꝛiſtelijker liefden in Des Weeren Wenlige Len fchamen / niet alleene tegen Gods platte
Nachtmael met haer bzeken fauden / ende.
fouden ’talfaa metet werlt betupgen dat fp |
medegenoten onſer Vercken waren / foo wou⸗
den Wp ongettwijffelt de ſchoone beupd ter ee: |
ten Chꝛiſti daer mede tat een feer Tafterlijche
fchande alten Godlooſen / ende tat cenen ge⸗
beelen ſchimpachtigen roem allen onfen Vn⸗
anden hoosftellen. De barmhertige Weere
behoede ans / dat wp alſulcx na deſen nimmer:
meer gedencken / ick fWijge Dan daen ſouden.
Och doet ‘er acht op.
Een derden is ’t-openbaer / alg Dat men
met alfa een Dan Lermaninge over alfnlcke
grove ende ergerljke grouwelaers / ooſt wel bez
le ende groote hupchelaers maeken foude /
want ’et ſommige (foo ick hoore) binnen ftoz-
ten jaren geweeſt zijn. (Och God) die hare
leelijke ſchallihent ende fchande alſoo Tange,
ín ’t verborgen dzebven / tat dat'et Den tijt ende
het werkt niet twel langer ſwijgen en Wouden.
Alle weenen Ia ſoo men ’t een part na Dat ick verſtaen
ende klagen hebbe gal nach niet met grooter kloekheyt en
@n Is geen
bocte, «
Deut. 23.6
Ezech. 23.4
hadde untgehaelt / fe Waren vreſe ickt / tot op
deſer neen bp haer oude gangen Wel gebleven /
maet wanneer 't aen Den dagh quam / foo
hoordemen huplen ende Weenen. Want wie
foude immermeer alfoo gants berbijftert mo⸗
gen zíjn Wanneer hu fijns naeften vrouwe /
Dochter) ofte maget gefchent hadde : fijn kiſte /
huns / ofte bundel beftolen hadde / Ec. Ende
hu daer ober beflagen / aengefpraken ende
hermaent worde / die dan níet ſeggen en fou-
den: Och het is mm leet dat ick Dat gedaen
hebbe. Nengemerkt der ervaringe dan hoe
langer hoe meer ong alſulcx leert als gehoort
is: foo is ’t immer ook billilk / ende na der
fcheift behoorlijſt dat Wp alſullie plompe en
onbefchhaemde tentenktackerg geene ſtoel meer
en ſetten / kuſſens maken / noch ín hare onz
godlijke handelen / ende booſe Wefen metten
valfchen Pzopheten Tanger ophouden / maer
Daer henen wijten ende fetten / Daerfe de Wen- ‘Bh
lige geeft Gods metter ſcheift / wſt ende fet- |
tet / te Weten / bupten de gemente. Op
Dat wp alfoa des Heeren oordeelen over alfulz
Ke lieden ín ’t woort untgeſprokten niet en Herz
Klepnen / de gemepnten der genaden / dat
foete Deeg Cheiſti / de gefalfde Coningen en
Paiefteren Godts bu haren heerlijcken reuck
fn weerde blijven mogen. Ende aak fn / te
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
woozt maer ook tegen De aengeborene rede⸗
lijke Wet dee natueren te befandigen / met
opfettige finnen haerg nacften vrouwe / doch:
ter ofte maegt te fchenden/ in de openbare
Dzonkene Herbergen ende ontugtige leelijke
ſchant · hunſen te loopen / (nkoopen ofte ber:
koopen / ofte ín eenige handelen anders moets
willige valfchept te gebrimken / Ec. Somma /
dat alfulkke lieden zijn / die alreede ſegge iclt /
am haet groote booshepts wille/ is t dat fn
haet anders niet en bekteeren / tat den ecuwí-
gen Dood ban des Weeren epgen geefte ende
woord al bevoordeelt zijn / alfoo gehoort is.
t Woude immer ooft mijns bedunkeng al
te ongerijmden Ding fchijnen / Wanneermen
de fake met berftandige finnen te vecht na—
denkt / Datmen alfulke ontuchtige Îeelijke
ſchant· drijvers (Bie alreede met Chriſtus enz
gen fleutel van hem ín den Hemel al gebonden
zijn ) noch met alfoo een dp vermaningen
baar det affonderinge ſouden naloopen. Ende
fn haer bande eerſte / ende ook noch de tweez
de ſchoon al Wepgerden / Datmenfe dan noch
ebenwel voor broeders ín de gemeynte houden
ſoude / tot op De Derde vepfe toe / lieten fin haer De ronde
Ban nach hooren / Dat haer leet ware / ſouden meer {potten
fp onſe broeders blijven / faoniet/ foo founder als Lreffen
men haer als dan voor de Gemennte unt
Godts Wooꝛdt verkondigen / dat fp geen
gemepnfchap meet aen Chriſtum en hadden,
maer verdoemde lieden na Der fchzift waren.
Alle Die van God geleert zijn / laet ick fonder
alle ſuerdeeg ban partne rechten / hoe alfoo
een leere ende handel na deg Beeren vecht ende
woort beftaen foude.
Cen bijfden isꝰt openbaer/ alſoo beel ick
fn mijnder kleynheyt rechten kan / dat ookt
de heplige Paulus dat vijfde Capittel des
eerſten Bziefs ín alſoo een fin ende verſtant /
als bier verhaelt / aen die ban Corinthen gez
ſchreven heeft: Want hp fept / datſe metten
oereerders / gierigen / afgoden-dienacrs /
dzonlten bolten/ %c. Noch eten noch gez
mepnfchap met haer hebben fouden. Koert
niet ban een eenige vermaninge / ik ſwijge dan
ban twee ofte dzn. Maer fent / dat een Wen:
nigh ſuerdeegs dat gantfche beflaah berfuert.
t Welk ook fonder alle twijffel alfoo waer is:
wat ſuer De vzomen meniahmael om alfulkte
leelijke F wille rieken moeten / die anders
c wel
fehijnen.
s Cor. 5. s.
Gal. sG.
Exod. 13. 4.
— ——
2 Cor. 2.8.
Ick rade
fie eer men
weder aen ·
nemet.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
1 Cor. s. 4.
datmen toe
200
twel eenen aengenamen ende luftigen veul: bp
belen zijn fouden / heeft ons ’t Werk (eplacen)
meer alg genoeg bewefen.
Een fef den is ’t openbaer / dat Paulus dez
fen gerond / oolt niet alleen alfoa geleert / maer
ook met een openbaer exempel aen den onren⸗
nen Cocínther /- Die met fijn epyen ftiefimaez
dec onbehoorlijk te hups fat / inder daet bez
wefen heeft. Want hy hem fander eenige voorz⸗
gaende vermaningen na fijn ongodlijke booſe
werck gevichtet / en met fijns Weeren geeft en
moogt van de Gemennte afgedaen heeft / den
Dupvel obergelevert / oft toegefent / dien hi
doch alveede met fijn onmatuerlijkte leelijke an:
kupshent al vervallen was / op Dat fijn onz
repne ſchandelijclie vleeſch/ mitg alfulck een
aengcwefen ſwaer oordeel ende groote Le-
fchaemthept door een oprechte Waerachtige
boete ín fijn onbehoorlijclie fchandelijke lusten
moght bederven ofte ondergaen / ende fijn zie⸗
te falíg werden ín den dag deg Heeren Jeſu / is
ook niet ect weder aengenomen / dan na cen
Jaer oft langer / foo de Hiſtorien melden / als
fp alſoo een Ieetwefen aen hem fagen/ dat ſp
breefde / Dat hu ín al te grooten rouw moght
beefonken hebben. 5
Woude dat felve oolt mijns bedunitens noch
wel goet zijn / Dat men alſullie openbare bleez
fchelijfke bleckerg ende grove grouwelaers / Die
foo overmate groote laſteringe ober Dat henlige
woort / en een ſoo f waren droeffeniſſe over alle
bzomen met haer Godloofe leelijcke ſchanden
brengen / níet alfoa haeft om cen belilachtig
ſchoon Woost / oft belofte Wille weder aen cn
neme / maer wel blfjtelijfken in De vruchten
haerder baeten eerſtmael eenen tijt lang onder:
fachte. Want’ ten is niet altijd boete / als men
ſchoon fept : íclt heh gefondigt : Maer een om⸗
gekeert) verandert /broom/en nieuw herte / cen
gebroken /verflagen/ledig en rouwig gemoet / en
Daer upt de bedroefde heete tranen De belijdende
Klagende mont, Een waerachtig aftecven van
% guade/dDaermen in gelegen heeft. Een ernſti⸗
ge hertavondelijke haet der ſonden / en een onz
befteaffelijk Godfalig Cheiſtelijſit leven / is de
rechte boete Die vaar God gelt. Och leert doch
bende boete en fonde kennen / bidde ick u.
Neemt ’er acht op.
Siet mijn getrouwe broeders hier hebt gu nu
mijn wichtigfte Schriften / vedenen en oozfaz
nen / die mp op Dat albermeefte bewegen Dat ick
Defe falte ín rennder Gods beeft wat Dieper
hebbe na gedacht. Segge wederom gelijk ict
baven ín de affonderinge tuſſc hen man en Lzou
alveede eenmael gefent hebbe. Aser pemant
onder den ganſchen Hemel / hi zu oolt hoe / wie/
oft waer hu zu / die my met beſtandiger God⸗
lijker waerheyt leeren kan / dat een openbaer
bekent hoereerder / overſpeelder / dzonksaect/Ec.
Pp zp dan hepmelijk oft openbaer / alſoo lange
noch een litmaet aen Des Heeren Heplige Li⸗
chaem blijft / alg hp niet metten twee oft dap
dermaningen aengeſproken ende verſocht ís.
meernt: oft dat deg Penligen Geeſts oordeelen
ban Paulo en alle de gantſche Schrift ober al-
|
fulke doodlijſee grouwelaers uutgeſproken / op |
eenen grant oft conditie van ecn / twee oft dap
vermaningen bebeftigt zijn /_ ten tweeden
merkt. Oft dat wp geen fchande der laſterin⸗
ge over den brommen bebzeefen en derben / wan⸗
neerder maer alfaa cen mondg belofte om hem
te beteren Daer en is / ten Derden merckt:
Verklaringe des Apoftolifchen Bans.
Ofte dat tan door de macht der ſſeutelen mo⸗
gen binnen houden / die God alveede ſelbe met pete voor:
dat woord fijng waerhents hunten ons geſet geferte arti
heeft /_ ten vierden merkt: Ofte dat de gee Clean denk”
mepnte op ’t ongewiffe (ich mepne fonder cen
waerachtige blijkende boete) met Chꝛziſtus
Penlige Geeft ende woord rechten / ende alfoa
wel de hupchelaecs als de vechtboetbeerdige
ín alſoo eenen bal als hiet met toelatinge det
Schrift aenhouden / en boo? Chriſtus broeders
groeten magh / ten bijfden merkt : Ofte dat
De felve Germepnte ook Gods genade / barm⸗
hertighent / Leede / ende dat eeuwige Teven
pemanden met waerhept en kracht der ſchrift
berkondigen waal / díe alveede niet haren
doodfchuldigen boofen handel ander fijn onge⸗
nade/ bloekt / toorn ende ſtraffe deg eeuwigen
dood ſtaen / ten fefaen merkt: Ofte Dat
niet den bedzeben grouwel ofte ſonde / ban dat
afdoen der Gemepnten de Sondaerg ín den
daod beengt / ten fevenden merkt : Ofte
eok dat níet Den geeft der genaden mits een op:
vecht geloove ende waerachtige boete foo voor
God gelt/ dan ſoomen De uptwsendige conwer⸗
fatie in Der gemepnte / Den overtreder De bez
lofte des Tevens medebzengt/Ec/ ten achtften
mercht : Soo begeeren wp hem ban gantfchee
herten Daer in te bolgen/ ende dat onſe te Leve
anderen ende afteftaen. —
Maer kanmen alfulks niet doen / alsmen
ook nimmermeer en kan/ (aa bidde ick allen
den genen díe over deſen gront bemoepet ſtaen /
datfe haer doch den pdelen trooſters ende den
valfchen Propheten níet gelijk en maken/ Die
de handen det boofachtigen ſtercken / Den
want met balfchen Kalk plaefterden en leer⸗ Merke
den brede / bzede/ ende dach geen bzede daer ro.
en was / dan dat ſy Des Heeren oordeelen upt zere. 8. v.
de borſte fijns Godlijkken rechtveerdighegts gez
vloten / ongebroken flaen laten: De bedzie:
gelijke kuſſens ende tvooff-peluwen den God:
faofen onder haet hoofden ende armen Weg
ſcheuren. Chꝛiſtus heplige Wijnberg / Stad/
Pups bp orleans ofte gemenn⸗
te fuer ende reun houder, Alſoo bezre alst
mogelijk is / op dat gewiſſe bouwen / en alſoo
de onboetbeerdige ende bleefchelijke Sondaers
mette Sclyaift totter boete wijfen/ foo gehoort
ís. Handelt trouwelijk / denkt na ende leert
wijf bent.
Van de heymelijcke Sondaers die in-
wendig wederom van des Heeren
Geeft vermaent , en tot cen
oprecht berouw en waer-
achtige boete bekeert
worden.
Dat fefde Capittel,
D E bolle wenſch mijns herten is tot den
Deere ſtadelijk / dat een pegelijcht ban ons
allen / fijnen Gad alſoo vreeſe en enne dat hu
ín Ben Geeft ende Waerhept met David ſeg
gen magh : Waer fal ick henen gaen Loor
uwen eeft ende waer fal ik henen vlien voor u
aengefichte® bare ick ín den Wemel faa zijt art
daer / bedde ick nap in Der Wellen / fiet faa zijt
ap ook Daer : Neme ick De vleugelen des dage:
vacts ende blijve aen Dat eynde ban det *
aa
— den
*
PL 139. 7.
EQ. 29. 15.
Rom. r. 2
xr Cor, 6. 10,
Apoc. 21. 8.
te
faa fal mp doch u hand Daer lepden/ ende u
xechterhaud mp houden. Sprehe ick: De
Dupfteeniffen fullen mn bedecken / ſoo fal oock
den nacht licht om mp zijn. Waut de dunſter⸗
niſſe oockt níet dupſter bp u en í8/ ende de nacht
lichtet als den dag / ende de Dupftecnifie is alg |
Dat licht want gn hebt miju niecen in gez |
elt/ap waect over mp in moeders lichaem oalt
net Cfaia: mee ben genen die boor den Deere
willen verholen zijn om haer voornemen ím ’t
berbozgen ende haer doen ín t dunſter te hou⸗
Den / ende fpzelien: Wie fiet ons? ofte wie
kentons? Meckt/ hu fent: Wee.
Uptberkoren broeders / neemt waer / nie
mant onder den gantfchen Wemel en Kander
in eenigen haelt der gantfcher werelt alſoo ver⸗
ſtelien Warden / díe niet ban de vierſtralende
oogen Des Heeren gefien / en ban de grimmige
baud fijnder ſtraffe ín fijn koof hept gebonden
en fal Worden. Fa een Dat alderminfte gez
dachte en lepe in anfe herten niet verborzgen /
dat niet nacht ende bloot en ffact boor ded Pee:
ten oogen: waerſchouwe daerom eenen pege⸗
lijſien in't gemeyn / dat ge uw Doch wat alle uwe
Krachten boog de fonden Wachten wilt/ want
fa gefchieden dan heamelijk ofte openbaer / foo
ſp unt geheelder heeten nict gebaet en Warden
moet be eeuwige dood haer deel ende loon zijn /
Dat mogen alle onachtſame ende ffaute Son⸗
daers Wel bedenkken.
Dit ſcheyve ick allen onfen Lieven Bzoede⸗
ren aldus tot een Chꝛriſtelijcke waerſchouwin⸗
ge/ opdat gu des Heeren oogdeelen / bepde ín
t hepmelijkk ende openbaer ban herten vreeſen
ende een qeheelijk grondelijke mijdinge voor de
fonde dzagen foud. Want foo wie Bier fchaan '
ban den menfchen niet geftcaft noch gefien en |
wozden / foaen konnen wy evenwel Gods oa: |
gen en ficaffe niet antgaen. Och dat wp alle
Dies verſtant hadden.
gefchiede) dat hem pemant hemmelijkt in eenige
bleefchelijke grouwel tegen ſijnen God befon: |
Digde / daer Lao hp ons doot fijn fleclte kracht
alle wil bewaren / ende hem de geeft dee gena⸗
den Chziſti / Die alleen De echte boete in ons
allen verwecken moet / wederom ín ſijnder
herten acu grepe / ende met een oprechte boez
te Befchenkte / daer af en heben Wp níet te
godeelen: Want het tuffchen God ende hem
Verklaringe des Apoftolifchen Bans. 201
Hoe, ofte wat den rechten grond
ende fin der fpreucke Chriſti,
Matth. 18. vers. 15. Is’
dat u Broeder fon-
digt tegen u, &c.
Dat fevende Capittel.
O Nſe eenige ende eeuwige Hooge-priefter
ende Leeraer Chriftug Jeſus heeft onfe
arme / gebreeckelijcke ende fwactte aect fonz
der twijffel wel gelient / daer vpt (Wanneer:
men hem ſelven niet met alle neerſtigheyt
waet en nemet) Wel menighmael heel ver⸗
grypingen tegen onfe naeften herlomen / enz
de daerom ons aldus leert ende ſeyt: Ast
dat u broeder ſondight tegen u / ſoo gaet hez
nen / ende ſtraft hem / tüſſchen hem ende u
alleen. Hoort hu u/ foo hebt gp uwen Groe:
Der gewonnen. Hoost hp u niet / ſoo veemt
er noch een ofte t\uee tot u / op Dat alle faecz
ke (n Den mond ban twee ofte Dn beftact,
Hoort hn Die níet / faa feqget de gemeynte aen /
hoort be oock de gemepnte níet / foo houdt
hem als een Wepden ofte Tollenact / Ec.
Waer ap hem Peteug vzaeghde: Hoe menige
mael he fijn beoeder dan bergeben faude / oft
genoegh waer aen ſevenmaet? Cheiſtus ante
woozde. Ick ſeggen / niet fevenmael/ maer
tfeventigmael ſebenmael.
Deſe woorden Chꝛiſti leeren ten eerſten Matt. i8. 21
openbaer / foo hem pemant upt eenige roecke⸗ Loc. 17. 3-
looſigheydt / gebzechelijchhendt / onbedacht⸗
hendt / jonckhepdt / ofte unt eenige misver⸗
ſtandt / bergrijpelijcher wijfe aen ſijnen bzoe⸗
det beſondighde / dat deſelve hem als dan níet
iin ſijnder Gerten Daeram haten / noch oock
Ja doch / ſoo het evenwel tot eeniger tijdt
niet met fijn bergeijpinge fimuleren / maer
upt oprechter broederlijcher getrouwighendt
bermanen / ende alfoa in der liefden ſtraffen
fal/ op dat fijn lieve Broeder niet wijder en
vervalle noch en verderve / maer met alfulks
te vecht kome. Ende oock hp om fijnent wil⸗
le / gelijck Moſes fent / geen Schudt en drage /
is oock Dat felve alfoo alder rechtgeloobigen
actt ende falbinge / niemanden om eenige verz
grijpinge aen haer geſchiet / te haten / maer
flact. Want nademael het openbaer is / als unt heeten gront dact natedenchien / Datfe de
dat Wn onfe gevechtinhent ende faliatent /
Lev. I9. 7.
De vergrijper onderwijſen / ende op Den vechten rechtechrie
guptfcheldinge onfer fonden / voldoeninge / wegh der liefden brengen mogen. Want een tenen en
berfoeninge / ende dat eeuwige leken / niet ín | vechtveerdig Chriſten en kend geenen haet.
Cen tweeden leeren fm / alg dat de bergrij- 3: *°-
den Ban / noch door den Ban / maer alleene
haten niet.
n4-5
in Chriſtus gevechtighent/ voorbidden / ver⸗ per de vermaninge fijns verongelijckten Broe⸗
dienſte / Daad / ende bloed foeken/ ende aolt ders in Der Liefden opnemen / ende hem Wez
hebben, Ende nudie twee epgentlijcke epn- | derom Lan Gerten gront veefoenen fal / qez |
Waer des Den waeromme De Dan Van der Schrift bez | lijck hn ons oock noch op een ander plactfe |
|
|
Bans oorfa- goten is / geen vecht noch plaetfe aen hem he: | ieert / ende fendt : Als op u gave tot den
niet ’ 2* — — hd v*
ia daer Den en konnen / dewhle ten cerſten De fonde | Altaer beengt } ende gedenclit datu Bzoeder
en is oock bepmelijk is / ende daerom ook geen verſue⸗ wat tegen u heeft / ſoo laet u gave Loor den |
Been Ban. ringe Daer van bolgenen kan. Ende ook ten, Altaer /- gaet henen / ende verſoent u eerſt match. 5.3. |
tweeden fijn herte mits berouw wederom qe- | met uwen broeder.
flagen/ in fijn leven nu boetveerdig is en\ _ F8 oockt dat felve ín gelijcker maten alſoo |
daerom oolt geen beſchaemtheyt om tot bez, al der vecht gelaobigen aert ende ſalvinge die |
rouw te komen / meer aen hem noodig en is / unt dat heplige zaedt des vredes Goddelijck
foa en heeftmen oock over al geen bindende | geboren worden / foa fa haer daar eenige Herz
Sleutel Chꝛiſti / nach eenig Godlijk bebel/ grijpinge aen haten Broeder befandigen ; dat
Daer mede mien hem noch herder ſtraffen/ | fl
ofte. boor De gemennte binden ende befchaz
men kan. Dencht maer wat Wp aenwijfen.
p noch ruſte noch vzede in haeren herten en
vinden / alſo Tange als fin hem niet wederonnne
in bolder lief den gevredigt / en een hertgrondee
Cc2 lijcke
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
| di
- vi an ks KE
202 Verklatinge des Apoftolifchen Bans.
lijclie verſoeninge ín Chriſto Jeſu fonder alle hy ſent: Is't dat u Broeder fondigt tegen u.
gevennfthend met hem gemaeckt en hebben / | Merkt Dac hp fent tegenu : en niet en ſent / te⸗
want fin zijn een zaed en geflachte des vredes /, gen God. Want alle wat hy tegen u fondight Reg 2.25.
kinderen Des vredes / kinderen der liefden 4 dat moogt ga hem bergeben / alſoo bere als
EEE EN | Die haer Cheiſtendom in Der Kracht bewijſen/ ’tu aengaet : Maer niet Dat tegen God ban
HON en met der daet betupgen dat fn Godt kennen/ | hem gefondigt Woet. Oeh merkhet.
EEDE maer díe alfoo niet en doen Die hebben hier) Eentweeden/ dat hu fept: Beſtraft hem
| Chꝛiſtus epgen UDaozd Dat haer richtet / Want tuſſchen hem en u alleen / merkt: Wp fept tuſ⸗
If hoe wel dat de eerſte vergrijpinge famtijds in ſchen hen en ualleen. Ende dat een openbare
IN hem ſelven noch foa geen epgentlijclt werck misdaet of ſonde / niet een hepmelijke / maer
Uyteen
kleyn
koornken
der onge-
rechtigheyd »
was ’1 wel
een grooten
boom vol
met fonden
en boosheyt.
Rom.8 6.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
des doots en is / foo macktfe evenwel den herz
grijper / Wanneer hj der liefde wepnigh acht
geeft middeler tijd alfa vreemt en bleefchelijk/
Dat ha om fijn ongefchickthends wille alfa een
berde ffcaffe D2agen moet. Want't is meer
dan hlaer/ dat hu fijnen Bzoeder veronge⸗
lijkt /De vermaninge fijnder liefden verſtoot /
tegen De Cheiftelijke liefde handelt de Ge⸗
meente Gods beracht/ deg Heeren Woordt
verwerpt en Dat hu lieber in fijn vergrijpinge /
Door fijnen onbupgelijcken ftijven ſin onbe:
fchuldígt blijven wil. Wieder op den krom:
men wegh des onvechts wandelen Wil/ jae
liever Chreiſtus vijk en volli verlaten wil / dan
ha fijn Galfteeche ſtoute vleeſch in Defen deel
verkleynen / en hem met fijnen lieben Bzoe⸗
der / daer aen hy geſondigt heeft / nades Deez
ren Wooꝛd ín der liefoen weder verſoenen ſou⸗
De. Necht is Paulus Wooꝛd / Vleeſchelijck
geſint zijn / is de doodt / ech Doet’er acht
Ten derden / Teeven fin: ſo de misgrijpende
een openbare beſtraffinge toebehoort / hope ilk
dat fp/ mp alle wel fullen toeftaen Die Des Hen⸗ „cor.s.s:
ligen Woods verſtant hebben.
Ten derden / Dat be fept/ dat alle fakten in
de mond van twee of dzie beftaen fal. Merhit /
ho fept van twee of drie. En dat een openbare
obertredinge geen getupgen en behoeft / maer
fijn epgen befchuldiger een getupge is / is
klaerder alg den ſchoonen dagh ís.
Cen vierden / dat Gu fent / fo ſegget de Ges
meente aen. Merkt / ha feptde Gemeente
aen. En dat men eert openbare belkende ſchan⸗
deden genen Wilde aenfeggen/ die't alreede
wel wi ft een onnodig Werk is / meeten fp mu
el, ja feggen/ die flechts veden ende vernuft
ebben.
Een bijfden / Dat hy oolt ín Wuca fenc / foo
uwe Broeder fevenmael beg daegs aen u ſon⸗
digde / merkt / ho fent aen u ſondigde / ecn dat
hem pemand ſebenmael des daegs (ick zwjge
noch tfeventig-mael-fevemmael) aen fijnen
Broeder doodlijkt beſondigen foude, en Doet
ì
il
|
!
2Cor. 13. 10.
Lu.i7.4.
Broeder / ſijus verongelijckten Bzoeders geen waerachtig Cheiſten / noch wenniger aen
Bꝛoederlijke vermaninge upt getrouwer her⸗ Bod. Och doet er acht op.
ten aen hem geſchiet / in gehodrſamer liefden | Cen feften / Dat hp fept: En fchenmael deg
opneemt / hem oatmoedelijk verſoent / ende daegs tat u guame ende fepde : Pet berouwt
alfa weder Van fijn vergrijpinge afſtaet Dat, mp / merkt / dat bp fept: Cn febenmael deg
hu als dan dat felvige niet meet aen hem ge⸗ daegs totuguame. En mijn beemoeden is
Denciten maer Ban herten geont vergeven fal / | fo pemand maer. twee of dziemael Des Jaers
foo hu oolt ſchoon veel meer aen hem gefondiat | (ick zwijge noch deg Daegs ) tot. ons quame/
hadde / als hunu bp avonturen wel gedaen | Die alte vepfe onfe Kiften of bupdelen beſtale / on⸗
beeft. Want gelijck alg Godt ong alle onft | fen Drouwen / Dochteren / ofte Maegden
fonden klepn en geoot vergeeft doo? Chriſtum / fchande aenlepden/ en alle reyſe fepde: Och
alfo moeten wp oaf onfen naeften alte fijn fou: | Bzoeders het berouwt mp / hoe haeft foude hy
den Klepn ende groot / die hp tegen ons mis⸗ hooren / Dat hr een beetwijfelde boeve / en een
lijdfacmbhept en bzede beſitten / houden hare
confcientie cepn ede onverdorven / haer gebed
onverhindert/ hare liefde ongebzoken / haer gez
loove Geplfaem en ongebalſcht / en haer ger
moet ín der genaden vaſt en orwerandert / men |
Yee ooft met haet haemen leve. Die Chi
ſtum ín fijn waerheyt vecht bekennen / mogen
vechten Dat Wp vaargeben.
(Daer upt Dan tfamen met De Deplinge dez
fee felwer fipzeuchen meer alg klaer ís / hoe
men defe drie vermaningen / eerſt tuſſchen
hem enu alleen/ Daer na boo? getungen / en
ten derden boor de gemeente Van Cheiſto hier
gerhaelt / niet over alle ergerlijke vleeſchellie
ſonden inꝰt gemeene / Daer. over dat eeuwige
oogdeel en de Dood ffaen / maer fn de dagelijk
fche vergrijpinge tuſſchen Broeder en Bzoe⸗
der alleen verſtaen moet. En dat am deſe fe
gen navolgende oozfaken. Cen eerften/ dat
| hondert pennigen/ die ong onfe arme Bzoe⸗
der van fijn armoede fchuldig is / gelijk ong
deg Heeren cpgen platte Parabel in alle klaer:
hept ieert en mede beengt. Oeh neemt ’er acht
op. À
En fiet/ ín alfoo een verſtant blijftong de
Heplige Schzift heylſaem ende ongebzaoken /
gaet m haerder ozdeninge vecht boort/ gez
bzupkt ín de bergrijpinge tuſſchen Broeder en
| Bzoeder voort afdoen / der vermaningen die.
Aen een ketterſch of Sectiſch menſche / cen
of twee en aen een ergerlijck bleeſchelijck ſon⸗
daer / die alreede Dooz ’t Woord ban God felbe
al geoozdeelt í8/geen/ 1 Coz‚s, 2 Cor. 13.50
(gehoort ig. Sonder alle ſuurdeegh / ban par⸗
tpe/mitg getrouwer liefden. Benktna/ wat
/
{
Des 12. Waords geond ís,
Col. ze13- Doet / bergeven in EChzjfta. Ende en moe, Goddeloos fiukk Schalks ware / noch anders
Ephá3te ten noch en magen over al geenen haet noch | mael doet ’cr acht op.
wraelie aen ong houden / of hn hem al ſchoon Een fevenden/ Dat hu fept : Soo fult op
nimmermeer en beterde / dat rechte voorbeelt hem dat vergeven. En de gantſche Schzift
van deſen hebben wp aen Chriſtum. En aen ſeert opentlijk / dat niemand de fonden (Dat
— Stephanum fijn getupge / alſoo is oock Den | zijn de tien dunſent ponden / Die men den Hoz
ried. goeden aectenfaloinge van alte Die / Die unt minck fchuldig was) en kan bergeven/ dan
peu aoa/ · Godt geboren Worden / dat ſy hare zielen in aïleen Bodt. Wy alleen maer de onnoofele ——
Lu. 10,
en7.47.
Mat.r 8.15.
Tit.3. 10.
Dat
.
ai gran n
Dat men met Davidsfonde, boete
ende vergevinge de waerheyt
niet verkeeren. maer recht
na den grondt der Schrift
verftaen moet.
Dat achtfte Capittel.
Verklaringe des Apoftolifchen Bans,
203
In defe laſterlijſie grouwelen gink hy ſtou⸗
telijk vooꝛt alſoo lange de Pꝛopheet tot hem
nieten quam / en hem met een gelijckeniſſe
kioecheljk achterhaelde/dat hu felve ’t vecht
wijfede / Dat hu een man deg doodts Ware:
Maer als hu nu des Pzopheten woord hoorde /
die hem met kracht ín ſijnder herten inſprak /
wert hp beroert / heeft Genade gefacht/ is
founder eenige vertoeven met een gebroken rou⸗
wig herte tot God gegaen; heeft fijne groote
ſchult bitterlijken beweent / en voor den heere
HS is openbaer / alg Dat de leclijcke vlee⸗ beftent/dat hp in hem gefondigt hadde. Bad
fchelijke fonden / gelijk hoererne / ober: | en kermde ſeer weemoedelijk. God fende hu,
ſpel / en Diergelijke meer / gemeenlijkten door | weeft mp genadig na uw goedighent/en wiſcht
enchel verblindinge Des herten / met voorz⸗ unt mijne fonden na uwe groate barmhertig⸗
Dachte finuen/ opfet/ confent / ende rijpen
tille / unt een onrenn / aengefteelten verhit
bleefch Det luſten herkomen / al hoe wel dat
begin fomwijlen niet dan een vezraſſchinge
in hem en fchijnt. Dat rechte exempel van al⸗
ſulcks hebben wp aen David. Want hoewel
bu cen man nae Gods herte was / endedaoz Door hy ook ban den Pzopheet Wederom ver:
kracht ban fijn Geloove den grouwelijcken
tReg.17. 49. qeooten Goliath / daer boor geheel Iſraẽl verz
|
|
|
|
Î
|
{
bent. Waſſchet mp reyn van mijn migdaet/
en rermigt mp upt ban mijn fonden. G God Nathan ver:
troofte Da-
fchept een reyn Perte ín mp / en geeft mp ee⸗
nen nieuwen en gewiffen Geeft. Verwerpt
vid niet op ’t
ongewifle ,
mp niet van u aengefichte/ cn uwen Hepli⸗ maer op
gen Geeft en neemt niet vanmp/ E. Waer 8ewifle
Pf,
trooſt wozde Die tot hem fepde/ de Heere heeft
uwe fonden banu genomen! qu en ſult niet
fchzikte ter neder floeg / en dat gevoof ze fchaep ſterven hp maefte evenwel noch een fa herden
upt dee Leeuwen en Beeren mond rukte / foo ſtraffe daer voordzagen / Want dat zweert /
wert hp noch evenwel doordat gefichte finder | fepde Nathan / en fal van u hups niet aflaten
Davids groós dogen in ſijn vleeſch alfoa gevangen / Ddat’et
tefonde. hem tot een feer groote en geauwelijcke Son⸗
Daer miaekte, Want foo haefte als hu de bez
geerlijkhepdt bewilligde / werdt oock He ſonde
van heim gebaert/ ende heeft hem fijn her⸗
te/ dat te voren een Woonftede ende Tem⸗
pel ban den Hepligen Geeft was / alfa bev
blind ende verſot / Dat hy fonder alle ſchroo⸗
men Lan de eene doodlijſie booshept tat de an:
dere ginclt. Ja dat hu ookt niet eenmael fa
bet schijnt / aen den Heere vecht en gedach⸗
te / Die hem unt ſoo groote periculen gehol⸗
pen / tot ſoo hooger eeren beroepen ende met
eeuweljli. Ongeluk ſal u vpt u epgen Hung
komen / en uwe Wijven fulien beflapen woz:
ben aen Der lichter Sonnen/@Ec. Om dat zReg. 12.10:
ge mp bevacht hebt / merket/ hy fept : om dat
ge mp beracht hebt,
En fiet / alfoo is Davids vezroeckelooſin⸗
ge bolgende Des tot cen fect groote verach⸗
tige fijns Gods/ en tat een vervaerlijcke
zware fonden ín hem geworden. Wecht ís
Jacobus Woord : Wanneer de begeerlijkhent
ontfangen heeft / ſoo baect fp de ſonde / ende
wanneer De fonde volbracht is / foo Baert ſp De tac.r.
Daod.
een foo vieren Geeft befchenkt hadde. Want, Ook nu m het nieuwe weſen Chzꝛiſti alfa
Doen hem van Bethſeba gebaotfchapt werde Want Deijle wy nu de leelijke bleefchelijche
Dat fp ban hem zwanger was / ſoo fachte hn Overtreders / niet met vper / ſteenen / ofte
fijn grouwelijke daet fchalkelijkk te verbergen· | zweert / gelijk Dat oprechte Iſraẽl de fijne dez
Liet Ariam in alfoo eenen ſchijn nat den vel: de / maer alleen met den ban deg Woords ſtraf⸗
De halen / alg of he foo maer bat gelegh des | fen moeten / foo allen Gods-geleerden wel bez
Krygs / Lan hem onderbzagen en Woude ver⸗
macnde hem tweemael/ dat hu in fijn Pups
gaenfoude / unt Wat oozfaectie hj Dat dede /
guft men wel. Daer na badt hu hem te gaz
fte als of bp hem ban herten meende ap Dac hp
hem alfoo dzonken malten / en fo tat er vrꝛou⸗
we ingaen / Davids ſchande decken macht :
Daer ent boben heeft hu aoclt noch boen In
ſagh / dat alle fijn litige aenflagen met hem
te vergeef Waren / den ongebalſchten hzaa-
Degen fon- mede gegeven / Dat hem Joab foude laten
€ Ipruyt
uyt —
vechten / daer den ſtrijt hertſte viel / en alfa
achter van hem af keeren op dat hn mogt ge:
flagen wozden.
En fiet / alfa baerde ín David de een Bod:
kent is fo behooren Wp ook nu Die felvige met
hare Godloofe booſe daet Daer henen te wijſen /
daerſe de Schzift wijſt / te Weten / in den dood
entoom Gods / gelijcli oactt Die Heplige Na⸗
than / den Overſpeeligen ende Bloedſchuldigen
Maid bier gedaen heeft / als gehoort is. En
wanneer fp Dan mits alfao een verſchzicke⸗
lijclt zwaer oordeel / haer met ’er Schzift / en
nader Schaift daor de affonderingen det Gade
vreeſender in getrouwer lief den voorgehou⸗
flagen / en alſoo Wederom tot cen me
boete met Den boetveerdigen David beroert
werden / jae dat men ín alle hare woorden /
wercken / en gantfche leven ín Der kracht eu
waerhent opentlijken grijpen en ſpeuren ſian /
je
dac haer de barmhertige Dader wederin Be: wiet ;n
naden opgenomen, met fijnen Geeft be woorden 4
fchenkt en de fonde ban haer genomẽ heeft/alg maer in der |
dan / en niet eer (berftaet”t wel Wat ick fegge) ner rijke |
ebben Wp ook dat felve Woozd der beloften / Goas,
Daer mede wy haer wederom vertrooſten / en
Des Weeren Genade verkondigen mogen / te
weten: De eere heeft uwe fonden weg gee
nomen / qa en fult niet ſterven / uwe fon-
den zijn wvergeben / ee in vzeden
C 3
looshept de andere / overmits Lp Den luft fijn-
Der oogen confenteerde/ ende die ontfangen
zijnde ruumte gaf. Ha hy wozt alſo ín ſijn ant:
ſteken vleeſch verbline / en Der godloosheyt fo
epgen / dat hp oock na fortſe Des Wets / fo hy
dat halsgerichte/ of Koninklijk Scepter ſel⸗
be niet gevoert en hadde / tweemael den Wan
Des doodes verdient hadde. Eerftmacl dat ho
een oberfpeelder wert / cn ten andermael / Dat
hp fchuldig aen ’t onſchuldig bloet wert.
| en Dietz
qe
sReg.n1. ro. Men man eenen godloofen bezradifchen brief | | dao? Gods Genade in harten herten gez
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— —*
— — — —
204 Verklatinge des Apoftolifchen Bans.
gelijke trooft-fpseuken meer : Want dat een
waerachtig oprecht boetveerdige ban Bod of
den menfchen foude ongetrooſt konnen blijz
ven is ommogelijck. Och beukt na wat men
aenwijft.
En fiet / alfa behooren wp de Schrift vecht
te ſnijden / op Dat Wp De ſonde / boete / en
vergebinge Davids niet met de roelielooſe
blinde Wereld tot alfa een verlieerden en rup⸗
men epnde treclten/ Dat Wp de ergerlijcke
bleefchelijche Sondaerg/ te weten/ de ge⸗
bande Gads/ fo maer omeen bloote belofte
wille voor onfe liebe WBroeders houden ſouden.
jaer fo een beteringe en boete begeecen wy
aen haet te ſien / Dat Den Geeft der Gemeen:
ten een genoegen Daer aen hebben kau.
Want Wp en moeten ’t niet op dat ongewiſ⸗
fe met der wereld / maer op dat gewiſſe met
Nathan trooſten cn bouwen fo Wop anders De
Somaers niet met leugenen tvoetelen / ende
deg Heeren oordeelen gantſch verslepen wilz
fen / ſo gehoort is.
Van Petrus onbedachten val,
ende onverfuymelijcken
opftel.
Dat negende Capittel.
JErtgrondelijcke Beoeders nemet waer /
gelijc wp aengewefen hebben / dat de
leelijlie vleeſchelijſe ſonden gemeenlijſt unt een
aengeſteeckien vleeſch der luſten herkomen.
Alſo kanꝰt dok Wel geſchieden / Dat ‘er ſam⸗
mige ſonden niet met voozbedachte wille /
maer unt roeckelooſer overraſſchinge of mis:
grijpinge vallender wijſe geſchieden: Dat
rechte exempel van deſen hebben wp aen Pez
trum / want doen de Heere tot hem fepde
Spmon / Sumon/ fie/ De Dunvbel heeft u⸗
wer begeert / Dat hu wals terwe fiften mog⸗
te / maer ick heb boor u gebeden / Datu Gez
loose níet ontizeelten en foude. Ende kuan:
neer qu Dan wederom bekeert zijt / ſoo ſter⸗
ket docſt Broeders. Antwoozde ha upt
Petrusvry- galder Gerten / en fende : Doo pu ook alle
moedigheyd verlieten / ſal ick u evenwel nimnermeer
Merode: erlacen ik ben mee u berend ín gevancke⸗
Lu.2133. Niffe en in den dood te gaen, ja mijn ieben boor
ute laten.
Petrusonge- · Petrus Woudet al met fijnen Meeſter
hoopten val. wagen / fa hp meende / en: fo haeft hu daet
alleene flont/ en konde hu niet een eenige
prage Lan een arm onnooſel Maget dzagen.
Pu verſaekte Chriſtum openbaer / daer mede
6
De den fclf den avond noch gefent hadde / dat
B
Mat.26.68. fp ſterbeu Woude. Ya hp worde alfa ontſet
nete “_enbevzeeft/ Dat hu ooft aenbink hem ſelven
lur8.17 te verbloeken en zwoer dat hu Criſtum niet en
kende. *
@O God/ daer lag nu De vrumocedige ſtonte
Peteus / de harde bafte ſteen beemozfelt.
Mat.16. Ende hoe wel hyp nu een Wepnig te boven ban
Den Pemelfchen Dader ſelve geleerdt was en |
ban Chꝛiſto fijn beminde Soone metde bez
lofte Der Hemelſche fleutelen vereert ſoo
honde hp evenwel niet alfa een Kleenen ſcheut
ban cen fo broſſchen pijl in fijnen ſchilt ver⸗ |
Dragen. Siet alſoo een gantfch nietig / arm
ellendig / keanckt/ en onvermoedig (Lrfon:
Der ín alſo eenen grooten naat)ig ecn menſche /
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
* des Heeren Heulige Geeft regeeren ende
die niet ban Gods Geeft verſterkt en Wast.
Maer wat Wast? Petrus moefte aen hen
felben leeren / Wathn is / die op fijn ergen
achten bouwet ende niet met bolder Gods hetrus en
beeefe alleen op Clpiftum en fijn Genade en Lenen,
ftact. Moeſte ooft Daer beneffens weten/ hoe
barmhertig en medelijdigh hy ober fijn arme
gevallene Broeder zijn ſoude / Die hem Wes
dcrom van herten ground bekeerde / en ſonder
alie hupchelie upt fijn val opftonde.
Ick meene immer / Dat Dit Wel met rech⸗
te een oberhaeftinge of vezraſſinge hiet met
Petra heeten magh. Want een eenig gedachte
en was'er te boren ín fijn herte niet geweeſt
dat hu fijnen Heere cn Daligmaker alſoo ver⸗
falten woude. Is oolt Lan ſtonden aen han Lu.22.62.
fijnen bal opgeftaen/ is uptgegaen/ heeft Dai
bitterlijk geweent / ende is ten Derden dage achtige
wederomme van des Heeren Hepligen Engel boete.
niet Den Euangelio bertrooft.
Neemt't waer / Dug leert Paulus: Wiebe
Broeders / foo Daer een menſche ban eenigen
gebzeeken ergens ovezraſt Wozde/ (merkt / Du
fept obezraſt worde) foo helpt hem weder te
vechte (noch eeninael merkt ) met eenen fachtz
moedigen Geeft / (ten derdenmael merkt / )
qu die Geeftelijchen zijt (ten bierdenmael
merkt /) ende fiet op ufelven/ (ten vijfden⸗ Gal.6.3-
mael merkt ) dat gy ook niet verſocht en wer⸗
det (noch ten feftenmael merket. )
Antverkorene Broeders ín den Heere /
wil dan uwe alder liefden Hier met deſe wooz⸗
den Pauli ende Lal Petri upt heeten grond
gebeden en in Chriſto Jeſu getrouwelijk ver⸗
maent hebben / Dat gp doch alle Wegen een
vecht befchepden onderfchent mits den Geeft
der wijshend tuffchen ballen en liggen maken
wilt. ant Wie in eenige ſonden / daer Op In den drek
de eeuwige dood ſtaet liggen gaet/ heeft alree⸗ der Londen
de de Scheift / die hem vichtet / maer Die ontper- Willens te
fieng daer in valt / Daer ban fepdt de JD2oe Btonwil.
pheet: Wie is't Die gevallen ís / en Die niet lens dacr in
geene teder op en ffonde. En Paulus:bzengt te vallen, is
hem weder te rechte / fo geloot is. Is daer reysen.
am wel nutfalig en billijk / Dat Wp ons doch Rom.1.32.
ín vechter maten (íclt legge ín vechten ma: Gal-s-21.
ten ) voog fien / dat wp alfa een acm Dezeae: ELS
keloogde Sondaer / en Die ſoo geerne weder ap.21.s.
upt den dzeck fijns bedzoefden valſch foude ker.S.1.
geholpen zijn / niet al te onweerdiglijchen
daer noch al Dieper ín en dzucken / maer in
Cheriſteljker fachtmoedighepd de hand onfer
liefde lange / unt fijn vupinig weder ophef
fen / en hem fijnenlaft helpen dragen / alfoa
bele alg mans ig / enonfe confcientie met ’et
Wooꝛd toelaten en lijden kan/ och doet daer
acht op.
Vaert niet al te ſtrenge ín alfa een ongeval/
op dat gu oocſt niet verſocht en Wort / foa
Paulus ſent. Onſe hooge en Heplige Petrus /
laet u vermaner zijn / op Dat gp u Doo? uwen
ftauten fin ſelbe niet en verlieſet Want alle
Die Daer meenen wat te zijn / en evenwel níet Gal-6-5-
en zjn / zijn bedriegers ban haer engen zielen ; Cor. i0. 13.
fomma / díe daer ſtaen / fien Wel tac dat fn níet
en vallen / want de vangfieicken zijn meer Dau
men tellen kan / dieſe vecht ontgaen ſullen /
moeten afgeſtorvene / wedergeborene / ende
waerachtige Cheiſtenen zijn / Die haer altijd
aen ’t gebed houden / op alle haer wegen acht
hebben/ vlijtiglijcken waecken / ende haer
len⸗
MN ads A ges mem
Verklaringe des Apottolifchen Bans. 205
lepdenlaten/ of fnleggen onder dat net des, fien/dat op den wegh der fanden vecht nae den
Doods alteede al beſſagen / och laet tang na: | Dood toe dwalen / gelijk Jacobus fept : Lieve
Ia.5.20.
demen. —
Dat men , Bzeoeders / fa pemand onder u Wort dwalende
dooronsey- ¶ Cen pegelijk onderfoelte fijn engen wegen | van der wacthepd/ en pemand bekeert hem /
gen gebe. recht / of ha nopt fijn leefdage ín den tijd fijn: | Die fal weten dat wie den fandaer bekeert heeft
barmherdid- det bekeeringe boo? fijnen Bodt gevallen en | van de dwalinge fijns weegs / dat die cen ziele
heytdoen, tot een gefcheuct bat voor hem geworden en | van den Dood geholpen heeft / en fal bedecken
met ’t woort
is hier mijn
vermanen.
Ex.23.4.
Deu.32.1.
Mat 18.12,
Luz se 4e
ís. Wie hem derf laten dumclten dat ’et neen
el Die werpe den eerſten ſteen / Wie’t dock
a bevint / die ſterke met Petro fijn arme bꝛoe
Det / Die nach bn avontuüren niet op De helfte
alfa leelijfken gevallenen is / als hu.
Nademael ’t dan fegge ick openbaer is / als
Dat vallen / ende liggen gaen / roeckelooſelijt
bergrijpen / ende met bedachte ſinnen ſondi⸗
gen/ níet eenderlen en is / foo gehoozt is / fa
wil if ook alfa een ſonde / Daer over Des hee⸗
ven vollt bekommert ende bedzaeft is / Wan:
neet daer eenige voorvalt / den Geeft / Dal:
vinge / befchepdenthend/ Gades vzeefe/ en
De liefde der Gemeenten / om met wijshend
ín te fien/ hepmftellen. Saa het boor een
Banweerdig liggen gaen / ban haer Wwozt aen:
gefien/ foo laet (nt vechten, alfaa de Schrift
leert / ſa niet / Dan Dat fn ’t boor cen Daeglijktche
overhaeſtinge / vezraffchinge/ of val aenfien /
Dat ſy den felven Sondaer of Obertreder / dat
met eenen fachtimoedigen / medelijdigen Geeft
mits De liefde weder willen te vechte helpen /
is met onfe getrouwe Apoſtel / Dader / Lee⸗
vaer / en Doorganger Paula/ aen allen vroo⸗
men mijn vermanen. Dol Geeſtes en lirachts
ist Wooꝛd / fiet op ufelben / Dat gp ook niet
verſocht en wort.
Hoe men de Spreucke Jac. 5.
vers 20. So yemand onder
u wort dwalende van der
waerheyt, &c. Recht
nae de Schrift ver-
de veelhent det fonden.
Wier Woude ick nu allen vzꝛomen heeten om
Jeſus Wille Wel gebeden hebben / dat ff Merkt war,
doch onwetende Dwalen/ en williglijk Lec: hier gelet
bifteren; In den dood liggen, en nae den “°**-
Dood toegaen / recht van malkanderen ſchep⸗
Ben willen / op Dat fin de verhaelde fpgeuche
Jacobi fcheiftiriacig van malkanderen dep:
len/ en niet tot centgen balfchen tvooft ofte
ſteuninge der lichtveerdigen berbijfterde ſon⸗
Daten leeren of untleggen. Want het is —
(feg ick) meer als klaer / Dat fp van de gant: goute ver-
fche Schrift in den doodt alceede al gerichtet achters en
zijn / ſo menigmael gehoort is / maer fe daer an ig
eenig van onfeg Daders hlepne/ te weten van °°“
Chaftus fchapen na den dood toe dwaelde / dat
bu fijn oop nae een valſche leere met fchoone
woorzden opgepzonkt begoft te keeren) liec hem
al weder met det tijd daoz de boofe luſten fijns
vleeſchs ban det waerhent af vaeren/begoft fij-
nen boet op den rupmen Weg te fetten/ nepgz
De fijn heete allenskens al weder tot ’er gierig⸗
hend /tot pronk of pzael / Ec. Woude ook wel
bp wijlen fijng naeften Hims Dzouwe/ Doch:
tet / Maget / of ook Dat lichtveerdige pdele ge⸗
felfchap eel verſoelien Wozde ín fijn Geloobe
kout en flauwe / onluſtig tot er waerhendt /
dwaelde afcede jarmmerlijken/meende evenwel /
Dat hn op den vechten weg ginge dat men als
fodanige dwalende niet en moet laten berlaz
ten gaen / maer Dat menfe upt alle onfe krach⸗
ten en naalle onfe vermogen weder foecken
fal/ niet met een of twee vermaningen allee:
ne/ gelijk men eenen Sectifchen doet, Noch
ooft níietalleene met deie / gelijſt men ín de ber:
Mat.18.
rTit.3. 10.
ef We N 8.15.
acijpinge/ tuſſchen Bzoeder en Broeder doet / —
ſtaen ſal. maer met alſo vele / als Dan del?eere Genade en
Geeft geeft. Tot dat fp haer in allen dingen na
Dat tiende Capittel. der waerhepd vecht fchiclten / van haer dwa⸗
Te eerſten / leert ong De vedelijchte Wet
dert Natuere krachtiglijk / fo men eenigen
brand aen fijns naeften huns of goed fage.
Hem Kkrankt of gebreeckelijck aen fijn lichaem /
vrouwe) Kinderen of vee ſage / Ec. dat men
hem dan ín fijn ongeval geeen helpen ; en fijn
handt in der naad rijken ſoude.
Cen tweeden / leert oolt Moſes / ſo men fijns
Bꝛoederen oſſen of ſchapen Dwalen ſage / dat
men hem daer dan niet van af lieeren / maer
ſijn Broeder weder toebzengen/ of hem ten bez
ften ín fijn Dups bewaren fal.
Ten derden / teert oock Chriſtus / ſoo een
roo Schapen hadde / ende cen ban De ſelfde
worden dwalende / Dat hp dande 99. op den
bergen / of inde woeſtijne verlaet ende faeckt
Weder Dat berloren is.
Gemerkt dan / dat ong de vedelijkke Wet der
natueren / Moſes en C hriftus een alfoo groo⸗
ten befchepdenhepd en liefde niet alleene aen
De menfchen / maer ook aen goed ende Beez
fien leeren. Billijks ig ’t immer dan/ Bat wp/
Die unt dat Henlige zaed Der lief den geboren
worden / de zielen ban onfen naeften ín getrou⸗
wer liefde weder. foelten/ welkter voeten wp nu
len aflaten ende weder op den vechten weg ko⸗
men / of dat ſy tot berfcheurende / bijtende
Honden / of onrenne drzeckige Swijnen wor⸗
ben. Weeren alle wedergeborene Chꝛriſtenen
bepde Salvinge ende Schrift wel. Ja mijn
Broeders / Wie alfao een arm dwalende Saus
daer weder met der waerkhepd vinden / ban den
weg fijnder dwalinge belteeren/ en alſoo tat
Chꝛiſtus kudde beengen kan / die helpt fijn
ziele vander Dood / Daer na dat Ip toe Dwael-
de / en deltt De veelhend der fanden / daer mede
hu (eplacen ) alveede al te beel befinet was / fa
geboot is,
Maer boor wien / boor de menſche / ofte riet tear:
boo? Godt Het boorde menſche / Dar BOO? kennen ,
God. Want dat men ’t gene / dat Lan den voor —* de
menfchen gefien wort / en voor den menfchen pPeroare
gefchied gelijk openbare blijckende vrouwen voerveerai-
ſchenden / hoerderne doodſlagen (openbare fien: gen gedek:
lijke afgoderpe / bolfuppen / Ec. boorde men⸗ worden.
fchen foude konnen toedeckten / is onmogelijk,
Aarons Afgoderpe met het gulden Half; Da-
vids mishandelinge met Uria en Betfaba/ en
— verſakinge zijn dies getungen. Want
hoewel dat hare ſonden door hare oprechte
ongebalfte boete boor God al gedekt —*
aa
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
206
faa heeftfe noch evenwel de heplige Geeft der
liefden ſelve De gantſche wijde Werelt tat cen
openbare waerſchouwinge / boor De fanden/
ende hert-grondelijke aenwijſinge fijnder gez
naden over alle vecht boetveerdigen / voor gez
pe hen, — faamen opentlijken fpeucen ende fien
‚9. magh.
Mat.16. 68. _ nde fiet) ban alſoo een Deksel voor Godt
tupgt oock De henlige David felae/ende fent/
Salig is Die / Die fijn obertredingen bergeven
zijn/ ende Dien de ſonde gedekt ís. Saliq ís
de Menſche / dien de WEEKE geen mif-
Daet tae en rekent.
Wil dan alle Godtg-geleerden mitsdeſen la⸗
ten nadenken / ofte niet defe aengetogene
ſpreucken Jacobi ín alſoo een berftant als hier
berklaert / heplfaem ende reyn ffaet / want de
banweerdige wozden afgedaen / de dwalende
wedergefocht/ De liefde gaet ín haren bollen
Exod. 3. 1.
Geeftelijk
moetmen
zijn,foo men
der Schrift
fin vinden
wil,
Verklaringe des Apoftolifchen Bans.
— —r
allen Doch genade / dat Lup ’t fien konnen.
Cen tweeden bebinden wp / hoe datter aalt £Cor-6. 7.
nach onboetbeerdige / gelijctt epgenfoekelijke) veerdige by
gietige / plepters/ Hoereerders / ontuchtiz den Corin-
ge onder haer geweeft zijn / / waeromme ber *
ookt vzeeſde / foo wanneer bir quame/ dat hp Lot.· 12. 8.
dan wederom groote dzoef heyt ober bele Hels
ben ſoude / die te boren alreede al geſondight /
ende noch geen boete ban de onvepnighepdt/
hoerderne / ende ontucht ban haer bedreben /
gedaen en hadden. Tant het is openbaer / dat
De hoerderne op díe tíjdt noch bp den Hende⸗
nen foo gemenn was / datſe oakt de heplige ——
Apoſtelen den Broederen unt Den Wepdenen jer: *- 3
dooz een gemepn Concilium m
1 Cor.6. 7.
r.
ede moeſten afz en 6.
feheijben {Ende harde met Der Heere flraffen, en 7-11.
aet upt men Dan met bollen handen ta⸗ 3
ſten moet / detwijle fn tat dier tijd noch foo qe col: 3. s-
heel wepníg fchoutinge cen part ( fegqe ick } 1 Tek 1. 8.
Se Je
Oe
ſwange / de boetveerdige worden ban der doot | door der hoerderpe hadden / ende de onenig:
geholpen / hare ſonden bepde hepmelijkt ofte | hent ook mede bp haer nach foo groot was/
les na Det fcheift vecht boort / foo qu fien
meugt. In getrouwer lief den nemet Waer
wat des hepligen woozts fin is.
Hoemen dat laetfte van het twaelf-
fte, ende dat begin van’tdertien-
den Capittels des tweeden
briefs totten Corinthen
verftaen fal.
Dat elfde Capittel.
Wat bie ban Corinthen opentlijk / alg
Vele twiti. datter ten eerſten fcer Geel twiſtige ofte par⸗
ge byden tihjſſche noch onder haer geweeſt zijn / daer af
Corinthers. De ſonmige voemden dat fn Cepbich/de andez
te Dat fp Pauliſch / de Derde dat ſy Apolliſch
‘waren. Waer oer Paulus haer lieffelijken
beſtraft / ende om eenig in Chriſto te zijn/
yr. a. no. paderlijſi vermaent heeft | fchaijft ook mt
F8 elfde Capittel deg ſelfden Goiefs: Wanneer
gu bp malkanderen komt / hoore ick dat parz
tnen bp u zijn gelooft/ ook fornmiger maten
waer te zijn. Want daer moeten fecten bp u
zijn / opdat de oprechtige onder u openbaer
worden. Waren ookt onder haer / die de Herz
vijfeniffe Der dooden wederſpralien / daerom:
me hj ookt vzeeſde / ſoo wanneer bp quame
dat hu haer dan níet binden en foude / als hu
wilde/ noch ſy hem oolt niet/ alg fin wilden)
want hem leet Was / dat h
eenighent / meet nijdt alg lie
ſchap als ſachtmoedighent /
brede / meet ooren blafinge
dee boof bent / meer opgebla
1 Cor.rg. 29.
2 Cor, 12. 20,
fde / meer gram:
meet hijven als | f
als beftvaffinge
fenbept als oat:
bp belen vinden foude / gelijk het aol gemepn-
lijken plagh toe te gaen / Daer de haoge ende
ſtoute ban herten / Die den afgeftordenen vreed⸗ Dd
falígen ende ootmoedigen Geeft Theiſti niet
en Kennen / noch wepniger ebben / ín foo:
gen acnfien fweben/ ende bp de eenbo
(díe meer op gepronkte woorden / als ap gee
ende kracht acht hebben) authovítent ofte ge⸗
boo? krijgen. ge oprechter ongebalfchter
liefden / fonder alle partpe door opentlijcke he-
bíndinge fchzijve ick dit O God/ gont ons
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
openbaer boor God toegedekt / ende gaet al-| ff
A bebinden mt Paulus ergen Bꝛieven / fi
allen den anderen
alten dent anderen
foo lange niet gefo
andere doch
fonden geva
kome
acht
Paulí klaer
tijdt / dewij
vunle blecken / gelijck hoere
tige / ende ook Sectiſche / g
haer toe lieten / fijn ſchehven van
wenni
dan k
p meer twiſt als ſen / als
loopen 3
haer
le
ke fchandzijverg,alfoada
moedighent / ende meer beroerte als ſtilhent bewillinge fauden aengehouden Hebben
ummer met bolf
tegen het beſch
udige bhp nu alfa
ft | hoerderne
bepde met mont ende Schzí
aen haer geftraft /
hadde / foa verhael
daer en boben alſoo een leelijſt / ſinende ſuer⸗
oa verhaelt is / dat fp de Apoſtoliſche deere
ban den Ban niet al te blijtig en hebben waer
genomen / gelifkmen dat upt Paulus epgen
Woorden ende beftraffinge te weten / Op
zijt opgeblafen geweeſt / ac lichtelijke ſpeuren
ende verſtaen kan.
Nengefien het dan openbaer was / als dat
ſy Dat faete ende fuerdeen doop haer achteloofe
ongehoozfaembept alfaa onder malkanderen
lieten gaen/ als ’tblijckt / faa heeftſe de ge⸗
trouwe man Gods daer ober met harde ſcher⸗
pe Woorden aengetaft/ ende gefept: Uome
ick ten Derdenmael tot u/ mercket / faa fal
alle ſaecke ín den mondt ban twee ofte dep bez
t ute boten al gez
ſtaen / merket/ Ick het
ept / merket / ende ſegget u noch ten andez
renmael te boven vecht als tegenwoordigh /
metket/ ende fchzijfc nu ín mijn af wefen/ noch
merket / die te boven geſondigt hebben / Ende
(merket op Dit woort / ende
/ te weten/ Díe te boren al⸗
ndigt en hebben / gelijck de + con 13. 3.
evenwel ookt mishandelt / ende ín
llen zijn ) wanneer irck andermael
en ſal ick niet fparen. ch neemt ’er
p.
0
Ick menne immer dat defe harde woorden
genoeg betupgen / dat fin tot dier
le fn (ſegge ick) alſulſie onvenne
erders / ontuch⸗
c. noch mede by
den Ban
gh acht gehad hebben / want het is meer
laer / foo anders. de Hiſtorien vecht Wijz niemant en
dat 'er wel ſommige Karen enen ge: make doch
ijn / eer Paulus de laetfte vepfe tot Paulum toe
gedaen heeft. Ende Dat fn dan alfulke Dieke dek
ke belienden grouwelaers / ende ergerlij⸗ ontuchtigen.
nge Jaren bp Paulus
hebben / (8
en arme wel te grijpen / dat ’et
ept ban allen fchzift/_ Ta fan:
t Cor, 5. as
elij
er eenigen gront / kracht en boet is. Och
laetet ong nadenken.
Is dan upt allen deſen openba
odanige leelijke ſch
/ onrepnighent/
er / dewijle
anden / gelijck
tweedzacht / Ec.
ften dikwils hart
ende op den Ban geweſen
tis) ende fp noch evenwel
1 Cor. <4
deeg
Verklaringe des Apoftolifchen Bans,
207
deeg tat een ſoo grooten berklepninge deg Hen: werpe/ dien God door fijn Genade ſaligh
ligen Godlijſſen Woords / en oncere dee Ber
meenten onafgeſondert (ſegge ilk andermael)
Wannee, bhhaer toelieten / dat hu haer hier in deſe felf-
È e *
mende de Capittelen fijn unterſte meeninge met dez
woorden en fe woorden aengefchzeven en verklaert heeft /
derereche als Dat hp alle Die / Die nu alveede te voren al:
infiet,fois ſo gefondigt hadden / ende geen boete daer van
de rechte fin gedaen en was / en oock mede alten den andez
Algevenden. ven / verſtaet / die nu te voren alfo lange níet
gefondigt en hadden / doch evenwel ook ſchult
hadden / Wanneer hp noch eenmael tat haer
quame en Dan eenigen van deſen ofDie/ met
een / twee / of Drie getungen bewielijck / ín
eenige Godlooſighendt bebande/ Dat hy den
felfaen dan níet ſparen en Wilde : och doe’ er
achtap.
Daoorder is't openbaer / hoe dat hy defe
ſijn beftcaffinge oock niet ín ’t berborgen tot
defen of tat Die / tuſſchen Gem en haet alleen /
maer ín eenen gemeenen Deief tot De geheele
Niet der Co. Gemeente / om haer ongehoosfacembepd Daer
tintheron- mede te beſtraffen / opentlijkt gefcheeven heeft)
pehoorfaem- gelicht wy oockt onweerdigt in onfet maten
der Schrire Doen / wanneer op bp wijlen egens ſchrijven /
aenwijfinge Of foa des Heeren Woord leeren. Is oock
moetonfe daer beneffens eeu eenige letter van hem niet
Toont beroert / om eens/ twee of Dziemael te ver⸗
6 manen / maet met goede platte Woorden ín ’t
gemeen gewaerſchout / wanneer ha quame /
dat hy dan díe felfde have berdiende beſchaemt⸗
hent en ſtraffe dragen laten wilde / als gehoort
ís. Onbeweeglijck en vaft is fijn Woordt /
met den hoereerders of gierigen / of Afgoden⸗
dienaers/ Ec. en ſult op u niet vermengen /
met haer níet eeten : och dencket na wat des
Achzifts grond ís.
zCor,‚13 3.
Dat wy Chriftus oordeelen onbe-
ftaffelijck na der Schrift voc-
ren, ende fijn Sleutelen
recht gebruycken
moeten,
Dat twaelfde Capittel.
7 Btberkovene Broeders ín den Deere / fa
ic dan alſoo gantſch tele vergeijpingen
en onverſtants Gp menigen tat mijnen tijden
in deſen Deel bebanden hebbe: Daer ban (fa
Beel ick in mijnder Blepntendt vechten kan )
ecn pact alte hart / en een pact oolt tefachte
geloopen zijn / daer mede ookt bp anfer ſom⸗
mige (eplacen ) geen Klepne treurighend dili⸗
wilg gemacht is. En íclt nuu mijn alderinner:
lijkſte beeklacinge van Den vechten Apoftolí-| full
fchen Ban ín ongevalfter reynder liefden ſon⸗
Det alle parte getrouwelijcken bier gedaen
hebbe, fo drift tm aaf nu booztaen De felfde
liefde / om hier een \wermig oolt ban den fleu-
telen en haer behoozlijke gebzupkt / (Deijle fn | wo
aol: tat deu ban gehoorig zijn) mede aen te tee⸗
kenen: Opdat er niemand daar onberftant
bedrogen met Antichríifto vermetelijck ín
Chꝛiſtus ſtoel fitten en gae. iemand fijn
epgen goedduncken / fin en es df ie
fijns Meeren Cheiſti en der Hepliger Apofte:
len o3deninge / leere / ende bevel fander alte
vleeſch / partue / en epgen wijshent ín defen
Deel volge en voldoe: Opdat hu niet en ber:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
maeckt / en oo niet falig en maeke dien ha
dooz fijn vecheveevdighepd verwerpt: Want
hem behoozt alleen dat vecht van Linden en
ontbinden / fo men Wel beneden Wijder hoo⸗
cen fal : daeromme Denctiet na War wp aen”
wijfen.
Moeten dan ten eerften aenmerken/ alg chritus
dat defe Hemeiſche fleutelen twee zijn / te Wez pee
ten Den fleucel Dev bindinge / en Den fleur sen gebie.
tel dec ontbindinge / gelijk de Heere tot Pez dende
trum ſende: Gt wilu geven De fleutelen deg Woord in de
Pemelrjkg / ende alle wat gu op aerden binz jee
den fult/ dat ſal in den Henel aol gebonden
zijn. Enalie wat gu op Aerden ontbinden
fult dat fat in den Heinel oon ontbonden zijn :
fpzactt andermael cat fijnen Jongeren ai gez
lijſt na dat Gp ban Den Dood bezrefen was:
Ontfangt den Heuligen Geeft / wien qn de
fonden vergeeft / Dien zijnſe Vergeven/ ende
wien gp fe behoudt Dien ziju fp behouden.
Cen tweeden / moet men acumerken/ hae
dat de fleucel Dec bindinge anders niet en ig /
dan dat Waozd der rerhtbeerdighend Gods /
be aenwijfende/ eyſſchende / Deepgende/ verz
ſchrickende en verdoemde Wer deg Weeren /
daer mede ſy alle onder Den vloek / ſonde / dood
en toopne Gods beflaoten Worden / die Chꝛri⸗
ſtum / den eenigen ende eeuwigen middel Der
Genaden / daor het Geloove niet aen en nez
men / fijn ſtemme niet en hooren ende fijnen
Henligen wille niet en volgen / noch gehooz⸗
faem en zijn. Kat
Pier tegen dat De fleutel Der ontbindinge MP,
dat vᷣzeugden rijke lieflijke Woord der Gena: 102,3 18.
den is / dat quiijtfchenkende/ bertrooftende
en ontbindende Euangelium des vredes / daer
mede fa alle van den ſelfden vloekt, / ſonde/
dood en toorne Gods ontflaten worden / Die
Chziftum ín fijn Woord met cen vaſt betrou⸗
wen op fijn onfchuldige bloed en dood / met Deu.18.17:
cen Wedergeboren/ nieuw / omgelieert / vru⸗ AL3.22.
moedig / bralijk) ende geloobig herte in der 337 4
keacht gennemen / hem breefen/ lief hebben/
hooren / volgen en gehoorfaem zijn. en 6.68.
Een derden / moet men aenmerken/alg dat en7-35- ,
deſe bindende fleutel Chriſtus Dienaersg en fijn nare capien
vollt daer tae gegeven is / dat fp alle gertſche / velen meer
bleefchelijke)/ berfteende / ende anboetveerdige
herten / hare groote ſonde / ongerechtighend/
blindhend en booshend / dacr toe ookt Bode
rechtbeerdigen toorn / oozdeel / ſtraffe / helle
ende eeuwigen daad daer mede ín Kracht deg
Geeſts boordzagen / ende haer alfa Loor God
verpletten / verſcheicken / verootmaedigen /
malen / rouwig / weemoedigh / droevig ban
herten / en kleyn ín haer epgen aogen matten
uilen. Waerom fr oackt ín haer bietet bj
een roede van eenen ſterlen Drijver, bp eez
nen harden hamer / by den Qoorden wind / Can.4.16.
bp een dzoebig fingen/ ende bp eenen ſup⸗ jAt1117°
verenden repnigenden Wijn vergeleecken “75
ort.
Hier en tegen Dat De ſleutel der ontbindin⸗
ge daer toe gegeven is / dat deſe ſelfde Diez
naers ende volckt Chziſti alfulke boorberoerde/
geflagene / gequetſte / belommerde / wee⸗ ——
moedige / treirige ende gemaelde herten / roa 3 35
die nu midts de kracht ban den eerften feu: Rom.3.25.
tel hare Diepe doodlijke Wonden / gebreeken Sac.i3 «Ie
en zeeren voelen ende fien konnen / daer mede
tot De Beeftelijche kaka Slange / cot
den
VN 5 2 —
ek u —R 9 W J
208 Verklaringe des Apoſtoliſchen Bans.
den troon der genaden. Cot de opene fonten⸗ te Wat geeichtet. Want foo ecner cen Ban⸗
ne Davids / ende tat de barmhertige mede-, weerdig Sondaer / gelijck een hoevcerder/
lijdige Waoge-priefter onfes eenigen ende eeu⸗ Dzoncktaert / ofte eenigh ander Lleefchelijckt
wigen Soen-offers Chriſtum Jeſum Wijfen/ grouwelaer met den Ban ſtraffen boude /
ende alfoo ban hare periculoofe booſe quetſue⸗ ende hy felve Waer nach bol haets / ofte gie⸗
Gen. z. xx. ten/ ſtramen ende Der helſcher Slangen beete righ / hooveerdigh / ſtout / opgeblafen/ eer⸗
Jer.8. 19. meeſteren ende heelen ſullen. Waeromme ſy ſoeckigh / toozuigh / onkupſch / leugenach⸗
——— gaclt ín haet virtunt bp dat tvaoftelijke olppen tigh / onvzedigh / onreyn / mijdigh ofte valſch
— blad det dunven Noahs / bp de ſaibe unt Gi van herten / gingh ín fijn boof heden onder
Luc. 10. 34. lead / bp De ſtemme eens Cozteldumfs/ bn eenen bedekten fchijn al hepmelijken voozt / Ec.
Den zunden Wind / boeen vzolijli pijgen/ en | Soo en Dede hp na Paulus leere / anders
bu een fachtmaecttende foete Olpe geleecken niet / dan dat hp fijn epgen ziele richtede /
wart. gelijckt hp fepdt: O menfche gp en kont u
Een bierden moet men aenmerken / als dat niet ontfchuidigen Wie ghp 3ijt/ Die daer
Jos: 16, Defe fleutelen van Ben Hemel ong gegeben zijn/ oordeelt: Want waer inne alp een ander
Chriftus ende Dat ban die / Daer Demel Verde cude ten oogdeelt / Daer inne verdoemt gp U Rom. z.
geeft de De Zee met allen haet gantfchen volhent doorz ſelben.
—— geſchapen zijn / deg almachtigen Paders/ Lade / ende vermane daeromme allen
ols sn. seh Almachtige eeuwige kracht Woost ende wijs⸗ bꝛomen in ’t gemenn / Die mede ober een
hept / De Koning alder eeren / onte eenige ende Banweerdigh Sondaer / ín dat oogdeel fit:
eeuwige Derloffer / Voorbidder / Brinpdegom / | ten gaen / Dat fp doch haer epgen confcien-
Pꝛopheet ende leeraer Chriſtus Jeſus. Waer: [tien / hert / ende gemoet te boren Wel bez
om wp ans oocſt ín deſen deel des Bans wel ſien / of fn Chziſtus Geeft hebben / ofte
miet ſitteren ende beben magen voorfien / Dat [níet en Hebben / mede op Der Apoſtelen
wy fe/ níet unt vleeſch ende blocd/ haet ofte ſtoelen fitten ofte níet en fitten / ende oott
liefde / gonſt ofte ongonſt / bpantfchap ofte |mede/ ofte zy't upt De tepne zeeft hares er Ano.
vriendſchap / twift ofte parte / maer in vol⸗ Godts tot gehoorſaemhent fijns woordts/ fiëlen. cel
Der Godsvbzeeſe vecht als onſes Saligmakers ende upt een oprechte liefde haerder Bzoe⸗ Gtten, is met
Joh. zo.
Mat, 19,
2 Cor, 2 14.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ed
ed
epgen evuftige ende Hemelſche bevel/ woord en
wule ín een oprechte ende goede confctentíie
|
Beren / Dan of fn ’t Door hunchelne den
menſchen ten Wille unt bleefche ende bloet
des Apoftels
woord en
Geeft leeren
fonder alle aenfien ban perſoonen boeven en Doen, Want foo fp Chꝛeiſtus Geeft niet en Gal. 1. 3.
boopftaen. Want het ongetwijffelt diere ſſeu⸗ hebben / op der Apoftelen ſtoelen niet en ſit⸗
telen zijn / dewijle fin ons ban den Hemel gez ten / ende deg Hemels ſleutelen niet en voe⸗
geven / ende Lan alfoa Weerden vriend gez
fchonken zijn. Ochlaet’et u gefent zijn.
Ten vijfden moetmen aenmerken / hoe dat
deſe fleutelen niemant anders gefchontten en
zijn Dan díe ban den heplígen Geeft gefalft zijn/
‚gelijkt Chrziſtus fepd : Ontfangt den Pepligen
Geeft) Ec. Waer unt meer als klaer is / dat et
een geloovig / waerachtig / boetbeerdig/ afge⸗
ſtorven / nuchteren / kupſch / ootmoedig / gerech⸗
tig / lieflijkz / gehoorſamig / Godvruchtig / breed:
famíg/ ende geeftelijk vollt zijn moet / (merkt)
gen wedergeboren volk / Die op De ſtoelen der gez
vechtighept met be hepligen Apoſtelen fitten.
Des Heeren gevechtige oordeelen over alle hal⸗
ſterke booſe Sondaers / met haer uptſpzeken /
ende De ongeloobige / onboetheerdige / aertſch⸗
geſinde / dzonkene / oberſpelige / hoerachtige /
onliunſche / hoobeerdige / ſtoute / ongerechtige /
verkeerde / ongehoozſamige / twiſtige ofte vlee:
fchelijke Sondaers met deg Beeren Geeft ende
oogt leeren / vermanen / beſtraffen / afdoen /
ende in rechter kracht rechten ofte binden ſal.
Want't is meer Dan klaer / Dat een vleeſche⸗
lijk menſch níet van Gods Geeft vernemen en
Kan. Maer díe Geeftelijk zijn / onderſoelten
alle dingen vecht / oordeelen alte dingen recht /
ende wogden ban nfemanden geoosdeelt. Ja
mijn Bꝛoeders onmogelijk (8 ’t/ datde ecne
bleeffchelijcke den anderen / ofte de eene
ſchuldige twiſt· maeclier den anderen recht
Doo? Ehꝛriſtus Geeft onderwijſen / leeren/
bermanen / beſtraffen / ofte met de Kracht
ban fijn woord / Lan fijn Gemepnte recht na
Godts wille doen lan : Want hare vruchten
getupgen openbaet / dat die eene níet wepni⸗
get alg die ander / noch onbaetbeerdigh Gunz
ten Chꝛiſtus Geeft / aert / ende natuere alle
bepde ín den vloeck ende dood ſtaen.
aerom ſoo breeeſt God / ende weet hoe of:
ten / foo en fal oock haet copdeel niet uyt
God zíjn : ’t fal meer beeechten als bouwen.
Ende ín den geont niet Dan een gewiffe oor⸗
deel ober haet eygen zielen zijn / faa gehoozt
ís. Macr foo fn Cheiftus Geeft hebben /
op der Apoſtelen ffoelen fitten / ende boeren
des Hemels fleutelen/ foo fal oock haren oor⸗
deel ongetwijffelt wel oprecht zijn / ’t fal vecht
als aen Chaiftus ſtede toe treffen.
Ende haer doo? bleefche noch daor bloed
aen Den overtreder niet vergrijpen. Dic
ban Cheiſtus geeft geleert zijn / mogen rech⸗
ten dat lon boorgeben.
Een fef den moetmen aenmerlien / als dat:
men deſe Sleutelen niet anders boeren en
moet / dan ín fijnen Naem Diefe ons bevolen
heeft ende Dat dear fijn macht / Dat is / met
fijnen Geeft ende Wood / Want hp ís alleen
de koning ende Pozſt fijnder Gemepnten / de
rCor. 5. 3e
Herder / Leeraer / ende Meeſter onſer zielen/ pent.s. 17
ao? wiens Scepter wo ons alle bungen / ende Aa. 3. 37-
fijn ſteinme wy alle hooren moeten / foo wp Joa. 3- 29-
anders willen zaligh zijn/ alg gehoort is: Aen⸗
geften jp dan bepde de gebieder ende geer (feq-
ge ichi) van defen alſoo is / ende Dat bepde Dat
binden ende ontbinden ín fijn handen ſtaet / cn
daerom oolt ín fijnen Name met fijnen Geeft
ende woozt alleen gefchieden moet / foa bere
haelt is foo mogen Wp ons ooch Wel ín goes
Der vreeſe boorſien / dat wp zijn gebandene/ die
bu ín den Wemel felbe gebonden heeft/ door onz
fe voeltelooshept/ goetdunken/ ofte ffouten fin
níet en ontbinden / ofte oock fijn ontbondene /
Die hn ín Den Hemel ontbonden heeft / niet en
binden) gelijk oolt Dat verloren kind / ende
menfche der fanden met alle fijn vervoeriſche
ontepne Pzopheten Lan veel hondert Garen
af gedaen heeft/ Och God. Gch kinderen dat
men toeſage.
Alſoo
en 10. 16.
2 Teſ. 2. 4.
eik kust negra je
Verklaringe des Apoftolifchen Bans.
Ulfoo wijt als dan de Sleutelen der bindin⸗ wi
ij d [níet de daad des
ge met deſen onfen Cuangelifchen Ban be-| hem beleere / en Teu
209
Sondaers / maer dat hu
g.
treft / fa is meer dan lalaer / foo wanneecder Nademael het nu dan upt after deſen baſt EESTE
een, openbaer bekent haereerder / of oberſpeel⸗ en openbaer ís / alg dat Chꝛiſtus Jeſus alleen 7
der / met den twee of drie getungen obertunget. Den fleutel Davos heeft. Die den vechter
eCor. 13,1. Ofeen Jangen-fchender/of afgaaen-Dienaet/of waerachtigenen boetbeerdigen den hemel open
dronckaert of gierige / of haters of een verkeert flupt/ den knoop haerder ongerechtigheyd
moetwillig twiſtmalier / of een onboetveerdig / (antbint/ende de fonden quijt fchenkt. En ook
Curieus Hun / teeher jen leedig Cafel-gaft/ of | wederoinme de gene, Diede anboetbeerdige /
een Laſterger / Dief | Hoover / of Doodſla⸗ vleefchelijche Sondaers den Hemel toeſſupt /
ger / Fc. Vooz de Gemeente geſtelt worzt / dat onder fijn oordeel bne / en de ſande na hout/
fi als dan dat Oordeelende 1Basza der Schrift | en van ban Wegen fijns naems niee meer dart
hebben / daer mede ſo hem van haer untſſupten/ | Hpelondigers / Dienactg/ ende Baden daer
Dader Chꝛiſtus gak kee re | esn —— ne noch otter nach langer / noch
at Ga nu geen Lidmaet meer aen Chaſtus enger / noe runmer / boor Bod fpanuen en
lichaem en {8 / geen belofte meer en heeft Dan magen / dan eng van fijner beeft leenen en
Mat bac Daden Dood eeuwig fierben / en bat Hijche ban fijn Wooꝛd bevolen ig / ſo gehoort is. So
der Senaden derven maet. Somma dat fijn | ig tooit daer mede meer Ban haer / dat fp at
Rom.1.32. eyndelijke paccendeel (fa hu hem van gantz|te bele fenterr Die Baer ín haer ſtont onver:
2Cor.b. io. ſcher heeten anders niet en heiseerd ) Ben geert: ſtand dunken laren dat ſy de farde (dock Ged
—— Ee gen brandenden doel / Helle ende VDubvel zijn | betreffende) pemanden magen bergeben of na
atel1.8, ede lde dn Gem openbaer / J OF Die met rooſtelooſe addedachte
Apoar8. dat bp upt Den quaden fs, dl kmen unt eenig vleeſchs / haet of bieterhend :
en 22.15, Cn fiet / Die alfodanige zijn / dat zijn de ge⸗ en niet reym cn aïteen doo Eiritus — en
ne / daer aen Den eerften Sleutel macht heeft / | Woord pemanden deren bannen of afdoen /
want Gods rechtveerdige oordeel / en fijn ſter⸗ ofoock daer en tegen Bao? een natuerlje niee:
ke bindende Woord houd ober haet / dewiſle ſy ſchelijke liefde / aunt / vriendſchap / of pactpe
loa8.34. Chriſtum wederom berlaten/fijn Henlige Ver⸗ | tegen bet Woozd aenhouden / en in fijn fonden
Meier over VOND enn Woozd bevachten / na den vleeſche le: op het ongewifhe troo ſen/ en daer mede Dao?
wie de ven / tWiften Decterijen toerichten / den band | de vingeren fien : Daer inede fin dan nae det
dende fleuteì Det liefden hzeeken / de broome ban malliande⸗ balfchee Propheten maniere / de handen der
macht heeft. ven Deplen/ De vzerdſamige ſtille heeten herz Godlafen fkerkzen / detwijte ſn haer met bet aen⸗
ontruſtigen / ergerniſſen en lafter in breetien / houden ſchijnen tot den leben te oordeelen / en
Gods Heyli-
ge Geelt in
den Geeft
gevat,
maekt los
van “fonden.
Ez,18.23.
foo ong De openbare daet meenigmac! geleert
beeft / gelijk belen met mn ( epfacen ) meer alg
te beef bekent is. Och / och} hoe geheel hact
ís bhp van God geflagen/ die met defen herz
ſchrickelijcken fleutel ban Cheriſtus volck gez
honden en met deſen zwaren vloeli Lan fijnen
gerechtigen Geeft gefteaft wort. O Dader
Doch (foadaer geen wae
uiet leben en ſulſen / och
op.
Wil dan u alte
ín de liefde Chri
vachtige boete en is)
Bracders Doet ’er acht
gelijlt Breeders en Suſters
ſti getrauwelijck hier mede in
‚God vermaend hebben dat hem doch niemant
in deſe hoogwichtige zware en Godlijle facke
gunnet u Genade. boo? en neme / hooger ofleeger / herder of Nan:
Des felven gelijken oolt met den flentel der per te handelen * hy * —*— /
ontbindingen m defen handel ban den Ban al- |
fo. Want ſoo daer een arm gebannen Sonz
daet hem Wederom boor fijnen God veroot⸗
moedigde / fijn heete daag berou boor hem bre⸗
kende / kermde en weende bitterlijke : Kreeg
een hert grondlijſie leedweſen ban fijn ſonden
en eenen vollen LTuſt weder tot ’ec waerhend/
hatede nu Den verkeerden weg der Godlooſen /
en trad weder op den Weg Ber vromen / ſom⸗
ma / bu ſchilite hem alſo ín al fijn geheel leben /
Dat men anders aen hem niet fpeuren en kon:
De Dan Dat hem des Meeren Geeft wederam
geſalft / en ín fijn Genade aengenomen hadde/
ende woude geerne Weder by des Heeren bolck
3zijn/ Ec. fa hebben ſp als dan dat trooſtelijcke
Wood der beleften / Daer mede fa hem weder
tot Des Weeren Altaer brengen / met Dat Beez
fielijkk Wop Gods befpzengen / hem Chriſtus
Genade verkondigen / en alfo weder boor ha:
ven lieben Bzaeder: ín Chriſto Jeſu acnnemen/
en met fijnen Heyligen Daede begroeten mo⸗
gen, Want de Veere ( fent de Peopbeet) en
in der recht
tels in der G
Opdat huh
deel bende aen G
ge / ende alfoo m
ftvaffe fijner haogmaed dz
Och mijn hertgrondel
heel wanderlijck
van Gad gel
' heneftvate ín deft
het fn dan met de bindinge des eerften ſſeutels
beerdighepd tot den ceuwigen
dood / of met de onbindin
ge des tweeden fleuz
enaden tot den eeuwigen leven,
em met
et den E
geen onfcheiftmatig oor⸗
od en fijnen Haeften bergvij-
nael des afgronds de
agen moet. Merbiet.
pelijke Broeders hoe ge⸗
hoog ís hp mijns bedenckeng
eert / Die De vechte Vraninchlijche
nalfoo treffen kan dat bu de
tochetronde fleutelen ín Godſaliger Wemel
ſcher wijshendt ordentlijkk
Heeren oordeelen met een
confcientíe in
beften alder v
kan.
gebeupken en fijns
gewiſſe berfegelde
der vechte Apoſtoliſche mate ten
zoomen wel aenfeggen en boeren
Alle Die pt Godt geboren zijn/ an
partijdig en cepn van herten zijn / laet ick met
De Dalbinge haers Geeſts naedenclien/ wat
mijns beemanens en ſchrivens grond is,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
CONCLUSIE
Vermaninge aen allen Vroomen.
Iet gy beminde Broeders, hier heb ick nu nocheen kleyn gacf ken in mijn
S laetfte zwacke ouderdom, niet van eenig hontsgelt ‚ noch hoeren loon,fo
Ifraël verboden was, Deut. 23. 18. maer van de volle gebenedydinge mijns
Gods, te weten, uyt den vaften gront fijnder Waerheyt met vele zware be-
kommernifle, forgeenmoeyte, des Heeren Heylige Schat-kamer toegedra-
| gen. So nu fijn weerdigheyt of prijs, fchoon dar geofferde gout, filver, me-
J tael, zijde, of edel gefteente niet gelijcken zy, dat’et dan noch evenwel on-
| der’t vueren hout, Rams-vellen, of Geyten=hayr maer en mag gerekent zijn ,
foo hebbe ick alreede dat ick daer mede foecke, algevonden. Want mijn be-
geeren ‚ voor Godten fijn Gemeente en is anders niet dan dat maer de levendi-
ge opbouwinge der Hemelfcher hutten, fijn vollen gank hebben en tot zijn be-
ftemde heerlijkheyt gebragt mag worden. Waer over ick ook weynig onge-
mak en benautheyt, lafteren armoede, tot op defer uuren toe in mijnen deel
geleden hebbe. Datick hoope, dat ick met allen vroomen Gods, Apoftelen
en Propheten, jae oock met Chrifto Jeſu felve in mijnder zwackheyt roemen
mag) dat my de yverige liefde van des Heeren Huys verflonden heeft, P{ 69.10.
oan. 2. 17, ;
} —— daerom aen allen vroomen wel begeeren, die dat water der liefden
met een ongevalfte reyne conſcientie uyt de Fonteyne Gods gedroncken heb-
ben, dat fy doch dit felve niet en verachten, maer met opene doorgrijpende
zinnen zijn aert, grondt, kracht, virtuyt, en vaftigheyt, recht als voor God
in Chrifto Jefu onderfoecken, enalfo meteen gefont Chriftelijck oordeel aen
alle fijn eyndenen plaetfen ongebroocken willen laten , want het is mijn valeten
dronk daer medeick in defen deel des Bans mijns af{cheytsuyt den vleefch met
u allen maken „en tot mijnder rufte leggen wil. |
Menfchen gunft of eere, vleefch of patye en hebbe ick daer in niet geſocht,
maer de gront der waerheyt hebbe ick verklaert. De Heylige ordening der
Apoftelen bewaert, beyde de rechtveerdigheyt en barmhertigheyt Godts ha-
ren behoorlijken prijs „een yegelijk in fijn deel gegeven. En niets niet nieuws
daer in getogen, noch van mijnen gant{chengront verandert, maer datik dat
uytfluytelijk oordeel der leelijcker vleefchelijcker fonden mits vele onderfpre-
kinge der Godvreefender en nadenkinge fommiger Schrifsen , oock periculen,,
toevallen, en be-ervene grouwelen wat breeder hebbe nagedacht. En alfo om
dealleergerlijke fchanden wat beter voor te komen, op eenen gewifleren ende
vafteren gront gefer , fo-men fien mag.
Aengefien wy dan voor gewis weten „hoe dat des Duyvels diepheyt noch den
fommigen weynig openbacr is,en daerom ook met dat verderflijke difputeren en
twiften fijnder fchalkheyt fo grooten fchadedoet , fo gefien wort, fois ten eer-
ften mijn hertgrondelijcke bedeaenal die, die haer na Chriftus name noemen
laten, datfe doch met kloecke nuchteren (innen verftandelijcken willen infien;
wat doch de eygentlijckeaert, natuere, hart, fin, geeft, en gemoed Chriftt
is, en hoe hetook al te male dan enckel gerechtigheyt, waerheyts —
Ey {3
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Conclufie des Boeks. | 211
heyt, liefdeen vredeen is, wat hy den ſijnen bevolen, naegelaten en geleert
heeft. Ook mededat fy hare knien daerop voor hem gebogen, en dat teken
fijns alderheyligften Verbonds ontfangen hebben , dat fy haer oude fondelijcke
leven in fijn doodt begraven wouden. Haer herten met fijn fcherpe Woorten
Geeft befnijden, hem volgen, op alle fijn wegen wandelen, en beyde, in-
wendig en uytwendigeen met hem zijn, fode Schriftleert, op dat fy alfoo der
hooger beloften indenkig, fijn Woorten wille inde krachten waerheyt nako-
men, want hy en isgeen Godt, die foo aen eenige uytwendigefchaduwen, Ce-
remonien, Beelden, Broot, Wijn, Water,Hand of Mond, dan aen Geeft,
eet ‚ Werk,en Waerheyt fijn behagen en luft heeft, 2Cor. 1. z0.Eph 4.25.
oll.2. 6.
Mijn tweede bedeis, dat fy oock hier en tegen willen infien, wat doch des
Duyvelsaert, natuere; here, geeft, finen werkis, Welk een gantfch liſtigh
boos bedrieger ; onbefchaemt, ſchalkachtig, leugenaer, en hooveerdig, ſtout
moordenaer hy vanaenbegin geweeſt is, loan. 8. 44. Een haetlijcke benijder
der Godlijckereerenen fijnder waerheyt, een vervalfcher fijns H. Woorts, en
een doodlijcke vyand der Godvreefender zielen, Oproerig, partydig, on-
vredig, feftemakig , nijdig, verkeertenliefloos, die niet dan haten, faem-
roven, liegen, bedriegen en quaet vermoeden, onreyne herten, fchaemteen
fchande in eenen fchijn der waerheyt toerechten en baren kan. Ick ſegge ander-
mael, ineenen{chijn der waerheyt, want hetis openbaer, hoe wel hy de hel-
fche Satanas, Beelzebub, Belial , Behemoth, Leviathan, den Engel des af:
gronds, den Vorft der duyfternifle, de oude kromme Slange, en de Duyvel
felveis, dat hy hem noch evenwel in een Engel des lichts kan verftellen, alfoo
Paulusfeyt , 2 Cor.11 16.
Uytwendig en is ‘er niet; dat hem drucken of weedoen kan; wanneer hy
maer de woonplaetfe van onfe herten inhouden , ende Chriftus aerdt, nature,
Geeft enkracht, daer uytkeeren kan, foo heeft hy den prijs fijnder fchalck-
heytaen ons algewonnen, ja foo ook eender fchoon van Petroof Paulo zelf
gedoopt werde, en dat broot des H. Nachtmaels van des Heeren eygen handt
ontfinge, ende fage nimmermeer geen Papen Afgoderye meer, behielt dan
noch maer een van des Duyvels vruchten aen hem , het waer dan haet ofte
partye, nijt of bitterheyt, wrack of gierigheyt, hoovaerdie ofonkuyfcheyt,
of eenige boosheyt anders, fo moeft men met’er Schrift bekennen , dat fijnen
Geeft Duyvels, en fijn leven huychelye waer, Gal. 5.10. 1 Ioan. 3.8. Want
het is meer dan klaer, dat de geheele menfche wedergebooren, oprecht, on-
gevalfcht , Geeftelijk gefint ,Godfalig ‚Heylig, vroom; Chrifto onderworpen,
en eygen zijn moet ‚ fo Jacobusteyt: wiede gantſche Wet hout „ende fondigt
maer in’teen, dieisacnallen fchuldig, Jac, 2,10. Ja weerde Broeders, die fo
wijt van Godt geleert worden, dart fy Chriftum en den Duy velin haerder bey-
deraerden, natuere ,leeringen, en werkenrecht en wel aen haer felven onder-
fcheyden konnen, en daer by bekennen dat Chriftus aertdat leven, ende des
Duyvels aert den doodt brengt; fullen haer ongetwijffelt van alle onnutte ydel
difputeren , partyen, fcheuren , twiften „oproeren en SeCtemaken , en ook mede
van alle doodlijcke grouwelen ; fondeen fchande wel affcheyden, ben ick mits
Gods Genade in mijnder zielenalgewis. Mijn derde bede is, dat fy oock alle
met een oprecht open herte willen nadencken mert welke -heerlijcke en fchoone
bynamen de rechte waerachtige Chriftenen van der Schrift vereert zijn, als
kinderen Gods , Gods Heyligen en beminden, Gods uytverkorene, weder-
| cborene, Abrahams zaet en kinderen. Dat zaet des vredes, fpruyten en
| planten der gerechtigheyt;, vruchtbare —— grifien Chrifti, lidmaten
3 des
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
212 Conclufie des Boecks.
deslichaemsChrifti, fijn vleefchende been, Chriftus Moeder , Sufters, Broe-
ders, Jongers, Gaften ‚ Vrienden ) Sonen, Dochteren , Maegt, Bruyd
ende Vrouwe, fijnen heyligen Wijnberg, Heyrleger, Stadt, Jerufalem;,
Tempel, Arcke, Huys ende Woon-ftede, dat uytverkoren geflachte ‚ dat
eygendom Gods , Hemelfche, Borgeren , levendige fteenen , medegenoten
der Heyliger Apoftelen en Propheten, huys-genoten Gods, Koningen en
Priefteren , duyven, ſchapen, het licht der werelt , ende het zout der aer-
den, &c. Opdat fy met alfoo een nadenken van alfulks, haer voor God, voor
degemeynte, ende voor allede gantfche werelt in alle hare wegen, woorden,
ende werken, van binnen ende van buyten, heymelijck ende openbaer alfoo
fchicken, dat fy alfulker heerlijcker bynamen uytgenaden, weerdig, in alle
liefde, vrede ende eenigheyt met allen vromen wandelen, ende den fwaren
vloeck des bans ( daer van boven nu verhaelt is) door fijn vaderlijcke gave eeu-
wiglijck ontgaen mogen. . Niet hoorendedat {trenge woord: Gaet van my gy
vermaledijde, met den Boeken aen der flinker-hand, maer dat foete woord:
komt gy gebenedijde met den Schapen aen der rechter-hand, Endealfoo in
ecuwigheyt met den genen niet gerekent worden die met den ban des woordts
inder kracht van Godgebonden, vooreen vervloeckt Godloos zaed ; voor ver-
maledijde kinderen, kinderen des toorns, kinderen des Duyvels, knechten:
derfonden, knechten der verdervinge, befpotters, verachters, boofachtige,
vleefchelijcke, verkeerde, onrechtveerdige, Godloofe , halftercke Sondaers,
hondenendefwijnen, &c. Vander Schrift gefcholden worden, den welcken
na gehouden isdat eeuwige helfche wee, dood, vyer, poelende pijn. Och
broeders laet’et ons gefeyt zijn.
Mijn vierde bede is aen alle die, dien des woords forge bevolenis, mer my
ingelijcken dienft ftaen, fy doch haer in alle haren doen voor Godende fijn Ge-
meyntealfoofchicken, dat haer niemant met der waerheyt ftraffen ofte lafteren
enkan. Oprechte dienaers Chrifti, heylfaem en getrouw in allen dingen,
Mannen vol van den Heyligen Geeft. Uyt dat onvergankelijke zaed Gods gebo-
ren, met dat Hemelfche licht omfchenen. In Chriftus goedeaert verft, fijn-
der genaden deelachtig. Van God geleert ende gefalft. Op eeuwige dingen ge-
fint. Haers eygen roems, der ydeler eeren, ende der onreyne vleefchelijke luften
hatig, nedrig en kleyn in haer eygen oogen, Eens fachtmoedigen en ftillen geefts.
medelijdig ‚ barmhertig , vaderlijk, lankmoedig, vriendelijk, ootmoedig,
kuyfch, geerne herbergig, onderworpen,milt,goedig en vreedfaem, In de heylfa-
me leere vaft berigtig , en na den goeden aert, nature, herte, fin, gemoet voor-
beelt; leven, foeken en doen Chriftí tn den Geeft gegront. Onbeftraffelijke her-
ders, die over des Heeren kudde forge dragen, niet gedwongen, maer gewil.
liglijk. Niet om een fchandelijk gewin noch haers buykshalven ‚ maer van
gront haers herten , nietals diedaer domineren , maer als voorbeelden der ge-
meynten Chriſti. Op dat fy door haren getrouwen dienft, fonder alle vruchte
ende fchande in volder vreugden op des Heeren bergen fpringen, ende der ver-
fcheurender wreede wolven mont ongequetft ontgaen mogen.
Ja mijn Broeders, foo wy alle in eenderley geeft na deſe mate konden voortvae
ren, ende niet de verdervende Voſſe foo bencffens in enquamen , och hoe hacft
woude de Bruyd des Lams, met haer geftickte bontekleederen, witte blinken:
de rocken , armfpanfelen, oor-ringen ‚ ende hals-banden (verftaet in de fchoon-
heyt haerder deugden) voor de gantfche Werelt hier voor pronken , daer fy nu
by wijlen door de bedrieglijke arbeyders ende liftige twiftmakers ({oo tot my-
nen tijden veel gefien is) in gefcheurde leelijke vodden fitten, ende vele men-
fchen fpot ende lafter zijnmoet, och God.
lijn
— — — —
Conclufiedes Boeks. 213
Mijn ziele is dickwils banger als ick fchrijven kan, de God der krachten fter-
ke my. Endeomdieswilte, dat ick ſie, dat des Heeren huys fo menigen (waren
aenftoot , niet alleen van buyten, maer ook van binnen lijden moet ‚och mannen
wapentu, want rechtis Paulus woort, dat den Dienft des nieuwen T eftamenrs
geenen dienft des Letters maer des Geeftsis, 2 Cor. 3 6. Kan daerom ook van
geenen hooveerdigen, ftouten, roemgierigen, ofte eygenfinnigen die ’t alles na
haer eygen affect, fin, ende gemoet rechten willen; recht tot des Heeren prijs be-
dient worden , fullen altijt meer af breken als bouwen , meer fchaden als vorde-
ren. Moetookalfoo gefchieden , dewijle’t (fegge ick ) na inhout Pauli leere,
nlet diepheyt des vernufts, nochgepronkte menfchelijke woorden, hoekftave
ofte doode letter, dien fy gemeynlijk vol zijn, maer God, Geeft, waerheyt,
kracht, endelevenis, dien fy bloot zijn, Och doet’er acht op.
Andermael fegge ick: Wapentu, de Engelen des Heeren en ftercke hel
den zijn de rechte leeraers vander Schrift genoemt, handelt daerom manne-
ijk, houtover Gods bevel , hout vaft ende en wijkt niet.
Wachters ofte Trompetten-blafers heeten fy ‚ blaeft uwen hoorn in rechter
thoon, waektover Gods Stad, waekt kloekelijk (fegge ick) ende en fluymert
noch en flaept niet. |
Geeftelijke Pilaeren zijn fy, och ftaet in der waerheyt vaft, draegt uwen
laft gewilligijk, en wankelt noch en wort niet fwack.
Vrede Boden heeten fy ‚ och Broeders doet u namen vol, wandelt in den
vrede, ftaetfe voor, ende en breektfe niet.
Opfienders en Biffchoppen heeten fy: och neemt Chriftus kudde wel waer,
neemtfe waer (feggeick), en verderftfe noch en verſuymtſe niet.
Herders heeten fy: och bewaert ende weyder in Chriſtus Lammeren recht,
en verlaet{e noch en verfmactíe niet.
Leeraers heeten fy : Openbaert Chriftus waerheytende woort, en verbergt-
fe noch en verfwijgtfe niet.
Geeftelijke Voefters ende Vaders zijn fy: och forget ende voeder u jonge
kinderen, en bedroeftfe noch en verftoorfe niet.
Geeftelijke Klokhinne zijn fy met Chrifto, in Chrifto vergadert uwe tede-
re kiekskens, en verftroytfe noch en verbijtfe niet.
Huyshouders Gods heeten ſy. Och bedient fijn verholentheden recht, en
misbruykt{e noch en fchentfe niet.
Het licht der werelt heeten fy : fchijnt in volder eeren en bedekt den glants
uwer deugden nict. |
Het zout der Aerden heeten ſy, och doorbijt ende kruydet recht „en wormet
| noch en ftinckt niet.
Dienaers heeten fy aen Chriftus ftede,och broeders dient ende en heerfcht niet.
Niemant en roeme hem ceniger gaven, bidde icku Ontfangers zijn wy;
nietgevers, uytgenaden, nietuytons. Merkt, knechten ende niet Heeren,
och broeders buyget ende bukt u.
Mijne uytverkorene in de liefde en waerheyt, mijnder zielen luft ende vreug-
de, alfo lange gy in den Heere ftaet, op den weg des vredes blijft, ende uwen
broederen getrouwe zijt, wandelt weerdelijken na de beroepinge, daer mede
gy beroepen zijt, vreeft uwen God van herten, bemint de broederfchap, voert
uwen dienft vromelijken uyt: Rijck is hy dieu betalen fal. Waekt en bid, bid
fegick, en dat mer betrouwen, ende die de gever van alle goedegaven is, fal u
fijn genade, geeſt, liefde, en wijsheyt niet onthouden,twijffelt noch en vreeft niet.
De heerlijke afgebeelde borftlap van Aaron , Chriftus Jeſus, met fijn fchoone
verwen, twaelf peerlen, licht ende recht toegeruft, laet met fijn twee gulden
kete-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
214 Conclufie des Boeks.
ketenen der beyder Teftamenten, ende met de twee geele fnoerkens van een
oprecht geloove ende ongevalfchte liefde op de borft uwer confcientien hart
en vaft gehecht zijn. De voeten uwer affeétien in dat Geeftelijke hand-vat
Chrifto met de levendige wateren fijns eeuwigen ende H. Geeft, reyn ende
wel gewaffchen zijn. Uwerechter oor, om fijn woort recht te vernemen, ook
uwen rechteren duymenteen ‚ om recht voor hem en fijn Gemeynte te hande.
len ende te wandelen met dat bloet fijns onbevleckten offers, recht inden Geeft
beftreken zijn, uwe Geeftelijke huyven , gordelen en rocken heerlijck ende
fchoone zijn. Opdat gy in volder eeren des nachts ende des daegs gelijck de
groene Olijf-boomen, bloeyende Wijn-ranken,, bernende Fackelen ende groo⸗
te lichten in dat Firmament des H. Woorts geveſtigt met alle getrouwe die-
naren Chriſti God ter eeren, en Ifraël ter beteringe, in ſijnen heyligen Tem-
pel dienen , veel vruchten brengen, ende uwen toe gefeyden loon , wanneer hy
hem openbaren fal met alle fijne uytverkoren Heyligen, Apoftelen, en Pro-
pheten in eeuwige vreughde ontfangen meugt. Soet en genadenrijck ende vol
trooftes is het woort, dat de Heerefeyt: Ey gy getrouwe ende vrome knech-
ten, over weynig zijt gy getrouwe geweeft, over vele wil ick u fetten, gaet in
totter vreugde uws Heeren, Mat. 25. 21. Och broeders,van herten laet ons ver-
maent zijn, op dat wy Chrifto en fijn gemeynte trouwe zijn, Merkt.
Wil dan u allen, Broeders en Sufters, in de vrede Chrifti , de Koning des
vredes, inde hand fijns vredes eendrachtelijk hier mede bevolen, en met Pau-
lo uyt herten gront gebeden hebben: 500 daer eenige vermaninge is inC hrifto,
eenige verquickinge der liefde, eenige gemeynfchap des geefts, eenige hert-
grondelijcke barmhertigheyt ende medelijden àl dat gy dan mijn vreughde
vervult, nade waerheyt eens gefint zijt. Eengelijcke liefde hebt, eendrach-
tig en ongedeylt zijt.
Niets niet en doet door twift, ofte om ydel eere ‚maer door rechte waerachti-
ge ootmoedigheyt , die eene den anderen onderworpen zijt. Want gylieden
weet wel van wien, ende waer toe dat wy beroepen zijn : denket na op dat nie-
mant hem felven om ander lieden grouwelen en fchanden wille (dat doch al
te leelijk luydet )en vérliefe, Chriftus goede werk niet en verderve, den vreed-
famigen niet verftore, den vromen niet en bedroeve „den fwacken niet en ergere;
den lichtveerdigen geen oorfake en geve, den wankelmoedigen niet weder in
de werelten jage ‚ des Heeren woort ende fijn Gemeynte niet en fchandalifere,
den lafteraers geenen roem en make, noch oock den bloetgierigen geenen vryen
moet en geve: Maer dat wy ons in allen dingen alfoo voorfien , dat wy onfen
loop in Chrifto Jeſu met volder vreugden voleynden, ſijnen heyligen name
groot maken, ons onder malkanderen in den vrede Chriſti verluftigen, onfe
kranke litmaten en jonge broederen ſterken, den ongeordineerden ftraffen ‚des
Heeren waerheyt uytbreyden, en ons tot een onbeftraffelijk Chriftelijk voor-
beelt allen menfchen {etten mogen. Daer toe gonne ons al te flamen deeeuwige
God der krachten, de fterke Geeft fijnder genaden , met volder gehoorfaem-
heyten liefde in Chrifto Jefu onfen Heere, Amen. Och uytverkoren kinderen,
dat isaen u allen mijn adieu : kent God, bemint de broederen , en wacht u van
tweedracht.
Bymy MENNO SYMONS.
NEBON: SU LVB tel. YR
ONDERWYS,
EN Dek
LBR:
Hoe alle vroome Ouders haer Kinderen (na uytwijfen der Schriftu-
ren ) fchuldig en gehouden zijn, teregeeren; te kaftijden,
te onderrichten, en in een vroom deugdelijk en
Godfalig leven op te voeden.
ED ed
MENNO SIMONS
8 Prov.23.b. 23.
En houdt niet op de fongeren te kaflijden , want alflaet gy hen met
roeden , fooen fferven fy daer af niet „ maer gy verlof? daer
by haer Zielen wan der Hellen.
Prov.29.b.17.
Kafleyende , onderwijſt uwen Sone, foofal hy wvermaken,enwwer zielen
facht doen , want de roeden en flraffinge geeft Wijsheyt ,
maer een kant hem felven gelaten, fchendet fijn Moeder.
1 Cor.3.b.ri.
Daer en mag geen ander Fondament geleyt worden , dan dater geleyt
is, d'welkeisChriftus Fefus.
Gedrukt in’ Jaer onfes Heeren, MDCL XXX 1,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
BEEN 2e.
Hebt gy Soren, fò buygtſa en ondèrwijffe wan haer lieder jonkheyt op , hebt 2y Dechteren , bewaert haer lisa
der lichamen ende en toont u aenficht niet vrolijk tot haer,
Eccl. 42 . 33.
Isuwe Dochter niet fchamel,fo houtfe nauwesop dat f} (oryheyt werkregen hebbende haer niet en misbruyke:
Deut. 23.17.
Van den Soonen van Ifraëlen ſal geen Hoereerder zijn , noch van der Dochteren Ifraëls geen Hoeve.
Eccl. 40.7. | |
Wiefijnen Kindete facht is, die beklaegt fijn ſtramen, en vwerfchrick, fo dikwils alst weent, wleyt met
uven Kinde , fomoet gy u namael woor hem vreſin, ſpeelt met berm , fo fal’twnamaels bedroewen,daer- |
ons ers jockt niet met hem, op dat gy namaels met hem niet treuren en uwe tanden ten laetſten knerſſen en J
moet: En laet hem ſijnen wille niet in der jeugt, ende en onfohuldigt fijne diwaesheyt niet: Buyst hem |
den hals ter wijlen dat et noch jonk is : Blout hens den rug ge dewijle dat et noch kleyne is, op dat ꝰet niet
hermecksg en ongehoorſaem en worde ‚ wanst een weeldig kinde wort moerwillig gelijk een wilt Paert. i |
Prov. 19. 18. ï
Kaffijk uwen Soone terwijlen dat er hope aen is.
1
X
Ì
C
C
ï
E
C
C
T
J
S
h
8
—
b
d
8
e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
217
MO RAE DE N
Den Ouderen in alle Gemeynten ende vanGod
uytverkorene in Chrifto Jefu. Mijnen lieven Broederen in den
Heere, zy genade, vrede en barmhertigheyt van God de Vader,
door de verdienften onfes Heeren Jefu Chrifti, in kracht ende me-=
de-werckinge des Heyligen Geefts, den welcken hy overvloedelijk
heeft over ons uytgeftort, door den (elven Chriſtum onfen Salig-
maker , op dat wy door fijn genade gerechtveerdigt, Erfgenamen
fouden zijn des eeuwigen levens. Den welcken Zy prijs van eeu-
wigheyt tot eeuwigheyt, Amen.
Yn feer lieve beminde Broeders in den Heere: WYy dancken den Hee-
te altijd vooru, inalle onfe gebeden, ende bidden fonder ophouden
onfen lieven Vader in den naem fijns Soons Jefu Chrifti, dat hy u lie-
den alle wil bekrachtigen met de gave fijns Heyligen Geefts, dat gy moght ver.
vult worden met alderley kennitle, wijsheyt, befcheydenheyt ende kracht,
om de gemeynten Chrifti de eenvoudige vrome herten met des Heeren woord
te recht voor teftaen , nauwe gave ende roepinge ‚ ende neemt u lieden roep
waer, daer in gy lieden van God ende fijnder heyliger Gemeynten geroepen
ende als Herders ofte Leeraers verkoren zijt, daer de Heyligen al te {amen me.
de gevoegt worden door den gemeynen dienft ; tot beteringe des lichaems
Chufti. Hebt op u fchapen neerftig achtende neeint doch uwe Kudden aen;
vermaentf{e altijd {eer vlijtig tot liefde, cot goede werken (gelijk Paulus) tot de
reyne vruchten ende liefde des Heeren, tot een Godfalige, onftraffelijke wan:
delinge in alder oormoedigheyt , gerechtigheyt, liefde, vrede, eenigheyt;
barmhertigheyt ende gehoorfaemheyt alder woorden Gods , waerfchouwtfe
neerftelijk voor alle valfche leere ende voor dat weert der boofer tongen: Want
Wie fijn tonge niet en bed winget diens Gods-dienft isydel. Dat fy oock acht
hebben opalle hare wegen ende wandelinge, haer herten befnijden , haer woor-
en fouten , en alle haer wercken in des Heeren vreefe doen en gefchieden laten,
Op dat fy den Euangelio Chrifti en fijnder Heyliger Gemeynten eenen goeden
„aem mogen maken, fijn woort en wille nakomen, ende alfoo faligh worden,
hoeder u lieden voor aile nieuwe invoeringe ende leeringen, die int woort
Chrifti en fijne Apoftelen niet begrepen noch den felven woorde gelijckmarigh
En zijn, wijft altijtop Chriftum en fijn woort, alledie u yet anders wat in voe-
ren wil, dan dat Chriftus en fijn woort leert » dat felve laet gebannen zijn:
Daer en magh geen ander Fondament geleyt worden, ‚dan datter geleyt is,
t welck is C hriftus Jeſus. Hy isden koftelijcken en gefchickten Hoekfteen in
Sion, hy fl hem oock blijven in der ceuwigheye. Hem hoort, hem gelooft ,
hem betrouwt, hem volgt, op hem hoopt, ende in hem blijft, op hem drin-
get en drijft, gelijckformigh fijnen Geeft, woort ende leven, foo en meugt
gy niet bedriegen noch bedrogen worden. Mijn hertelijcke lieve broeders in
en verfuymt doch den dienft uwer
den Heere, ick vermane en bidde u lieden,
broederlijcke liefde niet, maer neemtfe trouwelijck waer. Slaet uwes felfs oa-
de, ende der geheelder vergaderinge, in de welcke u lieden de Heylige Geeft
» Om Le regeren de Gemeynte Gods, die hy door fijn
geletheef t Biffchoppen
eygen bloet verworven heeft. Anderwerf vermane ick (met Petro) allen ou-
OKE. deren
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
1 ai reen PAR
218 Vv OO R-R E DE N.
deren (ick die daer mede een Ouder ben) weydet de Kudde Chrifti, die onder
uis, forge voor haer dragende, niet uyt bedwang; maer goedwillig, zijnde
der Gemeynte Chrifti in alle behoorlijcke ende oorbaerlijcke faecken gehoor- |
| faem, gy die daer gehoorfaemheyt leert als een voorbeeld der Kudden, gelijk
—90 — Paulus Tito beval, feggende: In allen dingen bewijſt u felven een exempel al. J
IE ler goede wercken, ende hout u felven in de leeringe onfchadelijk en redelijck,
HE ende dat woort heylfaem ende onftraffelijck, op datde gene die tegen u ftrijt,
Iik befchaemt worde , ende niet quaet en hebbe, dat hy van u feggen magh: dus p
9— weeſt wacker over al, lijdet u, voldoet dat werck eens Euangeliſchen Predi- |
9 kants, voert uwen dienft uyt in alles ſoo't behoort, doet ‘et alles in de vreeſe des
Heeren, getrouwelijck, met gehoorfamer ende oprechter herten. Want daer
toe zijt gy tot wachters verkoren ende geftelt aen alle den dienft des huys, ende
tot alle gene dat men daer in doen fal, daeromme beneerftigt u, dat gylieden
Hi ufelve bewijft Gode oprechte, gehoorfame, en onftraftelijcke arbeyders, die
IE hem niet en {chamen te rechte uyt te deylen dat woort der waerheyt. Daerom
| begeer en wil ick dar gy dit drijven fult, opdat diein Godt geloovig zijn, neer-
ftig mogen worden in goede wercken, de meefte te wefen, want die dingen
zijn goet en oorbaerlijck den menfchen: Leert, vermaent, dreygt; ſtraft en
trooft, na gelegentheyt der faken ‚ endeen verlact doch uwe broederlijcke by-
komſte, vergaderinge en ordeninge des Heeren nict, fterckt u lieden onder
malkanderen lieffelijck met des Heeren woort, opdat gy in’tgeloove, liefde,
en gerechtigheyt moght toenemen, ende waffchen tot een volkomen Man „die
daer zy in den mate des volkomen ouderdoms Chrifti,
Den Almogenden Heere wil ick u hier mede ( mijn lieve Broeders ) bevelen,
ende begeer dat gy defe navolgende kleyne vermaninge van de Kinder-tucht,
allen Broederen wilt voorhouden, op dat een yegelijck int opvoeden, onder- k
richten, ende onderwijfen van fijne kinderen, het felve in der kracht moght
nakomen ende gehoorfaem zijn. De Heere Jefus Chriftus zy met mijn lieve
en feer beminde Broederen indereeuwigheyt, A MEN.
——— *
— — — —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ke Neen ee NR tk
ONDER WYS.:
OE EC AD
ER a kn
Hoealle vroome Ouders haer Kinderen (na uytwijfen der Schriftuuren )
_fchuldighen gehouden zijn, teregeeren, tekaftijden, te onderrich-
ten, en in een vroom deugdelijk en Godfalig leven ap te voeden,
Allen Outften en Medegenoten in den Geloove Chrifti, zy Genade
ende Vrede van Godt onfen Hemelfchen Vader, door fijnen lieven
Sone Chriftum Jefum onfen Heeren en Saligmaker, door de kracht
en mede-werckinge des Heyligen Geefts, tot fijnder eeuwiger Glo-
rien; Prijs ende Heerlijckheydt, ende onfer alder ftichtingen ende Sa-
ligheydt, AMEN.
Van de Kinder-T'ucht;
EE, KE vetet lice bꝛoe⸗ des vechtbeerdigen Oordeels / en des grim⸗
Is, KS ders en fuftecg in migen toom Gods / die tegen alle onboets
FEhiſto Jeſu / hoe | vaerdige Sondaers eeuwig beenen fal / want pre,
WM op alle met Den de vzeeſe des Weten is't beginfel Det Wijde pr‚14.17,
ERG anderen / wie en|hepd/ fpdzijft De fonde upt / en maekit rech⸗
bi) hoe op zijn / mette broome hinderen/ gelijck Jeſus Syrach
en quaedwillich/ ſeyt. Nademael dan de Genadige Bader
ANeS/à f©/ boog en fondelijck ons Weere Jeſu Cheiſti / de almogende grad-
lele SP vleefch van Adam |te Heere ong ellendige Sondaren / met Dat
Ee CANS geboren zijn / jae |fchijnfel fijnder Genaden omfcheenen beeft /
De) dat alle onfe foec- | ende heeft ong (miítdg den Geloobe Jeſu
| ken ban det jeugt |Chziftí) (n’t Woord / upt ongerechtiahend
Gen6s. —_gen/ altijt ten ergſten genegen is / aclijk o⸗ en Godloofen wefen/ tot den leven det. ge⸗
— fes fept / dat top immerg upt den epgen ſrhat rechtigheyd verwekt / foo laet ons nu dat
Píyr7. Ômfet eerſter qcboogten in ong niet en bebín-|heerlijche erempel det trouwer liefden ban
en dan enckel blindheyt / ongerechtighend / Mattheo den Collenaer vlijtigh nakomen /
fonde en dood : fal nu defen aengeboren aerd die niet de hemelfche roepinge ende Gena:
ín fijnder kracht gelwenſit / onder gedankt en De alleen vooz hem ſelven genieten en Wil:
bernielt Worden; foo maoet’et Doo? Detepme de; Maer hy heeft oockt De andete Tolle- raes. 5.
baeefe Des Weeren gefchieden / Die Daer komt: naerg en Sondaerg mede Daet toe verſocht / Mac.a.14.
upt een wactachtíg Geloove/ doo? des Bee op dat fp oock ſalig werden / ende gelijchken
ren Woo2d / en upt eender gewiffe kemuſſe Geeft / Genade ende gihrtiherd Be
4
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
F
— —— —
— —
Mat.⁊5.20.
Mar.13.34.
Ee — ——
— —
Kif 2Ti.2, 25.
| 2Pa-30.9,
I | Mat.11.20.
Kit | Mat.3 10,
loa.3.3e
Nd Gen.6.s.
HEE EI en 8.21.
HIK h Io.rse1s.
u Ps 1.7.
Ex.II.17-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— —
— —
mm grs
— — gr
220 Kinder-T ucht.
den Heere ontfangen moghten / Want ſullis eere / prijs / goed / in ondeugt / pzael / ende
is de aerd ende natuere Chriſti. Daerom | afgoderpe Hoeden ſpſe op ban der wiegen aen; roa:
woeckert qp lieden ook alfoo onder den an: | maer gu die upt Godt geboren zijt / alfa niet/
deren met dat pond Dat u van boven gege: | Want gu hoopt wat anders te ſoecken aen UWE
ben/ ende hebt een Geetelijch medelijden met | Uinderen (alg te weten) dat Hemelſſch is / en
uwen ongeloobigen blinden Dader ende! eeuwig blijven fal/op dat guſe meugt opvoeden
voeder / Zufier ende Broeder Han / in der onderwijfinge en ftcaffinge Des Heeren Feh.6.
Peouwe/ Dienft- boden / ende Nabueren / | als Paulus leert. Moſes beval Iſraẽl / dat ſy
berzwijget voor haer Gods Gave / Genade / hare Uinderen Des Heeren Wet en geboden
Waard / ende Wille niet : Want haer voe⸗ leeren fouden/ en ſouden Daer van ſpzeeken
ten Wandelen op den wegh des doods / wie | in haer Hupſen en op De wegen/ als fin lig:
weet / of fn haer leben eenmael ban den gen / gingen / en opftonden / en nademael Wp
ſtricke det ongervechtighept mogten berlof- [dan zijn dat untberkoren geflachte / Dat Ko⸗ et. 2.5.
fen/ Daer mede fp berkinoopt ende gevan” ninklijſ Peiefteefchap / Dat Heplige Dolck /
gen zijn / ende hen tot den Veere van gant: | dat bolk Des Cpgendoms/ op Dat Wp bers
ſcher herten bekeerden. Wijn lieve Bzoe⸗ kondigen fouden De Deugden deg geenes Die
ders / berftaet Dit ban Die redelijke ende be-| ons geroepen heeft ban Der dunſternis tot
fchenden menfchen zijn. Och Broeders ín | fijnen overwonderlijken lichte, foo behoren
Ciyzifta/ fagen pemand ban haer ín ’t wa⸗ Wp wel in alder gevechtighend en onbeſtraffe⸗
tec of bper iggen / of ín eenige perijkel deg | Wckbepd/ een erempel ende voozbeeld te Wez
Doods / en mogte door ons geholpen woz: ſen / en uptte fchijnen boo? de gantſche Wez
Den, foude níet Dat binnenfie onſer zielen /{veld, gelijk als wp daer toe geroepen zijn.
Doo? medelijden over haer beweegt worden / Want hebben Wp nu geen regard noch ach:
am haer te helpen foo het mogelijck ware t | tinge op ong epgen kinderen (maer laten haer
fander twijffel ja: en nu fien won met onfen | baren quaedwilligen/ verdozven aerden nar
oogen (foo Wp maer des Weeren Woozd ge- | ture bolgen) ende en tuchtenfe noch kaftijz
fooioen ) Dat fn Wandelen in De fchaduwe deg | Denfe niet na Des Heeren Woord / fo mogen ;
eeuwigen Doodg/ ín de Pelle alveede begrar | Wp Wel De handen op onfe monden leggen/ / 4
ben zijn/ en ban Den eeuwigen onbluffche- en 3wijgen ſtille Want wat willen op die poon
lichen vpere eeuwig en eeuwig moeten ver⸗ leeren / Die bupten onfe Hunſen zijn/ nae en 23.13.
teect Worden / fo bezre fn hen-tieden van her⸗ Dien wp onfe engen ups / in der liefden en
ten tot Theiſtum ende fijn Woord niet en vzeeſe Gods geen acht hebben/ ende ſoo pez
behieeven / boete doen / ende nieuwe men: | mand (fepd Paulus) fijn epgen Luns niet g
fchen worden / gelijk de Schzift leert ; daer⸗ cn beſozgt / die heeft dat gelaave verſaeckt /
om foo beneerſtight doch den berfchzichelijc: En ig erger dan een ongelovige.
ken jammer ende ellende haerder armer zie | _ Mijn Pr leve Bzoeders ende Su:
len / Die eeuwig Teven fal/ en onderfoeckt ſters in Chriſto Jeſu / Var edn
blijtig en trouwelijk / of fp oock in eenige | Uinderen dooz de -bleefchelijke liefde niet en
wegen / dao uwen trouwen dienſt der reyn⸗ verderft / niemandt en ergert/ niet in onz
Der liefden / en Doo? die aenwijfinge ende on- | deugt op boedet/ op Dat haer Zielen in den
dezrichtinge deg Goddelijcken Woozds / upt | daat des gerecht ban uwe handen niet gez
Den eeuwigen berderben mogen geholpen | EeÍEhE en worden / en worm uwer kinderen wil⸗
werden / dat fan mogten falig worden; want | fe niet engaet / gelijk De Wooge-priefter Wez
De oprechte liefde/ Die is van fulckee aect/ |l Dao? de ſtraffende hand deg alderhoogſten /
Dat ſp altijd hongert en doeftet na den prijs om fijns Soons wille gegaen ig ; maer vol⸗ ners 18.
Gods / en na der ſaligheyt alder menfchen / | get qu Dat getungeniſſe (Dat des Weeren En⸗
Die ong oock na den bleefche noch onbeltent | gel ban Den vroomen Abzaham getupgde )
zijn. Wiebe Broeders en Sufters in Chei- Vlijtig nae/ ick Weet (ſendt hu) Dat Abza⸗ Gen.18.19.
ſto Jeſu/ nademael wp dan nu met de gon: | ham fijn Kinderen en fijn ups na hem bebez |
fie en toegenepgt gemoed der heplfamer Ief: | len fal / dat fn deg Heeren wegen houden / en '
de / gedrongen zijn / en bekennen nu doop | Doen fullen Wat rechten goed is. Want dat
de Salvínge van Gods Geeften Woord / hae is De voornaemſte ende pzincipaelfte ſorge det
De menfchelijke nature ín Adam gantfch verz | Hepligen / dat haer kinderen magen Bod vre⸗
dorven / en ban jonk op deg Veeren Waard | fen / vecht doen / en ſalig worden / gelijk ook De —
wederſpannig is / als voren geſeyt is / ſoo Godvzuchtige Tobias ſijns Soons kinderen —*
Yaet ang nu dach dan ong epgen Kinderen | vermaende en ſpzack: mijn Sone/ hoort u⸗ 4
twel waer en ter heeten nemen / enlaet ang | Wen Dader, Dient Den Heere ín Det waer⸗ Tob.r4.rr.
De Geeftelijke liefde / aen haer noch beel meer | heyt / ende houdet u oprecht tot hem / bez
(alg onder anderen ) bewijfen : Want fn zijn | neerſtight u / dat gp t gene doet dat hem.
na der nature ban ong gebaren / ban onfe | beagelijk is / ende Wat hp geboden heeft /
gleefchh en bloed / en zijn ín onfer forge van | Ende leert dat uwe Kinderen Dat fp oockt
God fa hooge bevolen ; daerom ſoo fiet Wel | Velmoeffen geven / dat fn altijd God bree Tob.4. 1.
toe Dat goſe van jonlis op deg Weeren wegen | fenende hem van gantfchen herten betrou⸗
ſeert / datfe od breefen ende lief heben / in |Wen.
alle eecbaerhept en tucht wandelen / manie Mijn Wiebe Bzoeders ende Sufters in
rig / bequaem / Dader ende Moeder gehoor⸗ | Chzifta/ gu Die des Heeren Woord ban hetz |
faem / ende eecbiedig zijn daer ’t bebooslijch | ten bemint/ aldus leert uwe kinderen Han
Í8 | te fpreken / van woorden / niet logenach- | jongs op en vermaentfe alle dage met des Deer —
tig! niet roepig / niet ongebogen noch engen: | ven Woord / gaetſe voren met een onſtraffelig PPS
wallig / Want het behooet alſoo der heoligen ke wandelinge / leertſe en vermaentſe / ſegge
Kinderen níet. De Wereld ſoent aen hare kin: ick / ſoo wijt alg haer verſtand grijpen ende
deren Dat aerdſch en verganckelijk ig / geïd/ ' Vatten kan: Dwingtſe en ſtraftſe met a
Deu, 5.2
Kinder-T'ucht.
befchept ende maten/ ſonder toome ende ſis:
— — — sof lilepnmoedigh | ende
0; ie Vioede niet Wanneer t ben :
noodig is /en gedenkt Dat ?er gefchzeven ſtaet/ ten laetſten des heeten deet berteeren: Tant
Wie fijn kint lief heeft / Die houdet onder de | een ongekkaftijt kind en is níet alleenlijk fijnen zect zo. vo.
weg — — dig —— — — send fchande / maer ſchendet oack fijnder E
mn det tucht Moeder.
hout ende kaſtht / Die fal fijnder verblijden/ Dit klepne vermaningslien hebbe ick unt
maet Wie ober fijn kint te facht is / Die be-| heeegrondelijker liefden * beminde geſchꝛe⸗
Eccleſ 30.7. klaegt ſijnder / ende verſcheiclit ſoo dikzwils ven / ende Dat niet ſonder dorſalien; want ick
pee oen alg cen Wte ge eb Dt Und DE
hals ‚ geeft, Welkke te beklagen is) meer dan te
hem geen macht ín fijnder joncktyept / ende | geworden * —— hoe onee,
en verſmaet fijn denckinge niet /(merckt) angeichicktelijk / ja hepdenfch / dat ’ct bi die
et — — — * | jd —— met haren kinderen taegaet /
at 'et Dre 18 / (metcht) ende | De dulle liefde des vleeſchs (8 bir ſommige ſ
dat hu bp avontueten niet en verherde / ende feer groot / ende koomen ben ie —
— en F a bob * rs — tijs faa ſeer berblint /
ober Dat fn gantfch ende gaer geen misbumk
hem niet te fchande en worde. Siert Bzoe⸗ feyl noch gebzeckt aen haer * an fen)
ders ende Suſters ín Den Heere / wilden alle | ſpeuren noch merken / hae wel fa Gn wijlen
— —— 5 pe Ee ae wig ———— boeverne en ſchalkhent
daem eſe woorden Sprach ter vol zijn / Dader ende Moeder ongeljoor-
herten nemen / ende inde tafelen haerder zie! ſaem worden / ofte mogen Benfankven:/
len fchzijven : och hoe eerbaerlhchen / vroom leugenen ín- ende upt-dzagen / met an⸗
ende Godtbzuchtigh ſouden'er vele Kinderen dere reden Kinderen vechten / ende
opgebvoet worden / Die nu (eplacen ) feer wilt lieden nagapen ofte naroepen ende naklap=
—— —— — Bet, —— * ooli * *
duderen / De Gemennten ende den Mijn Breoeders in Chꝛeiſto / met deſen ende
Euangelio Cheiſti geenen goeden naem en diergelijcke ſchanden —— ober⸗
maecclten ; eenen ongetemden Sone (fepdt | mits de bleefchelijke liefde) met den kinderen |
prach ) ís fijnen Dader cen fchande. Oak | doa? den vingeren te fien / ſoodanige liefde en mat. ;. ;. EE
fept hu: En verblijd u niet Dat qe veel kinder | iS niet pzijſelijſt / maer ſtaet feer te fchaumen/ Marc. 5. ‘49. |
cen bebt / als ſu Godt niet en vzeeſen want | Want fis aerdſch / vleefcljelijk ende dunvels: Pro-4. 25.
een bzoom kind is beter dan dupſent Godloo⸗ | en nademael tap zíjn dat zout der Heden / dat 25.7: 6
belok nain ln SN, been Blei AE
| . Mijn eflachte / ja de Brundt Chꝛeiſto
licve beoeders / herhmout / ende overlegt deſe foo en betaemt ons geenfintg noch ín ——
Woorden wel / De noot dringt wp te ſchei⸗ manieren / ſoodanige vleefchelijtte liefde / noch
À * en leben ( De) alfoa —* toegenengt gemoet tot onſen kinderen
haet kinderen / dat men fchrijben ende [te dragen afte te hebben; maer ons b
fivaffen mact : ick ſchrijve ende — ulſoo bele als ín Á 8 (foo wel onfe —
noch eens / hoedeten / dat dat bloct ende de | ende huysgeſin / alg ons ſelbe) met alder neer⸗
verdoemeniſſe umer Kinderen niet op u en ko⸗ ſtigheyt te onderrichten) te reguleren/ te vez
me. Hebt gp u kinderen Godlijck lief / faa | geren / na Gode gevallige eerbacrhept / deug⸗
leertſe ende vermaentſe/ onderwij ſtiſe m | delijk leen / ende na des Heeren waord: Pier AA. ze. zr
Gade / op Hat des Deeren woozt / bloet / en mede wil ick mjne Ziele gebrijt benden / baar
doodt / aen haer niet verloren en blijve / en | den Heere ende voor fijn Geimepute / ende bez
221
ís ’tdat qu ſulſts doet/ foo ſiilt qu beel eere
beengde aen uwe kinderen ſien en bele⸗
maer en Daet gu't niet / foo fal u wel
……l
vele Ze 3
Ke 20e 23.
Ekel. go. 11.
Ecclef, 22,5.
Des Heeren Mame ende fijn gemepnte om ha-
tent wille ba de onberftandfge piet gelaftert
geeve A om deg Peeven wille / Dat my dit ſcheij⸗
ver in ‘t goede afgenomen worde / cnde willet
en orde. Liebe Broeders in Chriſto Tent | by den Outften / alten Weacderen laten boor⸗
gp eoctt Goa ende ſijn woort te rechte / ende
gelooft an Dat ’et ende der gerechtigen dat
eeutofg leven zo / ende het ennde der Godloo⸗
fen de eeuwige Daad te zijn / ſoo beneerſtigt u
doch wist alle uwer krachten / om uwer kinde
|
lefen / op dat Die ontfchuldige haer wachten
ende De ſchuldige ín deſe misbzuplten /_ fepl
ofte gebzelien / haer beteren magen / ſonder
hen telaten dunken / dat ick haer lieden hup-
fen vegeeren wil / och neen / ick en ſoeke Gao?
* te lenden op den aad ende £
af te weeren ban den Weg Des doods / ſoo ve⸗ | len dingen na der Schrift ende Chrifteliiche
le als inu is. Biddet den Alderljaagften om eerbaerhendt ſchicken — —— et r Cor.14.42.
Die gave fijnder genaden / dat hyſe Dao? fijn in alles des Veeren Gemepnte /_ na Bod: {Res 16.7.
groote barmhertighent op be rechte bane voe⸗ delijcke ordinantie ende welgevallen magh id *
re / ende behouden wil / met ſijnen hepligen | toegaen. Die heeten ende mieten proevet / en 17. zo.
Geeft drijven wil / waeliet obser haer zalighent / Die wetet Dat ick niet en liege / ende Daer: AG. zo. 32.
| als ober uepgen zielen / leertſe / onderwijſtſe / omme foo willet ooït ín liefden ontfangen)
| bermacntfe / Deepgtfe/ beftvaftfe en kaſtijtſe / want daor trouwighepdt heb ich u geſchee⸗
| na gelegenthent Dec falen / houdfe van den ben. j
onnutten Kinderen / Daer fp niet Dan liegen/ Wier mede Wil ick u mijnen Lieben Beoe—
vloecken / ſweeren / hechten / ende baederne deren ende Suſteren Gade bevelen / ende
en leeren ende haaren / ftiectfe tot lefen ende Den Woozde fijnder genaden / dewelcke
ſcheijven leertſe ſpinnen ende andere hand- | machtig ig u lieden op te bouwen ende te geen
werelt Boen / Dat na haer faren ende perſoon die erffeniſſe / ander alle die gehepligt zijn :
| gevoeglijck / nut / oozbaerlijkk ende beguaem | Godt Def Lredeg maeclie u allen geheer- Tels
hen:
God hier inne niet / dan dat qu lieden u ín al-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ee »—op mm nn — — ———————— wan —
mm
222 Kinder-Tucht,
sentia/ op Dat uwen geheelen Geeft / Zie: | Die ’toockk Wel Doen fal. De Barmhecti
ik Ee: aliehaem — behouden worden / ge Dader / dooz ſijnen Tieven Sone Chei⸗
1Cora.z2r. onberiſpelhlt / ende onftvaffelijk / op Die toe⸗ ſtum Jeſum onfen 12 C ERC/ bez
TO komft vnſes EC EA E P Gefu Chziftí/| krachtige u alle met De beerlijche Gabe des
getrouwe ís hp Die u-lieden geroepen heeft) | Wepligen Geeftes /
A ME N,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
On
—— —— —— — — — — ——— —
|
\
S O M MARIE
BV-FEN-VERGADERINGE
Van fommige Schriftelijke bekenteniſſen des Ge-
loofs; mitsgaders eenige waerachtige ver-
antwoordingen, op fommige Schriften,
Vi rridh AN
Ö GELLIO FABRO rn JOANNE à LASCO
| Voorgeftelt;
GEDAEN DOOR
MENNO SYMONS
t Samen in een. werwaet ‚ en voor de tweedemael in druch ver⸗
nieuvt „ door fommige gvaerheyts Beminders, tot de eére
| Godts en haers naeften velvaert.
| Ï TE M,
Om alle Punêten en Articulen, mitsgaders diverfche redenen en bekenteniſſen
| in defe Boecken t'ſamen begrepen, lichteli jcker te vinden , foo hebben wy
| | dit Werk met twee Regifters verreyckt, en yder deel met fijn eygen
Tytel, Prologue en Voorreden getrouwelick in onfe
Nederduytfche fpraecke geftelt.
Pfalm 27. 30.
) De mond: der gerechtigen fpreeckt van wijsheyds , ende fijn lippen van oordeelen , die Wet
fijns Godts is im fijn herte , fijn treden en flibberen niet,
Hebr. 13. 7.
Gedenckt nwer Voorgangeren , dieu dat Woordt Godts gefeydt hebben „ welcker eynde fiet aen ,
volget haren geloove na.
ende
Gedruckt in't Jaer onſes Heeren, UIDCLXXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— Godvruchtige Leſer, nademael deſe navolgende Boeken van Men-
no Symons eertijts gemaekt, en indruk voorgeſtelt zijn geweeſt, en als nu
vele verſtroyt zijnde, weynig te vinden zijn: foo hebbe w y» foo door begeerte
vanonsfelven, en beyde van vele Godvruchtigen , wederom onfen arbeyt daer
aen gekeert, enby de hand genomen, endefeal te famen door den druck ver-
nieuwt, elk boeck in fijn geheel, als het van den Autheur voor defen is uytge-
gaen, hoewel eertijtsin hooger ſprake {ommige zijn gedrukt geweeft, fo Gen:
ben wy daer in getrouwelijck den felven fin'en meeningegevolgt, en die hooge
onduytfche woorden alleen wat gecorrigeert en verduy{chet. Hoopende dn
elk boek van den GadvruchtigenLeferop'fijn eygen fin en meeninge na des tijts
gelegentheyt verftaen , en tot dieeere Godsen harer Zielen welvaert gebruycke
fal werden, de Almachtige Heere en Vader aller barmhertigheyt gunne ons,
door fijn groote liefde en Godl: jke Genade, datdefen onfen kleynen en gerin=
genarbeyt, vele vruchten der gerechtigheydt voort m hbrengen, tot (ijns
Heyligen naems eere, en onfes naeften faligheyt, AME F
EEN K i aRE
BEANTWOORDING E,
over een Schrift
GELLII FABRI;
Prediker tot Emden dat hy (eyder)den Godvruchtigen Gods Kinderen tot
ſmaetheyt, en groote beſwaringe hares Kruyces, den eenvuldigen tot ij
verftrickinge en vervoeringe, en den Onboetveerdigen tot son
(linge en ftijvinge in harer ongerechtigheydt en verdoeme
niſſe, in Druk heeft uytgegeven, Anno (we fallor) 1552.
D 6 öR
MENNO SYMONGE
Duo Oppofita (inquit Philofophus) juxta ſe poſita, magis eluceſtunt.
Twee Tegenſettingen ofConttarien, by een a
\ nderen gefett
fchijnen des te klaerder. ER
1 Corint. 3. 11.
Daer magh geen ander grondt geleyt werden, dan die,
di 7
Corinus Jeſus segeleyt iss
Gedrukt in’ Jaer onfes Heeren, MDCLXXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
rigen
Lien Godvruchtigen en goethertigen „beyde van — Bode met
fate, die den Heere van herten foecken, en den vafter Bet utca fen:
den ver natrachten, die defe mijne noodige beant enn Ee lfaem ver-
Telen — venſchen wy een klaer — ennn * hen Va-
* de een oprecht Oordeel in der waerheyt ‚van 5* onſen — — —
der, door onfen lieven Soone Ieſum Chriftum onfen Heere; 8
verĩchtinge ſijnes ecuwigen en H. Geeftes, AM EN,
{
VOO Kee DEN.
Aulus fchrijft tot fijnen Timotheumenfpreekt: Dat ſult gy weten, dat in
den leften dagen fullen grouwelijke tijden komen: Want daer fullen men- IKKE
fchen zijn, die vele van haer felven houden ſullen, gierig, grootfprekers, hoo- paar tro HED
> phetye van
veerdig, lafteraers, den Ouderen ongehoorfaem,, ondanckbaer , ongeeftelijck „ den Predi-
ftuer, halfterrig» onverfoenlijk, fchenders, onkuyſch, wilt, ongoedig, ver- —— |
raders, wrevelaers, opgeblafen, die meer de welluft lief hebben als Godt, die |
daer hebben eenen fchijn des Godfaligen wefens, maer fijn kracht verfaeken fy , | |
2 Tim cap 3. V.1.2.3,4 5 IN
Wijders {preekt hy, Ik betuyge u voor God , en den Heere Jefu Chrifto, die HIE
toekomftig is, om te richten de levendigen en de dooden , in fijnder verfchijnin-
ge, eninfijnen Rijke. Predikedat Woord, houtaen, het zy tijdt of ontijdt,
ftraft, dreygt, vermaent met aller lankmoedigheytenleere: Want daer fal een pauti pro:
phetye van
tijdkomen, datfy de heylfame leere niet lijden fullen , maer fullen na haren ey- de moewil-
gen luften haer felven Leeraers opladen, na den welken haer de ooren jeuken, fy volk def
(allen de ooren van der waerheydrafwenden, endchaer tot den Fabulen keeren , d.
2 Tim 4. 4.
Item, het fal ( {preekt Daniel) foeen bedroefden tijd zijn, alsooyt geweeft
is, van der tijd aen dat menfchen geweeſt zijn, Daniel 12. 11.
Eerfame Lefer, fo gy met vlijtiger aendacht op dat foeken, leeren, en leven
der Predikanten defer wijd, en op dat rookeloofe wefen des gemeynen volks, wel
acht neemt, gy (ult mer klaren oogen fien, datdie Leeraers, daer van hier Pau-
lus (preekt, by grooten hoopen , en die bedroefde grouwelijke tijd nu hier zijn.
Och mijn Lefer, nemer waer: Hetisfoeentijd, fo dat verfonken Sodoma noch
in fijnen vorigen ftanc ftonde , mofte bet gerechtig en vroom geacht werden, fo
het by defe tegenwoordige arge werelt gehouden worde: Isn ochtans door Godts
rechtveerdige ftraffe en grimmigen toorn verftooten tot der Helien afgront, en seerz.6.
| draegt des eeuwigen vyerspyne , Jud.1. v.7.
| Siet (fpreeckt de Propheet) dat wasde misdaet uwer Sufter Sodome, hoog:-
moet, en alles dings overvloet, ende goede vrede, die fy met haren Dochteren merke waer
hadden, denarmenen nooddruftigen holpen fy niet, maer fy waren ftout, en oel is:
deden grou welen voor my ‚ daerom heb ick’fe oock weg gedaen fpreeckt de Hee-
re ‚,Ezech. 16. 4.9.
Maer nu wort’er (leyder ) allenthalven foo geleeft, recht of men tot enckel
| Godloosheyten lufts gebruyk gebooren ware, en of men God een droomer, en
| fijn Woorteen fabelachte. Segget lieve, ishet niet alſoꝰ mijn goede Lefer, is
| hee niet fo? Wie is'er die Godt van herten vreeft, of die na de rechte waerheyt
vraget? hetis dochallenchalven enkel ongerechtigheyt, afgoderye ‚ vervoerin-
e, en Gods verachtinge, waer men hem wentofkeert. En dit alle moet noch
met Chriftus Heylige Name, Woort, Doodt en Bloedt, daer toe oock mert
Ff 3 men-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
228 V‚-0-0O R-R:E: D- EN.
looiercen Menfchelijke fwackheyt, om ergerniſſe (als men voor geeft ) te vermijden, en
keker met eene valfche vryheydt verbloemt werden. O Heere, recht of Chriftus
dell en Een Heylant aller onboetveerdigen ‚ en een verfoener der verkeerden Sondaren
Zy, neen mijn Lefer, neen, een yder hoede hem. Leeft gy naden vleefche (fegt
Paulus) fo tult gy fterven:
Aengefien 't dan allenchalven foo gantfch en geheel verdorven is, datde gant-
MOB ſche Wereldt niet dan een dubbelt Sodoma, ja een openbaer verwerrede Ba-
bel, ende doncker Egyptus, onder den fchijn ende name der Chriftelijcker
Kerken gewordenis, ende barmhertige groote Heere nu in defe laetfte tijt aller
ongerechtigheyt, dat edele waerde W oort fijner Godlijcker genaden wederom
als een helle licht uyt der duyfterniffen in reynen C hriftelijcken verſtande etlijc-
ken tot gerechtigheydt verichynen laet: Waer met hy in fijner eeuwiger lief-
den, hem noch voor fijnen grooten ende duyfteren dagh , door de openba-
ringe fijnes Heyligen Woorts, ende verlichtinge fijnes eeuwigen Geefts, een
gehoorfame ende gewillige Kercke verfamelt, ende uyt de vergaderinge Anti-
chrifti, door een ware boete ende deuchtfame wandelinge (hoewel in der
fwakheyt) onder dat Kruyce Chrifti, met een heylfaem gebruyck der Sacra-
mentelijcken tekenen, na de ordeninge Chrifti ende fijner Apoftelen, en door
een vrymoedige ongeveynsde bekenteniffe in betuyginge des bloets, haer tot een
eygen byfonder volk uytfondert. Derhalvenis het, dat hen roeren alle poorten
der Hellen, en ſo woeden, dat een ware Chriften (leyder ) weynig rufte op aer-
en vinden kan,gelijk als’ blijke.
vorentamia , De Overheden bannenen vervolgen, flepen in T oorensen banden, pijnigen;
pios & ano: beroven,brengen vele Godvruchtigen aen etlijke oorden jammerlijk om haer wel-
Copvida Po- vaert ‚eere ‚goed en bloed.
— Dart ongeſchickte roockelooſe volck ſcheldet en weder-⸗doopert immer henen,
hoopet de eene onbeleefde leugen opde ander, wijfetonsmet vingeren, recht of
wy het foo maecken, datonsvyer ende fweerdt naeden vleefche tot ftraffe alte
genadig, ende de eeuwige brandt der Hellen nae der Zielen al te weynigh
zijn.
De Predikers ende Geleerden roepen luyde, ende fchrijven vyandtlijck,
fchelden ende lafteren hooge, gelijck de Propheet fpreeckt. Ende hoe wel
wy het met foo vele {ware droeffeniffen betuygen, dat wy in onfer armer fwak-
heyt den Heere begeeren van herten te vreefen, ende met allen menfchen het
Ben geerne wilden goet fien, foo fchelden fy doch gelijckewel fonder alle mate on
stamnia _ befcheydentlijk , bewegen Heeren ende Overtten, Steden ende Landen aen.
min allen oorden, geven voor, Wy zijn Godloofe Secten ende Weder-dooperen,
meeer wy vervoeren dat Volk, onderftaen oproer te maecken, muyterye aen te rich-
ten, ende fulcke oproerige valfche dichtingen ende lafterreden meer, op dat
fy fo datedele Woord Gods, dat Woord der warer Boeten, dat vreuchden-tij-
ke Euangelium der genaden, dat ware krachtige geloove in Chriftum Jeſum,
DePredi. dat vroome onbeftraffelijcke leven van der Schrift ge-eyflchet, dat glorieufe heer-
etigheye lijke Rijke Chriſti, en fijn gerechtigheyt ( daer mede hare faecke ende ontrouwe
ie vderhere voor der Werelt nietopenbaer werde ) in den gront afryten of verdonkeren , en
Toten met onrecht ophouden , gelijk aen de vrucht ende daet openbaeris, Daeren-
tegen dat verderfelijke Antichrifti, dat Rijke defer Werelt, by fijnen ergen on-
boetveerdigen weſen, openbare Afgoderye , ende vleefchelijke ruyme leven , in
eenigheyt der ongerechtigheydt, nae der ouder Slangen begeeren, eendrachte-
Feht3 lijck behouden „en voorder waerheydt onbefchaemt tot aen’t eynde leven mo-
gen. |
Siet: Soo drijft de Vorft der Duyfterniffen, die in der Lucht regeert, ln
werc
ge.
Rom.8,13.
Pſ73.8.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ai sel
Vv O O R-R E DE N
werck in den kinderen des ongeloofs en der on gel
fpreekt, gelijk men ook ( leyder ) hier aen defen Gel
men fijn fchrijven, lafteren , {chelden , bittere honi
fchuldingen , ydele beroeminge ;en geweldige Schriftbreken wel wa
met des Heeren Geeft en Woort recht richten kan.
Nademael het dan velen duyfenden eerlijkeen red
moede ) wel bekentis ‚ dat wy op defer Aerden niet a
met verfacckinge onſes (elfs in die voet{tappen Chrift
W oords na onfer fwackheyt geerne wandelen, dat u
heyt geerne weder aevfteken , vele Menfchen tot ge
Zielen door des Heeren hulpe en genade ( fo vele in
redden willen. Waer over wy Armen fo overmate
benautheyt, kruys en vervolginge allenthalven dra
gemelde Gellius,die in defen val billijk onfe Voorftander en V
hem een Dienaer des H. Woortsroemet) zi jn foude, onfé har
fware nooden ; en desonverdienden haets en bitterheyt overo
fchriftmatige Argumenten en wederle
gginge tegen onfert gron
opgebraght, met fijn bedekte partydifche klaegreden aen der
co
fijne onreyne lafterwoorden noch al fwaerder en f; waerder maket,
der ) niet ofitfiet, defe fijne Schriften
fmaetheyten fchande aller vroomen '
niſſe, ende tot vervoeringe der eenvuldigen;,
opentlijk voor te ftellen , kan en fal my billijk
ick die eere mijnes Gods, de faligheyt mijne
loofs, en den prijs mijnes Heeren Chriſti,
en Roepinge, na fijnen Godlijken wille;
hebbe, door opentlijke beantwoordinge met mijnes Hee
fo vele my mogelilk is, beweetfeen voorftae. H ope het oo
e hulpe met fo vele duytlijke redenen en Schriften ;
laerheyttedoen, dat niet alleene de rechte Gods-ge
delijke ende onpartydifche Lefers en toehoorders do
herten grijpen ſullen, hoehy en fijns gelijk Prediker
en wy door des Heeren genade de vafte gront der w
Wil dan hier mede alle mijne Leferen
gebeden,en trouwelijk vermaent hebben,
antwoordinge en noodtweer niet met party
fig nochte verdrietig, maer met wakende oo
fen, vlijtiglijk onderfoeken ‚en na der Schrift rechten willen.
famen even vele, namelijk, den prijsonfes Godsen Chrifti,
onfer armer zielen. Niemantlae
them dunken, da
is maer een eenige weg en poorte die ten leven inl
Desgelijks ook een eenig Leere. Willen wy metChr
ingaen, fo moeten w
Woort gehoorfaem z
loorfaemheyt '
den welken ik my door
onweerdig in ſij
k door G
alle weg
yegelijk op verdacht zijn,
ellius endealle
o
op den fm
fijne
vervolgt wert ‚ maer mer defe
volgt werden,en niet vervolgen
bekennen dat die Waerheyt en die Gemeynte niet by
i Ken
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
en hem
tot oneeren Godsen fijnes H. Woor
tot beveftinge fijnder fwaerder verdo
yder man door gedrukte Sch
geen welgefinde dat verkeerensdat
r Broederen „ den gront mijns Ge.
met fo groote kracht ende
leerden, maer ook alle re-
or Gods genade met voller
Ss) de vervoerifche leu
aerheyt hebben.
» vrienden en vyanden ootmoediglijck
datfe doch defe mijneafgedrongen be-
difche verkeerde finnen, niet flape=
gen hares herten aendachtelijk le:
Het gelt ons alte:
229
alfo Paulus
lium Faber wel befpeurt; als
(che woorden, verdichte bé-
Cr neemt,en
elijke Luyden (alfoik ver-
ndersfoeken, dan dat Wy
i tot gehoorſae
ytgeleſchte Licht der wacr-
rechtigheyt leeren, en onſe
ons is) ſalig behouden ende
vele droeffeniſſen, ellende,
gen moeten,‚en evenwel deſe
ader ( dewijlehy
de verfoekingen,
NS, met fijne on- rmimigeri:
ten leere van hem
Overh
Mat.16.23:
Lu 9.44.
mheyt fijns
cordia &
Tirannis G.
eyt, en met ieeios
(ley-
CS, tOC Liber G. er-
ror & fobo=
EMEC- ratio mundi
' in fua impe-
riften ieden
Stare pro
gloria Dei
nulli in mer
lum verti
poteſt.
ſijn Genade
nen Dienſt begeven
ren Geeft en Woort,
ods Genad:= Ubi Veritas.
14 Victorië
gen,
gebrooeken
yop Gods Woort, hy
allen ; hy niet
‚Wy daerenboven ver.
‚ Moeten immer alle. rechtverftandige daer mede
haer ; maer by ons Zy;want
het
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ve @ R-R-E D E MN.
Woort en dat Voorbeelt aller vroomen
met brengen, fo wacr de ware gemeynte G — dat — — —F
Leere, ware Sacramenten, een ongeveynsde nerde- een * agen des Hee-
ven, en een affonderinge der onboerveerdigen en verkeer oi * me ep
ren Woordt zijn, en zijn moeten » gelijck men in de —** can ms
door des Heeren genade in grooter klaerheyt hooren —* will * ſtiglijk gebeden
Wil derhalven hier toe allen Godvruchtgen omGods wi en iglij⸗ ip *
hebben, datſe my met haer vyerige gebeden, tot den —— ee dr lcd
pekomen, hy my geringer en onvermogender, matsgacers TNJNG 4
Dienaren inden Heere, foo met de gave ſijner Ge-
——— ven fijner wijsheyt wil befchenken , -dat wy
ige Íprix
naden, en metdelevendige fp | |
met kracht eener reyner leere en vromen wandelsaller wederfprekeren mont ver
es G | n.N in reynder
n het huys onfes Gods, ter eere fijnes grooten Naems, in r
—— yveren Chriftelijcke liefdetot aen’t eynde voorftaen mogen. Den
felven zy prijseneeuwig Rijk, Amen.
230 | -
het doch niet feylen kan, gelijck Godts
an NN Ad
2 /
\
EEN KL ARE
BEANTWOORDINGE
over een Schrift
GELLII
FABR I;
Reyn en louterisde Wijsheyt, fterk enkrachtig is de Waerheyt, een-
vuldig en lieflijck is de Gerechtigheydt, wel dien, diefe heeft, want
fijn herte verblijt hem in den Heer
e, fijn mont fpreekt wat recht is , en
fijn voet ſtaet op den weghdes Vredes.
G Elius tekent ten eerften de Spreuke Chri-[ ſti af weeret / en bn fijne verboeriſche leere /
ftiaen, Math. 7. allen ſijnen leeſeren tot | Schꝛiftelooſe kinderdoope / Ec. ín Die eenige
eener waerfchouwinge voor ons, en fpreeckt:
wacht u voor de valfche Propheten, die in
Bent des Geeftes / Woords / Hunſes ende Lijfs
Antichziſti / en op den rupmen weg onweran⸗
Schaeps- kleederen tot u komen ‚ want inwen- | Dett en Daft behouden mag.
dig zijn fy grijpende Wolven,
ED derden , heeft Gellius ijn Schrifteenen
Antwoorde. —— — ken —— gelijk wie mier,
— gemeenlijken der geleerden gebruyk is, mee= met David
— O de Leeſer de Schapen en De DDolben in, nende veel licht, dat die faecke door alfulcker mar
en Woord
cet naturen Door Gods Geeft en Woord
tonderfchenden konde / en Wifte welk de
s kleederen waren / daer mede de grij⸗
hooggeachter luyden gunft, hulpe en handha= met Goliath
mogendefe EEC vinge des te beter {al erhouden werden , datde op gewelt
|
Brijpende Sc hae
Wolven niet
|
‚ | Godfalige vroomegetuygen , Propheten ende &n ferkheyt
bekent wer. zende ren endet on org” iede eeraers, byfonder des Nieuwen Teftaments P"
den. twwfpelt deſe (pz p “Dant | over Gods waerheyd, Woord , niet alfoo b
Marz.ye. ſe wederpartie felbe gedupdet Werden. IDant | OVEr Gods waerheyd, Woord, niet alfoo be-
met hoedanige kleedinge hp hier komt / daer
mede hp den eenvuldigen in berdoemeniſſe op:
houdet / en de arme Zielen toegvijpet / fal de
nabolgende Beantwoozdinge (fo fn bp dat ſij⸗
ne gehouden Wert ) den Bramen en Godbzuch⸗
tigen Leſeren / Door des Weeren Genade) Wel
ín goeder Klaethent leeren en open doen.
—J anderen teekent hy aen uyt Paulo, en
ſegt: Ik vermane u lieve Broederen, door
den Name onſes Heeren Jeſu Chriſti, dat gy
alle eenſins ſpreeckt, en laet geen tweedracht
onder u zijn , maer weeft vereenigt in eenen
{nen ineengevoelen , 1 Cor. 1. ro.
Antwoorde.
\y/ amet men deſe ſpzeucke recht tast
neemt/ fo vermaentſe allen waren Chri⸗
ftenen/ datſe niet vleeſchelijck noch ſectiſch
handelen fullen / dat hem de cene níet van dez
fen/ en de ander van dien beroeme / maer fin |
wijſet ons alleene tot den eenigen ende waren
erder en Wepland onfer Zielen / Chriſtum
defin; die voor ong gekcunft is / ende in
Wiens Fame wp gedoopt zijn. Pat wp alfa
met grooter eenfte door Gods hulpe en genaz
de ín onſer zwalkhept geerne willen nakomen,/
gelijk anfe zware Druk / elende / dzoeffeniſſe/
bloed / en daat aen belen oozden dat betungen
en kant doen.
Maer Gellius ſetſe Bier tot fa een epnde/dat
bp den Leeſer Daer mede ban de Eenighepdt
Des Geeſtes / Woozds / Hiwſes en Lyfs Cha
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
geert, noch weyniger alfo gebruykt hebben.
En vierden, wijfet Gellius voornamelijk
twee oorfaeken aen, waerom hy fijn Schrift
aen den dagh gebracht heeft. Ten eerften,
daerom, dat ik fie ( {eyt hy } hoe hier uyt Key-
ferlijke Majefteyts Landen , daer die Weder-
dooperen de meefte fchade doen, en doen kon=
nen , dagelijks hier inſluy pen, die haer onkruyt
niet alleen door heymelijck Nacht-prediken ,
maer oock door Schriften en brieven te faeyen
van nieuws aen onderftaen , die men weeren en
den mond ftoppen moet , op dat de Eenvoudi-
ge niet bedrogen , en ook etlijke uyt haer, die
noch geen Lafteraers geworden zijn, te rechte
mogten gebracht werden , &c.
Antwooꝛde.
D ſeer ſmadelijke Scheldwooden/ gez
lijke Weder-dooper ‚Influypen , Nacht-
prediden ,Onkruyd zaeyen ‚&c. leeren (lep:
Der ) wael / wellierlen aecd de Man is / Daer ſp
van geſcheeven zijn. Ja mijn Hefer / Gellius
weet ook foo Wel als ik/ wat Chriſtus ons
van den Doope bevolen heeft / hoeſe de Hepli⸗
ge Apoftelen geleert en gebeukt hebben. I⸗
tem/ hoe oock Paulus den Doop aen etlijche
Doopelingen Yoannis ( hoewel Joannis
Doop upt den Demel was) weder bernieut
heeft / alltene des feyls halven / om dat fn des
1. Geeſtes geen bericht hadden. Ook hoe de
weerde Martelaer Cipriamis met allen %-
phricaenſchen Biſſchoppen — met tfamen
g dat
Mat.28. 19.
Marc. 16, 16.
A28.
en 10.16.
en 18.19.
Rom.6, 4.
AC 19.3.
232 Een klare Beantwoordinge
dat Niceniſche Concilium/ De Wetter-doap |
boo? geen Doop en achteden / fo doch de Met” |
ters bupten Cheiſtus Werke / Geeſt / en Woozd
zijn / Ec. |
Dit alle niet helpende moeten wp noch
evenwel fijne Weder · dooperen heeten / WIEL
aemmerkende/ Dat wp in onfe kindfche Tae:
ten / níet alleen fonder Geeft/ Geloove /
Wooꝛdt of Godlijck Bevel / maer ook ſonder
alle vernuft en verſtand (fa men aen de jonge
kinderen fien mag) met eenen openbaren Anti⸗
chiftifchen Doop van foodanige (Die hp ende
fijns gelijche geleerden felve / vooz Antichri⸗
ften/ Apottaus, Hereticis, en Vervoerders
fchelden ) gedoopt zijn / die noch God / noch)
Gods Woord recht erkent heben / díe in o⸗
penbare afgobderije leefoen / harte knpen boo? |
bout en fteen bupgden op De pocle onnutte lee:
tingen ende geboden der menfchen vertrouw:
Den / na haer mactmille ín haeres bleefches lu⸗ |
fien wandelden / en de Creature Gods / name⸗ |
lijkt / een wepnig Bzoods / voor De eenige en ee⸗
Wige Sone Gods aenbaden en eerden/ Ee. _
En hoe wel wn Chꝛiſtus helle Woord / en
der Apoſtelen heplfaeme Heere, ende open:
baer gebzumelk/ foo geweldiglijckt voor ons
hebben / Daer tae noch Paulum / ende Die
bepde Concilia / alfa gehoort is/ fo en heeft
evenwel dat bitter fchelden / Wederdoperen /
@&c. ober ons armen (Tepder) bp hem noch ma?
te noclj conde. 2
Geeft myde _ Wanneer men nu gelijck met gelijk betalen
wrake, ſoude / moghten wyſe immer met beter vecht
Spreektde goo? Binder-doopers ſchelden / als fy ong Hoog
Heere, en 1
fal ’t vergel- WDeder-Doopers / Want wp hebben de gant⸗
den. fche Schrift voor ons / maer fn aller dingen
Deut.3r. noch woord noch erempel.
Aomte20 _ gaer dat hu ſcheijft / dat wy in Keyterlij-
daerop,dat ke Majefteyts Landen de meefte fchade doen,
wyin Key ende doen konnen, daer upt mag men merz
before pan. fen met wat grooter onberftand ende blind-
den de meee Bepd (lepder ) hu geſſagen is. Degantfche
fiefchade Schꝛrift leert: Dat de Afgodendienaers / en
doen. Die na Den vleeſche leven / Des DOODS Weert
zijn. En hem is meer als wel belient / dat in
De ſelvige Wanden na haren dods-dienft een
openbare Afgoderpe en de woeſte grawel ís /
en dat hare leben ten meeftendeel een voeter
loog onboetbeerdig leven des vlceſches is / als
ook tot Emden (leder )en allenthalben. Noch
Deef hr fchzijven datſe daer de meefte fchade
doen. En dat upt anders geen oogfalte / dan
datſe met des Veeren Geeſt / Woozd en kracht /
dat Rijke der Wellen beſtozmen / die openbare
Afgoderpe beſtraffen den waren Gods-Dienft
teeven / Chriſtum vecht bekennen / en dat verz
keert onboetveerdig vleeſchelijck bolck op den
rechten weg wijfen.
Peet Dat fchade doen / alg Gellins Het
noemt / ſo heeft ons de gantfche Schzezift / die
ban den Waren GBods-dienft / en van dat on-
beftvaffelijke vroome leven foa obermate beele
ſpreekt / ſeer klaeglijcken bedrogen / moet men
immer ſeggen. @ een berkeert Gerichte,
1Cor4.18. _ Siet / fo verblind de God deſer Wereld ſul⸗
ke wederfpannige arge Geeften / Die fo moet:
willigljchen tegen Gods Wooꝛd ſtrijden / en
die waerhend in ongerechtighept ophouden /
Rem.2.5. datſe fn alfulcken verſtokten en verkeerden ſin
gevakten / datſe dat heerlijclie gewin Chꝛiſti
doo? fijn genade / Geeft en kracht opgebracht /
fchaden heeten/en dat goed quaed / en Dat quact |
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— —
— — Ee
van Menno Symons,
ge noemen / mee fodanigen / Eſaia Cay.s.
20,
Wijder fegge ick / ha laet hem ook hooren
aen anderen oozden / hoe wp de eenige zijn /
die haer onboetveerdige arge leere , met onſe
leere (Die niet onfe / maer de heplfame Leere
Chꝛeꝛiſti ís) en met onfe 3wacke wandelmge
inder beuchten Gods / die míts den Geloobe
unt der leere herkomt / beletten / Dat fn niet
fohooge/ alg voor henen / geraemt /-ende fa
genen {aop meer hebben fal/ als fin Wel geerne
fien ſouden / en Beel licht derhalven hier Naegt /
Dat wp Daer de meeſte ſchade doen. Maer wp
feggen : Dewijle fp de Wereld onder den fchijn
Des Euangeliums / nier dan nae den vleeſche
Dienen /en lief kofen den Overheeren / Dat fix
der Klooſteren en Kerken goederen / die in gez
ſtalte en meninge der aelmiſſen ter eevenBods
(hoewel met onverftant ) gegeven zijn / tot
haren gebzuyk wel nemen mogen / Dat fp dat
Euangelium Chꝛiſti met gewelt en krijgs-gez
weer wel voorſtaen mogen / ende Dier Dingen
meer: Den volke, Christus hebbe voor ouſe
fonden betaelt / het Geloove gelt alleene / wu
zijn arme Sondaers / konnen Gods geboden
niet houden / en ſüllie runme Trooſtredenen Quale mun-
meet / alſo Dat een peder fijn nut ende vleeſches 1 LABS,
bzpbept baft daer upt faektt / (ingen en fchzei- pitcipar:.
jen: Dat ſtrik is ontwee/en Wp zijn bp. Trec⸗ iude.1.5,
ken die genade Gods tot weelden/ als Judas
fegt. Blijven in dat oude berdorven efen
Der ſonden onverandert leven / fonder alle vzee⸗
fe Gods / vecht of fp haer leefdage niet een let:
ter ban des Veeren Wood gehoopt hadde / en
dat God dat Godlooſe wefen en ongerechtig⸗
hent niet fivaffen fal / dat derhalven Die recht⸗
veerdige Veere / Die alle Dingen recht vichtet /
om harte groote ondankbaechent (dewijle fn
dat Euangelium fijner genaden niet Dan nae
den Bleefche Teeven en roemen) die hekkentenif:
fe/ Die fp mogen gehadt hebben / weder ban
haer neeimt / en geeftfe lunden / díe fijn vzucht
brengen / gelijck Thziftug tat den Phariſeen
fpzalt/ Mat. 21. 42.
“Stem : Op dat onbillijck bittere woord Antwoore
Influypen ‚ antwoozde ich : het leeren ong pp net
Moſes en Chꝛiſtus / Apoftelen en Pzophe⸗ nuypen.
ten/ oocit de aengeboren aect eener goeder naz
tucen eendzachtelijckt / datmen de elendige/ bez
fkonunerde/ ende bedzoefde vzeemdelingen ont:
fangen/ teooften/ hanthaven/ helpen / ende
dienen fal / en Gellio is Wel bekent / dat defe
arme Kinderen / Die bier foo hart van hem bez
ſwaert werden / níet om eenige mifdact of?
te boeverne / maer alleene om dat getungeniſſe
Gods ende haerder confcientien / met hare
acme fwaclkte brouwen ende kleyne kinderen /
dao? Die venne beeefe hareg Gods/ Loor dat
bloedige Cprannifche ſweert / tot nootwen⸗
dige befcherminge hares lebeng / in andere
Handen / alg die berjaegde Dupf tens Loos
den Stootbogel moeten blieden/ haer in toe⸗
boorficht / Goddelijcker genaden / onder een
beleefde ende goetdadige Overhept hier ende
Daer onthouden / dewile fp om De liefde der
Goddelijker Waerheyt ban hacer Baderlandt/
Erve / bloet· ſueren f weet / ende goederen jam:
merlijck berooft / evenwel haer Bzood na lupd
det Schrift ín God redelijck verwerven ende
haer generen mogen / gelijck billijk en vecht ís.
Soo hp nu ín Der waerheyt ware / dat hy hein
ín den fchijn vroemt / namelijck een ai
C
over een Schrift tegen Gellium Faber. 233
Bes DD. Woorts / moefte immer dat binnenfte Heere / ofte by hare zielen balfchelijken zwee⸗
ſijnder Zielen ober Defe bedroefde Weeg-kinde: | ten dozben/ Ee, Wie nu ban benden/ Gellius
ten en onfchuldige herten met medelijden bez met den fijnen / ofte Wop met den onfen/ dat
koet werden / haet na atle fijn vermogen be- onkrimt zacpen / daer de hooft Vruchten van
bulpelijcke / ende vriendeljcke zijn/ bn det voortkonien / willen wp alte verftandige vedes
Oberhent voozbidden / dette ho fulck een lijke lunden geerne richten laten. Wie de rech⸗
Drijvende geeft ende barnende pver bp haer te waerhept ban herten ſoeckt ende lief heeft,
fpeurt / Dat fn om den pzijg hares Gods) goet/ die lefe ende merche.
ende bloed / fn pevijkel ſtellen / ſoo men open⸗ Glieve eere / aldug moet u heplfaem ende
baerlijck ſpeiren ende fien magh. Maer nu dierbaer woort / dat waogt uwer genaden / Dat
moet deft erbaemelijfte dzoeffemſſe ende groote woort uwer eeuwiger liefden/ dooz welkers
Hier merckt jammer / namelijk / Dat fp voor der gapender (kracht ende genade wp ceuwig met uin nwer
men Gellius Leeuwen mand/ vooz dat verfchzichelijke vper | Glorien leben ſullen / bp defen (lepder)-ende
mhtmanits ende wreede fweert ontwijcken / en genadiget oackt bp meer anderen vervoeringe en onkrupt
—— landen ſoeken / een fnfluppen bp hem heeten) heeten / ende hare openbare leugen / hare gei
heytalte @ Deere. Dat hp nu dan boor een Prediſier pelijke dwalinge / ende hare onvillijke vervai-
ende Chriſten zu / hoe hp na dev liefden han⸗ ſchinge der Schzift / Die hier na geſpeurt fal
Delt/ ende Deg Heeren Woost in defen Deet na: \agden / moet Die vepne leere Chziſti / ende
komt / konnen alle redelijſie lunden / Die oak Godts Heplige Woort heeten. - Is het een
maet met halven oogen ſien / unt deſe ſijne moetwillig laſter ende verkeertheyt met hen/
Scheiften / met t'ſamen diergelijke fijne dage⸗ foa is het (lepder) al te vele. Maer is bet een
lijkſche fchzepen en voegen (lepder ) meer alg \ onwetende blinthept / ofte onverftant / foa
veel.
te bele merlien en afmeten.
Antwoort
op dat woort dit mijn Antwoost :
onkruyt
— Hefer / neemt waer wat ich: ſchejbe
Colof. r.
hannes de Dooper ) doet oprechte zuchten
dev boete. Matth. 3. Doet boete (feat Chziz
peen afgeftozben/ boet: | ten ende Brieven te zaeyen, &c. Antwoozde
veerdig Chziſtelijk leben. Diet toc (feat Jo⸗
gunne hen die genadige Dader aagen Dat ſy
Op fijn laftec-woort / onkruyt zaeyen, is fen mogen; wenſche ich hen met voller herz
Cen peder Zaet draegt ten / weer Die Deere,
wrucht na fijner aect/ Gen. t.29. ijn liebe) Ftem/ Dat hu fcheijft / Dat wy ons van
Gods nieuws onderttaen, niet alleene door hey me-
Wooꝛt dzinget allenthalven op een vepn heete! \lijck Nacht-prediken , maer oock door {chrif-
nieuw gemoet / ende a
Op het
woordt
Nacht-pre-
diken ant-
met den Hepligen David / wy gelooven Daer- “°°
omme fpzeken tun / ende Worden derhalven
feet geplaegt; want dewijle God die barm⸗ pal. r1 —
2 Cor. 4. 13.
ſtus) dat sere ís na bp gekomen/\heetige Dader ons Armen met de gave Des
Matth. 4. 18. Item: ich ben gektomen de | Geloofs begenadigt / ende met den Gee ſij⸗ Rom. 5-5.
ſondaren te roepen tot boete / Matth. 9. r4.
ende ſulke
Nadien
ware boete bent ong vozdert / ende De facra-
mentelijke tekkenen / gelijk doop ende Pacht:
mael / in gelijke maten cen. boetbeerdia on:
ten meet.
de ſchrift alfoo allenthalven een
beffaffelijk leven alle ware Chꝛiſtgeloobigen
Sonder wa- betupgen / afbeelden ende teeven / ende na Yunt
re boete
an’er
en zijn.
Vruchten
niet onſe,
maer des
Gellius
zaets vruch-
ten.
ende Sammet /
nen. paortken/ ir
techtighent / bz
fontma/ ín die
leben / ende w
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
aflen/ ſuppen / haet en nijt/
Ontepne luſten hares bleefcheg alſoo fondec ophouden ban Ya
el am eenen penning bu den
ver liefden upt Der hoogte door fijnen Sone
Chʒiſtinn befchenkt heeft / ende heeft den Pez
melfchen dauw fijner liefden ín oñſe herten inz
gedzuppet / De feven Zegelen ban Dat Wack Apoc. 5.2.
fijnet bekenteniſſen open gedaen / De verboz⸗
gentheden fijns Godlijken Woorts ende wel⸗
(behageng ontfloten / ons unt den dood ber:
weckt / ende in't leven ingevarrt / een nieuw Joa- 5- 24-
der Schzift / ſonder ware boete oolt geen wa: |
een Chri- EE Cheiſten zijn kan /-ende cen pder Zact (feq- |
ge ick) na fijnder aect vzugt brenget / alfoo wp nu Door fijn genade / De edele fchoonen
verhaelt is / namelijk leugen teugenkinderen
ende waerheyt waerhepts kinderen / ende het
foo bele redelijke landen bekent is / dat God
Bao? onfen ende onfer getrouwe medehiuperen
Dienft / met fijne ſterlie kracht ende qroote gez
uade (níet upt ong ) foo vele hooveerdige) gie⸗
tige / onfipbere/ weeede / leugenachtige) vlee:
die uyt ont ſchelijſe / ende afgodiſche herten tat den w
leere voort- ten ende levendigen God bekeert / h
komen , die gerootmoedigt / beroert / vernieuw
andert / Dat fis liever ſterven / eer
Heerenis. Bupeheltpe dzijven / ofte cenig leug
Woost tegen De waerhent ende Wel
naeften met opfct ſpreken / ofte b
Den / gelijk dat hoftelijk Edele blaet van
bele vzome Hepligen ín onſe Hederlan
openbaerlijft betimgt ende kont doet,
Gellius zaetg vzuc
geren / foo geheel
del / ende onbvetran
herte /- fin ende gemoet gegeben / ende met
den Bzoode des Levens gefpijft : alfoa dar
Peerle/ den hoftclijken Schat gevonden / en
een eeuwig · bljvende vrede verkregen hebben /
Wellie wp door der Geleerden vervoeriſche lee⸗
re behendige Sophiſterie / ende valſche trooz
flingen / ín geenen Wege alfoo overkomen
konden. Derhalben is het/ dat we nu
Die berfchenen Genade fijner grooter liefden
as {tegen ong / na onfe geringe gave allen men-
aet alſoo ſchen ooclt geerne Wilden inbeelden / leeren)
ten ber: ende-kondt doen/ op dat fp oock der felber weert geer-
fa eenige vreughden ende geeftes vernieuwinge met
enachtigh (ons genieten / ende im q
Vaert hares | alle Wenligen weten/ ende fmaecken mogh⸗
willigen ſou⸗
ten / hae ſoete / hoe goet / ende hoe vrien⸗
Heere ende prediken derhalben (foo vele
ons mogelijck is) bepde bn dage ende bj
nacht / ín de Pupfen ende op den Belde / im
(affen ende Wilderniſſen / henen en weder /
elijclten Deel met
loa. 6. 35»
2 Cor. 4. 7
Mat. 13. 44.
De liefde
dringt den
Geloovigen,
datfe Godts
ne willen
foo delijck Die Heere is / tot Welcken wp geha Pſal. 106. r.
den [men zijn.
| Ende
hten / namelijk / fijne jon
onboetbveerdig in haten wan:
| dert in haten herten blijven/
Dat fp oolt ín alle pracht ende pzael / met Sijde
met Gout en Silber daer he⸗
wallerlen gierighent / onge⸗
en 107. 1.
Pſal. 118.
1 Pet. 2. 3
binnen lants/bupten lants/in Berkers en ban-
den / ín water en bper/op galgen en raden / voor
Beeren en Doeften/ met mont/ fchaiften / met
‚goet en bloet/met leben en doot hebben ’t oock
heer:
nge jaren af ge-
—* / en ſchamen des Euangeliums der
92
2 3d Fen klare Beantwoordinge van Menno Symons,
Heerlijkheyt Cheiſti niet / want Wa zijn lesen = hare Llecne Vitnderkeng een weynig zijds DIT”
dige Vrucht / en de bevoerende liracht geweldig huert hadde. |
lijie ín onfen heeten gevoelen / gefiflk men aen | ADat ’er ooft ober ettelijke ban Ben onfen in
het lieflijk gedult en gewillige Opofferinge au⸗ fonnnige Steden en Landen afgelefen is/ / eu |
fer getrou wer Wzaederen en medegenaoten ín | water opgefct is. Wat Kerſerlijli Manda⸗ degen * |
Chꝛſto Jeſu aen velen oozden openbaerlijcſt ment / en Aoomſchen njcks Condemnation ele dar |
ſpeüren en ſien mag. oer ons beflupten/ en hoe men allenthalven wy aldus |
Miden Wel / Dat Wir alle Menſchen unt met ons handelt enommegact/ is Gellio eren |
dev {pellen Backen ontvedden / van De lieten fijns gelijche Pzedikers oock niet berborgen. Bou: en ver. |
Natum verz Jater ſonden onttaffen / en door Gods gena: | Oes alleg de epgentlijcke oogfakie en open” volgt wer-
Oitracts ett Dige hulpe met Den Euangciio fijnes Deedes | bare Authores zijn / fchzijde ick vzn apt / ende der-
ue proximum Cheiſto bpboegen/ en eeuwig Winnen moge betupget ſonder ſchrꝛomen.
lwerifaciar. ten / want alfa fg eygentlijlt de fiefde geaerd Siet /ſo haten fp alle Die dieHodslBoo2d vecht
die upt God is. leeren: Hoch fchamen hen ebenwel de gemel⸗
Dat hu ons dan verwijt / dat wy by nachte |De Gellius ende meer andere niet / Den armen
prediken en op een ander plaetfefegt, dat wy |Bolke boor te geben / dat wy uyt vreefe des
uyt vreefe des Cruyces in Steden ende Dorpen | Kruyces in fteden en dorpen heymelijk influy-
heymelijkinfluypen, met befloten deuren fite pen, met geflooten deuren fitten , &c. vecht of
ten, met den Wenvoudigen handelen, nict (Wp Steenen en brecken waren / Die boog geen
om haer tot ware Chriftenen maer tot afvalli- | quale beg doods veceſe hebben fouden /of kon⸗ Alle Gods
ge Weder-dooperen te maken €, ig dit ten | den / daer her ende Den fijnen wel befkent is OS
gerften vaijn antwoord: Dat kon Des Heeren | Dat Die wptberkkoren Mannen Gods/ Nzar acn doos
Wern en Woord bywhlen alfa bp nachte gez | bam / faac / efacok/ Moſes / Aaron / daer gefchrike.
bamften/ cn drijver moeten / zijn Gellius en ' EOC ook Die Apoſtelen en Propheten / jae oock
Die leerden (vzeefe iclt ) wel Die meefte aag: | Shaiftus felge/ een foo grooten ſchrick Loor
fache/ want fix met haer bpandlijke onver den dood gehadt / en wel fomtijds De vlucht
diende Schelden / Schenden Wafteren en | DAEL voor genomen hebben.
Faen rooven / alle Beeren / Pogfien/ Ouer- | Cen tweeden ſegge ick fa Tange ick geriu⸗
heden ende ascyel-hebberen alfa geheel over ger Den Sodvruchtigen met mijne klepne ga⸗
ans berbittert hebben / en noch berbitteren / | DE gedient hebhe/ Dat ick ongelijclt meer bj
dat menfe (Tender ) met geener Schrift / fne- dage alg bp macht geleert hebbe / Die eere is
ten / tranen elende / drocffeniffe / goed bloet | HIN getupge dat ick de waerhepdt ſcheiſbe.
Yefgen / en Dood fa vete bewegen kan /datmen Noch moet het immer tot Nachtprediken ;
cemmael defe opendare vpanden Des kruu Winkel-leeren , &c ban defe verkeerde Herd
ces Clyzifti/ en Det heplfamer Waerhent / door geſcholden wozden / vecht of ‘er geen Gods
cenen typen en baft gelepde / OM ben grondt {oord dan ín Laet geouwel-hupfen (Die de
Gods te verdedigen / mondelijcn bejegenen | Schpift niet en kent) magh geleert Werden /
Godt des nachts
mag / maer moeten ong (verſtaet ons Leer | en of oolt God nict fa wel een God
raecs) allenthalven aen hepmelijken oorden 5P gelijk hu een Godt deg daens is. O Vere
oor den vervolgeren en bloedgiecigen ín win: keerthepd. rj
—— sel berfrelten fa wp anders niet alle op een⸗ Deqget/ mijn Leeſer / is niet de nacht den
mael van dat grouſaem gedieete / Dat upt Det getrouwen Moſe/ met den gantfchen Aftaël
ee opkomt/ willen verſcheurt / en in Ben | heplig en teu geweeft dat Paefchj-lam te eten?
grond verſlonden ziju. — Exod. 12. 3.
Tieve Hefer / merkt wel Wat ict ſchrijye | Heeft het ook Chꝛiſtus boo? onrecht aenge⸗
Gellius berwijt ons dat wp bp nachte pzedi⸗ fien / den Nicodemum bu der nacht te verma⸗
Yen / en Amo 1543. ſo ick het vecht onthou, gent Joan. 3.2.
Barabas den hebbe) is het geſchied datꝰer cen Plac⸗ geeft Gp oock niet fijn Hepligh Nachtmael
mochte rijk caet door gautſch Weft-Deieflandt afgelefen | met fijn Jougeren in Det nacht gehouden / als
hv Chriftum worde / Dat misdadigers en Doodflagers /Ne⸗ | hp tijden wilde: matt. 26.25, Luc.22. 19.
of den fijnen miffie harer migdaed / Útepferg genade / Pzu⸗ 1COr. IT. 22. Ke
leveren heyt deg Hands / en daer tae noch handert Ca |_ GE oolt niet Die Gemeente am de vreeſe des paars peen
konde · volug Guldens hebben fouden / faa fr mu | Gloedgierigen Herodis en Det Joden bp nachte ln oes ve
maer vezraden / Ende Dent Beul leberen kon: bp een anderen geliomen / daenpetrus Doo? des goen.
den. Engels dienſt van der Cprannen hand berloſt
Sutrent una t5 39. worde een feet Groom | ode Act. 12. 7e
en Godbauwhtig Hunsman in mijner plaetſen Heeft oak niet DIE WBepligejdaulus den gant:
aengegrepen / Jjard Reynerts Soon genoemt / ſchen nacht tot Troada dat Wooꝛd verborgen /
mijn elende in fijn Dupg/hoe: | op eenen folder gepzedickt / en met den Jonge
twel berborgen / wat medelden en lefde ont⸗ | ven Dat Bzood des Heeren gebroolien / alg hj
n worde nae Wepnig dagen | verfen wilde? Net. 20.7:
ige Belienteniſſe fijnes Ge⸗ sijn ook níet die Hepligen der eerſter Kere⸗
Ken bywijlen by ee —— rt ei
e Heelde ſijnes Heeren op EEN radt gez | fin Des Heeren bzoo eelten / ende ſjn Heplige
aat er waeniffe ooctt | Tells drinken mogten * Daer over ſy oock ver⸗
dachtelijk gehouden / niet wennig hooren ende
6 bol rift —A dat de Apoſt
j 1546. aen eene chzijft don niet Hilarius / Dat de Apo⸗ e⸗
Noch zijn der Anna 154 u 3 mrelijche plactfen Sfjn te
goet / Daer men hem des Woo dts voemet / Ten op Dalen en hemel
- } 4 í om dat bal famen gekomen / ende zyn ſchier alte Bollien
ban den ſel⸗ te Water en te Bandetegen Dee Overhepdts
bedel en gebodt DOO? gewandelt 2 Shet
Rom.1.16.
Ear European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
— by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
en
Over een Schrifc tegen Gellium Faber. 235
„Siet/ mijn Leeſer /Dat vu Moſi / Iſrasl / Waard leeren / ſjn gewin en eere ſoercken / en fijn HRE
Theiſto / Den Apoſtelen / en dee gantfchev eer⸗ | pꝛijs na mijn gevinge gave groot malien ende 0
ſter lerlien in dien Deel reyn en vpn geweeft ig / | vaorftacn mag, ‚
namelijk / des Weeren Woord en Mern bvo der _ Nengefien het dan foa openbaer is / hoe
| nacht te Deijben / of ons dan dat felvige / bz vpandlhũ de gantſche Wereld (hoewel on⸗ |
| fondet nu in Defe bezwaerlijle geoufarne tac | verdiend } ober ons berbittert is ja dat men KE
| aller Cprannie fal onben zijn / willen waden ong (lender) noch Baaren noch ſien maal) / 44
| berftandigen Leeſer in die zeeft fijnes Gode ende fac menig omiooſel Godvruchtig Schaep/ BEE
geeene met der Scheift cichten laten. Die geer Weevaers zijn ter flachtinge hier cuz Ei
ed rn O Deere aldug faeckt neen alle wegen aar | De Daer geboert worden / met zwacrd/ Wa
moeten zen- fälie/ bezwaerniffen cn acnklachten/ om mj tet ende per fonder alle barmheetighepdt
houden,men atme kinderen al meer en meer te beleedigen / omgebrocht ende vermoort worzden / en ons
foeke oorfa- en met den irupce te beladen / op datmenfe |elendige Leeraers / fac niet een Verltens
boen en In fehijn kan vecht berboige / en banden Kee |fchot (om ſoo te ſpzeekien) om met vryhent
: ben beenge / baant fp zijn contrarn hate wers | daer Mêe Woonen / onder Den gantfchen ez
Ken / ende Doen have wee in Baren aagen/| mel Wetens en Willens gedaen wozt / maer
Sap. 2. 12, dooꝛ opentlijche Madamenten at gerichtet
Eenderden/ ſegge li: Dat ick eerſtdaegs zijn) cer Won gelevert ende al verdoemt / cer
tweemael opentlijchen handel daar Schriften | Wp overwonnen zijn / de weleke ín Der Apo—
voor zo of zo Getungen / of baar een valle | flelen tijd (onfes wetens) nergens na alfca
vergaderinge onder: Salve Conduct aen hen | mefchied is. Wil ick alle mijne Meeferen om Pusdanize
verſocht hebbe, Maer wat ick voor een aut | Gods wille gebeden hebben / fp doch in De Ongetouten
woord Daer op ontfing/ betupat noch hare | bzcefe hareg Gods hedacihtelijk willen acn- fenernsS.
hand wel / die bp mn ís, … Merken / hoe grooten geweldt en onrecht dat den komen
„Daer na hebbe ick noch eenmacl in Bif- | ongGelitus en die fijne met Dugdanige berkseer: Ktesder Jays
fchop Hermans tijden / Keürvorſt tot Ceulen | de bittere woorden / alg Nachr-prediken,W ins ren nier
Loffelijker Gedachtenifle den Geleerden Lan | kel-prediken , Rotterie houden, heymelijk in-
Von Dat feluige na haer epgen begeeren gen⸗ ſluypen, Sc. aenwenden / daer het doch niet
gegeben/ maer niet verworven / Want het | anders zijn Wil nach mag / gelijk openbaer is.
den goeden Heeren met dzie openbare verdich⸗ Daer tae noch Moſen en Chriſtum / die Apo⸗
tingen / díe ik mijn leefdage niet alfa gedacht / ſtelen / en ook dat cxempel Dee eerſter kechen
3wijge dan gefent af gevaden hadde / die ik hiet | aeweldiglijk voor ons hebben / Die Des Weeren
am deg beffen willen wil ongeroert laten / ban | werkt (fegge ick) fo wel bp nachte als bp daz
Emulatoram Joanne à Lafco en ban A.H.woꝛde afgeraden) | ge gedzeben hebben/als gehoort is. En die
—— ‚Daer van ik noch tot getupgeniſſe eenes Predi⸗ Lon ooft immer berent ſtãen / rekenſchap onz
Bloria, Herg/ Henricus gendemt / fijn epgen haudt- | fes Geloofs een pegelijkt te geben / en de waer:
fchzift hebbe. Maer wat de gemelde mannen hent te berdedigen/ wanneer ’t ín Chziftelijker
daer mede gefocht hebben / wil ick Dien / Die | trouwe fender alle bedzog en bloed gefchieden
het alles weet / bevolen Gebben. kan / ſo geroert is.
Ook hebben die Pꝛedikers van Weſel in den Wijder ſegge ick: Wet ig oolt ongelijk loflij⸗ Beter en
Lande ban leef / de onfen boorgegeven / fia | ker / De vepme faligmakende Waerhept ín hep- Sodaliger
ie Wilden mp gelede befchickten } ende met | melijke winkelen bp nachte te leeren daer het ——
vande tiem handelen / Ec. Maer als ick mu, met openbare verſamelinge aen lichten Dage re ieeren by
poftelen dooz een qefchzift gewillig daer tae aenboot | niet gefchteden kan / dan de ontepne verboe⸗ nacht, als de
Geeftwije ontfing ick een antwoord / men faude Den riſche leugen / en de krachtelooſe onboetveer⸗ Ieugen by
verlcheyden. Beul met nia laten handelen eu ſullie Epran-| dige Heere bp dage van Den Prediliſtoelen af “°S“*
niſche onchziftelijke woozden meer. te roepen / gelijcit (lepder) ban vele Jaren
Wier beneven zwijge iclt noch wat ick ín | herwaerts opentlijcttende baar de gantfche
mijn Fondament-boekgken / en de voorreden Weereld gefchied is / moet men inner bee
op den 25 Pfalm over bele Garen / daer toe | kennen en toeftaen/ want ſullis betunget dat.
ooft ín onfe ontſchuldinge / en dok ín onfe Sup- | onordentlijke woefte weſen / ende dat onboet⸗
plicatíe aen allen Overheden / mitsgaders het | Beerdige leven Defer Werelt geweldelijk / Fez
bericht aen den Geleerden en Peedikanten ban | LEM, 23. 3, 5
det duntfelser Natien / Die haer des Woozds Maer Dat hu fchrijft/ dat men ons weeren Antwoore
roemen over een bmme Schrifts handel Anno | ende den mond {toppen moet , op dat de een- PP de fPreu-
1552. untgegeven / begeert hebbe. Staook | voudige (fo haa fpzecht ) niet bedrogen werde, ons ——
nu en tot allen tijden bereyd / ſoo lange mene, Ec. is Dit mijne Antwoord: Genen beteren en den mont
fchelifkken Adem en verſtand in mp is / en ík | cn gewiſſeren wegh / alg Wy daor bie Genade foppen
maer fa veel rachtg hebbe dat ilkop een Wa- des Weeren hebben / mag niemand wijfen / T°
gen fitten / of in een Schip liggen kan / bp | zijn Wap Mm beefegelinge onfer Confcientien en
Gellium en een pegelijck gewillig te beefchij | Des Geeſts wel gewiſſe / Want Wp beliennen
nen / om ders grond onfeg Geloofs mondelijc: | ende geboelen in Det kracht dat wy Gods
Ken te berdedigen/en de waethent Jeſu Chei⸗ Woord hebben. Nochtaus Willen Wp ons
ſti te betupgen / foo het maer onder eenen on⸗ | dan noch deg altijd ba echieden/ foa ons
gevennsden gelepde met oprechter vꝛoomer eenige Godbzuchtiger met des Veeren Geeſt /
herten / ten pzijfe onſes Gods / tat uptbzep: | Wooꝛd / Poozbeeld / Gebod / Derbod, Ozdenin⸗
Dinge fijner Uerken / tot verklaringe fijnes | ge ende Gebak (Daer na het in Chziſti ker⸗
Pepligen WDaodS / en tat reddinge onfeg nae: | ke en Gemepnte alle moet gericht Werden /
ſten / in Chriftelijker trouwe gefchieden kan. ' Dat boor hem gelden ende boor den Stoel
Want dat is De hoogſte luft/beeugde en wenſch fijner Maajeftept beftaen fal) ende niet met
mijns heeten / Dat ick fijnen hooapzijfelijelken ECprannie ende geweldt Der Overhendt / ín
grooten naem pzedilien en berkondigen/ fijn Gods Deeeft EKD, j ende ín eenigen
93 Din
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
236
Dingen wat nuttergen beters / Dat tet meer?
Ber eeren Gods ende cot opbauwinge fijner
Gemeenten ſtrecken mogte / acnwifen kon:
de / Ban wp nu van ctlijchie “gaven Der open:
baerder Waerhent gehadt / Bekent ende in ſoo
overmate vele benoiithent / clende NOOD EN
vervolginge befkandigigek betunght hebben /
wilten wa van herten aſtudt aetinemen / ende
geeene nakomt. Vertrduwe ooft Dac gewiſ⸗
ſe / dat alle Die den Heere foclten/ ende van
‚ herten vzetſen / atfo eren gefin gl
död: d et zellis Hem étt
fal bee onget wyffelt ret gefchteden / wauut ſy
beeld / OPen
fpzechetijtker kracht kondt ged
woꝛrt / hoz aerdſch en vleeſchelijkt hu gefint iS /
mer tſamen de fijne / hoe hp fijn Aint drijft
“wat fijft paer ſoeſten is wac bzucht hu
mét fijn Heere te wege brengt / welke Sacra-
menteri his gebsuptee / Wat San hp baett / en
hoeddnigen Gemeente dat huleert ende vooz⸗
hartneckiglijckt tegen delen prickel ſtooten /
ACt.9.6.
De Geleerde
ftrijden ge-
meenlijk
alle tegen - ſullis ool
t Lam.
Vele on-
fchuldig vꝛuchten
bloed is, en bitteren D
Re — fp(tenSer) mannen des ot
der Geleer mozen zijn.En hebben
jven : ‘
vergoten. We betten, die Door
Der Geleer- den rumen WEG ine
ger over ons armen gevacht zijn / da
invoeringe Hebben daet Getiederië HO
of oorfake
des woeften
welensder
lichtveer-
bat fp Bat arme vacheloaft Do
angeordineerden en wilden We
onboetveer.
digheyt de-
for werelt.
bꝛuchteloos onboetbeetdig Weven lepden/tech
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
5
richten laten,
aet / EC.
Wilde derhalven hem met trouwe vermaent
en gebeden hebben / ho hem dach niet hogers
aennetne dan hp vermoge / en wilde niet foo
want het fal hem al te harde ballen ; maer ge⸗
deulien / dat ’er menig geleert Man (níet dat
il pemands geleerthepd pet achte / fa lange fis
ín eenigen Dingen Ehzifto in den Wege ſtaen)
li nu bp onfen tijden vaag etlijke Gaz
ten in qelifften val boorgenamen / ende groo⸗
ten vlijt daer aengewent hebben / gelijk oock
hu; maer wat fis Daer mede tegen Defen wegh
hebben untgericht / leeren ons De openbare
wel. Want harer ſommige in alſulken
iſchuldigen bloeds gez
1 fo bele vrome ent trou⸗
de vzeſe En liefde hares Gods
t hatt niet Wandelen dor⸗
eh fka Goor De eenig⸗
hepd harer kercken gefkrjsechen en geſtreden /
telt fût alſuſcken
| | feu, heben ínz
digheyt en gevoert / dat ſu (lepder ) gemeenlijck foa een
of ‘ec nont geen Prophetifche noch Apoſtoli⸗
fche Schrift / nach Gods Woozd geleert! af
noch Cheiſtus noch
Geeft op Aerden verſche
nen ware.
Hadden ft nu deg Heeren Woord en Oꝛde
ninge / en der Apoſtelen gebaupk en vagzbee lt
met vechter Wijshepd ent gehoorſaenheyt in
warer ootmoed ingefien / gelupfters ende qe”
volgt/ en hadden haren Gede wipe gantſcher
zielen gevzeeſt hadden faaks met Heeten en
Dozften / ende met der Mereld fa niet gehup⸗
chelt / maer hadden de Leert ſonder alie aen⸗
fien der Perfaonen en lief koſen in reynet poer
edreven De ſonden alter Menſchen hooges
en viederigen ſtaets met trouwe in Leere ende
1 even ook cor in den Dood beſtraffet / en hadden
ſp in alſulker geftalte en gehoosfacembepr Gods
werk en Euangelnun (daer mede fp den Hee⸗
ee cen oprecht boetveerdigh balts / Dat / is een
ware Kerke / ua den Apoſtoliſchen Exempel /
hadden opgericht en vergadert ) beftandiglijk
Zevoert en Detupgt / en niet haer felven / noch
hares vleeſches boordeel/ nut of gemakt Dact
omver geſocht / hadden (fr aol de vzoome ende
Goduzuchtige met haer ſchrepen ende ſchzyven
angetaaclet of ongelaftert geladen / ninnner⸗
meer hade Dat weerde Wöord dat heerlijck
eſe | Euangelium bev gehaden Chzifti/ tot alſulken
|
|
fchencijken lichtveerdigheyt / noch dat arme
cewvoudige Volk tor alfulken wilden woeften
geouwel of weſen gekomen / als men nu(lepe
det) aen alten oorden (aak daer men bun des
Woods roemt) hooren en ſien moet.
Aſo (vreeftick) ſal het Gellio ook gaen /
want wat nutcighepdt hu tot een vroom boet⸗
geerdig leden ín de vzeeſe Gods van foo lange
facen af / met fijn Pzediken cn hecken-Dienft
gevogdert heeft / Wil ick gen fijnen leerlingen /
Die ſjnes zaeds vzuchten zijn / bekennen ende
eenmael toeſage / en liete
Gods heplig en dierbaer Woord ongebzoken /
liete ooli Den vꝛoomen en Godpꝛuchtigen (Die
Dat felbige met herte / mand / Teven ende Dood
betrwgen)ongelaftert/en leerde fijn cpgen arch 7
wanig / oncepn/ bitter h (legt sy
Och dat hu dach
e veren
erte / fijn vervoert vachyieert
fche/ aͤchterklappiſche / cude faemrooviſche u telvenseer
leere / ende fijn epgenfoekig ecrgierig vleeſch zy ander
vecht bekennen / cn verootnoedigde hem on” lieden leert.
Der de ſttrlie hand fijns Gods gelijk de Schzrift
leert / ſa mogt hu geholpen werden. Maer nu se,
vreefeich/ dat fijn zware laſteren / fchelden /
en verdoemen over allen vroomen / daer LOE
gok de luft deg onbehoozlijken gewing/ men⸗
ſchen gunſt en eere / en Dat gemaclielijk ende
fachte legen / hem de oogen ſijns heeten alta
vecblinden / en fijn verſtand alfoo gerdwafen /
dat hu de heeelijke glaneg der Klaechept Chri
fli) en de wshent Die upt God is / qualijckt
te téchte bekennen en begeeren fal, God gun:
ne let / dat mp mijn vermoeden feyle / en hp
barmhertigheyt verlrijge / Wenfche tek hem/
a allen onfen wederpartpe upt voller herten /
Amen.
t
denruyme fen niêt wepnig belddiget / cit vetdoctrit/ den —
Leeteen … be kats kk nà AES Oek laet Gellius hem hooren 5 hy hebbe Dit schrijft
leven zijn de Venker ende fijn gkricht henen fehieben. daerom fijn Sch rift aen den dag gebraght Gere al
die noch geen vallige def
op dátetrelijke vanden onfen;,
h- Gemeente:
lafterzers geworden zijn (fo fchrijft hy ) te rec
te moghten gebraght Werden. Schrijft oock
noch op een ander plaetfe. Als dat door ha-
ren trouwen dienft (ommige ontloft zijn, die
nu inde vergaderinge der openbare Gemeente
Gods
t
over eene Schrift tegen Gellium Faber. 237
Gods ende Chrifti ({oo zijn fijne woorden) datſe maer in ſchoonen fchijn een wepnig Lan
haren Heere,haren Godt met eendrachtigen des Heeren wooꝛt (hoewel ſonder geeſt / kracht)
herten ende eenigheyt des Geeſts aenbidden, ende veranderinge hares herten) ſpzeken han
loven ende danken , daerom dat fy uyt den (nen; Dice den acmen Weefen ende ellendige
dood ende de verdoemeniffe verloft , een ſma- Cheiſtenen / Die den Heere ban herten ſoeken
ke Chrifti verkregen, ende haerder confcien- ende vreeſen / met allerlen ſmaetreden / dich⸗
tien ruſte ende berouw gevonden hebben, &c. ‘tingen / fchanden/ quade ſuſpicien / ende na
fegginge/ fonder alle bitlijke dorſake en ſchult
Antwoodt.
eije ihre! — EEN ssd
…_ |ende haet alfaa de Oberhept in den Kerker/
Ate openbare valſche leere / hate grijpe⸗ en * — Of
lij vel binden, jare 5 —5 we de den Beul in't ſweert floater) & f
oetveerdige Sacramenten / ende haer moet⸗ ende laſteraer tque adeo ſanguinis innoxii
wil(ig vleeſcheihn leven/ pt repnen Sodig⸗ — des —— bloeds fehuldia 1 wit
Ken pver ende ware liefde/ met Godts Geeſt / ict alten vaamen ende vedelijkie lupden te bee
Die niet een vechte Werken-fchender / ſchelder
Woot ende leven te beſtraffen / ende haer op
Dat lieflijk voozbeeld Der Propheten / Ehzifti/
denken geven.
Maer foo vele de beroeminge belangt / als
Npoftelen/ ende aller ware Dienaten Godts dat haer ommige van den onien met hen we-
te wijfen / moet bier lafteren by hem heeten. |
oa wozt ong Dat werk Der liefden immer ten
quaetſten gedundet/ ſoo qu fien meugt. En
Den vers qaet (lepder) alfoa toe / ſpꝛecktmen ofte ſchzijft⸗
keerden kan men weemoediglijk / foo is het fuchten ende
mermeer flenen. Straftmen haer ernſtelijk foo ig’
regt preken ſchelden ende lafteven. Pijptmen / fin danſſen
Matin 18. niet ; klaegtmen / fp weenen niet / alg Chei⸗
ſpreeut /
nmermeer vecht gefpzolten. Hoe⸗
wel fa (fpzeelkt De Pzopheet) ſulſe grouwelen
ſtus feat hae men met Den verkeerden
foa ís het ui:
der fouden vergefelfchapt hebben, ende ook
noch door fijne fchriften vergefelfchappen
‚mochten , &c. ſegge ick ten eerſten daer op ;
Chꝛiſtus ſpzeekt wijt is de poozte / ende bzeet
is de weg / Die tet verdoemeniſſen af lept/ ende
haerder zijn bele die Daer op wandelen. Enge
is De poozte / ende mal ig De weg / die tet den
leben inleyt / ende hates is wepnig die hem
binden, Mijn Wefer/ nemet waer / alle Die
den rupmen weg berlaten / ende willen op den
fmallen weg treden / ende door de enge poorte
Mat. 7. 13.
Drijven, willen fp cvenwel ongefchent zijn/ende {mt teven gaen / die moeten haer: felven verfa-
haer niet fchamen. Her. 8.
Sal dan foo eene beſtraffinge / die over ful-
ke openbare fonden/ Dao? ware Chriftelijfe
liefde / met deg Heeren Waart gefchiet / een
laftecen heeten 2 gelijk Gelling dat noemt /
faa moeten oock alle heplíge Mannen Godts,
Apoſtelen ende Pzopheten / daer tae ookt Chꝛi⸗
ftus Jeſus ſelve / Diede valſche Pzopbeten en
Pꝛedikers boo? De gantfche Werelt / Looy leu:
gen-peedikkerg / vooz· verlenders / ſtomme
honden / blinde lepders / hupchelaecs/ dieven /
Tain 15: 23 moogdenaets/ Wolden / looſe arbenders / vp:
Ma. 7. 15. Auden des Erumees / dienaers des bupks / ber:
A&. 10. 30. vVloelite hinderen / dzooge wolken / berftorben
Jer. 8.14.13.
EL 56. 10.
Doe * boomen / ſprinkhanen / Ec, geſcholden hebben,
jude. 1, Laſteraers zijn/ is ontwederfpzekelijk. Och
Apoc. 9. 3. neen. Openbare berlepdingen/ obertredingen/
laſteringen Gods ofte fijns woorts / fonde en
fchande / openlijk met Des Weeren Wood te
men de fan. fitaffen/ is geen laſteren / gelijk alg Gellius
de in der Hpt berkeerden herten den onfchuldigen aen-
liefden ſtrat· ſegt / maet’t is een beucht der troutwer lief:
fer ſal. den / die geerne Dat quade Weeren / ende dat
goede aen eenen pgelijken vozderen ende ſien
fauden.
Maer Die Gods Gemennte voor een ver-
derffelijke Rotterye , de wedergeboren lieve
kinderen Gods voor afvallige Wederdoope-
ren, de heylfame leere Chriftí, die dat geloo-
ve met krachtende daed bewijft voor een ſecti-
{che leere ende fwermerye fcheldet: Die den
Doop Lan Chꝛiſto bevolen / ende ban den
Apoſtelen geleert ende gebzunkt / als een Ker-
terdoop laftert ende verdoemt / ende den Doa
Anticheriſti met bele hoagpzachtige fchijnende
woorden ende namen als een heplig Godlijk
werlt valfchelijk beweert / ende den acmen on-
* verſtandigen Volke aenprijſet: Die de hoo⸗
weten ets veerdige / ſtoute / gievige/ vleefchelijke ende
rechte Lafte- Ontboetbeerdige roemerg/ die de gantſche ſchrift
raersen Ker- (lepder in Den dood richtet / als Den waren
enfchen- Kinderen Gods genade ende brede toefegt / om
ders zijn,
Gods woort
gebiet , dat
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
|
p kelijcken bleefche! daer ín niet goets en Woont/ 5
en / fp moeten dat Crunce op haer nemen/
‚ende Volgen Chriſtum Jeſum na / fp moeten Mat. 16. 23.
(wedergeborene ende afgeftorbene Chzriſtenen
zijn / Die haet vleeſch cruncigen / ende hare
luften dempen / die alle fienlijke ende vergan⸗ Gal-5- 24.
kelijke dingen / gelijk gout / filver / hups/
gacderen/ ja vrouwe en kinderen / daer het de
noot ende eere Chꝛiſti bordert / Daer toe alles
wat ſy zijn ende heben / mits de kracht haz
ces geloofs in de oberwinninge Jeſu Chꝛiſti
onder haer baeten leggen. Sp moeten om dat
getupgeniffe Godts ende haerder confcientien/
tot fmaethent/ honger / ellende / berooviuge /
vervolginge / banden ende dood berent ſtaen /
ende met geftadige gebeden eude waliende oo⸗
gen vaft aen Des Heeren Waart houden / Ec.
Want alle die noch met de pachten Der onge Gar. ;. 10.
cechtighept ende eener quader confcientien/ qez Die aertfch
lijkt met gierighent / Godloofe luften ende wer⸗ ed ——
ken des bleeſchs/ Ee. beladen zijn: ofte Die ee- vijf moet
nige twijffelmoedighept aen Des Heeren belof⸗ buyten des
te ende Woost hebben / kannen defen mallen Hemels
weg ende enge poorte níet door komen / daer Poorte blij
mag een pegelijkk wel op verdacht zijn. Mat.
bf. 13. 4. Eſdꝛa 2.4.
Cen anderen fegge ick / dat de opbouwinge
ende Dat geloove der water Chriſtenen oock op
menigerlen Wijfe berfocht Worden / gelijck
bende de Schrift ende de er'vartenthent ín groo⸗
tet klaerheyt betupgen ende mede brengen. …
Nu wogden ſy van bleeſch ende bloed verſocht seroovise
dat nimmermeer tijd ofte ure houd / dan van⸗ lijder vele
der werelt ende oogen luft / die den epgenfae- verfoeckin-
n.
om.7. 18,
facht ende foete booefpelen. Dan met krups
ende bangighept / Die dikwils hart ende ſcherp
toedzuchken. Ende ten laetften ook met Die
kettelende brede- prekinge ende lief kofende lee:
ce der Peedilhanten) Die geftadig roepen / het
is al goet/ het is al goet / foo de Pzopheet
feat. Daer mede fin De berfaegden boor den
Arunce / ende dien Des Heeren Weg te ſmal is zer. s. s.
ende
maken.
len, 2,17
* F mn . — * — — * = * —
— — — en — — e ẽ
— — —
—— ———— —
Tige 10-
— — —— —— — — —
Gen.3. 5.
Lu.4.6.
Mat.4. 9.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
relt weder ge / lichtveerdige / oleefchelijke verdozben/
aCor.rr. 16.
238 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons, |
ende geerne nades Dleefchs begeeren des Wez
velts luft gebaupkken Willen ín hare ontrouwe
ende Godts ongehoozſaemhent Wel trooſten /
ende eenen vrnen moet maten. Ende gaet
toe alg Petrus fegt / namelijſt / fn belaven
ander lunden apert / ende zijn ſebbe knech⸗
ten Der verderffenis. 2 Pet. cap. 2. DS. 19.
Daer van het Dan komt / dat ſommig uptger
ficopt zaet / ban De Dogelen deg Hemels Wez
Det opgelefen Wert. Sommig/ of het wel
ſchoon een weynig opwaſſet / chenwel geen
brand der Sonnen / ofte hitte der vervolgin⸗
me lijden kan / Want de gront Daer het in gez
faent is / is ſteenig. Sommig ookk van den
Diſtelen ende Dosrnen verſtilit wert / dat het
niet tot fijne rijpe Aharen komen kan. Matt.
ap. 13. 98. 7. Marc. cap‚4. DS. 24. Luc. 8.
d
eis
Pademaelde weg dan foo feer ſmal ende de
poozte foo enge is / ende Dat vleeſch faa gewel
digljk aenftormt / de Werelt foo bziendelijk
toelacht / de Eprannpe foo overmate groot is/
ende De dupſent Honftenaers Sathanas fijn
Mee ſterſchap immer boozt gebruphit ende niet
en vyert / gelijk ecn neder Bodtvzuchtige wel
berfoekt. Diet / dat is die epgentlijke ende
rechte oarfake/ / waerom femmnige vzeeſachti⸗
1
Doven / en hupechelen alfaa met aerdfch-gez
finde heeten ín fchijn des biddens met ’er: Wez
elt: hebben níet den rupmen Weg des doods/
mact dert engen weg des levens berlaten : niet
den ſmaeck Cheiſti verliregen / maer verlo⸗
ten / en hares oleefchs en niet det conſcientien
ruſte en rouwe gevonden/gelijk Gellius meent,
want het wort met ’er daed wel beweſen / wie
ban benden pactijen / (of wy / de ſaeke vecht
meent / en niet meent / en Wiens handel hup⸗
chelfje / en níet huychelije zy Want de onft
laten goed / bloed / en dat leben daeromme /
maer Wat díe andere doen / fiet men ende weet
men ook wel.
Dit is dan op de eerſte oosfacke/ / waerom
bu defe fijneDchjzift aen ’t licht gebracht heeft /
mijn befluptinge / namelijlt / gelijk als de En-
gel Der dunfteeniffen hem in eenen Engel des
lichts berftellen kan foo Paulus ſegt / eenen
heerlijken fchijn der liefden voorwenden / gro⸗
te beloften geben/ Cheiſtum in den ſchijn
recht bekennen, en De Schrift meefterlijken
gebzuncken kan / alfo konnen ook fijne Diez
naers doen / fo op fien meugt. Want Gellius
een voudige voor der vervoeringe te bevrijen }
deWeder-dooperen (gelijk hy die noemt ) den
mond te ftoppen , dat onkruyd af te weeren, de
Kerke Chriíti te dienen „ en de fwacken inNe-
derland by rechten verftande in der Euangeli-
fcher leere en * gebruyck der Heyliger Sacra-
menten te behouden, @&c. Maer wanneer
meu tmet Chriſti Geeft; Woord en Booz:
beeld met dat gebaupkk der Wepliger Apoſte⸗
len/ en Dev eerſter Apoſtoliſcher Kerken in
vechten verſtande recht vichtet en infiet / ſoo
ís het ín den grond niet/ Dan een openbare
beweeringe deg vleeſchs/ een ſterckinge der
onboetbeerdigen / een fijne aenlepdinge op
Den rupmen wegh / een voozvechtinge dee
Herken Antichziſti / een verwezringe of ver⸗
blindinge der cenvoudigen / een hepmelijcke
oprockinge tot oproer ober alle beeomen/ een
uptreepnge Der kerken Chziſti / een behendi⸗
ge bezwaerniffe der Godbzuchtigen / een onz
billijke acchwanige faemroovinge en fchant:
vleckinge Der Wepligen e/en vervalſchinge deg
1. Wooꝛds / jacen openbare ophoudinge in
der ongevechtighept) onbactbeerdighept / ens
bleefchelijke beplept.
|_ Siet {dat is den effect / bucht /en eynde
ſijnes fchzijbens / hoewel hp bat met ſulcken
5 heerlijſten fchijn Des goeds / en voorwendin⸗
ge der liefde verciert en oppronkt. Han ick
Dit net met openbare beucht en met kracht
dec Schrift alſoo Loor hem Gouden ſtaende /
ſo ick noch tot ceniger tijd bo hem quame / ſo
wil ík gewilliglijſt Palinodiam fingen/en mijn
fchaemte dragen / Want ick hope door Gode
— Dat ickt Wel Weet wat ick fchzije
Cc,
den ander oorfaeke {chrijft Gellius die hem
beweegt heeft, der hy fijn Schrift in druk
heeft laten uytgaen , is, dat de gemelde Jonc-
ker , dien hy datfelve Boeck aen gefchreven
heeft, deonkoften van den Druk verftrecken
willde , &c.
Antwoord.
Yoe is goed / en prijfe die hooglijk / / wan⸗
Alle verley»
Ö … dinge,h
tact hem biet hooren / dat hp daeromme fijn grofty ook
Schrift in Druk heeft laten uytgaen,dat hy fom= zy heeft oe-
mige verkeerde daer mede hopet te winnén, de Pen fchije-
Yver is goet
ie met des
neeefe vecht is; ten goeden en tet eeren Heeren
Gads ſtrelit.
vvert / op dat hu hem des onſchuldigen bloets /
dat naeſt de ſonde in den H. Geeſt wellie al:
der zwaerfte ſonde is / niet ſchuldig en is.
Heeft het dan fijne eerbacrhepdt upt repnen
per en goeder meeninge gedaen / gelijck als
Maer cen peder fie Wel oor Woord ge
hem / hoe / waerom / en tot wat epnde dat In weehtizt *
JOaulus vaag der belzeeringe dede / Dat hp fijns AL 9.4
Gods prijs /en de falighent fijng naeften daer “° 5
mede meent boog te ſtaen / foo (hope ick) fal
hem Godt lichter en klaerder oogen geben /
ende waerhept wijder open doen. Maer 61338
het dat hw eenen pdelen aem of balfchen
roem / of eenig voordeel of poele fijns bleer
ſches Daer ín ſoekt / Die be Geleerden fodaníz
ge groote lunden (Tepder ) wel meefterlijcken
leggen konnen. Of foo ho met eenen bitteren
wer tegen Gods ball (Dat ick aen hem uiet
en beehope ) ſtrijt / gelijk bier Gellius en oock
de gemeene Pzeediſters Doen / ſoo mogte, F
ache
Ez. 13 22e
we ge:
over een Schrift tegen Gellium Faber. 239
ſaeke tot ſoeen zware fonde en blinthent wel | Jeſus fpzeekt : voozwaer ſegge ick wt en zu BEK KNEN
gedijen / Dat hp zwaerlijcken (vreefeiclt) of Dat guubekeert en Woztalg De kinderkens / ——00
ender) wel nimmermeer tot de belienteniſſe ſoo cu fuit qu in't Hemelrijck niet komen / EL IN 0
Chꝛiſti komen fal. Math. 18,3, Doude hem derhalven nae der
| Wilde daeromme fijne G. hertelijcki ver⸗ Euangeliſcher gerechtighepot beter (chicken /
| maent hebben / ende Door Ehaiftí liefde bid | Dat Gellius fulkke hooge ſioute herten en lup⸗
den / hu hem Wel voozſie / dat hp der vzeem⸗ | Den Daer Lao? vlijtigljck op de nederighepdt
—— den ſonde niet meer op hem lade / Want hu Chꝛiſti dzonge / dat fp haer ſelven ſouden lee⸗
ende pegelijk wel fa veel aen fijn epgen palis ven berfalien / haer felven leeren kennen waer HE
Ken heeft te dragen (Wanneer de dagh der | fo ban gekomen zijn / Wat fis zijn / ‘en Wat In HENNEN
ſtraffinge aenſtaet) alg men immer doen werden ſullen: datſe hare overmate groote INK
kan, En alle berlepdinge der elendigen zie⸗ Pacht; pzael / overvloed / en Godtloos wer IN
len / alle ongelaove en afgoderie/ alle ticht-| fen fouden afſterven Godt ban herten vseee
beerdighepd en vleeſches vanhept/ Daet toe fen / op fijne Wegen Wandelen : Haren nae |
Diede pen alle oproer ende tprannie/ die beel licht unt flen ín ware ootmoed hares herten van hate fi
voor fact, deſe fijne Schrift ontftaen mogten/ ſullen tijke Dagen getrouwelijken Dienen / Ec. En |
zijn gelijke aen den Dage Chzifti níet wepniger ban hem, niet fa met hef kofen/ of met prachtige haoz
Ads als ban den Preedikers / foo geen boete ge⸗ ge name en fmeekkende Woorden dat bper Der
weert. ſchied / ge-epicht werden, Deijle hp den, Hoovaerdpen en allee Lleefcielijker fchechent
grouwel met caed / en daet / met geldt ende en lichtveerdighepd meer en meer aenftetien /
goed/ gelijk fin / in Defen Deel handhaeft ende ſoo doch de aengeboren eergierige gerd Des
vooꝛrſtaet. bieeſchs⸗ van Adams kinderen / Bock ſonder
Hadde derhalben nae mijn. beduncken wel alle aenporringe / hef kofen/ en plunmſtrij⸗
goed geweeſt fijne E. hem Wat beter had⸗ kende woozden (lepder) alte Beel in alfuichg
De befint/ en Defe fijne onſioſten tot reddingen, | leert en inblaeſt. ,
bulpe / trooſt / boedinge/ en Kleedinge dee, Wil nu hier mede dan een pegelijkk trouwes
hooddzuftigen/ bpfonder ín defe konumerlijc | lijk vermaent Hebben/dat hp doch fijnen Godt |
ke tijd deg hongers / aen gelent / en níet tat | bzeefe , De waerhept meene /_en fijnen nacften 0
oogfate en middel Der verleydinge veler een- | van herten beminue. Want de tid komt /
boudigen Gerten / tot hoogere bezwaringe en cn is niet bere / Dac wp fuilen hooren een pez ——
vervolginge der Godvzuchtigen / alfa gekeert gelijſt tot fijner tijd / geeft velienfchap uwes
hadde. Pupshoudens/ gu ſult niet langer Begeer:
Item / dat Gellius fijn Schaift onder des ders blijven. En wil defe mijne Beantwoor⸗ EEE
gemelden Yonkers Judicium aen 't licht ge⸗ Dinge en noodweer niet deſe af Dien ( gelijk gez KEE
bzaght heeft / heeft ecu acnfien/ alg of bu | meenlijk dee Geleerden gebzupck ig) maer 9
een Van Die ware / díe De Perſoanen eeren en |Den Godbrzuchtigen Leeſer in Chiiſtelijcker
achten om des nuts haten. Doch upt wat eenvoudigheyt gedediceert hebben / ende bez J
oozſake en meeninge ha het gedaen Heeft / geere aller Godbruchtigen en vrooinen Doy Pat oordeel! ERN
wat hp daer ín foekt ende hoe fijn herte zp / | Deel Daer mede onderworpen te zijn. onde — HEIEN
wil ick den Heere (Die het alieg weet ) bevolen my pemand onder den gantfchen Wemel(tp Godvrucht- 4
hebben. 3hy geleert of ongeleert / man of Vrouwe , met 8er- KEIEN
Die erbarenthend betupgd genoegſaemlijk / Naerder fchzift en Keachtiger waerhept on- LS, HEE
ban weliterlen naturen / hooger herten / eer⸗ derwijſen / ban herten wilde ick dat aenne: HI
gierigen gemoeds/ en grootdunkender incli- men en gehoogfaem zijn. Maer Wp weten
Ogy rijken Nation / Der vijlen aecd is: fonder aogfaelie, door Gods genade, Dat ton den gewiſſen cn
merkten heeft Gods wijshepdt niet gefpraolien / booze rechten weg / Die ons Chriſtus voo? berendt
vreeft. waer fegge ick u / zwaerliſt fal een rijke m't | heeft/hebben. Wel ong / fo wo daer ín wan: Mat7-13-
Wemelrijk komen / Wet fal lichter zijn / Dat | delen /en Door de enge poorte ín gaen.
ten Kameel Doo? een maclden aagegae/ Dan | YS nu pemand Kloecker herten / die fijns
dat een rijke in ’t Nijlie Gods kame/ Mat. 19. Weeren prijs im venen pver en Gods bzeefe
8 22, ſoelit / Die lefe en vichte
Ook fegt Jacobus: O an rijlien / huplet | ie dat hier holt.
en weent ober uwe elende / Die over u fal ko⸗
—— uwe — nor ded uwe Van der Predikanten Sendinge of
eren zijn vor motten 2 We gou
en filter ís vercoeft/ en hare woef fa urot qe Beroepinge.
1 22 pr: p
——— en uwe vleeſch als bper ber Bes klaegt {eer over eenen bitteren honi-
Item / Paulug: fietaen liebe Bzoederen fchen Brief der Weder-dooperen, foo HEIEN
(fpzeelit ha ) uwe voepinge/ niet vele Wijfen | POSmEhyte, daer in fy vijf byfondere oorfa- |
na den bleefche/ niet bele machtigen, nict ken fouden hebben voorgewent, als ick uyt |
bele Edelen zijn gevaepen/ Ec. 1 Corinth. rd fijn Schrift verftae, waerom fy de Predikers
ð*626. met goeder Conſcientien, als ware en onbe-
Aengeſien nudes Heeren eygen mondt / daer ftraffelijke Predikers niet hooren, en hare Sa-
toe oockt fijn getrouwe Dienaren / Sjacoûug | Cramenten » als ware heylfame en Schriftmati-
Wiehem en Paulus / De gebaerlijkhepd Det rjclien en! BE Sacramenten niet gebruyken dorven , &c.
verhoogt fal hoogen ftaeds / met fa Klare wooden / gen: | Van de welke de Vocation , datis, de Beroe-
vernedert teekenen / ende ecvarenthepd fac opentlijck pinge harer Predikanten de eerfte is, welke
Lu.rg, sg, deert / hoe hoog Dat hare heeten opklimmen /‚ Gellius met allen vlijtfoekt voor Chriftelijk en
gelijk oock hare namen / hupfen/ ſchuͤden/ Schriftmatigh te beweeren , en der onfer voor
kleederen / knechten / peerden ende honden / Sectiſch ende Onſchriftmatig te beſchuldi-
wel betungen en kondt doen. Ende Chꝛiſtus gen.
— — —
Iud. I. 17.
la.s.2.en3.4.
Dh Ant⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— — — =S J
— —
— —
— —
— — —
—
—
—
De rechte
Predikers
worden niet
van der wee
reldt,maer
van Chrifti
Gemeynten
beroepen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
240 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
14,23. Derhalven (fegt Paulus tot Citumt) 2Tiz1a.
Antwoord. | Ut qe in zeg / ze 7 het ee nd
De bitter í ie gemelde Bei en/ daer ick het gelaten hadde / en beſetten
k A getveeft is —— mn Aaf | Be vel en hiet — n Daer met Dutſten / gelijk
behandigt is: Doch vermoede ick / datſe niet | vie’ volen hebbe / Tit. 1.5, Heeft oolt 1 Cim.
ſoo honiſch en bitter! als hu hlaegt / maer Dat: | °° SE ade
—— Nademael de Predikers haerd ſe
fe een beftraffinge fiiner berdoein se, | HADEMA redikers haerdanop fo een De eerfte
ftraffinge fijnere berdoermingen/ ber | vocation beroepen , die door middel der men- Vr2ge
lepdingen/ — Schꝛeꝛiftelooſen onboetbeerdi⸗ fchen van Godt geſchica ſoo verhaeit is/ wil
Sacramenten mar geweeſt zijn/de ie we
al helen en oon bemerken | bar ten efen ie ander ale raf
nen quaden naem hebben moet. | be KELDE CARL Opp gevzaent BEUGEN, Wie Da
Pademaeí — hebbe / al⸗ paulus of Sarnatas | Ciimothens af Ci
fogehaort i8/ til ick mp ooft niet acnnemen | BEE 15/ DIE Bellum 9* je ne —
alle waagden deg Bziefs te verdedigen / maer | Ainpte beroepen / cn fn haren Vienſt beroz-
fa bete De vijf articulen belangt daer in de Brief dineert heeft? Deggen ſp: de Overbeyd, Da De tweede)
de Predikers beftraft ofte befchuldigt ‚en Gel- pzage teh ten anderen / of dan oalde Ober- vrase.
heyd die haet ſulks acnneemt/ Pauli / Bar⸗
lius als Euangeliſch en recht wil onfchuldieer *
3 nabe / Citi of Cimothei Geeſt/ Beroepinge /
heb iclt de falie om dat Ampt des Godlijcken
Woozds aen mp genomen, als die ich oock | SME, Bevel/ Macht / en Dienft hebben? 2 Timaze.
niet feev tat mijner even in dat felvige Schrift HBrggen ſu ja, foo wilde ick Wel gerne ban Fester
aengetaft en gefcholden werde / ende hape die | AUMEKS Door des Heeren Woond bericht heb⸗
Doo? Gads genadige huïpe met alfuiker Kracht eit, Degen fy dan, om dat dj cemaeek der
en Élaerhe 8 IRenlirren TT jo, | Gemeenten zijn, gelijk Gellius duydt. So pe derd
binenjbet ale —————— bzage ick ten derden, of fr Dan ook van Gods vrage. s
Doa? des Beeren Benade/ alg in cen aren pie⸗ SCL gedzeben Woven? Ende ofte ſg oock Calous.
gel (wanneer fn dat fijne en dat mijne tegeng | BAE bieetch mitsgaders fijne luſten kenner:
Den anderen hauden)fullenfien/ hoe hu en alle helf bonte — —
crelds Pecofkers/nier bevoepende Predilers rs mee alie den — — *
euteeraerg der Gemeenten Thriſti / Daer de leert hebben? @f fin aoks vd aten —
spe a od Dn ———
Unticheifti zijn / Daer boor ans de Schrift al- haer iz Ec. eggen (p: Dar weer Godt,
lefins waerſchout / en acn beten plaetfen doet | SP Pietwy. Da bzage ick ten bierden / of ſp De vierde
affcljrichen. rake eeft om ie hao, dan fuielte Boomen zijn / Dat men hare vzuche Vage,
ven / die hoore wat des Heeren Woordieerr, | EEN Miet bekennen / en ſulke lichten zijn / dat
idd leert men hate glans niet — kan £ mijn Leefer /
Ellius tekent aen een onderfcheyt ‚n | SCEE wel na , Wat úclt biet bzage.
G de Sendinge OE Beroetieoe 78 oben © à chaift getupgt onberbozgen / Dat et
Chrifti, en der Apoftelen, en tuffchen de be- geen Chriſten is / Ban diein Chziftois/ ende
toepinge der: Bille Chꝛiſti Geeft heeft/ 2 Coz.2. 17. Nom.d. 9.
Fase cer iichoppen> Paftoren, en an- gên het ig openbaet/ dat de Oberhepd haet
der Kerken-dienaren, en fegt: dat de Sen- na des Do she IN 5
J Ch iden de AS Des Heeren Doozbeeld en Geeft niet ſchikt,
ge der“ ropnceten Chriſti en der Apoftelen | gelijk men allenthalben (Sepder) bn hare
{onder eenige Middel der Menfchen , alleene blijkende vruchten openttijf f , * pn
van Godt gefchied is: Maer de Sendinge der | f — hj dr he jp a nr
5 8 kan. Want fp ín alle dingen na deg vleeſchs
Biffchoppen en Paftoren gefchiedt God * erf
zelcedt Van SOE | Juften leven / pdele Gere / Bievighend/ t
door middelder Menfchen , &c Doe eer CORE BOOG
É — Perbede⸗ lebens / gc. ed / op —
ce ende niet op dat Hemeſſche gefint zijn /
Antwoord. mag men daerom des Heeren Woozdt vaedt
TD erelbe wederſpreeckeen top niet / maer | Vragen / of het fulcke lupden oock behoorig
befsennent vecht ende Wat te zijn. Maer is / Paedilterg / Herders en Diengers in Chri⸗
dat fin haer ban faa cen beroepinge beroemen / ſti Gemeente te berordineecen / dewijle pna
als of ſy na Der Apoſtoliſcher Heere ende ger |t getungeniſſe harer vachten / noch felf bun:
brunk vecht ware en toegnige / wederſpreecken | ten Cheiſti Geeft, NMlie / erlie / en Woord zijn /
wy / en ſeggen / alg dat men ín de Bevoeginge | als geſept is,
Det Dutften defe vijf volgende Punten of Ar-| _ Willen fia oolt feggen/ dat fy niet van der
tijkelen meter Schrift vlijtiglijkaenmerken en | Overheydt , maer van der Gemeenten beroe-
wel waernemen moet, natnelijk: Wan wien | Pen Zijn, fabrage ick ten bijf den / of het dan
roepen worden: Waer toe fin bevaegen wor⸗ | Die bleefch van Chzíiftus vleeſch / ende been
Den : Wat vruchten de beroepene voortbeen⸗ Van Cheiſtus beenen is? Dat is / een Gee
gen: En wat der beroepenen epgentlijck bez | Mepnte die Bodt van herten ſoekt en breeft/
geeren en foelten zp. in Die gehoorſaemhend fijnd Woods wan⸗
Cen eerften / ſegge ick moet menaen-| delt/ haven Naeſten lief heeft ende diendt /
merken / Dat de beroepinge / Die ín det eer: {hare Godtlooſe luſten dempt / de waer⸗
ſter Npoftolifcher Verken Door middel der hepdt ban herten na tracht / een vꝛoom ons
Menſchen gefchiedt / niet Lan Det wereld beſtraffelijck leven leyt / en Die berept ſtaet /
maer ban de ware Cheiſtenen en gehoorſame | geld / goed / vleeſch ende bloed/ jae Dader /
Jongeren des Heeren en fijns oords geſchiet Moeder / Man / Douwe / Kinderen / ende
is. Want Türas fchzijft/ dat Paulus ende alles te verlaten om des Weeren ende fijns
Barnabas hier en daer Outſten inder Ge⸗ Woords wille / Daer het de nood der Godlijkter
meenten verkoren / baden en vaſten / Ec. Wet. Geren vorzdert? Beggen fi neen / ——
J
De vijfde
Vrage.
ſu beroepen worden: Hoedanig fh zijn/ die bee | dock cen Gemeente is dieſe geroepen heeft / ep.s.3r.
ai versen genen
Afbeeldin-
ge der vvare
Predikeren.
over een Schrift tegen Gellium Faber, 241
vols neen is / fo is het Daer mede al betungt / dat / ligh / liunſch / leerachtigh / die vaſt houdt over
fp des Heeren gemepnte ende bolck niet zijn; | dat woozt dat gewis is / ende leeren kan / op das
want Chꝛriſtt Gemepnte moet in den Geeft| he machtigh zp te vermanen dooz de hepijame
met Chriſto ſteimnen ende eenigh zijn / alg ge- leere / ende De wederfpretiers te fizaffen: Die
feptig. Zin fdan Chriſti Gemenute niet / fijn epgen hupg wel voorſtaet / die geen nieuwer
hoe konnen fa dan Pzedikerg in Cheiſti Gee | kuch ig, hp moet ooft een gact-getupgeniffe
mennte beroepen / gelijck Paulus / Barnabas | hebben vau die / die Daer bupten zijn / op dat bij
Cimotheus / Citus, ende de eerſte Uerche niet den Laſteraer ín t ſtrick ende ſmaethept
gedaen hebben? Seggen fp daer en boben | halle, Ec,
ja / foo fegge ick wederamnnme/ de openbare Des ſelven gelijcken fullen oock hare
ongerechtighepdt / Laſter / Godtlooshendt / Beouwen cerlijch ofte eecbacr zijn / geen
Gievighepdt/ Prael/ dronckenfchap/ obervloe⸗ Laſtereſſen /nuchteren / trouwe in allen din⸗
dighent / ontucht / haet / mijt / onbatndertig: gen / a. Tim. 3. N.3. Tituum cap £. 0.6/ 7,8/9.
bent / gewelt / ac. betungen boa? de gantſche Myn Leſer nemet waer / dit 15 mijn woort
Werelt / dat her ook niet ende neen is. niet / maer des Depligen Geeſts woort, dat
Aengeſien het dan foo openbaer is / dat ben⸗ U Dat vechten Exenwlaer cene waren Pzedi⸗
De de Overhendt ende Onderdanen fo gant-| Kers, Biſſchops / Werder / Meeraers, ende
ſchelijck cantvarie Chriſti Geeft ende Woozt | Dienaers vecht booz-draegijt/ die in Chꝛiſti
zijn leven ende ſweven ende niet ecn letter hee | Gemmepute ofte Merclt bzucijtbaerlichen Diez
ben/ die met Pauli) Barnabe / Timotei, Ti⸗ nen / ende blijvende vzuchten brengen fal/
ti / ende Det eerſter Kerckken Geeft ende han- | Joan. capittel 15. V. 16,
Del in Defen Deel vecht ober een omt / kan ick: Op alfulche Leeraers wijft ons de Hepli⸗
mp níet genoegh verwonderen / hoe hy fo ſeer gen Geeft in der fchaft / vat wpfe Hooven ende
onverſtandigh ende onbedocht / ofte fo ver⸗ navolgen ſullen. Weeſt onderdanigh (fehzijft De opreeh:
metel ende ſtout is / dat hp hem ín deſe gena⸗ Paulus ) uwen Doorgangers / ende volght tige ende
| als die jer
t Ui Dat teeren de
Pzedikers van God daor Middel der Men⸗ ſy dat met vzeugden doen, ende nier met Schrift, dat
Noch op een ander mer.hooren
Den -cijchte tijde der openvaerder waeciepdt | Baer / want fin waken over uwe
| zielen
Deef bevoemen / dat Gp ende fijns aHelijche
Hiekkenfclhap daer voor geben fuiten /
ſchen ſoo verordineert ofte geroepen weeden) | ſuchten. Hebz. 13. 17.
gelijck in Der cerfter Kercſien bp Paulum/ plaetſe ſchzyft hp: Wy bidden u liebe Broer
Barnabam / Timotheum ende Titum / met | ders, dat ofja betient die acu u arbepden/ ende
Den Outſten gefchiet ig. boorftaen tu Den Heere / ende u vermanen / hebt
Och dat Bode gave / Dat hu eenmael op⸗ | fe Dies te liever, oin hares werciis willen / ende
merckte / ende dat hp die trauwe mannen ende | Weeft vzeedtſaem met haer, 1.Theſſ. 5. 12.
duure knechten Oods / mitſgaders de poerige Alduſdanige Aecraers Werden bn de
wedergeborene Gemepnten ende vrome kinde: dorſſchende Bien im der Schzift vergelelien /
ren der eerſter Kercken / doch met deſe onboet⸗ Sn zijn
Die men Den mont niet toebinden fal.
beerdige / vaelielaofe woeſte Werelt / die de | deOutſten / die dubbelder eeren / ende de trouwe
rechte Kercke heeten wil / fo niet vergeleken,
/ | Arbenders / die haren Toon weert zijn Deu.z4.
ende de arme eenboudige herten / die des Hen⸗
| | 14. 1. Cim, 5, 18. Matth. 10. V. io. Haer
ligen Woords wenig acht hebben / met al-
c j | hoe bet hem met Gellio ende allen Pzedican⸗
ſulcken ſchun/ ende gantſch ongerijmde aen⸗ ten Der Duntſcher Natien ſchicket / die hn Boog
treclunge der Schrift niet meer derblinde / ſou⸗ |
H | trouwe Dienaers acht / Wil ich den onpar:
De aen Den Dage fijner affchepdinge fijn arme | tijdigen Leſer met deg Heeren woort richten
ellendige ziele wel nut ende goet zijn. laten,
Wil dan hier mede Den bevftandigen Leſer Mijn getrouwe Hefer / neemt vlijtigh
ín bedenekten geben / hoe dach der Prcdícan: | Waer Wat ick fcheijve. Sp roemen dat fp na
ten toem ban harer Vocation / WBeroepinge | der Schrift beroepen zijn / gelijck ghy hooren
afte Sendinge [nader ſchrift beſtaen kan / na⸗ meught / hoewel men met oogen ſiet / ende met
demael de Beroepers / Daer fn haer op beroe⸗ handen taft / dat den grootſten Deel niet anc
pen/ níet alleene geen wedergeboren Godt: ders handelen noch leben / dan fn van Pez
bauchtige Chziftenen / maer oock open! tro ende Juda afgemaelt ende beſchreven zum.
bare Bervachters ende onbactbeerdige We⸗ Varer ele zijn in Bacchus volhende (ien
Det - firijders Godts ende fijns Woorts bes der) fo verballen / Dat fr gelijck (wijnen
nachts ende daeghs ín volle vufte lcben. Waz
bonden Werden) gelijck men (depder ) ín
openbare daet allenthalben ſpeuren ende fien | ve diſſchen (feght de Propheet) zijn bol ſpou⸗
wens ende ontennighends/ Efa28.8, Dn
mach.
Cen anderen moet men acmmerckten / hoe | werden haer felven (
De geroepen Dienagers des Voorts na het alle fclhzomen.
getungeniſſe der Schaft ge -acrt / ende in der vreeughde (ſeght Petrus) dak cijtlijche wetlu-
Heere ende leen macten gefchicht zijn / name⸗ fiige leben. Sp zijn fchanden ende lafter/
ljek / die eeneg onbeſtraffeſijcken wandels zijn / pralen ban uwen Plelmaeffen / ende braffen
eener Prouwen Mannen zijn / Die geloo⸗ ban uwer liefden goederen/2. Pet.2.13/14/15.
bige kinderen hebben / die gern ſweſgers noch) Gude.r. … |
Ongehhoorfacrn zijn: want cen Bichon (fegt |“ Vater fommige zijn oock ín anenbare Hoe⸗
Paulus) fal onftcaffelijck zijn als cen Hunſ⸗ | vertje ende Wrouwenfchenders bevonden. Hoe
houder Godts / niet toornigh / geen Wijnſtin⸗ oock hare Vrouwen ten meftenderl nae der
pet / geen kijver / een Vechter / niet gierigh / fchzift gefchicht zijn/ maalymen aen de vruch⸗
geen onbehoorlijche hanteringe drhvende ten mercte
niet begeerigh nae fchandigh gewin maer her⸗ De andere zijn ſoo op der Gierighent geſint /
bergigh / nuchteren/ goedigh vriendelticks / datſe openbare Woeckeraers zjn·
zAbuueinet / € . ens
matigh / zedigh / tuchtigh / rechtveerdig / hen⸗ pen den —— * nk
2D z goet/
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
1. Cor.
Deu. 24
Hier tnerkt
dar leven der
—* gemeene
ſeght Judas) ſonder Predikeren
Ende achten ’t baar euctiel deter Werelt,
242 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
goed / fo dicke te hope / Dat íclt met ’er waer⸗
hero wel kan feggen/ datſe dooz de rupme
Leere hares Euangeliums Weeren op Merz
Den gewozden zijn / hoewel fi bn der wereldt
de meefte noch geroemt / en bp den onberftan:
digen bolcke in hoogen aenfien zijn.
Pare pracl / lunhend / lerkeerhend / pdelhepd /
lichtveerdighend / hoogmoed / Ec. zijn grooter
dan men fchaijben kan/ ick zwijge noch hare
groote Tpramie / liegen / fchelden/laftecen/
beraden / en oproeren ober alle díe den Heere
ſoecken en vreeſen.
AAMüin Leeſer / ’t is immer de waerhend dat
ick ſcheijve. Deh hoe gantſch geerne wilde
ick het zwijgen en toedecken Wanneer mm de
eere mijns Gods en fijns Woords / en de lief⸗
De uwer Zielen níet en dzongen / maer nu
ten tot berderbinge/ ende Gellius met fijne
gelijke Pzedikers (Die ick wel geerne wen⸗
fche/ Dat fp onſtraffelijſt ende vꝛoom waren)
tot cen fo grooten verwijt / fchande en lafter
dagelijks ſtaen moeten.
Wil hp dan feggen / dat de Overigheyd de
fchult hecft, ſoo bekent hp Daer mede felbe/
Dat de Overighend geene Ware Diengers en
Wedematen Chaiſti zijn / ilk meene die allent⸗
batven/ daer men hem deg Godlijken Woorzds
roemt / nademael ſy ſulcke ergerlijcke Wups
den) Gelijk Eedbzeeliers Swelgers/ Bier
rigaerts / @c. gelijk (lepder ) op allen plaets
fen/ laten Pzedikers zijn / Die met hare baas
fe evgerlijcke leben / (zwijge Die leere) Den
acmen bolke fo grooten ſchade aen bare zie⸗
fen Doen / ende ſulcks Wel met cen eenigh
vordert de nood dat ick hare lelijke fchanden ‚ waard / ook fonder bloed keeren: honden. En
ſchricken heeft als ichfe denken / zwijge dat
ickſe roeren of fchzijvenfal. Hoe dan haten
handel met De befcthzijvinge Pauli ober een
komt / die Daer leect / datſe ſullen onſtraffe⸗
lijk zijn/ eener Dzouwen Man zijn/ geen
wijnſunpers / niet gierig / noch begeerig na
fchandelijck gewin / datſe fillen matig/ ze⸗
Dig / en beiendelijk zijn / en cen/ goed getup:
geniffe hebben bau die / Die daer bupten 3ijn/
mogen alle vroome herten fn vepne zeeft
Gods meter Schrift afmeten. Siet mijn |D
Hefer / nademael het dan fa apenbaer is / dat
fb des Heeren Wood ín haren leben fa gantſch
ongematig of ongelijk zijn / foo ís het immer
ín den grond anders niet/ dan pdel hunchele⸗
tpe/ dat men alſucken onbeuchtberen ev:
gen handel ende krachteloos Apenwerck
eet Euangeliſche Bouwinge / ende Apen⸗
—— / Pocation ofte Noepinge noemen
Maer dat Gellius hem hier van ontſchul⸗
digen ende op díe leggen wil / die nae lundt
fing ſchrijvens in weſluſt, of moetwille ha-
res vleefch onchriftelijck, ende niet na Apo-
ftolifcher ordeninge leven, ende ſeght dat de
felvige dan noch door hare onboetveerdig-
heyd der vromen beroepinge niet verfwacken
konnen, ſegge íck ten eerften alfoa toe:
Experto cro- voeten moet, So groot en zwaer zijn de gru⸗ dat noch meer is / Dat hp felve cen trouwe:
dc. welen Die fi Drijven / Dat mijn Ziele een af (loog Herder ende Zwijgende Wachter is / Gellius on
dewijle he ſulks fiet ende de Gberighepd / wouwe.
(Die fijn epgen Verkieſers / ende fijneg Kerc⸗
ken-dienjes Hedematen zijn / over een fulke
groote bevachtinge Gods en lafteringe fijns
Woods / ober De erbarmelijcke verdervinge
der Gemeenten / niet hertelijker bermaent /
ende ernſtelijcker beſtraft ende Wanneer fn
hem niet hsoren Willen/ dat hyſe dan niet
ban dat gebaupkk fijner Sacramenten / ende
ban de Bemepnfchap fijner Kercken afs
get.
Cen derden / fegae ick / billijk ware het
dat Gellius Chaiftum en fijn Gemepnte met
de rechte Kerken-dienagers / Herders en Pze⸗
dikers eerſtmael na Schzifts aecd wel Kennen
leerde / alleg met Des Weeren Geeſt / Woozd /
en Poozbeeld / vecht richtede als dan hem
ſelbe met fijne gelijche Preedikers oock fijne
Gemepnten daer met grondelijk beſage / al
cer hie hem feo wzeventlijk tegen den Hod:
veuchtigen ſtelde / cn haer boog pder man foo
vrandiijk beſchuldigde.
Wijder fegge ick / nademael hp ons ban
dat gehoor en Sacramenten der Eedbrekeren,
volfuyperen ‚ vechteren, ende diergelijcke
meer, felbe baj ſpzeecktt en belient foo Wp
hem anders vecht verſtaen / en hp veel licht
Daer met fijner faclten bp ſomnigen wel een
— elit Dor” Nademael bhp ín fijn Boeck felve ſoo fer ſchijn maecht/ Wogden Wp noodwendiglijck
vele fijner Ober haer klaegt / ende ſchrift / dar fy beter hier gedrongen met ‘er Schaft te befichtigen /
Predikerse Swijn-herders als Herders der Schapen Chri- [Goe hu ſelbe na de leere Pauli / voor een Herder
fti zijn moghten , ende wel wilde dat {7 van [Der Gemeenten en Dienger Chzifti ín fijnen
haren Ampte afgefer waren, ac. Ende deſe (Deel beftaen Kan. -
ſelbige wel den grootften hoop zijn famen | Een Biffehop (feat Paulus ) fal onſtraffe⸗
opentlijk fien mag, moet hier Gellius ang | lijkt zijn / daer mede het alle/ Wat eenen war
immer vecht geven Dat Wp foodantge nae (ven Heedilier / Werder / ende Weeraer toe⸗
lundt der Scheift niet hooren / en Zare Sa⸗ komt / begrepen werdt. Ende het is open⸗
cramenten (wanneer ſy ſchoon vecht Waz baer / dat Gellius niet onſtraffelijck / maer
tên/ Dat fp geenfing zijn ) niet handthaben | ín belen ſtucken ſtraffelijck is / een vriendt
en gebeunken Doven / Deijle hn felve orzen= | Der Weereld is / Die Der Weereld en den men? soo ick den
lijtt beſient Dat fp onnutte hunder zijn / en ſchen bupten Gods Woord / ende bupten dat menfchea
wel wilde dat fp ban haer Ampt waven afz | Poorbeeid Chziftí/ Der Apoftelen ende Pzo⸗ ——
geſet. ybheten / foeckt te gevallen / want anders pacius ) oo
Cen anderen fegge ick / nademael Gellius | mogte hp fonder vervolginge niet zijn/ 2 Tim. ben ück
bekent, als dat fy tot alfulcken Ampt onbe- daken Hoch in defen fijnen gemakt / ſulcken —
quaem zijn, ende hu ende ſy in eenerlen gez
ienſt foo fange uptboeren/ gelijcht alg dat Der |
meepnfchap/ roepinge / Zielen ſorge / ende
dienſt begrepen ſtaen / waeromme Yu dan ſul⸗
ke ín Dat Ampt duldet / en niet Door autho⸗
ritent ſijner roepinge bp raed en bewilfinge
fijner Gemeenten exxoninmiceert / en ban
exempel Cheiſti / der Apoſtelen / ende aller |
fijner ware getupgen Wel betupgt. Item
een Wuerlinck / Die hem boor een gewiſſe
foon ende Jaergeldt te fijnen Dienft bere
looft heeft / contrarie Dat Erempel Chꝛiſti /
haren dienft affteit Deijle fin den Gemeen” |ende aller waver Boden / die ban bem —*—
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 243
Ben zijn. Wulijdet oock niet allene geen ver· ende Schijn deg Woozts / in eenighept ende ; Reg. 12,
bolguge om dat getupgeniffe Jeſu / maer [breede Des vleefchs / bupten Chriſtus Geeft) 2 ar-13. 5.
vervolght felbe De Godtvruchtige vzome her⸗ Leere / ende Grempel Gouden fullen/ dat en 1116.
ten/Die noch hem / noch niemandt befchadight, | fn de moetwillige voeckeloofe Weerelt / Die
hoch guaet gedaen hebben / mamelyck/ met | fonder nieuwe Ereatuere) ende Gehoorſaem⸗
Hier merkt
waer toe
Raneor & Naedt / Woozdt, ende Schzift / wille ende ge-|hent Des Woorts / Die Bemepnre Chaiſti aes wereles
grannis moedt / gelijck (lepder) aen Defe fijne Dcheif:| heeten wil in haet onboetveerdigh Godloo⸗ Predikers
Gelli,
ende aller untverkoren. Daer toe is fijn| Boop ende Zachtmael wel trooſten fullen/
Heere onrecht ende vervoeriſch / Wu is een Chriſtum Jeſum met fijn Woozt ende Geeft
ſchelder / verdoemer / faemroober / ende Ach⸗ | geweldighlijck weeren ſüllen / op dat ſoo de
terklapper der onſchuldigen / Die Godt van booſe Weerelt ín ſijner ongerechtighepdt en⸗
herten vzeefen/ ende om fijn Woordt pveren / |De oude weſen onbeftraft boortvare De Pez
Jae met haer goedt ende bloedt ( Dat ip niet Dilkers bn haer onbehooglijck gewin / ende
doet ) befegelen/ Dit alles betupght (tepder ) ſozghlooſe leven / ende dat atme domme bolck
Defe fijne Schrift overvloedig daer mede hü bepde Nijck ende Arm / bp de luft harer vo⸗
De vzome Godvzuchtige herten fo onchziſte-⸗ gen / bp hare pracht/ prael/ braſſen / ſim⸗
lyck / fonder billijcke ende ongegronde oorſa⸗ | pen / gieren vapen/ ende in fomma/ op den
kebvoo? Afvallige Wederdooperen, Rotten-| rupmen ende breeden wegh deg vleeſchs onz
Geeften, heymelijke Influy per,Onkruyts-faey- | gefttaft tat aen °t ende blijven magen. Dit
ers, afgefnedene feten, Duyvels Apoftelen is (lender) allenthalben metter dacdt opens
en Wercktuygen voor de gantfche Weerelt baerder / dan dat men ’t loochenen kan; e⸗
beſchuldight / verdoemt en verdachtigk maeckt venwel onderftaermen fijn fake met dee
boe wel fp den Heere fo herteljck ſoecken / enz, Schzift op bet alder heerlijckſte te bercies
De alle dagen goet en bloedt voog fijn beplige ten/ bele Daer ban te fpzehen / ban Gods
Wooꝛdt te pande fetten. ‚genade ende gunft haoge te racmen/ Doop
Daer benevens is hp ook een hanthaver enz ENDE Nachtmael ín fchijn Des vechten Wez
Fruêtus De Dooeftander dek Hijkg Antichiftí / cen feng te gebzuncken / recht of ſy Chriſtus Kerc⸗
Gelli. bervalfcher dez Schrift/ Een mifbrupcher der, ke ende Gemepnte waren / hoewel fp ín
Sacramenten / Een berftercher oft berftij Den gront cen eygenſoeckelijck / wederſpan⸗
ber der onboetverdigen/ cen leugenfpreker/ zc. nigh / onboetveerdigh/ een gerdtſch ende vlee⸗
gelijck een peder op fijn plaetfe dao? deg Heer ſchelijck bolck zijn/ fo ala upt hare beuchten
ten genade anderfehepdentlijck geleert) ende Opentlijck fien meudbt. Schzijbe ick de
Duptlijck fal gehoort werden. waerhepdt niet / fo ſtraſt mp.
Een derden moet men acnmercken/ waer Hademael het Dan klaerder dan den lichten
Mat. 28.19. toe De rechte Pzedikers geroepen Werden / dagh is / dat fa niet am de Gemennte € heífti/
Mar 16.15, Namelijck dat fp deg Weeren Woozt vecht lee⸗ Die Uut Gode ende Godlijcker Aerdt is /
Mat, 12.30. ren / fijne Sacramenten vecht gebeumehen / Met een heplfame Heere met vechte Schzifte
Ea 33-34 BodsGemepnte vecht cegeeren ende Wepden/ matige Sacramenten / met een _onbeftvaffes
met Cheiſio berfamelen en niet beefteopen / lijck leben / met rechte ernſtige ſtraffe (maer
Hier iet Den bedzoefden trooſten / den ongeordineer⸗ alle liefkaſen ende aenfien der Perſonen) met
waer toe die DEN vermanen / dat verloren Weder ſoeken / dat frouwe bermantnge ende nootwendige afz
bebe _ gewonde verbinden / dat ongenefelijche fonder | nderinge boo? te ſtaen / geroepen Werz
— alice aenſien dec perſoonen (ha zn groot ofte en. Maer foa meu ín eenen valſchen fchijn
worden. klepn) affenderen / ende met aller eenfte ober ander den Name Chgifti ende fijner germepu-
Gods Wijnbergh/ Pups / ende Stadt waken | ten des Weerelts Diengers zijn/ ende van der
ende wachten ſullen / alg die Schrift lerrt. Weerelt hooge belaant werden / die de Wee⸗
Diet / mijn Leſer / dit zijn Die epgenttijche | velt hooge eeren ende lief hebben / ban der
epnden ende Gorſaeken Waevomme Die | Weerelt fipzelten/ der Werelt gevallen, die de
1 Corr. 28. Geeft Biſchoppen / Herders ende Leergers / Werelt foeckt ende geerne hoozt/ want fp zijn
Rom. 12.6. nadat voorſcheift Pauli in Des Weeren Hups | ban der Werelt / gelijck Joannes feabt. Is
78. verordineert heeft) gelijch hy feat: Sommír daerom ten derden een onwederſprelie lijck bez
ein ECS ge beeft hp tot AUpoftelen gefet/ fonuníge tot | Wijs, dbatfe (leyder niet geroepene Dienaers
Propheten/ ſommige tot Cuangeliften/ fom- der Gemepnten Chziſti / fo fn valfchelijk voor⸗
mige tat Herders ende Leeraers / opdat de | geven / maer Diengers ende Doorftanders of
hepligen toegerichtet worden Door gemeenen ophouders des Rijcks Antichziſti zijn/ gez
Dienft/ tot bouwen deg Lichaems Chaiſti / op | lijken unt haer leere leven / en bzuchten
Dat wy alle komen tat eenerlen geloobe ende) (wanneermen Die ín den gront vecht Waer:
Bekenteniffe deg Soons Gods/ ende een vol⸗ neemt ) ín grooter klaerhent ſpeuren en fien
komen Dan werden ín De mate Des bolkomen | maat.
Guderdoms Chaiſti / Epheſ. 4. 6. Cen vierden / moetmen aenmerken/
Maer waer tag Gellius met alle Weerelts wat vruchten dat fp vooztbrengen / Want
—5—— geroepen werden / machmen upt | Chriftus ſegt: Ack heh u verkoren en geſet /
ate Teere ende Werck wel afimeten/ amer dat qu fut henen gaen/ ende vzucht bren⸗
ijck / foo pzedinen alg de Overighept met de |gen / ende dat uwe vrucht blijve / Joan. 15.
Werelt geerne hebben) hooren / ende Tijden | berg 16.
wil. Item / dat fp de twee gulden Calve- | Wp bekennen met den Pepligen Eſaia / gez
ven ( Dencket nae Wat ick mepne) ín Dan lijkt ook Gellius Doet / Dat De Heere des Hepli⸗
ende Sethel offeren fullen/ De Bemepnte gen Euangeliumg recht na den fin ende grout
Antichzift op den verkeerden krommen wegh Theiſti ín kracht Des Geeſts gepzedicht /
Der dupſterniſſen ende deg Doots / fonder boe: |nimmermeer fonder fijne berucht zijn kan :
te ende wedergeboorte / onder Ben Naem want gelijk De Spe ende Reen *
68 n
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ten openbaer ig/ tegeng dat Erempel Cheiſti ſe wefen met deg Weeren Doodt ende Bloet / 5roosPen
worden.
Alle huy.
chelye heeft
fijnen fchyn
van deugde,
Ipíi è mun
do funt idee
ë mundo lo⸗
guuntur ,
8 mundus
cos audit.
1 Jo. de 6e
Godes
Woordt in
kracht des
ecits ge-
predikt, blyfe
niet ydel.
Elai. 55. re,
244 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
Landt bevochtigt / vpuchtbaer ende waſſen/ niſſe onfer Beroepinge, datſe van Gode ende
de maekit/ alfoa is aackt dat Waordt dat upt | niet van den Duy vel zy; daer door des Duyvels
des Heeren mond gaet/ Eſai. 55. ro. Maer Rijkgeftoort wert , de Papifti{che grouwel en
dat moeten Gellius en Wp wel nadenlien / dat afgoderye , de Miflen , Ziel-miffen , Vigilien ,
waren Geloofs / en medewerckinge deg Hep⸗ (Godt hebbelof) geworden is 2
ligen Geefts / in Chriſtus Geeft / Aerd / ende
Nature moeten berjet zijn / en alfo dat Zaed Antwoozd.
det alle misbruyck / ſuerdeeg / en hupchelie /
De rechte
N
Die Zaepers eerſtmael Daag De kracht eenes ‚der kappen platten, &c.een reuk des doodts
of dat Woozd der Predilunge den Dolfe ſon⸗ Se et ſilver met dn ſhurm en der wijn
met het water ban haer niet vermenget
zacyers henlſaem / louter / en onvervalfcht leeren ende wodrde / Dat is / foode Waerhent fonder leu⸗
— boozdzagen / ant foo Waer ſullie Zaeners gen/ ende dat licht ſonder dunſterniſſe louter
zyn / Daer vint men Dat gedijen en wasdom en klaer / ín kracht deg Geeſtes van haer gee
ren,en haer
zaedt 3D. Dg Pzopheten Wood moet waer ende paedikt / ende met een vroom onbeftraffelijk
onvervalt paſt zijn / Dat des Weeren mondt geſproocken ſeben voor de gantſche wereldt betupgt en bez
aijn.
heeft. Maer waer fuilte niet zijn / Daer ſtaet weert worde / foa wilden wp met hen feggen/
men te vzoeg op / of men gaet te late upt/ at: dat het een heerlijk licht / ende een edel bzucht
bepdt ende maoente ſullen verloven zijn / Want mare,
Godt werkt niet ter boeten / Dan daor die Die MNaer dewijle fp dat ſpel verſteert drijven / en
fijnes Geeftes zijn. | maecken de waerhepd tot leugen / den vechten
Yengefien dan / dat dat Woozd der Water | Apoſtoliſchen Doop tot een Ketter- doop,
Peedilkanten niet fonder fijne vzucht blijft / | Chriſtus Gemeente tot een verderffelijke Se-
foa verhaelt is / en wp met oogen fien/ Dat | teen Rotterye,&c. Maken daer-en-tegen pe predikers
Des Werelds Predikanten / zaed / aller Wege de teugen tot waerhepd/ den Antichziſtiſchen verkeeren’e
geen vzucht tee boeten beengt maet enchel @oop tot eenen Chriftelijken Doop ‚ ende de alle.
baerd - eit Aarie
— be- Pupehelaerg baert / fo men fien mag. GS im⸗ voeckeloofe wilde wereld tot des Heeren Gee
tuygt wel
met dat ſelvige oack ecn onoverwinnelijſi bez | meente, Sec. feggen Wop dat hare Heere vervoe⸗
wat fy voor. wijs nat des Heeren epgen Woort in der liracht riſch / ereh en auaed is / ende níet de leeve der
zacyers zijk: niet hebben / mact loofe Arbenders ende niet Daed / dich Gelli roemt enùe voor⸗
waere Prediliers zijn / ofte Des Pzopheten geeft.
Wooꝛd moefte onrecht zijn / Die Daer preekt : | Ga mijn Leſer / fp prediſten alfa des Weeren
{adden fp ín mijnenvaed gebleven / en hade Wõoodzd / dat ebenwel de Godlooshent en mig
den mijn Woord mijnen Dolke gepzedikt / ſo bzumen in haren vollen fand blijven : Ay leer
hadden fa Bat felvige van hare boofe weſen / ven alfaa de waerhepd / dat evenwel ín belen
en van haer booſe leven bekeert / Jerem. 23. | Dingen de valfche eere leugen en vervoeringe
get niet gezwalit / noch af breuk gedaen wert; Op
Nademael De Pzediliers dan oock bp De | gebruphen en Drijven alfa den Godsdienft/ dat
bzucht beftent werden / en Gellius met fijne | egenwel de hoogten in eecen blijven / ende de
gelijke Prediliers hare Heere en Sacramen⸗ Afgoderne níet veemijt waat ; Sp prediken al
ten ſoo lange jaren vaa? De gantfche Wereldt ſo ban de Cheriſteljcke Bertie / dat Anticheiſti
gedreven hebben / (alg fp ook wel oop fonder Hercke deg niet te wepniger bp haer ín voller
alle vreeſe doen magen / dewijle ſy de onboef: kracht blijft/gelijk fis opentlijk bepde met Werkt
beerdige voeltelaofe wereld daer mede in hare ende tpraunie / Lao? de gantſche wereld betun⸗
hupnchelne en runme leven niet en tegen zijn / gen en kondt doen. Dommahetig openbaet /
maer veel meer trooſten ende voozſtaen) ende datſe alfa predilten / en Dat Euangeliun alſoo
evenwel niet een woekeraer van fijnen woer⸗ drijben / bat ’er gantfch geen boete volgt / maer
kee) noch gierigaert ban fijne gierighend be⸗ cen pder eplacie blijft dat he is / ja dat noch
keeven/ hare leerlingen niet wijder baten / Klaealijker is / dat dat bolkk niet alteene niet ges
dan Dat fp Dao? Woozden en gelact maer ee⸗ betert / maer alle dage hoe langer hoe erger
nen fchijn ende naem boeren! ín hare herten wordt, Wier helpt nach Gloſe noch Sillogiſ⸗
Quales Con- onberandert blijven / De rechte ende wate gez mus / noch eenig behendig voortbzengen / dat
cionatores, rechtighend haten en bpand zijn / op tupmer werk feloe is get upge / dat hare Leere ontrou
Doârinag Wege wandelen / Wereld / bleef / geldende en valſch í8/ alg voten geſeyt / Jerem. cap.23.
Pilcipuli. goed met aller ernſt na jagen / Pralers Pra: Hs 16.
fers / Hooveerdige / Hoobeerdige Leugenaers | De Stange fpraclt Wel de waerhend / doen
Leugenaers blijven/ foo openbaer is betun⸗ fp ſeyde / Godt weet / dat ín wellien dage qu
get fnmmer deſe hare krachtelaofe Pzedikinge Daer ban eet / fullen uwe oogen geopent Waz
pdele Jeere en Herken-Dienft (ſegge ick) gez den / en qu fult zijn als Gode / ende Weten
weldelijkk dat haer Ampt niet-upt Godt en (wat goed ende quaed is: Maer dat hp te vo⸗
Godes WWoordt / maer wat den Soone des | ven belaafde / an fult in geenderten wijfe den
Afgronds / Anticheiſto /en ban dee werelt zu / doodt aired } beeft hu gelogen / Adam en
men ſmuncke of verciere en men voeme ook De | Epa zijn daer mede Bedrogen. Aliſo doen ook/
fake hae men wil/ Gods Woozdt wil / ens (Die der Stange woordt voeren. Dat on
De moet waer blijven / Jerem. 33. 16, Efa. |boetbeerdig vleeſcheihck Balck wozdt foo op
55. QS rr. deg Weeren Doodt ban haer getwefen / met
hate Schzriftlooſe onboetbeerdige Sacramen⸗
ler-en-tegen komt nu Gelliusen beroept | ten / ende valfche beloften ín have moetwil⸗
‚A hem op fijn vruchten, en fegt: ls de Pre· lige Adamitiſche aerd en teven ſoo getrooſt /
dikinge der Waerheyd, en dat licht des Heyli- (of fin wel formwijlen eenige waerheßt met de
gen Euangeliums , dat wy met ernfte drijven, |Slange fpzeectten / De Schrift voortbzen⸗
en beyde met leeren en fchrijven verbreyden, |gen / de fonde ten Deel fivafren / en de deug⸗
niet een ſchoone vrucht ende heerlijk getuyge- |Den papfen ) dater evenwel niemand ís / fine
| ine
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Gen.3-4:
Satanas
{preekt ook
wel Godts *
Woordt ,
maer niet
dan tot
vervoering?
Ier. $%,5.
en 6,
Yveren is
goed,als ’t
om ’tgoede
gefchiedt.
fijne fonden in Der waerhepdt leet zijn / Die
bau heeten boete Doet / de ſelve nalaet/ ende
ſpreeſt / Waat make ict Siet / foa (feat de
Pꝛopheet) gaen fa met leugenen om / en ſter⸗
ken de bofen/ op Dat hem niemant bekkeere van '
fijn baosbent/Jer.2 3. 22.
Maer dat harer ſommige de Papiſtiſche
grouwelen foo gezwalit heben / hebben fn en
kop Den Deere billijck Daer vooz te danciten,
Maer Wat kan’t baten, dat fin den Paus
untſtooten / als fn ſelve ín fijn Stede treden
Pet is wel waer dat vele taïten van den boom
Antichriſti afgehouwen zijn / maer De Woztel |
met et ſtammen ſtaet nach / ende hoewel fn
ſommige hoogten hebben ter neder gewor:
pen / ſoo Wandelen fp noch evenwel in de
Wegen Jeroboams / en zijn om Den vechten
warten Gods-dienft te plegen in Jeruſalem
niet geltomen.
Jae goede Leeſer / hadden de Geleerden
met vaften vertrouwen op Den levendigen
Godt gehopet / Laft aen ſijn Woozd gehan:
gen af gehouden / meter Wereldt niet gez
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
245
fchelijke herten ten meeftendeel gelefen wore /
fo kan fh ook ongettwijffelt met eeu bleefchelijk
herte / founder wedergeboorte ende Ware Gobs
beefe ban Deen fprakein d'ander door verſtant
en kanfte der tongen wel overgefct wader.
En gelijck oock de Liedekens gemeenltjctt
fonder aendacht in Gods Hupſen en Tempe:
Transferê-
fen / en met geoater lichtveerdighend in de ga- ren en liede:
ſterjjen / op De ſtraten / en ín de openbare drzon⸗
maken zijn
de befte
kene herberge hier en daer gefongen woden/ vruchten
fo konnen fp oolt Wel upt cen lichtveerdig gee niet.
moedt fander Geeft en nieuwe Creature gez
maekic Werden. Zijn ook derhalven de teker-
fte en befte vruchten niet „fg Geluius voozgeeft /
want fa blyven niet: Maer al wat fomimige
wel eet unt eenen goeden ver gefcijzehen heb⸗
—*
ben / Dat Schzift is / of met der Schrift gez
machtigt is / ende Den beamen tot beteringe
Dient fg biſlijk dat ment love en prijfe.
Maer De ſekerſte ende befte veichten zijn Hier merkt
Gods Wooꝛd ín alfoo een kracht te pred
ken/ dat bele daer door upt Godt geboren
werden / haet tot Godt hekeeren / Godt van
hupchelt / ende waren ſelve in det daed ende gantſcher herten vzeeſen en lief hebben, ha⸗
kracht tegen alle bzeeſe Des Krunces en des den naeſten unt repner heeten dienen / viecch
Overighepdts ongenade /
gekomen / dat fn aen ſammige plaetfen in ha⸗
ve Scheiften hebben aengetwefen/ och hoe
delen ende klaten Ticht foude der Wereldt
berſchenen zijn/ dat nu (ach lepder) dooz
zeeft Des Arunces / APunchelpe / Engenfoez
Kelijckhepdt/ gemackt deg Heens / Eere/
ende Menſchen Gunſt / tat foa verderffelij⸗
ken dupſterniſſe ende verwoeſtinge gekomen /
ende tot een foo rupmen ende bzeeden wegh
gewozden is.
ie Een anderen feght hy : Is de gantſche Bybel
van D. Martinus , loflijcker gedachtenif-
fe, in Duytích overgefet een verachtelijcke
vrucht? Zijn die gefangen of liedekens,die van.
Lather en velen anderen gedicht zijn, &c. een
geringe vrucht? Is ook de beftandigheyd met
vreefe of perijckel des lijfsende goederen, in
defer tijd der aenvechtinge en in aenvang des
Euangeliums bevonden, niet wel een fchoo-
ne enderechtfchapen vrucht onfer Sendinge ?
Maer defe vruchten gelden voor hare oogen
niet, of fy willenfe niet ien, hoewel het de
fekerfte en befte zijn, &c. Maer de vruchten
des uytwendigen levens en ommegancks met
den Menfchen (hoewel fy wel menigmael ge-
huychelt werden ) die gelden alleen voor ha-
ren oogen.
Antwoord.
De geſtorvene met Baren oberſetten / ſchrij⸗
ver (en geſangen / Willen ton hier bez
ruſten laten / Want fn hebben haren Veere
en Hichter al gevonden / ende Willen ons tot |
die lebendige keeren / Daer mede heben wp
te ſpreken. .
Dat hn dan ſchꝛijft / het Cchrijven, over-
fetten „en lieden-maken , de fekerfte ende befte
vruchten tezijn, is mijn bedumcken feer onz
berſtandiglijſt geſchreven / want fulks alles
fonder wedergeboorte ende veranderinge deg
herten (gelijk hn feloe mel eet ) daar geleert:
Ja nelijk den Bpbel of de Schrift ban den leugen pzedilen / de Sacramenten be
grootſten Deel Der Wereld met onrepne vlee: [ende misbzunlien / en de wilde woeſte
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
getrouwelijck nae en bloedt dempen / Chriſto Bef met botter
herten geloven / boog fijn Woord beben / dat
fp daer tegens Deen noch handelen/den rech⸗
ten Waren Gods-Dienft plegen / alte onſe
wegen nac Des Leeren Geeft / / Woozdt/ en
et richten / Ec. want fille veuchten
blijven.
Wijker ſegge ickt / nabemael hn de vreefe of
perijkel, ende beftendigheyd (gelijk hu het
noemt)van fommige van den haren, nu in defe
tijd des Krijgs „Die bp een tijd Det aenvechtinge
noemt/fo wu fijn meeninge anders vecht verz
ftaen / die nu hare fake niet langer met gewelt
ende krijgswapen konden untdoeren / tegen
houden / ende voorſtaen / voor een foo hoogen
vpzucht roemt / die ook Beel licht tot Ben bloede
noch niet verfocht zijn / gelijk aen den onfen
dagelijks gefchied : Waerom Ir dan onfe ende
onfer Bzoederen falie fo onbeſchendentlijlt verz
ſpzeelit / vichtet / en fchendet / Die tan fo geerz
ne (weet de Deere) Wilden vecht handelen /
daer tae noch ban zweerdt / noch ban eenig
doodlijck geweer Weten / noch ooch geweten
hebben / fo men ons met der waerheyd nim⸗
mermeer anders overtupgen fal. In alie qe
duit na den boozbeeld Cheiſti Wandelen / ouſe
gaed en bloed / Dat wu wel met een eenig hi⸗
gelſeh woorzd bebrijden konden / heren geven/
en alle dage ín onoberwinnelijclie beſtandig
bend in't zweert / Wateren vper / weerloos
en ſonder alle wederſtandt / gelijk de Scha⸗
pen Die men ten ſlachtbanck lepdt / bp gro⸗
te hoopen gewillinlijk treden.
Maer dat harer ſommige int begin hare
halfen gefivekt/ ende om dat getußgeniſſe /
dat fin hadden / haer bloedt vergooten heh:
(ben / prijfen Wop Godt ín dien deel / en achten
met Jacobo / dat fn ſalig / ja oolt onfe Me⸗
degenooten aen’t lijden Cheiſti zijn / Want
hare Daed heeft betungt / dat fp Godt meenen,
en getrouwe Waren / daer in fp verlicht ge:
weeft zijn. Maer wat wil dat dach defe baten
Deijle nde oogen hares verſtandts baat dat
welke de
befte vruch-
ten zijn,
Io. rs. 16.
PL 44.23.
Rom.S.36.
4Eld.1 5.10.
ASC
Salie zijn
die,die ver-
do Licht der openbarer waerheydt toeſlunten / volginge lij-
hevd en konft der tongen wel gefchieden kan. Gods Geeft / Wooꝛd en Wille wederſtrijden / de den,om der
leeren for 5
ieyd
wereldt Mats. ro,
m
246 Een klare Beantwoordinge
in haer onboetbeerdiah roekeloos leben troo⸗
ften ende vaorftaen* Bat die trouwe Belden /
Daer op fit haer beroepen / nict gedaen hehe
pepredi. ben / maer zijn in alles / dat fp boor Die Waer:
kers hebben hent bekent hebben / trouwe geweeft : Had⸗
haerdefer Den fin meer geweten / foo ſouden fp ooft onz
Neer getwijffelt daer voor wel geftozven hebben, fo
Swel als voor dat / Dat ſy op Die tijd boor vecht
men,want fy ende goed bekenden. ebben nu onfe Wez
volgen hare Derpartpen gelijken Geeft/ fo magen fp ool
voetftappen harer roemen: Maer dat werelt betupght
openbaer / datſe (lepder) Wijt berfchepden
zjn. | |
Item / Dat hu fchzijft/ dat de Vruchten
eenes uytwendigen levensalleene voor onfen
oogen gelden, &c. betupgen onfe harſte ban:
Den / zware verſoekinge / groote droeffeniſſen /
ellende / goed ende bloed / Daer tac oock onſe
helle klaere belienteniſſe / openbaerlijſt / dat
bu ſulls tegens alle waerheyt ſchrijft / ja ons
openbaer geweld en onrecht aendoet. O ma-
htiofam calumniam ac perverlitatem.
Mijn goede Leeſer / neemt Waer / dat wp
een oprecht / vꝛoom / Godſalig / en boetveer⸗
Dig leven leeren / en Daer nae pberen/ daer
dzinget ong de gantfche Schaft toe/ en de
kracht eens waeren Geloofs / Want Chꝛiſtus
ſpreeſit: Waet uwe licht lichten vooz Den
Menſchen / op dat / Fc. Matth. 5. 16.
Oocſt leert Paulus / dat wp ong fonder
ergerniſſe ſullen Gewijfen tot op den dagh
Jeſu Chꝛiſti / Phil. 1. ro, Den Heere ende
hen Euangelio weerdiglijk wandelen / Caz
ùf. 1. IO,
detrus ſegt: Dat wy een eerlijke wande⸗
linge onder Den Hepdenen voeren ſullen /
1Pet.2. 3. En Joannes: Dat we moeten
wandelen/ gelijck Chriſtus gewandelt heeft /
1 Saan. 2.6.
Aengeſien De fcheíft dan op foo een vꝛoom
Een vroom Teven allenthalven wijſt en dingt / ſoo ver⸗
leven leert Baeltíg/ ig het immer billijck ende vecht
degantfche (fog Wa anderg Goats Woozdt gelooven )
schrif. dat wy ong in onfe zwackhepydt bevlijtigen
nae te komen / Dat ong des Weeren Geeft
met foo Klare woorden in ſju Heylige Woozt
opgelept en geleert heeft.
Maer dat hu ſegt / dat fulcke vruchten al-
leene voor onfen oogen gelden, is( lepder) unt
anvepner heeten van hem gefchzeven : Want
hem is wel bekent / fo ick vermoede / hoe Wan
in alle klaerhend leeren / dat Wp doo? geene
uptwendige Werken/ hoe groot en heerlijck
fn oock fchijnen konnen of mogen ſalig wer:
den / of Gode volkomentlijck en vecht beha:
gen / want fpinmerg altfamen met onbol·
kamenhepd ende zwackhend vermengt zijn.
En derhalven De aenvankelijke gevechtighent |
ín de geboden Lan ong ge-epfcht/ door dat
beletten onſes verdorven bleefchs nimmer:
meer vecht kan bal gefchieden. Wijfen der:
— —— habven alleene op Chriſtum Jeſum / die onz
Rom.5.24. feeenige cn eeuwige Gerechtighend / berfoe:
Ti26. ninge/ en propitiacio bp den Dader is / ende
Aea42. op geen bertrauwen onfer wercken eeuwig⸗
jk. Míjn Meefer / De waerhepd ſchzhve lk
ü in Chꝛiſto / en liege wiet.
Liegen(fegt__ GEch dat doch Gellius fijns cup ſpreeken na
Syrach)is liete en nict meer dan de waerhend ſchreve /
denmen- want een leugenfpgetter is een Groote fchand-
(ehentlijk vleckie / heeft oalt geen pact aen Gods rijſie/
diak,enhy Apo.21. 27. Daer toe oock eenmael ſmalien
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
van Menno Symons ;
ande / Wat een vecht Cheziſtelijck Geloove kan nim-
(8) wat het in ſijn aerd / nature / en kracht Menke
vordert en medebzengt / Ip foude alg dan ooli men.
wel bekennen / waer unt ſo een vzoom / boet⸗ Ec. 20. 12.
veerdig en lieflijk leben voortquame / dat ha
eerſtdaegs (lepdet) fo ſchandelijk gelaftert/ /
en boor Bupvelfche vruchten / hupchelijck / LLS
en neuwe Monickerpe gefcholden heeft. En gen.
ook noch (fabet fchijnt) Wel doen ſoude / fa
hem de overbloedige ervarenthend ban belen /
en de groote veelheyd des onſchuldigen bloets /
niet fa ſeer ín den wege lage.
Diet / mijn Leeſer / hier meugt gu merken)
hoe ſy have leelijſe hupchelne / en krachtela:
fe onboetveerdige Herken-dienft met fchzijz
ven / trangfereeren/ ſingen / &C. bercieren
en oppeontkken/ hoewel fix fonder nieuwe crea⸗
tuce en boete ten meeftendeel al geſchieden /
fao gehoopt ís / en de oprechte vꝛome bauchten
eenes waren Geloofs, daer op De gantſche
Scheift met alte hate Ceremonien en Sacta: — —
menten dringet / tot eenen verkeerden CnDE predikers
balfchen fin Dupden en uptleggen/ op Dat ſy die den vat-
de Wand met valſchen kallt wel placken / en ke mor leu-
dat arme valk in hare leven ende Doen Wel Zenen troo-
trooſten mogen / dat fn des Weeren Woozdt °°
wennig achten fullen. Maer Wanneer des
Weeren ſtormwind / flag-tegen en hagel-ftee:
nen meteen gedeups fuilen vallen / dan fal
de geplackede Wand omgeftooten / en ter nez
der geworpen Worden / dat men fijnen gront
fie / dat hp daer ligge, Ezech. 13. 14. Mat.7.
Us 25.
T Enderden, fchrijft Gellius als dat hetPre-
dik-Ampt in twee deelen beftaet ‚ name-
lijk, in uyerrecken „verbreken , verftooren,en
verderven : oock in planten en bouwen, &c.
roemt, hoe men hare Vruchten fo wijt, by-
fonder den eerften deel belangende;, in veele
Koninkrijken en Vorftendommen niet verfa-
ken kan : En hoede Heere Jefus Chriftus (ſo
fchrijfthy ) de oprechte boete en ware Chrifte-
lijk Geloove door haren dienft in vele herten
fo levendig geplant heeft dat dat kleyne hoop-
ken in Embden ( fo fy fegt) getrooftet , in ge-
witle verwachtinge der Hemelícher goederen ,
door de Aelmiſſe, die gegeven werden,ettelike
hondert Armen onderhout,&c.
Antwoord.
At dat eerfte Deel cenes Waren Pꝛedi⸗
a heeg / unttrecken / verbrelien / verſtoo⸗
ven enn Verderben is / en dat andere bouwen
en planten is / belkermen wy / en is cen ge⸗
wis bewijs boor ons / Dat fp de Pzedikers
miet zijn / Die ſulclien dienſt bedienen konnen.
Want hoe fin wel ſommige grove misbrunpe⸗
ken ende afgoderpen/ Die men fonder alle
Schrife ook wel met handen taften konde / dat
het geouwelen waren / ín ettelijke Steden en
Landen Gebben afgeteert / Daer. boo? Wp den
Deere ecuwig dankfeagen/ fo blijft dan nach
evenwel de grondfoppe alter verboeringe / na⸗
melijk / De valfche Veere / en die Schziftlooſe
Sacramenten / Daer mede fin De wereld wel
trooften en in dat onboetveerdig leyen ophou⸗
den / ín hare oude Wefen ongebroken en DEN
oorfpeonkt aller Godlooshend / namelijk / dat
verdorven Adamitiſche herre, Daer alle onge⸗
rechtigheyd upt voortkomt / in alten —
onver⸗
mn
— — —
Onberandert/ fa men (leyder) allenthalven aen
De openbare Bzuchten ſpeuren ende fien magh.
zzijn fin nu De waere Predikers , gelijck 1y
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 249
Antwoozd.
Se dit alfoa ín der kracht Waer Ware /
gelijctt hu fchejft/ foo maefte het aen De
voorgeven , ſoo laetfe alsdan dit eerſte Deel fn | vzuchten beent; ende daar tet werck openz
Det Kracht untboeren / namelijck / dat fn de
hoobeerdige ſtaute heeten/ de gievige onfup-
bete herten / Die bloedtſchuldige tpcannifche
herten /@&c. daer ban geſchreven ſtaet / dat fn
Des doots Weerdt zijn / met den hatden hamer
bes Goddelijcken Woorts in fluchen bzijfelen/
met Dat eeuwige Gerichte ende ſtraffe des Al⸗
Jer. 23. zo. Machtigen Gods verootmoedigen / hare Godt⸗
Kom. 3.7. foofe verdorven natuere ende vleefchh met de
firacht deg Gebods techt ontdecken / dat fin
haer felven leeren kennen / hare ſchande fien/ap
dat fp alſo met geflagenet ende weemdediger
Confcientien boo, den toekomſtigen toorn en-
de eeuwige ſtraffe des rechtveerdigen ende
Der ware, Beooten Godts; upt dat binnenfte harer Zie:
Rom, 1.32,
Predikanten Ie met vreeſe ende heben hate ſonden boeten
rechte afbre- ende afſterven / hate vleeſch cruncigen / de luz
ken ende ſten dempen / ende alfaa met gebrakkene enz
Httoeyen· De nederige herten boor haren Godt wan:
Delen magen. Siet / dat ig dat befte ende
voorneemſte unttrecken / verderven ende!
afbzecken / daer van de Schzift fpreecht/ |
Daer de rechte ende ware redikerg toc Gevoez
pen zijn.
Vaer nae lactfe fodaníge beroerde ende
berflagene Conſcientien / fulclte baetveerdige
fuchtende DSandaers / die met Petro ende |
—— 7; Magdalena in hare heeten verflagen zijn /
cs· 12. 13. woemocdighlijck Weenen / met David hare:
fchuld belennen / tot den eenigen ende eeũwi⸗
gen Genaden- ftacl Chziſtiun Jeſum vecht
wijfen / Godts ceuwige baͤrmhertighent / Lief
De / guufte ende genade / ſchriftmatighlijck
voozdzagen / met den Euangelio fijnes Deez
Des traaften / De lieflhcke berfachtende
Der warer Olpeder zeughden-tijche Beloften Chziſti /
reehee been ae Dat fcherpe bijten deg ingegoten Wijns)
wen ende in hare zeerige Wanden forghbuldelijckt ingiez
Blanten. _ fen/ op dat fp over fuicks dao? den Geloo:
te 1034 pe recht gevaet / unt de Diepe daodt harer
—— ſonden / met Chꝛziſto ín dat
nieuwe Leven aller deughden opftaen / met
ze $-5._ een baft Geloove ín reyner ongevepnsder Lief:
Corus. den /nae dat voorbeelt Cheiſit ende aller Vꝛo⸗
1 Petr.z, ar, Mmen / totaen’t eynde fonder ergerniſſe wan⸗
Delen / ende Den Heere fijner liefden dancken
mogen. Siet/faa planten ende bouwen alle
wate Pzedilers Die Door des Weeren Geeft bez
roepen / ende ín fijnen Dient geſchilit zijn.
Wijn Leſer / nemet waer / Nademael Gellius
ende de Preediliers Dan ſulcke Afbrzekers ende
Bouwers / Unttreckers ende Planters níet
zijn / foa ín der daet openbaer is: maer dat
Des Werelts Goede afbzeken / ende Dat quade bouwen / de
Predikers waerhendt met hate arge Heere unttrechen/
f brekende Ende De lenigen met hare valfche Sactamenten
ende breken ENDE runme leven planten: Soo ge onfen
dat ty billick Gzondt ende Teere onoverwwinnelijckt / als dat
dep ce fou- fp De rechte Dienacts Cheiſt ende fijne gefon:
den Boden niet zijn.
N 4 Aer dat hy fchrijft, als dat de Heere op-
„rechte Boete , ende een waerachtigh
Chriftelijck Geloove door haren dienft in ve-
le herten levendigh geplant heeft dat dat
kleyne hoopken in Embden getrooftet inde
verwachtinge der Hemelfcher goederen ,
C.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
baer wazden : Want dat Kijche Gods (feat: cor.4. ze.
Paulus ) flaet niet in Waarden / maer ur
det kracht. Niemandt roeme regen De Waer:
hendt / wu fulten eenen Kichter Linden / Loa:
Dien niets berbozgen is Niemant Weet
wat een rechtſchapen Chꝛiſtelijck gelaave en?
De ware Boete ig / Dan die fe in der waerhent
ontfangen/ ende hare kracht gefinaecht Geeft.
Plantet dan God foo eén boete in vele herten á
foa hp boozgeeft / waeromme ig dan hi / met
zijne gelijche Pzedilters / noch felve fa onbactz
veerdigh / der Maerhent fao brandt ende Wez
derſpannigh? nde in dee Vepifamer Heere
ſoo argh ende ficaffelijck + Zijn nu die gene
daet ban he bier ſpreeckt / gefint als Gu/ (dat
Wy niet hoogen ) foo beeft hp hier de Waer:
bent niet gefchzeven / 18 feecherdee Dan meu
loochenen han.
Die herten / daer ín God een oprechte boete
ende een Waerachtigh Cheiftelijck geloove
lebendiah geplant heeft / kounen infanderhent
ín deſe tijdt der openbaerder Waerhept met
lange verbozgen / noch fonder Crupce (dat de
Heplige Sciaift toefegt) blijven / al ſouden fin atth.io. 9.
ook van haer eugen Peedilieren ofte Bloedt⸗
vrienden lijden ende Berbolgt worden. Want
wanneer fo haer wate gelaave met een vecht:
ſchapen bekkenteniffe / Ieben / ende daet bez
tunghden (Dat een werck Des warten ende lez
hendigen Geloofs is) fouden fn feer haeft
erbaren / Dat fp met Chriſto haren Weere niet
lange fonder Crupce blijven / ende be zijn
fouden, Gellius befchrijbe ende berwe ook
De ſaeckie fo hp kan ende wil / dat Wooꝛdt
Chꝛiſti ig ende bljft een Woodt des Crupces
alle Die het in der kracht ende waerhendt aen
hemen/ moeten tot den felvigen berent ffaen/ 1 cor. 2.
leeren bepde de fcheift ende ervarenhepdt over:
bloediglijckt.
Dit ſelvige moefte bier nootwendighlijck
gefendt werden / op Dat niemant met eenen
balfchen roem ende waen (fo het alfa in der
waerhent niet is) getrooſt werde / op dat des
Deeren Woost cot den valſchen Pꝛopheten ge⸗
ſprooken / niet op ons kome / Daer hu feat:
Gh fegt dat leben tae den Zielen dien ghu let
niet toefeggen foudt / Dat beenght qhn met
uwe leugen te Wege bp mijne Bolcke/ dat uwe
leugen hoort. Ezech. capíctel 13. v. 19. Leeft
oolt Gere. cap. 8. Ù. 23.
Dat nu hiet en tegen fo bete met opfet ín
hare Gemepnten geleden werden / die ín fa
grooten pracht / prael / bzaſſen / ſuppen / gie⸗
righept /luften / en wercken Des bleeſchs / Ec.
moet willighlijck wandelen / vermagh eenes
waren ende trouwen Dzedikters dienft (Daer
mede God lebendigh werckt) niet / fal anders
bie Euangeliſche Schift/ende de Apoftolifche
opdeninge ende Heere gelden ende vecht zijn.
Maer ſoo bele de Aelmiſſen ende behulp
det Armen belanat / feage ick / dat het een
goet ende loffelijck werck is / ende prijfe het
ban herten ſeer: Hebben oock ſulcks bele
b2ome Wepdenfche Philofophen /gelifchk Ari.
ftoteles, Plato, &c. boo? goedt ende recht aen”
gefien. Maer dat daer inne Die oprechte ende
ware boete ſtaen foude / oft Die vechte Keer:
ne ende gront det warer an | Die eenes wa⸗
i
ren
250 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
| ven geloofs vrucht is / wederſpzeken top / dez
Matt.6.r. wijle het ſoo Wel doo? huuchelije alg dooz liefde
Luc il Ate geſchieden kan/gelijck als men aen de Schzift⸗
geleerden ende Pharizeen / aen De openbare
Hendenen /ende dock noch dagelicks aen de Pa⸗
piſten ſpeuren ende ſien magh.
Hier met ſtemt oock Paulus / ende ſeght:
Wanneer icli oackt ſchoon alle mijne goederen
Den Nemen gave/ ende liete mijn lijf verbran⸗
deu / ende hadde De liefde niet / fo wavc Get mp
níetnut/ 1 Cor, 13.3. Daerom ſie een pder
boor hem / unt Wat voornemen ende herte hy
fijn Aelmiſſen geeft: Want de liefde die upt
Godt is / ende van Godtlijclier aert is / hatet
allen roem ende hupchelije / kentfe oock niet/
weet iclt wel gewiſſe.
Wil dan Gellius de onderhoudinge ende
Dienft zijner Armen ( welclie fegge ick; loflijch
is) dan noch evenwel alg een vrucht eener wa-
rer Boeten voorftellen, fo fegge ick ten eerſten:
Of hp dan oock aen den onfen / (hoe wel fx
haet in vreemde Handen met beel armoede
kommerlijck onthouden / ende hare goederen
ten Deele berooft zijn ) derfelvigen Aelmiſſen
gebzeck vint 4 5
Waer Go-_ Cen anderen fcage ict / dewijle hn bier ban
des * een oprechte boete roemen wil, dat Ip doch De
ende ers Boete van foo cen Geloave / Die De Liefde ende
een vvare Wpeefe Gods baert / eerſtmael aenvange cnde
boete. niet van de Aelmiſſen der Armen : Aant des
Peeren eygen mondt fpreeckt / Dat de liefde De
onderhoudinge zijnder Geboden is / Jae Dat
— Gebodt is / Deut.cap.6.5. Matth.22.
ers. 36.
Deut.ro.re. · ¶ Jae mijn Leſer / ſoo hu ende De fijne de ops
enzo6. rechte wate Baete) ende Dat Ware Chꝛiſtelijck
geloove / met klaren oogen konden inſien / die
he hem laet duncken bat in haten herten lez
bendigh geplant is / och hoe hertelijck ſouden
fin hacen Godt vreeſen / boog fiju groote gunſte
ende weldaet liefhebben ende dancken / ende
hoe gantfch gewillighlijck fijn Heyligk Woordt
bolgen ende gehoorfaein zijn. Maer hae
fia hemnu woog fijn giuſte ende Liefde lief heb:
ben ende dancken / ende hoe ſy fijn Woozt hoo:
ren ende naekomen / betupgen hare open:
nn dact eude vzuchten (lepder ) al te
ele.
Waer Godes Hebben ſy nu Godt lief / ende is dat ware
ae — dadelijck Gelove met De rechtſchapen Boete
in haren herten levendigh ingeplant / gelijck
God is. hp voemt/ Waerom wandelen fp dan noch ſoo
na Hepdenſcher wijſe / in alle pzacht / pzael /
luft der oogen / gepronck ende cieringe der
Himſen / gierighent / bzaſſen / ſuppen / Ec. en
achten dat woort Pauli níet / namelijck/ So
gal.s.22. _qhpna den bleefche leeft / foo fult ghu ſterven /
Nnom.8.9. 13.
Hebben fp oock haren Naeſten lief / gelijck
de Schrift gebiedt/ ende de ware Boete mede
bzengt / waeromme woecheren ende gieren
fp dan noch fo onder den anderen * waerom⸗
me dzijven fn dan noch faa grooten ontrouwe
ander den anderen? waeromne rechten ende
Deliefde des pleptenfpt Het is immer noch allenthalven
Naeften han- Gp den fijnen/ haet / nijt / liegen / bedriegen / 3
delt niet 5
— achterklap / ende faemrooven onder Den an⸗
Die Den Heere ſoecken ende vzeeſen. Wat bit
Dan boo? een Gelove ende Baete í9/ Daer Lan
hu hier fa hooge roemt / meught gh in De bzete
uwes Gody nadencken. —
Gch mijn lieve Hefer neemt waer / dit ſal
ons ninmmermeer feplen / waer cen rechtſcha⸗
pen ware Geloobe is / Daer is oock Be gerech⸗
tighept deg Geloofs, Waer de ongevepnfde
Chziftelijche Liefde is / daer is de gehoorſaem⸗
hepdt des Heyligen woorts. Ende waer eelt
oprechte waerachtige Boete is / daer is ook cen
oubeficaffelijck leben na der waerhent / ig onz
wederfprechelijckt.
ezg het niet een valfche beweeringe / fa cen
werck der Aelmiſſen / dat men níet vecht Weet/
oft het upt cepnen ende waren herte / dan of het
upt hupchele ende pdele eere geſchiedt / boog
cen ware boete upttefchzijven/ daer hp het met
golfen handen taſtet / dat fp ten meeften deel alz
te Die Dit werck uptvichten/ enckel werelt ende
vleeſch / jac fander nieuwe Creatuere / boete
ende Wedergehoogte zijn
_ Wet ware wel goet/ dat hp behertigen
konde datter gefchzeven ſtaet De gaven det
Godtlooſen belagen den Alderhooghſten niet/
ende Die ſonden laten haer met bele Offeren
niet beefoenen. Wie ban Des Armen goes
den offert (merckt wel) Die Doet even / als
of bp den Done flachytede Loor Des Daders
oogen. Maer Godts Gebodt houden / Dat Der oprech-
is een vijche Offer. Ende fijn Gebod hoor ——
ge achten/ (merckt) dat Offer helpt Wel. Ofrer ende
Afiaten ban fonden/ is een Gods⸗- dienſt / Godsdient,
merckt) Die den Heere welgevalligh is / ende
ophouden onrecht te doen / dat is een rechte
Zoen offer Eccleſ. cap. 35. 3. Item / gehooz⸗
ſemhent (fegt Samuel) is beter dan Offer/
ende opmercken is beter dan Dat bette ban den
Rammen / 1 Vieg. cap. 15.V. 23.
DPoozder fegge ick / dat ick mu late duncſien /
dat ick het ooch wel weet / Dat Defe gemelde
Aelmiflen, daer ban hp roemt / uiet Des atmen
Weduwẽ twee mijten ofte penninkskens unt
haer nootdruft / maer alleen cen kleen broks⸗
fen van haren grooten overvloet / rijcke Dagen
ende weeiden zijn. Ja ick fegge dat vzu unt /
ende twijffele aockt niet/ foo fn hare Sijde/ Dar
maft; ende De overmate groote overvloedt har
ver Kleederen/die harer vele ín fo qvooter pracht Afsde Jon
gebzumelten / dat groote ende heerljcke Cie-de dar hy
vaet harer hupfen / hare Guldene ende Sil⸗ fyn goede-
vere Kranten / die onnutte koftelijcke hooſen / ed ——
(Gouden KHingen / kettens / verſilverde ende ende hed
vergulde fweerden / Daer toe Die voof Det El⸗ Armen ge-
lendigen / die Beel lichte Wel in ſommiger hup- —— *
fen fijn moghte / tat der Armen behoef ende ——
nootbruft wenden ſouden / wilden (beeft iclt) mach. 1.22
de armen geen geringe gebzeck ende noot lij⸗
den. Och mijn Hefer noch moet Dit evene
wel een Ware Boete ende een graat geroemt
werck ba hemzijn. Wanneer men fulcit een
roemen eens uptwendigen wercks ban ong
hoorde / hoe haeſt fauden Wp moeten hoa:
ten / Dat wp Werckhepligen Waren / enz
De Dat tap dooz onfe Verdiensten Willen faligh
ijn.
OD Heere) O lice Deere alfa wozt dat onber⸗
deren / Daer toe vloecken / ſweeren / kijven / ſtandige domme volck vaſt bedrogen ende in
bechten/ krijgen / vupten/ rooven / bp den haer onboetverdigh roeckeloos leven met een —
ſommigen oack hoereren ende Eed⸗ bzeken /ar. gewrochte werck getrooſtet. Ick mepne dat ig 6
Ick fwijge noch dat jammerlijck fchelden/ fodanige Pzedikkers wel met vecht zede pacdi
fchenden/ ende ſchantblecken over alle Die / kers/kuftenleggers/ende valſche plackers 8
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 251 IN
big Beven, Ber gefchalden wogden dewijle Antwoord. 90—
vſai. 3. d. ſu fucnen pleeſcheltzenen bolcke / na lunt des | HOds wijſe ende gebzunck is het ban den
Pzoybetichen woorts / voor boetveerdigh ende G beni vlet griet * Booz onboet / Matth.7. 16.
tligt velen, daer fp noch fo gantſch ãertſch veerdigen te verkondigen / het kan aack geen LL 6. 44.
—— — —— sijn/ gelyek haren dagelijck⸗ Dodznenboſch dewwen noch cen Doftelfteupch Hi
ſchen wandel vaar De gautſche werele opent: Dijgen dragen / fpzeecht Gods epgen mout IN
licht betupgt ende kond doet. ende wijstent, zRademacl het dan openbaer |
Mijn getrouwe Leſer / aenmerckt deg Wee» is / dat Gellius met ine gelijke Preediliers noch
cen Waart / ende neemt u ſelven wel waer / het fa aertſeh ende —ãX enk en {ende van —— Hi
is uiet alle wegen een waerachtigh € hziftelic een fo onbarmtjertigen / tpranniictjen cude lar ken fanmosr IE
geloove / noch een oprechte boete / Dat u der flerenden Geeft gedreven worden/ dat doch ey⸗ eenes Chri- Í
menſchen kinderen / Die geerne op cupme Wes gentlijch die aengeboren actt / natuere / onde felijken EIN
gen wandelen willen, baar een Wacrachtigh veucht der ouder Dlangen ig. APoe konnen LESSE 900
Beloove ende oprechte boete wel ba wijlen lee⸗ fn dan dat boetveerdige vzometeben/ endede |
terende poordragen / maer Dat heet een waer⸗ vruchtſalige barmbertige lieflijke Geeſt / aerdt EN
achtig Gelobe dat alle Waorden Gods / fo ende natuere Chriſti recht prediken / diefe INE
Ep.g.is. boetes Dzepgenden Gebods / als Den tcaoften: niet alleene niet befkennen / maer dock boog | 9—
den Euangelnum/ ban herten aerncemt / hem bupebelije ſchelden / eude aen atten Bromen KEN
pn —* als op dat speen st — woort ban herten Haten ende vpandt zijn. |
Eph. 2 8 —* dennie — Spanilig ee lpt fodani- _ Een anderen fegge ick / dat het Deede predi⸗ De ruyme
AP id 0 ECN GAVE GODS | ren ende kuffen-maecken der Geleerden (qez Leere der
Beel jag, Moemt) ſprunt De hzeefe Godts / Die De farde | lijckt alg Bier geſchiet) wel Ì nfal/ dat di Predikanten
untdzift / ende De ware lief oe) Die Dat herte ver⸗ —8
heuch luftiaf ed ae rechte boetveerdige (vreeſe ick) Wepnigh hae der Boere.
heugur/ verkftiahe, oeowiltghe/en DE in De gez | ren falter. Want hoewel het cen fo arge
— woords mlepdet/ Aoan. 14. ende tilde Werelt ig / dat men hem over ha ER
erg re overdadige groote booshendt billjck onte IER
Waer uu fo een geloobe is / dat alfaecn nieu / fetten moct / evenwel worden fp met haren —0—
— eude verandert gemoet baert/ dat | Kinderdoop / Nachtmael / Aelmiſſen ende met HN AI
alfo de ſonden affteeft/ ende Dat nieuwe leven Des Weeren verdienft / genade / Voot ende —90
natrachtet / wpt Adam in Chriſtum overſet / Bloet / van hare Pzcdikers alfoa getrooſt / dat
den ouden menſche met alle zijne wercken unt⸗ fp haer alte laten bunchen / Dat fp des heeren
teclit / ende Den nieuwen met zijne Werelten untberkooren Peplige Bemepnte / Kercke
gite naties er * / * alſo ie — ee * ende Volck zijn
welck een Den ende wercken / nar Des Herren Beeft/| @ ** * nd
wareboete, Wooꝛt / ende wegen richtet. Diet daer ig bie ent —— le bp bier ún
d * — / . Î i
ar y à Boten F ob gie ha — Fe, dar veele onter Toehoorders de Predikin 2
komt. 2 n / Ic Baptiſta / Cheiftus He er be arn |
Match, 34 fs, met alie Apoſtelen ende vꝛome Dienaren ————— — —
—— Gods — fo eentje gedgeven konnen wee Re De
trouwelijck ver: m. IE NAA Cr en ——
F * prik. kg * dch de Leſer wel aenmercke / hoe geweldigh⸗
Alle die dam Dit ele Geloobe / ende deſe ick fin de Werelt verdedigen / ende die hach⸗
De onboet- rechtſchapene Boete recht prediken / ende Antichriſti voozſtaen / deckenꝰt/ ende feggen
veerdige vzuchten Daer Wiede voortbrengen ſullen / Die of het wel ware, Ec. Daer doch die gantſche wie der vat.
ware hoeren morten feloe eerſt recht gelooven / ende ware Dumtfche Natie/ Door Die Pzedikinge hares chen Euan-
prediken. boete Daen/ig openbaerder Dan men loochenen viminen Erangeliuns / fa alfuichen wife gelihen
ka, ende Dat Gellius met fijne gelijcfte Pzedi⸗ woeſte vephende is qevaccht / foa wanneer —* fen
ters in Der Kracht ende Waerbept nach niet gez men haer in hare openbare antucht / braſſen / veel quaers
looben / noch ware boete doen / wil ick hare en-!fimgen/ pzacht / pzael / vloecken / zweeren / hooren.
gen Schriſten ende Pruchten / bende hier ende | horrachtige/ tuchtige ed
boo? den ſtoel Godts en Chꝛiſti ‚gocrachtine, ontuchtige / ende bunle moor⸗
| mn ane iciters sn hziſti laten getup- den ín allee bilichhept vermaent ende ftvaft/
q yn. ban flonden aen hooren moet / Rotgeeft ,
Lantlooper, fwermer , Hemelftormer , We-
derdoper, ende ficke onbefchepdenttijcke
Chrijft Gellius wijder ende fegt:Doch oft nu (fetse —
Die genade alreede alfoo ware, dat vele onſer toehoor- k hediwoorden en ſchanden meer.
Gods tot ders de predikinge des Heyligen Evangeliums | Wart ſo vele de Klaegreden Eſaie belangt,
— op we nij togen{fooJudasfpreektjende pees « ee rin J var en * —
odanige s Leve — * c. ĩ n
a — ———— onſchriſmatigen handel ende onbaetveerdige
veerdige herten het doen „dat wy het nimmer Heere Dechten ende op-proncken til / wil ick
meer toeftzen konnen) waer ’* dan niet de ade hem gebzacaht hebben / of oock Cheiſtus ende 7 Spadin
Klaeg - reden des Propheten Elaie gelijck , die be Apoſtelen / den genen die na Den vleeſche leef· lij is hui sch.
daer fegt: Wie gelooft onfe Predikinge « Sie den gelck volſnypers / bloeckers / woelienacrs /
Wijft oock den Ípreuck Chrifi, nani je Gierigaerts / Daeren-jagers / Ee-brclters qc.
| Hebben fs rm: Pine perse: namelijck : So lange ſy geen Ware Boete Deden / voor hare
| â ren y mijn Woorde gehouden, fo fullen Jongeren hebben aengenomen: eat hu Ja /
iel bere cer houden. Daer hy fonder ſo heeft hj tegeng alle Schrift gefvrofien:
wijder tepgen wil, (fchrijfthy) gelijck de we- | Want Paulus feat/ dat men met Die (Die haer
rel mijn Leere niet gehouden heeft,alfoo oock | Baoeders laten noemen) niet eten fal;r € * 5.
nier de uwe, Beroept hem oock opde Para- 11. Ende dat fr dat ñijclie Godts miet heir
bel van dat Vierderley Zaedt ofte Aertrijck, | ben ſullen 1 Cat.6.1r. Galat, cap.s Üs hans
Matth. cap. 13. 3.4. $. 19.20.21. Maer fege hn een / ſo drage ick wederornme!
| iz
* Wwaerom:
*
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
25% Een klare Beantwoordinge van Menno Symons , |
waerom fit haer dan Loor Jongeren aenne-| Maer de factfte ontfangen ’t in cen fijn en Dat vierde
men / dewijle fia niet Jongeren Theiſti / maer broom berte) en bzengen hate vrucht met gez Acrtijk.
na lupt fijner epgenet Wooden / van der We- | Duit : Want hoewel fp met allerlen aenvechtin⸗
reld zijn? Segt hp dan datfe fulkg niet doen (gen / benauthend/ druk / ende doods gevaer /
foo vrage ick dan noch eenmael: Waerom fa ſeer verſocht worden / zijn fp evenwel met een
dan hare kinderen Doopen / cer ſp haer Dat |Waerachtig geloove / liefde / hope; en gedult |
Een wate Nachtmael untrenlien? En niet ‘veel liever | of lijdfaembepd doo? Gods genadige hulpe alz
Chriften han de Gemeenschap der geen Die Gp vooz fo gewapent / alfa in Bodt bebeftigt / dat geen *COLS- Po
der Wereld vbꝛoom acht / met der Schaift affehept £ Wil oper der dzoeffeniſſe haer verteeren / (Want zp
gelijkeen * Gp dan ſeggen / als dat fy hem nier bekent zijn, | Goud, Silver / ende edel gefteente zjn/ ) noch
lichtinder (Dat hu dach fn genen Wege meter waer⸗ geen zweert en pijne / Vanden wege deg Hee⸗
— hepd ſeggen kan ) fo vrage ich ten laetſten / of ren afſchricken en weeren kan, Dat dan nu *
edele hn dan met Den Boom bp fijn Leucht belien⸗ ſullie Chriſtenen de gemelde parabel belangt /
nen / een Licht dat in der dupſterniſſen fchijnt en niet der werelù ende fijne Pzediliers / is bier
(ſoo doch alle ware Chriſtenen lichten in der /mede klaerder Dan men ’t wederfpgeelien of
Schrift genoemt worden ) en een Stad / Die loochenen kan. En alfo blijven Gellius ende
op eenen hoagen Berg gebouwt is / ſien han? | fijne gelijke Pzediliers deg werelds / voorſtan⸗
Mat 5. rr. berg Der ongerechtigheyd / trooſters der onz
Mengeften dan Gellius met alle Pzedikers / (bactbeerdigen / en Dicnacrs Des Rijſis Antiz
filike anboerveerdigen / die hy oock ſelve boog cheiſti / Die niet alleene haer epgen Zielen/mact
Werelds fcheldet ( fa gehoozt ig ) tegens Chat-/ oock de Zielen harer gemeenten jammerlijk
ſti en der Apostelen Heere en gebzuyk / In Die berlenden / en in hare woeſte grouwel en on?
gemeenſchap harer Werken toe laten ende dul⸗ boetbeerdig vleeſchelijck Teven tot eeuwiger
Den / moeten fs immer daer mede bekennen / | berderbinge / met Gare berdzaepde Schziften /
Dat ín alfulken geſtalte Chriſtus Kerke de we⸗ ende krachtelooſe trooſtingen ophouden ende
reld / of de Wereld Chriſtus Hecke zijn moet. booeftaen.
Dat fp de Dacvamenten / Die alieen Den boet: | Cen vijf den moet men aeumerken / welcke
vrerdigen / die haer onder Die gehoozſaemheyt | Der Pzedikanten engentlijk begeeren en ſoeken
deg Woods in die Gemeente des Heeren bez zijn ſal. Die Schaiftleert/ dat Moſes ende Ex410,
geven hebben / na der Schrife toe ge-epgent Jeremias haer Ampt en Dienſt feet Wepgerz let. 1.6.
ci behoorig 3jn/ tegen de Apoſtoliſche Lee⸗ den / Die nochtans ban Godt beroepen / en ín
ve/ Ordeninge / en Voozbeeld / oock aen Der fijnen dienft geſchikt zijn/ gelijck Jeremias
Wereld gebzunlien en untdeelen. Kadel a hem dat Krupce harde toeviel /
etbeerdiae (fa daer fannmnige zijn ) ooit Mt DIE | HEL. 20, 8.
—— onbetveevdigen daer mede |“ Dat de eerſte en laetſte ſocken aller Prophe⸗ zer ves
Philz19. mſinpten / en dat fp openbare plummfieijkers ten / Apoſtelen / ende der trouwer Dienaren pienaren
en vpanden deg heupces Chziſti zjn / die den Gods / is anders niet geweeſt / dan Dat finden Geds.
atoeten hupchelen / met et Wereldt lief ko⸗
ſen / ende (opdat bp haer gemakt blijven mo⸗
gen ) alfo deg Weeren Woord ende Oꝛdeninge
npt euckel ontrouwe / om des armen buncks
witte / opentlijck overtreden / en als krachte⸗
toos en onmoedig te ruoge fetten.
aa Stem / dat ho hem op des Weeren Parabel
bees: beroept / Wilde ick wel / Dat hp wat beter in⸗
faae / en hem fooníet daer mede bertrooften
milde / wantſe niet Den keupg-oluchtigen
* Pꝛediliers ende Dee Wereld / maer den waren
Die Parabel Hzedilers en hare Meerlingen / die onder DE
Wredzaever. Dehaosfacmtepd des Woords en Des Licupces
__ Ehriftí inder Bepzoevinge geftelt zijn / aen⸗
gaet/ gelijkt men niet alleene unt der Scheift /
Name hares Gods lupdbaer ende bekent ma⸗
ken / en haren naeſten op den Weg des beedes
wijfen mogten. Geld / gord / eere / en Dat gez
machelijk leven hebben fp niet gefacht/ maet
fp hebben haer opgelepde forgelijk Ampt dat
bp defe achteloofe lupden (Jepder ) niet gewe⸗
gen werd / met bele zware genvechtingen / el
lende / bangighepd / dzeoeffeniſſe / flagen/ar:
moed / banden / en oaclt gele met martprie en
dood moeten uotvoeren / gelijk de Schrift met
t'ſamen De Hiſtorien aen bele plaetfen betun⸗
gen en kondt doen. Maer hoe fect des We⸗
velds Prediker haven Dienft tot hier tae gez
wengert hebben / en ook noch weygeren / ent
wat fp daer in ſoelien / leert ons de H. Geeft
te ; : lo Naer EZr3-
maer ooft door de cevarenthert ín boller kracht | en De ervarentheyd fn alle klaerhend / die Dact vedo.
Gegeijven en fien kan. feat; dat fpden broormen den dood / ende Den jen, dan dat
Dateerie Want ſonmige werpen de ontfangen ende
Aertrijk. heliende waerhend te rugge / en dat ingezaep⸗
de zaed werde van deg Demelg Vogelen onge⸗
lefen / en brengt geen vrucht.
dat tweede· ¶ Sommige werden van den brand der Son⸗
nen / uruns / dzuk / en elende / zwak en moe⸗
de / verdorren ende verwellien / belwijfet met ’er
daet / dat ſy hout / en hop ffoppeleu zijn; 1E 02.3.
US 12,
—— zefls (worden ban De forge deſer werelt /
Acrtrijk. en oan de bedriegelijlie Fiijkdonnnen / en wel:
Tuft deg levens verſtikt / dat de ontfangen Be⸗
Aectrijk.
onvroomen Dat Teven toeſeggen / en dat om Orgeloos
een hand vol garfte / en om een broche broots. leven,is der
Dat fin dat verte met De wolle / melſi / en vlecſch
foeckten / haer felben en niet des Geeren ſcha⸗ rz.
gen wenden / dat fin vrede prediken / Wanneer:
menfe te eten geeft / (Dat is / Wanmeermenfe
met gelde duere beloont /) en eenen krijg toe
cuften / wanneermenſe niets ín Den mond en
werpt / Ec. Mich.4.5.
Dat díe felpige alſo De waerhend ís / Dat fh
fn den grond niet De zielen maer een onbeſorgt
gemmachelijk leven foeclten / geeft de openbare
nenteniffe in haer verſterft / en Die luft en lef de | daed getupgeniffe / Want ong leefdaae hebben
deſer Wereld de overhand neemt / gelijck nu fn
onfen tijden aen die / (als aoclt bp der eerfter
Kerlien) Die des werelds liefde met Demas
weder aengrijpen (lender) meer alg te veel gez
ſien wert.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wy het níet gefien/ datPer ergens Predilan⸗
ten woonden daer geen Benten of Leenen wa⸗
cen.
Dat ookt Gellius niet de Schapen / maer de
Menten ſoekt / heeft hp cerftdaegg met ’er *
dikanten
34.3
Des Werelts mag / is immer hare onderhoudinge geen an”
derhoudinge det trouwen Peedilteren / maer moet Worden /
redikers
even van
der verley-
dinge en
niet van
den Euan-
gelio.
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
253
wel hetungt / doen hu die van Horden verliet! | heerlijke Hupſen ende ſoo qroote Tenten hare om dar on-
daer ha met een gelijcke Beroepinge geroepen Pzedikers untdeelt / ſullen de valſche People behoorlijke
was / en hem binnen Embden daer dat Jaer⸗ | ten en verlepders wel bp groote hoopen daer be eren
lijkiſche nltamen better was / ſettede / dat dach | zijn.
De Patres voormaels in hare Concilien ende f Í
Decreten ook boor onrecht hebben aengefien/ | Turannie / Dzonlienſchap / Prael / Hupchelie/
konnen fp op hare wijſe met er Schrift verde⸗
en met den Dan geftvaft.
Wanneer ha nu de zielen fachte / en metde
Lente / gelijk eenen goeden en getouwen Her⸗
Der / naden Daorbeelde fijns Heeren Chꝛiſti /
ienaren toebehoort: Waer:
en alle trouwe
—2*
am heeft ha dan fijn eerſte beroepinge (Die na
fijn voorgeben ool maefte Godlijk zijn ) pdel
gemaelit? En heeft de eerſte Schapen verla⸗
ten / Die niet wenniger met Des Heeren doodt
verloſt en wet fijn dierbaer Bloed gekocht
waren / als deſe lefte / Die ha nu heeft? DO
hunchelie / en vleeſches delsfel.
Tem , dat Gellius van de onderhoudinge
der Predikanten aenteekent, op welke wij-
fe haer de Gemeynte (daer van die Overheydt
een deel is foo hy ſchrijft) verforgt en nood-
druft befchikt , haer gantſch weynigh bekom-
mert, fo het genoeg feker en gewisis , dewij-
le fy den Euangelio dienen (alfo {chrijft hy) dat
fy haer oock van den Euangelio geneeren , en
daer van leven fullen „tekent aen, Mat. 10. 10.
Lu.ro.7. xTim.5.18.
Antwoord.
So Gellius ende De Pzedikers ſoodanige
Arbenders waren / gelijk in deſe agengeto⸗
gen Capittelen gemeld Word / fo is het open:
baer / dat haer de noodwendige onderhoudin⸗
ge Yan den Euangelio toekomt en belooft is.
Maer fa hem eener in eenen dienſt begeeft Die
fijneg Weeren goed onnuttelijkk toebraghte en
Al
digen / alſo oock hare onbehoozlijcke ſchendi⸗
ge bunk dienſt ende ſozgeloos leven / dat de
domme blinde Weereldt mepynt dat recht
Czech. 13. ro. Pzopheten Jeſabels / Dig van
haer Tafel eten/ 3 eq. 18.20. Diengers
en Pandhavers Maoſum / die met groote goe⸗
deren ban Antiocho (dat is / Lan Antichrifto)
vergert Werden / Bam. 12.1. Achabiters / 3Rez:är. 14°
Die om den luft des Ackers Den broomen Har
both ſteenigen / dat is / xaed en oogfaclte daer
toe geben met wooden / fchuften / achter:
klappinge / aenklachte / ‘wille of bewillinge /
menig onfchuldig vroom kint Godts m den
dood bzengen. Item / Jeroboams Prieftez
cen / díe haer boor geld of jaerljkſche guldens
verhuuren tegens dat exempel Chziſti in allee
fijner H. Apoſtelen / tat eenen openbaren ons:
boetbeerdigen / enderhalben aller Euangeli⸗
berſtroÿde / hy ware ontrouw / en fochte hem f
felven in allen Dingen / Dede oock mede alles
Wat fijneg Heeren Wille / nutte / en eere con⸗
travie ware) behoorde ook ſulſien ontrouwen
Merktwel Dienaer ſulit een loon of onderhoudinge / gez
wat hier ge. lijſi den getrouwen en vlijtigen Arbepders bil⸗
feyewort. ijlt toekomt * Gls denke qu ſult neen fegaen /
maer Dat hem Geel meet fijns Heeren ongena⸗
De ende fivaffe ontmeeten ſal / gelijk de Veere
fprecht / / wanneer De Heere des Wijn⸗Bergs
Komen fal / wat fal hy Befen IDijngaerdenierg
doen * Su ſpraecken: Malos malè perdet
vineam ſuam aliis locabit Agricolis. Mat. 21.
41.
Det den oprechten en getrouwen Diena
fcher Schrift en Poozbeeld anfannlijckt Uerc⸗
ken-dienſt / die ín allen Dingen ſonder kracht
en Godlijke werr kinge / founder beteringe en
Nieuwe Creature gepleegt werdt/ ſoo men
opentlijſt fien mag / Daer van haren Dienſt
een ſirachteloos werk en na apen/ Daer toe
een onbetamelijche Cremerie ín der daed ges
peuet wert.
Och hoe klaerlijtt heeftfe de W. Geeft boor
onfen oogen (fan maer fien wilden ) afgez
maelt / daer hy ſpreeckt: Sp fullen met ges
machte Waarden door gievighepd gewin Lau
u heden foeken 2 Pet. 2.
nen ceren fn omme des profijts Wille / Gude,
16. En ſullke ſpreucken meer. Want dat ſu
dat onbehooꝛlijli gewin enn gemackeljk Aue le⸗
Ben van der Jengt aen geſoeht Hebben / en oolt
noch ſoeken / is fo openbaer / dat menꝰt gantſch
niet loochenen kan.
Daer benevens zijn ooch hare Weenen ende rs aer Predtt
goederen / door de behendige tupſſcherije / too⸗ kanten on⸗
berſche dieverije / en Geeſteljſie rooverije / van derhou-
3. Item de Perſo⸗
ren onderhoudinge ín der Schrift belooft is / den Antichziſto eerſtdaegs ingeflickt / en wor⸗
belennen wy. Maer dewyle Gellius en fijne Den haer noch dagelijcks oock van fuodanige
gelijke Pzediliers ontrot
Die hares Heeren goed on
vase Arbenders zijn / |
zengen / fijn gewin |
|
lunden gegeben/ Die op rupme wegen ſonder
alle boete Wandelen / ende tot des Heeren
fielen ſijne Schapen verſtronen / eu niet verz Heplige Woord (lepder) Wepnig luft heb⸗
famelen / fijne haftelijke dierbare Clenodien / ben.
namelijk / de arme elendige Zielen fonder alle |
zeeft en fchzoomen by hoopen ( lepder) na der
Sn huychelen en lief kofen met den Over⸗
heeren en Grooten / fp trooften den onboet⸗
Wellen te voeren / gelifcht eern ware Weder-ge-, veerdigen /en bervolgen den Godyruchtigen /
borene met deg Weeren Woord / wat getupges ſy bervalfchen Cheiſti klare Wood Sacra⸗
niffe Der openbare wercken richten ende fien menten / en Gedinantie / daer mede de Ges
meynte ín Cheiſto verſamelt en onderhouden
fin prediken als De Werelt geerz
een onbehaoglijkt fchendíg gewin / cen onbe: ne hebben en hooren wil / op Dat fp dat bloed⸗
tamelfffte byaodneeringe / en cen loon der ger: | loon Der Armen en ellendiger Zielen / dat fja
lende Zielen / moeten alle rechtverſtandige be⸗ met fa grooten vlijt ſoeken / onder eenen ſchjn
Kennen ende taeftaen. Och. mijn getrouwe. Des Euangeliums met eeren beekeijgen / ín
Hefer / denket na/ ſo lange de Wereld ſuleke vzede beſitten / en goede vee Daer bp heb:
13
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ben
N diker
le KUetterie / Derlepdinge / Afgoderie / en z
D.
Maer (kk betupge’t openbaer / ili betungeꝰt Num.22- 24e
en zwijge niet / dat des Werelds Pzediterg et2.56.
alle met den anderen Balamiten zijn Die daer NVum. 33.
lief hebben dat loon der ougerechtighend / en
am een hand vol Garſten en zen fluks broods
dienen / daer mede fp Gads Fame onthenligen /
inge.
De Leeracrs
der eerfter
Kerken.
Mat. ro. 10.
aTim, 5-19.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
254
ben magen. Noch trooſten ſy haer evenwel
Dat fp Dat Euangelium bedienen / en derhal⸗
ben oock ban den Euangelio leven ſullen.
iet / fo konnen fp alle valfche ſaecken cude
werk met’er Schzift cen gedaente / en alle
hunchelije eenen ſchaonen ſchijn makken. Mijn
getrouwe Hefer / ict waerſchouwe u ín rey⸗
mer liefden / neemt het waer. Noch eenmael
ſegge ich u: De oprechte en getrouwe Die⸗
naven € haiftí hebben ban alfulke Jaerlijliſche
Lenten en goederen in de Apoſtoliſche lerc⸗
he uiet geweten / maer fp heben ten meez
flendeel haer engen G2ood met harer engen
handen arbendt verworven / ebenwelde Gez
mepnte Chꝛiſti gedient / en met een onbeſtraf⸗
felijke Weere en leven ín aller liefden ende oot⸗
moedighepd boor gegaen. Sp hebben aber
des Meeren Duns / Stad / en Wijnberg blij
tiglijckk gewaecht/ alle quade bertendifche
Geeften met Des Heeren Woord afge weert Die
ongcogdineerde hebben fp bermaent/ Die be⸗
Dzoefde getrooft / De overtreders befteaft / die
ongefjoorfame en wederfpannige afgeſondert /
haven dienft redelijſien uptgeboert / de werelt
hebben fp de werelt laten blijven/en hebben dat
Vrupee vander Wereld geduldelijk gedragen,
haer matiglijſi beholpen / en Wat haer meet tat
Der nooddeuft Diende/ hebben fn niet ban det
Wereld / maer met eenvoudighend / fader
alle gierighend en luft des fchandelijcken ge-
wins / unt der Godvoruchtigen Jongeren
hand ontfangen / want de Schrift haer ſulls
bewilligde cn bon liet/ fo boven eemmnael ver⸗
haelt ig: Want fn wepden De Schapen vecht /
fn planteden den Wijnberg trouwelijtt / fn bez
atbepden den Acker des Heeren blijciglijch /
ende braghten de Garten ende Weuchten ín
hates Weeren ſchuuren / gelijck Der Prophe⸗
ten en Der Apoſtelen Voorbeeld aenwijft/ en
Des Heeren Geeft en Wood allen getrouwen
dienaren beveelt en oplegt.
Wil dan alie nmjne Waarden Lan die Wez
roepinge der Prediſianten hier mede beflupten/
en fegge alfaa: J2ademacl de Schzift eert /
als dat de Dienaers des Wepligen Woords
uilen ozdentlijcht geraepen Werden / Bet za
an ban den Heers felve / of Door middel
der Godbeuchtigen / ſoo verhaelt is / dat fn |D
ſullen onſtraffelijtt zijn/ Dat Mm des Veeren
Gemepnte cecht regeren / en blijvende vrucht
brengen fullen / untroeyen ende bouwen ſul⸗
Ten / niet dat onbehoozlijck gewin / mact
des Veeren prijs ende hares Naeſten Daz
lighend van herten facclten fallen / Ac. En-
De Wa met oogen ſien / ende met Ganden
taften / Dat ſo (lender) alle met den andes
ren ban alſulckke lupyden geroepen Werden /
dien wp wel Wilden wenſchen / dat fp Chꝛi⸗
fli Geeft hadden. Item / Dat fm felve ín
allen Dingen beſtraffelijck zijn / Want fn ee⸗
neg onbarmhertigen ende Tyranniſchen gez
moeds / ende eenes aertſchen Vleefchelffchen
wandels zijn: Dat ſy Dat Euangelium ver⸗
leeren / ende niet vecht in Der kracht ende
ware boete leeren / de Sacramenten onrecht
gebrimclien / ſonder Kracht / Geeſt / ende
beteringe / ende. dien Die geen Kongeren
Chꝛiſti zijn uptdeylen / Dat volck beelen:
den / geene blijvende vruchten brengen / dat
booſe planten / ende dat goede mtroepen:
Friet engentlijckt Gods Gere ende Pzrijs/
maer haet engen profijt / gierighendt Wez
Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
velds gunſte / gemackelijk leven / ende lunt
dagen foehen) (haerder. aller Keere / Daz
cramenten / VPeuchten ende Leven / Tact ick
bes getupgen zijn /) fegge ick met een goe⸗
de lidare bekenteniſſe / dat fp geen beroepen ver;
Peedilierg ende Diengers der Gemeten Mat.7-15.
Chꝛiſti zijn/ Die wp na lupdt der Scheift / 3304*
foo fp boorgeven/ hooren / acnnemen ende z.g.
volgen fullen / maer openbare Wunckt-pge: rri.s.4.
Dikkers ende Dienaers Antichziſti zijn / booz ꝛ loa-r.re.
welcken Wp allenthalven in des Weeren
Wooꝛzdt gewaerſchouwt worden / dat wa
haer of harte Veere niet hooren / maer
als Derlepders/ Dalfche Propheten / boo⸗
fe Menschen / ende tcoutweloofe Arbep—
— beemden / vlieden ende ſchouwen
uilen,
Jae mijn Teſer / Wat willen fp doch vele
feggen/ ende ober hare Beroepinge/ Pez
Diclkt-ampt / en Merken -dienft houdent Het
is doch in ſumma na de onbedziegelijche bez
loften en Pzophecijen Clziftien dee Prophe⸗
ten niet mogelijk / Dat een recht / waerach⸗
tig / ende getrouwe Pzedilier/ / Getunge of
Leeraer / brfander nein Defe tegenwoordige
boofe tijdt/ en alder archſte tprannifche we⸗
reld Dat Euangelium Jeſu Chiiſti en die
Godlijke waerhepdrecht/ ſonder alle genſien
der Perſoonen / termen onvervalſcht in Wees Die de waer-
ce en LTeven met alle trouwe lceren en Ger beyt predike
tupgen ſoude / en ſoude niet daerom verdze⸗ Vor bie)
ven verjaegt / verſchreben of gedood Werden : berouw.
noch heel Wepniger ín fijn gemack (fo defe
doen) op Woonen/ en fonder berbolginge
ſelier fitten blijven / ja bpder Wereld groot
Jaergeld daer ban hebben / ende hooge bu
* pegelijck ge - eert ende gepzeſen Wor
en.
ien dooz-leefe De gantſche IJ. Schꝛift / en De ware
fie vlijtig toe / of ook Thriſts / met fijnen hep- Predikers
ligen %poftelen/ en alle fijne ware getupgen senbeginne
en trouwe navolgers / fulkkg wedervaren / en ten meeften-
ergens gegeven is : Of hen niet allenthalven deel alle
vervolginge Uruns / Elende / Bangigbent/ en tongen
gevanckeniffe/ cn dood toegefende / ende ten N
meeftendeel bejegent ís, Weert ooch Dat ſel⸗
bige de ervarenthept nach alle dage overvloe⸗
ig.
Wanneer het Dan Die Peediliers met ha⸗
ren Docu nul Fecht maechten/ ín díe boete
ſtappen Cheiſti ende fijner Apoftclen recht
wandelden / recht leerden ende handelden /
gelijck fa voorgeben / Dat fn doen / fo moe⸗
fie de gantſche Heylige Selift onrecht /
dat Woordt Des Urmces ge-enmdiat/ ende
Chꝛiſtus met fijne Prophecijen onwaerach⸗
tig zijn / is onwederfpzchelijk.
Is derhalven (Lender) alte hare beroe⸗
minge ende behendig boortbrengen ban ha⸗
(ve Beroepinge/ Predick ampt Heere! err
ſtercken dienſt met have Perantwoozdin⸗
qe fn den grondt Onrecht / Hietig / Hup⸗
chelſch / ín der daet ongelijk / ende ſouder
alle Waerhepdt : Want fm foectken vooz Lhil-227-
ende nae haer ſelven / ende niet Cheiſtum:
haer cpgen gemaks / en níet Die falighent ha⸗
ves naeften: Sp zijn Vpanden dee Urup⸗
ccs Chaífti / fn Dienen haren Bupck/ Ec.
Want Wanneer fp alle Godtlooshepdt / Af
goderpe/ misbrunk / hoogmoed; pracht, vrael/
hunchelye / en ontrottwe defer Wereld / fandet
alle acnfien der Perſoonen bende van hoogen
en
Rom. 16 17-
Phil.3-19-
— —
Num.16.3.
Ex.26.4.
Mat 11.9.
loa ro.8.
Act.ið.ꝛi.
Der vromen c. Siet / ſod is De Sendinge der trouwen
ſendinge is
—— lands felve (hoewel met fa overdadige qronte
ſtert
anders / vrnmoediglijk voortvoeren :
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 255
een nederigen ſtaet vecht ſtraften / met ſullter/ wy niet van een Gemeente Gods, maer van val-
eruſt / puer / heete / gemoed / Ec, Belijcit | che Propheten , of van een quade Gemeente
als Chriſtus met fijn Henlige Apoſtelen eude | ouden beroepen zijn , wil ick den Leeſer hiet
trouwe Getupgen gedaen hebben / ende níet | ín t korte vermaent heben / dat hp met der
ooclt fo | Schrift wel aenmerke/ wie / hoe / en Wat de
gautfch eenen groũwel aen alle Des Werelds | Gemeente Gods sp / dat fp niet een verſame⸗
ougerechtighend hadden / gelijck fp gehadt linge der hooveerdigen/ gierigen / woecke⸗
hebben / fauden fp níet lange in haer gemac⸗ raers / pralers /dzankraerg / en onboetveerdi-
kelijkleven/ en wel gebouwde Hunſen blij | gen / gelijk de Gemeenten der wereld zijn/daet ra Ge—
ben / niet veel Menten invoeren / eñ wepnig | ban de Geleerde beeoepen werden ; inact ech morres
aenfieng meet bp Defe roekelooſe wilde wereld | derſamelinge ofte Gemeente der Hepligen í£ / een verfa-
hebben ende houden/ weet ickt wel gewif gelijk de Heplige Schrift / en Dat Nifentifche ——
felijk. Symbolum ‚ín grooter hlaechepd teeven ende STSTASE
Maer nu moeten fi het anders makten/dat
liondt doen / namelijk Die / Dic door den wa⸗
kleed (fo men ſpzeektt) na den Man paffen / cen Gelaove aen Cheiſtum Jeſum tot nieuwe
en allenthalven fa leeren ende handelen / dat |
[ menfchen unt Godt geboren zijn / en Bodiij-
men haer lijden ende dulden kan/ en des Wez | ker gecdt zijn / Die haer ztwacheleven na des
relos bzienden zijn mogen / Daer mede ſy ín
4 Heeren Geeft / Woozd ende Boorbeeld geene
haten gemalt onvervolgt ſitten / ende goede ſchicken willen / Die van des Weeren Geeft gez
Dagen hebben mogen / dat is boor allen ken⸗ |
e dzeven worden / en om dat Yicupee harers Hee⸗
nelijk en openbaer / en is een gewis bewijs en | cen Chꝛiſti duldelijck te dragen gewillig en bee
ſelier teecken Dat hare Sendinge of Beroe: | vent ffaen.
pinge / mitsgaders hare Weere ende Werken:
JE / Siet mijn Hefer / foodanige Gemeenten
dienſt in alle Dingen fonder Gods opdeninge /| Waren ’t/ die de Apoſtelen en de getrouwe die:
Geeft! en Woozd zijn / fo gehoort is.
| i naren Chꝛeiſto wonnen / en met fijn Geeft en
Hier mede heeft nu Gellius op deſen Artijc⸗
Woorꝛd bpwoegden / De Schrift kent ooch gez
Kel ban de Beroepinge fijn Antwoord. Gel nen anderen ceuwiglijk. Upt de felvige cnde
Wilde hem en alle Pzedilers wel gebeden Hel- | van De ſelvige hebbenfe de bzome en onbeſtraf⸗
ben / dat ſp het doch ín Die bzeefe hates Gods | felijctte Herders en Teeraers met vaften ende
een wepnig wilden nadenlien: Want koo? de bidden tot Des Weeren Dienft berkoren ende bez
bperblammige oogen des Meeren / die Pemel roepen / ende hiet Lan der Wereld/ fa gez
en Verde Dooeftvaten / fal dat onrecht niet ver⸗ hoogt is.
borgen blijven) hoe behendig men Dat oolt boo? | Dadernacl dan des Werelds Pꝛeedilers met
Menſchen oogen en ooren beleggen / en met | pare Gemeenten / die Gemeente Chrifi niet
gefmuchte ſchoone ſpreucken op proncken en | en zijn / maer faodanige Prediters ende Ber
bercieven lian. —— zijn / bie * binnen en ban bunten /
… met berte / mond en werk ban Der werelt zijn
N* defen komt nu óok Gelliusen beftrijd | f openbacr ig / en Die barinhertige ———
onſe Beroepinge, ende fegt: Willen wy | ve nu ín def laetſte tijd alter geouwelen fo beel
onfe Predikanten of Leeraers dit Woord toe- | trouwe heeten unt alle oufchziftmatige Sec:
geven „als die daer heeten fullen , dat fy vrucht | ten/ grooten kleyn / vpt bele Dolken en ton⸗ pe gantſche
doen , foo moeten fy eerft van een gemeente | gen door fijn Geeft en Woozd ín eenerlen Gez Werelt wort
Gods, en niet van een verfamelinge „die door | faotve genadiglijk ce famen boegt/ Die der gant- Soer de Ge-
vaifche Propheten verleydtis, recht beroepen | fchec Wereld / Geeren en Borften/ den Gee nose ver.
Zijn, en in topenbaer treden, en Prediken , | leerden en ongeleerden / Mannen en Prou⸗ maent.
of haer meter daed leeren ({egt hy ) dat Chri- | wen / tot vermaninge eener warer Boete / met ret kar
ftus onrecht gedaen hebbe, die niet veel liever | Heere / leen / goed en bloed geftelt werden / * “> i6.
in 'cheymelijk , om dat Kruyce te mijden (ge- | jaealscèn Licht op den Kandelaer / De ſelvi⸗
lijk hy fegt dat wy doen) alsin’topenbaerge- | qe moeten Des Heeren Gemeynte / Herck ea
predikt heeft, &c. Doll zijn/ of Gods ware Wood (Dat Die roan.
waerhend is) moeſte onecht en valſch zijn. Hie: merke
En nu ſommnige unt Die felbige en ban De ſelbi⸗ hoe de rech-
ge / met vele tranen / ſozge / vaften / en bid- tS Predikers
Den / na den Voorbeeld en Der Heere der Wpae werden,
ftolifchec Berken verkieſt / en met opleggin⸗
ge Det handen in Des Veeren Dienft (hoewel
der Wereld onbekent) gefchikt werden / mo⸗
gen alle vechtberftandige met dee Schzift nu
vichten en inſien / of nietfoa een Beroepinge
Chziftug jeſus moefte een Wijnſiwper Gods. | of Derktefinge deg Heeren Woord gematigt
Laſteraer / ende een — beſetene zijn. — —— * * a oa ej —
| Dproe nverloopen? | ? den Deere ende fijn Gemer
Paulus cen Oproerder ⸗ ben Jode 3 Godtlijck / Heplig / ende vecht beſtaen
an.
Wijder {8 tp ook wel belient / hoe de Pre⸗
wonderen belirachtigt) in haten tijden dock dikanten den eenboudigen innners voorgeben/
veracht: Woe veel te meer Dan De onſe / on | gelijkt ook Gellius fchrijven (wanneermen ’t Dit fehrise
Die ſullie geringe en zwacke werktupgen zijn / vecht waerneemt) ten Deele medebzengt / als ije ve nood,
en wel ín ſebeñ Dubbelt arger en booſer werelt, dat ick mijn Geloove, Leere , en Beroepinge om der Ge-
(als fp waren)nu gevackt zijn. van een verleydifche, oproerige en verdorven —— on-
%engefien top dan van onſe Wedernartien / Sette, Daer Doop ( gelijk hn fchzijft Godt de weren B
den Geleerden) alveede gefcholden Worden / dat eere fijn Herle te Deteren nu onderftaen my in delen
heeft /
Antwoord.
Deedinge of Beroepinge Moſis / Chri⸗
ſti / Pauli / der Apoſtelen/ en Pzophe⸗
ten / mogte ook Van deu berkeerden niet onz
gelaftert blijven. Moſres moefte haaren dat
bn deg Veeren Volk gedood hadde / ende dat
huſe daerom ín De Woeftijne hadde ingevoert /
dat ſp Ban honnner en ellende ſterven ſouden.
Dienaren Gods / ja ook deg Heeren en Hep⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
256 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
aenwenden, heeft / fouden ontfangen hebbén, wozde ick
en onfchul- noodwendiglijk gedzangen en veroozſaelit den
tijden meer handel ín’ kopte aen te teltenen/ Die ich au”
ders modeftize caufa wel geeene zwijgen wilz
de / namelijß / hoe (lk in't beginfel tot be beken:
teniffe mijns Heeren en Heplands Chꝛiſti / en
bolgende dock onweerdigh in fijnen dienſt gez
komen beu / en bidde hier mede alle mijne Te⸗
fers om Gods wille/ dat fin doch op deſe mijne
aentreckinge wel acht heben / en mp het niet
beclieeten / noch tot eenen pdelen roem dup⸗
Den willen / Dat ikk dit felvige hier alſo aentees
liene / want Dic eere mijnes Gods / ende die
lief De ſijner Gemepnten dringen mp. Een
pòer richte mp / fa hem gelieft: Die mp ge
Schapen / ende ban die berwachtinge mijner
branden dooz fijn Genade tat op deſen dagh
berloft heeft kent mp/ die weet het / wat ik
in defen (eben foekke/en wat ilk ten meeften fage
en natrachte. vies hg
Wijn Hefer / de Waerhend ſchrijve ick u in
Chꝛiſto / en liege niet. Het is gefchied mij-
nes ouderdoms Anna 1524. Dat ick mp in
mijns Daders Dorp Pinningum genaemt/{n
der Papen Dienft begeven hadde / Daer oock
twee andere mijnes gelijken Ouders met mp
ín geliffken Dienft ſtonden / Die cene Was mijn
Paftaor ten Deele wel geleert/ en De tweede
wasnamp. Deſe bepde haddende Schzift
eengdeels wat geleefen / maer ick hadfe mijn
leefdage niet gevoert / Want ick vzeesde / wan⸗
neer ickſe laſe cht foude berlept werden. Siet /
Pinningum.
|__ @aer na ig het geſchied / cev ick mijn teef:
(dage ban eenigen Broederen haazde / dat zen
Godozuchtig vroom heldt Siecke Snijder ge⸗
noemt / tat Leeuwaerden worde afgehouwen /
om Dat bp fijnen Doop bernieuwt hadde.
et lunde mp feet wonderlik ín mijnen ooten/
bat meu ban eenen anderen Daop ſprak. lt
onderfacht de Schaft met blijdt / en dachteſe
met ernfte na / maer konde van Denn Rinder⸗
boop geen bericht binden.
Doen ich dit nu merchte /. hebbe ick met
mijn voornoemden Paftoor tfamenfpzekinge
ban Dier faechen gehouden / in na bele woor⸗
den foo vezre gebzoght / dat hp moeſte beken:
nen / Dat den kinderdoop ín der Dchyzift gez
nen gronden hadde. Noch Doyfte ick even:
| wel mijn berftand fo niet bertrouwen/ maer
hebbe ban ſommige eude Schzibenten raedt
gebzaegt/Die leerden mp/ dar de Kinderen daer Der Guden
mede van hare erflonden moeften gewaflchen Seen
worden, Ik hield et breder Schrift / ende aen Kinder
meuh / Dat het tegens Chaiftus Bloedt door.
pare.
Vaer na ginkt ick tot Lutheram , en wil⸗ Lutheru⸗
de geerne grond Weten / die leerde mp/ dat den Kinder-
men de kinderen op haer eygen Geloove doo- doop.
pen foude. Ick ſag oock/ dat het Godts
Wooꝛd niet gelijk Was.
Cen derden / tat Bucerum , Die lceede mp / Bucerus lee-
datmen{e daerom Doopen foude, op datmen= je jn den
Bee d Pp
fe deste vlijtiger waerneme ; en in des Heeren
wegen optoge, fag asch Dat het genen boet
faa een dommen Pꝛedilier was ick ontrent den | hadde
tijd ban twee Garen.
Mijnbe- nt eerſte Haer iel mp een gedachte vooz /
ee fo menigmael it met den bzood en Wijn ín der
penbroor Miſſen handelde/ dat het niet deg Weeren
enwijnof Dleefchhen bloed ware. Gt mepnde/ dat het
es * mp de Dupvbel voordroeg / op dat hemp ban
bloed ware, min -gelaove dingen foude.
lk biechtede het menigmael/ ſuchtede en
badt / konde evenwel Lan die gedachten niet
gebeijt worden.
— Deſe twee gemelde jonge Mannen en ick
hebben onſe dagelijkfchen wandel met ſpeclen/
grootc blint- drincken ende tijdkorztingen / in alle pdelhent
heydin’t gevoert met den anderen / gelijkt (Tender) ful-
Pausdomn. fier vruchtelooſe iuwden maniere en aerd ís.
Ende Wanneer Wp dan een Wepnig Lan der
Schrift handelen ſouden / hande ick niet cen
Wooꝛd onbefpot met haet ſpzeelien / Want ilt
wiſte gantfclh niet wat ick mepnde / foo gez
flaoten lag Gods Woozdt boor mijn oo:
gen,
lt dachte tenlaetften / dat ickt dat Nieu⸗
We Teftament eenmael met blijt onderfoelten
wilde / ick quam niet vezre Daer ín / íclt faq
haeft dat wp bedrogen Waren / en mijn belfkamz
Mijn entlof- terde Confctentie ober Det voornoemden bzoz
finge over De / worde ban de bekommerniſſe oock fonder
den voorler= gite aen wijfinge haeft antloft : Nochtans foo:
‘gele ban Luthero geholpen, dat menfchen
geboden ten eeuwigen doede niet verbinden
konden.
Mijn toene- Icke ginck door des Heeren verlichtinge en
Aenvank
mijns lefens.
minge inder Genade voort (n die Belkenteniffe der Schaift | d
Schrift,
ban dage tot dage / en worde haeft ban foam
Dienft en middel det berle
Cen bierden/ tot Bullingerum , die wijsde Bullingerus
my, op dat Verbond en de Befnijdinge, ban se, Kindes-
Deggelijcken Dat het na der Schzift niet bez doop.
ſtaen konde.
Doen ick nu allenthalbenmerkte/ Dat Die Nin ver:
Schaibenten fo wijde in den grond gedeelt … gen
ſtonden / en een pegelijkk fijn beenuft volgde / Kinderdoop.
doen fag ick openbaerlijkk/ dat wp met den
Kinderdoop bedzogen waren.
Een wennig tijds daer na/ ben ick ín een Wiemarfum.
ander Dorp gekoren /Witmarfum genoemt/ Wat des we-
Daer ín ich geboren ben/ en upt luft Des gez kers oeken,
wins / en begeerte eenes grooteren Naeins Leere „leven
daer henen getogen. Hebbe daer bele fonder EP vruchten
Geeft en Wiefde van des Weeren Wood gez ven meeten
ſprolien / gelijk alle hupchelaerg doen/mijneg aen mijn ſei-
gelijke Jongeren daer mede gebaett / name⸗ ven eeft ge
lijch/ poele Noemers / Uchtveerdige Alape weibct.
pers / en Die Der ſaeken / gelijck alg ick felve
(lender) wennig acht hadden.
En hoewel ick wel bele vpt der Scheift be⸗
Kennen konde / fo heh felt evenwel de felvige
Belienteniſſe met mijne Jeugdelijke luſten in
een onvepn bleefchelijkt leben fonder alle beucht
berteert / en fochte niet Dan gewin/ gemactt/
meufchen gumfte /„heerlijkkhepd / naem en eere /
gelijck fp gemeenlijck alle doen / die ap gelijck
een Schip varen. ee,
Siet / mijn Leſer / fo hel ik Die bekenteniſſe /
bepde ban den Paap en Nachtmael / daor die
berlichtínge des ergen Geeſts / met heel
leſen en nadenlien der Schrift/upt Gods gena⸗
ige gunſte en gade roteren niet doo? dert
pdiſchen Secten / ge:
migen (hoewel met onrecht) voor een Euan⸗ lijch men mp na geeft. Ick hoope dat ickt die
gelifch Predilier geroemt / een nde fochte en | Waethend fcheijve/en genen pdelen roem foeke.
wilde mp / want de Wereld hadde my dief /en | Doch
och foo mp eenige menfchen moghten pets
fl De werelt / noch moefte ’t heeten dat kSodg Wat Daer toe gevordert hebben / wil in den Hee⸗
Woord Pꝛedilite /en een fijn Nan ware.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
te eeuwig Dank ſeggen. ,
: Mid⸗
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
Middelaer tijt begaf hethem/ doen iſt on⸗ niffe níet begebe / der Geleerden Huychelhe /
trent een Jaer aldaer gewoont hadde / dat jen Dat onbaetveerdig bleefthelijkk leven / ende
bart ettelijke met Det Doope nbzacken/ maer |haer berkeerden Doop / Hachtmaei en vai-
257
ban waer Die eerſte aenvangers guamen / of |
te huns behoorden / en wie fn engeutlijkk wa⸗
ten / 18 mp noch tot op defer waren ondchent
mijn leefdage níet gez
geweeſt / hebſe aack
fchen Gods-dienſt / met des Geeren Wooꝛd
nae mijn geringe gave niet beſtraffe / den
rechten grond der waerhend om de vreeſe mij⸗
nes vleeſchs niet ontdecke / Die onnooſele
Der Mun- fi. dwalende Schapen/ die fa geerne vecht doen
fterfchen Is bolgende Die Secte van Munſter aen: |fouden / Wanneer ſy maer Dac vecht wiften /
aenvank.
gebrooken / Door welcke vele vzoame heeten niet tot die vechte Wende Chꝛiſti/ foo bele
oock aen ons quartier bedragen Worden.
dijn ziele was in grooter droef hent want
tek merchte Datfe pherden / maer nochtans
in der Leere fenlden! Zoelum videbam, fed
non fcientiam. Ick hebbe my met mijn gez
tinge Gabe daer tegen geftelt/ miet peedikken
en vermanen / foa bele als fn vn was/ttuce-
mael met een ban hare Voozſtanders gez
in mp is / wijfe/ och hae Wit dat vergoten
‚Bloed (hoewel in msgrijpinge gefchieg ) in
‚Dat gerichte deg Almachtigen eude grooten
(Gods tegens uaecutrveden ; ende over warme
Ellendige ziele poor uwen Godt dat vecht unt⸗
ſpreken.
Mun heete ín mijnen lijve't ſitterde mp / Mijns hetten
hebbe mijnen Godt met ſuchten en tranen gez
verande-
handelt / eenmael hepmelijctt / ende eeumael ‚beden / Dat hu mp bedroefde Sondaer de gar TPE
openbaer. Maer mijn. beemaninge en vor⸗
‚be fijner Benaden geben wilde, cen vern her⸗
dom,
derde niet) Deijle ick noch ſelve dede/ dat ilk /te in ma fcheppen wite / nijn ouvenue gans
wel bekende Dat wiet recht en was. ‚gen ende pdele runme leven / daag ve berdienz
beerecone het geruchte is wijde untgebzendt / dat (fe [le des rooden Bloeds Ehufti, genadigljck
haeropmy De mond fijn ſtoppen konde / fp beriepen haer |bergeben wilde / mec wisent / Geeft; vage
beriepen, alle op nm / wie / en haefin Waren / ick ſagh moedighend / en met een mannelijk gemoed bez
dede my wel hao? mijnen oogen / dat ik der onboetveerde fchenken varlde/ dat ikt fijnen aenuedelijken ho⸗
nadenken. gen Doorbechtee en Borcht was/ die haer ‚gen naem en 4eplige Woorzd onvervaſſeht pzez
alle op map berlieten / dat mp in mijner hers dilzen / en fijn waerhept tot fijnen prijfe aen den
ten geen geringe flag gaf / fuchtede en badt / dag beengen mogte.
deere helpt mp/ dat ick doch ander tunden, Acht hebbe begonnen ín des Weeren Daz
fonde niet op mp lade. me Dat Woord eener warer Baeten van den
Mijn Ziele wogde bekonnnert / en dachte | Predick ſtoel opentlijk te leeren / Dat Volck ret begin
Dat epnde na/ namelijk / fo ict al ſchoon de op den ſinallen weg te wijſen / alle fonden mijner boet.
Mat.1626. gantfche Wereld womie / daer tae dupfent Ja⸗ | ende Godtloosheden / Daer tae alle Afgode⸗ —
cen leefde/ en Dan nach tent laetften Godts | tie en valſchen Bods-dienft met kracht der Banádui
ſtraffe hand en toorn dagen moeſte / wat ick Schzift te beftvaffen / den rechten Gods⸗
dan gewonnen hadde? |dienft/ oolt Doop ende Nachtniael / na des
Daer na zijn Die arme verdoolde Schagen, | ſin en grand Eheiti openbaerlijks te betrmaen /
Die daer Dwaclden/ als Die gene rechte Her | fa vele als ick op Bier tijt van mijnen Goùt gez
ders hadden / na vele wreede Placcaten wor: nade ontfangen hadde.
gen ende ombzengen/ op eener Stede / on” Ook: hels ick een pegelijk boor dert Mun= Mijn getrou⸗·
trent mijn plactfe / Oude Rlooſter genaemt / chen grauwelen / als boor Wonink/ veel⸗ we waer-
te farnen gekomen / en hebben (lepoer) dao | hepd Der Douwen / Nijck / Sweert / %. —
Mat26. za, Die Godlooſe Leere ban Muntter , tegen Ehnt trouwelijk gewaerſchouwt / tot Dat mp Die munterGhe
fit Geeft / Woord / en Voorbeeld / dat zweert genadige groote Heere na Den tijt van nez grouwelen,
in tegenweer getrocken / dat Petra ban den |gen Haerden / of Daer ontvent fijner Daz cox noch in
—— in der fchepden te ſteeken betalen wor⸗ deelijken Geeft/ Wutpe / Uracht / en Bandt gom,
e.
Doen dit nu aldus geſchied was / is dat
bloed der ſelbigen / hoewel verlepd/ foa heet
op mijn herte gevallen / dat ick het niet Verz
Dragen / nach cufte út mijner zielen hebben
konde. Pelt dachte mijn ontenn bleefchelijk
leben na/ Daer toe mijn hunchelſche Heere
en Afgoderie / Die ick Dagelijks in fehijn fon-
Der alle tuft tegen mijn ziele noch Gedzeef,
Sag met oogen / Dat deſe pwerige kinderen /
lijf en goed ( hoewel niet in heylſamer Weere)
baoz haren Gzond en Geloove vzuwilliglijek
benen gaven / en ick was een ban Die; Die
harer ſommiger de Papíftifche grouwelen
ten deele mede ontdeckt hadde / bleef noch
evenwel ba mijn ruum leven en beltende grou⸗
welen / alleen daerom Dat feit dat gemakt mijns
bleefchs gebzupken / ende bupten Des Weeren
keunce blifven monte.
langde Dat ict mijn goed geruchte / eere ende
naem / Die ick bide Menschen hadde / ende
alle mijne %nticheiftifche geautwelen/ Mif⸗
fen / Kinderdoopen/ cumme leven/ en alles
op eenmael angedzongen naliete / ende hebbe
mp m aller Ellenden ende Armoede onder
dat druckende Krunce mijnes Weeren Cheiſti
gewiltiglijfk begeben/ in mijner zwackhendt
mijnen Gode gevreeſt / nae Godvruchtige
gefocht / ende ſommige (hoewel wennigh)
in goeden pher en leere bebonden / met den
verkeerden gehandelt / ſommige daor Sotds
hulpe ende kracht unt de ſtricken harer ber:
doemenis met Gods Woord ontloſt / Cheiſto
gewonnen / en den halſterken en beeftoliten den
Heere bevolen.
Siet / mijn Leeſer / aldus heeft nm die
genadige Heere doot De milde gunſte ſijner
Mijn verla=
tinge en
uytgank uyt
Babel
grooter Genaden aen mp ellendige Son: Mijn ingank:
Dat felvige alfa betvachtende / heeft mp {daer vertrocken / ín mijner herten eerſtmael in des Hee-
mijn siele alfa geknaegt dat ien het niet tan- beroert / een nieuw geinoede gegeven / in Gemen
get den fonde. Dachte bp. mun ſelben / ick fijner dreeſe vernedert / ten deele my ſelben 77
ellendige menſch | at maelie ick? Soo ich (kennen leeren / ban den Wegh des Doodts
bp defen wefen blijve / ende wp mijnes Dee: afgewendt ende op den engen Weg des ez
ken Woozd ín mijne antfangene Belienter vens in díe minnie” fijner Hepligen
ki
barm⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— EL a —M
258 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
barmhertighlijck beroepen / hem zp pens in tighendt ende Waerbepdt lief hadden / Lao: -
eeuwighendt/ Amen. der ongerechtighepd: ende booshepdt ſchrick
Daer na ontreut een Jaer begaf hethem/ ten / &c. Dat unmer krachtighlyck ende
als ick map nu met leſen ende ſcheijven in der levendigh betupgt / dat fp niet ſulcke ver-
ſtuͤhendt in deg Weeren Woort oeffende / dat⸗ keerde Setten / gelijck fn geſcholden wer⸗ |
ter ongebeechijckt fes / ſeven oft acht / tot Den / maer (hoewel der Werelt onbekent }
mp gekomen zijn / die cen herte ende ziele | ware Chziſtenen Waren / fo men anders ge—
met im Waren / ín haer Geloove ende le: [looft / dat Chriſtus woort waerachtigh / ende
gen (foo veel als Menſchen richten kon: | fijn onbeftraffelijct Heyligh leven ende Loozs
Den ) onbeſtraffelijck ban der Werelt nac } beelt onfeplbaer ende vecht is.
het getupgeniffe der Scheift afgefchepden / Alſo ben ick ellendige groote Sondaer
zine beroe Dent Trupce onderworpen / Die niet alleene | van Den Heere beelicht / fn eenen nieuwen
ete te- Van der Munfterfchen , maet ooch ban al- fin beheer / upt Babel gevloden ín Jeru⸗
roepinge. tee Werelt Secten / vervloechingen / ende ſalem getogen / ende ten laetften onweer—
geuwelen een hertelijck ſchuwen droegen / digh tot Defen hoogen en (waren dienft gez
ende hebben Lan Wegen der Godtvzuchtie | komen.
gen / die met haet ende mp Mm geleken, Doen nu de boorgemelbe ban hare Lanze
Geeft ende fin wandelden / met veel bide | gegeven Bede niet aflieten / ende mp mijn
den lieflijck aen mp verſocht / Dat ichk Doch |epgen Conſcientie oock ten deele (hoewel in
Den grooten fwaren jannner ende noodt Der der fwachhept ) benouwde / Dewijle ick —
armer bedzuckten zielen cen wennigh beher⸗ den grooten honger ende noot faqh / Goss ende
Matth. 9. 37. tigen wilde / Want den hanger Ware qraot /
| foa verhaelt is/ he ick mp met lijf Es mijns nae-
— —— ende die getrouwe Huushonders gantſch wen: |De ziele Den Weeren laten opgeven / ende fen heeft
rue ret ee nigh/ ende mijn Pondt dat ick van Ben Heere | ín fijner Genadenhand bevolen / ende hehe PI deten
— a Ur hadde ontfangen / tot Wwinninge | he ge fijnee tijdt na lupde fijnes WVeilie Fran °°
befteden macht, Ec. |gen WDo02Dg begonnen te teeven ende te doo⸗ dient op.
Dit hoorende / is mijn herte feet be⸗ pen / op des Weeren Acker met nrpn geringe belegt.
lommert geweeſt / beſwaerniſſe ende ban: | Gabe te acbepden/ aen fijn heplige Stadt ende Mijn begin
gigheydt was het allenthalven : Want tot | Cempel te bouwen / ende de vervallen ffeenen 9T_te leeren
eener zijden fag) ick mijn geringe gave / | weder aen hact plactfe te voegen / Ec. Cndede meynee, S
myn groote ontgelceetbept / mijn ſwacke | groote ende ſtercke Godt heeft Dat Woost ecz |
natuere / de bloodighendt mijns vieeſchs DÍe | nev warer Boeten / Dat Woogt fijner genaden |
obermate groote booshendt / moet wille / Vers | ende kracht / met t'ſamen dat beplfame gez
heeethendt / ende Eprannije deſer werelt / | bzunck fijner hepliger Sacramenten) doo? onz |
Die geweldige groote Secten / die ſpitsvin⸗ | fen gevingen dienft/leere/ende ongeleerde fc hr ij |
nighept veler Geeften / ende Dat jam vemmet tfamen den ſorghvuldigen dienſt / are
merijcke ſware Criws / dat mp (fa ick | bepdt ende hulpe onſer getrouwen Medebroe⸗
het aenbínge ) niet wepnigt dzucken wilde : deren / ín bele Steden ende Landen ſoo bekent Oufe vruch.
Eme. rs.r. Ede tee ander zijden de erbarmelijcke groo: ende openbaer / ende Die geftalte fijner Ge⸗ ijpe ende
Matth. 18. te honger / gebzeck ende noodt Der Godt: meynten fo heerlijcht gemaeckt / met alſule⸗ xracht Gods |
vra. gauchtigen bzomen kinderen / want ick ſagh | hen onovperwinnelclien kracht begaeft / dat |
3 Rege2e.17. gpenbaectlijcit dat ſu dwaelden / gelijck de one | oock: bele hooge fkaute herten niet alleen aats
naofele verlatene Schapen / die geen Herder | moedigh Werden / die onſupvere niet alleen
hebben. kupfchh/ de dzouckene nuchteren / De gierige
Hebbe mp ten laeſten nae veel bidden Den milde/ de wreede goedigh / ende de Goùdtloofe
Deere ende fijn Gemennte met ſoo een Con- Godtbruchtigh / Ee. MWaer dat fp oock om
dictie Daer geſtelt / dat fin ende ick Den Heere | dat heerlijckt getungeniſſe dat fn hebben /
Den Heere Lenen tijt lanckt vierighlijck bidden ſouden / | goedt cnde bloedt, lijf ende leven getrouwe-
ende ware het alfao fijn welgeballige Heylige Wil- ſijck Daer geben / gelijck als aolt noch op
bed der le/ Dat iclt hem ten peijfe Dienen konde ofte deſer ſtond dagelijchs geſien wozt/ Dat geen
Godevrugh. machte / fijn Dadderlijcite goethept mp als vzuchten noch teeckenen eener valſcher lees \
ie erp dan ſoo een herte ende gemoedt gunnen wilde) te (Daer Bodt niet mede Werclit ) zijn /
worpen. _ dat mp met Paulo betupahde / wee np / ſoo konde oocht in alfulckten ſwaren elcnde ende
Matth. 9.16. jefe niet Dat Guangelftun peedichte : Doo Cruyce fo lange niet beftacn / Wanneer het
níet / hu dan zijnen middel boeghde / Dat het niet deg Allerhooghſten Hirackt ende Woozt Matth. ro.1s-
altenttjalven na bleve. Want Chꝛiſtus feat : ware.
Soo twee onder u eens Werden op Aerden / Jae dat meer is / fin Worden met alftfe- Exod. 4, 12.
waeror fin bidden / dat fal hen gefchieden ban | Ken genade ende Wijshent (foo Ciziftug Lue 21 H-
mijnen Dader Die in Den Hemel ig: Want | allen den fijnen belooft heeft) in hare verz
fao waer twee oft Dpie ín mijnen Mame bet: ſoeckingen ban Godt begaeft/ Dat oock al
gadect zijn / Daer ben icli midden ander haer / ie Werelts Geleerden ende hooghberoem⸗
Matth.capittel 18. Vs 20. De De Meeſters / daer toe alle bloedtſchuldige
Siet mijn Hefer f aldus ben ick niet van | ffoute Tpzannen / die (O Godt) oock roemen /
der Munfterfchen ‚ noch van eenigen ande- | dat fn Cfziftenen zyn / boog defe onoverwin⸗
ren oproerifchen Secten (gelijck ick gela: | nelijche Nidderen ende vzoome Getupgen |
ſtert worde) maer ban foo cen volck tot, Cheiſti moeten oberwonnen ende beſchaemt |
Defen dienft onweerdigh beroepen / die Chri⸗ ſtaen / Dat fp in allen dingen oock geen an worgen en-
flo ende fifn woort beent landen / een boet: | Ber geweer ende untvlucht hebben / noch we⸗ —
verdigh leben ín Die vreſe hares Gods len⸗ | ten / dan bannen / vangen / pijnigen / bzanden / Sen es
Den / haten Naeſten fm der liefden dien⸗ moozden / ende ombrengen / gelijcht Det OU jooghtte
Den / dat Erupce droegen / aller Menſchen der Slangen gebrunck ende maniere ban DEN trooft tegen
welvaert ende Hepl fochten / Die gerech⸗ beginne geweeft is / fa men aen belen plactfen Gods woott.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Onfe leere in onſe Nederlanden nach dagelijcks (lepder)
erde vruch ſpeuren ende fien magt.
derheyligen Siet / Dit zijn onfer Berocrpinge / Heere)
Apoftelen ende Dienſts vzuchten / daer ober wp foo
Leere ende _groufamigblijck gelaftert/ ende foo vpantlijck
ier ver. Dervolgt werden: Of niet alie Propheten
fcheyden. Apoſtelen / ende getrouwe Dienaeten Godts
oock gelijcke vruchten daor haren trouwen
dienſt gebaert hebben / willen won geerne alle
bzoome laten Aichters zijn.
Maer foo beel alg mijn avm / ſwack / ende
onwolliomen leben belangt/ beltenne ick ban
upt / dat ick een ellendig arm Sondaer ben/
în ſonden ontfangen / ende fondelijck upt
cenen ſondelijcken zade geboren / ſegge met
Pal. s1.7. Dabid: dat mijn fande ſteedts tegen mp is.
akin gedachten / Woorden ende wercken
Overtupgen mp. Alerckie ende fie met
Den hepligen Paulo / Dat in mijnen vleeſche
miet goets eu woont. Nochtans moer ich
foo veel tn mijner ſwackhendt roemen/ foo
defe baoft ende woeſte werelt onſe Heere (Die
uiet onfe/ maer Des Geeren Cheifti is /) met
gedult hooren / ende De ſelve in reyner Godts
zecte onderdanighlijck recht nae kamen wil:
De / het foude ongetwijffelt wel cen Chriſte⸗
ende beter werelt zijn / als het ( lepder)
nu is,
Ick danclie mijnen Godt / díe het mp ge-
| Rom. ra. 9. geben heeft / Dat ick met den hepligen Dau
| Dat vele met {9 Dat booſe hate / ende dat goede nacjage /
ale ern Ende Wel Wilde; Dat ick Die gelgele werelt
| den.ismijn UPE haer Godloos booſe wefen / oock met
| eenigh foe- mijnen bloede ontloſſen / ende Chriſto tuin:
| ken. nen mochte / mijnen Godt van gantfcher
herten vzeeſen / lief hebben / foeclten ende
Dienen / boor hem recht ende Wel Doen /
ende een onbefivaffelijck zoom Chꝛiſten
zijn mochte / (Saen fijn genade alle mijn bez
geeren.
Hope Door des Heeren barmhertighendt ende
hulpe / dat mp ook niemand op den gantſchen
Aerdtbodem eenes gierigen ende overvloedí-
gen wandels mecter waerhepdt ſtraffen han.
Gele ende cijche Dagen heb ick niet / begcere fb
okt níet / hoewel ſommige (lepder) upt verz
heerden herten feggen / dat ick meer ge-
‚braden ete, als fy gefoden , ende meer Wijn
drincke als fy bier doen. Mijn Heere ende
7 Meeſter Chriſtus Jeſus moeſte oak ber verz
keerden wijnſupper ende Bzaſſer zijn. Wor
pe Doo? des Weeren genade / Dat ick Daer
| inne boog mijnen Godt onfchuldigh ende ben
| ae.
| ſ Die mp met den Bloede fijner Liefden
gekocht / ende onweerdigh tot defen Dienft
beroepen heeft / kent mp / ende Weet het
Dat ick noch geldt / nach goet / noch wel
luft/ noch gemack op Aerden / maer alleene
mijns Meeren prijs / mijn faligbendt/ ende
heler Menſchen Zi
—
droeffeniſſe / elende /
mijne arme ſwacke Vzouwe ende klenne kin
Derltens / nu tot ín ’tachtíende Jaer hebbe
| moeten wateren / mp al omme ín perijckel
| mijns lijfs ende veel vrefe hommerlijek ont-
predikersen- fachte bedden ende kuſſens liggen / moeten
de wy‚zijn in
x volle leven, WR gemeenlijct fn verborgen hoecken ons
fp in alle | cramenten/ na die Heere ende
ende Ere, Bꝛitploften ende Kindeemalen / Ec, met pij⸗ *
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
259
pen / trommelen / ende Lupten pralen / moe⸗ wijt ver-
ten Wp ong boogfien/ alg de Honden baſſen / ——
of niet die vangers daer zijn. eee
Daer fp Doctoren / Peeren ende Mee⸗
ſters ban een pegelijck gegroet Werden /
moeten wy hooren, dat wy Wederdoopers,
Winckel - predikers , Verleyders ende Ket-
ters ‚ ende moeten-in des Duyvels naem ge-
groetzyn. Summa / daer fp met veel groo:
te venten ende goede dagen heerlijck voor haz
ten Dienſt beloont werden / moeten onfe
loon ende Deel/ Vyer, Sweerdt ende Doodt
zyn.
Siet mijn getrouwe Hefer / ín alfao cen
benauwthent / armoede / jammer ende pes
rijckel deg doots / heh ich elendige Man mijns
Heeren Dienft tot op deſer ween onvecandert
uptgeboert / hope Die oackk daoz zijn genas
be tat fijnen pays upt te boeven / foa lange
ick im Defer hutten fwecbe. Wat ick ende
mijne getrouwe Medehulpers nu ín defen
ſeer ſwaren pevikuleufen Dienft gefocht bebe
ben/ oft hebben konnen foeken / konnen alle
welgefinde met het werck ende vrucht wel afz
meten.
Wil dan bier mede den getrouwen Hefer om
Jeſus wille noch cenmael ootmoedighlijck gee
beden hebben/ dat hp mn doch defe mijne afge
drongen Belsenteniffe ban mijner veclichtins
ge/belteevinge ende Beroepinge / ín der liefden
Sieme: ende recht na dunde. Ick hebbet unt
grooter noodt gedaen / op Dat Die Godtvruch⸗
tige Leſe wete hoe het gefchiet is / dewyie ick
vanden Predikers alle wegen gelaftert , ende
fonder alle waerheydt befchuldigt worde, als dat
ick van een oproerifche ende verleydifche Sec
te {oude verordineert » ende tot defen Dienft
— zyn. Wie Godt ozeeſt / die leſe / ende
richte.
Item / dat ons Gellius metter Heere wil in
het openbaer dringen / is boben (alg ick verho.
pe) van den Nacht- prediken meer als genoegh
antwoord. Fact hier nach eventmel deſe GEND,
drie zagen aenhangen. werpingesdat
Cen cerften/fo u pemant met loofe woorden wy fulien in
overfjpgatie (ofte met gewelt dzonge / dat alu op ‚ penbaer
eenen iepen Water gaen oft een Dergift —
Dgfnclten foudt/ Daer bp wel felter wiſie datter PE drie
Die Doodt unt volgen moeſte / af niet ſulckt eener denckt vlij-
een Menſche Des bloet ware: tiglijck na.
Cen anderen / nademael Gellius roemt »dat
hy een beroepen Prediker is , ende enbaer
leert waerom hp dan niet met liefde ende
barmhertighendt ober fijn epgen Daderlandt
beweegt wozdt? Tot den Papiften ingaet?
Ende fijn Geloove / Sactamenten / ende
Godts dienſt / met opentlijche Weere tegen deg
Kepferg Mandament / Tpraimme / berbolah
ende bewillinge / gelijck hu ong dringet / aen
den dagh brengt.
Cen derden dewijle hp (faa ík vermoede) wel
toeftaet/ende ook na der Scheift toeftaen moct/
dat de Gierige / Hooveerdige / dzonckaerts Pza⸗
lers / Woecleraers Leugenaers omrechtveer⸗
dige / Ec. Godts Nüjclie niet beêrven fitten /ende
derhalven ooft geene Chziftenen zijn /waeroms
me bpdan de vzeeſe des Crupces
ons beſtraft) niet befijden ſtelt / ende Die onboet⸗
veerdige fijner Bercken / ſonder eenigh aenfien
det Perfoonen/van die gemepnfchap fijnerSaz
rdeninge beg
alfaa Godts
upts
Hepligen Geeſts ( dat doch
Vl 2
en ons nocl
openbaer
dringt,wat
Geeft zy»
tichtet gy.
Mat.ꝛ3 · 3.
Lu.4.15.
Ioa.8.a.
Ioa. Io.7.
iPet. 1. II.
Ioa.9.24.
Hi Sa.rt.sa.
Mat.27.12.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
260
uptgedzuckte bebel ende Ware Woozd ig) af:
flupr
Aengeſien hp ons dan meter Heere Wil
ín het openbact dringen / hoewel hp Wel
weet / dat wp fulks niet beter founder verlies
onfes Levens doen / als fonder ſincken op
den Water gaen / ende fonder den Doodt
dat Vergift Dreincken komen: Want hp en
Diede Ove- Die Beleerden het met hare ouverdienden
tigheytmet Wafter-fchziften ende Pzedilten (Hepder ) al:
vlijt oproert,
‚ foo bewe gedzeven hebben / dat wa alreede
—90— evenwel in't ten Doode al geoordeelt ende gerichtet zijn /
ooclt aleer Wp gehangen zijn. Hy daer toe
dar voor cen Die Overighepdt hooge priſet / dat ſy onfen
loop Weeren: Ende wel Wweet/ hoe met eez
neet Gan den onfen over een Jaer of thien
(Lender) aldus Gp hem gelaudelt Wozde /
Die upt hertgrondelijcker trouwer mepninge
dat Getungeniſſe dat hu hadde / geerne den
Polclte van den Dzedicit-floel Wilde voozdra⸗
gen/ mu oock twee - macl Schriftelijchten
handel ende t'ſamen · ſpreeckinge felve gewen⸗
geet heeft gelijk als gehoort is: Noch eben:
wel ſchrijft / indien oprechte Leeraers zijn /
Dat wp met der Heere fulien aen Den Dagh
ende ín het openbaer treden. Ende felve
om dat verlies ſijner Neeringen en Des kKrup⸗
ces wille fijn Leere (foo groot ende kleun als
ſuis) ín fijner epgener plactfen berzwijgt /
ineen ander ende rupmer Kandt getogen 18,
Aldaer (hoewel fijn Meere ende Sacramen⸗
ten Daer Gap ffaen) evenwel noch aftondez
ringe / Schziftmatige ſtraffinge en Godts
Oꝛdeninge upt vzeeſe des krunces ende ſijnes
vleeſch naeliete / magh die redelijke Leeſer
daer mede afmeten / wat hu boor een Chri⸗
ften (zwijge Pzedilier) zy / dewijle hp ons
ellendigen oplegt / dat hu ſelve met den gez
ringſten binger aentaften noch voeren wil / ſo op
fien meugt.
Soonu Gellius defe drie Dragen wel be:
hertigen konde/ ende Wildefe ín De bzeefe
fijneg Gods bedachtelijk met 'er Schrift aen
merken / hp moefte hem fchamen fijn leef
dage / dat ha ong foo onbefchepdentlijckt te
gens alle Liefde / vedelijckhent / vernuft en
Schaft in het openbaet dringet / ende onder
een alſulcken fchijn foo tpranniglijckt nader
Godvauchtigen verdervinge bloed ende Dood
tvachtet. 3
Maer dat hr fchzijft / als dat men die Pro-
phetifche en Apoftolifche Leere , en de Hey-
lige Sacramenten, niet in heymelijke winke-
len en hoeken ‚ maer in het openbaer leeren |
ende uytrichten fal, is dit onfe Antwoozd:
Wp beliennen wel/dat Chriſtus Jeſus opent-
Tijk ten meeftendeel gepredilit heeft / nach:
tans met ſullt beſchend / Dat hu den raſenden
en wacdenden Lolke ſommige reyſen ontgaen
is / oockt niet meer openbaetlijcft onder haer
wandelde / na Dat fn over fijnen dood beſloo⸗
‘ten hadden / untgenomen / doen De beſtem⸗
De tijd fijng Lydens / hem te boten bekent /
en díe verbullinge der Propbhecijen daer waren.
Au 2. 32.
Deſſelven gelilien / hoewel Cheiſtus fijne
Joden / Peedilken ſouden / evenwel niet gez
fepbt nacht gewilt / dat fn fijne Sacramen⸗
ten / namelijck / den Doop ende het Dacht:
mael/ boa? den Vpanden fijns Woordts toer
Een klare Beantwoordinge van Menno Symons ;
Dienen en-gebzupken ſouden. Is Derhalveit
openbaet / dat hp ong fulkg fonder alle Schzift
en grond der waerhept oplegt. Befchuldigt
en ſtraft oock niet alleene ons / maer Ch
ſtum Gods eeuwige Woord en Wijshent fel
be / want die fijn Heylige Nachtmael aen een
hepmelijke plactfe met een afgefondert bolck
in deer Pacht nge) Helle
lum / en Die eerſte Apoſtoliſche Verke/ die
met Ufgefonderde berfamelingen hare Wzoez
derlijcke bykomſte menigmael bp der zacht
gehadt hebben / fo boven meer alg genoeg gez
feyt is. Merckt doch / hoe openbaer hy tegen
Gods Woozd ſpzeelit.
N Yder fchrijft hy» als dat wy onfer Be-
roepinge geen ander getuygenifle geven;
dan dat wy vele Menfchen niet alleene met
eenen ontfinnigen en onverfoenlijken haet der
rechter Kerken Dienaren , hoe vroom fy ook
zijn, en aller Kerken Ordeninge vervullen,
maer ook met eenen twiftigen Geefteen nij-
difchen gemoede behangen, êcc.
Nut wood.
See de vpandlijke bitterhepdt De oagen fijz
nes verſtands niet fo gantſch becblmt had”
de / ende maer een kleyn voncksken eens
waerachtigen Cheiftelijcken Geefts ba hem
ware / foude hu de lieflijke vzuchten eenet wa⸗
cer Boeten wel haeft gewaer werden. Haer
nu is he ín alfulcken blinden fin gevaeckt
och lacn) dat alle die heerlijke fchoone vruch⸗
ten des Hoogen ende Wepligen Geeft / Dup⸗
beffche Dzuchten / ende nieuwe HRonnickes
vijen / ende Dat zware dzuckende Vrupce van
foo bele bzoome WPepligen en quaeddoenders of
lUetters Urunce bp hem zijn moeten / dat nae
mijn bedenken een zware fonde / en een groote
lafterig.
Die Pharizeen ſpꝛeeken: Daar Belzebub
dee Dunhelen Prince / werpt hu die Dup⸗
belen unt / hoewel fa ín haren heeten Krach⸗
tiglijk voclden dat het Gods Linger en kracht
wag. Chꝛiſtus fende / Dat het die laſter ín
den Heyligen Geeft was. Maer wat Gellius
ober ons Doet / Wil ick den Heere hier bevolen
hebben.
Godt weet het/ Dat ick Wel wilde / dat ik
hem metalle Peediliers unt hare zware herz
doemenis verlaffen magte/ en dat ick het
met mijnen Dood bekkoopen ſoude. Diet /
ſoo hate ick hem / ende ook alle die / Die na
mijnen Bloed trachten / hae Wel Wp fa beel
guacds hooren moeten. Lope door des Weer
ven Genade / dat fn oockt alle aldug met mp
gefint zijn / Die deg Meeren Woordt vrzeeſen. birreren haet
Noch ſchrijft hp evenwel / dat men haer met
eenen dutſinnigen ende onberſoenelijcken
haet (dat vezre zy) hatet. Ende dat om defe
oozſaeke / om dat Wit die openbare Verlen⸗
ders / díe ín eenen bupebelfehen fchijn wans
Delen / die hy die rechte en vroome Kercken
Dienaers noemt / ende Dat balfche Sclyiftez
looſe gebeupckt deg Kinder -doops, met alle
Ka Mat.28.16,: Jongeren untſandt / dat fn dat Euangelium JBisbzunchien / die hy der Kercken Ordenin-
KEI Mar.i 6.i5. affen Bolken / ſoo welden Hendenen alg den | ge noemt / niet alleene met deg Weeren Geeft
ende Woord / maet ook met onfe Hoedt en:
de Bloed in reyner ende getrouwer Wiefden /
tot bewaringe ban hate acme zielen ernſte⸗
lijck beftvaffen / ende op den gekeupfien
| ‚ A
De vrome
Machabeen
U werden hier
mède van
Gellius
beftraft,die
uyt vreefe
Oack Pau: des Koninks
Antiochi
hare kinde-
ren heyme-
lik befneden
hebben.
Gellius oor
deelt als de
gene,die van
Godt ver-
ftooten’ zijn.
Mat.12, 24.
Mar.3-38.
Lu.12.1®.
De trouw®
Liefde wert
tot eenen
by Gellius
geduydet.
—
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 261
Chꝛiſtum Jeſum / op fijn Geeft / Woozd / Oz⸗ der alle waerhend / bp der Wereld verdachtig
—8
deninge / en op ſijner H. Apoſtelen leere en ge⸗
beupl wijfen.
Rom.x.29. Ictlt Geloobe waerachtig/dat cen hatigh en
Sakser nidigh Menſch geen deel aen Godts Stadt
sie heeft,
Ende Wp / Die dagelijcks ſterven om der
Liefden wille / fauden dan nach in haet ende
__ WIJDE leven / ſoo wordter vele te vergeefs ge⸗
*Cotrn, 18. ong toe / Sathanas ruſt nimmerm̃eer / Sec:
leden.
… Al hope dat ilk bie waerhept ſchrijve / als dat
ili beel meer voor haet en nijdt fchticke/Dan ick
boo vper en zweert doe / noch moeten Wu hea:
ren/ùat wart haters zijn.
Siet / So wast Dat goede ten quaetſten / ende
die liefde tat hact over ons alreede gedunt / wat
ooꝛdeel dat de Schzift over ſulcke lupden unt⸗
ſpreekt / wert Eſa. 5. wel geſpeurt.
N Och befchuldigt hy onsen fegt: Dat wy
over veel Artijkelen der ChrittelijkerRe-
ligie onder den anderen oneenig ende tv i tigh
Zijn, als te weten, over die vervullinge des
Wets , over die rechtveerdigmakinge des men-
ſches, over die Godtheyt en Meních-werdin-
Ì ge Chrifti, overdie machtder Overigheydt,
XC.
Antwooꝛd.
jes hope / dat ik met Laser herten ſchrijven
mag / dat wp / die cenes Beoods koomen
zijn / dork een herte ende ziele in Ctyzifto zijn.
Maer gelijk als oock bp Der Apoftelen tijdt
unt der Apoftelen Gemeente wel verlepdifche
Mannen opgeftaen zijn/ Die verkeerde Lee⸗
re invoerden / ende den Tongeren voozdzoe⸗
gen/ gelijclt men aen vele plactfen haver
Schziften fien magh / die ſy nae behoozlclie
vermaninge (wanneer fp geen Baete deden )
ban Die Gemeenſchap harer kercken affan:
deren. In gelijcker maten gaet het ook met
ten (fegtjdaulug) maecender onder u zijn /
op dat die / Die rechtſchapen zijn / onder uw
openbaer warden. Ende wanneer Dan fulke
hare doren voor de waerhend toeſlunten / Die
vermaninge verwerpen / verkeerthend ende
Secten aenrichten mogen ſy onſe Bzroe⸗
ders niet meer zijn / gelijt die Schzift leert.
Ende foo lange wy upt gehoorſaemhend Des
Hepligen Woords in vepner Gods vreeſe al-
foo doen / zijn Wp in onfe Confcientien ge
wife / dat Wp van allen Secten fullen vrn
zijn /ook van alie Laſter en Quacd/ hoewel
up onfchuldig fa bete van Der Wereld hooren en
lijden moeten.
Rom,1657, Aengeſien het Gellius ende fijne Medepze⸗
rinse, _Diferg dan fo wel beltentis / hoe Dat die Dze-
Titzeio. De-bzecherg en Sectemakers gantfclh geen
Twiftma=
Gemeenſchap met ong hebben kannen/maer
Kers MORE na Apoftolifche Heere ende gebzunk eendzach⸗
niet onfe
Braeders
zijn,
telijk ban ong afgefondert bupten ons zijn / en
jn moeten / is het immer een groote ber:
ieerthept / Dat Ip fo bele vroome herten (díe
Doch alle twift/ haet / ende onueenighent ín
den geond bpand zijn / en in allen Dingen an-
ders niet ſoecken / dan den gekeupften Chri⸗
ſtum Jeſum in lieflijcker vreedſamer herten
ootmoediglijck nae te volgen) voor T'wift-
‘makers fcheldet, ende ban foo een boog
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
maelit.
Wil Ga nu ſeggen / dat hp haer daerom alle
een met ong veltent/ om dat fp eerſtdaegs oock
eeneclen Doop met ong ontfangen hebben: DO
fegge ilt wederam/dat Petrus en Simon Ma⸗ abide
gũs / Paulugen Phigelus / Ec. Ook cen alg ,
dan geweeft zijn. Moeſten ook atie Papiften/
Lutheranen ent Zwinglianen, Dact toe oolt alle
Dieben / Moordenaers / Covenaers / Boggers /
Hoeren en Boeven een zijn / Want ſu hebben
dock alle eenerlep Doop ontfangen / is onwe⸗
Beef pzechelijk.
Item / dat hp ans befchuldigt / dat wy over
de vervullinge des Wets, overdie rechtveer«
digmakinge des Meníches , over de macht der
Overigheyt, &c. twiiten fouden, mag icit
(hope íclt) boog den Beere en fijn Gemeente
met cepner herten getungen / dat ick mijng
wetens mijn leefdage niet meer dan met cez
nec (Die nu al mr verderf gelopenis) over
die vechtheerdigmaekinge deg Menſches ecn:
mael gedifputeect / of (fa het Gellius noemt)
getwiit hebbe, Webbe aaï met ſommige ban
die vervullinge des Wets / ende Lander Dz
berighepd niet Dantat anderwijfinge Broe⸗
deelijk gefpzookken. Wat ook onfe Bekente:
niffe en geond vande booriepde Artijkelen is/
magh in grooter hlaerjgepd aen bete pläct:
we onſer Schziften Wel gefien woz⸗
en.
Och liebe Heere/ dat doch Gellius een?
mael aen fijn epgen woorden denken Wilde /
daer hu ſchzijft / Dat die Beracpinge der Pro⸗
men om Der onbrꝛomen wille niet magh gez
zwakt werden / en Dan foa eel vzeeſe Godts
daer bp hadde / Dat hr een wennigh vooz dee
leugen / gewelten onrecht (Die hp ons tegen
alle billijckhepdaenwent) fchzoomde. Want
‚wat doet ha doch anders / Dan dat hu met
opſet (odock Beel licht Wel tegen fijn engen
‚gevoelen ) Der Godvruchtigen ceve eu Name
fonder oozfalte rooft / op Dat hp deg Woozds
laap belette / fijn ſaeke goed macke/ maer
De onfe met openbare leugen balfch of ver⸗
dacht make / op dat fijn ontrouwe na Pha⸗
riſeeſcher wijſe met openbaer werde. Hahn
doet even / of hu ſeggen Wilde: Judas is
een Vezrader ende Dief geweeft/ darrom
zijn ook alle die andere Apoſtelen Vezraders
en Dieven geweeft. Itein Dimon HPar
qus was een Boeve / daerom zijn valt die Ur
goftolifche Gemeenten alie Boeven gewmeeft /
Ee. Daer hu (fegae ick) fa Wel weet / dac
wy geenfins eenige Sectemakers, Vredeever-
ftoorders , en onfchriftmatige Drijvers in die
Gemeenfchap der beeedfamigen en Godvruch⸗
tigen taelaten/of toelaten mogen / ſo gehoort is,
Och dat hun de VPzeedſamige doch ongelaftert
iete/en konde den menigvuldigen twift/bitte-
ten haet / zware deplinge / ſcheüringe / en kij
vinge aller Dien / Die den Kinderdoop met der
Heere booeftaen/ vecht infien / hoe Deerlijkken
fa doch onder den anderen in haer gedeelt
ſtaen / Dat fp lender) met alſtilcken nijdigen
pbet tegeng den anderen verhit zijn / Dat fn
haer níet alleen onder den anderen boe? Swer⸗
mers / Sacrament-fchenders en Antichziſten
Schelden / Schenden/ Hafteren/ ende ter
Wellen vichten/ maer aak ten Sweerde ende
—
ilt 3 den
geruchte ende grouwelijcken Name / all Virijgh (alg aller Secten wije is) tegens
en 1
nij.
Tim. 14e
Die oninen
chelijke on-
eenigheyr en
bitteren yver
onfer we-
derpartien
eres den
anderen
O@neeriige
leere der
zeleerden:
1Cor.1.18.
en 19.
Efa.33-18.
2Cor 6.15:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
262 Een klareBeantwoordinge van Menno Symons,
den anderen grijpen / Tanden en lupden ín den en Leere des Gebodts van den Sabbath , maer
geond verderven / ſteden en bozgeren / tegen die | toutelijk verachten , &c.
lieflijte nature / leere / ende boozbeeldt Chꝛri⸗
ſu ende ſijner Apoſtelen / verwoeſten / ſo men Antwoozd.
ien mag. ij ijclt Die Gelli
Zijn daer beneffens hate Geleerden onder Hse merckt mijn Leeſer / hoe heerlijckt Ve Seer
/ men de leugen oncken / ende hoe
den anderen foo oneenigh/ dat men nauwe-|fannmeelijk ran be —— enor eelde Olsi-
lijck in een gantfche Landt vijf of {es kan vin- fchijn van deugde onderdzuchen ende verach⸗ Li cen afge-
den, die in der Leere eens {temmen ende over | ten fsan, Die gantfche Euangelifche Schrift fondert volk
een komen. pen leert Dat Cheiſti Gemeente ín Keere / die, RGor 6d.
Die eene fettet alles ín dic voorfienighept en Hen / en Gods-dienft/ een afgefondert volck rir.a.14.
Pꝛedeſtinatie Gods / quali neceflarium : Die | pan der Wevelù geweeft zy / en zijn moet/ Pce x Per-29-
ander weder{preekt her. tot. 2.42, f —
Die derde wil Chriſti Lleefchenblocdim/of| Is inden Ouden Teſtamente oocl alfaa Exo,
oiher — — beſſunten: Die vier⸗ geweeſt. —*
e leert het Geeftelijk. Pademael fr dan fa een afgefondert. bolck 1e: 58. s.
Die vijfde Doopt De Kinderen op haer | atreede — zijn — el —* fo wp en src.
epgen Geloove: ek ſesde op dat Verbond A- gehaast hebben) ende het hlaerder dan der
brahe en lijn belofte. Sonnen fchijn is / dat ban bele hondert Has
Die ſebende fegt/men mag om den Geloobe den af/ geen onderfchendt tuffchen de Ge
kwel berbolgen/die achite wederfpreekt het hef· meente ende dee wereld gefpeurt is / maer
tiglijk, 5 hebben haer alle in Doope/ Nachtmael / les
Die negende prijft dat Geloobe / of Daer | ber / ende Godg-dienft/ ſonder eenige affon⸗
ſchoon geen goede vzuchten of werlien bp zijn: | deringe onder den anderen vermengt / Dat fa
Diethiendefegt het Geloovefaldoor de lietde | openbaer (nochtang ín owerſtandt gefchict)
dacig zijn. tegen alle Schaift is / zijn Wan door Godts
Die elfde geeft bao?/ Dat Die Sacramen:, Geeft ende Woozdt (nietupt ons) ten pzijfe
ten mogen Doop den Ontboetveerdigen ende, Chꝛiſti / ende ten Dienfte en beteringe onfes
Booſen wel bediendt werden: : Die rwaelfde | Haeften / ín ongebenngder / vepner / om der
fegt daer Neen toe. Cndiergelijke fcheurin | boomoemder oozfaelken wille gedrongen / niet
gen meet. Noch moeten ebentuel Die Godts ans / maer den Heere / cen Godbzuchtige en
bruchtige vzome heeten en beeedfaame Kinderen boetveerdige Gemeente of Merke / upt allen
Godts /die (fo veel in haet is) om Godt ende | ontepnen ende verlepdifchen Secten der gant:
fijn gevechtigthepd poeren / des Heeren Woozt ſcher wereld / niet tegen Chziſti en der Apo⸗
ban herten meenen en lief hebben/en ban geen, ſtelen Heere ende Doorbeeld / gelijk ons Gel-
twíft en Weten / een oneenige twiftige Secte, lius fonder alle waerheydt aen fchrijft , maer
en Godloofe verleyde Rotterie bp haer heeten 4} met Chꝛiſti Geeft / Leere ende Voozbeeit (naz
Eu fp wederom De Deeedfamige eenig-gefinde, demael hp ong fijn Woozd en waerhendt heeft
Leeraers / daer tae Die onbaetbeerdige woeſte openbaren laten ) onder dat Brupce der ellen: Chritti Ker-
Wereld / Des Heeren Kercke ende Dolk hee: den /tegen alie Helfche poorten en geweld / ín a ——
ten. der gedult, ende niet met krjgs geweer ende sevour zijn.
Siet / fa openbacrlijkt laet die Alderhoog⸗ oproer (gelijk der Secten actd ig) te vergader
fte Deere De hloeckhent der fcherpfinnigen en | cen / ende Lan Der Wereld af te fchepden / alg
De tuijshept der wijfen tot fothepd werden /ja | de Schriftleert / Die Dit roeckelooſe onboets
dat ook Chriſtus Jeſus Belial / ende Be⸗ veerdige Geſlachte tot bermaninge / leere / en
lial Chriſtus Jeſiis /Licht Dumſterniſſe / Chziftelijke beſtraffinge zijn mogen / ſo gehoort
eenn ee —* pe en ed ig,
Dat ſp (AED Lepder) MOC SELELE, NOCH 207 Die deg Beeren H. Sabbath (Die nu niet chriti recht
ven / noch dracht / noch Bekenteniſſe / noch Tanger ete man bestel been Orden te Kerke
Goedt / noch Bloed Der Hptberkoren Gods waren Cziftenen nimmermeer epnde neemt) Vit Ge“
aenmercken / maer alles unt berkeerthepdt / niet met koftelijfte hieederen niet met beaffen/ eeuwiglijk.
ongunft / keijoh ende partie na Den bleefthe | (uppen /pdelept en lediggank(gelijk alg de on: wa,s0-st.
richten / ten archſten dunden / alle ooyfaken bedachte roekeloofe wereld op fijne uptwendi “* $-
foecen/ am den Godtuzucheigen te beleer ge Sabbathen en ledige dagen doet ) maer ín
bigen / die waerhend telafteren/ endet on⸗ ware Gods ureefe/met een verm bepe confcien- Rom-r>-
recht op te honden / op dat hem niemand tíe / en onbeftraffelijche wandelinge in die lief- }1°P-12: *
4.47.
beſieere / Boete Doe / ende des Heeren |De Gods en onſes naeften (dat die rechte ende
Woord Lan herten foeclte ende na trachte. O ware —ã— den Heert —2 beren
eere / gunt eenmael dat ft magen openbaer | en bepligen magen.
werden. — — —— (lende) Chrifti ker-
id tet Chriſto / maer Antichziſto / in allerlen pdel- ke mijder
ide fchrijft hy: Ook ishet geen fijne | pen —J—— —— ——
Vrucht, maer een fchrickelijke ſchandt. Sapgaehen en febige dagen gehouden werden, ingen der
vlecke, dat fy tegen dat — der Pro-l met haren onboetbeerdigen Herhen-dienft/ die rgee
pheten, Chrifti, en der Apoftelen , haer fel-[nfet dan tot erlcpdinge ftrelst {tut vepmer Beus vergaderin®
ven een Kercke richten, den Sabbath des een ín die greef hares Godg na laten / op date zen der ser,
Heeren ontheyligen, de openbare vergade- die bevfamelinge der Beplige en den waren hers fechtigreya
ringen ende Kerken-dienft verlaten, de Die- ken-dienft daer mede detimgen / den onvechten
naers haten en fchelden ‚ haren forgvuldigen obertungen/en die waerhent en vechte leere / tot
arbeyt en Prophetie nietalleen niet onderfoe-| aller menfchen nut ende beteringe/des te beter
ken, tegen dat Gebodt des Heyligen Geefts, —* weder aen den dag beengen mogen.
ie
kebeftraft Pzediliers / Die dat
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 263
Berlepderg ende Valſche Prijs / en die Dalighept fijnes naeften fockst /
arme Volk fa jammeclijck | noch fonder Dat Hepiſame vepne Woord / dat
’ beelepden / wiet haten noch nijden / (fo Gel-| fonder alle aénfien der Perſoonen LJaages en
hus voorgeeft,) maer ín aller ernſte en liefde | nederigen ſtaets ín rechter kracht fuijdt ende
met Gods Geeffs ende Woord ſtraffen/ op | klieft, nach fonder dat bzaome onteftcaftelijke
Dat ſy haer bekeeren magen / gelijk de cheife leven / dat upt Godt is / een vecht beroepen prez
leert, IE dilier en Godt behagende dienaer in Des Hee⸗
Summa / die niet tegen Dat Gebodt deg | cen hups en kerke ziju kan.
Wepligen Geeſts / ende der Heere des Ger
bodts van den Sabbath / den forgvuldigen
arbend / eude Die Propheche Der Waren ende
getouwen Dienaren Cheiſti / noch die heer:
iijlie fchaane Gaven des Bepligen Geeſts ver⸗
achten / foo Gp met geooten onrecht ober V
ang Hlaegt/ maer naden caed, deere / en ver⸗ te fchzijben / waerem wp die op dende:
maninge deg Depligen Geeſts / en der kacht loove leeren { ontfangen / ende haer tocdiez
deg waren Sabbachs / den balfchen acvepe, | HEN / achte ik geheel anmoodig : want wp het
ende Die irachtelooſe / onvoetveecdige / ende | eerftdacgs met fo vele Dundlijke Schriften en
boor gel gehuerde Prophechen dee Auti- redenen Den verftandigen Hefer hebben booze
chuflicjen Dicnaren / Die niet Chriſto ende, Leſtelt / Dat hn den geonde en die waerhepot
ijt Gemeente (foo fp vaemen) maer ha: | Met openene oagen fien / en met vollen han:
Die de openbare
Volger vander Doope.
Un den Doop der Geloovigen bele hier
ren Buck ende bee Wereld dienen, met den gryjpen mag.
Berlieg van Goed ende Bloed nalaten / enz
De met meer hooren ende bolgen durven / gez
lc nae alle Schuften en Godlijlie Waer:
hepdt (nademael fn uvt der Heere ende
duchten belient zijn) billijeck ende recht
18.
Hare Pꝛieſteren / feat die Heere / Teeven om
loon / ende hare Pzopheten Waerſeggen om
eld.
Verlaten haer op den Heere / enn ſprꝛeken: Is
Wil het derhalven onder wege laten / en
mu tot Die voornaemſte Actijkelen ende Ar⸗
gumenten (ceren (om De ſelvige met der
Scherift te wederleggen) daer mede Gellius
lijnen Kinder-doop voor Apoftolifch en-
de Chriftelijck wil beweeren ende voor-
{taen.
{ope het ook met alſulker Kracht en klaer⸗
bepd dooz des Deeren Genade te doen / dat ecn
Berbo nerſtandigh Keefer / Die het met acne
níet de Deere onder ong? Daer kan geen onge⸗ Dae leeft / met voller herten vaten fal / dac
luk over ang kamen.
Dacrom fal Spon om uwent wille als een |2ls mer lijn Beroepinge, voo
Pelt geploegt / en Jeruſalen cat ſteen⸗hopen
werden. Aich. 3.12, Ber.26.18/19. AS
ook openbaer/ Dat Gellius met t'ſamen alte
fijne gelijche Predilerg / Dat ſelbige daer ín
bp ong befchuldight/ gedaen hebben / want
fb lange boo? ons een Hpfondere Kercke ban
den Papiſten afgefondert opgericht Hebben /
gelijk allen Mewchen bekent is / en men geene
hus ſoocheuen kan.
Maer Dat Wp ons Lan haer hebben moeten
afichepden/ zijn ſy feloe Die gorſalie / Datong
ban herten lerd is: Want foo Wp dat rechte
by haer gebonden hadden / hadden top bp haer
Wel gebleven / maer nu hebben wp (lepder) ane
fen affchept met goed en bloed macten nemen /
fa men fien mag.
Diet / mijn goede Hefer / hier mede hebt an
Mijn eenboudige beantwoordinge over De na:
deſijſiſte Arrijkeien van de Beroepinge, die
Gelliustor beweeringe fijner facken , en bete
Klecuinge onfer ſaelien / op het alderkloecliſte
voortbreugt.
C'anfffele niet / ſoo qu dat fijne ende dat on⸗
fc ba den anderen haut ende met des Weeren |
Wooꝛd de openbare Vzuchten aen bepden zijs
Den vecht overweegt/ gp fult door Godts
y even fo weynigh met fijnen Kinder-doop,
des Heeren hepe
aerhent beſtaen
Eer ilt Dan tot der materien trede / wil ick
Ben goedhertigen Weefer niet ſonder oopfaeke
cerftmael boo? dogen ſtellen / als dat het over
ettelijke Jaren hem eenmael begaf / dat ick
met Joanne à Lafco, Gellio ende Her. han-
delde , en fo wy bele Nedenen ban den Doop
hadden / ende fp mp alle Schriften/ Die ban
der ſaeke melden / toeſtonden / dat fp ban den
Ouden of Gelaavigen gefproohen waren / zijn
wu ten laetſten tot den iuder-doop geltermen/
Die oock nae haer voozgeven (hoewel fonder
Schꝛrift) maefte vecht zijn.
Hebbe haer ten laetſten / nae bele wijdt:
faapige woorden / en onfchjeiftmmatige bewees
rungen ban haer boort gebzacht / twee Vra-
gen voorftelc, ende om des Heeren wille gez
beden / dat fr amp doch vecht na der Acheift
Daer op antwoorden Wilden / van de welcke
Die eerfte aldus lupde / namelijctt : Ofoock
een Ceremonie , Die fonder Godts bevel
—— toegedient / belofte hadde? Sy feyden ,
Neen.
Doen bzaegde ick andermacl/of níet deſelbi⸗
geCeremonie, die alfa fander Gods bebel woz:
lige Ozdeninge/ Woord en 1
kan.
Genade haeft defes Artijckels eenen goeden de toegedient /afgaderie ware? Sy Leyden, fa.
en klaren onderfchept/bericht/ voet en grond
binden.
Ende is dít ín Defen deel die Hooftſomme
geloobigen fijn werck wercket / noch
Dragen vecht bekenden /
. } weerde mannen / wat raet Dan met uwen Uin⸗
miner Aenwüſmge / dat niemandt ſonder der doop? Antwoordenfe alle drie gelijk
Den Depligen Geeſt / die ín allen Waren Chriſt· ſeve Menno wilt
Doen ick nũ hooꝛde / Dat fp mp op mijne
ſprack ick : Wel aen
: Ja
gp ons op cen bebel dringen /
| fonder fo bewijſt np ong eerſt waer het bevolen is / dat
Die Ware Weder - geboozte / Die Dat herte
mits den Geloove unt dat Aerdſche int He⸗
melſche berfcttet / noch fander die ongevepus⸗
Det Ware Liefde / Die niet dan ſijnes Godts belpartie en vleeſch was.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
men den Geloobigen Doopen fat.
Dat hoorende berſchrikte ich ſeer / want ick
ſag / dat het met haer ín den grond niet dan en-
Sch
Befluyt van
der beroe-
pings.
Sonder Hey-
lige Geeft,
Weder-ge-
boorte ,
liefde, onbee
ftraffelijk
Woort en
leven, kan
niemant
zecht pred
ken.
Merkt doch
hoede Ge-
leerde met
des Heeren
Woortom,
gaen,
—0— 264 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
EEN rarcir6ers Sel e haet tot dat 16. Capittel Marc | CChrijft dan Gellius ten eerften ende fept: |
0 5 cnid. —— gel. Die Heere ſpreeckt Gaet in die S dart wy lafterlijck tegen die Heylige Kercke
Hd gantíche Werelt , ende predickt dat Euange- fondigen ‚om dat wy feggen, dat die Kinderen . |
EEEN lium allen Creatueren , wie gelooft „ende wert { niet gelooven, geen boete doen ‚noch des Hee. —
—90 gedoopt; ſal faligh werden. Maer Dat konde | ren Woort gehoorfam zijn konnen, daer fy
KEKEN by haer geen bevel maken. doch (fchrijft hy } een groot deel der Kercken |
“Daer na wiſde ick haer tot dat 28. Matth. | zijn, ende indie Predikatie der Boeten door
Matth.18.19.Daer De Peer fpzeecht : Gaet henen / ende leert [den Prophete Joël aengeteeckent, met heldre
Dicipulate alle volcken / oft gelijck die Hebreeufche Text klare woorden genoemt werden, &c.
mn see heeft, Maeckt alle Volcken tot Jongeren /
Hebraica ve- ENDE —— (ſommige — Denen Antwoord.
citas act Doopende) ín Den Name des Daders/ — vizie
* Soons / ed des Hepligen Geeſts: Wet (\rcheifemaeigh ís fijn jd onfchaift-
holp haer oockt níet/ want daer ſtondt (fepden —* matigh ſal oock fijn midde ende epnde
fp) Woopende/ ende niet Dooptſe / Poewel fn | In: neemt het waer ODE LOOR fal onfen
(depder ) meer alg mel wiften / dat Die gewifte nichter zijn. Segget Lieve) Is het Miet een
ende fekerfte Eert / namelijck / die Hebreeu-, groote blinthtendt / dat hy de onmondige kin-
fche, gebodiſche wijfe hielde ende Dooptſe/ in [deren onder die Predikatie der Boeten hier be=
Imperati vo, dat ict noch op Die tijt fa duntlijck fluyten wil? Ende bekent een wenigh bier nae |
niet gelefen hadde. ſelbe / dac fy die Leere (die een Leere der Boe- |
Diet) fo moetwillighlijckt ffceden fp tegen |ten is) om de fwackheydt hares verftants niet |
Gods Klare Woordt ende Waerhept / dat fp | vaten mogen. egen ſy dan de Keere niet
openbaerlijck verloochenden / het Wate geen | Laten / hoe fullen ſyſe dan gelooven / gelooven —
Gebodt / daer fp hee fa menighmael (oock in | fp niet / hoe ſullen ſa dan Boete doen? Ende oer BEA
die butherfche Tranflatien ) gelefen hadden / | doen ſy geen Boete / hoe konnen fp dan OND gaer is oock
Dat het de Heere met cen untgedruckte Gebodt |De Predikatie der bceten begrepen zyn? Wee geen Boet es
bevelen haode feggende : Ende dooptſe. ben fpdan noch Leere, noch geloove, noch
Als ick nu merchte, Dat ft fo door dat Parti- | boete, Die fn dock nae lupdt fijner epgener
cipium een nprvlucht fachten / hebbe ick foo | woorden doo? dat gebzech hares verſtandts
tot haer gefent : Ick gebiede mijn knecht / niet hebben konnen / ende oock niet noodigh
ende feage / ſoo gaet henen / ende ploegt den ig / foo ſn doch Godtg eygen zijn/ ende De fonde
cher) zapende met Tarwe : Gelijk die Hee⸗ | noch niet levendigh in hact gedoogden) noch
re fepde / Gaet / endeleert alle Bolckten/ haet in fijn kracht ende vzucht gekomen is / moeten
doopende/ Ee. Wier vzage ickt u (fepde ickt) immer alle cechtberftandige beltennen/ dat hu
of ick niet man Unecht Daer mede bevolen heb: hem felven ſtraft / ende meldet/ alg dat bp ons
be / dat hu den Aelter ploegen/ende met Tarwe onrecht beſchuldight / dact hp ſegt / dat wy daer |
bezapen fal? Hoewel dat Participium Zapen- | mede lafterbijck regen die Heylige Kercke fon- |
De / gehijch Dat Participium doopende daer | digen fouden, om dat wp feggen / dat Die klep⸗
ſtaet. Antwoorzden fp/ Dat ware Philoſophie ne kinderen geen boete Doen / noch gelooben/
ende geen Scheift. Siet mijn Leſer / ſo noch gehoozſaem zijn konnen, dewijte hu ſelve
plompelijck fochten fp de waerhepdt te ber | bekkent/ dat fy door dat gebreck hares verftants,
loochenen. die Leere niet vaten konnen, waerupt geloove /
Degeleerden Dit fiende / dat mm fa met overwonnen herz boete) ende gehoorſaemhepdt booztſiomen / al⸗
handelen foo ten obſtinatiglijck verhardt (gelijek Die Pha⸗ ſoo geſept is,
ee at riſeen) Gp Der leugen blijven wilden / ende wil⸗
het Gode Den Die krachtige ende Klare waerhepdt geen TE tweeden fchrijft hy : Het iseen Kercke
beteren —_ platfe gunnen / opde ick ſeer badzoeft / ende ende een Geloove in. den Ouden ende
OL, fprackt: Och Mannen Mannen / naedemael Nieuwen Te ftamente, van Adamstijden aftot
ich ín Der Dact bevinde / dat alyp met betkieet | ger Werelt uytganck, ende heeft in den Ouden
ben heeten Gods Waerheydt van U ſtoot / ende Teſtamente van Abrahams tijden af tot hare
uwen luft aen Dee Leugen hebt / wil ick mijn varfamelinge, opbouwinge,;wasdom, ende ver-
mondt flupten/ ende niet ECT woort ban Der meerderinge , dat bevel van prediken ende be-
ſaecken meer met u ſpreecken Wart het is ſnijden, ende in den Nieuwen Teſtamente van
—* eije hs ERE iifve, Predicken ende doopen te famen ‚ oock fon-
Mijn! € act! hzijve oe |
fa eh deu dage Jefu Eiyrifti in fijner beefchijz der onderlches dt der perfoonen van oudt ofte
nínge/ voo? sdk hai ei ende eeuwíz | JORER XC |
en gerichte alfo Gebonden worden.
3 Siet /foo oneerlijck handelen fp met Gods Antwooꝛd.
edele ende eeuwige Waerhept / dat fy haer op A Die van Adams tijden af tat hiet tae
dier tijt lieten duncken , als dat fy om den Chꝛiſti geeft / ſin ende gemoedt gehadt
Geloovigen te Doopen, geen Bevel in der | hebben /ende oolt ten eynde hebben ſullen die alg
Schrift hadden: maer nu hebben fp overvloe⸗ | gehoogfame kinderen ín vacht des felbigen
dige veele Bevelen / dat men Die onberftandige | Geeft in der Waerhept een pegelijcht ín fijnen
Och och, hoelkinderen Doopen fal. O God / fo ſpee⸗ | tijdt gewandelt heeft / ende Wandelen fullen/
jammerlick ie Zielen Der Menſchen / ende | zijn deg Heeren liercke / Rijck / ende volck ban
wort doch. Wet fB met Die in Den vaften grondt der | Den beginne geweeft / ſullen't oock eeuwigh
met der Weten niet hoe ft id | Nn Gel
menfchen waerhepdt bupgen / bzeecken/ ofte dzaepen blijvem verſtae ick. Maer billijck oude Gel-
zielen ge-_fillen / op dat fin fonder alle Crups op den cup | lius Daer by gefet Gebben, dat een peder tijt ſijn
koen men weg bipven / der Werelt behagen / ende | engen Veere /Ordeninge / ende gebzupelt gee
Dat forgeloofe teven in welluft hares vleeſch hadt heeft: Dat ſy ban Adam, tot op Abra-
voeren mogen. ham geen Ceremonie aen Den er
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
AG.7.37.
| Chriftum
' moet men
hooren en
volgen,
loa.17. 17.
Ioa.12.se.
Chriftus is
die Wijfe
Raedgever.
Efa.9.s.
den genen
leeren,die
noch gehoor
noch vernuft ſtus Wil dat men
hebben.
Mat. 13.13.
Mar.4. rz.
Luc 8.ro.
Mar.16.15.
Mat.28. 19.
Beut.18. 15.
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
265
brunkten / want die Heere ſullis niet bebolen | de / gelijk de Schꝛrift fet / Het. 23. 17. Czech.
hadde : En dat die Beſnijdinge han Abraham | 12.7. Deqgtmijn Hefer, is her niet cen bees
tot op Chriſtum in harer Erden
ede
unge geweeft | metelijke daedt / en gerdoemelijke ſtouthendt /
heeft: act nu hebben tun Cheiſtũm den | dat hu derf uptſchrijven boor Be gantſche we:
beloofden Propheet / daer on ù
fe gantfche | celdt/ Gaat hebbe Get bevolen / daer het die
Schaft wijſet / Dat an hem haaren ernde bal. | eeuwige Wijshendt noch met Woozdt / noch
gen ſullen. Gods eeuwige Woort en Wijs⸗ | met Werck / in Die gantſche Schzift gedacht
hepd / alte Die in fijner Heere Biifaen / ane | heeft.
Men daagleefe dat gantſche Nieuwe
belen ín die waerhent / want ſijn Woord is die | Teſtament van het begin tot aen het epude /
waerheut / en fijn Gebodt dat eeuwige Wee | kan men cen letter vinden / die des Heeren
ben. “Joan. rz. 17,
Defe wijſe Fraed-gever /
Wat Oꝛdeninge ong mondt daer over bevolen heeft / of dat het die
ofer Dern kinderen des | Apoſtelen aen eenige plaectfen geleert of gez
Nieuwen Teftaments nu gemaekt heeft / wat beupit hebben /wp willen door Godts genade
han ons daer ban bebalen/ ofte niet bevo—
len heeft / magen alle Godvꝛruchtige getrou⸗
We herten in fijn Heylige Woorzdt naſoec⸗
ken.
daer Dat he fegt / dat fy in den Nieuwen |
Teftamente fonder onderfcheyt der Perfoanen |
van jonkofoudt, Prediken en Doopen , is na
— —— ſo * tegen alle Schrift / ver⸗
nuft / en ook tegen fijn epen Woord geſproo⸗ Ge |
ken/ dat hp hem billjek hee van fchamen ' Zielen met openbare leugenen vertent/ dat
Hocfalmen moet, Want wat kan men dach den onver:
eendeachtelijk bekennen / dat hp vecht heeft.
Aengeſien Dan meer als klaer is / dat ’et
gantſeh miet ín Die geheele Heplige Schzrift
ban geroert wert / als gefendt is/ ende Ga
ebenwel fclzijven derf / dat heruyt Gods Bes
vel gefchiedt, mag die Godvzuchtige Leeſer
aenmerkien / hae jammerlyk ha (bpfonder nu
Die waerhepdt geopeubaert is) tegen fijne
Godt fondigt/ en hee klaegkijcit hü de acme
hu fchzijft / het zy Godts bevel , daet het die
ftandigen Klepnen kinderen tot beteringe van | Heplige Geeft (ſegge ick) niet met een letter
Godts Woord leeren en baazdzagen* Chí- in Der gantſcher Schaift gedacht; noch door
men den beeftandigen dat Euan⸗
gelium Peediken / en Die daer
aen gelooven /
Doopen fal : Pp heeft aak over Die facke geen
Ander bevel / opdeninge nach gebzunſi ín fijnen
Euangqelio nagelaten.
Daer toe bekent Ip ook ſelbe / dat die Kin- |
derkens door de des ph die Leere | openbaer/ Dat Abraham ban Godt belooft
niet vaten konnen, fo verhaelt is. Pach
Schrijft hn evenwel tegen deſe heldere Klare
opdeninge des Almachtigen en grooten Gods /
en oackt tegen ſijn engen bekenteniffe / als dat
in dat Nieuwe Teftament {onder onderfcheyd
der perfoonen van oudt en jonk geleert endete
Doopen bevolen wert. Siet / fo plompelijkt
doolen ende Dwalen alle die / Die des Geeren
Wood verwerpen. Heet dat niet Chriſtum
met gewelt untſtooten / en Antichriſtum we⸗ |
Der invoeren / enig fulks niet openbaer onz
vecht? fo heb ick mijn leefdage een woozt met
vechten beeftande ín der Schrift noch niet ge⸗
lefen /
moet ick wel bekennen ende toeftaen.
—F derden ſchrijft Gellius dat de Kerke
den kinderkens uyrdat Bevel Godts, dat
niet verandert is, fo hy ſegt, onfen Ziade ende
Kinderen (wy die na der Belofte kinderen Zijn)
niet ongenadiger of toorniger is, dan den kin-
derkens uyt Ifraël nae den vleefche gebooren ,
de verfeegelinge des Genaden Verbonds geeft ,
om der gemeynfchap wille, die ſy aen ’t Vere
bondt Gods of belofte, en aen de faligheyt der
Kerken en dat eeuwige Leven hebben , na luyd
der woorden: Ick wil u Godt zijn, ende uwes
Zaeds na u.
Dar alfo in de vergaderinge der
Kercken, inden Ouden en Nieuwen Teftz
mente eenerley en geen verfcheyden gebodt ge-
houden wert, beyde in der Predikatie en ge-
bruyk der H.Sacramenen.
Antwooꝛrd.
Jer doet Gellius evenwel gelijk als alle
alfche Pronheten altoos gedaen heb:
Ben / die den volſte klaeglijk bedzeagen / voorz⸗
gaven en fepden : Dat fpzeeht die eere Wez
ke / hoewel het De Heere niet gefproalien had
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
|
woozd of gebruyk dee Waerachtiger getupgen
Chꝛiſti fijn Herke geopenbactt Geeft.
Dat hy oolt ſegt / dar bevel is niet veran-
dert, is ſoo plat ende plomp tergen de Waer:
hepde geſpzoocken / Dat men hem fijner woel
gerwonderen mag. Die Scheift getunght
worde bermeerderinge ſijnes Zaeds / en Dat
Landt Canaan tot eeuwiger beſittinge / en
alſoo worde hem daer op bevolen / dat hu
hem ſelven fijn Soone Iſmael / Ec. beſmj⸗
den ſoude / alſo ook alle knechtkens / wan⸗
neet ſpacht dagen oudt waren / Want het
faude een Verbondt in haren vleeſche zijn. Gen. 17, 13,
Enne alfoa worde Den geloovigen Abraham Cn 14-
op Die Belofte Der bermeerderinge fijneg
Zaedts / ende op Die befittinge des Landts
Canaan / dat Bloedeteeken Der Befnijdinge
aen den Poozhundt fijns vleeſchs apgelendt /
aen Den Kneeltliens / en niet aende Meps⸗
kens / op den achften dag Ec. Maer ons is
níet Dat Bloedt-teekken der Befnijdinge, maer
den Doop in Den Water bevalen. Mercelit
ten cevften een veranderinge niet on den acht:
flen Dag / maer wanneer Wa daoz den dienst
Des Geeft in den Geloove unt Godt geboren
Binderen ende Navolgers Abrahe geworden
zijn. Merckt ten tweeden beranderinge
niet alleene die Mannen / maer berde maur
nen ende Prouwen / die daor De Predikatie
des Hepligen Woozdts / dat Oude Leven
Der ſonden begraven / ende met Cheiſto im
een Nieuwe Leven opſtaen / Fom. cap. 6.3.
Die ban beeflagen herten zijn / Act. cap. 2,
U$ 37. Die hare heeten ende gemoedt beſnij⸗
den/ Col. cap. 2.ÜS 11. Die Ehsiftuun in der
kracht aendoen / Gal.3.27. En dat getupge:
niffe eener goeder Conſcientien voor Godt
hebben/ 1 Pet. 3. Vs 21. Merkt ten derden
veranderinge. Summa / niet om een letter
lijkt Nijli ende Mand te befitten / en cen groot
Dolkt op Werden te Werden / gelijkt Abraham
ín fijne Zade belooft worde / maer om dat
Wood Gods ende fijn getupgenifte atterten
bangighend / droeffeniffe / jammer / ende ci-
(lende in defer Wereldt te dagen / fijn herte
ban
266 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
san alle ſienlijckie ende verganckelijcke dingen ‘gegeben/ gelijck de Pelsrocken Ade / deYige Genel-17.10.
af te keeren / Dracht / Prael / Wercidt, Olceſch geuboge Jhot / De Beſugdinge Abꝛahe / bat —
ende bloedt af te ſterven / ende alſoo im on⸗ Jaerlyckſche Offer Des Hoogen·Pꝛieſters Ee.
ſer fwackheydt te wandelen / gelijck Chri⸗ eendzachtelijck ap Chriſtum wijten / bie —
ſtus in fijner volliomenheydt gewandelt uu verſchenen is / Daer (nne De boorgaende gen renta
heeft @c. Merclit ten vierden Leander | Teekenen alle geepndight Zijn / Dat Wp NU ments heb-
ringe. geen gewiſſighent oft veefeegelinge door upterz ben mer
—0— Biet mijn Leſer / hoe openbaer vervalſcht hycke Teeclienen ende beelden hebben } maer Siko ure
Yu de Schrift / ende hoe geweldelijck verdzaept door bat ware Teechen aller Teeckenen / Chri⸗ —
bu de Waerhepdt / daer hu fchrijfe/ dat Bevel zy ſtunm Jeſum / alſoo hi ſelbe ſegt: Gelijck
niet verandert, Ende dat in de vergaderinge Moſes dat Serpent in de Woeftijne berber Onjesewitte
der Kercken in den Ouden ende Nieuwen Te- | Ben heeft / alfag most oock des Menſchen ——
ſtamente eenerley ‚ende geen verſcheyden Ge- | SOC verheven werden Op dat alle die gen hem Chriftus Je-
boden gehouden werden, beyde in die Predi- — niet vergaen / waer Dat ceuwige le⸗ ſus.
katie, ende in het Gebruyck der Sacramen=|UERGEBIEN. Ne De
ten „Daer ’t Dac al te mael Gerandert ende | Want fo liefheeft Godt de Werelt gehadt / IOA 10
nieuw gewaden is / gelijck men fn de Looze F pr fijne eenig geboren Bane gegeven
gaende Aenwyſiuge onder kkozte woozden in | JELIE. *
alie flaerhenoe foeucen ende fien magh. Gen tweeden / om dat wa nu geen Dole:
Of dat met heet de Waerhept in leugen vers | Des Letters / gelijck alg Iſtael / maer cen
Keecen/ meught glu beeeder nadencken. Bolcl Des Geeſts zijn/ Die al te baren, cet WL
Teem / dat hu ſchzüft / der die Kercke [tat ben Teecken komen / Doo? Dic Predikatie
onfen kinderkens niet ongenadiger ende toor- (Der 25 een tot Godt bekeert ziju, Die dat oude :
niger is, dan den kinderkens nae den vleeſche leben der Bonden afſterben / dien dat Acht we Geeft ee
uyt Ifraël geboren, verſtae iclt/ Dat fijn mere Genaben in het herte verſchijnt / dat ware Vre⸗ sier
& 55 fer Conícien=
viinge Dit 3m / vamelijckt / foo Godt nier wil |DE- Ceecken Chriſtum doop ben Beloobe aem» zien verfee-
dat onfe kinderen fallen gedoopt werden, dar | hetuen / met hem in bet nieuwe Beven ope gelinge.
hy dan onfen kinderkens ongenadiger Zy» dan ſtaen / ende alſoo doop den onderpandt deg Hen⸗ Ir ie
hy den kinderkens der Befnijdinge geweeft is, ligen Geeſts / ende eeuwigen Perbonts / ende ——
Hier merckt GE FE eg Godtllier Genaden / in onſe Confcientien boo?
Daer mede hu openbaer alsdan betungt / Dat ——
lijek Gellius hin Godts Nijck / Genade / ende Belofte aen Want foa tn voor dat teelten in onfen her:
met delen, Dat teeken bint, ten er Aah waren, fo konden tn backs
Teken tegen ' ° en Kf . 2 cciUl kn ' it
fijnenGode Tant foo Gort Dt Kinderkens alleene voor dat Teeckten geen ware Boete doen / noch
hoereere, _ Qenadigh is / die fa een untwendigh teken achtinge! fe! banafahent/ faumnet/
ontfangen Gebben /oft ontfangen / foo volgt de verachtinge /ſchande vangigtjept) ſammer /
ende eliende des Crunces op ong laden.
Maer met den Ceechen/ Dat wp tat gez
onwederſpreeckelijck / dat Godt allen kin⸗
hoorſaemheut des hepligen Woozds aennez
— deren goor Die Wet der Befnijdinge onge
Gellii ordee í í *
hahah ende toomiah getoeett AL Daer: Loe men/ betupgen Wp/ at Wp Door Chriſtum
(díe Dat ware Ceecken Der Genaden is) ong Hier merckt
oe aca EN 5 onder die Wet / —— den
hier voor achtſten dagh / ende in die veertigh Jaren — OR 5. wâerom e
tijdesniet be- fn ber Waeftijne florven/ met alle MPacghden (Van den Dader gefchjonekien / ende Door E aes roe wy
ſueden, ende y 5 et 8 1 WMooꝛt gepzedickt / vrede met Godt hebben / en⸗ gedoopt
mu ziet ge. ende Djauwen, want fi waren niek beſuee den de Dat an den eeft fijver Genaden voor hem werden
doop: zijn. moeſte oock allen kinderkeng des Nieuwen beefeegelt zijn. ° :
Eeftamentg toomigh zijn / dewijle ha om, midd *
haer te doopen geen Bevel gegeven heeft. Siet mijn Hefer / hier merckt ohp nu/
Och neen / Den Lifnderktens behoordt dat dat ons de Teekenen des Nieuwen 1 eitaments
Nijcke Godts toe/ niet daar eenigh Eelien/| niet verfeepelen noch verfekeren, gelijck Die
maet alfcene upt Genade door Cheiſtum Je⸗ | Geleerde den armen Polcke voorgeben / maer
fun. Matth. capictel 19. UB 14. Dat onfe eenige ende eeuwige gewiſſighent
Hier ge- Ende dat ha den Kinder - doop allent- | Ehriftug Jeſus ig / det Be beeftegelinge ouſer
bruyckt Gel- halven een Verfeegelinge des Genaden- Ver- | Conftientten de Heplige Geeft is / Nom.4.14.
— bondts noemt, ſegge ick daer op alfool: Lp | 1 Hoan. cap. 3. Gers Lo. Ephef. Cap. 1.4.
pronckinge beenge mp een Dupdtlijche Letter upt dat Joan.rs.rs. 1Eor.r3, 8. Ende dat de Ce.
endegeleen- gantſche Nieuwe Teſtament biet baor/ daer [kenen oft de Sacramenten niet wijder noch
den naem den Doop der Geloobigen van Godt bevo⸗ | anderg/ dan Den boetveerdigen / berfeegelden/
kinderdoop. fen / een Derfeegelinge deg Genaden- Der- | ende verſekerden Chꝛiſtenen tat (ocen eynde Des nieuwen
bondts genoemt werdt / chde De ſaecke fal {gegeven zijn / dat fp ong vermanen ende vooz⸗ ——
aen ſjner zijden flaen. Maer ich meet dragen / dat wp Mm cen ceuwige ende ſtadige
wacrachtigh dat hp dat nimmermeer doen | Boete wandelen ſullen / onſe Geloove Daer me: maer ver
fan. Wort dan Den Doop Der Geloobi⸗ |De oefenen fullen/ ende Den Hecre fijner onunt⸗ tegelen oft
gen ban Godt felve verordinerrt / fa níet gez |fpzeltelijcher grooter liefden ende heplfame Ger ver eeen
noemt; hoe kan Dan den Kinderdoop alfoo [ade door Chriſtum eeuwigh daneken ſullen. ‚
genoemt werden’, Die níet upt Godt ende | Alle die u anders leeren / ende u op Wa-
Godts Waadt / maer een Engen beeksiefin: } ter > Broodt ende Wijn wijfen „dat ghy daer
ge ende menfchen gedicht ig 4 mede verfeegeltoft verfekest werdt, gelijck
Wil hu hem op De Befnijdinge beroepen; Gellius hier doet, dat gn Daer mede pet
ſoo ſegge ich / dat hetitwee beeichenden Tee: | wat beekieijght / die Wijfen u ban Dat Ware
kenen zijn / ende Dat het eerſte Teeken met | Weſen tat de Teeckenen / ban Elyzifto weder
Dat laetſte in geener wijſe over een komt / ende | tot Moſen / maken u cen pdel hope ende val⸗
Bat om deſe oorſaecken. ſche ſelierheyt / dat ahp onbaetveerdigh ende
Gen. 3. 21. Een eerſten / am dat alle Teeckenen ſonder Chriſto blijft uwe leefdage / want ghy
Gen.9.16. WOO De Wet / ende in De Wet den Vaderen vertrooſt u foo ſeer met Die Teechenen/dat abu
an
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Over een Schrift tegen Gellium Fabers. 267
aen de betekende Waerhent allenthalven mis⸗ Alle die ons Dau befchuldigen / om dat wy merckt der
Merckt, grijpt / gelijck men (fepder) aen de gautſche wij⸗ onſe kinderen nieten Doopen, Die daer Erfge⸗ geleerden
De Werelt apentlick fpeuren ende {fen waagt. ¶ namen der Beloften zijn / ende van den Doo sn enn
‚Aant hoe droncken / hoe gierigh / hoe pꝛa⸗ pe geen Derbodt Hebben / Die beſchuldigen op, dar” de
ligh / Gee pdel ende leugenachtigty ſo dock zijn/| ooch Iſrael daer mede / dat fit hare Maeguh⸗ verleydinge
vgermen (p evenwel, vat fa Chriſtenen zijn. Den niet befneden / Die Mede -genooten der seapen ‘hijr
ao worden fn met deſe Godtlooſe verſeege⸗ Beloften waren / ende van Dec befmijdinge werck wac
linge Des Afgodiſchen Waters, (ick feage
Afg geen verbodt hadden. 2 ick fchrijve
Godtloofe berfeegelinge/ om dat het fo plat te-| Ten derden ſegge iclt / dewijle ick bemerclte/
gen Godts Woodt is/) ende met Der Predi- dat Gellius der geloovigen kinderkens alleene
kanten Bzoodt ende Wijn getrooſt / Dat fn alle | onder den doop hier beiluyt, ende niet det ons
met den anderen op ripmnen wege wandelen) geloovigen / ende hp wel weet/ dat de hoobeer⸗
ende bupten Godts waogt blijven. | dige / gierige / pralige / nijdige / bioedige / hoer⸗
iet / datis het epgentljek effect ende de acpeige / ende Afgodiſche miet gelooven / noch
bjucht ban Gell berfeegelinge, Die hp ſo heer⸗ na dec Schrifc belofte Gebben / kan ick ma
lijck peijft/ ende fa ſchaone voordraeght. fijner onachtſaemhent met genoegij bec wans
Maer ſoo beel Die Dpreuciie belangt / Ick | deren / Dat hp tegen fijn epgen Gelaave ende
wil uGodt zijn, ende uwes Zaets na u, &c. Heere oock alsdan dier lupden Hinderen
waer upt fi beſlunten / gelijck als Abrabams| doopt / die hp ſelbe mact bekennen / dat ty
kinderen op gelijcke Belofte met hem befne-| fonder Godt ende Chrifto zijn, ende Volgende
en Zijn } dat oock alfo onfe kinderen op ge-! geen Belofte hebben. Segt hu dan/ der hem
lijcke Belofte fullen gedoopt worden. Ant⸗ niet een yegelijcks geloove bekent is: Aut⸗
woodde ich ten eerſten ſoo Daer op : woorde ick wederom: So bekent hu ten eer⸗
Antwoortop __Âbraham geſchiede een belofte Godt wilde ſten Daer mede / dat fijn kinder-doop een onge⸗
— fijn Godt zijn / ende oock ſjnes Zaets Godt wife grondt heeft: So men ſchoon na lundt
acht, na hem / Daer inne de Maeghdenens niet wen⸗ fijner epgener waarden op De belofte Dee Gu⸗
niger alg de Knechtkens begrepen aren deren Doopen ſoude / dewle jn uiet weet of
moetmen toeftzen : evenwel heeft Iſrael Die Ouderen geioovenof niet.
niet De Maeghdekens / hoewel fn iere-er: _ Ende ten CTweeden / Dat fodanige Ouders
ven Der Beloften Waren / maer de Knecht⸗ Boomen ſonder vruchten / en Lichten ſonder
leng alleene befneeden / ende Dat daerommie / glants zijn.
De Ifracliti- Want ’t Godt alſoo berogdineert hadde : Waer Dan wat wilmen beele feggen Sande
che Maegh- typt men met vollen handen grijpen magh dat, Gellius alle fijne Przalers / dꝛonckaerts / Woelte⸗
denwaren De Nnechtliens der nakomelingen Wbzate/ raers / ende durechtveerdigen / ſonder alle aen⸗
mede-erven
der belof- Miet om der Beloften wille om des Gebodts fien dee perfoanen aenfeagen / Dat fn noch
ten, evenwel mille Abzahanm ende fijnen Zade opgelendt/ Ehꝛiſtum / noch Belofte hadden / ende hare
„a befne- poornamelijcli beſfneden zijn: Waut foo het, kinderen Lan den Doop afweeren / faude ha
— unt liracht ber Beloften / ende niet des Ge⸗ wel niet lange Prediker binnen Embden blij-
bodts gefchiet Wave / ſoo moeften oacit de ben / ende dat gemackelijckt fozgelaos leven in
Maeghden / als Mede genooten ende Erf-gez | goeden Leede houden.
namen Der gelijcker Beloften / beſneden gez
waden zijn/ is onwederfpzekelijcit, Wy deer fchrijft hy, dat Paulus betuygt, als
‚(Gen tweeden ſegge ick / foude Ifrael Ge! datden doop in plactfe der Befnijdinge
* bm zen lii ende fommiger Predikanten Leere ende gekomen zy , eene beduydinge heeft , ende de
re aen ijn grondt in defen deel gevolght hebben, ſoo moez | befnijdinge Chritti genoemt wert, &c.
Macghde- ſten ſy oock hare Maeghden beſneden hebben /
kens niet miet lettende dat fn geen Gebodt hadden /
recht gehan-
delt.
Mfrael heeft
Antwoord.
den Verbondts / gelijck onte Kinderen (Dact fit
op dringen dat men doopen fal) Erf-genamen
oft NAcde-genogten der Beloften zijn.
Gelijk die _ Spreken fp dan / het Gebodt drong op den
sjen ge- Knechtkens, endeniet op de Maeghdekens,
knechtkens hoewel de Maeghdekens oock kinderen der
te befnijden, Genaden waren. rqge fch wederam / fo
— gebiedt iz De ſake met haer al verloren. Want ge⸗
— lijck ap Dier tijdt dat Gebodt der Beſnijdinge
te doopen. OP De incechtkens Drang / ende niet op De
Macgdehens / hoewel de Maeghdekens ge⸗
lclie Belofte hadden: Alſo dzinget oock nu | f:
Dat Gebodt des Doops op den Geloovigen
ende Boetveerdigen / ende niet op den onhoo⸗
eigen hinderen / hoewel fp Mede⸗ genooten gez
Gellius ende lijclier Beloften zijn/ fo gehoort ís.
ae, wer Shrelien ſy wijder / is de kinderdoop niet
ook daer Beboden, fo is ſy oock niet verboden. Daer
mede , dae fy dp antwooꝛde ick / De Beſnijdinge der Maegh⸗
hare Macgh- Ben was noch geboden nach verboden) gelijck
den niet be-
fneden,want den Kinder doop noch geboden noch berhoden
ty om fulcks is / ebenwel hebben fn de Maghden níet bene:
te doengeen Den / ende dat daerom / om dat het de eere
her ode had- mjet betalen hadde,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
dae
want fn Waren mede - genoaten deg Gena⸗ Hee fal hem Paulus ſelve ſtraffen / als dat
hp fijn grondt ende woozt onrecht ende Col.2.8.
valfch gediwdt heeft / Want foo fpzeecht hp :
Diet toe / Dat u niemandt beroobe dooz
Philoſophie ende loofe berlepdinge / na der
Menſchen Heere / ende na Der Werelt inz
fettinge / ende niet na Ehriftum/ Want ín
Overtghent/ ín welcken gh ook beſneden zijt
metter Beſnydinge / die founder handen ges
ſchiet / door aftegginge des foudelijken lichaems
in Den vleeſche / namelijck / met der Beſnijdinge Hier is ook
Rom.16.16.
Heb. 13. 9.
hem waant de gantfche volhent der Godthept
lichamelijck / ende qhp zijt deg felvigen vol / die
tís dat Hooft aller Boꝛſtendommen ende
Chꝛiſti / indien dat ghy met hem begraven zijt Gellius eer
doo? den Doop/ ín welcken ghn oolt weder op· —
geftaen zijt / door den Geloobe / Dat Godt olv det 5
werckt/ die hem apgeweckt heeft van den doo⸗ Pauli.
den / ende heeft u ookt met her levendigh gez
maeckt / doen ghp Doodt waert in de fou: FC
den/ ende ín De Boozhundt uwes vleeſchs.
{a te hoo⸗
valíche uyt
Eph. a, 4.
1 Coró. 1r.
Col. 3. 7,
Getronwe Hefer / merckt op Des Heeren Tit. 3. 3.
woort / de Leere des RNieuwen Teſtaments ed
fijne Sacramenten handelen aen niemant an anar t°
handelt met
ders / dan acn den ke ooren hebben om den verftan-
ende Dat nieuwe
igen.
vind &
268 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons;
geben / de Doop verzegeit ons, maecket ge- | Dat hu Gan de onmondige ende jonge kinderen
wis ende feeker , dat wy der Genaden Ver=-| gefipralten heeft.
bondts kinderen zyn, Dat Godt by fijne Sa-| Dat deſe gantfche fpzeuctte Pauli / op den
cramenten krachtighis,8&c. @venwel nim⸗ Gelaobigen ende boetverdigen lupdt / ende
mermeer noch berfeegelinge / nach ſekerheydt | niet op De onverftandige klepne Winderen /
noch kracht in eenigee maten in haren her⸗ moeten alle redelijcke (ſwijge Geeftelijche ) Geet ende
ten Vinden / gelijck De beucht kont doet [bekennen ende toeſtaen. Hach fchzift ba
maer foo men ín eenen fchijn deg Euange⸗ evenwel / dat defe fpreucke medebrengt , dat scher ° 1i-
liums ban den Predikers op eenen balfchen | den Doop in de plaetíe der Befnijdinge geko-chaem met
roem / pdele hope / ende ongewiſſe felier-|men zy, ende Chrifti befnijdinge genoemt den water:
bent gelendt Werden / Wil ick alle mijne Le⸗ werdt. Ende merckt niet/ofte wil niet merc-
ſers ende toehoorders met Defe voozgeroer⸗ ken / dat Chziftt befnijdinge hier tan Paula poop Chri-
De Woorden Pauli ín aller liefden trouwelijck geroert / ſonder handen gefchiet/ Ende hp fj —
vermaent hebben / dat fp haer doch m genen nen Kinderdoop / Die hu Chꝛiſti befnijdinge
wege met ſulcke hoogh - beroemde ſchoone noemt / dagelijcks met fijne handen toedient.
woozden / doorz epere ende looſe berlep: | Diet / foo klaeghlijck vervalſcht hp den hepli⸗
Dinge Der Menſchen meer bedriegen laten/nae |gen Paulum / ende foo geweldighlijck bzeelit
Niekeyfer Hp ig Dat Hooft aller Geweldigen / dien alle loobe / noch Boete / dat die Teeckens in den
maer Chrie_ Hitpen bungen/ende alle Congen belijden moe: | Nieuwen Teftamente aenwijfen / voorgaen?
Rus wil de ten / Dat bn Die Heere is / ende behalven her: MWoeſte oock alsdan dat teechen / ende datter
Heerfther geen ander meer is. dooz heteeckent wozt / een dinck zijn / dat van
— Derhalven oock fijn Wooꝛt gelden /ende fijn | den beginne niet geweeft is / norh mmermeer
Rom. 228. Bevel ſtaen nroet ende niet wat de Werelt aen | zijn fal / ofte de Wetter moefte Geeft werden/
fijnen Kijcke oft Wevcke fetten ende hebben | is onwederſpreckelck.
wil. Fn welcke Chriſto alle wedergeborene/ | Ja mijn Hefer / hoe die gedoopte Kinderen
die fijneg Geeſts hinderen zijn / nu niet met met Chꝛeiſti beſnijdinge aen die Doorhupdt
handen ende mes / alg Iſrael ín Den letter) | hares herten (Dat Die befnijdinge deg NReuwen
maer met des Heeren woort / Geeft ende | Teftaments ís ) beſneden Worden / bewijfen
kracht / aen Die ontepne Boorzhundt hares (och tepder) der gantſchen Werelt vrucht / eude
heeten beſneden werden / dat fa nu een nieuw daedt wel.
De befnij wedergeboren Iſrael ende volcki Godts ín den
—* dek: Geeft geworden zijn / door die afſtervinge ha⸗ En vierden fchrijft hy, Gelijck als in die
is geeftelijck. CES fondelijchen bleefchs / ende verdempinge fchriften ( die daer betuygen , dat die
deg ouden menſches met Die befnijdinge Chri⸗ Vrouwen gemeynfchap aen de verdienften
ſti / die hare herten met fijn woort ende Geeft | Chritti hebben, ende Difcipulinnen zijns) een
ſunvert / ommelieert / ende ín eenen anderen | Gebodt Pervaet is , datmen die Vrouwen dat
ende beteren fin verandert. Want de boet-
beerdige Dao? den Doop met hem begraven /
dat onde fondelijcke leven affterben / ín dat
nieuwe leven der gerechtighent ende alter
deughden opftaen/ door Den middel Des Ge
loofs / dat Bodt door De Predikatie fijns krach
tigen woorts / ende beroeringe fijns 1. Geeſis
ín allen Geloobigen weeckt. Want de gez
trouwe Godt ende Dader / Die fijnen lieven
ane ban Den doot berweckt heeft / heeft oacis
fijn ſtercke liracht aen ong ellendige Sondaers
Ephefa.v.r, beweſen / ende heeft ons / wp die in de Daoz-
Phil.2.13. hupdt onfes ſondelijcken vleeſchs ín foa vele
1 Pet. 3e10. ſware fonden ende gebreecken daat waren /
Pfal.r19.1res. : pn fe
Barach. a. genadighlijck ín Dat niente leben met hem
huez. 3 OPgeweekt/ unt Der dunſterniſſe ín t Wicht
beroepen / ende ín dat Wemelfche weſen te fa-
men met hem gefet in Chzifto Jeſu.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Siet mijn Hefer / biet bebt ghu den epgentz
Avontmael mede uytreycken fal. Alfoo (ſchrijft
hy) is oock inde {chriften (die daer betuygen,
dat de kinderen een deel der Kercken Chrifti
Zijn, dat haer dat Rijcke Godts toekomt, &c. )
een Gebodt vervaert ‚ datmenſe doopen ſal.
Antwooꝛd.
D% den Drouwen dat Nachtmael Cheiſti nier wert
mede toekomt / bewijſt Gelli epgen Gellius met
woordt meer alg klaer: Want hy bekent dat Ön VBS
ſy Difcipulinnen zijn. Zijn fp dan Diſcipu⸗ —— *
linnen / als fp oackt zijn / foo is het openbaer/ hy met defen
Dat fb Godts Wooꝛt hooren / gelooven / boe EEN,
te doen / haer Doopen laten / ende met datan.
effect des hepligen sPachtmaelg/ niet wepni-
get alg Die geloabige Mannen / in der kracht
van Godt begaeft/ fifner verborgentheden
deelachtigh zijn. Dewyle fp dan fulcke geloo⸗
bige ende boetveerdige Diſcipulinnen sin’
Da
fba gefent is / is het innmer billick ende vecht)
bac fp oacft Dat Teechen gebrupeken / daet
Mee De ſeſbige verborgent heden des Geloofs
ende des hepligen Euangeſiums den Geloo⸗
bigen voorgedzagen / ende Den bortveerdi—
gen bermaent Werden, Gelick men dan
niet verloochenen kan / of de geloovige boet:
beerdige Drouwen hebben dat effect Ende
De Deteechende falke deg heniigen Iachtmacis)/
namelijck / De gedachteniffe van de opoffe
Linge des vleeſchs ende bloedts Chriſti / de
liefe Godts ende hares Haeften / &c.
Daeromme het van den Heere ingeftelt 1e /
Lude Derijatven alg geloovige boetveerdige
Diſcipulinnen ende Gaften oocit plactfe aen
pe gelovige Des Heeren Tafel hebben. Alſoo moet ons
heboenden Geitus mu gocit met werck / Schzift/ ende
eftect des waerhendt in Der kracht bewijfen ende voort⸗
Nachtmaels: bzengen / Dat de onmondige ſileene kinderen
maer de on-
verftandige
kinderen ligen Doops hebben, te weten / Geloove / Boe:
niet den ef-· te / gehooꝛſaemheudt Des Woordts / een vrn⸗
fe des moedige vzedige Lonfcientie/ Ee. Daeromn⸗
DOP me dat Ceecken deg Doors van den Heere
ingeſtelt is / gelijck die gelaavige boetverdige
Dzauwen dat effect des hepligen Rachtmacis
hebben / fal fijn kinderdoop anders bondigh
ende vecht zijn. Maer kan hp ſulcks miet
Doen / fo ishet Daer mede genoegh betwefen /
Dat deſe fijne beweeringe cnde Argumentum
à mili niet fchziftmatigh maer verlepdifch /
valſch / ende tegen Godts woogt ís.
Schrijft wijder / So onsto een Gebodtom
de kinaeren te Doopen niet genoegh is , alg
hp ín de verhaelde Schziften aengetogen heeft /
Antwoortop Dat Wp hein Dan een Verbodt upt fanunige
Gellü woort ſprꝛeucken Der Schrift toonen fullen (fegt ho )
zet by ten ofte genoegfaem bewijfen / bat het deg Weeren
ben wil. wille zy / Dat meu de kinderen ban den Doop
weeren ſal.
Segge ick ten eerſten alſo daer op: Hier me⸗
De betupgt Gellius openbaer dat hem leedt is /
dat gp met fijn aenwijſinge ban 't Gebodt
des Wunder Doops niet metter Schuit bez
Meerkteen ftacn titan: Want hu heeet hemm ban de leere
kindfche des Gebods / ende Wil een Verbodt van ons
inteden. geweſen hebben / niet mereltende / fa permant
Wanneer — Pete wat gebruncken Wil / berftaet een Cere⸗
men foo over Monte / Dac hp eerft De Inſettinge oft dat Ge⸗
Een verbodt bodt opbrengen ende wijfen moet.
— ee Wil hy dan den kinder-doop , die hy leert
—* he dee ende gebruyckt, recht hebben , hu bewijſe dan
moghte wel waerſe geboden is / ende ſegge niet/ dat wp
by naalslan behooren te bewijfen/ waerſe verboden ig.
randendche Top gebeupeken den Daop/ gelijchfe des
recht zijn. Weeren mond bevolen heeft / tant wy Weten
datter geſchzeven ffaet / ghu fult houden al⸗
les wat ich u gebiede / Dat gh daer na Doet;
Gl fuit daer niet tae boen, noch Daer ban
Jol.23.6. doen. Deut. 12.8 32. Jae mijn Leſer / ich
Prov.30.6. biede Gellio ende fijn Geleerden De gantfche
fcheift aen / konnen fp ong opbzengen / dat de
b2ame ende getrouwe Jlrannen Gods een
Letter aen die Beboden/ Ceremonien veran⸗
Deet hebben / ende Dat fpfe anders dan Godt
bevolen hadde / gebeupekt hebben / Wp willen
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 269
Evenwel hebben fp haer leefdage nict een
Maecht befneeden / oock niet op den 7. oft 9.
dagh befneeden / want des Weeren OzDeninge Merckt wel
ende Bevel Dzangh op den achtften dagh aen ee ers
de knechtkens / ende wiet op den jeven teu ofte
negenften dagh / noch aen de Maeghdekens / (a
gehoort is.
Wadden fr vu die Maeghdekens befneden/
ofte hadden fp die knechtkens voor / oft naden
achften dagh befneden/ hoewel het met geen
open Verbodt verboden Was / ſo hadden fi
evenwel een Grouwel vaer aen bedzenen / gez
lijck Nadab ende Abihu met dat vreemde bper Lev. ro. 12.
Deden /ende bupten Bedts Wooꝛt befnecden/en
fal nm daor deg Heeren genade géen mensche
metter Schrift oncnemen megen.
Mack worde Iſrael van Goot bevolen / dat
fp dat Paeſch-Tam / tac gedachteniſſe Lau
hare berloffinge ende untgauck vat Egppten/ Men moet
dat effect ende De beteechende ſaecke deg hep- | op den veerthienden dagh des eerften Maents Godt dienen
| aen den avondt eten ſouden / het ſoude ren mau⸗ Jg —
nekken zijn / ſonder ſinette / eenn Jaer oudt; Ec.
Iſrael heeft alfa gedaen / ig des Weeren bebel
| na watwijfen des Gebodts nagekomen / ende
heeft fijn leefvage geen Opkien / maer altoos ecn
| Manneken geoffert / hoewel de Deere niet met
‚een letter Dat Opken haer verboden hadde :
Want hadden fp een Opkien geoffert / fa had:
den fptegen Dat Woord gehandelt / dat daer
fpzeeckt/ het fal een Mamnmeſien zijn / Er. 12.5.
Cen tweeden fegge ick / ende beroepe mp
op dat getupgeniffe Des Almachtigen ende
‚grooten Godts / die Daer fpzeecht : Dit is Maten. 17. ;
mijn lieve Soone / aen welcken ick een goet Marc. 9.7.
belagen hebbe / dien ſult ghn boorten. Weer Lus. 3-22.
ons nu Gellius een eenig Woot met Godee PCS . 35.
lichter waerhent ende onbervalfchter getun⸗
genuiſſe der hepliger Schrift aen te wijfen/ dat
Defe van Godt betunghde Sane/Chriftug Fez
ſus / deg Daders eeuwige wijshept ende wãer⸗
hent / een letter van den kinder-doop geleert
ofte bevolen heeft, oock fijn heylige Apoftelen
(ende Sendtsboden , oft dat fy op eenige tijs
den ende plaetfen kinderkens gedoopt hebben, __
ich fak al mijn leeringe weder -voepen / ge⸗0 lieve Hee.
willighlijck m kercherg ende banden gaen / KL Ee
mijn ſchult befsennen/ Boete daen / en mijn doch meer
lecfdage Loor die gantſche wijde Werelt over aenbieden
wonnen ende beſchaemt ſtaen/ beloobe icht met Fe doen:
beper herten.
| Maer kan hu dat niet doen / als hu ooclt
nimmermeer Doen han / ende noch evenwel
by lijnen kinderdoop blijft, voor A poftolifch
ende recht beweert, daer mede hu Chriſtus Oz⸗
deninge / ende Der Apoftelen Heere ende Gez
bzunck berfaecht / Dat Volck in haer onboet⸗
vrerdigh Teven trooft.
Is het immer daer mede openbaer / dat hu
(een verlender Der armer zielen / ende een Getz
valfcher deg hepligen Woorts is / die wijfer
dan die Sone Godts ſelve ge weeft is / zijn Wil:
want Jp fegt/dat heteen Verſegelmge des Bez Hier merckt
naden-Derbondtg ig / ren Anlijbinge in De heee hoe lerlijk
ke Chꝛiſti / Ec. de A. Geeft
Ende die groote Heere heefter niet cen Woot ende Apofte-
ban geſproocken noch bevolen / Dat ha den len van Gel
De ſaecke wijder nadencken: Maer ick weet) Pepligen Geeft ffcaft / de ons defe Teere ende lie gebaet
wacrachtigh / dat het niet geſthieden kan.
Gebeumer in der Schrift verf wegen heeft / daer werden.
De Deere geboodt Gfcael /, dat fm hare toe dock alle Npoftelen / dat fh alſulchen
knechtlens op den achften dagh befnijden fou-| hooghwichtigen fake / daer acn (na fijn schaij-
Den / daer ſtondt niet een Hecter / datſe het op ben ) foa groten oozbaer gelegen is den Godt⸗
Den 5/ 6/7/8/9,ft zo, dagh niet doen moeften;| bzuchtigen fa gantſch ende * voozgeſloten /
3
ende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Neemt waer
wat hier
270 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons;
ende níet een letter in alle haer fchzifven Daer
ban betungt / en haten nakomelingen geopen⸗
baert hebben.
Ten derden / wil ick Gellium ende alle fijne
Predikerstot Lutherumbfier gewefen hebben,
Luther fegt. Die fn grooter klaerhend fchrijfc / dat niet
Defe woor-
den Pauli
overlegt
wel.
Loa.rs- 16.
2 rim.1-9.
Hier leert
kennen ;
waer doot
wy Chriíte
en fijn Ge-
meente in-
cr,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
gelijkt wer-
alleen wattegen des Heeren Woordt, maer
ook beneven het Woord ingekomen is , niet te
achten zy: Die eenen pegelijßen vacd (hoer
wel hu het felve lepder niet gedaen heeft ) dat
gewiſſe en niet Dat ongewiſſe nae te komen /
want die Scheift nach toefcttinge / noch afs
doen lijden kan: Daer In den Pausdom geen
geringe fcheure mede gemaekt heeft.
Han dan De Schzift fulGg niee te veel geftclt
en onſtraffelijſt in der liefoe ijden / alsſe ook
nimmermeer kan / foo verhaelt is / ende men
vindt nergensin der Schritt een eenig Woordt
van den Kinder-doop , gelijk Lutherus con-
tra Anabaptiftas fele toeftact. Of dan den
Linder doop níet daer mede verboden is / mo⸗
gen alle recht verſtandige in cepner eenfte na⸗
Denken.
En vijfden , fchrijft Gelliusdat fy feggen,
die Kinderkens hebben geen ooren om
te hooren fy konnen noch goed noch quaed
verftaen :- Daer kan (fpreekthy ) geen bewijs
uyt volgen , dat dat Sacrament der Inlijvinge
inder Kercken nuden Kinderen niet toeko-
me, dewijledie Kinderkensder Ouder Kerc-
ken even foo weynig fulke ooren hadden , en
fo weynig tuſſchen goed ende quaed verftaen
konden, als nu onfe kinderkens.
Antwoord.
— nu Gellius met des Beeren bez
gel / Ordeninge of gebrunck bewefen
heeft / dat men dé Kinderen mer alfulken tee-
ken of Sacrament op nemen fal, fo willen top
de faeke wijder in ’t bedenken nemen : Maer
aen bewijs fal ’t hen: gebzeelien.
\p fpzeeclten met den Hepligen Paulo /
Gelaovet zp odt en de Dader onfes Leeren
Feſu EChzifti/ die ons gebenedijt heeft met al
(rele Geeftelijche gebenedijdinge in't Wer
melfclje wefen daor Chriſtum: Die ong ber:
lioren heeft / dooz den felven/ cer Des We⸗
relds grond gelepdt was / Dat up fouden hep⸗
lig ende onftvaffelijk zijn ín der liefden / ende
heeft ong berogdineert tot Dat kindfchap tot
hem ſelven doo? Jeſum Cheiſtum / na dat wel:
behagen ſijnes wille / ten pzijfe fijner Heer⸗
lijker Genaden/ Epheſ. cap. 2. 7. Epheſ. 1.
— Sif getrouwe Teſer / bat ’t wel Wat defe
oorden Pauli mede beengen. Defe Baderlijz
Ke verluefinge tot Hindſchap / defe groote gun⸗
ſie liefde / en genade doo? Ehaftum Jeſum /
dit Heylig onbeftrafFelijk leben in dev liefden /
Daer van hiet Paulus fpzeehit / Wordt Doop Dat
Euangelunn gepzedicht. Alle die Dat recht
gelooven / en Doo? den Geloove in haren herten
omgekeert / verandert / vernieuwt / ende unt
Godt gebooren worden / des H. Geeft deelach⸗
tide felbige zijn kinderen Des Derbonds / in
genaden van Bodt aengenomen / en met aller: ,
iep Hemelſche zegeninge gefegent in Cheiſto
— — — — — — — — — —
ö — — — — —— — —— — — — ran —
— —
a — — — — —
ge doo? den Geloove ín Chziſtum Jeſum / en
dooz De Deijvende kracht en beenieuwinge des
Pepligen Beefts/ín dat lichaem Chꝛiſti (tele
die vechte Kerke ende Gemeente is) ingelijft /
vleeſch ban fijnen bleefche / en been van fijnen
beenen/en niét deor eenig upterlijk teeken eeu⸗
wiglijk.
Macr defen Hegel gaet den onmondigen
Kinderen gantfchlijkk niet aen / want fp heb⸗
ben geen doren om te hooren / nachte hecten
om te berftaen : Zijn evenwel in Genaden /
bifnderen des ANijis/ Erf-genamen dee Belof⸗
ten / niet dooy eenig upteclijk Cechen (fegge is) 2-93
maer doog de aenũeminge der Genaden / in de *
verſoeninge / middelinge / ende verdienſte des
Doods ende Bloedts Thꝛiſti / als die Schrift
eert.
Dat Nieuwe Teſtament handelt met den
berftandigen,/ en fijne Sacramenten behoo⸗
ven en volgen den beetbeerdigen : Dat fclvige
faet ween gewiſſe en ceuwige aentwijfinge en
eere zijn.
Alle die u van de Teeltenen des Nieuwen Dit Lelvige
Ceftaments anders Philoſopheren/ enu die overdenke
ſelvige boog het Geloobe en Boete aen prijfen/ “litslijk-
hac heerlijk ſy Die oolismet geleende namen enn
woorden opprantten/als mer verfeegelinge,Ge-
naden-teken , Ínlijvinge , &c. díe bedriegen u/
want het ig inden gront miet dan Menſchen
Wijshepd/ verlendinge der Zielen / en hunche⸗
lijetegen Gods Wood, Want foo de kinde-
ren des Ouden Teftaments door de Befnijdinge
zijn ingelijft, ende de Kinderen des Nieuwen
Teftaments door den Doop; fo hp voorgeeft :
So befiupte ick upt fijn cpgen woorden gewelz
delijſt / dat de kinderen / díe baar den acht fien
dag ſtozven / ooft De kinderkens / Die in De woe⸗
ftijne bleven / mitsgaders alle Maegden / ín De O een ver-
Iſraẽklijtiſche Werke en Gemeente níet ge weeft Ch —
syn/en alfa volgende oock geen Genade Der: Lp 115
bondt / noch Belofte gehadt hebben.
Dan gelijken oock onfe Hinderen / die door
verhinderinge des doodstot den Doop niet ko-
men konnen. @ grouwel en after! Of dat
níet heet Gods Verltieſinge Genade) Gunſt / Of hier niet
Wiefde/ Vijls, / Verbondt /en Salighendt aen het —
Element / Water en Derks binden, wil ilk alien
Godtpzuchtigen cude Vzoomen vichten lar u.
ten.
r
enkt
En ſeſten, ſchrijft hy, klaegt, ende ſegt:
Wy hebben vaft altijd voor onfen vlijten
klare bewijtelijcke uytlegginge der Schrift, jae
voor onfegetrouwe{forge, om haer wederom
te rechte te brengen , niet veel meer als fcheldt-
woorden wederom ontfangen ; Want wat ho-
ren wy anders van haer ( íchrijft by) dan dat
wy Wolven zijn, Bloed-honden; Verleyders;,
&c. die van felfs loopen, ende geen vrucht
voortbrengen.
Antwooꝛd.
We díe onſe Salighept recht ſoekken / des
Heeren Woodd vecht leeren / en met eenen
onbeftraffelijken wandel voorgaen ( verſta) na
Der leere / geeft /en voorbeeld Chꝛiſti / werden
noch ban ong nach ban der Schrift beſtraft /
maer er danken ent beminnen haer ban qante
Jeſu / ook al eet fis tot dat Teeken Des Doops ſcher herten/en hopen haren broederlijken vlijt
gekomen zijn.
ende baderlijche ſorge door deg Heeren genade
Siet / fo worden top dao? Gods berkiefine \ nimmermeer te verachten / maer ín beer
| icf:
Gellius ey-
gen leere en
vruchten
fchelde hem, Wolven en Menfch
en niet wy. Schꝛift gefcholden
oorſaeke/ maer fin ſelve | dewijle fia de Schrift
foo klaeglijk gerbalfchen / Chriſtum Jeſum
met fijn Geeft / Woord en Teben untftoaten /
hates herten goeddunken prediken / dat on:
gewin foelten/ na’s Werels wille
ent en legen / De arme Schapen met hare
valſche Keere en bedziegelijken fchiju verfcheu-
ren /en de Godbruchtige trouwe heeten fchel-
den / fchenden/ beliegen / beraden / Der Diez
Gellti fchelt-
woorden
en fo beel mogelijk is
kamen.
Worden ,
behaaglijk
leeren
righend enn Beul inꝰt zweerd ſchrjven en pze⸗
biken / fo men aen bele plaetſen (lepder) meer
als te bele ſyeuren en fien mag.
Ja wijn Leeſer / kan hp niet berdzagen /
Dat hu mer ſommige harde gamen (Daer hr
fchuldig aen is) van der Dchuft beſtraft wert?
Soude Gp billijk bedenken / hoe fchandelijk hu
Dan de arme ellendige heeten, die fo gantfchj
en geheel ouſchuldig zijn / met fijne oproerige
mandljſie Bloed-leerc/ voor godloofe Seten,
Duyvels Apoftelen, verleyde Rotterien, W in-
kel-predikers, heymelijcke influypers, on-
kruyd-faey. rs, 8ec. met fehriften mond boor
zijnforrler De gantfche Wereld befchuldigt / daer mede
allefchrift en hn Den ormoafelen om land / eere / welbaert /
waerheyt,
enkel wre-
velsen met
bloet
gemengte
goed en bloed beengt / en den onbarmhertigen
wreeden Cyuranneñ tat rooven / vangen / ſpan⸗
nen / bannen / dooden / ende moorden / eenen
brwen moed maelit. Mijn getrouwe Leeſer /
bent na / of Dit niet de waerhent ig / dat ick
ſchrijve.
Cen ſebenden / ſchrijft hu: Dat Exempel
der Apoftelen is ons voor een ſterk gebod,daer
die H.Geeft getuygt, dat de Apoftelen geheele
huysgelinnen gedoopt hebben, en geene kin-
deren uytneemt „die hy {onder twijffel hadde
uytgenomen ; ſo heronrecht zijn foude Kin-
deren tedoopen,&c. Wier op ſegge ickt ten
eerſten / dat Gellius hier mede betungt/ dat
ba vanden Uinder· doop geen Bevel en heeft,
Vermoeden Want ha fijn grond en geloove hiet op ber:
‘maekt geen
moeden fundeert | ende niet op Dat gebiedende
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
liefden met Heel danliſegginge aen te nemen /
271
onder De felbige Bupsgefinnen geweeſt zijn /
ín onſer zwakhent ua te leeren ons bepde die nature en Scheift wel.
daer dat Gellius ende de Predikers
verleyders , valfche Propheten , verfcheurende
en des Bloeds , 8c. gan det
zijn niet wy de
\V/ Yder fchrijft hy , datde kinderkens al de
Schrift door in een huys of Huysgefin
fonder wederfpreken , vaft altijdt getelt en ver-
vat werden , want een huys of H uysgefin,beyde
ouden jonk vervat: fo moetmen ook die kin-
derkens, daerde Schrift getuygt, dar geheele
huyfen gedoopt zijn, daer mede tellen en ver-
vaten } &c.
Antwoord.
\/ rmeer ong Gellius met Gods Wooꝛdt
bewijsde / Dat die onmondige klenne kin⸗
deren geloofden / fa ſouden Wpfe geeene onder
Die geloovige gedoopte WPupsgefinnen tellen /
en haet den Doop toeſtaen. Haer dewijle hi
ſullis nimmermeẽr doen ſian/ noch mag / wil⸗
den Wp hem mett'ſamen allen Predikeren wel
vermaent hebben / dat fp doch tael boor haet
fagen ‚boe /en Wat fis daet van ſpraken / want
| bet doch niet Dan enkel bedrag ís / wat fn van
Diet factten philoſopheren en boorflaen. Daer
toe wil ick hem ook noch gevzaegt hebben / of
men oock Die onverftandige klepne kinderen
met Gods Woord / Geloode / leeren/ of met
balfche Keere im ongeloove lijden kant Seat
hu Ja, fa is het tegen alle Schrift/ tegen den
vernuft / en oock tegen fijn epqen Wooꝛd gez
ſpzoolien / daer mede hnuechent/ dat fy door
gebrek hares verftands, het woord niet vaten
konnen, fogefept is. Maer ſegt hn Neen,
fa bekent hy felae/ Dat hu tegen Pautum bier
gefchzehen heeft / dat hy beyde oud en jonck in
fo een Huysgefin vervaten wil. En Paulus Infantes |
feat Cit. 1, 11, Dat De onnutte Llapperg ende Ze, Poa
Derlepders gantfche Hupſen verkeeren / Dat Leduc,
men (ſegge ick) den onverftandigen kleynen
Kinderen door gebrek hares verftands, na lunt
fijner epgenet bekenteniffen/ / geenſins doen
kan. NHoch ſchrijft hy / dat wy al te ftoutten
gen den H.Geett de Kinderen derven uyine=
men, die de Heyligen Geeft niet uytgenomen
heeft, &c. Daer op ick fa antwoorde: De H.
Geeft heeſt bevolen en geozdineert/ dat men
den berftandigen leeren / ende hen geloobigen
rij je Y $ AT í anders
— Woozd / daer na het alle moet gerigt werden / ma eeen vig ——
—— —————— oogen — — doen ( gelijk ons des ——
— k mf Se — deeren Mond geboden heeft. Maer of niet oucher
hage — — * nar ——— De Predikers tegen den H. Geeft ſtout zijn / Die kanten
Crifpus ge- tn heldere klare letter betiuagt heeft / — * fijn Teere / Naed / en Ordeninge als Uetters
loofdeook, Die Pupsgefimen/ Gpfonder daer van de } Sectiſch upeftooten en bervoigen / en eenen
metfijn Schzift fpreekt/ Dat fin gedoopt zijn/ alle gez anderen nae haer behagen weder oprichten
huys, —__ Tocbigen — St, — rb ende inboeten / daer ban hp niet cen ceni-
188. ÛS 3344 Vat Huns Coꝛnelii.Act.16. 5 —— Kaf
ARTS. de 5 —* vo Bute Stakmeefters/ en | Letter ín de gantfche Scheift geroert heeft /
tr a s. han ber Pure Stephane /| Wil iel allen Godbruchtigen, en des Heeren
wedde et oͤlduen befcijept leſen en fien | Woord dat vecht laten. Maer dat hu hem on
mnl dupdlijkien beſcher Tertulliaaum , Cyprianum, Origenem ; ende
— idee | tinum beroept is Dit ten eerſten mijn
Lydía, Maer fo veel dat Huys Andia aengaet / is Auguf es en. ep
ARI615: pet openbaer/ dat frop Dier: tijd geen Man antwoozd: : fa defe gemelde Scrihenten (uickg
gehabt heeft / want het nps haer hier toe ge- | Met Gods Wooꝛd ende —— nen hou⸗
engent wordt / en níet den Man / Dat noch den / ſoo befennen Wp dat fp vecht ſcheijven:
Weerelds noch Schꝛrifts gebekt is / wanneer
een Man daer is. Aengeſien dat dan dat
Nieuwe Ceftament niet dan van bier gee
doopte hupsgeſinnen byſonder vermelt / en |
Daer ban De drie geloobig geweeſt zijn / en Dac,
gierde (fo het blijkt ) geen man gehadt heeft /
als gehaast is: Hoe chart men Dan aber de
ontnondige klepe kinderen honden fal/ die
a niet / ſoo ís het Meiſchen Leere / en na der
Schꝛrift beebannen / Gal. i. 8.
Cen tweeden / antwoorde fclt : Rhenanus
annoteert oper Tertullianum , dat der ouden
gebruyk geweeft is „dat de volwaflene met dat
Badr der wedergeboorten gedoopt zijn.
Cyprianus Martyr heeft Den Kinder-doop Cyprianus;
vry gelaten.
Rhenanus;
Eraf-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
er
ht reta veh
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— CA je
—
272 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
Fralmus Eraſmus Roterodamus fcljzijft / dat die Ou=, toe Dat menfe Doopen fal/ is een openbaer
Koterod. den over den Kinderdoop feer getwitt hebben; |bewijg / Dat fin fander Gods Woord Doopen.
en niet befloten. Want faa de faeche boet m der Schzrift hadde /
Ulricus Swinglius fctzijft : hoewel wy weten,dar die ‚fo moeſten fp tot eenerlep eynde / en na een⸗
Swinglius. Ouden oock tot haren tijden wel kinderen ge- DE vlep Oꝛdeninge / tegelen Heere Doopen /
doopt hebben , ſo is't evenwel niet fo gemeen is onwederfpzeechelijks,
geweeft als tot onfen tijden,maer fy zijn opent- |
lijck int Gelooveonderricht: Als fy dan dat fi Bins: achtften fchrijft hy, dat het nergens ver-
Geloove in het herre in gedrukt met den mond boden wert of betuygt, dat den Kinders
bekenden ; dan worden fy tot den water toege- | doop onrecht zy. Ende Heere Jefus Chriftus
laren. Defefelve Leerebegeere ik (ſegt hu) getuygt,dat fijn Woordende Wille niet fijn ,
dat men tot onfen tijden weder aenneme. Lib. | maer lijns Hemelfchen Vaders is.
Articulorum 18.
Bucerus. Bucerus ſchꝛijft / dat men by den Ouden ge- -
meenlijk den —— ———— akan ii
gedoopt heef: > Mn doorlefe de ganefche Schrift / Woſes
Fe p 4 ze "torn | | ; ie 5 2
Oecolampa- _ Oecolampadius ad Balt. Ick vinde noch en Die Propbeten, Chriſtum en Die A
dius, GRE SEE 7 * poſtelen / en denke viijtig na ; men fal’t meet Goat hatet
gene plaetfen in der Schriftdie den Kinder Ss gen een plactfe oinden/dat Godt niet alleen alie Cere
noe p da mid rerinehe pl dd —— Le ' / le ie 4 ẽ „eië-
— dringen, ſoo vele mijn geringheydt ſien ids behagen aen de ongeboden —— ——
Et en Gods dienſt gehadt / maer ook wel menig” gie ny niet
p ers * £ Ps Pi Ye / : = ) | 4 £ * die y niet
Lutherus. Lutherus bekent oolt (nifallor ) contra Ana mael met harde flagen geftvaft en berforbt bevolen
baptiftas,dat fy om de kinderen té doopen geen (eeft, liebe Deere / wat zijn Dit doch blin: heef:
expreswoorthebben. (De inveden ! onde men ’tdaerom met goe⸗
Wat ooch; Martinus Cellarius, Otto Brunf, Der Confcientien gebzuplen / om dat het niet
helle eek vegen — bie ſaecke fchzijven/ ner een uyrgedruckte Woord verboden ftaet ,
is hier te LANE LC berhalen. y ſult geen kinderen doopen: &
Kengefien ban wepnig Kinderen bpdenOwe |op-marer, Tieeeffen / Palmen / locken en
den boormaelg gedoopt zijn / geljck De voor⸗ Zapen pen / Hiffen doen / Wloofteren/ er—
noemde Rhenan. Swingl. en bucer. en wijſen / ſeu en Uitaten bouwen Momicken ende
Cyprianns den kinder · doop vrn gelaten heeft | Baghnen werden / bevaerden te loopen voo⸗
en Die andere belicnnen/ datſe ban der ſaeken pe Sieten der dooden te bidden /&c. Ook alle
geen erpreg woordt heben : Jae dan Gellius oer goorrecht gebzupkken : want daer wordt
De wacttepd Daer aen ſcheijft / dat hy fept, fy | niet een eenige ietter in de gantfche Schaft
hebben den Kinder-doop van den Apoftelen | gesonden / die De voornoemde wercken uptz
ontfangen : De Kinder-doop is een inlijvinge, druckeltijli verbiet / of ſpreelit / gy fuit ſulks niet
in der Gemeenten ‚ende een verfeegelinge des soer, p
Genaden- Verbonds, &c. Magh de beleef: Dit bh dan ſeggen / dat de Circumftantien
* — ín De bzeeſe fijnes Godts naedenc⸗ der Schrift, ende vruchten betungen / datſe
ER à tegen Gods Woord zijn / fegge ícht wederom :
Gellius Fa mijn Leeſer / fade fackte hem met den Boch heter — ee er
Patres non Kinder· doop fo toedzoege/ gelijck Gellius ons der Schaife en de beuchten / dat den Kinder-
cjufdem in Goozgeeft/ fo hadden die Daders niet weynig doop tegen Gods Woorr is. Want des Wee: Wat Godt
Ae Gen daer aen gefondigt/ Dat fp fa weynig Kinderen ren mondt heeft'er niet een letter ban gefp20- aen fijnen
tentie. doopten: Ook bap lieten / Dat De Apoſtelen Ken. Alle diefe toedienen / misbzunken Godg dient niet
booz een gebzunk gehadt / en boor een inljvin⸗ ame en Ozdeninge / hupchelen alleſins: en geboden.
ge in der Gemeenten / Genaden-teelten/ en dieſe ontfangen / trooſten haer / als ſy tat ——
berfegelinge Des Deebands geleerdt had⸗ derſtant komen / dat fin gedoopte Thriſtenen verboden.
den. O Derlepdinge/ en Menſchen Kloek | sijn / hoewel haer gantfche leven ten meeften:
bent! Deel foo gantfchh Onboetveerdig / Godtloos/
Cen Deeden antwoozde ick / fo men der gez Bertich/ ende Bleefchelijk is / foo men fien
leerden bekenteniſſe en leece ban den Hinder: | manh.
Doop vecht Waerneemt / fo bevint men een fD0\ den tweeden /antwoorde fl ; Chriſtus Je⸗
berwerden Babel / dat men moet bekennen / ſus heeft betupgt en geſept: Gaet in de gant:
datſe upt Godt niet zijn kan. Want bp Den ſrhe Wereid en Peedicht dat Euangelium al⸗
uden ( maer niet by den Apoftelen) Gebben ten Ereaturen : Wie gelooft en gedoopt wert /
ſommige eenige (fo het ſchijut kinderen ge⸗ fat Salig werden. Iar.r6.16. Siet / dat chriaus Or—
be gront ed boopt / maer níet heel. Sommige fepden , (ft | ís des Weeren untgedzuckte / eeuwige / ende deninzer is
dar verftant hadden ’t ban den Upoftelen ontfangen / de onberanderlijcke Oedeninge / die hr ín defen den Geloo
der Geleer- andere wederfpraken t: Sammíge hebbenſe deel ijn Wecke nagelaten ende bevolen heeft. WLS,
denin den vooꝛtijds gedoopt / doopenfe aak noch; /_ om | Bok hebbenſe de Apoſtelen alfa geleerten gez
Kinderdoop de erf{onde af te waffchen ‚de andere, om datfe beupkt.
fcheyden. des Verbonds kinderen zijn: Sommige doo-| Zijn nu de onmondige Klepne kinderen gez
penſe op dar Geloove der Kerken , de andere, |faatsíq / dat is / zijnſe Gaetvcerdig / Vrom. 6.
op dat Gelooveder ouderen : ſommige op dat Met der Beſnhbinge Cheiſti aen de Boor
Geloove der Gevaderen , de andere op haer hupt hares herten befieden/ Col.2. 11. Ge: Waer Chr
eygenGeloove : ſommige om dat men fe des te | gaeten fia cen geruſte Conſrientie voo? den Hee⸗ ——
vlijtiger in Gods Woord en wegen ſal opvoe- | ve/ 1 Pet, 3.21. Zijn ſp in een ander en nieuw onk de.
den. Siet / fo beelboudig ſtaen fn gedeelt / die gemoed verandert, Tit.3.4. Dat alle unt Den beduydinge
Den Kinder · doop drijven en voorſtaen. Seloove voortkomt / en met den Doop afge⸗ des DOOP
Aengeſien fp dan niet eenertep Woord voe⸗ beeldt wert / fa kan haer de Doop niet gewep:
ten en niet eensſins zijn / waer op / en waer, geet Werden. Maer detuijle het — —
—— — — —— — —
| Datfe niet een ban alten defen hebben / feggen
de af- van De ! 85
edet * Wy > datdie Kinder-doop een eygen Superfti-
nietis,daer tie ‚eneen Misbruyck des hoo ligen
is het enkel ) —— *
Naems Gods is, een vervalſchinge der Ozdi⸗
gruwel. nantien Cheifti/ een onnutte huychelſche
trooſt der anboetveerdigen / een Sacrainent der
Herken Anticheifti, ja een openbare verlen⸗
Dinge/ Godslafter / ende Afgoderie. Foch
podealder- fchzijft evenwel deſe onbedachte Man / als dac
Nome moet het des Vaders woord en wille is, en moet als
aller (chan- ſo De eeuwige Bader / met tfamen fijnen lie⸗
d ——— ben Soone en H. Geeft / daer toe oock De unt⸗
en hoed zijd: verkoorene H. Apoſtelen /een declmantel fij-
nes berlepdigen grouwelg en Godlofen lafters
zijn. @ Deere !
—
—— negenden, ſchrijft hy: Dat ſy de Be-
lofte hebben , dat Godt Vader, Soone,
| en H. Geeft, een ware levendige Godt, by fijn
Bevel en werkenkrachtig zy } en krachtig wer.
ken wil in den Kinderender Kerken te Heyli=
gen, ende met fijnen Geeft haer te begenadie
gen &c.
‘ Antwoord.
qe hp dat bebel ban den Kinderdoop met
Gods Woord , met Apoftolifche Leere en
gebruyk, of met dat voorbeeld Chrifti bewijfen
Gods wer=
ken zijn
niet ydel.
konde, gelfjch hp boorgeeft/ ſoo Wilden wy
geerne toeftacn / dat het een heplig en Godt bez
hagend werck ware / dat fijne be dy nge / ver⸗
maninge / nuttighendt / vzucht en kracht heb⸗
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 27
den, gelijk hu ſegt / en de Schrift leert dat Gods Geet
de Weplige Geeft den Geloobigen gegeven „joovigen
wert / fo moet Daer unt volgen / fo De Kinder⸗ gefchonkens
keng noch níet gelooven / dat haer de Heplige en ree
Geeft / niet door den Geloove gegeven/ en 3,19.
maer doo? de gewzochte Ceremonien ban
den Predikeren, wanneer fofe Doopen / ver⸗
Dient wert. Endat nach plomper is /ſulc⸗ Puerorum,
ken Geeft / die allefing fonder wetenſchap / —
vernuft / dryvinge / kracht / bzucht/ ende eoaibus,
werk is / fo qp fien meugt. O grove blinthept
en dwalinge!
Ei tienden, fchrijft hy, de Heere Je{us
Chriftusgebiet, dat men de Kinderkens
tot hem brengen fal (dat :de weder-doopers
nimmermeer of nergens doen ) en omvangt{e,
legtſe dehanden op» ende fegentfe, dat ís}
Dooptfe met den Heyligen Geeft , want fulcks
alle van Chrifto gedaen , niet krachteloos zijn
kan.
Antwoozd.
Jer wil ick Gellium met allen Kinder⸗
dooperen / ten eerſten / fo gebzaegt heb⸗
ben / of, von alle Geloovigen Gare kinderkens Non omnes
ín Die tijd des Pzedili ampts Chꝛiſti tot Chet: jo. *
ſtum gebragt hebben? Seggen fp Ja, fa moe⸗ ros Ckriſto
ten ſybeſchaemt ſtaen / Want fp konnen met obtuleruat.
der Schrift nimmermeer dat bewijfen. Maer
feggen fp Neen , fa bekennen fis / datfe ten eer⸗
ften onrecht daer mede vooz hebben / dat
ben moefte/want Godt berordineert fijn weeks | fi Dat op een gemeen toebrengen (Dat is / Doa:
te bergeefs níet.
maer Dewijle ſullis niet Ban bewefen wer:
Den / ende den Doop met den kleynen Kinde-
| ren haer niet {chicken kan Want de Teekenen
| des Nieuwen Teſtaments zijn den Boetveer⸗
gen / nã haer verſtandt) dringen en invoeren.
Ten tweeden / vrage ick: of ook aen eeni⸗ OfFerzi auſ⸗
ge plaetfen tocbzengen Doopen / ín Der 233
Schrift genoemt wert + Seggen fn Ja , fa ful- ee mig
fen fr geen bewijs vinden. Seggeñ ſu daer vocatur.
Digen gegeven / feggen Wp noch eenmael dat |en Boven Neen, foa bekennen (fn / Dat fp ten
het niet cen Godt behagende Ceremonie / maer
na lupdt aller Schzift / een verbannen Laſter
ende Grouwels / foo gehoort is: Ende hoe
2var26,19, Feachtig Gode van bj fuilie grouwel· wercken
wercht is aen Nadab ende Abihu / aen Je⸗
roboam ende Nſia / en acn noch meer anderen
Lev.ro.t.
3Reg.1q. 10
wel heweſen.
Oocli ſal de Godvzuchtige Leſer weten /
Ehrifti bloed Dat De Minderkens der Kerken niet Doo? eeni
isder Kinde- qe Ceremonie, wooden en Water / maer als
leen Doo? deg Weeren genade / qunfte / ber:
dienſte blacd en dood gehepligt Werden / ende
daor anders geen Werl of Middel eeuwige
lijk.
“Maer dat hu ſchꝛijft / dat Godt de gedoop-
| ren heyli-
zinge.
te Kinderen met fijnen geeft begenadight
anderen Gods Wood bervalfchen/ dat ſy
tocbzengen op Doopen dupden ende uptleg-
gen.
Gen derden / vrage ict: Of oockt Chꝛeiſtus oblatos pue·
de toegebrachte Kinderen met Water gedoopt ———
heeft? Seggen ſy la: So antwoorde ick met vi
“Joanne / dat Jeſus felbe niet doopte. Maer 1oa.3.5-
feggen ſu Neen : fa bekennen fia ten Derden / dat
den Uinderdoop met dít toebrengen te bewee⸗
ten eenen valfchen grand is.
Een bierden / brage ick / dewijle hy ſegt / Bapticnus
Chriftus hebbe die kinderkens met den H. Geeſt Spiritus
gedoopt: of dan ook den Doop des Geeſts en
deg Waters een ding zijn * Seqgen fnJa: Do ed.
moet Geeft Letter / of LetterGeeſt zijn. Maer
ſeggen fp Neen: fo hebben fp het ſelbe al geoor⸗
wilden Wp wel / dat hu Wat beter toefage / deelt / Dat defen handel Chꝛiſti met den Kinde:
ende leerde eerftmacl kernen / Wat deg [ven genen Kinderdoop leert noch mede beengt.
Geeſts werck ware / ecv hy ſulcks leerde ende
voorgave.
Is het niet een zware droeffeniſſe en herten-
GC
Cen bijfden / vrage ick: Moe men dit toe⸗ pueri nunc
brengen doch verſtaen fal* bleefchelijkk of gee⸗ C brifto cote
poraliter
flelijkt feggen fy vleefchelijk : foo antwoorde © rarr nog
Waer Gods leed Dat fulke Wupden haer det Zielen fazge ick / Dat nu ſullis níet geſchieden mag / Deij” poftiuat.
Geeft is,
daer is ook
geleert / dat fin weten / Wat des
De?ben aennemen / en ziju noch foo bezre niet [le Chriſtus met fijn — ke tegenwooz:
D. Geefts |diahept ban ong gevomen/ hj
em Daer henen
fijne vrucht. gert / dzueht /en keacht is: Want fo waer de | gefet heeft / daer men niet lichamelijk komen
Heylige Geeft (8 / daer moeten ook fijn beuche | kan / 1 Tim. 6. 16. Maer feggenfy , geefte-
Á ten zijn / is onwederfprekelijk. Ende hoede |lijk: foo ſegge
| beuchten bp den Hinderen / Wanneer fp tot
verſtand beginnen te komen / bevonden woz:
Den / wert aen hare woorden) Werken en leven
(och lacp) wel geſpeurt.
Wijder fegge ich / Loo de Kinderkens met
den geeft in haren Doop alfoo begenadigt wor-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ick wederom / Wacram dan
Gellius den Godzuchtigen (Die hp wederdo-
persnoemt) filkten leeljlien beandmerck op
de wangen Dukt / Dat hu fchzijft / Dat fn hare
kinderen nimmermeer of nergens Cheiſto toe⸗
brengen / dat upt geen reyn herte kan gefchrez
ven zijn / die haver Dele haer fo gantſch hertelijſt
Mim over
274, Een klareBeantwoordinge van Menno Symons,
over de Salighent harer Kinderen / met leeren | trouwe Dienaers achtet / en met hem in gelij ——
ipuero® vermanen / tuchtigen/ Ec. bebljtigen een | ke Beroepinge/ Ampt en Vienft ſtaen) Daer men wet.
curat,Chrifto Geftadige forge Lao? haer dragen / gelijck allen | mede in hare leere / geloove / en gebrupli feet
pueros waren Chaift-geloobigen Daderen en Moede⸗ veracht : want hu ſelſeijft dar de Kinderen |
offert. ren Gods Wood / en De forgvuldige Wiefdens der Kerken den H. Geeft hebben: en fd gez |
_ @clhytwilde Godt dat Gellius en de fijne op hebben / want cer ffe doopen / feggen fs : Daect
dit Geeſtelijckt toebzengen een wennigh beter | vat gn onvenne Geeft/ ende geeft cum den H. aota Pedo
acht hadden / gelijck ick hope dar Door Gods Geeft. Siet / fa baren fp ten meeftendeel alle ; arn
genade van den onfen ele doen / en lieten den die deſe ſchande leeren en voorftaen. E achine
Schaiftloofen Uinderdoop varen / Die fp (os Ende hoewel (ſegge ick) (p ín ’t gebrupek
hart drijven / foude (fo mp dunkt) Wel god (wel eenig zijn/ zijn ſy evenwel ín ’t verftant
zijn / Want fp doen doch ten meeftendeel anz {ende grondt/ Waccormme) Waer op / eude
ders niet / dan dat ſp hare kinderen van Der | waer toe menfe Doopen fal/ ſoo Gere bere
wiegen aen den Dupbel toevoeren / en in al⸗ ſchenden / Dat men innner feggen moet / dat
lerlen onwetenhent / blindhept / pracht / prael | den Uinder· doop niet dan een pdel Larva en
pdelhept / en afgoderie opboeden/ gelijck De | Dupvelſche Spotterie is. Foch fchzijft hj War gewelt
blijkende bzuchten boo? allen vechtverftandi- | evenwel / dar den Kinder-doop beyde Be- Gods B.
gen betupgen en kondt doen, Siet mijn Her |lofteen Bevel heeft, hoewel hp wel weet / Caro iijden
ſer / upt defe aengetoagen Vzagen ende Ant⸗ dat hu niec cen Duwdtlijche Metter unt Der moermag
woorden meugt gp nu merckien / hoe Gellius | gantfchee Peplige Schuft opbrengen mag / men hier
en die Geleerden met deſe Spreukie/ laet de | datfe de Wijshept Gods bevolen, of Datfe "°*<*-
Kinderkenstotmy komen, in de Meere ende de Apoſtelen geleert of gebzupclit hebben:
handel des Rinderdoops beſtaen mogen / die fn Of Dat fijn Effertus en Signatum / dat die
foo hart dringen / en fo dikwils boortdoen. Boetveerdige alleene hebben / met den Line
… @ack mercht in geljcker maten hoe dat deren toedzagen ende ſtenmen kormen. Ik
Gellius daer mede Dat hp fchzijft / dat wy nim- zwijge noch/ dat de Dcheibenten aentechez
5 dee: mermeerof nergens Chritto onfen kinderen nen / Dat De eerfte onvervallen Kercke
verum etiam toebrengen, ong niet alleen vichtet / en ſchand⸗ het gebzupk aol niet gehadt heeft / fa gehoort
Chriftus& plechet/maeroakt Chriſtiun Jeſum / dewijle is.
nde Pik hp ons ſulck toebzengen met bevolen heeft/met | Weet dit nach niet Gods Wooꝛt vervalſchen /
melíi afficie. t ſamen Den Depligen Apoſtelen / Die ong níet de Schrift breeken / de Waerhendt in Die leu⸗
een teníge letter / nact met woord / noch met gen verkeeren / Gods eere en prijg fielen / De
werli / ín Die gantſche fcheift Daer van betupgt Zielen dooden / en die Werke Antichziſti vooz⸗
en geleert hebben. flaen * ſegge ick — / al ík boz
É ren gefept hebbe / fa heb ick mijn leefdage cen
Enelfden, fchrijft hy: Nademael Lucas 3Doo2ò in techten berftande * der — —
getuygt, dat Joannes de Dooper in den niet geleſen.
lijve ſijnes Moeders geheyligt is, en tot der te-
genwoordigheyt Chrifti gehuppelt heeft, dat En twaelfden fchrijft hy:Dat by Mattheum
fonder twijftel (fchrijft hy ) door geeftelijcke Ein Doop piet kn * — zy inge-
beweginge moet gefchiet zijn» gelijk oock Ja- fet. ‘Want die voor henen loanni bevolen,en
cob in den Lijvelijnes Moeders, &c. So ishet | van den longeren Chrifti gebruyekt worde.
openbaer ‚ dat Godt ook in den Kinderen der | So dat wy daer van (Schrijft hy ) een regel des
Kerken na harer mate, door fijnen H. Geeft | Doopstenemen nietgedrongen werden.
werkt, en krachtig is, en den Doop der kin-|
at » 7 |
derkens beyde bevel en belofte heeft. | Antwoord.
|
Antwoozd. ‚Cn pegelijkk fie baor hem / en merke Wel /
Al dit fonderlinge wonderwerck Godts Wat hem des Beeren Woord leert, Gellius
aen Joannem ende Jacob gefchied/ cen gez |fchaemt hem (ochlacn ) gantſchelijck niet
meene Wiegel zijn/ fa moeften defe volgende Bods klare Woord te berloachenen. Schrijft /
wonder werken Gods oolt gemeene Hegelen | dat wy daer van niet gedrongen werden een re-
Lur37. “zijn / hamelijk: Sara ende Elizabeth/twee | gel des Doops te nemen, dat ons Chriſtus
Gen.25.a1. -nbuichthate oude Vrouwen / hebben ún | daer ook geen Wert gemaekr heeft , van den ge-
hek haren Buderdam gebaect / en Balamg Ezel loevigen alleene te Doopen , noch oock fijn
Num.22. 28. heeft gefipzoolten/ daerom moeften ook alle on: | Hemelfche Vader, doen hy loanni beval, dat
Gods won- pꝛuchtbare oude Bouwen baren / ende alte | hy Doopen foude: Ook Chrittus eygentlijcke
— Ezelen ſpzeelien: Och neen. Dat alſullie meyninge aen die plaetſe niet geweeft is, wel-
ne fonderlingé Wonderwerken Gods geen ge |ke Per'oonen dat men Doopen mag, of Doo-
— — — zijn mag —— Deele ed sage Diet / fo jannnerlijk wort uwes Hee⸗ |
aReg.6,6. Mers bp Helizeum / aen zemetacht Des ten Woozd verdeaent. :
— bars Iſraẽls door dat Noode Meer/bp Mo⸗ Iademael hp dan fijns Weeren Mondt foo
lof.ro. 13. fen / ent aen Dat ſtille ſtaen der Somſen bp Jo⸗ | kleen acht; en fijn Wood fo Deerlijk vervalſcht /
ſua / wel geſpeurt werden. wil ick de woorden Chriſti bn Mattheun en AMat a8. 10
Gods Geeft _ Voozder ſegge ick: So unt deſe beweginge Marcum den Leſer voor oogen ſtellen op dar Aac. G.t
is van loan- Joarmig nadeleere Gellii volgen foude / dat [hp felve fien maa / Welk een regel en Wer hu
* ele ook alfe kinderen Dee erken /of Det geloobigen / ons over den handel des Doops hier gemacht /
ken maer Den D. Geeft hadden / fo wozden den grootſten en Wellt een bevel hn ons gegeven Heeft. Sao
hoe hy by de Deel ſijner medegenoaten / die inden gantfchen ſpreeltt Chriſtus: Mp ís alle macht gegeven
gedoopte _Dumtfchen Lande zijn (díe hu boben boor gez, in Demel en lerde / daeroin gaet henen/en leert
ko ì alle
hater kinderen ſeeren en opleggen. | looben alen houden / dat ſy den boofen Geeft |
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Chrifti bevel
is, datmen
dat woordt
prediken »
ende den
geloovigen
doopen fal.
Overeen Schrift tegen Gellium Faber. 275
alle Bolckten/ ende dooptſe (verſtaet het / die ren, maer haer leefdage haer in geftadige ende
gh met der Heere tor Jongeren gemaeckt | geduerige Boete oefenen , ende de Londe fter-
hebt ofte maecht ) in den Jame deg Baders | ven moeften, gelijck den Doop afbeelde : War
des Soong / ende des H. Geeſts / ende leertfe | oock alto de kinderkens, hoewel fy voor den
houden alle Wat iclt u bevolen hebbe. Matth. | Doop geen geloove hebben, evenwel na den
cap. 28, Item / Gaet henen in de gantfche Doop, wanneer fy tot verſtant komen, de Lee-
Werelt / ende pzedickt dat Euangelium alten | re na trachten, Bote doen, die ſonden atfterven,
Creatueren / wie daer gelooft (namelijckt/ den
gepzedickten Cuangelio ) ende gedoopt wert /
Die fal Saligh werden: maer Wie niet en gez
gelooft/ fal berdoemt Werden. Marc. 16. 16.
olet / daer helt gp deg Veeren Woordt ende |
Oꝛdinantie / haemen ende wanneermen doo⸗
penfal. Ick mepne/defe woorden zijn klaer⸗
Der / dan datmenſe met glofen verdraepen/ oft |
Weten /Datmen DatCuangelfum prediken,ende
Den geenen/die Daer aen gelooben / doopen fal.
Joannes ba-
ptizabat con-
fitentes pec-
Cata.
EcclefiaChri
modo colli
Situr » quam
Maer dat Joannes boor Chꝛiſtum leerde ens
want hp heeftfe den geenen toegedien
fanden beleden. Matth.3. vers 6.
Ben onverftandigen kinderen,
hoorfame arge Predikers doen.
Aengeſien Dan Joannes niemant dan den
boetveerdigen ooch poor Chriſtum gedoopt |
heeft / Cheiftus het op den Geloove bevalen |
heeft / De Npoftelen het alfo geleert ende ge⸗
bzunckt hebben / oock de eerſte kercke / ſo verz
haelt is: Magh nu de redelijcke Leſer ín de |
vreeſe fijns Godts nadencken/ hoe erbarmelijk
cen was / Ec.
Ende niet wel behagen ſijin Paedickt - ampt der Boeten
gelijck de onge- | uptgevoert / eude Ben bevolen Doop in fijner
Gꝛdeninge vecht bedient heeft. Ende hoewel bevolen
fijne Joñgereũ noch in allen dingen niet fo
ende in een nieuw leven wandelen fullen, Gre
Op welcken verſtandt (fa anders fijn berz
ſtandt foo is /) iS Die mijn Antwoozdt / de
Propheten hebben van Joanne gepropheteert /
fijn geboorte is ban des Meeren Engel gez
tet wag/ met fachte hlecdecen uuct ;
M
volkomentljck geleert waren / beeft hr even: ,
wel niemant gedoopt / daa Die, Die have fonden
bekenden / fa gefent is.
ge
boodtfchapt / Chriſtus gaf getupgenitfe ban EG. 40. 3-
hem / dat hp de andere Elias was / een bran Mals 1-
Dende Luch
met fcherpfinnighept bevanderen kan / alg te | gehsleedt —
ne
lſatt. 11. 14
ag/dat wapende viet niet gelijk was
dat hu de grootſte onder allen Beouwen kinde⸗ Joa 5. 35-
Waer uet men wel lichtelijcki Matth. II. 18.
ſpeuren kan / dat hp geen lichtbeerdi
; ; 1 gh noch foannes de
De doopte / is met ans / ende niet tegen ous / roeckelaoë PD:
| oog Prediker geweeſt is / maer Dat hu Dooper heeft
t/die have ‚met alien ernſt / in alter dapperbept nae Godts ni
geleert noch
doopt, dan
hem Godt
et anders
Q hadde.
atth. 3.7.
ct. 19.18.
Maer foo Veel fijn untlegginge belangt ober aas. 36.
die woorden /gelooven van gantfcher herten,
daer van Philippus tot den Kamerlingh {prack, Philippus al-
Ed — ler. waren
hoe dat dat felvige anders niet zy, dan fonder ——
bedrogh ende huychelije te gelooven, dat hy van voorbelt.
ende jammerlijck De acme ellendige Zielen
Doch van Defe onaerdige Lunden Lbedzogen
werden / Die de waeckte ende Klare Wooden
Chꝛiſti ban der Doope / fijn welgevallige vene
ne Opdinantie fo gantſch vervalſchen/ vernie⸗
ten/ ende op een fa velendiſchen grant ende
quaden fin dupden.
Maer dat hu fchzijft / dat den Apoftelen
Matth. 28. bevolen worde, dat fy Chritto uyt
allen Volcken een Kercke vargaderen fouden,
ende den felvigen leeren niet dat Mofes, maer
dat Chriftus geleert hadde, ffaen toe. E
ed
„>
i- venwel met geen ander bevel noch ozdinantie/
fú non aio Dan datſe dat Eu
ê angelium prediken / dat bolck
miet Der Heere tot Biſcipelen maken / ende De
Chriftí spiri. ſelbige Diſcipelen doopen ſouden / ende four
tu, Verbo &
Ordine,
tz Ecclefix
fsmper adeft
‚ alfa ín fijner
Den den Heere alfa cen engen byſonder bolck
vergaderen / dat im gervechtighent / waerhept /
gehoapfaembepgt/ als de wedergeboren ſunde⸗
cen Godts in Chriſto Jeſu wandelen {ende fijn
hooghpriſeljcken grooten ame eeuwigh
danciten foude. Ende met foo een volck / dat
vreeſe / Liefde / Woord / Ordeninge
ende Geboden wandelt / wil hp alle De dagen
zijn/ totaen der Werelt epunde. Maer van
Binder-doogen is hier niet gedacht.
il hes dertienden fchrijft hy, dat de Apoftelen
daer fommige van Joanne gedoopt zijn,en-
de dar fo die gen ‚die uyt den Steden , ende van
Jerufalem tot hem quamen , ende alle met den
anderen onverfcheydelijk van Joanne gedoopt
worden, niet alfo van Joanne gedoopt zijn,datfe
alreede groote kenniffe Chrifti , oft een waer
achtigh geloove van gant{cher herten aen Chri-
ftum hadden, doen fy gedoopt worden,&c.
Antwooꝛd.
qe ick hem híer recht berſtaen kan / ſo wil hn
hier wt beflunten ; Gelijck als de gedoopte
Jongeren niet gant{chelijck voor den Doop in
der Leere, Geloove ende Boete gefchickt wa-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
den Kamerlingh recht vordert : ende Lucas, om
een Exempel den Kercken-dienaren te laten,
hoe datmen den Ouden doopen fal , recht aen-
geteeckent heeft,dewijle hy tot fijnen jaren ge-
komen was, &c. ſeggen wy / datfe vecht is.
Begeeren oock anders uiet aen allen Dsope⸗
cen/dDan Dat fp dat gelaave te vooren Wel' bzaz
gen (ende den gront der doopelingen recht onz
derſoecken / cet fr Doopen / op datfe in haren
werck ende Dienft geen Hupchelaers bean:
den wozden.
Ick mepne / biet zp immers den Kerclien⸗
dienaren Wel een klaer exempel voozgeſtelt /
hoe fp de bekenteniſſe des geloofs niet van ans
dere, maer Lan den Doopelingen felve vragen
Sententia
OQ
ende hooren ſullen / gelijcht oock Otto Bruntv, per iuud
ober Defe plactfe aenteelkent : Ln fegt nic
(ſchrijft hu) Gelooftghy,oft looft ghy voor ’t
kint; ſo is het dan geoorlooft om te doopen.
Vengefien dan Gellius de Jongeren ende
Doopelingen Joannis hier dan aengetogen
heeft / ende fo het ſchijnt / Daer mede beweeren
wil / dat den Doop fa geen vecht geloove eyf⸗
fchen foude/ ende Wepnigh daer aen fonde gele
gen zijn/ oft Dat gelaobe Loor ofte na Komt)
ende Wp ook fijne Wederdoopers zijn moeten)
wil ick hem im mijn cenboudigbept hier gez
vraegt hebben : So hem dat bevel Cheiſti /
ende Dit Exempel ban den Vamerlingh niet
genoegh zijn / dat het geloobe voor den Doop
gaen moet /ende dat den doop een recht Geloo:
ve epfichet / ende hebben tuil / Waer om dan
daulus de Jongeren Joamnis weder gedoopt
eeft / Die te booten met Joannis Doop ecn:
mael gedoopt waren / Daer doch Yoannis
Doop niet upt den Menſchen / maer upt den
Wemel was / Matt.ꝛ 1,25. Immer kan hp met
der Schrift niet anders antwoorden / dan het
is Daeram geſchiet / Dat fa nopt gehoort hadden
Dm 2 datter
—
Cc
t
t Actor. 8. Si
redas ex to-
o corde, &c»
Act.r⸗ↄ.
tto Brunſy.
\
276
datter een Deplige Geeft ware. Naedemael
De fclbe Jongeren dan te vooren in hare verz
ſtandelijcke Garen met eenen Goùtlijcken
Doop gedoopt waren/ ende geen ander gebrek
Paulus heeft hadden / dan Dat fp van den 19. Geeft geen bez
fommige
richt hadden,) ende Der halven andermael ban
Paulo gedoopt zijn: Magh Gellius toeſien /
dermael ge; Af De rechte Cheiſtelijckie Doop cen waerach⸗
tigh Geloove enffchet ofte niet: Endeof hu
ans niet te koꝛt Doet / dac hy ons voor Weder-
doopers ſcheldet, om dat wp den Doop aen
den genen vernieuwen / díe voszmaels niet met
eenen Godtljcken Boop / gelijck alg de Jon⸗
geren Joannis, Daer van verhaelt is / ooch niet
om een faute ofte fepl maer met eenen Anti⸗
chziftifchen doop / gantſch fonder alle ber
ftandt / kenniſſe / geldobe / Bevel ende Woort
gedoopt zijn / gelijck oock de roeckelooſe on:
berftandige Werelt ten Deele welvichten ende
fien kan. Zijn wp dan daerom W ederdoo-
peren, Dat wp den Doop vernieuwen die upt
Den Menſchen is / ende aen Den onberttandi-
gen gebieupeht / hae beel te meer ís ’t Paulus
Dan geweeſt / dewijle hy den doop vernieuwt
beeft Die aen Den berftandigen gebzupecht/ende
upt den Memel van Godt vezordineert Was.
Ten tweeden vrage ick: dewijle wy fijne
Wederdooperen zijn moeten , foo gehooꝛt is /
Waer Hoo? hn dan Cyprianum: met t famen
Die bepde Concilien hout / namelijk / dat
Africanifche ende Dat Nicenifche 4 Die eenz
Drachtelijck ſtemmen / dat de Ketters geenen |
Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
oock den heyligen Paulum felve met fijn fchrij-
ven tot openbare Wederdooperen ‚ja ketteren
maeckt , gelijck ghy fien meugbt.
TEn veertienden fchrijft hy, dat het nu
met den Doop ftaet, gelijck als voor-tijden
met der Befnijdinge ſtondt. Gelijck als Godt
die Befnijdinge met Abraham op voorgaende
leere begonnen heeft, ende tot gewifle verfe-
linge der Beloften , op Abrahams Zaedt ende
kinderen gekomen: Alfoo hebben Joannes
de Dooperende die Apoftelen den Doop van
den Ouden begonnen , ende is allenghskens op
die kinderen gekomen, dewijle het anders niet
gefchien mochte om der befnijdinge wille.
Antwoord.
D* het met den Doop ſtaet / gelijck als
42 boogtijden met der Beſnijdinge / name:
lijck daer inne / datſe op voorgaende Heere aen?
gebangen is / is onſe gantſche grant ende gez
tungeniſſe / want Chziftus Jeſus heeft alſo
vero dineert / ende fijn henlige Apoſtelen alſoo
geleert ende gebzunelitt hebben. Maer dat
het door Chriſtus Bevel / ofte dooz Apoſtoli⸗
ſche Leere ende gebzupck allenghskens op den
kinderen foude gekomen zijn / is Conjectura,
Meenſchen menninge / ende niet Schzift.
Want fa het alfa ware / fo hadden Die Apo⸗
ſtelen onrecht gedaen / Datfe niet na De wijſe
der Beſnijdinge ban Godt bevolen / bepde te
gelijcke / geloabigen ende kinderen in haten
doop en hebben, ende derhalben men die / die {tijden Doopten (dat fp nergens oft ninnner⸗
van den ketters gedoopt zijn , met den rechten
doopdoopen fal. Segthp/ dat hyfe voor
|
meer alfo gedaen hebben) gelijck als Abza⸗
bam hem felven ende fijn hupsgefin / oock Die
Schriftmatigh ende recht hout, fa bekent hp
felbe dat hp dok met den vechten doop niet gez
Na Cypriani doopt is / ende dat wp vecht Doen / Dat wp den
ende der
beyden Con
cilien oor-
deel , zijn
doop aen Den genen vernieuwen / Die ban ſo⸗
danige lupden gedoopt zijn / die níet alleen
van der Schzift / maet dockt ban Luthero,
Gellius ende Zwinglio, ende den geleerden / niet alleene
die —— Booz Antichzriſtiſche dienaren / maer oock als
Heer Merge Dat geontfop aller ketteren voor de gantfche
doopt.
Cyprianus
met den fij-
nen ook Ni.
ceni Patres ,
Paulus moe-
ten Weder-
dooperen
geweelt zijn,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Werelt gefcholden werden , gelijck men in
acht · dacghſche knechtkens nae hem beſneedt /
na Godts Bevel / ende niet allenghokens de
befnijdinge op den kinderen inboerde / gelijck
de Apoftelen met den doop fouden gedaen
hebben, fa Gellius hier Dzinget ende voozgeeft.
Maer dat hu fchzijft / dat fulcks om de Be-
fnijdinge wille niet gefchien mochte; is unt
vernuft / ende niet vpt der Schrift gefipzoochen.
Want hebben de Apoftelen / ende aackt Joban-
tes, den geloobigen upt den Goden Dat Teken
oft der Pre-
dikanten
leere moet
onrecht ende
valfch zijn.
Non conje-
étura,fed Dei
Verbum an=
cora atque
bafis eft
credentium.
hare ſchriften alomme lefen ende fien magh.
Maer feat hp / dat hyfe voor argh ende
feétiích hour , fa betupgt hp ten eerften daer
des Poops toegedient: Waerom dan oock
niet haren kinderen , wanneer het alfo Godts
Ordinantie ende Bevel geweeft ware; fa Gellius
mede / dat de Rercke / oft een groot Deel der Kerc-| hier voozwendt?
ken/op dien tijde ergh ende fectifch geweeſt ig,
Peen / neen / dat bebel Des Heeten ban der
Cen tweeden) dat hp Gods Geeft / woort / Befwijdinge hielt uptdauchelijk eerſt op Ubza-
wercſt / ordinantie ende bebel/ oock aen Der | ham ende fijn hupsgefin / ende ſtrackis op
— ende ketteren dienſt ende werck
indet.
Ende ten derden / dat hy ſelve een Antichri⸗
ſtiſche dienaer ende ketterſche Menſche is / dez
wijle hp met een Antichziſtiſche ende ketter:
fee doop gedoopt is / ende den ſelbigen als cez
nen vechten doop noch; gantfchelijck beweert
ende voorſtaet.
Och mijn Leſer / dat Gellius maer halve
oogen in des Weeren woord hadde / ende maer:
een Wepnigh ban de rechte Waerhendt fien
konde/ hu moefte hem boog fijnen Godt beklaz
gen fijnleefdage/ dat hp des Heeren untge⸗
druckte Bevel ende Ordeninge bp Joannem /
Chꝛeriſtum / ende den Apoftelen / foo jammer:
lijck fchendet / allen vꝛomen ta brandelijekt Ta- | d
ſtert / ende een fo onbedachten ende Godloo⸗
fen oogdeel ſtrijckt / dat hp niet alleene ons,
maer oock Cyprianum , alle Africanifche Bif-
fchoppen, de Nicenifche Vaderen , daer toe
die acht-daegbfche Vinechthens/ Gen. 17. 14.
Ende dac daet dat Wedel ban den Doope níet /
maer dat defnget alleene op Den geloobvigen/
ende niet op den onhoorigen kinderen / Matt.
cap.⁊28.Vs.19. Marxc.16.15. Is derhalven ook
den Doop van den Apoftelen allenghskens op
den kinderen niet gekomen, gelijck Gellius
woort / ordinantie ende bevel ban Den anger |
fignatum »
boorgeeft / maer is namaels bupten Godts Wi carnales
unt , non
hoogfamen ende epgen wijfen ingeboert / die ra gnuw
(och Yacp)meer op Die geweochte Ceremonien, quzrunt-
als op Des Heeren Bevel ende fijne dundinge
geften hebben / gelijck gemeenlijck der Werelt
Geleerden ende gefinden wijſe en gebrunk is.
Ftemjdat hu fcheijft/dat de roefegginge door
en Doop verfeegelt werdt, ende niet alleene
den ouden maerook den kinderen toekomt,
fal de Hefer weten/ dat díe belofte der genaden
Gods ende deg eeutwigen berbonts nu niet lan:
get met Dat verganckelijcke bloedt han Cr
en
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 277
—* —— ‚hoch —* ek fienlijcke Was oft ni; dijn, dat fh —— begra’
st eunde Ocremomen Verfeegelt wert / maer, BER/ ende met Chrifta door den Geloove beſne⸗
Reod. 24.8, eenmael met den NRooden Bloede Cheiſti aen Den/ín ’t nieuwe leven opftaen : Of aat beſnij⸗
* 2. het Crunce berfeegelt ig. Wel dien / Die het den/ doopen/ oft doopen befnijden heet: Oft Qui multa
gelooft „ende met getrouwer herten aenneemt. Dat fp eener goeder Conſcientien gevoelen dicie & nihil
Sanguis Jef Weiche Belofte niet Wepniger den engedoop- hebben : Oft dat den Daop cen Teecken des ——
— ten kinderen/ als den geddopten geloovigen Genaden-Derbonts / een Verſeegelinge Det roquum
zum figillum toekomt / foa lange fp met Der kintfeher on⸗ Beloften / ende een Inlijvinge in Der Ge- quam Chet
gratie ð&nooſelhendt bekleedt / in der eenvoudigtepdt mepnten aen eenige plactfen ín dee Schrift gez ——
forderis peiboortgaen, Maer wanneer fa tot verſtant noemt wert : oft dat de Klepne onmondige “Tor
— komen/ ende dat gepzedickte Eüangelium der kinderen met tongen fpzeken / gelijck die gez
crediderint, genaden met waeren geloove aennemen / als⸗ loovigen ín Cornelii hups deden / Daer Lan 40. zo. 47.
baptizandi banleert De Schrift: Dooptfe. Matt.28. v. 19. Petrus fpgach : wie han tweeren/ dat defe
unt, —— — pane bet — — rd — pes in fullen gedoopt Werden /
nù / ende eert cupm onboetvee eben eeft ontfangen als wp Oft dat
—— —— ha — —— zen * Chai ne Hp —— — * hevlfaem ende sent ſton⸗
Bloedt helpen / beel min Woor⸗ poftolifche Leere / gebrupck / oft bez HEI
benende Water: Want Wie niet cn gelooft | bel / fuickg in ’t —— òf ii
(De Schrift mepnt den beeftandigen) is alree⸗ dat Godt oock bn de werctten Wercht ende HIRE
De berdoemt. Joan. 3. 18, krachtigh is / Die hp níet verozdineert heeft) fa A |
9 Willen wp onſe penne ín den koker ſtelem EE
Be vijttienden fchrijft hy:Sy doolen gruwe- Soete doen / ende Looy de gantfche Werelt hee
lijck „om dat ſy uytder fchrift ende Exem- kennen / dat onfe faeche encttel verlendinge /
pelen. die alleene van den Ouden fpreeken,voor ende niet dan bedzogh in deſen deel geweeſt ig.
— beſſuyten, dat het een gewiſie Ordinantie | — en kan jp * niet doen / gelijck hp oock
odts zy, men ſal geen kinderen d | ermeer Doen kan / foo wilde ick hem Wel
fy — —— — —* trouwelijck den agroederlick gebe⸗
mente niet een tittelken van hebben. Ende den hebben / dat bp doch eenmael aendachtelijkk
derhalven niet weyniger feylen, als ick feylen | fehaeme ls —— wilde, hoe ganecl onbe: ⸗
foude; {oo ick mijnen kinderen die niet arbey- Gode d —* efen handel deg kinderdoops , Bel ins non
den konnen , geen eten geven wilde, om dat | ————— er esi ende Hepligen Geeſt Dam crea
Paulus fegt, die niet en arbeydt, die fal niet eten; | ’ api tam > ende Den poſtelen met eriam contra
dat fonder wederfpreeken alleene van den Ou-’ openbare berdichte nae feggen beladet/ hoe omnes qui in
den, ende niet van den Kinderen te verftaen is Jammeelijck bp Die Deldze Klare Shift ev: celis & in
bpalſcht / ende De Zielen verlepdt hae onbe⸗ deu
Antweon | bendige — — bw den armen bolche —
— zij oe gantſch bedziegelijck den
fide ni {oo mp dunckt / heeft Gellius boorgeno⸗ ‘gerbanden gerrwel indzinget | ende J een
leert,iscen Zien met opfet / Dat tegendeel tegens hepligh heerlijck werck boordzaegt. Deſſel⸗
Antichrig. Chxiſtum ende de waerbept te houden ſtaende / ben gelijcken { hee onrechteljck hu ober ons
* ers bp dat sne eenes Anticheiftifchen | klaegt l als dat wy gruwelijck doolen , tp
jo me ikers nae Des Werelts behagen vecht be⸗ Die Thziſtus heldze waard / de Npoftolifche
ee Dap abe an le dr gep, ba ina Gre
de 15 MA DEE Schrft recht ende Wel | fect des doops / dat eerſter enz
Doen / ende Dat Wa niet een tittelken hebben / de —— KEER Tee emiel
gg eet wan Ef kt ſchrijft vooz ons hebben / ende ha niet cen ecmiah
wy niet een viiesl hebben doreen? Cee dar | Woogt WE der gantſcher Schift han op:
ld Doof De en ; datmen geen Kinde. ——— dat ſijnen Uinderdoop nae Godts
es erb mre 20mmantien ende Bebel / ar
Aengeſten hp dan foo geweldighlijck ende heeft. Mijn getrouwe — einer.
moetwithablijek tegen Den Heere ende fijne | fchont/ zeeft Godt (doet vecht / onderfoecht
waerhendt firijdt / ende op foo meniger hande de Schzift / mijdt Die leugen / ende volgt
—— sli Beleen —55 leu⸗ De Waerhendt. Item/ dar hy de fpreucke a Thef, 3. 10.
/_„Onjecteuren , Ende berdzacpngel Pauli , die nier en arbevt. die fal nie :
der Schaiften fijn fate eenen ſchijn te ma⸗ op defen handel teechen wil | ig hem vecht te.
Ken / boozgeeft / ende fegt : dat 7) Bruwe- | gen/ ende kintſcher dan datmen ÄAntwoordt
F — Dn Wil ick hem in t horte al: daer op geven ſal. Want gelijck als Pau
gefept hebben: fa hp ous met angevalſch· Ius den ſedighgangers ende curieufen hier ge:
ter Godtljcker Schrift ende wacrhent tot. biedt / Dat fn haer engen broot eten ende met
den acbept redelijck geneeven ſullen /
Eentger tijt opbeengen ende bewijſen Kan / have har
op Dat fa niemant fouden ergeren ofte laſtigh
at den Kinderdoop van Joanne den dooper
aen eenige plaetfe geroert is : Oft datfe van zijn / Dat na der natueren den (lernen Kine Quemadme-
feorifto bevolen, oft van den Apoftelen ge- Beren aantfch pmen: ís / Betbatoen dum enim
d it e gebruyckris : Oft datſe allenghkens | haer fulck acbenden hiet aack niet bevolen dd vn
pee) F Heeren inſettinge alfo op den kinde- 8. Oock ſpreeckt Paulus níet / die niet en Eep
J —— hp — dat pe —— 5 als het Gellius hier geſet heeft; fic vn
* oopen (0 en in der Maer hp fipzeeckt / die niet achenden mil —
— genoemt wert: @f dat Chziftus oft) niet F ee kook Die Daan niet ze En ——
heben fe de toegebrachte kinderen gedoopt verft andigen kindeten/ maer der genen ín der
oane 1e fi atfe Chriſtus met foo een Geeft Schrift bevalen / die des herren Woord gelao-
Bettie mots gere weren ende Kracht hadde / ben / een boecheerdigh leben lenden / ende van
ï y of S Geeft nimmermeer ledigh zijn den Doop een hHeplfaem verſtant ende vecht
tan: Oft Dat Die Klepne Kinderen gelooben / bericht hebben / gelijck menighmael gefept ís.
JR m 3 R
en
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
mmm -
Iij 278 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
HEN 6 î R /
I | TE feftienden fchrijft hy ‚ Dat in Chrifto | len níet geheel onfchaiftmatigh zijn foude / ſo
| Jefu geen onderfcheyde dér Perſoonen, moeſten fb innners hare Leere wederroepen
| oft tijden is ; want de weldaet des Rijcks Chri- | Daer mede ſp te baoren deGenade ende dat Ver-
| | ſti is niet bofloten.oft gebonden aen eenige Ste- bondt met foo veel woorden alleene op den
II den , tijden , oft Perfoonen , foo oock niet aen kinderen der Geloovigen gedupdet hebben.
\
me —— —
wui of gellachte; Ende bekennen/dat haer Drijven Lan Abra-
eenigen ouderdom oft gel'achte ham ende fijnen Zade , daer mede fy de Befnij-
1 Antwoord. dinge op den Doop dringen willen, gant
IN * t wi be, | Been gelijckeniffe noch gemepnfchap heeft/
| He ebr evn Banckert toene elen an pe
1 der Befnijdinge na fijn voorgeven gelomen zp/ Kindecen/Die fo cont somme hem —— en⸗
HI ende de lmechttiens in fcaël alteene hefincden de Lan fijn Geflachte niet eu waren, befnijden
4 werden/ darmen nu evenwel des niet te weyni- ſoude / maer Die alleene/Die van fijnen Zade af:
| — ger beyde mannen ende vrouwen doopen ſal, quamien / ſo aen't 17. Cap. Gen. geſpeurt wett.
— fy zijn dan geloovigh, oft kinderen, ende van En feventienden fchrijfchy : Wilde Godt
lieres quam geloovige ouderen geboren ofniet, Ende ſo T — — — Ephef.
viri eraat in Dat felvige alfa fijn berftant ende gront is (al | amira < | if
| foedere. — | capittel 5. daer Paulus die Kerke beſchrijft, met
| ha weren / gelijch als Gods genade / gunste)! „aren oogen konden aenfien, &c
ij liefbe / verbont ende Belofte in den ieuwen (Wy ror e se gore Ch iftus heeft zijn G |
KE | Teftamente alfo Wel den VPzouwen tae- ge⸗ … aen ij —— we ——
9 epgent is als den Mamnen / alſoo was die dacht | — — dani a
|
|
í Son deft, ’ | overgegeven , op dat hyfe Heylighde, Ende
fn den Ouden Teftament: Aant fo Bodt erts ade doer idee Watcebedons-ube
fijn genade verbant / ende alles aen De Celie: 2 5 * gi
nen gebonden hadde / het ware Dan Befnijdiu- |” APF t, oft Era{mus fettet;door het woor *
BIE KE | ge ofte Doop / ende de geteeſtende allerie in Der |. Daer op hy voorder fchrijft: Hier moeten
HIE AE | gemepnten geweeft waren / fo hadde het met | mers fonder wederfpreecken die kinderen
—90 de Iſraeljtiſche Prouwen ende Matcghden met haren Ouderen, dat is,die Geloovigen met
HI met wel geftaen/ oock niet mee De kinderkeng | haren Zade, ja de gantfche Kercke in begrepen
MN Det cerſter Vercken / Dewijle Die na lupt dee | werden:
——0000 Schrift niet beſneden / ende deſe na tuut fam | Hoe ſouden fy nu uytgeflooten werden van
BIEN miger Schibenten niet gedoopt waren / fd gez den Woorde, als gefeydr wort, ende hy heeft
li feptig. Heen / mijn Hefer /meen/ Abraham ſijn Gemeynte gereynight dat Water-badt in
hik Ik Op aac en“ ret fijnen gantſchen Zade) ick mepne bepde het Woort, &c.
| de * de Mannen ende Pzouwen / jonck ende out / wa⸗ Antwoord.
BIEN IE belofte. _—_ ten deg Beeren Volck ende Semepnte / maer | JCK hoope dat wp / doo? dep Heeren genade
BEI Gen.17. 19. De Mannen zijn alleene na Gods ozdinantie, A ende verelichtinge / in onfer eenboudighept
HEE befneeden/cnde niet de Prouwen / de acht-daegs | Defe Waarden Pauli niet met Dupftecen/ maer
BIN fche knechtliens / ende niet die Maeghdeltens / met klaten Dagen inſien / Wat ben grond fj.
HE tk evenwel warten fp alle met den anderen/ fo wel Wy bieden Gellio met allen Geleerden de gant: d
MIN de Drouwen alg de Mamnen / litmaten der |fcheSchaift aen/Daer toe alle vernuft ende erba⸗ re toren
MIA Gemepnten ín den verbonde Gods / ende kín- reuthendt / konnen fp ong met cen ſtipken Det Fer gcfeyde
Ii HI deren der Geloften/ hoewel (feage ict noch Hepliger Schzift bewijfen/oft dat vernuft ende werd.
Hit PE eemnael) de Mannen alleene Gefneeden wa⸗ ervarentheydt ſulcks mede bzengen/ datmen
MEAN ven / ende niet de Drouwen. ben klepnen onverſtandigen kinderen des Wees
4900 Gochk ín den Nieuwen Teſtamente alſo dat | ven woordt leeren kan / daer upt de ware tens
Euangelium wozt gepredicktt / Alle die daer ninge des heeten komt: Oft dat de Schziſt aen
EEKE LIED 0 Marc.16.16. aen gelooven / ende gedoopt Woden/ fullen ſa⸗ eenigen plaetfen in den Nieuwen Ceftamente
ERR HE pn ligh werden/ fa zijn dan Mannen oft Vzou⸗ (doo? het Woozt oft Sacrament met haer hans
HEEL Eike HEE | Rom8.ra, Wens Sp zijn Widtmaten Dee Gemepnten delt / ſo willen Wp toeſtaen / dat fy ooek met den
LEEK LIER IE Matth.10.13. Chaífti/im Godts Verbondt ende genade) Me: |W ater-badt gereynight werden doot’ woordt
| IEN HAEEL! — de erfgenamen des Rijlis Gods / ende kinderen oft in het woordt. Maer konnen fp fulchg
| telkll des eeuwigen Lebens. Deffelven gelijken die miet doen / fa is daer mede al betupat dat defe
EINE EE EEE hinderkeng alſo / hoewel fia niet gedoopt werdt, woorden Pauli vau den klepnen Kinderen niet
DIER KANE Want gelijk Godt fijne Ceremonien fn den | gefchzeven zijn. ,
KLI | Ouden Teſtamente / als Beſmijdinge / Paefch:| °C ig waer / Chziftug heeft fijn Gemepnte ſo Col. i. 12.14
| ELN lam/ Sondoffer/ Btantoffer) Ec. niet anders lief gehadt / dat hp aol: hem felven in den doode
AANNAM wilde gebzupekt hebben/ dan hpfe dooz Moſen voor haer overgegeven heeft / ende heeftfe gez
| | 90 ingeſet ende bebolen hadde. heplight in de kracht ende verdienſte ſijues an
—4— Alſo wil hp ook Die Ceelienen deg HNieuwen ſrhuldigen bloets / ende gevepnight met den
| CTeſtameuts / alg Boop ende Nachtmael met | Water badt / dat cen bewijs endeTeeken eenes rom.5.4-
LEE IE —— anders gebrunckt hebben / dan hyſe ong doo? Nieuwen ende boetveerdigen Lebens is / maer col.1.s-
VEE IE oeam jut” fijnen Sone ingefet ende behalen heeft. niet anders dan ín ’t woort / ofte doo het Ti-3:5-67-
KANN przceprum _ Want fo ſpreekt hp : Dit is mijn liebe Sone/ woort / dat in des Geeſts kracht gepzedicht / en⸗
—944 celebrande daeraen icli een goet behagen hebbe / hem hoort. de met een waerachtigh Geloobe aengenomen
—— fint. Hadde ons nu defe Sone den kinderdoop bebo⸗ werdt / daer op Dat Water-badt ín fijner Or⸗ |
BEEREN HOE len / ſa moeſten wpfe(fo wpanders fijne jonger? deninge atgdan bevolen is.
EE EEL zijn willen) nakomen: Maer dewijle hn ſulcke hu zijt vepn(fpzalt Chriſtus) om dat woort / Joaa. 15 3.
Ei uiet gedaen heeft /betupgen op met der Schzift / Dat ick u geſproken hebbe. Iiet mijn Leſer / dat
EE Datfe vervloeckt is /gelijkk gefent is / Gal. r. b.8. | fp daerom repn Warten / om dat het tot haer
ij Wijder fegge ickt ; So fy nu de kinderen bey- | maer upterlijcht geſpꝛoocken worde : act
de der geloovigen ende der ongeloovigen in ge- daexomme / om dat ff1 geloofden het gene / dat
lijke genade ferten willen, dat na mijn beden: tot haer gefproackten wozde. en
Wan
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Overeen Schrifttegen Gellium Faber. 279
Nonexterno- WDant Godt vepnigt niet de herten Door ee | Datmen dan die Kinderen mede der Be- Infantes (ub
verboë mig letterlijk watec/ Woorden Ceremonien , | lofte halven in der Kercken tellen wil, Oe ene
fed fide purs- mact doog °t Geloobe in het Woort. Act. 15. ligen wa / maer Dat menfe onder De ordenin- concludi
ficantur 9. ge der Kerken befluyten wil, wederſpreecken non poflunr.
coda, Anders moeften oock alle die maer Dat | Vp / want het noch Schzift noch vernuft gee
wood upteclijk hoorden / endedat upterlijke | matig is / gelijck oock Gellius noch volgende
waterteeken ontfingen/ heplíg en ven zijn / is | felve Gichter zijn fal.
onwederſpzeekelijk. Ook beſtraft hu Chriſtum en de Apoſtelen /
met t'ſamen den H. Geeſt / in hare leere en or⸗
TE achtienden , brengt hy een Argument dinantie openbaetiijk / want hp ſchrijft / dat
en Silogifmum voor , en fchrijft : wat der | den Doopden Jongen en ouden roekomt; en
gantfcher Kercken toe komt, dat moet oock | fp hebben ong níet eeneenigh Crempel dact
allen Ledematen der Kerkentoekomen: Den | van gelaten/ noch een eenige letter im Det
Doop komt der gantſcher Kerken toe, datis, gantſcher Schzift daer ban geleert /of bevolen /
den Ouden en° longen: Derhalvan moet den | fo qr fien meugt.
Doop allen Ledematen der Kerken toeko- | … Aengeſien dan de eerſte, en ookt de tweede
men. fet-reden Gods ordinanue en bevel fa gantſch
ongematig zijn / fo ver haelt is / hoe dan fijn
Antwoord. beflupt-reden nae Gods ordinantie ende bevel
— beſtaen mag als dat den Doop allen Lidtma-
Et ware na mijn bedunken Wel goed / dat heeten dte EN,
H Gellussbewtiie he her een Pzediker deg | ten der Kercken toekomt, ig daer mede Hen
Wepligen Woorzds vaent/ fijn Dialecticam goedhertigen Hefer genoeg verklaert / en fijn
Dominus. EAD 0295, COENE, HENS ede | Silogifmus geweldelijkk wederlept.
NN Den werelds wijfen bevelen Wilde dic meer haet * * ——
— — rar engen er he ijf — meine Wijder fegge ick / wanneer defe fijn Silo-
tiones epgen pzijs en eeve ſoecken / als fa (ochlacp ) | —
Gipientium Bad Prijs en cevedaen : En Germ mer de on” | Ziſtpu ſonde recht en waer zijn! Date geen⸗
quodfint ey alfchte Heere) qranden wacthend Chai fmg í8/ fo moefte ook Defe mijne ſonder alle
vanz. 8 neelten vecht ijjn / namelijk :
Par.93.5. ſti / en met dat flechte eenvoudige getunge⸗ —— * —— — rage
1Cor.3.9. niſſe van Mattheus den Collenaer / ende van
Pieter en Fan Viſſchers / Fe- genoegen liete / —— — —* * |
op dat hr den eenvoudigen ende ongeleerden fongen alg den ouden : balget leere / Geloabef Omnia hee
: : —* * ni
—— —— di fkennifte Chriſti / een Ware Boete) een afge: ——
————— cls hp | ſtorven nieuw leven / De beſnijdinge Des ber: kecleſiam.
— te bonae ck — ten / een veerdſame en bzolijche Confcientie /
Roms24 Sa Gellius defe fijne fet-teden/ ap die Ger | Doop / NHachtmael / ee deg Naeſten / een
Ephs.2. made) Berfoeninge/ Belofte / eeuwig Leden/ Lvendige hope / een vzolijcke danktegamge /
en 15. geortsorn/ | &C. komen der gantfcher Verken toe: Der-
Tias. &C. Sefethadde/ Die Der gautfchee Kaechen, halven moeten ook deſe allen Lidtmaten der
sloazaa. fo wel Fonk als GOudt / gefchonken zijn om | abpen wigs
Chꝛiſtũs wille / en niet op die Oꝛdinantie det Bechen tac —— at is / den Emiraten
Kerſien / foo hadde Yp die recht geſet maer HOuden. —* nge bp mp nu —
mu fal Ia ten laccften feloe moeren bekennen tie — ls —— bee * F
dacſe onrecht enn tegen Gods Woozd ig. Want de fijne ant DE MIJ bok ds to * —
ae Oros agt Baran Be en
ld „pn p ï a fe ag » ' i k .
bebe foe ne stomen ber Bechen | gebrek hares verftanrs ( gelij jp Dar ook fet)
eeneelen berocpinge / Dienft en werck / ſtaen niet prediken kan / en fp derhalven oock noch
Epáu. don nietin eenerlen Ordeninge: Want de | Soete Doei / nach Nachtmael houden kon:
Cor.12. 28. k / EE € F Hic Gellio
Maessid Deere heeft Apoftelen / Propheten / Euange-|en/ Ee. DO betugt hp daer mede ele A ipfins
* ——— ar Ee | Ò | en in De Kerlie / Die fa-met des … £
Mar.ió.is. Uften/ Perders en Dienaers im fijn Gemepu dat de kinderen in De Het 8 sitogitmo
—— — eng ) niet dat fe daecam alle Apo- Heeren Woogd ende Sacramenten geregeert capieur.
Marrg- 22. (elen / Propheten / Euangeliften,Berderen/ | wert / niet befloaten zijn. En dat fijn gant-
—— ——— ſche Silogiſmus onrecht en valſch / jae ſonder
Aſſo beeft Dj dock fijn Ordinantie in fijn | tod en Gods Woord IS, Daer — hu aile
Gemeente met Doop en Pachtmael gemaekt/ | Admaten Det nr Maree
niet datmenfe daevoumrne den anverftandigen | Als den Ouden (ick fEhzijve op fijn Wijf ) 1
kinderen / maer den geloovigen en boetveer | Eenerien ozdeninge beflupten ende ſetten Wil,
digen na lupt der Scheift toedienen ende geben Hier hebben nu Gellius en fijn Medegenoo⸗
al
al. En —— —— an —— *
Maer fa veel alg De tweede fet-teden aen⸗ fyn Ende vaſt fp na det Schriſt daer mede be⸗
aact/ {8 El mijn antwoord onſe gantfctje lee- ffaen mogen / meugt qu ín Die vzeeſe uwes
te) Geloove / grond / en — in, dat | Gods nadenlien.
onfe eeuboudige klepne kinderen; ſo lange fn *
fa in dee eenvoudighent blijven / Dao? Chꝛiſti En negenthienden , maekt hy een lange
| f sr dat Kindeken „ dar by Ma-
berdienfte/ dood en bloed/ in genaden / en reden over dat Kindek „ dar by
\ — Det beloften zijn / 10 gehoozt theum, Marcum, ende Lucam vor Chriftum
2C036. (8: Maer de leere Des Nieuwen Ceftamentg/ | geroepen worde +. Wil (foo my dunkt) met
de, Die een leere des Geeſis is / befluntfe of bez dat felvige beweeren en invoeren , datde kin-
Lu.18,18. grijptſe onder Den genen niet / Die met Gods deren gelooven. Ende of fy niet geloofden,
| Woord en Sacramenten geregeert / ende de | evenwel voor geloovig gereeckent werden ,
Herke Chꝛiſti engentlijk in der Schzift ge⸗ fy zijn daneen daghot twee , een maendt of
noemt werden. twee oudt, &c. Schrijft voorder, dat men
cen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ee
|
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
380 Een klare Beantwoordin
een kint van twee, drie, of vier Jaren met
guade exempelen welerger maeken kan. En
dat wy al te kleynmoedig zijn , dat wy den ge-
nen den Doop niet geven dorven , dien Chri-
ftus (ſchrijft hy) wel dat geloove geeft en toe-
rekent.
Antwoord,
Deutn4o TA Gellius endedie Geleerden maer een
watde a” Wepnig ban De rechte aerd / kracht/ na:
Schrifcvan Eure en epgenfchap eens aren geloofs ín
—— haten herten ontfangen hadden / fp moeften
ven getuygr. haer ſchamen haet :leefdage/ Dat fp fo flechz
te eden van Dat edel geloove (dateen kracht
ende Gabe Gods ís) dozben boogthzens
get.
Moſes fegt/ dat de kinderen noch goed
noch quaed berftaen / De Wijſe Man ſegt / dat
fp onherſtandig zijn / Bap. 12. 25. Paulus
ſegt / liebe Bzoeders / werdet geen kinderen in
verſtande / en Gellius Deef ſcheijven / datſe ge-
en 13.14, looyen, Becht of Dat Geloove ſoo maer een
CA 15. pdel Ware / dat gantſchelijck noch beroeringe /
kracht/of werk hadde.
Ochneen/ Dat vechte ware Geloove dat
beo? Godt geldt / is cen levendige en Saligh⸗
maktende kracht / door de Predikatie Des H.
Wooꝛds inꝰt herte Des toehoorders van Godt,
ingeſtort / dat hem gantfchelijckt beweeght /
Virtus & verandert / cn ín een Godſaligen fin en nieuw
EE gemoet ommekeert en berfet : Datdat God⸗
loofe wefen in ong berdempet/ alle hoog:
matrtg. moed / eergicrighept / en engenfoehelijkbept
xGor.14. zo. vernietet / ong in der booshent den kinderen
gelijk maelit / c. Siet / fa een Geloove is
het / Daer de Schzift op wijſt / ende niet een
pdel/ dood / onbzuchtbaer Waen/ gelijck de
Werelt droomt.
Endat ſulk een Geloove ín de twee / drie
ende Dier - Garige kinderen niet gefpeuct
— leereñ ons bepde vernuft en Schꝛift
C
O liebe Heere / is het niet cen groote blint⸗
hepd / dat deſe onbedachte Man niet merkt/
Dat hu en alle ſijns gelijke Pzedilters/ Die De
— Schꝛift wel alle dage na hare wijſe leeſen / en
incredulita- een Deel tat hare grauwe Garen wel gekomen
tisinCon zijn / nach ſo ongeloovig zijn / dat ſy om een
cionatoribus hiipſi vol Bꝛoods Gods Klare Woord verval⸗
— ſchen / Die arme elendige Zielen bn ſoo groote
hoopen in der Hellen lenden / allen Godt⸗
bzuchtigen fchelden / ſchenden / haten / ende
met fo veel lafterlijke leugenen ende faemroo⸗
vingen / fonder alle Bare ſchult beladen / de
overigheyd tot tprannie ende bloed bewegen
dorven / op prank / pracl / welluſt / gierighent /
Ec. gefint zijn / Dat doch fo openbare blijken:
be bzuchten zijn / Datfe niet alleen ongeloo⸗
bíq/ maer oock geheel aerdſcher en vleeſche⸗
lijker aerd zijn / en nach willen ſy dat Geloo⸗
be ín een twee * en vier jarig kint beweeren.
othent en dwalinge.
ds dat Chriſtus dat kind tot herr riep /
ombing / en ín ’t midden fijner Jongeren fet:
te) is dit De engentlijke oozfalte geweeſt / om
dat de Jongeren haer Daer over bemoepden /
wie De qrootfte zijn foude. Hu fette haer dat |
Kinde tot een voorbeelt /en fpyakk : Voorwaer
fegge ict u / terr 3 dan dat gy u ommelieert / |
ge van Menno Symons,
Aijke Gods aennemen/ (verſtaet het ín der
boogbhent) gelijk als een kid) gelijk Mare ris
cug en Lucas (chzijven. Malitia parvuliefto- ‚cor.14. io.
te, inquit Paulus. Want Wie hem felben
vernedert (fpzeekt Chriſtus) alg dit Lindt /
die is de grootſte in ’t Hemeltijk. Wie fulk
cen kind ontfangt ín mijnen name(die hem als
dit kind vernedert heeft) Die ontfangt mp.
Maer Wie cen ban defen geringſten ergert / die
aen mp gelooven / hy ſegt / die aen mp gelooven /
dien ware het beter / dat een Meulenſteen aen
ſijnen hals gehangen / ín ’t diepſte Der zee ver⸗
dzonken worde. Siet / fo heeft het Chriſtus fel
ve verklaert / op hoedanige kinderen men deſe
fijne Wooden Dupden: en verſtaen ſal.
Maer dat hp fchrijft / dar de kinderen voor
geloovig gerekent werden , fg geenuft en enz
gen uptiegginge/ magh niet met een ces
nigh Woozdt in der Schrift beweert Were
eu,
Item / dat hu fegt/ dat men een kind van
twee ‚drie, of vier Jaren welergeren , of erger
maken mag ſegge ick ten eerften fa daer op
So men defe ſpreulie / wie een van defen ge-
ringften ergert, die aen my gelooven, &c.
Op den jongen kinderen met Gellio dunden
foude / dat ick mijns deels / fa veel Defe ves
den belangt/ níet toefta / fo mochte haer de
geheele Wereld ober Defe woozden upt dat
binnenfte haerder zielen wel ontfetten : want
hoe fp hate twee / Drie / vier / vijf en ſes jarige Parentes ' *
indeven opvoeden / ende met wat Godloofer P\crmaus
ergerlijker leven ſy haer boorgaen / leeren ons ——
(ochtacp) hare fchandelijke groote ontucht cauſa tunt.
en boeberie bepde ín Steden en Wanden wel, De Ouderen
Och mijn Keefer / dat doch de Wereld haet? rerer kinde-
der kinderen Saligheyt en forge een Wepnigh verdoeme-
beter aenname / ende foo niet ban det wiegen — *
aen met Meere en baozgandkt na der hellen toe⸗ 9974
voerden / Wilde aen Den dage des grooten
Ooꝛdeels haerder aller Zielen wel nut en goed
ijn.
5 Cen tweeden / ſegge ickt konden de Pre- Ve eis, quf
dikanten en Overigheden Defe ſpreulie Chꝛiſti sin
vecht berftaen / ende geloofden als nach batfe
vecht ende waerachtig waren / faude na mijn
bedenken de berlendifche ergerlijke Leere haeſt
ophouden / en dat tpramufche weeede zweert
in fijner fchepden gaen / daer medenu (och
lacp) ſo veel hondert Dupfent zielen ter eeu⸗
wiger verderffeniſſen ge-ergert / en ín Der hel:
len tijt beflooten werden. OHeere. Dee
der Wereld van der eegeeniffen ) ſpzeelit Chri⸗
ſue/ Gods mond / en wijshept. Matth. 18.
87.
Daer op dat hp noch ſcheijft / dat wy al te Niet goed-
kleynmoedig zijn ‚ dat wy geen kinderen doo- —
pen dorven , is dít mijn Antwooꝛt: de Schrift oer ge-
leeet / qp ſult níet doen Dat u goed dunkt / maer volg: zijn.
Dat ík ũ bevele Deut. cap. 4- Ús 2. ende 12,
8 22,
Baba en Abihu / Aarons twee Soonen/
brachten een vreemt bper boor den Heere / dat
hu haer níet bevolen hadde / Dat oper boer upt
rs Den Heere / en verteerde hacer. Levit. zo.
L
Jeroboam ban des Weeren Propheet tot
eenen Honink gefalft ober De tien Beflachten
Iſraẽels / richtede eenen Gods-dienft aen, DICH sragre der
ende Word alg de kinderen / gy fult in't He⸗
melrijſte niet koomen. En ſo moeten lon dat
Godt hem niet geboden hadde / moefte Bet? goeddun-
halven gan den Propheet hooren / dat —
| ij
— — —
— — — —
ſijn Duns Wilde untvagen / gelijk als men
dreſ untbaegt tot dat het gantſch met hem
De Hoes, — UE Ware, 3 Veg.14. 10.
frafieugg Nſia moefte verſtooten zijn al fijn leefdage /
met Me- OMAP op Den aook altaer roolite / daer toe
laetsneyt· de Heere hem niet beroepen hadde. 2Par. 26.
21.26.20. En ſullie exempelen meer. |
Lutherus felgeijft in de doorreden opEſaiam/
en ſegt: Godt wil van ons oogemeeſtert zijn
bhoe men hem dienen ſal. Wp wil ong leeven
— en voorgeben / fijn Woord fal daer zijn / dat
verona fl ons lachten en lepden / fonder fijn waard
cultu. is Get altemael Afgoderie en pdel leügen / het
ſchyne oork foo aendacht ig en ſchoon alg het
ummer wil. Item / opdat 3. Cap. Danielis
Gorg-dieuft ſonder Gods Wooꝛd / is altijd af⸗
goderie.
Wder ſegge ick: Alle Die Godt geſocht/
Cn hem met repner herten gebreeſt hebben / zijn
alleene bj fijn Ozdinantie ende Woord geble⸗
ven,
Die Godt Gaël heeft oolt fijn leefdage niet cen
—— * Macel Weken befneden [noch Oplien tot haer
fijn Woort Joatichlamr geoffert Want Godt hadde het
enoedi- bero dineert / Dat De acht · daegſche Unecht⸗
nautie. Kens ſouden beſueden / ende De Ranmneliens
1
geoffert werden.
Nademael wp dan fo grondelijſi unt der H.
dotoren Schrift beſiennen / dat ong Moſes en de Prꝛo⸗
Seciplnon Peten / daer tae de Wader felve/ ſoo cen-
potes. Dzachtelijk op Chriſtum wijfen (Die De wijg-
Gent en wacrhent is) dat wp hem hoeren ful:
len / ende Wp doo? Gods Genade wel weten /
loa.17.17. Dat hu de waerachtige Propheet en volkomen
Torsten, Leeraer is / welliers Woord de waerhent / en
*9 Gebod dat eeuwige Heven is / en hu ons níet
een letter ban den Kinder-doop bevalen / noch
fijne waerachtige Getungen de H. Apoſtelen
pets daer Wan geleert / of eenig exempel nas
gelaten hebben. Ook bevinden / dat den Ef-
doopen verkoren gerechtigheden ende Gods⸗dienſt fa
dorven.
want Defe gemelde oorſaelien / met famen de
ongevennsde liefde Der hepylſamer Godlijcher
Waechept/ de hertgrondeljcke vreeſe onſes
Gods / en de kracht onſes geloofs (hoewel
in der zwakheyt) weeren ’t ang.
— Och mijn Leſer / wilde Godt eenmael ge⸗
ven / Dat doch onſe wederpartien vecht kon-
rijden den inſien / welel een verſchrickelijſten grog:
tegen Gods Een Grouwel fn met haren Kinderdoop al
mer Her Jenthatben acnrichten / en hee ſy Die ter onee⸗
menfchen
faligheyt. ren Gods, en verderbinge hares naeften dei⸗
ben ick ſoude hopen / de ſaelie ſoude daoz
Gods hulpe haeſt gebetert / ende tot ecn
Die Kinde- Schrift matiger gebzunn geleert werden.
rt ed ° Ke Weerften/ makken fn Godt en De gant:
en de Schris: (COCA Schꝛiſt met haren Kinderdoop leugen:
leugenach- achtig / Want fn geben voor datfe Gods Or-|
Ugh. dinancie {$/ en Daer is met een Hetter in de
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
heeft * Olaſter en fchande !
Over een Schrift tegen Gelltum Faber. 281
gantfche Schrfture begrepen / die met eenig
woord of exempel ban Kinder-doopen roert of
aenWwijft.
Cen tweeden / vernieten fp de rechte ende Dis ——
ware Herle Chziſti Daer mede / ende vichten „oornaen +
een Antichziftifche Werke aen / die den Maem vernieten de
en ſchijn boert / ebenwel de vechte Leere / Geeſt / rechte Ge-
Ordinantie, ende gebruk van der Schrift meente en
bouwen een
boorgedzagen ban herten hatet ende Brandt vartche ae-
í
. meente,
Gen derden / trooften fide gantfche We: pee
veld Daer mede in hare ongerechtighent/ want Pie de Kin:
hoe Godloos / heerachtig/ Ecdbrekig/ gie: pen,ftijven
rig / pzalig / hatig / bloedig; gulfig/ dzou- alle onboet-
— afgodiſch en bupchelfeh fp peejdieenen
ook zijn / ebenwel roemen fp/ datte gedoopte Godloofen,
Chritenen zijn,
Cen bievden / vervolgen en haten ſy oocts
allenden genen / Die uyt repnen Godiijchet
pver deſen verlendiſchen arouwel mijden / ha⸗
cen verdoemelijken Gods- dienſt ſtraffen / cn De Kinder
alleene op Chriſtunn oi fijn Woord wiſen/ ja doopers
moeten hare atvallige Weder-d voperen,Duy- alien gen w
vels Apoftelen, en verleyde Keétteren , uyt= die geerne —
vaegfel en roof zijn. dat quade
Cen bijfden / hoe Wel ſy en have Schriben⸗ ——
ten voormaels der Menſchen Inſettingen en willen
Want wie Weet niet / Die maer eert half
30020 fijn leefdage in Des Weeren Woordt
geleſen heeſt dat ceu Uruns met vingeren
varen Der kinde helpen noch falig maken
an?
Dat / dat onſchuldigh renne Creatuerken
Gods / dat omnoſele kndelien / dat met deg
Heeren blocd gerepnigt 8 / met den Dupbel Eehs7.
niet befeten ist nde vat niemand Loor eend
anderen Geloove / dewijle het cen gave Gods
is / goed ſeggen en ſtaen ſian?
Segget / lieve Leſer / hoe kander doch groo⸗
tet ſpotterie en plomper hunchelie bedacht
werden / dan dat men eenen verſtandigen in
eens anderen name vzagen ſal: Gelooft gy à
Verfaektgy den Duyvel&c. En op fijn Jae
feggen een onhoorig / onmondig / en onver:
ſtandig Kindeken Doopen ſal, dat bende van
Jaen ban Peen / ban Godt en van Dupbel/
van waerhept en van leugen / ban leben ende
ban dood / aleben Veel verſtants ende begrij
Dn O Weers,
- — E — *
— — — — — zn
— ge
zz „ ' nrs *
—— — —— — —
== —
— —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
282 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
heere / ô lieve Heere / hoe lange faldoch zijn / Wil ick geerne allen redeltjcken ude
deſe vergrypelcke verlepdinge / ende deſen | onpartpichen leſeren aen ’t gerichte ſtellen.
woeſten gruwel gebzuyckt wozden? Ick
menne / het Ware Wel eenmael tydt / dat de Re fchrijft hy, wat heeft de Weder-
Wereldt cen wepnigh vlptiger toefage / ende doopers hier voormaels bedroogen , dat
alſulcke openbare berlepders/ met haere ſy aenꝰt ſweerdt grepen, dan een gelijcke fe-
Were) Doop / Hachtmael/ leben / vzuch⸗ kerheydt, dat fy als een Volck Godts , geteec-
ten/ ſoecken ende Doen / wat beter kennen! kent mer den teecken Tau, de gantfche We-
leerden / ende Wat fcherper achtinge op Deg | relt ouden innemen, ende ons Predikerseen
Weeren Ordinantie / Wille / Woozdt / Wege |deel die wy wel beter witten (foo fy feyden) in
ende werck hadden. onfen eygen deuren hangen ?
En twintighften , befchuldight hy ons van Antwoordt.
een valſche fekerheydt gelijck hyfe noemt, ME Leefer / nemet Waer / Wat ís dít
als dat wy, oft de onfe feggen fouden , wy zijn doch anders ban hem gefept / ende gez
feeker in onfen herten, dat ghy dwaelt , ende mepnt/ dan, ghy lieve Heeren , wilt ghy al-
wy de waerheydr hebben, &c. fulcken ergen Volck, ende boote Ketteren,
noch barmhertigh zijn? vervolghtfe , vangt-
Antwoozdt. fe, bantfe, ende roeytſe uyt, het is van haer
Eje Deere fpzeecht door Moſen / wie mij: |wel verdient. Of dat de Heplige Geeft in
ne woorden niet ſal hooren / Die hp (ber-|Apocalipfi niet Dee Schorpioenen angel Apoes5-
Godtsklaere ſtaet Chriftug ) in mijne Mame fpzelten ſal / noemt / meught gh nadencken eude ooz⸗
Woort ende van Dien Wil ick hee vozderen / Deut. 18. | deelen.
eenn bets 18. Te Hu laet hem beneden hooren / dar onfe
— oraedne De Dader fpreecht / Dit is mijn liebe Aaa: |Kercke eerftmael met my foude aengevangen
eyde, ende ne / daer aen icf: mijn wel bejagen hebbe / zijn, Dat ick hem cventwel (ſoo men op fijn
nieevanene hemboort/ Matt cap. 17.5. plaetſe haaren fal) geenfing tocftae. Ende
5 Te Chꝛiſtus ſpreeckt / leertfe onderhouden / | hem ig meer alg Wel bekent / dat ick mijn
alles wat ic u bebolen hebbe / Matth. 28. | teef dage ín Die gemepnfchap der Oproeringen
vers 20. niet geweeſt ben / maer dat ick der ſebbigen
Paulus ſpreeckt / ſoo oock wy / oft cen leere ende gruwelen / ja ſoo vele als der Pze⸗
Engel ban den Hemel u een ander Euan⸗ | díkkanten Teere ende gruwelen / immers met
gelium Pzedickten / dan dat wp u gepzedicht | des Veeren Woozdt beſtraft hebben / eben⸗
hebben / die fp verbloeckt / Gal. 1. 8. wel werpt hp ong hier noch aldusdanige
Joannes ſpzeeckt / wie obertrecdt/ ende | Godtlooſe handelen ende booſe fruclten boor,
blijft niet in Cheiſti leere / Die heeft geenen | op dat hp ong (hoewel onfchuidigh ) by een
Godt. Wie in Der leere Chaifti blijft, Die | yegelijck verdachtigh maecken , ende der ove-
heeft bepde Den Dader ende den Soone/ | righeyt her fweerdt in de handen langen magh.
2 Joan. 1.9. ende fuiche fpzeuchen meer. Of dat niet recht heet ; na der onfchuldigen
Nengefien ons dan de gantfche Schzift [bloede trachten / wil ick allen Godtbruchti⸗
op Chrifti Geeft , Euangelium , bevel, {gen ende broomen te bedenclien geben.
Ordinantie , gebodt, gebruyck , ende) Ochi datter doch eenmael faa veel beſchey⸗ Anima quz
Voorbeelt wijft, ende wy in defen handel niet \Denbepdt bp hem bevonden worde / dat bp rg od
eygen waen, goet-duncken, valfche uytleg- | den onfchuldigen met den fchulbigen niet foo var.
gingen, ende Menſchen leere; foo men ons vermenghde. Want wat foecht hp anders /
naegeeft / maer alleene Chziſti ilare Woordt dan dat hn Simonem Petrum tot Sima:
ende Bebel, De leeve ende Dat gebzupekt der nem Magum / ende Idannem ende Jaco—
Pepliget Apostelen / ende Det eerfter onder: | bum tot Judam maechen magh? Aa niet
valſchter Keeken na bolgen: fp daerenboben | anders / dan of ick feggen wilde : Geh hebbe
(namelijclt/ onfe wederpartpen ) geen meer ſommige kinderdoopers gekent / die open:
bevel uut Godts WDaoordt hebben ; dat ſy kin- | bare Eedtbzeliers ende Dieven waren) daer⸗
deren Doopen fullen , alg Yfeaël hadde / dat | omme zijn Gellius ende alle kinderdoopers
Maeghden te fit Maeghdekens befnijden ſouden / afte Dat: | oock Eedtbrckers ende dieven , ware imniers
—— fe Kercken / Outaren / ende Godts-Dienften | niet vecht van nun geſpzꝛoken. Och mijn gez
—— op den Bergen / oft in den Dalen ſtichten trouwe Teeſer / hoe vecht heeft doch de Hey⸗
hebben nae fouden/ oft datje hare kinderen doorz het bper lige David alfulche wzevelaers afgermaelt /
der — offeren ſouden / Ec. Oft als De Papiſten heb⸗ die daer fpzeecht: De Godtlaofe berworget
rondt onde ben / datſe Klocken doopen fullen / gelijche-| den ontfchuldigen hepmelijck / fijne oogen
aenfien. Wel noch foo daer ober houden / Datfe den hebben acht op den Armen hp loert ín 't verz
eers Doop der geloobigen / ban Chꝛiſto feltge be⸗ borgen / alg een Leeuwe ín der: kuplen / Gu prar. zo. 3,9
Eygen wijs-” Woolen / voor eenen Ketterdoop fchelden ‚| foet Dat hp Den elfendigen grijpe Ec. Want
heydt, ende ende berbolgen/ ende den Kinderdoop / die upt alfulctie maortgefcljzepen kome Get / datz
wier Godts Dao? hunchelije ingektoopen is / boog eenen nien aen ſommige plaetfen de Godtvzuchtige …—
gen, iseen Ghziftelijchen Doop achten ende gebzupc⸗ teouweberten/ JPannen ende VBrouwen a veteke
valfche feec- ken / Daer bp noch roemen ! Dat fin wel Daer, Kneghten / Maeghden / Grijfe haofden/ vruchten al-
kêrheyde. aen doen / dat fp haet dat gebrupelt niet ne⸗ Viceugelen ende lammen / ſonder alte mede: falke Schrij-
menlaten. Wie nu ban ons bepden/ fm oft lijden ende bacmbertighendt/ alg De atder ver haten
wp / den Sanherib) Holopheruem / Phari⸗ Godtloofte op Verden / in gebanckeniſſen
feen/ ende verlepde Secten / ban hen hier | ende Rercliers ſteeckt / haer goederen rooft /
aengetogen / in deſe balfche ſelierhent gelijck |ende de kinderen uaeckt ende blaodt re
| ta:
t Cor.1s.5 2.
x Thef 4. 16.
Valfche
Propheten,
eugenaers
bloergierige,
&c. fullen
geen deel
aen Godts
Stadt vin-
den.
Sangzúnatii,
Seditiofi,
Violenti, &
Raptores,
ſtraten ſtuert met gloepende Olpe ſom⸗
mige verſoeckt / ophanght / vecht / op den
banck fpant/ ín ’t water werpt / verwozgt /
beant / ofte met den ſweerde richtet / ende
fulche ongehoorde Hepdenſche Cprannpe
meer. Siet/ Dat zijn De voornaemſte ende | OP
beſte vꝛuchten / die aldufdanige bloetpzedi⸗
keeg met haer verlendiſch ende leugenach—
tigh fchzijven (och lacp) in ſommige Lan:
den voorztbzengen ende acntichten.
Och wilde Gode / dat hp / ende alle zijng
gelijche Pzedikers / met tfamen alle Par
gen ende Monnichien / die deg onfchuldigen
Bloets ſchuldigh zijn, in den dagh/ Wanneer
Die verfchzichelijcite ſtemme Der laet fter Baz
ſunnen klincken ſal / barmhertighepdt ende
genade vooz de oogen des Almachtigen Ende
grooten Godts binden megbten / ende hacr
dat onſchuldigh bloedt (des fp De epgent:
liijche oosfacche zijn) tot fonde niet gerelient
worde / Wilde ick haer upt grondt mijner
Zielen Wel gewenſcht hebben. Maer fo fp
by deſen fin blijven / ende haer ban ‘t Godt:
looft efen níet aflieeren / fal die branden:
De Poel (ſpzeeckt Godts Geeft) haren loon
ende Deel zijn. Apoc. 19. Ûg 21/22.
Voaarder ſegge iclt: Gelijck top in Gellio
ende allen oproerigen Dat bitter wzeveligh
herte / ende dat bloedige vnantlijcke (chzepen
ende fchzijven haten / en beſtraffen / Alſoo
haten en Beftcaffen wy oockt in gelijcker
maten (berftaet het Euangeliſcher Wijfe )
allen den genen / díe met den (weerde vech⸗
ten) fielen / cooben / pemandt op den gant:
fchen Aertbodem (hp zu vriendt oft bpant) /
befchadigen afte lecdt Doen.
Pier geldt ons Dader noch Beoeder /
Uepſer noch Coninck / Nabuer noch Dient /
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
283
Wat willen fp dan det Oproerigen mif-
daet hier voortbrengen, dewijle fp in Diens
Deel felbe ja foo beel feplen/ ende fo Wel in
gelijcke daet ende ſchult ſtaen / alg Die doen 2
Denckt niet @ Menſche (feght Paulus )
Die Daer een ander oogdeelt/ ende doet
oock Dat ſelvige dat gp Godts oozdeel onts
loopen ſult? Geenfins want op doet chen
gelijck dat felbige dat gp oogdeelt / Fom. 2.1.
F En laetſten ſchrijft hy: Dat wy ofte
der onſen ooge wat beter geſien heeft,
als der Wederdooperen ooge, in plaetſe
van der moetwilligen fonde te verftaen ;
daer fy menigen in vertwijffelinge over ges
braght, ende fommige haer {ouden daer ©=
ver omgebraght hebben , &c.
Antwoozdt.
S O hr ooch Defe fcheute hier op ons ge⸗
daen heeft / fal hy Weten, Dat hp al te
bele hier geſchzeven heeft: Want ich magh
het met goeder Contetentien getupgen ende
houden / dat ick mijn leefdage over Die falie
van Den Breoederen niet bemoept ben / ende
Dat Die Aeere onder den onfen bp mijnen tijz
Den niet geweeft ig.
Ick hebbe ſteedts hack geleert / Dat alle
fonden / Die gebacter Werden / bergebinge
ín deg Weeren bloet hebben, ff: zijn dan oockt
hoe/ ende Wat fp zijn. David met fijnet
SEebzeuck / ende onſchuldigh bloedt / is mp
een ſeker getupgeniffe. Nochtans een pegez
lijchk fie Wel boor hem dat hp fijnen Bodt
ban heeten bzeefe / recht doe / ende niet moet:
2 Reg. ra.r3,
Anima, que
ve fùper-
iam aliquid
willighlijck tegen fijnen Godt fondige/ Dat ommiferit,
eribit de
bp de leugen niet in de waerhepdt / noch Boputo fwo.
de waerheyt met den Schziftgeleerden in de nun. 15.34.
6.
groot nach kleen / gedoopt noch ongedoopt / leugen verkeere.
Want wie Weet, of docks fa eener / Die
j:
Alle Die dat menfchelijce bloedt tegens, bt,
Godts Woozdt bergicten/ tegeng de Tief- alfa unt moetwillighepdt oft flouthepde
De handelen / haren Haeften verongelijc- tegen fijnen Godt fondighde/ fijn leef das
hen/ berderben/ ende in’t berdziet bzens ge de gave der Genaden ontfangen / ende
gen / mogen onfe Bzoederen níet zijn / want Wederom tot rechte Woete kamen fande 4
on Weten / ende bekennen waäcrachtigh / Wie De fonde Doet (fpzeecht Ehziftug) ig
Dat fn geene Chziſtenen zijn. | cen knecht der fonden / Goan. 8. 34.
Mat de Oproerige voortijts binnen Man- ch breefe Des / fo mn de Kepſerlijcke 2. Rom. 6. 20.
fter met t'ſamen haren aenhanck met den met veel koftelijche Gaven befchonche /
fweerde (6 lach) tegen Godts Woozt gez, Ende ick Ware fijne H. ondanckbaer / bragh⸗
handelt hebben / mocten Wu immer hooren, te Die oncerlijcken omme / tradſe met bee: —9
| recht of fia ende Wp ín dien Grouwel een ten/ ende Wierpfe in Den dzeek / Ec. fijn |
| geweeft waren / hoewel Wp foo geheel ende | Bepferlijche ermfte foude mp ongetwüffelt I
Fantſchelijck onfchuldiah zijn. Maer dat, mijnes ondanckbaerhendts halven Wel bars |
fn felge Landen ende Kunden fn De wape⸗ de ſtrafſen / ende fulche heerlijche Weidas Hi
wen Geengen/ ende in Den gronde verder- Den ende edele geſchencken lichte niet meer
ben / dat eene Porſtendom bp dat ander fchenchen ende aenbieden.
verwoeſten / alleclep gewelt / Dzoeffeniffe/| Dactamme hoet / dat gp uwes Wees
jammer / ende hertenleedt allenthalben aen; ten woozt moetwillighlijck niet cn berz |
richten / fien fp niet Ga moet oock nochh acht / noch vervalſcht / ende niet al re |
(och facp) al vecht ende Wel gedaen) floutelijck na dat bleefchelijchk vooznemen Ii
heeten. uwes herten vooztbaert / op Dat u Die
Nademael het dan openbact is/ dat niet berfchenen Genade niet t'eenemael geno⸗
alleen Vranckrijck, Italien, Spangien, Bur-{ men / ende in eenen verkeerden ende bets
gondien , maet dat geheele Duytíche ge-| flochten fin geleert wert. Quitimer Deum ,
flachte, Dat hem deg Woozts roemt / ende recedit à malo. *
— De gantſche Wijde werelt / met den ſelvi Gelijck dat Gellius met allen ernſte daer
| endevech. Hen Oproerigen (fo geel vechten ſtrijden / na trachtet / dat be met fijne ontepne bals
tenzijndie wecren / tooven/ ende bloetbergieten aen⸗ fche Meere Deg Weeren Mondt leugenach—
erdee. Tact) aen gelijche werck ende gebzunck tigh makee/ fijn repne dierbaer Bloedt
relt ſchuidigh zijn. \geenieten / ende de onboetveerdige rotcke⸗
RNa loofe
Chriftiani
non !unt,
eheyden,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van defe
Klockhenne,
leeft in fijn
Schrift Lite-
ra F.in’t
tweede blad,
Pfal. 5. 7.
Rom. 3. 13.
Jer. 8. ro.
Ez. 13. I3e
Phil. 3e 19.
234 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
Want Wp beele zijn een Bzoodt ende een Chritus
looſe Werelt ín ſijnen Wilden Woeften wefen
onder eenen Balfchen fchijn Des Wepligen
Woozdts ſtijven ende trooſten magh.
Alſoo beneerſtigt hu hem oock in gelijcker
maten / dat ha met allerlene leugenachtige
facmroobinge / ende Criminele beſchuldigin⸗
gew (foo: me dDunckt) De heplfame tepne
Waerhendt ban den Aerdtbodem uptroenen /
ende de vzꝛoome Godtboruchtige kindeven den
Beul in De handen fchzijben magh.
Scherijve ick onrecht / foo fitaft mp. En:
de of Gu dan níet beter een qrijpende Stoot-
bogel/ alg een vergaderende Klock-henne /
Die hp geeene zijn wilde; heeten magh / wil
ick den Weeren ende hem beboolen hebben.
Maer de Heere / Die aller ellendigen Schilt
en Borgh is / weeret de aenflagen det Godt:
loofen/ Hu beenght de leugenaers omme /
Ho heeft een grouwel aen den Bloetgierigen
ende valfchen. Want ín haren mont ig geen
waerhendt / haet binnenfte is pdel/ haet
Veel is een open graf ende met Garen tongen
bupchelen fp
Macrom futlen fn boor den onWweder niet
beſtaen / hare Tuchter fal uatgeblufcht wer:
Den / ende haere lorie ten gronde gaen.
Want de Heere is ſterck Diefe vichten fal / en:
De die De ellendige verlende zielen / ende dat
onfchuldig bloedt tan hare handen epſſchen /
ende met haten verdienden loon betalen fal.
Siet / weerde Leeſer / hieer merckt ohp nu/
hoe det Predikanten leere ende bekenteniſſe
Lichaem / Dewijle bop alle eeneg Bzoodts
Nachtmael
is den boet-
deelachtigh zijn. Nademael dan wp nu uPt veerdigen
der Schaft bekennen / dat Dat Weplige verorai-
Nachtmael niet der wereldt / maer Godts
Gemepnte tot ſoo een telen / getuygeniſſe /
ende bewijg van den Heere na gelaten is / dat
wpalle/ die een Bzoodt genieten / leden cez
nes lichaems zijn /namelijck / deg lichaems
Chꝛiſti ende Wp nu met onfen oogen fien /
ende met onfen handen taften / dat bepde De
uptdeplderg ende de genieters des Wereldt⸗
neert.
lichen Nachtmaels / geen Waerachtige lez loan. zo. 8.
Denaen des Heeren lichaem zijn / De wijle de
uptdepldersg alle met den anderen Puerlinz
gen / oockt Dieben ban die eere Godts / ende
Mooꝛdenaers onfer zielen zijn / díe Dat onz
bedachte roeckelooſe balckt met hate pdele bez
loften / Philoſophie / ende berdichte Waozz
den / in allerlep ongerechtighepde / blindt:
Gendt / ende in dat bleefchelijckte ruyme leben
ophouden / de gantfchhe Wereldt berlepden /
ende allen Godtvzuchtigen / die ban 't booſe
afwijchen / deg Heeren woozdt natrachten /
ende ſteedts ban Des Weeren Bzeoodt eten /
vpandtlijcken baeten / ſchelden / beliegen f
met bangen ende bannen tat in den doodt bez
leedigen / Ec. Oack de genieters gemeenlijclt
een onboecveerdigh / moetwilligh ndel bolck
is / ja Wereldt zijn/ Die deg Weeren Geeft /
woordt / ende bekenteniffe niet alleene wen⸗
nigh achten / maer oock ten meeftendeel met
Hier merc-
ket, welcke
des werelt-
ijke Nacht-
maels uyt-
deyiders
zijn.
De genieters
es werelt.
ban den kinderdoop na der Schaift niet bez | baeten ſtooten / ſoo men fien magh. litchen
ſtaen kan / datſe niet op des Weeren Bebel/| Derhalven is het / Dat wp ons Lan haten Nachtmacis,
noch op de Veere ende gebzuyck Der Pepliger | Pachtmael onthouden/ Want de hertgron⸗ zijnde ware
Apoſtelen / gelijck den Dong der Geloovi⸗ delfjite bzeefe onfer Confcientien doop Godeg keeren
gen / maet op enckel Blofen/ goetduncken/| Waadt gedrongen / Weeret ende bewaett reeren
bermoeden / leugenen / geleende namen / ons / Dat wp met alſulcke untdenlders ende broot nict.
ende lange gewoonte gebout is. genieters in't gebzuyckt níet ftaen dozven /
Zit ghy nu vedelijcher aert / foo lact des opdat Wp niet ſulcker verlepdiſcher hande:
Weeren onfeplbare waere woordt / ende uw len ende grouwelijcken migbzunehkg deelach⸗
onpactpfche herte tuflchen ans ende ben, tigh / aen Den dage Chziſti gelijchken laan met
geleerden Kichter zijn. ‘haet ontfangen fouden.
Wil dan hier mede alle mijne leefers gebe⸗ Dat hp bier beele ban fijn vermanen voe Per Predt-
ben hebben om Godts wille / Dat fin mp doch men wil / ig doch alle fijn bermanen niet dan ;s vaer leere
níet verlieeren Willen / dat ick De leugen met, een pdel gezwets / dat fander alle kracht is /
Der Schzift ſtraffe De waerheydt met Der, want hoe fullen ofte konnen hp ende fijns gez
waerhepdt berdedige / bj den vechten wegh hjcke Pzedikers Chziſtum vecht prediken / |
wijſe / uwe ziele ſoecke / den valſchen Pza-, ende ander lunden recht vermanen / Daer fn
pheten wederfpzeelze / hare berlepdifche hey⸗ noch felve met allerlen blindthepdt / ongez
melijchte ſtricken aen den dagh beenge / ende) vechtighepdt ende fchanden / ban den hoof:
Des Heeren vrijd Lbooeftac. Wie den Heere de tot aen den vocten vol zijn? Billick ware
met getrouwer herten ſoeckt / magbleefen het dat fp Der Woorden Sprach nadachten /
ende richten. Lende Haer ſelven ecrſt vecht leerden / dewijle Eccl. 18. 17:
haerder veele noch foa onnutte luyden zijn,
dat fy gevoeghlijcker Swijnherders, als Her-
| ders der Schapen Chriſti (foo hp fchzijft) zijn
Vve deg Weeren Nachtmael beele híer te | moghten / ende hp felbe vock / miet alleene
fehgifven / willen wp om Dee korzthendt cen berbalfcher dee Schzife / ende verlender
Wille onderwege laten / ſoo wp doch onfen | DEE Zielen / maet oock cen feec wzeveligh /
gronde ende Geloobe van dier faeckken voor ſcheldigh / faemroobigh / ende onbarmhertig
Dees tijde met veel Dupelijche Schriften aen| Man is / gelijckmen unt deſe fijne Schrift
dagh gegeven hebben. Wie aen det waers, in alte klaerhendt ſpeuren ende fien han.
bepdt luft heeft / maghſe ſoecken / ende ín de ee
bzeefe ſijnes Godts nadenciten. | en dan, als dat ſy ſe ten eerften verma-
Pochtang willen wp den Godtbzuchtigen nen, hoe de Genieters in de Leere des
Heefer oock / tot onfer berantwoordinge te⸗ Wets , ende voornamelijck des Heyligen
gen Gelliam, ín onfer eenboudighendt fog, Euangeliums Lullen gegront zijn.
beel vermaent hebben / dat hp doch wel aenz
£ Cor.10.17. merchlie / Datter gefchzeven ftaet/ 1 Coz. zo. Ant⸗
Volght van het Nachtmael.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Antwooꝛt
Aer dat de Wet recht
W
werseygenc- EEN verſſagen gemoet / cen rouwig
licke kracht hette / cen Con
en natuere.
Beel rog. fijneg Godts verſchrickt ende beeft
Deur.6. _ Dreefe Godts/
Rom. 320. fleeft / ende uptdrijft/ als Spzach ſeht.
Deut. 39. Ie
Deut. 18. 1
Gal. 3. ro.
Hebr. 7. 18.
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
gepzedickt / ende
in t herte Des toehoorders door dat Ge
loove wel gebact Wert / dat het fijn gert / na⸗
Merckt deg tuere enn kracht vecht bewijſt / daer binten
bh nederigh
fcientie Die baoz den Woorde een Menſche boog Dat bolck ſterve / dan dat
/detepne het gantfche bolck berderbe.
Die De fonden verdempt / af⸗
Want dat ig Des werg epgentljch werck hy de gere wag/ die den Koninck alter cete
3. Ende epnde/ Datfe ons Godts wille vecht Door eenen bitteren per in den doot ſoch
voozbeelt De fonden recht open doet Des brengen. 1. €
Heeren toogn ende ftcaffe dzepght / den doot.
verkondight / en ong ban haer op Chgiftum Dikkers wel bywijlen ban een vzoom eben
285
kenteniffe niet dulden kan, maer fwaerlick
hatet.ende vervolget, &c.
Nntwoogdt.
Apphas fpzackt tot ben Pharifeen ende
Schriftgeleevden : Wet is ong beter / dat
|
ee
ijn voorgeven lupde vecht / merckte eben⸗
| wel fijn bloedtdozſtigh weeede heete niet / dat Joh. 11 zo
u kers leeren
CLE wel bywy-
len recht,
nochtans dat
eynde der
upt Predicatie
D2. 2. 8.
Dat oockt Gellius ende fijng gelijcke Pre⸗
kijft. Op dat wp doop fulckg boor Godts der Schrift fpschen/ ende ban den Erupce haten, na-
aengefichte in't herte vermozwet / de ſonden beermanen/ wederſpreken Wp niet: Maer
affterven/ ende Den eenigen ende ecuwigen hoe fp ebentwel de Ware gerechtighept/ die
Medecijn en Bemedium onfer Zielen Chei⸗
ftum Jeſum recht ſoecken en binden mogen.
Deffelven gelijcken / foa waer dat Euan-
gelium im tepnen poet na Godts welbeljaz
gen onbeftcaffelijct in Des Geeſts kracht gez
pzedikt wert / Dat Dat herte der Toehoozderg
met ſijner ſcherpte ende gewelt doozdzinget /
daer bindt men cen omgekieect / verandert /
Hier merke EU Een nieuw gemoet / Dat fijnen Bodt boor
des Euange- fijn onuntſpzekelijcke groote Liefde tegen
Er ong ellendige Sondaers bewefen in Chriſto
krachtende Hef / met grooter blijtfchap en vzeughden
natuere, Dancket/ ende alſoo gewillighlijcken en onge:
dwongen / door De kracht eenes waerachti⸗
gen Geloofs / en nieuwer Gebooꝛten / ín dat
nieuwe leben intreet.
Wanneer Gelltus fijne Jongeren oft Toe⸗
hoozders / oock hem felven / met den wette:
lijclten amer aen Dat binnenfte wefen foo
klopte / ende met de vperſtralen deg Hepligen
Cuangeliumg ín eenen Goddelijken pber ſoo
ontftake / Dat fp hare onreyne vpandtlijcke
herten / haren Pepdenfchen Pracht en Pzacl/
ín Dupfen/ Wleederen/ Gout / Silver / Er.
haren grooten overvloet / gierighept / braſſen /
ſuppen / Ec. dooz een waerachtige Boete na⸗
lieten / ende met Chzifto ín dat nieuwe nez
Derige leben Der gevechtighepdt intcaden /
alfdan dozſte ick Wel toeſtaen / Dat het ten
meeftendeel niet geheel qualijkk lupde / dat hy
van den Nachtmael hier geſchzeven heeft.
Maer nu doet hp anders níet / dan dat hu
Den Armen met een ledigen Wupdel traaft /
dat Wemde over Den Hockt trecht / ende den
Wagen vooꝛ die Peerden fpant.
Want de Tehtenen deg Nieuwen Ceſta—
Jef. 23.29.
De boete
moet voor
den Sacra-
Menten en
niet de Sa-
Cramenten
voor de Boe-
te gaen,
ban den doop eenmael gefept is.
Yder fchrijft hy,
\ \ oock ten derden vermanen » dat het niet
genoegh zy, dat fy de Leere gevaet hebben,
die in * herte dragen ende bewaren ‚ maer dat
fy oock dat felvige moeten opentlick beken-
nen oft beleven
endelevens,
vechtinge wa
geh
mentg zijn in haer felven gants ende geheel genieters zijn / ſo is
lzrachteloos / pdel ende onnut / wanneer dat | Nachtmael / dat fn toedienen ende gebruye⸗ ve der boer-
beteftende wefen / namelijk / Dat boetbeerdige | ken! want bupten Theiſti Uerlie (Die cen verz
nieuwe Teven niet daer en is / gelijk boven | gaderinge der Boetveerdigen ig)
dat fy ten tweeden ende der ongerechtigen / cnde tooberfche
melik de ge.
—
unt de rechte Keere herkomt / lief hebben / cn ware, Predi-
‚hoe fp fijn belijders prijfen / magh (och lacp) menige
unt hare onbeleefde faemroovige fchzijven en î
fchzepen Wel geſpeurt werden.
Nademael hp dan fchzijft / dat hyfe fo ver=
‚manet, foo verhaelt is / en het is oogenſchijn⸗
| licht ende openbaer / dat hp Die rechte ware
gevechtighent / kracht / vzucht / ende gehooz⸗
faembepdt/ Die upt De rechte Pzedicatie herz
komt / níet alleene hatet / maer met fijn lee⸗ Geltins eru-
lijck en fchandelijck fchzijben / oock met den cem predi-
Crupce (bzeefe ick) aen fammige plaetfen £2y/dem ie
wel beladet / magt de Bodtbzuchtige en bzo- eandem im;
me Hefer nadenchen / of hp den Pharizeen ponit.
—* Schꝛiftgeleerden niet in deſen deel gez
i
„
ijck is.
Die welcke / hoewel fin de Wet na de Let⸗
ter oock: wel leerden / evenwel fijn gevechtige
bept fo hateden / Dat fp oock den Beloofden Matth.27.200
des Wets / den bolepnder Chriſtum Jeſum / ——
dooz haren nijdigen raet ende daedt ín het ““*3'”
Crups ende doot bzaghten.
Mijn Leſer / verſtaet vecht wat ick ſchrij⸗
be. Boor Godt gelden dat uptwendige ice⸗
ten / hooren / doopen/ en JRachtmaelen (Dic
fo maer alleene ín den ſchijn geſchieden) gants
ſchelijck niet / maer boor hem gefden leeren
ende gelooben / gelooben en Deen / pt wen
digh doopen ende Nachtmaelen in den letter /
ende inwendigh in den Geeft ende wacthent. mereke wel
Siet / fo Teeven ong Godts woozt ende Op: wat hier ge
dinantie. Kek WOL.
aa lange dan ſulcke Boetlooſe vleeſche⸗
lijcke lupden Die uptdenlders zijn/ ende ſulcke
onnutte pronchkiers ende pzalers / gierigaerts
‚ende woeckenaers / bzaſſers ende ſuppers de
het niet des Heeren rechte pie gemeyn.
2
*
veerdigen of
da} der waren
Is ct noch geloovigen »
Doop noch achtmael / maer het ig een hebben
maeltijdt der onboetbeerdigen / cen ffcuninge Poep ende
* Nachtmael,
ſchijn / ende niet de
Ec. hoe hooge en heerlijck het oock met vele zemeynte
vermaningen boog der menſchen ooren opge⸗ af ——
pzonckt ende gepzefen Wert. Noch eenmael os ger we.
verſtaet vecht wat ick ſcheijve / ſonder ware rert.
‚ja met perijckel des Lichaems | Woete gelden in Cheiſto Jeſu noch Water /
dat fy haer ten Cruyce en tot aen-| Wzoodt / Wijn / oft Ceremonia / foo ſp oocit
penen, dar fy her met gedult en | ſrhoone van den Apoſtelen felae Warden tac:
oorfaemheyt opnemen, haren Bruydegom [ geDicnt/ maer ín hem en voor hem gelden een
navolgen ſullen, want die Duyvel fulcken be- nieuwe Ereatuerc/ ten omgeltectt / veran:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
An 3 dert /
286 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons;
dect / ende gebzaken heete / een hertgrondt⸗
lijche vreeſe ende liefde Godes / een onge:
bepnſde liefde des Naeſten / een afgeftoz:
ben / ootmoedigh / nuchteren ende bzeed:
faem leben / na Des Beeren Woozdt ende
voorbtelt / Ec.
Wanneer fa een nieu wefen dact is / fiet /
fa wort er vecht gedoopt / foo wozt' er recht
genachtmaaclt.
Maer uptwendigh (fegge ick noch
eenmael) boog den menfchen Doopen ende
Pachtmalen alleen fn Den Wetter ende
fchijn/ ende niet oock inwendigh voo? Godt
ín den geeft ende waerheyt / is niet dan grij⸗
pen na de fchaduwe/ Gods werelt ín den
ſchijn nafpelen/ fa hunchelaers ende bedzie⸗
gers zijn. |
Is het niet een bedroefde blinthepdt / dat
dele berdoolde arme Tunden den fienlijcken
Telien foo bele toemeten/ ende mercken niet /
Dat fp Dat onſienlijclie beteeckende weſen Des
wandelen / Den Hinderdoop gebzunciten
ende voozſtaen / den Doop det geloobigen
fchelden ende lafteren / hate Diſcipulen
ende Gemepnten ban der Wereldt niet afz
ſonderen / een onbefteaffelijche Heere ende
leben boeten / mogen wp ín der Keere ende
Sacramenten nimmermeer met haet cen
zijn / ons kome daer ober lief oft leedt /
fo Gadt gelieft. Want wp weten gewiffe /
dat wp des Heeren onoberwinncelijcke ſterc⸗
ke waerhept / ende fp De verdoemelijcke
fwactic leugen hebben.
Pijn getrouwe Hefer / hier denckt na
wat ich ſcheijve / Dat Wp ons ban der Pres
Dícanten Meere ende Sacramenten afichen:
Den / gefchiedt voornameljck om tweeder⸗
{ep oogfacchen, Ten eerſten dacrromme / om
dat Wp waerachtigh unt Der fchzift / ende
oaclt upt der daet belkennen / cnde in onten
herten daor den Geeft verſegelt zijn / Dat
fp geen Wepders / maer Verlepders zijn.
herten / met den ſienlijcken Teecken voorge⸗ De gantfche fchzift teert ons / dat Wy foe jer. 23.2.
Die Predi- Dragen / daerom Dat teecken in Der ſchzift be⸗ Danige Pzedilicrs niet hooren / maer mij⸗ Mat 7. i5. i6.
kers dryven goten is / van heeten haten ende brandt zijn.
dat teecken,
den ende ſchuwen fullen. Want ís het dat
Joan. 10. s.
Ram. 16.16.
ende fijn be- Hecht of Bodt een bpfander welbehagen acu wy Loor De vlecſchelycke Dieven / Fev? rhis. 3. 19.
duydinge ha- De flechte Elementen / Water / Broot /ende Denacrs / ende Wolven vzceſachtigh zijns; 2 Tim 3.6
tenfy. Wüjn hadde / ende niet epgentlijck aen’t gene
Hoe Veel te meer ſullen Wp ong dan Booz den
dat er mede beteeckent / afgebeelt / ende ver⸗ geeen vzeeſen/ Die end arme Zielen fo
maent wert.
jammerlijck verſcheuren / ong in Der ber:
Pl to226. Och neen / mijn Hefer / neen / men kan derffeniſſe ophenden/ bant gefichte dee
Heb. 1e Godt met flecht Water, Bzoot/ ende Wijn | hlaerherdt Chriſti berooven / cnde na Die
noch dicnen/ noch behagen / want fijn Jandt | veefchzichelijche anoploffclijche dupſterniſſe
heeft bet al gefchapen / maer daeromme fijn | Ber eeuwiger Helſcher qualen om een bupck
Doop ende Nachtmael in des Beeren Huns | vol bzoodts fonder álle fchzoomen lepden.
Rom.6.4. Beropdineert / dat Wp daer mede onfe Geloo: | Ick bidde om Godts wille / liebe Hefer /
Colof.2, 12. ge ende gehoozſaemhept betupgen / dat wp | houdt het mp ten goede. Siet / boor Godt /
in een geftadige ende eeuwige Boete wan⸗ | het is De wacrhepdt dat ick fchzijbe.
delen Willen / dat wp daer doog fijner onupt⸗
Die tweede oorfarche ís / op dat wy daor
ſprelelljcker graoter liefden ende weldaden ſulcke mijdingen u ende een pegeclijck ín ſchij⸗
Matt. 26, 25. gedenchen fulfen / Daer doog ſullen vermaent
werden / Dat he fijn onbevleckte reyne
Mar. 14-22. Bleeſch vooz ong opgeoffert / ende fijn Dier:
r Conros baer roode Bloedt tot berfoeninge onſer
‘alter Zielen in de hietige Brandt fijner
Hier merc- eeuwiger Wiefden vooz ong vergooten heeft /
kevwaertoe Dat wp ín cenighepdet deg Geeſts ceutwigh
de Tekenen
ofte Sacra
mentendes pen volgen fulfen/ Ong onder den ande:
— ren / alg de leden eenes Tichaems / Lief-
dee nb hebben / helpen / teooften/ ſtraffen / dza⸗
zijn. gen/ beemanen/ hanthaven / ende Dienen
ſullen / ons ín allerley gerechtigheyt / hep:
nender Daet betungen mogen / dat gp Lupe
ten Cheiſti Geeft / Woost / Nijcke / ende
Verche zijt / Dat gy op onrechte wegen Wan:
delt / ende u van uwe Pzedikers Deerlijcken
verlcyden lact/ Op dat gp nach in rijdts
meugbt opwaccken / van der Ictrgen af wije:
fen / be waerhepdt na trachten! ende eru⸗
met Gem Wandelen, ende fijne boet flap: wich Saligh werden.
Zijt op nu vedelijcher actdt / foomerekt
doch Wel aen / Wat wy hier ín ſoecken ende
najagen / ende gedencht niet / Dat Wp foo
gautfcij van onſen verſtandt berooft zijn /
dat vp Doc? twiſt ende partije deſen engen
lighept / ende waerhent/ alg De nieuwe gez
booren Kinderen Godts / onbeftcaffelijckt
boor Die gantfche Werelt tot im den Doot
bewijſen fullen/ Ec. Siet / mijn Hefer /
tot alſulck een epnde zijn ong des Nieu⸗
wen Ceftamentg Ceeckenen nacrgelaten.
Wanneer nu Gellius ende De Pzedikerg
met alfulcken herte ende gemoedt haet
Zachtmael gebrupckten / fp ende hare leer:
lingen/ ín Dat effect/ fignato/ vzucht /
Geeft / ende kracht (hoewel ín Det ſwack⸗
bent) alfa bebonden Woden/ gelijck dat
Teccken ín Der afbeeldinge leert ende mez
debzenght / alfdan wilden Wp door des
Heeren genade malkanderen Wel haeſt
nactder komen/ ende aber deſen Teecken
ende gebzuyk wepnigh twift hebben. Maer
too lange fn Den runmen wegh leeren ende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wegh wandelen. Och hoe geeen ſouden Wy
onfe arme fwache viceſch / anfe D2ouwen
ende kileyne lmderen / Teven / goct cnde
bloet ſparen / ende met der Werelt 1m goeden
vrede lchen / Wanneer ong De lief De Der Godt⸗
lijcker Eeren / ende Die ecuwige falighent
bende uwer ende onſcr aller zielen niet enn
drongen.
Maer nu mact het ban Wegen die twee
oogfacctsen Door Die reyne ongevalichte lief:
De alles tot cen roof gegeven / cude Den
Doodt (alg Het Die neot vozdert) daer over
geleden zijn.
Want díe waerbepdt Wil ten meeftendeel
duere beweert / en de hertgrondelijcke trou:
we liefde met eenen doognen krans beloont
zijn. @ Deere!
Merckt vlij-
tighlijck wat
hier gefeyt
Wort
8 Bee laetften fchrijft hy d Uyt defen mag een |
tweedzacht aentichten/ alg dan magen fn
yegelijck vroom Chriíten wel lichtelijck
verftaen, hoe onbillijk dat defe Luuyden,die ons
van Tweedracht, Toorn, en Vyandtſchap be-
fchuldigen , ende felve over die Artijckelen des |
Overeen Schrift tegen Gellium Faber. 287
ninge ende liefde verachten / hattnechigt 1 Tim.6s
ín haer beorncemen blijven / twiſt ende 5,”
onfe Medegenooten ende Greecderen niet
zijn / tot dat fp haere ſchuldt bekennen,
ende in vzeeden weder tot des Weeren Bolcht Die dez
Geloofs onder haer twiſten, onvriendtfchap, | keeren. Of dat nu heet overde Artijckelen {wit met
Tweedraght, Toorn , ende Vyandtfchap
(foo verhaelt is) zaeyen , Ja die onfe Leere
nooyt grondelijck onderfoght ‚ ende den han-
del des Nachtmaels nauwelijck by onsgefien |
cer fchrift
des Geloofs onvriendtfchap ‚ vyandtíchap afweeren ,
ende toorn faeyen, Ban of het heet alte on richten vree-
cepnighepde van deg Heeren Huns afwee-⸗ ende
ten / mogen alle vechter ſtandige beude MEL dracht,
hebben, ons van wegen het Nachtmael ftraf- verſtandt ende ſchzift afmeten.
fen, ende die verfamelinge der Gemeynten
Chrifti verlaten.
Antwoozdt.
Cen derden ſegge ick / dat wy haere Lee-
re niet gehoort, ende dat gebruyck haerer
Nachtmaels niet gefien hebben, (foo bp
klacght) is bit Die oogfacchie / vim Dat
Jae fegge ich ten eevften alfoo Daer op : ‚Wp upt Die blijchende bzuchten beliennen /
De ongerechtighendt / Die ong buyten ende ban lange Geeren af bekent heb
Cheiſti Rijcke / liercke / Tichaem / ende ben / Dat haere Heere poel ende krachte-
Nachtmael flupt/ is niet alleene ín twee: [laos / ende haere Sacramenten Den Waas
zaght / toorn en kpautfchapgeiegen / maer {de niet gematight zijn.
Want Welcker- pe vruchten
oock in alie andere wercken en bauchten deg [lep Geefteg kinderen bende Die Pacdicherg seven geruy-
bleefchs / pracht / pzael / giecighepde / braf-|cude Toehodozders zijn; magh ten cerften ELLES wat
fen/ ſuppen / &.
der Predi-
upt Defe fijne oncerljcke faemroovinge / bit- kanten Lee-
Hoewel dan de vyandtfchap ende toorn by |tere / teugenachtige / haetiſche ende op- 1e ende Sa-
Hoe haer de fommíge van den haeren, wanneer fy dit ge- [vaerige Schzift ba den Pecdicherg / ende
werelt be- bruyck houden, ten deele wel gevredigt wor-[ten tweeden / uit De afgrijfelijche groo—
cramenten
zijn,
tert,leeren den (foo hp ſchzijft) feo blijven dan nochite pzracl dee Kleederen / unt hooveerdi⸗
(och lacy )
hare woor. CUenwel alle Die andere groove ſonden ende ge fioute bauwinge ende vercieringe Det
den en wer- Ongerechtigheden ongeboetet/ gelijck alsan Hupſen / ende upt Dat aberdadige vlee—
ken wel.
ren ende fien meught.
ín De blijckende vruchten allenthalven fpeu- | ſcheljck cupme leven bp bhacren Jonge—
ren aen den beften Wel gefien wozden.
Die openbare Wepdenen maecken oock Wat helpet dan / Dat fp fchoone met den
wel breede onder malkanderen / Wanneer fia | fchijn beort komen / heerlijche ende fchoas
oneenigh ende twiſtigh zijn / ebenwel zijn fp | ne bercierde redenen voeren / foo fh dogh
Daer mede De rechte koornen aen Des Geeren | der Schaft ende der Hepliger Sacramen⸗
Bzoodt / ende de rechte leden aen des Heeren ten werck / berucht ende kracht met Der daet
Wichamen niet. Wie ſiloeck ban herten ig /
Denchie na wat ick fchzijve. |
Cen tweeden fegge icf: Dat hy ons van,
tweedracht , toorn, ende vyandtſchap hier
befchuldight, fal hp met vechter waerhendt
nimmermeer Waer maken. |
verſaecken / jae vervolgen ende vpandt zijn £
Soo ick niet de waerhendt recht felzijve /
foo ficaft mn.
Cen bierden fegge íclk/ Gellius beſchul⸗
dight ans / dat wy die gemeynte Chrifti
p Do «
verlaten, Maer ick ſegge / Dat Wp nae
Ban gelijckt hu ende fijne Msedegenosten Godts Woozdt ende Ozdinantie / ende
onſe Chaftelijche Leere ende Geloove / Sa⸗ nae Dat Erempel der Hepliger Apoſtelen /
cramenten / ende doen vooreen pegeljck bez |De Wereldt met haeren Lalfchen Pzophe—
fchuldigen / Deoeffeniffe ende moepte aen-|ten verlaten / ende door Aeg Weeren GBeefl Era. zurr.
richten / ende Wp hart door Godts genade |ende genade Die Gemeynte Cheiſti van hae: 2 COr-6- 17.
ct. 2. 4Ö.
niet met toozn ende vnandtſchap / maer met ren ſtricken ontceden / getrouwelijck Wact- Apoc. 18.4.
Chꝛiſti Geeft ende woordt im allee gedult be⸗ ſchouwen / ende nae luydt des Wepligen
jegenen / leeren / ſtraffen vermanen / Waer: woozdts / ín onfer zwäckhendt bouwen
Men ver. . *
toorntoves upt dat binnenfte onſer ziclen / oock met ou⸗
ons maer wy ſen doodt ende bloedt en vechten wech betup⸗
Over nie-
hendt met waerhendt houden ſtaende / ende ende oprichten.
Wat wil dogh die ar—
me onbedachte Jan veerle ban de gez
u pe mepute Chziſti ſpreccken ende vocmen /
gen ende aenwüſen / Waer over fn ong niet daer ſp noch foo gautſch bn haer onbelient
ist Gek biede mp gewillighljch aen / Men
befchicfte nap een bop befipzech mee Den Pre⸗
gelijck oock inder Apoſtelen Herclien wel gez Dilkecen / het fin Dau mt hepmelijck koer
— wepnig haten ende vpandt zijn. Alſo ſtaen-⸗
Der dock bijten wel ſommige unt ons op/
ſchiedt is / Die tiever haer Vernuft alg de
Gal. 3.6.
getupgen / oft ín ’t openbaet vooz ecn
Scheift bolgen willen wederom op den rug⸗ bolle Deegaderinge / foa ick het miet bewij- „Sr mere
et, dat wy
tTim. 16. men wegh treden Willen / wat aenfieng oft ſen / ende met kracht Der Waerhepdt han ons mer
tt Me Name hebben willen / ende geven onſchrift- houden ſtaende / Dat die Pzedikerg alle in't Pauto onfer
matige Dingen vooz / met den felbigen trac: gemeen Berlepderg en geen Wenders zijn / sere niet
fchamen.
teeven ende handelen wp/ vermanen ende ende dat hare Pzonckers / Pralers/ Gieri⸗ Rom. 29.
ſtraffenſe gelijck de Schrift leect ende mes
debrenght / hooge oock in aller Liefde ende |
geſchickithendt / Maten fn haet onderwij⸗
Tit. 3. Â
fen/ ffaen af/ ende trachten nae Den bzeez
@)
‚k
Fa
de / foo dancken kon den Deere fijner gaven.
Macr is het Dat fp Wzoederlijche verma⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
gaerts / Woeckeraers / vloeckers en zweer:
ders / Ec. Werelt ende niet Chziſtenen zijn /
fo wil ick alg dan met openen monde boa, de
gantfche Werelt bekennen / Dat Wp de Gez
mepnte Chzifti niet alleene berlaten/ maer
oock eerlijck verſcheuren / en menig broom
Beste
en —— — —
268 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
heete ín grooten ſwaren jammer / kommer |dígen / ende fa menigh onnooſel bzoom kindt
ende noodt brengen. om LTant / eere / Vijf ende goet brengen / ſoo
Maer kan ick het ín boller kracht fEaende | men ín ouſe Pederlanden (och lacp) aen bez
houden / waerom moeten Wp dan noch fo | Yen plactfen in grooter klaerhendt hooren en
beef quaets hooren? So Ware 't immers | fien mag).
meer Dan er / ap — ijn sf
berlendinge aflieten/ fp ende hare leerlingen —
wie, hoof tuDé waer fn zijn / opwaekten/bao? Van de Excommunicatie :
Godts toorn ende fEcaffe breefden / Baete dez Ban, oft Affonderinge.
den / haer na des Heeren Geeft / woozdt ende
Pooꝛbeeldt ſchiliten / ende een oprechte Chri⸗ E Ge iclt dan beginne Gellii ontfchuldinge
fien Gemepnte na der Schzift aenvichteden : | L- van de Excommunicatie, Ban „oft Affon-
DF Ofte dat Mn hate geleende ramen ende val- [deringe (waerom fin Die ín hare kerchen niet
fche roemingen / alg Guangelifche Leeragers | hebben / nachte hauden) te beantwoaozden /
getrouwe Herders / Zielen-forgerg/ Predi- [moet ick te booren den goethertigen Leſer
erg Des Hepligen Woozts / Gc. Die fps fa in't kozte unt der Schzift aenwijfen/ hoe den
maer ter oneeren Godts en verdervinge ha- | Ban niet alle wegen eenerlen ordeninge ende
es Maeften ín den ſchijn baeten / affepden | gebzupek bp des Weeren Bolck gehadt heeft.
ende nalieten. Moͤſis Ban / was den gebanden met den Mofs Pan.
Diet / mijn Hefer / de waerhendt fchzijbe | doot unt te roepen / Deut. 13. 18. Levit. 16.
ic u / en liege niet / iclt foeclte vaag mijnen | Ö$ 24. Num. 31. 16. Joſu.7.26. Defen Dan
Godt anders níet/ Dan dat ick Gellium ‚met | Wazde onderhouden tot op die Voomiche
tfamen allen Predtlerg (ín allen Landen heerſchappye / doen is er een bevanderinge ge⸗
waer fp zíjn) met mijnes Heeren Geeft ende komen / Want fp hebben der wet / foo beel Be Den roet-
Mooꝛt im Chꝛiſto Jeſu Winnen maah / ofte uptroepinge aengaet / niet fagebeelijcht mo⸗- fchen Ban
dat ick van haer overwonnen /als een open: |gen voldoen / Deijle het mede onder deg ——
bate verlender/ vooz de gantſche wereldt Sceyters vecht begrepen ſtonde. heerfchappye
ſchaemroot flaen magh. Zijn fp nu van Maer fp hebben Den ongehoorzſamen deg ende geweit.
Chꝛiſtelijcker aecdt/en deg Bepligen woorts wets ín ders Dan gedaen / dat is / ſy hebbenſe
Pzediliers / die na cen Godelijclte eenighepdt van hare Spnagagen ende bergaderingen
begeerigh zijn / gelicht fp voorgeben / fp bol: | uptgefloten/ hare dagelijckſche gemeenſchap
Doen mp dat ick begeeve / namelijck / een | gemijdt / met haer niet gegeten noch gedaan: Mar. 9. 9, st.
beven handel/ dat eenmael gront ende bewee⸗ hen / gelijck alg men ín der Apoſtelen ſchrif⸗ — 246.
ringe aen bepden zijden vecht gehoort wer⸗ [ten aen belen plaetfen mercken en fien kan. ka or. |
Diedit de / op Dat alfoo de falighmakende tepne| Op deſe verhaelde mijdinge / vegel / en gez Luc. 15.2. |
weygeren, waerhepdt Chꝛeiſti magh boogt-treden ende | beupelt / wijfen ons Chriſtus Jeſus ende der |
mogen nt De verdoemelijcke antenne leugen Antichziſti bepliger Apoſtelen Meere ende Loozbeeldt — * |
ken, beter ten gronde gaen. eendzachtelijchk / ende Geeft byſonder deft > Trets. 6.
Heydenen Pact is het Dat ſy ſulcks Wepgeren / gez twee bzuchtenendenuttigheden bphaer. _enra.
—— tijch fp my Hoor deeg tijdt tweemael gewen⸗ Cen eerſten / dat top miet Door der balfcher > loa. 1. 10.
werden. gert hebben / en noch evenwel bp haer laſter⸗ Geeften dwaelachtige leere verleyt / ende
lijclt faemrooven en ſchelden blijben / gelijck doo? der vleeſchelijcken pele leben fullen ver⸗
boor heren gefchict / beel leugenachtige ſuert werden.
klaeqhreden den onervaren volcke voorzge⸗ beet gu níet (ſeght Paulus) dat een epe Die eerſte
ven / (gelijck hp hier doet) Als dat wp de nigh ſuerdeeghs den gantfchen decgh ver⸗ jrucht des
Gemeynte Chriftí verlaten dat wy verleyde feet? Daeromme fpzecelit hj / Doet Ban den cor. 5. 5:
luyden zijn dat wy dat goet voor quaet fchel- boofen wegh ban u lieden.
den, &c. wat konnen Wp daer dan meer toe, Pa mijn Hefer / foo Waer deſe Excommu⸗
doen / dan Dat wyſe Den Heere ende fijn gez nicatie / Ban / ende Wffonderinge, ín rech— —
richte over geben / ong den Crupce (foo tot | ten per ernſtighlijck geleert / ende ín de vzee⸗ panis, dacr
mit gefchiet ig) gewillighlijck bpboegen / on⸗ fe Godts / fonder alle aenfien der Perfoonen beftaer des
fe Zielen ín gedult befitten/ ende foo beel mo⸗ ozdentlijck gehouden Weerdt / Daer fal onge⸗
gelijck is / Den goethertigen beemanen / Dat | twijffelt Godts Gemepnte in heplfamer vene
fp dach bedachtelijck aenmercken / Wat fp, ner Heere ongefchent / ende ín den Teven ſon⸗
boor Peedilkerg ende zielen ſorgers hebben / der ergerniſſe wel beftaen.
hoe grooten gewelt ende onrecht fp ons ar⸗ Maer waer fp tee neder gelepdt Werdt/ Waer geen
men ende elleudigen aen Boen / wzeventlijck Daer bintmen niet Dau pdelhept ende werelt / Pan iS: *
fp die waerhepdt verſtooten / ende De leugen gelijckmen arn allen Gemepnten en Deeten wiijekende
voorſtaen /Dewijle wy upt gront onfer zielen | (Die bunten ong zijn) opentlijck fpeuren ende Kercke. ⸗
foa een Chzriſteljcke vrpe Schrifts handel en ſien kan,
beſpreck / ten prijfe deg AUlmachtigen Godts Mijn Leſer / nemet waer / fo lange dat Ict Deal
eni e fijner eeuwiger waerhent / tot een dien-| terlijch Iſrael deg Weeren o2dinant ie ín deſen —— 5
ſtelijclie verquickinge aller bedzuckter ende deel recht na volgden / ende denn Banweer⸗ recht Âraf-
bekommerder Zielen / ín aller ootmoet ende digen na deg Weeren woozdt vecht ſtraften / ter
liefde aen haet verſoecken / ende fp ong noch zijn ſy oprecht ende vrꝛoom gebleben: Maer pe verder-
fulckg wepgeten ende afflaen/ Daer toe ons| Doen fp ſulekis nalfeten/ hare ooren tot der vinge —
mier merckt Hoch met hare laſterlijcke Goeckten ende bzie⸗ leugen Wenden/ Den valſchen Pzopbeten ei —
vlijtighlijck ben / roepen ende nafeggen/ ſonder alle bez | runmte gaven / zijn fp ban den wege des le⸗ tieren.
mariek fchepdenbepdt / gront ende Waethept / foo beng afgewelien / ende in allerlen boostjept
ae) bpandelijck vooz de gantſche werelt befchul: ende Afgoderpe berballen / gelijck: * ee
phetijche
— —
— — - _ — Nn = — <= — — ã « a — en x ——
— * — — — ka — an * —— — — *— gee hmm = = = — — ⸗ —
— E — * — — — — ——— — — — a — — — — — * — — — — * — — — PN dd
— pe — Er —— — — — — — — — — — — — == * En — J
— — — en — — En — en — — En oe = = gen — — — * * _ \ 4
— — — — — — — — — ntt — * — — — — — — e e — En
” 1
— — — t £ ng en het EEL Wiele ld A ch * ——————[— ns, Aka En i SELA t Et EEN — — LEE * — —
— = - — - = = = — — — — —— — — —— — = |
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
phetiſche Schaiften allenthalben klagen en
kont doen.
Is oock niet anders met der eer fier Kerc⸗
Over een Schrift tegen Gellium Faber,
289
des Weeren Wepde ende kudde komen magh.
Dan hoe wijt/ jac hoe ſeer wijt zijn alle
Pꝛedickers ende Gemepnten defer Wez
ken torgegaen : Want foo lange de Herders velt ban deſe Godt-welvehagende Oꝛdi⸗
ende de Heeraers dat Godtfalige vzoorne les, nantie ende feet noodigh gebzupck verſchep⸗
gen tm det Bracht dzeven Doop en Pacht:
mael den boetveerdigen alleene toedienden /
dereomheyt ende De Nffonderinge na der Schzift vecht
Kereken, _ Dielven/ zijn fn Chriſti Gemepnte ende Ker:
ke gebleben. |
Maer foo haeſt fp dat gemackelijckk rumme
lezen fachten / dat Geupee Chziſti hateden /
Verdervinge hebben fp Die Tracde neder gelept / den Bolcke
Kercen. Breede toegefepdt / den Ban metter tijdt mil:
der gemaeckt / ende alfao een Gemepnte
Antichziſti / Babel / en Wereldt geworden /
gelijcki van veele hondert Garen herwaerts
(ach lacp) opentlijek wel geſien is. Ja mijn
Leeſer/ foo wp deſen van Godt verozdineer⸗
den middel niet met aller ernſte oock nu tot
onfen tijden hadden Waectrgenamen / foo
hadden die onfe op defer uuren om Der boofen
Vruchten Wille / aller Wereldt laſter ende grouwel zijn
—— by moeten / daer fp nu (hope ick) in hater
SEP: ʒiwackheydt / door Godts Genade, Geeler
Menſchen (hoewel het die arge boofe werelt
niet bekennen wil ) boogbeelt ende licht zijn.
Summa / gelijck een Wijnberg fonder
tupn ende graven / ende een Stadt fonder
mueren ende Poorten ig; Soa ig oackt een
Gemepnte / die fonder Affonderinge ende
Banis Want die Vpande tot alfuleck een
Matt. 3.26 peen inganck hebben / ende zijn verdoeme:
lijck onkrupdt onberbindert zaepen ende
planten mag.
Een tweeden / dat díe booſe na behooz—
lijcke vermaninge / dooz alſulck een Excom⸗
municatie van den Godtbzuchtigen aen hem
Dietweede geſchiedt / ín fijner Conſcientie ſchaemroot
oak des Werden / hem verootmaoedigen / ende op:
8 rechte Boete boor den Heere en ſijner Ge—
meynten Doen magh Alſoo leberde Paulus
Den Corinther den dupvel over tot berdecbin:
qe fijnes vleeſchs / op Dat Die geeft moghte fa-
ligh werden (mercht Wel) in den dagh des
Heeren Jeſu. 1 Cor.s.s. Doa dede hp aockt
Hhoumentum en Alexandrum / op datſe niet
meer laſteren ſouden. 1 Tim. 1. 20. Schꝛijft
noch aen cent ander plactfe: foo pemant on:
fen waardt niet gehoorſaem en is / Dien ceec
ent aen door cenen Beief/ ende hebt geen
gemeenſchap met hem / op Dat hp beſchaemt
werde: hout Gein ebenwel níet alg een vpant /
maer vermarnt heen als een Dzoeder.
2 Cheſ. 3.15. Diet/ mijn Leeſer / hier hebt
qha in korre aengeteeckent / van Wien; boe /
Waer toe De boozfepde Uffonderinge ín deg
Die Banis reren Kercke ende Pups verogdineect ís.
éen werck
der liefden. P niet een bpfonder nootwendigh edel werck
eener cepnet liefdenis / die van den Bodt der
liefden toteen Dienst der Wiefden ingeftelt en-
De bevoolen is / hoewel haer de onberlichte:
De ende wederſpannige alg cen vnpandtſchap
oozdeelen ende aenfien / dewijle haer cpgent-
licht epnde ende bzucht / dat is / Dat die ge-
mepnte in Det Keere Geplfaem ; ende ín den
Leven onbeſtraffelijck blijven maah. Ende
Die vecdwaelde (het zu dan ín der Keere ofte
leben ) haer bekseeven / ende Wederom tot
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
den.
D At dan de affonderinge in haren Kercken
niet gebruyckt wordt, fchrijft hy dit voor
lijn eerfte oníchuldt: als dat die Papiftifche
gruwel door haer misbruyck die Ordinantie
der Kercken, ende dat rechte gebruyck des
Bans-{oo gruwelijck verwoeft heeft, datmen
die niet feer haeft alfoo wederomme oprich-
ten fal, &c.
Antwoordt.
W Brmeermen det Wiftorien-fchrijberg
vlijtighlick doozleeſt Die Det Mercken
handelingen ban haer aengetogen vecht met
der fcijzift waerneemt/ falmen (voozſie ick
mp) niet bevinden / Datter ergens onder —
die Duptſche Hatie een oprechte Apoftolis sne kerde
ſche Chziften Gemeynte / Die in Der Leere / is van't be-
Dactamenten / Oꝛdinantie ende leben/ sn Papitiz
gantfchelijck vecht geftaen beeft / geweeft Bier polos
is / dan datſe eerſtmael op der Papiften üſch.
Fundament ende gruwelen begonnen / en⸗
de tot op deſe menige Gaten daer bp alſoo
gebleen zp.
Nengeften fp dan niet Han Den Apoſtelen
op Chꝛiſti grondt / maer ban den Paus op
fijnen geondt ín’t beginfel gebouwt ig / en „Da God:
de alle wege een Papiſtiſche / ende niet een Ioronsn on.
Chziften Kercke vecht geweeſt is. Ende der haer gen
men noch met bollen handen taftet/ hoe hadt heef:
datter op defer vuren noch Weeraerg/ noch Wears
Gemepnte/ noch leben/ noch Sactamen: %
ten/ Ec. daer zijn / die Chziſti Ozdinantie /
Heere / ende Poozbeelt gematigh zijn / kan
hu immer geen Ban aentichten / oft hu
moet eeft hem felven bannen / dewijle hp
een vervalſcher Det ſchzift / ende berlepder
Der Zielen is / ende daer na oock de gantſche
Gemepnte / dewyle fp gemeenlijck ín den :
leven onboetveerdigh / ende met der. Heere
bupten Chꝛiſtibevel / Ozdinantie / en Voogt
zijn foe men fien magh. Cogita que dico.
Qui male facit, non videt Deum. 1 Goan. 3.
T En tweeden fchrijft hy, Doch bekennen
wy » datter by veelen Kercken groote ver-
fuymeniffe gefpeurt ende gevonden werdt, die
wy niet prijfen konnen. Welcketot (ommige
| plaetfen daer door ontftaet, dat die Overigheyt
alle zonden ende overtredingen die opentlijck
gefchiedt foo vlijtighlijcken ftraft, dat de Pa-
ftooren achten , dat haer door den Ban wey=
Oordeelt gh nu/ foo ghy Godt beeeft / of | nigh uyt te richten gelaten werde, &c.
Antwoordt.
HI Et ware na mijn bedencken Wel een-
A mael tíjdt / Dat de Pzedickerg alfoa
niet langer met der Menſchen Zielen fpeelz
Den / maer vep upt bekenden / Dat fp niet des
Heeren Kerecke / maer een acm verdoolt vlee⸗
fchelijck volck ende Wereldt waren / ende al⸗
fa met eenfte begonnen haer ſelven eerſt vecht
te leeren / ende Daer na Dat Woodt eener
waerachtiger Boeten heg Geeftg kracht
Q hepl⸗
290 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
Tier mert. heplſaem ende vecht te Pzedilten. Mile die |gewelt tegens den geenen hebben aengeroe-
ket, hoe het Dan met geloobiger herten aennamen / | pen, die hare Leere niet hooren > ende hare
menin Chrí- een waerachtige Boete Deden/ Dat fp Den | woorden. nier gehoorfaem zijn wilden? a
keoprichten, ſelvigen alfan deg Weeren Aacramenten wijn Leſer / ick weet ſekerlijck / foo waer
endefijn na Godts Ozdinantie vecht toedienden. |De Overigheyt den Ban met haven ſweerde
Qrdiaantie Ende díe het wieventlck verachteden / met | boeren fal/ Dat daer De rechte kenniſſe/
bruycken … De Bracht deg H. Woozts / fonder alle aen⸗ Geeft / Woort / ende Kercke Eheifti miet
al, fien der Perfoonen / hn ware Viijcht oft Arm / zijn. Of Dit niet recht heet met Den Pa⸗ Ent
ban de gemepnfchap harer Uercken afſon⸗ piſten / Invocare brachium feculare Dat is / Papif-
Derden / fo mogbten fp cenmael beginnen aen De Wereltlijche macht om hulpe roe⸗ ren wijf.
Ehrifta een Uercke te vergaderen / ende pen / Wil ick Den beleefden Hefer laten Aich?
Dact inne deg Weeren Ozdinantie vecht na [ter zijn. Oock merckt hier fijn groote hup:
der ſchrift te gebrupeken. chelpe/ ende fijn fchadelijch liefkofen met
Chriftus Waer fa lange fa den onberftandigen kin⸗ den grooten / Want bp Wien bintmen (och
Geeftende deren doopen / alle hare gedoopte boor Chri⸗ lacn) meer Godtloofighepdt / als men bp … ——
woort moe· ſtenen achten / den onboetbeerdigen haer den geweldigen ende grooten doet / noch ny duipe tor
agree bzoodt antdeplen / allen Gierigaerts / Woec⸗ | Wil hp evenwel de Aſſonderinge ban haer * Ban van
men wattot Henaerg/ Pzalers / Bzaſſers/ ſuppers / &c. | gehanthaeft hebben / vecht of ſp der waerach⸗· Bee mans
fijnenprije in de gemepnfchap harer Uercken toela⸗ tiger kercken Chziſti Lidtmaten / ende kin⸗ Give weer-
eytrichten, ten / ſod fal de werelt hare Kercke / ende deren zijner Geimepnten zijn / ende merclit aighzijn.
‘ende recht
na der fchrift Bare Uercke de Werelt blpven. niet / fo de Paſtooren Lat rechtſnoer des Hep⸗
bouwen Sullen oock ín alfuicker geftalte over de ligen Woorts vecht fouden aenleggen / Dat
Kal affanderinge ende der vechter Mercken Oz-|alfdan de Overighegt naeft den Pzedicanten
dinantie haer leefdage Wel vermanen / dan |De eerfte moeften zijn (foa fn haer niet an:
nimmermeer vecht invoeren/ noch inwoe⸗ ders na Des Weeren Geeſt/ Woozt / cnde
ten mogen / Deijle het meer alg hlaer is / voozbeelt ſchicken Wilden) die ban der Kerc⸗
dat harer aller Heere ende Sacramenten [ken met Der Schzift moeften afgefondert /
x miet dan enchel roock ende windt zijn / pdel |ende upt de gemepnfchap der Godtbzuchtis
en rete Ende krachteloos / want ſy niet de techte be- |gen geflooten zijn. e
ende Sacra- toepen Teeraers, hare Saccamenten niet| Hademael hp bier dan fa opentlijck ben
menten zijn De rechte Sacramenten) erde hare Jon⸗ ſelbigen na den mondt fpzeeckt/ ende foa
7 geren niet deg Weeren Uercke ende Dolck | plompelijck tegen alle Schrift met haer
ijn. plunniſtrijclit / kan ick het niet nalaten /
Segget Liebe) hoe ſal men ofte kan men ick moet allen Megenten ende Overigheden
dach een Wupsg vecht Gouwen / fo lange níet in reyner getrouwer liefden fa veel verma⸗
De Timmerlieden / Woudt / Mer / ſteen / nen / ende harenthalben waerſchouwen / dat
ende kalck Daer zijn t Qui fanicordiseft, co- | ft Doch eenmael aenmercken / hoe jammer⸗
giet que dico. lijck fp ban den Predikers bedrogen wozden.
Wifder fegge ick: Saa Gellius Chriſtum Tieve Heeren / nemet waer / gp voemt al
ende ſijn Woordt recht bektende / moeſte hier |te famen/ dat op Chziſtenen zijt / ende
hem fchamen fijn leeſdage / ende dat om defe (Godts woort hebt / ende bet is openbaer /
tweederlen oorſaecken. dat fo bele Leeren ende Voꝛſten dagelijclis
Ten eerſten/ dat hy den Paſtooren met [dat menſchelijcke bloet met hare Godlooſe
der Overigheyts ftraffinge over de openbare [krijgen ende oproeren als water bergieten /
fonden ende overtredingen wil ontíchuldi- [fo gele onfchuldige ellendige Lupden beroo⸗
Onweten- gen. techt of haet ſulcks wepnigh noodigh ven / Ban huns ende haf Lerbzanden/ bez
heyt der Pre- ware / ende ick Tate mp dunclien / Datmen dzoefde Weeſen / ende acme kinderen mas Dit zijn de
dicanten. die Paftooren Wel bp vele honderden’ ín [ken / bzaſſen ende ſuppen dagh ende nacht / geene die de
Duptfchen ande binden foude/ die haer | mitbzupehken Godts Ereatuere vege boben eninslijeke
leven langh noch níet geweten hebben / dat alle mate / Wijn / bier / ſpijſe / kleederen / Ec. Vorften noe:
men den Gierigaerts / Dzonchacrtg / Hoe⸗ Welckers alle der Excommunicatie opent MET
Patvlee! renjagers / Ec. buyten De gemeynte doen lijck weert is / ende geenſins nader Schaft
Cchelijcke ſal. “fa dat noch meer is / dat oock het groot⸗ beſtaen kan/ gelijck De Geleerde ende Pez
janweerdige ffe deel van haet noch felbe met alſiulche dikers bele (foo ick vermoede) felbe oock
Predicanten. ſchandelicke lafteren ende vleeſchelicke werc⸗ Wel weten ende oozdeelen konnen / noch) fien
ken openbaet vol zijn. fp ebenwel met Den feloigen doo? den bin⸗
Aengeſien dan / Dat Dit ſelvige klaerder geven / fa men ſpreeckt / begeeren noehbhare a
als de heidze Dagh is / ende hp defe groote Autoritept / huipe ende bpſtant / hunche⸗ Ee de
ontgctenhepdt / ja onachtfaembhepde ende |len met haer gantſchelyck/ ſpreken alg fp predikers
fchande / noch met Der Oberighepdts ſtraffe geerne hebben ende hooten Willen / affonde- huychelen '
Decken. ende fmuijclen wil/ vecht oft het ten ende ſtraffen niet / hoe leelijck het oock ser
níet foude noodig zijn / is namijnbedencken ban Haer gemaeckt Wozt / repcken haer
anders niet Dan De leugen met opfet te ver⸗ Broodt ende Wijn unt / vecht of fp waere
dedigen / en de Waerhept willen tegenftaen. | Leden aen deg Weeren Lichaem / ende Me⸗
Een tweeden / om dat hp klaegt/ datde ( Degenonten fijner Bercken Waren / waer
Oberighepdt den Paftaoren geen authori⸗ | mede fn haer ſoo ín Der boofhepdt trooſten en
tept aft gehooz befchhiclten / Ec. Segge / goe⸗ ſtijven / dat fp niet cenmael na Des Weeren
De Iefer: Waer hebt qu u leefdage in de A⸗ vzeeſe ende wegen bragen / want het is doch
F poftolifcge Schzift geleſen oft gehoort / dat |al enckel vzede / Wat u De Prediker leeren
Mexke, Chriftus oft de Apoſtelen des Overigheydes|ende baorgehen/ foa De Pzophete Re
E
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Jer. 8. 8,9.
Ezec. 13. 22.
haten allen
Vromen.
Liebe Weeren /
gel vecht na der H
zijt gewaerſchouwt.
hendt in Chriſto Jeſu
cenmael fegge ich / 3
Verlepden u,
Det zwaclthepde n
Ê
den Deere ban gant-
n heplige woozdt ín
aettachten / geerne een
Overeen Schrift tegen Gellium Faber.
fiet boor u / fintepden u ver
ellen afgrondt / daerom
Ick felzijve u de waer-
/ ſo berlepden u: noch
DE gewaerſchouwt / ſp
Hier en tegen / alte Di
ſcher heeten ſoecken / fij
6 Geerte! 6 onbelee
fchhantvlechte !
moghten wi met haet
mede fja boor den Veere anderg niet en ſoec⸗ vca, *
ken / dan den prijs haeres Godts / ende Be Marc. 12. 17.
ſalighendt hares Haeſten / moeten fijne Duy- Luc. zo. 25.
velfche Rotten ende Seten zijn.
Och mijn Leeſer / mijn getrouwe Hefer /
291
23. 21
Matth. 8. 8.
Luc. 9. 6o,
Joan. 8. 47.
Matt. Io. 28,
32e
fder Laſter! ô groote
aen Den dagh komen/
nien foude wel haeft mercken / by wien men
De Duyvelfche Rotten ende verkeerde Secten
bzoom Godtfaligh teven ín des Weeren breeſe
lenden fauden/ om dat fp haere balfche Weere/| vinden foude. Dan
balfche Sacramenten / hupcheine/ ende rup⸗ Schaiftgeleerde ende P
Me leben / ín cepnen G
Gzoederlijcite liefde me
fen / ten beſten berman
DePredikers De fijn woordt
fchelden en
wijfen /
den fp boven
Ec. haten ende fchel-
maten feet / Jae moeten haere
Duyvels Apoſtelen, afvallige Weder-doope-
ren, Rotten, ende Seéten zijn,
blijckt.
Siet / ſoo ſmeecken ende
Den Hoogen / hoewel
foo berkeerde wegen wand
tighlijcken fchelden ſud
daer noopt geen leedt ge
geerne broom zijn wild
gelijck het
bupchelen fp met
gemeenlijckten op
elen: ende foo hef:
onſchuldigen / Die
fn
en
Da
e
odtlijcken per ende
t der Schrift ſtraf⸗
en/ op Chuftum en:
en hebben / ende ſo ten/ dan d
Evenwel / dat fn
ende Gades Wooꝛdt Heeten,
uangeliſch
n/ noch roemen fp! ín
e Predilters zijn,
qe ſtoelen / maer Ch
op bu fijn hooft cuften
nach beaten / dat hp d
Beelzebubs Pame
wil / Dat fp geenen Ban bac
de gantfche Werelt kennelijsht ende o
is /d
cen onachtſaem /
is / dat fp noch
|kennen/ enden
wat helpt het * De
harizeen faten op hoo⸗
ziſtus hadde niet daer
konde: Moeſte oocſt
en dunvel hadde / en in
fijne Krachten dede.
As het niet cen beriseer
chelpe / dat defe onbedac
De klaegljcke hun⸗
bte Man ong wijten
ren / daer
het vooz
penbaer
at de grootſte hoop aller Predikanten fa
blindt en vleeſchelijck volelt
Godt noch Godts waart bez
iet anders ſoecken / noch Wes
at fp haet ſozgelooſe lupe vl
eeſch
alle leckerhendt voeden / ende goeded
agen
hebben mogen. Wat oock hare Gemepntert pat gemee-
ende Heerlingen U
oo? Chꝛiſtenen zijn
/ Wat ne Decken
Hier merc-
et, waer
door de Pre-
dikanten
verachtinge
omt.
Mal. 2.5.
2 Pet, 2. 20,
Apoc, 17. 4.
Tee derden fchrijft hy: dat de verachtinge
der Kerken-dienaren vaft overal door des
Duyvels Rotten ende Secten foo groot gewor-
den is > dat haer weynige
heydt des Geeft (die tot
Gemeynten in eenig-
defer faken noodig is)
onder hare Paftooren buygen konnen, &c.
Nnt waardt.
At Der Pzedilkanten verachtinge bp bees
len foo groot geworden is / is niet dan
doo? haet ergen overdad
beriepdingen / gierighepdt / 1
De geſchiedt / geſjck De Pzop
kuil Den dreck uver Dpe
fichte Werpen / ende hu
blijven Ee. Op zijt u
Den /
Veere Zebaath.
Daeromme hebbe ick
qhn beeacht en
ſch
en
en Valcke / dewijleg
ige groote booshenpt /
aſter en ſchan⸗
heet ſeght? Ick
rdagen u in't agenge⸗
ſal aen u hangende
an Den Wege afgetre—
ende ergeet veele in de
Dat Derbondt Levi gebzokk
Wet / ende hebt
en/ fpzeechit de
docſt u gemaekt/dat
de onweert zijt Loor den gant⸗
Gu mijne Wegen niet
hout / en fiet de Per ſoonen aen ín de Wet.
Ja mijn Leeſer / ſp heben hare ſonden faa
wijt uprgebzept / ende fo met der Menſchen
zielen geïtoop-flaeght /
dige groote Hecre níet 1
heeft derhalben den
kenniſſe doorz
dat het De rechtveer⸗
anger lijden konde /
Geeft fijner Godtlijcker Vrouwen
fijn groote liefde ín Dat herte | wen ſoud
ſommiger Godtbzuchtigen genadiglijk inge:
flozt / en heeftfe Dat op-gepzonchite Baby
loniſche Wijf,
haet Gemepnten}/
bate onmenfch
baer gemaeelit.
Ende deſe ſelvige / om
ter repner liefden eenen
doodtlijſe toover
belters / met Leere
de Predikanten met t'ſamen in t b
datfe in ongebatfchz
vegelijcken boo, dat
fche vergift hates Schench:
Leven / Erempel
ende goet / trouwelijen waerſchouwe
/ bloet
kenniffe dat fp hebben /
boe fn Godt ozeefen/ aller Predi-
magh in alle Steden ende Wanden unt hare “tarn
openbare bljckende Woorden ende wercken
(och lacp ) meer alg te geel geſpeurt en geſten
werden.
ie vierden fchrij
fcher Gemeynten
Embden ) dat w
tinge ofte Ban met Chr
fchy : Het is der gants
openbaer (hy meynt tot
y over vele Jaren vlytighlijck
daer na gearbeydt hebben ,
dat wy de uytſluy-
iftelijcker Ordeninge
wederomme moghten invoeren,
Antwoordt.
D
den
afdoet. Oft Wanneer
ten tot Godt bekeert /
leben der fonden in reuner
de dat nieuwe leben eert
ten in cepner liefden aenne
den Papiften aen ſommige
goet / ende alles bzengen /
ftooten /
in den mont jagen.
Maer dat
fchenderg;@c.
eI
ken ſouden / konnen ſp
oockt níet / dewijle fn q
ende bleefchelij
Segge derhalven
gefent is / fn ſullen wel h
manieren over Den B
nimmetmeer na deg
ten/ noch oprichten
fp den Gierigen / Dzonckaerts /
E Werelt kende genen Ban / dan wan⸗ Hier merc-
neet het foo plomp gemaeckt werde, ken welcke
Datfe de Beul om deg quaetdoens wille met
zweerde / ſtrop oft vper bannet ende
zy des We-
relts ban,
eenet
hem ban herz
d
at oude verdozben
beeft afleght / enz
waerachtiger boe⸗
emt / dat fin Die met
plaetſen om eere /
oft te lande unt⸗
et
ende alfoa den gapenden Leeuwen
De Werelt
ent den
na der Schzift fchu-
Ban des
i / met haet nocl eten noch dzinc? Lchrifts niet.
niet Doen / Weten ’t
emeenlijckt noch alle
innenfte wefen onverandeet / aertſch
met alle hate Hoerernen / geſint / met aerien gierighendt / pracht / ober⸗
G2euwelen ende Bloetſchulden ontdeclit/ en | dact/
Ee cke wercken vol zijn.
elijcke groote fchanden open⸗
noch eenmael / fo booren
aer leefdage ín defer
an vermanen / dan
Heeren woozdt oprich⸗
mogen / want hoe fat
De eene Gierige den anderen / die cen Ozonce
n/daer | kaert Den anderen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Q 2
| -ende de eene verz
®
lepder
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Jac. 2. 9.
202
Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
lepder den anderen na der Schrift vecht fchuz| Het wil doch niet anderg zíjn / het zaet is mac. 13.5.
wen / ende ban de gemepnſchap der Bercken | niet in een goede Aerde / macer bp den wege / Mar. 4. 4.
afdoen / Daer fpnoch alle met Den anderen [op een fleenige gront / ende onder den daag: Luc-8-5-
Aertſch gefint zijn / ende bupten deg Weeren [nen gevallen / foo bet blijckt.
gemepnfchap/ Geeft ende woordt flaen /foo| Acht fegge noch eenmact : Vp hebben den
gehoort ís,
getrouwe Dienft onfer Boederlijcker liefden
upt Dat binnenſte onfer zielen / met handelen
17 vijfden fchrijft hy der Wederdoope- ende vermanen aen haer gewent / ende heb⸗
ren Exempel verfchrickt ons, die den ben ſommige meer. alg een gantfch Jaer oft
Ban met twift , haet, ende onverfoenelijc=|tiuee met lieflijcker gedult gedragen ende
ken toorne den een tegen den anderen alfoo berwacht / alle wegen dat befte aen haer
gebruycken , dat{e meer tot verfcheuringe ende berhoopende / ende niet foo metter haeft
verftroyinge onder haer , als tot bouwinge en-|afgefondert / gelijck hp ong fcheldet; ende
de verfamelinge ftreckt.
wanen * —— —— F
engeſien Wp dan des Heeren Ozdinantie
Antwoozdt. hier ooch ín deſen deel voigen ende voidoen/
D Upſteren oogen / een verkeert oozdeel / fonde hp ons billijck (foo hp Godt bzeetde )
fmeecken ende liefkoſen met den Groo⸗ (Daer ín pryſen / dat wp recht deden / dat wp „Gellius Ie-
ftere het ge-
ten/ ſchelden ende lafteren op den Pzomen/ | noch am lief noch om lecdt Godts Bebel na- ne dat he
onfchuldingen Det zonden / ende verdraepin⸗ laten / dan fonder alle aenfien Der Perſoonen billijck prij-
ge det Scheift / is het bp hem alomme wat vecht na der Schzift voortvaren , Ip foude er cn veh
ick leefe ende Linde.
gen foude,
de Waerhepdt bekennen/ hoe haer níet dat
Hier foeckt OGch hoe klepn is deg Weeren bzeefe (foo | Erempel ban ons / maer dat Mrupce ten
Mer endee het fchijnt ) die by hem ig. Want hier facche
meeften deel affchzicht : Want foo fn met
luyden bp fijne Keupsvluchtighept ende ongehooz⸗ Honingen/ Wertogen / Weeren ende Doy:
exempel te faemlept met ander Lupden Erempel te|ften / na der Scherift vecht vooztvoeren /
behelpen, bedecken. Mijn Heefer nemet waer Godts | oock met alle hate Dronckaerts / Gieri⸗
gelijck Sy-
rachfegbr. Wooꝛrdt moet ong leeren ende lepden / Dat gaerts / Pzalers / Ee. foude haeft een ander/
haer fommíge Wederſpannige ober ong bee: | ja een ander Liedt met haer gefongen werden /
Dat Kruys
weeret dea
toornen / konnen op niet heeren. Wy ſoude ick wel bepmoedelijck dozven ſeggen / Predikanten
beeft geltjck ong des Heeren woozdt beboolen | ende met der waechepdt doen blijcken. vander Af
ee
Nile die haet in de gehoorſaemhepdt deg Tee feften {chrijft hy : Soo fy meynen,
woordts begeven / ende Daet na Wederom
ergerlijck tegen ’t woordt leeren ofte leben / | ge fouden uytgericht hebben , fy toonen van
Sa. 6.27.
fondszinge.
dat fy met haren Bannen vele tot bouwin=
Aâ. zo. 34. foo fp haet dooz Bzoederlijcke onderwijfin= (ommige honderden, die fy voor ende na ge-
Rom. 2. 27, QE ende vermaninge níet ſeggen ende leeren
bant hebben, ick fegge niet tiene, maer vij-
28. laten / mogen onfe Broeders ende Sufters | ve, diefe uyter Liefden gebant, ende door
Gal. 2.3.
Eph. 6. 9.
níet zijn.
Hier gelt ong groot noch kleen // Broederlijcke vermaningegebetert, ofte diefe
Col.z.rx. Aiſck noch arm / man noch bzouwe/ vn⸗ mer haren Bannen in goeder Ordeninge ge-
de t-17. andtfchap noch beiendefchap. Bp Bodt fg |braght, ende door dat Remedium gehouden
geen aenfien der Perfoanen / fp moeten haer | hebben.
alle onder Chriſti Geeſt WDaordt / ende
Scepter bungen / oft wp mogen geen broe⸗ Antwoozdt.
ders zijn.
Dewijle het dan openbaer is / dat gez
A Berker oozſaecken foeckt hn / om Godts
Woozdt ende werck altijdt te ſchelden/
meenlijclt des Heeren Geeft / van foodanige op dat bp fijne Urupsbluchtighendt ende
Lupden Wederom afwijkt / die ſoo na Den | hupcbelpe eenen fchijn maecke. dademacl ——
cupmen wegh ſien / na deg vleeſehs vruhent [hp hem dan hooren jaet / recht of de Aflon- dis tagelicks
aen den Ban
gelt ende goet begeerigh zijn / Ergerniſſe | deringe meer breken als bouwen foude ; falde by ons ge-
met haere lichtbeerdighepdt oft epgen wijs⸗ Leeſer weten / dat wn defe bolgende bpucij- Peuer wee-
heydt onder den vzoomen aenrichten / ende |ten boopnemelijek daer bp aen ong dagelijchg ““*
men haet ten laetften / foo daer dogh geen fpeuren ende ge waer Werden.
beteringe meet te hoopen is / De gemepn-| en eerften / Dat Wp Ddaerinne Godts
fchap der Godthruchtigen / handt/ mont / Woordt volgen / ende botdoen.
ende den Dagelijckfchen wandel / hoewel met | _Een tweeden / Dat top daer mede alle
grooter droefhent ende bele tranen / aflegt / | valfche KLeere / twiſt / tweedracht / ende dat
ende fp daetomme ober ong onwillig woz- | ergerlijcks leben ( foo vooren verhaelt 8) van
den / willen ſulcke beſchaemthepdt (díe niet | der gemepnte weerer ende afdoen.
anderg Dan upt reyner liefden tot harer. bete-| Een derben / dat die ongehoozſame / dage⸗
ringe geſchiedt ongeerne dzagen / laſteren lijcks daer door vermaent Werden / Dat fj
ende ſchelden hoogh daerom / gelijck oock de fallen nadencken / wederkeeren / ende boete
Peedikers doen / om. Dat Wp hate leere niet doen.
hooren / ende hate Sacramenten niet ge⸗ Cen vierden / dat Wy daer mede bekennen
bzuncken borden / moeten wp den Heere op- | ende betupgen/ dat wy met den Munfter=
geben / ende konnen ’t níet Weeren / Dat ha⸗ {chen, ende met allen oproerigen Secten
cer ſommige tegen alle anfe getrouwe ver⸗ | niet temmen nochteeen zijn.
manfuge/ vlijt / arbendt / ende bzoederlije-| Cen bijfden/ dat wp alte Predikanten
fen Dienft aen haer gewendet/ tot Dabidia⸗ met t famen haeren Gemepnten Daer
nen en Epicureen Wozden/ ſoo hn boozgeeft. | mede vermanen / dat fin dock ín —
un⸗
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 293
bupten Gods Bedinantie ende woozt ffaen. alg te bele / wat hp boo? een Man ís, O
Een fefden dat de gantſche Werelt aenong Liebe Heere! Immers ig het altemael enckel
magh leeren / Dat men Gedts HKNaedt / leere hunchelpe / lengen / ende bedrogh / Wat bp
opdinantie ende bevel onderhouden ende vol⸗ bier ſeght ende voortbrengt! Hp ſchzjft / dat
gen moet / Ec. wy den Ban verhinderen n ende als hu De
Siet mijn Wefer / ſulcke vruchten zijn | Waerhent recht belijden wilde / macfte hp
het / die ong de vechte Afſonderinge doo | feggen/ dat fijn epgen ongeloobe / fijn actt-
Den ver.
keerden
wert nim.
mermeer
techt gehan ·
delt.
Hier moet
Godts Ordi-
nantie een
verwoeftin-
ge ende ver-
icheuringe
fijner Kerc-
en zijn.
o blafphe=
miam |
fche gemoet / en fijn hrußsvluchtige vleeſch
(als voren gefept is) hem daer ín berbinde-
ten ende níet Wp. f
Po ſchrijft dat wy in de Bouwinge der
Kercken Chrifti verftooringe gemaeckt heb-
ben „ende het is openbaer/ Dat wp allen
ercken der gantſcher Werelt met Heere
ende Teven / met goedt ende bloedt / tot
den Wacrachtigen Gods-dienft ende Ozdi-
nantie/ Den vechten wegh wijfen: Ende
dat fp De gene zijn / Die de oppouwinge der
Uercken Chaifti/ met hare lichtbeerdige Lee
te/ Onvepne Sacramenten / ende pdel Ïe-
ben/ ín haten loop ſoo beel verſtooren als
in haer ís.
Hyu fchzijft / dat wy de Dienaers in verach-
tinge gebraght hebben (ende bekent boven
felve/ dat harer ſommige beter Swijn-her-
ders, als Herders der Schapen Chrifti zijn
moghten), am dat wyſe in reyner ende ges
trouwer Tiefden ſtraffen / ende met leere
ende leben op Chꝛiſti voorbeelt / Geeft ende
Woozꝛt wijfen.
Pp fchzijft/ dat wy vele yverige herten ,
daer fy de Affonderinge mede fouden begon-
nen hebben, onder een fchijn der Waerheydt,
van der Kercken afgetogen ‚ ende in menigh-
vuldige leugen gevoert hebben , ende de open-
bare Daet geeft getupgemfFe/ dat wpfe niet
‘ban De Kercke Cheiſti / maer ban de werelt
afdoen / ende ín de eeuwig blijvende Waer-
Godts genade dagelijcks baert ende medez
beenght. Maer bp den Predikers zijnfe (och
lacp) klepn geacht. @nde of het nu ſchoon
wate / Datter haet wernigh doog bekeerden /
gelijck hu bier verwijtifche wife voorwerpt /
Datfe ong dan noch evenwel defe verhaelde
heerlicke vruchten bienget / moeten fp ons
alle bekennen ende toeftaen.
Müjn Leſer / neemt het waer / hoe men
den verkeerden ſinget / foo is het nimmer⸗
meet recht geſongen / want hadden Wy dez
fen middel en Godlijcke Ozdinantie (gelijck
alg de Predicanten) kleen geacht / ende had⸗
den een pegelick fijnen fin ende grondt bz
gelaten / daer ong de groote eere eeuwigh
boor beware / och hoe lupde fonde fp dan
roepen / dat Wr alle Oproerders ende Az⸗
rianers Warten: maer nu Wpfe van de gez
mepnfchap det Kercken met der Schzift af:
ſonderen / moet het een verftroyende ver-
fcheuringe , ende een haeftige Ban heeten.
Diet / fo ſoecken fp de waerheyt alomme te
níet te doen / ende De leugen boog te ſtaen.
T En fevenften fchrijft hy: Het is noch
beter den Ban niet te gebruycken; als
dien tot verwoeftinge ende verfcheuringe der
Kercken te onrecht te gebruycken.
Antwoozdt.
J \ 7 Anneer het nu ſchoon alfoo Ware / als
bu boorgeeft / ſoo moefte hp evenwel
dat goede om ander lupden Wille niet laten n
baten, Ie die Ban een verwoeſtinge ende Wijder ſegge ick / hare Veere ig langer
verfcheuringe der Kercken Chrifti, fa heb- |ín De Dupefche Wanden dan ban dertigh
ben ons Chziſtus ende de Apoftelen niet | jaren herwaerts gepzedickt / ende zijn Wel
Wepnigh ín Dien Deel bedzoogen / dat fp ous { gantfche Koninckrijcken / Borſtendommen /
deſe Gzdinantie ſoo opentlijck bepde met | ende Steden / daer inne niet een Wederdoo-
Woozt ende exempel ín hare fehziften na-|per (gelijck hyſe noemt) gebonden Wert ;
gelaten ende geleert hebben. Dan wat helpt | Wie ig Daer dan De gene / Die Den Paftoa-
hets So mp dunckt / wil het in hoster fum- | ven bezwaringe maecht / ende dat gebaupels
ma foo veel met hem gefepdt zijn : Apeflup- | des Dang verhindert? Sp zijn ín fo bete
ten ende Bannen willen fp niet/ Want fp | Jaren met alte hare pzedilten ende leeren noch
lepden ende in doen.
Ons wijt
men dat fy
felve fchul=
digh zijn,
£
El
bepdt/ door deg Heeren handt ende hulpe /
De fchrift-
gemeenlijckt alle ban den Geeft der Dwalinge | fa bezre níet geliomen / dat (p haer leefdage tvatige Ban
gedreven / ende leden des lichaems Anti | een hoerenjager / dzonckaert / gierigaert / Ec
chꝛiſti zijn. gebannen / ende ban de gemepntehap harer
is noch inde
Duytíche
Landen niet
Vercken uptgeſlooten hebben. Noch feljzijfe gebruyck.
de En achtíten fchirijft hy : Niemant heeft | bp / dat wy de grootfte befwaringe.ende ver-
oris heden{daeghs in den Ban weder op te | hinderinge gemaeckt hebben. ô Wiebe Weez
richten meer befwaringe ende grooter verhin- re / aldug moeten Die Godtbzuchtige alom-
deringe gebraght als de Wederdoopers, die {me quact hooren! hoewel fp upt dat bin-
in de bouwinge der Kercken Chrifti, ende | nenfte haerder Zielen Bodt ſoecken / cnde
in eenen goeden loop verftooringe gemaeckt , | fo geerne een oprechte Cheriſteljcke Berche /
de Dienaers in verachtinge gebraghtendeon-, ín eere / Sactamenten/ Oꝛdinantie ende
der een fchijn der Waerheyt vele yverige her- | leven fien wilden.
ten (daer men het mede begonnen foude heb.
ben) van der Kercken afgetogen ende in me- T En negenſten ſchrijft hy: Het is ons uyt
nighvuldige leugen gevoert hebben. tweederley oorſaecken niet ſoo haeſt te
doen geweeft ( hy meynt den Ban op te rich-
Antwooꝛdt. ten) als het den Wederdooperen. Ten eer=
S Oick Gellius niet unt fijne andere fctyrif- | {ten daeromme, dat onfe Vergaderingen o-
ten hadde kennen leeren / fo leett mp doch | pentlijck van vele honderden zijn , die men
deſe fijn ontfchuldinge van den Ban meer | al te mael niet wel — kan, daer hare Ver-
a 3 gade-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
9— 294 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
Ig gaderingen in ’t heymelijck, van weynigh —* linoopen dozven / Die eene Godlooſ⸗
Menſchen zijn. Ten anderen daeromme, hendt op D'ander hoogen dozen / by Des deez
— —
ns
| dat wy geen Seêten oprichten , gelijck fy ‚ten Heplige Vleeſch / Bloedt / Doot / Won⸗
doen, dat een werck des vleefchsis, ende | den ende Sacramenten fweeren Dozven /
HEE | | den Duyvel te vriende heeft , maer Chrifto | met hoedanige pracht ban kleederen / Ho⸗
| een eeuwigh blijvende Kercke, der-welcker fen / Hemden / Ketens / Sweerden / EC.
| de Duyvel in deverflenfteeckt , ende vyant- | Dat ſp Daer benen pzoncken. Zp beſichti⸗
KI lijck van allen goeden berooft. ge de Godtloofe dzonckene Herbergen /
4 ee 6 Schermſcholen / Poerenbupfen / chuttes Die — Bane
1 Antwoordt. ryen / daer van ín De Duptſche landen geen ramen
Kn
| Oven heeft hu ten Deele bekent / hae dat | klepn getal ís. Ap ga ín der Koningen ende kan, moet
| | B bete hater Coehosrders werelt zijn. Hier Boeften Loven. A doozfoeche Der Adel —
| / fchrijfe hy/ dat hare Vergaderinge van veel | gebzupck ende lesen alonune / Ick late mp zijn.
4
honderden gefchiet, ende een eeuwigh blij- duncken / bj falfe wel bp bele Dupſenden
Derpredi- vende Kercke vergaderen, komen evenwel vinden / Die Der Afſonderinge wel dubbelt
Hi canten Kerc- Nimmermeer faa verre / Dat fp hare Gon: |en Dubbelt Weert zijn. Maer ‚ten Aertſch
HH keendede geren ende Herckte van der werelt affonder| gemoet ende verkeert herte achter (och la:
—9900— niet gefchey- Fen / ende ín cen Godelijcke Ordinantie cp) des Heeren ozdinantie ende woozt wepe
| | den. brengen honnen. Oofatie is / om dat fp/ uioh. |
| ſelbe wereits zijn. Item / dat ſy geen Secte maken oft ach-
—4— Mmaer dat hu ſchrijft / dat hare Vergade-| richten „ gelijck hu ſeght / dat wy doen -
ringe groot is, ende in’t openbaer gehou-| ende dat Secte maken een werck des vleefchs
| den werdt, ende dat onfe kleen is, Wil ick is, Ec. fegge ick alfo daerop: Dat Gellius |
HRD met des Weeren Laogdt alſoo beantwoorz⸗ ende alle Papiſten / Hutheranen / Zwin⸗ En —
BIE AIN | Den: wijt ís De poozte/ ende bzeedt is de glianen/ Dabidianen/ Ec. ſulcks wel bez ———
INI: wegh / Die ter verdoemeniſſen aflepde / ende | hertigen konden/ wilde ick hact Lan hete vere.
IEKE harer zijn bele Die daer op wandelen. Enge) ten Wel gewenfcht hebben / want Lan Sec⸗
HEHE ſs de poozte / ende ſmal 18 de wegh / die tot ten ende Secte maecken geſchreven fact /
MN Dpekercke Den Leven inlepdt / ende harer ig wepnigh|dat fp dat Fijche Godts niee be-etben ſul⸗
IN If | deronboet- Die hem binden. Matt. cap. 7- len/ Gal. 5.
| veerdigenis fa mijn Hefee/ wanneer gp de Schrift |_ Ong ig het een klepne fake / dat wy des
| er zxoot. eeft ende vecht aenmercht / fult gu binden / | Werelts Settemakers heeten moeten» zijn
—90— Dat het getal Der uptberliorenen ban aen⸗ doch de Hinderen Godts ter Apoſtelen rije AR 24 2d,
HE HEN beginne feer wepnigh / ende dat getal der den oock alfa gefcholden. Hochtans willen
000 ongerechten ſeer groot geweeſt is. Dat | wp foo veel ín onfer ſlechter eenvoudighept
HIN I —4 cepne loutere Euangelium Jeſu Chzeiſti / daer toe gefept hebben / dat wr Ehziftum/
—— De rechte waere kenniffe deg eeuwigen waer⸗ Jeſum Godts ecuwige Wijthept/ Waer⸗
—90001 hepts/ is nopt der werelt foo gemepn gez |hept / ende Sone voozſtellen / Want hp ig
END weeft / datmen die oprechte Geloovige bp De Man / dien het aengaet/ ende beroepen
KE HIER IEI beel honderden oft dupſenden (neen Handt ons op fijn Heere / Ozdinantie / ende gez
KEI oft Stadt gevonden Geeft. Chriſtus Je⸗ beupek bzpmoedighlijck. Han ons pemandt
| I Hi fug moet hem met fijn waerhepde altijt onder den gantfchen Wemel met beftendiger
MILD Derrecht- aen dupſteren plactfen bp wepnigen ont: Wacrhepdt obertupgen / dat Wup ons daer
| geloovigen pouden : Maer Antichziſtus magh Wel tegen vezroeckelooſen ofte mifgeijpen/ Wp
— sed met zin leugen bp vele dupfenden aen ſchoo⸗ Willen 't foa geerne hooren / ende det Waer⸗ Ale gie ‘
—006060— nen lichten dage onverhindert op rupmer hept gehoorſaem zijn. der Ane
hi ſtraten gaen. Maer konnen fp het niet doen / ſoo moe⸗ 1 eere
iÀ | lei”
Item / dat hu ſchrijft / dat fyle om der ten fp immers bekenuen/ dar Wp de Vz hebben,
5 veelheyt wille Nene fo niet kennen mo-| poftolifche Chaiftelijche Hierclie / ende gt 4
BENEL IE HED Iet gen, daer mede betungt hy / dat de Bzoe⸗ ſy De verlepdiſche vlceſcheljcke Secten fel: ve Kercke
HEL HEE derlijcke liefde bp haer dunne is / Want waer | be zijn. 5
—9000 is doch een Chꝛiſtelijck Herder / die niet fijn | Madcr datter Secten ban ons uptgaen/
Il EIN Schapen kent? Ende waer ig een Chziſte- ende níet ban haer / is oock een ſterck bez
EENDEN jos ro. r4. Vifclt Bzoeder / Die niet fijnen Chjziftelijchen Wijs / Dat De Werchte bp ons / ende niet bp
| bi | Pabuer kent Dao De Pzedikers ſchoon haet íg. Want Paulus feaht/ Haer moe⸗
EEE ID haer doo? de veelhent niet alle kennen konten Secten ander u zijn/ op Dat Die / Die
EEE LEE IRE den / billijck faude dan d'een Broeder noch! vechtfinnigh ztjn / openbaer onder u Werz
EN den anderen kennen / haer onder den ande: |Den / 1 Cop. 11. 19- Sp zijn (ſeght Joannes)
B ren waernemen / leeren / vermanen / troo⸗ Lan ons uptgegacn / maer ſy zijn van ong
90 Mat.is.rx. ſten / ſtraffen / inallianders falighept ende niet geweeſt 1 Goan. 2. Segget Lieve/
EI r Thef.. 11. Zielen foechen / want foo leeren ong Godts waeromme foude de Sathanag den genen
EKE HA Tons so Woozt ende Salvinge. met Secten beſtrijden / Die alreede Secten
HEEE Ee mijn Hefer / nemet waer / hu fchrijft zijn / ende oock znes deels zijn? Maer die
EE ende geeft voor / dat ſyſe altemael niet ken-: haer tat den Heere bekeeren / Dien ſteeckt hu
ANBI rien mogen, ende ick / die ten meeſtendeel in Den verſſen / Gen. 3. 16. Ende ſoeckt DAE
0000 ín dupſtere winckelen ſitte / wilſe hem wel hyſe verſlinde / 1 Pet. 5. 8.
HEI | by geaoten hoopen wijfen. ;
4 {Pp Doorwandele Steden ende Landen / Te thienden ‘fchrijft hy : Wanneer fy al-
I Die haer des woorts roemen / hy hoore ende leene ſeyden, dar wy, ofte die one,
fie vlijtighljck toe / hoe fp Deen leugen aen niet van den Ban leeren, dat ware ons» —*
| v
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
velen Leeraers, ende Kercken, te nae ge-
fproocken, ende fy konden daer over haeft
te {chande werden. Maer dat fy feggen van
hebben , houden, oft gebruycken ‚ dat fal
aenhouden moeten , &c.
Antwoordt.
H Gt wate na mijn bedencken wel goet /
Dat hu fo niet met det ſaeclien fchimpte /
dan ſijues Weeren Waart wat beter waer:
name, Door Godt geldt niet leeren alleene
met Det ſtemmen in den letter / maer boor
beim geldt doen met 't werck in Der kracht |
ende Waerhept.
Seggen fp dan / dat fulcks verftooringe
foude aenrichten , fa antwoorde ick Wez
Nonveni deromme: Aa fp om der werelt Gerftootinz
mirterpa- ge Wille / Godts wille ende woozt nalaten /
cem) inquit Wat fj dan vooz Zielen-forgers ende Herders
Chetus led zijn / mil ick alten rechtverſtandigen met
ladium. *
Mat. 10.8. DEL Schzeift lacen nadenchen.
En IO) 12. p
En laetften fchrijft hy, Dan of wy het
alreede gant{ch nageven , dat foodanigen
feyl in allen onfen Kercken gevonden werde,
hoewel hec in velen Kercken contrary ge-
vonden werdt, Ende in Engelandt in der
Duytſcher Kercken tot Londen eener geban-
nen is, erde hier in Embden niet geheel na-
gelaten, &c. foude dan die Kercke des feyls-
halven haren name verliefen , ende voortaen
gelijck {y willen) geen Kercke Chrifti meer
zijn , foo moefte waerlijck onfe Lichaem,
daer by de Kercke vergeleken werdt, om ee-
ner fweeren oft eener wonden wille, den na-
me des Lichaers verliefen.
Antwoozdt.
D3 heet vecht (fo mp dunckt) Polui-
Wv hebben mus mendacium {pem noftram. Want
(feghr Elaias) Jp fegt/ het wert in velen Kercken contrarie
de leugen
onfe to
&”
huychelye ſtendommen / ſteden ende landen te wijfen |
— die gebannen is, namelijck tot Londen *
gemaeckt. Engelandt. Spottelijcker reden hebbe ick
Eas. 15. mijn leefdage niet gehoort. Woe openbaer
laet dach De groote Heere hare wijſhept tot
rCorr.3. lothendt / ende hare ſcherpſinnighept tot |
Dwaefhept Worden. Hach verftaet het eben |
wel Be blinde domme werelt niet. |
El 28.14 Mijn Leſer / denchet na / of niet díe ſpot⸗
ters / ban welcken Petrus ende Judas Pzo⸗
zPer. z. z. Pheteren / biet zijn. Die gantfche Duptſche
Jud. 1.8. Natie oft geflachte/ ja alte Landen zijn fo |
ouermate bol met alleclepe Godtloosepde /
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
bevonden, Weet evenwel niet meet Dan ee⸗
e- ns — rn p |
vlachi ende MET in ſoo Gele groote Roninckrijcken / Doze |
295
Mp dunckt/ dat fn het fa onbehendigh
langer aenrichten / Dat het De gantſche We⸗
velt grijpen ende verſtaen moet / Dat Get in
den gronde niet met haer Dan enckel hun⸗
chelpe / leugen / ende bedzogh ig. O lieve Heer
re / hoe lange futen doch dele groote (pats
en ducten .
——— Dat hp ſeght / fo de Kercke des feyls-
halven haren name foude verliefen , dat oock
alfdan onfe Lichaem om eener {weeren oft
eener wanden wille den name des Lichaems
ende grot / darmen haer beter bn een
doodt Lichaem LGergelijcken mag / dat
gantſchelijck fonder Geeft ende ieven is /
als bp een lichacm Dat maer een wonde oft
ſweere en beeft / gelijck hp boozgeeft.
Ick mepne/ datmen Gier der Boſſen lift / Der voren
Die de Wijnbergen Godts verderven dat Gp uit.
fo geecne ín fijn Schaift ap ons dunden fou: — —
De) Wel it grooter klaer jent fpeuven ende “na
ſien magh: Want hoe liſtighlijck fp booz die
kracht Det waerhendt (ap datje met ſouden
gevangen Wozden) ban Ben eenen latibulo
in Den anderen vlieden / magh (och acg)
upt defe fijne nietige oncfchuldingen/Biet van
Den Dan voosgement/ meer als te klaer
geſpeurt Werden.
Volght van de Gemeynte , ende
ten eerften een leerachtige tegen.
ftellinge, om te onderfcheyden
de Kercke Chrifti, van de Kerc-
ke Antichrifti,
Ellius klaeght / dat wy de Gemeyntz
Godts verfcheuren , de Kercke verlaten,
dat wy Duyvelfche Seêten ende Rotten zijn.
Boemnt daerentegen / dar fy een eeuwigh blij=
vende Kercke vergaderen, &c. Is derhal⸗
Ben na mijn bedencken ten eecften noodigh /
een verklarende Cegenftellinge met goeder
korthendt upt Deer Schrife daer over te
Doen / op dat die Godtvruchtige Teſer dooz
ſulcks onderſchent wete / weiche / ende wat
De Kercke Chziſti zu/ ende welcke / ende
wat De Kercke Antichziſti zu: Woe lange
fp bepde geweeſt zijn : Ant wien datſe zijn:
van Wien fp gebaert werden: Waer door
fp gebaert werden: Waer toe fn gebaert wer:
qeutwelen / ende baoshept/ datmen hem daer Den : Boe fn (een negelijck in zijn Deel) geaert
ober moet verſchricken ende fchamen.
zijn: Wat beuchten Dat fin boortbrengen :
Ja dat Die Gerechtige / die den Heere bzee- | Ende bp weiche Eeeckenen men haet kenz
Mich. 7. za. ſen/ fo dunne ofte wepnigh zijn / gelijck alg
De Dzupben eenes Wijnberohs/ die met
vlijte doorgeleſen erde / ende Wepnige nae
gelaten Worden / die men pluchen ende eten
han/ gelijck Die Prophete klacqht.
Ende hp Wwijft ong hier onder foo bele hon:
Dert Dupfenden cen/ die tor Londen foude
gebannen zijn, op dat
root: ongehoozfaemhepdt eenen fchijn
*
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
| het immers heete /
Dat fs den Ban gebzunchen/ ende alſoo harer.
nen Moet: Op Dac hp níet Door den Pze⸗
Dikterg bedzoagen / Die Kercke Cheiſti hoor
cen Secte ende Kotterpe fchelde/ ende die
— Antichriſti boor Die Kercke Chziſti
houde.
Cen eerſten moetmen aenmercken / dat rcctera
de Gemepute Godts / oft Die Kercke Ctyí- Chritti, coen
ſti / een bergaderinge der Godtvruchtigen/ ts fve
ende cen gemepnfchap der Hepligen ig) / Ge⸗·
lijck oock dat Nicenifche Symbolum aen-
‚Wft, Die an Den beginne af met vaſten
hes
296 Fen klare Beantwoordinge van Menno Symons;
j | weeft /
arc. betrouwen aen dat befoofde Drouwen zaet | Gemepnte/ Kercke / ende Lichaemge
— — die beloofde Pzopheet / Heplandt / ſullen t oock blijven eeuwighlijck / Rn fa
—900 gen. 49. 10. heidt / Uoninck / Vozſt / Immanüel / ende alle Doo? Chziſtum Saligh gemaeckt / van |
—— based. €igiftugis) gelooft hebben / en díe daer acn Godt aengenomen / en met den Geeft fijner
El, 719595 gelooven ſullen voortaen tot den cpnde toe / genaden befchencht zijn. *
| | Die fijn woordt ín oprechter brꝛoomer herten | Fn gelijcker maten moetmen aenmer en/
\
\
|
|
aenne:nen / fijn boogbeelt volgen / Ban fijnen dat Die Gemepnte der Godtloofen (Die De
91— | t DEE G *
—0 sehen werden / en op fifn beloften. rechte Kercke Antichziſti is met Den eer fiet
If | —5 Erle Die ht beet. | Godtloofen / die van Des Dupbels geeft (Die KS de eerie
HIN Merck, Defe feloige Gadtbzuchtige Worden nu een benijder alles goets ís) gedzeben wozde / ——
| * iſtil | k tot den epnde k
waeromme gemeenlijck Chriftenen/ oft Chrifti Herche begonnen ig / ende dat fp ooc de Kercke
— Genaerië ain dac fp upt CGgifti woort / doo? blijoenfal, Want de tegen-kereke ban Den Ancichritt
iz k 4 = ttz ZEE } b f
wachäige … dat middel deg geloofs / Doop fijnen Geeft gez | beginne af gemeenlijck neffeng Cheiſti Merce Saone
Ì
— ah fit de been ke geftaen/ ende den grootften Deel gehadt san. 5. „4.
Hi | werden en sleden hijme Ee beten hech Embe sijn díe felvige tot op den Sunt- Joan. S.40
EI Emely. jo. Jacob van, wegen der blcefchelijcher gebaar blacde bee Mênfeljen Kinderen in der ſcheft
I He ten / dat Hups Jacobs ende Iſraels genoemt ‘genoemt/ Gen. 6. 2.
HEEE — ie Sunt tot op Abrahams Gen. 17. 1:
ij KEE n. foin. 9. 7/8/9. jaer van díe Simtbloct bra ——
Vd—u Ela. 20. 3. Bie en lésin Memen aenmerckien / dat befnijdinge/ Pepdenen. Pa der Gefntjdinge/ / 15. 3.
D , yi . |
Ecclefia An- Die ercke Anticheiſti cen vergadetinge der Hepdenen oft onbefnedenen. Hier van
í ís heeftmen d
0 Ht! tichrifti, e x nfchaupder onbeet:| SD hebben den waerachtigen ende levendi⸗ ag /
EEE De 4 carus injur BODEN id Wi Zaet Chri⸗ gen Goot niet recht bekent, maer hebben sss. ende
| Ii 9 — | | — — ——— en filmen wule Menſchen hantwerck / houten / ſteenen / ſil⸗ niforien.
| — en tegen zijn / ende worden derhalven Anti- beren / ende gulden Goden / daet ie ze
IRN Mereke _chzifti Gemepnte oft Bereken genoemt / om |Pzaken/ Slangen / Oſſen / Dpet/ Sonne
if it. wacromme Dat fpdoor Watichziftihften dzpbinge (Diede | Mane / Ec. aengebeden en gedient/tot dat De
—990— de onboete rechte wederpartder Chriſti is erdee F ———— el —7 —
Ker. onder cen ſchyn deg tg ende Haems | werelt gepzedickt / ende ——
tichriti ker- onder een fchijn Des Woordts en Mar.16. 15.
HEK get af bf ; Chꝛiſti woort / vergadert hebben. Rom. 10. 17.
ME arden. —— del 54 eeft che erche ——— bat De Goll. 1,23.
MH 6 ij c d
Ii handels / en — vreemden Godtsdienſt — 5 bin a oge zn
ii ichtet en toerichtet. C And |
ENE De Geme Ba Een tweeden moetmen aenmercken! dat | fchijn na vEt gend) F |
te Godts is Die Geimepute Der Godtuzuchtigen Van den | openbare Heydenen en Afgo € apen . Afgoderye
met Adam geginne af geweeft is / nochtans niet alomme worden zijn / Want fp bupgen Hate 8 der geenen |
en Eva be generlep Oroinantie gehadt heeft / oock niet | boo? flocken ende blocken / fp roeven DES die haer
en mmc we len same ín der Schrift werck meeſters konſte om hulpe acn. Cen
Gen.2a4. alomme met eenerlen Ha tetochtupt | Die andere ende beft-gefinde fetten haren roeme
* Ws Eme Sefo geen befehgenen Wet trooſt en falighepdt in gr nn —5
eN hadt: Evenwel Gebben fp den nien/ Water / Broot / Lijn, ende -
Gen. 6.13. bpfondee Ge fen ont geverft tous tien / Ec · datmen immers ſeggen moet / dat
Heb. 11.7. tbelijch gedient / Branc-offer geoffert / ende | fp Die Bemepnte ber onboetveerdigen/ ende
—— op fijne wegen gewandelt / gelijck men aen Die kercke Antichziſti zijn. merchen/bat Die Chritimesc-
Gen. 48. 15. Abel, Noah, Abraham, lfaac; Jacob En noch, Ten derden moetmen ach ke}
8 | —
meer anderen ſien magh / ende zijn op dier
KEN Chꝛiſtelijcke Kercke upt Godt is) gelijck Goar.
| | tijdt Gadts kinderen in Det fchrift genoemt / Paulus ſegt: Die daer hepligh maeckt/ ende
ij Gen.6.2. Daer na ontfingh Abraham een
Die heyligh gemaeckt wozden / zjn upt een/
Dat hp hem felven / oackt fijn hupfigee (Hebe. 2.11.
fi / ike ——— lnechtkens na Want gelijck Chꝛiſtus Jeſus (die De rech⸗
hem Gefnijden ſoude / Gen. 17. 10. @Ontrent
II te Peplighmaker ig) upt Gode is / ja Goûts
— 400. Jaren daer na gaf Moſes Die Wet / en eentq-geboren en eerſtgeboren Sone is: Alſo
HEE zijn ban Dier tijdt aen gemeenlijch Dat Volck
zijn oock alle Die gene / die met getrouwer bet:
9 MST Te: t fijn
KE KEE t Pu cob ende Iſrael gez |ten aen fijn woordt gelooven ende met ſi
fi — hg onde toners das on Geeft gedrencht werden / upt Bode / gelicht
ii
|
| | Hi Deur. 18, 17. men/op welcken ong de gant fiche ſchzift wijf.
| | | | *
EEE 4 E(d. 1. 4. — — ſoo Hele alg hem aennemen / pe recht ge-
| If i | Gen.3-5. fer ende after Werelt Heplandt / Voort gelto ks in — J —58 ** zijn
ERE LIEE Ib Efai. 9. 5. ; ing ° ’ n/ die aen fifnen game geloven ; welke niet ban Joan.r. 13.
| —90 Jes: 5. id — — Eoceen den —3 noch van den wille deg —— Joan.4. 7.
| Í Jer.33- 15. Chꝛeiſtenen oft Ehꝛziſti Kercke genoemt / ſo noch van. Den wille des Mans / maer up
odt geboren zijn : Item / Wie lief beeft / Die
—99000— is upt Godt geboren / ende kent — paf de erde
EEN snínantíe ende gebrupek gehadt heeft / Hier en tegen moetmen acnmne ) OA a nrichrittiis
HEIEN Ge inte riet berfchepden pd Die Kercke Antichziſti unt den Booſen is / ge⸗ ye den Boor
IEN Dievan den Arrnengemt ig/ gelijck verthaelt ig / foo zijn | ich De Heere tot den Phartzeen prach : BV fen.
J —— et alle met den anderen / fo wel ín | zijt (fpzecht hp) van den Vader den Dupbel/
| fijnen Geeft fo tk Pal hao? be Wet / ende made Wet/ ende na uwes Daders luften tilt ghy doen,
— gevende díe ín vepner Gades zeeft / fonder alle pups | Die felve 8 el — —
Ei enen * 7 * n € 2
EEE HE wandelen chelije / na Godts Wooꝛrdt ende wille gewan⸗ ende is niet be — ——
[It Eee zijn, dele) endeop Chriſtum gehoopt hebben / en — — an foo fpzeecht bp
| en Kercke. tot denepnde hopen en wandelen ſullen / een À 1 van
ot ig. Helt HIE foo fff
Dende paetwet een pegelijek tijt foo fijn ep⸗
en EO
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
hg pe foude doet (feq
aenbeginne.
Een veder ij}
—— op Myn Leeßer
deſe woor⸗
len, en den- Leugenaers / B
ke mac.
verſſ. 39/ 44.
Pe Kercke
Chrifti wort
van onbe-
| —— en van Chꝛiſti Geeſt gedreven
ikben Moſes Samuel / Eſalas / Jeremias / Perrus/
Paulus/Joann
ſtraffelijck zijn / Die vpt repner en getrouwer
ſten ſoecken / en ſonder alte
aulo ſeggen: weeft onſe na⸗
Wa navolgets Chꝛiſti zijn,
íe Des Weeren woort ín deg
bt pzedikien / die alg heidere
en pegelijchken vooz lichten /
en krachten daer na trach⸗
en pont op woecker
Liefde baren ae
Phil.4e 17. hupcheſije met P
Matth. 5. 16, volgers / gelijck
Phil. 2. r
en upt allen har
ten/ Dat fp dat ontfang
aenwenden / en Geel gewins daer mede tot
deg Veeren ſchatten brengen mogen.
Want dat is Godts wijfe en gebeupctt ban
n beginne geweeft / die Keere dee Boeten
Dao? vrome en onbeftcaffelijehe Dienaerg tel Werd
berkondigen / fa boven ban der Peedikanten
Matt. 24. 20.
Luc. 19. 13. de
woozden heeft de Geeft
Een bierden moetmen aenmerken
Kerke Chziſti van
ſtraffelijcke Pꝛedilters en Ch
Coʒ 10,34. D
1 Betr. ar. Geeſis kracht vec
klare lichten een
Overeen Schrift tegen Gellium Faber.
297
Want hp is een Teugenaer / Bronuwe geen echte Kinderen baren kan /dan
Der ſelver Gaan. 8.45. Wiel upt dat echtelijche zaet hares mans: Alſoo
t Joannes) die ig van den kan aack de brundt Chafti/ namelijck / de
| Supbel/ Want die Duvel fandigbt ban Kerclie / geen waerachtige Chriſtenen baren/
dan upt Dat echtelijke zact Chriſti / dat is unt
| neemt het wact / met defe | dat onbervalfchte repne Woordt door den
enjagers/ Dzonckaerts/| Chrifta Jefu
Dienaets / met alle onge: | Dat Euangelium gebaert / 1 Car.4. 5. Bn
elt dat fp upt den Dupvelf heeftons (feqt Jacobus) daor dat Woort der
es Oupbelg gemepnte zijn. | \aerhepdt na fijnen wille geteelt/ Jac. 1. 18.
dat fp Chriſti Kercke zijn) | Weeft ocht Gom. 10. 17. 1Pet. 1. 23.
gelijk ooch Die Pharizeen roemden/ dat fp A⸗
bzahams kinderen en zaedt w
Der waerhendt alle Hepligen Geeft recht gepredicht / ende in dat
loet· vergieters/ Gierigaerts /
Ced-bzehers, Hoer
Pralers / Afgoden
rechtige al geoorde
zIyn / dat is Dat fp d
Noemen cvenwel
herte des Toehoorders recht gevat. An
(feat Paulus) hebbe ich u door +, 35.
Hier en tegen wordt Die Vierche Antichziſti _Antichritti
aren / Joan 8. Doo? den Geeft der dwalingen une berlepdie Kercke wore
uyt valfche
Leere ge-
fche Weere gebaert. De Heeft fpzeecht důpt⸗
[Dat Die | lick (feght Paulus) dat in de laetfte tijden teelt.
oprechte Godtvruchtige ſommige ban den Geloove fullen aftreden /
2iftenen gebaert wort / die! ende fullen berlepdifche Geeften en leeringen
werden / en gelsjft | Der Dupbelen aenhangen / dooz die / Die in
hunchelije leugen ſprelien Ec. Ja mijn leſer / rim. 4. «.
es / Ec. in leere en leben onbe-| Wat heeft Chꝛiſti ercke eerſtmael ter neder 2 Tim. aa,
fendinge meer als genoegh; gehooꝛt is.
Hierentegen moe
ercke wort
van valfche
Predikers
Zebaert.
Num 22. 24. G
Die met Hanan
tmen aenmerken/ dat die
— Lercke Antichriſti door trouwelbofe Pꝛedi⸗
liers gebaert wort / Die van Antich iſti Geeft
gedzeven werden / die met Kore Dathan /en | ſchouwen ons aen belen plaetfen trouwelijk /
Abiram / een aenſien bp den Do
el Mum.16,
US 2. Met Bileam da
t onbehoozlijck gewin,
gelendt / ende De Uerckie Antichriſti weder:
* — — de —— Leere
et Geleerden / De menighvuldige iijdige
Concilien/ Deeveten)/ Statuten / leerin⸗ Vale Lee-
gen/ ende geboden der Menſchen? Wat Chrifti Kerc-
Berlepdt ende berbiindt de Duntſche landen ke verwoett.
noch hunpdensdaeghs / ende wat houtfe in
haten Godtlaofen wefen opt Bande licht⸗
veerdige leere Der Prediltanten, de onſalige
Kinderdoop / dat onſchziftmatige Afgodi⸗
ſche Nachtingel / ende Dat die OEzdinantie ——
des Heeren ende fijner Apoſtelen van der Bf- ac Werelt.
ſonderinge niet nae det Schzift gebrupelit
erdt.
De Pꝛropheten klaegden alomme / dat Iſ⸗
raẽl hare ooten tot den leugen-predikerg heez
ren / Eſa. zo, 9. Jer. 8. 8. 14. 14. 23. 16.
Czech. 13, 7. 22.23.
Chꝛriſtus Jeſus en fijne %poftelen maer z
Bat Wp Ong boor balfche Meeraerg hoeden Matth. 7. 15.
fullen/ want fo verlepden u fpzeelit Chziſtus / Marth. 165
met den Propheten Jeſa⸗ | fp Dienen haren bunch (fegt Paulus) eu niet MetL-23-
belg de leckere Tafelen foechen/ 3 Beg. 18.19.
ia Den bolelte na den oaren
prelien / Jer. 28. 11. En met den valſchen
Pꝛopheten enckel brede prediken / Jee. 8. 8.
€023. 14. Ezech
‚13.16. 122.28. Die o
niet Dan Werelt / gemach/ eere / bunck en gez
Win ſoecken / Phũ. 3. 19. Fom. 16. 17.
Och mijn lecfer / hoe dat de grootſte ende
hoogh geachtſte Prediliers tot anfen tijden | ten fal breefen / lie
(welclterg namen wijt geroemt Worden) den | ceren | en dancken
atmen/ naechten / en gelirunſten Chriſtum
Jeſum mee haren Euangelia gemeont/ ende! u}
Den Deere Chꝛriſto / fin beloven andere benhept enn
(ſeght Petrus) ende zijn ſelve knechten der 2 Petr. 2. 19.
verdetbinge. 2 Petr. 2. Sp teeelten de genas
de Godts tot weelde Gude 4. Ende zijn An⸗
| Die op tichriſten 1 Foan.z.8. Och mijn Heetke /
/ Aertſche vleeſcheltjcke Dingen geſint zijn / en
denchet vlijtig na / wat ich fchrijue.
Cen feften moetmen aeumercken / dat die
Uercke Cheifti daer toe gebaert Wordt/ dat fp pie gen
den Heere hooren / Godt Lan gam ſcher bets meynte
fhebben / Dienen / pzijfen Shit eere
/ gelijclt Moſes fegt: nu ”
Iſrakl / Wat vozdert de Deere uwe Godt van
Oan dat gp den heere uiwen Godt vreeſt /
Der menſchen Zielen gefacht hebben / werde | dat ghp in arte fijne wegen wandelt / en hem
bie verbloeckte Godtlooſe | lief hebt / en Dient den Heere uwen Godt Lan
(ach lac) aen
pracht harer Hupfen/ en aen dat p
fe vercierſel / hetens Viingen / Zijde en Sam:
nen kinderen wel geſpeurt.
ebenwel die Euangeliſche Joſt
Henligen Woozdts Die⸗
met harer vrouwe
Noch moeten fy
Eheologi/ en deg
naets heeten. G wee deg cupmen en diee—
De Kercke Îebelijcten Euangeliumg.
SeChrifti wort
en bijfden moetmen aenmerchkien / dat Die
Worst Merch Chziftidoor Eheiſti Geeft en Wooꝛdt
oordt
leert.
6 gebaert wordt :
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
dele curieus
gantfcher heeten / en van gantfcher Zielen /
Dat hp Die geboden deg Veeren Houdt / en
fijne Hechten doet/Deut. zo. 12, Deut. 6.2,
Oa. 22. 5.
Item / ghn fult den Heere uwen Godt nae
bolgen/ en hem vreeſen / en fijne geboden hou⸗
den / cn fijn ſtemme hooren / en hem Dienen /
en hem aenhangen / Deut. 13. 18.
Ghy zijt (fegt Petrus) dat uptberkoren qe:
Want gelijck cen gerlijche (lachte, Dat Koninchlijcke Prtefterdom) dac
Pp heplige
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
298
heplige Dolckt / dat
Dat gip fult verkondigen
geeneg/ Die u ban Der dupſterniſſe gevoe:
pen heeft tot fijnen Wonderlijcken Lichte /
Petr. 2.9. Deut. 19.4
Diet Daer toe wordt de Kercke Chziſti gez
Baert / datſe fijne groote wonderwercken /
eſal.x4.2. fijn Almachtige Majeſtent / fijn onuptbluf:
DieGe- _fchelijche liefde / ende fijnen aenbiddeljcken
Chaitiver- oogen bepligen Name fal loven en paijſen
kondighe eeuwighlijck.
Godrslof. iaer De Uercke Antichriſti verachtet / ha
e tet en hoonet Godt / gelijck die Propheet
ſegt: fp obertreden mijn berbont als Adam /
ftionteert
Godt. Daer ín bevochten fp mp/ Oze 6. 12- Jae
alle Die des Weeren wille/ woozdt / raedt /
bermaninge/ tuchtinge/ genade / ende lief⸗
De verwerpen / haten hem, willen níet dat
hu Heere ober haer ſal zijn / Luc. Cap. 19.
BS i4 Doen niet Dat bp \
fp wülen / Jer 44. DE 16. ſpzcecken in haez
ten Gerten, maeckt u van ons/ wp willen
Mal3.14 niet van uwe wegen Weten. Wie ig Die al;
Die Sotren derhooghſte / dat wp hem Dienen fouden $ |
fpreecken in
haten har- ;
ten eers jer Werelt Schepper / Heplandt /
Balmis. ig. Die liebe heere gunne haer oogen, dat ſy
hate groote fepien ſien / en herten / dat ſpſe
vecht ver ſtaen tonnen / wenſche ick haer upt
voller zielen/ Amen.
Chrifti Ker- … neeker re eu
ke is gefinr, Chꝛiſti Kercke ín Gaver zwackhept geaett en
ijck
——
Gal. 6. 17,
1 Joan.3.24. ùicuwe creatie) 2 Coz. 5-17. Die Wordt
gan ſijnen Geeft gedreven / Bam. 8.14. En
bekent doos den (vien Geeſt / dat hp ín Godt, mepne Volck fuppt ende bzaft/ vloeckt ende
blijft en Bodt in hem / Lp ig dec Godtlic⸗ zweerdt / vaept ende ſchzaept / lieght ende
kee natueren deelachtigh,; 2 Petr. 1. DS 14. bedzt
r Ioan. g.ra. Ja mijn Leeſer / die vechte Uercke hatet / Me faageleeft/ vecht of Godt cen Fabelaer /
Dac! ende fijn woordt een gedichtfel Ware.
Epùei. 5.30. Bat Cheiſtus hatet / ende Geeft lief/ D
ePste Cheiftug lief heeft / want fp is fijn Brzundt
Jac. 1. 18.
anders als Eheiftug gefint zijn/ Want fn
is upt ſijn Woodt gebaert / en blijft in hem / Name fp
wil / maer Dat) licht balkamen zijn.
en Deere! koen en ſtoutelijck /
Cen fesenften moetmen aenmercken / dat,
veelen foa gehandelt / dat fp (och lacp) na
van naturen is / alg Chriſtus Jeſus Want)
Paulus ſeght: Die in Chziſto is / Dat is cen, |
redelicke MWenſchen
bleefch van fijnen vleeſche / met ſijnen Geeft telijcken dozven roemen / Dat fr Chꝛiſti
Gal. 4. 19. — / i Coꝛ. 12. Han derhaͤlben niet) Kercke zijn. Och! Wilde Godt dat fp kon:
Een klare Beantwoordinge van Menno Symons;
bolckt deg Epgendomg, ende ick in hem / Die bzengt veele beuchten /
de deughden des Goan. 15.5. Ezech. 45
5 de í
Een pegelijch Boom dzaeght na fijner Matth. 717:
aert / alle die upt Godt geboorenzijn/ ende Jef
Godtlijcker aerdt zijn / vzeeſen / lief hebben roan. 5. 5.
Dienen / ende prijten Godt Lan herten / ſp Tit. 3-5-
wandelen onbeftcaffelick / fp leeren / berz je *- ie
manen / ſtraffen / handthaben / en trooſten per. 2. xz-
haten Naeſten Brorderlijck / fp ſterven hare Gal. s. 24.
vleeſch en luften Dagelicks/ fp cichten hare —
wegen na deg Weeren woozt / en beklagen ge:
ſtadighlück / dat fp ſoo arme / / zwacke / ende
gebzeeckelijchte Sondaerg zijn.
efagendaerna/ dat fp deg Heeren Doodt
mogbten gelijckformigh werden / Dat fp UPE
den doodt haerder ſonden vecht konden op:
flaen / en dat fp dat volkomen wefen mogh⸗
ten grijpen Dat in Chriſto ig. Piet mijn Lee⸗
fer / dat fa het gegrepen hebben / oft gantſche⸗
Geenſins / mast fp Jaz
gender na met Paulo/ of fp het oock grijpen
mogbten/ nadermael fp van Chgifto gegee nen
zijm Philip. 3. 13.
Hier en tegen meet het nuaf/ welcke de pe Kercke
Ephef. 4. 14.
Rom. 13. 11.
Job2r. 14. Diet) ſoo ſtoutelijck verachten beuchten Der Kercken Antich riſti zijn. Hare ——
fs den almachtigen eeuwigen Godt / Die al⸗ Peedickers leeren balfcheljck / verlegden chi vanette
leen lup en leckterlijck. ven voort.
De Overheeren tieven haet / vecht of fp niet
dan tot krijgen / opvoeren / wozgen / maozs
den/ Steden en Wanden te verderben / tot
praten / bzaffen/ fuppen / ende tot alie wels
luft geboorten waeren. Jae daer Wozdt van
Des Pzopheten woordt beter Leones rugien- Sopho. za
tes, ende Lupi vefpertini, alg humani, ende
(zwijge dan Chziftez
nen) mogen genoemt Werden. Dat gez
Niet alleen.
de Schrift,
maer oock
de redelicke
Meydenen
hebben al-
dusdanigen
wilder ende
Godtloofen
leven feex
gehaet.
bedrieght / Ec. Summa/ daer Wordt alam:
fijn W Diet /
dat zijn die bzuchten der gener / die Daer ſtou⸗
den fien/wat haet Chziſtus Jeſus (na wiens
haer noemen laten) mitsgaders
en hp in haer / over haet / ende Door haer / | fijne heplige Apoftelen in Geldere klaten Let⸗
“Joan. 15-4/7. Epbef.4- 1 Joan. 3.4.
2Cor.8.6. _ Wiet en tegen ftelt nu Die Kercke Antíi-
h. 4.6.
chen .
3 Joan. 3.24
en 4. 13.
geeotdunckigh/®c. Aerdtſch en bleefchelijk
gefint/ epgenfoechelijch / gierig / ſtout / op:
geblafen / praligh/ oberbloedigh / onfup:
ver / gantfchelijch tegen Chziftum, Want
al wat Chꝛiſtus verbiedt / Dat doen fp / en
wac hy gebiedt / Dat berachten fp/ wat hu
hatec/ dat hebben fp lief / ende Wat hp lief
heeft dat haten fp/ noch dorven fp roemen /
dat fp cen eeuwigh blijvende Kercke verga⸗
deren / foo gehoorzti
Wie ooren heeft /
waerhendt is / dat ick ſchrijve.
Chrifi Ker-
Kebrenghe die Mercke Chaiftí/
chꝛiſti / foo fult gh vinden/ datfe gelijck haer | den.
Dader ban Natueren is / daer fp pt gebaert | Deun
weedt / namelijck / haoveerdigh / nüdigh / Geeft /
moozdadiah) leugenachtigh/ ongehoozſaem / (och lacp) niet.
8.
Die hoore / ofhet nietde |tinge deſe volgende Teeckenen (daer bp
Een achtften moetmen aenmercken / dat der kennen magh ín allee kozthepdt vooz
oock Chꝛiſti beuchten! flellen / op dac die Waerhendt deg te groudi⸗
ter geleert / en wat Vooꝛbeelt fp gelaten heb
ben / fao mogten fp eenmacl geholpen wer⸗
Maer nu ig het niet dan fpelen met
Tetter / noemen en roemen / dan Die
werck / heacht/ en die vzucht zijnder
Volgen de Teeckenen , daer by
men beyde Kercken kennen fal.
Heee iclt my dunchen laete / goede
Teefer / datmen Dat onderſcheydt ban
deſe bepde Uercken upt de verhaelde Cegen⸗
ſtellinge met vollen handen grijpen kan /
tail ickt evenwel tot noch bzeeder verkla⸗
Dat ne
teken, dæcx
men Die eene Werckte ban den anderen ONZ py men die
Kerke Chct-
fti kennen
fal, is een
— bzengt / gelijk Gp ſegt: Ick ben de Wijuſtock / ger betupght / met voller kracht aen den dag —*
dgyrp zijt die Wyurancken. Wie in mp blijft / | kome. * eere.
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
Dat eerfte Teeolsen / daer bp men Chꝛiſti
299
Maer waer men fonder Chrifti Bevel ende
Kercke kennen moet / is de Geplfame ende | Woort dooper, gelijcht Die doen/ die niet
onverbalfchte leere ſijnes Wepligen ende
Goddelijctten Woozts. Afraël was van
Godt bebolen / dat fin bp die leere des Wets
blijven fouden/ ende fauden Daer niet Lan
wůjcken / noel ter vechter noch tet Minchee |
alleene fonder geloove, mart oock fonder „Dat tweede
alle vedelijchhepdt ende Leenuft doopen zeeen?
daer men De Bracht ende afbeeldinge deg chriei Kerc-
doops / namelijck / deu doet der fonden / ke by be-
dat nieuwe leven / de Befnijdinge deg herz „5 “err
!
is een valſeh
handt/ Dent. 5. bg 32. Efaias vermaende | ten/ Ec. iet alleenc niet voor flaet / maer gebruy ck
haer / Dat fn haer na de Wer ende fijn gez | oock wanneer men tot fijnen faren komt / — eecke-
tungeniſſe cichten fouden / oft fp ſouden den | gantfehelijck hatet / ende bpandt is / ende — —
dageraet niet hebben / Eſa. 8. 12. Chriſtus waer men dat Broodt ende Wijn onder den kercke doo-
geboodt fijnen Jongeren / ende fpzacl: Gaet | Gierigen , Pralers , ende onboetveerdigen
in Die gantfche Werelt; ende predickt Dat | uytreyckt, Saligheydt in de flechte Elemen-
Mar.16. 15. Euangelium allen Creatueren/ Marc. 16.
pet den ge-
nen, die van
den Doo
ten , woorden, ende Ceremonien foeckt, geen bericht
Ende leertfe ondechouden alle wat ick u bes |ende tegen alle liefde wandelt, Dat daer De hebben, ja
Matt. 28. 20. holen hebbe / Matt.28. De Paopheten bez | Kercke Antichziſtiis / moeten mp alle vecht:
tupgen alomme/ dat fp Godts waagt ſpza⸗ Veeftandige toeftaen.
en / So ſpzeeckt de Heere der Pepefcharen /
feggen fp. Item / Dat fpzeeckt de Mondt
ren Woors. Deg Heeren. Item / Dat fpzeecht De Heere
De Kercke
Chrifti kent
geen Leere,
dan des Hee-
Godt / dien u upt Egpptenlant gelent heeft /
ende ſulcke getupgeniffen meer. Bock Pau- [eenen Gruwel ende Afgodt opvichten.
lus: Soo ween Engel ban den Wemel een
ander Euangelium predickte/ Dan Dat wr (hept deg Hepligen woozts / oft dat Chꝛeiſte⸗
| lijcke bzame LTeben / dat
Gal. 1. Summa, waer Chꝛiſti Kerclie is/
Daet wozt fijn woort vecht ende vepn gepzez
mgepzedickt hebben / Die fal vervloeckt zijn
Datcerfte Díckt.
geccken, - Maer waer dat Anticheziſti Kercke 8 /
dekerske « daer vervalfchtmen Godts woort, Daer wijft
Antichriti men ong op eenen bevleckten ende Aert{chen
kennen fal, Chrittum, ende op vreemde middelen der
—— faligheydt, die de Schrift niet kent? Daer
GE. 7.7. leertmen eenen ruymen ende breeden wegh,
Matt.7.13. Daer pluymftrijcktmen met den Grooten,
——— daer verkeertmen de waerheyt in den leu-
DieAnti- Zen, daer predicktmen fachte dingen, gez
chriftiche licht Dat arme onberftandige bolck geerne
predikers ebben ende hooren Wil. Summa / daer
nijn f- trooft menfe in haren ongelucke, dat fy het
gh, die on
Godever- kleen achten fullen, ende feggen: Vrede,
doemt. vrede, ende is doch niet bzede/ Her. 8. 8.
Ou feggen den onboetveerdigen dat leven
toe, ende De Schzift ſeght: Dat fp dat
Uijcke Godts niet be-erven ſullen Wom
1.32. 1C02.6. 10. al. 5.21. Epheſ. 5.5.
Dat tweede Teeckten is / Dat rechte ende
—* * 8 fchziftmatige gebrupck dee Sacramenten
Aftor. 158, Chꝛeiſti / mamelijck/ daer men Den geenen
Rom.6.4. doopt / die door den geloove upt Godt gee
boorten werden, Cit. 3.5. oprechte Boete
Doen / Act. 23. Die hare fonden ín Chriftí
Doot begraben/ ende met hem ín’t nieue
We Tcben opſtaen Gom. 6. 4. Die haer
aen De voorhundt hares heeten met Chziſti
pe Befnijdinge (Die fonder handen gefchiet)
ol. 3. ET.
tres zn. tlechen/- Gal. 3. Ende een geeufte Con:
fcfemtíe boor hebben / 1 Pet. 3. Item / daer
men Des Heeren Weplige Nachtmael onder
den Boetbeerdigen gebzupekt / Die vleeſch
ban Chꝛiſtus vleefch zijn/ die de genade /
Chrifti Kerc.
ke houdt dat
Nachtmael
met den
Godtvruch-
tigen ende
Vromen,
ter zonden / alleene ín deg Weeren verdien:
ſte / Daodt ende Bloedt ſtellen / Die ín Lief⸗
de / bede / ende eenigheydt met haren
Bzoederen Wandelen / die in alle waerhent
ende gerechtighept van deg Weeren geeft gez
dreben Werden / en met alten haren beuchten
befnijden / Coloſ. 3.11. Die Chriſtum aen⸗ ten, faemrooven, houwen ende flaen daer
Ephef. 7. zo. berfoeninge/ ende de quijdtfcheldinge ha⸗
noch geloo-
ve nech ver-
n. Want het is opene nuft hebben.
baer / Dat fn Chziftum Godts Sone met —
ijn Woozdt ende Ozdinantie uptſtooten /
ende haer eygen Ozdinantie ende gewzachte mer den on-
werck weder im De plaetfe fleilen/ ende tot ——
A ; “Dat derde
Dat derde Teecken / is De gehoorſaem⸗ Tescken,
daer by de
Kercke
upt Godt ig. Weeſt Chrifti be-
bepligh (ſeght de Heere) gelijck ich Hepligh kent were,
ben/ Hebit. cap. 19. 1. Awelicht (fpzeecht pr et ek
Cheiſtus) tact lichten boor den Menſchen / zeven
Matth. 5. 14. weeft louter ende fonder ſchult
(feqht Paulus) alg De kinderen Godts
onficaffclijck / midden onder Dit onaerdige
ende verkeerde geflachte / onder welcſie
fchijnet alg lichten der Werelt / Phil 2.15.
die Daer ſeght (ſprꝛeeckt Joannes) Dat hy ín
Chꝛiſto bljft die moet Wandelen / gelijck
bp gewandelt heeft / 1 Goan. 2.6.
Maer hoe Hepligh de Kercke Antíichziftí Dat reec-
(8/ hoe haer Licht liehtet / hoe onfchuldigtj keleofs le-
‚ende louter oft reyn dat fp wandelen / ende derde Teec-”
hoe haer leven met Chziſti lebven ſtemmet / ken, eileg
magh (oeh facp) unt hare woozden ende Kon LL
wercken allenthalben Wel gefpeurt werden, kent wort.
Dat Lierde Ceechen/ is De heetgeonde: —
lijcke ende ongebepnfde liefde deg Paeſten/ aet
gelicht Chriftusteght: Daer bp faleen pege⸗ kan, daer by
lijck belkennen / dat gp mijne Jongeren zijt / rin *
foo qp De liefde onder malkanderen hebt / ween nee
Joan. 13. As 35. Fa mijn Hefer waer men Gl.
de oprechte Beoederlijcke lief den fonder alte
bunchelpe met fijne vruchten vindet / daer
bindtmen De Herche CEheiſti. Want alie wie
lief heeft (feght Joannes) Die is upt Godt
geboorten / ende kent Godt/ want Bodt ig
‚De Liefde / 1 Goan. 4-7.
Macr Daer men de Broederlijcke Liefde mat liet
uytſtoot, daer fy haer onder malkanderen ha- vt vree
Teecken ,
leen yegelijck dat fijne foeckt, daer fy on- dat de Kerc
trouwe ende bedrogh in haren handel ge- ee —
bruycken, alle quaet wenſchen, vloecken, *
ſweeren, ende ſchelden: Daer ſy hares Nae-
ſten Maeghden, Dochteren ende vrouwen
fchenden , malkanderen om eere, wel.
(vaerk, goet ende bloedt brengen , allerley
|moetwilligheyt, gruwel ende wrevel tegens
den anderen aenrichten, Ec. So men (oct
lacp) aen allen plactfen fien mach: Of
‚Daer niet Antichziſti Uercke zu / mogen
alle kloecken met det ſchrziſt oozdeelen / ende
belwijfen/dat fn Chziſti erckie en Dalch zijn. | vecht nadenchen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Pya Dat
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
300 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
Dat bijfde Teecken is / datmen Chziftí
Bat vijfde Name / wille / woordt en Ozdinantie/ tegens
geken, daer aller werelt weeedthepdt / Cprannpe/ op⸗
Chriftetijcke toet / Vper / fweert ende geweldt / bzpmoer
Kercke ken- dighlijck bekent / ende tat den cpnde toe gez
nenfalis trouwelijckt voorꝛſtaet. Wie mp bekent
vernlde vro- (fpzeecht Chriſtus boor den Menſchen / dien
me belijdin- Wil ick bekennen voor mijnen Pemelfchen
—— — rene ho trenandier ooo —
Ei. Ende mijnes Wooꝛts fchac
bereden” oferfgeligen ende fandigen Geſlachte / van
—— — dien pike —* pe vaa gn bee
el behert- men / wanneer hp komen fal in de eerlijck:
De —— bepbt nes Daders pes 4D Ben. and
gelen / Marc. 8.38. Bock Paulus: Soo
men Han herten gelooft / foo wett men recht⸗
beerdigh / ende foo men met den monde bez
— ſoo wert men Snien — 10. o.
Auychelye Maer daer men met den Papiſten Papi-
‚8 dar vijfde ftigh, met den Lutherſchen — ende
doormen met den Interimiftifche Interimiſtigh is, nu
Antichrifti afbreeckt, dan weder toe fettet , huychelen als
Kercke ken de Overheeren gebeden ende hebben willen,
sn. wat dat Loor — — zn / pn eni *
Deelen / Die dooz de Waerhendt verlicht / ende
ban deg Weeren Geeft geleert zijn.
DatKruys Dat fefte Ceecken / is Dat dzuckende
isoockeen Crupce Cheiſti / dat om zijn getüpgeniſſe
teken der Onde Woort gedragen wort. Gp ſult (fpzeecht
Kercken Chiſtus tot den fifjnen) ban allen Menſchen
Shrifis ende gehaet werden om ming zaemg wille/
07 Matt. 24. 9. Mile Die Godtſaligh willen lee
ben (feght Paulus) m Chꝛriſto Jeſu / die moe:
ten berbolginge lijden / 2 Cimot. 3.1. Mijn
kint (ſeght Sprach) wilt gp Godts dienact
zijn/ fo ſchickt u tec aenbeehtinge/ houdt
Alle die om gafte ende lijt u/ en wanckelt níet / wanneer:
| den Hemel woonen. Ontfingh oock macht /
(met den Wepligen te ſtrijden / ende haer te
overwinnen. Ya mijn Leſer / dat is det An⸗
tichziſtiſcher Kercke epgentlijck werck ende
Wwijfe/ Dat fp den genen / Die fp met haren
Gulden geuwel-beecher niet betooveren
kan) hatet / vervolget / ende met dein zweer: Ápoc. 17. 4.
De uptroept. O Heere / ô liebe eere! gunt
‚Doch u acme klepne hoopkien / dat haet de
(toornige Drake niet geheelijck verſlinde /
maet dat wp door u genade met Den (weerde Apoc-12-4:4«
uwes Monts in der gedult overwinnen / en
een eeuwigh blijvende zaet nalaten mogen /
Dat uwe Geboden houde / uwe Betupgee
niffe beware / ende uwen grootdadigen hoo⸗
gen NQame príjfe eeuwighlijck / men. Lie⸗
be Heere / Amen.
Hier mede wil ick De Keere van der Kerc⸗
ken afkorten / ende De falke met deſe nage⸗
ftelde Vrage ende Antwoordt beflupten / Die
ickt hope doo? Godts genade / den blijtigen
Leſer geen gevinge vzucht geven / ende groa-
te klaerheyt brengen tal.
Vrage. Wat de Kercke Chziſti zpt Ant.
woordt. Een Gemepnte Der Wepligen. Vra-
ge. Met Wien fp begonnen zp? Ancwoordt.
Met Adam ende Eva. Vrage. Ant wien dat-
fe zu? Antwoordt. Apt Godt / door Cheri-
ſtum. Vrage. Woedanige dienaers dat haer
baten £ Antwoord. Die ín Keere / leven on⸗
beſtraffelijck zijn. Vrage. Waer mede fp haet
baten? Antwoordt. Met Godts Geeft ende
woogt. Vrage. Waer toe fp haer baren? Ant.
Datfe Godt dienen / dancken / ende prijſen
fal. Vrage. Woefp gefint is? Antwoord:. In
harer fwachhept alg Chziftug. Vrage. Wat
beuchten datſe boortbzenghtt Antwoordt.
Gerson men u daer ban locket. {oudt u aen Godt /
denlatet ende wijcht níet / op dat gp noch ſtercker
mercken werdet. Alles Wat u Wedervaert/ dat lijt /
oa woei, ende weeft geduldig ín allerlen dzoeffenitl /
sap. 3.5. _ Want gelijck alg Dat Gout door ’t oper / alſo
werden Die / die Godt behagen / dooz dat vper
Der dzoeffeniſſen beproeft / Eccleſ. 2. 5. Heeft
pock Matt. 5. ro/ 10.23/ 16.24. Mar. 13.
bs 13 Luc. 6. 22. Poan. 16.2. Actog. 14. 18.
2 Tim.2. WPebz. 11. 37. 12.2.
Dat dit felvige Cruns een gewiſſe Teken
Die des Weeren woordt gematigh zijn.
Vrage. Wat de Kercke Antichziſti zpt Ant.
Een gemepnte der ongerechtigen. Vra. Met
wien fp begonnen zp? Ant. Met de eerſte
Godtloofe. Vra. Unt wien datfe zpt Antw.
Upt den boofen/ door Antichziſtum. Vra.
Hoedanige dienaers Dat haer baten? Antw.
| Die ín Heere ende leven ſtraffelijck zijn. Vra.
| Waer mede fp haer baten? Antw. Met An⸗
tichziftí eeft ende Keere. Vra. Waer toe fa
haer baren? Antw. Dat e Godt kleen ach-
Hebben fy Det Kercken Cheifti is / heeft hier boormaelg | ten / verlaten / ende haten fat. Vra. Woe fp
iny vervolgt
(fpreeckt
Chriftus ) fo
fullen fy
oock u ver-
volgen.
Joa. 15.20.
níet allene de Schrift / maer oock dat Erem:
pel Jeſu Chziſti / Der hepliger Apoſtelen ende
Pzopheten / Der eerſter ende overvalſchter
Vercken / ende oock der Godtbruchtigen gez
trouwen Kinderen / byſonder ín onfe Heder:
Yanden / nu tot onfen tijden wel betupght.
gefint is? Antw. Aertſch / vleeſchelijck / en
Dunbelſch. Vra. Wat bzuchten datſe voogt-
brenght? Antw. Die Den Euangelio onge-
matigh zijn.
{
|
|
Pier entegen is dat Godrloofe Heydenfche | Derechte Teeckenen , daer by men
Pen Godt- liegen , haten , benijden , fchelden , lafteren o-
vruchtigen » ver den Godtvruchtigen , ende (geljck als aen
— a fommige plaetfen) dat onbarmhertige vangen,
ewifle'Te- bannen, berooven , met water , vyer , (weert ,
en „daer by ende ftake veroordeelen; een opentlijckt Ceecz
Chrifti Kercke kennen fal.
r. Gen onbervalfchte reyne Keere / Deut. —
4. 6. 5. 12. 1. Eſai. 8. OVs 5. Matt. 28. 20.
Mar. 16.15.
Joan. 8. 52. Gal. r.
men Anti-
chrifti Kerc-
ke kennen
magh.
Apoc. 17 6.
Apo€.13.5,6.
Ken der Kercken Antichziſti want Joannes
ſagh / dat dat opgepzonckte Babploniſche
Wijf dzoncken was / van dat bloet der Pepe
ligen / ende ban dat bloet der getupgen ez
fu. Sagh oock ín gelijcker maten / dat het
beeft / dat upt der Zee opquam / een mondt
gegeben wert / om groote Dingen te ſpzeken /
te lafteren Godt ende fijnen hepligen Rame/
2. Gen fchgiftmatiah gebzupet dee Da- „Pane
cramentelijcken Ceeclenen. att. 28. 19. 117
Marc. 16. Ham. 6. 4. Colof. 2. 12. 1 Coz.
12. 13. Cit. 3-5. 1Pet. 3. Matt. 26. 25.
Marc. 14. 22. Luc. 122. Ig. I Coz. 11.22. ad.
Sehooꝛſaemhept deg Wooztg/ Matt. Dat dede
7. Kuc. 11. 28. Goan. 7.18.15. 10. Jac.1. per.1.22e
vs 22! &.
oock fijn Hutte ofte Gemepnte ende Die wd
4. Gen ongebepnfde Bzoederlicke — ——
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 301
Joan. 13. 34. Wom. 13. 8. 1Coz. 13. 1. | Dee Gemennte oft Kercken upt der Schzift
1 Yoa. cap. 3. DS. 18.4. 7.8. biet gedaen hebben / foo Wil ick mp nutot
Patvijfde _ 5. Cen bapmoedige Belijdinge Godts en Gellũ Argumenten keeren / Daer mede hy
Teecken. Chꝛiſti / Matt, zo. 32. Marc. 8.29. Wom. fijn Vieeche voor De vechte Chriſteljcke Kerc⸗
10.9. 1 Cim,6. Ös. 13. he beweeren / ende De onfe voor een Sette en
Dat fefte 6. Dꝛuck ende Zoeffeniſſe omme deg Hee⸗ Rotterye ſchelden wil, en die ſelbige (hoope
Teecken, xen woort / Matt. s. ro. 10. 39. 16.24. 24. 9. iclx) met mijnes Weeren Wodzdt in tamez
Luc. 6.28. Goan. 15.20. 2 Cim. 2.9. 3. 12. lijclier koxthepde ſoo op te loſſen / dat De on-
1Pet. 1: 6.3. 14. 14. 13. 5. 10. 1Joan. 3-13. partijdige Leeſer in boller klaechepdt grijpen
moet / dat he upt alle fijne krachteu daer na
De rechte Teeckenen, daer by men tracht ren hp Godt —5 ———
EE 1: 3 oozdt / met Pfamen fijn beplige Kercke onz |
Antichrifti Kercke kennen ſal. becdzucken / en der verlepdifchee flangen Í
leugen/ met tfamen hate Kerckie (foo veel ie
hem mogelyjcht ig) onfchuldigen ende voor⸗ fi
ſtaen maah. |
r. Een lichtveerdige , ruyme,ende valfche
— leere, Matt. 7. 26. 15.9. 16.4, Rom.16.26.
1 Timoth.4. 2 Timoth. 2, SL —
2. Een onſchriftmatigh gebruyck der Sa-
— cramentelijcken Teeckenen, als die Kinder- S
| doop ‚ ende der onboetveerdigen nachtmael.
1 Cor. cap. 11. 19, 20.
——— Ongehoorfaemheydt des Woorts, Prov.
Teecken.; Te Litum rt. 19. 20. Matt. 7.26, 25» 26.
Datvierde 4. Verachtingedes Naeften; 1 Joan 3. 15.
Teecken. s. Huychelye , ende verloochinge van den
— Name Godts ende Chriſti, Mar. zo. 33. Marc.
8 38. Luc. g. 26.
Dat fette 6. Tyrannye ende wrevel tegens den Godt-
Teecken. Vruchtigen, Joan.cap. 15. vers, 20. 16. Apoc,
12.33. 18.17.14»
S Jet mijn leſer / hier hebt op nu ban deſe
bepderlen Kercke een grontlijcke aen wijz
finge/ wat fp zijn / upt Wien / ende ban
waer ſy voortkomen / hoe fp gefint zijn/ wat
vpruchten dat fp voortbrzengen / ende bp wele⸗
ke Tekenen men haet kennen fal. Die niet
Chrijft ten eerften : dat die heyligen in Co-
rintho, en in den Gemeynten van Gala-
tien, welcke Paulus van gruwelijcke groote
fonden ftraft, dan noch in den felvigen Ge-
meynten Godts woordt van haren Biffchop-
pen en Paftooren gehoort, ende de Sacramen-
ten ontfangen hebben, &c.
Antwoordt.
Oo Gellius ende de Pzediliers ín leere ende
leven Der fchzift gematigh waren / hare
Sacramenten vecht toedienden / haer Kerc⸗
ke ban der Werelt na der Scheift afſonder⸗
den / als dan moghtmen ban Peedicherg te
booten fpreechen. Maer foo lange De Predíz
erg verlenders blijven / hare Sacramenten
tegen Godts Woozdt gebrzuncken / en hate
jangeren werelt zijn noch Ban / noch ſtraffe
n Die niet [na der Schzift voeren / Ec. Is het na mijn
moetwillighlijck Dwalen wil / Dien ig hier bedencken weynigh noddigh veel Daer ban
Joan 3. 3.4. tenen goeden en platten wegh geweten. Wilt [ee ſpreecken / want het ig openbaer/ dat fj
1 Pers. 1.23. OP Dan een Waerachtigh WdEract ín Chriſti bupten Chriſtum en Chriſti woorde zijn.
Phila.rs.” Werchte zijn) foo moet qp uyt Godts woort, Mijn Leeſer / verſtaet De ſaecke vecht /
Toan-3754 geboren / ende Chaifteligels gefint zjn / Chei⸗ Paulüs heeft Dat onrechte weſen aen De vang: Dat Gellius
Rom. 8 14. fli bzuchten brengen / na fijn Woozdt / @?- noemde gemepneen níet gedragen / gelijck de cen *
Sal.s.24. dinantie ende Beul Wandelen / u vleeſch Pzedikers nu doen/ mact hp heeftfe harde neemt, araft
Mati. 7.23. ende de werelt affterven / een onbeſtraffeltjek | Daer over geftcaft / Den gehoorfamen op der hem.
Matt. 16.23. leven ín De bzeefe uwes Godts lepden / uwen Afſonderinge gewefen / en met ernſtige
zen 8.35. Haeſten Lan heeten liefhebben ende Dienen / (Woorden / bpfonder Die ban Corintha/ foa
*20. Chꝛiſti ame ende prijs belijden / cndeam {fn haer (Wanneer bp quame ) niet beter 2 Cor.1a.13.
en —* — nin getupgeniffe he a ——— al *
erlepn dzoeffemiſſe / ellende / ende dz eren Sulcks ſoude Gellius billick oockt doen /
ftaen. Maer foo gp ſulcks wepgert ; endem ende foude Dat arme roeclielooſe bolck daer
uwe eerfte gehoopte onverandert blijft | een mede níet trooften/ Dat oock ander lupden
onboetveerdigh ende ruypm leben boert / Des vooztijdts niet vecht gedaen hebben: want
— pia ndi pere cheni het — —— —— fant Hen
veerdige eit / met DEC erelt hupcht We Dat pet behelpen / gelijck Sprach ſeght. an
—— en lrupce ban u ffoot/ meught op geen Lidt⸗ | oock fijner ſaken gantfchelijck niet behulpe⸗
fi kercke Mact ín Chꝛeiſti kercke zijn oft Gods Waer⸗ lijck zijn / want defe Gemepnten waeren
bept moet feplbaer ende valſch zijn/ want het eerſtmael vecht gebouwet / maer daer na zijn
Marc, 1.1g. alomme niet dan Geloove / Liefde/ Godts | harer ſommige van den balfchen Apoftelen Jede 19.
— rij tte k —— — — en —— wl big / —5 bles ; cor Ei
an.13.14. des vleeſchs / verſakinge fijng ſelfs / niente |gen gelet. Sommige (foo het fchijnt) heb⸗ Lis
— ee creatuere ende Krups / alle wat de gantfche | ben haer wederom fn een rupm vleeſcheljck
Rom. 6,8. febaift deert ende pzedicht, Hierom fo zeeft leven begeben/ gelijck het gemeenlijck met
Col. zn — hij ER — iis /|den genen toegaet / Dic ———
** onderſoeckt de Schzift / volght de Waerhent / rugge keeren / luft aen nieuwe leere / tor
ende fiet Wel Yoozu/ Dat gp om dit kopte do⸗ en gekijf hebben ofte krijgen / gelijek trip dat
Matt. 16,29, genblickelijck leben ende fijnen welluſt uwe |De etbarenthepdt (och lacp) meet alg te
| Marc. 8, 36. ACME Ellendige Ziele niet bedzieght/ ende | beel ban fommige Paren herwaetts geleert
4 Luc,‚9.25. eeuwigh ín ’t verderf brengt. heeft. ——
| Nademael Wp nu dan onfe betklatingeen | Paulus fcheldet die berftoorderg bari Ca: Ns. 13e
_onderwijfinge van Dat anderfchepdt der bep: | rinthen / Twiſtmakers jk Secten oft Secte
n 3 maliers /
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
nn —
302
makers / en Die ban Galatien berlepders /
begeert en beveelt vlijtighlijck Dat fp haer
Fen klare Beantwoordinge van Menno Symons,
doen /maer die Duldenfe / en houdenſe nach
vooꝛ Lidtmaten harer liercken / openlijck te⸗
ban det gemepnten ſullen afdoen / op dat gen Godts woozdt en bevel / tegen Des Hey:
níet dat gantſche deegh door fulcken ſuer⸗ ligen Geeſts Ozdinantie/ en Der Wenliger By der Wee
deeſſem verſuere / 1 Cor. 5.6. Gal. 5. 9.
Apoſtelen Exempel ofte gebzupck / hoewel ijn rele worde
geen Bary
Nengefien De Boomoemde Gemepnten | het wel weten / dat hares Veeren Fnfettinge dan des
dan eerſtmael vecht gebouwet warten / en nu | en bevel ſulcks níet lijden kan / evenwel doen bloedtrich-
doo, den Sectiſchen en vleeſchelijcken / Die) fa het opfcttiglijck en moetwilliglijk kannen ters Panse-
Daer beneffeng in quamen / twiſtigh ge⸗ oock derhalven (foo lange fin foo zijn / ſtaen /
bruyckt.
maeckt (foa gehoort is) van Paulo beſtraft oft handelen) Chriſti waere Kercke en Gez
wozden / datſe ſulcke oproerders en twiſt⸗ mepnte niet zijn / ofte Godts uptgedzuckte
maeckers met openbare ergerniſſen dulden / klare woordt moeſte ong gautfchelijck feplen
kan immers Gellio Daer mede niet geholpen | en valſch zijn. Och mijn Leſer / dencket wel
werden / dewijle hy ende De fijne nach nopt na Wat de fake weget.
De rechte Predilkers/ en have gemepnten oock
Maer dat hnfchzijft/ dat der Propheten
nopt vander Wereldt afgefondert / de rechte | Difcipulen geen fcheydinge van den Gemeyn-
gemente Chꝛiſti geweeſt zijn / fa gehoopt is. ten gemaeckt hebben; onder welcken de doot-
flagers der Propheten waren, Han ickt niet an⸗
er tweeden {Chrijft hy: dat Zacharias, ders upt berftaen / Dan dat hu wil / dat hare
Elifabeth,lofeph,Maria,Simeon en Anna, Kercke evenwel De Kercke Ehrifti blijft/ en
met t’famen fommige andere Heyligen , Gods zijn moet / hoewel dat díe boofen en Godt:
woort in de gemeynte des Joodrtfchen volcks| leofen foo bp hoopen Daer inne gebonden / ent
(onder welcke de Moorders Chrifti waren)ge-| foo opentlijck tegen alte Euangeliſche fchzift
hoort hebben; en der Propheten Difcipulen en gebzupcit ber Apoſtoliſcher kercken / Lau
geen fcheydinge gemaeckt hebben van den |haet geduldet Werden.
Och neen / leefer/
Gemeynten , onder welcken de Dooders der Hoet u / het magh fo niet zijn. Soo de obers
Propheten waren.
Nntwoordt.
Jer is het upt Gellii epgen Woorden | bekent zijn / ende fluptfe dan na behoozlije⸗
trederg en moetwillige bevrachters deg Hep⸗
ligen Woozdts Det Gemepnte onbekent
zijn / ig fp onfchuldigh : maer Wanneer fn
Merckt,
gpenbaet ‚hoe de Ioodſche Synagoge (of) ket beemantnge niet ban haet upt/ maet
daer wel veele vromen als Zacharias, Elifa-| Duldet haer nae beliender Waethepdt ín de
beth, &c. onder geweeft zijn) evenwel de | gemepnfchap harer Keligie wetens ende wil⸗
Chꝛiſtelicke oft Upoftolifche Kercke niet ge⸗ lens maah fp (nae mijnen geringen ver⸗
weeft zp / en Chziſti met tfamen fijner {2 ſtande) Chziftt kercke niet zijn / Want fn
Npaftelen Oꝛdinantie niet gehadt / nach gez
brunckt heeft / want men fal in eeuwighepdt
niet bewijſen / dat ín be Apoſtoliſche Kercke
(fo lange fp de Apoſtoliſche kercke blebe ) ber:
bolgerg en dooders Der Godtvzuchtigen gez
De Joodfche weeſt / en Daer ín gedult en gebleben zijn / ge-
ede lijck als tot dier tijdt in der ILoodſcher Synagoge
rechte Ape- gefchiet is, Waer mede hp dan hem felven bez
folifche _amttwmoogt / ende De faeclte genoegh geoordeelt
in held heeft / want hp roemt níet/ dat hare kereise de
doen wijt Joodtſche Spnagage/ daer inne ſulcke gru⸗
verfcheyden. elen bebonden Wwozden/maer de Gemeynten
Chrifti zy, Die nopt fulcke woorden gez
dacht / noch beel wepniger gedaen heeft.
Die Godt- Item /datter ſulcke groote gebreiten en onz
vruchtigen gefchicktheden bp De boornoemde Gemepn:
eet ten bevonden 3u / Dact inne behooren top
maer dat hacr níet na te bolgen/ maer fullen daer mede
goedena. bermaent zijn / hoe wy ons na Der leere Pau:
li tegen fodaníge/ díe onder den Godtbrüchti⸗
gen altijdt opftaen / ſchicken fullen. En dat
wn oock am ſulſer lupden wille aen deg Wee:
ren belofte níet miſtrouwen fullen/ alg of wap
Cheiſti kercke en Dolk niet waren) faa doct
| wp doop ſulcks geleert werden / dat in Chriſt
Gemepnte (díe altijdt ban haren Wederpat
« Cor.11. 17. thder ín Den verſſen geſtelen werdt) erger:
—— 9.41. miſſen / laſter / en Secten komen moeten /
nochtans foo haeſt ſy ſulcks eyſſchet / na bee
hoozljcker Bermaninge (ſoo fp haer niet bez
keeren) van haet uptflupten en afdoen. Dact
mede ſy Dan opentlijck betupgt / Dat fn ſulc⸗
uer Derlepdingen en ergerniſſen voor Godt
enden Menfchen anfchuldigh en bzyſtaet /
Dat de Wereltlijcke Gemennten alfoa niet,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
oertreedt moetwillighlijck / ende blijft in
Chꝛiſti Leere niet / fn veracht Godts Woozt
en Ozdinantie/ om dat fp Dat krupce Chꝛi⸗ sr 5. 17:
ſti ten prijfe hares Godts / en Dienfte has
teg Naeſten / níet Dragen / nach der meu
fchen ongunſt op haer laden wil / maeckt
haet dee bzecmder ſonden Deelachtigh/ Ec. 1 Tim. 5. 22°
Heeft Derhalven oock na Goannis getupge: Per 3757
niffe/ Godt in der kracht en waerhendt niet matt. 13, 15»
2 Joan. 1. 1. |
——— derden ſchrijft hy: als fy ichtbaerlijck
en voor onfen oogen de gemeynte Godts
en Chrifti is, welcker opentlijcke vergade-
ringe houdt, dat woort hoort, aenneemt,
en predickt, de Sacramenten met opentlicker
bekenteniffe en aenroepinge des Heyligen
Godrlijcken naems uytdeylt, en gebruyckt ,
endie ergelijcke grove mifdaders en hartnec-
ige fondaers bant, &c.
Antwoordt.
S Oo dat de kercke Cheiſti maeckt / datmen wiet dacr
opentlijcke vergaderinge (hoewel met al⸗ men —
lerlen pdelhepdt / pracht en pzael) houdt „Insert,
na wereldts wijſe Medickt / Den kinderen maer daer
doopt / met den onboetbeerdigen dat Bzoodt men zech
bzeeckt / ende eenen ſchijn ban bidden Loert/ gei, is de
Dieven ende Doodtflagerg met Den zweer? rechte kere
de uptroept / foa moeten dock alle Papí: ke
fien / met t’famen alle Azrianers / Monmie⸗
ken/ Ee Chꝛiſti kercke geweeſt zijn (want
ſy ſulks alle opentlijk gedaen hebben) is onz
wederſpzekelijcki. Ó Neen! niet alfoa. Ja
a
Baer De bergaderinge ín Chriſti Dame gez
fchiedt / daermen dat Woordt Godts onver:
balfeljt Predickt / het zp dan hepmelijck oft
openbaer / den Boop en het Rachtmael vecht
na Deg Heeren Ozdinantie bedient / niet de
Moope misdaders alleene/ die met Des Éen:
| fers Ban oactt gebannen werden/ maer dock
1 Cor. s, zo, daer men De dzonckaerts / Hoeren en Hoeren⸗
jagers / Gierige Woechenaerg/ Ec. Ban
De gemepnfthap der Godtvzuchtigen/ nader
Apoftelen Weere en Erempel / untſlunt:
Siet / Dat ig De fichtbaerliche herche/ Die
ons ban det fchzife betupgt werdt.
8E En vierden fchrijft hy : als {y voor Men-
fchen oogen (die in ’ herte niet fien kon-
nen ) ontenlijck , ende alleene voor Godts
oogen ende gerichte, de ware Kercke Godts
ende Chrifti is, welcke in de uyterlijcke oft
fienlijcke Kercke, datis, in’ getal der Beroe-
enen bevonden werdt, nadien Godt door de
Predicaiie ijnes heyligen Euangeliums, ende
gebruyck fijner Heyliger Sacramenten , krach-
tighlijck daer inne werckt , en vaft altijdt vele
ten eeuwigen leven wederbaert , die van hem
alleene, die den fijnen kent, ende den Men-
fchen alleene in’ herte fiet » bekent werden ,
ende de rechte Bruydt Chrifti zijn, &c.
| Antwaoydt.
Ï It ſelve bekenne ikk ten Dele vecht te zijn /
nochtans met ſulcken befchept } datde
fienlijche kerclie / daer onder de onſienlijcke
(fa huſe noemt) ſoude begrepen zijn / in Der
Heere) Sactamenten/ en osdinantie hepl-
ſaem / en oock ín Den leben / fao veel de men⸗
ſchen (Die alleen Dat upterlijck richten ) fier
konnen / fal onſtrafſelijck zijn. Wengefien
het dan klaerder alg klaer ig dat Gellius met
tfamen alle fijns gelijche Pzedthers atom:
me beſtraffelijck zijn / want het is openbaer /
dat fp Godts Woozdt vervaiſchen / de Sa⸗
cramenten misbzupcken / met de wereldt
plupmfteijcken / den Godtbzuchtigen ſchel⸗
den / haer kercke ban der Wereldt niet afſon⸗
deren / ende niemandt van alten haten “Jon:
geten gebonden Werdt/ Die haer in alfuiche
openbare overtredingen en mishandelingen
ftcaft/ maer een pder Gem met hare ieere ende
Sactamenten wel genoegen laet/ bolget / en
( hanthavet / alle met den anderen huchelen/
op Den beeeBen Wegt wandelen / dat Urunce
Cheiſti haten/ en dock wel anderen opleg:
gen/@&c. Dat dan noch evenwel foo een on:
fienlijck Kercke onder haer zijn foude / derf
ick foo níet toeftaen/ en dat om deſe oorſaeli /
Want ick weet waerachtig / dat het níet fen:
kerke Che, len han / oft de waere Kercke Chzifti/ daer
flikanniet Dieig/ fal haer bp dit arge en berkeerde ge⸗
verborgen _ flachte met mondt en werelt openbaer ma:
De fienlijke
Kerke moet
uytwendigh
ook onftraf-
felick zijn,
Matth. 14, ken / Want fis chen fa twepnig alg een Stadt
Fhila.rs. Op eenen hoogen bergh / ende cen licht op den
kandelaer) verborgen kan zjn.
ij En vijfden fchrijft hy, dat die Gemeynten
tot Romen, tot Corinthen , tot Ephe-
fen, &c. Item: de vreemdelingen hier en daer,
in Ponto Galatia, Cappadocia, Afia, Bichinia 5
van Paulo en Petro die Heyligen en uytver-
korene genoemt worden : want de Kercke
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
pe3
|C íchrijft hy ) neemt hare benoeminge van den
|
beften deel, datfe Godts oft Chrifti Kercke
heet, heylig, reyn, onbeftraffelijck, &c.
Antwoordt.
D Enchkt niet / mijn goede Leeſer / Dat dic
alle / die tot Romen, Corinthen, Ephe-
fen, in Ponto Galatia,Cappadocia, &c. Waan:
den / Chziſti Kercke ban Petra en Paulo ge⸗
noemt zin / gelijek Die alle die in Meiſſen /
Duetingen / en Duntſche Wanden woonen/
Chꝛriſti Werchte van den Peedikers genoemt
Werden: Geenfing. Maer fp hebben dat
klepne hoopken gemepnt/ oac met oen wao:
de Des Godtlijcken krachts gebaert / hem ban
der Werelt afgeſondert / mec opentlijcker
belienteniſſen Cheriſto/ en ſjnen verbonde ge⸗
williglick begeven hadde. Gelijck wanneer
ci ſchzeve / den untverkioren kinderen ende
Pepligen Gods tot Antwerpen, Gent, Lieeu-
waerden,êcc. Den bzeemdelingen ín Dunt⸗
iche landen hier en daer / Ec. Niet dat ick
Daer mede menne / alie Die cot Antwerpen,
ent, Leeuwaerden , en ín Buntfche ane
den zijn ofte waonen : Geenſins: Want
fn woonen oactt Daer / die De uptberhoas
reuen Godts niet wennigh verbolgen ende
(eedt daen: maer ick menne die/ die Chꝛi⸗
ſtum Jeſum daor cen waerachtioh geloave
aennemen/ en fijn heylige Wao gehooz⸗
ſaem zijn. Siet/ nijn Weefer/ foa nu de
Pzedilers in geljcker mate Hare Kercken
gam Der wereldt affonderden/ Godts woordt
outer en reun vzedicliten De Sacramenten
na der Schzift vecht gebeupekten / na eén
azoom en Chꝛiſtelijck lenen mer haren des
epen pwerden / NIS dan moghte hp met
der ſchrift en wacthepde roemen / dat oock de
untverkorenen Die hp (foo rp dunckt) de
onſienlijcke kercke / noemt ín hare ficnelijke
kevelie begrepen waren, gelijch be voozgeeft.
F En ſeſten ſchrijft hy: So ſy nu ſeggen wil⸗
len, uwe Gemeynte is niet geloovig, hey-
ligh, en onttraffelijck, &c. Soo bervepe ick
my, ten eerſten, op de Gemeynten des Joodt-
fchen Volcks, daer wy het uytleeren konnen 3
datfy ter tijdt Helie, Jeremice, Danielis, ende
voortsaller Propheten, Joannis des Doopers,
Chriftien der Apoftelen , niec alle heyligh ge-
weeft zijn, bewijfen de Schriften der Prophe-
ten en Apoftelen rijckelijck: Maer datfe dan
noch ‚ hoewel den meeftendeel beyde des
volcks ende der Regenten boos was, de Kerc-
ke Godts en Chriíti geweeft, en om fommi-
ger vroomen wille genoemt zijn , tot welcken
Godt fijne Propheten gefonden heeft, &c.
Oo de
Antwoordt.
S Paedikerg haer ampt met Helias ,
Jeremias , en den Propbeten recht bedien:
den / en alg dan fammige onder haten dee
mepnten gebonden Worden / Die deg Veeren
Wooꝛdt recht na bolgden/ gelijck ats ter
Pꝛopheten tijdt geſchiet íg / foo magbte Gel.
lio Daer mede geholpen werden. Maer nu
zijn fpntet Helias, Jeremias, noch Daniel,
oock met Die Leeraers / die van Chriſti Geeſt
gedzeben werden/ maer zijn gelijche Prophe⸗
ten en Leeraers / als van Jeremias aen velen
plaet⸗
Rom. 1.7.
1Cor. 1. 2.
Epheſ. 1. 2.
Trek. 8e Te
304 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
der.8. 14,23» Plactfen fijner Dchyziften befteaft / van Helia | Herders verozdineert Geeft / foo wil cht toe:
27» 30. imtgeroent / en Daet boor wp Van CGuftaen ſtaen / dat fp Der Kercke Chꝛiſti zijn. Maer
4 fijnen Apoftelen ; dat wp haer niet hooren | konnen ff bet niet Doen / geljek ſp oock nim”
7 fallen / alamme trouwelijckt in dec Schzeift meemeer konnen doen / faa moeten fp immer
Yoan. 10.3. gewaerſchouwt zijn. | bekennen / dat haere kercke (dewile fp met
Rom16. 16. Biber fegge ick : Iſrael is dat letterlijchte | alſulcke lunden bol is / ja vol is) niet De lierckt
Gen. 15. 17, Bolck geweeft / en Geeft om der Baderen wil- | Chziſti (gelijck fp vroemen ) maer cen moet:
18,22, 26,28, Te Der bleefchelfjcktec geboorten halven Gelof | wulig / wederfpannig/en ongehoozſaem bolkt/
3 ono, tegeljadt/ díe Wet worde haer gegeven / dat ja Añtiehriſti herchie en werelt is. En dac al
Deut. s.sa ſy Godt Dienen / en ín fijne geboden Wander: | haer opbzengen in deſen Deel / im Den geondt
len ſouden / Wanneer fp dan oock die Wet | niet dan een openbare berlepdinge/ leugen en
overtcaden/ ende níet naquamen dat haer | bedzagh ig. Mijn Leeſer meemt het wact ick
Godt beboolen hadde / zijn zp dan noch eben: | Getupge u ín Chꝛriſto / gelooft het fa ghy wilt/
Baan sid wel Dat letterlijche Dolch gebleven. En heeft | het ig de waerhepdt / dat ick fchzijbe.
inl hoe Godt/ alg Die ſjnes Berbondtg met Abra- f
wel fy diek- ham lfaac, en lacob gemmaecht / indachtigh / — ſevenſten ſchrijft hy: Ten anderen
wils leelijck fijne getrouwe Dienaren die Pzopheten ver⸗ beroep ik my op de Gemeynte der Corin-
Ghirmadis weclit / en menighmael tot haer gefanden / theren , welcke Paulus ten eerften over de on-
den. Die haer upt deg Heeven mout cenftiglijck bez | eenigheydt ftraft;feggende : Ick lieve Broeders,
ftvaft/ wederom op die Wet gewefen/ ende De | konde mer u lieden niet fpreken als met Gec-
plage harer ſonden dapperlijck gedzengt heb: | ftelijcke, maer als met vleefchelijcke, &c.
ben. Met ons daer en tegen niet alſo Want
wy zijn níet Dat letterlijck Geflachte/ die upt | Antwoordt.
Abraham ende lfaacks lendenen / maer unt de te vooren heb iclt aengeteecltent /
foan.1.13. Godts Wooꝛdt door den Geeft gebaert wor⸗ Dat deſe Gemepnte Lan Paula eerftz
zPerr nd Den. Wanneer wp Dan defe geboorte / die unt | Mael recht geleert Chriſto gewonnen was /
hen Godt (8 / weder derlaten / ín Chriſti Woordt maer door den Philoſophen / die des krupces
woordt ver- niet blijven / weder op den rupmen wegh tre⸗ leere kleen achteden/ en Doog den balfchen A⸗
— den / foo blijven wp Chritti Uercke en Gez | poftelen aengevochten / is fp gedeelt / Daer
Ken flachteniet/2 foan.1r.g. 2 Petr. 2.9. Siet / over fis ban Paulo beſtraft broederlijck onz
mijn Leeſer / nademael get dan openbaer is | derweſen / en tot der affondetinge Det aurou⸗
Dat Gellius met t'ſamen fijne gelijche Pzcdi-| Wigen en bleeſchelijeken vlijtigljk vermaent
ners / oockt Gare Gemeputen dat Geefteljjch| is Want foo wijfen ong Schzifts bevelen
geflachte noch nopt vecht geweeſt zijn/ want | Oꝛdinantie / namelijck / datmen alfaodaniz
fp (faa het blijckt) upt Godt ín dee wacr- [ge eerſtmael bermanen/ en foo fp haet Dan
hendt wiet gebooren zijn/ maer Aertſch ende | niet bekeeren / met gelijcher bewillinge ban
bleefchelijck gefint zijn/ na de luften hareg Die gemepnfchap der herclten afdocn fal.
bleefchg wandelen / door de rechte deure niet Want dan Gellius hier mede nu beweeren
én getreden zijn een ontepne Heere boeren/en | kan / dewijle hp ende De fijne noch noopt ban
bzeemde Sacramenten gebzupeken/Daet me- det Werelt afgefondert / Chuſſti kiercke recht
be men Ehriſto geen blijende Werchte verga: geweeſt zijn/ oordeelt ghn. Ya hp boet goede
Deten kan/ foo gehoort is / daer toc oock noc{ | Man niet meer / Dan Dat hp fijn Krupg-
gantſchelijck tegen Chzriſti Geeft/ / Woozdt en bluchtighepde en openbare ongehoozſaem⸗
Wille flcijden/ ja hatenen vpandt zijn. Woe hendt hier mede aen den dagh bzengt / en Die
kannen fp dan met Ifrael ín den val vergele⸗ groote zware overtredingen ſijner Jonge—
fen werden / Die der Daderen halven dat Bee | Len / hoe leelijcht Die oock zijn/ met ander luw
flachte en kercke Waren / maer defe Chziſti den Crempelen onſchuldigh bedeclit / ende
Geflachte en hercke in den Geeft nach noopt voozſtaet.
geweeft zijn / ſoo berhaelt is?
Ten laetften ſegge ick / die gantſche ſchrift
bepde deg Ouden en NRieuwen Teſtaments Parabe
wijſt ong alomme op Chriſtum Jeſum / dat des Doopers en Pauli. Chriſtus vergelijckt de
En achtten Schrijft ky: ten derden beroe-
wu hem hooren fullen. Wie ſulclis niet doet/ Kercke by eenen Ackers, in welcken met dit
pe ick my op de Parabel Chrifti, Joannis
jee. 23. 33. dat fal aen hem beefocht werden! dbaetammne | goede Tarwe oock das onkruytis, en valſet tot
Matt.17- 5,6. neemt het vaaer. Genmael hebbe ick gefept : aen den Oogft. Item, by eenen Nette, daer
Mare.9, 6 Wpoetuel alle Godtvzuchtige van aenbeginne [beyde goede en quade viüchen in gevangen
afeen gemepnte/ kercke / en Lichaem gez Ge wiidit
tweeft zijn / dat evenwel elche tijde fijn epgen |ken die vij ve dwaes en vijve Wijs Zijn, Item,
Teere / Oydinantie / en Godts dienſt gehadt [by een Konincklijcke Bruyloft ‚ daer oock die
heeft. Moſes aaf De Wet / Iſrael maefte hemm | quade onder den goeden te famen gebracht
hooren / tot dat Chriſtus quam / die belooft | werden , en eener van den Koninck gevonden
wag. Op fijn Geeft/ woordt / en Ordinantie | wert, die geen Bruylofs kleer aen heeft, &c.
Wwerdtmen nu gewefen. lanmen ans nu met Antwoo dt
1 Cors. 6,9. fijn wooꝛdt beeupgen / dat fijn Geeft open: ——
Matt. 18. 15. bare Dzoncliaerts / Gierigaerts Pꝛalers / D Efe eerſte Parabel leght Cheriſtus ſelbe
Hier merket Drouwen ſchenders / Laſteraers / ECnrannen/ unt/en fegt : Die Dat goede zaedt zaept /
vlijtiglijck k
gek Daodtrlaaers/ Ec. (verftact/ Die geen boete | is de Sone deg menfchen : Den Acker ig De
wat ick aen flagers / € ſt werelt / verſtaet het recht / Christus ſegt / ſy is
biede. deden) ín de gemennſchap der Apoſtoliſcher kde
) aten enn „ De werelt / en niet De kereke / gelijck Gellius
lierclten gedult heeft/ aockt openbare Berle: |De Ì
Devgen wereltg gefinde tot Biſſchoppen en hier voorgeeft. Mat goede zact zjn bee
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
1 Cor.r.31 te
1 Cor, 5.3, p.
Matt. 18. 15e
Lev.19: 17«
worden. Item,by tien Maegden, vande wel-
Den Acker
daer inde
Tarwe, met
den onkruyt
is, isde we⸗
relt, en nief
de cke,
— —
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
3
ten Des rjcks dat onkrunt de kinderen det Haer foo beele Die Parabelen / als ban de
booshendt. De Vpandt diefe zacpt / is de tweederlen Arbenders op den Wijnbergh /
Dupvel : den Oogſt / is dat epnde der werelt : Matth. 22. 28/ 29. En van
De Mapers zijn de Engelen / Matt. 13.44. | tot Dat groote Nbontmael /
de gevoegene
Luc. 19. aenz
dijn Loeſer / verſtaet het recht / Chriſtus gaet / moet De Leeſer weten / datſe cen ander
des menſchen Soone zaept fijn zaet / Godts | verftandt hebben / en haer met deſen fijnen
woordt Booy fijnen Geeft in der Wereidt / atie | gront níet fchicken kannen. Die de Waer:
Die het hooren / gelooven / en ín der gehoor⸗ hepdt lief heeft / maghſe onderfoecken / en ha:
faembepdt naltaamen/ Worden de kinderen | reepgentlijchie bedupdinge en fin met Der H.
Des Nijcks hier genoemt. Deſſelven gele: | fchzift vecht afmeten.
ken zaept oocit Die wederpactijder ſijn on⸗ Item / ban de Daten der
oneeren / biet
Keupt en balfche Meere ín det werelt / alle die ook ban hem aengetogen / wil ick Paulum la⸗
hem hooren en navolgen / zijn de kinderen! ten ſijner cpgen Waarden upelegger zijn /
Det booshendt bier genoemt. Hier ffaen nu | want bn fegt: Soo hem pemant van alſulc⸗
bepide De Tarwe en dat onkrupet te ſamen op ke Daten repnight / díe fal een gebeplight
eenen Acker / namelijck / ín der wereldt. | Dat zijn tot Der eeen / den Wups-heere gez
Nu wil die Dader des Hupsgeſins niet/ dat bzunckelijk / en tat alle goede werken berent /
De Arra men Dat onkrundt boo? den tjdt uptroepe/ 2 Cim. z.21.
der wil niet
datmen den Datig/ bp wilntet datmen ’tmet den doodt
Diet / Weerde Heefer/ hier meugbt hp
quaden met fal uptdelgen / maer men fal ’t laten opwaf⸗ nu mercken / boe ellendighljck Gn deg Deez
gen fweerde fentot aen Den Oogſt toe/ op Datmen niet ten woozdt berdzacpt/ op Dat bu immers
ftraffen fal.
Mart. 15.29, DE Carwe boop Dat onkrundt uptplucht/ Ec. | beweere/ Dat fp (hoewel ſy
die openbare
zo. Och mijn Leeſer / konden die Predikers Overtreders weteng ende willeng tegen alte
deſe Parabel vecht verſtaen / ende haren Godt Schrift, in de Gemepnichap harer hevche
vecht beeesden / fn ſouden niet foa bpaudt: (toelaten) evenwel de Kercke Chꝛiſti heeten
Ijck over ong Eliendigen / Wpdie atarname | mogen. Maer die bperblammige oogen
(och lacp) hareonkruydt, wederdooperen , des Weeren / Die ales doorzſtralen / Werden
Rotten , en Secten zijn moeten) roepen weg | met alſulcke verbloemde ſcho
Joan. 3. 44.
Matt. 13. 47
Matth. 25. 4.
Matth. 23. 2.
Matth. 2.12,
metden Ketteren foo wp oock ſchoon Het-
teren arten / Daer Godt boor za. Och/
och! het ís foo Edelen Tarwe dat fn unt-
roepen. Dan Wat helpt het / Sathanas/
toet optoecten en moozden / het is doch fijn
epgentiijcie aert / en werck / als Die schrift
leert / Gen. 3.4. Gaan. 8. 37/50. le
Der anderen Parabolen ſommige / gelijck |lijck geftaen heeft ,
ban Den Jette met Ben geeden ende graden
Viſſehen / ban die wijfe ende Dwafe Maegh⸗
Den met baeten Lampen / ban die Koninch-
lijckke Bzunloft met den Gaſten / ende van
den Doꝛſcholoer met de Tarwe en kaf / hoe
|
berblint.
ane veden niet
5 io negenften fchrijft hy : Is nu de Kerc⸗
ke met foodanigen quaedt geplaeght, dat
fy tot den laetften oordeel de quaede lijden
moet, gelijck fommige van defe Parabelen
dat mede brengen ,
Ja datfe noyt foo gelucke-
hoeernftighlijck fy oock
den Ban gebruyckt heeft, oft ſy heeft fome
mige boofen en huychelaers moeten heb=
ben > &c. Soo doen fy onrecht, en fondigen
(fwaerlijck , datfe ſeggen, wy leeren houden >
ende hebben geen Gemeynte Godts, gelijck
wel Die ban Den Weere op der keecken gee de Patriarchen ; Propheten , Mofes, &c. En
fp2alien zijn / zijnfe ebenwel niet tot foa een datſe onfe Gemeynte (die door onfen ge-
epude geſproocken / alg Dat de kerelte open”
bare Geliende Overtreders, / Dzonckgerts/
Bꝛaſſers / Drouwen-fehendersg Gierigaerts/
1Cor6, 11. Hoobers / Dobbelaers/ CTupſſchers / Woec⸗
lienaers/ Ec. wetens ende willens ín hare
geepnfchap hebben en dulden ſal / Want
anders meeften Chziſtus en Paulus ín der
‘Gor, s. ro, leere medeelt flaen/ want Paulus feaht /
eh 3 6. datmen foodanigen mijden ende fchuwen| alle Kercken der Duytícher Natien, jae der
—— ſal / maer zijn foo geſproocken / Dat haer gantſcher Chriſtelijcker wereldt, die geen an-=
5 Veele in Den fchijn alg Chriſtenen met 5: geftalte hebben, noch hebben konnen,
trouwen dienft na dat Exempel aller Sentbo-
den Godts op dat rechte Fundament geleyt,
en op den uytverkooren Hoeckfteen met daa
gelijckfcher toewinninge gewefen ende ge-
bouwt werdt) als ongeloovigh;, onheyligh,
ende ftraffelijck , om der boofen wille, met
venkeerder benoeminge recht tegen de fchrift
fchelden , en alfoo niet onsalleene, maer oock
Matt. avrg, Cheiſtenen vermengen / eu onder ’tWoogdt | uytgenomen hare Kercke , die Heyligh, reyn,
Matt. 22. 13. CM fijne Saccamenten Gegeven fulten /_Díe | onitraffelijck, fonder vlecke ende rimpel, ha=
Palmas. ebenwel ín det kracht en geeft geen Cheifte-| res fchrickelijcken Bans halven zijn fal, &c.
nen / maer Hupchelaers en gevepnsde Looy
baren Godt zijn fullen / en Dat zijn de gene /
Die bier Gj den quaden Viſſchen / Die de Eu⸗
gelen aen den dage Cheiſti ut werpen ſullen /
bp De dwaſe Maegden die geen Olpe ín have
Kampen heben / op den Gaft ſonder Bzup⸗
lofts kleedt / en bp dat traf vergeleken wer:
Den : Want fa geven waor; vecht of fn Godt
mepuen/Cheiftum foecken/ontfangen Doop
en JRachtmael, boeven uptwendia eenen goe⸗
den fchijn/ maer geloobe / boete / waeracht ige de hr nict onrecht geſchreven· Maer dewijle Chrirti koren
vreeſe en liefde Godts, Geeft iracht / ozucht / fijnen geont en mepninge/dat is / als dar gelijk ke
werck en Daedt zijnder niet.
Antwoordt.
D At bu ſeght / dat die kercke met ſoo⸗
danigen quaedt geplaeght is / datſe dat
guade lijden moet / anneer Gp bet fa meyn⸗
de / Dat de rechte kercke alonume derquaden Openbare en
bpandtfchag / oproer / gewelt / en tprannpe moetwillige,
aen haer dragen moet / aockt lijden / Dat die ———
Godtlooſen Godtlooſelijck handelen / fo had- 5
deel aen
de kercke fteeds huychelaers onder haer heeft ,
@a date
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
306 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
datfe oock alfoo quade , datis, openbare Ver-, rechte Gemepnten bekennen ) ín fulcken gee
achters en Overtreders hebben moet ; ſoo is valle vecht zijn ; Maer Deijle fp met der * Tegens
woort kan
bet opentlijck tegen Godts Wooꝛdt geſehze⸗ daedt bewijfen / dat fp bupten Chriſtum niemandt
ben: want Paulus fegt doet ban u wegh / zijn / tegen Chriſti Woozdt ende Willie wan: Chriften
Dat is / fondert ban De gemepnfchap uwer | Delen ende handelen / gantfch ende geheel ——
Lerchkien af/ dien die boos (8/1 Cor. 5. 12.
er Op ver«
Aertſch ende bleefchelfjck gefint zijn ; Woz: dacht zijn.
Item / Dat hp ſchrijft / dar wy fwaerlijck |Den fp niet ban menfchen/ maer ban deg
fondigen dat wy {eggen , dat fy geen gemeynte | Heeren Woozdt geaogdeelt / gelijck Chriftug
Godts hebben , daer benebeng roemt / dat
fy hare gemeynte op den rechten Hoeckfteen
bouwen; &c. ſeghe ick / dat deſen fifjnen vaem | A
valſch is: Want dat fp haere kercke niet op
Den cechten Hoeckſteen bouwen / bewijſen
haere lichtveerdige Leere / valſche Sacra:
menten / roechielooſe leven / ende deſe fijne
—— leelijcke fchziften (och lach) al te
ee
Nademael het dan openbaet is / dat fp
alomme feplen / Godts waozdt vervalſchen /
de Sacramenten migbzupcken/ geen Affon⸗
deringe houden / ende ten meeftendeel bepde
Leeraers ende toehoorders alle op verkeerde
Wegen wandelen / Ec. Of Wap dan daer aen
fondígen / dat Wp m reyner ende getrouwer
liefden haer ten beften daer ober vermanen /
ende met eenvoudiger bzoomer herten betup:
gen / dat fp geen Gemepnte Godes in alfuic-
ken geftalte hebben / nach zijn konnen / oop:
Deelt qu. Wp Weten Waerachtigh/ foo
waer geen tepne Weere / geen cepne Dacta:
menten /geen vzoom Chziftelijck leven / geen
ware Beoederlichte liefde / en geen rechtſcha⸗
pen bekenteniffe zijn/ Dat daer oock geen
Chꝛiſtelijeke kercke is men roeme oock hoe
men roeme.
Dit heerde , Item / Dat hy klaeght / als dat wy niet al-
gantfche _deene haer, maer oock alle kercken der Duyt-
werelt tegen fcher Natie; ja die gantſche Chriftelijcke We-
———— reldt voor ongeloovigh, onheyligh , &c.
roerigh ma. fchelden ende verdoemen / fal de Teeſer Wez
ken. ten / Dat wp niemandt verdoemen / maer
dat fal de geene doen / Dien het de Vader gez
Joan.s-23 geben heeft / Chriſtus Jeſus. Nochtans
dat ſeggen wp / Wp fegagen en zwijgen ’c niet /
leecen ’t oock bepde met mandt en fchyziften /
Dat alle de geene / Die apt Bodt ende Godts
Joan. 3. 3. woozdt níet geboorten Werden / ban Chriftí
Rom. 8. 14. Geeft niet gedzeben werden / niet ín Cheiſti
Ephef. 5.24. aerdt ende natuere verandert worden / Cheri⸗
ett. 1.5. ſtikkercke en Gemepnte níet zijn / hoe heer:
lich en Depligh fn oock fchijn en Name boe:
ten. Hier gelt Kenfer noch Koninck / Dac-
to? noch Licentiaet / Paus noch Luther /
phita.s. Ale die in Chreiſti kiercke willen zijn / die moe⸗
. ten in Cheiſio zijn / gelijck Theiſtus geſint
zijn / ende Wandelen gelijck Chriſtus gez
wandelt heeft / oft Chriſtus Jeſus/ goan:
neg/ Paulus, ende De gantiche Schzeift /
moeften leugenachtigh ende balfch zijn / ís
klaerder danmen wederleggen kan.
Aengeſien hp ong Dan befchuldight/ als
dat wy alle kercken der Duytícher Natien,
ende de gantſche Chriftelijcke wereldt ( ge-
lijck hyfe roemt) verdoemen fouden, ant-
woorde fclt met kozte duntlijckte woorden:
Soo Die Duptſche kercken ende de booz-
noemde Wwereldt wipt Bodt geboorten zijn /
gelijck alg Chriſtus gefint zijn / Wandelen
ſegt dat woozdt dat ick geſprooken hebbe /
fal haec oogdeelen aen Den Jonghſten dage /
oan, 12, 31. Joan. 16. 11.
Wijder dat hn ſchrijft / dat de voornoemde
kerken geen ander geftalte hebben , noch heb-
ben konnen, Dact mede aozdeelt hp hem felz
ben / datfe Chziſti kercke niet hebben / nach Me de
zijn: want Chꝛiſtus wil/ dat fijn Kercke fijn "so.
woozdt/ozdinantie/en bevel hebben / houden / Joan. 8. 34.
en volgen ſal / het ſtrecke dan Den vleeſche
tat lirf ofte leedt.
Siet mijn Leeſer / nademael het dan meer
als klaer is / dat De ſchzift bepde met leere Cor.s.412.
ende Erempelen oberbloedighlijck aenwijft / 2 Thek 3. 6.
alg datmen openbare overtreders ban de gez
mepnfchap der kercken uptflupten fal/ ende
die Pzedickers om deg rupees wille / dat⸗
tet lichtelijck unt ontftaen magbte/ fulckg
nalaten/ díe menfchen meer alg Godt vzeez
fen/ ende Den bunck meer alg deg Weeren
pzijg ſoecken / geeft immer haer openbaere
Daedt Daer mede getupgeniſſe / dat fn Chzi⸗ zoan. zo. 26,
fti Bzupdt en Schapen niet zijn / Want fa
hooren fijn femme niet / volgen oock fijn lee⸗
reen bevel niet,
Item / Daer op / dat hu fchaijft/ als dat wy
onfe kercke om des wreeden Bans wille, voor
heyligh, reyn, en onftraffelijck houden , &c.
Is dit mijn eenboudige %ntwoozdt : wp
roemen ons gantfchelijck niet Dan ban der
Genaden onfes Godts door Chriſtum Yez
ſum / onfe zwackhepdt ig groot / onfe ſtrime⸗
kelinge is menigvuldigh / geboelen ſeer Wel
met Paulo / Dat in onfe vleeſch niet goede s en
woont : Nochtans foo jagen alle waerachti⸗ Ram. 7.18.
ge Lidtmaten der heechen Chziſti daer ua /
Dat fp geerne Dat onbeftcaffelijck heplige Wez
fen fouden gegen / Dat in Chzifto is: Sp
eichten hare Wegen na deg Weeren Woozdt:
Su bolgen fijn bevel en ozdinantie: fonderen phit. 3. 13.
af/ die de fcljzift affondert/ dat bp hem (och
lacp ) een ſchrickelijcke Wan hier heeten en
zijn moet. Ó eere!
@ Gode! alſoo onweert wordt dat edele merkt laſte-
weerde Woozdt bp defen onbedachten Ian ringe tegens
geacht. Want met defe fijne leelijke en onge⸗ hera:
foutene Laſteringe / zijn niet alleene wy / maer o cen ver-
oock Die Soone deg Almachtigen en leben- fchrickeljeks
digen Godts/ met tfamen den Geeft der weerd:
ecuwiíger Wijshepdt / Die defen Ban bevo⸗
len beeft / Daer toe oock alle Apoſtelen / ende
De gantfche eerfte kercke / Diefe foo vlijtigh⸗
lick geleert / en foo ernſtighlijck gebruncht
hebben / tat dwaſen al geoozdeelt : want ís
die ozdinantie een Dwaeshepdt / foo macten
oock De Juſetter / en alle dieſe leeven en gez
bruncken / dwaes zijn/ kanmen niet verz
loochenen.
Merchkt / mijn Heefer / of dit niet heet
Godts woozt en wille haten/ fijn gebodt verz
gelijck hp gewandelt heeft / ſoo ſoude Geliii | achten / en laſterlicke dingen tegens den Al⸗
befchuldinge (nadien wp haer Loar geen derhoogſten ſpzeecken / meught gijp met det
Schzift
Apoc: tje 6
Matt, 16, 19.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke
Over een Schrift tegen Gellium Faber, 307
Schzift in de bꝛeeſe uwes Godts nadencken. lijck vertoernt , dat hy dat licht fijnes Woordts
$ | y
Och Leeſer / waeckt op / fiet blijtigh toe / en | wegh neemt, en laetſe in ftercke dwalingen
deert uwe Pꝛedilers eenmael vecht kennen / | valien, dien gemeenlijck Afgoderye, Eedbre-
welckers Geeſts kinderen datſe zijn. kerye, Hoererye, met t'ſamen andere onrey-
nigheyt, zondeen ſchande aenhangt, en volgt;
„je tienden fchrijft hy : alfoo moeten fyin |foo datde Kercke in ſulcken gevalle feer nae
eenen verkeerden fin overgegeven wer- | verwoeft, verdelgt, en vernietight,naulijck ha-
den, die voor der tijde, endegantíchendege-| re Namen behouden kan, &c.
heel (onder oordeel richten » en van der Kerc-
ken uyt geeftelijcken hooghmoet en valfchen Untivoordt,
waen der heyligheydt meer, als uyt rechtícha- 1 Ek wil den getrouwen leeſer hiet vlijtigh⸗
pen heyligheydt afwijcken, en geen ander oor- | ſnch bermaent hebben / dat hp doch met
fake hebben, dan dat {y na Pharifeifcher wijfe | cenfte aenmerclie/ hoe doch Gellii woorden
door verachtinge der anderen, haer felven wil- lunden / die ick op het langfte bier geſtelt heb⸗
len rechtveerdigen, &c. be: Want ha bekendt ſelbe/ datte van den
Duyvel ‘door vleefchelijcke luften ‚> pracht
Antwoordt. der wereldt, Secten, Rotten, en Potenta-
S Oude ick alle fijne fcheltwoorden en bal-| ten verleydt en verruckt , in hare faecke fla-
ſche beſchuldingen op het naeuwſte be⸗perigh, onachtſaem, ondanckbaer van Chrie
antwoorden / ſoude het den Leeſer (bzeefe | {to afvallich, Godt vertoornt, in allerley
iclt) alte lange ballen. Nochtans Wil ick |boosheydt en fonden gevallen is, nac
een pegelick fpzelsen / ick twijffele niet / dacr kan/ ende niet ín den gelaobe / Geeft /
Ken dat niet wp / maer fp ſelbe in eenen bec: | plomper reden weet ick niet ck me
keerden fin gegeven zijn. | ademt kan. [EUR KOE
at fp ons fonder alle befchepdenbendt | Dacram neemt bet Wel Waer wat ick
boor der tijde oozdeclen / unt berkeerder boog: | fchzijde/ en laet het u een gewifte tegel zijn /
moet bupten Chꝛeiſti kercke blijven / ende namelijctt / foo waer Chꝛiſti Geeft; WDovzat /
ons niet alleene met Den Pharizeen verach⸗ Sacramenten / en leben zijn / Dat daer dat
ten / maer aoctt aen beelen plaetfen om lijf /| Nicenifche Artijckel plaetfe heeft / Ich gez
leben / goedt en bloedt bzengen / alg Blijcht | lootre cen heplige Chꝛiſtelijcke Werche/ een
Maer Wp moeten dulden en lijden / cn ons gemennſchap der Hepligen Ec. Maer waer
met Die ſpreucke trooſten: Saligh zt ghy / | Thziſti Geeft / Wooꝛdt / Sacramenten / en
wanneer u De menfchen om mijnent wille leben met zijn / maer daer men Antichziſti
laſteren en verbolgen / en fpzeechen allecten Geeft) Teere / Sacramenten en ieben balgt /
guaedt tegen u / foo fp daer aen liegen weeft daer is Antichziſti kercke / en níet Chꝛiſti
bzolijck / en hebt eenen goeden moedt / het hercke/ of men ſchoone dupfentmael roemde /
ſal u in Den Hemel wel geloont Werden / Ick geloobe een heplige Cheiſtelijcke Herc:
want alſoo hebben fn oock Den Pzopbeten ſie / Ec. Want bupten Thziſt Geeft / oft tez
gevaen/ die vooz u geweeft zijn / Matth.5. gen Chzifti/ Geeft! Woort/ Sacramenten en
Luc. 6. 23. leven/ kander ín eeuwighepdt geen Cheiſte⸗
d lhcke kercke zijn / men dzaepe oock de faeche
[Ee elfften fchrijft hy : Sy fullen ons lich- hoe mendzacpe. Wet woordt ſtaet onbeweeg⸗
telijck antwoorden , en leggen ‚ So wy de lijck: wie overtreedt Jen ín Chꝛiſti eere * Joan. 1-9.
Kercke Chrifti zijn willen , dat wy die fprenc- niet en blft/ hee
ke Chrifti (ende de poorten der Hellen fallen Dfe/ beeft geen Godt
haer niet overweldigen ) aen ons waer te zijn sE, Fin twaelfden fchrijft hy: Dewijle Godt
bewijfen {ullen: ende waer dan onſe Kercke een eeuwig verbondt met fijner Kercken
onoverweldigt van den Duyvel, Antichrift, en {in genaden gemaeckt, en haer de belofte ge-
Secten geleeft heeft, wijder fchrijft hy : Na-/ geven heeft, «dat de Pöortén dertFellen heer
demael de Kercke, die aen geen feker plaetſe (hoewel {cheuren ende fwacken ) dan noch
gebonden , maer over de gantſche Werelt ver- | niet gantích ende geheel overweldigen fullen ,
ftroyt is, dien Artijckel des Geloofs heeft, Ick | foo bewaert hy tot allen tijden ja een fchadu-
geloove een heylige Chriftelijcke Kercke, een | we der Euangelifcher Leereende Giner Sacra-
gemeynfchap der Heyligen, en tot den eynde menten, daer de Kercke op fteunen moet, en
der Werelt houden moet, foo werden Wy ge- oock fommige Lidtmaten op het rechte Fun-
drongen te bekennen, dat Godt Waerachtigh (dament, die midden onder den diftelen ende
in lijn belofte, fijn Kercke bewaert, en tot |\doornen ‚ Wolven, Beyren en Leeuwen op-
allen tijden bewaert heeft ‚ hoewel de oude | waffen, en als in eenen feer gruwelijcken ſtorm
Slange » de Duyvel van der Helle, &c. haer | van der Schipbreucke gereddet , en gelijck als
door die luften des vleefchs, en pracht der |Noë in der Sundtvloet van grooten wateren
Werelt verleyt, oft door menigerley Secten |verloft werden, &c.
ende Rotten, oft door des Wereldts Potenta-
ten beftrijdt, vervolght, ende verruckt, tot Antwoozdt.
dat fy achteloos in harer faken , flaperigh in ’ We ermen hem op Chaſti Geeſt / Woozt/
gebedt, onachtſaem op den wille Godts, en Sacramenten / Oydinantie / Gebodt /
Ondanckbaer voor den woorde Godts, oft af- Derbodt / gebzupck / en Voorbeelde vi che
vallig van Chrifto gevonden » Godt foo fwaer- tet / Daey bintmen De beplige Ghriftelijche
qa ,Kerc⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Bibliotheek, Den Haag.
| h wil hu mier merker,
Daer foo bele toe geſepdt hebben / maghte ick | datfe Chꝛiſti kercke gebleven zp / vecht of hoe oneer-
met Gello geor den Doléke opentlgcl voor |De keeclie ban geflachte tot geflachte erven lk
en⸗ fi Bruydt
fouden beele dao? Godts genade haeſt merc: de kracht gelegen zp @nbehendiger ende Choffiere.,
_308 Een klare Beantwoordinge vän Menno Symons,
Kercke / fao gehoort is / en heeft De Belofte / En dertienden brengt hy hier twee Arzu-
dat haer dee Welten Paozten niet. averweldís —F menten voort, de in hy ——
gen ſullen / want hoewel ſp geltjcl een Nooſe meynt) bewijft, dat hare kercke de algemeyne
onder den doornen waft / foo hj ſchrijft en kercke zy, (foo noemt hyfe) daer Godt foo
haet midden onder den Wolven/ Bepren / en mede gehandelt, &c. En ſchrijft ten eerften al-
— — / it gelijck een ſchip dat | —* ln welcke kercke de Antichrift, nader
/ tclte n ende wateren gedzeben | Prophetyen Pauli gefeten daer hy hem alseen 2 Thef. 3. z.
* — werdt / veele kommers lijden moet/ kan fn Gode — en — alle dat ‘Gode her. —
—— ebenwel niet ter neder geſtooten werden / dat heven heeft, dat de rechte kercke daer Godts
—— * is / kan niet ban Chziſto afgewent werden | belofte aen gehouden is, hoewel {y gruwelfjck
lijck, (berftaet / die De rechte Chziftelijcke Rercke beſmet, en jammerlijck verruckt geweeft is.
ís) want fn ís op eenen baften ſteen gebouwt/ In onfer kercken heeft den Antichrift geferen ,
Matth. 7, 24. hem als een Godt gefer, én boven alle, dat
Dat dit alfoa de waerhepdt is / teeven ang | Gods oft Godts-dienft heet, verheven. Daer-
De ſchrift en ſijne Exempelen alomme / heb⸗ omme is onfe kercke die rechte Kercke ende |
ben ’toock niet wennigh tot onfen tijden ín Tempel Godts , daer de belofte Godts aenge-
Der kracht behonden. Want hoe geuwelijck | houden werdt.
oocli De Teeuwen / Bepren/ en Wolven / met | Dit Argument bewijft hy met defe woorden
bare verſchrickelijcke Maudamenten / bans |en ſchrift: de eerfte Setreden is waerachtig ,
gen/ pijnigen/ en ombzengen/ ban fommíge | want Paulus noemt de Kercke, daer hem den
aten hetwaerts gebzult / gewoedt / en ver⸗ Antichrift infetten ſoude, den Tempel Gods.
cheurt hebben / en díe water-golven dickils Die ander is oock klaerder dan. datmenfe loo-
tot aen Des Hemels wolcken oprijfen / maer | chenen kan, uytder Prophetyen Pauli en die
ten fp evenwel de geopenbaerde waerhepdt Ervarentheydt , want in der kercken, diede
‚Den eenbondigen en vromen kinderen houden | kinderen doopt; heeft hy maght en geweldt
laten / en hoe ſeherp oacit de diftelen en Òoogs | met tfamen alle gruwelijcke ‘T'yrannyen ik
war Krans AEL fielen / foo waft dan noch eventwel defe |oeffent, de Religie en allen Godtfdienft on=
bouwer en … Gâcle fchoone Rooſe ban dage tat dage (Den | der fijne voeten geworpen, &c. Zijn nu bey-
breecke niet, Heere fpp eeuwigh lof) en neemt ín haerer | de Setreden waer, {00 volgt oock , dat de Be- |
bietupt en kracht luſtigh toe / Daer mede het | {luyt reden waerachtig is, &c. En bewijft den
bele redelijcke lupden openbaer werde / dat wederdooperen opentlijcken, dewijle {y van
Godts belofte ober fijn herche baft houdt / |onfer Kercken afgeweken , en uyt ons gegaen
en dat het des Alderhoogſten heerlijcke won⸗ | zijn, hoe vreeflijck dat fy ſtaen, &c. Ff
derwerck en ſtercke kracht í8/ want haer
——— Aa iecte (mac) er noch Antwoozdt.
00 an arlchepden ban De liefde Gades / Jer wil ick mijnen Sillogimum by ftel-
Die in Chriſto Jeſu is Fam. 8. 39. H len’, díe aldus —— wt die Eke Wez
Ende noch evenwel laet defe onbedaebte |ligíe en Godesdienft ban der Schaft gez
mau hem duncken / dat {y de rechte Chriítee enfebht /onder de voeten licht/ daer is Chri⸗
lijcke kercke zijn , en meeckt níet/Dat De booze | ſti kercke niet. Den Antichziſt heeft in der
noemde Diftelen/ doornen Wolven/ Bepren/ kerchen/ Daer van Gellius fpzcecht/ De Tie
en Leeuwen / daer mede de echte ſercne dichte |líqíe en den waeren Godts-bienft/ ban der
Wilg geplaegt is / en noch Dagelijckg geplaegt | Schrift geepfcht/ onder fijne voeten gewozs
werdt / Lidtmaten der ſelbiger keechen zyn / pen / teſte Gellio. Derhalben is oock de voor⸗
die hy beweert / Dat De rechte kercke Chꝛiſti noemde kercke / Daer op hp hem beroept /
fe banen ee rn —— want * kercke niet.
ondert Jaeren herwaerts at mijn eerſte Setreden waer is / lee
alle eenerley Sacramenten gebzunckt heb⸗ |gantfche ſcheift want Moſes ſegt SD ad
ben/ en onafgeſondert / alg hinderen der Gez Waogden niet hoozt (hp mepnt É rift woor-
naden gegroet / ín de gemepnfehap dee felví- [den ) dat fal Godt ban hem epſſchen /
get kercken aengenomen en gehouden zijn. | Deut. 18. 19. Chriſtus fpreecht: Soo abu
Crooft oock dat arme Volck daer benes | lieden ín mijn Wooꝛt blijft (verftaet het wel, |
bens / als dat de Heere tot allen tijden een fcha- bp feat blijft ) fult ohp mijne ware Di fcíput- 1oan.8. 32.
duwe fig uangelifcher leere en fijner Sacra- len 3ijn/ Item Paulug/ fao een Engel ban
a menten — heeft, daer de kercke op |Den Hemelu een ander Euangellum pꝛedilit / Gal. 1-9
Schadaye ſteunen moghte, recht of Godt een raedt ae- als wp u gepzedickt hebben/ die
en goedt gez als wp u gep? h / Die fal berblecht
Steunt heeft Noegen aen een ſoo een Doode fchaduwe deg (zijn; Gal. 1.8. Oack Joannes / wie oper-
hetwaere Halfchen predickens en Kínderboopens qe- | tre ſti Hf
welèn nie. hadt hadde/ ende de kerche Chꝛiſti/ ben et —— niet en blifft / beeft
Godts en Des Lams oponrenne berb * De ander Setreden bekent G
alſchte eander Setreden bekent Gellius ſe
leere / en op gebroken onfchziftmatige Sa⸗ dac waerachtigh is, want hp abt 7
cramenten leben ende ſteunen konde. @ | Antichriftus de Religie en den Godtsdienft
liebe Heere! hoe lange ſullen doch defe plom- er: fijnen voeten getreden heeft, foo gee
hoopt is,
pe Dwalfngen dueren? Die deſe tafrelijcke
Vengefien dan de eerſte Betreden met de
—— verſtaen * — een
wermate berſtockt en verkeert herte heb⸗ gantſche ſchrift beweerlijſt is/ ende de tweede
ben/ oft het moet sen ſrer onder ftandigh |Van Gellio felfg boor vecht beken werdt / foo
— plomp menfche 3hn/ meet ick immer moetmen mp oock mijn befluptreden houden
Ben. E laten/ alg dat de kercke / Daer op bp hem
beroept / Chziſti kerke niet geweeft zp; ze
Rn
PE,
Í
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 309
fp niet Chzifti woordt / maer cen vzeemdt hate Kercke fa lange Taren ín zede bebeer- apoc, 17.
Guangeltum aengenomen hebben / ende in fchet heeft/ haer alle met fijnen Gauwel- Apoc, 18.7,
De vepne Heere Chziſti / ende fijner Hepliger beter beſchoncken heeft / den vechten ende
Npoftelen niet gebleven zijn / deralven oockk Warten Bodtzuienft upegeroept / ende fijne
Godt ín der kracht niet Hebben / ende Chriſti laſterijycke ſchanden weder aen Baer plaetſe
Jongeren niet zijn / oft die aengecagen| gericht heeft / ende ſelve bekent, vat ue Pa⸗
fpzeuciten maeften outecht ende valſch zijn. | aften geen Chaftenen zyn / ip Uliner LET
Soo beel dan Geliu eecfte Detreden aen⸗ unt vaft ende openbaer / alg Dat bare ierse |
gaet fal de Heplige Paulug met late wooz⸗ he, de algemepne Chziſteljcke Kereke ende if
2 Jean. 1.9.
Jean.8. zr.
2 Tel 2, 3,
1 Tim, 4. 1.
RCor. 6, 16.
GG
Merckt hoe
Openbaecr-
lijck hy met
hem (elven
ftrijt,
Den felve betupgen/ datſe balich 18 / Want
foo feght Paulug: Den dagh Chꝛeiſti komt
niet/ het zp Dan, Dat te booten den Afval
liome / ende geopenbaerc werde de Menſchen
Der fanden / Ec. Wier leerc Paulus mer be⸗
fchepden duntlijcke woozden / dat den afbal
ban den Geloobe kamen foude/ ſo hp oock
gedaen heeft. e
Nademael dan Paulug foa opentlijcken
Doo? Gods Geeft betupgt/ dat den afbat
noch vaoz des Heeten dagh komen ſoude
oock aenwijft/ dooz Wren Datfe komen ſou⸗
de / namelijckt / Daar den Menſche der lon
Den/ Ec. Ende men nu openbaetlick mec
handen taft/ dat de felvige menſche dev ſon⸗
den / hem in Godts Tempel / dat is / m de
Eonfcientien ende herten der Menſchen,
oft foo gp liever wilt / aen Godts plaecte in
De boornoemde Werche geftelt heeft ‚ende
haet ſoo gantſch ende geheel verwoeſt unt
Godts Heere ende Oꝛdinantie mn fijner
leere ende Ozdinantie / bedzieghlyck onder
Chꝛiſti aem verandert heeft / of dan noch
De felvige Uercke / Die fo gantſch ende geheel
ban hem genomen / overweldigt ende
berwoeſt (8 ’ Boots Tempel heeten ſal / Wil
ick den aendachtigen Meter geerne aen Ct oorz⸗
Deel ſtellen. Vordeeit hy neen , fo heeft hp
recht na dee Schuft geoogdeelt / anders
moeftender vele Spzeucken det ſchrift fepl⸗
baer ende valfch zijn / oock geweloighlijc
boigen/ dat Godt ende de Dupbel LCijn
flus ende Antichziſtus alfdan te famen in
eenen Tempel gefeten / ende een Weeckte ge
regeect hadden. Maer oogdeelen 1p neen /
foa antwaosde iek wederomme dat Luthe-
rus met t’famen alle fijne Geleerden níet
recht alfdan gehandelt hebben / dat ſp foo
geeoten ontufte / jammer ende ellende / met
hare Heere ende veranderinge ín Det Werelt
gebzacht hebben / Dewijle fp noch na lundt
Gellii woordt evenwel Chritt: Kercke foude
gebleven zijn , hoewel Antichziſtus De Keli
gie ende den rechten Godtſdienſt ſo geheel
uptgeroept/ ende onder fijne boeten getre⸗
Den hadde. Mijn Hefer dencht het blijtigh-
lijck na/ of het niet de waerhept is / dat
ick fchzijve.
In De tweede Betreden oozdeelt hp hem
felven / want hp fchzijft / dat Antichriftus in
are Kercke, die de Kinderen doopt, ge-
gefeten heeft, hem als een Godt gefet heeft ,
de Religie ende rechten Godtsdienft onder
fijnen voeten getreden heeft, %c. Wubekent
oock boven ban der Affonderinge / dat de
Papiften geen Chriftenen zijn, Want bp
ſeght / als dat degene, die van onsafkeeren ,
liever Papiften wederomme als Chriftenen
werden fouden. Goede Hefer / merelit blij:
tighlijck wat ick ſchzijve. Nademael het dan
Tempel Godts (Daer de Belofte Bours aen
gehouden wert / foo hp legt, niet ge weeft
zy / Want het hem gantictjeigen miet ſchic
ken kau/ noch magis/ niet Theiſti / maer
Antichrziſti Jongeren zijn / ende Dan even
wel noch Cheiſti Kercke ende Tempel zjn.
Hier merckt nu, of ve Godtozuchtige
(Die hu Wederdooperen noem: ) dock ſoo
qualpc Daer aen doen, Dat fp io van alle
Anlichziſtiſche gruwelen / ende valſche Lets
doemde Decten ende Kercken uptgaen / ede
of fp. Dactamene fa vaer flijch ftaen / gelijck
ze ſuchtende klaeght oat Ip haer den ecníe
gen ende eeuwigen Geplande: Chziſto Jeſu
in aller onderdanighepdt bp geven / ende
Haer geerne alter Werelt Kercken ende Dez
meputen tot een vaogdeelt aller gehoorſaem⸗
zept ende Deugden in harer zwackhept ſet⸗
en ende ſchicken wilden.
C Yn tweede Argument is dit: In ende by
) allen Gemeynten,daer de Leere endet Ge-
loove sen Jelum Chriftum gericht, ende niet
gantſch ende geheel gevallen , Chriítus ende
ijn heyligh Euangelium niet gantích endege-
heel verworpen ende gelaftert , dar gebruyck
der H. Sacramenten niet gantfch ende geheel
vertreden „ oft nagelaten wert, gelijck nu
onder Machomets Regiment gefchiet, dact
blijft noch de Name der heyliger Kercken,
&c. In ende by onfe Gemeynte, die den,
Kinderdoop als een Apoftolifche Ordinantie
befit,; is de Leere ende’t Geloove aen Jefum
Chriftum {oo van den Apoftelen gericht, niet
gantſch gevallen geweeft , alsby den Turcken,
hoewel door den Antichrift gruwelijck ver=
valfcht ende gefwackt, &c. Daeromme blijft
by onfe Gemeynte de name der Kercken ,
ende zijn in onfe Gemeynte ware Lidtmaten
der Kercken , &c. -
Antwoordt.
V Anneer deſe eerfte fijne Set · reden na
der Schzift bondigh ende recht ware /
foo moeſte oock bondigt ende recht zyn / foo
pemant fepde: De leere ende Dat Geloove
zijn bp den Arrianeren / Circumcellioneren /
Munſterſchen / ende Diergelijcke Seeten
meet / nopt gantich ende geheel vervallen
geweeſt / dat Euangelium níet gantfch ende
geheel verwozpen ende gelaftert/ ende De
Dactamenten níet gantſch ende geheel ber:
treden Fc. Daeromme blijft bu den Ar⸗
rianeren/ Circumceſſioneren / ende Mun:
flevfchen de Name Dee Werckten / ende fijn
ín hate Gemepnten Ware Uidtmaten der
Werckten. Dock wozden wp alfdan met groo⸗
tee onbillickhepdt boor Duyvelfche Secten,
Rotten , ende afvallige Wederdooperen ban
hem gefcholden- Want wy dat Euange-
Merckt
doch fijne
grove dwar
lingen,
Mierwap
den alie yv
leydifche
Setten met
deſe Set-re-
den van Gele
lio tot Chrje
ftenen
geoordeelt.
Met defe
Set-reden
maeckt Gels
lius alle Gjne
lafterwoor='
den valféh
en krachte.
loos, die hy
in defen
fchrift vegen
onsge=… —
bruycke
openbaer is / Dat de Moomfche Antichziſt lium / ende De ar Pre onſes Heeren heeft,
13
Jeſu
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
310 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons;
Jeſu Ehzíftí ſoo hooge lief-hebben / dat wp
oock onfe goedt ende bloedt dagelijcks daer
vooren fetten / fo gp fien meught.
Wil ha dan feggen/ Dat Die voornoemde
Secten níet na Dee Schrift gehandelt ende
geleect hebben / ende dat fn daeromme inde
gemepnfchap der Chziftelijcher Kercken niet
geweeft zijn ; ſoo aogdeelt hy hem felven des
te klaerder. Want de Papiftifche Kercke/
daer op ha hem beroept / ſulcks oock niet
gedaen beeft; Want foo fp vecht geleert ende
gehandelt hadde) foo worden ſy fect onbil⸗
lijcki ban hem gefcholden / datſe geen Chzi⸗
ſtenen zijn / foo gehoort is.
Item / dat hp ſcheijft / Daer blijft noch
abn de Name der Heyliger Kercken, Daer mede
ierfonder betupgbt ha openbaerlijck/ dat fijne Be:
Schriftbe- _weeringe gantfchelijck fonder gront ende
vonden _Schzift (8) want hp beroept hem niet op die
6 ongevalſchte repne Keere / noch op dat hepl⸗
fame gebrunck der Saccamenten / noch; op
Dat vzome Chꝛiſtelijck leben / Die ín Chziftí
Lercke immer zijn moeten / maer fo flechts
op den Name der Heyliger Kercken, recht
of Die ame fander Chziſti Geeft / Woost / |K
Sacramenten / Geloove / ende gehoozſaem⸗
bept/ de Kercke ín Godt behouden / ende
aen fijn Belofte binden kan. Heen / neen /
mijn Leſer / neen. Ick weet (ſpzeeckt De
Eerſte ende de Kaectfte) de laſteringe ban den
genen wel / die Daer ſeggen / dat fp Goden
Apace 2» 10° zijn / ende zijn ’t niet / maet fn zijn des Daz
thang Schole / want mochte de Mame al⸗
leene De Ware Kercke makten / foa moeften
Met defe doccſt alle oproerige Woedende Tprannen / alle
ne if branden der Chꝛiſtelijcker wacchent/ alle
liusoock Doodtſlagers / Ged-breecherg / Moeren ende
alle Godloo- Hoeren· jagers / Gievige / Pralers / ongez
gp tor Chris gechtigen/ Gc. (Want fp haer na Ehziſti na⸗
s me noemen laten ) LTidtmaten Der Kercken
Chꝛiſti zijn / (8 onwederſprelielijck.
Hier ſpreekt Maetr fa veel fijn tweede Set reden aen⸗
1335 gaet / ſegge ick ten cerſten alſoo daer op:
die daerfey- Nademael hy feght, dat hare Kercke den
den,dat Kinderdoop als een Apoftolifche Ordinantie
reeekede beſit, Dat Gp daer mede den Hepligen Apoſte⸗
hoewelick len / de oprechte bzome Getupgen des ecu⸗
a nietge- wigen waerhepdts/ met openbare leugenen
hoeken beladet / want hp het ín eeuwighepdt niet
fpreecktde Met een cenigh letterlien upt der Scheift bez
— — weeren ſal / dat fp den Uinderdoop geleert /
"E65 De oft aen eenige plaetfen gebruyckt hebben /
fo boven meer alg genoegh geljaozt is.
hoet dat ſchoonſpzelien Der geleerden / Want ——
fp berlepden u/ maer hodee dien Die daer parish:
ſpzeeckt: Ick ben Dat Licht Der Werelt / van de gant-
wie mp bolgbt / wandelt niet ín dupfternif- Che werelt
fen / maer hy fal hebben dat licht deg lebens tegendeel
> , , , gecordeelt
ende gu fult ín eeuwighepdt niet bedrogen werdt.
Werden. Goan. 8. 13. Gal. 1.9.8.
Mijn Leſer / verſtaet mp vecht wat ich 15°” **
mepne/ Dat Godt niet fijn Äptverkorenen Bar. 3. 4r.
onder Die voornoemde Gemepnten foude gez 3 Aeg-29-10.
hadt hebben / daer ober houden ende ſtrijden
wp niet/ maer fulchg Willen wp Godts gez
nadigh oozdeel / nu ende tot alten tijden ín
onfer eenboudighept bevolen hebben / Hopen:
de / dat hp bele dupſenden Geeft / Die ons met
den hepligen Elia onbeltent zijn : maer daer
ober houden / ende firijden Wp/ met welcher:
lep geeft / deere / Dactamenten / @zdinanz
tie / ende Teven Chziftug bevolen heeft / dat
men hem cen eeuwig blijkende Kercke verz
gadeten / ende op fifnen wegh behouden ſal.
Siet / mijn Hefer /. Dit zijn nu De Looze
naemfte ende wichtighfte Argumenten / daer
mede hp beweert / dat hare Kercke de rechte
Kercke zy ; namelijck , om dat fy uyt der Pa-
piftifche Kercke afkomen , ende hare Kinde-
ren doopen, &c. oort dach wat wonder
dat hp booztbzenght. So mp dunckt ſchrijft
Gp al wat hem ín De penne balt/ alg Het
mact foo beel fchijns heeft / dat het den on-
bedachten bolke cen Wepnigt ín de ooren kit⸗
telen / ende ín haren onboetbeerdigen tupe
men leben trooften kan. Want ſo fijne aen>
getogen beweeringen Waerachtigh Waren /
foo konde het niet fenlen / Oft Chaꝛiſti Merc:
ke moeſte Antichzifti derche / oft Antichzi⸗
ſti Kercke moefte Chziſti Kercke tot noch toe
geweeft zijn / Moeſten ooch Chriftug ende
Antichrziſtus bepde te ſamen cen Uerck gez
vegeert hebben / die Kinderdoop moefte fonz
det alle Scheift Apoſtoliſch heeten / ende de
bloote zRame Chꝛiiſti Kercke maechen /
fat wp (hope ick Doo? Godts genade) geen
Menfchen nemen konnen / hp dzaepe Dan de
ſalie / hae hloeckelijck hpfe oock dzaepe.
Volgen (ommige Befchuldingen
Over ONS.
En eerften befchuldight ons Gellius, ende
feght alfo: Dat fy haer met de heyligheyt
Miermoc- ‚ (Cen tweeden fegge (cl: Dat de felbige | der Kercken (ons meynt hy) onbillick vercie-
ten de open- Uercke / daer hp hem op beroept / niet allee: | ren ende opproncken , &c. Want dewijle die
bare Afgo- ne becbalfcht ende gefwacht ig geweeft / faa | Heylige Geeft (die de Kercke heylight, bey-
den dienaers
KinKercke DP feght/ maet fp is foo berve ban Godt, de door vergevinge der zonden, ende door
zijn. berbreemt / datſe houten / ſteenen / qulden/|doodinge des ouden menfches met alle fijne
ende ſilveren Boden / daer toe Bzoodt ende luften, ende door verdempinge oft vernie-
Wijn heeft aengebeden / ge-eert / ende God: |tinge der zonden in den vleefche) door den
delijclien Dienft beweſen / gelijck door dat Geloove gegeven wert, fo fie ick niet , hoe fy
gantfche Europam ban bele Jaren af (och, defen Heyligen Geeft met t'ſamen de ware
lacp) ín allen Cempelen ende Godts hupſen
Heyliginge fouden verkrijgen, ende die rech-
ppentlijck geficn is / ende oock noch ín bele | te ware, Heylige Kercke zijn , nademael fy o-
groote Koninckrijckien / Steden ende Tan⸗ ver des H. Geeft , Godtheydt , die onder an-
Ben / dagelijcks gefien wert. Noch wil Gel-|der bewijs in’t werck der Heyliginge fijn
lius het fal heeten / dat de Kercke Chrifti by | Godtheydt genoeghfaem bewijft , gelijck over
DieChri- haer geweeft zy. Ongerijmder teden hebbe | veel andere Hooft artijckelen der Leere, nij-
Bum hoort. fe, mijn leefdage niet veel gehoozt. Hierom⸗ | digh onder haer twiften.
Seronese me lieve Lefer / fiet boor ů / dat gu niet en
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ant woordt.
Antwoordt.
Zwinglius Winglius heeft eertijts geleert Dat cen
de Pradefti- Z. dief ſteelde ende een moogder moogde /
6 GP Baer dzebe haet Godts wille tae/ ende dat
De felvige Dan daer ober weder geſtraft woz:
Den / daer dzebe haer aach Godts wille toe /
Dat na mijn bedencken cen gruwel Loven
alle geutwelen ig / wilde ick nu daer unt alfo
boflupeen: Swinglius Geeft ſulcks geleert /
daerom leeven alle Pzedikierg alſoo / Wate
immer niet vecht ban mp befloten. Wat
konde AchanaGus Dat oock keeren / dat Ar⸗
rius leerde / Dat de Weplige geeft cen crea:
| tuere des creatuers Chafti ware.
| Mijn Leſer / veeftaet Wel wat ick mep:
| ne: Ick hebbet mijn leefdage niet gedacht /
Dat Godts Peplige ende eeuwige Geeft niet
| Godt met Godt / ende in Godt zijn foude /
| noch wil hp ong evenwel (Wp Die bier in
gantfchelijck onfchuldiah zijn) des Pepligen
Geeſts Hepliginge / genade/ vzucht ende
kracht afſeggen / om dat ſommige / die van
ons zijn afgedaen / daer ín gedoolt hebben /
ende lichtelijck dock nach doolen/ Hoewel
bp de henliginge ende kracht des Hepligen
Geeſts aen Den onfen met oogen fict/ ende
met handen taft / namelijckt / dat fp den ou:
Den mensche met fijnen \uften dempen / de
ſonde in haren bleefche vernietigen / dat bp
Bier ſelve de hepliginge deg IPepligen Geefts
noemt / fo gehoort ig. Diet / ſoo ſcheldet hp
Den onberdienden/ ende beſchuldight den
ontſchuldigen / af aat niet dec Phariſeen nij-
dige eude faemroovige Geeft is/ die alle wat
goet was / aen Chziſtum ende fijnen Diſci⸗
pulen ten erghſten dunden / ende dat onbez
Dachte bolck tegen haer oproerden / wil ick
hem felven ín ’t bedenchten ſtellen.
J En tweeden beſchuldight hy ons, ende
ſeght: Dat wy een verſtockt geloove heb-
ben, daer van d'een helft op Chriſti verdien-
fte, de ander helft op onfe eygen ‘verdienfte
fteunt ende ruft. Want Obbe Philips die niet
weynigh Difcipulen (fchrijft hy) heeft, met
klare uytgedruckte woorden die rechtveer-
dighmakinge des Mentches niet alleene in den
Geloove, maer te famen in den Geloove,
Liefde, ende goede Wercken ftelt.
Antwoozdt.
D Yer op Wil ick in mijner eenvoudigheyt
Gellium aldug gebraeght hebben: Obbe
Philips heeft eertijtg fao cen Gzont gedreven /
daeromme drijven ’t Menno ende Die andere
alfo / of dat sock bolgen ſoude? fpzeeckt hp
Onfeeeni- Ja: foo ſegge ick / dat hy ong onrecht ende
ge ende een· qe welt doet / gelijck hp oock (och laen) aen
he Delen plaetfen Doet: Want dat wp ende de
Rüsjefas. Gemepnte Godts niet alfo gefint zijn / maer
dat wp onfe eenige Weehtveerdighmakinge
alleene ín Den eenigen gevechten ende gez
crunſten Chriſtum Jeſum ſoecken ende ſtel⸗
len / betungen onfe Heere ende Schziften
overvloedighlijck.
Maer ſeght hu Neen, foo wilde ick wel /
dat ha doch alſdan fo veel deught ende bez
fchendenhepdt plegen wilde / dat hu een onz
derſehendt maeckte / ende niet Den onſchul⸗
Overeen Schrift tegen Gellium Faber.
311
digen met den fchuldigen alfaa bermengde :
Gock niet wijder ſpzake / alg de waerhent
wate! want hu fchzijfe / dat de voornoemde
Obbe Philips met wepnigh Diſcipulen heeft /
ende ick derf wel feggen/ datmen geen fes
ofte thien bindeu fal/ die fijng geloofs ende
geontg zijn.
Sie derden befchuldight hy ons, ende
feght : Hoe fouden ſy een Heylige Kerc-
ke zijn , die over dat hooft der Heyliger Kerc-
ken nu onder den anderen oneens , hem ge-
nen waren Godt zijn laten, ende verwecken
wederomme die oude Arriaenfche Ketterye.
Antwaozdt.
W V magen den alderhooghſten Wel met
heflijcher Gerten dancken / dat hu fijn
Daderlijcke genade ende groote barmhertig⸗
hent alfa aen ons bewijft / dat oock onfe
kloechfte ende fcherpfinnighfte Wederparz
tpen ong niet dan met aldufdanige kindtſche
ende ten meeftendeel leugenachtige vedenen
weten te befchuldigen. Wanneer hp nu die
natuerlijchke eecbacthept fa veel natrachtede
(écht ſwijge noch liefde ende waerhept) als hu
och lacp). dien bitteren ende nijdigen Weebet
doet / hoe ongeerne foude hp gedencken / dat
hp nu wel met gedzuckt aen den dagh geben
Deef / ende fonder alte onderfchent feggen /
als dat wp de oude Azriaeniche Ketterpe
wederomme verwecken Daer het hem ende
den fijnen fo wel bekent is / dat ſodanige
noch deel noch pact (foo lange fp ſulcke dwa⸗
lingen niet afftaen) aen de gemepnfchap der
Serchen met ons hebben / noch hebben ma:
gen / fo gelhoogt ig.
O lieve Heere / hoe lange fullen doch defe De Overige
bittere nijdige Befchuldingen en leugenach⸗ heden faca
tige achterklappingen dueren: Wilde Godt / canten cot
dat Die Overigheden een wepnigh den Heere onrecht
vreeſden / ende haer Ampt vecht nadachten / '°°*-
ende Wilden pattpe tegeng pattpe ftclien /
ende hooren / fo mochten ſy eenmael leeren
kennen/ Wien ende waeromme fn Lerbole
gen / ende Wat het boor Lunden ende Lee⸗
raers zijn / Bie fp in haren onrecht ende gru⸗
wel met haer gewelt dagelijchg hande baven
ende voorſtaen.
—F En vierden, beſchuldight hy ons, ende
ſeght: Zijn fy de ware heylige Kercke,
die geeftelijcke Bruyt Chrifti , reyn, heyligh ,
ende onbeftraffelijck , fo bewijfen fy de eenig-
heydt des Geefts, voornamelijck over die
twaelf Artijckelen des Geloofs , die daer zijn
dat Fundament der Kercken, ende de eene
zy niet Mennonift, de ander Adam Paftor ,
de derde Obbift, de vierde Dirckift, &c. dan
of fy haer fchoon onder den anderen bannen ,
fo fy willen , het isende blijft dan noch open-
baer, dat fy alle Wederdooperen ende vyan-
den der Kinderdoope zijn ende blyven , ende
alfoo tegen der Kercken Chrifti des rottens
ende fwermens niet ophouden.
Antwoordt.
Ck hope/ dat woa door Godts genade on:
fen Heere ende Bzupdegom Chzifto alfa
vertrout zijn/ Dat We oock om fijn Penlige
ftenune
—
Joan. 3. 9;
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
312 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
Cyprianus ſtemme te hooren tot ín den doodt berepdt
met den Aj: ftaen / roemen ons níet onfer henlighent ende
—2* * broombept / maer onſer grooter zwackhent /
kelniet “ hoetwel wp alſo van Gellio gelaſtert werden.
— ad pi —— — —— en En wp / oe
tndande eenes Brootg hoornen zijn / niet alleene ober
* —— die twaelf Artijckelen / dele bpfe telt/ maer
dat Funda- oock oer alte andere Actijhelen der Schzift /
Korckenge- Gelet Wedergeboorte / Boete / Doop/
lijck Gellius A2achtmael/ Afſonderinge / Ec. die ong Chꝛri⸗
—— —— op —— pige 16.
each se r Petr. 2. 6. ende Paulo / Eph. 2.
—— deu 19. alleen boo? dat Fundament Der Hercken
ae vel bekennen / ende niet Die twaelf Artijckelen /
—— fa ha Doet) met fijn epgen gebenedijde mont
ken, want fy Qepzediclit/ ende met klare letteren nagelaz
dierzniee ten ende geleert heeft.
alle vol ge=
ven) onder ons gevelkent.
Maer dat hp fchzijft / dat wy des Swermens
ende Rottens tegens der Kercken Chrifti niet
opltouden , ende ſulcke bittere honiſche wooz-
Den meer / malen af / dat hp níet een beleeft
wedelijckt woort (fo dzijft hem Die bpantlijcke
nijdighendt) van ong Schrijven oft ſpreecken
kan / maer het moet al Swermen ende Rot-
ten tegen de Kercke Chriſti, Winckel-pre-
diken, Influypen , &c. bp hem heeten / ende
Der kinder- fiet noch en mercht niet/ in hoe Geel ende
dogperen menigerlen groote ende vleeſchelijcke Sec⸗
groorende teïn/ Dat die kinderdooperen (Die Daer roe⸗
vele, men / datfe Die vechte Kercke zijn) verſchen⸗
Den / ende ín Der Heere gedeelt ſtaen / foo
eenmael verhaelt is. Die eene partpe is Pa-
piftigh , Die ander Lutherfch, die Derde Zwin-
gelfch, Die bierde Calvinifch, Ge. Ende hoe
twel fi haet heftighlijcken onder den anderen
ſchelden / ſchenden / verdoemen / landen en
lunden verderven / ſoo ſy willen / fo is het
ende blijft Dan noch openbaer / Dat fp alle
hate kinderen laten doopen / ende branden
Des Doops Chꝛiſti zijn / ende blijven / ende
alfa tegen Die rechte Waerhendt ende Uercke
Chꝛiſti / deg opraereng ende vervolgens niet
ophouden. Och mijn Leſer / konde die Wez
gelt eenmael Teeven kennen / welcke díe rech⸗
te Swermerg ende Fotten-geeften waren /
fa machtmen noch tot eeniger tijde eens
beteren hopen / maer nulight het verborgen
boor harten oogen.
TE vijfden befchuldight hy ons, ende
feght, zijn fy die Heylige Kercke, fo
hooren fy de ſtemme Chrifti, die daer gebiedt;
datmen dat woort des Heyligen Euangeliums »
met den aengehangen Sacramenten, niet in
heymelijcke plaetfen ende winckelen , maer
in topenbaer voeren fal , &c.
Antwoordt. ——
a Bn wu De rechte Kercke Cheíiftí niet /
maer is het Gellius met Den fijnen / fo hn
baorgeeft / Wil ong evenwel met der Heere
ín ’t openbaer Dzingen / waerom heeft ba mp
dan (dewijle hy wel weet / Dat ick fo bele om
mijn Geloobe ende leere lijde) tweemael oz
penbaren handel gewepgert / Die ick onder
een bep gelepdt hier voormaels foo blijtiglijckt
aen hem berfocht hebbe? Wet ware billijck /
Wwaerachtiger Kercken Chaftit waerom
dringet hp ons dan in’t openbaer / hp Die Wel De: Apofte-
weet/ dat het fonder Soodt ende Bioedt Iet once
7 ape
níet gefchien kan. Ick diede mp bep op/ ne
wiſſe / dat hn noch Exempel nach Schzift in
den gantfchen Dpbel binden fat. Fa mijn
Leſer / wilde hp Den gront recht open Deen /
waerom hp ong altijdt aldus met der leere
in't openbaer dzinget / hy moefte bekennen /
Dat lyp dooz deſe fijne hüpchelſche ende looſe
boorwendige anders nict en foeckt / dan dat
bp onfe ſalie bp den boiche daer mede verdach⸗
tigh / ende De fijne eenen fijnen fchijn maken
magh / ende Dat hp na den bloede Der. ons
fchuldigen niet weynigh dozſtigh ende begeee
righ is / dewile hp (fenge ich) tegens alle
bilfichbept / Wiefde ende Schrift ons met dee
Meere in Get openbaer Ddeinget / ende wel
weet / datmen onder De gantfche Buptíche
Patie niet cen flede wijfen magh / daer men
ſulcks fonder gedanckeniſſe / goedt / bloedt /
ende oproer Doen kan. Wanneer hp nu in
det waerheyt ware / Dat ha geerne metter
ame heeten Wil / namelijck / een oprecht
ende onbefteaffelijctt Prediker / hoe ongeern
foude hp alfdan duſdanige grobe plompe
fchanden denckten/ die hp nu (ach lacp) wel
met openen monde boor een pegelijck uptroce
pen / ende met gedzuchte Boeckien vooz als
let Menſchen oogen ende ooren dragen derf.
De Heere heeft ecnen geuwel (ſpꝛeeckt Dac
bid) aen den Bloedt · gierigen ende balſchen /
Pſal. 5: 7.
T En feften befchuldight hy ons, ende feght:
Soo fy die rechte Kercke Chrifti zijn wils
len, foo fien fy doch eenmiael omme haer ,
hoe oudt haren oorfpronck is ‚ ende hoe fy met
der Kercken oorfpronck ende ouderdom over
een komt, datfe niet van Adams; rans
oif
oft Davids tijden out is , dat bewijft hare val-
ſche waen, en gruwelijcke dwalinge
Menfch-werdinge Chrifti,door welcke fy hem
noch Godt noch Menfche zijn laten , en ons
onfes Meſſie berooven; &c. Oock boven van
der Beroepinge (chrijft hy, het is een gruwelijc-
ke vrucht, dat fy een fulcke fchandelijcke
dwalinge van de Menfchwerdinge Chrifti tot
defer tijt vernieuwt en in der Wereldt weder-
om ingevoert hebben, want heeft Chriftus on-
fe vleefch niet gehadt, (dat hy niet gehadt heeft,
ten zy dan dat hy het nader toefegginge van
der Vrouwen ontfangen heeft) fo isder Wer in
onfen vleefche niet genoegh gefchiet, fo isder
Gerechtigheydt Godts (die fonder boofe Gelt
en Rantfoeninge ons niet moght vry en onge-
ftraft laten) noch niet betaelt, &c.
Antwoozdt.
D Je Geleerde ſchelden en klagen om Diet
oogfaecchen Wille altijt over ong / om dat
| De geleerde Wp Den geheelen Chriſtum / bepde nae der
—— Godthepdt en Menſchendt met dert Engel
dengeheelan Gabtiel/ Luc. 1. 3. met Joamie Baptifta/
Chrifum Joan, ro. 18. met Petta / Matth. 16.18,
Be ae ‚ met Martha) Goan. 27. 11. met den Apoſte⸗
Soone be- len / Matth. 14.33. en mee den eruwigen
kennen, Bader fele / boor den waerachtigen eenigh⸗
lath16.16, gebooren en rerſi gebooren Soone Godts
bekennen / en níet anders noch wijders van
hem dozven leeren en gelooven / dan ons deg
Heeren Waogt ban hem leert en voordraeght.
Wilde daerom alle mijne Keefers en toehoor⸗
ders om Godts wille gebeden hebben/ dat fn
doch cen goede achtinge / op deſe mijne vol⸗
gende beantwoordinge en korte aenwijfinge
hebben willen, ick hoope Dao? Godts genade
de fake met ſoo een klaerhept ondet wepnigh
woorden hoog te dzagen / Dat de Leeſer met
bollen handen taften mact / hoe fp ong niet
alleene van Cheifti onſes Heplanis Meere /
Saccamenten/ Geeft/ Leven / Ordinantie en
gebzupck / maer dock van fijne alderhepligſte
Afhomſte / Heerlijckhent / eere / cn Perfoon/
in den gront berooft / cn door hare verlendi⸗
ſche gloſen en vernuft tot eenen geftuckten /
ontepnen/ en ongerijmden Chzriſtiun / bende
nader naturen/ en oaclt na der Schrift / qe:
maeclit hebben. Wie ooren heeft om te hoo⸗
ten / Die hoore / en Wie cen herte heeft om te
berftaen / Die verſtae.
—
Dit is der Geleerden bekenteniſſe
van Chriſto: Namelijck:
Der Geleer- D At het eeuwige woort, die tweede Perfoon
—— in der Godtheydt (ſoo luyden hare woor-
de menfch- den)die eeuwige Sone Godts is, onfe men{che-
Gerdie lijke nature van onfen vleefche hebben acnge-
riſti. nomen Ja dat die geheele menfcheChriftus,die
voor ons opgeoftert en geftorven is, der Vrou-
wen; Abrahams, en Davids natuerlijck zaedt
| is, der Vrouwen zaedt (feggen fy ) na Godts
| Ordinantie, Gen. £. Met welcker Vrouwen
Wade el zaedt, namelijck, met die menfche van Ma-
hem à Lafco Fia vleefch en bloet , de voornoemde Godtlijc-
infuaDe- ke Perfoon , dat eeuwige Woort, die Eeuwige
‚Mfione ad- Soone hem vereenigt heeft , en isalfo een Per-
Verfum me WE. f
edita, foon en Chriftus geworden. Oft dat die geheele
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
quetft gebleven.
Overeen Schrift tegen Gellium Faber.
Antwoozdt.
313
menſche Chriftus Jefus met lijf en ziele een na-
van der f tuerlijcke vrucht van Maria vleefch en bloedt 5
daer in dat eeuwige W oort gewoont heeft , die
menſche Chriftus Jefus is geftorven, maer dat
Woordt is in fijn geftalte gantfchelijck onge=
H Et dunkt mn meer alg Wonder te zijn /
dat de geleerde nimmermeer ophouden,
ons met hate onacrdige fcheltwaorden altijt
ke grondt Der
pheten / ja oock
brengen / wp die den L
te laſteren / en bp allen bloetgierigen met ter
ſaken al meer en meer ín jammmer en noot te
aften en onbeweeglijc:
Heyliger Apoſtelen en Pro⸗
Chꝛeiſti epgen gebenedijde
mont en getupgeniſſe in onwederfjpechelijkert
kracht en klaerhendt boor ong hebben / mat
fa in Den rechten berftande nach Schrift noch
nature/ fo men fien fal. Want dat alte defe na
berhaelde zware en ondzagelijche inconve-
nientien / en geuwelijcke dwalinge upt harer
bekenteniſſe volgen / is klaerder als Die klare
dagh.
Cen eerſten / een geſtuckte oft gedeelde Deceri⸗
Chriftus, ban welken Die eene helft Hemelfch, Inconve-
en Die ander helft Aertſch moet geweeſt zijn / nientie
foo oock ſommige onbefchaemt doven ſeg⸗
gen en boo? geben/de Perfoon Chriſtus hebbe
twee principale deelen gehadt, te weten/ Godt
en menfclje/ Ec.
Cen tweeden / een onreyne en fondelijcke De tweede
Chriftus,want de Defenfie ſegt: Chriftum non
alterius ullius carnis participem factum effe,
nconve-
nientte,
quâm que & peccato (ut tentaretur) & morti
fimulobnoxia effet, &c. Dat is / Chriſtus is
geen ander vleeſch deelachtigh gewozden / dan
dat det zonde (op dat h
ben doodt foude onderworpen zijn. Sp
noch aen een ander plaetfe ban Cheiſto:
Sanctus (inquit) quomodo fab peccatum
*
Merckt der
geleerden
pverſocht werde) en lafter tegen
1e de alderhej=
zeeckt lighſte
Si menfcheydt
in Chrifti.
Patris judicio condemnatur? Dat ig / iß Chꝛi⸗
ſtus henlig / hae werdt hp dan om der fonden
in Des Daders gericht veroozdeelt? en ig
eben eenn woort met bat Woozt Gelli, Bat ond
De gerechtighendt Godts fonder booſe Helt
oft Nantſoeninge niet moghte vzy oft onge:
ficaft laten.
Merclit mijn lieve leeſer hoe konnen oft |
mogen fp doch leelijkeer en laftcrlijker ban die De Propheet
alderhepligfte Menſcheyt Cheiſt ja van den f
Done des almach
eght dat
Chrifti is
tigen enecuwigen GoBts sanaus san-
fpzclien/ als fin hier gedaen hebben Want is &oram.
Chꝛziſti bleefch van onfen fonderlijcken cn
Ende de En-
el feght, dat
boodtfchuldigen vleeſche geweeft; cn ig hn al: Heylige aac
fo Ban fijn epgen bleefch verſocht / ſoo moeſte uyt u zeboo-
de fonde (Daet van hp berfocht worde) ín fij-
nen bleefche gewoont hebben / en alfo ußt
ren fal wer-
den, &c.
Luc. r. 32.
plicht / en niet upt genade geſtorven zijn / ig Maer wat
klaecder Dan men loochenen kan. Mag ook
níet anders zijn wanneermen Chziſti vleeſch
hier de ge-
leerde feggen
fiet men wel,
van Adams fondelijcke en doodtſchuldige
vleeſch beweeren en hebben wil.
Item / Is Gijn heyligh dierbaer vleefch oock
foo een boofe Gelt oft Rantfoeninge geweeft,
alg Gellius laſtert / hoe konde dan Godts gez
rechtigheyt daer mede na Gods Peplige wíl
le vol gedaen en betaclt Werden? Of dit níet
vecht heet / ong eenen outepnen en ſondelije⸗
ken Chziſtum pzediken / J
Ur
ons onſes alder⸗
hey⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— — —
— — —
314
henligſten Heylants en Meſſia berooven dat
fp ong geerne opleggen fouden ) Wil ick alle
rechtverſtandige en redelicke Tupden metter
Schrift laten nadencken.
Dederdeïn-. Cen derden / twee perfoonen in Chrifto,
convenien- namelijck / die eene de tweede perfoon in der
* Godtheyt, en die ander / die menſche van Ma-
rien vleefche, ín welche Menfchelijcke per-
foon die Goddelijcke perfoon gewoont hadde.
Welcke dwalinge niet alleene ban ons / maet
oock ban Luthero heftiglijck wedergefpzaoc:
ken wozt/en fegt : Wacht u / wacht u (fegge
„Eetherus ick) oog Der Alleofi, fp íg des DBupvelg
Zwinglium. Larva, Dan fp richtet ten laetſten ſulck een
Chꝛiſtum toe / na den welcken ick niet geer:
ne foude een Chziſten zijn / namelijclt / Dat
Chꝛeiſtus booztaen niet meer zy / noch doe
met fijnen lijden en leven / dan cen ander
flechte heplige doet. Dan wanneer ick Dat
gelooe/ dat alleen Die Menſchelijcke nature
Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
Ten febenften / wanneer wy dan alfoo door
Adams vleefch verloft waren, gelijck fp willen /
faa behoorden wp ookt níet alleene den Dader
Booz fijn Woopt / maer oock Adams vleeſch
(daer ín die berloffinge geſchiet is) daer boo?
te dancken / fullen alle vechter ftandige moe:
ten bekennen en toeſtaen.
Cen achtften; fo die Menfche Chriftus een
gefchapen creature van Adams vleefche ware,
en wp dooz dien berloft ( gelijk der Geleerden
grondt is) en Bodt ſpzeeckt door Den Pro⸗
pheet / hp wil fijn eere geenen anderen geben :
en nu ig het openbaer /Dat wp onfen Verloſſer
Chꝛiſtum niet Wepniger alg den Dader cez
ten / foo moefte een van bepden daer upt bol:
gen/ oft dat Godt niet vecht daag fijnen Pro:
pheet geſprooken hadde/ oft dat fp alle Afgo⸗
dendienaers waren/ de wijle fp ecn geſchapen
Creature van Adams bleefche Boddelijche
eere en Dienft bewijfen / dat in der ſchzrift foa
boog mp geleden heeft/ foo ig mp die Chriſtus hardt berboden / cn fo menigmael van Godt
een flechte Heplant / ſoo behoeft hp wel ſelve geſtraft is. Siet / mijn Leeſer / alfoo een on-
eenen Heplant.
Summa/ het is onſeggelijck / Wat die
Dunpel met det Alleof: ſoeckt en boog heeft.
gerijmde,onreyne,en geftuckte Chriftus is het,
(díe alſoo ban twee perfoonen , en ban twee
Soonen te hoopegeftelt is, Daer Die eene per-
Wp feggen/ Bodt is Menſche / en Men⸗ foon en Soone in den anderen {oude gewoont
fche is Godt/wp roepen ober haer / dat fp den
perfoon Chꝛiſti berdeelen / alg warten ’t twee
perfoonen. *
Dan foo die Alleoſis ſal beſtaen / gelijckiſe
Zwinglius dzijft / ſoo moet Chriſtus twee Per-
foonen zijn , een Godtlijcke eneen Menſche-
hebben, Daet ban d'een perfoon en Soone
geleden , ende d’ ander niet geleden heeft :
Ende de felvige die geleden heeft, foude niet
Godts, maer Marien Soone alleene geweeft
zijn) dien u Die Geleerde met hate beele Phi⸗
lofopbifche redenen en verdzaepde ſchziften
lijcke. Dit ſeyt hy. Merclit mijn Leeſer /|(achlacp ) leeren en boogdzagen. Ick men⸗
wat fp ong boog eenen Ehziſtum leeren ende ne / Dit magh immers wel heeten / den Hee⸗
boordzagen. :
De vierde Gen bierden / twee Soonen in Chrifto, van
—— welcken Die eerſte Soone / Godts Sone ſonder
Moeder, en Die tweede Soone / Marien Soone
fonder Vader moeft geweeft zijn / in welcken
Marien Soone de voornoemde Godts Soone
fijn geboorte foudegefet, en hem Daer mede
in een Perfoon vereenight hebben, fo fps voo?
geben. Woaozt doch wat wonder dat fin voozt⸗
brengen.
De vijfde (Men vijfden / de menfche Chriftus Jefus
Inconve- ware oock niet als dan de Eerftgebooren ende
Pomeranus eenigh-gebooren, maet Godtg derde Soone
dicit, rcap. in der ordeninge geweeft / die niet ban Godt
rd Hebr gebooren /dan gefchapen ware / en ware alfo
fecundum (gelijch Pomer fegt ) boog eenen Soone van
Divinitatem Bodtaengenomen/&c. quod & Bonofiano-
—— A rum five Monofolitarum heerefis eft. Hn ware
cundam hu- ( feggeiclt) de derde ín Det ozdeninge : Want
manitatem De eerfte is het Woordt / Die ander / de eerſte
eft adoptie Ydam/WLuc. 3. 38. en Die derde / Die Menſche
ban Marien vleeſch (Die alfa voor eenen Sos
ne van Bodt foude aengenomen zijn /) foo
gehooꝛt ís. *
Defefteïn- Ten ſeſten / ſoo zijn Wp oock alg dan niet
convenien- Door Godts eerſtgebooren en eeníq-gebooren
Ten Soone/ maer door Marien Soone, van Adams
onreyne en fondelijcke vleefchgefchapen, te
recht gebragt en berloft / ſoo dock de Defen:
fie / en fijne navolgers opentlijck tegen alle
fcheift bekennen dozven/ en ſeggen / dar de na-
ture in Adams lendenen befloten , Díe De
overtredinge hadde ingeboert / oock nac
Godts vechtbeerdighepdt die feloige teder?
omme wegh nemen / en Daer Boor betalen
moefte,
ve verſaecken / dieſe gekocht heeft / en eenen
vreemden Chriftum prediten/ Dien de fchzift
nopt gelient heeft.
Och mijn Leeſer / mijn liebe Leeſer / hoe
gantfch jammerlijck heeft ons Der flangen
liſtighendt dao? Dat erge vernuft der Bez
leerden / van deſen Edelen/ Woogen/ ende
duren Weplandt berooft / en op een ontepn /
fondelijck / gertſch vleeſch / ende gefchapen
Creature geweſen / niet lettende Dat de Hep⸗
lige Geeft foo opentlijck getunght Godts
Wooꝛdt zp vleeſch geworden / Goan.r. En
dat dat felvige menfche geworden Woozdt /
onfe Cmanuel/ Matt. 1.24. en onfe Godt
is / De Meere / Die ong gerechtigh maeckt /
ger. 23. 33. Die eerft-gehoorene / en Die cez
nigh geboorene Goan.1.3. 1 Joan.4. 5.
Godts epgen Soone / Fam. 8. Dan den He⸗
mel afgelkamen/{oan.3.13. Epheſ. 10.4/32.
dat levendige Broodt Lan boben/ welche met
fijn onfienlijche Godthepdt (gelicht de Ge:
leerde ſeggen) maer zijn fienlijtt vleeſch was /
gelijck hp ſelbe ſegt/ Goan. 6.51. Banden
Dader uptgegaen / Goan.16.31. Die eerſte
en Die lactfte/ Apoc.r.2. Die hem felven
(doen hp ín Godtlijcken geftalte was) verz
leende / en niet eeneg grootmachtigen Uep⸗
fers of Konincks / maer eeneg acmen Dienſt⸗
knechts geftalte aennam / ong menfchen gez
licht geworden / in't gelaet bevonden alg een
menfche/ fijnen Dader gehoogfaem tot ín
den doodt / Ja tot in den doodt deg Krupces /
waerachtigh Godt ende menfche/ menfche
en Godt / Godt baop allen tijden van Godt /
ende ín Godt Godts eeuwige Waoozdt/ en:
De ín Der tijdt/ na Der belofte den Daderen
ge⸗
De ſevenſte
Inconve-
nientie.
Be achtte
Inconve-
nientie,
Efa. 40-
Joan. 5.’23
Efa. 7. 16.
Efa. 40. Ie.
Ioan. 2. 29e
Hebr. 1. 6.
Merckt vlij
tiglijck wat
hier gefeyt
wert, namé-
lijck, wic en
wat Chriftus
zy ‚en van
waer hy ge⸗
komen 3)-
Phil. 2. 9-
e
Joan.t. t.
Gen.3. 11,18,
21,22) 26,:28.
Matth. 1. 18,
Luc.x. 3.
Luc. x.
Gen. 28.2.
Luc. 1.2.
Gal. 4. 4.
Joan. 3. 12.
1 Cor. 5. 6.
1 Petr. 2.24.
Marc. 16.19.
AC. 1.9.
Joan. 16.4,
Joan. 6.
1 Tim. à,
1 Joan. 2,
Rom. 8,
Godt is die
Prijs door
fijn woordt,
en miet door
Adams
vleefah.
Merckt. EF
geſchiet / ín María die funvere
We (díe Van Abrahams Lichaemiijck en na?
tuerlijck zaedt was / en die eenen Ian van
den hupſe Davids/ genaemt Joſegh (op
welche Joſeph die Euangeliſten dat geflachz
te cellen ) vertrouwt was / een cltendigh/ ij⸗
delijck / en ſterflijck Menſche geworden / niet
geſtuckt / nach gedeelt / gelijck die Geleerde
leeren / maer een eenigh Cheiſtus perfaon /
en Soone Godts / vepn en onbevleckt/ fijneg
Daderg Zaedt en woordt / Door den Pepli-
gen Geeft van Godt in haer gezaept / Door
Den geloave van haet ontfangen/ ín haer
Maeghdelijck Lichaem geboet / genectt / en
tot beguamer tijde een Wacrachtigh Men⸗
fche (ſegge ick) gelijck Iſaac une Sara /
Joannes upt Eliſabeth / Ee. na der beloften
upt haer gebooren / Der Wet gelhoozfaem) cen
licht der Werelt / een Prediker dere Genaden /
een Daogbeelde der gerechtighepdt / en alſoo
ten laetſten níct boo? fijne epgen fonden/
(want hp kendefe niet)maer boor onfe fonden
onfchuldigh ter Doodt geoordeelt / aen den
Heupce gehecht / geſtozven / begraven) weder
opgeſtaen en ten Wemel/ Marc. 16. Vet. 1.
tot fijnen Wader gebaren; Goan. 16. daer
bpte vooren wag/ Foan.6. En is aldaer
onfe eenige eri ceuwige Middelaer / Advo⸗
cact/ Boozbidder / Saen offer / ende Woage
Joncſivrou⸗
Pꝛieſter ba Godt fipnen Wader gewozden /| dat bp Der Menſchen baringe Die commixtio Godrs Orde-
| * ee
Hebr. 7.38/9/1o,|Ccarnalis eeneg Jans met eener Douwen ——
1Cim2. 1 Joan.2. Nom s.
Overeen Schrift tegen Gellium Faber.
315
—4 Ier en tegen voeren ſy nu haer Antwoor-
de, ende ſeggen ten eerſten alſoo: Godt
ſchiep in den beginne een Man en een Vrou-
we, hy zegendeſe, en ſprack: Zijt vruchtbaer,
en vermeerdertu, Gen. 1. Waermede (feg-
gen ſy) een Vrouwe {oo bequaem tot der ge-
boorte geworden is, en fo vele van haren lijve
tot der vrucht befchickt; als een Man doet.
Befluyten daer uyt, Chriftus was uyt eener
belooft, hy werdt oock eenes Vrouwen Zaet,
Vrucht ende Soone in der Schrift genoemt,
Abrahams Zaedt, een Zaedt en Vrucht der
lendenen Davids, daerom moet hy oock nae
tijner Menfcheydt van Abrahams, Davids;
en der Vrouwen Zadezijn, &c. Wijfen ons
oock tot den Philoſophen, verftandige Vrou-
wen, en Creatueren. Ick {chame my van her-
ten (weet de Heere) dat ick in defen heerlijc=
ker en heyligen handel Godts,duf{danige Mens
fchelijcke redenen (daer toe {y my dringen)
gebruycken moet.
Antwooꝛdt.
Ademael fp de ſaecke met dat en. 1.
bier vaſt houden willen / en haer op
Gods en Der naturen Ozdeminge beroepen /
fouden fp billijck Man en Dzouwe bepde daer
ftellen / & cum eis carnalem commixtionem,
want De boopmoemde Ozdeninge Lozdert /
En alfag behoudt díe Almachtige en eeutwí-| (que ad concipiendum apta fit) zijn moet/ het
ge Godt / onſe barmbectige Hemelſche Da-| welke oock die Goden alfa oogdeelen konden/
Der / Doo? deſen fijnen Chriſtum onfen eru⸗ Doen fp van Chẽiſto fepden/ Is dít niet Jo⸗
wigen Deplandt/ fijnen cenígh-gebaoren en | ſephs Sone, die Eimmerman 2 Hect níet fijn
eerft-gevaoren Soone / en eeuwige Woozdt ; | Hoeder Mariat®e. Matt. 13.55. Nart. 4.
onfcn Heere / Den prijs en eere allecne eeu⸗ ÖS4- Wuc. 4-24. Joan. 6.42.
wighluck / en niet door Adams onreynende, Willen fp nu {eggen / quod Spiritus Santus Hièr mieë.
fondelijck vleefch , gelijck De Geleerde leeven | viri vices compleverit , fo fegge ick wederom: ier raare
en boorgeben.
me/ dat het alg dan na Gades Oꝛdeninge / Geleerde
Merckt nu mijn LTeeſer / welcke van de- Gen. 1. niet gefchiet (8; moeſt dock in dien ——
fe bende bekenteniſſen wel Dre meeſte kracht / verſtande / die Heplige Geeft de Dader Chzifti acer mar a
ende ſterckſte grondt nae der Schrift heeft / |
eel met dat
geweeſt zijn. eerfte Ge
en aen welcken ban bepden die hooghſte Deggenfpdau/ dat niet de Heylige Geeft, mag bewee-
Tiefde Godts jen die groot fte eere Chꝛiſti ge | maer de Vader felve fulcks door fijnen Hey-
ſpeurt Weet / oft dat Godt alfoo een menfche ;
van Adams zade ofte vleetche genoomen,
ligen Geeft in Maria van haren vleefche be-
(chickt heeft, ſdo ſegge íclt andermael / dat
gelijck Die Geleerde leeren Dan Dat hy fijn ſy noch eenmael daer mede beliennen / als boo: Der Geleer⸗
eeuwigh Woozdt / kracht / wijshendt / ja ren / dat het nae Godts Oꝛdeninge / Gen. 1. den gronde
Dat Herte unt ſijnen Lijve / na menſchelijc⸗ Ger. 29. 5/28. niet geſchiet is: En dat díe gn —
hee wijſe te fpzceclhen / in Dem doodt / boog menſche Chriſtus / die ong met ſjnen due⸗ e
ans gegeven heeft / gelijck wy ín de gantſche ten bloede gekocht heeft / niet Godts eerſtge⸗ Chrinus niet
Schaft leeren. (booten en eenig geboorten Soone/ maer een pes
Och het is een foo dueren Woogt : ſoo lief, geſchapen Creature van Marien vleeſch ís. d
beeft Goor de Werelt gehadt / Dat hu fijnen En hoe ſulclis met der — — Apoſtelen
Eeniggebooren Sane wilde geven/ Hoan. 3. en Propheten bekentenifte over een komt /
Stem) daerinne is de liefde Godts verſche⸗ | Wil ilt haer epgen Scheiften laten nichters
neu tegen ons / dat hp fijnen Eengebooren zijn. Hanke:
Soone inder Wereldt gefonden heeft. Daer! Voorder ſegge ick / dat Wp oock níet tat
(n (fchzijfe Joannes) is de liefde / niet dat den Philoſophen / noch tot den berftandie
wu Gode lief gehadt hebben | maet bp heeft.
ONS lief gehadt / en heeft fijnen Soone gee |
fonden/ (merckt / hp heeft fijnen Doane,
gen Drouwen / die doch ſtrydigh en twiſtigh
(zjn / neque etiam ad demonftratas Creaturas,
(daer fp ong toe wijfen) maer wy wilen
ende niet een Menſche ban Adams blee- Door Godts genade tat deg Weeren epgen
ſche / Die geenen Dader hadde / gefonden ) Woort (dat de rechte Fontepne aller Wijs⸗
een Genaden-floel Hoor onſe zonden / bepdt is) en tot Dat onbedziegelijck gez
rJoan.s. Sijnen engen Soone (fegt Pau⸗ tupgeniffe des Hepligen Geeft gaen / ende
lus ) heeft hu niet geſpaert / Nom 8. En fulce Daer van vlijtighljck onderfocchen / hoe beez
Ke klare ſpꝛeucken meet. He een natüerljcke Moeder, nae Der Ope
deninge Godts / Gen. 1. de fua carne ín deë
t 2 Con⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
316
Conceptie tot der brucht befchickt ende toe:
doet.
Dat bepde de Man ende de Pzouwe dooz
dat woordt / Waft en vermeert u / bequaem
tot der Baringe ban Godt verozdineert zijn/
is klaecder Dan. men loochenen kan / noch—
tang een pegelijck in ſijner Ozdeninge / dic
man / quali feminator , en díe brouwe / quah
excipiensager , que feminanti viro tot Cee:
linge oft wasdom ban Godt berepdt ig / Gne
qua etiam vir non poteft fructum ferre un-
uam.
Dat dit ſelbige hier berhaelt / alfoa Godts
Oꝛdeninge is / leert De fchyrijft alamme. Al⸗
Dus fpzeechtt Paulus: gelijck De VBrouwe ban
Den Man komt / alfa komt oock de Man
Doo die Pzouwe.
Wier mercht ten eerſten / dat hp ſeght / dat
Die Prouwe van den Man komt / en ten an-
Beven / datde Man niet van der Pzouwen /
maer dao? De Vzouwe komt / doch alles upt
Godt/ 1 Caz. 11. 11/ 12,
Nen een ander plaetſe fpreecht hp: Kebec⸗
bef lie ca werdt zwanger ban den eenigen Iſaac /
eenden Mom.9. denckt na wat het meput.
oorfpronck Item / Sara (feghe hu) heeft daor den
des kints is. geloobe kracht berktegen/ Dat zaedt (ber ftaet
oueque sara Vaere Jang) te ontfangen / en dat te bez
vires adja- houden / Ec. Daeram zijn oock ban eenen
ctum feminis (perſtaet van Abzaham) hoewel verſtozven
ie Be chf chaems / veele gebooren
Oe eere verſochte Dara ( fchzijft Moſes)
als hy geſpzoocken hadde/ en fp werdt zwan⸗
get / ende baerde Abzaham eenen Soone /
merckt vlijtighlijck / Abzahams zaedt heeft
fp ontfangen / Hebz· 11. 11. En heeft Abza⸗
ham eenen Soone gebaert / Gen. 21. 2.
Item / Bilha wert zwanger / ende baerde
Jacob eenen Sone / Gen. 30.3. Gen. 16.2.
Volcken / ende hoopen volcks (ſprack
Godt tot Jacob)ſullen ban u komen / merlit /
huſeght vanukomen / en Koningen ſullen
upt uwe Lendenen (noch eenmael merckt)
hp ſeght upt uwe Lendenen komen / Gen.
cap. 35 II.
Levi (ſeght Paulus) Was noch in de
Lendenen fijns Daders Ubzahams/ (non
autem dicet, in Matrice Matris, ) doen hem
Melchiſedech tegen gingh / Webz. 7. zo.
feh ben oack (fchrijft Sapiens ) cen ſterf⸗
lijck Menſche / gelijck als die andere / geboo:
ten banden Geflachte deg eerſten geſchapen
Menſchen / en ben gebeeldet een vleeſch tien
maenden lang ín den Bloede te famen geron⸗
nen (mercht ) ban Mang zaede/ Sap. 7. 3-
Sicutlac (ſeght Job) multi me , & ſicut
cafeum me coagulatti, Gob. ro. ro. en Diet:
gelijcke fpzeucken meer.
Ick mepne face) men lan hier unt defe
ſpreucken wel beeftaen / Dat Die Man de ep⸗
gentlijcke aorfpronch eu feminator ſijnes
kindtg / en die Dzouwe de berepde Acker ig /
foo verhaelt ís.
Item / gelijſ alg aak een Acker níet fijn opz
gen / maer deg zaepers zaet ín haet ontfangt/
bat felbige vochtight / geneeret / Waffen doet/
en tot fijnen cijpe vzuchten beengt/ en alfoo
(hoewel daer in gezepdt ) des Ackers vrucht
en zaedt genoemt Werdt/ en oock is / Ica
Etiam Mulier, non ex fuo ipſius corpore , fed
Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
fui viri concipit ſemen, rigat idipfum, qez
neett het en boet het ban haren bleefche / na
Godts Oꝛdeninge / paric hoc ipfum in fe fe-
minatum ſemen, arque enatum fructum tot
fijner tijdt/ en werdt alfoo niet wepniger deg
Moeders alg deg Daders (quamvisà Patre
originaliter conceptum ) zaedt / berucht, en
Soone genoemt / gelijck (ſegge ick ) alg dat
boognoemde ingezaepde zaet / een zaet ende
vrucht deg Acherg genoemt werdt / oozfake /
als gehoozt ís.
Diet / mijn Leeſer / ín alſulcken verſtan⸗
de bekenne en gelaave ick / Dat oock Chzri⸗
ſtus Jeſus Godts eenigh gebooren en eerft-
geboorten / Saone en eeuwige woordt / Ma⸗
rie / oft Der Drouwen zact/ ſprupte / geflachte/
bzucht/en Boone is / van den Dader in haet
Maeghdelyck Lichaem door den Hepligen
Geeft wonderlijck gefepdt/ Ec. gelicht oock
Iſaac een zaedt/ geflachte) bzucht/ en Soone
van Dara, Joannes van SEliſabeth / ende
Joſeph ban Kachel was / foo ber haelt ís.
Vooꝛder fegge ick / Wanneer der Geleer⸗
den voozgeven (ín deſen Deel ) vecht waere /
Dat ick m geenen Wege toeftac/ noch om die
boopnoemde oorfaechen toeftacn kan / dat die
Moeder alg dan wel tienmael meer rechts /
als die Dader tot den kinde Gebben moefte /
want die Dader het niet dan in pruritu carnis
baert/ endezacpt/ maer die Moeder moet
het met foe ontallijcke veele zware pijnen en
fmerten wel negen oft tien Maenden langh
behouden / de truêtu, five fucco fue carnis
geneeren/ met perijckel en doodts gebaer bas
ten / en daer na noch met hare Moederlijc⸗
ke Melck een Jaer oft twee van haten Lij⸗
be voeden ende optrerkten. Dit alles niet
lettende / Werdt noch dat recht des kindts
den Dader/ en niet Der Hoeder / door Die
gantfche Schaft toege-epgenr / ſoo men ín
de aengetogen ſpzeucken in alle klacrhepdt
fpeurten cn fien magh.
Mijn Leeſer / neemt Det Waer / foo der
geleerden geondt recht ware / konde het nict
feplen/ oft Dat halve vleeſch Der kinderen
Sela / des Soons Guda, maeft alg dan
van der Cananitifchen Cananitiſch / der kine
deren Moſe / van der Moorinnen / Media⸗
nitiſch / en der kinderen Joſephs / van det
Egpptifchen / Egpptiſch geweeſt zijn / is onz
wederleggelijck.
Die menſche Chriftus Jeſus konde oock niet
meer dan een halve meníche in fulcken ge-
valle geweeft zijn, namelijckt / foo verre als
fijns Moeders aen part en deel nae Den herz
ſtande der Geleerden aengingh : welcke hal⸗
be menſche gockt niet alleene van Guda / daer
díe belofte op wijsde / maer ooctt eensdeels
ban Levi / Luc. 1. eensdeels ban den Caz
naníteren upt Nahab / en eensdeels Lan den
Moabiteren upt Buth / moeft voortgeftaaz
—* zijn / is klaerder danmen loochenen
ian.
Siet / mijn Leeſer bier mede betracht nu /
hoe gantſch jammerlijck die Geleerde Godts
Oꝛdeninge van der Drouwen zaedt / vrucht /
ende Sodne verkeeren / en Chriſtum Godts
Eenigh-gebooren ende Eerft-gebooren Soone
verklenen , datfe fijn alderheylighfte vleefch
van Maria vleefch beweeren willen, om *
wi €
Utriufque
fruétus,nem-
pe & viri &
agri, ſperma
apud Grecoss
& femen
apud Lati-
nos dicitute
Hier merkt ,
in welcken
verftande
Chriftus Mas
rie Soone,
vrucht ende
zaedt ge-
noemt wert.
Merckt wel;
wat hier ges
feyt wert,
Gen. 33. 2
Exod. 22.
Gen. 41. 45,
Gen.49. 16
Hebr. 7 9.
Matt. Ie fe
Davids Be-
lofte door
Nathan.
Hier merckt,
op wien Da-
vid die Be-
lofte in den
Letter ver-
ftaen heeft.
Salomons
verftant van Godt ruſte gegeben contomme/
geen Wederpattpe / noch guade hinderniſſe zijn / L
meer is. Siet / fo hebbe ick gedacht een Hups letterlijck / ende * a
de belofte in
den Letter.
wille, dat hy een zaet ſoone ende vrucht der
vrouwen inder Schrift genoemt werdt, ende Godts /
mercken niet/ hoe gantſch geweldighlijck
bende Die Natuere ende De Schzift ong lee⸗
ten/ Dat den eerſten oozſpronck ende zaedt | Die
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
317
te bouwen den name deg Veeren mijnes
mijnen Dader David /
alg de Veere gefproocken heeft tot
ende gefept : u Sane /
dien ien ín uwe ſtede fetten ſal op uwen fioel /
eenes Menſchelijcken vruchtg oozfproncher | 3 Heg. 5. 13.
lijck van den Dader / ende niet van de Moe⸗
Det zy / Dat dock wel eenfdeclg daer upt mede ,
magh bemercht werden / quod Lemen Viri|
ufque in decrepitam ætatem frutiferum fem-
per permanet, maer Die Acher oft die Dzour
we níet langer dan tat DE vijftigh jaren / of£
daer beneden / fa
ghp fien meught.
Maer fa veel Den vzucht Der lendenen Da⸗
vids aengaet / fc
gge ick ten eerſten fo daer
op / Dat Die feloige Belofte na den Letter
niet op Chriſtum / maer op Salomon gez
fpzoockten za / ſullen Nathan / Dabvid / ende
Salomon mijne getupgen zijn. Aldus ſprak
Die {eere Door Hatan te
voornam den Deere een Huus te
tot David / alg hu
ende ſprack: Wanneer nu uwen tijdt voorby
{g/ dat ghy met u
ke bebeſtigen / Die
bouten /
fijn Dader zijn /
Wanneer hp eene mifdaet doet,
woorden Wel hu feght / wanneer Gu een mifz
men Vaderen flapen ligget/
fal mijnen Name een Pups
ende ick ‘wil den Stoel fijneg Ko⸗
hu fal mijn fone zijn /
ende
verſtaet deſe
daet doet / Dat van Ehriſto nimmermeer kan
geſpzoken ziju) foo wil ick hein met menſchen
roeden / ende met dee menfchen kinderſla⸗
gen ficaffen/ 2 Ne
„cap. 7- Stet foa lup⸗
4 J
Den de waozden der Beloften letterlijck.
Dat nu David deſe woorden Des Pꝛophe⸗
ten ín den Letter op Salomon verſtaen
heeft) betupgen Defe fijne woozden opent:
lick: Mijn Sone / fepde hu tot Salomon /
ick hadde het mp voorgenomen / den ame
des Weeren mijt
wen / maer Dat
tot mp/ ende fpzackt: Bhp hebt beel bloets
vergoten / ende groote rijgen gevoert/
n mijnen name geen ups
bouwen / dewhle dat gp fo beel bloets op De
erde vergoten hebt Laar mp. Siet / Die So⸗
ne/ díe u fal geboren werden / Die fal een
vzeedſaem Man zijn / Want ick wil hem
cuften laten van allen ſijnen bpanden ront
daerom fult ah
teg Godts een Hups te bou⸗
Woozdt deg Heeren guam
Oock ſtaet ín
ſal mijnen name een hups bouwen / Ec.
den Pſalm geſchrzeven:
Neemt niet wegh dat Aegiment uwes Gez
falfden/ om uweg knechts Davids wille.
Die Weere heeft David cen waerachtigen
Eedt gefwooren / daer fal ba hem niet van
wenden. Ick wil u op uwen Stael fetten /
de bucht uwes Tichaems. Sullen uwe kine
deren mijn Verbont houden / ende mijn Gez
tupgeniffe/ die ick haer leeren fal/ ſoo fullen
oockt hare Kinderen op uwen Stael fitten
eeuwighlijck / Pſalm v. As 23. Leeft oock
den 8. en 9. Pſalm.
Siet mijn Wefer! aldus leeren ende bez
tupgen ong deſe heldere klare Spzeucken oz
vid gefchiedt/ in
bouwen / pentlijck / dat de voornoemde Belofte Da:
dat oude letterlijck weſen /
niet op Chgiftum/ maer op Salomon gez
fo wil ick u Zaedt nau verweekien/ Dat van fpzoken zp.
uwen Lijve komen fat / dien wil ick ſijn Rijc⸗
Cen tweeden fegge ick;
Die Propheet Cz
faiag propGeteerde ban Chꝛziſto / ende fpzack :
e| Cen “indt ig ons geboren / cen Soon ig ons
ninckrijcks bebeftigen eeuwighlijck. Ick wil gegeven / wiens heerfchapppe op fifne ſchou⸗
deren is / ende hp Geet wonderlijck / Mracdt /
Kracht) Helt / oft flerclie Godt / eeuwige
f-\Dader / Vrede-voeft. Op dat fijne Meers
fchapppe groot werde / ende des vzedes geen
epnde/ op den ſtoel Davids ende fifnen Ko⸗
nínckreifche (mercht) Dat hp het berepde ende
ſtercke met Gerichte ende Berechtighepdt
ban nw aen tot in Der eeuwigheydt. Eſai. 9.
Item / De Engel tot Mariam: Godt
de Bere fal hem geven den ftacl fijng Daderg
Dabid / ende hy cen Koninck zijn over Dat
Pups Jacobs eeuwighlijck / ende fijnes Ko⸗
ninchrijchg fal geen epnde zijn / Luc. 1.29.
Getrouwe lefer / neemt het waer / Hades Pal. 45. 7-
mael deſe twee Wacrachtige Getupgen) 2-37:
Efaiag ende Gabriel, deſen beloofden Woz
ninck ende Meſſia Chzifto/ Davids Rijck
ende floel met foo klare woorden toefeggen /
omne / want hp fal Salomon heeten / Want
íclt wil bzede ende ruſte geben ober Iſraẽl
fijn leefdage / Die ſal mijnen name een hups
bouwen / hp fal mijn Sone zijn /
wil fijn Dader zijn /
nincklijeken ſtoel over Iſraẽl beveſtigen ccuz
wighlijck. 1 Par. 23. 1
Die Belofte alfao bec ftaen/ gelijk
fchap tot Hiram lundet / doen hp hem boodt⸗
fchapte ende ſeggen let: Ghu weet (ſeght fc
hp) dat mijn Dader David niet konde bou⸗
wen cen Pups
Den mame des Heeren ſijnes
Gods, om des krijghs wille Die contom
hem was / tot datſe de Heere onder fijne boet?
folen gaf. Maer nu heeft my
dat hp Daer op fitten / ende Daer ober heet:
fchen fal eeuwighlijck /ende het openbaer ig /
dat bhp in deſer Werelt geen Kijck gehadt
heeft / fa in den vleeſche acmer dan de Boffen joan. 18. 37e
ende Vogelen geweeft is Matt. 8 Wuc. g.
Weten cbenwel/ dat Godts Belofte / doorz
den Pzopheet ende Engel gefchiet / waerach⸗
tigh ig / fao moet immer hier een ander heer:
je ende ick | fchapppe / Kijck ende ſtoel upt gerftaen Wer:
ende ick wil fijnen Waz |Den / dan David gehadt heeft/ Oft men
| moefte ſeggen / dat deſe voornoemde Getup⸗
1. gen in hare Beloften gefeplt / ende de waer⸗
Deftelgen gelijcken heeft oock Salomon hepdt niet geſpzoken hebben. Zijn dan die
fijn Boodt⸗ beloofde Heerſchappy
Dabids letterlijcke 0
e/ UNück / ende ſtoel /
ft vleeſchelijcke Weers
happpe / Nück ende ſtoel niet / maer sijn
fp Geeſtelijen / fo moet immer oockt de Woz
ninck / díe daer op fitten ende heerſchen fal /
niet Davids ſetterlijcke ende bleefchelijcke
Pꝛucht / maer een Qieuwe ende Geeſtelijcke
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Die Veere mijn brucht zijn / gelijck De boorfepde heerſchap⸗
Dat Daer ppe/ Wijck ende ffoel nieuw ende Geeſtelck
zijn/ oft de eene helft der Beloften moefte
ndet helft Geeſtelijck
t 3 hete
—— —— — — ——
318
Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
verſtaen werden / is klaerder dan men we⸗ Han Adams onrepnen ende ſondelijclien blee⸗
derleggen kan. ſche fijn Meſſias / Heplandt / Perloſſer/
Ten derden ſegge ick / dat die Leſer wel Heere / ende Godt is.
moet waernemen / dat Chziſtus niet anders
een Zaet Abrahe ende Davids / cen Pzucht
Ber Tendenen Davids / een Drouwen Zaet /
Vrucht) ende Sone fn der Schrift genoemt
werdt / dan fao bele der Beloften / ende Den
Geflachte/ daer upt hy naden bleefche / oft
Gen.r.24. met den bleefche gebaren is / aengact / ende
Verto: een ware Moeder na Godts Ozdeninge/
Gen. cap. 1. toeltomt : Want foo hp na zij-
ner menſcheyt van Marien vleefch ware , gez
lijck De Geleerde feggen/ fo Ware hp De
waerachtige Sone Godts niet geweeft / oock
niet ecn wate Sone Marſæ / Want bp met
fijner geheeler menſchelijcker Subftantien
ban Marien vleeſch foude geſchapen ofte gez
maeckt / ende niet ban Godt fijnen Wader
oozſpzonckelijck voortgekomen ende geboren
zijn / dat níet alleene tegen Die Epgenſchap⸗
gen Der namen / Dader / Moeder / ende Dor
ne/ maer ooclt tegen Godts Opdeninge /
Patuere / ende alle Schzift is / foo gehoort is.
Diet / alfa is de Welofte van Die Baucht
Der. Kendenen Davidg ín dat oude letter lijcz
Ke wefen valtogen op Salomon / ende in dat
nieuwe Geeſtelhcke weſen op Chziftum dat
nk 16. alfao een menighvuldigh gebzunck in Der
Hebr … ſcheift (8) gelijchmen van Gfaac/ Gen.21.22.
Matt.a.z Gan David / Pfalm 27. ban Simson / Fud.
Joan.19.3. 13.5.%C. In den letter (ban den Apoſtelen
ende Euangeliften in't nieuwe Beeftelijck
efen / met grontlijcke woozden op Chꝛri⸗
ſtum uptgelent/ die allee beelteniffen cpnde
is) lefen ende fien maat).
Ban tweeden gebruycken fy noch een Ar-
gument, ende feggen : Godt kan noch
lijden noch fterven: Gods woort is Godt:
joan. 1. Derhalven kan oock dar felvige woort
noch lijden noch fterven.
Antwoordt.
| T En derden feggen fy ‚ als dat de Menſche
Chriftus van dat fuyverfte Bloedt Marie
ontfangen is, Dat de Sone Gods onfe vleefch
heeft aengenomen , Dat Godts Woordt hem
met onfe Menfchelijcke Natuere vereenight ,
ende in onfen vleefche gewoont heeft, Dat
hy der Wet in onfen vleefche moefte voldoen ,
dat hy van wegen der geboorten van Adams
vleefche onfe Broeder is, oock vleefch van on-
fen vleefche is, Ende onfe vleefch nu tot des
Vaders rechter handt fit, &c.
Antwoozdt.
Wie deſe woozden / oft eenige van den
iN feloígen te beantwoorden, achte ick _ Dar niet 4
gantfehelifclt onnoodigh te zijn; Want ick ——
bekenne/ Dat fp een bzeemt Euangelium woorde
zijn / daer van níet een letter in Die gantſche Gors zome”
Schrift geroert ig / ende derhalven oock ver⸗
bloeckt/ ende Anathema zijn / Gal. 1. Sg.
Nochtans / dat hp onfe Beoeder is / bes
kennen wy / maer niet ín alſulcken verſtan⸗
de / alg de Geleerde doen / want fy hem voor-
namelijck wegen des Adamfchen vleefchs Niet des
daer van fp hem hebben willen) haren Bzoe- veeiens”
Det noemen / dat Wp fo nict Doen / maer nieuwer gee
wp feggen met der Schzift / namelijk; Gez geboorte
lick hu een waeracht igh Sone upt Godt gez ijver, wer
boren is / ende ban Paulo een ecrſtgeborene chriti groe-
onder bele Bzoederen genoemt wert / Dat deren in det
top oock alfo met hem upt gelijcken Dader (hei se-
geboren / fijne Gzocderen ‘werden moeten / mart. 12. 5-
Ick fegge fijne Bzoederen/ want hj ig Die Marc. 5: 35°
Serſtgeborcne / fou verhaelt ig. —
Item / deſſewen gelijchen ſegge ick / dat par. 22. 23.
hy niet vleefch van onſen vleeſche, gelijck fp 1 Joan-15-14«
ſeggen / maet dat de Wederacherene vleeſch
lan fijnen bleefche zijn/ gelyck de Schaft
feght/ want foo hy vleefch van onfen vlee-
fche ware, gelijck fp feggen/ foo moefte Chri⸗
Ht Godt de Almachtige ende eeuwige | ſtus cen ſondelijcke / verbloeckte / ende doodt⸗
Hier merc-
is / omlijdeljch eude onfterflijcls is / is open:
nen, die daer baer / maer dat fijn Woozt lijdeljck ende
feggen, dat ſterflgek geworden is / leert Die gantfche
nietvleefch Schuift in alle Klacchept/ Joan. 1. 29. 36.
geworden 1 foan. 1.7. Hom. 8. rr. Apoc. 19. Wie nu
* fulckg wil verloochenen / die verloochent ten |
eerften Godts ſtercke kracht / Baer mede hp
alles wat ha Wil / doet / ende Doen fal eeu⸗
wiahlijct. _
Cen tweeden / Gerloochent hy de Liefde
Gods / daer mede hp ong alſo lief gehadt
heeft) Dat hy aacti fijnen Eenigh -geboren
Sais.s. Sone ong gefchoncken heeft/ Bom. 8. 3.
—— Joau. 3-16. 1 Goan. 3.4.
Ende ten derden dat getungeniſſe Godts /
Deut. 18.15. weltke hu dooz ſijnen Heypligen Apoſtelen
2577.ende Pꝛopheten ín ſijnen Hepligen Geeſt
enso. Ban fijnen lieven Zone doo? De gantſche
Jer. 23 5 chrife getunght heeft. Summa / Die ver⸗
2 31 faecht dat Godts Woozdt vleeſch geworden
Joan 146 is / ende Chriſtum een menfche ban Adam
vleeſeh beweeren wil / die beweert Daer mede /
Dat níet Die eerſtgeboren ende cenighgeboren
Done Godts / maer cen acctfche creatuere
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Bader / Die alles goets een oorſpzꝛonck | fchuldige Chriſtus geweeft zijn / tf na Gods
eeuwighdnerende rechtveerdighept klacrder /
dan ment wederſpreſien Kan.
Peen / mijn Leſer / niet ſoo / maer ge chriftus is
lijch Die eerſte ende aerdtſche Adam van fijne niet vleefdk
Eba (Dic ban fijnen lijve genomen Weet) gez siaesne,
tupghde/ datſe vleeſch ban fijnen vleeſche maer die
ware / alfae getupght oock nu Die tweede —
ende Hemelſche Adam ban fijne nieuwe „eerch vas
Gba die gemepnte / die van ſijnen alder bep: Chritti
lighſten ende ievendigh - makende vleeſch / vleefch.
Geeft ende Noort / hem tot eener Pzouwe
in den Geeft ban Godt berepdt wert / datſe
bleefch van fijnen bleefche/ ende Leen ban
fijnen beenen is / Epheſ. 5.30. Want Eva Rom. *—
fepde niet ban Adam / dat Hp vleeſch ban 7e 15.277
haren vleefche / maer Adam fepde ban Eha / mart. 19. 5-
Dat fm bleefchh ban fijnen bleefche was / Mare: 10 5
GBenef. cap. 2. GP 24-
Beſlupte dan hier mede / fegge ende bez
tupge boor Bodt / ende ooch hoop de gant”
ſche Werelt; namelijck / Gelijck als Wp gez
looven ende Bekennen / dat Die geheele Chri⸗
ſtus Jeſus / onfe eenige ende eeuwige Meſ⸗
fiag ende Heplandt / Gods eeuwige woordt
J
Chriftus Je-
fus verus de en dat Godt fijn Dader is / Dat wp oockt deſſel⸗
geMariefi- gen gelijkeen alfo gelooven ende bekennen/ dat
hp oock na der Beloften de Baderen gefchiet /
Sen.a. 28. Mariæ ſijns moederg (na dec Ozdeninge
fer. 29.6. Ben. 1. 28. allen Waren Moederen in Det
Menſchelijcker bacinge ban Godt opgelepdt)
wate zaet / vrucht / ende fone ig / en dat Ma⸗
ria fijne ware Moeder is / want fp hare Moe⸗
derlijcke Ampt ende plicht (fo beel eener wa:
ver Moeder na der boogfepder Oꝛdeninge toez
komt / ende ban Godt opgelept is) gant:
ſchelijck ende volkomentlijck aen hem bewe:
fen heeft / Dat alleene uptgenomen ) dat ſp
hem niet juxta nature ordinem per carnalem
commixtionem ;
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
ja fijn eeníg-geboten en Eerſtgeboren fone is Bapen/ Dien hp lief hadde / hem tot cen Om aar A-
(zBrantoffer hepligen ſoude / Abraham ge: — God
e bez geloofde,
319
loofde Godt / hp was gehoorſaem / end
cept te doen / dat hem Godt geboden ha
Gent. 22. ro. Hom. 8. 32.
Deſſelven gelijcken worde hem bevolen /
dat hp hem felven fijnen fonc Iſmael / (Iſaac
was noch niet gebaren) fijn hupsgeſin / die
Mannelijk waren / ende oock die achtdaegh⸗
fche knechtkens na hem befnijden foude /
Ubzaham geloofde Godt / ende dede Dat hem
Des Heeren mondt gefpzoken hadde/
Gen. 18. zo.
Diet / foo heeft Abraham fijnen Godt gez
looft / hy beeft hem gelooft / fegge ick / ende
ex virili femine, maer boz | het is hem gerektent ter gerechtighent / Gen.
ben der natueren upt Godts zaedt het | 15.6. Borm. 4. Os 3. Gal. 3. As 6. Jac. 2. 23.
Woozt / na des Engelg toefenginge; vermid⸗
In gelijcker maten heeft ons nu Godt in
Delt den geloove / Wonderbaerlijcher wijfe den Nieuwen Teſtamente / niet alleene doorz
boven aller Menſchen vernuft / dooz den
Hepligen Geeft ontfangen heeft / Ec.
Diet / daer hebt gp onfe eenvoudige ende
Klare Gront en bekenteniffe/ ban Chriſto
Engelen ende Pzopbeten / gelijck Abzaham
ende Den Baderen gefchicde / maer oockt dooz
fijnen epgen Sone gefproken / welcke Sone
alſoo bevolen heeft / namelijck / datmen dat
ode /
gehoorſaem.
aerom was
y hem ooek
sgefu Sodts eenighgeboren ende eerſtgebo⸗ Euangelium allen bolchen / fo Wel den Dep: reve, …
ten Sone / gelijck ong des Heeren onfeplbare
Geeft / dooz Dat getungeniſſe fijnes Bepligen
Woozts/ in ongedechte Klare letter leert
ende aentwijft. Defe Bekentenifft beftaet /
fp beſtaet / fegge ick / ende fal oock door Des
Heeren genade tegen alle der Hellen poorten
ende gewelt beftaende blijven eeutwighlijck /
want fp in Godts onvervalfchte repne
Woordt krachtighlijck verbatet / eenen on:
betweeghlijckten gront ende vaſten boet heeft.
Ende is deſen Artijckel wel dat hooghfte
ende wichtighfte, ſoo Die Geleerde haer hoo⸗
ren laten/ waeromme Wp (hoewel Wp die
kracht der gantſcher fchzift / daer toe oock
Gods Oꝛdeninge helder ende klaerder voor
ong hebben) noch Kercke, noch Chriftenen,
maer een verdoolt volck, ende Godtlooſe
Wy moeten Ketters bp haer zijn moeten. Godt gunne
echlacy) haer oogen/ dat fp fien magen / Umen.
gen Geleer ” oppe Die nu noch wijder befchept ober de:
zijn, om dat fen Artijckel hebben / ende hooren willen /
wyleeren die onderſoecke onfen Bericht op L. Defen:
venegeloo Ge / ende ſp fullen doo Godts genade (hope
íck) ban alleg een goede ende Waerachtige
ven, dat die
geheele
aenwijfinge / beeftant / ende gront binden.
Chriftus Je-
fus Godts
—— En ſevenſten, befchuldight hy ons, ende
T feght: Dat oock hare Kercke noch ander-
mael van Abrahams tijden niet out is, ende
fy ‘derhalven de ware Kercke niet zijn } is daer
door openbaer, dat fy den Kinderkens der
Kercken die verfegelinge des eeuwigen Ver-
bonts) fo van Abrahams tijden af in der Kerc-
ken gevoert ende gebruyckt is » ongehoorfaem
den wille Godts weygeren.
Antwaozdt.
A “Braam wert van Godt geroepen / Dat
ba upt fijn Baderlandt / van fijn vrient⸗
fchap/ ende upt fijns Vaders Luns gaen /
ende ín een Landt treckten foude/ Dat hem
de Weere wijfen wilde &c. Abzaham gez
loofde odt / hp teock upt / gelijck de Hee⸗
re hem bevolen hadde / Gen 12- DIT. 4. 5/ 6.
Noch cenmael gebood
hy Iſaac fijnen eenig
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
them de eere / Dat | velt gekomen / Dat ſp
hgeboren Lan der daer hp men Chziſti ware Jongeren ende
denen alg den Goden Pzediken / ende Die
daer aen gelooven doopen ſal / Marc. 16.
15. gelijck Abraham bevolen wozde / dat hp/
wat Mannelijck ware) Beſniden foude /
Gen. 17. 2/,3/ 4.
@Dit felvige Bebel hebben wp upt Chꝛiſti
epgen mondt ontfangen / daeromme fa ge-
looven Wp het oock / gelijck Abzaham tot
fijner tijt gedaen heeft/ Wp gelooven ’t (ſegge
ick) ende doen het / leeren Den ber ftandigen /
ende doopen den geloobigen (miet ín onge:
boozfaembept) gelijck Gellius ong laftect /
dan ín geboozfaembepdt/ gelijck het ong
Chriftug Godts epgen Sone ín bloote klare
letter ſelve verordineert ende bevolen heeft.
Weerde Leſer / neemt het waer / De Pee-
te Chziſtus danckte fijnen Dader / ende
fpzack : Dat ig dat eeuwige leben / Dat fp u /
dat ghp alleen waerachtigh Bodt zijt / beken:
nen / ende Jeſum Chziftum)/ Dien gh ge-
fanden hebt / Joan. 17. L$ 3.
Noch aen cen ander plactfe ſpzeeckt hp /
Soo gh ba mijne Woorden (berftaet het
vecht) hp ſeght bp mijne woorden blijft / foo
fult gp mijne ware Jongeren zijn / Joan.
8. 13. Ende nu ong Die barmhertige liebe
Badet dooz fijne groote goedighept die heer⸗
lijcke beltenteniffe / ende Die wonderlijcke
Diepe becholenthepdt fijneg lieven Soons
ontdeckt heeft / ende ong daer bp foo een
vzucht Doog fijnen Geeft geſchoncken Geeft /
dat wp niet een hap? breedt weteng ende Wil-
leng ban fijn Hepligh Woozdt / Ozdeninge
ende Bevel wijcken dozven / gelijck onſe
ſware jammer ellende / dzoeffeniſſe / goedt /
ende bloedt aen belen plaetfen boor Die gant-
fee Werelt betupgen ende kont doen / ma-
gen wp daeromme (och lacp) na Gellii ende
ber geleerden oozdeel geen geloovige Kercke /
noch) Ware Jongeren Chzifti zijn/ fo ghu
fien meugbt.
Matt. 28 13.
Matt. 21. 38.
Mar. 16. 15»
Matt. 28. 19.
Die Abra-
hams gebo-
den ende
voetftappen
volgen, kon-
nen buyten
fijnGemeyne
te (hoewel
Gellius foo
{preeckt)
niet gefloten
worden.
Die Chri-
ftum recht
kentende
fonder aen-
ftoot in fijn
Woort wan-
delt, kan by
den Predi-
kers geen
Chriíten
zijn.
Siet / foo is dat rechtveerdigh Oordeel
Des Ulmachtigen ende grooten Godts over
Die Wijfen ende Schaiftgeleerden deſer We-
ſy die klare Teeckenen /
Kercke
320 _ Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
ercke kennen fal / ende kennen moet / Goo? ,
fa cen geuwel ende dwalinge achten / dat fp /
fp die upt genade Lan boven af ontfangen,
fchaijben / met t'ſamen Papen / Monnic⸗
ken / ende Pzedikers / Die meeſte ende eer fte
oozſalie zijn / gelicht baog bele vedelijchke Lup:
_ Hebben, geen Cheiſtenen bp haer zijn mo⸗ den klaerder alg De klaren dagh ig.
gen/ fo verhaelt ig.
sk: En achtften befchuldight hy ons, ende
feght: Sy moeten bekennen, dat hare
Kercke maer fefthien oft feventhien Jaren out
is» dat is, vander tijtaf , dat Menno Symons
begonnen heeft te prediken, want van den
Munfterfchen , Amfterdamfchen ‚ ende Oude
Cloofterfchen, onder welcken Menno Sy-
mons een Broeder verloore, willen fy gant-
fchelijck niet zijn, op dat fy niet voor oproe-
righ , oft als een zaedt der Oproerifchen ge-
fcholden werden.
Antwoordt.
Deut. 18.15. C Hriſtum Jeſum onfen eenigen ende eeu⸗
A&.7. 37. wigen Prapheet ende Heylant ban den
er tie Bader gefonden / Die De eenige ware Gzont:
Rom, 19,33. ſteen ín Spon/ de waerachtige Leeraer /
Wetgever / Gebieder / Voorbidder / ende Dat
Hooft fijner Gemepnten is / met alle fijnen
Engelen / Wpoftelen ende Pzopheten / daer
hp voortijts door gefproken heeft / met t ſa⸗
men ſijnen Geeſt / Woost / Ozdeninge/ ge⸗
bodt / verbodt / gebrunck ende voorbeelt ſtel⸗
len wp daer / kan ong Gellii oft pemant on⸗
Der den gantfchen Hemel / geleert oft onge:
Yeert / met Godtlijcker waerheydt obertup:
gen / dat wp petg wat tegen fijn Wooꝛt ende
Sꝛdeninge iceren oft hanthaben / fa begeere
íclt boor mp upt dat binnenfte mijner zielen
dat onrecht af te ſtaen / ende wat recht is na
Ten Derden ſegge ick / dat ick mp dunc⸗
ken late / dewijle hn mp mijng armen Broe⸗
ders miſgrijpinge / Die nu niet meer Ber men⸗
fchen ſtraffe Die hp eenmael ín Den vleeſch
geleden heeft mact fijneg Gades oordeel
alleene voorbehouden is / bier fo onbeleefde:
lijck beorwerpt/ vecht of hp ban groster
nijt ende bitterheyt fijns gemoetg geen Deez
re Ware/ Daer mede Doch niemant in dat
alderminfte kan gebetert / oft ter gevechtig-
heyt geleert Werden / Dat hy het lichtelelt
upt'cen van deſe bepderley Oozfalien moet
gedaen hebben / ofc Dat hp mp daer doorz bn
den tefer wil verdachtigh malten / alg of iclt
gacks eertijdts van gelijken gront met míj-
nen Beocder foude geweest zijn / oft dat bu
mp doch faa een vlerke in mijn geruchte wer⸗
pen wil.
Heeft hp Get dan upt Die eerſte Oozſalie renracm-
gedaen / alg dat hp mp geeen verdachtigh roover feghe
Daer mede maken wilde) foo fullen fp doch LUS
alle / Die mp eectijdtg ín ’t Pautdom/ ende des poodts
oock daer na tot op Defer uren toe gehoopt weerdigh.
hebben / met t'ſamen mijne opentlijcke fchzif-
ten / mijne getupgen zijn / dat hp np met
onrecht berdencket / en verdachtig maeckt /
want ick ſulcks nopt gedacht / noch wepnt-
ger geleert hebbe.
Maer heeft hp het upt die tweede Ooz-
faechke/ alg dat Gu mijnen ame geerne
fchant-bleckten wilde / fal hp weten / dat ick
ende De mijne / onfe Ieefdage hem ende Den
te komen / weet Die / Die mp gekocht heeft / ſijnen (hope ick) niet om een hap? gekrenckt
want ick wilde geevne faligh zijn. Maer [hebben / ende dat oock mijn arme Bꝛoeder
konnen fp het met der waerheydt níet doen / (den welcken hp mp foo bpantlijcken baog-
maer alleen ín eenen fchijn der waerhendt (werpt) niet meet miſhandelt heeft / dan dat
Alle die ma De waerhepdt upt vpantlſijcker herten laſte⸗ hy fijn geloove dooz bergrijpinge (ech lacp)
Gods Geeft ven ende ſchelden / gelijck alle verkeerden met Dee vupſt berdedigen/ ende Dat aenge-
ende Woort gen / ende moeten fp ong dat Getungeniſſe/
ijnchrig: Dat wp hebben / ongebzokken houden laten /
Kercke, hoe- fog is daer mede genoegh beweert / Dat onfe
weldePre- (eer gehatede / verachte / ende Llepne Herce
pendatíy Hef de rechte Propbetifche/ Apoſtoliſche /
Ketters zijn. ende Cheiſtelijcke Uercke zy / Die met den
cerften Berechtigen / Die na Gods wille
wandelde / begonnen is / ende níet eerſt met
mp/ gelijck Gellius upt onrepner herten /
(ochtacp) dichtet ende boorgeeft.
Gewelt, Cen tweeden fegge ick / nademael hp ons
—— roof der Mauntfterfchen dwalingen ende oproeren
in Steden en Eens ende andermael voorwerpt, daer top
Landen, lec- 900} Godt ende den Menſchen onſchuldigh
2ende vrn zijn / oock altijdt bep geweeſt heb⸗
noegh, wat pen / wilde ick her wel gebeden hebben / dat
endehare bp doch fijn Uinderdoopſche Gemepnte /
or Daer ín hp een Hooft ende Leeraer ig / een-
Wree ande mael vecht befien wilde / hoe gruwelijck fp
Chriftenen Gan gele Jaren af onder den anderen geop⸗
— roert hebben / met hare verbloeckte Godt⸗
looſe irijgen Banden ende Kupden im ’t ver⸗
briet gebracht / ende Dat menſcheljeke bloedt
midsgaders hare arme Zielen bp fo ontal:
lijclie bele dupſenden Den Voꝛſt der Hellen
tocgefchicht / ende hem tot eenen Offer op
fijnen Altaer ende banck gelent hebben / deg
(ects lacp) Die Geleerde met haer oproerh
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
lepde gewelt ontmoeten wilde / gelijck als
dock alle Geleerden / Pzedikers Papen /
Monnickien / ende De gantſche wijde We⸗
reſt Doen. Dat hp my dan fa nidighlijclt Liefde met
fulcks ín den Mogen ſtootet / vermoede ick / —* te beta·
dat tick niet Dan met mijn getrouwe liefde oor acre.
ende Godts Woozdt alfaa aen hem verdient
hebbe / om dat ick hem ende alle Predikers
Die Godtfalige vepne Waerhepydt upt goet⸗
gunftiger heeten boozgedzagen ende tot Dat
befte blgeighlijclt vermaent hebbe. Ende hoe
haer dan defe bittere ſcheuts / Die upt goede
herten nimmermeer kan gefchiede zijn / ben-
he met der eerbaerhendt ende Godts vzeeſe
ſchicket / mogen alle redelijcke ende vecht
gefinde iupden met der Schpift ende tucht
afmeten. Die lieve Heere gunne hem / dat
ha dat onreyne bleefchjelijchke herte / dact by
Defe onverdiende fchentlijche fcheute upt ge-
daen heeft / vecht magh leeren liennen / upt-
repnigen / ende Ware Boete doen / is mijne
eenige ende hooghſte wzake ende ſtraffe / Die
ick aen hem ſoecke.
J En negenſten beſchuldight hy ons oock
ende ſeght: Dat wy niet bewijſen kon-
nen, dat die Kinderdoop een Antichriftifche
| Gruwel is, noch uyt der Antichriften Orde-
ninge
Over een Schrift tegen Gellium Faber. 321
ninge toonen , wie die Infetter is. Isoock be-| dat díe getrouwe Propheten haer mede ín der
wijflijck, feght hy, dat lange voor des Anti- Kalberdienſten Jeroboams / in den dienften
— iſts gewelt (dieter tijdt Auguſtini noch on- Baal / ende ín die gruwelen Iſraels / Die fn
bekent, of niet groot geweeſt is) ja vander A- met foa grooten poet ſtraften / vermenght
poftelen tijden af de Kinderdoop zy gehouden. hebhen/ en alfa met den ongetjoorfamen des
Antwoordt Werts een gebleven zijn / ende dat Die Heplige
ai rien Apoſtelen den Phariſeen ende Schziftgeleerz pie gerrou-
W 5e aol gelden. Eel at si den / met teg allen wederfpannigen / in ——
ons Cheiſtus Goats en- | die gemeynſchap harer Bercken hebben toe- wa dì
— gen Sone bevalen / ende fijn getrouwe Ge⸗ gelaten / fo heeft bp oozfake ong 3 ficaffen / —— zeen
nice na Gods tupgende Apoſtelen met goede klare letteren ende dat hp aldug fchzijben mag. Maer met de gru-
bavelge- geleert / ende Door gebzupckt nagelaten heb⸗ | hebben fn het niet gedaen, gelijck fp ooch niet Ween niee
coke ver ben/ welche (g de Doop der Geloovigen / | gedaen hebben / maer hebben fp die ingesra- “°°
elan einie Matt. 28. 19. Mar. 16. 15. Act. 2. 38. 8. 36. | pen Gruwelen ín perijchel hares levens met
Afgoderge 10.48, 16.33. 19.5. am. 6.3. Colof. 2.12. | Godts epe Wooet en Oedeninge ín kracht
pd 1 Corint. 12. 13. Cit. gesl Pet. 3-21. @Die | Des Geeſts geficaft / foo moct bp immers fet:
uytgedruckt Meen ander leecen ende gebzupchien wil / Die | ve beliennen / dat hn ong fonder oozfake hier
verbodrin moet met der Scheift betupgen / waer tpm beſchuldight / dewijle wp niet anders / dan
ge — des Heeren woort bevolen ig. Maer han hp [na dat Boorbeelt der Depliger Apoftelen en
facen, ſulcks niet doen / alg hp oock nimmecmeer | Propteten/ alle balfche Heere / ongerechtig⸗
kan / ſoo is het daer mede al beweſen / Dat fp | ſeypt ende gruwelen ‚ met Die reyme Apoſtoli⸗
(hoe ſchoon fp vock opgepzonckt wert) niet | fche Heere / Geeft / Ozbeninge ende Wao2t
Chꝛiſti / maer Antichriſti Boop is / ig klaer⸗ onfes Weeren Jeſu Chꝛiſti (fonder welche
der ban men wederfpzelken han. |geen waerachtige Gemepnte Chziſti zijn
Maer dat hp ſcheift / dat des Antichrifts [ kan / noch magh) beficaffen / dat onrechte
gewelt ter tijde Auguttini noch onbekent, of: | mijden / ende Die heplfame Chꝛiſtelijke waerz
niet groot foude geweeft zijn, gantſchelijck hepdt allen hongerigen Eonfcientien met
onnoodigh / daten Antwoozt daer op gee | mont ende fchziften/ met goet ende bloet /
ven ſal. Wie wil / Dic lefe De Hiſtarien / ende |met leben ende doot/ ín altec trouwe ende
ber ftae Die vecht / ende hp fal in alle klaerheyt Liefde onvervalfcht leeren ende kont doen.
| binden / dat Antichziſtus ter tijt Auguftinij Een laetften ſegge ick : ademacl bpang
| ín boller eeren geweeft / ende in de Conſcien⸗ | fo voor cen afgefneden Sette (cheldet, om dat
tien Decr menfchen met fijner leere gebeerz | von níet een met haer zijn waeromme hi
fchet heeft. ode 3 * ed Dn foo van die —A
ende LTutherſche Kercke hebben afgeft —
| — tienden befchuldight hy ons, ende Spreeckt hr / Om die gruwelen Lg a £
ſeght: Wanneer fy de rechte Sendr-boden [haer zijn. Soa antwoosde ict
Gods waren , die de Kercke Chrifti van foda- |®at top het upt gelijcher ——
nige gruwelijcke Antichriſtiſche dwalingen doen / want Deijle fp den Sone Des Waren
fouden reynigen ende verloffen , foo moetten | ende levendigen Godts verſalien / ende ong
fy geen afgefneden decte zijn, want de Prophe- | op een aectfche Crcatucre van Adams onz
ten met t amen alle getrouwe knechten Gods, |tepnen ende fondelijcken vleeſche wijfen / dat
door welcken Godt fijn Kercke dickwils ge=| Die felbige onfe Weplant zp / daer toe geen
reynight heeft » hebben haer van der Kercken Oꝛdeninge in Boope ) Pachtmacl/ ende AF
—* afgeſneden, ende haer felven geen eygen fonderinge na Godts bevel vecht houden) Ec.
Kercke opgericht, maer by der Kercken geble- Want met allen den genen / Die have berfoe:
ven, haren getrouwen arbeyt met perijckel ha- | nínge ende Salighent in Udams fondelijc:
res lijfs en levens aen der Kerken geleyt, &c. | hen bleefche fetten / Godts Getupgemſſe
Antwobnt ban ſijnen Sone verwerpen / fijn Oꝛdenin⸗
Jot, ge verſtooten / begeeren Wp ín eeuwighent
G Elius foeche hoe ende waer hy foecke / | geen Uerchke te zijn / het ſtrecke ong tat lief
bp wil hebben dat hp laſteren magh / fc | oft teet/ foa Godt gelieft / mact met den ——
ſegge noch andermael ende derden mael / Wp | genen begeeren wp een Gemepnte / Kercke Joannes) ut
ferten Cheiſtum Jeſum / met alte fijne Pro: | ende Lichaem te zijn/ Die Godt den Prijs ortie
pheten/ Apoſtelen / eeft Woort / Özdes | dao? fijn oort ‘geven/ die den geheelen Werset
ninge ende Leven daer / kan hp ong Daer me: Cheiſtum boor Goùtg Genighgeboren ende ille flius Det
be Overtupgen / Dat wp in eenigen Vetijche- | Eerffgebaren Sone bekennen / ende on- 5, ereten-
ten daer tegeng handelen / (fijn ſchelden ende | veranderlijk bp fijn heplige @adinantie / baatte
laſteren gelt ong níet) / oft dat wp daer mede Doozbeelt / Geeft / ende twoozt blijven. Wie Pomen cjus.
niet ſtemmen / ende in onfer 3wackier eenbou⸗ | verffaen kan / die berftae / wat deg Weeren leen. io.
dighent eeng zijn / fa wil ich met hem feggen/ | woozt leert.
* me een —— Secte zjn. Maer kan
Ju HEt niet Doen / alg hp oockt nimmermeer En elfften befchuldight hy ons, ende
| — * ende ons ebenwel Bao, een afge— Fem: Volger , dat die — harer
| me meth e * cote ſcheldet / fa bewijſt bp Daer mer | Leere onrecht, ende haren gantíchen Kerc.
—— at ba níet beter van Chꝛiſti Gemennte | ken handel ende wandel ter Saligheyt niet vor=
| Remmen, oopdeclen | fan / als Tertullus boog Felicem ) | dere oft helpen ‚ maer alleene tot verderf ende
—— der — * die Joden tot Roomen boo? Paulum verwoeſtinge der rechter Kercken dienen
3 De 7— Act. 24e 14 kan, ende fy derhalven niet ontfchuldigh als
dider fegge ick fo hn ons bewijſen kan /\Chriftenen , maer als die in een vreemdt
| Sr
Ampt
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
| Ampt grijpen , lijden , (teeckent aen 1 Pet. 4.)| lige teerde woort ende Oydeninge/ om die
B uytgenomen (feght hy) dat fy oock omeener { cepne ware Bekenteniffe Godts ende Chri⸗ Alte ware
|
Í
|
ij || 322 Een klare Beantwoordinge van Menno Symons,
|
fulcker faecken willen lijden , daer fy {elveaen | ſti / om Die gebhoorfacmbent der Schzift/ Ge, Chrittenen
—000 twijffelen moeten, ende geen Martelaer van daerom fp ban den beginne alte hebben gele⸗ —
Hi Ú 1 | | den beginne om geleden heeft, &c. Den / díe na Godts wille recht geleden heb⸗ tigheyt ende
9000— ben / fo men alomme ín der Wiftorien ende veeheyi
Ant woordt. chzift opentlijch ſpeuren ende fien magh.
—00— Gs Elijck De Geeft Chziſti ende der onge: T “En twaelfften befchuldight hy ons, ende
Kik KL | valfchter reyner liefden / alte tat goet feght: Dat fy de Kercke ende Jacob zijn,
Kine re 4 Ä vene —* Goùtlijck dup⸗ is valſch, dewijle ſy de rechte Kercke Chriſti
et: Alſoo dundet oock de Geeſt Antichri⸗ door menigerley dwalingen, die ſy dagelijcks
ſti / ende eenes bitteren poers / alle wat goet uyt den Afgront der hellen voortbrengen
gin — is gren ende ongodde⸗ one wederom verwecken , verontreynigen ,
EEK IEN | „en bi ig 5 — —— goet | Jie rechte Schapen Chriftí verftroyen, haer
| ende Vloet / Dat Wp niet een hap? bzeedt Wes | cr der Kercken Heyligheydt on billijck ver-
teng ende Willens ban Des Leeren Woozdt cieren, twift ende fcheuringe over de Ar-
| Js Gn Vooꝛbeeldt wijchen dorven / maer alleg tijckelen des Geloofs aenrichten , vleefchelijck
| Nietfoo Mader Apoſtelen Heere ende Bebzupek rich⸗ zijn, in ’ heymelijck fluypen ende prediken ,
— ER Ne re
Ì E
| — ten / fa bele De Heere fijn genade geeft / oef ende met der Kercken Ouderlingen niet over
den niet ge- anfe acme zwacke leben ín de vreeſe onfes | …, ftemmen ; gelijck vooren verhaelt is.
| lafiert wert. Godts geerne na Der fchzift ſchicken wil⸗
| 0 Gods pris * tgn Antwoordt.
IE naeften oock met berlieg onſes goetg ende :
| bloet geerne ſoecken willen Gc. noch evenwel —— — gen
| Deef hu fchzijen / dat De becoepinge onfer de bp dat fpel ongetwijffelt gantfch omge
Heere onrecht zp / dat onfen handel ende! E
wandel tec Salighept niet vorderen / dat wp * * / ed op onfe wederpattpen felfs gez
alle verderf ende verwoeftinge aentichten ;} PE Hebben / want fp noch (ommige zware
| ende dat wp niet lijden alg ware € hziftenen ‚dwalingen / eerftdaeghg ban de id Gelis wij
| maer alg quaetdaenderg / die ín sen vreemt | upt Det Bellen Ufgeont — ee CHE (IJD ver is hy fele
| ampt grijpen / @c. Siet / foo weet — epgen woozden vooztgebzacht / bende met ve Chuidigh,
CH joftdeks ende oet ig / den Gobtumcheigen eere ende ge weit vaſt heuden ende boorſtaen /
prik * —— gebupdet. _ |Drocffeniffe ende ellende daer ober den Godt-
ch mijn Aefer / mijn liebe Mefer / wite bzuchtigen aenvichten / menígt bzoom kint
| de die arme domme Werelt defe onfe ſeer 3-1 formmige plaecfen én noot ende boot bzen»
EE NE EE gebatede en berachtede Meere / Die niet onfe / rn de wagchept berbalfchen/ De leugen pes
BEN maer deg Beeren Chriftiig/ met vechtfelja-|Ciken) vleefceljch gefint zyn / de menſche
—90 penee heeten aenmeemnen/ ende ín det ge, | SPriftum Jeſum Gods eengebaren en eerſt⸗
9 hoorfaemtent tcouwelijck nakomen / foo geboren fone te zijn/in —— kragt
—0000 Eſai.z.a. mochten fp wel alle hate dootlijcke zweer: eneen ddie uri ——
HERE Mich45 Den tot ploegh-pferg/ ende hate Spieffen Tati — mijden en — Be dies
—9000— tot Sickelen maecken / hare Poorten ENDE pe Chriſti bouwen / en wederom op dat rechte
Mueren ter neder leggen / Beulen ende
It penchet 8 afoancken / want alle die onfe fundament fetten/ Die openbare heldere
Ii 5 Heere ín Der kracht aennemen / fullen door sen et ——— ſchriften met leben
| Godts genade niemant op den Aerdtbodem / er — —— — Don
oock niet hare geootfte ende heftighſte Vpan⸗ ag bzengen / DEN GEE) è ,
boor Godts waerachtigen eengeboren ende Jot. «. 5:
INN den eenen quaden wenſch wenfchen/ noch Eee 7 Joen. 4. fi
HAND wepnigec met Dacht ende werck onrecht erſtgeboren epgen Zone bekennen / gelijck Luc. vz;
HEN oft ——
BEEN Alderhooghſten / bie dat goede ban heeten mer Hemel feive gedaen hebben / fijn opbenin- 1-1"
HEINE tefgebben / ende dat boofe in hater zwack: en Boop Pachtmael/ en WAffonderinge Mat: 17-
EDE ERI hept mijden, ja haten ende vnant zijn. Noch pe gebruchen / Ec. gelijch fp alle gedaen Mat:-5-6:
—90000— moeten wp ebenwel wan hem booten / dat wy hebben / die Badr ban den beginne vecht ge⸗
HEEE IE | te onrechte lijden, ſoo geboot ig, kent/en na fijn witte vecht gewandelt hebben. |
EEEN Maer hes bp leghe) folie om {oo den Diet / mijn lefer / Dit zijn nu de groot fte en |
| faecke lij > act —*. *2 ige getwichtigfte beſchuldingen / die hp tegen ong
moeten / cn reen Ì ; ft/ en fal an den bes weet op te bzengen/ en dat defe felbige een Deel
ginne om gele —* ek Ero ways looſe dichtingen/ een Deel valſche dupdingen /
foo wp aen — peen 5 en / J archwanigheden / leugenachtige beklickin⸗
wp alg dan Dat Zege Be diene (ard ende | gen/ en partijfche nafeaginge síjn/ Daer mede
loet niet fo Dupclijck ende Diepe (alg nu ge: f, den toop ber Godtlifcher Waechept belete |
ſchiet. Dauchen fouden: — Pups dat ger / de leugen ín fijnen 3wange baft boudet /
op een Drijfzant gebout D * An DOOF de Godivruchtigen beleediget / en de onboets |
bebe nf
HEEEL INE 0 focht werden) uiet beftaen / Jatth. cap. 7. —— — —
LIET (Ee Ke Mack lijden Wp niet om een ongewiſſe >:
EE ſaecke / foo hp boorgeeft / maet om den na: Ee laetften ſchrijft hy van ons, endefegt: .
me onſes Weeren Jeſu Chaifti/ om fijn Hep⸗ dat hare Leeraers en Propheten ſulke Lee-
raers
— — —— — — — — —— ———
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
1 Joan. ro.
32. 33e
Je. «B.20,26.
AG IJs 13.
2 Par. 18. 23.
2 Reg‚18.17.
Act. 18, 12.
1 Cor. 4. 3.
IC
Merckt wat
hier gefeyt
Wert.
Over een Schrift tegen Gellium Faber.
323
saers ende Propheten Gods niet zijn, dat is leene voozbehouden zijn / grijpen fouden :
uyt ervarentheyt bekent geworden, ende dat Macr nu werden fp van haten Zielen-fozs
fy dat volck Gods niet zijn , hebbe ick lichte-
lijck al te veel ende krachtigh bewefen. Waer
uyt wy dan klaerlijck fien, dat onſe Overig-
heyt recht doet, datfe haer in haren boofen
loop niet laet voort varen ‚ maer vlijvghlijck
weeret. Ende men konde hier uyt Paftoor-
lijcke «ende Vaderlijcke trouwe oft forghvul-
digheydt voor der Kercken Chrifti , date niet
gantſch verwoeftet werde „ wel wat harders te.
gen haer (preken ende be{luyten: maer fo moe-
ite wy ja haer vervolgers en Bloethonden zijn.
Antwooddt.
1 GSremias / Micheas / Eliag) Chriſtus Je⸗
ſus / Paulus / Ec. machten bp den ver⸗
keerden niet Die rechte Propheten ende Gods
Dienaren zijn/ alfa aoclt Wp. Maer die
groote Heere fal ’t tot fijner tijt wel openbacr
macchten / Wie Die getrouwe Pzopheten ende
Dienaren Gods zijn / oft Wie datſe niet zijn.
Item / Dat ha oock ſeght / dar wy miet
Godts volck zijn, beantwoorden w met
den Hepligen Paulo / dat het ong cen gez
ting dingh is / Dat wp van Menſchen geodr⸗
Deelt werden / ende byſonder noch van fa:
danige Menſchen / die ſo plat tegen Gods
Oꝛdeninge / Wille / ende Moozdt ſtaen / fo
aen Gellium hier ín deſe fijne Schrift opent⸗
lijck geſpeurt werdt. Ja goede Leſer / Wan⸗
neer hu ende ſijns gelijcke Pzediherg ons
boo? dat vechte Volck bekenden, foo ſou⸗
Den fp felbe Daer mede ober haer getupgen /
Dat fp Daer bupten Waren, Dat een eergie⸗
righ bleefchelijck menſche / die ſynen cpgen
gers fo geleert / ende gedzeven / ſoo Wie hare
lecre niet gehoozſaem is / dat fp den felvi-
gen wel berfchzijven / vangen / om Lijf ende
Aeben brengen mogen/ gelijck (acts lacp)
in bele Steden ende Landen aen Der Dact
openbact ís.
Summa mijn leſer / fo díe barmhertige
Deere Die heeten fommiger Oberigheden dooz
fijner geaoter liefden tegen ons met matigh⸗
Be / maer dat fp na die pactijdige oprockinge
ende Binetpzedihinge harer Geleerden. fouz
Den booztvaren/ geen Godtbzuchtige moch⸗
te bp den Beven behouden blijven. Haer
nu Wozden noch ſommige bevonden / die
tegen aller Geleerden fchzepen / ende fchzijz
ven Die Cllendige dulden / ende eenen tijdt
lanck barmhertighendt bewijfen / daer boog
wp Godt den Alderhooghſten eeuwigh laven
ende prijſen / ende fulcle goetdadige beleefde
Negenten ín aller Liefoen danck ſeggen.
Maer Dat hp felzijft / dat men uyt Vader-
lijcke ende Paftoorlijcke forghvuldigheyt ende
trouwe wel wat harders hier tegen ons befluy=
ten konde, íg dit mijn Untwsoort : fo hp met
Chꝛiſto / Die aller oprechter Paſtooren Vorſt
ende hooft is / dooz die rechte deure ware mn:
getreden / ende ſmaeckte Den vriendelijcken
ende lieflijcken geeſt / aert / ende natuere Chꝛi⸗
ſti recht in ſijner herten / eenmael ſoude bn
over fuich cen Befluptinge des bloets níet
dencken/ zwijge febzijen oft ceppen dozen /
weet. ick wel gewiſſe / want die Geeft Chei⸗
ft is ban alfulcher aect níet. 5
Mijn Leſer / neemt het waer / dat bu bier
naem ende roem ſoeclit / qualijk oft nimmer⸗niet vz unt fchrijfc/ dat de Öberighept haer
meet doen kan.
Item / dat hy de Overigheyde prijft, ende — dat hp geen Bloedthondt nach
Berbolger heeten Wil/ nochtang geeft hp wet
ſeght datfe recht doet , datfe ons in onfen Loop
zweert ín ong Wel ſteecken mogen / doet bn
(dien hy boos noemt) weeret, is Dit mijn ſoo beel te kennen / fa de Oberighept ſuͤlcks
Antwoordt: Loe hp langer ſchrijft hoe hp,
dede / dat het bp hem een goet ende loflijck
het plomper en erger maeckt) ende fijn blint⸗ werck zijn foude. Wie niet gantfch onver-
hendt al wijder ende wijder open doer.
Is hp een Pzedilier doo? Sodts Geeft bez
roepen / hp wijfe ong dan een Tetter upt |
Dat gantfche Qieuwe Teſtament / daer Chri⸗
ſtus oft die Apoſtelen De rechte Kercke
Godts door dat behulp des Overighepts
ban Den aenloop Der boofen/ Daer Loor hp
ans (och lacp) alomme fcheldet/ geveddet
ende befchut hebben. —
Neen / neen/ Chriſtus Jeſus met fijn
ſtercke Woozdt ende Heplige Geeft is fijner
Uercken oft Aijcks Vedder ende Daozftan-
der / ende níet Kepſer / Koninck / oft eenige
Wereltlijche Overighept eeuwighlijck. Dac
Kijcke Des Geeſtes maet met Den zweerdt
Des Geeſts gehouden ende beſchermt wer-
Den / ende níet met dat B weert Des vleeſchs /
is ua Der Heere ende voozbeelt Chriſti ende
fijner Apoftelen klaecder Dan men Wederz
fpzeken kan.
ſtandig ig / verſtaet Wel / wat in Befen bal fijn
doorgeven ende gront ig. Ô een Heere deg
Gloets !
Och Dat ha bedencken konde / wat het
Wooꝛdt weeght / dat Die Veere fpzeechst : Gu
zijt upt Den Dader den Bupvel geboren / ende
fijne Luſten doet gp / Wig van den beginne
een DBootflager geweeſt Ec. Joan. 8. Want
dewile hp den Bloetgiecigen met alfuieke
fclyzijven eenen bapen mact maeckt / ende ick
eerſtdaeghs fclae upt fijnen mont gehoort
hebbe / datmen eenen omm dat Gelaobe (ber-
ſtaet / Dat fp boor Retterſch oozdeelen) wel
vervolgen ende dooden magt / heeft hp dat
onfchuldigh Bloedt daer mede op fijner Zie-
len al geladen / ick fegge onſchuldigh bloedt /
Der Predi⸗
kanten Lee-
re ende op-
rockinge is
des onfchul-
digen bleets
ootſake.
Joan. ro. a.
1 Pet. 2. 3
> 4e
Godt
want ba noch niemandt op den gantfchen DE) eeft
Aerdtbodem ong door Godts genade met een gruwel
beftendiger waerhepdt overtupgen ſal / dat zen den
tegens Chaiftum oft Chꝛiſti Woozdt
‚A ETD wp
Wijder feqge ich: Soo de Oberighepde handelen oft ficijden / oft pets Wat doen /
Chꝛriſtum ende fijn Nijcke recht bekenden / ſp waer Doo? wp des Oberighents ſtraffe ende
fouden na mijn bedencken liever den Doodt zweert weerdigh zijn.
kiefen/ aleer ſn met hare wereltljcke macht
ende Sweert ín deg Geeſts faken Die niet
Der Menſchen getwelt maer den gerichte | Godts
des Almachtigen ende grooten Bodes al Paulum/ maer oock en Tutherum ín fijn
2
Boecks
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Wüÿder fal hp oock Weten / dat deſe fifne
Bloet-leere niet alleene tegen Chꝛiſtum
epgen Sone / ende ſijnen Dienacr
B
digen.
loedtfchule
Pſal. X Te
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— — — — — —
— — — — 5 : : E — — — * a
ee ge
:
Om des
moetmen
doen.
324 Een klare Beantw. van Men. Sym. over een Schrift tegen G. F.
Boeclislten / De ſublimiori rauadi poteſtate, dzuck beeft laten untgaen daer mede hu de
Daer toe ooctt tegen Wieconpmum/ Augu⸗ berlfame tepne tecre Chꝛiſti fa klaeghljcken
bervalft/ ende de onſchuldige brome herten
ge flinum/ Theophilactum / Anſelmum / me⸗
loofs wille
migium / ende noch meer anderen is / die | fa Deerlijcht bupten
niemant leet eendzachtelijck ſtemmen / datmen Die Tietz | gantfch
terg niet Daoden/ maer vermanen ende oz | plicht mijnes Nmprs /
ber winnen fal/ ende fa fp haer nader Deez | vzuchtigen onweerdig
maninge níet bekeeren / ban de gemepnfchap ‘niet: hebbe kannen
det Vercken affonderen/ endenadeg Weeren ten prijfe 1
woozt mijden fal.
Daer benevens wilde ooclt deſen ſteen ín
gen hooft vallen: Want hoe kan daer doch gen/ en
geooter ende fclzichelijcker Ketterne / Ver⸗
fepdinge ende Gody laſter gehoozt werden /
dan te ſeggen / dat Chrifti reyn en heylig vlees
datmen ong Cheiiſti oꝛdeninge / ende der Az
poftclen heldere Klare lecre ban De doop fu
klaeghlijck vervalſcht / geen Afſonderinge na ſtum
e werelt beleedig
alte hare ſchult voor de
be / dat ick het urt
mp door den Bodt:
ban Godt opgelept /
nalaten / ick hebbe het
nijnes Godts ende fijner Wacrz
(hept/ tet verant woozdinge der onfchuidigen
| ende tot onderwijſinge der eenvoudiger met
det hooghte ban Gem geworpen / op fijn ep: | mijneg Weeren Woordt moeten: Wederlegz
De dooz een gedzuckt Boeclt/ gelicht
hu cerft tegen ong gedaen heeft / ontdechen
ende open Doen.
Wie nu de Waerhepdt van heeten foecht
een boos gelt oft Rantfoeninge geweeft zy, | ende mepnt / maghſe vinden / fb is in groo⸗
ter Klaerhept voozgedzagen: maer wieſe
beracht / Die veracht niet: ong-/ maer Chꝛi⸗
des Heeren woort gebrupecht/ den Godt⸗ ſtelen fijne Uercken
vruchtigen laſtert ende Den onboetveerdi⸗ getupgeniſſe der ſchz
gen ende bleefchelijken met verdzaende ſehrif⸗ Geeſt nagelaten
ten trooſt ende voozſtaet / gelijcht hu. ín deſe
Biede Bier mede 1
Jeſum / Diefe door ſijne Geplige Npoz
foo geleer /- ende mits
rift Doos ſijnen hepligen
heeft.
ng vru op / Leor wende
fijne ſchrift van Den beginne tot aen t eynde | Lao? de gantfche Werelt / foa u: defe- mijne
ſchriften cot onder wijftuge niet genoegh zijn /
toe ſtadigh gedaen heeft.
Wanneermen nu ober eenen booſen in Der ( ende men mp-eer
Heere oft Geloove alſoo beflupten foude / ge⸗ Schzifts handel
1bzu gelepde cot eenen vrhen
met Gellio ende den Gelcers
lijck hp voozgeeft / ſoo moefte ſulcks aen hem deu. beſchicken Wal /- ende ielt mijn: gelóone
felven eerſt begonnen werden / dewijle hp een. ende Teere alfdau: mee kracht Der: Scheift
níet’ fan: ffaende: houden / daer bu haer: gez
gelick men upt deſe onfer bepde ſcheiften loobe ende lecre alg verlendiſth niet bewiſen
BPoozbechter ſulcker grooter dwalingen is /
(wanneer men. Die tegen den anderen houdt) | Kan /
ín alle klaerheyt ſpeuren ende fien magh.
dat fp den rechten gront Der waerhendt fien /| Boecken in cen oper to
opene herten / dat: fpfe vecht verſtaen / ende; het doen / foo begeere ich aen
een gewilligh / bap ende nieuw gemoet / dat, dan dat fp hare ſchult beker
berftact: Daer in Wop. oneens ende gez
f ſcheurt ſtaen / ſo Wil icaimnn niet wengeren /
De Barmhertige lieve Heere gunne her / mijn ſchult voor alte
ende allen onſen weder partpen klare oogen / mijn leere weder ter
menſchen te beſſennen /
oepen / ende met mijne
fpfe in Der Kracht gelooven/ ende metter | miet meer beelepden / Boete doen / diewaer-
daedt vecht nakomen. Amen.
Befluyt.
H Jer hebt gy / Weerde Hefer / mijn af:
gedrongen noodige Antwoort / op Gel-
lij ongefouten lafterlijch. Boecls/ Dat hp tez
gen Gods repne waerhenpt / ende tegen fifn
uwen boet o
lende u alle t
hendt den bolche-boozdzagen/ ende de leu⸗
gen afſtaen.
Hier mede zijt Gode bevolen / die ſtuere
arme verſtronde Gemepnte/ Nnna-1552. ín fen/ WIDE
p òen wegh des Vzedes / ende
le tſamen ín die ongebalſchte tepne
befienteniffe. ſijner eeuwiger ende ſalighmna⸗
liender waerhendt / Amen. De genade on:
ſes Heeren Jeſu Cly
hem van eg he
iſti zp. metale die / die
eten ſoecken ende bree:
Menno Symons.
Hier Eyndight het Antwoort van Menno Symofis op Gellii Boeck, en
begint een Supplicatie der Armer Ellendiger Chriftenen.
EEN
gaen. Maer kan ich” Merckt wát
haer niet meer hiergel-yde
men / Datgole; “SE
EEN SEER DROEFFELYCKE
Gn Pei PO A Ti E
ER
A KME °N
ELLENDIGE CHRISTENEN,
Aen alle Vroome, Goetgunftige, en behoor-
lijcke Overigheden, over die grouwelijcke befchuldingen , ſchel-
dingen, achterklappingen , ende oproeringe der geleerden
daer mede fy overal altijt feer jammerlijck gelaftert en
bernoeyt werden , lo men hoofenen fien magh.
D‚Ó O R
MENNO’ SYMÓNS
| Levit. 19. 345 35.
Als een Vreemdelingh by u in uwen Lande ſal woonen, dien ſult chy niet (cher:
den, hy fal by u woonen, als een Landt befister — sl ri x
ſult hem lief hebben als u felven.
Jerem. 7. 3.
Betert uwe leven enwefèn, dat ghy recht doet, deneenen tegen den anderen, en
den vreemdelingen, wefen en Weduwen geen gewelt en doet » engeenon=
Jchuldigh bloedt en vergietet in defe plaetfe, &rc. Soo wil ick
altoos en eeuwighlijck by u woonen.
Efai. sg. 7.
Breeckt gen Hongerigen u Broet , en die in ellendigheydt zijn, leydet die inu Huys,
is“t dat ghy eenen naeckten fiet ‚ foo kleet hem ende en keert u aenficht niet van
uwen vleefche, als dan falulicht opgaen, als die Morgen-fterre,&rc.
Gedrukt in’ Jaer onſes Heeren, M. DC, LXXXL
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
met alle
y arme elendige,
geluckfaligh Regiment,
hen Vader, door Jefum Chriftum
B
5)
T
—
B)
D
5)
ee
en
dn
5)
>
oo
4
EN
—
©
ie
—
5)
—A
—
V
2
8
8
—*
8
ke 3
wenfchen w
Bevelhebbers,
Hemelfc
Iftandt, en
Allen vroomen, goetg
ren, Vorften, Regenten; en
en verftroyde, een eeuwige we
Godrtfaligheyde, van Godt onfen
onfen Heeren en Salighmaecker, Amen,
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
EEN SEER D
ROEFFELY KE
SUPPRETGATIE
DE ‚RK
M
Et is veele Menſchen wel | om deg Doops wille / Dien Wp foo krachte⸗
RR
Theodoki —
— Pbehent / Edele / eerbare /
EV Mn NS en gunftige Heeren / hoe
act des Ys Dat fommige beel neers
PED 13 flfger ende vlijtiger De
demnatie.; ie Wet T heodofii houden /
Ná hoewel dooz den bloedt:
gierighen Biſſchoppen
voormaels den goeden Uepſer afgedzongen /
oock over dat Mandaedt Caroli V. En—
De Des Noomſchen Aijcks Condemnatie /
ober den geenen / die fp Wederdoopers noe:
men / bp onfen tijden beſtelt dan fp ober
Godts woordt doen / en merchen niet hoe
Dat fulcks niet unt Doope / maer unt Det
Godtloofer dwalingen ende grouwelen gez
fchiet zu / Die ander Die felfde gedoopte met
Meere ende werck in zwange gingen / Want
foa die boorgemelde Wet / Mandaet / ende
condemnatie Den Boop techte / ende níet
Die boofe daedt / daer mede De gedoopten een
pegelijck tot finder tijdt behangen waeren /
ſoo waren aack daer mede Chziſtus Jeſus /
Cyprianus alle Die Apoſtelen / Cyprianus Martyr, met
— F alle Aphricaenſche Biſſchoppen dat Niceni-
cilinm. _ fche Concilium , Daer toe oock de hooge
Apoſtel Paulus, Wet. 19.4. tot openbare
guaetdaenders al gerichtet / Dat ig onweder⸗
___ fpeekelijcht.
— Aengeſien wp dan der Donatiften / Cir⸗
oneren. … cunceſſioneren oockt MAunfterfchen / ende
aller oproeringer Decten dwalingen / mif
handelingen / eude grouwelen / bp onfen
tijdt gefchiet / (Daer over Dat voortijdts die
Wet Theodofi, ende nu dat Kepſerlijcke
Mandaet / ende Des Kijchg Coandemnatie
beftelt zijn / foo vermelt is) foa gantſche⸗
* tegen zijn / —9 van den beginne onſes
ern leerings ende geloofs altijdt tegen geweeſt
rijke vara hebben / ende haas Bodt ende fijnen Enge-
Chritas fen op deſer Werden niet anderg en ſoecken /
CeItswoort;
— —— Dan Dat tp deg Heeren gedzuckte heldere
Waozdt/ Geeft/ voorzbeeldt / gebodt / verz
bodt/ gebzunck ende Oedinantie / na wele⸗
he dat het im Chriſti ijcke ende Kercke alte
moet gericht worden / ig’ Dat het den Deere
behagen fal) na onfer armer 3wachhepdt
onderdanigblijcken in der gehoorſaemhepdt
Willen nakomen / gelijk alg’t onfe waere
noodt / drzuck / ellende / bangighepdt / goet
ende bloedt / ober al betupgen ende Kont
boen / daeromme is het immer boog
tie.
x
EN,
telijek met Godts Wooꝛdt / met die Apoſto⸗
lifche Keere ende haer gebrunck / tegen alle
Philoſophie ende Menſchen vernuft behouz
Den magen / met Den Circumcellioneren in
gelijcke gene ende ſtraffe te ſtellen / die na mel⸗
dinge der Hiſtorien foo ongehoorde wzeede NMunſterſehs
Eyrannpen deden / oock met den Munſier⸗ Swalinge.
fchen Die tegen Godts Woozdt / ende alle
Euangelifche Scheift / oock tegen alle bes
hoorlijcke policpen / een nieuw Boninckríjch/
oproer / veelhendt Der Bzouwen/ Ec. aens
gericht hebben / welche Wp ſoo hertelijcken
met Des Heeren Woozdt tegen ficijden / bee
ſtraffen ende tegen zjn / alsmen daor onfen
gantfchen handel in openbare Daet ſpeuren
en fien magh.
oo Willen top dan ten eerſten uwe Edele De cerne be:
Hooghendt / ende eerbare Wijshepdt / Hier d°-
mede om Chziffug wille gebeden hebben dot
moedeljcken / dat ghy doch met medelijdige
hepdt ende Daderlijche oogen aendachter
lc Wilt fien / hoe gantich jammerlijch Sâp.7. 25
dat uwe ellendige Onderdanen / Die noch : Cor. 7. 23;
tang met u ban een gelijchen Gode gefcha- t Pet. i. 18.
pen zijn / ende met een gelijcke fchat ger ners” 2
kacht zijn / ende ten laetſten een geljchen en 12. 24.
Aechter Binden fullen/ Ban een pegelijch / Bom. 24- »
ende bp ſonder ban Die Predikanten / ater *
al ſonder onfe ſchult / feet belogen / beſpot /
geſchent / ende op ſommige paetſen / ſon⸗
Der medelijden ende barmhertighepdt / ge⸗
lijck Die alder Godtlooſte ende archſte op
Aerden / wegh gedaen! ende den Bogelen arm zo. :.
Des Hemels tat cen ſpijſe gegeven wozden / Luc.23- 33.
met den migdaderg (alg oock onfe boozgan zr; 537:
ger Chziftus) aen raden ende ftaechen ge⸗ Marc. 5.23.
‚bonden Worden / Waer door dat fommige
‚van Ben enten ende Die wennigh / met onfe
arme zwacke Brouwen ende Blepne kinde:
ten van onfe Vaderlijcke landt / erbe / ende
ſueeren zweeringen arbendt berooft / maeckt
‚ende bloodt ín beste vreemde Handen zwer⸗
ben moeten / ende om anders geen oorfaeche Matth. 1e.
(weet De Deere) / dan dat wp met dat on:
geordineert leven Defer Wereldt niet een
‚en zijn / ende met die Predikanten / Die des De oortake
‚Heeten Woozdt met haer Heere) Sacra⸗ van onfe el-
menten / ende leven tegenftefjden / niet gee eade.
tmepufaem en zijn/ dat wp deg Heeren Doop
ende Jachtmael vecht gebruncken / alle Af
—
——
Godt goderne / epgen gerechtigheden ende mig-
ende Den Menſchen onchziſtelijck / ja open⸗ bzupclingen nae der ſcheift mden / ende
baer gewelt ende onrecht
datmen ong alleene willen na onſe arme zwackhendt ſoo geerne
den
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Deut. £. 17.
4 Reg. 19.
Rom: 13. 3
Ampt des
Overigheyts.
Jer. 22e 17.
Efai. 59. 7.
r Tim. 22.
Jer. 29,7:
Bar. 3. 11.
Ephef. 4: 16,
pe afbeel-
dinge van
een oprecht
Chriften,
Rom.6. 4.
Col. 2. 12.
Gal. 3. 27.
2 Tim, 2,
Matt. 16. 25.
Matt. 10.38.
Marc. 8.
Luc. 14.27:
Phil. 2. 3.
Rom.8. 15,
Den Heere beeefen/ ende Die gevechtighendt
na volgen.
Ende wilt doch hoor Die bzeefe Godts gez
dencken / waer toe Dat uwe €. H. ende
E. W. ban Bodt ge-epfchet zijt / name:
lijck / omdat ghn fonder alle aenfien der per:
oonen tufichen pactije ende pactije vecht ooz⸗
Deelen fult/ ende ben gewelt lijders / ban
beg gewelt-doenders hande verlofſſen ſult /
foo de Heere ſpzeeckt: Houdet vecht ende gez
rechtigheydt / ende helpet den becoofden ban
deg gewelt-dDoenderg handt / ende ſchendet
den ———— niet / noch den Weeſen
ende Weduwen / en doet niemandt gewelt /
ende vergietet geen onſchuldigh bloedt / op
bat alſoo uwe ſeer gehatede Dienaeren /
ende ellendige Onderſaten / wac der brie:
Een droeffelijcke Supplicatie
Nengefien Datmen ín Der kracht ende
daedt bevindt / als dat onfe getrouwe Wzoez
deren ende Suſteren in Chzifta Jeſu / die
liebe mede-genooten aen der dzoeffeniſſen /
ende aen Den Bijcke ende gedooghſaemhendt
Cheiſti Apoc. 1. den Weere haten Godt
faa herteljcken vzeeſen/ ende lief hebben /
datſe licter haer goede naem/ ende faem /
daer toe oockt gelt; geet / vleeſch ende bloet /
ende alle daer Die Menſchelijcke natuere UA pe vrucht
begeerigh zijn han / den blaetgierigen ín een betuyght hoe
voof geben / Dan Datfe Weteng ende Willeng des booms
een leugenachtigh woordt ſpreecken / oft
bevennſt werck tegen Godts Woozde han:
Delen ſouden / bit Willen Wp uwe Edele
Hooghendt / ende eerbare Wijshendt ín 't
bedenchen ftellen / oft fp oock faodanige
fchender Lecuwen mont ontblogen zijnde / fchadelijche ende booſe lupden zijn / daer ff
ín uwe landen onder uwe Baderlijcke hoede / (och lacy ) ban beele vooz gefcholden / ende
en genadige beſcherminge ín flilhepdt ende | by een pegelijck geoordeelt wozden / ja lieve
breede Den eere mogen Dienen / ende onfe | Leeren / haer gantfche luft iS in Des Hee⸗
aert is.
bzoodt Godtlijcken Winnen mogen/ alg de | ten Woozdt/ haer manden Lloepen van Wijd: pau. r.«.
hepdt / haer liefde rupcket alg Die froftelijc: Prov. 2. 3.
Schꝛaift leert.
Een tweeden / ſoo begeeren Wp / dat oock ke falf-olpe op Dat hooft ban Aaron / haer
uwe dele Woogbepdt / ende eerbare wijs⸗ gebeden zijn alg dat Edele roock werck Lao? Pal 133. 2-
hepdt / ceng met dat onbedrieghlijcke Godtg
Wooꝛdt / met Dat lebendige voozbeelt Chzi⸗
ftí/ ende met Dat vꝛoome onbeftraffelijcke lez
ben ban alle Pepligen / vecht Wilt afmeten /
hae dat cen oprecht Chziften moet na Der
Schuif gefchicht zijn / moghten leeſen / fin:
gen/ Water, Bzoot / Wijn / aem ende
roemen een oprecht Chriſten maecken / foo
ſouder een groot getal Ban Chriſtenen zjn /
neen lieve Weeren / neen / Godtg woozdt
kent geen Chaiften/ dan Die/ Die dooz de
cepne leere Jeſu Chriſti in des Geeſts kracht
gepredickt / door díe genade Godts / en met
werckingen des Wepligen Geeſts / met cen
waerachtigh geloove aengenomen / upt dat
levendige Zaedt Godts tot Qieuwe Men⸗
fchen ín Chziſto Jeſu geboren Wozden/ Die
Doop de kracht der felfder geboorten / dat ou⸗
Die Arcke Godts / haer leben lichtet als
Die gulden Randelaer ín Des Weeren hutte /
ende ſoecken op Defer aerden anders niet
Dat datfe De gantfche Wijde Wereldt bepde
met lijf ende ziele tot gevechtighepdt mogh⸗
ten Dieren / ende beele met deg Weeren Gez
nade) eeft / Kracht / ende Woozdt unt
dat eeuwige verderven haerder zielen bere
loſſen ende Chzifto winnen mogen / ende
moge alſoo doo? Godts genadige hulpe ende
gave De korte tijdt deſer Aertſcher wooninge /
totten pꝛijſe haers Godts / en dienſte haers
naeften / ín Chziſto Jeſu untvoeren / ende
eeuwigh ſaligh worden.
Sal dit ſelfde noch Ketterye, ende Duy-
velſche verleydinge heeten, gelijck als die
Predikanten roepen, ſoo moet de Soone
Godts Chꝛeiſtus Jeſus / met alle Die Pro⸗
de fondige leben des vooreden levens / dao? pheten / Apoſtelen / ende hooge getupgen
eene waere boete begraben / en met Chriſto Godts / openbare Ketters geweeſt zijn/ ende
in een nieuw opftaen / Die deg Leeren Hey⸗ De gantfche fchzift Die niet Dan betering leert /
lige wille / Woozdt / Boorbeelt / Ozdinan⸗ en ong over al op Chꝛiſtum Wijf / Die en
tie / en geboden na haerder zwachhepdt geer: Moet Dan anders niet dan berlepdinge ende
ne nakomen / ende alle wat daer tegen ig / bedzogh zijn / Dit en maghmen niet mig-
van gantfcher heeten afſterven / Dic tegen die | ſaecken / Want ſy haer ín alle ’t geene Dat fx
onnutte zwervende gedachten / en aenbech· doen na deg Leeren Woozdt / Geeft / leven /
tende fonden / die noch upt die Adamſche gebodt / verbodt / Ozdinantie / ende gebzupek
natuere ‚ die ong aenge-erft is / bloepen / ſchicken / ſoo veele alg ín haet is / aclijch de
neerſtelijcken flrijden/ en ober haere men-|openbate daet vaag Die gantſche Werelt bes
fchelijche zwackheden / faelgeren / en mig-|tupgt/en kondt doet. Eſai.i.17. Joẽël. 3. 6.
grijpingen / met een weemoedigh gebronen Jon 3.6. Matt 3.4. Mar.r.s. LTuc 2446.
Herte dagelijcks voor den Heere fuchten ende | Deut. 18. 15. Eſai.9. A64. Jet. 23. US 33-
klagen/ Dic berepdt ſtaen dat RHrupce Chriſti Matth. 17.6. Marc.9. 6. Luc. 9.35.
op haer te nemen / ende om dat getupge- |
niffe fijng Wepligen Woozdts / te verlaten / Geefte wandelen/ ende voor Godt in Chri⸗
Dader/ Moeder) Man / Vrouwe / Hinder / | flo Jeſu anderg níet en foechen / dan dat wp
goet / bloet / lijf ende leben alg t de noot na onſe arme zwackhendt van herten geerne
Godt tec eeren eyſſchet: ſumma / Die fijn ge- Wilden Chꝛiſten zijn / foo vermelt is / Wy
finnet alg Chriſtus Jeſus / in Chrifta zijn / hoopen oock dooz des Heeren genade dat u⸗
ende Chziſtus in haer is / die ban fijnen We W. J. im eeuwighendt niet anders gen
Geefte gedreven worden / ende met een waer-|uWe arme Dienaeren merckten en ſult (kor
achtig gelaove / ende vaſt betrouwen / en-‚fchzijven van Die / Die ín 't geloove ende in Det
de levendige hoope in alle verſoeckinge ende | wandelinge met ons eens zijn ) fo bidden Wp
nooden onverrucket bp deg Peeren waogdt teu tweedemael om Jeſus wille / uwe Edele
blijven. Hooghendt en cerbare Wijghepde / bat oh
| Q
Jer. 17. 8.
ofu. r. 8.
Nademael dan dat fn ende Wp ín eenen Gat. 6. 1:
peandere
bede.
| Der Chrifte-
nen getal is
kleyne.
Mat 7.13.
Mar.16. 15.
Col.1.
Rom.ro.13,
7b. je
Beut. 32. 35
Straffe der
fonde.
Eze. 21.3.
Mat.24.4.
Mar 13.7.
Lu.r7.21.
„Dan: 12. 20,
\ lim. 3.,
/ &D cu.32.23,
Krijg en ſijn
vrucht.
Tef.2.s,
Evzi.r.
gEld. 16.
Ter.4.6.
en 2,17.
Gen.4.6.
lud It.
Nu. 22.23.
en 24
/ tPet.a.r7.
Der Armen en Ell
weſen in den geont Banu wilt afleggen / een
Daderlijk herte / en een oprecht rem gemoet
dtons heeren / en ín eeuwighent niet geden⸗
lien / Dat Wp pet wat anders fouden voor
hebben / al waer 't dat Wa aak fa bete waren
alg Dat gras opden velde / en alser zand aen
den Dever Der Zee is / dat doch nimmermeer
geſchieden en fal / aengeſien Dat die weg ſoo
fat ende Die paopte fa enge ís / dan dat ong
Thriſtus Jeſus / (wieng Nanie dat wo dra⸗ |
Boch alie arge gedachten tegen uwe ellendige — / vloelien en zweeren / bp Hen ſom⸗ Dar det
Gen) met ſijnen eygen mond geleert heeft /
fijn H. Apoſtelen daar Die gantſche Wereid gez
prednt hebben / met den H. Euangelio bez
tungt / ende met hare leven en dood med
bebuen.
Cen Derden / begeeren wy / dat dach uwe
Edele Hooghent en eecbace Bijshent met ver⸗
frandiger Gerten wilt aenmerken/ hoe dat het | D
hem nader Schzift met den genen fchhichst / Die
Baer Der kenniſſe Cheifti beroemen / hoe
Doodlijk Dat fcherpe zweert der wealien over
at ſnjdet / en die hand deer Goddelijker ſtraf⸗
fen toe grijpet / groot en zwaer zijn onse ſon⸗
den / groot en zwaer is des Weeren ficaffe / |
Dac bper des grimmigen toons is aengeftez
lien / isꝰt dat het Die Deere door fijn Genade
hiet Upten bluſt mogt het bepde de groene
Cn dozre Boomen / nãe lundt des Prophets |
Woozd / wel verſlinden / die Pꝛophetie Chri⸗
ſti/ van der laetſter tijd / don Daniclië/ ende
De Apoſtelen / gaen in haer bolle iracht ende
zwange / Dat bleefch-etende zweert des Wee:
ren blinliet over al/en fijn bloedpijle ſchietet in
alle Tanden / dat eene Honingrijck ig tegen dat
ander/ dat cen Boꝛſtendom tegen dat ander / die
eene Stad tegen die ander / en Die rene NRage⸗
buer en Dziend tegen die ander/ fommige ban
ben Wen wozden met den zweerden ber:
mooet/ fonnnige gevangen / ffeden en burch⸗
ten worden berwoeft en uptgeroept / dat av:
me ellendige volk / dat een Deel aen der ſaecke
Wepuig ſchulds heeft / Wozt fonder alle Gena:
De uptgefogen/ geſchent / gefchat / verbrant /
en in den gront verdorven / tot hoeren en boe⸗
ben ſonder getal gemacht / Die cene zware pez
ſtilentie en heanckhent komt op den anderen /
en die eene diere tijd jaget Der anderen / on:
weder / jammer / en ellende haozt men bepde
te Water en te lande : fumma/ de langdue⸗
rende harde ſtraffe betungt / Dat De Deere
toomig Is / noch ebenwel en betert haer die
booſe Wereld niet / maer fn wort noch alle da⸗
ge aterger energer.
Op beroeren haer gemeenlijelien alte datſe
Chꝛiſtenen zijn/ en dat fn Gods Woord heh
ben / al boe Wel Dat haer gantfche feectten en
Dacdt / tegen Chziſtum / en Chriſtus Woorzd
is / want is't dat men tat die Overheeren
kamt/ bie behoozlijk van des Heeren weg / en
Van Gods rechten Weten ſouden / als Gere
nuap fpeeecht / ſoo bevint men datſe dat jack
gebenoken/ ende die banden gantfchelijk ge
ſcheurt hebben: komt men tot Die Dzeditan:
ten/ fa bebint men daer een Cainfche nijdig:
hept / over alle De gene die den Weere vreeſen /
een ongeneſeljlie geld-fichte/ cn Dileamfche
gierighert/ een hiehtueerdige runme Heere
Afgodiſche Sartamenten / cn een welluftig /
del / fupeleken/ foo men fien mag: komt |
mentet het gemeene Volck / Daer ís het gie⸗
ren en rapen / bzaſſen en ſuppen / egen ende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
endigen Chriftenen. 329
migen oak Oberſpel /en Hoereren / bn Den an⸗ —
deren runten en rooven / ſtelen en moorden) jae
Daer wort (och lacn) alſo geleeft / Dat Wp met zijn dar
den Pepligen Gzea wel bitterlijken mogen bewijtt hare
vrucht wel.
Oz.g. ren 3.
luchten en Klagen / hoe dat 'er noch trouwe /
noch liefde / noch Woozd Gods in den Lande
is maer Godslaſteringe / liegen / fielen /
moorden / ende oberſpel/ Die heben die over⸗
handt genomen / en Die eene bioedſchult volgt |
Gen ander : met Paulo / datfe alle afgevallen Ro-3.12. }
en onnutte gewozden zijn / en Datfe ben wegh
Des Dzeedes niet en kennen: en met Apoca⸗
lipſi dat haer ſonde tot den Wemel tac ig geha: Apo.rs. 5.
men. @ lieve Heere) hoe lange fuiten doch
Defe beefchaichelijke groote blindheden Gods:
laſteringen / berlepdingen/ grouwelen bloet⸗
feheiden len Dit moetwillige rokelooſe Weven
neren! |
Edele Heeren / betert u / Doet een oprechte
boete / Die vooz Bodt beftaen kan / vernedert
u met den Koninli van Ninive / Doet upt den ron.5.7-,
Godlooſen en bebleliten vak Der ſonde / fettet lud-1. 24-
u inder affchen der vernederthept / roept upt
cen gebrooken gemoed tot Den Heere / ſcheurt Ton.z.13.
uwe herten / en niet uwe lileederen / ſod Die
jgapheet fent/ laet De bzoorme Joſias u boog:
eeld zijn / Die hem unt geheeler herten / ende
uut gebeeler zielen / en upt alte fijn vermogen
tot den Deere bekeerde) fa cafchalshem die …
Wet fijns Gods uyt dat wedergevonden baelt sega. rr.
gelefen wozde.
Wiebe Heeren ſoeckt Godt / beeft Godt /
Dient Godt upt alle uwe krachten / Doet Wez
duwen / WDeefen/ Daeemdelingen/ Ellendigen / Wie my
ende allen bekommerden vecht , vepniat uwe [NEE n:.
handen van den bloede / regeert uiwe Handen Aus, die
in wijghent en bzede/ en vechtet u met alle uwe ar vree
gedachten / woogden en Werken / opden ger ‚5 devtier
e
heupften Cheiftum Jeſum / volget fijne boet: 1oa..
‘flappen na / al waren dan uwe fanden Bloed:
tood / fo ſullenſe ſneuwit Worden / en al wa⸗
renſe als Roſijnverwe / ſoo fullenfe als witte Ear1s.
[Dolle weeden / want Die Heere en wil. niet den F2 33-11-
dood bes Sondaerg/maect Dat hn hem benecre/ “° *23*
endat leven hebbe.
Nademael dan ; dat Die gene / Die haer der
Perle beroemen / over al fo gantfchelijk Lan
Cheiſto berbeeemt zijn datie met dan die
bloote naem en boeren / Dat ſout / welche die
Pꝛedikanten zijn / fijn kracht fo gantfch ber:
loren heeft / Bat het meer kerderft alg ’t bez
hout / want fp meer plunmftrijken / dan ín
fivaffen/ aengefien datfe mact Dat tijdelijke
gewin / en niet Des Heeren prijg ſoelien/ waer
Dao? fin alle met malſander / bepde die Hees Mat 1à
raer en Coehoorder / op den cupmen Weg wan⸗
Delen / Die tot'er herdoemeniffelept / cn ( O Ez.aaso.
facp ) niemant en ig dieſe keeret / fa die Paas le.zo. 38.
phete klaegt /cnde wo foa geeene fien ſouden /
(weet de Deere) Dat alie menfchen mogten
opwakien / den Heere vreeſen / optechte boete
doen / en falig waden / dat alfo Die verballen
Stadt (welke de Gemeente is) weder op hact
oude Fundament magte gebouwet Worden Í Kp.a.rd
bat í$/ op den vaften grend der Wpgartelen /en
op Die reyne leere Cheiſti/ en dat felfde met een
/ {broom boetbeerdig Chziftelijch leben voor de „
gantfche Wereld nader Sehaiftbeeeren fur- zijn Ien
len / fiet hiecom Worden wp ban den Geleer⸗ Fake van al
ben fo gehatet Dat wy dooz hare lafterhijchgg bet ontchut-
roenen en oproeren / onſe goed den Fiooberg KEP
C
SE ende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
339 ‘
ende ong vleeſch den Beul laten maeten in ve⸗
le plaetfen / faurnmnige ban Der onfen moeten
doo vele benauthent/ ſpotten / en laftecen/ in
bzeemde Manden zwerben/ fo vermelt is / al
Dus bidden wy ellendige ende bedroefde uwer
18. L. ten Derden om Jeſus wille ootmoede⸗
lijken uwe Edele Pooghept en eerbare Wijs⸗
hent / dat gp doch de faelte met neerſtighendt
wilt nadenlten / en Wilt oñs / en de Pꝛedikan⸗
ten / na lundt ban defe bolgende Schrift aen
haer geſchreven / op die conditien Die Daer ber”
melt zijn / met Chꝛiſteljker trouwe bp mal
kanderen Voegen / op dat onſe ontfchuldinge
eens moghte vecht gehoort / en de waerhend
met des Heeren Woord verlilaert wozden / Dat
doch die onſchuldige niet Langer tegen Gods
Wooꝛd verdoemt / en de fciuidige niet meer
ín der ongerechtighend voorgeſtaen worde / jae
liebe Weeren / waer't dat ſulcks eens ſonder
alle parthe in Gods vzeeſe geſchieden moghte/
fofout gy door Gods Genade met goed ſlaer
befchent Wel vas bevinden / bj Wien Dat De
waerhend of De leugen Ware / en dat der Pre⸗
bikanten Meere / Daccramenten / ende Leven
niet nader Schrift/maer verlepdinge / en Legen
Gods Woord wate.
Gch lieve edele Heeren en Wilt doch onſe
Chuſieiijcke en behoorlijlie Bede niet verach⸗
ten / maer ín reyne liefoe aennemen / want fp
Nimachtigen Gods /
ad / ende Die
eeuwige Salighepd anfer aller zielen / die ſoo
gere ban den eere geſocht / en fa diere met
fijn roode bloed gekocht 3ijn/ och het is foo
ondeefchend/ eeuwig met Chꝛiſto
Cfefu te leven ín deg Hemels Chroon / of eeu:
(vig met alle Dupbelen te ſterven in der Hellen
belanget den prijs Des /
fijn eeuwige Woord en Waerhend/
geooten
grond
Tieve Weeren / wy ffaen ín grooten angſt
en bangighend / en Wogden tweederlen wijfe
feer beangftiget / want bolgen Wp de Daer:
hend/ gelijkt Wp doo? Gods Genade en hulpe
hopenna onfe acme zwachtept te doen onfe
‘dat hebt gp mp gedaen / Mat. 25.41.
Een droeflijke Supplicatie,
zijn/ maer is't dat wp Wijken / en weder op
der rupmen weg tveden (Daer die barmhertige
Dader ons eeuwig baar beware ) fo ballen Wou
ín die handen Gods / en moeten eeuwig zijn
ficaffe dzagen. De falighepd onfer acmer zie⸗
fen gelt ong meer / dan alte wat menſchen
ooge befchouwen lan. Dat genadige Heien? mar.25.3s.
delijke Woord fal eeug gehoort Wozden / komt
gu gebenedijde mijng Daders / befit dat Fijke
dat u Berept is. En oolt mede dat verſchricke⸗
lijckt Woord / dat allen ongehoorzſamigen
Chꝛiſti gedrengt is / dat lijf en ziele doorſmijdet /
alg t recht gelooft wat / gaet Weg Lan mp op
vermaledijde / ín Dat eeuwige boer / Dat den
@upvel bevepd í8/ en fijn Engelen. Wel den 455254
genen / díe op deſer tijd waket / en fijn Kam E*
pe berend / en dat Bzuplofg-hlecd bewacet /
ja ſalig zijn Die / dietot dat Avondmael des
Lams geroepen zijn.
Liebe edele Weeren/t en is ons geen jocken /
noch woord fpelen / maer dat wp ſchrijven dat
meenen wp van gantfcher heeten / gelijck alg
anfe harde berfoeltingen / zware banden/goed
en bloed bewijſen en kondt doen.
Die bacmbheetige groote Heere Chjzí- Apor7- 15.
ſtus Hefug / Die een Veere aller Wees" “7
ren / een Konink aller Koningen is / gunne
uwe edele Hooghend / en eerbare wijshend /
alle te ſamen de rechte waerhend te beitennen/
trouwelijcken dacr in handelen / en uüwe toe:
betrouwde Bolk / Steden en Handen ín goe:
den beedeBodfaliglijk te regeren / tot den prijſe De promt
uwes Gods en Salighend veler ziclen / Dat ones ad cos
wenfchen wp van gantfcher herten / Amen. Es vere;
Salig zijn die barmhertige / want Die ſullen ex animo
barmhertighend verlirjgen/ Mat. 5. 7. Weeſt Chrittiani
— ) gelijft alg oor'k uwe Dader barm: luot.
ertig is.
Voorwaer ſegge icku tat gn gedaen hebt
eenen Van Defen mijnen minften 2S2ocderen /
Lu6.26.
Uwer E. H. en E. W. goedwillige / en gez
| hoogfame Onderdanen / Wat wp vermogen /
leefdage/ fa moeten Wy cen pegelijchg roof nae den wille Godts / en dooz fijn Genade.
EEN KORTE KLAEGLYCKE
ONTSCHULDINGE
| DER ELLENDIGE
CHRISTENEN
ENDE VERSTROYDE
VREEMDE LINGEN,
Aen alle Schrift - geleerden ende Predikanten der Duytfcher Natien ;
over die verfchrickelijcke bittere verdichtingen , Lafter » reden,
fchelt-woorden, daer mede fy van haer, fonder alle Waerheydt,
feer vyantlijck beladen worden: Met noch een vriendelijke
bede, tot eenen vryen Schrifts-handel, gelijck als het na
alle Chriftelijcke liefde behoorlijck ende recht is;
is yemandt verftandigh van herten ,
die lefe ende rechte.
DOOR
MENNO SYMONS
3. Tim. 1-24.
Een Dienaer des Heeren en fal niet kijfhaftich zijn, maer wriendelijck
| tegen alle Man , geneygt te leeren , &c.
E ‘
Ee — zE en E. —
re — — — == — den —— — TE ien er nen — s
1 Cor. 3. ir;
Daer en magh geen ander fondament geleyt worden , dan datter
| geleyt is, het welck is Chrifbus Felius.
— —
Gedruckt in *t Jaer onſes Heeren; MDCLX XXL,
meren:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
ages reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Im (rege)
3197 B 28
$
Y Arme,Ellendige ende feer gehatedeChriftenen, die om-
| me dat getuygenifle des Goddelijcken Woordts , en onfer
Confcientien, fo vele hooren en lijden moeten, wenfchenalle Schrift-
geleerden ende Predikanten (inalle landen ) die Euangclifch geroemt
worden, fy zijn dan wie, hoe ‚ende waer fy zijn, een nieuw boetveer-
digh herte, een rechtfchapen dadigh geloove aen Chriftum Jefum, een
ongeveynfde vyerige liefde, een heylfame leere, een gefondt gerechte na
der waerheyt, ende een vroom onbeftraffelijck leven, in de vreefe des
Heeren van Godt onfen Hemelfchen Vader , in die werckinge ende
kracht fijns Heyligen Geeftes, door Jefum Chriftum fijnen lieven Sone,
onfen Heere „ende eeuwigen Salighmaecker , Amen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
EEN KORTE KLAEGLYCK E
ONTSCHULDINGE
DE RR
ELLENDIGE CHRISTENEN.
LA
kinderen unt grooter voot gedzongen worden/ nomen
Í
(/
p8
Et is een pegelick feer wel
belient / waerde Mannen
ende Bzoeders / hoe dat in mandt onder den gantſchen Demel met bandí-
onfe Hederlanden / die ren⸗ ger waerhendt obertupgen kan / dat wp ende
A neGodtlijchte Waerhent /
a Doordat nijdige voegen enz
4 De oproeren ban joapen
| ì eert ende JRonnicken (alacn) |
feet gehaet Wort / e
alg water geftozt w
Dat Wp Loor Dat Cprannige ſweert macten
blieder /ende ong ín vreemde Landen met onfe
fwacke Drouwen / ende klepne Kinderen / op,
Godts toe
ſegginge behouden / ende onſe bzoot
in kommer ende noot winnen moeten.
Waer ober dat
boofelijckt
aen ons wel
vervult , f feners,
quaet van u
{preeken.
Matts, 17.
uwer bele (als ’t blijckt) fcer
roepen/ (jae magelijclt doa? misver⸗
ftant upt goeder mepninge /) ende die Mues
righendt (Die een Deel wel vedelijck ende bez
hooglijcht zijn fauden/) tegen alte natuerlijcke
redeljckheyt ende Ehriftelijchte liefde/ met
openbare verdichte beſchuldingen tat vervol
ginge/ bewegen ende oproeren / ende ghy waer: |
fehout een pegelijek voo? ong/ ende fegt dat wy
gelint zijn als die Munſterſche, ende dat wy
Steden ende Landen willen innemen, waer dat
wy haer machtigh waren , ende dat wy oproer
maken, ende {weert voeren, ftelen,ende dat wy
met onfe handen willen in ander luyden buy-
dels zijn, dat wy vele Vrouwen hebben Ende
onfe Vrouwen ende goet in gemeen gebruy-
ken, dat wy de Overheyt niet willen gehoor-|
faem zijn, dat wy onfe kinderen met lijf ende
De (preucke Ziele vermoorden , dat wy
Chrifti wort cramentfchenders, ende verleyders zijn ;Glij-
dat wy ons beroemen fonder (onde te
(llen alle Zijn, werckheyligen ende Hemelftormers » die,
door onfe verdienften ende wercken willen fa-
ligh zijn , een Godrloofe Sette ende rotterye,
Wederdoopers , Sa.
fijn oo2deel / ooelt boor
de gantfche wijde We⸗
telt onſchuldigh ende ban flaen/ jae faa ans pee
onfe voorftanders / ín cen Lan alte Defe Godee
laofe ftuclien ende hals falen
ſchult hebben/
oft immermeer fchult gehadt hebben / fo wil⸗
len Wop de handen op onfe monden leggen/ende
nde Dat onſchuldige bloedt, willen den overbzenger
03t/ Waer dao? Wp ellendige bonden ſtaen onſe leefdage / Dat alleene ipige⸗
/ dat wp de overhept niet en begeeren
met lijf ende goet Gers
gehoozſaem te zijn / als fp tegen Godts waost
gebieden.
wp
Is det niet een bedzacfde ſake dat
met aldusdanige onmenſcheljcke ſchan⸗ dan die
Men modet
(ſpreeckt Pez
trus ) Godt
meer hooren
Den maeten gefchent worden/ daer Wy nict een —
ban allen deſen gedacht / noch wepniger gez 33
daen hebben.
Heeren genade tegen u
%engefien
Dupbel if / Hoan.
nieuwe Monicken , fchelmen , booswichten
ende dat wy met den Duyvel befeten zijn:
ſomma / tp worden (ach Yacn) met alfuteken |
verwe ban uafgemaelt / datfc alte /
Die onfen |
grond ende gelaove/Ec. niet beltent zijn/neufen
en monden boor ons toeftoppen / ende een ver⸗
ſchricken boo? ons heben moeten /hoe wel dat
kop (Ben Heere zy eeuwigh danck) vaar Godt
ende fijn Engelen op defer Verden anders niet
en foeckten;
hep) met de
dan dat wp ín onfer armer fwacks-
8 Heeren Geeft/woort/ ende voor⸗
eelt / Daag ſjn genade van herten mogen cen
3íjn/ gelijck
mede beengt
Die Almach
Kom. 8.36. Kenner ban all
Apoce, 23, bom van alle
fchenderpen/
ban u gelafte
Ter. 17.10.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
hd
de gantfche Schrift dat leert ende
tige groote Weere/ die een be:
e heeten is / die weet het / hoe dat
deſe gemelde grouwelen / ende
Daer mede ty fo vpantlijck altijt |
rt Worden / vooz den Heere ende
8, 55
Och weerde Mannen ende Bzoeders/ wiſt
ghu wat wp ſoecken / ende hoe dat win doorz des
ende een pegelijchk ge⸗
fint zijn / ah en foudt ſulckien berbitterden ge⸗
moet ober ons niet dzagen / ſo ghy tot noch toe
gedaen hebt / oft gn moeſt in een al te Godt⸗
foofen fin ende verkeerthepdt gelevert zijn/ dat
Wp immers aen belen niet verhopen.
ghp u dan fo jammerlijclt gen De Prediker:
ons bergtijpt/ ende de eene leugen fo leelijc. zijn de oor-
ken op Den anderen hoopet / ende ien ong cle 565 ons nieë
lendige (alacp) geen mondelijekse ontfchuldin- » *
ge aen geene plaetſe gunnen ende toelaten wil.
wil / daerom zijn Wp upt grooter noot gedron⸗
gen/een Schziftelcke onſchult in goeder kort⸗
hept boog te ſtellen / ende willen u alte famen
bier Bingen daer mede ootmoedelijchken gebe
den/ende Bzoederlijck vermaent hebben.
Cen eerſten / dat ghp met geſonder herten
u wel bedencken wilt / dat de lengen unt den Fen dief is
Dat bie egen beter dán
de mondt Die ziele daodet / SAP. 1. Dat een nae
leugenaer geen Deel aen Godts Stadt heeft, z
Upoc.22,26,Dat de achterklanpers den doodt
weerdigh zijn Fom. 1.15.
Datſe in des Beez
ten hups niet woonen / ende op fijn Hepligen
bergh niet blijven fidten/ Pfatnr 1
Cen tweeden / dat alie uwe he
9—
5
ſchuldingen pr.
ct. 4. 19:
aecke, dat-
‘ooren en
en leuge.
cci. 20,
rl PME of”
Ober ons bp na alle hals falen zijn / Soo Wp Jac. att.
Ben {eere Dan níet en bacefden / maer wilden Lr
onfe vecht na Werelts Bedimantie op ’ ſcherpe
fte van u enſſchen / ende moeften
ſetten / Waer wilde gho doch ten
ter ſaecken henen / nademael ah
Boet bp boet
TA :
eeft my dé
rake ende
k-fal ’t vere
letften met⸗ belsen > (eye
ons met al:
Deun. 22. 42
fulcke vermaledijde grouwelen beo? Die gante Ron; LT
fche Werelt befchuidigt / die aha noch geen »
Menſche ín eeuwighendt / ons in een cenin
woort met beftandiger waerhendt betupgen,/
oft waer maecken ſut.
Cen derden / dat oock deſe uwe handel plat
tegen alle natuerlijcke redelijckhepdt ende doſt
tegen alle Cheiſtelijcke
woordt is / wa
liefde ende Godee
nt wie 18 ?er doch immermec
Kel 3 heui
Pet. 2. 124
| | Job. 24.4.
ELEN 1E EX. 23. 24e
Ei Lev.19. 34e
|
|
Í
—9000—
P | | Ter, 7-23.
HE 0— Eſai. 58. 6
Ki Matth. 25. 4»
tigheyt der
geleerden.
EK | Onbarrmher-
00 Hi Tyrannye
NENDE der geleer-
Il Ii 9 HE den.
BIE IE EE
IEI | | Ii
ENEN
IKE
IN} | |
—4
1
1
|
| Godts ge-
tien -faken
door den
geeft met
des Heeren
woort,ende
— — — —
righeyt met
wereltlicke
4 policijen
door gewelt
me — EEE — — — nn
— — — — en — —
Tit. 3.10.
|
EE HEURE
4 9— Matth. 7. 15
| 210. 1. 9.
wreede on-
kent Chri-
ftus geeft
niet,
Der Predi-
del PN geeft >
leere , Sacra
menten end
men met de
Heeten han
del, Geeft
leven niet,
t rit. 3.4.
Tite I.2.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
334 Een klaeghlijke Ontfchuldinge
niet de Ove- fal/ waer heeft Chriſtüs / ende Die Apoſtelen
Alſulcke on- noch in fijn uns or
barmmhertige
van vromer aerdt geweeft / Die hem ober den ( al alfa geleeft/ ende gehandelt / (a Deere) vecht
elendigen niet beindent / ende ober den bedzoef⸗ ofter fijn leefdage / noch Prophcet / noch Apoſtel /
den niet bedzoeft en heeft/ de gantſche Schrift noch Chriſtus / hoch woozt Gods op Aerden
eert / datmen die ellendigen ende vreemdelin⸗ geweeſt hadde, noch wilt ghp-lfeden de heplige
gen ín Der liefgen ontfangen, dienen / voorſtaen | Chaiftelijchie Herche / ende De gefonde Lee⸗
ende trooſten fal / ende gh fiet het met opene | raers zijn / vecht oft Chriſtus doen ín fijn
oogen / hoe klaeghlijck Dat wp cilendige men: Kercke niet meer dan een naeckt leſen / ſingen /
fchen over al gehatet / veracht / verbannen / be⸗roepen / kinderdoopen / brzoot bzeken / ende na⸗
laft/ ende op ſommige piaetſen veroozdeelt / me boeren zp / ende uiet meer / Geeft / kenniß⸗
ende vermoort Worden) och en wozt eben⸗ fe / geloove / liefde boete / gerechtighepdt /
tucl u herte foo bele niet beweegt/ dat ghn ong | werclt/ kvacht/ ende waerhepdt noodigh zijn.
eene im onſe harde verſoeclungen / eudefwate| Neen / neen / Weerde Mannen ) neen / Dit
mooden / met een eenigh vriendelick woort aen⸗ heet in Chriſtus Werchte, Chriſtus onbermeng: rr >
fpzzecht/ ende onfen grant / geloove ende han⸗ de reyne Woordt in Des Geefts kracht vecht roa, zj. 12-
del / met een Daderlijcit gemoet na deg Meeren Peedilien ende Dat ſelfde met boller herten gez
tort onderſoeckien meught / maer ghp gietet | looven / ende ín der gehoorſaemhept recht na:
noch af meet ende meet alpe in het oper (alg) komen / des Heeren Heplige Sacramenten / als Joes Eje.
reu ſperect) op dat Wp doch geen ruſte op | Doop ende Pachtmael / na fijn engen bevel zoa. 5. 5-
Berden Linden fullen/ roepen / ſchehven / dich⸗ ende Ozdinantie vecht gebaupeken / God Lan Loa. 10.3:
ten/ fchelven ende oproerẽ /ende teggen die eene | herten foechen / ende breeſen / lief hebben / ende — —
harde dzoeffeniſſe op Die ander / ſleppen in too⸗ Dienen, unt Godt gebaren worden / fijnen HAC: , Tim.3-24-
rens ende banden) recht oft ghu uieefdage niet ſten lief hebben; te Dienen /te trooſten / te helpen / Tic. 3 s-
cen deter met Baddelijcken veeftande ban! ende boog te ffaen / alle valfche leete met Die 7 19° 157
beg Heeren woordt gelefen / nach een Blepu | wercken det dunſterniſſen te mijden / sleefchez warrn.16.23°
bonchgken van fijnen hepligen Geeft antfan-, hijcke luften die tegen Gods waat zijn/af te 1 per. 2.3-
gen en hadt / Geet datnae repnder Chafte- | flezben/ Die Werelt ende hem felven verſaken/ laat le 25e
jcker liefden / nae Apoſtoliſcher Heere ende, een vzoom / vreedtſaem / kunſch / muchteren / — *
gebaunelt / ende na des Heeren Geeft / Woost vernedert leen in Der gerechtighepdt te boe Macch.r3 8.
ende Boorbeelt handelen / Dat willen wp u ſel⸗ cen nae dee waerhendt: ſumms / gefint te zijn Rom. 1. 25-
ve in iet oordeel (reilen. alg Chzíftus Jeſus: Want fo waer deſe zin / —
Sedt dach mijn beminde / waer leert doch Baer is Chꝛriſtus Nijcke / ende Werche) 'tiSON: Eru. s. 8.
a be zn die henlfge Schuft / dat meu in Chriſtus Nijc⸗ wederfpsechelijck: Maer verlenders / hatige / 1 loan. 3.
e= fe ende kerelte metter Overighept / ſweert / ge⸗ feugenaerg/ laſteraers / achterklappers / oproe⸗ Apoc.ai. 22
ï
welt / ende epranmpe over pemauts Confcien-| rers / bloetdorſtige / gierige / onbarmhertige
tie ende geloobe / dat alleen den oogdele Gods | wzeede / hooveerdige onboetveerdige &C. Die
vboorgehouden is / voort varen / ende handelen | zjn unt den boofen (gelijck Joannes fept/ende
haer Deel fal een eeuwigi tanden klappen /
immermeer fo gedaen; geraden oft bevolen? weenen / Helle / dunvel / vper / ende doot zjn.
want Chriſtus fept maer / wacht u boor de val-| Och mannen Groders/ foo ahp deſe anfe
fche Propheten / ende Paulus gebiedt / dat men korte aentwijfinge ín reynder Gods vrzeeſe wel
ende fweert. genen ketteefchen menfche; nadat hp cengaft| tet herten naemt/ ende met des Heeten Geeft
tweeimael vermaent is / fchouwen fal : Toau⸗ ende woort vecht na dochtet / ghu faudet onge:
neg leect / Dat men den overtreder, Die zie | twijffelt een fa grooten balck im uwen engen
ſtus leere niet met hen Leena / nach groeten/| ooge vinden / dat qu Dat klepne fplinterkken/ Dat
tfangen ſal; Maer fn en mogelijck ín uwes Bzoeders ooge zijn mogte / — 7 4
felgaffwen niet /wegiy met die keiters beklaegtz| ( nademael wp van Kdams zaet alle komen ) EE
fe aen Die Overighent / fetfe vaſt / Deijftte ter wennigh achten foudt/ Maer hem felven wel te
hen ole. ſtede / en ten lande upt/worptfe (toper ende beliennen / (8 kloeckhent / ende hem ín alte din⸗
water/ als de Noomiſche lange Garen gedaen) gente fchichen na des Heeren Woozt / en booz⸗
hebben / ende ooch noch een groot Deel bp u beelt!is een heylſaem beeftant/ende wijghent.
bebanden wordt / al die u laet duncken / dat Aengeſien Wp dan fonder alle onft ſchult dus
gijp Godts wooꝛt lectt. onbefchepdelijck Gan u beladen Worden / ende
en bierden / Willen wp u ooch om Jeſus ghnurberoemt / dat ghuGodts Dienaeren zijt /
kanten han- wine opt s herten gront gebeden hebben / dat | die fijn woort ende werck Danen /fo bidden Wp
ghn doch een wepnigh nadenclien / of aoclt u alle te farmen om dat roode bloet Chaiftijdaet en
euime dBeefte cen met des Leeren Geefte / ende | mede wia befprengt zijn; Dat qu u eens bedenkt re
leven, ftem- nyue getoobe een met fijn hepligh waat zijn, | wilt / hoe ghn met ons ellendige ende bedroefde erris om *
> oft u deg Beeren Geefte (ende de hefoe uwes | handelt ende onme gaet/op Dat gau doch nick geloore 1%
naeften / dan oft u Die luft des gewins / ende meer met alſulcke openbare leugenen/ ende ts man
woornSaera- fe forge der tijdelijchter neeringen in uwen |tannpen / als *t tat noch toe gefchiet is |
rmentensende pfonfte ſennden ende indringen / aft ghy oock) en befondigt / maer LEN beleeft ende Dader: E
2* t
Gods woordt unt cepnder heeten duwerbalſcht ljck gemoet betoonen / ſo een Godtljcke voe: FD erchri-
pzedícht/ fijn Sacramenten vecht gebrupelit / ringe gelijchfonnigh / ende een Chꝛiſteljcke ai, is vrien:
cube eert vroom onbeſtraffelijck leven voert fa | naem tocbehoogt / want wy betupgen Loo? delijk ek.
de Schrift leert / ende oft ghy oock openbare den geren / die onſe herten kent / voor u/ ende vader}
obertrederg / pranckerg / dronckaerts / gie⸗/ booz de ganfclge Werelt met mont cude Schaf:
gire/ waechenacvs / leugenacts/ bedrziegers / ten; met goet ende bloet /met leben ende doot/
Kijbers/ vechters overſpeelders / hoeven: als bat Wup des Weeren Weplige Waart ende
jagers / vlacchers / ſweerders / onrechtvrerdi⸗ wille / upt dat allerbinnenſte onfer zielen /
qe/ %c, fonder cenigh aenfien der perfoonen/| in onfer armer ſwackheydt gewilligh ende
mijdet ende van Der. gemeenſchap met des berept ſtaen / ende Wi ſtaen overbodig nu ende
Heeren woordt afooet / want daer wozt over | eeuwelifet / wp hebben oock ban aenbegnn
J
Der Ellendige Chriftenen.
ons geloofs en handels / altijd fo geweeſt / ſo
Ots permand met krachtiger Geefte) met ſtere⸗
het waechepdt / en met Bodfaliger teven on⸗ en Paulus / Ec. tor haren tijden gedaen heb⸗
derwijſen kan /alg wn hebben / op willen van, ben/ fo fout ga u van heeten verbiijden / den
becten hoeren en geboozfaem zijn / maet ſoo eere danken) onfe getienkte eere Weder
men ons met beter onderwijfen kan/ fa bid: vooꝛ den vele oprechten / eu u voortaen boog
335
Heeren prijs / en de Salighepd uwer Bzoede⸗
deren ſoekt / gelijk Eſaias Jeremias, Petrus
Den Wa andermael/ om Jeſus wille, dat, alfulke iaſterſijne faelgeren (foo vermelt ig ) Hoe kan die
men ong als Dan de waerhendt onverbindert Wachten / uwe leben beteren / en Den agenge⸗
Cc
en oprecht
Chriften
gunnen en laten wil, en wilt den beoamen | boden handel met Chziftelijker trouwe bewil⸗ zijn,dse niet
Die in Der Waerhend wandelen / niet meer ſoo |ligen / raden / en voorſtaen / aengefien Dat wa verfoenen
geen goeddunken / engen Wijshepd / Philoſo⸗
phia / en dzoomen ( gelijk als
vervolgen en leet doen.
platen u al tefamen hiet mede Weeten /
dat wp ban herten genenge zijn / tot een be-
quaine tijden ſtede / met een of twee van den
onſen (fp zijn dan Leeraers of niet ) met u op
gen Geeft, / Wooro / Gebod/ Verbod / Grdi⸗
nantte / gebruuſß ende voorbeeld / willen. laten
Wy ſchamen eenen Cheriſtelijken vzuen Schrifts handel te Middelaers en Uechters zijn.
Ons met
Paulo des
Euange-
liums Chri-
ſti niet.
Rom. 1.16.
Het is meet-
der fchande
fchrijven
kan,dat men nd 0 í
we na-ftellen/ als na Chziſtelijcker liefde /
Gek — Gods Wooꝛd behoorſijck
van Chrifte- b2oomer herten geſchieden konde / fo
nen eyfichen
al,
beefchijnen/ het zp voor een Volle vergaderin:
ge/ of voor twintig of dertig redelijckte ende laet / en noch even wel/ ba uwe bicterhende /
Godvzuchtige getupgen/ faa u gelieft / om Dichten /laftecen ſchelden / achterklappen / en
met u ober deſe volgende Articulen / (Want fchandblecken blijfe / fo gn voor gedaen hebt /
daer in is het / dat Wp bp u den ſcheel binden) ‘foo moeten tap eliendige dat den Heere opge
met Chauftus Geeft / Woord / Leven of vooz⸗ ben / gelijk coc noch toc geſchied is/ ende onf?
beeld / gebod / verbod / gebrunſ en ordinantie |
ín goeder Canfcientien
lijk ban Dietechte Kuangeliſche Predikanten traaften:
en Leeraers, hoe fp na lupdt Gods Woord haten / en u affnijden / en ſchelden u / en ver⸗
dien hy ver-
fommige) mact Selene
omm AEL en mer open-
Chuftus (na welien wp gewaemt ziju / ) ens beer onrecht
en gewelt
verkortet
heeft.
Mat 5.19.
Maer 18 ’cdat op ſullis outwijſit / ende af; Ela .
| stelen in gedoogſaemhepd beſitten | onſe rug⸗ Luer. 27.
te handelen / name⸗ gen Den flagers bieden / en ong Diet fpreuchie Fle.so- 6
alg zut gn/ als u de IBenfchen vat...
moeten geſint en geſchikt zijn / eer fin Godts, werpen uwen naem alg quaed / om den Sor atth. 23.31
Woozd vecht Pzediken / eu de Sacramenten | ne des meufchen: Derblijdu en verheugt u /
recht bedienen mogen. ug want fiet uwen Toon ig groot in den Wemel.
Dau die leevinge Chꝛiſti / en fijner Apoſte⸗ Maer gu moet De mate uwer Boorvaders
len / hoe datſe niet verandert / maer beſtan⸗ berbullen / en u ſelven openbaer malien/ dat
dig tot op ſijne toekomſt blijven moet. qp niet de ſchapen / maer alleene haer melk/
Van dat Chriftus een volkomen Leeraer , | wolle / en bleeſch foekt / Ezec. 34.3. Ende
en fijn offer een vollkomen offer geweeſt is. | Moet alfa een weg upt/ te weten / gp moet ban
Van de ware Wedergeboorte, watfe is, Uwe verdichte befcljuldingen / en laſter⸗roepen
ban waer ſy komt / en welke haer natuetlijke | ophouden / en met ong in een befpzek treden /
aerd en bzuchten zijn. of gp moet bekennen / dat gn geen gefonde
Van een rechtíchapen EuangelifchGeloove, | Leeraers zit / en _alfo uwen Euangelium /
en liefde / met haet epgentlijchte epgenfchap- | toem / en Cheiſtelijſen naem afflaen / en vas
pen! krachten en werkingen. ven laten.
Van Gods Geboden, en haer gewillige on- Hier mede willen Wp u / alte famen den
derhoudinge. Heere bevolen hebben / enbegeere; Dat ond
Van ae rechte Chriftelijke Doop, hde datfe | doch niemand orc onfe ſchzijven en verkeere
ban den Deere bevolen / cn van den Apoſte⸗ want wm en hebben t niet auders gedaen / dan
len geleert en gebzupht ig. tot berautwoordinge deg 1. Woords / en rot
Van des Heeren Heylige Nachtmael , wat befcheeminge onſer eere / en Dat Wia nu / en tot
bet is / en wien Dat het ingeſet en nagelaten | Allen tijden, onder Die beemelde conditien om te
is / en wat dat het aug met fijn verborgent- | Handelen gewillig en berept ſtaen / ſo gelaortis,
benten af beeldinge Mm’ ghebruyck leert en — Die barmhertige liebe Hecre / aunne natte
boordzaegt. tfamen een oprecht broom herte / die heylſame
Van de rechte Apoftolifche Ban, of affiij: | repue waerhendt Cheiſti ban heeten te benun⸗
Dinge / met fijnen epgentlijke vzucht en nut- ) Hen / en toutwelijken Daer in te wandelen, tot
tighend. den Ps Gods, en tot ſalighent uwer zielen /
Van dat vroome Chrittelijk Leven bat unt | men.
Godt is / hebt qw dan nochh wat meer / Dat Die befchrijvinge eens rechten Predikants.
meugt gp alg dan beordzagen/ ende metden) Een Biffchop of Leeraer fal onſtraffelijckt
woorde Gods rechten laten. ʒhn / alleen eens Wijfs Man / die geloovige
Siet / weerde Mannen en Broeders / Dit! inderen heeft miet berucht met giſghend of
is't gene / dat wp van Gerten geeene fien ſou⸗ ongehoozſaenhend / want een Biſſthop fat
den/ als ’t met eenen Cheiftelijken ongevalſch⸗ weſen onſtraffeljck / alg een Wupshouder
ten gelepde/fonder alle hinderlift / bedrogh en Gods / niet gronts van hem felen houden met
ende toomig/geen wijnſunper / niet bijtig / niet gie⸗
is / in oprechtiger rig na fchandelijk gewin / maer een ontfanget
| als O⸗ der beeemder / goedertieren / manierlijß / recht
rigenes/ Anguſtinus / Hilarius / ende noch veerdig / heylig/ kupfch/ en behouden vaſt die
meer andere / met ſommige in Der leere ſuſ⸗ Leeringe deg getrouwen Words / op dat hr
pect/ ook tot haren tijden wel gedaen hebben. machtig zp te vermanen dooꝛ Die ſalige leer ín-
Maer dat top gelepde en baphept begeren/ dat ge/en te ftvaffen die tegenfprehers/ Cit, :. 9
kan men ons níet berkeeven / want men doch 1 Cim. 3.2. |
wel fiet / boe men (o lacu ) aen alle zijden bet | By onfe ellendige vreemd
ons ellendige roept (ja toomig en vergramt is. Chritenen, om dat Woord
deit op nut Dienaren Chzifti/ ende gudeg nife. Anno 1552
clingen » En verftroyde
Godsende fijn getuyge-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Brief
F Et en aft
Om defe ledige plaetíe te vullen, hebben wy | {us Chriftus ‚Boog fijne Genade weder opwee⸗
geraden gevonden defe volgende Brief van | ken / u een bepmeedig bzolijk gemoed malten /
den felfden Autheur hier by te voegen. want gu her ín fijn Lidmaten ontfangt / liefde
en dienft bewijſt / als de H. Schrift leert. |
Jin ltebe Kinderen / verſtaet mp vecht / ick
ſprelic ban De nooddzuftige Hepligen / niet ver⸗
ber / Die felfs genoeg hebben / en behoeven deſe
uwe handrephiinge en Dienfte niet. Derechte
Chꝛiſtenen behooren oock malktanderen met
Brief aen een bedroefde Wedevrou,
tot haer Trooft ftreckende,
Menno Sy=’
mons Brie
aen een
Weduwe.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
berloo? / fo wert hem Bach onfe wave Elias, Je-
‘U zy veel genadeen vrede, en wriendelijc-
ke groet.
| bd br en liebe Suſter ín den Hee⸗
te / Die mijn ziele bemint en lief heeft / fo
dan op Ditmael de barmhertige Heere nin De
TBeduwelijke ſtaet bevoepen heeft / ſo is mijn
Vaderlijke trouwe vermaninge aen w/als mijn
liebe KRinderen / Dat gp doch alfa wilt vande:
ten/geljkt Dat den {2 Dzouwen betaemt/en Dat
gu met de vzomeDzopletinne Pannadenideez
ve in den H. Tempel/dat is in fijn Gemeente /
of een nieuwe oprechte confcientie met baften
en bidden, dienen ) ’$ nachts en Daegs aen Den
Hepligen nooddzuftigen / dar de deughdelijcke
eduwe ín Satepta Sidonie ín Den drzoogen
Deuren tijd aen Den getrouwen Eliam dede /
aen fp hem ter herberge antfing / en met haer
wepnig meel en olpe fpijgde / ſoo wert oolt Dat
meel deg hepligen Godlijcken Woords upt de
Cadde uwer confcientie / en De bzeugden-tijke
@lpedes hepligen Geeſtes acn uwen Geeft
miet ontbreken / en of de nieuwe Soon uwer
Geeftelijche geboorte ſchoon al een Wepnigk
krank worde / en mits de zwakhent der Wedu⸗
weiike Natuer / fijn adem eenen lilepnen tijd
onnutte koſten níet te bezwaren. Trouwe
Dufter/wandelt kloeclielijſt / vzeeſt uwen God
van herten / krupſt u vleeſch met fijne luſten /
wederſtaet den vpand en alle fijne bekoringe.
Pout u fn alle dingen vꝛomelijk / veroozſaeckt
niemand tot eenige ongefchikthend/ onvoor⸗
ſichtelijſt. Nemet Waer uwen arbent / huys en
kinderen vlntelijſt: ſchouwt alle onkupsdepd /
onnut geklap / pzael en pdelhepd forgvuldelijk/
en fet umet aldert ernſt booz / Dat gu níet door
deg vleeſch geweld fo ſeer gedzeven Word / dat
ap det Weduwen gelijk wordet / die dat eerſte
Geloof verlooren hebt / afgekeert en den Dupe
vel navolgen / ſo Paulus fept/ daer voor de
barmhertige Bader u eeuwig behoede ende bez
ware. Defe mijne kozte groete unt vechte Daz
derlijcke trouwe aen u gefchzeben/ ontfangt
met lfefde/en Denkt het blpeelijk na. Wet groe⸗
ten ude heplige Die br mp zjn. Groetet alle
bzomen brienden. Bidt voor my / de eeuwige
ſaligmakende kracht ende vzucht Des rooden
bloeds Cheiſti zp met mijne untverkoren ſeer
beminde Aufter in eeuwigheyt / Amen.
Menno Symons;uwen Broeder ,die u mindt en
lief heeft ‚den 18. May.
E
EN KL AER BERIGHT
ENDE
SCHRIFTELYKE AENWYSINGE
VAN DE
‘___ EXCOMMUNICATIE.
| | Ten dienfteallen vroomen en Godvruchtigen Gods Kinderen.
A 0e ik
MENNO SYMONS.
| | Prov. 28, vers 5.
Quade luyden en mercken niet op dat oordeel, maer die den Heere
vreefen merkenop alledingen.
Prov. 28. vers 18.
Die vroom henen gaet, die fal genefen: maer wie van verkeerden
weegen is, die faleens vervallen.
1 Corint. 3,11.
“Daer en magh geen ander Fondament geleyt worden, dan alleen
| dater geleyt is, het welke is Chriſtus Jeſus.
| Gedrukt in’t Jaer onfes Heeren, MDCLXXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
fe}
le)
ej
pr
c
Ko)
[a
a
®
®
B
E
2
[sa]
®
E,
mv
E
—
le)
rd
—*
le)
>
ed
®
*
=)
le)
8
>
me)
"0
®
8
me)
le)
bu
jen
®
hed
bed
®
kep)
le)
E
oo
ON
laa)
N
on
—8
EEN KLAER BERICHT
EN DE If
SCHRIFTELYKE AENWYSINGE
VAN DER
EK COMEN 11.
Menno Symons wenfcht allen waren Mede-genoten des Geloofs, Broe-
deren en Sufteren in Chrifto Jefu, Genade en Vrede van Godt on- |
fen Hemelfchen Vader, door Chriftum Jefum fijnen lieven Soon |
onfen Heere, de welcke ons lief gehadt heeft, en heeft ons gewaf- |
fchen van onfe fonden in fijnen Bloede. Hem zy Lof, kere en Prijs;
| ha — en Majeſteyt, van ceuwigheydt tot eeuwigheydr, I | lij | |
Ademael Weerde Baoeders| Dewüle dan De nptgedzuckte Osdinantí if
„ee E | L zuct mantie Ei
—9 ick bebinde / hoe dat een, Chꝛiſti en fijner Hepliger Stpoftelen ban die EL
tyjd lang bele oneenighents eerſte en oolt ban Den anderen / den Ban aen: IE!
\ C bp Den ſommigen deg Bang, gaende / feer klaeglijſien veenictet/ verdon— Í
IN DN halven toegedragẽ is/ en dat | kert en berdzaept Wozt / en ban Die laet fte met Hi
> î A HÀ fo fieclt en ongeopdineerlijk | fiende oogen obergetreden en onteert wodt /
ZANGEN dat derhalven (bzeefe ick)de ende alfao door de bovenverhaelde ende open
Conn Roeederlje liefde bp belen Deure tat alle verdervinge gefet wort / opent: |
meer gebzoolten/ alg getimmert is /en de Chei⸗ tijken tegen alle liefde gehandelt wort. Een ij 4
ſtelijcke bzede/ende eeníghendt meer berklennt eerſten / tegen de liefde Gods en Chꝛiſti / ij
als gewaſſen zijn/ gelijck; het lepder pleegt toe | want fin fijn 9. Woost / wille ende ordinantie IE
mis, _ tegaen/Dat mien Doo? engen wijshept na al⸗ verſmaden en ongehoopfaem zin. Cen twee: Í |
ſulcke verdervende diſputatien dozſtig en. be⸗ den / tegen de Beoederlijcke liefde / Want
geerig is / want de ſommige houder alfo over doo? alfulke hate wederfpannighepd ende ves
den Ban / dar(e niet den gebanden felve, maer | achtínge boven maten feer ge-ergert ende bee
alleen (ijn vaìfche leere en erge leven,fchouwen | droeft worden. Cen Derden / tegen De lief:
en mijden Willen / ſeggẽ / ſo / niet merkende hoeſe de haerder epgen zielen / want fp haer ſel⸗
alreede felbe in valſche leere ſrer Diep vervallen ven moetwillig ſetten en overgeven ín alfe ge⸗ |
en verſteken zijn / want fin daer mede te niete | vaer der verdervmge. Ten vierden / tegen |
Mat8,r7, doen de klare Ozdinantie Chzifti/ Mat. 18, de liefde Des gebanden/ twant fi den vacd deg
Üs 17, Houdt hem alg een Hepden / GC. en H. Geeſts geheel verachten / ende en foecken |
— lilare woorden der H. Apoſte⸗ hem niet te beſchamen / tot fijnder bekeeringe.
| jl om, 16,16, 1Cor. 5.3. 2 Chef. 3. 14. | En ten bijfoen/ ook tegen de gemeene liefde/ 1 | HEK
rn be want dooz alſulcke gemeenfchap met den afz Hi | HEE
Die andere nteenen / dat men oock geenen | palligen/ malien / fia die daer bupten zijn / ev
Ban voorder gebruyken en fal, dan ſo wijt de wanig / dat wp can met den afalhgen —*
Euangeliſche handelen aengaet, als Broodt verkeerden een vollt en een gemeente zijn / en
breken , kusdes vredes, 8c. en voorder niet/'\ moet. alfo dat Edel Gods Woord / en fijn H.
en verdraepen alfo de Klare fpeeuken der | Gemeente doo haere moettwillighepd en onz
Schꝛiftueren / op datfe tot hare ſaeken Dienen | gehoorfacmthent bp Belen verlaſtert en gefchent |
1Cor.gro. mogten / namelijk :Webbet geen gemennfchap | worden. Daeram hebbe ick mp_beneerftiat Í
Met.is.i · Met hem / met fodanige en ſult qu niet eten ; | npt rechter Chꝛiſtelijcker aerd cn Broederlijc⸗ 9
* hem alg een Heyden en openbaer Don: | ker liefde / (des Godt een getupge zu) alten |
aet/en fulke fpzeuken meet. [mijnen lieben WBzoederen en Medegenooten
— ziju daer formmíge / diede Ordeninge in Ehriſto Jofi tot eenen goetwitlfgen diene
rukt, ende Leereder Heyliger Apoftelen [fte/ den engentliken grand deg Bang met |
iet Excommunicatie wel voor recht ende Godlijker waerhent aen te wijfen / haefe ban Hi
| goed bekennen, evenwel fo en komen fia deſel⸗ Ehriſto Jeſu is ingefet / ban fijn 42. Apoftelen 4
be miet na Defommige (fo ick vermoede) uptgelepd en geleert ig / en wat vrucht en nut- |
unt ſſappigheyt / fommige door vleefchhelijcke \tighend dat ’er ín gelegen is. Maer dat oordeel
gunft en liefde / díe fp den afvalligen toedza: ban mijner aenwijfinge Wil in fetten bp dien /
gen /_ of nagebueren zijn / of om datſe bloed: die Godt van ganſcher heeten foecken ende |
brienden sijn, of om genood en voorige vzien⸗ |greefen/ en ín den Geeft van Godt verlicht en:
ſchap en alſulſte oorfaken meet. de geleert zijn / gen pegelijck meene fijnen
92 Godt Í
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Jac 5.15
Jer. 8. 1,
Cot. 13. 5e
Matt. 18. 15,
nae Der leere Chriſti ende aett Det cermder lief:
Den met hen gehandelt / evenwel ín hare dwa⸗
linge halſtezrigh volherden / fallen fchouwen
ende mijden / gelijck de Joden den Pendenen
Exod. 12,49.
Godt ende fijnen naeſten / ſoo fal hn Wel beten:
nen / oft defe onfe aenwijfinge niet Godts
gront / mepningé/ Wooz
Mijn ſeer beminde Broeders endeSu
Chꝛiſto Jeſu / ick uwe arme onweerdige Die⸗
naer ende medegeſelle
dzucſt Chꝛiſti / begeere onde bidde om dat vaa: di
de bloedt mijns Beeren Jeſu Chriſti ende om Loar ont
Dt ende tille en ——
ers in
in den geloobe ende
aller liefden wille; Dat doch nie mant moetwil⸗
lens en ſtrijde tegen Ch:
gen fijn Peplige Woordt
cpgqen geweten / am fijn
/ ooclt niet tegen fijn
onberftant te bewee⸗
ten / op dat hu boos De menſchen niet ſcham⸗
root en Wozde,
Fecht hope
vecht ware Chꝛriſten niet foeclien en fal nez
mants / noch den bleefche te befchamen/ maer
Die vepne liefde foeckt altijt fijnen misgrijpen: a
Een kKlaer Bericht
toegelaten / upt Ben bebele Des Heeren door Apoc.'a1. 27.
Moſen / nach tot haren Godg-dienft/ als eed
blijckt ín de wercken der Apoftelen / want fn; ° **
waren vreemt van de Bozgerfchap Ffracl/en- zoa. 13. 23.
|De Iſrael wag alleenigh de Godtsdienft.
*
gaen / met ben teeten ende te dzincken. Al2
iſtum Jeſum / ende te⸗ ſoo hebbenſe oock van de apenbare fandaerg 25539:
gehouden.
t Eph. 2,6.
ACE, 11. 3.
Cen tweeden / hebben fp dock hare uptwen: 41°: °$-
ge gemevnfcha
1
alſo gemijdet/ Dat fn 't oock: Gal.2.5, 8.
eyn aenſaghen / in hare hupfen in te Marth. 5. zz.
l⸗ Marc. 2. 16.
Joa.4. 9.
Gelijck dan De Goden de ſelve Wendenen
ende openbare Sondaren tot hare geeftelijchte
immers dateen ende oock vleeſchelijcke dagelijckſche oft gez
fellige gemepnfchag niet en hebben toegelaten/
‚maer hebbenfe gefchoudt ende gemijdt / alfa
ffchoutwelijeh ſegt ende wil Cheiſtũs Jeſus /
Den ende dwalenden Bzoeder weder te foelen/, dat ton ſullen houden eenen afvalligen onboet⸗
ende Chriſto Jeſu te Winnen. An gelijckier veerdigen Broeder,
maten ooclt / foo Wanneer de Godvreefende is /
als boben eeninael gefent
ende Dat dít ſelve De epgentlijcke ende naz
dwaelt / begeert hn immers weder op den rech⸗ tuerlijcke geont van defe woorden Chꝛiſti ig /1 Cora. s.
e
ten wegh te zijn / Wanneer hp geballen is / bewijft w
weder ops te ſtaen / ende als hi gewont is / we⸗
der geneſen te Worden.
Ende foo Wanneer bn dan daor Godts gez
Be bzolijckt/ danckt fijnen
Godt/ dat hu nu van
den ſrommen weg/ op den vechten wegh / ende
upt fijn misberſtandt totten vechten ende hent-!
ſamen fin ende berftant gelkomen ig. Soeckt
|
neden bzceder gehoort fal worden.
iet mijn Broeders ín den Weere / alle Die
j tar | Dit angeteeſtende verft
nade upt fijn migberftant ende Dwalinge met Woorden Ehr
Des Peeren Woozt opgeloſſet is / entchaemt ende belienne
hp hem niet / maet hu ís over maten blijde en⸗ W
de Heplige Paulus / van welcke bez
ant der boven verhaelde
iſti recht baten ende verſtaen fal/
D n/hoe Chꝛiſtus ons hier niet en
ijſet op Dat Joodtſche gebrek met den
Hendenen ende openbare Bondaercn in de tij-
den Moſi ende der Peopbeten / maer op dat
chzupcht ín fijn epgen tijden) die moet ten cerz
fien De Hepdenen ende openbare-Sondaecen
van gantſcher herten te ontbinden/ ende log te ‚Van malkanderen Deplen / cude niet voor cen
maken den genen/die ha te booten met onrech⸗ volck houden, moet ooch daer nae metter
tet leere ende misgrjpinge vervoert / ende ver⸗
ſtrickt heeft Want de re
Scheift wel (nfien ende afineten / hoeſe ín
pme liefde en foecht de tijden Moſi ende Dee Propheten/ al eer
het fijne níet / maer dat fijns Godts /ende deg haer dat Scepter genomen worde / ende onder
uamen / met deſen bepe
naeften ís, die dan Ooren
ren / ende herten am te verſta
bate/ wat Des Heeren Woordt ons boo: Er:
communicatie in grooter llaerh
boordzaeght.
Chꝛiſtus Jeſus fprcecht : Is
Broeder tegen u ſondight / ſoo gaet henen / ende Wet / Ec.
ſtraft hem tuſſchen uende hem
heeft om te hoo: | der Famepnen geweilt
en / die hoore ende |Den omgegaen ende ach
andelt hebben,
Pet ig ten eerſten ouwederfnzeekelijchk / als
endt leert ende [Dac De Hepdenen upt den zade Ubzahams /
Iſaacs ende Jacobs niet en waren / onbeſne⸗
bp wfo hebt ghu uwen Bzoeder gewonnen: tweeden onwederfprecttelijck / dat die Publi
maer hoozt hau niet / fo neemt nach een o
twee tot u/ op Dat alle ſake in den mont v
twee oft Drie getuugen beftaen mag. Woozt |A
hp die niet / fa fegget det gemepnten : hoort, doopt oden.
ha der Gemepnten níet /
een Werden ende openbaet ſondaer.
“Stem
ft \cani ende Sondaers unt den Goden waren,
an (want Lucas fept: Die Publicanen zijn tot
aanmer gekomen / ep Dat fn moghten gez
| De Publicani gehe
(oa houdt hem alg ben Godt recht gegeven, ende lieten haer dao:
Booz: | pen met Den Doope Loanníis. Item / ile
waer fegge íclt u: Wat gip bint op der Wer: |De Publicani ende Sondaerg quainen tot Ae:
gebonden zijn / ende ſum om hem te hooren / maer de Wepdenen
wat ghu ontbint op der Aerden / fal oalt ont en zijn tot Yoannerm ende tot Chziftum niet
Den / fal ook ín den Weme
bonden zijn ín den Hemel.
Dier ſtaet / getrouwe Broeders / de vafte
gront Godts / alg eenen onberoerlijcken feeen
oft bergh / aen den welcken fa haer al fullen
guetfen ende, wee doen / Diefe faechen om te
ftooten / ende als niet tn den Wint te ſſaen/ na-
melijck / al dat wp de afball
gekomen.
. Daer upt is openbaer / Dat de
Publicani ende Sondaers geen Wepdenen /
maer Joden geweeſt zijn/ ’t blijckt oak Wel
aen dat fondige Deouken / ende in Ben Publi-
can Matthæo, Die ban den Heere tot cen Apo⸗
| ſtel opgenomen is / ende Daer en zijn geen
ige / fo fp alle de | Apoſtelen aengenoinen uptten Wepdenen /
broederlijcke dienſten ende beemaningen/ met is openbaer ende waerachtigh.
getrouwer herten aen hen gedaen, berfmaden/
„er
Dewijle dan De Wepdenen ende openbare
Sondaren twee verſchenden bolcken zijn / alg
gefent is / ende Wp ons nutot die
heeren / om Daer mede De baphept der Goden
af te meten / Die fin beneben deu Hephenen gez
ende openbare Sondaeten in De tijden Cheiſti hadt hebben / fa moeten j
gefchouwet ende gemijdet hebben.
Cen eerften / heben de Gaden de onbeſne⸗
dene Hepdeuen tot haven. Paefch-Ham niet
Wet fouden
’t dat uwe dene / fonder Bodt ende Godtsdienſt / fonder
c. ja een bolck dat geen bolck en
eene/ hoort was/ gelijcht Moſes fent. Alſo fs ’toock ten
Ephef, a.1t,
Deut.32.2%.
Luc. 3.12.
TLuc.7.29.
Luc.i5. 1.
Luc 7.29
wp immers dock
desgelijcks met Dat ſelbe den handel der Jo⸗
den aſmeten / hoe fp beneben de openbarr Sour
Daeren nae de Wet geleeft ende gehandelt ges
n
van der Excommunicatie.
34E
beu / Want Dat eene waardt en gelt immers der Beſnijdenis (Dat iss / ín de Joobtſchap)
niet min als het ander /
bende upt Den mont deg
voortgebraght ende getumget.
want fin zijn immers om Dec Waerhendt Godts vaft te maken de
eeuwigen Wijsheits beloften / die Den Vaderen gefchiet zijn. Den
wijle hp dan batt den beginne totten Goden gez
Ay weeen wel / lieve Broeders / dat Mofes fonden ig / ende De ſelve gepredickt ende geleert
in fijn Wet den
unterlijcken Iſrael om met de heeft / ende niet den Pepdenen / ſoo en magen
Hepdenſche Jatten te handelen vele vanhee | umnmers Defe woorden Chrifi niet verſtaen
den gegont heeft / als ín koopen / waeckeren/ Wozden / een afvallige foo te houden/ als
Dienen/ &c.
oaclt/Dat hp de maettuillige openbare Sondaez
ten met twee oft drie getupgen overtunget /
richtet met fijn Wet ſonder eenige barmher⸗
tighent ſtrackis in den doodt / Deut. 17. door
Baulum verhaelt / Hebr. io. Soude men dan de
woornoende woorden Chꝛiſti / Matth. in 8. ver⸗
ſtaen na rigeur ende meldinge des Wets Moſi /
taa moeſte ten eerſten krachtigh ende onweder⸗
ſpreekelijclt volgen upt Dat woort Hendenen /
Dat ln banhendt hadden de uptwendige han⸗
Maer daer benebeng weten Wp [nu een ongeloobige Wenden bp den geloobis
gen upt den Hendenen / dan alg de felve hp
den Hetterlijcken Goden ín de tijden Chzifké
gehouden iS / Want Chziftus (ſegge ick) en
beeft niet Den Wepdenen / maer den Loden ges
predickt / ende Daeram oock niet anderg dart
op den Ban der Goden / namelijk) hoe fin de
Depdenen ende openbare Sondaeren fn fijner
tijt gefchouwt ende gemijt hebben / met deſe
fijne Woorden gewefen heeft.
Ten tweeden / begeere ick / dat Doch ten tee
Delen met den afvalligen te gebzupcken / even, gelijche Godtbzeefende Tomfcientie wel Lez
faa wijt als Iſraẽl hadde niet den Wepdenen.
Ende ten tweeden / wt Dat waordt/ openbare
Sondaers/ Dat Wp Den afvalligen met twee | gers /
oft dzie getupgen obertunght / moeſten ſteeni⸗
genende in den doodt bzengen / ende dat en
foude immers geheel niet ſchicken / bele van: begrepen en zijn? Jae Paulus ſent / Datfe Epheſ 2. 15;
ſonder Chꝛiſto zijn / geenen Godt en hebben / sale 4- 1e
heden met nemant te gebruycken / ende oock te
Daoden. Dooden ig ooch vezre bunten de gert
ende natuere Chꝛriſti / want de Sone deg Men⸗
ſchen en is niet gekomen de zielen te verder⸗
ven / maer falfgh te maken.
Oock moet hem een pgelijclt Wel boarfien/
want fa hu dat woogdekken (Hepden ) alleene
qeijpen wil/ende Dat nac díe Wet Moſis afme⸗
ten wil / ende ook niet Dat woordekken openbare
Sondaers / faen Doet hp niet den Menſchen /
maer den Sane Godts gewelt / ende vernietet
hem feet ſchandelijck in fijn Henlige Woozdt
ende Waerhent / want ha en fent niet: Wout
hem alleenigh alg een Pepden / maer alg een
Hepden ende Publican, Wemel ende Aerde
(fepdt Chriſtus Jeſus) ſullen vergaen / maer
mijn woorden en ſullen niet vergaen. Daerom
is eenen negelijcken wel geraden / dat hp doch
Chiſtum —9* in fijn woozdt niet een bzee⸗
ke / fijn blefchelijck vernuft uptdelge / de waer⸗
hepdt belienne / fijn ooren open doe, Chziſtum
boete / gelaave ende gehoorfaem zn / alsdan
fal hp den kloechen Cinmerman gelijck zijn,
faa nict/ fa fal fijn huwg vallen / ende fijnen Lal
fal groot zijn.
VPooꝛder alderlieffte Wzoeders / een is ons
oock niet Verborgen / hoe dat ſommige deſe J
waarden Chꝛiſti alfa verſtaen / dat wy niet
gebonden en zijn eenen afvalligen ende on=
boetveerdigen Broeder voorder te fchouwen,
dan wy geloovige uyt den Heydenen, nu de
Heydenen oft de Hoerenjagers, Echtbreckers,
Dronckaerts, &c. ſchouwen / die fia eel lichte
De openbare Sondaers naemen / Den ſelben
wil ick upt gantfehen gront mijner zielen ge⸗
beden ende bermaent hebben / Dat fn doch ten
‘Denche/ wat Dat woordt Hendenen ín hem bez
floten beeft / oft niet alle openbare Hoerenja⸗
Gedt-brceliers / glerige / ongeloobige /
Menpneedige / Afgoden dienaers / doodtſlagers /
dronckaerts / c. onder Den woorde Hendenen /
vzeemt van Den leven Dat unt Godt is / doodt
fn de zonden / kinderen des toomg / Äc. Cs
wijle dan nu alle openbare Sondacrs bp den
|Pepdenen oock metten Woozde Hendenen upts
gefprooken Worden / want de Hepdenen die
Cheiſtinn niet cn hebben / oock alle openbare
Sondaers zijn / ende bupten De genade / ende
Chꝛeiſtus fpzeecht hier foo Wel van openbare
[no
Sondaers / alg van Hendenen / ende een peges
lijck woodzt € heifti beeft Wel fijn vol gewichte
ende mate / Dat woordt Chriſti en magh ine
mers daer henen niet bediet Worden / dat wp
nu eenen afballigen Bzoeder fullen houden /
effen als een ander Hepden / Die des Heeren
Wooꝛdt niet ontfangen noch; bekent enn heeft.
Cen derden begeere ick / Dat oock een pege⸗
lijck oprecht Bzoeder / die na Des Veeren Jae
‚me genoemt is / fijns Heeren woordt wetend
ende Willens niet en bervalfche / dan Bat hu
dat ſelve fijn techte eeve ende prijkt gebe / ende
bekenne dat defe felle Publicani ende Sons
daers / ban welcken de Euangeliſten ſpree⸗
Ken/ níet wat den Hepdenen / maer upt Den Jo⸗
den geweeſt en zijn / gelijck dat wel blijckt /
Matth. cap.o. Gs ro. Farc. cap. 2. ÙS 14:
Uc.5. 30. ende 7.34. en 15. 2, ende boben gez
noegbfaem verhaelt is. Nadien t dan on⸗
wederſpzeekelijck is / dat de voornoemde Publi⸗
cani ende Sondaers upt de Joden zijn / ende
alſo na de wet des doodts waren. Ende Chꝛri⸗
ſtus hier alfo wel wijſet op de Publicanen, ald
op Be Hendenen / faa bolght immers dact upt
met alle lacht ende gewelt / datfe niet en
mogen bediet worden op Den tijdt doen Iſrael
fijne bephepdt met den Wendenen gez
eer ften wel betrachten / al cer fis het boor eenen | baupchike / Die hen Moſes in fijn Wet gegont
gewiffen grondt aennemen / gelooven ende
Dzijven/ tot wat volck Chriftug Jeſus van
begiune gefanden ig
t Sondaers nae De
/ ede onder Wat bolck ‚Den Doodt betalen moeften / ende maefte alfa
hadde / Want oock op defele tijt De openbare
et obertumght / dat met
bp begonnen heeft fijn Gemepnte te bouwen |geweldelijck daer unt —— nude afvalli⸗
ende op te rechten. Ende dit verklaert Chei⸗
ſtus ſelfs genoegfaem / ſeggende: Ick en
niet geſonden dan tot de verloren Schapen des
bups Afcaël. Boch Paulug : Ick ſegge dat / Godt is wort ooclt bp Den *
dat Chziſtug Jeſug cen Dienaer geweeſt if kent / noch veel min gebauncht.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ge/naden berftande gerichtet / van anfe banders
ſterven maeften. Ochneen/want toa eten
dat alſulcke Bloet · ban eenen — boog
enen niet gez
B b 3 Ende
— —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— — — — = =
pr eee
342 Een klaer Bericht
Ende foa het dan pemandt noch evenwel ontrouw worde / ende nepabde fijn herte nae
op defen tegenwoordigen tijdt dringen Wilde/ baeemde Goden. Ick meene lieve Bꝛoeders /
Dat is / eenen afballigen alſo te houden / gelijck dat ſelve zp wel de rechte belooninge ban dien/
kop nit een Pepden houden / ende niet op den die des Heeren Naedt verſmaden.
tijdt Chꝛeiſti / gelijck als Doen ter tijdt een hey⸗ Ende dewijle fp nu foo menighmacl door de Beks.
Den bp den Yaden gehouden Wozde / die moet heyden fche liſtighent bedrogen / tegen haten Tod. 1. 27.
oock nu tot onfen tijden herop brengen dat Godt fondigden / ende daerom Door Godts Num. 25.2.
Joodſche geflachte met hare Wet ende rechtveerdige ſtraffe ſoo dickwils ban hem gee
Godtg-dienft / ende alfo unt haer de openba⸗ kaftijt wòsden / hebben fb ten lactften de voor⸗
re Sondaers / het welche onmogelijek ig/moet ‚noemde wacrfchoutwinge Godts door Moſen
wel een pegelijch belijden ende toeſtaen. ‚ende Jofua voozgeſtelt / nu met blijtiger eenfte/
Dewijle hier dan dit woordekken Werden dan fp te boren Deden/ aengenomen) ende hehe
niet en magh verſtaen wozden op den tijt / als ben ben Der Hepdenſcher Commercien ont:
Iſrael Den Hepdenen noch fo heet niet en mij: flagen / in alfuicher maten dat het vocn
den / of wp moeten oock Ben afvalligen met ſchijnt / dat fp ſommige bepleden ban Mofe
het woordekien openbare Sandaers/ in den toegelaten / bimten getreden zijn : Jae datfe
doodt oogdeelen. Ook niet op defen tijdt/want tot hare hupfen in te treden | oft met hen te ro ‚e. „8
kj De openbare Sondaers nu unt den Joden eten, vooz ontepn geacht hebben / gelijckmen A&. vo. rx
nieten hebben, Soo en moght ong inuners opentlijen mercken magh / ende Dat upt al- Gal.
ban niemanden met Godtlijche waerhepdt ſulcken voornemen / op Datfe haer nfet meer “*“*
wederlent worden / oft Wap moeten ’t op den. gelijck te vooren berlepden en ſouden / ende Lan
tijde Chriſti verſtaen / ín de welcke fide open: haren Godt afkeeven/ ende Dit is de opfaecke/
bare Sondaers niet gedoodt,; maer bepde Depe waerom De Soden de Wepdenen fo geheel ín
Denen ende openbare Sondaeren met gelijeie hare Commercien affloegen ende mijdeden :
affonderinge ban hen afgedaen ende gemijdt oftſe wichtigh genoegh geweeft is / magh ecn
hebben. | (techt Godt · Geleerde met Godts Geeft ende
Gelijck top ma Dan de bromen ende Godt⸗ Woordt aordelen ende afincten.
bzeefenden met De boten aengeteeckende rede⸗ Stem /de oozfacehe waerom fp de openba:
nen rijckelijck genoegh bewefen hebben / hoe te Sondaers gemijdt ende niet aen den bals
dat Chaiftug defe woorden op fijn epgen tijdt/ gevichtet en hebben | i8Defe : namelijck ; om
ende op geenen anderen gefpraken en heeft: ‚dat nn De Peopbecije des Patriarchen Gaz
Ufo willen wp nu ooch ten eerften met een⸗ cobs ín ſwange gingh / dat het Kaningkfijke
boudíge flechte woorden aenwijſen / de eygent⸗ Scepter Juda afgewendt door Pompejum
ljcke oorſalien / waerom fp de Wendenen met | Magoum ; aen de romepnen gekomen was /
fo groeten ernſte mijden / ende Daer na oock, ‚alfao / Dat defelve Bomermen haer engen
waerom fp de openbare Sondaeren ſchouw⸗ Ampt lunden / ende Stadthouders in Judea
Den / ende nae de Wet aen hate halſen níet en gehadt hebben / die des Scepters dienſt acht
richteden hadden / ende Dacram en hebben die Joben nu
Het is allen Brbelfchen Leferg wel kenne⸗ geen Dals- gevecht meer gehaerk / am dè
lich / hoe dat de Heere Godt met arooter moetwillige openbare obertrederg nae hare
trouwe Iſrael waerſchoude / datfe qeen ber: Wet te aogdeelen/ want het den Dcepter toes
bonteniſſe noch vzientichap met den Eananí-'beoorigh Was, welcke op Die tijdt ín der
ten/ Petiten, Ec. maken en fouden moch haet Romennen handt flande: dat dít de waerheydt
geſelligh zijn en ſouden / op datſe door hacr niet is / hebben de Joden voo? Pilatum felve wel
en fauden verruckt worden / ende andere Go⸗ verklaert / doen fin fenden : Ons en is níet
den nabolgen/ Deut.7. Want ís’ (ſendt Ko: geoozlooſt pemandt te Daoden / nae de Mer °° "Bs
fa ) dat ghy u ommekeert / ende Defen volche Was ’t hact wel geooroft / jae het was
aentjanget/ ende u met haet vereenigt / alfa dat haer fcherpelijch geboden/ maer dat berlooren
ghp onder haer, ende fr ander u liom̃en / fo Wez Scepter werde nu finichg / want de Noomſche
tet Dat de Heere uwe Godt alle deſe volclien Dienaeren / Peradeg / Pilatus, Ec. die op die
niet meet boo? u berdzijven fal/ dan fia ſullen u tijdt des Scepters Wire van der Nomepuen
tot ſtricken ende netten / ende tat flocken acn ‚Wegen booeftonden / en wouden niet oagdeelen
uwe zijden Worden / ende tot: eenen prickel in! nae der Joodtſcher Wet, maer nae der Vac
uwe oogen/tot dat hu u verſtoote van den goe: mepnen vechten ende ſtatunten / in \velcherg
Den lande / dat u de Veere uwe Godt gegeven | name fpregeerden/ ende door edt verplich:
heeft / ep. IL, J tet Waren, Wanneer dan eenige Jode al han
Jae Dien nu Iſrael defe Vaderlijcke waer⸗ delde tegen Moſis Wet en handelde nochtans
fchouwinge Godts niet wel behertigt en heeft / niet tegen der Fomepnen zeden / hebben hem
maer heeft hem met den vzeemden Patien bez Be voornoemde Atmpt-lupden des Moſaiſchen
priendet ende geſelligh gemaeckt tegen Godts Weestalven aen fijnen hadfe niet gerichtet.
waerſchouwinge / is oock over haer genomen (Ende nac dien dan De Joden den felben niet
Dat hacr De Heere Godt Doo? fijn getrouwe {en mogbten nae de Wet ſtraffen / ende Dat
Dienaeren / Moſen ende Joſua / gedrepght had⸗ door de oorſaecke / als boven verhaelt ís /
De / alfa Datfe menighmael door unttandfche | hebben fn hem ban hate gemepnfchap afgez
gefelfchap/WDijven ende Afgoden met welcken |daen/ upt hate Spnagogen untgeſtooten / ende
fi hen vermengden /tot geooten afval gekommen | alfa met eenft gemijdet.
Num.1s.1s. 3Íjn/ende Daer ober ban den heere wel herde ge⸗Siet bier / mijn getrouwe Bzoeders /dooz
ſtraft ende geſlagen zijn, Ya dat ook de hoogh· | defe aengeteecltende oorſaken / hebben de Ka
begaefde Salomon / wieñs wijshent feer wijt | den ín de tijden Chziſti deſe bepderlepe gefchouz
gehoort worde / hem alfo vande Hendenſche | wet / namelijck / bepde de Pepdenen ende de
ijven betooberen liet / dat hy den Herre fijnen openbare Joodſche Sondaeren. Ven Pepe
BReg-117 8 Godt / die hem nu Eweenwel verfchenen Was/ denen / opdat fn daor haer niet meer alfoa
beroert
| Gen, 49. Io
At. 7e 53e
| AG. s. 19.
ende 26. 10.
Joa. 18. 58.
AC. 7. ste
Luc. 4. 28.
Joa. 1e 31.
A.ar. 28.
en 23. I2-
A. 26, 10.
Van der Excommunicatie. 343
vervoert ende bedragen fouden wozden / maet , hp is't / die fijn geloobigen met den Ban op de-
de openbare Sondaers / om dat fp nae De Det | fen gebzunck wijft/ ende niet ict, Tugquis es,
Des doodts weerdigh waren / ende nochtans | qui ex adverfo refpondes Deo?
Dao? gebzech Des Scepters nieten moghten | Weet mp nu eenige Broeder onder den
dooden / ende ban hen untroenen. gantfchen Hemel eenigen anderen tijt op te
My fal miffchten van den ſommigen hiet {brengen / anders dan den tijdt Chaftí/ op
op alfoa geantwao2t Worden / waerom fy dan | welcken Datmen deſe woorden Chzifti met
de Apoftelen hebben gegeeflelt> Stephanum | Godtlijcker waerhendt bedieden ende verſtaen
gefteenight ? ende vele Heyligen door Saulum | mag) / ende de Schzift ongebzoolien blijve /
gedoodt, ende de Gemeynte verwoeftet, nae- | faa wil ick mp foa geecne laten geſeggen / ende
dien fy alfo des bloet- rechts berooft en los wa= | mijne ooren Det Waerhendt open doen / Want
ren. Antwoodde ick / Dat alles wat ín fulckg | ick en begeere niet te ſtrjden tegen De Waer⸗
gefchiet is / niet fonder der Vomepnen wilie | hepdt / Dies over my getupge ís / dan boo? Der
ende confent gefchiet is / want ſy beleden ſelbe waerhendt. Want om des waerhepts halven
Boo? Pilatum / ſeggende: Ong en is niet ge⸗ | hebbe ict lange Garen bele moeten hooren
goozloft pemant te dooden. (ende lijden / ftae oock noch dao? Des Heeren
jaer dat fp Stephanum fleenighden / en genade / om fijn heplige waerhendt te gez
is niet na rechts Oꝛdeninge geſchiet / dan dooz tupgen / tot in Der doodt bevent. Maer
encftcl ongeftunmighent ende oproer / gelijck ick weet Wel / jae feer wel / Datmenfe o
Lucas klaer gensegh betupgt / feggende: | geenen andern tijde bedieden en magh / oft
Exclamantes autem voce magna; continuerunt | Chꝛeiſti Woordt ende Schzift moeten gewelt
aures ſuas, & impetum fecerunt unanimiter in | lijden / gelijck top den Godtuzeefenden Hefer
eum, ende dit hebben de Zurichfche oock alfaa | boen met overvloedige redenen ende Schzif⸗
berduptfcht : Su riepen averlunt / ende hiel: | ten aengewefen ende verklaect hebben.
den hare oaren toe / ende ſtozmden eenmoede⸗Cen tweeden / begeeve ick desigelijcken on
lichen tot bemin. Gelijck fp oock vaar had: | Godts wille/ dat mijn lieve Wrocderg met der
den met Chꝛiſto / ende oock met Paulo. Schaft wel willen afmeten / Wat ſuerdeegh
dean dat Saulus oft Paulus de Gemenn⸗ is / ende hoe 't ín der Schgiftuere verſtaen
te fo verwoeſtede / ende fa vele Heplige ome | Wordt /aleer fp Defen vaornoemden Joodiſchen
braght / gelijck hu baar Agrippam verhaelde | Wan/ op den welcken Chriftus hier wijfet, een Ex.r3. 3.4
magf wel een pegelijckt afnemen/ dat niet fan | Pharizeeufchen fuerdeegh noemen. Het wort rl *
der bewillinge der Gverhent toegegaen en is / | ten eerſten genomen Loor 't woordt SL emmen
want dat is openbaer ende onwederfpreecliez | kracht / oft fa ghuliever wilt / Laag ’t geloove
lijcht/ dat het Scepter den hals· gericht in hem | ende fijn kracht. Cen tweeden /fo Wort het vaart. 13. 33
beflaten heeft / ende derhalben fp aaclt fepden :| genomen Laar een berderbende Godtloos we⸗
Wy p en mogen niemant dooden / Want nu dat ſen / oft Menſche. Ten derden / vooz een Dets r cor. s.6
Scepter Lan hen afgewent / inder Bomepnen | boerifche ſuere verdervende Heeringe. Is ——— 3.4
handt gebloten waer / als ’t boven verilaert nu de Jodiſche Ban ende mijdinge / op welcke —
Matth 27» jg, Jae hadden fn haet eygen bloet - vecht | Chriſtus wijſt / een ſuerdeegh geweeſt / gelijck Gar. 5.5
Aar 12 PE magen baeten / ſy en hadden Chriſtum Pila | ſomnmige upt groot vergrijpen boorgeven/ ſoo 1 Cor. 5.6.
Mattetgeto. ta niet gelevert. Liſias hadde Paulum den | moeten innners met dev henliger Schzift ops
Mat.624 oproerenden Goden niet benomen. Herodes | brengen ende betungen / wat verſuuringe ende
en hadde oock Petrum niet gevangen, oack | berderbinge fp neven het vepne Waogdt ende
Joannem Bapuftam ende Jacobum niet-ge- [der Goden Eonfcientien / ingebzaght ende
doodt / want dat en ſoude hem immers ín een geleert heeft / Want hoewel Godt de Heere
wereltlijcht Negiment veheel niet fchic'ten / de | wel fommige beneden in tijtlijcke handelen/
cene den anderen alſoo ín fijn Jurisdictie ende Ffraël daor Moſen toegelaten hadde / alg ’£
vecht te vallen / foude oock alsdan ſulcke Ne⸗
SL dE im den beginne verhaelt is / fo hadde hu eben:
ginent ende Policie fonder twijffel ſeer haeſt wel deſelve geen gebiedende geboden gegeven!
ondergaen ende Wacft warden.
| dat fin met den Wepdenen fouden handelern/
pi Wy weten wel/lieve Bzoeders/ datter fore | maer beel meer boog haer ge waerfchouwt, Dez
mige zijn / diedefe Jodifche mijdinge oft Ban, wijle fia Dan De tcrouwe waerſchouminge Godts Deut. 7. 32
op welcken Chriftus ons hier gewefen heeft, {nu met groote eenft ter herten namen/ alg 2 Cos-0- 14-
eenen Pharifeeufchen fuerdeegh noemen, ende
p * 2 Eſd.15.
Die door deel perijckelen geleert waren ende 3 nas 5”
daerom oock veel lichte ſommige ban hare gez ioſr 3. 2
gonde vrpheden bupten trader / op dat fp door
alſulcke middelen ban vzpheden niet meet
van De Pendenen verſtrickt ende in hare
Confcientien gevangen en fouden Wozden.
Ooꝛdeelt ghy nu Die Geeftelijctt zijt/ oft dat
felve nae der Scheift Suerdeegt heeten magh /
naedien fp Godts Wet ende Gebodt daor al
ſulcks niet verſunmt / maer ín den grondt
onberandert ende geheel gelaten / ende alfoa
boor den verderver getwachtet hebben.
Mijn hertelijche liebe Broeders Wilmen
nu defen voornoemden Joodiſchen Ban oft
mijdinge/op welcken Chriſtus Wijft! een fuer
deegh achten, om datfe bp abontueren ſommi⸗
ge beneden moghten te rugge gefet hebben /
en baarr” host / Daer fal iel een Wrecker af zijn; fent
beminde Sone / aen den welcken ick een ——
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
344 Een klaer
‚Doen / want anders en taten ’t geen vryhe⸗
ben / en niettegen de Wet / mier veel meer
de trouwe waerſchouwinge / raed en Lerma:
ninge Gods in de Wet bervaet; gelijkformig
ler.35.14. geweeſt is. So mogte De Heplige Pzopheet
Jeremias den Aachabiten met grooter billijke
hent boo? ſuerdeegers wel geſtraft hebben /
datſe om dat gebodt ban haren Dader Jona⸗
dab geen wijn en wouden drinken / geen wijn⸗
bergen planten / geen ackers bezaepen / noch
hupfen bouwen / hoe wel het haer na Godts
Bericht
Iſraels geweeſt zijn / ende niet onbefnedene Ex-12-48-
gepdenen. Want fn ooft alveede onder Af: peis
raël al waren; doen fp noch inde Woeftijne
zweefden / gelijk Moſes fent: Op ffaet hez
Den alle boo? den Heere uwen Godt/ de O⸗
verſte van uwen geflachten/ uwe Ouders / peu.22 10.
uwe Officiers / een pegelijkk van Iſrael / u⸗ en 11.
we Kinderen / uwe Wijven / uwe Pzeemde⸗
linge die ín uwen Weger is / ban uwen Wout-
bouwer aen tot uwen Water-fchepper/ dat
qe Komen foudt in Dat Verbondt deg
Wet ín aller maten Wel cepn en bop wag/want | Beeren uweg Godtg | ende in den Eedt /
ſu ook: Ffeaël der andere benedictien bpfander
toegefept ende met den Kande belooft waren.
Och neen/ bet en is haer. ban den Veere tot
feurdeeg niet gevelent / maer fi zijn daer over
— ſeer gepreſen / datſe haer Vaders Woozt ín
ceeren hadden / en hebben banden Heere daer
ler.33.18. dooz een belofte ontfangen.
Noch fegge ick vorder / mag men dat feur-
deeg heeten , foo wanneer íclt mijn bephent
bunten trede / of am mijner epgener Can-
fcientien/ of om mijner Broederen tille / foo
en mag bepbept geen vruhept heeten / er Pau⸗
{ug moetaok als dan sen onrenne feurdeeger
Rom.rá. 14. geweeſt zijn/ Dat hu fo krachtig gedreven heeft
»Cor.8.13. Dat\vpoo/t onfe busheden / alg ’t noodig ís /
en 94-14. ſullen te bupten gaen / om onſer Bzoederen
ANN
Unt allen defen blijkt immers nu feet kilaer / ſo
bele ick verftant ín Deg Weeren Woord ontfan:
gen hebbe/dat het is cen feet verſchrickelijke la
fler/Die geenfing eenen Godvzceſenden Chriſten
beltent / dat von Chriſtum de eeuwige wijshept
Gods Willen leeren eu meefteren / hoe dat hp
ons leeren/en Waer op dat hu ons wijfen ſal / eñ
dat ſelve Daer hp op wijſt / noemen ſy feuvdeeg te
zijn / hae wel het eenen ſterkien en trooſteljſten
ſchutmuer was tegen ’t berderben en vervoerẽ /
en daerom ook niet tegen de Wet / maer met
de Wet ge weeft is / bekennen wy / want hadde
—— de Heere uwen Godt heden met ü
maeckt,
Ick meene immers mijn Waaeders/ dat
defe aengeteeltende Schziften ban alfulkg ges
tupgeniffe en bewijs genaeg geven / en zijn
daerom vzeemdelinge genoemt / Want fp upt
den zade Iſraẽls niet en Waren / en hadden
ookk geen Deel ín de uatdeplinge des Lands onz
Det Iſraẽl. En daerom gebiedt Moſes den
Fleacliten / dat fa de ſelve oock tat hare tien:
den des derden Jaers / tot den nagelaten vruch⸗
ten in De geapde Ackeren / Olijf- boomen
en Wijngaerden / en tot den eerften vzuchten
des Lands fouden toelaten / gelijk wp hiet
upt Moſe met fijnen epgen Capittelen aenge:
toogen en verklaert hebben.
Cen tweeden / fal mp beelichte gefent woz:
den / Waetom dat wp de afvallige ſouden
fchouwen / na Dien Chꝛeiſtus gefent heeft :
Houdt hem alseen Heyden en openbaer Son-
daer, ende ’ is openbaer , hoe Chriftus ſelve
met den openbaren Sondaren heeft gegeten.
Antwoorde ík: Wat het boor Sondaren ger
weeft zijn met den welcken Chriſtus gege⸗
ten heeft / od ban den Euangeliften Wel
reerden / fpzalt Chziftug: de gefonde en her
hoeven de Medecijnmeeſter niet/ maer de
kranke / gaet en leert wat het zu: Ick tif
een want alg de Pharizeen muemus
dat ferwdeegt tegen de Wer geweeft/ gelijk | barmhertighept / en geen offerande m en beu
ſommige voozwenden / geenfins en ——
Chꝛiſtũs Jeſus Loor goed aengeſien / daer op
newefen / en geſeyt: haut hem als een Pep:
Mat6 Den eu openbaet Sondaer / na dien hu aen an:
Tere Pere plaetfen boor den feurdeeg te wachten den
ſijnen met grooter blijt bevolen heeft.
Sp fallen nu beelichte wel ſommige tegen:
werpen / enfeggen/ hoe dat het mijden der
Joden beneven den Heydenen , te weten ; datfe
met haer nieten wilden eten , wanneer de ſpij-
fen reyn waren ‚ opentlijk tegen dat uytgedruk
Deu.16.1a. te gebodt des Wets geweeft is, want Mofes had-
en IL delfraël bevolen , datfe ook de vreemdelin=
gen die onder haer waren , met offer-weecken
en Loover-feeften nooden, en met hen voor
den Heere vrolijk zijn fouden , gelijk met den
Knecht , Jonk-wijf, Levijt, Weduwen ende
———— Weefen. Den ſewen antwoorde ich alſo / dat
Deus. 14. odolt deſelve vreemdelingen den Sabbath moes
Deurd25. ſten vyeren / Die tienden Deg Derden jaers / en
Denss.rg. De eerſte vauchten des Lands met den Hebi:
ten / Weduwen en Weefen fouden genieten /
dat overblijffel in de geaurde Ackeren / Olijf⸗
boomen ende Wijngaerden met den Wedü⸗
Num.i5.27. wen en Weeſen. Hy hadde ooft met Iſraẽl
níet gekomen de gerechtige / maer De Sondaers
te roepen tot boete. Wat Sondaers Mat⸗
theus / de Sondareſſe / en Zacheus gebleven
zijn/na dat fi agfa gehoort hebbben / en ig
niet verborgen, / Matth.9. Mar.2. Lu.7. 19.
Item / alle de Publicanen ende Sondaerg
zijn tot Chriſtum gefkomen (fept Bucas ) om
hem te hooren / en met fodanigen heeft hy gez zu.rs.4-
geten/ en tot denn mozrenden Pharizeen geſent: Mat.1r. 12e
wie banuis/ Die hondert Schapen heeft / en
hu een verlieft / verlaet hp niet de negen en tnez
gentig / &c.
tem / dat hp met den Samaritanen gegez
ten beeft / en {8 oalt geen wonder / Want fjr toa-4.5-
fijn Woozd ontfingen / en in hem geloofden ( 1“-9-5*-
maet dat hp ín een Samaritaenfche Stads:
herberge foude gefocht hebben / enis nae den
Latijnſchen Text niet vecht berduntfcht. Al⸗
dus hout het Latijn : Milt nuncios ante con-
ſpectum ſuum, & euntes intraverunt in civi-
tatem, Samaritanorum ut pararent illi , & non
receperunteum, quia facies ejus erat euntis
Hierofolymam. Het welke aldus lupt na onz
fe fprake: ho heeft Boden boor hem gefonden
ende zijn ingegaen in een Damaritaenfche
Lear Offer voor haer onwetende fande / ookt gelij! Stadt / dat fp hem befchicken of berepden
DES he ſtraffe met Iſrael de Wet hooren ter tíjdt |
des bep-jaerg. Bolgt erga unt defen / ende |
Defer gelijche Schriften meet / Dat deſe voor
noemde bzeemdelingen ín de Burgerschap
fouden/ en fp en ontfingen hem niet/ want
fin —* was / dat hp na Jeruſalem gaen
e.
‚Wat befchicken of berepden dit gene
ee ——
ö— —— —— —— ññ—
4 Reg. 17.6.
Jo.4. 24.
Act. 8. 24.
At, ro, xr.
Van der Excommunicatie. 343
Wat befchicken oft becenden dic geweeft is | ban de affonderinge hem ín alle manieren nae
maghmen (fo map danckt) wel klaeclijc afme⸗ | Defen vegel Chriſti geyouden ende gematight
ten met Den handel Dec Cwe-enfeuentig in het | beeft.
naevolgende Capittel / Die ha tweeendetweel Aldus fept Paulus : Daer gaet etn gemers ‚ cor. 5 :.
boor hem heeft beenen gefanden ; ende beren | nen roep / datter Hoererne onder u is / ende al:
Den laten in allen Steden ende Plaetfen daer ſulcke Hoererne / daer oock De Hepdeuen wiet af
hu toe-komende was/ niet ont Peeberge te |en weten te ſeggen / fa dat peinant fijns Daz
befchichken/ dan hat hu dat Aijcke Gadts lee: | ders Hupsvzouwe Heen ſoude / ende gijn zijt
ten mogbte. Maer hier en outfingen fa hem | opgebtafen/ ende en hebt daer geenen vaunwe af
miet / haenfept niec/ dat de Weert Gem niet | gehadt / op dat de geene die aac wercit gedaen
ontfangen en wilde / maer fp / dat zifin De | heeft / van u gedaen worde / Ec.
Borgers der Stadt / aen De welche ha omte Paulusleert op een ander plaetfe / hoe dat „
peediten befelicht hadde / en ontfingen hem | Chꝛiſtus fijn gemepuce lief gehadt geeft, ende
miet, en dat daor Die oorſaekte / gelijc:t Bucas | heert hein feloe vaag haer gegeven) ap aat haſe
fent/ omdat hu nae Jeruſalem gaen wilde, | hepligi foude matien; ende heeftſe gereumght
want die Samacitanen ende de Joden altijdt | Doa? ’c Datec-badt in ’t Woordt / op aac hu
am die aenbiddinge ende Godts- dienſt een | heir een heerlijcie Gemennte ſoude berepden/
hecde ende ſcherpe twiſt onder hen gehadt | die geen vlecke aft rimpel en heeft / oft pet dies⸗
hebben / jae Dat aack De Samaritanen ban⸗ gelycks / maer dac ſo henligh ende anftcaffelijks
nigh ba den Joden gehouden zijn Yaan. 4, zp. Manneer dau alfuicke openbare ſchañt⸗
ers 9. vlecliers / gelijck deſe Hoereerder Gtem Eed⸗
Ende oft hy nu al ſchoon Herberge be⸗ bzelters / Deonckaerts ſcheiders / gierige / twiſt⸗
geert hadde / ſoo blijckit doch wel / Dat de | maliers / Afgoden-diengers / Ec. bp ong toe⸗
Samaritanen niet oder al Hendenen / dan | gelaten, ende niet gemjdt worden moeten Wia
een overblijſſel der Tien Geflachten van Sal⸗ immers hooren defe beftcaffinge Pauli/dat wa
manaſſer obergevoert / geweeſt zijn} want, opgeblafen zijn / ende niet dzoedig / am alſulcke
De Samaritaenſche Prouwe ſpraci tot Cheie openbare obertreders van ongte doen. Och
ſtum: Shu en zijt immers niet qeoater alg | Broeders (Broeders / ich vreeft dat deſe verz
onfe Dader Jacob Ec. Ende dat “Jaco \maninge Pauli aen ſommige plaecfen bp vele
niet Der Depdenen Dader was / is openbaer. niet hooge gewegen en wordt.
@Ooclt verwachtede fn Chriſtum / dien de | Doozoer fepdt Paulug : Fel ben met den
Wepdenen niet en kenden / feggende : Icklichame van u/ maer met den Geeft tegen⸗
weet Dat de Meſſias komen fal / die genaemt woordigh / ende hebbe dat alg tegenwoordigh
wozt Chriſtus. Item / Philppus /naedat (beflaten/ over den genen die dat alfa gedaen
Stephanus gefteenight was / quam ín een heeft / in den Name onfeg Veeren Jeſu Theiſii
Samaritaenſche Stadt! ende Pzedichte haer in uwe vergaderinge / mét mijnen Geefte ende
Chziſtum. Ende op Dier cijdt en wag’t haer | met det kracht onfeg Weeren Jeſu Cheifti /
ín hate herten noch níet ben den Wepdenen | hem over te geben den Batan/ tat verdervinge
Dat Euangelium te Pzedilien / ende tat haer | Des vleeſchs / op Dat de Geeft Saligh worde/
ín te treden. Daer upt is 't immers wel in Den dagh des Beeren Jeſu.
lichtelijck op te nemen / dat de Samarita|_ Ant defe woorden deg Apoſtels / teeven Won
nen/ Die Den Patriarch Jacob voor haren Da- | deie dingen verſtaen. Wet eevfte/de groote lief:
ph. 5.25.
Cor. 5. 3,
Ber hielden den Meſſiam beerwachteden/ ende de tot fijn Diſcipulen ende kinderen, die mden
Dien ſy nu alrede Dat Euangelium gepzedicht | trouwen Dienaec Paula geweeft ië / want
hadden / aleer Ip nach in hare Coufcientien | Hoewel hu niet tegenwoordig daer en wag/
gevrijt Waren / om tot Den Heodenen in te | heeft ba evenwel in fijnen Heeft als tegen:
gaen / niet Hendenen / maer overgebleven | Woordigh / fijn Daderlijche farge voor haer gez
Iſraẽliten geweeſt zijn / gelijek als geſendt is | Dragen / ende haer altijdt dat alderbeſte verz
Baeram en ig ’t ook geen wander /fa Ús nu eers: | maent/ geleert ende geraden.
mael Herberge aen haer verſocht hadde) hen | Wet tweede) in wiens name/ ende hoe / ende
Matt. 15.18. heeft oock níet gefept : Hout hem algeen Da: | bp wien defe affonderinge gefchieden fal / na⸗
Ger. s. 1.
maritaen / maer alg een Henden ende openbaer melijk / in Den name / dat is nae den beveie ende
Sondaer. Oꝛdinantie onfes Heeren Jeſu Chriſti / want
Diet mijn liebe weerde Beoeders / al hoe op Paulus en nam Hem niee —— an te
Defe woorden Chꝛiſti keeven/ oft wenden /fo enn « vechten / dat ha niet eerft ban Chꝛiſto ante Rom. ts. 1
mogenfe doch op geenen anderen tijdt / dan al: fangen hadde/ gelijck hu felve tent. Aae had:
leene op Die tijdt Chriſti bedupt ende verſtaen De Ehriſtus Baulum fuicks nn win
worden / namelijckt / gelijck de Joden op dier leert / hu en hadde die ban Teffalanica door « Tet. 3.6.
tijdt hielden eenen Wenden ende openbaer den name onſes Heeren Jeſu iſti niet doz⸗
—— wp fo eenen afvalligen / die nu ben gebieden — ie fi De —— —
EChziftum Jeſum ende fijn Heylige Woort / | ban cen pegelijen Bioeber die onopdelijk wan:
oft dao balfche verkeerde Heere / oft Dao? een delt / ende niet nae fijner infettinge. Want dat
ted ſchandigh leven / onteeren / verwerpen heet recht in Chꝛiſti name te geſchieden / wan⸗
ende te ſchanden malien. neer geſchiet gelijckformigh fijn hentige woord
Ick woude Wel alderlieffte Broederg / na- | ende witte,
— —* en: Lerſtant ban deſe vaamoemde |_ Atem/ het fal oock in Der Germennte ge⸗
bai wk Oe daer geftelt hebben / dat nu ſchieden dat is / een pegelijk en fal niet affonde-
oft E df gek Chriſten met vlijte wilde toefien/ | ten unt epgen voornemen bp hem felven ‘maer
bin i ee Paulus 1 Cor. cap.s. defe ſelve behoorde ín de vergaderinge Godts te qe
fen en 4 a fo berftaen en heeft/effen als vann gez ſchieden / na behooplijcker vermaninge / in aller
fal twel 6 ebi sine vzpeltzck / wie Dieg acht heeft) liefden / neeeftighent ende trouwe aengetme-
inden / dat Paulus in fijn leecinge fen, Met des kracht Gha dat is / met de bin:
x dende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
en
Beminde.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Een klaer Bericht
bende oft fluptende fleutel des Godtlijcken | trouwe raedt van den Wepligen Geeft / het
Wooꝛzdts / ende deg 42. Geefts. Want fo (Waer dan ook mijn Ban — —
wanneer ’t ſonder woord ende Geeſt geſchiet / Bzoeder / Ian / Pzouwe / oft Wint, Jae wat
ſonder liefde ende Bzoederljcke neerſtighendt / bloetvbriendt ende naeſten / wat ick de geeftelij:
* zp dan dooz bitterhendt / oft dooz toornig⸗ ke liefde meer neben hem bewijfen foude.
epdc/ oft doo een valfch geruchte / den Wooze| INaer nu ſoecken leyder bele niet dat deg Gees
be niet gelijckformigh /om ſaecken die geenen ſtes / Dan Des vleeſches is / niet des naeſten dan
Ban weert en zijn / ſoo een ig 't geen werck Des hares. Isꝰt onverſtant / ſoo moetſe de
ods / geen Medecijne der zielen / noch vzucht genadige Vader met fijnen Wepligen Heeft
tang / ende verdervinge cnde Peftilentie Der maer ig ’t moetwillige verkeertheyt / fo weten
Confcientien / ende een openbare vzucht des | Wp datter geſchzeben ſtaet / vleeſchelijck gefint
bleefchs : ſumma / boo? Godt een vloeck / zijn / ig De doot.
ftanck ende grouwel. Gen pegelijckt erlauwe
G 0
aderwerck. Der vepmder liefden / maer cen gekijf des Sa⸗ verlichten / ende in alle waerhendt in lepden: gom 8.5.
Cen derden fegt Paulus ín’t felbe capitel: car. ;. o-
Defe woozden Pauli wel / fo fal hp daor Godts uwe beraeminge en 18 niet goet / Weet gp niet Matth. ze
genade Wel ieeren hoefcer ſtreuge deſe afſon⸗ Dat een Wepnig ſuerdeeghs dat gantfche deeglj * Cor-5:6-
deringe ín der Schzift bevolen is / ende hoe oz: | berſuert? Daerom fo veeght den ouden fiets
dentljck fin met de kracht Chzifti/woozdt ende deegh upt/ op Dat ghu een nieuw deegh zijt / ge⸗
Geeft in de Gemepnte gefchieden moet. lijck alg ghp ongedeeſſemt zijt. Want wp heb⸗
Pet derde/ datmen een afvalligen onbekeer: [ben oock een Paeſchlam / dat ig Chriſtus boog
ljcken overtreder den Satan overgeven moet/| ong geoffert / daerom laet ong Paſffah how
niet mijn Broeders / dat hu niet boog De af den / miet in den ouden deeſſem / noch ooft ín
fonderinge deg Satang geweeft en is / Jae Den deſſem der booshent ende der lift / maer in
fo haeſt hy fiin harte ban den Heere afwende⸗ den foeten deegh der ſunverhendt ende der
De / ende Bodtloog wopde / foo is hp deg Sa⸗ waerhent.
tang epgendom geworden; gelijck alg een boet: ¶ Item met defe Waarden beſtraft Paulus ten
beerdige Sondaer dat epgendom Chaiſti. eerſten de Corvinthers) ende oock alle audere -
Maer hem wort nu met lichamelijcher ſtem⸗ Bemepnten met haer / Die haer beroemen de
me doo? de Gemeynte afgefent de gemepn- | Gemepnte Jeſu Chufii te ziju / ende dat geez
fchap Chzifti ende fijner Germepnten / ende flelijche Huns Aftaëls / ende cvenwel noch alz
aengefent/ hoe nu deg Satans is / tot dat ſulcke fchandelijcke berderbende ſuerdeegh / ge⸗
hp wederom weerdige vzuchten van boete lijck deſe Corinther / ende ſulcke vlekers meer
boo? Godt ende fijner Gemennte bewijfe / op | onder haet telaten/ ende met haer gemeyn⸗
Dat fijn Hoerachtige, gierige wederfpannige/| fchap zijn. Want hae mogen Wp ons doch van
afgodifche vleeſch dao? alſulcken uptgeſpzo⸗ Der Gemepnten vroomhept roemen / cnde De
ken Oopdeel ende mijdinge der bzomen / hem bupten Gemepnten ban hare Godtlooſe lecre
bedencken ende van harten fchamen magh / ende leben beftraffen/foa lange wp gelijke ſuer⸗
ende alſoo ín ſijnen vleeſche / dat is / ín fijne deegh deg leers onde levens bp ons dulden /ende
vleeſchelijcke luften verderve / afneme ende | níet ban onsaf endoent Zijn won ongedeef=
ondergae / op dat hu wederom boete Doe /ende | femt (gelijck Paulus fept) waerom en bzeefen
fijn ziele Saligh worde ín den dagh des Heeren wp ong dan met boog Dat ſuerdeegh / nae Dien
Jeſu.
rije heeft nu de Godtvruchtige Leſer ín defe deeghs Dat gantfche deegh verſuert.
aengeteekende woogden Pauli /de eerſte ooꝛſa⸗ Item ten tweeden, fo fet hp ons híer dat un⸗
Ke/waerom de Weplige Geeft deſen Ban in den terlijche Iſraẽl tot een boorbeelt / want fa wan⸗
hupfe Gods verordineert heeft / namelijcht/ tot neet ſy hare Paſſah hielden / ſoo en hadden fin ín
belteevinge/ ende níet tot berderbinge: want ſo ſeven dagen geen geſuert bzoot in hare hunten:
wanneer de verdorven alle Bzoederlijche Dien: Jae m wiens Hups het bevonden worde, dies
ſten ende vermaningen Det getrouwer liefden | zielen moeften fa uotrocpen Van Iſrakl / daer
aen hem beweefen/ als nietig in den Wint ſlaet / en moghte oock geen onbeſneden / noch onren⸗
blijft onbekeerlijcht / Datmen alsdan nae raet neaf eten. Och Broeders, moeſte de figuere
Des Wepligen Geeſts den felben ín der Ber | ende ſchaduwe ſoo verm zijn / hoe Beel meer dan we
de Apoſtel hier fepdt/ hoe een Wepuigh fuer: , cor.
5-Se
od.r2.19.
en 23. en 35.
mepnte met aller treurighendt fijn Oopdeel Dat ware wefen ſelbe? Want onfe Paſſah Loor rx
Oe 10, 14.
berkondige/ende van der gemepnte af doe / om ong geoffert / en ig niet een biecboetigh Lam⸗ Num. s.
alfa befchaemt te wozden tot fijner bekeeringe. meken / maer het is Dat onbevlechte Lam
Item / van defe befchaemthepdt fpzeeckt de Godts / Chriſtus Jeſus. Onſe Paſſah en duert
Apoftel noch op een plaetſe / ſeggende: Ks’ er ook niet ſeven dagen / gelijſt dat Paſſah Iſraẽls / Jo. r. 21.
« Thefl.3.14. npeinandt die niet gehooꝛſaem en is onſe woog: maer het duert eeuwelijck / namelijck / van de
den / dien teekent aen door eenen brief / ende en offecinge Cheiſti tot den joncliſten dage: het en
ebt met hem níet tedoen / op dat hu bez Wort oak niet gehouden met angeheefden bzoo⸗
—— worde. De van meel gebactten) maer met ougeheefden
MWerckht wel liebe Bzoeders / hoe de rechte broode der gerechtigheyt / en met den woorde
Guangelifche affondering een untgedzuckte | Des eeuwigen waechents.
vrucht der cepner liefden is ende geen Wet Daerom lieve Broeders/fo laet ong nu doch;
des haets, gelijk fommige met groot onverftant Dit fele Paſſah hepligh ende onbefinet houden
klagen ende voorgeven. ‚na alle onfe vermogen / ende laet ons ín den
Sch mijn getrouwe Broeders / fa op vecht Mame onfeg Heeren Jeſfu Chziſti / allen den
ban Godt geleert Waren / berlicht met den genen / die Daer Wandelen in De voorhunt
Pepligen Geeft/ ende gelietvede onfen naeften haers Herten / alle ontenne ban Leven (verſtaet
met een Godtlijche liefde / hae blijtigh fouden openbare bekende overtreders ) dat verſue⸗
won hier in zijn / om ín aller billighepde/ vende beklijvende ſuerdeegh van ons afdoen /
gefchickthepdt / ende liefde / nae te komen díe op Dat Wp mogen zijn Dat honlige les
Van de Excommunicatie. 347
Godts / befpzengt met den bloede deg HKamg/| nadat ha eens oft tweemael vermaent is / „ ron. re,
bzp ban Den flaenden Engel Gods / ende mos ſchouwen. Die ons Chꝛiſti leere niet en bzengt
gen alfo in alle oprechtíighept ende waerheydt | dat waden felven niet en geoeten/ noch in |
voor den Heere vzolijk zijn / Lieven ende dienen | onfe Pupfen niet en ontfangen, Ende Dat Wp 2. The. 3.6.
alle de dagen onſes lebens. ons ontrecken ban een pegelijckt Bzoeder die
Doder mogen oackt alte a upt deſe onodelijck handelt/ ende na Der Apoſtoliſche
woorden Paulí/ namelijck: En weet qu niet leeringe niet en wandelt. Och (fept Paulus) —
1Cor.s;. dat een wennigh ſuerdeegs dat geheele deegh datſe afgefeden wozden Die u verſtooren Mp *
75* verſuert / leeren De tweede oorſaſie/ Waeram | dunkt/ weerde Bzoeders / de Heplige Geeft
Deut.13.7- deſe afſonderinge den Hupſe Godts fo oogbaer: | Godts heeft met vermanen / waerſchouwen /
lijk ende nut is / ende hoe het fonder deſe niet |Ieeven ende gebieden /neffen dat mijden der
beftaende blijven en maah / dit voozbeeldt hele) Sectifchen ende dec afvalligen/ fijn Ampt
ben wp aen Iſrael wel geſien. Moſes / de trou⸗ ende trouwe dienſt dee Godlijcher liefden / tot
We dienaer Gods / hadde den bolkeBods met fijn uptberkoren / in Moſe en den Pzopheten
Deut. 17. 11 foo grooten ernſte geboden / dat ſp de moet wil- ín Chriſto en den Apoſtelen / hier wel blijtelij
SMD 5e lige overtreders met twee oft dzie getungen as untgerecht en boldaen / en bedient. Willen wp
bectupgt / ban haer uptroeden ſouden / ende nu evenwel upt epgenfinnighepdt oft onagtſa⸗
neb.ro.iꝛ. Dat fonder eenige barmbertighept. Oock foo. me verlieerthept tegen de trouwe caet/ Gods
Deu.13.g. Lenige Propheet met teecken ende Wonderen leevinge en vermaninge met den Aazarigen om
opftande / ende haer tot andere Goden lep: gaen/en ons met haer vermengen, foo mogen
Den wilde / ſouden ſp fodanige niet hooren maer Wp ook De felve krankheit aen ong wel vermos
dooden ; Item in gelijcher maten faude de Den en waernemen: Get ig ookt de Soudpe van
Dader zijn Kindt / De Man zijn Bouwe niet | dien / die des kranken aect weten / en Daer voor
verſchoonen / Ec. maer haer handt ſoude De nochtans niet beven noch wachten,
eerſte op hem zijn. Alſoo ſouden fp oock cen | Segt doch mijn alderlieffte/ is't niet een
geheele Stadt / Die na andere Goden hoercer⸗ moetwillige fothept en berderffelijke ffautthept
De/ te gronde untroeden / ende op cenen hoop, Weteng en Willens de moogdenaerg ín de hans
leggen / op dat alle Fftaël fulkg moghte hoz, den te loopen / en dien fijn huys en kantooren
ren / Godt vzeeſen / ende niet meer alſucke open te Deen? want Wat kaumen daer dog ans
booshept voornamen. Ick mepne dit is Wel | ders bermoeden Dan ftelen/ caben en moozden.
een berde — eweeſt Die Iſrael Och de Godbzuchtige Leſer ontfange doch
geboden was / hadden ſo nu hier ín vaſt ende | dat gebodt / De leeringe raedt en bermaninge
wel geftaen / ende hadden haerg Gods gebod, | door den Henligen Geeft foa trouwelijk aen u
taet/ leeve/ ende verinaninge na der Sclhyift na! gefchiet. Mijt alte Sectifche (fk mepne die ban
eg dat (Ë Be valfche Propheten met ons geweeft zijn) en afvallige na des Weeren
en Afgoden -Dienaers hadden uptgeroept/ sg bp zu dan Vader / Moeder / Wijf/ kint/
nimmermeer enn hadden fp alſo ban Godt ver⸗ Ec. Die u ſoeken van Godt ende zijn Wooꝛt
vreemt / ende tot alfulke dootlijclie (verſtaet af te wenden / ende met leere oft leben te berz Matth.1a.37.
in de Wet) hoererpe ende afbal gekomen : ſueren. Wie pet lieber heeft Dan zijnen God/
want Godts raedt ende wille verſmaden / en Die en magh des Weeren Difcipel niet zijn.
mag niet ſonder ſtraffe blijven. Daerom gelooft Chꝛiſto Jeſu / ende vreeſt hem Luc. 14. 26.
Maer nu leert ons de 49. Geeft / niet dat in zijn woozt van gantſcher herten / fa ſult qp
wp de beofe fouden dooden /gelijk Iſrael / maer ſjnen raet en Keere wel na komen; maer ets
dat wijfe met treuren ban der Bemepnte fou | gert gp u dies/ foo wacht ook op uwe ſtrafſe /
den afdoen / ende dat ín den Name des Dee want ik weet Door Gods genade wel / Wat het
1.Cors.y, FED / metter kragt Chriſti ende des H. Geeſts | zu Gods woozt en wille te verachten / en Wat
want een wennigh ſuerdeegs dat geheele Deeg ik Daer ober met mijn handen getaſt / en met
verſuert. Wet is een gemepn ſpzꝛeerkwoordt: mijn aagen gefien hebbe.
Een fchorft Schaep maechter veele fchooft. Ten bievden/fept Paulug: Ili hebbe u gez
Bn rn A Melaetſche en mogten onder dat gefonde ſchreven ín den brief / dat gp u nict en fout verz
Er 3 0Iſrael geen plactfe hebben / maer moeften haet [mengen met den hoereerders, dat en mene ict
aen afgefonderde plaetfen onthouden/ tat Dat: | niet gebeelijk ban de hoereerders deſer werelt /
fe genefen waren. Och Gzoeders ín den Heere noch met Den gierigen/ noch met den vobers/
De Lazarie der zielen is een Lazarie boven alle noch met den Afgodifchen / anders moeft qu
Lazarie / het zp Dan in leere oft leen / ſy eet | upt de Werelt gaen, Maer nu hels il u geſchre⸗
om haer gelijk de Cancher / ende berſuert Dat | ven dat gp uniet en Mlt vermengen met Dien/
geheel deegh (gelijck Paulus leert.) Daerom (fo pemant een Bzoeder genoemt wart en is een
{8 ong van den 9. Geeft feec overvloedig ge- |hoeveerder! oft gierige / oft afgodifche/ oft Ha
leert en geraden / dat Lup Der: ſelven Lan ons ſteraer / oft dronkaert / oft rover / met den fel-
je. 23. 16. weg doen fullen / dat wp der balfcher Prophe⸗ ven fuit gp niet eten / oft fpijfe nemen.
Rom, 16,16, ten Wooden niet en fouden hooren/ Want fp|__ Unt deſe woorden —— merken wy /
bedziegen ons / dat wp afſchenden ban dien / hoe hp De Corinthers te booren met een ſchrift
1. Ti. 6. 3e die tegen de Apoſtoliſche Leere er rniſſe Enz vermaent hadde / hoe in de hoereerders / gieri⸗ ⸗ Eh
De twiſt aenrechten. Dat wa mijden den gez ge / Ec. ſchouwen ende mijden fouden/ maer
nen/ Die hem met de heylſame Waorden en: (fr hadden’t oock verſtaen ban De hoereerders
de leere ons liefs Heeren Jeſu Chꝛiſti niet en deſer Werelt, pi over vermaent haer Paulug VCE-9
Phil.z.s. laten genoegen / maer twiſtigh ban Moorden in defen Bzief / hac dat fijn mepninge over al
ende begeerigh na kijben zijn/ %c. Dat wu [dat níet geimeeft is / want fo fp Die mijden ſou⸗
ig to.5 _ ong vooꝛ De honden / looft acbepders ende toe⸗ den / ende met hen niet vermengen en mogten/
itg. fniders wel boorten ende wachten, Dat wn [fo maeften fjp wptter werelt gaen; maer zijn Ve»
bes vreemdelinghs ſtemme Llien/ Bat wp een meeninge is geweeft ban die Die Woes
Ketters Menſche /oft een Meeſter der Secten/ ders ghendenit ren {gelijck hu mee
Er 2
klaere
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
| HE Vers. zr.
| | Joa. 4. 19,
1. Cor. s. 10.
ker. 16. 18.
Deut. 23. 459
… 33 ens.
1.Cor, 5. 7.
Elai. 53. 10.
1. Cor. re. 3
REE HE 2. Cor. 6. 13.
HH AG. 2. 44.
X. Ti. 6.18.
Acb. 13. 16,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
een ander woort / ende ín ’t Watijn/ com-
348
Klare woorden aenwijſt / ſeggende: Soo per
mant een Bzoeder genoemt Wort / ende is een
hoereerder / gíevige/ Ec. met foodantge en
fult gp de fpijte niet ontfangen / gelijk alg ook
De Goden in de tijden Cheiftí met Den Hepde⸗
nen ende openbare Sondaren níet en aten /
geſelligh noch gemepnfaem en waren / Want
Chijs ende Paulus zijn een ) ende niet gez
cp
t.
Ick mepne Broeders / defe Eert is wel (oa
helder ende Klaer / datfe geheel geen tegen-
eden lijden noch dragen en kan / evenwel
moetfe noch ban den ſommigen ſeer ſterken
aenftaotinge / fcheuringe ende gewelt lijden.
Cen eerſten feggen fps / Paulusen heeft geen
macht gehadt ons met eenige Wetten te bela-
den, wanneer ’t hem van Chrifto alfo te voo-
ren niet geleert ende bevolen en 'was. Ant—⸗
woorden Wp/ een pegelijk bedenke / deple en-
De ſnijde de woorden Cheiſti recht / Matth. 18.
18. Houdt hem alg een Hepden ende Publi—
kaen / ſoo ſal hp dooz des Heeren genade wel
bevinden / oft niet Paulus deſen gront alſoo
eerſt van Chriſto ontfangen ende geleert heeft.
Ten tweeden ſeggen / na dien Paulus hier
mentie maekt van dat Joodíche Pafcha, ende
feyt daer by dat wy nu Paeſſchen fouden hou-
den, niet in den ouden fuerde-gh, &c. Soo
moet deſe ſelbe reden / ende ook daer hn fpzeekt
Met todanigen en fult ghy u niet vermengen,
met fodanigen en {ult gy niet eeten , niet an-
ders dan van een Geeftelijke vermenginge ofte
gemeyn{chap, ende van des Heeren Nacht-
mael verftaen worden, Den felven Antwooz-
Ben wp aldus: Iſrael heeft gehad een Paf:
fab van ſeven dagen / maer Wop een eeuwige /
ende gelijck anfe Paefchlam eceuwigt is / ende
fijn offer eeuwigh/ alſoo moeten. Wp aockt nu
ſonder ophouden Dat felve Wepligen ende vie⸗
ten/ ſtedigh maeten wu fijn vleeſch eeten / ſte⸗
digh met zijn bloet beſprengt zijn / ende geſta⸗
digh ons wachten met vlijt voor dat Godtlooſe
verdervende ſuerdeegh / bende der leere ende
des levens.· Is dan onfe feeſt ende Paſſah
geeſtelijſt ende niet letterlijk / eruwig ende niet
tijdelijck / hoe kanſe dan op dat Nachtmael
Des Heeren (dat doch eten ban een ure is) gez
Dupdet ende berftaen Worden 4
Cen tweeden antwoorden wp / ſouden dees
woorden van een geeftelijche gemepnfchap gez
ſproken zijn / foo moefte hier ín den Griecx⸗
fchen Eert ſtaen / zowuriu ende ín ’t Hatijn
Communicatio , want dat bedunt een Deez
ſtelijcke gemeynſchap / eben als Chriſtus met
ong/ ende de leden Chriſti met Chriſto gemepn
hebben. acht de mededeplngen mijner goe⸗
deren. Maer nu ſtaet hiet ín den Geiecyfchen
Een klaer bericht
dauft níet gebaupken / maet Wo moeften onfe
legen in alte armoede / honger / droefhent ene
de ellende ombzengen ende verteeren.
Cen derden / antwoorden wus dat Pau⸗
lus hiet ban gemeen eten gefiproken heeft/ en⸗
de niet van Den JRachtmael / Want hu noemt
inꝰt Latijn cibum capere, ende niet: Panem
frangere, ende is openbaer/ dat het zacht:
mael in geen plaetſe der Schrift cibum capere
genoemt en wort. Ende wanneerꝰt ban dert
Nachtmale geſproken ware / gelijk ſommige
met groot onverſtant voorwenden / fo moefte
daer unt volgen ſonder eenige wederlegginge /
dat wp alsdan De werelt Wel mede mogbten
nooden tot onfen JRachtmael/ met den cuſſe
deg vzedes groeten / ende alfa een lijf met haer
zijn/ want defe Bemepnfchap ons bp den afz
valligen Bzoederen ontepn ende verboden / ba
det werelt / na Pauli woogt / rein ende van ig.
Och neen / dan gelijck de Joden op dier tijdt
met den Hepdenen ende Publicanen oock geen
Gemepne (pijfe eten en Wilden / ende Ehri⸗
ſtus den fijnen op dat gebeupet: geweſen heeft/
fo volgt Paulus hier in de leeringe ende aen⸗
— — stoat ardin Jeſu /
at wp met ſoodanige geen ſpij
nemen en fiullen. 5 Be wufe
Ick mepne inuners / dat bier den beomen
genoegbfaem aengewefen is / hoe Dat dere
woorden Pauli op geen Geeftelijcke Beemen:
ginge / noch op geen Nachtmael / maer al:
leen op uptterlijcke’ gemepnfchap ende eten
moeten bedupt ende berſtaen worden / maghꝰt
dan miet geſchieden ín uitterlijſie / ofte vleeſche⸗
lijlte / veel wepniger in innerlijke en geeſteliſie.
ijn weerde Broeders in den Heere hieer
wil ick uwer aller liefde met alle veenederthept
gebeden ende vermaent hebben / Dat gp doch
wel Willet inſien / Wat Dit commertium , daer
Paulus alhier af fpzeecht/ eygentlijck gefept
is / en hoe bezre men Dat berftaen magh / op
dat gu de roeckelooſe Conſcientien niet al te
rupmen conſenteert / tot haerder verdervinge /
ende De enge naeuwe Conſcientien niet al te
hert en verbint / Daer gn geen verbindende
woort en hebt / Want ick hodre ende fie/ heb
het ook van bele jaren af lepder meer alg te beel
gefien / Dat hier ín alle fijden Op belen noch gez
wichte noch mate gehouden wort / en dactom
altijt am deſe affonderinge Geel Difputerens /
moeite en gebzek geweeft ig, de Heer gebe een:
mael fijn Godlijſie genade, tot vreede en eenig⸗
hent / ende opboúwinge fijner hepliger Gez
mepnten/ Amen.
Nadien ick dan een onweerdigh ende fims
pelDienaer ín den hunſe Gods mede beroepen
ben / ende van gront mijner zielen geerne dat
alderbeſte aen mijn lieve Broederen ende me⸗
mifceri, ſivi commertium habere, dat doch degenooten fien wilde / ſoo Wil ick ook na
eheel geen geeftelijche / maet een unterlijcke mijn klepne gave mijn verſtant / met welcke
ichamelijctte gemepnfchap mede beengt / ende | ick aen geenen dage boor den ffoel mijns Hees
{u hem beſloten heeft / blijkt oock noch klaer⸗ den Jeſu Cheiſti begeerte te berfchijnen/ ban
Der ín Defe woorden Pauli /Dat hp hier ban een deſe felve gemepnfchap oft vermenginge ons
uptterlijche gemepnfchap ende geſelligheydt DEE Wepnigkh woorden Daer flellen/ ende wil
fpzeecht / ende van geen geefteljche, Want dat oopdeel ban Defen Godts woordt ende
hp ond de felve neffen den afvalligen afgefept/, Allen Godts geleerden overgeven, Daer:
bp det Werelt confentceet ende toelaet / maer om is mijn verſtant Dat commiffleri: oft
Die over al geen Geeftelijke Bemennfchap met COM merrium habere Dat is / hermengt te War:
ong en heeft / noch hebben kan, is oñweder⸗ den /oft gemennſchap te —5 / ban welken
ſpzeeckelijck. Ja ſoo defe gefellighept oft ber: Paulus hiet fpzeekt/met hem bzengt een dage⸗
menginge ons bu de werelt verboden Ware / ſo ljkfche gemepnfchap/gefelfchap/ wandelinge/
en mogbten Wa de Weveldt tot onſer naodt: | Vesmenginge/ bp-wefen / gebzunks zite eN
2e
van der Excommunicatie. | 349
ſpreck ende handel / ende is niet een woort | veel meer rauwe gehadt / om ban u te daer/
| | bp gevalle met eenet te fpzeelien / oft een noot: | Die dat werck gedaen heeft, —_…
wendige handel / gelijk een erf te deplen /fijn| 2. Dat hu den Dupbel magh overgegeven
fehult ce betalen / oft te ontfangen/ ende diet: | Wozden.
gelijchen invallende handelen meer / metee:| 3. Deeght upt dat oude fuerdeeg op dat. op.
nen upt te vechten / of inde tijt deg noots bez | een nieuw deed zijt.
| dienftelikk te zijn/want Dat woort commertium | 4. Beemengt u niet met. den Hoereer⸗
bindet ende fluptet foo naeuwe niet / daerom ders / Ec.
oock ſommige namijn verſtant nietwepnigh | ‘5. Met ſodanige en ſult gu niet eeten.
falen/ Die Dat Waordeken/ niet te Doen te) 6. Doet van u wech / die daer boos ig.
hebben / niet is niet ſeggen ſy foo enge ge-| Dit alle vervaet hp in dit korte Capittel / |
dreven hebben / gelijck dat woort: Ehn en behalven nach dat he tot den Fomepnen/ Gar Hi
fult niet fleelen/ niet Hoereren / Ec. ban laten/ Phillippenſen / Cheffalonicenfen / Ci I
welckte Paulus getunght / dat de gene dieſe motheüm / ende Titum daer van geleert / gez
Doen / dat Rijcke Godts niet-be-erven en ſul⸗ boden ende vermaent Heeft. Foannes beeft
len. Yamijn Beoeders wanneer De faeclie | ook: met korte woorden zijn mepninge ban dez
foo ftonde / en weet ick niet/ wie vaag fijnen | fen handel wel vervaet. Sch en weet immers
Godt blijven foude. niet / hoe een Godsreefende confcientie hier tes
Item / wildemen ong met den Woogde com- |gen denken ende fpzelten Deef / ende daer oak fa
mertium, t welck na onfe fpzalte / cen ver⸗ grooten bzucht ende nuctighept in defe ſelbe
menginge oft gemepnſchap is / ſoo enge drin⸗ mijdinge begrepen is / doch het fchijnt dat dez
gen ende Beflupten / Dat wp niet cen Woozdt fe Dijnftok altijt fijnen worm hebben moet.
met een afvallige en fauden mogen ſpreecken / Item / noch gebzupcken de wederfpannige /
geenen nootwendigen handel met erren unt: bier een Ín-veden / ende feggen : Wanneer een
eechten mogen / ſos foude meu dat Woordefken ne van de Gemeynte is afgedáen , foo en is |
commertium gewelt aen doen/ menigh Braam niet meer noodigh hem te mijden , want hy
Kint in grooten achterdeel beengen / menigen niet langer Broeder genoemt wort. Ben ſelben
ſchriftlooſen handel aenrechten / ende den ge⸗ antwoorden wu / dat fp ten eerſten ſullen bez
trouwen Paulum feer verſtooten / daer hu fept: dencken / Dat fodanige cen / die des Weeren
Wout hem níet als een bpandt/ maer ver⸗ woort ende waerhent bekent heeft een tijt lang
maent hem als een Broeder. Daer beneben een vroom Euangeliſch leven gevoert heeft /
oock den Cuangelia Cheiſti genen goeden (ende alfa op De bekentenis fijns geloofs den |
roem maecclien. * Doop ontfangen heeft / ſoo hp ban Der waer⸗
Oock is 't onwederſpzeeckelijck / als Dat hent afvalt / ende Daer na wederom oprechte
De openbare Sondaers / ende. oock ſommige boete dede /. niet wederom gedgopt en Wozt/ 1
Hepdenen in Judea gewoont helen / gelijckt want de ſchrift en leert maer eenen doop; maer J
erodes / Pilatus/ Philippus / Liſanias / Die hem nu eerſt ban de Werelt hefkeert/ wort J
ge | &c, boorden welcken fp oock bp tijs na de bekeeringe gedoopt / Want fn te vooren
den verſchjnen moeften. Item / fp moeften nach woort/ noch boete / noch geloove / noch
oock vanden Fomepnen wegen Chijng ende gerechtighent) noch Doop betient en hebben/
Col geven / ende hebben alſoo ba wijten wel ende derhalven is 't een ongelijche fatse / ſp naar, 1.447
een waart met haet gefinzolken / ende noot wen fullen oock ſtrenger alg de Werelt ten jongften Luce s. 6
dige vaarvallende handelen met hen verhan⸗ | Dage van den Heere geſtraft wozden. LE, 13, 46e
bele / hoewel fin haer ín Die dagelijckſche geſel/ Cen tweeden feagen wn / dat de Werelt — aas, | |
fchap/converfatie/ veemenginge/gefpaclt/eten/ / haer evenwel boa? Broeders achtet {endeookk H
Ec.met aller blijt gefchaut en gemijdet hebben. veele van haet nach geerne Wroeders willen ii
2. Tel. 3. 15
Lieve Broeders, fiet doch wel baar u/ Dat gegroet zijn / daerom ſoo if ’t feer noodigh des
abn des Pepligen Geeft Meeſters ende Devz | feltve te mijden / op Dat bevde / de Werelt ende
achterg niet en zijt / ende dao? Menſchelijcke aol: ſo / mogen Weten ende bekennen / dat. ma
goetdumcken den wegh niet enger noch rup⸗ Die vaar geen Bzoeders en houden / die fo one
met en maecſit Dan hem des Weeren Woodt/ | cepn ende beftraffelijk van leere oft Teven zíjn,
Geeft / ende erempel ong ſelve maechit / leert op dat Des Weeren woort ende fijn. Bemennte
ende voorbaent. om harent wille bp de anberftandige Wereldt
Ten vijfſten / fept Paulus Wat gaet mp miet veracht en worde.
aen te oordeelen / Die / Die bunten zijn? Dor: Cen derden / feggen wn / Dat Iſrael haer
Deelt qu niet Die Daer binnen zijn? Maer God (openbare Soudaers / ende ook de Torinthers
ſal die Oozdeelen Die bupten ziju; doet van uw aren Hoereerders níet gemijt. en hebben ſoo
Die boos ig. Wy lange fi niet ban der. Gemepnte afgedaen.en
Pier verhaeldt Paulus zijn boorige oor | waren /,'t en is ooli geen gewoonhent/ noch
Den / hoe fijn meuninge in Den cerften Bzief gebzunck Der Schaiftuere; pemant te mijz
níet geweeſt en is van die / Die bunten zijn / den / alſoo lange hp noch ín der gemennte gee
want Godt heeft die te oordeelen / ende niet leden ende gedzagen wort / ende aidus en moet
tp. Wp behooren de booſe van ons te doen / die het mijden niet Loor De, afſonderinge geſchie⸗
guder ons zijnen De Werelt den Heere bevelen. |den/oft Wp voeren een Ban die de Schrift niet
Diet mijn getrouwe Bzoeders/ hae een⸗ en kent / noch vermeldet.
drachtelijk Chriſtus ende Paulus flemmen ín | Ten bievden / feggen wu/ ſoo wu noch na
het mijden der afvalligen. Ende oock hoe een: der afſonderinge met den afvalligen gemenn⸗
fielijch oe Veplige Upoftel Paulus defe affon- ſaem / ende geſelligh zijn / bewijfen top met
Deringe geleett ende bermaent heeft/ ja dat hp der daet / dat wp Godts Wooꝛt / gebodt/ raet /
ín dit kopte Capittelſien ſesmael aengetekent leere ende vermaninge berachten/ Dat up des HIN
heeft om defen Ban na te komen. afvalligen billijcke ende fchziftmatige bez Nt
1. Ghp zijt opgeblafen geweeſt / ende níet ifchaemthept/ tot rr fiweclkende/ niet k
*x3 en |
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
350 Een klaer Bericht van der Excommunicatie;
en faekten/en oolt ong boog dat verderven onfer Wanneer / waer / met wat Geeft / ban wien /
zielen niet en wachten. _ ober Wien / en toc wat epnde Dat men deſen
Hier mede hope ick immers / Dat een pe: Ban gebeupken en drijven fal. Ak achte de:
gelijck Godbzeefende Confcientie neven deſe ſen rondt foa krachtigh ende ſierck te zijn /
oden Chziftt Mat. 18.18. en neben Dat Dat men hem over al met Chꝛiſtelijclie bez
s. Cap. tat den Corinthen wel fal gebzedight fchepdenbendt/ noch met geene Bodlijche
zijn/ en niet meet alfulcke onnutte yk waerhept om ſtooten ende breeclien en magt
tegenwerpen / em loofe uptbluchten foecken / Gen pegelijk vzcefe en beminne fijnen Godt
en tot een vaahent ſtjns vleeſchs boozwenden / | ban gantfcher heeten / fo fal hu ſonder twijfel
want fp niet beter als de ffoppelen boorden Dat cepne berftant van deſen Wel binden / en
bpete/ en het Is boor de Warmte beftaen | dat Schriftmatige Godt-gevallige gebripen
mogen. Jae unt deſe ſelve rt he Chꝛi⸗ | vechter geftalte en mate nakomen.
fit ende Pauli blijkt helder ende hlaer / hoe /
Tot vervullin e van defe ledige. plaets heeft | bemmoedíiger doꝛſte Pzedikken/wandelen/Difpu £
—— goed gedacht dit volgende uyt het; teren / Baals· Prieſters beſtraffen / ende De wes
16. Boeck van den Ondergangh der Tyran- derpartijders opentlijckt in haet tegenwooz⸗
nen » en Jaerlijck(che Gefchiedeniffe , van | dighendt wederſpreken / ’t welck verſchenden
Pieter FanfzTwisck, pag. 1074 en 1075. hier) perfonen / zijnde fijn mede-Weeraers / door de
byte voegen: Hier in beftaende, hoe won-| ſware bervalginge niet dorſten Geftaen. Ans
derlijckde Heere Menzo Symons befchermt, der andere/ ſoo ig eens gebeurt (foa ick in vers
en tegens de liftige aenflagen fijner Weder-| tellinge boog loof waecdigh heb ontfangen) dat
artyen bewaert heeft: Als mede fijn Godde-| Menno in Den Eénigenburgh een Dozy gele: pEnDS
Fiken yver voor de Waerheydt, in ’t verma- | gEN ín Noordt. Hollandt,eeng bp de Paſtooꝛ de Enigen-
nen vaneen yegelijck tot ware boete en be- | ofte Paep ín De Lerck quam / na Dat Ge Par burgh.
keeringe. ftaog fijn dienft gedaen hadde/ende ſprack in’t
Latijn met hem ban beefchepden Pauſelijcke
H% is gebeurt met Menno Symons, foa \{uperftitien, met groote bzpmoedighende/ Wels
fijn epgen Dochter ( een iofwaerdige | fpzeeltenthept ende geleerthent / waer ober den
Brou) ín tegenwaordighendt ban ong berhaelt | Paiefter ofte Paftooz hem fee verwonderde /
beeft) te weten : Dat Menno ban een Die me- | ende heeft (na Dat hu fijn Papen-Dienft berlas
by de bergaderinge quam / aen de Heeren | ten hadde) het befpzeclt met Menno ín det
om een ſeker ſtuck gelen verkocht worde / om | langte vertelt. Menno heeft meer·maels met
Mennos perſoon haer te leveren /ofte fijn hooft | Prieſters geſproken / ende is noch eens met
Daer boor/ het welcke ha nochtang niet en {geen minder bepmoedigkent in een Cloafter
konde te weeg beengen/ want alg Ip die plaet⸗ onbekkent getreden, fpzaclt met den Overften/
fe daer De by-een-komfte gefchiede/al befpiede/ | Wees hem tot bacte/met aenwijfinge Lan haet
foíg Menno doo? Gods fchicktinge het noch graote doolingen / ende ſulclis mecr. Hoewel
ontkoomen. nde defen verrader is Menno | u aen Herckt- deuren acngeflagen Was met
noch eens met den Officier ofte Grietman om fijn naem / kleedinge / perſooñ ofte gedaente / on⸗
hem te foeckten ende te vangen / onbedacht te der fcliere beloften van hondert ofte eenige
Mee Godt gemoet gekomen op den wege daer Menno ín hondert guldeng te ontfangen / wie hem wi
hoet ende de Een klep fchumtken vaoz-bp geboet worde / | te verſpieden ofte gevanckelijck te leveren! ſoo
verrader den verrader fwijgende foo langh Menno cen (heeft heen Godt evenwel voor alte practijckten
Baaftheefte ſtuckt boor-bp wag ende doen op ’t Belt ende liſtige aenflagen bewaert / fa datt gewiſ⸗
ſprangh / om met min perijchel te ontkomen / | felijck gaet / gelifcht yn felve in cen Brief aen
doen fepde Die Bezrader: Diet daer / de vogel is Lenaert Bouwenfz Pupg-vzou ſchꝛijft eggen:
ong ontfpzongen. Den Officier hem boor De : Is t dan dat ghu boor u Mans vlepfch
een fehelm fcheldende ende beſtraffende wac? ſorget / ſo dencht ende getaaft doch Dat onfe les
rom bhp’t nieten fepde? Boe antwoorde den ben al bp haud-brecden afgemeten is / dat leben
Bezrader: Belt en honde niet ſpreelten / want / ende ſterven al ín des Weeren Bandt ſtaet / dat⸗
mijn tonge worde gehouden. Het welcke foo | ter niet eenen hav? van anſen hoofde en valt /
gualijckt worde genomen Van de Heeren / dat | of het is De wille van onfen Dader, hn bewaert
den Bezrader nae fijn beloften fijn engen hooft | ans als fijnen Oogh- appel / Elias , Helifeus,
daer baar moefte laten. Bulcke ende dierge⸗ David, Daniel , Zedrach , Mefach eude Abed-
lijche epempelen/ hae wonderbaerlijck Bodt | nego , Pecrus ende Paulus, zijn der Cprannen
Be fijne behoet / ende bnſander hoe fchzichelijckt| handen al ontblogen / ende niemandt heeftfe
Dy De tpvanmen ſtraft / zijn wel bedenliens magen een hapz krencken / foo lange niet de
edig. beſchenden dagh ende front Daet cn Was :
Somma / Menno heeft foo beel gebaer / {Want fo lange de barmhertige Beer meer luft
tmoenten/ pevijkelen ende ellenden / untgeſtaen / aen onfe leven / alg aen onfe ſterven heeft/ ſul⸗
het weicke na Dev vertellinge Det ouder memo⸗ | len fn haven luft aen ons niet hebben / maer
Eren / ooch net Wel te beſchrijben Waer / ende [foo Wanneer De doot Den Veere gevalliger is
fB nochtans fijn engen doot geſtozven / hoe wel | als onfe leven / ſao ſullen w vocht haer handen
Kin met grooten pher famtijdtg foo hier en Daer | niet ontgaen.
J eee aid a GR gek eerden nen —— lll ie
| EEN KLARE ONWEDERSPREEKELYKE
BEK ENEEINISSE
AENWYSINGE»:
| Uyt den grond en kracht der Heyliger Schrift vervatet, dat de geheele
| Chriftus Jefus, Godt en Meníche, Menfche en Godt, Gods
eengeboren en Eerftgeboren eygen Sone is, niet gedeyle
noch geftuckt , maer een eenig ongedeyltPerfoon ,
Soon ende Chriftus, Godts Woord in der
tijd vleefch geworden,
Met een grondelijke Confutation » Beantwoordinge en Oploflinge der
voornaemfter Tegenfpreuken van
JOHANNE a LASCO,
Tegen ons in fijn Defenfion opgebraght.
po OK
MENNO SYMONS.
Joan. 6. 35.
| Ick ben dat levende Brood ( fpreekt Chriftus ) van den Hemel afze-
| komen: Wie vandefen Broode eten fal, die faleewwig leven, en
dat Brood dat ick geven fal ‚is mijn vleefth ‚ welke ick geven
fal voor des Werelds leven.
1 Cor. 3. 11.
Daer en mag geen ander Fondament geleyt worden ‚ dan dater geleyt
is „’t welk is Chriftus feſus.
Gedrukt in’ Jaer onfes Heeren ,MDGCL XX XI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
fe}
8
8
F
5e
Ko)
a)
ax
®
®
—
El
„Oo
£
[=a]
ko}
*
mv]
‚5
—
5
4
*
5
—
ed
®
el
pen |
3
ov
—
&
5
0}
—
2
3
8
8
ol
®
®
4d
(0)
oe)
8
E
oo
ON
laa)
IN
Oo
0
VOORREEDEN.
Den Goethartigen Lefer Saluyt.
Ck fieende mercke, Eerfame Lefer, hoe datter vaft gedruckte Latijnfche
| ende oock gefchreven duytſche Boecken allenfins van des Heeren Meních-
werdinge omgedragen ende gelefen werden , die onfen naem (foo my dunckt)
by velen alſoo ſtinckende maken, dat ſy (eylacen) diefe hooren oftlefen, neufe
ende mont voor onstoeftoppen. Waer door ick gedrongen ende veroorfackt
ben, ten eerften ommige befchuldingenende nafeggen» diemy een goet deel
van Johannea Lafco met groot onreght worden opgeleyt, te beantwoorden.
Ten tweden , mijn grondelijcke Bekenteniffe ende gelove van Ghrifto Jefu den
Sone Godtsdaertoedoen. Ende ten derden, fijn voornaemfte tegenfpreuc-
ken ende Articulen , waer mede hy onfen gront ende gelove in defen deel be-
ftrijt , foo verre de Heere genade geeft, met Godtlijker waerheyt op te loflen,
ende met der fchriftte voldoen. Endedat niet om mijnent wille, want ick
weet doch wel, dat mijn waerheyt, leugen, ende ick met allen H. Apoftelen
ende Propheten der geleerden Ketter ende verleyder wel blijven moet, oft al
fchoon ook Chriftus fefus met gelijker kracht in my ‚ ende door my onweten-
defprake, alshy wel eertijts in dien, ende door de felvige Apoftelen ende Pro-
pheten gedaen heeft. Maer datick doe, dat doe ick uytde reyne liefde mijns A&-u-21.
> * Ier. 20. 7.8.
Heeren ende Heylants Chriftí ende fijns heyligen Woorts, uyt liefde mijner Amos.7. 12,
liever Broederen, ende oock uyteentoegeneyghrgemoert, welck ick tot mijne oorake, E
waerom 1C
Wederpartyershebbe, op dat Chriftus Jefus de Sone des Almachtigen ende senriee
grooten Godts, vooreen waerachtig Sone fijns Hemelfchen Vaders mach be- aen den des
kent werden, ende de Schrift ongebroken mach blijven ; ende de bekommer= hebbe.
de, hongerige confcientien, die foo geerne dat recht volgen wilden, ook dat
recht fien ende weten mogen ‚ ende mogen alfoo den Almachtigenende eeuwi-
gen Vader met vrolijker herten dancken door fijnen eerftgeboren ende eenge-
booren Sone Chriftum Jefum. Dat oock de Godtvreefende Lefer mach we-
ten, door wien hy met fijn Godt verfoentis, endedat wy niet dan metde hel-
dere klare Schriftuere, ende met onwederfprekelijcker waerheyt over defen
gront houden. —
Siet, om deſer oorfake wille heb ick daer noch voor mijns lijfs eynde deſen
arbeytaengekeert, opdat ick alfo (die alle dage mijn ontbindinge van defer _
aertícher hutten in mijnder grooter fwakheyt in lijdtfaemheyt verwachte ) een
gewifle getuygenifle ende gedenk{edel na ee laten magh, hoe heerlijk, oft hoe
y on”
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
vO 0 KRSE DEN
oneerlijk , hoe hoog oft leegh, hoe groot oft kleyn ick den Heere Chriftum
HIN mijnen eenigen ende eeuwigen Borcht, Trooft, Toev lucht, Verloffer endeHey-
EIN | 8 lant in den tijt mijns dienfts gehouden aft geacht hebbe, dewijle ick wel weet, |
Ut hoe men over ons fcheldet ende lafter.
Alfo hebbe ik dit Boecxken in drie deelen gedeylt, dateerfte deels een ver-
antwoordinge over fommige Articulen ende befchuldingen ‚ die den gront |
onfes handels nietaen en gaen, ende my alfo fonder alle waerheyt van Johanne
à Lafco opgeleyt ende verweten worden.
Dat tweede deel , ís mijn bekentenifle van den oorfpronck ende afkomfte
des vleefch Chriſti, ende dat met kracht der fchrift beweeret.
Dat derde deel, zijnde voornaemfte tegen{preucken , byfonder van J.à L.
tegen onfen gront opgebraght , ende die met Godts woordt krachrelijck verant-
woort. Ende uytdier oorfaken hebbe ik ’talfo gedeylt, dat de Leefer hem in
lefen niet en ſal verwerren, maer dies te beter een verftandigh begrijp ende rech.
ten fin van ons fchrij ven hebben ende grijpen magh.
Bidde ende begeer dan hier medeaen alle mijn Leſers om Jefus wille, fy zijn
geleertoft ongeleert, gonftig oft ongonftigh, datfe doch mijne berichtinge
niet met verkeerde ſinnen, maer bedachtelijck ende verftandelijk lefen willen,
‘weder lefen ende wel door gronden willen, by der Schrift houden, ende wel
metter Schrift willen wegen, ende niet der Geleerden lange ende veel fchrij-
vens, leerens, ende Gloſen, maer der Schrift geloven willen , den gront on-
verbittert onderfoecken , ende alfoo de fekerfte waerheyt gelooven, ende in
waerachtiger vreefe Gods volgen , ende fijnen rechten prijs willen geven, ge-
lijck allen billijcken enderedelijcken Lieden na het behoor des Chriftelijcken
Naemstoeftaendeende behoorlijk is. Ick en twijfeleoock niet, dat alle dic,
die *t met alfulker aendacht leſen, haeft bevinden fullen, dat onfer wederpar-
tyers Gront, Leere ende Gelove van Chrifto den Sone Godts in alle manieren
vervoerendeendedwalendeis, ende den onfen des Heyligen Schrifts grondt,
getuygenifle, ja kracht en waerheydt is.
Biddeende begeere voorder , dat de Lefer my doch niet en verkeere, f ick
by wijlen leugen leugen noeme, endedat onrecht een weinigh hart ftraffe. Ick
hoop door Gods genade fonder alle bitterheyt, ende met foo gemati gde woor-
dentedoen, als my immermeer mogelijcken is. Ende dat hy hem oock niet
enlaetverdrieten, foo ik eenderley Woorden endeMaterie aen fommive plaet-
fen, daer het den nooteyfcht, meer alseens verhale, en dat hy my Bet: niët
ten laetften fonder kennifle ende verftant des handelsen richte, ende vergram-
me: wantick en doe niet meer, dan dat ick metter waerheyt (als ’t billijck is)
my purgere, mijn Geloveende hope metter Schrift beweere , ende mi jns Hee-
ren ende Heylants Bere ende prijs voorftae: Dat ick niet alleen fchuldigh en
ben te doen met mont ende penne, maer oock met mijn dootende bloet, als’
de noot fijner Glorien ver vordert. |
De lieve Heere, de waerachtige Soone des waeraghtigen ende levendigen |
Gods, welckers Eere ende prijs het alleen aengaet, gunneallen goethertigen
ende beleefden Lefers, begeerigefinnen, om met neerftigheyt te onderfoec-
ken, ende verlichte de kloecke herten „om recht te verftaen, AMEN.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
BEEN KLARE ONWEDERSPREEKELYKE
BEKENTENISSE
E NDE
AEN WYSIN GE.
DAT EERSTE DEEL.
VLIZ SOL
IN / —* — —
—
Pd —
geſchreben hebben / en falmp (hope ick) met
dee Waerhepdt niemaut betupgen.
fijnen naem hooge foude | waerhept wijten/ ende niet-my.
ick door * befpreck dar [Kanten Leere Sacramenten / iercken⸗ dienſt /
ES ick met hem hadde, alſoo Rercken oft Gemepnten in ’t gemepn geſchre⸗
— AEL De heyt
En eerften fchrijft Joan=| heb ickſe met Der waerhent wee gedaen/Dat hu wergeamt
DEN nes à Lafco , als dat ick ſo qualijck bediet / Dat ſelvbige magen fp Der PELI men.
ME diestot grooter Eere, aen-
fien ende authoriteyt by den onſen (gelijck hy-
fe noemt ) krijgen oft hebben moghte.
Antwoord.
AN 8 N f d
JI getogen hebben, om dat Alle wat ick ban fijne ende fijnder Predi⸗
SEN Bli
NG
gen hebbe / wil ick geerne alle billijcke ende vez
delijcke lieden laten richten / oft ick vecht oft
onrecht / te kozt oft te langh daer aen geſchzeẽ
ven hebbe.
Is haer Leere ende Kercken- dienſt npt
Godt ende Godts —— waerom en Woz
H$ is waer / dat ick hem den Edelen eude ‘Den dan haer ongefchickte roeckelooſe diſcipu⸗
hoogh· geleerden / Ec. in mijn Bekente⸗
niſſe aen hem ende de Pꝛedikanten genoemt
hebbe / maer ick en hebꝰt upt geen ander men⸗
ninge / dan nae gemeyne eecbaerhept ín mijnz
der herten ſimpelijck gedaen. gek en heb
em uͤnmers níet met eenen fo hatelijcken
naer afgemaelt / gelijck hn mp gedaen heeft /
daer hp mp een Doctor oft Leeraer Anaba-
priftarum noemt. och en hebbe ick hem fo
hooge noch uiet genoemt / gelijck hy hem fel
gen noemt, Daer hp hem Polonice Baro noemt.
‚ch en heu DOI? fijnen naem niet geſo ght / dat
oannes a — H ie ps Hc
A heeft fe nn (eplacen) foo leelijcken founder a
(eylacen) ſchult toeſchzyft. Ick ben (De Deere fp danckt)
Mijne (chef. fg mijt meeten Hepligen Paula wel geleert,
ten door de
liefde nier Dat ick wel weet / ſoo ick den menfchen nach)
bediet, foechte te bejagen / dat ick Chriſtus Dienacr
Gal.1. ro, niet zijn en kan. Sal ick oock grooter cete
nden aem Chꝛiſti / als ick in den
Name eenes ſterffelljcken menſches doen kan /
oft het alſchoon oock cen Keyſer oft Koninck
‚
beckeijgen t
ware / ſoo en fal’t ten laetſten niet goet met
mijnder fale zijn. Want foa ick miju eygen
Hen ban haven Godtlofen wegen ende doen niet
bekeert 2 Soa het doch nae inhout det
Schrift níet feplen en kan/ Dat de Heere ende
dienſt Die upt Godt is / moet haer ſuede / kracht
ende naedzuck hebben / Eſa. 55. 18. Jer. 23. 28.
jaer datter cen pdel ſtroo ban haer gedo⸗⸗
fchen wort / bewijſt de berucht klaerder dan men
loochenen kan. Mijn Confcientie en gee
tunght mp níet / dan Dat ick aen haer ende
haer Gemepnte vecht ende wel gedaen hebbe /
want ick heb aen haer beſtraft / dat alle Pzo⸗
pheten / Apoſtelen / ende De getrouwe getup:
gen Godts met ſoo grooten pver Hoog mp bee
ſtraft hebben / te weten / dat vleeſcheljck on:
boetveerdigh leven / dat boor de geheele Werelt
bekent ig. Deh ick Daer aen fo qualtick gez
daen / fo magt ick met Moſe ende de Prophe⸗
ten; met Chriſto ende de Apoftelen Wel aen t
Gericht teeden / datſe nan onweerdige / ende
| oo alien Peedikkanten/ die Ben Deere vreeſen /
ſulcks fo hart opoeleyt / ende fo cenftelijelht bez
belen heben. nde daerom Wp Ellendige
gokt fag obermaten Deel ín defe cafende woeſte
eere ende niet Godts eere en ſoecke / fo en ſal Weerelt hooren ende bijde moeten. Alle
mijn eere niet zijn.
Maer ick hoope cen cere wat ick ier in Daar gedaen hebbe / Dat heb ick
te foechen/ die eeuwigh met mm blijven fal/ de haet arme zielen upt vechefamiger getrouwer
menfchen mogen Mp t
fchten fo fia witlen/ ende | liefden gedaen tot betevinge / weet Die / die mi
gelift fp aen Den dage Cheiſti boog haren Godt | gefchapen heeft.
bekennen willen. Die de bperblarmmige oo⸗
Apoe. 1. 15: gen heeft / kent alle mijn ſoecken ende doen, | En derden feyt hy :Ick heb onſe Leere met
es i9. 1. sijnen ingangh ende uptgangh / opftaen ende
—— ich 9 Ene bp hem, uwe Lafteringe moeten verloffen,welcke Lee-
fitten gaen.
authoriteyt des Godtlijcken Woordts van
| rc ) tadelen
bekent / dan made Menſchen vichten / fa, re ghy met fchreyen by den uwen we —
moght lk wel Bah: Dee nap/ dat ich gebo⸗ maer met Authoriteyt der fchrift (hoewel ghy-
ven Gen. | fe altijdt roemt) niet in en moght vechten.
En tweeden fchrijft hy : Hoe ick Gjnen| Antwoord.
naem onverdient, ende haren Kercken-!| (Precht iet Godts Gerft eude Voordt
\ dienft gefchent hebben. | te ſtraffen / magh dat laſteringe heeten / ſo
en heb ich niet alleen / maer Eſaias Icre⸗
Antwoord. mias met allen Propheten ende Chꝛiſtus
Jeſus met alde fijn Apoſtelen oock niet wen⸗
D cl Joanni à Laſco oft ſijnen Mede- migh gelaſtert. Ick hebbe haer ſake met des
helpers pet dam De waerhept ſoude nae: | Heeren Woozdt geſtraft ende hen door Godts
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Bp a genade
meten
mmm
De vrucht
bewijft ten
beften, wat
de boom is.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
356 Menno Symons
enade Daer mede overtupght / datſe de vechhte
oden Godts niet en zijn / noch haer ez
mennte de vechte Kercke. Maer fal Johan-
nes à Lafco onfe Keere) die niet onfe/ maer des
Weeren Chꝛiſti is / ende oockt onſe beftcaffinge
uut det Hepliger Schzift voorgebraght/ tot la:
ſteringe maken / ende fal hu fijn Teere ban Det
Menſchwerdinge / fijnen Kinder · doop / de Ber
roepinge fijner Przedikanten / fijn Afſonderin⸗
ge/ ende dat runn voeckteloag leben fijner Be:
merten boog fijnen Godt / Die alle Dingen
vecht richtet / vaft ende bondigh maken / fal
hemfwaer ballen. Philofophia, Becnuft ende
Glofen fullen wu (bzeeſe ick) wel plantept vin⸗
den / maet Schzifts keacht / geont ende waer:
hept wermigh. Jae goede Teſer / ick ben des |
wel ſeker / fo men Weerelts gewelt altenfing
onpacttjdelijk ſtaen wilde / gelijk dat ongetwij⸗
felt wel behoorde / ſoude men haeſt bebinden /
ben welcher zijde Scheifts Viktoria ſtaen
oude.
d Rr vierden feydt by: Wanneer wy onfe
Leere met kracht des Godtlijken Woords
bewijfen, fo fal ’t de fake openbaer maeken, dat
wy fonder alle fchult van u beklickt zijn „ende
onfer alder onfchulr prijfen.
Antwooꝛd.
WVArneer hp fijn Leere ende Sacramen⸗
ten met Authorithept des Goddeſijcken
Wooꝛdts alfo beweſen heeft / gelijck hu hiet
roemende boor geeft / ſoo wil ickſe dat vecht
felve toe wijſen / alg dat ickſe onbillickt oft met
onrecht ín Defen deel beftcaft hebbe.
bet en is niet / dan den armen Volcke altijt
met leugenen tcooften / ende met gedichte bez
loften op den krommen wegh heuden.
Ende oft hp nu al ſchoon fijn Keere ende
Sacramenten als Schriftformigh al konde
bewijfen / °t welch hn ebenwel ninmermeer
doen en kan/ hn maeckt het ooft hoe hy kan, fo
en waer de fakte Daer mede noch niet half gez
holpen / Want de Heere ende Sacramenten
ijn pdel ende onnut / Wanneer dat —
righ / dadigh Geloove / ende dat onbeſtraffelijckt
Maer ſchin hadde.
Verantwoordinge
Maer dat ho fchaijft/ dat ick ’t alſo onder
den onfen foude geftroyt hebben; &c. daet
(heeft hp al te beel aen gefcheeben/ Want’ foa
haeft als ick van haer was getrocken/foa fette
ick mpop een verbozgen plaetſe / gelijck ick
ober beel Gaten omdat getupgeniſſe Fefu enz
De mijner Confcientien hebbe moeten doen.
Ende heb mijnen grond ende Geloobe ban det
fake eenvoudigh in fchzifte vervaet / ende alfa
fonder eenigh vertoeven / nae ong beſpreck / tot
haer gefonden. Dat alleen untgenomen /
‚Dat ick ’t den welgeachteden M. H. G. goe⸗
der gedachteniſſe / dewijle hu op Dien tydt
Dꝛeoſſaert ende Bozgermeeſter Was / te hans
Den dede. Dat dit alfa de waerhept is / fal de
groote Heere mijn getupge zijn. Nademael
het dan alfa gefchiet is / als ’t verhaelt is ; hoe
kan ích 't dan alfo bp den onfen geſtropt heb⸗
hen / eer dat ich ’t tot haren handen befielde/gez
lijck hn mp hiet befchuidight ende nae fchzijft.
| Ende oft ick ’t al ſchoon gedaen hadde / gez
lijke hp ap hefchuldight / wat waren ho ende
(De fijne Daer mede berkoztt Pademracl het
níet alleen mijn / mact ook allen den onfen
grondt ende Geloove was ende is / gelijk velen
Wel bewuſt ís.
Maer fijn beenuft heeft her wel betunght /
Dat ’t den ALefer onbillijk schijnen foude / fuicz
ken faemroovigh bitteren Boeck founder oor⸗
fache ober pemanden te ſcheijven / ende dae⸗
rom moefte hp wat boorgeben/ op dat fijn
ſcheijven ober Den armen ſtommen Menno, die
pan wegen der grooter Cyrannije hem Loor de
Werelt niet verantwoorden en kan / eenen
Maer oft bao? den onpartijdi⸗
ſchen Bichter-ftoel Chziſti beftaen fat/ fal in
fijner Verklaringe Wel openbaer Werden.
De lieve Heere velen het hem tot geener ſon⸗
de / want ich weet Dat ick onſchuldigh ben.
J En feften, fchrijft hy : De uwe zijn de oor-
faeke geweeft, dat ick opentlijck mert u
handelen moet, &c. die vaft een geruchte in
‚Wett » Vriefland ende oock in een groot deel
van Hollandt gemaeckt hebben , hoe het u en-
| de den uwen vry is, uwe Leere in onfen Kercke
vꝛoom leert níet Daer en zijn waeram de Keer te Leeren, ende dar wy overwonnen zijn (fci
ve gedeeben wert / er
Godt berordineert zijn. Ende wat leven bp
ende de Sacramenten ban (dieet ) ende niet en hebben
wederleggen konden.
» daer mede wy u
hare Gemennten in t gemepn ende oalt bp ders |
meeften Deel haerder JPzediltanten felve noch
bebonden wert / mogen die richten / die haren
dagelijchfchen handel ende Wandel fien/ ende
van de Heplige Schrift verftant hebben.
9 nn vijfften feyt hy: Had ghy uwe Schriften
tot ons allen gefonden , ſo ghy belooft
hadt te doen , foo hadden wy u oock alleen
mogen antwoorden. Maer nu hebt gyfe onder
den uwen geftroyt , eerfe tot ons, gekomen
zijn, &c.
|
Antwoord.
De ick haer ſulcks belooft foude hebben / en
weet ick geenſins / en Weet ook niet / wae⸗
vom ick ſulcks beloven ſoude / Deijle ick niet |
en hadde oer te ſcheijven / Dan wat mijn enz
gentlijck Geloove ende gront ware / dat ict niet
alleen met fchaiften ín ’t verbozgen/ maer ookt
met mijnen Blaede boor de gebheele Werelt bez
geer te betupgen/wanneer mp flechts de Peere
met fijn genade ſterckt ende buſtaet.
Antwooꝛd.
N Jet een Woordeken en heb ick mijn leef⸗
> dage Daer af niet gehoort / Dan dat iclt
t alſoo bu hem gelefen hebbe. Hebben ſom⸗
mige Ban den onfen (Dat ick haer qeenfing toe
betrouwen en kan) dat alfa geroemt / gelijck
bu ſchrijft / fo i8’t openbaer / datfe in dien deel
niet de waerhepdt / maer enchtel leugen geſpzs⸗
hen hebben / welche teugen een ſchandelijckt
Dinch is / jae unt den Duyvel is / ende de ziele
doodet/ Sap. 1.12.
geeft hm ’t Dan alfoo gehoort / fo en is ’t
ebenwel ban ſulcken Man niet vecht gedacn/
Dat ho alfulks onaerdige JPartpderg ende Leu⸗
gen ſprekers fijn oor biedet/ende fulche fonder
alte waerhept tot fo grooten achtet-Deel fijns
Naeſten tot eeuwiger gedachteniſſe in ecn
Boeck aen De geheeſe Werelt ſcheuven ſal.
Maer heeft hu't wat hem ſelven gedaen /
ende niet unt ander lieden genſeggen, dat
ick op hem níet en bermoede / fa ls hu fifnen
lumtbarigen naem tot grooter oneeven / 4
ijn
Jo. 8.45-55
leugenſpreecken (ſegge ick) is een fchande:
Tegen Johannes à Laſco. 357
ſijn arme ziele tat eenen fwaten Lal: Want
wepnigh de waerheydt ſpreecken / ende my al
tijde (hoewel geenſins berdient } fulcken leu:
lijckt dingh / ende en fal geen plact fe aen Godts gen-factt op Den rugge binden willen. Jae
ſtadt vinden / Apoc.21. 22,
mijn Leſer / ſoo ick gelijck met gelijck wilde
Anderwerf ſegge ick / dat ha ſulcks upt betalen / gelijck nap De Wet Der natueren wel
hem felven foude ſcheijven / en vermoede ick
niet / maer fo Geel Deef ick wel vermoeden /
alg dat hral te begeerigh ís geweeft om Den
Leugenaer te haoren/ al te vas om te gez
looven / ende al te haeft om te fchzijen.
Pu wel aen / het zy dan hoe hetzn, Ick
weet gewis / dat’t nae de Chziſtelijcke Lil:
lickhept ende Liefde / aengaende fijns fchaij-
vens / met mp niet geljandelt en is/ hubers
riere oock De faccke hoe hn kan. Degroote
Deere fal ’t tot fijnder tijde Wel openbaer
maecken / wat een pegelijcht foecktt ende voor⸗
geeft / jae Gandt-haver / leert / doet ende
booꝛſtaet.
En ſevenſten, leyt hy my op-ende ſeydt:
Hoeick twee Latijnfche Syllogiſmos, die
hy my eertijdts mede gegeven heeft , {oude be-
{pot hebben , dat ick de geleertheydt ende
kont der tongen verachte, haer voor Philo-
fophis gefcholden , ende my voor een een-
voudigh T'heologo gehouden hebbe, daer me-
de ick den ongeleerden ende fimpelen beftrijc-
ke ende vange , my een aenfien maecke, even-
wel mijn flechtheydt geen flechtheydt, maer
veel meer onwetenheytis,8c. Jae hy heeft
my met fo een verweafgemaelt, dat veel licht
mijn gedachteniffe (hoe wel eylacen weynigh
tot mijnder eren) by den menfchen wel blij-
ven fal, foo lange de Werelt duert.
Antwoordt.
TD hy ap defe bittere fchelt-waarden nae:
geſchreven heeft / Dat ig daer af gekomen
gin dat ict tot hem ende fijne mede hulpers
aldus geſchreven hadde / te weeten / fpzeechen
wp Gier tegen / niet met gemaekte ſuhthle
Syllogiſmis, noch uiet eenige menſchelijcke
ſcherpe cavillatien, Want on en hebbenſe
niet / maer won wederſpreecken't alleen met
dat opentlijcke klace getupgende waardt / dat
met geen gloſen verdraent / nach met eenigh
menſchens vernuft gebroken fal worden.
Dit zijn mijn woorden/ Anno 1543. in mijn
belijdinge aen hem ende fijne Predikanten gez
ſchreven: Oordeelt ahp nu / ſo gu ban vro⸗
mer aett zijt / oft ick ooft fulckken leeltjcken bit:
teven freeechs hier mede verdient hebbe. Doch
boosfie ick van / Dat ick niet met deſe aengeto⸗
gen woorden / maer met De arme gehaette
kwaerhendt deſen krans verdient hebbe. Mijn
Hefer / verſtaet nap recht / De geleertheyt ende
gaven der tongen en heb ick mijn leefdage níet
beracht / maet ick hebfe van Der Jeught aen
ge⸗eert ende bemint / hoewel fchfe (enlacen)
níet verkregen en heb / ick en ben (Godt fi Tof)
ban mijn finnen noch) fo niet berooft Dat ick de
wetenfchap dee tongen / door welche Dat diere
woapdt der Sodtihcher genaden op ong qe:
komen ig / alfoo verachten oft beſpotten ſoude.
Heeten faude/ ick wilde hiet wel haeft fammí-
ge gedichte naefegginge bp mallkanderen biert:
gen / die men eensdeels ban mp gefept/ ende
eengdeelg van mp gefchreben heeft / Dat hy /
noch geen Menſche mp ín der eeuwighept met
Der waerbhept overtupgen en fullen. Oft dat
magh recht ende wel gedaen heeten / mogen
aile onpartijdiſche vedelijcke herten ín deugh⸗
delijcker billickhent ín der liefden afmeten.
Felt wilde hem / ende alle onfe Wederpar⸗
tijen wel om Godts wille unt heeten gront gez
beden hebben / datſe doch niet anders tegen nt
en willen handelen / alg ick tegen haet doe / fa
fp flechtg nae mijnen bloede niet begeerigh en
zijn/ dat ick immers aen haerder ſommige niet
en verhope. Alle wat mp aen haer gebzeecktt /
daet in vermaen ickſe ende ſtrafſe / gelijck de
liefde epſcht / hoewel men mp dat gqualick
danckt: Maer dat ickt oger haer liegen ſou⸗
de / daer wil mp De groote Heere vooz bewaren.
Want icft Weet Wel / upt wat oncepne Fon⸗
tepne datde leugen vloeyt ende Wat epnde
Datfe nemen fal. Weet ooft wel / Datfe Dac
Zaet niet en is / Waer upt men Godts kinde:
ren baren / ende Chriſto een Gemepnte verga⸗
deren ſal. Deſſelven gelycken wilde ick dat
fr ook deden / ende niet anders (fo ick in eeni⸗
gen Dingen menſchelijcker Wijfe faelgeerde)
dan met dee waerheyt mt bermaenden endé
ſtraften: Haer recht ( foo fis in eeniger maz
nieren recht hebben moghten / datſe (eplacen)
niet en hebben) met der Schzift voorſtonden /
ende lieten der Slangen Zaet fijn leugen / ende
Caims Zaet ge welt gebruycken.
jaer fa verre als mijn onwetenhent bez cen, 3. 5.
treft / Die hy np hier mee groote bitterhent Gen. 4 5-
voorwerpt / en ſchame ick mp niet Loo? alle
man te belkenmen fo ick niet alleen onwetende /
maer oolt geheel ongeleert ben / Der Tongen
wennigh oft niet ervaren. Jae mijn Leſer ict
fegge met Socrace vz upt / ſo vezre menſchen socrates
fkanft ende wijsheydt aengaet / Dat ick niet ſpreucke
meer dan dat ceue en Weet; dat is Dat / Dat (cht WS: ren
— Maer fo wijt Der Hemelſcher „ie.
wijshept aengaet / ben ick Door deg Weeren gez
made fa bewe ban Godt geleert / dat íclt van
herten befkenne (dat mijn Verloſſer ende Denz
lant Cheiſtus Kefus Gods eengchaaren ende
cerftgeboven engen Sone is. Dieaen fem ges
looft / dat Die Dat ceu\wige leben heeft. Die am
hem uiet en gelooft/ verdoemt is Gaan. 3,18.
Dat een leugenſpzeecker upt den Dunbelis /
Jo.d.45. Die ſijnen Naeſten haet / een Doot⸗
flager is / 1Jo.z.15. Die geen Boete en doet /
dat Die ín fijne ſonden moet ſterven Tuc. 13.4/5
Dat het foon der fonden de doodt is / Rom. 8.6.
| %c. Ende hebbe unt defe ſeer ongeachte wijs⸗
heyt (den Heere zp eeuwig dancli) fa Beel vree⸗
feng Mm mijner acmer ziele verkregen / dat mijn
aertſch bleefchelijkt geimoet / in eenen beteren fin
belteert is / ende mn fa hertelijcken leet is / Dat
Ick wildefe nan ende alie vrome ban herten ick niet upt alle mijn krachten in Chriſto Je⸗
Gel getwenfeht hebben/ fa wyſe flechts in rech⸗ fu nae Gods wille wandelen/ ende een oprecht
ter oatmoedighendt tot den prijs onſes Godts onbeftvaffeltjck Chaiften zijn kan,
ende dienſt onfes Naeſten / ín verndet Godtg-
vzeeſen wel gebruncken konden.
Is t niet een leelijche ſchande / datſe foo
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Dat ick
niet de geheele Werelt upt haer beeftocht
Godtloos wefen in cen nieuw boetveerdigh
Chꝛiſtelijck lesen met des Heeren geeft; kracht
By 3 ende
\
MennoSymons Bekenteniſſe
ende Woordt baren kan Ec. Want dat í$ | re ende eenen menſche van Adams onreyn
mijn eenige vzeught endé herten⸗ luſt Dat Wp | ende fondelijcken vleefche wijfen.
Chziftum Jeſum nae inhoudt fijns Hepligen | Dat haer leeren ende voozgeven ín defen
Wooꝛdts vecht Prediken / fijnen hepligen deel ín geenen wege / noch met Godts Oder
2 Cor. 6.16.
Paem graat maeckken / ſoecken / vreefen / bez
minnen / ende dienen mogen: Jae dat Wp de
Stadt deg levendigen Godts / dat heerlijche
Wijck ſijner Geren / ende den Tempel fijns
heplfgen Geefts zijn mogen) Ec.
Ende deſe felvige Wijshent / Die dusdanige
krachten ende beuchten werclit / achte ick De
ninge / Genef. 1.28. noch met der natueren/
noch met der Schift / noch met de epgen⸗
ſchappen Der Naemen / Dader, Moeder ende
‘Sone beftaen mogen / ende Dat daer fo ober
feex vele Inconvenientie daer door noodtwen⸗
digh ín Chriſto moeten befloten werden / alg
aengeerfde zonde) verdoemeniſſe / vloeck ende
alderweerdighfte te zijn Die men noemen kan / doot, Ec.
oftfe oock alfchaan ban eenen ongeleerden| Een halve menfche/ fade Vrouwe nae haet merckt , wat
ardzijver oft Kolen· drager geleert / ende Wez | epgen bekentenifte / ſchoon fa bele tat Der wonderlijke
det aen Den dagh gebraght werde: jae fs is De | vecht beftelde/ alg de Jan doet. —
eenige genoeghte ende vꝛeughden olne mijns Twee Perfoonen/ een Godtlijck ende een gront van:
bekommerden herten / De eenige verfachtinge | menfchelijck , díe fe twee natueren oft tiuee des Heeren
menfchwer-
Wat oock
Matth. de
tollenaes
“et. ende pn le
Joan. vi. Mijns ſwaren verdriets / ende fal oock aen het | Beelen noemen. mert
8e. voorge- eyñde Door Godts genade De heerlijchie bercie-| Amee Sonen/de eene Godts Sone fonder Cran be-
leerde zijn ringe ende Aroone mijner Beren zijn. Wan | Moeder en die onlijdelijck/en de ander Marien Nuy.
geweeft,leert
ons de fchrif Defe Edele ende hoogh· geleerde wijsheydt ende
wel.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Philofophia, leeft Salomon ín fijn bp-fpzeucz
ken/ oock Syrach / ende Dat Boeck der wijs⸗
hent / ende qu fidt binden, welche hare eygent⸗
lijcke deught / werck ende kracht is.
Siet/ mijn Lefer / om deſer Philoſophien
ſoetighendt / eerbaerheydt / deught / vrucht /
liefde ende fchaanbept / die ick van geen hoogh·
beroemde Doctoren noch in geen hooge Scho⸗
len geleert hebbe / ende om mijn arme ellendi⸗
ge ziele met haer levendige kracht te verluſti⸗
gen / hels ich lieber untverhoren aller Werelt
Geleerden onwetende ende ongelcerden Dot
te zijn/ ap dat ick Loor mijnen Godt wijs be⸗
bonden werde / dan der Werelt Wijfen De al:
derberoemſte cen te zijn / ende ten laetſten
boor den wijfen Godt een Sot te zijn. Ende
Dit is alfoa op fijn bitter fchelden mijn ont-
fchuldinge ende kort antwoord.
mach fen fclt ten anderen mael/ dat woordt
fubtijle Syllogifmos ende fcherpe cabillatien /
hebbe ick fonder alle verachtinge der kanft ín
mijner herten ſimpelhent daer geſet / ende nie⸗
manden Daer mede veracht oft verliort / ick
prijs de honft wanneerſe in Bodt / ende recht
gebzupcht weer. Maer boven alle prijfe ick
de eenvoudige deughdelijcke konft ende wijs:
heyt die van bobben is / Want die en fal nim?
mermeer vergaen / maer ín heerlijcker cere |
met allen Dromen blijven ín ’t cenwige le-
ben.
Piece mede hebt gy nu dat eerfte Deel deſes
Boecks ende wilde wel deſe dingen niet eens
geroert hebben/ fa fa niet ter berbitteringe ban
ſommige / tot belettinge deg woozds / ende tot
befwaringe dee Godtuzeefenden gefchiedt en
waere, Maer nu deinget de noot/ Dat ick
ſulcks doen moet, De lieve heere gonne ons
allen fijn genade. Amen,
DAT TWEEDE DEEL,
Namelijck ;
ONSE CONFESSION.
| Drever Geleerden grond / Leere ende
Sonefonder Vader, ende Die ljdelicſi.
Item / foo Godt een Vader des menſchen
Chrifti falgeneemt Werden / dat ha als dan
een maeckende ende níet een barende Dader
fijns Soons / ende Chꝛiſtus niet een geboren)
maer een gemaeckt Soon fijns Vaders zijn
moet.
Ndams/ ende fijng zaets oprichtinge/ niet
door het Woordt / daer ’t alle in beftaen moet/
maer doop fijn epgen bleefclhh/ Dat der verdoe⸗
meniſſe ende doodt ſchuldigh was / met welche
em dat TDoozdt bekleedt / ende Dactinne (fa
| ange het hier op Verden was) gewoont hade
de / ende ſulclie onverdzaeghlijcke fware in⸗
conventien meet,
Daerom heb ick ’t Loor goet ende noodigh
aengeften/ eer ick tot Det Confutation ende op⸗
loffinge Dev wederſpreucken boortvare / ong
Geloobe ende bekenteniffe van Chziffo den
Sone Godts upt henlfamer ongevalfchfter
Dcheift den Hefer boor te flellen / op dat hn
met fulclig bebinde ende Latte / hoe de Heere
Jeſus Chꝛiſtus niet een onreyn gedept Chri⸗
ſtus ban twee perſonen ende Sonen / maer een
angedeplt reyn Cheiftus/ een eenigh per ſoon:
Jae Godts Eerſtgeboren ende eengeboren en⸗
gen Sone is. Wie herſtandigh van herten 18
ende Godt vzeeſt / Die leſe ende richte.
melijck / Waſt ende vermeerdert u/ ende bee
kenne unt Die felbe Ordeninge / hoe der Men⸗
ſchen voortbzꝛenginge Doo? bermenginge eens
Mang met eender Drouwen / die noch tot der
Baringe behoozlijck is / unt Mans zade gez
ſchiedt / ende de baucht ooefpronekelijcken niet
Pꝛouwe komt / hae bolgende beeeder gehoort
fal werden.
Wiee neme ick ten eerſten tot een Bewees
ringe / dat berzucht wozden Sare/ doe de Pee:
te ſpꝛack tat Abraham : Aarau Wijf wil ick
fegenen/ ende fin fal u eenen Sone baten / dieu
fuit ghu Iſaac heeten / Gen. 17. 19.
VOm deſe felfoe Woazden / ende oock Godts
Seloove ban deg Heeren menfch-wer- Ordeninge Ben. 1. recht te verſtaen / moet de
werdinge niet en bewilligen / maer met det
Schrift ende waerhendt tegen · ſtrijden / is dit
De oorſalie / om dat wp met oogen fien / ende
met handen taften / datfe ong aantfcl ende
geheel ban Cheiſto Godts Sone berooven /
mde ong op eem aert{che fondelijcke Creatue-
Leſer wel aenmerclien / dat Sara (gelijck fp
felge fepde Genef. 17.2.) ban befloten lijve
was / oudt was / ende dat het haer niet meer
en gingh nae der Douwen aert/ Gen. 17.11.
Evenwel wect ſy doo? het Geloobe ſirachtigh /
dat zaet (bevftaet haers Mans) te —
Cen eerſten fette ick Baer Godts ordeninge / Gen. 28.9.2
op welclte my Joannes à Laſco ſelbe wijſt / nae: Ict · · *
van der Vzouwe / maer ban den Man doop De r cor. 21.1:
Van de Menfchwerdinge,
359
gen / ende dat te behouden / ende heeftboben fpronk neemt / gelijck verhaelt is ende wu
Leeft Eraf- Don tijt haers Guderdoms (Abraham een fo- dooz De geheele Schrift ſoo grandelijch ander:
mus tranfla-
tie. ne) gebaert.
Heb. r1.
Gen. 21. zt.
Heb. I1. ir.
rigt werden / alg dat God de Dader een waer⸗
Deſe ſegeninge Dara en kan ick na mijn agtigh Dader fijns Soons Jeſu Chꝛiſti is/
egt verſtant anders niet verſtaen / dan Dat daerom ſeggen Wp / Dat Wp geloten
toegefloten lijf van Sara / ende die t mides kennen / dat Gods eeuwige Waart
1 ende bez
(dat ook
Ouderdoms halven niet meer en giuckt na der fijn zaet in der Schrift genoemt Wordt) VAN rue. s. ro.
| Dꝛouwen aert / ende oock Daeram om te ont: ' boven afgekomen / Door De emfchijninge der Luc. 1. 27.
| fangen niet bequaem en was / dat dat ſelvige vern 2 kracht / in Mariam neder gedaelt/
(fegge ick) door Godg kracht nader Beloften ende
oven aller menſchen vernuft ende bes
Abꝛahe gefchiet / met het geloove ban Abza⸗ | gep / na des Wimachtigen ende Hemelſchen
ham ende Sara geopent is / ende om Dat zaet Daders onveranderlijk opfet/ ende genadige
haers. Mans te ontfangen / dat te behouden) (belofte / Dao? be werckinge des
epligen
Gen. 17.18. Daer upt bebzucht te worden / de ontfangen Geeſtz ‚ een waerachtigh taſtelijk / Indelijk /
Rom. 4 15. pzucht te geneeren/ ende op fijnen bijt Le baren ende fievffelijk / doch onbergankelijctt Men⸗ — —
Heb. rx. Ir.
Saræ ſwan⸗
beguaem 18. Siet fo ig Ffaak unt fijns vaders | fche na de Geldere klare getupgeniffen/ Hoane „rs 5.
gerfchap zaet Dan Dara ontfangen / en Abraham is na nig bepde in fijnen Cuangelia ende Cpiftelen/ zeb. 2. 14.
waerhenen Gods Medeninge Genef. Cap. 1. een ſoon UPE, wouberlijker Wijte in haer geworden is. Gen Phil. «7.
gekomen _paergeboren/ Gene. Cap. 21. vers 2. Gen.
Capittel 1, vers 28.
Pier ba fettet nu de ſpreulen Phitonis/ oft
fa gp liever wilt / Des wijfen Salomonig / die
menfche (fegge il) ons menfchen aldee Dingen ,
clijfk/ untgenomen de ſonde. Niet mijn lez
et { dat hy van Adams onreyne zaet en vleeſch pier leert
gekomen is, ende door Gods kracht van fon-
aldus lupdet: Ack ben oock een ſterffeljck de bewaart, gelijk De geleerde feggen fonder
Bar
«3e 3de
Pet. 1. 17e
keanen
waerom de
níche
menſch gelijk alg Die andere gehoren Van DE | Gods woort, Dat de fonde nope gekent en Chritti geen
Geflaghjte des eevften geſchapen menſche / en⸗ heeft/ is het zaet/ ende fijns vleeſchs oorſpronk
gelijck Joannes fept: Het Woort i
geworden / Joan. cap. 1. Pier bp on
be ben gebeeidet een bleefch thien maenden
Yauck int bloet famen geronnen van Janus
8 vleeſch *
derſoelit
ade (merkt wel / Gp fent van Mans Zade) | nu ook de ſpreucken der Schrift Die daer bee
ende Dat doop luft / die in Get byſlapen gefchiet/
apt. 7. 3.
Itein / De Weere ſprack tat Jacobs: Polken
en hoopenBolkig fullen van U Komen/ (merkt)
tupgen / dat Jeſus Chriſtus Gods eerſtge⸗
boren ende eengeboren epgen Sone is / ende gu
fut merken / hoe jammerlijck datfe Dwalen /
Die Daer dorven feggen / de Menſche Chriftus
De Coningen fullen upt uwe lendenen ko: | eu heeft geenen Dader / hoe gedacht is.
pe „el. I Item / Lan Maria des Weeren Moeder
efter / A evi was noch ín De lendenen fijns geloben en bekennen top / als Dat de Almach⸗
men / noch eenmael merckt / Gen. 35. II.
* Daders alg Melchiſedegh Abzahe tegen gink.
sorfgronk le Ende fuiche heldze Spreuken meer / alg
van den man Nom. 9. &C.
Heb. 7. 10.
pheren / ende de Curieu
Pier late ick nu De err Philofo- | de gefloten ende verftorben lichaem Lan Sa:
en ín Der nature ffvíj:| va) genadigtijk Daer toe bevept heeft/ dat het
tige eeuwige Godt ende Dader / haer Maeg⸗
delijk Lichaem met De flecte kracht fijng eeil⸗ maria ons-
wigen ende Pepligen Geefts (alg oock Dat ou⸗ fing Godts
woort doer’c
gelove :
Maer Sara
fondelijkx
aert geweeft
Foms.10. den) foo lange alg’t hen belieft / hoe vele/ of | bequaem geworden is / om fijn onbevindelijc⸗ Abrahams
wat cen waeragtige moeder ban haven lijve | ſie ceutwige Woorzt na deg Engels toefeggen
tot hare orugt beſchilt Gods Ordeninge / dat | door het Gelobe te ontfangen / gelijck Dara
zaet door
vermengin-
e.
Exempel van Abrahain ende Dara / ende DAL dooz vermenginge dat zaet Lan Abzaham Maria was
overvloedige getupgeniſſe der Dchaift/ zijn mp
Des Vaders in defen Deel genoegh Ka cen onweederipee
Vruchts zint fá 5 í den Wader,
ens … achtig kint fijnen oorſprouſi ban Den Pader/
oorpronk ende niet van der Moͤrder neemt / ende heb
ben moet.
Wen anderen/ fette ick Daer de Woorden des | achtig Menſche
Hepligen Engels Gabriel/ doe bp Marie
bootfehapte / datſe bebrugt worde / ende ee⸗
nen Sone baren faude : Ende fp vzaegde / hoe
dat tocgaen faude / nademael ſy Lan geenen
Flan en wifte. De Engel antwoorde haet /
ende fpzackt : De Heplige Geeft fal ober u koz
men / ende de Kracht des Alderhoogſten fal u
omfehijnen: Daerom mi ook/ dat Deplige
uc.r.27. Dat geboren werdt / fal Godts Sone genoemt
Nie werden: Sietdaer hebt gp een getupgeniffe
eens waerachtigen Boden / dat Godt de Daz
Der een waeraghtig Dader ons Heeren Chꝛi⸗
fli t8. In mepne immers Gods ergen Engel
heeftſe hier der leugenen wel geſtraft / Die daer
feggen / dat de gelfeuifte Chriſtus Jeſus gee-
Í nen Dader foude gehadt hebben.
| Aengeſien wy dan vpt Gods eygen Oder
ninge ende upt fo overblaedige bele fpzeucken
der ſchrift ſoo opentlijck bevinden / dat een
Gods Ozdeninge vooznamelijck fijnen ooz-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Nuaetuerliſſie vꝛugt ende
tot gewiſſe getupgeniſſe / dat ha een waer⸗
ende geen Phantafma en
was / geueert ende geboet is. Ende is alfoo
tot zijnder tijt een ongedeplt ende waeragtigh „ aeragtig
Sane Gods ende Marie) alg een natuerlijk ende onge-
kint van fijnen Dader ende Hoeder (alleen de deyle Soon
dede / ende dat dat felvige J $ f
den Woozdt / oolt menfchetijker Wijfe/ lS Ain: ende
zactisdes Welifhie bewijs om te beweeren / dat cen acre | Gfaak van Dara in haet Maeodelijke lichacm Christus een
daog watuerlijke Spijfe ende dzanck / alg een wacragrich
kint haers lichacmg/ Soon Mair,
vleeſcheljlie vermenginge uetgenomen) in Det
Werelt geboren / alsde Schrift getupgt.
⸗
Ende fiet / ín alſullen ver ſtant geloben en⸗
de bekennen wy / dat hp Der Drouwen/ Abra⸗
hams ende Davids Zaet is / die haer upt een
bpfonder Gonfte ende Genade / der gautſcher
mDerelt tot Hepl ende verloffinge / Lan Godt
den Dader / nahet onloochelijke Woort fijn:
ghften pant/ eude
Godtlijcher liefden
ín het gelobe tot epgen geſchonken is: De ge-
melde ban Gad berozdimeerde Douwe) als De
der beloften / alg den hoo
het ſekerſte bewijs fijnder
Heylandt afder Werelt / in aengetogener Wijz
fe (ſegge iel) na deg Engels woort in Pasa:
reth ontfangen / ende na des Propheten
waerachtig kint uit den Zade fijns Daders na Woodt in Bethlehem gebaert heeft.
Getrouwe Hefer neemt waer: Mattheus
ende
Menfche gewag een waerag-
ge moeder
De geheele
Chriftus een
eyde fijns
Vaders ende
Moeders.
Luc. 1. 31.
Mich. 5. 1.
TES
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
360 Menno Symons Bekentenif!e.
ende Lucas wijfen welaen/ alg dat Maria de genade gepzefen werde eeuwiglijſt. Want
dooz den Wepligen Geeft van God bebvzucht ſoo de oprichtinge door eenigen anderen midz
is / maer den Curieuſen en wijfen fp niet | del gefthiet / waer dan door het woordt / foo
genoeg aen ) wat wiens Zade de bebzuchtinge mochtmen des ook biliijckt danclien ende toer
voornamelijk foude hergekomen zijn. Mid⸗ men. Siet / op defe onfe Bekenteniffe/ gront
Deldec-tijt hebben hen ſommige Sectiſche in ende Geloove ſtemt de geheele Schrift / foo gp
t / hus en⸗ | Dao? Godts genade na berhaelde Spzeulien ín
Ebión, De Ebion, díe nade aenwijfinge dec Hiftorien alle klaechert hooren ende fien fuit.
Aldus ſpꝛeekit Joannes: Fn den beginne
Ô Was dat woort / Dat woort was bp Bodt / en:
Soo heeft Joannes ten laetſten door bede |De Godt wag dat Woort / c. Dat woot is
det Biffchoppen in Afien ban Chriſto den Sane | vleeſch geworden ( ende heeft onder ons ge⸗
Gods eenen Klaren gront befchzeven/ ende dat | Woont / ende wy hebben gefien fijn Heerlijke:
Derinthus: Der Gemepnten verheben / alg Cerinthus enz
fware vervoeringen van den Derfaon Cheiſti
inboerden.
niet alleen ban ſijner eeuwiger Godtheydt, hent / als de Heerlijſihent van eenen Eengebo⸗
gelijk De Geleerde feggen / maer ookt van fijn- | ten ban de Dader / vol genade ende waerhept.
der Pepliger Meuſchent / gelijck men allen-
fing unt alle fijn fchaifcen opentlijk ſpeuren en-
tuygt meer
Deſe getupgeniffe Joannis geloven ton
vecht te zijn / latent daerom ongebzoken ſtaen
foannes be: De fien magt. Ende heeft met opgedechte op dat de getjeele Chriſtus Godts Sone blijve:
als klaei, uit klare woogden in onwederfipzeechelijker klaer⸗· Mant wp fien met openen oogen / dat het (fo
wienszade bept aengewefen / wie / ende wat hp ban eeu | wijt defen Wetijkel belangt) de geheele ſchrift
Mariabe- wighent geweeft is / Wie / ende wat hu in der gelijckt / ende in aller maten ín een flupt. $
Wy gelooven waerachtigh / ende en twijf⸗
eri OE tijt geworden is / upt welken Zade/ ende ban
wien de bebzuchtinge Marie (pan Welke Mat: | felen níet / of de H. Geeft/ Die de fijne ín alle
theug ende Lucas melden) afgekomen is / na⸗ waerhent foet in te lepden / en heeft’t niet e
Joa.r.r4. Welijk/ niet upt Dat onreyne Zaet van Adam, auderg gemennt/ dan hy doa? defen getrout
zloa.r 2. maer upt Dat reune Zaet zijns Daderg/ Gods wen en eenvoudigen Viſſcher Goannem hier
Bar.3. 38. \maogdt / endefcnt: Dat Woozdt ís vleefchh geſprooken Geeft: Want haddet de lieve Bar
1. Pet. 17 18.
geworden. Maer hu en heeft nict gtfept/ dat
de Des Hepligen bzedeg alſoo niet gemepnt /
woort heeft eenen menſche van onfen oft van als hnꝰt bier gefchzeben heeft; foo hadde de
Marien vleefch aengenomen, ende fijn geboor- | Gemennten / die met der ſaecken op díe tijde
te oft wooninge daer in gefet, alg onfe Wer hert beroept warten / met fijn ſchriven niet
derpartpen doen. Wijſt ook Daer beneffens geſtilt / maer noch beel meer alg te vooren
aen / van waer Wp gekomen is / wat hr ong aen malkanderen gehangen / ende ong arme
geleert / ende Wat voorbeelt Pp ons gelaten nakomelingen op eenen ſeer dupſteren ende
beeft / Wat wp Daos hens ontfangen hebben / ongewiſſen gront gewefen. Och neen. Dijn
ende waer Lp weder henen gevaren is / &c. | getupgenifte is recht ende flecht / het fal ook
Wie nu Joannis getupgeniffe van CThriſto vecht blijven ín eeuwighent/ het woozdt ig
Den Some Gods vecht gelooft / die heeft bat vleeſch geworden.
Deſe onfe bekenteniſſe bekrachtigt ookt de
Maecr wie't níet en gelooft / maer berſtootet Heere ſelve / ende fpzeckt: Ack ben dat lez
2 Joa 7. 3.9. ents niet upt God / en heeft noch Vader nach Lende Bzoot van den Wemel afgektommen/
joar gone / maer is een Antichriſt en vervoerder, |oft gekomen / Wie van deſen Bzaode eten fal /
en dat is onfe eenvoudige en flechte befkenteni- Die faleeuwig leben / ende Dat broot dat ick
fen van Chriſto Gods Sone / gelijk gehoozt ig. | geven fal/ is mijn Dleefch/ dat ick fal geben
Ende dat ickt nu onfe Leere / geloove ende | Loor deg Werelts leven / Goan.6. veeff.32. 33.
Getrouwe Wefer / merckt op uws Peeren
De Heefer weten / Dat de Dchaift allenfing | Waort : Chziftug fent/ dat fijn vleeſch van den
aenwijft/ hoedat Bod de machtige Da: Memel/ ende de Geleerden ſeggen / dat het van
bet alle dingen door zijn Woost gefchapen | Adams vleefch gekomen is. Hier flaen fn nu
| vecht plat tegen malkanderen. Waer fat nu
de Godtvreſende Confcientie henent Houte
Eph.3.9. im ophout ende beftaen doet / Collof, cap. 1. haer aen Chriſtus getungeniſſe ende woordt /
ſoo moetſe Der Geleerden bervoerder ende
Yoe. ze. teuœwige leben door fien aem, Goan. zo.
Bekenteniffe een weynig bzeder verklare / fal
Got.r.ró, heeft Gen. r. 1. Pfal. 33. bees 6. Alle din-
foar. 3. gen daer door regeert / ende alle Dingen daer
bets 16. Heb. Capittel r. berger.
Gelijcht dan openbaer is / dat Adam doo?
dat felfde Wooet geſchapen / om fijn ongehooz⸗
nen geheelen Zade / unt hem ſelven/ eude
Doo? hem ſelben en koſte ha niet weder opge⸗
holpen werden / Dewijle hu foo met fijven gez
beelen zade in Der naturen verdozven / ende
Dao? Gods rechtoeerdighendt verdoemt was /
ſoo drongh Gods eeuwige liefde daer henen /
Gods Liefde fag anders Adam niet eeuwigh met den fijnen
verdathet Berlooven en faude blijven / dat ho den felfen
Woord: Adam ende fijnen Nalkomelingen door dat
Venice _ felofge fiju Woort / daer door hu hem geſcha⸗
“___penbadde/ aokt weder unt zijnen doatlijciten
bal / verdoemeniſſe / ende vloekt verloſſen moe⸗
ſte / op dat han de eere alleen behiel / ende
Dag? fijn woort ende Sane Chriftum Jeſum
in fijner onuntſprekeljker grooter Wiefden ens
lLieetter zijn.
Maer houtfe haet aen der Gez
leerden get upgeniſſe en Woost / ſoo maeckitfe
faembept door Godts cechtucerdighent in de Cheiſtum tot cen leugenaer, Nadien up dan
verdoemeniſſe ende doot vervallen / met fij < ſo openbaer belzennen/ hoe dat Chriſtus en de
Geleerden foo plat tegen malkanderen ſtaen /
ende wel weten / dat Chriſtus de onbedziegez
lijcke waerhent is / ende alle menſchen leuge⸗ „ct «rs.
naers zijn / en konnen Wp ong pumers miet
ban de waerhept tot der leugen/ maer moeten Rom- 3-4
Ons ban der leugen tot de waerhept Kkeeven/ De
menfchen víchten ong ook Daer obser Boe ſy wil:
len/ Gods woort blijft eeuwiglijk/ Eſal. 40.
hers 8, r
et. 1. 24.
Deel ligt fullen onfe wederpartijen hier een⸗ Natt. 5. 18.
en uitblucht foelken/en feggen:Chriftus fpreekt
na den weerdigften deel , want fijn Godheyt is
van den Hemel , en die heeft Adams Vleefch
aengenomen,&c. Antlooorde ik : Sn lefen
ende gelooven ſlechs Chriſtus epgen woogdt
ende
Joan. s:
oan. 14. 264
— — — — —
Van de Menfchwerdinge. 361
ende getungeniſſe / fo fallen fp bevinden / hoe ſy Bp deſe klare ſpreuckte Pauli fet oock: Dat
het nac haer epgen goetduncken ende Wille) | Wooꝛt ende dat getupgenijte Chriſti dat hp
ende niet nae den fin ende wacthepdt Chai | van fijn afkomft felve getupght / ende fepc :
Hier merekt ſti bedieden : Want faa fendt Gu/ Gek ben Niemant cn klime op ten Hemel / dan die
Chriftus ey- Bat levendige Baat van den Wemel af gelsoz | af ge klommen ff van den Hemel/De Sone Des
Eee 5 men / merclit wel ; bu fept bau den Wemel af menſchen / Die daer is in den Hemel / Joan. 3.
Chrftus __ gekkomen/ ende dat Broot dat ick geven fal/ vers 13. —*
vleefch baert {8 mijn vleefch / merckt noch eens/ Wpfent| VDeſe gengeweſen woorden Pauli overdenkt
tot den le-· , 4 et 9 2 Di klimmen
nde A- miet / het ië mijn Godthept/maer miju vleeftt) | neerftelijcik / want heeft he Dit af
dans wieefeh dat ick fal geben hoar des Werelts leven, ende opklimmen alleen ban fijnder Godthept
totdendoot. Icl mepn / EChriftus heeft hier immers geſproken / ende niet ban fijnder Menſch⸗
fijn engen Woorden ſelbe genoeghſaem unt⸗ henut / hoe wilt hem dan met het verhaelde ge⸗
ende verkdaert / en behoeben daerom | tupgeniffe Chriſti vijmen / dat hp fept : Jie:
Der Geleerden tptteggingen ende glofen niet/ | mant en Klimt op ten Pemel / dan die Dact A
Ken vege- ant bepde Chriſtus ende Joannes niet gron: geklommen is van den Hemel / des Menſchen
lijk wacht Delijcher ende platter ban de afliomſte fijns | Sone / die daer ig im Den Hemel / Jocui. 3. 13.
hem» dat®Y_enfigen vieeſchs fpzeectien magen; als fp iu! Ephef. 4. 5.
mont geen Defe verhaelde twee ſpzeucken gedaen hebben, _ Mijn Wefer dencket nae / Chꝛiſtus noemt
leugen fraf- Daeram fie een pegelijck wel voor / hoe hy hem hier des menſchen Sone / ende fept : Dat
fe. glofeert : Want wie defe klare grondige ge⸗ Die ban Den Pemel afgektomen ís. Marien
tupgeniffen vervalſcht / die en vervalſcht niet | Sone, die De Geleerden feggen/ dat van haren
eens menſchen / maer ſijns Heeren Woordt. | vleefche is, en waer immers níet van den He⸗
@acit en verſtoot hu niet ons / maer den Done | mel afgeldemmen/ maer moeft ban Adams
Godts) met fijnen h. Geeft / ende den hoogen | vleefch gekomen ziin, Wanneer der Geleer⸗
Apoſtel Joannem / die fp ong met fa opgedeck⸗ den geont vecht zijn fonde. Och neen. Maer
te heldere woorden betupgen / ende in fa groo⸗ | Dat WOaogdt is van den Hemel geklommen / is
ter ſilaerheyt naegelaten ende geleert hebben. | in defe onderfte Deelen der Verden vleeſch oft
Breeder beveſtight oock Chriſtus defe onſe menfche gewozden/ ende is daer nae weder bo⸗ * gr
bekénteniffe /endefent : Dader verklaert mn | pen alie Hemelen opgeklommen / Daer hy te 9-55
metter klaechept / Die ick bp u hadde / ecv DAE | poorten was. |
de Werelt — wert / Hoa. 17.6. Aengeſien dan Chriſtus Jeſus deſe gemelde
Ich mepne / Dit zp immers ooci wel cen \fpzeuche niet alleen ban ſjnder Godthepdt /
pril. «7. Wace getupgeniffe / hoe Cheiſtus hem felben maer ook van fijuder menſchhent ſpreeckt Dez
veeklepnt / ende om onſent wille fijn Godlijck wijle Gp ſept / deg menfchen Sone, ſoo íg ’t im⸗
behoor / recht ende Heerljckhepdt ecnen tijdt merg daer mede openbãer / Dat de Menſche
Gor. 1,29, iangh te bupten gegaen is Want hoewel hu de | Chꝛriſtus ooefpronchelijck niet ban Der Aer⸗
Rom. 8.4. gevechtighept ende De eeuwige gebenedpinge den / maet bau Den Hemel is: Want nae fijner
Gal. 3-13. Wwas / en wepgerde hy hem niet cen Sond-offet | eeuwiger Godtheyt, als die fo onverfeert geble-
2Cors19 ende vloeck boor ans te Warden. ven ware, alg de Geleerde feggen / en kan ha
Jae goede Leſer / Lo hy alto in fijn eerfte ge· niet beg mentchen Sone heeten. Wederom crt
ftaite onlijdelijck ende onverfeert gebleven | konde In oock: nae fijnder menſchhept / fo Die
ware, gelijk Joannes à Laſco ende De fijne vooz⸗ | van Marien vleeſch / ende niet ban Ben Hemel
wenden ende hadde fo ſlechts een vremde huc-| en ware / op Die tijt / doe hy Defe woorden fpraclt/
te van Marien vleeſch om hem gehangen, fa en. niet in den Hemel zijn. Daerom moetmen
had he immers niet verlooren / dat ha bam ſij⸗ deſe Spreucke Van den geheelen Chriſto / Dat
nen Dader weder begeeren konde / Dewijle hun’ ig bepde Lan fijner Bodthert ende Menſch⸗
(fegge ich) niet verkleynt / waer onverfeert ma | hent verſtaen. Waer unt dan geweldighlijck
fijn eerſte geftalte gebleven ware. volght / dat De geheele Chziſtus Jeſus Godt
Maer nu ig ’t openbact/als dat Dat eeuwige | ende menſche / menſch ende Godt / fijns afz
onbeſcheijvelijck ende ontveenemelijk Glorieu⸗ komſts halven van den Wemel ende niet Lan
fe Woot / dat van eeuwigen tijden af / in eeu: | der Aerden is / gelijck aackt Poanneg aen een
wiger heerlijckheydt ende lilaerheyt / doel in ander plactfe betupaht ende fent : Bie ban
onbebbindelijcker wijfe mm den Dader / ende bp | boben afkomt, Die iS boven allen. Die
den Dader geweeſt is / oock in Der tijdt fijne pan Der Aerden is / die iS Aertſch / ende
klacchepdt eenen tijt laugh ous ten dienſte ſprꝛeeckt ban der Aerden / maer die van den
verlaten Geeft / een arm / ellendig / ſterffeljci Hemel kome / is boven allen / Joan. 3. 31.
menſche geworden / ende den bitteren doodt Item Chriſtus: Ick ben van den Dader upt⸗
hoor ong geſtorven is. Ende alſoo heeft Lp / gegaen/ ende Ben in der Werelt gekkomen/ we⸗
fijn eerfte ilaerhept / Die hp boor het beginſel derom verlate ick de Werelt / ende gae tot den
dee Werelt bp fijnen Dader hadde/ ende nu ee: | Vader / Gaan. 16, 16,
nen tíjde anal om onfent wille gemifthadde/| Soo belght dan openbaer upt allen Defen Jo- x- 14.
feet —* Deſe fpreuchie is —— (foo men anders Chꝛiſti / Joannis des Doo⸗ —
ban menfe met vernuft verdonckeren kan/ pers / ende Pauli getiuwpgeniſſe boor recht pebr. zo.2 3.
Daerom qetooft uws Heeren Wooꝛt / betꝛout ende waerachtigh annemen ende Leliennen Pfal. zon x-
De wacthept/ende qu fuit onbedzagen blijven. | wid) dat ’t Wocedt ban den Hemel af geklom⸗
j Met def onte Bekenteniffe ſtemt ooch de men ín Marien vleeſch geworden is / bp de
zuulus be Peplige Paulus / ende fept : Wat is dat op⸗ NPenfchen gewoont / de Bcheift verbult / we⸗
van waer immen anders / dan dat hp cerft neder gez\ Der opgebaren/ ende beeft hem tot fijns
Chiüftus ge- ommen is ín de onderste deelen der Aerden? Daders rechter handt gefct / ende wozdt
komen is. Die neder geklommen ís / is ook de ſelfde / die van ale Godts Engelen aengebeden.
boven alle Hemelen opgeklommen is / op dat | Merckt mijn Hefer / hae geweldelijck de
hyꝰt alle vervullen ſoude / Epheſ. 4. 10. eene Schrift op de ander flnpe/ ende hoe zen
23 hri⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
362
Menno Symons Bekentenifle
Chriftus / Joannes ende Paulus ſtemmen geweeſt /ende fiet / fclt leve ban eeuwighent
ende eens zíjn/ vaſt ende onbeweeglijck ffact
het getupgeniffe / dat Woozdt is bleefchh gez
Worden.
Gen. 2. 7
tot eeutwíghepdt / Apoc. 1. dier bzengt De
heplige Geeft noch; een onoploſſelijck getun⸗
geniffe baoz/ daer aen hem alle kloeclie Diſpu⸗
Pooder berklaett Paulus noch anfe Be⸗ keerders ende beroemde Meeſters Defer Wer
1 Cor. 55.47. kenteniffe / ende fepdt: Deeerfte Menſche | velt tot fchande maken moeten.
is ban der Werden ende Aertſch / De tweede
Willen fp defe Klare fpzeucke met haet men:
Menſche 9 de Heere feloe ban den Demel / ſcheiijck goetduncken ende vervoeriſche gla:
alg de aectfche menfche is / alfo zijn oock De | fen op eenen bzeemden fin dringen / geljck ſp
aectfche / ende alg de Hemelſche is / alſoo zijn |De fpzeucke Joan. 1. 14. ende De geheele
oactt de Hemeſſche / x Coz. 15.
Schrift doen / fo fullen fp weten/ dat wp geen
Müijn Leſer nemet waer / hoewel hier Pau-| menschen glofen / maer Des Veeren woozt
lus engentlijck ban de vezrijſeniſſe der dodden volgen ende gelooven. Maer laten fofe ons
fpzeecht / ende van haet toekomende klaer⸗ vercreupelt ſiagen / fa is de fake met haer al
hent/ fo betungt hp noch evenwel met Deft | gerloven / want de Heplige Geeft getunght /
1 Cor. 1449. ſelpe Spꝛeucke De herliomſte ende het onder⸗ als Dat de Gerfte ende de Laetſte / ende De
fchepdt deg eerften ende tweeden Adams / Webendige zp geſtozven.
daer mede Dat hy ſendt: De eerfte Menſche
is oan der Aerden / ende acttich/ maer de tweez
De menfche is de Heere felbe van Den Hemel.
£Cor15.48, Want gelijck alg de eerſte Menſche Adam
aertſch genoemt wert / om dies wille / Dat hy
bander Aerden is: alfo Wozt oock De tweede
Dat Marien vleefch níet De eerſte ende de
laetſte en is moeten pimmers alle rechtber⸗
ſtandige bekennen ende toeſtaen. Waer dan
De Menfche Chriftus van Marien vleefch ge-
weeft, ſoo de Geleerde feggen / dat de Eerſte
ende de Laetſte noch ig / noch zijn kan / ende
Menſche Chriſtus Hemelſeh genoemt; om die arjo geftozben / fa hadde Sodts Geeft / Die
Dies wille/dDat hp ban den Pemel ig.
Ende fo hier dan pemant een inſpzeucke
wilde maken / ende feggen / dat Chriftus hier
de Geeft der Waerhept is / niet recht Daer aen Apoc. 1.8.
efprolien / Jae ookt Chaiftug felve / dat hu iet jarien
ent : Ickben de Eerſte ende de Haetfte / ben Goas woort
fijns Godtheyts halven Hemelſch genoemt is, lebendigh / ende wag doot / ende fiet/ in ben lez is de eerfte
fult gp weten / dat Paulus den felven met deſe endigh/ &c.
bediedelijcke Woorden ſtraft / te weten / de twee⸗
de Menſche / ho ſepdt / de tweede Menſche is
De Heere ſelfs van Den Hemel / Ick en Weet
níet hoe ’c de hooge Getupge klaerder ſeggen
foude, Ende dewijle hy ban fo een Hemelſch
Menſche is / daer toe nu noch oock ban Godt
fijnen Hemelſchen Dader / met fijner eeuwi⸗
get klaechent / die hu boo? Der werelt begin bp
bem hadde/ weder verklaert is daerom noemt
ooft de Heplige Npoftel alle fijne waerachtige
Lidtmaten nae Der Vezrijſeniſſe Hemelſch /
níet datſe ban den Wemel zijn / gelijck Chri⸗
ſtus ban den Wemel was / maer datſe upt gez
nade door Godts kracht in Der vezrüſeniſſe /
Der Hemelſcher klaechepdt / ende der Engel:
ſcher natuere deelachtigh zijn fullen j als
Chriſtus oock fendt : Ò Dader / ick hebbe
* (te weten / mijnen Diſcipulen) de klaer⸗
ept gegeven / die ghu mp gegeven heeft /
Joan. 17. hbe
Stem Paulus : Onfe Wandelinge ís ín
den Hemel / van daer wp berwachten onfen
Peplant Jeſum Chꝛiſtum / die ons nietige
lichaem berklaren ſal / Dat het gelijck werde
fijnen berklaerden Lichaem / nae Det werckin⸗
ge daer mede hp hem alle dingen onderwezpen
kan/ Phil. — Leeſt ook wat Chriſtus van
faodanige fpzeecht/ILuc.20.36. 1 Goan. 3.
ende de laet-
fte.
Breeder fegge ick: ig De menſche Chriftus
efus een natuerlijcke vrucht van Marien
vleefch geweeft, ende heeft Dat eeuwige woort
daer flechts in gewoont, gelijck onfe weder⸗
partijen feggen/ ende die felfde menfche (fegge
ick ) geſtozven / ende dat woort onverſeert gez
bleven / foo moefte Marien bleefch oock De
Gerfte ende de Laetſte zijn/is flevcher dan men
wederleggen kan.
ademael het dan openbaet ís / dat Ma⸗
rien bleefch in geene Wegen de Eerſte noch de
Laetſte en is / nach zijn en kan/ alg gehoozt is /
ende het waerachtigh is / dat nae des 12. Geeſts
etungeniſſe hier gemelt / de Eerſte ende de
aetfte geſtozwen is / beflunt ick daer upt/ dat
de glofen onfer Wederpartijen / daer mede fix
ong op Marien vleefch wijfen , verboeriſch
ende balfch zijn/ ende Dat de Geleerde jam:
merlijck feplen / dat fp feggen/ dat Godts Sone
onverfeert gebleven, ende Marien Soon ge=
ftorvenis, Zegge noch eenmael / onbeweegh⸗
lijck fraet het woort / dat woozdt is vleeſch gee
worden.
Item / Op deſe onſe belkentenniffe / gront
ende Geloove flupten ende ſtenmen ook alle
Peopheten / die van Chzifta den Sone Godts
doo? Den H. Geeft geſprocken hebben: ghp
Ende om defer oorfaaken wille / noemtfe | Bethlehem Eplzata (fept Micheas) ghp die
Paulug Wemelfch/ ende fepdt : Gelijckt won klenn zijt tegen den dupſenden ín Juda / upt u
1 O5 49 at beelt ded aectfchen gedzagen hebben / dat
fal mp die komen / Die een Wegeerder ende
wp ook alfoo dat beelt des Hemeiſchen dpa- Heerſcher zp in Irrael / deſens untganck is van
gen fulten, te weten /alg dit berganckelijck dat Den beginne! en van eeuwighept af / Mich.5. 2. —
l
onwerganchelijctk / ende dít ſterffelijck dat onz
flevfrelijckt fal aen Doen / als wp alg de Sonne
lichten fullen ín dat vijcke onfeg Daders ) ende
Schijnen alg des Hemels Sterren ende klaer⸗
bent eeuwighlijck / Dan.12. 13. Jae als wp
1 Corr. 12. Den Peere fullen gelijk zijn/ende hem ban aen-
geficht tot aengeficht fien /gelijckt hu ís.
Anse tf eek noch op een ander plaetſe fpzeeckt
El. ar. a. De Schaift van Chzífta / ick ben de eerſte onde
en44.6e DE — ende de lebendige / ende ick ben doot
Matt. 13e
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
faí. 53.11, Col, r. 15.
Beemt waer (fent Efaiag) een Maget is be Der Prophe-
bzucht/oft fal ontfangen/ende eenen Sone ba- fen Betuyse-
ren / dien alt ghy Emanuel heeten/Efaí.7. dat chrins
is fa beel gefept/als Godt met ons/ Matth. 1. Ei. 1.
Voorder ſpreeckt hp : een kindt is ong gebo⸗ rue 5
ven/ ende cen Sone is ong gegeben/Zijn Peer: ⸗
fchappie is op fijn EKE ende hu heet
wonderlijck / Kaetgever / ſtercke Godt / eeu⸗
wige Dader / Pzedevorſt / Efa.o. 5.
tem
Van de Menfchwerdinge.
Item op een ander plaetfe fendt hu : ſeg⸗
Eli, 40. 9. 5 ed Steden Guda ; Siet dact 18
0
| tem Jeremias fendt : Diet de tijdt komt
| (fenot De Heere) Dat ick David een rechte
| Dracht verwecken wil / ende Gu fal een Kaz
| ninch zijn die wel vegeeven fal / ende dat vecht
ende gevechtighept op Aerden aenvichten.
Tot der ſelver cijt fal Juda geholpen wozden/
ende Iſraẽl ſeker woanen/ ende dat is fijner
aem / Daer mede meu hem noemen fal: De
Heere anfe gerechtighent / Jer 23. 6.
Mijn Leſer nemet waer / Naedemael deſes
Dafien uptganck Lan eeuwighept alfa gez
weeft is / als verhaelt is/ ende fijnen aem
Immanuel / ſtercke Godt / eeuwige VDader / on⸗
ſe gerechtiger / Ec. van des Heeren Geeſt ge⸗
noemt werdt / ende De Pzopheten heur met al
ſulcke bediedelijche klare woorden beſchrijven /
gelijck oon de Apoſtelen doen / van waer / Wie
ende wat huis / beflupt ick daer mede alg Dat
De Menfche Chriftus Jefus níet Gan een on-
reyn fondelijck vleeſch, mact
gelijck Johannes fende: Het Vaogdt ig vleeſch
gewaden. À
Is dit dan (fegge ick) ong epgentlijcke gez
Gen. 1. 27, loode ende bekenteniſſe van Chriſto den Done
Pal.33. 6. Sodts te weten) gelijck vp alle in Adam onz
Syr.17e 8. fen Wader door dat eeuwige onbevindelijck
Wordt geſchapen / daa? den ſelben Adam en:
De ín Den felven Adam fondelijcker aerdt ende
deg doots geworden zijn/ dat Wit oolt alweder:
oi ín die maddelinge deg ſelven eeuwigen enz
be onbevindelijckten Woozdts / ende niet Des
A damfchen fondelijcken vleefchs , van Godt
ín genade aengenomen / ende tat Dat eeuwige
Jeven barmhertighlijck bevaepen zijn / gelijck
Theiſtus ſeyt / te weten / vat Godt de Werelt.
alfa bemint heeft / dat hu fijnen Eeugeboren
Sone wilde geven/ op dat alle / die aen Gem Gez
looft nieten vergae / maer dat eeuwige legen |
oo …
Rom. s. 12.
2 Cors. 3e
1 Goa.r.3/4. Colr.16. Apoc.1.5/6/7.
Ende Dar an Cheriſtuun den Sone
gen deylen ; mart
den waerachtigen Done
de ——— Godts
ehcele Schrift toe.
de — Warten Done ende ſprackk: Dat,
Heplige dat geboren wert / fal Godts Soon
genoemt werden, Luc. 1.
Eſa.42. 1.
Matt. 17.5·
Matt. 3. 17.
Marc. I. I2.
Luc. 9. 35.
2 Pet. z.17 geſonden heeft met
liebe Soon / Daer ick een goet belagen aen
Geb.
water /
Joa. 1. 34-
| gaf getunaeniffe/ dat defe Godts Sone is.
Item Pathanael : Nabbi (fprack hu) ghy | Godt/een eenigh Perfaan ende Sone / díe dat
zijt Godts Sone / gp zijt de Koninck ban hantſchrift
Iſrael / Loar. 49.
fp fepden / dat des graenfchen Sone waer?
Matt. 16. ty. antwoorde ende ſprack: ghy zijt Chriſtus de
Sone des levendigen Gods.
Item Martha: ick geloove Heere dat ohu | ce
Chꝛiſtus de Sone Godts zijt die in Der wervelt
gekomen is / Gaan. z1, 27.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
uwe zijt voorwaer (fepden fn) de Sone Godts,
ſprack hu : boorwaer/ deſe Menſche is Godts
ne zy / Actor. 9.
Godtg ſijns lijen allenſins getupgt / dat oock de Menſche
Paderg onbevleclite reyne zaet ende woozt is |
hebbe Wom. 1.9. Joan. 3. 16, Eph. 1.6. gelooven ende vecht Haten kan / Dat het Waart
Godts | genornen / maer dat’t nae het getupgenifje
niet nae het voorgeben dec Geleerden en Doze | Goaunig felbe vleeſch geworden is / Dien is dat 1e
hem alfoa geleclijeh voor (techte verſtant ban Chriſio daer mede Wijde ***"s
deg waerachtigen enz | geopent / hp en fal niet atgumenteren /
heliennen / dringt ons De | per Synecdochen ‚ de parte ad totum , ne—
De Engel getunghde | que de toto ad partem , en fal hem niet beroe⸗
Item de Vader getunghde: Bat is mijn | nen tor een Perfoon ende Sone maken , gelijck
tem Joannes Bapt. die mp om te doopen de met Joanne den Dooper) Joan.1 15. Met
díe fele fipzack tot | Matth. 16, 16, Martha) Goan.rr.27. ende
ran : Bp welcken gho fien fult den Geeftneder met der gantfcher Schrift bekennen / dat Chai
baren / ende op hem blijven / Die ſelve {8 °t/ Die | ſtus
met den H. Geeft Doopt / onde íclt ſagh't / ende boren engen Sone
Item Petrus / doe Chriſtus vbrꝛaeghde / Wie vermoghten)
363
Item de Difcipulen niet den anderen: Shu
Item Chꝛiſtus tot den blinden: Gelooft ghy … >, 35
aenden Sone Godts? Lp antwoogde ende
fpzack : Heere wie Íg ’t# op Dat ick aen hem
geloove, Jeſus fpzack tat hem: Ghp hebt
hem gefien/ende die met u ſpzeeckt Die is t.
Item de Pooftman / als hp fagh dat Chri⸗
fiug met fuicken lupden geroep berfchepde /
Sone geweeſt / Marc. 15. 39.
Item / Saulug wag ſommige dagen bp den
Difcipulen te Damaſco / ende predichte Chri⸗
ſtum in de Scholen / dat die felfde Godts Doe
Stem Foljannes / Wp hebbent gefien ende
getupgent / dat de Dader fijnen Sone geſon⸗
den heeft een DSalighmaker der Werelt. Wie
bekent dat Jeſus Godts Sone ig / die blijft in
Godt / ende Bodt blijft in hem. 1 Koan.4.9.
Ende ſulcke heldere klare ſpꝛeucken meer.
Aengeſien de Sclyzift Dan foa overvloedigh⸗
Chꝛiſtus Gods Sane is / ís ’t immer Daer mee
de openbaer / Dat M. M. ende fijns gelijck
gefint/ grouwelijck Dwalen / Die met opene
monden feggen / de Mentche Chriftusen is
Godts Sone niet geweeft , hy en heeft genen
Vader gehadt , maer daer zijn twee Sonen in
Chrifto geweeft , die eene Godts Sone fonder
Moeder, ende die onlijdelijck, ende de ander
des Menfchen oft Marien Sone fonder Vader,
ende die lijdelijck, &c. Felt mepne / dít
magh immer wel heeten / den Sone Gods/
met alle defe aengetoogene Klare getupgentf?
fen Dee Wepliger Schrift verſtooten / ende
aug op eenen gedeplden Chziſtum / jae op
een onreyn / ſondelijck ende dootſchuldigh
vleeſch ende creatuer wijfen / Dien de Schuft
noopt gekent / noch wepniger geleert heeft.
O deteftabilem blafphemiam !
Alle die't dan met gewiſſer Conſcientien
geen Menſche van Marien vleeſch heeft aen⸗
pen/op het weerdighſte deel in Chriſto / noch op
De Communication oft gemennſaemhept der
Namen / oock geen twee Perfoonen ende So-
onfe Wederpartijen doen / maer hu fal de
Schaift ongeſchoffiert ín fijnen ſtant laten/enz
Jeſus Gods Gerftgeboven ende Eenge⸗
is / een eenig ende ongedeplt
Theriſtus / Godt ende Menſche / Menſche ende
des Wets (ee de 3 sle en Lig
gleefche / van wegen onfer ſwackheyt , niet en „t ©"
— in fijn vieeſch vooz ang heeft bal: °°" 5 é
daen / ende is alfd ten laetſten alg een onſchul⸗
digh onbevieckt Kammeken Loo? onſer aller
fanden ende ſchult gerichtet /ende totten Crup⸗ zr … vo,
ende doot verordeelt.
Diet / dat is onfen gront / geloobe ende
bekenteniſſe van De alderheylighſte Menſch⸗
232 werdinge
1TPet.a. 24
——— en ee —
— — —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
364 Menno Simons
werdiinge ans Beeren Jeſu Chriſti des Boons
Godtgende Marie / Daer o'VEE won van onfe!
Wederpactijen (enlacen) foo worden geſchol⸗
Den / dat wy haer ende aller werelt Vervoer-
ders ende Ketters zijn-moeten. Ende dat daer:
om ¶ ſegge íclt) om dat wp met de geheele
Scheift leeren ende betungen / Dat de Meere
Jeſus Chriſtus Gods engen ende waerachtig
dane is / alg gehoort is.
Wel aen dan/ dewijle Battet niet anders
met haer zijn en wil/ noch en magh/ moe⸗
ten fit haven loop untloopen / wp en kannent
niet keeren / tot Dat fn ban deg heeren Engel
gemoet / ende banden Ezel beftvaft werden /
Num. 22, 2. Pet. 2, Mogen haer evenwel |
boorſien / Dat fi haet boeten niet al te hact aen |
Den fteen der ergerniſſe en ſtooten / fa. 28.
Matth. 21, om. 9. Den tijt van vekkenfchan
riad : zá | Wâs io Al-I fupex.
fal haeſt hiecztjn Het ig mm een Klenne fake/ wan rode,, Hot was Almdchtigh Wyden Al In Para pe
Bekentenifle
Metangifmonitefenden / den tweeden per-
foon in den eerftente zijn, gelijck een kleyn
vat in een groot is.
Alogi fepden : Joannes hadde gelogen / dat
‚Godt het woort was, om dat fia de berholent⸗
heyt deg woorts niet begrijpen on konden.
Monarchiani, gelijck Praxeas ende Vitto-
riniusfepden/ dar de almachtige Vader Jefus
Chrittus was, ende dat hy hem felven tot fijn-
der rechter hant fette.
Sabelliani maecſiten den perfoon ende de
namen Chrifti ende deg Vaders een / en Woz:
den Patripafliani genoemt / want ſy geloofden
datde Vader geleden hadde. Siet foo cafenfe/
Die onbebindelijctte Dingen vernemen / ende
hooger als de Schrift leert ) Klimmen willen.
Stem Erafmus Roter. Dit woort (ſeyt hy)
ú hae sijn Het ‚machtigen , by den Vader , niet in der tijdt , * lean.
Dat hl ban haet gerichtet werde / J. Cor. 4. ; maer voor allen tijden voorteebraecht. Alfoo
Ik hope mp des Hheeren te trooſten / die mn ar Vade
bn mijner vechter hant gegtepen heeft / ende
al mijnbegeeren/ baomemen ende doen met
alle wegen voortkomen van dat Vaderlijk hert,
dattet evenwel nimmermeer daer af en
laten oogen Ínfiet{ Die fal onfe fake wel tat | 82 &c.
fijner eeren uptboeren / want ho weet hae Wp
niet am onfen/ maer om fijnen Prijs te ſoe⸗
ken begeerigh zjn. Daerom fal hu fijn engen
eere Wel voorſtaen / het konde ongetwijfelt
Wel gefchieden / dat door haer Kafter-fchzijven
ende ſcheijben ober ons / ende daor haer. grove
dwalende leere ban Chzífto Gods Sone bp ve⸗
len openbaer wozde / dat fa felve wel dobbel
ende dobbel zijn / Dat fn ons wel geerne heb-
ben ende maken fouden. De groote Heere
_gunne haet fijn genade. A ID E D.
DAT DERDE DEEL,
Namelijk, de
CONFUTATION.
Er ick dan tot der C onfutation der Argu⸗
VDooꝛder fent hu: als dat de Vader hem den
one in aller manieren gelijck van ecuwigheyt
gebaert heeft , ende {onder eynde baren fal.
Noch fept hp in ſuo Ecclefiafte, Chriftus
isdat woort Gods, almachtig, die {onder be-
gin, fonder eynde eeuwigh van dat eeuwige
herte des Vaders voortkomt.
Stem Martinus Lutherus, het woort is, —
dar Godt ín hem ſelven ſpreekt, ende dat in joan.
hem blijft, noch nimmermeer van hem afge.
fcheyden wort,
De getungeniffe Erafmi ende Lutheri Wez
derſpreecken wy niet / maer hebbenfe daerom
mede aengetogen/ opdat mende diverſitates
opinionum merckien fal,
Item Philippus Mel. Het woord wort den- De Trinitate
kende gebaert,en wortGods gebeelte genoemt inlocis com
menten onfer Wederpartijen voorthare / fo / want het gedachte (fent hp) isdat gebeelre des “unibus.
wil ick den goethertigen Leſer eerſtmael trou:
welijli vermaent hebben/ dat hu hem doch
aen Den Klaren glaug der eeuwiger Godthepdt
Dao? fijn hoogvarende vernuft niet en vergrij-
pe ende Doop beemetenhepdt onderftaen Wil / | er
deſe onbernemeltjchte diephent unt te qconden/
dinks dat gedacht is. egt liebe leſer / wie kan
oft mach doch fijn conſcientie op alfuichie res
deren ende gronden bouwen +
Stem ſommige cancilien beftaten datter
esHipoftafes in Trinitate waren / id eſt, tres
yerè rubAftentes, ende díe ſelbi —
opdat hu / wanneer hu mepnt/ hu heefte » Ende díe f bige Homuſii, id Vtraque vox
doorgeſien oft gegrepen/ dat hu fijn oogen
eft, confubftantiales, Die alle bende / name inguitEraf-
tels EI: ge * mus, venit
niet al €” eenemãel en berblinde/ ende onders | wek Hipoftafesende Homufii fufgect gekop: in apen
ſiens ín Den afgront en finche: Want het is
Ben zijn als Erasmus fent.
tionem.
di cls ſi
openbaer / dat hen veel⸗ (loechfinnige onde Ine © et foo volgt een pegelijck fijn vermift enz
fcherpe l ngenia Deerlijck beegrepen / ende met |
haer hoogh vliegende vindinge tot Sotten
Daer aen gemaecrkt hebben.
De Tritoiten hielden ende leerden / datter
drie Goden waren.
mepninge / bouwen op de cools ende wint/
[len op malkanderen / ende níet op des Wees
ten Woort / verwerven De eenvuldige Confcíe
entien/ die der Schrift geen ondervichtinge
en hebben / Dzijven haer goet dunckien ende’
niet het moogt / ende die ſulex niet bewilligen
Arrius denlde Bat tweede als dat minfte ban | nrs. d »t hac
Det eerſter Lubítantien, sa | oft bolgen en kan / moet haer vervoerder en⸗
Macedonius ſende: dat dat derde wefen ‚te
weten / de H. Geeft, geen Godt, maer cen
dienarefle des Vaders ende deg Soons ware.
Actius ende Eunomius leerden / dat de Va-
der, Soneende Heylige Geeft ongelijcke din-
gen oft wefen waren.
endede H. Geeft den Sone niet fien en konde, geleert
e Ketrer zijn, &c.
Daerom bidde ick u om Jeſus wille / Dat
gu doch / Deijle (ſegge ick) hem foo menigh
ſcherpſiende ooge aen deſen Blans verblindt
heeft / ende oock noch dagelijcks verblinden
in deſe onbegrijpelijcke heoghent niet hooger
en klimt / dan gp trappen en hebt eni
Origeniani hielden / datde Sone den Vader — / dan gp trapp hebt / endemet
en berneemt / DAN u des Weeren woort
en beeft : Want ahn immer foa wepe
Maximinus beeesde / dar de Vader een deel nigh ban de onbefchaijbelijche ſchoonheyt enz
Gods, endeelck Perfoon een derde part de, |De Baringe (hae/ ende ín welelker macs
riniteyts ware.
'
niere Die ban ecuwighendt fchiedt iS)
| bes
Ke sch
| Van de Menfchwerdinge. A
begrijpen / gelijck ap ban den onbefchzijkelijce | wijle hy in free natueren alſoo verdorven zom. ; 1e.
heit Dader ſelbe doen mocht. (Was / joo werden ooch alle fijn kmderen ver⸗
Daerom ſoo en laet uw niet der geleerden |Dogven van hem gebaoren / evenwel en zijn
goetdunkien ende Glofen / maer dat onbedziez |De kinderen de Gpleggers ende Guveerderg
gelijck klare Waarde Godts / ende de getunge⸗ niet / maer Adam ende Eva zijn dat geweeſt.
niſſe des Hepligen Goannig eenen gewafjen | Eptcht dan Godts rechtveerdighent de beta:
gront ende boet zijn / daer ghp u geloove op linge van den Oplegger ende invoerder / foa
bouwet / die ſoo ſent: In den begmne was waer tua de rechtuecrdighept immer vecht
bat woort; Dat woort was bn Godt / en Godt | geweeft / dat met pemant Gan den kinderen
— 6, was Dat woort. Vite dingen zijn Dog, dat telf bewijle fn De beginders níet en Waren / maer
Fphe.3.9. de gemaekt / ſonder dat felbe en is daer niet | Dat Adam ende Eva de perſſe felipe getreden
Heb.re2. gemaeckt / wat gemaeskt ig, Joan. 1. 3. [Hadden / Want fp waren de gene dieſe toege:
Gert. r. 1. richt ende gegraven hadden.
Dit felve Voort / dat alfaa Landen begin-| Oneen/ Adam met fijnen geheelen Zade
ne geweeft / ende ín der tijt mensche gewor En vermocht niet door de ſwackhendt fijns
Den is / Wort ban Paula de Sone genoemt/|Lleefchs/ Lom, 8. Sp waren boven maten
Chriſtus Jeſus / Ende de eerſt geborene al- |foa keel ſchuldigh / ende en hadden niet eenen
ler Creatucten-/ €olof, 1. hers 16. penninck Daer mede fp betalen konden / maer
Fa weerde Hefer / hadden De geleerde t gez |Het is hen unt genade quijt gefcholden eur
meide getupgen{ffe Joannis / dat hp Lan fij- Chꝛeiſtus wille / Die doo? fijne eeuwige liefde „ns
ner eeuwiger Godhept hier geſprooen heeft/ / ende barmhertighent (dewijle dattet Adam *
ongebroken gelaten / ende hadden haer Getz | metten fjnen tege ick niet en vermocht ) in
nuft onder Gods woorde gebogen / nimmer de geftalte oft gedaente eens ſondelcken
meer en hadder alſulcken dupfteven verwerrin⸗ vleeſchs verſchijnende / deg Daders gerechtig⸗
ge van Chziſto den Sone Gods in der Werelt | Dept voldaen heeft / dat hantſchzift Des Wets det natu—
gekomen. in ſtucken gefcheuct/ ende heeft alle / Wat Wz ren komt ge-
Daerom rade ick u ín trouwer Liefden / dam met fijner overtredinge hadde opgelent lijck van ge-
fiet baoru/ ende wachtn) want dat getune | Ende gebrolten / met den Offer fijns vaoden Ve
geniffe Joannis is klaerder / dan dattet met | Bloeds untgewiſcht ende betaelt / Col. cap. 2.
glofen berdonkert / ende ſtercker / dan dattet berg 3. Epheſ. cap. 2. 15.
met Philofophia gebrooken fal werden. Wie |, _Fadien fp haet dan alfoo op Godts vecht
lieber den Edelen klaren wijn der Gadttijcker | veerdighept beroepen / foa achte íclt oock: noo⸗
waerhept drinckt / als hp de anklare wateren digh te zijn / een wepnigh breder daer ober te
der menfcheljker Glofen doet/ die houde hem | houden / op Dat De berftandige leeſer lere /
aen fijns Heeren woort / en laet de onfehrifte | dat defe haer Spzeucke gantſch ende geheel
matige beelzende untlegainge/ verdraepingen / krachtelsos / ja in alle manieve fonder grondt
goetdunckenhepdt/ ende mephingen dev gez | ende Schrift is. 5 |
leerden varen. Dit is van de eeuwige ende) Letis openbaer goede Leſer /dat Adam
onbegrijpelijke Godthepdt Cheiſti genoegh. ude Eva ban der Slange vervoert / met ha-
Pu wilfen wp doo des Veeren genade voort cen geheelen Zade in De verdoemeniſſe ende
baren / ende met kracht der fchaift behouden | doot doo? Godts Nechtveerdighendt gevallen
Datfe grouwelijck dwalen / die Daer feggen :| zyn Gen. 3.6. Ende datter niet/ dan Dat
het woort en fy geen vleefch geworden, maer berdoemt en Des doots ſchuldigh is / van haer
het heeft ons vleefch, oft een wenſche van [en kan gebooren Werden / 4. Eſd. 3. Nom.
onfen vleefcheaengenomen, gelicht volgende — we ——
16 Atwer⸗ Aengeſten dan DAL Adẽ u Es
8 eid kogte ende klaerhent fal gehoort wet pooefacmhent door dSades: eeutwigfy Duerene 1 Chris
rechtveerdighendt alfea berdoemt/ ende DES agams —
En eerften fchrijft Johannes à Lafco ende doods ſchuldigh geworden is / ende ſijn QC” vleetch ge-
Hare De Godrlijcke Rechtveerdigheydt | heel zaet met hem / ende de Heere Chriftus at ee
eyfchet, dat dat gene „dat wy door ons vleefch | foude na lijner heyliger Menſcheit een DatuÊêr- ven ondelijk
ia Adams Lendenen beflooten, gebroocken (lijcke vrucht van Adams vleefch zijn » foo in ende na der
hadden, dat dat felfde ook in dat felve ons voorgeben foo moeſte oock de menſche Chat med
— * t gelijk fom- ſtus ban fijnee Menſchelijcker geboozten wer 363
vleefch foude betaelt werden. Oft gelijk ſom dn ord 8 fchuldint ‚ verdoemelijg
oe feosen , dat de natuere die de fonde op- |gen Berdoemt / ende des doots ſehuldigh ge⸗ geweer
mige 552 s fonde betalen: ende | weeft zijn / is klaerder dan men ſtraffen kan,
geleyt hadde, voor de fonde betalen : ende Oft ante Weedervartiien moeten hacer epen
die den doot hadde ingevoert , den felfden | 1” euerpartjgen. U jac epo
365
——— argument wedezroepen ende bekeennen / dat
VEER Godts Uechtbeerdigheodt niet eeuwigh cn
Antwoozd. duert.
Ademael In ende De fijne haet ſaeke met O neen / Chzꝛiſtis bleeſch is heplials/ vern,
Godts rechtveerdighent behouden wil⸗ ſonder blecke / kent GEEN onde, maent 920011
len/ ende geven boor/ datde Oplegger ende |ende ſaligh / is een wactachtige (pijte De zie
efnvoerder betalen moeſte / ſoo en foudenfe | len / gelijck het Wooꝛt is / dat na des Paders
nietde Woerden onſes vleeſchs ende natuere / | opfet ende beflupt tot Oner aller Hepl enoe
maer Adam ende Eva ín haer ſchrziften met eeuwige verloſſinge m tlaetſte der DAGEN EEN
recht daer boog gefer hebben / Want die waren waerachtigh tijdelijk menſche geworden / en⸗
„de eerſte Opleghers ende Invoerders / ende | De onfchuldig den doot boog ons geſtorven is.
Gen 24 piet der nakomelingen vleeſch ende natuere / Cen vordert ooch in geender Manteren /
‚Cor. 15:45: als Gen. 3. 6. opentlijcht gefpeurt wert. (dat fp feggen —ñ— was geſegent, ende de
Job 33-4:__ Denatuere wag van den begin vepn ende | vrucht voor Gods kracht van fonden bewaerr.
4 EL GS goet gefchapen / maer in Adam met fijner on⸗ Dat Maria getegent / ende de baucht fonder
dehoo ſaemhent wert ft berdorben. Ende De fonde was / bekenuen wu / mact dat M
a⸗
33 ria
dn
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
366 Menne Symons Verantwoordinge
efa van Det fegertinge wegen fonder fonde fou-| ligen Geeft. Maer Joſeph haer man was
De geweeſt zjn / verloochenen Wp / want def vroom / ende en Wwildefe niet beruchtigen / maer
Schrift (fept Paulus) befluptet af onder De | Dachtte hepmelijk te verlaten. Boen hp dat (a
fonde/ op dat De Belofte kome doo? het gelo-| Dachte / fiet / Doe bevfcheen hem de Engel ded
be ín Jeſum Chriſtum / gegeven den genen / | Heeren in den dzoom / ende ſpzack: Joſeph
Die Daer gelooven / Gal. cap. 3. vers 22. gp Sone Davids / vzeeft uniet Mariam UW
Item / hadde de menfche Chriftus alfoo | Wijf tat u te nemen / Want dat in haer gebo⸗
een vleefch geweeft van Marien vleefch , foo {reníg / dat ig van den Hepligen Geeft / en ſu
waer Maria door haet engen vleeſch gefaligt/ | fal eenen Sone baren / Diens Name fult gu
ende Adam dao? fijn engen zaet verſoent De | Jeſus heten / want hu fal fijnen Volcke fag
vechtbeerdighent Gods ware gebzokken / ende | makken van hare fonden / Matt. Cap. 1.
onfe verdoemeniſſe / vloekt ende daot/Deor een | __ Atem de Engel Gabꝛiel tot Mariain: Gp
berdoernt / berblaeckt ende dootfchuldich ſult bebzucht werden in't lichaem / ende ee⸗
bleefchh opgeloft ende betaelt. nen Sone baren / Dieng naem [ult gp Jeſus
Gen.3.6. _ Och neen / De fcheift teert onberbozgen / heeten / die fal groot zijn / ende cen Done des
— 3*4. Dat wp alle ſondaers in Adam geworden, dao? Alderhoochſten genoemt Werden / ende God
Rom.3,9. Defonde in Godts gerichte / Coorn / verdoe⸗ De Heere fal hem denn Stoel fijns Daders Das
meníffe / ende den doot vervallen zijn / 4 Eſd. bids geben / ende hp fal een RUoninck zijn ober
Elai.s3.9. 3, Nom. 5.6. 1 Cot. 15.22, En ban Chꝛi⸗ dat hups Jacobs eeuwelijck / ende fijns Hoz
ë 8 24. ſto getunchtſe / dat Ip dat Lammeken ſonder ninckrijſis en fal geen cpnde zijn. Doen
E80 hlecne (8 / Bat hj de fonde niet gekent / enz |fpzack María tot den Engel : Poe fal dat roes
de geen bedzoch ín fijnen mant gehad en heeft/ | gaen / nademael ik ban geenen Jan en weet?
Yengefien het dan openbact is / Dat de fchzift \ De Engel antwoorde / ende fpzals : De ep:
Ndam ende fijn geflacht ſoo gantſch ende ‘ger | lige Geeft fal over u komen / ende De kracht
eel onder De fonde beflunt / ende Chriſtum | Des Alderhoogſten falu omfchijnen / daerom
n alle manieren ban ſpreecſit / mach de beleef: | oock dat Wepiige dat geboren wert / fal Gods
De ende Welgefinde Leſer daer mede afmeten | Sone genoemt Werden / Luce cap, z.
Dat de repne ende Heplige menfche Chriſtus Ape defen allen íg’t meer alg klaer / Dat de
Jeſus niet Adams onreyn fondelijck vleefch , | ſwangerſchap Mariæ over natuere / ende een
maer Godts Penlige ende reyne Woordt ig / Ceechen ende wonderwerck Des Heeren gez
oan. 1. 1. Goan, 1. Endedatdefe Spzeur | weeft is / daerom is't oock al onnut / Wat de
edere Geleetden/ te weten / Godrs recht- | Geleerde ban det natuere Philoſopheren / en
veerdigheydt drangt daer henen, &c. Miet ongematíg der falen.
Gods gewiffe getupgeniſſe ende woort / maer | Ende foo men noch evenwel met gewelt tez
enchel menfchen verſieringe ende gedicht ig. gen deſe heldere klare Spzeucken der ſcheift /
Och wilden onfe Wederpartijen eenmael | de wangerfchap Mariae der naturen noch ten
vecht nadencken / wat Gods rechtveerdigheit | deeletoe eygenen wilde / fo is ’t doch bede
nafcheifts meldinge ín deſen Deel mede bzenz | upt der Ozdeninge Godts ende der natueren
get/ ich ſoude hopen / fn en fouden na deſen openbaer dat De materie oft oozſpronck des
níet foo hart meer over haren gront houden / | Kinds / ban Den Dader / ende niet ban de
als tot nu toe geſehiet is / oak niet feggen foo | Moeder en is / alg boven in der Confeſſion /
pemant haer leere niet aen en neemt, dat hp) ende oolt tegen Gellium meet alg genoeg ver⸗
inden Heyligen Geeft fondigen foude, oft! klaett ig. je
immers ten wepníiglften wel br wijken dene⸗Daerom en zijn ſulcke inſpreuclien níet dan
ken / oft het ong miet en faelgeert? Philiſohia ende Menſchen beenuft geheel ſon⸗
der Schzift / ende die geen niet antwoorzdts
T En tweden dringt hy daer henen, als dat- weert en waren / doc h heb ick metten ſiortſten
men dat ontfangen ende ſwanger worden | foo veel Daer ap gefept / ende bidde u / dat op
Marie , van welken Mattheusende Lucas mel- mijne aenwijfinge niet beachten en wilt /
den, verftaen moet, fo wijt des moeders deel , mact laet de bevindinge allenfing Loo? de bee
betreft , gelijck haer na Godts ordeninge ,fchwldinge henen gaen/ op dat gp u niet en
Gen. 1. van natueren toekomt, vergrijpt / als Sprach fet.
: Oorder werptmen ons voor, als de Schrift
Slntwoozdt. Ne dat de Heylant ons belooft, fal
H Et dunckt m meer als Wonder te zijn /
Dat een foo geleerden Han fo onbefthens, ZUN der Vrouwen zaet, Abrahams zaet, ende
delijl daer ín vaert / en de f\angerfcijap jira⸗ de Vrucht der Lenden Davids.
riæ op De natuere foo heftigh dringen Deef }
daer ’t doch doo de geheele Schzift openbaet Antwoordt.
is / dat De ſwangerſchap Mare wijt boven F En eerſten ſegge ick / die met deſe ſpreuc⸗
de natuere een fonderlijcit Wonderwerckt des — be beweeren wil / dat de Menfche Chri-
alderhooghſten ende een heerlijck Teeclien des ſtus Jefus vleeſch van eender Vrouwen, ja Abra-
Heeren ons Gods geweeſt is / gelijck Eſaias bams ende Davids natuerlijcke Zaet ſoude zijn /
fendt: Daerom fal ude Heere (fepde pn) van Die alle ban Adams onreyn fondelijk zaedt af-
hem felven cen Ceecken geven / nemet waer / gekomen zijn, díe moet oock daer: by fetten
een Maget fal ontfangen / ende eenen Sone, Adams ongerechtighent blaeck ende fande.
Matt.1.23. Baren / ende fijnen naem noemen Imma⸗ Willen fp dan ſeggen / alsdathy vanAdams
Luc.a.27. nuel/ Cfaí. cap. 7. 15. |ongerechtigheyt ‚ fonde endevloek zy vry ge-
{tem Mattheus ſchrijft van de ſwanger⸗ weeft: antwoorde ick Wederom / foo en is hu
fchap Marie alfo : Als Maria fijn moeder oock ban Adams natuerlijk zaet niet geweeft/
Joſeph bertrout was / eer huſe te huns haelde/ Want Adams zaet was ontepn/ fondrlijcke
begaft hem dat fin bebzucht was van Den Pen: ende berbloeckt/ / daerom en konde *
| n
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Opde Tegen-fpreucken. 367
Ban ontepn/ ſondelijck ende vervloeckt daer af‚ lichaem af gekomen zijn / foo moeſte hier een
geboren worden / oft dat onreyn moefte het | nieuwe fcheppinge in Jaría gefehiedt zijn /
ten / dat ſondigh het hepligh / ende dat ber: | Welcker fcheppinge uiet ſonder het woordt gez
bloeckt De benedpinge baren / ende alfo de aen: |fchiedenen konde: GS dan ſegge ick; faa cen
geerfde ontepnighent/ bloeck/ ende berdaeme: fcheppinge daer gefchiedt / fo 19 ’t openbaer/
niſſe bevandert zijn / (8 flecchec dan men Wer | Dat D’ een helft ofte Deel Van Cheriſto dao? De
derleggen kan. ander. helft gefchapen moefte zijn Marien
Jae mijn Leſer / Wanneer de falte met des | Sone door Godts Sone / ende Dat De twee)
Weeren Menſchwerdinge ſtont / gelijck onfe namelijck de Schepper ende de Creatuer / als
Wederpactijen feggen/ fo waer ’t openbaer / dat ſoo een Perſoon ende Soon gewozden Waten.
Chꝛiſtus Jeſus niet ſoo vern geweeft en waer Wiebe Hefer / merckt doch wat grouwel dat
in fijner Menſchwerdinge / als Adam in dec fr boort halen. L
eerſter Scheppinge. Wantfaamenalfchaou, Cen feften ſegge ick : Gelijck alle menfchen
Kue.t.3t. fendt / gelijk alg waer is / dat Chziftus ín Ma⸗ | bepde Dader ende —— ende de ſel⸗
. ria Det cepne Maget ban den Heyligen Geeſt be een pegelck van haer fijn geſiachte heeft /
leerden leere Ontfangen is / fo en heeft doch Adam oolt ge⸗ |De Bader het ſijne / ende de Moeders dat haers.
recht wate, nen anderen Dader op Aerden gehadt dan Alſo heeft ook Chriſtus Jeſus bende Dader
fo was Adam Godt / Waerom bp ook een Sone Godts | ende Moeder gehadt / ſjn Dader is een onbe⸗
onder ges. bant Tuca genoemt were. Doch fa wag Ar felzijvelijck Geeft van ecuwighept geweeſt /
weeft als dam evenvel ban cepnder Verden gefchapen/ | bij fal oat blijven in eeuwighepdt / ende daer:
Ekriftus. ende dat ban Godt. Maer Chꝛiſtus / ſoo hu om en konde hnooß ban wegen fijns Daders 5 5
Adams Matuerlijk Zaet ware / maefte van |geen geflachte hebben. Maer de moeder is Az 73 5 zo.
onreynder Verden / dat is ban een onreyn dams Abrahams) Ffaacg/Facobs/Ee. Waers ss. ro.
Menſchelijk ende aertſch Zaet ziju / is klaer: (achtige Dochter geweeft/ Die Gem dooz den H. Deut. 18. 1.
der dan men wederſpzeeken kan. Geeft upt fijng Daders Wooꝛdt in haer maege 7 2: ek
Cen anderen fegge ick / foo de Menfche delijck ſichaem ontfangen / ende een Waer: ,…'o. s. 40.
Chriftus een natuerlijcke Vrucht ende zaet van |achtigh menſch tot fijner tijdt gebaert heeft/ zo.
Adams onreyn fondelijck zaet geweeft ware; ende haet geflachte wert in der Schzi t getelt/ ———
foo ware hn dok door Godts eeuwighdueren⸗ want doe hp een mensch fn een menſche woz⸗ Qhiau be-
de Lechtveerdighent deg Bericht ende Des | de / meefte hp immers ecn geflacht hebben/ totte eu ge-
doots felbe fclhuldig geweeft. Ende fohpdan daer upt hp geboren worde. Ende datis het boorrs.
felve nach aen de fehult ffont / hae konde hj |WDoogdt/ dat Paulus fent/ geboren unt den
Dan dat onfe oploffen ende baldoen? Oft |Zade Davids nae den bieefche/ Niet dat Daer:
men moefte bekennen / dat Gods Hechthoeer- | mede twee Sonen in Chrifto waren, d' een
dighepdt geepnt ware / ende Dat dat ſondigh | Londer Vader , endedeander fonder Moeder,
De zonde) dat verdoemt De gerdaemeniffe/ ende | een Soone Gad:s ende een menfchen Sone,
Dat dootfchuldigh den doot henen genomen | als onfe WDederpattijen voorgeven / maer Die
ende betaelt hadde. \ Godts Sone was / Die was ook des menſchen
Gch neen / Geen ontepn gedierte en moght | Sone / ende Die deg menſchen Sone was / die
in Iſrael tot verfoeninge geoffert werden | wag oock Godts Sone/ niet twee / maer een
maer het moefte allenſins ſonder gebreken eenigh ende ongedeplt Soon / gelijck Godts
Exo.i2.5. ende moefte dan dat beeldelijk ſoo geheel ſon⸗ Oydeninge met de geheele Schzift leert ende
Leva der gebreekt ende vepn zijn / hoe beel meer dau |medebzengt. \
rt “pat waerachtig / daer mede de eeuwige ver⸗ Ende fa ah dít dan noch niet alſoo baten
Meb.9.20. feentnae gefchiet/ ende alle beeldelijcke Offe: |en kont / foo merckt doch deſe gelijckeniſſe /
Deu. 17-106: per afgedaen ende geeynt zijn/ Hebr. 9. 10. Carolus Quintus is een Sone van Ooftenrijck,
Cen derden feage ickt : Die beweeren Wil / hp ís aolt een Sone Hau Spangien, niet dat hu
dat de menfche Chriftus een natuerlijke vrucht | daerom ban twee Sonen ecn Sone is maer _
van Adams, Abrahams, Davids,ende der vrou- | fn is een eenígty ende ongedenlt Sone / ban rk ge
wen vleefch ende zaet is , Die felve beweert ſijns Daders wegen een Sone van Ooften- iere schrijver
gok daer mede/Datter twee perſoonen in Chri⸗ rijck, ende ban fijns Hoeders wegen cen
fia zijn/ twee Sonen/ de Dader geent waerach⸗ Sone van Spangien. Alſoo is ooli Chꝛiſtus
tigh Vader de moeder geen waerachtigkh moe⸗Jeſus cen Sone Godts / ende een Sone des
der / ende de Sone geen wacrachtig Sone / Menſchen / Godts Sone van fijng Daders
alg eeng gefepdt is. wegen / ende des Menſchen Sone ban fijns
en dierden fegge ick: Soo de menfche | moeders wegen / níet van twee Sonen een
Chriftus van Marien vleefch ende bloet ware, | Soon / maer een eenigh ende ongedeplt Sone/
fo is ’t openbaer / dat bp níet Godts Sone) | Godts ende Marie / ín Dier maten als gee
maer een geſchapen Ereatuet geweeft is / Dez | fet ig. ——
wijle hun niet ban den Dader gebaect / maer tem/ Soo gh dan noch over De bzucht 77° ank
ban Macien vieeſch ende bloet nae haren der Lendenen Davids bekommert ftact/ foB „a. zo.
geont gefchapen ware / hae meer alg genoeg wijſe iclt u ten eerſten tot mijn Belijdinge |
berhaelt is. die ick Anno 1543. aen Toannem à Lafco ende
en. wijfften feg ick: So de menfche Chri- | fijne Pzedikanten geſthreven hebbe / u daer
ftus van Marien vleefch ende bloet ware, alg | bp bermanende / dat hp wel aenmerckt/ hoe
ſp voorgeven / ende het is meer als Rlaer / dat | dat Chzifto den Sone Dabids / den Stoel … *
der menfchen baringe nae Gods Ordeninge ende dat Hijck Dabids ban Efaia ende Den a} 55,
fonder Wader ende moeder niet gefchien en Engel Gabyiel belooft zijn/ Die evenwel alfa ; sam. ra.
kan. @ok dat een Kint niet van fijng moe: | nae der Wetter niet in Chaifto / maet in Sala: : —*
aet van fijns Baders lichaem af komt / mo (Die een Figuere ende Beelt op Chꝛriſtum 2 Regl. ze,
ders / m ſi f M — r 2 Par. 22.4.
ende de menſche Ehaſtus foude tegen Gods ! was / gelijck alg oock Iſaat / Woſes / Aaton /
@sdeninge fander Dader van des Moeders Joſue /Joſeph /Ec.) bevonden Zijn. 6
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Rom. 5. 8.
1Jo.4, 9.
Io. 5. IO,
308
Nademael Wp dan Door De geheele Scheift
geleert worzden / alg Dat fijn Nyck ende Stael
uiet letterlijck / maer Geeſtelijck zijn / ſoo moet
ook immers de Dzucht ende de Koninck die
Daer op ſitten ende heerſchen fal/nae gelijken
fin gerichtet werden / oft dat een woordt moeft
letterlijck / ende Dat ander Geeſtelijck verſtaen
Ee {is daerder alg men wederfpreccken
tan.
Cen tweeden aenmercht/ hoe Chriſtus den
Pijacizeen ban Chriſto Davits Sone vraeg⸗
De / ende hoe hy haer op hact woort beſchepde /
Jiatt. 22. 42, ch2.1.13. 10. 13.
Cen derden merckt / foo de mensche Chzí-
ſtus zen natueclijche Bzuche der Wenden Da
bids ware/ Dat alsdan aile de onoploffelijche
fware Inconvenientien in hem beflaten wa:
ren / Die wp boven cengdeels verhaelt hebben /
eude beneden nach wijder verhalen fullen/ fo
het Godt belieft.
Cen vierden merclit aen / dat alle epgen-
fchappen Godts in hem gelijefs volkomen zijn.
ende daerom moeſte fijn volkomen eeuwige
liefde / fijn bolomen eeuwige gerechtigheñt
emoeten /gelijck Cheiftus felve fepdt : Sa lief
eeft Godt de Werelt gehadt / dat hu fijnen
Marc. 10, 16. Eenigen Sone gaf /op dat / fo wie aen hem gez
1o.3.36.6.47» looft / niet berlocen cn werde / maer dat eeuwi⸗
ge leben hebbe. Jae daer aen (fept Joannes)
is Godts liefde berfchenen / dat hu fijnen ee⸗
niggeboren Soon ín der werelt gefonden heeft/
Dat wp door hem fallen leven / Want gelijck
hp ban wegen Der ongeloogfaembent ) Adam
ende ſijuen geheelen zade daag fijn eeutwig-due-
vende rechtbeerdighent totter doodt gerichtet
beeft / alfo heeft hp ook wederom van wegen
det Gehoorſaemhent Chaifti ; door fijn eeuwií-
geliefde dat leven belooft alten den genen Die
aen hem gelooben/ want / gelijck als fijn
Menno Symoens Verantwoordinge
keeren moet. Evenwel hooge ick daaz des
Heeren genade / fiullen ’t noch Menſchen be
leven / dat haerder ſommige fullen opwaecken /
ende met boetveerdige roũwige herten in aller
ootmoet bao? haten Godt bekennen / hoe fia
niet mp / maer Godts Woordt veracht; ende
fijnen Geeft verfmaet hebben.
En vierden laet hy hem aenfien , alsof ick
| leerde, dat heer Woort hem in der Maget
lichaem , in Menfchelijck. vleefch ende bloet
verandert hadde.
Antwoord.
At ick ſulclis aen eenige plaetfe ſoude ge:
fept aft gefchjzeben hebben / en falmen ma
(bermoede ictt ) metter waerhendt ummer⸗
meet bewijfen / evenwel derftmen ban ond
feggen ende fcthzijven. Acht he daer af gez
fpzolten/ gelijck De hooge Apoftel mp geleert
heeft/ alg dat het Woozdt is bleeſch gewozden/
dat getungeniſſe late ick ongebroken ftaen/
ende beveie De verholenthendt / hae bele ver⸗
andert oft níet bevandert / Dien / Die ’t Dog, fijn
Almachtige kracht tot onfer aller Salighent
alfa befchickt heeft. Evenwel wil iclt in iijz
net ſimpelhent daer toe gefept hebben, fa ſu
de gemelde getupgeniſſe Joannis in onveraune
derde Letter van mp aengewefen / daer henen
bedieden / ende alfa Daer upt beflupten willen /
Menno leert met Joanne / dat het Woozdt ig
vleeſch gewozden / daerom moet fijner gront
ijn/ dar ’tin vleefch fal verandert zijn, &c,
at ſy weten ſullen hoe bevanderinge níet al:
lenfins der. eerſter fubftantien natuere / ban
welche pet gewozden oft gemaeckt is / wegh
neemt,
Adam was een menfche ban der Berden gee cen. 1.26.27
fchapen/ Gen. 1.2/3. Spr. 17. Ende hoe: en 3-19-
wel bp foo een Menſche van der Verden was / 7:5
ís hp ebenwel noch Verde gebleven / gelijck de 5 cor15.47:
ten/ ee deere fpzaclt : Herde fed ghp ende gljn fult ro. 5.28.
derlijcke liefde eeuwigh / om Hoo? Chriſtum | weder toc aerde worden Gen. 3. 1 Cor. 15-22.
De fonden te beegeven / ober alte Die /Die Chei. Item / In de verryſſeniffe dee Booden / ſul⸗ PrLA 2",
fla geloopen / ende Dat woordt fijnet geuaden | Ten alle die/Dre weder tot Verde geworden zijn/ cotz.4
acnnemen/ ende gehoorſaem zijn. dao? De kracht Gods weder unt der acrden ap: Dan. 12. 124
ſtaen. nde is openbaer / dat wu eerft acrde
—T derden mercke ick, als dat men my geweeſt zijn / Daer nac vleeſch van der aerden /
toe meet; dat mijnen gront {oude zijn, wederom aerde vant vleefelj / ende ten lact-
dat Ghriftus uyt den Heyligen Geeft foude ge- | ſten weder bleefcij ban der aerden upt dat eer:
boren zijn. fte vleeſch / dach in Heerlijckihept ende klaer⸗
hent / alsde Schaft getupght / ende blijft alfao
Antwoord. alleſins de eerſte ſubſtantie/ hoe wel veran⸗
He Is een groote onbillijckheyt dat men dert / ban welcke dat anderde geworden is / als
4 mp altijdt opleggen wil/ deg ick anfctjut- | gelaogt is.
digh ben, Ick heb ’t in mijn eerſte belijdinge | Mijn Hefer / verſtaet mp recht / iclt en hehe
met Latijnſche Letteren bediedelijck ende in | be defe gelijckeniſſe niet tat alfa een eynde acu:
alle klaerhent afgefet / Dat ick niet cn gelootse |gewefen/als dat ick daermede beweere/dat dat
bat Cheiſtus unt Den Depligen Geeft geboren / | Woozdt in bieefch ende blaet verandert 3u ; qez
maer dat hu door den Hepligen Geeft in Ma⸗ ſjck de Aerde / daer Adam af gemaekt worde/
tia ontfangen is: noch moet ick evenwel hoo⸗ in menfchen vleeſch verandert worde / maer
ren / Ick leere / Dat Chriſtus upt den Geeft ge⸗ daerom hebbe ick het aengeweſen / dat ick
boren is. ‚den Leſer daer mede aenwyſe / oft al ſchoon |
Olieve Peer / hae klagelijek worde ich vaft Dat waarde menfche wordende bevanderinge
kechtbeerdighepdt tot ſtraffe der fonden over
alte Adams nackomelingen die Cheiſtum verz
ſtooten / eeuwigh duert/alfo duert oali fijn Daz
Gen. 3.15.
Ro «10.
1 Cort. 15e
belagen / wat doen fr doch anders tegen mp/ geleden hadde / dat het dan oock noch even”
dan de Schyift-geleerden tegen Den goeden twel het woordt gebleven ware / Foam. 1,14. zo. 1. 14-
Jeremiam Deden / doen ſy Lan fijnent wer Joan. 8.23, 1 Goan. 1.2, ÄApoc
gen vaetfloegen ende fepden : Komt hier / —
laet ons her metter tongen flaen/ ende niet Jen vijflten fchrijfthy : De Heere Chriftus 229“ 29*
achten op alle fijn veden / Fac mp dunclit / dat is van den begin Geeſt geweeſt, onveran-
ick daer toe geboren ben / dat iclt mijn ooꝛ den derlijck, Heyligh ende eeuwigh. Is hy dan
fmaetfpzeer/ ende mijnen rugge den flager ' Geeft geweeft (leyt hy) ende onveranderlijck,
hoe
Ier. 18. 18.
Matt. 29: 67.
Efa. so. 6.
Luc, 22.64.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Op de T'egen-{preucken.
hoe heeft hy dan fijn fubftantie, oft fijn we=| de wedergeldinge bepde det goeden ende det
fen verandert, ende is vleefch geworden. quaden / ende in vele fijnet werelten niet en
| S Oo ick hem anders cecht verſta / laet hp alſoo en begrijpe ick oock niet / hoe oft in Wel? pist, 17:22:
begrijpe evenwel waerachtigh geloove / ende —
Antwoozd. Dat daerom, om dat het de Scheift alfa leert } „94-1-3-
Ke
hem ín litera E aen ’t 5. blat hoaten/ dat | ker maniere Dat onbevindelijli eeuwige woozt /
bp mijn verſtant van dat waozdefen Factum vieeſch oft Menſch in Maria geworden iS /
eſt, dat is / geworden / noch miet echt gevat: | evenwel geloove iks waerachtig / dat het Ien
ten heeft. Heeft Gp tdan níet vecht gevat, | ſche geworden (s/ Want de schift leert het.
ſoo en weet ick niet / waerom men map dan Berre eht dat het een Werk is / Dat banden
fulcken verſtant na bediet / dan dat fn veelz
eere gefchiet is ende wonderlijck vooz on⸗
licht foanmig getumgeniffe/ wanneer fn ° t \fen oogen is / Ya foo een werk dat het geen
9 en rien vl — ——— anders niet verſtant doorgronden / noch geen feherpfin:
verſtaen en konnen / foa ick doch dat ſelve gez nighent begrijpen kan/ Waer is het Wwoozdt /
tupgeniffe/ niet dan na de flechte letter on: | wie fal fijn geboogte vertellen? Eſai. 53. zo.
verandert daer gefet en hebbe, Act. 8. 31.
Bengefien fia mp Dan alfulcken veranderi⸗⸗ Nademael ick Dan foo klaer bebinde/ Dat
| e unt gemelde getupgeniffe Geannis bepde | het ecn foo hoogh ende onbegrijpelijck Won:
| Biet — ende —— hoe derwerk Des Ulmachtigen ende grooten dBods
wel (fegge ick) ſy fic van mp niet gehoozt / is/ dat de Almachtige eeuwige Dader doo? de
| oactt ín mijn Schpiften níet gelefen en hebben | Almachtige kracht fijns eeuwigen ende hep⸗
| fo toil ick hier mede allen mijn Tefers am Je⸗ | gen Geeſts in Maria gezocht heeft / oock
| fug wille gebeden hebben / dat fn mp doch a | daer bp bekennen / hoe feer periculeus en ſoz⸗
ber de beranderinge des eeuwigen Waartg | gelijck dat het is / met fijn Sotachtig aertſch
níet anders / nach bzeeder na en dedieden / dan ‚vernuft ín De onbegeijpelijcke Diepbept ende
ick hier volgende belienne / ende met klare Godtlcke verholentheyt in te treden / en De
wooden daer toe doe, klare opgedechte getupgeniffen Des Heyligen
Dit mach-
men in alle Almachtig / eeuwig / ende onbefchzijvelijckt
klaerheyt Godt / Wader / Waart / ende heplige Geeft /
mercken.
Match. 3.15. Die ín eeuwige heerlijebent —— |
13 at eeuwighlijk. Ende da |
zjn mad —— Dader dit felve fijn|decf/ dan mp des Weeren beplige ropes
Hebreen 1.2. En |
‚6. í
turen / Ga Len den beginneende ban eeuz, HE *
— si Boddelijcker/ ende daerom oock | wiffer ende wijſer Getungen zijn/ dan aile
ïJoa 1.2.
Pitalle van
de Scheppin-
€
2COLTS- 1Se
aThefl, 3.13.
Phil. 3.0.
Matth. 12,30.
Mar.12.26.
Act.7.32.
Keb.ta tt.
loa.s.21.
Dan. 12.12.
Dit alle van
de verrijfie-
rifle der
Apoc.2.10.
Sap.s.17.
Matth. 25.
Dan.7.s te
Apoc.19.20»
3e. 190,
a
—
had
Kd
Ick gelove ende bekkenne/ dat daer is cen | Geeſts met berdzaepdeSlofen en Wenſche⸗
lijcke kloeckhept op cenen anderen en bzeents
den fin te keeren. Daerom is't dat felt hoo⸗
ger nach leeger / koster nach langer ban der
Peplige Menſchwerdinge gelooben oft leeren
ine AC » al ee| ten) Chgifius Jeſus / Daer toe oock Joan⸗
tige Eeuwige Woordt Loo? alle Cr neg) Portus) Paulus, etc. (Die ûp gee
moelijker Wijfe-upt hem baert/ ende | Geleerden / Die opt op Aerden geweeſt zijn /
* fin oere tiok el duide Geeft van noch zijn / ende eeuwigh kamen fullen) met
hem voortkomt / oft voort gact/ daor tge: ſoo onwederfpactielijcke heldere klare getupe
melde Woost oft Sone / maer ick en begrijp geniffen allenfing in der Schpift leeren en aen
et níet. wijfen / hoe wel ſegge ick noch eenmacl/ irk
Jen geloove ende belienne oock deg ſelven de onbernemelijcke hooge berbolenchept met
gefjchen / hoe defe Nimachtige eeuwige Da: MIJN plomp aertſch beeftant miet doorgrijpe
Der door Bit fijn almachtige eeuwige woort / | hae’t geſchiet is. Sprzach fent: De dingen
welelte de Soue is / inde kracht tan Defen ſij⸗ Die U te ſwaer zijn / Die en baaeghtniet naf en
nen machtigen eeuwigen Geeft/ Wemel | Dat u te geweldi of te hooge ie/ en wilt niec
ende Herde met hare geheele volheydt gefchaz onderſoeken Spzach 3. 31. Heeft ook zou.
pen heeft / ende alte geſchapen Dingen eeuwig 25. 27-
daer ín / oft daer Daar behoudt ende beftacn |
doet. Maer ik en begrijp het niet. | 1 Fem op de ſpreucke Maleachi, Ick ben
Booꝛder gelove ende bekkenne ick / Dat alle |L Godtende en worde niet verandert , Mal,
menſchelijcke natuere door De kracht Des Al⸗ 3- Ende op de vrage van Johanneà Lasco ,
machtigen ende ceuwigen Gods in de ſtemme Is hy eeuwigh, hoe hy dan geftorven is? &c.
det netſter Baſimnen weder upt Der aerden
met verllaerden lichame ſullen opſtaen. En⸗ Antwooꝛd.
De dat de kinderen Gods / díe hier op Aerden M Aleachi en ſpzeelit hier níet ban Bots αα,
ín ecu vaſt gelove ende lhdſaemheyt voor God | IVÀ fubftantie oft wefen | maer ban fijn op: crangstien
gewandeldt hebben / Dat heerlijck beloofde fet / vact / beflupt ende wille. Wekenne dan houden À
Wijck der Geren van deg Heeren hant ontfan: daer upt / hoe Gods opfet / raet / wille Ber Iek ven de
Heere die
cu fillen. Vaerentegen / Die Den eere ende ſlunt / toefage/ ende liefde eeuwigh ende onz niet en liegt,
jn oort verworpen hebben/ ban dat on: veranderlijck zijn ende alfoo gefchieden moet
uatbluffehelijcht helfche vyer / onder Dat ber: | gelijck ho toil / ende ín fijner wijshept Dat bee
felggichelijct onberdzagelijck Gerichte des Al⸗ | floten heeft.
machtigert ende grooten Godts / metten{ HNademael dan openbaer is / dat de AL
Dupvel ende fijnen Engelen eeuwig ful- | machtige / eeuwige ende onveranderlijke Dar
fen gepijnigt werden. Maer ick en begrijp Dev alle Dingen na fijn eeuwigh onverander⸗
het niet. iijck opſet / vaet / wille / ende beflupt tegeert ma.
Getrouwe Leeſer nemet waer / gelijck ick endedoet/ ende hr dooz fijn eeuwige onver: 5/7
dan den Almachtigen / eenigen / ende eeuwi⸗ anderltjche liefde ſijn eeuwig heylig Woort oft 5.
gen Godt ín fijn eeeuwig Godlijli weſen / in de Sone voor allen tijden daer toe voorſien had: Luee 17.
Heerſchapppe fijner Glorie / ín de Scheppin: de / dat hp na fijn vaft ende onberanderlijche „50°
ge ende onderhoudinge fijnet Creatueven/ in toefegginge dat nn Worden Aa, zo. 28.
| aa foude/
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
370 Menno Symon
KEN z. ónit, ven7. ſoude / gelijck Petrus fent/ fa moefte immers
Ï Heb.g.rz. dat felfde gefchien/ dat het woort ín der cijdt
APO BS. menfche worde) hae Wel wuet met het ver⸗
neft niet gatten en konnen ) want het was al-
fo fijns Nlmachtigen en eeuwigen Vaders die
alles goets ao2fpronk is) genadig opfet/ raet /
beflupt/ voorzſientghent / ende wille / Die ecuz
wig ſtaen / ende baft zijn / ende na gelupt des
Propbeetfchen Woorts / nimmermẽer magen
HENKIE DEN bevandert werden / foo geljoozt is.
—9000 Siet eerſame Leſer / daer hebt qr nu mijn |
Kitd befcheet ende Antwoort op de booz-erhaelde
Drie bzagen/ te weten / Is hy Geeft geweeft,
hoe hy dán Vleefch geworden is? Is hy Godt
geweeft , hoehy dan verandert is? Ende ishy
eeuwigh geweeft, hoe hy dan geftorven is?
gelijck ick vooz mijnen Godt dacr af geloove
ende bekenne / hoope Dao? Godts Genade /
KEEN oock beſtandigh daer by te blijven tot in mijn
IN | IH doodt.
ſtant ín Defen deel geen raet gebraeght / mact
0 delijſſe woorden aenwijſt / als Dat de Gber⸗
Gen. 3. 12. winner / Dat beloofde Brouwen Zaet upt U-
28.49 beahams / Tfaachg/ Pacobs / Gudeende
* 19 Davids geflachte ende ARakomelingen na den
Aq.⸗. 13. gleefche gebaoren/ aller Werelt Benedictie/
Scilo, Meſſias / Chaiftus Konink en Len:
Tant / níet upt een onreyn fondelijk-zaet ‚maer
unt dat vepne zaet fijns Hemelſchen Daders /
foan.8.23. Gods Woost in der Maget María den Hepli⸗
ens. ste en Geeft ontfangen / menfch ín haer gewor⸗
lean, 6.51. Denig / foo Joannes fent. Ook Ehꝛiſtus ſel⸗
HIE befept / Dat ha Lan boven ís / Dat Broodt
il ban den Wemel ís / ban den Dader untgegaen
is Joan. 16. Ende Paulus, dat Gn de Deere
van den Demel ís / 1, Cor. cap. 15. Dan boz
ben afgeklonunen ig / Epheſ. cap.4. 8. En
in Apoc. dat hu de Eerſte ende de Laetſte (8 /
Apoc. 1.18. Onfe Immanuel / Eſai.7. 15.
Matth. 1. 23. Daer beneffens doock met oo-
genfie / dat onſe Wederpartije defe ende dier⸗
gelijchte fipzeuctten Der Scheift niet ter neder
leggenen konnen / maer met vernuft / met
gedrongen ſchriften / met veel Exceptien ende
Gloſen berdzaepen/ ende op eenen vreemden
| Icken heb mp met der natueren ende bers, Sone genoemt werden /
s Verantwoordinge
Dan waer quam doch dat oberbloedige water
dat upt den harden flecn liep? De fleen en
was immers geen water / noch waterigh fub- ei 17.6.
ftantie. AS’ niet door Godts Ulmachtige „cor/io.s.
kracht (Dien niet onmogelijck en is) boven al Nam: zo.s 1.
ler menfchen verſtant ende begrijp gefehjret +
Item / dat een Maget hebzucht werdt /
waer is't af gelkomen $ anders Dan doo? Gods -
kracht ende werckinge des 19. Geeſts / boven
alles Philoſophen vernuft. “Fa ook bobben dak
begrijp Marie ſelfs / Doen ſo fende/ hoe fat
dat toegaen/ Want ickt en Weet ban geenen
Wan? De Engel Antwoozde haer/ ende
fepde: Dat bp Bodt geen dingh onmoge⸗
lijken wag. Spzak boogder/ De h. Beeft fal
ober u komen / en Be heacht des Alderhoog⸗
fen fal u omſchijnen / daerom dat Heplige dat
geboren wert (hpen fentniet/ dat Heplige /
dat van uwen vleeſch ende bloet af komt / qez
lijk onſe Wederpartijen doen ) dat fal Godts
Luc, 1.28,
Willen fin dan breeder ſeggen: So’: woordt
uc.r. 28.
palm org, Met mijns Weeren Woozt/ dat de rechteLucer=| vleefch geworden is ‚ ende niet ons vleefch en jier
na mijner voeten is / Bat mp met klare bedie- | heeft aengenomen, foo en is 't oock niet lan- {ai 7. 15.
ger Godts Woort gebleven , gelijck doe Loths
huysvrouwe tot eender Sout calomme werdt, Ge. 19:26.
en is fy niet langer een menſch oft Vrouwe ge- —— *
bleven, ende als dat Water Wijn worde, en
bleeft niet langer water, &c. Antwoozde iclt:
Defchriftfept / dat Lochs Hunsvzouwe tas
een Sout calomme / ende Dat water Wijn
worde / alfo fent fg ende fa zijn t ook
gewogden. Maer fp en ſent niet/ Dat de Drau
we een Sout calomme / ende Dat water Wijn
aennam. In gelijcker maten getupgt oock
de ſchrift Dat het woordt ís vleeſch geworden.
Maer fen fept niet: Dat het ons vleeſch
heeft aengenornen.
Vooꝛder fegge ik : Somen ong ecnige ſpreu⸗
ken vpt Der chzift boog beengen konde / dat
wogden aennemen heet / oft Dat twee Perſoo⸗
neu ende Bonen ban verſchepden aert en na⸗
tuere een Perſoon ende Soon zijn machten /
oft dater een waerachtigh Soon Lan den
beginne geweeſt was / Die niet bepde Dader
ende Moeder gehadt hadde / oft dat een
Sone fijns Daders zijn konde / bie niet uut
fijns Daders zaeten komt/ foo mochtmen
ENE geloove ende confcientie aen mi
KE EE woozt binde / ende nan waerachtigh daer op | konnen / ende de Schaift allenfins getimoht /
berlate ende betrouwe / dat dít hooge wonder: ‚Dat Icſus Chriſtus Gods Sone is / foa blijft
werck Gods alfoo ín Maria
wel (ſegge ick) dat ich ’t met
Diet goede leſer Wie nn
en bearijpe / hoe ’t gefchiet is.
ii fin keeren moeten / daerom ſegge in nach eens | haten grant een wepnigh beeeder na dencs
H dat (lt nature en beenuft den rugge biede mijn | hen.
ebiedt | Maer Dewijte fp ſulcx ninmermeer
jus Heeren | noch nergens en doen / ooelt niet doen en
gefchiet is hoe | ooch dat getumgenife Soanuis vaft ende onz
het verſtant niet | verandert: Dat waardt is blecſeh gewordenf
dat beenuft ſtrijt ooch daer tegen hoe dattet
anders na fent) kan.
eeuwigen Woozts / dan ick hier. bekerme en
de bekent hee / die is een ugenacr j ende
en getungt geen Waerhept. Mijn getupgenif-
fe/ Daer ick mp op beroepe / is bondigi ende
J
EI fchzijft oft getupght ban De veranderinge des
||
|
|
Ten laetſten fegge ich: Is het woordt niet
| vleefch geworden , maer heeft foo een men-
fche van Marien vleefch aengenomen , alg
onfe Wederpartijen ſeggen dozben / ende den
ſelpen alg een Inſtrument tat lijden voor ong
EEE | baft/ dat woort is bleefchj geworben. Pact
— 9 hoe wijt verandert oft niet / Weet die / die ’t tot
gebrzupelit / foo is't openbaer dat Jeſus Chei⸗
ſtus cen Sone ſijns Daders in der waerhendt
HEN HE onſer aller Saligheyt ende eeuwige berlo ſſin
HENIN ge/ ín fuer ceuwiger liefden Door fijn Al⸗
prijs ín eeuwighent / Amen.
Dier Sal mu beel licht nu gebraegt worden /
of dan niet de Vader Godtlijcker natueren en |
Zy? ende van waer den Heere Chrifto dan de
menſcheyt afgekomen is > ntwoowde ick :
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
machtige kracht alſoo befchicht heeft, Wem zp
(foo hem Joannes noemt) cerporatus (alg
Caſtalion dat fct) of ín Den bleefche niet gchos
menen is. Want foude bp fclve ende níet een
ander in fijn ſtede lijden / fag moeſte hj ín dea
bleefche komen / anders en hadt hin niet Konz
nen lijden, is klaerder danmen loochenen fan.
Alle die dat verloochenen (fent Joannes) dat
zn berboerderg en Antichziſti Goan. * 7.
Oor.
Op de Tegen -fpreucken. 371
Eik | Joh. à Lafco op een fondelijke geftalte verſtaen
—— ſchrijſt hy : Is hy heyligh, hoe | wil. Wil hyfe op een dienſtelhcke ende niet op
‚ werthy dan onder de (onde in des Vaders | een fondelijche geftalte verſtaen / ſo cn kan hier
nen. reynen Serichte veroordeelt? Schrijft ook op een an- | mede níet beweert werden/ Dat het waort ong
Chriftum der plaetfe: Chriftus en is geen ander vleefch vlecſch heeft aengenomen. Maer wil hu %
leert» oftec- deelachtigh geworden , dan dat de fonden (op |met j.à Lafco op een fondelijcke, ende niet Op
en dat hy verfocht worde ) ende den doot foude | cen dienſtelijcke geftalte verſtaen / foa moet gez
Hier merekt
oft Joannes
à Lalco ec-
nen pk
onderworpen zijn.
Antwoozd.
Quer fijn woorden hiet verſtaen gelijck ſy
lunden / foo (8 Chriſtus met fijn Deplige
bleeſch onder De fande ende ſchult des doots
geweeſt / is onwederfpreechtelijcit / want hy
fect : Is hy heyligh „ waerom hy dan in des Va-
ders gericht onder de fonde wert verdoem: ;
Fecht oft hu als onbepligh des gerichtg ende
des doots ſchuldigh / Godts taan ende ſtraffe
berdient hadde / moet ook alfo zijn / Wanneer
men Chaftug vleeſch ban Marien bleefch bez
weeren wil.
Ende is alfo upt fijn woorden openbaer / dat
de fonde / daer af hy verſocht worde / ín fijn
vleeſch gewoont h ]
nade boog ons / maer upt plicht oft ſchult voor
hem felven moeft geftozven zijn / want de daat
fg det ſonden loon.
Rom. 6, 23
Gen. 2. 17.
O lieve Heere / dat de arme M. fa Tar |fpracck-hondigen geerne laten Bichterg zijn.
ſterlijck ban den Sone Godts ſpzaeke / ende
onder de ſonde befloot/ och hoe leelijcken bittez
ven liet ſoude over hem gefangen Werden !
Maer al wat de Geleerde dzomen ende philo⸗
ſopheren / moet al vecht ende goet heeten.
Dit is dan op fijn aenge weten Woorden mijn
Ela. 53. 7. kozt antwoort / namelijck / Eſaias ende Dez
1Pet.2.34. teug getungen van hem / Dat hp de fonde niet
Aatt. ð. 7. gekent en heeft/ende dat geen bedrogh ín fijnen
mont bevonden en is. Jae mijn Teſer / Hn ig
hepligh ge weeft vooz fijner menschhent/heplig
fu der menfchhept / Hp ſal bok hepligh blijven
n der eeuwighept / want dat betaemde ons / dat
top ſulcken Hoogen· Prieſter heben ſouden / die
daer Hepligh is / onſchuldigh / onbebleclit / ende
hooger dan de Hemelen geworden / want fo hp
niet onfchuldigh ende Heyligh geweeft ware,
en konde hp met Loar onfe ſonden ende fchult
tetaelt/maer moefte toog fijn engen gebzeeken
ende ſchult geleden hebben. Maer migetupot
de Schxft/dat hp om onfer overtredinge wite
verwont / ende om onfer booshent wille gez
bzoocken is / Eſa. 53. 8. 9. ro.
Ee feften ſchrijft hy, end
fettinge der woorden, Gods geftalte,
knechts geftalte, van Paulo voorgeftelt, leert
ons» gelijck als dat ſoelfde, door welck Godt be-
keat wort Godr te zijn , anders nieten is, dan
fijn onmetelijcke macht, ende den glans des
Lichts ‚daer niemant toe komen en kan „ende
der heerlijckheyt ‚ datmen alto oock verftaen
moer het geene, door welckeeen knecht een
knecht bekent wort ‚ anders niette zijn , dan |
ons menfchelijcke vleefch » dat door de onge=
hoorfaemheydt van onfen eerften Vader, on- |
Rier merckt der de knecht ſchap der zonden verkocht is,
op de Ex-
ceptie,
Hebr. 7. 25.
ende feyt: De tegen-
Forma Dei ,
forma fervi.
dat hy ons vleefch aengenomen heeft, maer niet
ons vleefchs knechtfchap, &c. Hac ille.
Antwoordt.
H Jer Wil ick den Leſer ſijnen bapen wille
op een Dienftelijche geftalte / oft Dat hpfe met
faten/ oft hp de gemelde knechts geftalte
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
adde / ende alfa niet upt gez |
ende | hiet bau De dienſtlijcke ‘ende niet van De ſonde⸗
Godts geftalte fijn waccachtigh G
geftalte betungen
nochtans (fchrijft hy) moeten wy t ſo verftaen, *
hadde dat hu de Godthent edenwel niet en
ande gele hadde de geftalte eens linechts /
geweeſt / ende is daer Er oock waeracht
Ì a je | 2
weldigh daer unt volgen / dat oock Dat geene in Hil
Chꝛiſio zijn moet / daer wp ín 't verſtant
knechten am genoemt worden / naemelijck /
De fande / oft de vaorgefette Antithetss Forma,
rum is onfogmelijcl/ ende en Ran níet beſtaen r5 ,°°
‚als ghu bolgende dooz Godts Genade met ; per. 2. 15.
goet hlaet befchent hooren ende fien fult. IN
| Dat ick dat ALatijnfche Woozdelten Exina- Phil. 2.7. |
‚nivit femetiptum foude verdunſt hebben / als |
‚mp Joh. à Lafco naeſchrijft loochene ick / want
ich heb ’taeneen plaetſe geſet / ho heeft hem
ſelven verkllennt / ick hope / dat ich ’t niet atra
recht gefet hebbe. Aen een ander plaetſe / de
Sone vat Woozdt is verklepnt / hem felven te
bunten gegaen / minder dan de Engelen gez
| worden. Maer ick en heb't nergens geſet /
ban hem ſelbenupt gegaen / gelijck mp à Laſco
ſonder Waerhepdt naegeſchreven heeft / oft ick
t recht oft onrecht geſet hebbe / Wil ick allen
Icli mepne/ Wp en heeft hem immers niet
wepnigh verkleynt / nademacl hp Godts al:
machtige / ecutwige Woorzt / Wijshent ende
kracht wag / ende ſulck een arm / ſwaclkt / ber:
acht menſche west. AS oock hem ſelven nick
wepunigh te bupten gegaen / nademael hp ín
Godtlijcke geftalte was/ ende fa cen ellendigh
dienende knecht worde. Jae mijn Leſer / dat
Paulus van de dienſtelijclie / ende niet ban de
ſondelijcke forma hier gefiproochken heeft / magh
men upt volgende fpreuclien der Schaft wel
afmeten. Siet/feptCjaiag/dat is mijn knecht/ za. az. +;
iclt behoude hem / ende mijn uptberkorten/ gen Mart. 17. s.
den welcken mijn ziele een Welbehagen heeft, Matt 3- 17.
Dat de Pzopheet oft ban Chꝛiſto fpzeccht/ is
Mattheus unjn getupge. Ende dacrom wort
po fijns Daders dienaet oft knecht genoemt /
om dat u des Daders bebel / werck ende dienſt
tegen ong ellendige ſondaers Biet op acrden
untgericht heeft/als hp feive fept;: De Sone des Mercke
menfchen ís niet gekomen am gedient te Woz: Far.
den, maer om te Dienen/ende fijn leben wegh te sneer In
geven tot eener verloſſinge boog belen/ Matt. der schrift
cap. 20.28.21, genoemt is.
Aldus (ſegge ick noch eens) fpececht Paulus
lijche forma, welche Chriſtus ons ten beften ín
fijner liefden aengenomẽ heeft / want fo hp hier nn.
van De ſondelijclie / ende niet ban de Dienftiijche is nae zor. 4
forma en ſprae ſie / ſo moeſte Chriſtus De knechts Lafco grour
fchap/ te weten / de fonde ooft daer mede aen Gritum 3
hem genomen heben / oft dat woort lmnechts in : wee per-
geftalte koude met iet woort Gods geftalte in Onen ende
gelijckhept niet beſtaen / want gelijk id poogt Bren fchey-
alfo moet ook dat woogt knechts
fijn waerachtig miechtelijck
ſte unt à Laſco Argumente⸗
geſtalte Godts
fen betungt /
efen/oft Daer moefte UI
n volgen / hoewel Chriſtus de
maer de knechtſchap / te weten / De fonde en
hadde hp niet. ig:
Och neen / niet fo / huig in Godts —
ig
Godt
at
je. 3- 13
Matt, 17. 2,
Matt. xr. 5.
Matt. 9. 2,
Luc.7. a1.
In litera C.
fol. 3e & 6
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
372
Menno Symons Verantwoordinge
Godt geweeſt / alfoa heeft hu oock de aeftalte | oorſpronck afleg gaets is / ende Dat hy ſijn Al⸗
eens waecachtigen knechts aengenamen/ende | machtigh / eeuwigh ende onbevindelijck Woort
is oock daer mede eenn waerachtigh knecht gez
weeft/ als ghn unt Eſaia / Mattheo ende Chri⸗
ſto ſpeurt / ſo gehoort is. Ende in dit verſtant
beſtaet de Antithelis, Gods geſtalte ende
knechts geſtalte / ende en behoeft de Exceptie
niet / die J. à Lafco hiet gemaeckt heeft.
Ende hier is Paulug engentlijcken gront
ende Dzijven daer op / dat de Philippen niet
twiſtiſche wijſe onder hen handelen fouden/ |
oock niet haet ndel blefchelijcke eere foeclten
ende voorſtaen / oft pet dat haers ware / maer
fouden hen nae het voozbeelt Chzifti/ de een
baoz den anderen verootmoedigen / ende de
liefde nae Komen / want hoewel hy ín Godt-
lijcke geftalte was/ Jae Godt gelijcht was,
verkleynde hp nochtans hem felven/ende nam
De geftalte eens klepnen ende armen Dienaerg
oft Snechts aen / ende niet een hoogpzoncken⸗
de eens grootmachtigen Keyſers oft Kaz
nincks. Hpquam om ons te dienen / ende
‚níet om ban ons gedient te worden / Matt. zo.
Jae hp wert ong ellendige menfchen aller din⸗
en gelijck / uptgenomen De zonde, Hebr. 2. 4.
)y en heeft niet Dat fijne / maer Dat anfe gez
focht / ende is om onfent wille gehoorſaem gez
worden fijnen Dader totterdoot/ jae tatter
doot des Crupces / Phil.2.8. Ende alfa blijft
Joh. à Lafco grant noch onbeweert / dat het
woort ons vleefch, oft een Menſche van onfen
vleefche heeft aengenomen,
Maer dat hu vooꝛwerpt / dat Chriftus hier
op Aerden zijnde,ook noch in den Hemel was,
dat fijn Aengeficht als de Sonne, ende fijn klee-
deren als de fneeuw lichteden „ dat hy den
krancken genas ‚ de dooden verweckte, ende
dezonde (dat alleen Godt behooꝛt) mer een
woort quijdt liet, &c. En bewijſt niet / dat hp
daerom fijn heylige vleeſch van ong fondelijckt
bleefchh foude aengenomen hebben / maer het
bewijſt veel meer / dat hu (hoewel hn hem fa
nen tijt lanck berklepnde / ende fijn Godt-
che klaechepdt / behooz / Becht ende Heer:
lijckhepdt om onfent Wille te bupten gingh)
oock noch evenwel Godt ende Godts —
gebleven ware. Wie Godt van herten vreeſt /
Die denck 't nae / ende vichtet.
En ſevenſten, beweert hy ſijnen grondt,
als dat het woort niet vleeſch geworden
en is, maer datt ons vleeſch van Maria heeft
aengenomen, ende dat met der ſpreucke
Hebr. 2. die aldus luyt: Nademael de kinde-
ren gemeynfchap met vleefch ende bloedt heb-
ben, ishy gelijcker maten der felfder deelach-
tighgeworden, &c. ende feyt: Het Woort is
Meníche geworden; niet dat het in eenige ma-
niere fijn eerfte wefen verandert, oft fijn eerfte
geftalte verlaten heeft , maer het heeft ons
vleefch aengenomen, ende heeft fijn Gotheydt
daer mede gedeckt, foo lange Hy hier op Aer-
den wandelde.
Antwooꝛd.
Wie wie een ſchriftfoꝛmigh verſtant ende
recht begrijp ban de gemelde fpzeucken /
ende oock ban Chziſto den Sone Godts heb
ben wíl / díe moet Wel aenmercken / Dat Godt
De Almachtige eeuwige Mader | De echte
Gaerder / Wuler / Wercker / ende Den eenigen
in onbevindelijcker wijfe voor alie Creatueten
unt hem barende / door dat ſelve alle dingen ge⸗
fchapen heeft / regeert / ophoudt / ende behou⸗
den doet / ende Dat hp (u fijner eeuwiger Recht⸗
beerdigtent / liefde / ende ín alle fijn Epgene
ſchap met dat felfDe fijn onbevindelijck Woort
ende Hepligen Geeft / cen eeuwigh volliomen E- 53-15-22:
ende perfect Godt is / ende behalven hem geen
ander meer. Dat hp ín fijnen Kaet / opfet /
wille ende Beſlunt eeuwigh is / ende niet ver⸗
andert en wozdt/ alg eemnael gefent is.
nde dat defe gemelde Almachtige eeuwi⸗
ge Dader doop fijn almachtigh eeuwig Wooꝛt /
in De kracht fijns Almachtigen ende ecuwic De ſchep⸗
gen Geeſts Adam ende Eva onfer aller Da: P'Pge Adam
Der ende Moeder nae fijn Godtlijck opfet/ °
raet / wille / ende beſſunt / tot gerechtige / goede
ende reyne Creatueren tot den eeuwigen lez
ben / Jae nae fijn engen beeldt ende gelijchez
nd
niſſe geſchapen hadde / gelijck de Schrift ges -
tupght / dat hp haer dat gebodt des levens ende
Ce
Eva,
des doots hadde boozgeftelt/ op Dat fp hem Gen. 1. 2»
vreeſen / lief hebben / prijfen / dancken / dienen,
ende nae fijnen wille leben fouden.
Siet / daer hebt ghy den Schepper die Adam
ende Eva geſchapen heeft. Ghn hebt dock /
waer door hyſe gefchapen heeft / hoedanige /
33e 5.
Jo.r. ro.
ende waer toe hyſe geſchapen heeft / Wat hu Eph. 3. vo.
haer toegelaten ende verboden / ende Wat hy
haet daer bp/ foo fn hem hoozden / belaoft/
ende ſo ſy hem niet en hoozden Í gedzeyght
heeft / ende alſo begoſt de Heerlhckyent Gods
te lichten. —
Im deſe gemelde vzomighendt / heplighept
ende gerechtighent zijn Adam ende Eva ge⸗
bleven / fo lange fp niet ban Gods Kaet / wooꝛt /
wille ende gebodt (daer in het al beſtaet ende
beſtaen moet) afgeballen ende geweecken zijn.
Maer de menſche (fept Syrach) was gelaten
ín de hant fijns Willens/ Spt.rs. Maer
door de oude Slange / dat liſtige gedierte / ende
benijder Der ceren Godts ende alles goets / een
oorſaeck nam / De heerlijcke edele Treatuere
Godts heer»
lijckheydt
openbaerde
hem.
des levens upt fijns Scheppers gonſt ende gez con. 3.4;
nade ín Den vloeck ende doot te boeren / ende
de heerlijchthept Godts te verdonckeren. Wu
begoft aen Evam als dat fwachfte Vat / met
lufte des bunks te verſoeclien / want de Dzauwe
ſagh aen (fept Moſes) dat de Boom goet ende pe stange
luſtigh was om daer af te cten. /
woordt heeft ha verbalſcht ende geſeyt: An
geender manieren ſult ghp Den doot ſterven / vere,
heerlijche belofte heeft ha daer bp gehangen Gen.3.4»56.
ende gefept : Gn wat dage alyp daer af eet / ſul⸗
len uwe oogen geopent Worden / ende fult zijn
als Godt/ende weten Wat goet ende quaet is.
%dam ende Eva hebben haers Godts ende
Scheppers woordt verlaten / daer by fp alleen
leben maeften / der Slangen woozt hebben
fis gelooft / fp hebben gegeten / ende zijn dooz
Godts Heehtveerdighept in den gedzepgdden
bloeckt/ verdoemeniſſe / ende doot geballen / ende
alſo heeft de vervoeriſche Slange dat rijcke der
hellen ende des doots toegericht.
Des Heeren vervralſeht
Gods woort
ende belooft
Sap. 2. 24.
1 Cor. IF. 5e
‚Jo. 8. 44
Ae lag nude ellende vervloeckktte Adam „aam ende
met ijn wijf Eva ín deg Dupbelg gewelt van Eva des Duy⸗
boben tot beneden / Van binnen ende ban bup⸗ vels sevan”
ten met fijn onreyn doodelijck fenijn bergift/ 8"
een engendom der fonden ende Des doots qe:
woden. Wier en Was geen er. oe
U
Op de Tegen - fpreucken. 373 NN
wjdt Godts Nechtveerdighent deeceft) met | geeicht ende in Genaden aengenomen Syn. NIN
Adam ende ſunen geheelen zaede div In den beginne (fept Joannes ) — en —90—
banden / Want Dat waarde deg Heveng | woort / Dat woozt Was by Godt / en : odt 9
was veracht / Godts Heylige gebodt Was | was dat woort / gat ſelve Was In ——
over getreden / der Dlaugen fenju was me [bp Godt: Alle dingen zijn dooz dat ff —*
gedzsuchen / eplacen / Get was met haer al [maecitt;ende ſonder DAL ſeioe is niet geac kl .
veelooven. Haer agen werden geopent / de |wat gemaeckt is / EC. enoe Dat woorzdot Ù '
ſchaude wert BERENT / QE kmagende worm Daar vleeſch geworden / ende heeft onder — „ae
at Dat ongehoozſaem beſchuldigende herte | waont/ ende WI hebben fijn Heerickhep ge⸗ Bar 3: 3.
paer en was wiee Dau 't ſitceren ende beven) ſien / alg De Heerlijckhept eens Eengeboren ap Hi
fuchten enge hertenleedt. Dp vladen voo? van den Dader, vol genade ende waerhent: Cor. 15.
Des Heeren Aengeſicht / ende en wiften niet ſiet met fa heldere woozoen getunght —* —8 2.17
waer jo haet vaag fiju toozuighent verder gen Geeft; dat bepde De Scheppiuge/ ende oo € Matt, 5. 1x,
| fauden, Want Godts Kechtveerdighendt wederbrenginge Adanis ende fijns Zaets /
drang op het Woozdt / Yn wat dage JIL voor geen ander model / dan dooz Get woozt
Daer af cet; ſult ghu den doot ſterven.
geſchiet en is / ſo gehoort ig.
gier ſtonden ebenwel des Almachtigen en⸗ Ende tot eener beterer verklaringe van de⸗
de eeuwigen Gades caec/ opſet / wille eude be
feu / ende dock am vecht te teeven verſtaen /
ſſunt noch anveraadect / alg Dat hu fijn Peers | Goe geheel ſondigh / onrenn / vergiftigh / onz
tjcitgepe wilde openbaren / ende oat Ga eenen
vermogelijck id miep wy in ——
ci ae hebben nae ſijn beelt ede gez | gewogden ziju / Wick u hur EL p
| Veeken. * —** ende Schaft wijfen / die fullen u ons
Aengeſien het dan alſo br Godt / ende van vleeſchs onreynen ſwacken aert — *
Godt befloten ende voozſien was / alg gefept fondelijckt wejen mja een — el ee
is / ende het met den acinen Noam ende fijnen ralen / dat gp moet bekenuen hoe ne
geheelen Zade fo geheel upt wag } Want bp lige, Heerljcke ende onbefinerte Heplaut oe
1 den gront vol fenijns / ende voor fijneu | welcken wp alle geozedight eude Met en Ee
Godt te fchande gewozden Was / foude nu verſoent zijn ) ban edfuicken —— —*
des onberauderlijciten Gods anveranderhijken | Weken ende verdoemden Zaet * * —*
wille / raet ende beflupt genoeg geſchieden/ fo miet en koude komen / gelijck —* vr ——
moeft’ ev een ander vooz Die vak apr a ——— eben Dptiofop hiſche ceden |
pen vat moghte gelijctt ziju, Wa chrift UL CN. 4
oe neh ven —5 —— wille / ende — ee Er —— af ei J F Ex. —
met Ad as't met meer. Eter «Af Rom.7.8.
——— dat onbevindelijche eeuwi⸗ ven;&c. Mijn Leſer nemet waer dek hebt —
ge woozt / door welck Adam ende Eva geſcha⸗ ghy in deſe korte woorden De epgent re ie 39
pen waren / Daer ’t alle in beftact ; ende eru⸗ wijfinge Der eerſter gerechtigheut / — n
igg (ſegge ichi) m beſtaen moet / de Almach⸗dam in het — — sin Ee —
tige kracht ende wijshepdt Godts menfche | noch nae Oer —— been 3 fijn
worden op Dat Gp de vervoeriſche Slange den komelingen van God F ch : er ee
bervaemden Adam ende fijnen geheelen Zade fe woorden Moſis penne 1 — sdam
tot Salighept haren kop vertreden magijt. onderſoeckt u recht VOO? en — bere
In de verfaechinge overwinnen moghte / des | ten ende nieten proeft Ä of u — ke : Ù —8*
Paders Heplige ende onveranderljcken wille gen de Wet en luft/en — — on * — ⸗
voldoen / ende des — * — —* — isd Ain * — —
ewelt verſtooren moght / ende moghtea nc: | r RL 107.
* fijn — 55 — ende onbe⸗ zijt / foo maeckt ghy Godt wad pb Joh. 25-4.
blechten Offer Adam epaelepde ſchult beta naet/ 1 goan. r. Ee — — Pla *
len ende den verdienden doot met ſijnen onver⸗ alle Godts Gerechtige / Die van Den beg fa. 64.
dienden doot heren nemen ende wegh doen.
geweeft zijn / want fp hebben alle met den an —* er
— Diet dat vzeugtden-rijckt Euangelium / en⸗
deren over haer quaedtwilligh boos vleeſch jo. 8
Adam wert De deſe vroljcke tijdinge DET Godelijcker genas | immer altijt geklaeght / ſu hebbent eenpaer
met gen de· Den worde Den acmen bekommerden ende
oock (eplacen ) in de vzuchten al te veel bez
loofden Jdluchtigen Adam van Godt verkondight / DP
Chrifto vere
wefen/ de Schrift geeft getuwgeniſſe dat ick
trooft. heeft’: door het geloove aengenomen | hem
de waerhept ſegge .
Gen. 12. 18- daer op bertrooſt / ende der Genaden van her⸗Jae mijn akefee | ſoo eenige Menſche ban
en 22. ab 2Ö. ten verheught.
ydamg ſondelijck zaet — wig *
Jer. 23. 33, t {5 De Heplant / die Adam (fegge | komelijck hadde mogen vervuen rd
Ae ee eener Daouwe belooft wore BE * wang aA re eriba
EG. 9. 5. | ctie Abzaham / Iſaac ende Ja⸗ den Hoogen· Prie
Luc. 1.58 ———— Deen pceeljchen Ke — —— bied — 3 de
plante ende bzucht Davids Maaamon net! k dts eeuwige Woot geen
6 det / Alderhooghſten / Godts
tueclijche vzucht fijner Lendenen afgebee t- Menfcte bowen werden / want de ſelbe had-
Die op fijnen Stael ſitten / ende in Jacob heer” TSENIEDE BO ren upteichten/ ende de gez
ahtifck. Alle die aen Defen ges De 't wel alles moge Ie
left | bien ls Gans barmbectighept/ gez epfchte Gerechtighept tl 1 cf dn ER
nabe ende vrede · Maer wie aen hem níet en EN was daer geen — barn gee san
elooft/ ober Dien blijft Godts toopn/“{oan. 3. Godts fo hepliah/ bent atlenfing ber Beloften
Polget dan upt defen allen / gelijck als 2 boren, tm en heeft o Sefa (oock bp den offer
darm ende wp ín dar in den beginne Doo? bet Godts van 5 Godtlijcker genaden d
** gefchapen sijn, dat hp/ende Wp oock ah nd * tg OO? neb.ii.i⸗a
fa weberom dooz dat ſelve woor VAN Godt op” t Geloove Haa 3 Tact
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
De Wet
Menno Symons Verantwoordinge
Maer bebind ohp dat gn ’t fa niet en Doet (| dewijle dat ’ foo ín den geont berdorben/ ende
gelijck de Wet ban uenfcht ende hebben wil; boo? fijnen Godt berdoemt lagh / maer „het
maet dat ghp alle tijt niet alleen ban uwe moeft een menfche zijn / Die ban Adams ver⸗
luſten die in üwen vleeſche woonen / aenges | dienden bloectt / verdoemeniſſe ende doot/ daer
vochten / maer oock tegen uwen tille menigh⸗ toe dock ban alte fijn fenijn/ ſonde /en onge:
mael overlaopen wert / fa moet gp immers rechtighepdt vzn ware / ſo meer alg genoegh
Daer mede beleren / dat glu Door de Wet gehoozt ís.
tichter alle Der Wechtaeerdighent ter doodt alreede ge⸗ Merckt mijn getrouwe Hefer / ende leert
ams zaet Vicht zijt / Want fin fept : Dervloekt is die / die | hier uwen Godt m fijner genaden ende liefde
dams tact
komen,
níet alle WDaozden defer Wet en Vervult / dat | vecht belkennen. Want hoewel de geljeele
hu daer nae Doe/ ende alle dat volck fal feggen/ | Schrift Adam ende Evam met haren geheer
Amen / Deut, 27,27. len zade nae Der rechtbeerdighent dus gebeee
Siet mijn gewenſchte Leſer / wilt gn nu | lijcken onder De fonde / boeck / verdoemeniſſe
recht weten ende heliennen / hoe ellendigh/| Ende doot beflupt / foo en wilſe evenwel de
naecht / krachteloos onvermogende/ ontepn/ | bekommerde benauwde Confcientie (Dienu
fondigh ende bergiftigh Adams geheele Zaet | doo? de Wet fa wijt geleert ende gedzeven wert / :
Doo? fijn obertredinge ín hem geworden is / Datfe haer Wonden ende framen Loelt / ende — —
ende hoe ’t dooz Godts rechtveerdige Gerech⸗ bekent datſe de eeuwige verdoemeniſſe ende ——
tighept ín Godts toorn / gericht / vloeck / ers | Den doot weert ig) foo niet ín Der Hellen la: wonde con-
Doemeniffe ende doot vervallen is / fo ouder | tens (maer fin Wijft met feet trooftelijche woor⸗ fcientien op
ſoeckt mu (fegge ick) de gemelde Wet vlijtig |Den ende beelden aen / bp wien ende ban wien ——
fijck/ want fp wijſt u ten eerſten aen Gods men de rechte Medecijne halen ende ſoecken ——
wille ende gerechtighent ban u ge⸗epſcht / daer ſal / te weten bp Chaftum Jeſum. Want Rom.3. 24.
nae aock uws ſondelijcken vleeſehs onbeemo: | hie is De gene / die den gevallen ende verdoem⸗ Chriſtus is
Wie de Wet genthent ende zwackhent / uwen ontepnen | den Adam net fijnen geheelen zade / met alle ons ellende
recht ie guaeden aett ende natuere / ende dat gho nae | fijn Gerechtighepdt / verdienft/ Crups / Bloet —— van
neemen Leert rigeur des gemelden Nechtveerdighendts al- | ende Bitteren doot / ban Godt anfen Memel: SL, vader
hem felven
kennen.
Galat. 3
Gen. 3. 17.
Luc. tr. 21.
Jo. 12. 31.
en I4. 3%
Col. 1.14.
gefchonc=
reede des doots zijt / dewijle glhn door uwen | fchen Dader upt Daderlijckte gonft ende genas ken.
aengeboren ſwacken aett ende quaet vleeſch de totter eeuwiger Salighepdt geſchoncken /
fn de ge-enfchte gerechtighent foo niet en Wan: | Ende tot verſoeninge gefonden is.
delt / alg u Godt in fijn Wet (feage íclt) Dat op-) Ick mepn immers / Dit ig Wel een vzeugh⸗
gelent ende bebolen heeft/ gelijck ghn door De Den-cijcht Guangelium / ende bzolijche boot: Gal. 3. ze.
Salvinge die by u is / als ghyſe ſiechts vecht | fchap boo? alle bedzuchte / bedzoefde zielen (Die
waerneemt / aen u ſelben opentlijck ſpeuren door de Wet ín de bekenteniſſe det fonden ende
ende fien meught. Diephept des Doods gedzeven / Loor Godts Rom. 7.
Vengefien het dan met Adam ende fifnen rechtbeerdigh Ozdeel ende ſirengen Coorn faa Fom 28
Zade ſo geheel berdopben is / de natuere cepn dootlijck berfchaichen ende beven ) dat de alz
ende goet gefchapen / foo geheel ancepn ende ‚machtige eeuwige Godt ende Dader ons de
guaet doop hem geworden is / ende alfo ín dat lendige / nietige ende verdoemelijcke fondaers/
Nechtveerdige gerichte Godts berballen/ alles | Die fa wijt ban hem berdzeemt / ende nac fijn
onder De zonde beflatenis/%c. Doude nu dit ſtrenge vechtbeerdighept des eeuwigen doots
feniju in fijn kracht gefwacht worden) Adams, ſchuldigh Waren / in fijner eeuwiger Liefden
gevangen natuete ban Den vloeck ende Dat | alfa bemint heeft / Dat ha oock fijn Almach⸗
techt Der fanden log worden / Godts gerechtig: | tigh Eeuwigh onbebindelijck Woozt / fijnen
hepdt vernoeght worden/ des Dupvels gewweit [eenigen / eeuwigen ende lieven Sone / den
verſtoort worden / vloecki / toorn / verdoemeniſſe Blans fijner Heerlijchhept tot een bewijs en- Jo. 4. r
ende doot wegh genomen Worden / dat hant⸗ de middel fijner Bodlijcker genaden facen 1243
fcheift des Wets/dat fulche Gerechtigheyt ban | arm / ſwack / ſterffelijck mensche / dam in der aeg
Adams kinderen epfchte / in ſtucken gebrooc⸗ der natueren voor den val gelijck / in deſe bee Heb. 3
ken woeden / Godts eeuwige booeftenighent/| droefde Wereit gefonden heeft / ende Dat die Col. 1.16
Kaet / wille ende Beflupt boltogen worden / ons dooz fijn votmaechite gerechtighent / gewil⸗
fijn Bijclt ende Heerlijclihent bekent worden/ | lige gehoorſaemheyt / ende onſchuldigen anders
ende moefte foo cen Menſche Daer zijn/gelijcht dienden doodt / upt Dat Wijck ende gewelt
Gods KHaet / wille ende Beſlunt enfchte/ alg | des Dupbels in dac Kijck fijner Godtlijcker
gelhaost is / drong Gods ceuwige Wiefde daer | genaden ende Des ecuwigen Bredes geboert
Hier mereke henen / dat daer een ander menfche voor moe: | beeft.
wat Godts
liefde ne-
ven ons
befchickt
heeft.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
fte/Die den Dunvel oberwonnen / fijn Wijck en-| __ Nademael dan de Schrift den eerſten Adam
de gewelt verſtoorde / Gods ge-enfchte Gerech⸗ | met fijnen geheelen zade tot alſulcken onrep⸗
tighept bolvoerde/ fijn Heerljckheyt bekent | nen / fondelijckken/ verblockten ende verdoeme:
maeckte/ eenen vepnen Offer dede ende Die al | den Adam maccht / ende Chriſtum den twees
fo upt medelijden ende Liefde/niet ban Adam / den Adam Lan alle ontepnighept / fonde/
maer boo? Adam / ( Adam ende den fijnen cat vloeck ende verdoemeniſſe ben fpzeecht/ fo kan
een eeuwigh Hepl) fonder alle fijn fchutt ber- De onvartijdifche redelijcke Hefer daer upt wel
bloeckt/ ende totter doot gerichtet worde. Oy | beemercken/hoe alſulcſie cdele —— vrucht
Dat alſo de Berdozben ende verdoemden Adam | Lan alſulcken ſtinckenden Plierboom ende
met fijn verdorven ende berdoenat zaet weder ſtinckenden Dooznuen-Boſch niet en konde
Doo? fijnen Fame in genaden aengenomen, | geplucht werden / die maer moeste ban eenen
ende van haren fwaten bal verloft worden. anderen af komen / te weten / van den genen
Het en konde (ſegge ick noch eens) geen | díe Den eenigen oorſpronck ende eeu\migen Put
Adams menfche zijn / Want Adams berdaz: | alles gaets is / alg gefent ís,
ben vleeſch en vermoght niet alfo cen Pzucht Dat Chriftus Heylige ende ſalighmae-
van hem te baren / die ſulckts konde uptrichten / kende vleefch van Adams fondelijck ende
ver.
Op de Tegen-{preucken.
verdoemde vleefchniet geweeft enis, mach’ Hnuis dat Geeftelijk Paeſch Lam, YAM. aus ie
upt defe volgende Spzeucken ende Beelden 1. 1. Eor.5.6. Dat ſonder alle vlecke 18 / Mons geeftelik
ber hepliger Schrift m goeder klaerhent wel
gemerckt worden.
Wp gingen alle Daalen (ſeydt Eſaias een
negelijck ſynen wegh / maer De Heere werp
onfer aller fondenop hemm. dp en heeft nez
manden onrecht gedaen / ende dat besroch en
(8 ín ſjnen mont niet bebonden/ evenwel
— wilde hem De Heere alſoo met kranckhendt
repos flaeny&. Efai. 53.13. Heeft oolt 43.25. 36. 3-
fi maefte betalen fppzeelit De Pſalm in per”
fonaChrifti, dat ickt niet geraoft en hadde /
Pſalm 69.
en
Se
Hp heeft anfe fonden (fendt Petrus) ap dat
hout gedragen in fijn lichaem / wp zijn Door
fijn wonden genefen oft geholpen / 1. Petr.2.
r.loan.3.?. 22. Eſai. 53. 12.
Rom324- Die geen fonde en Kende (fepdt Paulus)
heeft jp tat fonde boor ons gemaeckt / op dat
kop de Gerechtighept fouden Werden in hem
die voor Godgelt/ 2. Cor. 5. vers 21. Tam.
î Item | fp zijn alle ſondaers / ende haet an:
breecht aen Gods eere / dan fp worden gevecht:
geerdigt ſonder verdienſte upt fijner genaden /
dooz de verloſſinge die Door Chriſtum gez
Jeſum Chriſtum foude gegeven wozden Den
Selovigen/ Gal. 3.2
Gods daer toe verſchenen ís / dat hy onfe ſon⸗
den ſoude verloſſen ende in hem en is geen
welkers bloets befpgenginge ende Hepliginge / rac{ch-Lain.
375
dat untverkoren Iſrafl Godts in het midden
van dat weeede dupfter Egppten deſer Werelt
vooꝛ den flaenden Engel eeuwigh in Genaden
behouden / ende voor Godee Coopu bewaert
werdt / Erod. cap. 12. vers 23.
9. 16
Pum. CAP.
| Do is dat waerachtigh Hemels broot dat
| niet ban natuerlijck koten oft Tarwe (ick
‚mepne van onfen fondelijken vleeſche)
uptden Dauwe des eeuwigen Wooꝛdts qe
|tvosben is / datdeeenige ende waeracht IGE 1, 15 ro.
ſpyje onfer zielen is / Daer bp wp eeuwigh (Da sap. 16. zo,
vp hem flechts doo? een angevalft Geloove
recht eten) leen ſullen Erod. 16.5. Hum.
(rr. 18. Goa. 6.54. APAC. 2
- Je
jyn is ben ſteen tander handen (d
Ber menſchelijck toedoen) ban den Bergh gez
eenen dzoom verſcheen / ende van Daniel bez Leen tonder
L handen.
Leen Matth.28.18
(diet Mert / die Dat Yſeren Metael /
A Deut. 8.3-
atis / ſon⸗ Ex. 16.16.
Chriftus ie
denafge- —
ſcheurt / dic den Noninck Nebucad Nezar in sneu
Ghriftus is
maet dat waerache
tig hemels
Broot.
Matt. 4. 4.
Plalm 119.
Oa.
8
xden
| Dilver en Gout / Ga alle Konincheijchen Dez , cor. 15.25.
fee Werelt vermopfelen en berftaoren |
—
hy heeft alle macht in den Hemel en op Aer⸗
den / cen geweldigh heerſchappen
de Koninck
chiet is. | overal, en fijns Eijks en fal geen epndezijn /
Item / De fchzist —* alle onder — ſonde —* op gee —* valk kamen /
6 nat de belofte vpt Den gelove aen | Luc. & apttle” 2)
noi peren —— Siet mijn goede Hefer; met defe gemelde
2% ſpreucken En — — ſoo a
jere Dt “foanmeg) datde Soone | Godt zeeft / oft ook ſulcken Heere M DEE
— — a 4 Scheifegegrout is / Die Daer op-Dringt / dat
defe gerechtige, heylige» onbefmette ‚ ge-
Dan. 2.44.
onde! 1. Goan. 3.5. Leeſt dock alle deſe hoorfame ende Salighmakende Heylant van
fo U,
Scheiftueren Eſai. 7. 9. 40. Jerem. 23. 33.) Adams ongere
pefecapitt. Fich. 5° Bar. 3. Goan. 1.3.5 6.8.9. 10. gehoorfaem ende
wijfenaen» I1. 12. 16. 17. T+ GOL. IS: ict.20, Eph. foude gekomen ;
wie Chriftus
is, emde van 4« 1. Cim. 3- du, Joan. 1/2, 3/ 4/5. Heb. 1.
waerhyis 2/3 7| &C. Apoc. 1. 19.
Hier volgen (ommige Figuren.
chtigh; fondig, onreyn ‚ on-
verdoemt vleefch oft zaet
ende menfche daer af gewor-
den zijn. Och neen. Dit vepne klare Water/
Daer mede afte onfe vlecken moeſten afgewaf-
ſchen warden / en konde wat alſulcken onrep⸗
nen / madigen vuplen put níet geput werden
eewiglijck. Een pegelijk denkt na) Wat heur
cheiftus ie N is den Geeſtelijeken Boom des levens deg Heeren woort leert,
— ‘boom midden ín den Paradijſe Gods / die niet Nu willen wy door deg Leeren genade De
destevens. gam Wenſchen handen / maer van God feloe
Gen.2.7-3 geplant is Gen. 27. 3.22. Alle die Van Dez
—* ſe Booms vzuchten met reynder herten eet /
fal eeuwig leben / ende fijn bladeren Dienen Lot
cfonttept Der Pepdenen / Apoc 22. 3-
Chriftusisde © Jap ig de Geeftelijche koperen Slang? by
—2 ei der Moſaiſche Dlange afgebeelt / Num.cap.
Slange. 21.9. Die ong ellendige Sondaerg in de wil⸗
pe Wooeftijne deſer Werelt tot een heylſaem
Teecken van den Pader opgericht is / Die wel
per fentjuigen Slange geftalte hadde / cven⸗
voel fijnen fenijnigen actt ende natuere niet en
hadde. Alle Die aen hem gelooft / is ban den
woeckt / verdoemeniſſe ende doodt door der
Slangen igevoert / al ontloft. Maer wie
aen hem niet eu gelooft / over Dien blijft Gods
Toorn / ende moet DOO? fijn eeuwigh durende
rechtbeerdighept dent gypgelepden vloeck / doot
ende der verdoemeniſſe ceuwigh lijden en drza⸗
en / Joan. 3. 36.
zen Î8 den Geeftelijckten Genaden CThꝛoon /
Chriftasis, je iet oant Vuerenhout / gelijck De Weclie /
—— en mt, j de ig | Landen
ken genaden maer van fijnen lauteren Gowde i
fracl. welclien ons God genadigli verhoort / eude
Door fijnen Geeſt ende Woost met ons ſpzeelit /
Erod.25. 37. Mum. CAP. 7- Won. 3.24
Peb.4. 13. 1. Joan. 24
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, D
— ike Bibliotheek, Den Haag.
gemelde ſpreucken Bebe. 2. Cen wepuig wijz
der nadencken / op dat wy den grond en waer⸗
hent van de ſelve vecht baten mogen / ende de
| geſent wort.
Wederpartij aok niet en roeme / datmen hen
niet en beldoet / ende Wil u eerſtmael tot dat
gerfte Capittel Hebz · hier acweefen hebben /
wilt wel aenmercken / wat van Chꝛiſto daer
5
al/ want Eph, 1. zr.
Een eevften fept het : Dat Gad ín deſe laet revr. 1.2.
ſte dagen tot ons geſprooken heeft Doo? Den
Sone / Die pr gefet heeft tot cen Erfgenaem
ober alle dingen / door wette hn ook De Werelt
gemaeckt heeft.
Cen tweeden fent het / dat defeloe Sone /
den giants der Peerlijchtgent Gods / ende dat
uptaeduchte Beelt fijns weſens is.
Een derden dat ho onſe ſonden door hem
ſelven gereynigt heeft.
| en vdierden dat hp de eerfigeborene So⸗
ne Godts fs / ende dat hu van alte Engelen
Gods aengebeden
wort.
Cen vijfden/ dat ho Godt (8 / ende Dat fijn paars.
AoAhijk en ſtoel renwigh dueren ſal.
| Cen feften/ dat hp de Aerde gefondeert
heeft / ende datde Hemelen de wercken ſjner
handen zijn / Ec.
Ick
Heb. 1. $
Ick menne immers / ſoo an deſe fipzeulten
met ernſte na dencſit / ende vecht aenmercht/
fult qu haeft gevoelen / ban waer Chꝛriſtus ge⸗
kamen is / wie ende hoedanigh hp geweeſt is.
@enrr, Mant deſe openbare getupgeniſſen leeren
Pí33.6. klaer / datde Werelt dooz hem gemaccht ís /
Eph3. 921.3. Dat hu den glans der Eeren Gods is / dat hu
For k16- onſe fonden doo? Gem felben geeepnigt heeft /
Pal, 102. 26. Dat hu de Eerſt gebaoren Done Godts is /
x Joan.r. 7. Godt í$/ ende de Herde gefandeert heeft /
Gol. r.x5. * Dat Marien vleeſch geenſins zijn en
tande.
Willen fp nu fegaen/ als dat de gemelde
fpreucken niet van Marien Sone, maer van
Joan r; 1e Gods Sonegefproken zijn, fog beltennen fin
Joan.9.37- Daet iede eenen gedeplden Chziſtum / twee
426. perfoanen/ twee fanen/ Ec. Wozden ook daer
7 ——— *beneffens van deſelve ſpreuken openlijk over:
Heb.s.14. tupgt/ datſe van den geheelen Chzriſto geſpro⸗
menfchelijck lijden ende Maat Lan onfe fonden
gerennigt / als de Schzift leert 1. Joan. 1.7.
r. Pet. 1. 19.
Maer wilen ſy hen op dat Sinecdochen bez
roepen / oft de gemeynfaemheyt der namen,
foo antwoorde ickt met Koste flechte Woorden
als dat de eenvoudige getrouwe herten Pez
trug ende Joannes de Viſſcher Martha De
koli-macgijt / de goede flechte Nathanael / Ec.
Van al dusdanige Datanfche getupgenis en
de menfchelijcke floechhept niet geweten en
hebben / maer ſy hebben den fienlijcken ende
grijpelijcken Chaifto den prijs gegeven / ende
bekent / dat hy de Sone Gods was/ Matt.
16, 15. Gaan.6.69. Gaan, 1r.27.
Dit felbe becklaect dat tweede Cap. noch
—
gp fijner gedenlit? ende Des menſchen Sone
dat an hem beſoeſit? Go hebt hem cenen klep:
nen tijt det Engelen taten ontbeeren / met
prijs ende eere hebt qn hem geleoant/ Ec.
Pier il ick den neerftigen Leſer getrouwe
lijck vermaent hebben / lp Wel aenmercke /
EeasmusHie- Sat bende Erafmus ende Hieronymus fn haet
Hebez5. Hatijnfche Traflatien hier gefet hebbenf qu
Phil.2.7. _ hebt hem cen wennigh lileynder dan de Enger
Palm8.7. fen gemaecht / ende dar de Debereufche Pſalm
heeft / gp hebt hem een Wepnigh minder dan
Godt gemaecht / met pzijg ende eere hebt qu
hem gelieaont.
Ende Defen ſin ſtemt met dat woort Paulí /
Hi Daet ha fept: Hoe wel hu in Godlijchter ge⸗
Tais ftalte was / ende boor geenen voof achte Bodt
| | gelijk te zijn / heeft Gy hem evenwel verkilennt /
| ende de geftalte eens knechtg aengenomen /
É
Lue.s.53. Phil.z.7. Noch fept hp aen een ander plaet⸗
fe: Doe hurijck was / ís hp am anfent wil:
fe atm gewaden / 2. Cot. 8.9. Stemt oock
met Cljziffus woort / dat he fept : Wader ber:
HER | klaect my met de klacchent / die ick bp u had:
HERH De / eer Dat de Werelt gefandeett Worde/ Ho,
HK IE le.r7.as 17.5. Ick mepne / defe heldere fpzeuken enz
J | de openbare getupgeniffen bewijfen wel / dat
| onfec Weder pactijen leere onfchriftmatig enz
a de dwalende is / Dat huſent: Gods Sone is in
fijn eerfte geftalte ende wefen ongequetft ge-
bleven.
wijder / ende fent ; Wat isde menſche / dat,
376 Menno Symons Verantwoordinge
des doodts gelkroont is met prijs ende eeren /
want gelijk bp hem tor gehoorſaemhend op dat
alder-Diepfte ong ten Dienfte verootmoedigde /
alfoo is hp oock wederom ín de alderhooghſte pnit. 2.5.
hooghend van fijnen Dader verheven. Ende Eph. 4.8.
heeft alſoo doo? Gods genade boor Vdam ende
fijnen geheelen zade onſchuldigh den dood ger
fmaecht/ Die anders vpt deg Doods gewelt
níet en Ítonde berloft Wozden. Want het bez
taemde alfooden genen / om wellien en door
welken alledmgen zijn / die Daer beel kindes
cen ter Heerlijckheyt heeft gevoert dat hp
den Hertogh en Dozft haerder ſalighept / door ze. ra.
lijden volkomen foude maken / dewile bepde
de Heplighmalier Chriſtus / en Die doo? hem
gebepligt wozden/ de Wedergeborene / unt
een (Dat ig upt eenen God) zijn.
nde alfeo hebben de Gehepligden t° amen —
eenen Dader met haren Heplighmalier / gelijk „per. 1. 4
Apoc.1.5. kenzijn/ want hu alseen mentche met ons Joannes ſeyt: Doo vele als hem aennamen/ 1oan. 5.2.
menfchen heeft geſproſien / zijn ook door fijn | gaf he macht (merckt) Gods kinderen te werz Pe Heyligh-
maker is
Den / Die aen fijnen Qaem gelooven / Welcht orrigus, de
niet upt den bloede / Ec, Maer die pt Godt geheyligde
(merckt) geboren zijn / en daerom en ſchaemt zijn de we-
hem onfe Wgeplighmaker niet / defclve zijn ge- dergeborene
bepligden/ fijn Waoederg te noemen / eñnde De wederge-
fpzeelkt ; Ph Wil uwen name mijnen Bzoedee boren zijn
ven verkondigen / ende midden ín Der Ge⸗ ook Chritus
mepnten uwen Kof-fingen. Fa weerde Wez Breder en
fer / Soo Chriftus vleefch van Adams vleefch eenen vader.
waer, ende wy des vleefchs halven , fijn broe-
dersheten {ouden , als der Geleerden grant
is / fo moeſte d' een Gzacder dert anderen baz
ven / Daer toe moeften oockt alle Godtlooſen /
Ja Hoeren en Boeven Chriſtus Bzoeders en
Zuſters zijn / is ſtercker algmen weder · ſtrij⸗
den kan.
O neen/ Wíe fijn Broeders en Suſters zijn /
heeft hp Matth. 12.48. Marc. 12. 35. Luc.
8, 35. ſelve wel verklaert / ende ennoemt oolt
Die bier niet alleen fijn Broeders maer oak fijn Jo-rs. 24+
Kinderen / en fet: Diet hier ben ick ende de Heb-2- 15°
lainderen die mp Godt gegeben heeft. Wozden iae. 7,5.
daerom fijn Kinderen genoemt / om dat hyſe Eni. 3. 10.
met Den woorde fijner / genaden / dooz de Gel-4- 15.
kacht fijns PepligendBeeftg in de befpzengin: PPI 10.
ge ſijns rooden Bloeds Bode fijnen Wader
tot kimderen gebaert heeft / Die hr dock op een pe,
ander plact!e fijn Ioeder / Bemet / Bleefchp mactheus sr.
en beenen noemt / Die fa naden vleeſche geen- so-
fing zijn en konden. | apsis
Ja mijn Leefer / fo hy fijn vleefch van fijn- —2 .
der kinderen vleeſch ontfangen hadde, geiijlt Ephefen 5. 30
à Lafco met den ſijnen dringt / ſoo moeſten de
liinderen den Dader gebaert hebben/ Chgíftug Adam en
de nieuwe Adam moeſte aak tot fijn nieuw E⸗ zva, maer
bam feggen:il ben vleeſch van uwen vleeſche / Eva was van
ende niet leggen: u zijt vleeſch van nijnen Ada:
bleefche. Beeeſt gu Bodt / foo denliet na / en
richtet / Gen.2.23. Mal. 2. 14.
Hier volght de Spreucke.
met vleeſch ende bloet hebben / is hu gez F * —* 14.
lijcker maten der ſelber deelachtig geogdeu / ; cor: 15- 54
op dat hp door den doodt de macht neme / —
dien / Die deg doodts macht hadde / dat ig/ 2 TME
N Ademael nu de kinderen gemepnfchap Heb- 2 &
— — —
Ende deſe felbe Menſche / die aldus ber: | den Dupbel/en verloſte die die door de peucht
ij Phil.2. 7. kleynt ende om onfent wille minder Dan Godt | Des noods haer leefdage onder de knechtſchap
EE Heb.3.7. ende de Engelen geworden was / fien ton | Sijn moeften / want bren neemt niet de En⸗
9 (pzeeclit hn) dat Jeſus is / die Door 't lijden gelen aen / maer Abzahams zaet neemt be
| acu,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Opde Tegenfpreucken. 377
aen/ daerom moefte hy ín alle Dingen fijncn ke ontfanckenifle, geldt Johannes à Lasco marth.4.ze.
bzoederen gelijck werden. dringt / ende hebben wil / Want het is Doop Lac. 1-31
Siet / Dit is De wichtigſte ende ſterckiſte De geheele Scheift openbaer / dat de ontfanc⸗
fpzeucke ; Daer mede Johannes à Lascode ge⸗ keniffe beven der natueren ín Maria vermid⸗
heele Schrift (aengaende deſen Artijkel) in delt den gelobe daor den Hepligen Geeft gez
twiſt ſet Chriftum deylt, tot twee perioo- ſchiedt is / gelicht boven meer alg genoeg bees
| neaende fonen maeckt, ende foo hp mepnt: klaect is.
| alle fijn Argumenten / fpzeucken/ glofen/ Cen 5. aenmercht / dat de woozden vleeſchs
ende Dat geheel erk in een flupt. Ende tig endebloets deelachtigh worden / anderg bier
fijnen epgentlijcken grant ende mepninge/ ge- nieten zijn! Dan vleeſch ende bloet hebben /
lijck de kinderen vleefch ende bloet hebben ‚.nademael fijn kinderen ende WGzoederg oock
foo heeft ook dat woort , oft deSone Gods na bleefchj ende blaet Gebben / fa ’t Sebaſt. Cafta. Et ipfe fimi-
gelijker macten (ijn vleefch ende bloet van der | ook gefet heeft / doch met ſullten ouderfchent/ —————
ſelver kinderen vleefch ende bloet aengeno- Dat fijn vleeſch heuligh was / ende van geener
men oft ontfangen, ende heeft alfoo Helle, fonde en wiſte ende daerom De berwijfinge
Zonde, Doot ende Duyvel in onfen vleefche! oft de vezrottinge oock niet gefien en heeft.
overwonnen, &c. Maer fijnere WDzoederg ende Kinderen bleeſch
Aengeſien hp dan de gemelde fpreucke ſoo ſondeltjck / ende daerom ook Lerganckelijk/
heftig dzingt / daerom heb ick doch in aengez| E&OE. 15,53. 1. Cor. 5. 4,
togene aenwijfinge foo vijchelfjck iwter Cen6. aenmerckt / dar Paulug de Waor
Schaft vaorgebragt der gemelder kinderen den berlachttg Worden/ miet alle wegen in een⸗
acngeboren / onrenn / ſondelijck vleeſch ende Derlep ſin en gebrupeht. Do de andere (ſchrijft
|
|
natuere / haren verdienden doodt ende Gers, GP aen cen plaetfe) Defer macht zen u deelach⸗
Doemeniffe / daer tegen Chziſtus venne / hep⸗ Ugzijn/ dat is ſoo de andere Defe macht aen
lige vleeſch ende natuere / ſjnen onerdienden U/ oft tot u hebben. Item / díe daer dorſcht
Dood ende gericht / op Dat de Leefer met ſullis Die Doafcht ap hope) ap dat hu fijner hope deei⸗
vecht bekenne ende bate / Dat de Veere Jeſus achtig werde, Dat ig / Dat hu ontfange dar hu
Ehꝛiſtus van alfulcken onrepnen Lleefch ende, hoopt / 1. Cor.9. 12. Item int ro.x7. 21, Dog
Zaet Der kinderen niet en honde afkomen / oft felven briefs wordet vaa? genieten gebzuikkt.
foacen Menſche tan haer aennemen / want |, engefien dan/ Dat Dit ſelve deelachtigh
Der kinderen bleefchh ( fegge ick) is ontepn enz, Wozden ín Ber Schaift níet allenfing cenerliep
De fondelijck / maer Chziftug bleefch vepn en⸗ bediedinge ende fin en heeft / foo en moet ook
De heplig. | miet anders (foa Waer ꝰt voozvalt ban na den
Nademael dan fijn reyn vleefch van der vechten aert ende grant der Scheift uptge⸗
kinderen onreyn vleefch niet zijn en konde, ſo denlt ende bediet werden | oft de geheele ſchzift
berhaelt is / ende onfe Wederpartijen het noch Wroefte am fag cen woorts wille gebroken / en
| ebenwel met defe fpreuche hardt dzijven / faa | de op eenen vreemden fin gekeert zijn.
wil ichfe daerom Lan woozde te woopde neer⸗ Cen 7. acnmerekt / Dat Dat waordeken
ftigh onderfaeckten / ende Door Godts Bena: eorundem, dat is / Der felter; De namen bleeſch Dai Proud
De op elk Waogd den Veplfamen ſin / ende ende bloed verhaelt / maer niet Dat vleefch en men iptorura
dat rechte verſtant wijfen. de bloedt Ber (ifmderen / Want Dat is ín Gem van à Laico
Cen 1. aenmerkt Dat hier met dat waagt ende van hem onrepn / ſondelijck / Doatfchul- hie: br gelet,
índeren/ geen ander kinderen beteekent en digh ende beevlaeckit / ja want hier dat vleeſch Teainstores
werden / dan díe hier boten oon Chaiſtus bzaes ende bloedt Der kinderen verhaelde / gelijek niee bevon-
Deeg genoemt zijn / te weten / die aen Chri⸗ Johannes à Lafco ende M. M. dringen / alg den, wilde
ſtum Jeſum geloven / ende door de Iebendige dat Gods Sone een volkomen mentche mer PPA EYE
kracht fijug Geeftg ende Woorzdt upt God gez lijfende ziele van der kinderen vleefch foude main 3
boten werden / alg gehoort is | aengenomen hebben , fag maeften alle defe na zijmden ſin
Cen 2. Uenmercht / wat het na der Schrift verhaelde ſware ende onoplafFelijke Inconve- ——
geſent is / gemeynſchap met vleeſch eri bloedt | nientien daer unt volgen / is onwederſpzelielijk. 7"
hebben / dattet niet alleen en is / vleeſch ende Cen eerſten / een onrepn / ſondeljck ver⸗
bloet hebben / gelijck ’t ſommige getvangfe: Dloekt/ berdaemt ende doocſchuldigh Chei⸗
veert Gebben / mraer Dat het ook is / hem met flus gelijkt dat vleeſch der kinderen ig / daer af
bleefcip ende bloed vermengen / ende doop De, hu dat fijne aengenamen oft ontfangen hadde) — gg
verdorven luſten onſes vleeſchs De Dingen doen Want foe waer Der kinderen vleeſch is / Daer ————
die ong van God verboden zijn / Bom. cap.7. moet ook der Kinderen ſonde ende block zijn / ik en wilde
verſſ. 7. 3.20. en kan men niet loochenen / oft de Nechtbeer⸗ fin ——
Cen 3. Aenmerchkt / nademael de gemelde dighent moeſte verandert / ende Den bloeit Fen maer
kinderen noch ſulckie gemepnfehan met haren dooz ons epgen vleeſch wech genomen ende qe hy ende jn
fondelicken vleeſch ende bloet hebben / ende, eput zijn. Medehulpers
met faa een menfchelifche ſwakheyt behecht Daer op mp M. ín ong eerſte beſpreck met enb
zijn / daer dooz fp altijdt (Doch) tegen haven, hem gehouden / alfoo antwoozde: Chriftus fe tegen ons
wille ) ſtrupkelen ende feplen / Datfe daerom waer reyn: ende fonder fonde geweeft, ende Schrijven
oocit ſoo eenen Woogen-priefter heben moe⸗ dat daerom fepde hr / om dae Maria hem niet Wilden, foo
flen) Die met bare menschelijke gebzeeten| uyt mans zaet door vermenginge ontfangen en vrecfende ©
konde medelijdigh zijn / Bewijle hp oock naj hadde. Antwoorde ick / foo hoar ick Wel / gefcyt heb.
gelijker maten berfocht wert / hoewel fonder | foo is De fonde unt de bermenginge / die Gody ben
fonde/ alg gedacht is. ordeninge is (ende niec unt Adams obertredin⸗
Cena. Nenmercht/ als dat Dat Adver-| ge. Doen ſende huneen / Gods rechtveerdig-
bium fimiliter, Dat is gelijſier⸗maten / hier wel heyt dede het, dat hy in fijner natuere verdor-
cen waerachtige menfchelijche natuere in ven wert. Ah bꝛaegde / hae? hu ſende / om
Chꝛiſto betupgt / maer niet foa een natuerlij- dat God gefproocken hadde; In welcken dage
EE K
ein, Ü h gy
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— —
— —
— — — —
— — — — — — — ————— —
De
— —
— — —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
373 Menno Symons Verantwoordinge
Ce ult ey den door fterven. Dat gehoortig/ ſo waer ’t openbaet / bat Chꝛriſtus
— ſoo is Godt een oorſake van miet cen oue jug Mocders / Maet bi
dames fonde geweeſt / en moet mc verſtant tentoa Creatuer / bunten alle Bonte Gee
De gedzepghde boet met alleen De ſtraffe der ninge / DOD? Dat mwaonende woort van haren
fonden / maer ook: De fonde fele zijn. SAL ſer⸗ bleefch gefchjapen waer. BAREN
De, Martine / merckt doch wat veder dat gu Cen tjtenden: fa Bat eeuwige — —
Peꝛengt. alles boo? geſchapen is / fo een Creatuerilc
Na M. fen- ** cmeden volgt een gedeplde Chꝛiſtus / Sone van der kinderen oft Marien vleefch hade
Rede Godt- daer D? een Helft van den Hemel / ende DE AN? de aangenomen A ende en daer —
lijke perfoon ger helft van Der Verden zijn moefte. alſoo in eenen perfoon * Hg —* igt;
ingeenper genderden/ twee perſoonen ín Chriſto / een foo moeſten De schepper ENDE dn eld
— — GSodde inu perſoon / ende een menfchetijk pet- Gods Sone founder — * —
Aldusver- foon. Daer op np M. ín’t tweede beſpreck ſo Done ſonder Dader cent — * B
kreupelt Antwoorde: Daer en waren geen LWEE perfooe | en Doon geworden zim / 18 onwederſpreke Jk.
tlm nen in Chrifto, maereen perfoon, want hoe Cenelfoen ; Heeft dat woort ſoo een men-
bat ik hem wel het woort een perſoon (feyde hy) van ecu- fche van Marien vieefch aengenomen, ende en
de waerheyd wigheytgeweeft was, foo en was® evenwel, íg”tnict fctue menfch gewaden fo en 1 EDE
—— doen ‘het in Maria quam ‚ geen perfoon. |geen waerachtigh Vader Chꝛiſti Maria geen
hiervoorde Pooꝛrder ſende hy ook / hoe wel elck menſche waerachtige Moeder/ ende Elfs geen
menfchen anti adr ft wWaerachtigh Sone bepde fijns Daders ende
nenfchen, Gen perfoon is, endede menfche Chriítuseen ‚ W erachtigh nae | ——
ende hier na- Eer —— Aſche, even- ft ns Moeders « Daer LOL isde geheele Schzift
meuſche was, gelijk een ander meniche; fgns Moeders herrnt Dat. Cialis
Gadsftoel welen was de menfíche Chriftus —— Eeen daer betupgt / dat Chziſtu
Eren LIck fchame mp / dat ick alfulke GAS 8. —
ae reen zn, Becht heeft; Dick ——— vak alie * —
Paulus geſent: U bi diſputatot feculi hujus ? gene onoploſſe ed —— — — ge | h
Cen vierden / twee Sonen in Chrifto, Godts verktaren/hoe Jo annes à Laico Dil * ——
Sone fonder Moeder } en die onlijdelijk, ende eorundem NIet na F Schaft —— en he *
des menfchen Sone ſonder Vader, en die lijde- | Cen 8. Nenmercht/ —— a —
lijk.dat ool: M.M. meer alg eeng oft tweemael DE Hoeft onſer Salighept — Ey —— Merkt waer-
Et hac fefme Yaan 11 iedebicke woorden /bepde is / te weten / dat be den Oz;t DES LONS) om Chriftus
(uc mihivi- @lfoo met goede bediedelijck 2 DE Diede Dupvel í8/ door fijmen onberdienden menteh ge
detur)herefis in Dat eerſte ende ooclſi in dat tweede beſprec * Ù x t mo Ï te wegh doen / ende moghte alſoo worden is.
eft Neftoria- goo? ons llen bekende ende toeftont. O Godt | fac Har), flacfachtige vaer achtige Brace
—— wat wander ig ’t dat men hooren moet Ss kinderen ban de befchuldigende Wet /
Cen vijfden/ dat niet Godts eerſtgeboren ders en kinderen van ——
ende een geboren epgen Sone / maer Marien ‚Jan t recht Der fonden / dat zoa de vzeeſe OC
Vaderloofe Sone van Adams dootfchuldige Doods verloſſen dende jen —— —
ſondelijk vleefch den doot voor ons geftorven | Cen g.acnmerkt/ B p: GP EN ron enim
is, Dat fao openlijk tegen Chriſtum Joan⸗ Weemt niet De Engelen aen maer Vbzahans „nis potuie
8 2 ẽ Pe
loa. 3.16. | Schrift 18 zaet neemt hp aen / niet van de aenneminge Cafta. fed
sons tr. mem/ Pautum/ en de geheele Schrift is. k ien tleelshi » De gelecr⸗ Abrahari
Kheb, a. efkes ‘Dat Get eeuwige Doen-offet lijns men{chelijke » gelijkt De gelet. Añ
eens voor alter Werelt ſonden geoffert / niet dat den bedieden/ maet van de aenneminge DEL opieularur.
‚n \genaden/ Daer mede hp ong aenneemt Le ber:
Lammeken fonder bleche aerden pr in aen í5/ want hp fet bat aennemen (u Pre-
vuyl Offer(dat der of pt à Lasco felyzijven |fenci, ende Engelen in Plurali , ende fepdt :
worpen was, ſo — magt) zijn moefte. Lp neemt niet de Engelen aen / maer Abra⸗
meer als tee . pe Engel Gabziel/ Petrus Gams zact neemt hp aen / De Kinderen Der bee zer, … 5.
Cere. belsennen dat de menfche Loften / om. 9. 8. De gelovigen / Bal. 3,29. Hie mesckt
| be Heere (ENDE —— Sancig / Comag bee fijn bzoeders ende kinderen / hp neemt (fe: hoe Chritus
hvo —— Peereen Goù/ daer toe ge ick) aen in genaden/ tot prijs fijns Daders
i ⸗
220t aen.
F Bidt Loor haer gebzeken ende ende
Joa. 6.9. vele Schaiſt / dat hy onfen VUdLor Fom, Te 7e 8 19 ie fijn 2
EE —— — Oe etaee| Boone Priefte:) \zwaachteden om. 8.7. De. 5. zor Wantfp visie zr,
y is / ende hy „dan | Den aengeboren onreynen quaden actt En na⸗ dens ag
Derlaflëe —* — — en- tuere — fondelijken vleeſchs bu bit leben —
— 33* openbaer Dat een gefchapen nimmermeer recht konnen los werden / als
—— ende menſche van Adams fondelijk gehoort is. Aenmerhit / hoe dat het geene dat
veeſch / onfen Penlant/Berloffer/Derfoender/ Ak ml (inert effen dat felte en isdat
{pgocaet/ Pooge Priefter; Ja Deere en God EC ern omt en hant met Defe reu⸗
‘arpa niet alleen grouwel en Afgaderije/Mact ber gelijk is / daer ot arte winst Arien
is dat mer enbacr Kaftertegen Sodt is. |ke (daerom moeſte pin t bef er on
* 5 Sy de menfche Chriftus alfo | bzoederen gelijck —— Nn
—— &der kinderen vleefch ware, ſo ‚den f * * Dn: —* delijck ——
vege mijn, omfetwederpatten voorge ene Oe rig | ontfangen heef
eſer, meckt. hon fonder Dader / ſoo moeſte Maria Tof; 5
ae Ober ere notte hier geweeſt Siet weerde bef { Ee ——
zijn/wantGodt heeft van —— * —— strife vecht — fuit on fo
— ede err jeder zijn mac: |atle aerigept fpeuceri hoe die Det baorgemelde
baringe bep * — ‘gefpeurt woz. woorden engenttijken grant en fin Ús, te weten
PE A egenben: So de menfche Chriftus van | hoewel dat Chile De bont anſer ——
hiaten vlet waer ‚ en Gods OpPeninge en ons tot fijner beij —— —— —
vermag ’t niet / Dat een Dzouwe een menfch Beoederg en kinder⸗ .
—— eft / zúí enwel upt der eerſter ge⸗
van haren bieeſche oft ichaem baren kan / ſoo men heeft) zijn wy ed r ſt *
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Op de Tegén
boosten van Adam getogen, door de Slange /
fo fenijnight / en ín der natueren fa verdorven /
dat wp des onrepnen ſondelijken vleeſchs (ſeg⸗
ge ik) fa lange wp ín deſe hucte ſweven nim⸗
met meer vecht en konnen quijt werden / maer
menighmael (hoe wel tegen onfen wille) ons
Daermede vermengen ende Lupl maken / ende
y —
worden alſoo ban dat geſchreven hantſcherift
Rom.7.7. dwertungt/ dat wp nade eeuwigh · duerende
3 Nechtveerdighent den daat Weert zijn.
ol, 2. 13:
Hademaei wu Ban met affulken quaet wilt
Deut, 32. 1. BON fandelijken/ongelagzfamen en dootſchul⸗
digen vleeſe he beſtruit zijn / als ook alte vꝛome
kinderen Gods Banden beginne weemoedig⸗
lijk dat beklaegt hebben/ en bau den ingefteez
ken angel der Siangen niet aeheelijk en kon
Efa.64. 4.
Num. tr. x.
Job. 15. 14.
Plalm 143. 2.
Rom. 3}: 10.
Gal.z.rr. nen berloft Werden / daerom 18 ’t/ dat anfe
enz.17. Bot) Bepligmaker/ Bzoeder en Bader Cheri⸗
loans ffug hem in fijner ogermaten grooter Wiefden
Pnil.z.s. Hafgus eeuwigen Daders raet / opfet; wille en
beflupt opgemaeht heeft / en is na gelijker ma⸗
ten vleeſch en bloet Deelachtig gewozden / niet
san den kénderen/ want fp waren ſondig ende
dnrepn / maer gelijk Joannes fept : het woort
a, bleeſch geworden ja ech ellendig / bedzoeft /
Hiermerkt verſoeckeljk en ſterfljk menfche / cn is alfoa
Chriftusde Wepmoediglijk aengetreden / om boo? fijns
Scilo. Nijks· genooten / gehepligden / Broederen en
Gen. 49: 10. ſinderen te ſtrüden / beeft hem als een Belde
Helt. p
El.2 s. ín fijn derſoekeen ſchaemroot gemaekkt / in fijn
—* geweldi- maeht overwonuen / fijn geweer genornen, fijz
85 rar, nen kop vertreden dat hant · ſchrift voldaen
Luc 1E pp in fEuchen geſcheurt / ja met fijnen raoden
winner. bloed uptgewifcht / onſen ſchuldigen ende ver⸗
Gen. 3-15 dienden doodt met ſjnen ont schuldigen en on”
ns gevdienden doot betaelt / tot vervullinge des
beij Propheetfchen woorts: O doot / ilt wil ũ dood
Deleeuwe ʒijn u verdervinge wil ik zijn / Ohelle / ende
uyt Juda, beeft alf@ fijn Hntverkoren/ / Heyligen /Bzoe⸗
— ders en Winderen van de ſlavernpe en drzyvin⸗
Ofea. 13. 14 qe Der Wet / Han dat vecht Det ſonden / en LAN
1 Cor15: 45v De berfelgichelijke vreeſe Des opgelepden doots
opgeloft en van gemacht. Alſoo dat hen haer
menfchetijfe fwaktept en onwillige miſgrij⸗
Rom8. 2,3. Bingen om fijnent wille nimmermeer tot ſon⸗
Joan.8.36.
Gal.s.r.
ín’t tegenweer gefet/ en heeft Den verſoecker /
ſpreucken. 379
Sone heeft begoſt te zijn uitDavids zaet,Rom.1 fohannis à
‚Uyt de Maget Maria ‚ Math. 1. Et. Vleefch , Lafco U yt-
| menfche , Chriftus , Immanuel, Ec. eftem/ \c58nse
| Dat woort heeft ons vleefch ie ar > EC. fpreuke
Item / Dar Woort, dat van den peginne Joannis
| ne Godt was, is geworden (Datis/ bet et
heeft ookk te ſamen begonnen te 30W) vleeich geworden.
(dat í8 / menfche) ende heeft gewoont (dat is /
het heeft hem een wooninge geſet) in ons (dat
is / in onfen vleeſch) door fijn deelachtigheyt »
gelijk Paulus feyt , foo lunden fijne woorden
jouer De verhaelde ſpreucke Foan.r.
Och mijn gewenschte Leſer wat mach doch
foo klaer zijn / dat menſchen vernuft niet ber:
(donkeren / en fo vecht zijn/ dat het niet krot
[menen kant Doet hpet ur misverſtant / ſo
| macht hem noch geholpen werden. Doet In
(took anders / foo en fal ’t niet goet om ſij⸗
‚mer armer zielen zijn.
In en Kan wm fijnet niet genoegh verwou⸗
deren / hoe he doch fulcke ongerijmde untleg⸗
gingen in dzuck aen den dagh brengen derf/
daer Ip wel weet / datter foo menigh ver ſtan⸗
digh en Gods geleert meiſch tot deſer tijt Dez
banden wort. @ lieve Heere / hoe fchrichelijk
is't Gods klaren wijn/ ende Dat hooge ge⸗
tupgeniffe des H. Geeſts / met ſoo oncepnen
water foo leelijk te vermengen / ende met DAL
aertſche vernuft foo ganutſch op eenen vreen⸗
den finte keeren. Ga ly heeft met deſe heldze
Klare Spzeukte / foo gehandelt / Dat ilk (fo ick
noch eenige twijfelinge aen mijn gelove ende
gront geljadt hadde / Dat ík geenſins Gode fit
danck niet en hebbe ) mijn twijfelinge wel gez
heel foude ontloſt / en eenen vzpen moet daer
door verſiregen hebben.
Hademael ha dan Dat Wonderlijk hooge
| werk der Godtlijkker genaden ende lief den? dat
In litera.
ë
de Almachtige eeuwige Mader door fijn eeu⸗
wige woort ende Sone aen ong arme clende
ſondaers foo genadighlijk bewefen heeft / foa
(Deerlijk verkleynt / emde deg Leeren Benlige
woort ende Getupgenifje lieber gelten Wil /
| algfijn vernuft ende berftant (foo wp dunkt/
te bupten gaen / bidde ik eenen pegelijkten am
Gods wille / miy doch niemant en berlicere)
de gevetkent en fulien worden, fo fi ſlechts met | Dat ík ongeleerde mp Daer tegen fette / en fijn
Pardo, Gelotige boetveerdige herten voor hem wan⸗ onfchziftmatige uptlegginge met Klare bediez
Rom. 3.4. —2
— tie geſtadiglyk aen fijn Wooꝛt houden.
Siet / alfo heeft Chriſtus Gods Sone dat
delen / en met een verſekerde gewiſſe Conſcien⸗ delijke Schriften ende vedenen confutere | en
den Gront der waerheyt daer Dae,
fh hoope immers dat geen vedelijkkt ende
zaet Abrahe aengenomen en tot Prijs ſyns onpartjſch mp in eeniger maten ten erchſten
Merkt hoe Baders ba gemaekt / en is Daecon m engen”
en waerom der perſoon verſcheenen ſijmnen armen / ſwac⸗
——— belsanmmerden broederen in allerley ar:
moede) ellende / dzuſz / moat/ vreeſe des doots /
en ſterfljkhent in afte Dingen gelijkt geworden.
Oy aat hy alfo een medelijdigh/Lacmbertig en
getrouwe hooge Priefter zijn, foude / onde
fonden/ gebreken en misgrijpingen fijner Gez
hepligden voorSod fijnen Dader te verſoenen /
want dewijle hp in gelijke verſoeckinge / ſtrijt /
ellende / bangiohept en vreeſe DES Dpods met
hen gewandelt heeft / kan hu ook te hulpe ko⸗
men alle die / Die van Dev Werelt / Delle / zon
De / dupvel en dagt verſocht worden. Ende
daer mede hebt qu mijn antwoozt op De ſpreu⸗
fe Deb. cap. 2, ban Johanne à Lafco ende den
fijnen hact gedreven. Weeeft gp Godt/ foo leeft
ende richt het.
Ten 8.lende hy dat getungeniſſe Joannis
aen't eerſte unt / en ſept: Dat woordt, Godts
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
\bedieden kan/ ook niet hu ſelve / dat ick my
| opentiijk tegen hem berantwaorde / en mijng
Heeren Prijs verdedige / nademael hy met ge⸗
dzuckt opentlijk voor de geheele werelt tegen
mp gehandelt / nde mijns Gods woort (foo
| — (lk verſtae) ſeer jammerlijk gebzokten
heeft.
eik ſoude ongetwijffelt ſijner wel verſehaont
en fijnen naem niet geroert hebben / foo hu
flechts en de fijne de Schrift ongebroken lieten
en niet fo onbefchendelijk bepde met Mont en:
De Penne tegen De heldere Klare waerhend
voort en boeren. Maer mi drijft mp mijn
Confcientie ende Godts woordt / Dat ick
mijng Heeren Prijs ende mijn Geloove Loor:
flaen moet.
Seqge dan ten cerften / dat hi Met deſe fijn
uptlegginge dat getupgeniffe Des H. Geeſts
hier gebzocken/en De Schꝛift verbalſcht heeft.
Want fu ſchrijft / dat — Godts Sone heeft
Do 4 uyt
382
uyt Davids Zaedt, Rom.r. uyteener Vrouwe,
Galat.4. uytde Maget Maria, &c. begonnen
tot zijn vleeſch, menſch, &c. Ende Rom. 1. 3.
ftaet geboren uyt den zade Davids na den vlee-
fche. Gal.4. Geboren uyt eener Vrouwen :
Ende Matth. 1,2 1. Dat in haer geboren oft ont-
fangen is, is van den H. Geett. Vengefien hy
dan de Schgife níet ín fijnen natuerljcken fut
gelaten/maet gedzacpt/op fijnen gront gedron⸗
gen heeft / ende boor untgeboren ende ingebo
ren oft ontfangen fet/ upt begonnen te zim /
bewijft hp daer mede meer als klaer / Dat hp
fijn uptlegainge mee der Schzift niet en kan
behalen / maer faa flechtg in ecnen fchijn met
getogen ſpreucken / op-proncht / ende alg De
waerhepdt voordrzaeght.
Gen anderen fegge ick / dat het Woort onfe
vleefch foude aengenomen hebben, dat hp foo
menigmael hiet verhaelt. Oft dat de Godlijke
natuere haer met onſe menich:lijcke natuere
door een wonderlijcke t' ſamenvoeginge foude
vereenight hebben. Oft dat Godts done foude
ongequetft gebleven zijn ; ende Marien Soon
aen hem genomen hebben. Oft dat Godts So-
ne alle fijn natuerlijke goeden tot des menfchen
Sone foude gedragen hebben , ende van twee
oh. Brent. Een perfoon geworden zijn,als Joh.Brent. fept.
In Lucam. ft Dat des men{chen Sone foude Godts ver-
koren oft gewenfchede Sone zijn, alg Pomera-
P{ roo. &c. nusfepdt. Oft dat dat woort de done een ge-
Super Heb. 1. heel menfche met lijf ende ziele van Marien
vl-efch foude aengenomen hebhen. Oft dat
dat bloedt Marise foude te famen in haer li-
Pomer. fuper
untlandiſcher Mercken ban Londen feggen.
Oft dat hy ons vleefch foude acngetogen heb-
hen, oft Dat hy daer in foude gewoont hebben,
oft dat hy vleefch van onfen vleefche zijn fou-
de, oft dat onfe vleefch tor des Vaders rechter
hant litten foude,&c. en Wozdt van allen Defen
niet een tetter ín de geheele Schzift gelefen/
chaem geronnen zijn, gelijck de Dienaets der
Menno Symons Verantwoordinge
woorden zijn laten/ Daer hp fehzijft/ende fept
dat van den beginne was dat Wp gehoozt heb⸗
ben / met onje oogen gefien hebben / dooz⸗
fchout hebben / dat wp met onfe handen getaft
hebben, van dat woozdt Des lebens / ende Dat
leben is geopenbaert/ 1 Yo.r.2.
Nademãel dan Def fijn uptlegginge (ſegge
ick ) hem felven niet gelijck en is / maer bepde
metter natueren ende metter Schzift ftzijdet/
ende Joannes mp hier fa klaren gront wijft/
en wil ick mijnen geont ende geloove niet op
ſulcke ongewiſſe / donckere ende verwezrige
Gloſen / maer op Joamnis gewiſſe / belle ende
onbedriegelijke Getupgemſſe beveſtigen want
ick weet / dat fijn getupgeuffe waerachtig “a
Gods ongebrokeñ waechent en reyne woort is.
Cen vnjfſten fegge ick: alg dat fijn uptleg⸗
ginge op dat Wooꝛt habitavit, dat is / heeft gez
woont/ ongerijmt is / want hp fept / ende Wil:
dat het Woordrende onte vleefch, oft Marien
Sone van het woort aengenomen,een perioon
ende Chriftus zijn, ende hier dringt hy/ als dat
bet woort, ’t welck 18 de Sone Guats, fijn Daz
ringe / Putte oft Wooninge in onſen vleeſche
foude geter hebben , allegeert Xenophontem,
&c. Waer upt daneen ban bepden volgen
moet. Op dat Xenophon ende fijn Lomici=
lium gen wefen ende dingh zijn, gelijck Godts
Soon ende Marien Soon ( berftact nae fijn
feggen) cen perfoon ende Chriſtus zijn. Oft fa
Xenophon ende fijn Domicilium twee gedeplz
de Dingen zijn/ gelijck fp oock ín der waerheyt
zijn/dat dan ook de Sane Godts ende de Sone
jartejdaer inBodsSoon na fijn uptdegginge
foude geweont hebben / twee berfchepden per⸗
oonen ende € haft zijn. Want dat eener Die cen
hups bewoont / ende een hupg / Domicilium,
Putte oft Baringe met een ougedeplt dingh
zijn/ is ſtercker alg men Wwederleggen han.
Vooꝛder fegge ick:Als dat deſe fijn uptleggin⸗
ge op dat woozt habitavit, in alle Dingen ſonder
gront í$/ want den Euangelift heeft dat woo⸗
fegge daerom datſe ín alte dingen onrecht, / Ja nen in Preterito gefet ende fept : Heeft ge-
Bat meer í8/ Anathema zijn. Want fp zijn EU | woont / waer npt genoegfaem blijkt / dat Joan⸗
preemt Euangelium ende nieuwe Leere / die ‚nes hiet niet ban foo een woonen im onfen vlee⸗
nict van Gody Heeft ende woordt / maet LAN) ſche gefpe oolien en heeft, maer van fi waa
hieeſch ende bloet opgeworpen en bedacht zijn nen onder de Menſchen / gelu: Hoolt alte vecht
Cen 3. ſegge ick / Dat fijn Hplegginge in al berftandige Cranflateuren dat gefct hebben.
le Dingen onformelijck ig / want Ip fept : Dat, pant hadde hyet in alfo een verſtant geſprolie /
het Woort begonnen heeft meníche te zijns! gelijf J.à L. dat upt lent/fa moeft ’er ſtaen woo⸗
ende dan nach ſent hu dat het in onf@ vleeſch nen in preetenti, oft men moefte belkennen/ dat
gewoont heeft. Heeft het begonnen menſche ’ woogt niet langer fn den menfche Chriſto gez
te zijn) alg ’t oock ín der waerhendt heeft / ge, woont en hadde / dan hn hier ap aerden wandel⸗
lijchk Joannes Getungeniſſe / wanneer 't De / Dat na mijn bedenclien een feer groven
níet vervalſcht en wert/ ín alle klaerheyt mede grouwel ende plompe dwalinge zijn wilde.
Brengt / hoe konde ’C dan oock noch in eens Een feften ſegge ick: Wig dat de untlegginge fn
menſchen ban vleeſch woonen + Want dat bez, geener maniere beftaen en kan / want de gelede
ginnen een hups te zijn / oft in een hups te woo⸗ ſehzift / die ban Chriſto fpzeelit/Wo2d daermede
nen vezre verſchepden zijn / moeten alle rede⸗ in twift gefet / moeſtẽ twee Perſoonẽ en Sonẽ in
iijchalieden befkennen ende toeſtaen. Chyꝛiſto zijn/een ſondelijk en dootſchuldig Hep⸗
Cen 4. ſegge ick: Dat deſe ſijn untlegginge lant / de Bader geen waerachtig Vader de oes
hem ſeiven niet gelijck en is / Want heeft het der geen waerachtig Moeder / ende de Soone
Woordt Menfche beginnen te zij wals ha fent/ geen Waerachtiuh Sone / de Propheten / Gaz
foo en is ’t ook ín fijn eerſte geftalte onberfeert biel Des HeerenEngel / Chriſtus Jeſus Ioan⸗
níet gebleven. Maer ig ’t onverſeert geble⸗ nes / Paulus, Ec. moeften alie valfche gez
ben / fo en heeft t aak níet begonnen Menſche tupgen zijn /foo meet als genoegh gehoort is.
te zijn / maer het heeft begannen een menſche Ten laetſten ſegge ick / als boo? Geenen eens
ban onfen bleefche aen te nemen / ende alto in gefent ig : Alg dat Joannes fijn Euangelium
een ban ong te woonen / hy wende ook De ſaeke / ende getupgeniffe van Chriſto den Sone Godg
hoep wende WD daeram niet Joannemà in eenen feer twiſtigen tijt befchzeven heeft,
Lafco, maer den getrouwen ende eenboudigen Hadde hi ’t dan fo niet gemepnt/gelijckt als hu
SJoaunem folve de iptlegger fijner epgender ’£ geſchreven heeft / maer hadde’t in ——
erwerdt
Gal. 1. 8.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Op de Tegen-fpreucken. 381
erwerdt ende bzeemdt verſtant beſchreben / ge⸗ bzeefen ſtaet / ſa moet ick 'E den Heere bevelen,
IJ ALafco beeimtient fo cu foude hp op ſullie Die mp ín fijner grooter — ——— 8 deſer
wijfe den twift niet geſtilt oft verkleynt / maer uuren toe / in alle mijne nooden — WE
veel meer opgeweckt en vermeerdert heben. | lijke trouwe bp geftaen/ ende IM + e He er⸗
@ wan neen. Joannes heeft fijn Behenteniſſe / ſoeckingen fo genadighlijck geholpen Di —
gront ende Geloove van Cheiſto Jeſiu / Godts Siet weerde Leſer/hier hebt gh —* —* *
Zone / onſen eenigen en eeuwigen Heplant / een⸗ ve Wp ende onſe Wederparthen * * Ja
boudelijk/ vecht en ſlecht in alle klaerheypt daer tenifte / Heere ende Geloove van hriſto ik
gedaen ende fander alle dobbelhent betupgt/dat, Sone Godts gedeplt ſtaen. NAichtet on fa aop
Gods Woori dat van den beginne was, vleeſch Godt vreeſt / Wie ban bepden deelen De ge 5 7
geworden is / en dat Dat ſelvẽ vleeſch geworden dighſte Schzift en den ſterckſten gront pet
Wooꝛdt onder ong gewoont heeft / EC. Maer Wilt gu nude Spzeuchen dieſe in deſen dee
en heeft niet met een Wet ver gedacht / als dat hy | ſtrydigh noemen/vecht vergeleken hebben, fa
ons vleefch aengenomen , Off in een menſeh moet gp onfer Wederpartijen grant baren la:
van Marien vleefch gewoont heeft, gelijk J-à L. ten/en den onfen aenhangen. Want fp en mo
(eplacp) fijn eenvoudig / ſſecht woort ende klare genin eeuwighept ja ín eeuwighent in
getupgeniſſe met ſijn menſchelijk vernuft ver⸗ ken verſtant / gelijk ffe —— jn U ict
dunſiert / Jae amgekteert ende verdzapt heeft. waerhepdt nummer meer vergeleeken — *
Aengeſien hp dan ín deſe ſijn Detention ende | Want elck vecht verftandiae / Die flec hes ed
uptlegginge de Schrift fa deerlijck gebzoochen moetwilligh tegen de heldere eeste nie À
ceft/ende fa onbehendigh verzre van DET waer: ſtrijden / ende den H. Geeft met ge — cf ga
Vet tet zijden upt treet / geljck ghy pt aen” ten en wil / moet bekennen / dat urt id | ETE
gemelde aentwijfinge mer openen oogen fien krachtighlijk volght / dat de — a —
meught / ben ick wpe reynder liefden mijns, reyn, fondelijk,verdoemt,vervloe t ende doot-=
Godts / ende uwer zielen gedzongen / u fijn fchuldig Chriftus zijn moefte. Twee ——
groot misverſtant ende ſware dwalingen op in Chriſto, een Godlijk ende een ORE jk.
te decken / op Dat des Heeren Beeclijclihept bez Twee Soonen,de eerfteG odsSone fonderM e=
weert / ende qp in De rechte waerachtige bekien-, der,en de tweede Marien,oft des menfchenSone
teniffe uwes Godts ende fijns lieven Soons fonderVader,niet Gods Eengeboren endeEerft-
Jeſu Chꝛiſti recht meught gevoerdt Werden. | geboren eygen Sone,maer Marien Sone van A-
maer ick en Dae’t niet ſonder beſwaringe / dat dams onreyn ſondelijck vleeſch voor ons ge-
ís fijnen naem alſo noemen/en fijn misgcypin⸗ ſtorven, &c. Daer beneffens moeſten alle
gen aen den dag bzengen maet / oft mp Wel Pꝛzopheten / Chriſtus ende De Apoftelen valſche
bp velen een ftinctiende gerucht ende hatelijken Gerupgen zijn/ig klaerder danmen met eenige
| maem met fijn fchzijoen gemãekt heeft. Ick ſcheift breken / oft met vernuft berdzaepen kau.
wit den Veere bevelen hy laet hem veellicht ¶ Maer wie onfen Gront vecht vatet / en fijn
Duncken/ dat hy vecht Daer aen gedaen heeft. verſtant onder Gods woort dzuckt / Joannis
Maer dat ick doe / dat doe ick unt bedanek mij⸗ Getupgeniſſe(dat hu aen fijn eerfte C. ban dat
ner Confcientien / tacten pzijs mijns Heeren vleeſch wozdende Woozdt getupgt heeft) booz
endelpeplants Chꝛiſti / want ick fijnen lof ende | waerachtig ende vecht gelaoft/ende niet cu ber:
gere verre boven alle CTreatueren bemnne / | kreupelt / Maria des heeren Moeder niet Meer
de upt allen mynen vac. ten DAC MEC MUNCH | toe en meet / alg een watrachtige moeder nae
Doaat ende bloet ſeecken mot. Gods ogdeninge / Gen. 1 , toekiamt ende laet
Oak verſie ícht mp des tot — wanneer hu Godt de Vader ecn waerachtigh Dader fijns
flechtg fijng Gods eere meet als fijn eere ſoekt / Soons Chꝛiſti blijven, Maria een waerachtige
fijnen naeften nae derSchzift bemint / ende De | moeder / ende Chꝛiſtus een waerachtige Soon
Waerhept van herten meynt / dat h op mp niet | bepde fijns Daders ende fijns moeders, %Ec. den
beegrarmmen/ maer bemnnen en Danchen fal/ ſelven is in deſen andel de gantſche fchaft ver⸗
dat ick ſijner in deſen Deel niet en verſchoon | geleken. Pu en behoeft geens gloferens meer)
maer hem fijn migverftant met goeder trouwe | vant ha en heeft niet cen Dpmeulte inde gez
| aenwijfe/mijuGetaave en Heere met Der waer⸗ heele Schrift die hem tegen 18. 42u heeft eenen
hept verantwoogde/mijné naeſtẽ Loopt berder: | ougedeplde Ehziftum/cenen terne en onfchul-
gen waerfchouwe/en voomamelijk mijns Hee⸗ digen Theiſtum / Godts en MWarien Soomeen
ren glorie ende grooten Naem /ſo veel in mp is/ | eenig Perſoon / c. Gelijk an ( boope ick) in de
nae ſcheiſts en mijner conſcientien getupgeniſſe verhaelde aenwiſmnge unt gront en acht det
met mijng Heeren woozt beweere cn voorſtae. Schzift vijchelijkt gehoort hebt: Ende Wit hoe
paer ig ’t/Detmen het mp Dan ten ergbften | gende en bereeninge ende Tafele door Gods gez
keeren ende bedieden wilde, gelijck 't wel te bez | made op ’t alleckoztfte hooren en fien meugt.
EARN Ti
—5 *
eſt in tempore in Prædeſtinationem,i pet. 1 J Per Spiritum San Conceptus;
Hternus Dei fermo
383
— Ld id . ae | bed ® 3
qum in Maria virgi- } Luc. 1. EERE:
per — condita Ou Civitate Naza-d Decretum, Ephef, 1. ae,viro non cognito,) Natus, Matt. 1 TE 53
N ui ° ° : F5
— * & reth juxta Dei. Promiſſionem, Gen. 3. Caro, ideft,Homo. UFaêtus,lo.1. | 85 3
eit A é ‚I.%
(Unigenitus ac proprius Dei Filius, Io 3. 1. Jo. A.5.
jui Semine ſiv - Rom.8. Juxta promiſſionem ac Matris proge-
—— — — —— pese In Beth- | a Hune Davidis, & Mulieris benen,
carnem, KA PE /veniente (Rom. 0 [lehem na- } frutus atque Filius, Gen. 3. Mat.r. Luc.r. Serva-
ritum S. inquam, temporis} Muliere, Gen. 3. Ù tus cft, cor mundi, Luc.a. Dominus ipfedeccelo, 1 Cor.
ex æterno æterni @ jenicu- Galat: Matth. 2. | v.r5. Panis è cœlo datus,Jo.6. Immanuel. Efa.7.
* —— diveex | Virgine Maria, ;Luc.2 | Mat.r. Herosfortis, E{a.9. Deus nofter, Efa. 40.
ari í
matam , & factam, LMatt.1. Luca. (Dominus) uftus — Jes — Deſe
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ee h ń,“UG8/—
ma NE graee
—— — — — — * — — ke —
fel.
Tafel.
Jo. 3.16.
1170.4. 9.
Elai. 9. 5.
Rom. 5.8.
Jo.13.15-
Luc. 1.42.
Eph. 3. 14-
Ef 45.23.
Apo.r 6.
1 Pet, 2. 5.
Act 2. 28.
Be tweede
Matt, 17. 5.
rPet.2.22.
382 Menno Symons Verantwoordinge &c.
DS Eatijnfche bereeninge ende Tafel heb
ickt Den gBeleerden bier tot dienfte aldug gez
ſet ende lupden aldus op Duptſcher fpzaken :
Beeerte Ta. Mat eeuwige Godts wooꝛdt / daer alle dingen
Booz gefchapen zijn/ Ao.r. Pat daer ig de Eer⸗
fte ende De laetſte Ap. 1. 2. PS inder tijt in De
Stadt Nazareth / na Der booefientahept Gods /
1 Pet. 1.20. Na dat beflunt Gods / Eph. 1. 4. Na
Der Beloften Gods / Gen.3.15. Bao, den H.
eeft ín de Maget Maria /die geenen Man en
bekende / vleeſch dat is / menſche ontfangẽ / Luc.
c.1.27.28. Geborẽ / Mat. 1. Bemoei Fo.r. 14.
Na welcker vleeſch / dat alfa dao? denh.Geeſt
(ſegge ik)upt dat eeuwige Woozt des eeuwigen
Daders in Maria ontfangen / geboren ende gez
warden ig / is hn op den vervulden tijt/upt Daz
vids zaet oft Geſſlachte / Act. 2. 13. Ro. 1.4. Ant
eener Pꝛouwẽ / Ben. 3. 15. Gal.4.4. Apt de Ma⸗
get Maria / Mat.i.x⁊ 1. Luc.ꝛ2.21. An Bethle⸗
hem geboren / een eengeboren ende engen Sone
Gods/ Ya. 3.16. 1 J0.4.9.5.13. No.8. 32. Jae |
Der Beloften ende deg moeders geflachte/ ook
Abzahams / Dabids / ende der Drouwen zaet)
Brucht/en Sone Ben. 3. 15. Mat. 1.2 1,3Luc.1r.
v.z1. Gen Saligmacker der Werelt / Luc.2. 11.
De Heere ſelve van den Hemel / 1 Coꝛ. 15.48.
Dat Bzoot ban den Wemel gegeven / Jo.6.58.
Efmmanuel/ Ef.7.15. Matt.i.23. SDterche
Held / Eſ.y.5. Onfe Godt/Ef.40.9. De Heere
onſe Gerechtiger / Jer 23.5. 33. 15.
Siet getroue Hefer hier hebt gp onfen epgent⸗
lijken gront / Teere en bekkenteniffe van Chriſto
Gods Sone / hoe hp in Maria vleeſch geworden /
ende ín deſer Werelt gekomen is / gelijj wy boog
onfen Bodt gelooven / ende den Bzoederen voor⸗
drzagen.En willen hier mede alle man om Gods
wille gebeden en trouwelijk vermaent hebben /
Dat ſy doch (nademael De barmhertige Dader fo
overvloedige groote liefde aen ons beweft heeft/
Dat hp ons acme ellende Sondaers fijnen eeu-
wigen / eenigen ende lieven Soon gegeven heeft)
defen Edelen en hoogen geſchoncken Gods ſone
ín alle dankbaerheyt aennemen / ende hem met:
begeerlijker herten hooren / beminnen / met vro⸗
lijker herten dienen / ende fijn boetſtappen trou⸗
welijk volgen willen / ín fijn wort ende ap fijn
wegen onbeftcaffelijk wandelen willen/fijn ee⸗
re ende lof vꝛnmoedighlijk verkondigen willen,
fijnen Heyligen Naem graat malten / ende de
fien haerg herten in aller ootmoet ende gez
hoorſaemhendt voor fijnen Majeſtept bungen
willen. Want hp is de Man die ons arme kin:
Hof. 13.14. deren Door De verdienfſte van fijn roode bloet
Ea25.8. ende bitteren Boot / nae Gods ſijns Bemelfchen
chent beyde den Vader ende den Sone $ want
wie den Soon verloochent, en heeft oock den
Vader niet, 1 Joan.2.
Och dat doch onfe Wederpartyen defe ende
defer gelijke {preuken recht behertighden,ende
| eens recht kennen leerden,wie ende wat de So-
ne Godts ware, en van waer hy gekomen waer;
fo moghten fy noch tot eeniger tijdt van de ke=
ten der vervoerige opgeloft ‚ende in dat licht
der rechter Leere gevoert werden.Maer fo lan-
ge fy Chriftum nieren bekennen, fo is't altijdt
met harwarren ende difputeren , de leugen in
de waerheyt,ende de waerheyt in de leugen ver-
= 1434 Uc. FT. 29
keeren, Jae fo verdwalet ende verblindrt,dat ook var. —
alle die, die Chriſtum Jeſum, met den Engel jo. 1. rs.
Gabriel, met den eeuwigen V ader, met Joanne — * 165
Baptifta, met Petro,Paulo,Martha,Chrifto,en- hadden
de met der gant{cher Schrift voor den waerach- Joan.g. 37.
tigen Sone des waerachtigen ende levenden
Godts bekennen , (eylacen) haer Vervoerders
ende Ketters zijn moeten. O Lieve Heere;hoe
lange fal doch defen grooten grouwel dueren ©
Och datſe doch noch ín tijdts opwaeckten,fo
lange als ’t noch heden genoemt wert,en kon-
den Chrifto fijnen rechten prijs geven, konden
ook haer vervlockte huychelye;valfchen Gods-
dienft , de bedroefde vervoeringe des armen en
ellendigen volcks,ende dat domme roeckeloos
leven der arger Werelt recht waer werden , af ear KN:
ftaen en nae laten;hoe goet foudet voor haer ar-
me zielen zijn. Maer ick vreefe,fo lange de gee. Groote peen
ftelijke Antiochus dat luye leven fo milde uyt- goede dagen
reykt,enJefabel de Tafelen {o lekerlijk toericht, maeken veel
dat dat vervloeckte Maozim in fijner weerden Predikanten
wel blijven, en dat’t der Werelt aen valſche Lee-
raers ende vervoerders niet gebreeken en fal.
Goede Lefer,denckt nae wat ick ſchrijve, ick
waerfchouwe u in trouwer liefden, wacht uen
iet voor u, wat gy gelooft ende hanthaeft,want
gy zijt met uwe Predikers al bedrogen, Waeckt
ende bidt, den dag treet hier voor, ja hy treet
hier voor, ende haeft {eer dat wy alle moeten
ftaen voor den onpartijdi{chen Rechter - ftoel
onfes Godts, die een recht oordeel fonder alle
aenfien der perfoonen richtet,ende eenen yege-
ijcken nae fijn werck betalen fal , hy zy dan
Keyfer oft Koninck, Doétor oft Licentiaets
Rijk oft Arm , Man oft Vrouwe.
Summa, dit is mijn befcheyt ende antwoort op Joh. à L.
Defenfion, fo gehoort is daer mede ick hier niet alleen op
Aerden voor de Men(chen, maer ook in den dagh mijns
Heeren Chrifti, op ’t woort fijner Beloften, in fijn genade
voor de oogen fijner Majefteyt verfchijnen wil.
Zeyt gy redelijker aert, ende u de blinde geeft der nijdi-
Daders genadig opfet/vact/wille ende beflunt/ fcher partijen ende des bitteren yvers niet en vervoert, fo
upt dat vijkke det Hellen en des eeuwigen doots
ín dat glorieuſe vijkt fijner Bodlijker eerẽ en des
eeuwigen vredes bictorieufelijk gevoert heeft.
richtet hier mede tuffchen ons ende onfe Wederpartijer,
wie van beyde deelen Chriftum Jefum den Sone des waer=
achtigen ende levenden Gods ten meeften prijft, ende wie
de Schrift heylfaem aengetogen, oft wiefe gebrooken op
Mijnen grootdadigen/Wwonderlijken, hoogen @N | fijnen gront gedrongen heeft. Maer wacht u, dat ghy nae
Peerlijken Mame zy prijs in eeuwighept; Bm.
BEsuLurT.
Hriftus fpreeckt : Dat is dat eeuwige leven,
dat fy u bekennen, (ô Vader)dat ghy alleen
waetachtig Godt zijt ; ende dien ghy gefonden |
hebt Chriftum Jefam,Joan.17.23. Op een an-,
der plaetfe {preekt hy : So gy nier en gelooft dat
ick ’t ben; foo fult ghy in uwe fonden fterven,
Joan.3.24. Ook feyt Joannes : Die daer gelooft
dart Jeſus Godts Sone is,die blijft in Godt,ende
Godt die blijft in hem,1 Joan.4.15. Maer wy
veloochent dat Jefus de Chriftus is ‚ dat is een
leugenaer,Jae hy iseen Antichrift,ende verloo-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
vleefch ende bloet niet en richt ‚, maer uyt reynder herten,
recht als voor uwen Godt nae der waerheyt.
Een rechtfchapen ongeverfde Geloove ‚de reyne waer-
achtige bekenteniffe Godts ende Ghrifti , de drijvende
vrucht endc liefde Gods, een vroom boetveerdigh, vro-
lijk herte, een onbefraffelijk Chriftelijk leven, ende een
oprecht gefont verftant ende Gericht wenfcheick u, met
alle getrouwe Lefers uyt gront mijnder Zielen, AMEN.
Merclit
So lief heeft Godt de Werelt gehadt, dat hy fijnen Eenge-
boren Sone wilde geven,op dat alle, die in hem gelooft,niet
velooren en worde, maer dat eeuwige leven hebbe. Want
Godt en heeft fijnen Soen in der Werelt niet gefonden, om
de werelt te verdoemen » dan dat de werelt door hem falig
werde. Wie in hem gelooft;wert niet verdoemt, maer wig
in hem nieten gelooft, is alreede verdoemt, want hy en
heeft niet gelooft in den Name des Eengeboren Soons
Godts, Joan. 3. 35:36. M. S,
EEN
NEE
Mn 7
— — —— — — — mn
————— —— — ——
EEM
VERMANENDE
VAN DEN
Dric-Eenigen, Eeuwigen, ende waren
Godt, Vader, Soon, ende
Heyligen Geeft.
pook
MENNO SYMONS.
Eerft in Druck uytgegaen Anno 1597- Daer na wederom
| vernieuwt Anno 1600. Ennu1681.
1. Corinth. 3. .
) word, an dater
Daer en mag geen ander Fondament geleyt worden ; dan
geleyt is, ’twelkis Chriſtus Jefas.
Gedrukt in’ Jaer onfes Heeren, M. DG. L XXXI.
Early Evropean Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC
d by court
Images reproduce y
3197 B 28
esy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Ken Et zi oe zede en
eeen —
en
le)
5
T
a
O
a
*
9
O
£
„2
0
[aa]
kj
——
8
5
4
—*
e)
2
un
®
Ee
|
8
Vv
2e
me)
7
®
v
>
5
g
en
®
ad
bed
2
fe)
le)
E
oo
ln |
[aa]
\
Oo
isp]
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Fol. 385
VOOR REDEN.
Menno Symons venſcht allen fynen lieven Broederen ende Sufters
in den Heere, genade ende vreede, een ongebroocken, reyn ende vaft geloo-
po, een ongeverwede broederlijcke liefde , een gewiſſe ende levendige ho-
pe, ende eers Godt behagelijcke; onbeftraffelijcke wandelinge, belijdinge ende
leven, pan Godt onfen Hemelfchen Vader, door fijnen lieven Sone Chriftum
Jeſum, in kracht fijns HeyligenGeefts, Amen,
W Y weten weerde Broeders ende Sufters in Chrifto Jefu, hoe dat wy van
de gantfche Werelt , tot water, vyer endefweert, om dat getuygenifle
Chrifti ende onfer Confcientien alreede al gerichtet zijn; ende aller menfchen
fchoufpel,uytveeghfel ende vuylnifle zijn moeten. Weten ende bekennen oock —
daer beneven, hoe dat de ware Vrede-Vorft, Chriſtus Jefusgebenedyt,onsin’t —*
huys des vreedes door dat Wort fijns vreedes opgenomen ende ge-ey{chet heeft;
ende den fijnen een foo Heerlijcken kenteycken aengefchreven ende naegelaten
heeft,by welcken datmen haer voor fijnen Jongeren bekennen fal, namelijck: De
liefde. Derhalven ist immers Chriftelijck ende billijck, dat wy arme verftoo-
tene Kruys-Dragers malkanderen metter volmaeckte bandt der reyner liefden iin joh: 15. ra:
gebonden zijn, ende als de leden eens lichaems aen malkanderen hangen, want wy en 11.23.
ook in een lichaem gedoopt, ende met eenen Geeft gelacft zijn. Maernu fien wy —
met onſen oogen, hoede Vorſt der duyſterniſſen, die doch van den beginne een
Moorder geweeft is, mer alle vlijt foeckt defen felven vrede in Godts huys in den
gront te verftooten, defen bant in tween te fcheuren, endealfoo dat weerde Euan- + cor.ta. 13:
gelium onfes Heeren Jefu Chrifti , onfe kruys ende belijdinge,endede gantfche °***
Chriftelijcke vergaderinge by veelen tot eenen hatelijcken ftanck ende grouwel
te maken; endealfo inden grontuyttetoeyen. Dewijle dan ons fijn kloecke
aenflagen fo wel bekent zijn, is ’t immers al meer dan tijdt, in alle manieren
op te wacken, boete tedoen , in reyner Chriftelijckerliefden malkanderen van Dit fchrijve
herten te foecken, dat verdorven weder te helpen, ende dat krancke nae alle —
onſen vermogen metten olie des Godtlijchken woorts te geneſen, ende geſont *rnuinge
te maecken, want de Chriſtelijcke liefde ende vreede nu wel van vier jaren
her (och leyder ) door veel fchadelijcks gekijfs ende difputerens overde on-
bevindelijcke afgront des Godtheyt Chrifti ende des Heyligen Geefts, daer en
boven oock over Engel ende Duyvels, over den Ban, &c. by fommige feer
dunne ende fwack geworden zijn , gelijck ’t plagh toe te gaen , daer alfulcke
Difputatien in{wangegaen, (de Heere en reken het haer voor geen fonde; die’
op deBannegevoert hebben. ) _ Dewyle ick dan alfulcks voor mijnen oogen
fie , ende oock felver van ſommigen niet weynigh met der faeken bemoet en
ben ‚ ende ick altijdt van natueten alfulck difputeren , twiften ende kijven
hate ( want ick van 15. Jaren her wel verfocht hebbe , wat nuttigheyt datſe
mede brengen ) den vreede ende eenigheyt , die den woorde Godts gelijck. maas. ac
formigh zijn , meer als mijn eygen leven beminne. Ick hope dat ick niet **
en liege, om dier faecke wil is my mijn herte overmaten feer bedroeft , treu-
righ , weemoedigh ende bekommert, jae meer alsick fchrijven kan , wel
willende (weet Godt) dat ick met mijnen bloede alle bekommerde conſtien.
tien remedieren, ende in Godt te rechte brengen moghte, want ick en hebbe
Gee op
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
VOORREDEN,
op Aerden niet lievers , ick en foecke voor Godt oock anders niet , dan den
prijs mijns Heeren Jefu Chrifti, ende de eeuwige faligheyt mijnder liever
Broeders. Ende daerom hebick my beneerftight , ende dat met grooter be-
kommerniffe mijns armen krancken vleefchs,ende heb u mijn innerlijckfte Ge-
loove ende bekentenifle van den eeuwigen drie-eenigen Godt, Vader, Soon
ende Heyligen Geeft , uyt Godts onbedriegelijcke Woordt grondelijck ver-
vact ‚ u ten dienfte overgefchickt , by den welcken ick mer cen gewiflë ver-
feckerde Confcientie voor mijnen Godt leven , fterven, ende ten jonghften
dage in fijne genade verfchijnen wil , hopende hier mede de Edele ende be-
geerlijcke vreede ende eenigheyt in Chrifto by velen aengenaem ende weert
te maecken, ende de verbijfterde liefde weder aen fijn plaetfe te brengen. Broe-
ders daer is lange genoegh gedifputeert , lange genoegh getwift , lange ge-
noegh over malkanderen geklaeght ende verfucht. _ Ick meyne het is wel
tijdt allen vredeftoorers eenmael den rugge te bieden ‚ ende den fchriftmati-
gen vreede ende cenigheyt van gantfcher herten te (oecken ende nae te jagen.
Maer buyten Chriftum en begeere ick geenen vreede, ick bidde ende begeere
aen allen mijnen lieven Broeders ende Sùfters in den Heere , by alles datmen
bidden magh ‚ dat ghy doch defe mijne vermanende Belijdinge {onder alle
partije ‚ bitterheyt ende wrevelmoet, met Godtvreefende reyne herten lefen,
hooren ende verftaen wilt , gelijck ickfe met reyne herten als voor Godt in
Chrifto Jefu fonder alle partye , bitterheyt ende wrevelmoet gefchreven heb-
be. Ick en twijffel niet , hoe ghy fulcks doet „ ( Broeders ick meyne den
onvreedigen ende bekommerden ) füllen onvreede , twift ende tweedracht
wijt van desHeeren vreedebergh afwijcken , vreede , liefde ende eenigheyt
wederom in treden. Van herten begeere ick dat ’t doch alſoo gelefen , en-
de ter herten genomen magh worden , dat de Almachtige eeuwige Vader ,
met fijn gebenedijde Soon Chrifto Jefu , ende met den Heyligen Geeft
onverfeert moge blijven in haer ware Godtlijcke wefen , ende de bekom-
merde ‚ weemoedige ‚ wanckelende confcientien reddinge , trooft ende
fterckheydt vinden mogen. De lieve Vader gunne fijn genade , A-
men.
E E _N
VE RMA NENDE
BBR LEDEN NE KR,
Vanden Drie-Eenigen, Eeuwigen, ende waren Godt N
Vader, Soon, ende Heyligen Geeft.
436. Ne) WSE 4 , 7 ze
—— NC Ve B geloven ende belennen | geeftelijkk ende onbegrijpelijk zijn / gelijk ooft
ZZ ÉR
Joan.4-24:
fd metter Hepyliger Schaift De Dader felver is Die geteeit heeft / want ge⸗
—— datter is een eenigh / allee⸗ lijkt teelt gelijk / í ij
Plalm 3; 6. St nigh / eeuwig ende waer: die ſelbe mieten) ontdek /
Eaiar en AN VA VAE ri peld Die een Geeft | Beeftelijke / eeuwige Bodtlijke wefen / dat
à4. 6. 48. 13. NG N Ke is. Cen Godt/ die Hemel / voor allen Ereatueren Godtlijck ende onz
Reg. ESS K Aerde / ende De Zee / ende | begeijpelijk unt den Dader gebaert is / gelo
ar. — or Alles wat daer (nig/ ge⸗ ben ende bekennen wr dat het Choi ——
—— ſchapen beeft. Alſulcken Godt / dien den is / de eerſte geboren ende tab Ella,
Exo. 33. 20, Hemel ende De Hemelen aldert Bemelen niet ne Gods / de eerſte gebaren aller Treatueren / Erov-8-50-
— Penn — toc den Bemmel de reutwige wijghent/ de heact t Bodgi/dak eeu, 3772
4e 12. ancltde Verde is. Die wigelicht / D wi “ Matth.11.20;
toa-118. _ De wateren met dee ounft meter / be e eeuwige waechent / Bat eeuwi⸗ Luc.7.25. 35.
1.7 eme⸗ 1 19.
Mara. len met der fparme ater. f die neeh * —— eene ——
Eni A de aerde begrijp / ende de Bergen met een | waozt / want ’t Godlijck ende Geefteijk is / Joa.3.36 €
1 Tim6.is. gewichte / ende de heuvelen met een wage | ende níet bleefchelijk ende letterlijk / ende een B. raads:
Apo. 17.14. Weget. Die hooger is dan den Hemei / Dieper | gefipzoken woort en is / maer een waenende 23:
endess. 16. dan de Helle / leeger dan de Verde / ende bzez | wint / (nde leeter begrepen / beginnende ende
—5* der dan de Zee, Die alleen onſterffelijk is en |ophoudende / moeſte don als dan Cheiſtus
. in een licht woont / Daer niemant toe komen Gefus voor fijner Menſchwerdinge cen let⸗
Deut42,39. EN mach / Die geen Wenſche gefien en beeft / terfche letter getmecft zijn. Oeh neen / maer
ende7.6. _ moch fien en kan, Die daer is cen almachtig, (het is dat eeuwige / wijfe / almachtige / beps
Hebr.8ro geweldigh/ heerſchende Konink boen ín den lige) waerachtige/ levendige ende onbegrijz
Elaazrreen Hemel / ende beneden op Der aecden. Wiens | pelijke Waozdt dat ín den beginne was/ b
34. 6 keacht/ hant ende gewelt niemant weder: God Was / ende odt felve was / — Joan, t. 3.
ſtaen en kan, Een Godt boen alle Goden / wel) daor welke alle dingen gemaeckt zjn / it
ende een Deere over alle Heeren. De welke |ende fonder welken niet gemacht enig / ban “L°°-
niemant gelijk en is / machtig / heplig / ver⸗ al datter gemaeckt í8/ en dat eeuwigh blijven Loa-8.59.
ſchrickelijſt / loflijk ca wonderdadig. Die een fal. Ende daerom ís ’t dat hu ſelve fept : Ger
berteevende Diet is, Wiens Aijcke / kracht / dat Abzaham geboren wozde / ben in. Item /
gewelt / Majeſtent ende Heerlijkhent eeuwig Joannes de Booper: Qa mn komt een man /
ende altoos duert ende blijven fal, Ende bez | (fende ha) die boor mn geweeft is. Ja deſe
halven defen eenigen) eeuwigen levendigen / Klaechent deg Godlijken gedaente hadde In 38
Almachtigen / heetfchenden Godt ende Hee⸗ bp den vader / al cer deg werelts gront gelent —E
te en ennen wp geenen anderen. Ende de⸗ worde Lu eri achtede het ook geenen voof te
wijle hp alſulken groaten betfcheichelijken en! zijn / dat bn Godt fijnen Dader gelijk was
onfienlijclen Geeft is / foa is hn ooft onbe: | Belennen daerom met Joanne den Dooper) vaer vig
bindelijk / onupefprckelijlk / ende onbeſcheij· Pathanaël / nPartha ende Peten / dat hp de Toan-rtr-
elijk / gelhek men upt de boven genoemde | Sone des levendigen Gods ís. met
aopen genoechfaern afnemen ende verſtaen Wiebe weerde WBzoeders verſtaet mp recht / —
ick ſegge eeuwige wijshept / eeuwige
Deſe eenige / alleene / eeuwige / almach⸗ |&c. —— tr gelten embehekermcn
tige) onbebindelijke / onfientijke/ anumtfpze: Dat de Dader van eeuwighept geweeft 8 / en
kelijke en onbefcheijvelijke Godt / gelaaben ceuwigh blijven fal. “Fa de eerfte ende de laet- za: sc
ende bekennen ty metter Schzeift te zijnde \fte: Alſoo mogen wp fmmerg ook gelooben 44- en 48
eeuwige onbegrijpelijke Dadet / met fijn eeu⸗ ende metter heeten bekennen / dat fijn wijde
wige onbegrijpelijke Sone / ende met fijnen |hent/ fijn kacht / fijn licht / fijn waerhept /
Matth, 3. 17. euwigen onbegeijpelijken H. Geeft. Den Ba: fijn leben / fijn woort, Ehriſtus FJeſus eeu
en 28.18. 19. OET geloten ende bekennen wp een ware Daz wigh met hem/ ín hem / ende ba hem gez
Marc. bp, Der te zijn / den Sone eenen Waren Sone, en weeft is / fa dat A ende 2 oft wp moeten toe:
—— ben 12. Geeft eenen waren H. Geeſt / ende at \ffaen / dat dit gebaerde onbegtijpelijke/ waer- 5 51°?
Ser: niet bleefchelijk ende begrijpelijk / maer Gee: ‘achtige Godlijke wefen (Dat de Vaderen cen *
t Cor, rent. Lelijk ende onbegrijpelijk. Want Chriſtus geen genoemt —— Chriſtus Jeſus
2 Cor.13.13 feut — — een Geeft alg gefept is. Hadien oo welken de eeuwige Wader het alles ge⸗
mekentenijfe Pet Godt alfalchen Geeft ig / alg gefchaeben maeckt heeft / een Creatuerifche begin gehad
Tan adt. — nee ende bekennen Wp ooft ban de heeft / het welke immers alle ware Chꝛiſte⸗
lijke en eeu- Goddelijke teelinge Des Pemelfchen Daders / nen boor eenen verſchrickelijken laſter / hioen
wige geboor ENDE ban fijnen geteelden Sone Thriſto Jeſu. ende arautwel bekennen ende aenfien. De J
eChrifti, Bzoeders berſtaet mijn fchrijven Wel / bat fn nadige ſieve Dader. wil alle fijne liege kindevert
—
Cer in
Joan.r.r.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
: — — — * —
— — ⸗7)— —“ — ——— en k
— — —E — — — I — — — 8
— er — — *
E — —— —,— — — — * — ——
— — — —— — * — — — — e * a nn: J
IE
— — —
—
388 Menno Symons Belijdinge
N ' Sel: fre fijns li ijfelja. Ende Paulus fepdt: Cot De Geddeli-
Be rechte ware Belienteniſſe fijns leven ſonder twijfelja. Ende Paulus fet —*
—— Theiſi/ ceuwigh behoeden ende den Sone ſpreekt hu: Godt uwen ſtoel duert Sent
Bewaren.
van —— zeure / 7 perd ln kingen ende
Mijn lieve B ocdevf in den Heere / dit felipe | uws Bijks is een oprecht Scepter / gu hebt eygenfchap-
p — venwíge wfe/almachtige/ hepli- | de gerechtighent lief gehadt / en de ongerech⸗ pen in Chr
ge / waerachtige / ſevendige ende onbegvijpe tigheyt gehaet / Daeram heeft u gefalft/ Ô
life woort / Chziſtus Jeſus dat ín Den be | Godt / uwe God / mer de Olie der vreugden /
ginne wag, bp Bodt was / en Godt felve Was, boven uwe medegeſellen. Ende op Heere hebt
onbegrijpelijk uit Den onbegrijpelijke Vader / de Aerde Van't beginjel gefondeert / ende
boor atieCreatueren gebaert / geloven en bez — Hemelen zijn De wercken uwer han:
vennen up, dat het ín De volheyt deg tijds na |Den. Ci: / —
—* nberanderijei opfet / ende), Is't níet De eenige Godt, Diealleen een le eek
sn wacvachtige toefegginge/ in Maria de ven: Yoninit aller Honingen ig / ende cen Heere en 19.16.
sten nen gonckvzenwe / daor De werſunge ende | aller Heeren ig? en Die Daer heerſchet in Den Deur.ro.
Genefs. omſchyninge Des Hepligen Geefts / cen
ende 1aen= Waerachtigh/ flenlijk/ tdeljk / taftelijkk/
de 18. en 2 * hongerigh / bozftiad / ende teg ir
gewaden 18 / en pt haer geboren is. Ja on e de Chriſtus
—— alten gelijk / uitgenomen de ſonde / Dat Ia | be: pis alle macht gegeven in den emelen
Ma Eer) : — A men Name (fept Paulus)
eerd 1 ppaewaffen is gelijk ten ander menſche / ende op Aerden. An ſijnen H.
et Lp * ſtemde tijt tat fijnen Doope ende | moeten bupgen alte knien in den Hemel ende
buen Dzedfeatie aengetreden/ Dat Ampe Der Ge: | OP Aerden / ende onder Dev Verden. Ende
Ple3 paden endet valer liefden / Dat hei van den |altetongen bekennen mogen / dat Cheiſtus | |
ja. 15-910: 8 opgelept/ in boller gehoorſaemheit· Aeſus de Heere 3D. — Eſa.ar. 4-
Je a. 15-9 Pader was opg * — D t Is t nietd í eGodt/ die dacr ſepdt en4 6. ent
—5* untgerichtet / Dat hant ſchrift at tegen ons | fen: ct dr eenig⸗ het efkes — * rg
— wad / namelijk Dat / Dat gefette / untgewiſcht J en oe eerſte / ende de lactt dd je. » nde
Luca, ende boldaen / en heeft hem felden ten laetſten Chaiſtus fee in de Openbaringe: Fk bende renzo.
Phila7. in dit fijn menſcheihck dleeſch natuere en: |[X/ ende / dat beginende dat eunde ſept ,.
Ephatt De fmachhent / inde welfte hp oalt gefincht/ qe: | de deere / die daer is / ende die daer Was/ en np Ws
Matt en weent / ende tot den Dader gebeden heeft / die Daer komen fat 5 ze — —
bisa: toe En vreeſt niet: J eecrfie e aet⸗
— 624 — neh jl ot hed kj iltis er eigende jn tk ik wad boot, en fiet /
aren. 200% Geeft ſjnes CME aders groffert / abten Se
Toen raó. . alf0 Âs canfeientien geeepnige van de daat: | Ich ben levendig van ceutwighept tot eeuwige
Joan.11.26-
Luc. 22,67. nle wercken / dat Wp Dienen ſouden Den war hept. os 3 e
tieb.9.14- pen ende levendigen God/ ende alie die aen | Is niet Die de eenige Godt / bie De gl paneel
pom3 4 pem geloven / heben dooz hem genade/ barm⸗ keut/ ende de Niereñn proeft? Sonder t ij Belim 7: ve
* heeeighent/ gwiſcheldinge der zonden / ende fel Ja. En Chriſtu⸗ ſpreelit in de Openba· je 20. en
Bat eeuwige teven verkregen / ende Dat ín de ringe. Ende alle Gemennten ſullen bekennen 17. 10.
middelinge ſjns Yraoden Bloeds / Dat hu Daas / dat ik Die ben / Die de Herten ende Hieren onz ——
fijn overvloedige groote liefde / aen Den Boom derſoecke: Ende ilt fat eenen pegelijken ban APC
de Crupeeg/ vna deg Daders welbehagen / u wa fijn wercken —— re
zûtis snot shad ons Weme ſondaers opgeoffert onde ber: | FS ’t niet de eenige Godt [Dien wu alleen
pat. 27.49 goten heeft + ende fg alfoo onfe venige ende ſuſſen Dienen ende anbidden? PINES 100. or 6.r5.en
Mar. 15.37. Ù wíge Woage-PDriefter / Verſoener / Web. | En Chꝛiſtus fpzecht in Joanue / ſeggende: X
Luc.23.46. eeuwige gek 7,26, 8. 6. 9: 29. 10. 5, Dat fp alle den Sane feuden eeten gelijk fn den r Reg. 13.
rr —— om. cap. 3. verg ag. | Dader ceren. Van de Gobtlijke dieuſten fept Matt 4,
Col.r.r3. ee Ioam cap. 4. vers 14. Middelaer 1. Tir, | Paulus / wie daer in Chriſto Dient (merckt) vas;
cap. 2. vers s. ende Advocaet / 1. Joan.2.1. ú
wie. F pegelijk houde ong boor Dienaers Rom. 1418:
Á nen Vader geworden / Web. 9. 25. Chꝛiſti. — ke 1 Corg.
— — —— als odt de almachtige Bader, Paulus een Dienaer Jeſu Chꝛiſti / ende ——
eoen doorfn Amachtige Woordchziſtum Jeſum / gemepulijk in het beginſel ban alle fijne Bzie⸗
Gen523 oppa ende Evam gefchapen hadde/ Eph.3. ven. Stem ban Det aenbiddinnge fendt
ir Heb, 1. 3. Goan. 1.29. heeft hu haer ooft Lucas/ dat fr Chriſtum als ha op gebaren —
Colu1é. _ Gpepergim / al fp door de Slange berlept war was / hebben aengebeden / en fijn mederge TT |
hm. ST | weder met alte hare nakomelingen / Dooz leert in Jeruſalen; ook bit Stephanu⸗ in ſim A79. — |
De felve willen opvechten ende bꝛoom maken / laetſte / ſeggende: eere Jeſu ontfanat mij: Palm 104, 4 |
op dat wp niemanden ín deu Wemel noch op men Geeft. Oolt Paulus: Alle Engelen Gods — |
— Aerden den prijs onfer Saligheyt geven ſullen hem aenbidden. Item de Moordenaer HELI
Gen.3. 15: Der Aerden Der EEL : Peere gedencht mijier (bit |
Colzus._ fouden / dan alteene den eenigen ende eeuwi⸗ gen Ben Crupee : —
gen Dader / Doo? Chriſtum Jeſum / ende dat | hw) als an in uwe EE mrs
Jon. 1. 510. fy de verlichtinge fijns 1. Geeſts. Dit ig van AIs t niet de eenige Godt el aerachtig
der Denfch-werdinge genoegh. is / ende en zijn niet alle menfchen leugenaers? rn sen
Porder lieve Broeders geloven en bekennen |Dch Ya. Endedie Pꝛopheet fent «An Chet nom. 3.4.
woar Ehyziftum Jeſum / waren Bad met fij ſtus mont en is geen bedrag gevonden, Clzt- ra. rz,
If B rsner tezin } en Dat om De Godelijkte ſtus fent ſelver: Ick ben De waerheut. tem) r Per-2-22.
(a nen Dader LES | kk acboren/ ende ín Der Werelt J°-18-32-
IT Gtm ras. Heerlijkheden / werkingen / ende eygenſchap⸗daer toe benik ge
Ii en pen) die ſoo overvloedigh br hem bebonden | gekomen / dat 1k de waerhent getungen ſal.
id Ela 42.5. Cn keine gelijkmen upt pefe navolgende ſcherif⸗ Mach ooft pemande De fonde vergeven |
% … El 43etro
Tal 48 13. mb ven ende verſtaen mach. Segt ende het eeuwigl leven ſchencken / DA res. 33.
| eere tn ig t met de eenige ende waer: alleen De eenige ende eeuwige Godt À Fz.18.21,
EE | de der | Ende Chriſtus fent : Gp fult we⸗ Heb-S- 12. en
EE Platm 43. 6. Die Demel ende Werde gemaekt Och neen. Ende Ct 4, Lo-12s17.
Ja en 1025 ei —* 4 * de « eeuwig duereufalj ten/ datde Done deg Menſchen macht heef : ——
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Van den eenigen ende waren Godt 389
mare. a. a, De ſonden op Verden te vergeven. Gtem/| Ende gp Bethlehem Ephrata (fpzeekt —
Luc.s.23. tot de Sondareſſe: U ſonden zijn uw berger) Micheas) qp die ſileyn zijt tegen de dunſeuden e.
Luc.7. 4b-. gen, Ik geve haer Dat eeuwige leven. ín fuda ‚_upt u fal mp die komen / die m
moeten ton oolt ín permanden gelooven / Iſtakl Heere zm / elks uptgank van aenbez
Joa.ro.28. Dan alleen fn den eenigen Godt? Beenfins / | gin ende van ceuwighept geweeft is (merckt)
— Ende Chꝛiſtus ſpꝛeeit: Wie ín my gelooft / leeft aal Deb. 7. 3. 4. GEfaí, 44. 6. Apoc. 1.8.
Vamos. | heeft het eeuwige leven. Gelooft gain Godt / 22.13. Goan.r. tr. Ee
Gen. 18.25: ſoo gelooft ooft in mo. Ioanũes ſent: In den beginne was het
Mar.taase …_ Is't niet De eenige Godt) die det gant-| Woozt / ende et Waart was bu Godt / ende
Voors, ſcher Werelt Hechter is + Diede dooden ver⸗ God was het Woort. —
53vberut ende fn den Jongſten gerichte oordee⸗ De Heere fpzalt tat Chomam: Brengt 0.0.ꝛ
2 Cor.s-te. len ſal? Damlijk ja. Ende Chziftus ſeyt: Dat, hier uwen vinger / ende fiet mijn handen / en
—— 4% js De dooden opweckt ende lebendigh maelit / brengt hier u hant / ende ſteelitſe in mijn zijde /
rh gelijk de Bader. We fal ten oopdeele verſchy⸗ ende en weeft niet angefoovigty maer geloo⸗
hen. Eme ſal heerfchappije Gebben over die vigh. Chomas antwoorde / ende fende heu :
Ievendige ende dooden. Ende ín fijner toe⸗ Mijn eere mijn Bodt) (merit) Jefus fende
Kkomfte oordeelen ende vechten. hem: at gp mp gefien hebt Choma / foo
Diet liebe Broeders nadien nu de ſtoel Chri⸗ hebt qu gelooft / ſalig zijn fis / Die miet gefien en
teh... 10. WEBER eeuwige ſtoel is en de fchzift haer niet en, hebben / en nochtans gelooven.
Plalim 102.16 ſchaemt hem Godt te bekennen/ en getupat/| Paulus fent : Hebt acht opu felben / ende
Matta83 hoe hy ook Hemel en Verde gefondeert Geeft / opp de geheele kudde / order De Welke De Hep⸗
Apoer18. Dat hu alte gewelt in den Hemel ende op der lige Geeft u geftelt heeft tot Biſſchappen / om
Aerden heeft / Dat hu de eerſte ende De laetſte De Bemepnte Gods te vegeren/ de welke bj
is / bat hp de herten ende nieren proeft / die doa? fijn engen bloet verworven heeft.
menacnbidt ende Dient / Die de Wacrheptis/) Pozder fepdt Paulus : welcke oock de Daz
Diede fonden bergeeft / ende her ceuwige le⸗ ders zijn / van Den welcken Chriſtus na den
gen fchenkt / in wien Wa gelooven moeten / vleeſche is gekomen / díe Daer Godt aver al is / Rom.9..
ende ons ten fongften dage opweelten ende! gebencbijt im der eeuwighent. (merckt) Item:
Ei4rs. oordeelen fal / als gefent is / foo (St immers Godt was in Cirifto / en verſoende De werelt
onwederfnzekelijk / oft Chziſtus Jeſus mact met hem ſelven. Leeſt ooft Goa. 14. Cal, 22.
ook met fijnen Dader Ware Godt zijn / Want) 1. Cim. 3. ; Mi
adt en mach fijn eere geenen anderen geben. Noch fent Paulus : hoe wel hu in Godlijlie
Ende Defe zijn immers alle heerlijkheden / gedaente Was / (merckt) en heeft hu’t vooz Phitz.6,
Krachten ende epgenfchappen / Die niemant! genen voaf geacht/ God gelijk te zijn) (metkt)
ín den Hemel ende op der Aerden toe en beho⸗ maer verkleunde hem ſelben / ende nam de qe
ren / dan alleen den eenfgen/ eeuwigen ende) daente eens knechts aen.
wactachtigen Godt / moeten alle Godt-gez| Yoannes fept: Wap weten Dat de Sone Gods
AC.20.28 b
teerde met bollen monden belijden ende toe⸗ geſtomen is / ende heeft ong eenen ſin gegeven) * Joa 5. 2e"
ſtaen. op dat Wp ſouden bekennen den waerachti⸗
Pier benebens liebe Broeders geloven en be⸗ gen/ en zijn in Den Waerachtigen / ín ſijnen
kennen wu Chreiſtum Jeſum met fijnen he⸗ Sone Jeſu Chriſto. Deſe ís he waerachtige
melſchen Dader ook waerachtigh Godt te zijn Godt (mercht) ende dat eeuwige leven. Daer
ende dat door de Klare getimgeniſſen det Hey⸗ beneven Heeft oak dat gantſche Cuangelium
liger PropGeten / Enangeliften ende Apoſte⸗ Ioamnis / en 1.Cat.ro. 15. Epheſ. 4. Deb. t.
len / gelijken ín defe navolgende Schziften / 3.7. 1x. 12.13, Gp fult door Godts Genade
ende noch meer andere lefen ende verſtaen wel eenen gewiſſen ende baften gront binder.
mach. Aldus preekt Eſaias: Een kint is Diet mijn getrouwe Bzeoeders hier hebt qu
ES ons geboren / een Sone is ons gegeven /ende de onbegeijpelijke geboorte Chriſti / fijne God:
Piang. F. en ſjjnen Naem fal genoemt Worden / Wonder: lijke heerljkheden / werkinge ende Grachten ;
——— ijle / aet / Godt (merkt) alias Kracht ſter⸗ ende fo vele edele ende Klare getungeniſſen der
der Prophe- (gen Welt / eeiwigh Dader (merckt) Deede- Hepliger Propheten / ECuangeliften en Apoftez
et Bres Porft/ %c. Leeſt ook Eſai. 7.15. len die doch alle in cen onberwinunelijke kracht
gekende “Stem: Seatt dem fleden Guda: Siet / det ware onbebindelijkke Godhent onſes Hee:
vande Gd Daer is uwe Bodt (merlit) want fiet de Deere ven Jeſu Cheiſti fu foo grooten ſlaerhept
heyt Chriftí, Heere komt (merkt) gewoeldelijkk / en fijn loon, betußgen ende aenwijſen. Ik verfie mp dies /
Eſabao . {gp hem / en fijn vergeldinge is boor hem) bp ende en twijffele oolt niet / een beame / vats
al ſjn kudde Wepden alg een Herder hp fal de moedige / Godtvzeefende confcientie fal hem
Harnmeren/ ín ſijnen armen vergaderen / hier mede wel laten genoegen / ende hem niet
ende ín fijnen ſchoot dragen / ende De Open | verder, in deſe onbegrijpelijke diephept in men:
tepden{ bier by leeſt Ezech. 34. 11. Eſai. gen/ ende foo dan pemant voorder ſoecken
OT, a en diſputeren wil / dien Prophetere ick boog
Diet / de tijt komt (ſeyt Jeremias) ſpzeekit gewis / Dat hu fijn leen lank Wel ſoecken enz
De Deere / dat ik dien David een rechte bzucht De Difputeven fal / ent nimmermeer een beſtan⸗
berweekken Wil / ende het ſal een Koninck zijn digh gemoet en vaſte gront hebben. Datrom
ſet.az.5. en Die welregeeren ſal/ ende vecht ende gerech⸗ lieve Broeders foo zijt gewaerſchout / waekt
33 15. tigheyt op Verden aenrichten. Ter feïver tijt | ende hoedet u.
fal Guda geholpen worden / ende Afraël fe:| Gelijk won nu onfe gelove en bekenteniſſe
Kee Moonen. Ende dit fal ſjnen naem zijn / van de ware Godhept Jeſu Chriſti aengewee
Dat men hem heten fal Heere / (Dat bp den | fen en beleden hebben / alfa willen wy ook níet
Hebreen met Lier Letteren geſchreven werdt ) dooz Gods genade onfe gelove en bektenteniffe
die onfe rechtveerdighept ig. gan den h. Geeft onder korte woorden aen tees
kenen en voozſtellen De Bodvguchtige magert
Eer 3 rech⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
2» Cor.5.19.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
390 Menno Symons Vermanende Belijdinge
rechten. Den hz. Geeft gelooven ende bekken: |2 Cot, 13.4. Ende hoewel (fs drie zijn / ſos
nde eenen waren wefentlijken ofte perſoon⸗ zijn fp evenwel ín der Godthent / wille/ krach⸗
lijcken ( gelijcl De Daderen hem noemen ) H. | ten ende werckingen een / ende en mogen niet
Geeft te zijn) ende dat nae Godtlijcker wijſe | beter ban malkanderen gefchepden worden /
gelijk De Dadet een Ware Dader ig/ende de So⸗ als Sonne/glantg ende warmte / want Dat een
ne een Ware Sone is / welche H. Geeft van al⸗ en is niet fonder dat ander / dach alleg onbez
fen Menſchen kinderen onbegtijpelijk/ onunt⸗ grijpelijck upt den onbegrijpelijchen Dader/
fpreechelfjcht ende onbefchzijvelijk is / gelijk wp | gelijckt glants ende Waermte upter Sonne,
gol: boven Han den Dader ende Sone getungt Het een moet bj dat ander ffaen / oft De gants
hebben Godtlijck met fijne Godtlijcke gaveñ | fche Godthept is verloochent / want al wat de
bootgaende ban den Vader door dbenSone/hoe | Dader werckt / ende ban beginne gezocht
wel ha immer by Godt ende inGodt blijft / ende Heeft / wercht hp alles dooz fijnen Sone / ia
ín t wefen van den Dader ende Sone minmer⸗ | kracht fijns heptigen ende eeuwigen Geeſts.
meet gefchepden wordt. Ende dat wp hem Deſe Sone en werckt niet fonder Den Dader
voor alfulcheu waren ende wefentlijcken H. | ende fonder den Henligen Geeft. De Heplige
Geeft bekennen, drijft ons de Schzift toe / nae⸗ Geeft niet ſonder den Dader ende ſonder den
Matt. 3.17. melijk / want hp ín een lichaemelijke gedaente| Sone, Aldus maet het eene bp het ander blij
Luc. 5-22 eener duphen opChriſtum in fijnen Doope ne⸗ ven / oft het maet een onbolkomen Godt zijn/
Jor 55 dee gedaelt ig, An gedeplde en vperige tongen | want verlooctenen kop de Godthept Chafii/
dp de Apoftelen gelamen/dat toy fa wel ín fij-/ oft dat ware weſen Des Henligen Geeſts / fo
nen naeme / als ín deg Daders ende deg Soons | conteefepten ende malen wp ong ſelven eenen
ame gedoopt worden / dat De Pzopheten | Godt af / die Daer is fander wijshent / ſonder
Matt.59. 19. door hem geproͤpheteert hebben / wonderen en kracht / fonder licht/fonder leven / ſander waer⸗
zach.7. 12. Krachten gewzocht hebben / dzoomen ende gez | hepdt/ fonder Wooordt / ende fonder 1. Geeft,
r Per. 2t: ſichten gefien hebben / want hp een wptdeplder | Mijn Beoeders / verftact bach alles Godtlijck
* Nas. der gaben Godts is / ende Dat nae fijnen wille ende Geeftelijck / ende niet menfchelijck ende
+ Cor. 12. 4e(mmEECHt Wel) : Wu beroerde Zachariam / den — fo ſult Bhp u ín deſen Diepen / ende
Luc.136 Sone Barachiæ. Hp beroerde Joannem Bapti- verſchrickelijcken afgront/ met díe heldere hlas
Lue 225. {tam noch ín Moeders lichaem. Ende hp ſprali ve ende eeuboudige aenwijfinge der Pzopheten /
A83 tat Símeon/ dat he den doodt niet ſterven en Euangeliften ende Apoſtelen wel laten genoe⸗
o. 14. 26.. faude/ tot dat In den gefalfden deg Beeren gez |gen. Een pegelijckt fie boor hem met vzeeſen
J fi hp
ende 15. 26. fien hadde. Pp fepde : Schepdet mp unt Pau: | ende beven, Dat hp fijn hant in dat berteerende
gen Tum en Barnabam Ende tat Petrum : Siet / vper niet en ſtecke.
3 s-30, Daer zijn annen die ſoecken u. Hy lept ín alle ectgeondelijke liebe Boederg en Suſters
Rom.8. 16. waethent/hu rechtveerdight ons / hn repnight in Cbafto Jeſu / merckt doch een wennig op ’£
ard 815 hepligt / vzeedigt / vertrooſt / ſtraft / verblijt ende | gene Dat hier bolgen fal / namelijk / nadien Den
Nr. derſeeckert ong/ geeft een getupgeniffe onfen eeuwigen Godt alfulck een grooten ende bete
Pal.sr.ó6. Geeft/dat wp Gods kinderen zijn. Defen ont⸗ ſchrickelijcken Godt is / als ghn gelefen hebt,
Rom. 8.10: fangen alte die aen Chriſtum gelooven / defen — — Jeſus aldus upt den Dader geboren
beemaent Paulus / dat wp niet bedzoeven en is / als geſeyt is / ende De epgenfchappen Godtg
fallen. Wie tegé defendBeeft ſondigt (feptCtzi-| in Chriſto Jeſiu fo tijchkelijk overvloepen. Mote
ſtus) en fal geen bergebinge verkijgen. Defen de Pzopheten / Cuangeliften ende ſtelen
Geeft begeerde Dabid / dat Godt niet van hem, hem fo geweldelijt boo? Mod bekennen) pzedi⸗
nemen en foude. Want alle díe deſen Geeſt niet | ken en untroepen / ende de Schrift aldug over⸗
en hebben/ en behooren Cheiſto niet toe. bloedig van den H. Geeft leect ende getungt / en
Jae mijn Broederg/ doo} deft klare Scheif⸗ ban heeten bekent / hoe de eeuwige Bader met
ten/ getupgeniffen ende aenwijfingen / ende fijnen eeuwigen Sone ende IJ. Geeft ín haer
door andere Schziften meer) die nu al te lanck Godtlijke wefen ende geftalte/macht/heerlijks
te verhalen zijn / ende Die men ín der Scherift hept ende vegeringe onbeindelijk/onuptfpgeez
obervloedigh lefen ende binden magh / betim⸗ kelijk ende onbefchzijbelijk zijn/gelijk meu upt
gen wp den Hepligen Geeft cen Ware weſent⸗ de aengetogen fchaften klaer ende wel verſtaen
fiche Heplige Geeft Godts te zijn/die ong met magh / want het 18 alles Geeft ende Godt / ende
fijne Pemelfche ende Godtlijke gaben verciert / daerom ook boen aller menfchen vernuft ens
ende met fijn aenblafinge onfe finnen ende ge⸗ de kloeckhent. Daerom ís ’t dat ick aen allen
moeden nae deg Daders welbehagen ontſon⸗ mynen lieben WBzoederen ende medegenooten
dight / vepmoediaht / becediaht/ hepligt ende | ín Chriſto Jeſu begeere / bidde ende bermane
braam macht in Thriſto Jeſu. Ende aldus ge⸗ bp alles dat men bidden kan / dat ap doch ober
looven ende bekennen Wp boor Godt / Loog fijn) al geene glofen/geen nieuwe invindingen / noch
Engelen! voor alle onfe Bzoederen/ ende voo? | geene uptlegginge eenigs menſchen / hu zn wie
Be gantfche werelt / hoe dat Defe die namen / hu 30 / beneden deſe onbegrijpelijke hoogh
werckingen ende krachten / namelijck / Pader / toelaten ende confcuteren Wilt / bzeefende
Sone/ende Penlige Geeft (welcke de Vaderen altijt / gn die God foekt/upt alle uwe krachten/
Drie Perfoonen genoemt hebben / daer mede fj dat qu u dooz alſullie hoogbliegende gedachten
De drie ware Godtlijcke weſens gemeynt heb⸗ en menfchelijke vermoeden an den oñbegrjpe⸗
ben) een onbegeijpelijcke/onbefchjeijbelijke/ NI Hijken God / die aller Menſchẽ beenuft/Bat hem
machtige, Heplige / eenige / eeuwige ende heer⸗ tegen is / tot fathept maekt/ niet en miggrijpet
fchappende Godt zijn / gelijck Joannes fept :| ende niet alfa midtg uwe onnutte onderfoeken
Drie zijn daer die getupgeniffe geben in den | ende mijmeren in alſulcke onbebindeltjcke fa-
Demel / de Dader / ’tWoogdt ende De Heplige hen ín fijn handen vallet (ende ten laetſten ban
Geeſt ende defe drie zijn cen. Item leeft dock den bpere fijng grammigen toog opgegeten
Matth. 3. 28. 19. Marc. 1. 8. Luc. 3. 8. ende berteert wordet. Mijn Bzoeders (k gez
Joan 14. 16, em 15. 26. 1 GOE, za, 11. tupge boog mp dat ich heel lieber hebbe ele
Van den eenigenende waren Godt. 391
_-ken/ dan eenigh Woordt oft letter ban den Daz
Der / Sone ende (2. Geeft anders ſoude geloo⸗
ben/ ende mijnen Broederen vaar geben. (fiet/
voor Godt / ick en liege niet) Dan mp dat uptz
gedzuckte getupgende Waart Godts ende Den
Pꝛopheten / Cuangeliften ende Apoftelen met |
uptgedzuchte waagden ín fa heldze klaethepdt
aenwijſt / lerrt ende boogbeelt. Och mijn Godt⸗
vruchtige trouwe Bzoeders / laet ang alle alſoo
met malſtanderen gefint zijn/fa magen de woe⸗
fte ſteden weder gebaut werden/ dat vafte vaſt
behouden! ende dat wanckelmoedig weder gez
ſterckt Wozden/ ende alfa vzede ief de en eenig⸗
hent weder ín have weerde komen. cht weet
gewis ende waerachtig / ſo pemant berder laa:
pen wil / dan wp hiet unt Godts Wooet betun⸗
gen ende vermaent hebben / díe ſal dwalende
gaen/ oft hp fal te hooge klimmen / of ter zaden
blijsen/ oft te vezre ter zijden untloopen / de rech⸗
te ende gewiffe band tal hp miffen / ende níet
kloecker handelen/ dan oft hy den Ahijn oft de
Maſe im een quartierken ingieten ende beſſuu⸗
ten wilde. Maer die cenvaudelijck ende oot⸗
moedelijck bp dat woort Gods / en getupgende
Pꝛophetiſche / Euangeliſche ende Apoſtoliſche
oogt blijven / ende dat felve vaſt gelooven / hoe⸗
wel fp 't in alles niet en begrijpen noch begrij⸗
gen en magen / ende Wachten hem boo alte
menfchelijf onderſoeclien / diſputeren / gloſeren /
Draepen ende vermoeden in alſulcke onbevin⸗
delijſte afgronden / die ſullen ín alle aenvechtin⸗
en door Godts genade wel beſtaen / ende al
Pact leven langh met een bafte vauwige ende
brolijcke Confcientíe boog haten Godt wandez
Ien. cht waude ban herten/Dat alle Brꝛoede⸗
ren hiet ín gelijkt gemoet ende fin met my had
den / want ich hebbe der menſchen ſophiſterie
ende glofen over 15. Garen vpant geweeft/ ick
ben’t noch / ick gedench’t oofs te blijven/en mp
dao? mijns Gods hulpe te wachten / dat ick dat
bieet van des Heeren offer. metten fuerdeege
níet en offere / maer ick begeere alleen Dat on-
gefuerde broot koecken ende bladen des tepnen
(Met eygender handt alfulcke lange Schrif.
ten aen een yegelijcke Gemeynte byſon-
der te fchrijven ‚en vermagh ick niet.
MENNo Sy MONS,
Genade ende Vreede.
| N Mdemacl lieve Broeders / het kennelijck
| is Mm alle gemepnten / hoe dat ín de
Handen zundtwaerts gelegen; een groote
moepte ober De Godtlepdt Chꝛiſti ende des
Hepligen Geeſts is / upt welcken vele onge:
loofg / twiſt ende tweedzacht bp fommige
gereſen in j ende dat tot graater dzoeffemſ⸗
fe ende morte allee Depligen. Ende hem
famtijdts wel begeeft / dat de eene oft de an⸗
Der upt De landen herkomende / die metter
\
fachke befmettetig [ endealfo wel bp ſommi⸗
gen moepte aenrichtet / heeft my de liefde
gedzongen / deſe volgende Schriften den Bez
mepnten ober te ſcheyven / ende dat upt deſe
oogfachen. Cen eerſten / Dat de onvezruck⸗
te ende gefonde Confcientien haer boo? alz
ſulcke verſchrickelijcke Difputatien ende onz
‘begeijpelijche murmureringen wachten mos
gen / op dat hare herten in alſulcke gronde⸗
looſe diepheden / tat haer eeuwige fchade níet
en Gerdzinchen / ende boor haren Godt ecus
wigh te ſchanden Wazden.
Ende ten tweeden / Dat alle de gene die
onwetende ende onnoretijck Dwalen / ende
in hare Confcientien gebonden ſtaen / ende
evenwel Bodt vreeſen / ende onder den Crup⸗
ce Wandelen / dao? deſen onfen dienſt ende
febziftelijche aenwijfinge/ tot Godts eenwi⸗
gen peijfe ende Weerlijckhepdt / ende tot al
ler Hepligen vreughde ende bzolijckhept mos
gen gereddet ende gebzuet Worden. Ick
hebbe ’t allen mijnen lieven Bzoederen ende
medegenooten upt hertgrondelijcker liefden
ende medelijden geſchreven / magh daer nu
dnvermen den Woot Godis metten oipe des maer een bedroaefoe wanckelmoedige / twij⸗
H. Geeſts beſtreeken / in dat Hepligdom Gods,
ín te Dragen / dat is / in fijn Heylige Gemeyn⸗
te, Och mijn Beoeders / waren fp alle / die Beoe⸗
ders naemen voeren / alſo met mp gefint/ep hoe
haeſte foude alsdan de Weemoedige dzoevige
heeten vertrooſtinge ende brolijckthept /ende de
gedeplde ontuftige gemoeden eenighept ende
bzeede hebben. O Heere Jeſu ontfermt u
uwer atmer bedzoefder fchapen / ende lact alte
hongerige en dDoeftige zielen uwe groene Wen⸗
Den ende Klare Wateren vinden / Amen. |
Lieve Bzoedeven ende Suſteren in 96
Jefu / ontfangt het met alſulcke herten / alg ick
Tugeſchzeven hebbe/leeft dit bn allen Bzoede⸗
ren bedundelijck / ende verſtatet Cheiſtelijck /
ende wachtet / wachtet / jae wachtet u van alle,
diſputatien / twiſt en ſcheuringe / begeere ick
upt dat binnenſte mijner zielen om des Heeren
wille. De Wert-geondelijcte Euangeliſche
breede zy met allen mijnen lieven Broederen
ende Suffecen in Chriſio Jeſu / Amen.
Den 9. Septembris Anno. 15 50.
MENNO SYMONS.
(felachtige ziele mede geholpen Wozden / foa
wil ick ’t Dierder achten / Dan alles wat ons
Der den Wemel is. Mi kinderkiens / hoedt
u vooz alle twift ende tweedracht / op dat
gba ú Chriſto Jeſu Waffen ende vermeer⸗
deren meught. Schouwet alle de gene die
u berſtooren / ende tot oneenighendt ver⸗
wecken / Die Wat nieuws ende fonderlingg
boorgeben ende invoeren Willen / Waer mede
fp de Cheiſtelijcke Cuangelifche liefde / vree⸗
de ende eenigkhepdt ſwacken ende bzeecken
mogen. ch mijn hertgrondelijcke liez
he Broederg ende Suſters in Den Heere /
merckt doch blijtelijck / op het gene dat
ícht u fcheifve / op dat Godt de Wemel:
fche Dader met fijn gebencdpde Sone Chꝛri⸗
fto Jeſu / ende met fifnen Wepligen Geeft
bate Godtlijcke ecve houden magen. Vzeede
zp met u.
MeNNo Symons den Broederen in Groeningen ende Groeninger-lant,
door eenen getrouwen Broeder Jan Aertfen ten dienfte
uytgecopieert ende overgefchickt.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ontfanget met Liefden,
Om
392
Om geen leedige plaets te laten , heeft het ons
goed gedacht defe volgende Brief hier in te
voegen, luydende als volgt.
Mijn feer getrouwe Broeder in Chrifto
zy Genaac en Vrede,
LJ Ptberkorene Broederg ín den Heere /
niet ſonderlings heb ick u te ſchrijven /
Dau dat ick wel wůͤde / dat au my fchyzeef /
hoe bezre het met De Verkieſmge der Broe⸗
Decen in De Waterhorne / ende oock met
Lebe Pieterfz. geliomen is: niet/dat ick Lebe
Verhkieſinge begeere te beletten / maer moghte
twel lijden) Dat ick hem geſproocken hadde /
alcer hp tot den bollen dienſt voort trade :
want mijn ziele Tact mp niet beruſten ober
den handel / die men Loorgangen act met
mp gevoert heeft. Och mijn Bꝛoeder Reyn!
mogbte ick een halbe dagh met uſpzeecken /
en weent wepnigt van mijn droeffeniſſe / ſmar⸗
te / en ſware hertenleedt te kennen geben /
gan mijn groote fware ſorge / Die
ee het tockointente goo? De gemeente
dat een genoegelijche ſachte
r over mijn bekommerde ziele zijn !
ick het al bp mp felben fitten ver⸗
Soo mp
Hrachten boorgangen|
drage; wat foude
*—
* ende ín mp ſelfs opeeten.
defterche Godt Det
Jaer niet DEL
{gare Han MIJN
denck ick / doch wepnigh feg ende
pelpt mp bidden Dat
ende een genadige uptgangh bp alle
merde zielen fien magh.
—*
Gie
Menno Symons Brief aen de Broeders.
bewaert hadde / alg oock noch/ ick
finnen al berooft; want Daet
is op aerden níet Dat mijn harte alfoa bez
mínt / als het De sad bn * er eel
met aen haet be $
been erf ooch ſchrijf ick.
fc berkkoelinge vinde /
bokom:
Rijn *
tu boor de tweedracht / jaeght De Herde
ae right met voller herten nac / vorſelt
u atijdt met den Preedigen/ gebaucpkt Wens
nigh woogden/ende toont u in alle uwe Weger
alseen Dre upt Bodt gebooren ig. Och upt:
verkorenſte Bzoeder / komt doch met uwe
vuurige gebeden mijn ſware dzoeffeniſſe te
hulpe : ick bidde u om Jeſus wille / laet mijn
droeffeniſſe bp u begraven blijven / doch ſoo
gh met pemant daer van wildet ſpzeecken /
foa wetet / met wien dat abu fpzeecht. Doa
alle herten cepn Waren / ende alie tongen met
fout doogfouten / ende oock de belijdingen van
De berloopene miggrijpingen/ ban het boog:
gangen jaer vechtfchapen nae der Waerhepdt
boostgingen / hoe drae foude men my eert
vroolijck man vinden. Nu / nude Heere fal
mijn trooſter zijn. Moghte de arme gemeen:
te vecht geveddet worden ! Och laet ons bids
den mijn Broeders! Dat ick mijnen ſecre⸗
ten Broeder ín den laetſten ban De ſeſtigh dael⸗
ders faerlijchg gefchzeben hebbe / mepne ictt
niet Dat ghn daet mede fult geſtoort zijn hehe
be het alleen vpt vryhent gefchzeben/ Want ick
Bet jaerlijchg wel behoeftigh ben : De barm⸗
beetige Peere/ mijn getrouwe Vader / wilſe
mp verſorgen nac fijnen wille / hp weet Waer,
Groete den bzoomen met des Heeren vreede:
mijn Dochteren groeten : De Godt aller:
Genaden zu met u / mynen alderliefften Bzoe⸗
Der / ende met allen beoomen in eeuwighent /
Amen. Soo men mp wat tot mijnder noot
druft fendet / fulcks laet met den eerſten gez
ſchieden / want de flachtent is dzae be
handen / ende is wennigh daer mede dat ic
hoopen kan: Och mijn Broeders houdt
het mp ten beften / den noodt dringt mp.
Den 1. Septemb,
MaNNO SyMONSs
de Kreupele,uwen Liefhebber.
R pe 9
NN
NE are
Mu ve
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
VERKLEARIENGE
DES CHRISTELYCKEN
OOPSELS
inden Water, uyt't Woordt Godts.
DoK
MENNO SYMONS.
In wat maniere dat fy van Chrifto. Jefu bevolen is, ende van
| lijnen Heyligen Apoftelen geleert , ende
| gebruyckt is.
| | 1 Corinch. 3.
Daer magh geen ander Fondament geleydt worden, dan alleen dat’er geleyt
is, het welcke is Chriftus Jfeſus.
Gedruckt in ꝰt Jaer onfes Heeren M DC LXXXT,
— — —
gd ee _
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
en
le)
le)
IT
5
®
a
4
®
0
£
Ke
2
an
kj
ee
va
jn
jen
5
Ava
u
e)
2
ed
®
*
>
8
u
2e
*
*
9—
Vv
>
5
8
8
en
0
8
u
®
lep)
le)
E
oo
ON
laa)
NN
Oo
—8
Fol. 395
Menno Simons Latinis Lectoribus falutem.
Egite & relegite, vobis loguorodotti , quiingemo ES dodtrina
praceteris pollere videamini. Opnfculum hoc meum, decele-
brandoBaptismi ritu, Germanict addidi. Nam Latinainfcitacanfa
non bene poſſem, & ſipoſſem, non vellem , ne labor iſte meus fab ma-
nibus amulorum in caſſum depereat, ſed potius cuivis Chrifttano con-
jpscuus fiat , ES fructui cedat. Non fint in eo canponationes Scr1-
pturarum, ( ipfipudicate) non dicacitates, non mendacia. Scioete- Videe
aim non effe Chriſtiani fpiritus ‚ cum quoquam agere frandulenter, ——
precipuè mre tam ſeria etiam verd Chriſtianus neſcit frandes. Decet
quidem E uangelicum Profeflorem nihilpre feferre niſipraclariſſimas
illas Enangelit dotes, nempefidem, charitatem , patientiam ſpi-
ritum, lenitatem, pacem, manſuetudinem, veritatem, mode-
ſtiam denique tantam ‚ ne quisquam fit qui ullam turpitudinis ma-
culam ei gure poſſit impingere, ut non modo verboſed & vita quoque
doceat, juxta Pauli noſtri ſententiam qui dicit Caſtigo corpus
meum, E& in ſervitutem redigo, ne quo modo fiat, ut cum aliis predi-
caverim, ipſe reprobus efficiar, 1. Cor. 9. Et alibi: confervatio-
nem veftraminter gentes habete honeftam ‚ nt inhoc quod obtrectant
wobis tanquam ſceleroſis, pudefiant hi, qui inceſſunt veſtram bonam —
in Chriſto converſationem, 1. Petr. 2. 3. Hujuſmodi enim mediis ——
oportebit ignorantium ſloliditates comprimere ‚ ne illud HServatoris * viëds-
retorquæatur in nos, quod dicis: HEjice primum trabemde oculo tuo ,
Luc. 6. Nam qui Chriftianos parerem,cumipfeGhrifttanns non effem?
Legiteergo €5 fi quicquam in eo nventatur , quod non faprat
Euangelicam puritatem €5 (Prritum, confnndar ego, non vos. Scripft
enim pio asnoris affeétu, non ut alicui noceam, fed virihus omnibus in
ferviam. Veruntamen guales mihi per vos pro hoc meo erga vos be-
neficio agantur gratie „non fatisfoio , nif quod cum ſanctiſſimo Duce
meo, nempe Chrifto accipienda mercedis loco, quodrvis malum, ignomi-
nias & cruces feram. INon mirum. Oui vero mihi parcerent, qui Ve- chit aux
‚ eft eorums
ritatem quero, & juxta colſatum donum profiteor, quum omnes ferèsi wise.
zuftitia precones, qui ſuerunt ab initioin mortem pari ratione TT —
| derunt. Hec eftenimgratitudo, quum mundus exhibet fervis Dei.
Utinam ſemel verè C hriſtiani eſſent, qui ſtolide ſeipſos Chriſtianose (le
confidunt Gratia fit cum omnibus diligentibus,per Dominumnoftrum
Ieſum Chriſtum cum finceritate.
| Ddda YOOR-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— * mn
—— —— —z—
—
nd bn Zas 8 anges ; *
| — s
ed
Fol. 396
VOOR-REDEN.
Ieve Lefers, overmits dat wy onſe cerfte fchriften van den Doopfelaen den
dagh gegeven hebben „ waer inne wy met Chriſtelijker vaerheyt die begeerte
van eenen yegelijken vromen Chriſten vol gedaen ende wel geftilt hebben. Om
EEL dat dan nochtans fommige lichtveerdige , rebellige, / wederfpannige; ende vlee-
Ì fchelijke Menfchen , fonder reden ende fonder Heylige Schrift „ alle wegen fon-
der eenige Gods vreefe, uyt cen partyelijck herte tegen ons leeren , fchrijven,
vermanen , ende roepen, feggende: Hetis Ketterycendebedrogh, want het is
gefchreven ende geleert tegens alle geleerde, ende tegen de leeringe der Heyli-
ger Chriftelijker Kerken, &c. Hoe wel ick niet voor my genomen en hadde,
alfodanige verkeerde, rebellige, ongehoorfame, ende weder{pannige menſchen
* te reſponderen, na dat woort des Heeren Marth. 7. maer alleene den nederigen,
Eai6ó.5. ” fachtmoedigen ,.Godtvreefenden, ende die gebroken van haer herten zijn, want
Mieó.s. de wijfe fal wijsheyt hooren, hy falfe lief bebben, beminnen, ende altije wijfer
Matt. 1129 worden , maer die fottefal fotheyt hooren, hy falíe prijfen, in haer verouden
endefterven, fo wil ick nochtansalfodanige wederftrijders ende wederfprekers,
die haren mont foo wijde op fperren tegen Gods woort, beyde de twee dingen,
dat ſy diefelfde wetelijken ende verftandelijken onderfoecken , examineren ende
herkauwen ‚ enantwoorden my als dan met befcheydender ende deuchtfamiger
wijsheyt. Teneéerften, wie dat die oprechte Ketteren en bedriegers zijn? Ten an
deren, wiedatdiegeenezijn, die daer vermanen , en leeren tegens die leeringe
der Heyliger Chriftelijcker Kercken ? Als fy my dat dan oprechtelijck ende
wel berichten » foo moeten fy doch felve dat vonnifle ende die {ententie geven,
datby onsende niet by haer die oprechte waerheyt Jefu Chrifti bevonden wordt.
1 Ter contrarien wederomme, dat niet by ons (die quade Secten en roeren ons
niet) maer by haer alderleye ketterije, bedrogh ende valfche leeringen feer over-
| | vloedigh geleert, ende gebruyckt worden. Wie dat dan van beyden partijen
| Ketters ende bedriegers zijn » dat wil ick den Lefer laten onderfcheyden ende
| Hetetieus oordeelen. Want Hereticus isalfoo veel tefeggen, als een uytlefer ‚ uytnemer
| — ende verkiefer, (quia Hereſis Grece ab eleëtione vocatur , inquit Bedafnper Alta
Apoftolorum) die hem felven uyt eygen meyninge oft goerdunketheyt verkieft ( na
Í mijn bedencken) dat hy gelooven ende volgen wil. Zijn dat dan die oprechte
| ende waerachtige reretict oft Ketters , die na eygen meyninge haer felven
buyten die Heylige Schrift , ceneygen Geloove maecken , foo en weet ick
waerachtelijck niet waer dat men befchreyelijker ende ellendiger Ketters vinden
fal , danalsden genen, die ons arme verftroyde verworpene Chriſtenen alle
Marima he- dage als verdoemelijke Ketters tegenfpreken, tegen-ftri jden ; (chelden ‚ verra-
refisapudad- den ende vervolgen. Daer en 1s immers geen leelijcker, grouwelijcker ket-
IE terije onder den geheelen gantfchen Hemel, dan by onfen wederfprekers ende
rin. ordiniswederftrijders gevonden wort, alsfy dat woordtende die volmaekte ordin antie
H —— ende inſettinge onſes lieven Heeren Jefu Chriſti foo fchandelijck veranderen ende
verkeeren , alsdar fy Doopen die’t God niet bevolen, geheeten, ende ook nict
eboden enheeft, namelijken , die kleye onverftandige onmondige kinderen |
ende klocken. En datfy nieten Doopen den genen dien ’t Godt geboden heeft, |
namelijken, dengeloovigen. Dart fy een beetken broots endeeen droncksken
Wijns aen bidden ende eeren voor den Sone Gods. Dat fy haer felven toefchrij=
ven fonder eenige Gods woort, die macht beyde over den levendigen en de over
den dooden. Ende dat fy die menfche der fonden , dat kint des verdervinges;
| wiens
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
VOORREDEN., 30%
wiens natuerlijke hooghmoer, prael, gulſigheyt, wreetheyt, onfuyverheyt , en
Afgoderije,datmen niet vertellen mach, fetten ende ftellen in de plaetfe Chrí-
ſti, &c. 2 i heff 2,4. Tek weer voorwaer niet, hoe datmen immermeer erger
kerterije verfieren ofte bedencken magh. Nochtans {oo roepen defe ellendige
menſchen {eer ítrengelijken tegen ons, Ketters, Ketters, verdrincktfe, brantſe,
ende dootſe, door anders geen oorfake, danomdat wy met den heyligen Euan-
gelio Jeu Chriſti, leeren dat nieuweleven, die Doope op den Geloove , dat suave
Avontmael onder beyde gedaenten in een heylige, ende onbeftraffelijck Ge- —
meynte, om dat wy beftraffen alle valſche leeren, alle Afgoderije, ende dat Chritanos.
verdoemelijke vleefchelijke leven, ende wijfen alleene op Chriftum Jefum Ge-
benedijt, ende op anders geenen middel ter faligheyt in Hemel noch in Aer-
de. I4S dit ketterige lieve Leefer , {foo is voorwaer dat oprechte wefen nietin
Chrifto, ſoois hy ook niet die rechte Wegh, die Waerheyt ende dat Leeven;
Joan 146 Wordet doch in uwe herten overmits haren fchelden ende lafteren
niet verfchricket; want het is van den beginne geweeft, dat die ongelovige den ipí pijs in·
gelovigen, diequade den goeden , die ongerechtige den gerechtigen, die vlee- odicrishé
fchelijcke den Geeftelijken, die ketters den Chriſtenen, haten, lafteren ‘ene
de vervolgen. Als Cain, Abel, mahel , Ifaak , Efau, Jacob, die valfche
Propheten den goeden Propheten , &c. Gelijck Chriftus jêfus ons te voren ge-
feyt heeft ‚namelijk, gy fult van alle Menfchen gehaet worden om mijns
Naems wille, Matth 24: waren fy nude rechte Difcipulen Jeſu Chrifti, gelijck
fy haer beroemen , foo en fouden fy niemant om des Geloofs wille verderven ,
verraden, oft vermoorden, maer fy fouden met Chrifto Jefu neerftelijcken we-
derfoecken den genen die daer verloren was, Matth. 18. 11. waer’t anders dat
wy verloren waren gelijk fy meynen. Waren ſy die Bruyt Chriftt, foo en fou- —
den fy niet weſen hatigh, wreet en bloedigh, maer goedertieren, milde, ende que chritus
barmhertigh, jaover al alfoo gefint, gelijk als die goede ende getrouwe Bruyde- affeâti funt.
ke k 5 Luc.5s.4. en
gom Chriítus Jefus geſint is Maer nu bewijfen fy immers dat oogenfchijnlijck in Sponfà Ghei-
haer wercken, hoedat fy geenfins die Bruyt Jefu Chrifti, dan veel meer die BERDE —
imitatus
des geens zijn, die van den beginne aen een dootflager ende een moordenaer ———
—— „ars * zn jorpus Chti-
weelt is, datisde Duyvel, Joan. 8,44. Waren fy dat lichaem Chrifti, foo en —
git, ed aime
fouden fy niemantom des Heeren waerheyt kruyſen ende vervolgen, dan felve gi.
met Chriſto Jeſu, ende met fijn Gemeynte om dier faken wille gekruyft, geper-
fequeert ende vervolgt worden, Matth 5.11. Luc6.2. Joan.16.1. 2 T1m.3.12.
1 Pet.2. Wantdatonnoofel Lammekenen doodet niet , maer datis van den
beginne aen felvegedoadet. Apoc 13.18. Siet nudoch goede Lefers, hoeel-
lendige; bloedige; tyrannifche ende moordifche Hetetici dar onfe tegen{prekerss
wederftrijders, tegenroepers ende vervolgers in hare geheele leeringen , verma-
ningen, onderwijfingen, leven ende tyrannie voor Godt bevonden worden.
Maer diten bekennen fy nier, want waer dat faecke dat fy dat bekenden, hoe
fouden fy dan kruy{en en vervolgen de uytverkoren Gods kinderen; die kinde-
ren des Rijcks endeder belofteniflen ; die Broederen en Sufteren Jeſu Chrifti, die
Engelen des vredes, en die kinderen des eeuwigen onverganckelijcken levens?
Maer nu zijn fy alfoo in haer verftant verdonkert, haer oogen zijn alfoo verblint,
haer ooren alfoo verftopt, dat fy dat niet bekennen en mogen, want haerlieder
quaetheyt ende boosheyt heeftfe verdonkert en blint gemaekt, Sap. 2. Die tafel
| des Goddelijken woorts is haer tot eenen ftrik , gevankenifle, vervolginge, en sap.
vergeldinge geworden, tot den Komeynen11:9 Gods ftrenge oordeel en gfou- cations
welijcken toorn is over haer gekomen; om dat (y foo neerftelijken de leugen foe- maloram:s
ken, ende die licffelijke waerheyt Jefu Chrifti alle wegen foo hartneckelijk tegen=
ftrijdenende verwerpen, Prov. 1. 11,12
Ddd 5 Chriz
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
en
— ——
zee dri ——
Chriftus Jefus leert, foo wie dat hongert ende dorſtiget nader gerechtigheyt;
1 die ſal verſadigt worden, Matth. 5. 6. Maer deſe hongeren en dorftigen na alle
EIN ongerechtigheyt, met den welken, naluyt Paulusleere, fy overvloedigh ver-
J ſadight zijn. 2. Theſſ. 2. 12.
* Chriſtus Jeſus leert, wie dat ſoekt, die vint, wie begeert, die ontfankt , wie
einde, Klopt, dien wortopen gedaen, Luc. 11. 9. Maerdefe foeken met allen vlijt |
s’ nachtsende daeghs niet na den rechten wegh, maer na den krommen wegh,
Î verhopendedat fy yet fullen bevinden, het fy in Gods W oort, ofte in onfen leven,
1 t welk fy alfoomogendraejen, buygen, breken, en verftaen , dat fy daer me- |
| de die oprechte Euangelifche waerheyt mogen vertreden en te niet doen , recht
even of die eeuwige waerheyt Chriftus Jefus gebenedijt, met twee tongen gefpro- |
ken en geleert hadde, enofter eenige ziel in onfen leven waer, alfer wel menigh- |
macl (leyder in ons bevonden wort, want wy alle van Adam geboren zijn fon-
digh endegebreckelijk, dar alsdan die Euangelifche waerheyt enkel dedrogh zy ;
foo verblijden fy haer, ende voor Godt geen krachten en hadden van vleefch, o-
vermits {fy dan ſo neerftelijken foecken tegen alle Gods gerechticheyt, ende la-
gen haer der leugen geluften, daerom flaetfe Godt met alſulcke dulle ende on-
| verftandige blintheyt, dat fy overal niet van Godtlijke leeringe mogen begrijpen |
Í ende oordeelen, en begeeren nochtansalle wegen hare faken, hoe fchandigh fy
|
|
Î
IEN | |
EE 398 V OOR REDEN.
— ook zijn, metter Schrift foo te bekleeden, op dat fy deste beter onder alfulcken
infipiens fchriftelijcken heyligen fchijn mogen bedriegen dat fotteonverftandige volk, dat
ciar. ___ foo geerne wil bedrogen ende verleyt zijn. Ende blijvenalfood’een met den an-
ite tderen , beyde Leeraeren Difcipel, in dedienfte haers verganckelijken vleefch,
et, an), die fy in haren Godt verkoren hebben, Phil, 3,18. Rom.16.17. hier van ge-
nen habent. noegh gefeyt.
Ten anderen goede Lefer, foo roepen en grimmen fy qualijcken over ons, feg-
gende, dat wy {chrijven tegens alle Dooren, en ook tegens die leeringe der |
Heyliger Chrftelijker Kercken. Dat wy fchrijven tegen den meefteel der Docto-
ren ofte den geleerden, dat wil ick lieffelijcken ende geerne confenteren, beken- |
‚ nenen belijden. Want waertdat fake dat fy tegen dat woort, ende tegen die |
ordinantie, ftatuten, en infettingen Jefu Chriftifchrijven , vermanen enleeren.
Daeromme en hebben wy met haren hoogh beroemden namen, en met haer
menfchelijke Philofophia niet te doen. Maer waert dat {y oprechtelijken en wel
leerden, daer en foudemen noch tegen fpreken, noch wederftrijden, noch ook te-
gen fchrijven.
Ik hope door die alder barmhertigfte genadedes Heeren Jeſu Chrifti, dat die |
alder outfte, vroomfte , oprechtfte , onbedriegelijkfte ende wel gefchickte Docto-
ren in de vergaderinge en GemeinteChrifti Jefu, die lange voor alle andere Docto- |
ren geweeft zijn, in alle haer woorden en leeringen van my ‚ en van mijn lieve me- |
de Broederen ontfangen en gelooft worden, dat is Mofes, Efaias, Jeremias,
David, &c. Chriftus Jefus, Mattheus, Marcus, Lucas, Joannes, Paulus,
Petrus, Jocobus, Judas, &c. Yemant wijs my nu een letter in alle mijn {chrif-
videquifineten , daer ik tegen den gront defer Dotoren geleert, en gefchreven hebbe, ſo
in Ecclefia
DeiDottores wil ick lieffelijken ende geerne beſchaemt, onderwefenen geleert zijn, maer ick
vetuftiffimi » ° .
ae adeo fdehopedat, dat het met der waerheit nimmermeer tot geenen dagen bevonden fal
Qüidoeer worden. Waer't fake dat ik tegen defe vrome en onbeftraffelijkeDo&toren woude
adverfus
feripruram, fchrijvenen leeren, foo waer mijn fchrijven en leeren tegen die leeringe ende
toets vermaninge der Chriftelijker vergaderingen , Gemeynten en der H. Kerken.
Ecclefam. Ick bekenneen weet wel, dat ick vermane, leere , onderwijfe, en fchrijve
tegen de onderwijfingeende leeringe der fommiger vergaderingen en Gemeyn-
ten, aengaende fommige Articulen, gelijkerwijs als tegen Papiften, tegen Luthe⸗
rianens
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
VO 1OrR Re EaD EAN: 399
rianen, endetegen de verdorven Secten, maer niet tegen die leeringe der Hey- |
liger Chriftelijker Kerken. Dat ik daer tegen foude leeren, onderwijfen ende IN
fchrijven, namelijken, tegen die leeringe der Heyliger Kerken, daer wil my die aus
Barmhertige Vader, wiens liffelijke Hemelfche wille ik met grooter vlijten foeke **
en najage, voor behoeden ende bewaren , want anders waert wee over mijn zie- ——
le tot ecuwigen dagen. Opdat gy dan door dat woort Heylige Kerke niet en ſult Gej 5
verfchrikt worden, foofultgyleeren, en merken uyt Gods woort, hoe dat de fanâa per
Heilige Chriftelijke Kerke geen vergaderinge is der ongelovigen» der vleefchelij- dio pros B
ken ofte der moetwilligen fondaren , al hoewel dat fy hare namen valfchelijck voe- Seuss, HI
ren van Chrifto Jefu, en meynen dat fy die rechte Kerke Chrifti zijn. Neen fwêzan-
goede Lefers, neen, het zijn niet alle Abrahams zaet, die van Abraham geboren *ffeêa st.
zijn, alleene die kinderen der beloften , die zijn gerekent voor dat zaet, Rom.g,
vers 8. Alfo moet ook die Heylige Chriftelijke Kerke een Geeftelijk zaet zijn, een
vergaderinge der gerechtigen, eneen gemeeníchapder Heyligen, welcke Kerke
voortgebraght wort van Godt , uyt dat levendige zaetdes Godtlijcken woordts,
en niet uyt menfchenleeringen, gefettenen gedichten, ja het zijn die gene, die |
wedergeboren, vernieuwet, en omgekeert zijn, diehooren, gelooven, ende |
volbrengen alle die woorden, en den gantſchen wille Godts, die haren vleefch
gekruy{t hebben met luftenen begeerten, Galaten 5.24. die aengetogen hebben EEEN
en uytdrucken Chriftum Jeſum, Galaten 3. 28. hem gelijkformigh Rom. 8. 17, HEN Í
en over al met hem Hemelfch ende Geeftelijk gefint. Colof: 3. ro. Phil. 2. 4. —9000
Deſe zijn de Heylige Chriftelijke Kerke, diegemeynte Godts, dat lichaem ende TER
BruycChrifti, dien hy betrouwet, Ephefen 5. zo. gereynight en geheylight it
heeft, 1 Cor.6.19. maerdieandere, die vleefchelijk gefint zijn, in der eeuwig-
heytnimmermeer, Rom.8.8. Deſe Heylige Chriftelijke Kerke oft vergade-
ringe heeft eenen Geeftelijken Princeover haer, diefe regeert met den ongebro- prince
ken ftaf fijns Goddelijken Woordts, Pfalm 2. 9. Eenen Meecfteroft Leeraer , Schie
diefe leert die geboden des eeuwigen levens. Joan. 6. 68. Ende eenen Bruydegom, ——
om welker ſtemmete hooren fy alle wegen bereyt ſtaet, datis, Chriftus Jefus, verbum Dei
Joa. 3. 29. Is't nu dat ick tegen fijnen Scepter ftrijde, fijn geboden vertrede, Beclefi
endeals yet tegen fijn Hemelfche leeringe leere ende fchrijve , foo leere en fchrij- ——
onfus | Il | Ik
veick tegen de leeringe der Heyliger Chriftelijker Kerken. Want defe Heylige — HEL NER
Chriftelijke Kerke en heeft niet meer dan eenleere, die vruchtbaer en Godtfalig Pra ett EEDE
is. Datisdatreyne puure ende onvermenghde Gods Woort, dat lieflijke Euan- doâtrina,
gelium der genaden onfes lieven Heeren Jefu Chrifti, Matt. 28. 19. Mar. 16. 15. bam Dei,
1.Perr. 1,25. Jacob. 1. Alleleeringen ende gefetten , daer mede Chriftus leere —
niet overeen draegt , het zijn dan leeringen ende opinien der Doctoren, geboden —
der Pauſen, Concilien, oft anders wat, dat en zijn niet dan leeringen en gebo- ——
den der Menfchen, Matth. 15.9. Leeringender Duyvelen, 1 Tim,4, 1. ende nondocet.
eenen vloeck oft verbanninge, Galat. 1.8. Terwijlen wy dan niet en fchrijven,
endeleeren, dan dat reyne Hemelfche W oort, ende die volmaeckte ordinantie
des Heyligen Fuangeliums Jefu Chrifti, endefijner Apoftelen, foo leeren en
fchrijven wy immers niet tegen die leeringe, maer voor de leeringe der Heyliger
Kercken. |
Lieve Lefers, laet gy den lichtveerdigen harenloop, loopen haereynde, dat
| isdiefekere doot, want fy fullen in der eeuwigheyt nimmermeer de Chriftelijcke
| waerheyt wijken ende toegeven» hoeherdefy ook verwonnen zijn, macr fy ful-
len altijt deshaderens, kijvens, twiftens, en difputerens geluften, en nimmer-
meer fat worden, om dat fy dieengenauwe wegh des Geefts geleert door Jefum
| Chriftum, ende fijnen Heyligen Apoftelen nieten willen, willen nochtans even
| wel (onder gehoorfaemheyt, Godts kinderen , ende Godts gemeynte zijn. Soo
niet
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
——
egg
400 VO TOER REEDE NN.
niet goede Leſers, maer gedenkt gy altijdt in uwer herten, datter geen heylige
Kerckeende Gemeynte Chriftienis ‚ dan alleene de vergaderinge der gerechu-
gen en de Gemeynte der Heyligen, de welcke haer feer vlijtighlijk fchickt na
Vera Ecelefia gers Heeren Woorten Ordinantie, endenaandersgeen leere, fy en kan noch
folo Dei ver-
bo contenta
eſt.
Cauſa con-
leripti operis,
Matth. 3. 6.
AC. 19.5. 18.
Matth.28.19.
Mar.16. 15
en wilook anders geen leeringe; noch ordinantie, aengaende Goddelijken faken;
tot eeuwigen dagen. 8 ONE
Hierom mijn lieve Broeders, om dat die Godtlijke Ordinantie des Doopfels
inden water dus menigh hondert Jaren verwoeft is geweeft, ende een vreemde
hansgos. Doopfel gebruykt is tegen de rechte ende waerachtige leeringe der HeyligerChri-
5 i. 30. ſtelijcer Kerken, namelijk tegen Godts woort, uyt welke quade gebruyck, foo
o
Univerfus
raundus ma-
ledicit &
verbo &
operi Dei.
Matt.3.6.
Matt.28.19.
Act.ꝛ. 38. 9.
6.10.48. 16.
30.
Abfque obe-
dientia divi-
niverbi pro-
miffionem
confequt
nemo poteft.
Heb.12.25.
Deut. 4. 24.
veele valfcheleere, ongeloove eneen vruchteloos, veefchelijck leven gefproten
is. Daerom hebbeick hier noch eenmael aengewefen uyt den Heyligen Euange-
lio, in grooter klaerheyt, hoedat men dat recht Chriftelijk Doopfel behoort te
gebruyken na’tgeluytder Schriftueren, op dat der wijfen herten en geloof verfe-
kerten beveftight mogen worden, ende der {otten mont verftopt magh worden;
ende Godt fijnen prijs magh hebben in fijnen heyligen W oorde. Leeft heten vere
haelthet wel , oft wy u niet recht na defen fin en meyninge Jefu Chriſti geleert en
gefchreven hebben. Endeom datalle de gant{che wijde Werelt Godts mont foo
fchandelijkenlafterenendetegen ftaen, endefijn geboden, Ceremonien, als on-
nut verfmaden , endebefpotten, feggende: Ey wat kan ons dat water helpen?
niet merckende, hoe dater Rijke Gods ende den wille Gods niet in die uytwen-
dige Ceremonien, maer in de goetwillige gehoorfaemheyt des Godtlijken woorts
begrepenis. Daerom hebben wy dat in defe navolgende fchriften ‚ foo wijt en
breet aen gewefen uyt de Heylige Schrift, wie die gene zijn, die gedoopt fullen
worden, na’tgeluytdes Woorts Godts, namelijck, die geloovige, Marc. 16.
15. Oftdie wedergeborene Joan. 3.3. Tit. 3.5. Daer by foo hebben wy ook aen-
getekent, hoefter fwack ‚ onnuten krachteloos dat alle die Argumenten der we-
relt zijn, met welkenfy den Kinderdoope willen toe ftemmenen beweeren, op
dat die voorgeroerde verachters Godts mogen bekennen ende verftaen , dat fy na
den Euangelifchen bevele onſes lieven Heeren Jefu Chriftí niet gedoopt en zijn.
Volghtdaer uyt, datfy indie gehoorfaemheyt des Goddelijcken W oorts oock
nieten zijn. En zijn fy dan niet in de gehoorfaemheyt, welcke gehoorfaemheyt
belofteheeft, _endeandersniet (ik {preke van den verftandigen) foo en mogen
fy ook fijn belofte niet be-erven, noch verkrijgen, alfoo lange fy Godts woort niet
en geloven, en gehoorfamelijk in alle vruchten volbrengen, Fen yegelijk fie wel
neerftelijken toe, en wake voor fijneygen ziele, want onfe Godtis een vertec-
rende vyer. q |
Godt de barmhertige Vader, door fijn gebenedijden Sone Chriftum Jefum
onfen Heere, diegeve ual te amen fijn rechte kennifle, en fijne lieflijke genade
tot beteringe, A MEN.
Í
|
|
|
MERK BAREN GR
DES-CHRESTELYCKEN
DO OPS EL:
in den Water uyt ’t Woordt Godts.
Invitantur AST HW ) f
univesfi ad OM —9 toe alle ghp Uechters in door fijn hebligh Woordt bevolen hadde:
—— Bden Wanden / daer Dat | Maer ſp hebben Gades Woordt gehoost/ fez
nem. CH NIN ) | KS fweert van Godt gegeven kerlijck gelooft /ende neerſteljck metten were⸗
VII WR iS tot een wraecke Der | wercken volbracht / ende daerom zijn ſy evf-ges
— gen quaetdoenders/ ende tot namen der gerechtigheyt geworden / Deb. 11,3.
vPedaig. cen beſcherminge Der goeden / en firaffe Der | Cer contrarien wederomme alie Die gene / die in
Jet.a9.3 gquaeden /hoort toe ghu wijfen ende Kloeclien | Godts gehoorſaemhent niet gebleven eu zyn⸗
hu lieden die u laet diincken dat ghy deg Hee⸗ | die hebben ſonder twijfel Des Heeren ficaffe
ren baten dzaeght / Voogt toe alle volcken / moeten Dragen / gelijck als Adam en Eva /
abu zijt ban wat neeringen / ſtaten / conditien / Gen. 3. 17. Nadab ende Abihu / Lev. ro. 2.
ende graden Dat aha zijt / Die uwe namen voe⸗ Core/Dathan ende Abiron un. 16.31. als
cen ban Chꝛiſto Yefit / ende die u fijn bitter Saul / 1 Sam. 15.24. 1 Heg. rs. AS die
daat / ende heplige bloet beroemen / overmits | Man Godts / die Jetoboam Den Koninck in
wy om des Doopfels wille Ban alle menfchen | fijner Afgoderije geſtraft hadde / ende doop den
Mundus ſo jammerlick gefchent / gelaſtert ende ver⸗ ouden Propheet in Bethel bedrogen — /
femper male Volght worden / altijdt quaet op ons vermoe⸗ 3lieg.1 3.30, CUI noch) diergelijke meet / abmen
fafpicatur Dende) om der ongodtlijcken Decten Willen/ | in Moſe ende in anderen Bpbelſchen Schꝛꝛif⸗
adverlüs bo- die u lieden ſeer ſchandigh / periculoos ende | tens fo klaerlijken leſen ende bevinden magh.
nos Chriftia- arouwelijchsen zyn / alg’t boo? oogen blijclit/ Gvermidts wp dan (fegge ick) in onfe Heere
* ſo ſeggen ende betumgen wp in Chriſto Jeſu ende gebrupl Des Chaiftelijken Doopſels ban
boa? Godt / voor fijnen hepligen Engelen / voor | alle Meinſchen fa jannmerljk verhindert Woz: qui impedit
u * —8 de geheele werelt / het en ſal oock den / ende fp Dat niet en beliennen / hee Dat haet ne obediatur
nimmermeer / noch ín defen leven noch in den | berletten ſtreckt tat den eeuwigen doot/Want verbe Dei,
DEE em Oort nu toe Ô ghn oor | Die trooſtelijcke belofte ban Godt berktegen —
Ss — luchtige / Edele / wijſe Hee⸗ hebben / alg fp niet gedaen en hadden) het was 33 mag
ren ende Vorſten. A2002 [ook fo wepnigh als het was) dat haer Gedt minonc.
* ducit ad
Doodt / noch ín dat alderlaetſte Godts oordeel) | fia tegen Chriſtum ſteijden / ende tegen Enos.
erg bebonden worden / dan dat wp alfeene | woodde / ſo moet ick haer ende allen menfchen /
———— —— worden doo? en odtvzeefende | die defe mijne Scheiften ſullen fien / lefen ofte
mum, geloobe / dat wp hebben ín Godts Woozdt / | hooren / noch eenmael aenteekenen / Met cen
om te daopen ende gedoopt te Worden / ende | Kkogte beſchende klaerhept uut Godts Wooꝛdt /
door anders geen middel in eeuwighept. hoe wonderlijken / krachtigh / jae hoe onweder⸗
iijn aderliefſte daer wordt voozwaer ban | fpzeeltelijck dat deſe onſe leere en handel indat
UnaCheiti ong in defen Doopfel niet met alten gefacht/ | heplige Cuangelio Jeſu Chriſti begrepen ende
— dar alleen die gehoorfaemhept ouſes liefs Hee⸗ gegrondeert is / alhoewel dat wp dat te boren
Baptifmo, ren gefu Chyzifti / Die ong aiſulcks met ſjnen genoghſaem ende overvloedigh in onfe ſchrif⸗
ergen gehenedijden monde geleert ende bevo⸗ ten vanden Doopfel aengetunght ende bewe:
Matth. 3.6. fen heeft/JWat.28. 19. Marc. i6.15. Gedenclit ſen hebben.
Aâ. 19. 18 Doel eenmacl in uwer heeten (dat bidden Wp |_ Fijn alderlieffte/Dat onfe geloove dit Doop:
* ar * u) dater doch geen profijt nae Den vleeſche ſel aenneemt met fo grooten krups ende ban⸗
en 16. zo. ín deſen onſen handel gefocht magh worden, aihtepdt/ Daer toe Wardt ’t nootfakelijkken ge⸗
noch Gout / nach Silver / noch eere / noch gez, dzongen Dricdeelep Wijs.
mack noch lange leven op der Aerden. Want! Cen cerffen/ daor dat Godtlijſte bevel onſes Fides impel.
it ad Ba=
otilmum
Dac’ al te famen om deſer ſaken Wille fn eenen, gebzoſien en magh worden. Cen anderen / cripliciter.
gho fiet immers opentlijck voo? uwen oogen), liefs Heeren Jeſu Cheiſti / Dat nimmermeer
besl roof gegeven moet wogden. Pan wp worden door Die leeringe Der Depliger Apoſtelen. Cen
verbum Dei alleen gedrongen doo die liefde Godts / alleen, derden / dooz Bat gebrukt Der ſelf der Apoſtelen.
confiderat. Door een oprecht vruchtbaer geloove / welcla Ende ten eerſten van den bebele/maderacl dat
— * geloove vlytighſjcken fiet op al die woorden Cheiſtus Jeſus wederom unt des doots gewelt
Bbedientiam Thraiſti / hem veijwillighlijek obergevende in bezreſen was / en weder wilde opklimmen tot
verbi exclu-alfe getyoosfaemtendt Godis / wel ſelierljck bez, fijnen Hemelſchen Dader / ſo heeft hy aldus be⸗
* à Pro” fenmende/ig ’t dat ’t wederſtact / ende ook niet | volen fijnen Jongeren / ſeggende: Gaet ende
Dei en Doet dat hem fijng Weeren mont bebolen | teert alle volcnen Doopende in der aem des
Si vatriatehe heeft / Bat ’tde Heinelſche Benedictte / ende de Daders/des Soons / ende des Hepligen Geeſts/
obedicntes Hodtſalige belofte nunermeer magh ont⸗ Matth. 28. 19. Item noch op cen ander
non fuiftent
* Ter Marc. —
promiflio- _ faMgen noch beerven / Want door gehaorſaem⸗ plaetſe: Gaet ende pzedickt dat Euangelinm 2 16.15.
allen Ereaeneren : Wie gelooft ende gedoopt 433*
nem heredi- Hent fo wordt ’t al verkregen / gelijck op in De | |
tario jure ne- Dgor-reden gefcpt hebben. | wordt) Die ſal ſaligh worden.
suaquam oe fouden doch Abraham Iſaac / ende Ja⸗ _Gerwoijten nu Thriſtus Jeſus die eeuwige
Faiflenr. coð / met alle liebe Paderen ende Patriarchen / wijshent;die niet faclge bi vici eeuwi⸗
| : ge
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
E. In 2
IE 402
Menno Symons Verklaringe
ge waerhent die niet liegen en magh / ong dit leene geït het by Den Dader / ende Gp ong alfa
beveel aiaug gegeven beeft / nauielijck / dat geboden heeft / datmen eerſt Dat Euangelium
men eecft dat Euangelum fal pzediclten / leeren ſal / ten anderen; aile Die gene Die dat
unt weicher gehoor dat Geloobe komt / ende gelaoven / datmen Die ſelfde doopen ſal / fa vol⸗
verliregen wordt / Wom. zo, ende Die Dat get immer met alle gewelt / dat alle Die gene,
Euangcluum gelooven / Dat men Die ſelſde | die nu tonder leere des heyligen Kuangeltums,
doopeñ fat / wie Wil nu /oft wie magh nudat ende fonder Geloove doopen ende gedoopt
felfe Bavctijche Bebel anders wenden, oft bez {worden , Dat die felfde unt gaetdunchkentepdt
U aus Chrifti
ordo accc-
ptus eit Patri.
Matt.28. 19.
Marc. 16. 15-
Act 2.38.9.6.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ter malien / dan't Die eeuwige wijf volmaeclit⸗
heyt Eyufiug Jeſus gebebenedijt ſelbe gez
maeckt / ende bevolen heeft.
Lex Mofis Mijn Beoceders / ſy moeſten immers niet ecn
immurabilis letter Dan alle die wettelijcke Ceremonien
Clifnm. Jofis wenden oft anders keeren / dan ſy m die
Wet begrepen Waren. Want die Almachtige
Godt Wil niet; dat Wa in fijnen Ceremo—
nien / die hy ong bevolen heeft / ong goetdunc⸗
kenhept fuilen volgen ende Doen / maer alicene ,
ſynen welbehagen ende fijnen wille Dacram | wy doopen de kleyne onverftandige kin-
(Die Mans kinderen ſouden beſneden Worden) Gen. 7. rx.
en 10. 4%.
Gupten de lecringe ende bupten de ordinantie ‚6, zo.
Jcſu Chꝛeiſti doopen / ende gedoopt wozden. 6
Daeromme ooch Afgodiſch/ onnut / ende te Non credene
vergeefs. Want hadde ’t ſaelie geweeſt / dat B re
Iſrakl hare Pzouliens befineden hadde / hoe⸗ btizantur.
wel dat ’tuptdauchelijk niet berbaden cn was /
fa hadden fp evenwel bunten Godts ordinan⸗
tie befmeden / Want he’t bevolen hadde / dat
Gen.r7. Alſoo oock in deſe onfe ſaelie / ais en 21.4.
Chriftus juf-
beeft hufe ons bebolen. Want in die uptwen⸗ \deren „ alhoewel dat ’t in die Schriftuere uyt= út creuenten
Non cere- dige Ceremonien en heeft Sodt geen behagen / druckelijcken niet verboden en is, gelijck als baptizari,
mon ed gr der wercken wille / alhoewel dat hpfe bebo:
grata ct ten beeft / om dat hp altijt Die gehooꝛſaemhent
Deo. des geloofs ban ons eypſſchet ende ſoeckt.
Pierom is ’t dat hp fijnen toom foo menigh⸗
mact heeft laten komen over den genen, Dreft
anders gebrapent hebben / dan hyſe bevolen
hadde/ als over Nadab ende Abihu / ende noch
IE Want hp wil / jae hp wil/ Dat
wp niet anfe goetdunclienhent / maer alleen fijn
Lev. 12, 11. heplige ſteinme hooren ſullen / Gelooven/ ende
Zach. 7.19. Baer nae doen/ Hetem.7.5.
18 Overmitg vu Gode die ozdinantie fijner wet⸗
telijke Ceremonien, die eensdeels fo fchadelijk
ende mozpelijfs waren/ende ook fo beel in't ger
Sone/ maer alleen doo? Moſen fijn knecht ge
neven hadde / dus geheel ende. orweranderljck
tot op Ehriſtum toe onderhouden wilde heb⸗
ben/hoe veel te meet wil hn dan geheel ende on⸗
veranderlijk onderhouden hebben, die feet wen⸗
Duz font mige Ceremonien deg nieirwen Ceftaments/
przcipue ce Die bpfonder niet meer dan twee en zijn / als het
t niet verboden en was de maeghdente be- 5559 ——
ſnijden, fo Doopen wy nochtans evenwel buy- — edehttich
ten Chriftus ordinantie , tant hp geboden ordo Chrifti
heeft / datmen De gene ſullen doopen / Die non eſt.
fijn heplige Euangeltum hooren ende Geloo⸗
ven / Matth. 28. 19. Marc. 16. 15.
Hier en gelt nu niet Dat Die ſonumige ſeggen
Lende leeren / hoe dat mer defe felfde woorden
\Mattheiende Marci die heylige Kercken tot
den Heydenen uytgeftreekt is , ende hier
door dit doopfel der kinderen niet buyten ge-
floten en wordt. Lieve Leſer het is waer /
met dit bevel ig Die heylige Rercke aol tot den
Hendenen untgebreyt nae verbullinge der hen⸗
tal waren / en die Ir niet Doo? ei (YME ger Propheten Schaiften/ die dat langhy te
vaoren in den Heeft al gefien hadden / gelijck
Paulus bewijſt Wom. 15. Al evenwel ffact
nochtang dit woozdt vaſt onder De Goden ende
onder díe Hendenen / namelijk / wie gelooft ende
gedoopt wozdt / ſal ſaligh worden / dat Geloove principium
boor den Daopfel / Want dat begin alter gez iuftificatio-
rechtighent / dat vooz Godt gelt/ ig dat geloo⸗ Pis eſt fides.
ve legis, vi- Boopfel ende Get Avontmael / Daer hp OOC ye / ue welciten Geloove Dit Doopfcl alg een Externus
delicet „Ba- met door den miecht / maer door fijnen eenigen
primus) & Sone Gefum Cheiſtum heeft gegeven / ende
Geena Dom Die ín hem fetoen om deg wercks wille noch
moepelhck noch ſchadelijck en Fijn.
—————— lijch / dat't den Iſraelitiſchen volcke geweeſt
laboriefeac ig/ Door die lange ſware wegen / bergh (ende
adeo damn Dare trecken ) ende twee ofte dziemael alle Ja⸗
na » fed bns
— ven in Jeruſalem met haren offer - gaven te
in nova lege. perfchijnen voor den Heere / fonder noch alten
Oſſen / Gammen/ Bocken / Chieenden / Ec.
Die fp upt alle haere goeden Den Heere moeften
offeren ende geven. Maer in die Chꝛiſtelijke
Eeremonien des nieuwen Ceſtaments / Die
ong van Godt Geboden zijn, als Doopſel ende
het Avontmael / en is immers over al ín 't
werck noch moepte / noch ſchade gelegen in
dat Alderminſte. Alhoewel dat hem díe ef⸗
fecíe ende bediedeniſſe Der felver Ceremonien /
inden recht Geloavigen/ tot groote moepte
ende ſchade reycket nae den bleefche. Daten
gefchiet nochtans niet daor de Ceremonien,
maer alleene doo? dat Geloove / het welcke Dat
ong upt liefde } door gehoꝛſaemheyt deg Bod:
delijclten Woordts / tot defe Ceremonien gez
dreben ende gelepdt heeft. ent
Wijn alderliefſte overmitg nu Die ordinan⸗
tie Jeſu Chriſti onveranderlijcht is / ende al⸗
teekken ende bewijs des gehoozſaemhents vol- beptiumus
gen ende fpaupten moet. ebben nu die on- Eh zac rien
onmondíige kinderen dat Geloove / fo wordt Aaci.
oock haet Doopfel in defe geallegeerde woor⸗
Gedencltt hoe fcee mochelijck / ende ſchade⸗ | den Matth. ende Marc. niet verboden.
| Cen anderen / ſoo en gelt hiet ooctt niet /
dat die ſommige allegeren ende ſeggen: Hoe
dar die verrijffeniſſe der dooden in de Boecken |
Molis uytdruckelijcken niet befchreven en |
ware ‚ nochtans verborgentlijck begrepen ,
(gelijck Chriftus Jefus uyt dat woordt, Ex. 3.6,
opentlijck den Saduceen heeft bewefen , Matt. Marc.1217»
cap. 22.v. 32. namelijck: Ick ben die Goct
Abrahams, die Godt Ifaacks , ende die Godt
Jacobs. Gelijck in defe woorden Mofis de
verrijffeniffe niet uygedruckt en is, nochtans
‚ verborgentlijck beflooten , fo Godt geen Godt
der dooden en is, maer der levendigen, gelijck
Chriftusleert, Luc. 20. 37. alfo {eggen fy, is dat
Doopfel der onmondiger kinderen in den
Euangelio niet uytgedruckt , nochtans heyme-
lijck befloten. Hier op antwoorden wo / en⸗
De ſeggen alfa / dat Die verrijſſeniſſe der dooden
en is geen uptwendige Ceremonie, daer Godt
ons geboden heeft / dat Wp doen ſullen / maes
Godt falfe ſelve door fijn Almogende kracht
ín ons wercken / daerom ís fp eenen oe }
aer⸗
des Chriftelijcken Doops. 402
8d — id „ , > Î
— baerlijcken trooſt in die herten aller Geloobi⸗ Godt gelt / dateen gebe Godts is. Dar QUE Eph. 2.6.
inserna con gen / Dat Door Den Geloove alteene begrepen | gevechtighept upt belgen moet / dat Dat jelfe Rom.1o17 |
folatio fide. Woet Worden: Daer dat DBoopfel der on⸗ herkomt upt dat gehoor des Godtclijcken Joan.ea.3r
lium. mondiger Kinderen is een uptwendige Cere: | Woordts / Mom: 10.17. Homt’cdarupt dat —*
Pedobapti. monie. Is fp nu Godts oꝛdinantie aft | gehoor deg Goddelhſien Boorots als Pauus
ma cezemo- woozdt / Dat belofte heeft / fo moet fp in Der | teert/ hoe ſal't dan in die klepne onverftandige
nia eme Schꝛriftuere untgedzuckt | ende in klaren ver⸗ (anderen bevonden worden / daermen doch m |
refurrettio ſtande begrepen zijn / i8’t oock fo niet / ſo en geendertep manieren / alsꝰt vooz oogen bijekt, |
mor: orum · magh fp immers geen Ceremonie Cheiſti gez (leeren / vermanen oft onderwijfen magh / jae |
—— heeten wozden. daer veele ſin⸗ looſer ende orwerſtandiger zijn
non inftituit, Cen derden / en gelt ook niet Dat de ſommige Dan die onredelijcke Ereatuetikeng/alg fp eerſt⸗
—— allegeren / ſeggende: Gelijk die Geloovige wij- Mael ban deg Moeders lichaem geboren 5tjn/ |
Gie ‘HOR ven geen exprefle woordt en hebben tor den foa onverſtandigh ſegge icf / datmenſe tn gee:
Avontmael,ook in dat gebruyk met den Heere We tatken Bes vleeſchs onderwijſen cu wagh /
in den laetften Avontmale niet geweeit en zijn, EOt datt geljoog, begrijp / eude verſtant in haer
nochtans met groote reden tot den Avontmael began te watten. Is 'erdangeen begrijp Det s; ingantes
toegelaten worden. Alfo oock de onmondige ouderWijjnge in fichebaerhjeken dingen: Hoe terrena non
kinderen , hoewel dat fy lieden geen expres W9gen (nan Laa? Dent LIJD / nacmelijch, booz ——
woordt en hebben van den Doopfel, ende oak bet —— ende begrijp * die anfienbaeclijke cceleftia ?
noch van den Heere, noch van lijnen Jongeren £ ———————— ens kj onderweſen / ge⸗ vide so. 3.
gedoopt zijn geworden, darmen uyt der heyli Eem anderenfoa tete cube bekent ghn oock
ger Schriftuere bemercken magh , nochtans ſo twel foo waer bac dare den oprecht geloove ig)
worden fy met groote reden tot den doopfel dat daer ig waetachtige ! mfl Dat recht
toegelaten, gelijck alsde geloovige wijven tot grperfchepar tuffebendat — *
den Avontmael. Een 3 ran * *
Cœna domi- Lieve Leſer / dit is een ſeer ſchalckach⸗ pie —* ep —*— el Gors ende DOK ui; zac:
* en Of non, fijns Naeſtens / Die gehoorſaemhendt Godts, ini omaia.
nica duo no- tigh Argument / den fimpelen ende onwer⸗ ae bie benertetvn morethel u
bis reprzlen- d tien ende Die begeerte ter gervechtighept, Ec. Want
cat, mortem ſtandigen mebe te bedziegen, want het 8 hoogd) | ye piee monelyeh en 187oft cen pegeljk goeden
Curifti vide- Mn fitbeilept gevlogen / maer gecnſins nac Den so prmanaer baren goede vachten, Il2at.7.18.
licer, & fra fin en gebzunck Gefu Chriſti. Die oopacke is Zoo het geladbe alom.ende om uptdzinget in Match.r2 55.
bg cha- deſe Want dat Heplige Avontmael ong repze⸗ atoerlep geveeheigdept/ gelijck die Schriftuere Tue s.
ritatem, fenteert/ ende te voren drzaeght den doodt des ie — —
* A med fepdt/ namelijck : Die gerechtige leeft vpt fij-
Peeren Jeſu Chzꝛiſti / en die liefde des naeſtens /
nen geloove, Aba.2.4. Font. r.r7. Gal. 3.12.
welctse alle bepde, alfo wel Van Den geloobigen | zes, r0.38. Endeis eenfeher efen der din⸗
ú [ vigen Mannen op: | ZEP 10-30 CT | ct diu⸗
Wijven/ als van den gelooLigen J |
| sr gen Die men hopen / ende ſchicket hem nac
genamen/bekent ende gebzupſt worden. GSE | Dat gene datmen niet cfiet / Wely. 11.2
dan alfo dat die klepne onmondige kinderen 2e}. 11. 2.
a) ee Ì bé Gen. 1 * 2.
hebben dat cffect des Doopſels naemelijſ den *
doot dee fanden / en dar nieue Leoen/Ao.6.4. |, Staget Weerde Bzoeder / ter wijlen dat Ge⸗
sk d jp IT loove alie wegen fijn rechte vzuchten baert /
—— ke nrd ed —— ín alderlen gerechtighept indeinget / hopet/
amandelen 34 —— NA ‚tende ſchicket hem nae dar gene dat miet en
toctenden Deingengeu eeft) doo? ben welcken fehijnt / wat vauchten ende wat geeecbtighept
a zj Ce lieden * ie pee rd | baten nu anfe klepne Kinderen, die den geloove
Side rig eliick alde * 559 gelijck zijn / ende wat hopen fp / ende waer
RO elden deg dn des Deplogen | AE ſchicken ſy haer anders / Dan nae focclsen/
ai wedn 18/6 —— fs met gelijke reden dencken / eten / lachen / weenen / warmen / ſpee⸗
—⏑ IP OEE ERE len / gelijcht die natuere alder kinderen van ben
gedoopt te worden, gelijck als Die vaorgeroerde | geginne — —
Dat dre each aah df diclwils ende menighmael dat ingeberen
De Klepne oumondige kinderkens im Der ecu: gquacde Adamitiſche Zaet in haren opwaſ⸗
wigtepdt ninnmermeer‘bevanden worden. En — pen ‘temmes * ren * * r —
Teu vierden / fo en gelt hier aalt niet / dat Die boosten / die cn bewdten fin niet / gelijck
ſommige upt Ceclefiaftico baortbrengen ende | ghy voor uwen oogen fien meught. Ende
allegeven in fijn eerfte Capittel / daer bp alfao (15E nu alfa / datfe dbagelijcks erperientie / oft
ſcut: Des Heeren vreete is dat begin der wijse uͤwen epgen oogen neven defe facche niet cn
Calidifima heyt,ende ſy is met den geloovigen inder Moe. | gelooft / foo gelooft Godts woordt / dat uin
objeétioad- ders lichaem mede gefchapen , en fy Gal metten der ceutighepdt nimmermeer faplen oft bez
verlactorum uytverkorenen Vrouwen gaen, &c. Is dan / driegen en fal{ want aldug leert die heplige
Capite ſeggen ſy / die vreefe des Heeren met den ge- | Moſes / feggende : uwe kimderen díe noch he
elefiaftici. loovigen gefchapen in des Moeders lichaem, |Den ten dage noch goet noch quaet en weten/
welcke vreefe des Heerenen vrucht des geloofs | Deut. r. 39. wefende noch goet noch quaet /
is vende die vrucht en is niet voor den Boom „| gelijck het blijckt / waer is dan haer geloobe/
fohebben ook die kleyne kinderen alreede van, Dat goet ende quaet ban den anderen deplen |
Moederslichaem aen een vrucht-dragende ge· ende onder fcthepden kan * |
loove, hebbenfe geloove,foen mag haer Doop-/ Cen derden) fo bekent ghy ook wel , dat al- rat
fel met geenen íchriften verlet worden. So le gerechtigheydt fpruytet uyt den geloove Te
nict alderliefſte Leſer / maer oogdeelt alle dingen gelijk die tegentwozpers felve allegeren / ende iufisiam.
vecht met Godts woort /en met fijnen Geeſt. in hare oppofitien aengeven / Rom.4. 5. Ende
| Want ich en twijfel daer niet acn / oft gljn bes fonder geloobe en if ’er geen Godtſalige gerech⸗
} kene dat heete wel / hoe datꝰt geloove Dat boor tighept / daerom fept Paulus cot Den Hebzeen,
Cee ſpree⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
404 Merfho Symons Verklaringe
fpzeektende san den jarigen ende verſtandigen / oft fa ont als fp sijn / om te ontfangen bat
Dat ’t ommogelijck is fender Belaave Godt te | Chaiftelijche Dooptel/ daer Die oubedziegelijke
Quï aecedit behagen / Hebz. 11.6. CTerwijlen dan die kin⸗ mondt onfrg liegen Heeren Jeſu Chꝛiſti alten
d Deum in- deren geen geloove en hebben / door Ben wele⸗
quit Purus” ken bac ſo bekennen / hoe Dat Godt zu / ende
dere efie _ &cn vergelder za / bepoe Des goets ende des
Beum,& effe quaets / gelijcn fa in Den bauchten Wel bewij⸗
emmen. fen/ Daetom foo ch) hebben jp oock geen Godts
buste. Hgeefef & per coniequens, faen is er oolt níet
Heb.11. daer fp op gedoopt togen Worden / evenwel
hebben fp De belofte totten eeuwigen leben / unt
ruangelijm prute mude genade. Ende daer mede wozden
aient 1 fu Die Schaftuure afgeflagen,ende en wordt
ut docers nii ti} Godts Woozt geen meer neben haet gehan:
—— delt / alsꝰt beneden wel geleert ſal worden.
habent.
maet ; ende daer nae De oprechte vzuchten/
(e upt den geloove herlionien / alg breefe Des
Heeren / Liefde Godts / &e, welche veuchten
ft die onmondige kinderen niet en bljcken / als
2 dichwils gefent is / fo hebt ghy dat wel lich⸗
telijcli te oogdeelen / dat Ecclefiafttcus hier
niet en leert / alg Dat die vzeeſe des Veeren
foa metten kleynen kinderen epgentlijclt inge⸗
ſchapen is / te weten / alg dat fp ſtracks metter
ontfanckeniſſe in den klepnen lainlieren 3D,
maer hp heeft’talfa geleert alg dat Die felfde
vreeſe den geloobigen van des moeders lijve
aen alſoo van Godt toege-epgent ende toege:
ſchickt ig / dat fp haer gegeven ſoude worden
tat beguamer tíjdt) omdat hp Wel te vooren
fagh met fijnen vierflammigen aogen/ Die van
den beginne tot den epnde toe alle dingen dooz⸗
fien/ doen ſy noch ín haers Moeders lichaem
waren /hoe dat fp tot vechter tijdt fijn Heplige
ſtemme fouden haaren / metter heeten geloo⸗
gen/ende door Dat felfde geloabe Godtbzeeſen /
ende Boor Godt gerechtigt worden / want dat
rechte geloove en magt niet wefen fonder fijn
vzuchten / gelijck het dickwils bewefen ís.
Waer dan dat geloove ín Die Kilepne onwe⸗
tende Kinderen ban des Moeders lijve aen / ge⸗
nijc fin tegenwezpen / foo waer 't innmers cen
bauchteloog geloove / want dact geen vruchten
en zijn / ende fo worzdtt ook al te vergeefs ge⸗
Fides non et Pꝛediclat. Want fo quam dat geloove upt Die
on prima cerſte fcheppinge des Godtvruchtigen begin:
creatione _ sfelg / ende niet unt de Preedilatie des Godtlij⸗
fidelis bomt fee woordts.
nis, (edes. groeft gijp houden voor eenen gewiſſen / ceuwi-
Rom. 5.
gel der Goddelijcker waerhent / om te bolbzenz
gen alle gevechtighept / namelijclt/ eerſt Dat |
heplige Euangelium Jeſu Cheiſti in vechter
Overmits dan Dat ’t geloove eerſt weſen
So nict lieve Leſer/ maer Dit
gen/onverganckelijken ende duurachtigen re⸗
waren geloobigen ín fijn Weplige Euangelio peromiſſio
geleert ende bevoolen heeft / Matth. 28. 19. Dei falvos
Ware. 16.15. Is ’tDandat fp ſterven bin⸗ IIP
nen tijdt haers verſtants / Dat is in Die tijdt sve mor-
haerder lintshent / aleer fp tat gehoor ende Ge⸗ tuos, id fine
laate koren, fa verſterven fp in Godts belof: — 5
te ende dat miet Daop eenige middel anders / dan migio dà
| alleen Doo? de milde belofte Det genaden geger eer promit-
ven daor Chriſtum Jeſum / Luc. 18. 16. ende fe
is't dat fp tot dat gehooz ende Geloove hoz
men / foo behooren ſu gedoopt te waden / als se rarurem
| ’t boven dickwils gefept is / maer ig ’t Dat fp — cre=
Dat woozdt alsdan niet en gntfangen oft gez dentibus ,
(Hooven / ſy zijn dan gedoopt oft ongedoopt/ fa non ereden-
fullen fn verdoemt worden / gelijck Chziftus condemna-
Jeſus ſelver leect ende bewijſt / Marc. 16. 15. tionem,
Icxk weet Wel dat nu Lan bele alfa geſent ſal
Worden / waeromme dat ick my ongeleerde -
menſche mer die leeringe Martini Luthers en-
de noch meer andere feer ver maerde Dooren
neven defe faeke niet en laet genoegen , die
doch in die heylige Schrift oock in menigere
leye tongen ende kunften fo hoogh vervaren
| ende beroemt zijn ‚ welcke die alfo leeren ,
|
Domiuus
ende byfonder Lutherus dat Geloove in die sunt qut
fidem docent
kleyne kinderen light verborgen ; gelijck als in
infantibus,
leenen geloovigen flapende meníche , &c. fag seriptuzis
Hier ap antwoozde felt ten cerften alfa : A8 ° Aabitice non
datter een fodanige flapende Geloove m Die poflant.
klepne onmondige kinderen is (het welche
nochtans niet en íg dan enckel vernuft ende
menfchelijcke fcherpfinnighept ) foo en ig’
evenwel niet behoorlijck ſoodanige kinderen
tedoopen / fo lange als fp Dat felfde Geloove
oft ſchoon al gelooft waer / het welck niet on
is / ban haer met den mont niet beleden en út
die vzuchten bewefen Wordt. Want die hen:
lige Apoſtelen en Gebben geen Geloovige gez
doopt / tecwoplen Dat ſp fliepen / gelijck Wap in
3 rer ſten ſehriften aengeweſen ende geleert
hebben.
Ten anderen ſegge ick alſo: Ick bekkenne
ende belijde dat upt geheelder herten boor u
ende boor Be geljeele Werelt / dat fr ende noch
meer andere in geleerchent / welſpreekenhept /
fubtilhent / tongen ende konften/boben maten
ſeer wel gefchicnt ende berfocht zijn / ende
dat iclt arme onverſtandige konfteloofe men:
fche niet fa vele alg cen kleyn mugge bp eenen
groeten Oliphant met haet te bergelijcken
ben / daerom ſchaem ick mp ooclt ban herten
| geftalteniffe ende wefen te predilien: ten an⸗ ſeer / dat ick mijnen graven mondt ende onge⸗
| deren J met begeerten te hooren / ende te ber⸗ ſchickte penne tegen foodamige reppen ende
| ſtaen: ten derden, Dat felfde Euangelfum ban voeren ſal. Hochtans fal Dit weten een ve⸗
gantſcher heeten gelooven / ende alfa ín Den | gelijck Hefer /mamelijcht / hoe geleert dat oock EN
bruchten te volbzengen. Terwijlen Die fake { Die boozgeroerde Wijſen zijn / ende hoe onge:
alfa gelegen í8/ fo volght Daer unt met alle gez leert dat ick ben / ſoo gelt 't evenwel onfer alder
welt / dat die hlepne onverftandige hinderen ‘goetdunchen bp Godt ende boor Bodt al gez
geen Geloove en hebben / Want fn hoozloos yche beele/ ſoo Doch ſonder bevel des hepligen
„ ende eerloog zijn. Hebben fp geen Geldove / Schrifts niet Goddelijcks ban ong aengez
ſoo en hebben fin oock geen Godts beeefe / vecht /ende ín Goddelijcke ſaken bedient maah
daerom ig *t dat die tegentweapers Dat Doop: worden / hu zp dan Wie Dat hu zy / want Wp EN scriprura
fel det klepnder onmondíger kinderen geenfing worden ín die heplige Schriftuure niet op haet miri ad
Door defe plactfe Ecclefiaftici Magen betweeven | gewefen noch op eenige geleerde / dan alleene Chritum
ende vecht maecken / dan ſy Moeten Wachten (op Chꝛriſtum Gefiunl Matth. 17.46. Wan: zoas.
nae Tupt Godts Wooedt tot dat fp dat heplige meer Dan dusdanige hoogh · beroenide Man⸗ peut. 18.17.
Euangelium der genaden metten ooren hoo⸗ nen door haet fabeile fcherpfinnighent / ende
reu/ ende metter heeten bekennen/ alg dan faa \konftige Philofopbie / ons willen ontnemen
ſalhet eeven tijdt zijn / ſy zijn dan foo joncli ende onumekeeren De Klare platte ozdinantie
Jefu
Inutilis €
hic locus
Ecclefiaftici
fupra allega-
tus » ad de-
fendendum
pedobaptiſ⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
des Chriftelijeken Doops: 405
Jeſu Cheiſti / ende fijner Apoſtelen / fo moet haer Leeringe hebben gedreven gelijckfoz-
men immers in Die faclte haer leeringe aenſien migh den gront ende Leeringe Moſis/ alfoá
alg menſchen⸗ leere ende leugenachtigh / want hebben oock die heplige Apoſtelen haer Keez
Cheiſtus Jeſus eng niet onder hacc/ wract vinge gedeeben geliſckfozmigh den gront
Boten haer / hu heeft ook fijn hepligeleevinge ende Teringe Chꝛiſti Jeſu / gelijck he haer
niet ban haet / maer ban fijnen wijfen Dader bevolen hadde/ ſeggende: Leertſe onderhou⸗
ontfangen / Joan.7. 14. 24, den alle dat gene dat ick u bevolen hebbe /
Matth. 28.20. -
Daeromme overdencket ende verhalet wel/
Judicium
dantur op
ponentibus. tegenwezgen /
is /0
Pe
*
ven / ende laet een pegeljck ban u hemm doo⸗
pen ín Den NMaem Chaſti in een quijtfcheldin:
Conctufio, via
ime caulæ⸗
Ea in hane eevfnael dat heplige Euangelium der gena⸗
ozinam Den te leeren /
ufumgque
compellie
mur ·
q
De in leven en
nade/ fat Godts pzijs bewaren.
Hier volgt nu wat die Heylige Apo- | sy
{telen van dat Doopfel in den water
geleert hebben.
En anderen / ſoo worden tori gedrongen | ketifdat wp in onfe Confcientie verſeekert
leevinge Der Hepli⸗ wozden der Genaden Godts / quijtſcheldinge
Doopſel fo | det fonden / ende Des eeuwigen levens / DOO?
De te ontfangen. | Chriſtum Jeſum onfen Heere / Wam. 8. 16.
ften / om Datter gefchzeven ſtaet. G
daoz Dietepne kupfche eer:
gev Wpoficlen om Dit Cheijtelijets
bljtighkijckt te leeren / CU
Cen ect |
Soen die gene Die Dat woozdt ban Petro qe
hoort hadden) beroert Warten in haet herten
ende fepden : Ghy Mannen Broeders wa
fullen\wpdaen? Doen antwoorde Petrus
nde ſprack: Hebbet berouw ban uwen eet
ſten leben / ende laet een »egelijck Ban uhen
doopen in den naem Che
Dinge Der ſonden / eude JIE
gave deg Hepligen Geeſts Actor. 2. 38
madmo- , Jeu alderliefſt
0 1e Die Dagen uwes
relpexe⸗ ſupten/
runt indo- Deg Doopſels/ d
— díe u nimmermeer toege
oftoli in Den
doärinam
Chifti. die opree
Moſene
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Pd
*
t
/
*
*
iſti / in cen quitſchel⸗
ghy ſult ontfangen die
e/ dit moeft ghy nu ende al:
Levens in uwer heeten bez
niet alleene neven deſe beroerde ſaelie
an oock neven alle leeringen
dragen moghten wor⸗
) op dat ghp daor geen valſche Meere
perlepdt en Wozdt / namelijk / gelijck als
hee Pzopheten Godts / Die tiiſſchen
woe Chaiftum geweeft zijn / altijdt
ten Godts be wefen wordt.
gemennfchap des H. Geeft / door
al.4.s. Cp. 1. 3. Cit. 1. 7.
Overmits dat die heplige Petrus die daer is
een Apoſtel Godts / een warrachtige getunge
untgeſonden ban Chzifta Jeſu met dat Woort
deg ecuwigen leens; verlicht ende geleert door
den Hepligen Geeft/ons aldus geleert en bebo⸗
len Beef t/ namelijck dat Wp ons avermits dat
wp gelooven / fullen laten doopen / ae ’t gez
lupt fijns Weeren bevel / Marc. 16. in den
Naem Ehufti / in eene quiijtfcheldinge Der
fonden / ſoo moeten wp immers dít felföe
Doopfel ontfangen / gelijck als ons in Die
Heplige Schaft bebalen is / oft Wp en moz
gen geen quijtfcheldinge der fonden berkeijz
gen/ noch ooft geenen HPepligen Geeft. Tant „ie
wie is ’èr onder dent gantſchen Wemel opt gee nem pecea-
weeft / Die quijtfcheldinge der fonden ontfan- torum &
gen heeft tegen Godts Woozdt / ſoꝰt doch ons Pititum Deo
mogelijck í/ Dat won lieden Godt de quijefchgele MrPeren
Gee 3 Dinge *
406 Menno Symons Verklaringe
dinge onſer fonden/ ende oock fijnen Hepligen Hodts Woozdt gepzedickt ende geleert is.
Geeft magen ontrooven oft ontweldigen. Daerom is't dart fp ontfangen quijtſcheldinge
Soecſlien wp dan die quijtfcheldinge onfer fan- haerder ſonden ín den Doopſel / gelijck alg Die
den / ende den Pepligen Godts Geeft, foo moe: (lieffelijche belafte Ber geraden beemeldet ende
ten wp immers doen ende volbrengen alle dat voordraeght / gelijck als die bleefchelijchke oft
gene / dat Godt de almachtige Bader ong letterlijcke Iſrakliten quijefchelvinge haerder
door Cheifum Jeſum fijnen Lieben Sone / ſonden met haren offechjanden ontfangen heb:
ende Door fijne Heplige %poftelen ín allen ben. Want waer ’tfache datmen alleen Dac
| faecken der Confcientien geleert ende bevolen | untwendigh Doopſel woude ſoerken / ende ín
Ui heeft. dat uptwendigh letterlijckt werck betrouwen /
Hit Pier en tegen en gelt niet / dat die ſammige | ende blijven daer benebeng evenwel in ons ous
Ep fonder Beplige fchzift leeren ende ſeggen dac |De Verdorben leben / fo waer ’t voorwaer bp
ook die onmondige kinderen met eenen quae- |ong al te bergeefs gedoopt / erctijelker wijs
*
den aert oft met een ſondige naetuere van A- bu Die ongoddelcſie ende vbleeſchelhcke Iſrak⸗ — ba⸗
dam geboren worden, dat ſy daerom door den lijten al te vergeefs geoffert. Gelijck de bmm 3
Doopfel gewaffchen moeten worden van haer- | Heere Der Pepsfcharen Dat foo dickwils bez
der ingeboren {chult ende ſonde. Dit alſoo blaget door fijne Wenlige Propheten / Dat hp Ceremoni⸗
te leeren / ende alfa te gelooven mijn Broeders / tot haren offer geenen luft gehadt heeft / jar pervertorum
Noa eft ul- is ten eerften een feet bervaerlijche Wfgoderije/ / dat ſp niet en waren dan ecn vetvaerlijcke abominabi-
lum reme- ende een ſeer grouwelijche lafter tegen Chri- grouwel ende walginge boor ſijnen Hepligen les
dium adver- (hug bloet. Want daer doch over al geen mid⸗ ↄogen / overmits ſp Wet / liefde (ende Godts
* — — Del en is / oft remedie ín Pemel noch op Aer⸗ geboden verſmaeden/ ende leefden over al
Chriftifan- De tegens onfe ſonden / fn zijn evffelijch ofte HAL haers vleeſches luft / Eſai cap. 66. V. 4. 5.
guis, wereltlijck / dan alleene Chaftug bloet / / ge⸗ Eſai. 1. 21. 22. Jerem.7. ende op noch meer
lijckt wp ín onfen eerſten fchpiften faa dickwils ande plaetfen.
bewefen heben / 1 Pet. 19.1. 1 Goan. 1.7. Cen anderen / ſoo Wortmen ín den Doopfel romes pec.
Npoc. 16, Colof. zo. 1. Epbef. 1.7. Alg alfo níet gewaffchen van Die aengeboren actt cati remanet
top nu die quijtſcheldinge der fonden toe ſcheij⸗ Der fonden / Die im onfen blecfche is / alfoo — 5—
ben / dat Doopfel ende niet Chriſtus bloet, fa dat fp geheel ín ons vernietet worde; dan fp “PAAL
gieten wp van dat Doopſel een goud Half / blijft oocit nae den Doopſel al evenwel in ong
ende fetten dat ín der plaetfe Chziftt. Want 'Lleefch. Maer overmits Die barmhertige
waer ’t datter door dat Poopfel gewaſſchen Dader / ban den welcken alle goede ende bol:
oft gereynight moght worden / fo moefte Chzi· Maeckte gaven uptvloepen ende nederdalen/
ſtus Jeſus met fijn berdienften wijcken / aft ons Dat alderbeplighfte geloove upt genade gez
wp moeften belijden ende confeteren datter geben beeft daoz fijn heplige woordt ſoo bewij⸗
twee middelen waren tegen onfe fanden/ ten | fen wp nu ín den Boopfei dat wp ontfangen/
eerften Dat Doopſel / ten anderen Chziftug dat wp die aengeboren aert Der ſonden ín ong
blact/ het welche niet en is noch ookt nimmer bieeftl alfa begeeren te ftechen ende te ernie:
meet wefen en fal rat eeuwigen dagen / dan dat ten/Dat fp die oberhant niet meer en fal hebben ita morimue
alderheplighfte en precieufte bloet onfes lieven ' in onfe fterffelijche lichamen / om. 6. 12, peccatis in
Beeren Hefu Chzifti/ fal ende moet over al | Jae al hoewel aldusdanige vecht geloovige primo ut
den prijg behouden / gelijck alg het ban alte menighmael ban de fonden doatlijchken verz mur ab eis.
Pꝛopheten ende Apoſtelen door ’t geheel bez wonnen worden / gelijck Joannes fept: Díe
loop der Schꝛiftueren in fa grooter klaerheyt WVE Godt geboren (8 / Die en ſondight niet /
gepropheteert ende betupght ig. want Dat zaet Dat blijft in hem / ende hin en
nadeles non „iaer Die geloovigen díe ontfangen quijt: | magh níet fondigen/ Want hp upt Godt gez
mundantur feheldinge haerder ſonden / niet Daoz den Loren ís/ r Joan. 3.9. ende 5. 8.
| per Baptif- @oopfel / maet in den Doopſel / ſulckerwijs / Aldus mijn Beoeders fegge ick u noch eens /
EKD | sum fed in ermits fp nu van geheelder heeten gelooven | gelijck alg die Iſraẽliten ontfingen quit fchel
EEE IK Baptilmo. dat liflijcke Euangelium Jeſu Chriſti / dat (Dinge ban hare fonden ban Godt / door de
P haer gepzedickt ende geleert wozdt / Dat ís belofte / daer haer offerhanden aengehangen
Die blijde bootfchap det genaden / namelijck) | Waren / wanneer dat fn offerden mer een leez
HIN als quijtfcheldinge det fanden/ genade / vzecde/ | digh rouwigh herte/ niet ſegge ick door die
Im gunft/ barmhertighent / ende Dat eeutoige le⸗ offerande / want fo act ’t berdienfte / maer
IE | ven door Jeſum Cheiſtum onfen Heere / fo alleene door dat woozdt der beloften / want
ij J— worden ſy n eenen anderen ſin / ende ín cen het is genade ende geen verdienſte. Alſoo
a nieuw gemoet omgekteert / ſy gaen haer felben | ontfangen wy oock quijtfcheldinge onfer ſon⸗
HE | upt / fp beſchzeyen bitterlijck haer oude ver⸗ den / als wp vecht geioobigh zijn / ende wor⸗
HIN dozven leven / ende fien alſoo neerftelijck op |Den alfa gewaſſchen / ende getepniaht met Non tava-
DEIN baets Weeren Waordt/ die ſo grooten liefde aen | dat Doopfel ofte waterbadt doo? de belofte, mur à pecca-
EEH haer bewefen heeft /omte volbrengen alle dat | níet fegge ick daor dat waterbadt/ want het É» nitraaen
HEE HEE genedat hy haet ín fijn 2. Cuangelia geleert | en is geen verdienſte / maer dooz de belofte , “POPS
EL | ende bevolen heeft / feelterlijch betroutwende | want het (8 genade / welche belofte / Daer: Die
*1*
| dat woordt det genaden / namelijck die quijt: | Penlíge Godts Geeft ín den Euangelio / dat
| | fcheldinge haerder fonden/ door Bat roode bloet | Doopfel der gelaobigen aengebonden ende bez
3143 ende door die verdienſten onfes lieven Heeren looft heeft / gelijck Paulus leert / ſeggende:
J | Quomodo FJeſu Chriſti. Hierom fa ontfangen fn dat Chꝛiſtus heeft tief gehadt fijn Gemepnte/ ende
Hit fideles in Deplige Doopfel alg een teelen des gehoor⸗ heeft hem felven overgegeven bao? haer / op
LTR | — faemhendts / dat untten geloobe herkomt / tot [Dat hp haer hepligh foude malien / ende heeftſe
IN f peccatis. Een bewijs Gao? Godt ende boog fijn gemennte / gerepnight met het waterbadt door het woot /
| hoe Dat fn ſeckerlijck gelooven quijefchelbinge |op dat he hem daer ſtellen foude een heerlijche
| Door Chriſtum Jeſum / gelijck als haer upt (Gemepnêe, Ec. Epheſ. 5.25.
| | Siet
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Lavachte
pratextu
Baptifantu
des Chriftelijcken Doops. 497
Siet mijn alderlieffte / hier licht die heele | onfen Heere wederom berſoent is / dat hacr fn
mundamur, Kklate grant / hoe Dat Wp met Dat Water-badt | der eeuwighept nimmermeer noch elle )
— gewaſſchen Worden / niet anders dan doo deg | noch Dunbel / noch voozleden ſonde / noch
Heeren Wooꝛrdt / gelijck ong De Heplige Pau⸗ ecuwige Doodt / noch Godts toom / oper⸗
lus in den aengewefen oorden in grooter mits die verdienſten onfes lieven Hetren Jeſu
hlacchepdt geleert heeft / obermidts dan die Cheiſti/ letten / Deeven oft hinderen ſullen.
Klepne onmondige kinderen door dat gebzeck Alſodanige Bie dat waerachtelijck in haer herz
des gehoors ende des verſtants / Die Predikatie | ten bekennen / die ontfangen ende verkrijgen
deg hepligen Euangeliums uiet en hebben / eenen blijden ende goeden moet / een blijve eu⸗
Door welcken atleene dat geloove verkregen |De goede Confcientie Door Die vezriſſeniſſe
wordt / Fam.1o,r”, met Welck geloove Godt Jeſu Chaifti / gelijck Petzus fept : om dat
alleen onfe herten vepnight / Actor. rs. 9. hu fa bietorieuflijcken ban allen fijnen bean
ende níet met dat untwendige water / alg ’t | den ſienlck oft onſienlijck / tot onfen pzofijte
boven gefept í8/ ende ten anderen om Dat het | ende befte foo heerlijcken getriumpheert heeft /
watdzuchelijct Godts beveel ende Woozt / | ende is alfoo Wederoimine ín ’t Hemelſche
bee welcke dat den Doopfcl belofte toefepdt/ | efen gaen ſitten / tot fijns Daders rechter
alleene dringet op de gene Die met dat felfde | handt/ Ec. Pae fodaníige (ſegge ick) Worden vide que-
woordt gebactt zijn / ende alfa door Den geloobe eerſt inwendig gedoopt in den Geeft ende vaer / modo Ba
Fale verbi gerepnight ín haer herten / daer upt bolget ímz | nae lupt Godts woordt / ende wozden alſoo prilmes nos
‚ merg met alle gewelt/Dat die felfoe lilenne kin: | van den felfden Geeft in haer heeten gelcert/ —
deren alhoewel Dat fp gedoopt Worden on⸗ ende geleyt in alle Goddelijcke waerhept /
in Baptiſmus ia
Gravifime
peccat , qui toit / Godts ergen asdinantie / Hont ende
dit.
der een valſche gedaente / ende valſche fchiju | alle Goddelijcke gerechtighept / in alle Godd
pz igne & Ípiri-
des Goddelijcken woordt / Dat fp Dactomme | Yee gehoorſaem hept / ende malle Euangeli a “bape
nochtang niet gevennighe en worden / al waer | fche vzuchten en wercken, Sy wozden alfo met mum €xtete
% dat fa onreyn waren / het welcke miet en | Dat felfde vper Der liefden inwendig verhit / ge⸗ num.
ís. Waerom t om Dat fu dat waardt Der dzeven en gerant / obermits Dat fis ſeekerlijk in
beloften neven haer Doopſel niet en hebben /
daerom faen geſchiet haer Doopſel niet met
Dat Wwaordt / oft doopt woorde / dan over al
teaen 't woozot / want het woordt Witt gez
geloof/ende fn'en hebben geen geloof. Daerom
is ook ſonder twijffel haet Daopfel nt goet⸗
dunckenhendt / ſonder Godt / ſonder belafte/
jae Afgodiſch / onnut / ende te vergeefs
Degene die nu ebenwel hiet tegen wzoeten
edobapti- Woozdt niet gelnoven en wil / Die fie Wel vooz
madefen- erm wat hp Doet / want hy met dat doopfel
der onmondiger kinderen doer te niet des
Heeren bevel, hu vertreet fijn coode bloedt
(want hy ſoeckt wat gevechtighepdtg in Dat
felfoe Doaopfel ) ende hp richtet op tegen
Godts onveranderlijefe ozdinantie / unt fijn
epgen bleefchelijck boornemen ende goetduncz
ken / een valſch doopfel/ Dat Godt in det
eeuwigheyt noopt geheeten/ noch geboden ent
heeft / daeronime het oock fijn Heplige
wotlie niet en is / gelijcker wijs boven verklaert
is / ende beneden noch veel bzeeder geleert ſal
waden.
Een anderen / foa Leert ons de Apoſtel
haer herte beltennen unt Godts woordt ‚dat fa
onbegeijpelijken grooten genade / ick ſegh noch
cens genade aen haer beweſen is Door Chri⸗
ftum Jeſum / dat ſy daeromme niet en achten
noch fien / noch op Weeren / noch op Vozſten /
noch op wijfen/noch op geleerde / noch op Con-
cilie, noch op lange gewoonten ende gebeupkk
der tijden / noch op wijf / noch op kint / noch
op vleeſch / noch op bloet / noch op placcaten /
nach op eenige andere Deepgementen/ noch op
leben / noch op fletben / dan fb grijpen aen met Chriftianus
voller begeerten ſonder eenig bertvech/blijven- omria An
be brolijckt in Den WP. Geeft | niet alleene dat PTT
untwendigh letterlijck doopfel / Dan oock alle
Die wercken det liefden ende vzuchten Der gez
rechtighepdt/ welcke ong den waren mont deg
Weeren Jeſu Chziftí/ oft dooz hem felben oft
Door fijne Heplige Apoſtelen / in fijn heplig
Euangelia geleert ende bevolen heeft.
Siet mijn alderlieffte Broeders / op deſe
maniere maeckt ong dat Doopfel faliah / als
Petrus fept / níet Dat uptwendige letterlijcke
Doopfet / maer dat inwendige geeficlijche
@Doopfel / dat ong door De kracht des Geloofs
tot dat uptwendigh letterluck Doopfel als gez
Petrus) feagende : Gelijcht Hoe hier boo? | hoozfame Godts kinderen gedrongen ende gez
maels worde bewaert in Die Arche vooz Die leyt heeft / want Dat untwendigh letterlijcht
wateren der Sunde-Dloet / alſo maeckt ons @oopfel en is anderg níet Dan een gehoor:
ook Saligh dat Doopſel / niet dat Doopfel/
met welche gewaſſchen Wordt De onvepnig:
faembept deg Goddelijcken woozdts / ende al⸗
fo eenen zegel oft bewijs des gerechtighepts /
hept deg vleeſchs / maer dat weten eener goeder | Daer upt Dat rechte vruchtbaer geloove hees
Confcientien met Godt oft Lao? Godt / Boo? | komt / gelijck als den geloovigen ende gehooz⸗
bie verryſſeniſſe Jeſu Cheiſti / gc. 1 Pet.3.21.
…
ſamigen Patriarche Abzahe fijn letterlijcke
Doop deſe boogeſette plaetſe Petri / wozdt Beſuijdinge geweeſt i8/ Rom. 10. 11.
noch eenmael dat doopfel der geloobigen ſeer
Klaeetijch beveftight/ cude dat Doopſel der
xideles & in- Blepner onmondiger kinderen berntetct: Want
nova Sn bet immers aumagelijeh 15, dat pemant cen
dent wara. goede Confcientie hebben kan oft magh /dan
alteene Die gene / die nu vecht geloobigh / ende
in haer herten wedergeboren ende omge—
Keert zijn / Die nu bekennen dat Goddelijcke
Wooꝛdt / dat Daer geleert wordt / hoe dat haer
Godt die Almachtige Dader / a dd
den Wp te booren waren / Wom. 5.
Om dat dan Chꝛiſtus Jeſus bevolen heeft
alg bat men den gelaovigen Doopen ſal /
Marc. 16. 15. daerom fa heeft Die heplige Pez Pitrus tefpe-
teug ’ ſelſde bebecl alfo in fijn leere nagebolat/ eum chris
ende Heeft dat Doopſel geleert te weſen ecn
merch des geloofs! als te weten) cen geweten:
fchap eender goeder Confcientien voor Godt /
welclte goede Confcientien niemant heben en
kan nach en magh / dan alleene Die gene Die
geloovigh zijn / overmits datter Dan niet
o, nu meer dan een tetterlijckt doopfel in Die heplige
door Chriſtum Jeſum fijnen lieven Done on: Schꝛift geleert wozdt / welche doopſel gentun⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
get
—
— — — —
Ee — —
408 Menno Symons Verklaringe
get ende bewijſt dat gewetenſchap eener goe⸗ dage Die onberftandige Leevacrs ende Biſ⸗
Der Confcientien voor Godt / gelijck Peirus ſchoppen eensdeels als by Dee Apoſtelen tydt /
lecet / fao is immers door deſe ſelſde plaetſe ende terſtont daer nae / hebben fn aengeno⸗
Hctri dat Boopfel der kinderenal bupcen ges uen De Klepne onverſtaudige LUDEEE |
fioten/vaant ſp die geweetenichap eener goeder Ee doopen maer dat nochtans mot uit —
Conſrientien niet en hebben / gelijck alg die Godts Bebel / noch unt Die Leeringe cn ODI a fuite
geleateige. Hierom foo bekoort alu wel wijf nantie Der hepliger Apoſtelen / gelijck men apud non-
felijck boor ute fien / O olp goede Hefer / aju bp Tertullianum, in fijn Boeck genoemt egel, *
gIjt / wie bat qu zyt / op Dat gj u tegen uwen, Corona militis, wel lichtelijck collegeren eu⸗ ——
Godt niet en misgrypt / Want alle Die gene de berftacn maah / daer hy alfea ſendt / Ha⸗ tea non ideo
melijck / alg dat by den auden bal-nac Die gez
divinum at
R epugnato-
res Baptilmí
nee fidem,
nec 1egene-
rationem »
nec inter-
num Baptif-
mum ha-
bent.
Superftitio
perinde fe
exornat, ac fi
eflet verbum
Pei,
Quomodo
imprimis
induêtum fit
Pedo - bae
ptitma.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Die deſen Euangeliſchen doopfel der rechter ge⸗
laovigen Dug jammerlijcken wederſtrijden/
het za metter herten / met den mont / oft
met dat ſweert / weicke Doopſel ons ſoo
ſtrengelijck van Chriſto Jeſu bevalen iS / ende
in
ban fijnen Gepligen Npoficlen alfo geleert) ge⸗
bamceht ende naegelaten is/ Die moeten im⸗
merg dat belijden ende confenteren / hoe Dat ſp
tat nu toe noch rechtgeloovigh / noch wederge⸗
boven / noch gehoorſamigh / noch in wendigh in
den Geeft ende vner gedoopt zijn. Noch eens,
cen pegelijck wachte / ende fie Wel neerſtelijck
toe/ want hee gelt heim rock noch mantel / goet
nach tijdelijk fetben/ dan het gelt hem fijn arme
naecâte ziele / Die met fa lioſtelijcken edelen
ſchat / foa ſeer diere geliocht ende verloſt is.
Wijn liebe hinderen in den Heere / al hoe onz
wederfireehkelijch Dat deſe anfe ſake bebeſtight
ende gegrondeert is in Godts Woordt / foo
en ſchamen haer nochtans die ſommige niet
ſtautelijck ende menighvuldelijcli tegen Le
fchrijven ende tegen te ſpzeecken / laſteren⸗
de / vadende/ ende verweckende tot berz
volah / tot uptroepen / ende tot bloet / eens”
deels alg ick beermoede / door onwetenthent/
eensdeels door partpdigheyt / eeusdeels om
Dat fp branden des Erupces Chꝛiſti zijn /
ende eensdeelg am dat fis Dat lieffelcke gee
flelijchte etsen / Datupt Godt is / niet en wil⸗
ten / alſoo ſeggende / namelijck: Alhoewel dat
de kleyne onmondige kinderen dat geweten
eener goeder Confcientien niet en hebben :
gelijck als diegeloovigen, dat haer nochtans
dat neven haer Doopfel over al niet en behoort
te verhinderen oft te beletten „ dan dat fy al
evenwel gedoópt fullen worden , daertoe na-
melijck , om dat fy dieste beter mogen opge-
togen worden in Godts Woort , ende in lijn
geboden. Alderliefſte Bzoeders / fo Wanneer
dat een Afgodiſche wederfpannige ende onge⸗
hoorfamige Menſche / tot beweeringe fijnct
faken Godts Woozdt met en heeft / foo weet
ghp evenwel fijn Menſchelijck voomemen /
ende fijn vlecſchelijcke gevechtighent/ doo? fijn
Dicpgrondige fcherpfinntghepdt alſoo heerlije:
ken te pronclien / ende te vercieren met eenen
foodanigen Goddelijcken gedaente ende ten:
Yigen fchijn/ dat het geheel vecht/ goet / Geeſte⸗
tijckt/ hepligh/ Godtlyck / ende onftvaffelijclt
fchijnt boor Die aagen der geuer / Die hact des
Geloofs handelen / natuere / ende falen niet
en verſtaen / ende Dat bp haer Dieg te meer ende
icber want alle wegen haet Cheiſteloos heete |
ende vleeſchelijck gemoedt tot Dat betrouwen
Der uptwendiger wercken genepabt is / Jae
Dat door aldusdanigen epgeu mepounge Ende
neenſchelhclie goetdunchentept / toa ick
berftaen Kan / leere ick qualijckt / foa ſtraf⸗
fet mp met Godts Woozdt / Want dat mee⸗
fle deel alle wegen gerechtighepdt in Die gez
wrachte Ceremonien gefacht hebben / ende
wet ín Cheiſto / gelijck als noch heden ten
A poftoli-
cum.
waſſene met Dac Waterbadt Der nieuwer gez
(boorten gedoopt zijn geworden. Derfiact
(mp vecht mijn Broeders. Deſe felfde Ler-
ruilianusdeefde alg men ſchreef nag De geboorte
Jeſu Chiſti hondert ende acht / de fonunige
feggen/ hondert ende veertigh. Al bp deſe
ſeer oude fchzijvers tijden/ foo was dat rechte
Euangeliſche Poopfel/ dat van Ehzifto ende
van fijnen bepligen Apoſtelen bevolen) geleert
ende gebeuneht 8 / bu den meftendeel al In ee⸗
| nen afval gelkemen / welck Doopſel hp klaer⸗
lijcken betunght / dat bp den ouden Die boog
hem geweeft waren/ vol-na den gewaſſenen
oft den jarigen worde gegeven. USC nu
ſchoon Broeders / dater al kinderen aalt vaag
hem bp fijnen Poor-· ouderen gedooopt zijn/
gelijck alg het fchijnt / ende Wp aali Dat wel
belijden / om dat hp fept val-nae / ende op een
ander plaetfe ín Dat felfde Boeck / gelijck De
Strasborſſche Geleerde van hem ſchrijven /
Daer hp fendt / hoe dat in die ſelfde Donte oft
waterbadt bepde kinderen ende ouden gedoopt
zijn geworden / ſoo ig al evenwel dat Doopſel
Der kinderen geen Apoſtoliſche ingeſet noch
gebrunck geweeft / nach oack geen Godtlijclt
bevel / ant hade t faelte geweeſt Dat Chriſtus
Jeſus alfulcks bevolen hadde/ende Die heplige
Apoſtelen alfa geleert ende gebzupehit had:
Den / Alfa moeften immers Die Dooz- ouderen
Tertulliani niet ſommige kinderen / maer alie
De kinderen Der oprechter Geloobigen ſonder
eenig tegenſpreeken gedoopt hebben.
paer dat ’t geen Godtlijck bedel / noch
Apoſtels ingeſet geweest cn if / Dat heeft die
fee oude Vader Alexander Bifichop tot A- Alexander
\lexandrien , een bpfonder wederſtrijder Arrii , Epilcopus
wel geweten ende bekent / Want hp De kin⸗ —
deren fijner Gemepnte fo lange nae Der Apo⸗
ſtelen tijdt nach niet en doopte / gelijck men
bp Ruffinum,lnterpretem Eufebii in Dat tein⸗
de Boeck der Kercken Hiſtorien / in't 14. Caz
pittel dooz Dat kinderſpeel Athanaſii opent⸗
ijclk leſen ende verſtaen magh. Daeromme
ſendt ooclt die hoog-berftandige ende feet
Geleerde Erafmus Roterodamus, gelijck Se-
baftianus Franck gan hem fchaijft / welcke
Erafmus alle be lecsweerdige Schrijvers deg
gantſchen Werelts doozgelefen ende wel ber:
ſtaen heeft/ hoe Dat die Oude Paderen in
haren tijden em dat Kinder doopſel getwiſtet
hebben / maer níet gefloten.
Siet goede Hefer / terwijlen Die auden ban
Den begüme in defe factie nict eenigh geweeſt
en heben / dock al te famen an den beginne
niet gebeupeht en hebben / gelijck alg ’t in Die
Vooꝛ ouderen Tertulliani ende oock fn deſen _ …mres
‚Alexandro opentlijck blijchtt / ende Die gene reed
| die de kinderen gedoopt hebben / altijdt gez matis jufti-
| rechtighepdt daer ín gefacht hebben / gelijcht tiam qeerunt
men.upt haren Schriften wel hlactlijck bez "1 eo.
grijpen ende verſtaen magh / fo en willen ton
niet
fit per vere
bum Deie
Regeneratio
— — — —
— — ——
— — —
Gal.2.7.
des Chriftelijeken Doops.
nfet op dat onwiſſe / maer op dat gewiſſe on:
fen gront fetten / het welcke daer is Chriſtus
ſoeken ín Dat wotwendigh DBoopfcl /
nigeandere werken /
doet / maer alleen ín
Die geheele Schriftuure beemeldet / ende be:
geeren hier mede defe ons voorgenoemde ſalie
oft ín ee⸗
aen die gantſche wijde werelt te beroepen / en | Ka
Dat oogdeel te ſetten ín haer epgen bedenken /
oft fp oock haer leben lanck gelefen oft qez
hoort hebben im Godts Woort/ in ſegge in
Gods Wooꝛt / oft ín Godts Euangelio, dat
Cheiſtus Jeſus ende (ine heplige Apoſtelen
twee verſcheyden Boopfelen in den water gez
leert hebben / namelijk/ als dat Get een Doop:
fel den Geloovigen foude gegeven Worden /
dat cen Daat Der fonden is / een opſtal tot cen
Hieuwe leven / cen wetenfchap eener goeder
Confcientien boo? Godt / een Watecbadt
der nieuwer geboorte / Ec. Hom. Capittel 6.
bers re. Col. cap.2.r2. 1 Petr. 3.21. Cit.
3.5. Ende Dat het anderde Doapfel den klen
nen onmondigen kinderen foude gegeven
worden / Daer niet met allen ín haer en hadde
tebedieden / Dan alleene datmenfe met den
water uptwendig waffchen foude. Mijn bzoe⸗
Der / oogdeelt recht / ende en Wilt u ziele niet
bedriegen. Wy Weten Wel dat fn ten eerften
feggen hoe dat die kleyne kinderen van haer
ert{fonden gewaflchen worden, en daerom haer
Doopfel niet onnut ende te vergeefsis, feqgen
wy daer tegen met Godts Wooꝛt / dat alfulks
te gelooven cen grouwelijcke Afgoderijeis :
want dat behoozt alleene Chriſtus Bloedt en⸗
De geen uptwendigh Doopfel / gelijk wp boz
ber al bewefen hebben. Ten anderen feggen
fm / dat fy daer door in Godts verbont wor-
den opgenomen. Seggen wpa Wwederonnne /
Dat en gefchiet niet Dao? den Doopſel / maer
alleene daor Die milde uptberltiefinge der gena⸗
Ben/ Epheſ. 1. 6, Want het ís Genade/ en
geen verdienſte / om. 11.6. Pen derden ſeg⸗
genfp / dat die kinderen daeromme gedoopt
worden, om dat fy dies te beter mogen opgeto-
gen worden in Gods woort en in fijn geboden.
Seggen wp dan wederomme / Dat oa begee:
cen te Weten / waer Dat alfulks ín die heplige
|
409
Om dat dan die felfoe Kinder Doopfel ín Vide cautts,
geen plactfen des Goddelijken Woorts gebo: Garharpe-
Woort, Willen ook onfe geechtighent niet, den noch begrepen en ig) daerom tupgen Wp dobapritina:
beorwende Voor de geheele Werelt dat wo
gelijck als Die Werelt, haer nergens boor en achten / dan Wy hou⸗
Chꝛiſto Jeſu / foo ons) denſe en geloobenfe niet alleen met nacchte oft
fimpele Wooden / dan oolt met den blacde /
gelijft afg ’t ín voorige plactfen det Duntſcher
nden menigmael bewefen ís/ over al te
wefen Afgodiſch / pdel/ onnut/ ende te ber:
geefs. Oopfake ig deſe om Dat fn bupten
Gods waart en bebel gebaupkt wort / gerech⸗
tighent daer inne gefocht wort / ende om dat
het rechte Doopfct Jeſu Cheiſti / dat is / dat
Doopſel der Geloovigen. Dooꝛ dele felfde
Uinder Doopſel over al die geheele Wijde Wez
telt fo bezre als Chꝛiſtus naem genoemt wort
alseen Kertter Doopfel van alle menfchen foo
jammerlijck verworpen ende vertreden moet
worden,
Aldus mijn Broeders (8°t immers anders
níet dan epgen goetdunckenthept ende men⸗
fchelijke gevechtighept /_ founder het Godde⸗
lijlie bebel te leeren alg datmen daeromme
de kinderen ſal Doopen / namelijk om op
te voeden in Godts woort, ende in fijn gebo=
den, daer Wp Dat foo openbaerlijck contra⸗
vie bebinden/ als te weten / hoe Wel dat die
Ouders haer kinderen laten Doopen / dat
fp nochtans eben-Wel van joucltg op / gelijck
die Adamſche natuure geaerdt is / tot alle
hooveerdighent / pamperije / gievighent/ pdelz
hept / liegen / vloeken / ſweeren / danſen / fins
heleben deſer Werelt van Die felfde Ouders
gen/ ſotteklap / looshent / behendighent / haet Vita Bapti-
bpantfchap/ wezane ende tat Dat becdoemelij goo in
vincit adver=
opgetogen ende opgevoet wozden / gelijcht alg Lrios.
alle die Yepdenen ban den beginne gedaen
hebben / díe odt nopt bekent en hebben,
Segt wat pofiteert doch ſoodanigh haer
Doopſel / dat fp alreede al ontfangen hebbent
gs ’tniet enkel nazrigheyt / (oogdeelt het te
vecht) bedriegeepe / ſpot en —— vooz dert
oogen Godts? Ja ſekerljlien ſo Wacht u oft
gu wilt / daer en magh geen grooter hupge-
laerpe / fpot / of lafter in Der eeuwighent nin:
mermeer voor hem bebonden Worden. Ont
Schrift wptaedzukt en geſchreven is: Geeft|dat Dan ba avontuuren Die hepmelijcke bez
uu een beſcheyden Antwoort / Dat bidden wp | dechte afarijfelijkhent / wellt daer beeborgen
nj ghn die den Binder Doopſel alg vecht / licht in Dit boozgefette Doopſel dee hlepnet
goet / ende nootſakelijck beweeren / en ons | onmondiger kinderen / nach ín uwer herten
om ons doopſels wille alſoo jannnerlijſt laſte⸗ niet vecht bektent en is / foo maet ích u een⸗
renende fchenden / op Dat wp in onfer zielen | Mael De fake in kozthent voozſtellen / op dat
Unusinve-
nitur in
feripturis.
Baptifmus
atque nempe
fidelium,.
niet langer bedragen en moeten worden dan | Ades te beter De leugen Ban der waerheydt
dat wy magen Weten felteclijckt door Godts wel onderschepden meugt. Fk fal u booze
woort) waer Damen dit felfde doopſel Der onz | fetten Dat geene , het welcke dan ban menigh
mondiger kinderen ſoeken eu binden fal? want | hondert Gaten herwaerts / als een dagelijhfe
hae necrſteljſ pp oolt ſoeken des nachtg ende ( Handel / gelijck alg alle menfchen felbe met
daegs / ſoo bebinden Wp nochtans niet meer
dan een doopſel ín den water dat Godt aengez
naem is / uptgedzucht ende begrepen ín
oogen befien magen / gebzupckt ‘ig / en noch
(lepder Godt) alle dagen gebrunckt wort.
Ten eerſten / foa fie ende bevinde ick eenen
Godts woozt / namelijck / Dit Doopfel op den! boven maten ſeer verdorven / ongoddelifk enz
Gelaove / bevolen ban Chziſto Jeſu / geleert | De vleefchelijk boebe / die welke al aelijche
ende gebamekt ban fijnen Hepligen Apoſte- wel bn de Werelt een Priefter / Paftoor /
len/ Die toe gedient ende ontfangen worde Picarius oft Peebendaet genoemt wordt /
fn een vergiffeniſſe ende quptfcheldinge der deſe felfde ontuchtige menſche Lol allerlepe
fonen / fulker mate / gelijkt als wn Dat boven, ſchallihent ende bedrogh / bedecht nochtans
in Die cerſte waorden Petri ſeer vijchelijck be-' alfo fijne verdoemelijke boeverije met eenen al:
wefen heben / Actor, 2. 38. Maer dít an⸗ fulften welgevalligen fchaonen fchijn / datter
dere Doopfel/ namelijk dec onmandiger hin⸗ niemandt en f&/ Die pet quaets op hem bere
Beven / en binden Wp immers niet. moedet / gelijk Eer grijpende Wolf doet /
die
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
cordetuma
& idolo-
lattia.
Vita facer-
dotum nihil
eft mf caro.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
410
Die met eenen onnoofelen fchhacpfbel bekleet is |
Matth. 7. s. Dijn hooft wast dickwils ende
menighmael gefchoten) by avontueten tat een
bewijs als ikk vermoede / Dat hp alſoo met alle
hipocr:fis, ett gewelt / alle de luſten en begeerten fijng booſen
en fandigen bleefchs wil afſcheeren en berniez
ten. DijnenTabbaect die is tot op den boeten
lankt/ alg Chꝛiſtus Jeſus zept/ILuce zo. vers
45. als of ho beoom/ hepligh / ende eerbaer
ban leven ware) hu leeft alle dage fijn getijden
met gevoeghde handen / met ondekiten hoof:
de / vecht of hp heet ende vperigh ín den Geeft
ware / hy linielt ende wierdockt voor ſteenen
ende houten blocken / den welken hp noemt
|
|
Menno Symons Verklaringe
iet mijn Beoeders / deſe ſelfde twee/j nac
melijft/ als hoere eude boeve / Lan den wel⸗
ken aldusdanige onwettelijke kinderen gebo⸗
cen worden / zijn ooli ín haten lintſchen dagen
al gedoopt ;{y Leggen ook dar fy daerom Chrin
itenen zijn, beroemende haer al evenwel van
Chꝛiſto Jeſu / ende van ſijnen rooden bloede /
maer wat Chꝛiſtenen dat Ip zijn / cnde Wat
geloove dat fn hebben / dat mactmen unt haer
vruchten Wel leeren ende merken.
Hierom foo vermane ick u dit O on goede
Leeſer / op dat gu weten meugt ten cerften /
hoedanige Chriſtenen Ouders dat het zijn /
ende wat geloove dat fp hebben / ban Weltien
Petrum / Paulum / Mariam / ende Dat ſommige kinderen Worden geboren / die noch—⸗
Heplíge weerdige Cruncífire des Weeren. Fk
en fegt voorwaer upt geender ſchamperhepdt /
Daer Godteen getupge af 3 / dan oordeelt
felbe oft het aldus niet en gefchiet. Daer en
boven kaopt hp wel hondert bzonkens om eez
nen ſtupber / het eene necmt ha boor / ende
het ander na / hp conſacreert als hy fept/ enz
De Dat henmelijſien bp hem felven / onder ſtil⸗
le woorden / hy nepght het toe/ hy aenbit het).
be fmeekt het / ha eet het/ hp verteert het /
‚ende dat felfde gelaaft ende leect hp te weſen
dat waerachtige vleeſch ende bloedt onſes lic-
ben Beeren Jeſu Chriftí/ een Done des Al⸗
machtigen ende levendigen Godts. Daer bez
nevens fa moet hp foo vepn ende kuyſch ín fijn
leben zijn/ Dat hp geen echte ofte getroude
hunsbrouwe en mach hebben / al hoe wel die
weerdige ende Heplige Schziſtuure alſulks toe⸗
laet / want den Paus heeft hem verboden.
Ende dít alte famen / ende noch meer ander
grouwelen noemt ende leert hp te wefen een
feet Peplige Gods-dienft / ende Dat alderbep:
lighſte Chriſten geloove) Ec. Wldugdanige
bruchten baerdt ende beenget boozt defen onz
nutten boom / dooz fijn geloove / het elite
dat in hem ís : Ende alg hp dan fijn menfchez
lijke heplighendt ordentlijck / ende heerlijck /
ende wel gewzocht heeft / ſoo bewijſt hu eerſt⸗
mael wat in hem is/ foo ſoeckt hp waer dat
het befte geſelſchap det bzouwen/ wijn oft biet
is / dan Deinkt hu / dan fpout hy / dan fingt
bu / dan danft hp / dan lacchet hy / dan Weent
he / dan kijft hy / dan vecht hn / dan blockt hu /
dan fweect hp/ dan pocht hp / dan fpeelt hu /
dan vrijdt hp/ dan hoereert ho / het zu dan
met fijn epgen dienſtmaegt / oft met ſijns nae⸗
fen Dochter / oft met fijns naeften getroude
hupsbzouwe / welliers man oft hups heere os
her Zee ende zant gevenft is / oft hp is op ander
plaetfe / met fijn handen ende ambacht fijnen
koſt ende broot te geneeren / Ec.
Aldus leven hepde Boeve ende Hoere met
malkanderen ín alle fchandelijke overfpel ende
hoererne / foo lange Dat fp overmits de na:
bolgende vbrucht / De faeckte niet langer mogen
beelen ende berbergen/ ís ’t dan bn fijner Ma⸗
get/ ofte bp fijnesnaeften Dochter gefchiet /
fo moet dat kindt Pelgrimagie gaen (verſtaet
wat ik fchzijbe) / ofte het moet den Koſter /
den gebuerman oft den gebuermans fone toe
geſchreven ende gegeven Wozden. Maer is't
bp fijns naeften hupsvrzouwe geſchiet fo moet
Die onrechte Dader f die Daer Die onbehoozlij⸗
hie fchande/ hoererhje ende dat bedzogh fijner
ontrouwer huusbrouwen niet en Weet/ een
Dader Lan alfulkken obeefpeligen ende onwet⸗
telijk kint zijn, ende ô ellende !
tang al tot den Doopſel moeten henen gedra⸗
gen zijn / ende worden alfoa op dat geloove
van hare fijne Ouders gedoopt ende alfoa
Chꝛiſtenen genoemt / Ec. 6 Ozouwelijcke
fpatterpe.
Cen anderen / foo bebinde ick cok op meni⸗
ge plaetfen/ ja ober alle die Werelt / vele pdez
le ende overgegebene tupſſchers de fomumige
gebeplikt/ de ſonnnige ongehheplikt fammuige
edel na deg Wereldts hoobecrdigen Lpioop /
fommige vijch / ſommige imiddelmaetigh /
fommige arm / fp zijn Dan hae dat fp zijn! die
Des gelijken leben: ín alle guifigbent / pocihept/
Dzonkenfchap / onfupberhept / na haer ſchan⸗
delijke onbehooglijchte luften / ende Dunvel⸗
fchen begeerten / ja in allerlepe hoeverpe ende
oberfpel / fp (chandalifeeren De eene Maegt
boozen de ander na / evenwel foo zijn fp al
gedoopt / ende als ſy dan alfidkg na haren
moetwille te wege gebracht hebben / fulche
fchande ende oneere van alſulker ſimpeler onz
nofelder hecten / die ook ban Adam geboren
zyn / ende door fchaone bedrieghljke wooz⸗
Den / ende met hoerachtige gaben wel lichte⸗
lijk bedzagen worden / door haren vermaelez
dijden onkupffchen handel aengemaeldt ende
opgelent hebben / ſoo moet het haer noch ons
Det malkanderen / Die oock gelijke Ambacht
hanteeren / ende ín een gelijk fchip baten alg
fp eenen hoogen roem ende grooten prijk
zjn, gelijk die Peopbeet leert.
Dit al niet tegenftaende / foo ſullen fn at
gelijke wel aldusdaniae Gare kinderen / die
gan alſullien vouwen ſchenders / hoerachtige
fchalfken / ende van ſoodanige ecclooſe Wijz
ben bupten Gods ordinantie geboren worden
alot den Doopfel henendzagen/ op dat fn
alfoo Chaftenen mogen heeten / en watten
op in gelijke vzuchten / ende tot gelijke vzuch⸗
ten/ af eben eens gelijck alg haer CThriſteloo⸗
fe overfpelige ende hoerachtige Ouders felve
hebben / in den wellien / ende ban den ele
en Dat fp door een berbloeckte ende vermale⸗
bijde hoererne ontfangen / Laoztgekormen en
gebaect zijn. ô@@ngeloobige.
Cen derden / ſoo bevinde ilt bol na int gez
netael bepde onder mannen ende vrouwen /
bie haer in dat rechte al begeben hebben fo ziju
Edel / Onedel / Nijck / Arm / Borger ofte
Hunsman / fi zijn ban wat ampten ſtaten en
conditten Dat fin zijn / Die oolt alle met den anz
deren doen fp noch kinderen waren al gedoopt
zijn/ ende ook Chriſtenen om des ontfangen
Doopſels wille geheeten worden / dat fn cen
ſoodanigh ſondigh leben boeren /_datmen
hem des nietg genoeghſaem verſmnen ofte
herz
des Chriftelijken Doops. 411
Haceftvlta berwonderen magh / wam haet hooveer⸗ [dat fn hebben / Wat leben dat fp boeren / die
Deme Digbepr / onfimberhept / gierfghept / haet [dat Doopfel ín haten kinefchen dagen onte
quibus bedrogh ín koopen ende verkoopen / haer fangen hebben / ende nu ook in gelijcher wijſe
fcuntur kuijven ende laet / haer onvechtveerdighepdt/ | alfa haer hinderen laten doopen / op dat doch
—— haet ombarmhertighent tegeng den huuclingh | eenmael die rechte Goddelijcke kenmiſſe magh
à ende tegeng den armen / haer bloechen / haer | Waffen in us dat ghp dat vecht meught bee
liegen ende zweeren / haer pomperhe / haer bzaf- | grijpen daor Godts Woordt / hoe grouwelijc:
fen ende ſuppen / haer pdelhent ende ſotteklap | ken datter in dat Doopſel deer onmondiger
haven blaetdorft / wzerthept/ ongenadighent/ | kinderen/ met den Wlmachtigen Godt gehup⸗
Wijnüzincken / gebepnfthepdt ende Cyrannije / chelt ende geſpot wordt / ende datter Anders
bate obertredinge / AUfgoderpe / ende alles | geen Baopfcl en is / dat vzuchtbaer / aenge⸗
booshendts en is geen mate/ nach geen epude. | naem ende ſirachtigh Loor Godt ig dan allee:
Sunt qui ra- Ende ofter ſchoon al ſommige zijn / Die over ne Dat Poopfel daer toe gedient/ ende ontfans
en al fo fehandelijcken wandel tm alle defe voog: |gen wozde nae den bevele Cheiſti / Marc. 16.15.
paucifimi geroerde ſtucken nict en hebben / om Dat tp namelyck / op den geloove / gelijck alg ’t beven
aut nuli, gensdelg wel vedelijchken van natueren zijn’ dickwils gefepdt ende berklaert is.
quifidem. ſoo moet gp cvenwel dar belijden ende toege: | Een tweeden/ fo moet ick u in gelijclie ma⸗
ben / hae datter ander dupſent niet een gevon⸗ niere aenwijſen / hoe Wonderlijckten bere
Den en wordt / Die Daer eeinnael vecht van her | bat ’t gebeumelt Der gevaderen oft der Per
ten foecke ende begeert / om te wandelen én | ten / gelijck menfe noemt / welcke Die Dat kint
Godts geboden / eñde te leven nae ſjnen gebe op De Donte moeten heffen/ ende fijn geloove
nedijven wille / ſy en Dragen ook riet eenmael verantwoozden / ban Chriſtus Geeft / bedel
nae den rechten wegh cat den eeuwigen leven; (ende Wooddt diſcordeert ende verſchenden ig /
dat fp Saligh moghten worden / nochtans op dat door aldugdanige vooztſettingen / alle
foo moeten fr al Die rechte Ehriftelijche Geechte | valfchhept ) ongeloove / misbzuyck / ende
heeten ende blijven. Aldus heeft Godt die | Satanfche bedzogh magh blijken / ondere
rechtveerdige vechter Dat verſtant ende na: | gaen ende verouden ter contrarien Wederom/
tuerljcke wijshept berdonctkert / dev gener Die alle waerhent / geloof / oprecht gebrzupck /
fijn Wentige waardt te rugge ſtooten / ende Die | ende Goddelijck welbehagen ín Die herten al⸗
haer engen goetduncken voor cenen Afgodt | ler Bodtozeefenden vecht magh ontſpringen /
opwerpen ende eeren. opgaen ende bekent worden.
Dit níet tegen-flaende/ hoe Heydenſch ſy Obermíts Dan om dat ’t ban Chziſto bevo⸗
oock leben / bende de Dader ende moeder / fo len was / dat Die doopelingen eerſtmael gee
moeten af evenwel haer Klepne onverftaudige | looven moeften / Marc. 16, 15. aleer dat
kinderen Die ban haer geboren worden / upt Doopſel gefchieden maghte/Actoz.8.38. ende
goetdunckenhendt / founder eenigh Godts | die Werelt wel bekende, Dat die klepne onver:
Woordt oft Level aengeblafen / gezwaaren/ ſtandige oft onmondige kinderen geen geloo⸗
gefegent) met fpeechfel beſtreecken / gefalvet/ / be en hadden / nachtans alle gelijcke wel gez
gelieupfet ende gedoopt zijn / ende alsdan al⸗ | doopt wouden hebben / fo docty alle wegen Die
fulcks over haet gefchiet ig / nac De wijfe ende | Menſchelijcke gevechtighept Godts gerech⸗
maniere haerder Vaderen oft Ouderen / al- | tighept als Geel onnut / onbolmacckt/ ende
Perverfà vita hoewel opentlijcht tegen Godts woordt ſp lez | dwaesachtigh heeft aengefien/ gefchepnt/ ber:
mEt psi- ven Dan baogtaen hoe angoddelijck / hoe beeſte⸗ volght veracht / eude upt den wege geſtooten /
var Chriftia- lijck / ende hoe Dupbelfch Dat fin leven / fo Woz: | fo heeft die negende oft thiende Paus, metter Invamen
ni{mo. Den fia al evenwel geloovige Chriſten menfchen | wamen geheeten Higinius, upt goetduncken: for has
geheeten / ende tot allen handelen haerder |hept/ ſonder eenigh Godts woozdt tot deſe fas infantivus.
Vercken alg goede ende beguame Lidtmaten | ke een fijn middel berdacht ende opgeworpen/
toegelaten ende ontfangen. met welcken Die gantfche Werelt feer Wel tot
@ Heere Bader / hoe feet runm / wijt/bzeet/ |nu toe te vreden is ge weeft / ende hebben daoz
facht ende geneughlijck nae den Lleefche ís | defen opgeworpen middel haer kinderen gee
dach den ingangh defer ellendiger bleefchelijc: | doopt / ſonder ſommige die Godt meer vreeſoen /
fer Kerclien / want ín haer heeft het al plaetſe {ende daerom ſcherper ende dieper fagen ín
is wie Dat his / ende hae en wat huis / als Godts Wooꝛrdt / van welclien ſy den meeftene
‘hp maer Door eenen tooverfchen Afgoden- | deel am defer factien wille alg Ketters oft on⸗
Î dienaer boog de Vonte beſwooren is / ende ín | chpiftenen hebben uptgeftootcn / beenielt ende
Inttoltas in De Bonte gewaſſchen ende gedoopt ig. Maer verworpen. Die nuvdel was deſe / alg dat
peeleham poe wonderlychen ſmal / O {Pere / is uwen men uptder Gemepnte ſoude opnemen / die
puue eonera wegh / ende hoe feer euge ende naeuwe isdat |fp Gevaderg ofte Peten genoemt hebben /
in Ecclefiam goostken ( daer in leyt in uwen armen ende | welcke Die dat kint op Die Bonte tot den
— au- Peplige Weecke / jae alſo nacuwe/ Dat aen Doopſel ſouden opheffen / en Lao? des kintg
— haer poſten hangen moeten binen Gout Geloovbe ſorgen ende antwoozden / Ec.
ende goet / vleeſch ende bloet / alleluften ende |_ Alderliefſte Leſer / het is waer / deſe ſelfde
begeerten Dev gener Die Daer begeeren ende van \fakke dzaeght wel boo? haer eenen ſchoonen
Neten gantfcher heeten ſoecken door dat felve poort· |fchijn ende goede gedaente/ maer niet nae den
STEE Ken ite treden / ende alfa m uwe Heplige Geeft ende mepninge Chziſti. Die oozfas
Kercke ofte gemepnte eeuwelijck door uwe [ke iS deſe om Dat 't gebrupelt Der Peten cen
milde genade te ruſten ende te blijven. opentlijcke IBenfchelijche inſettinge is / gee Ï
Diet / goede Leſer / dit heb iclt u daerom ten lijck die Hittorien foo Klaerlijcken bermels Ii
eerften aengewefen ín defe maniere vpt anders |Den / daerom foo en magh ick mp des niet gez EN TN
geenen gront / dan om dat ghn alfoodies te noegh verwonderen /hoe dat alle die Overlant⸗ —900—
beter moght bekennen ende verſtaen / hoe⸗ ſche ende OoſterſcheGeleerde / deſe ſelſde Peten IN
danige Chziftenen dat fp zijn / Wat geloove loft gevaderen noch —2 terwijlen fin fo
2
dap
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
——
412 Menno Symons Verklaringe
dapperlijck ende overbloedigh tegen alle inſet⸗ alderminſte alſulclis leert ende gebiedt. Daer:
tingen j ende leeringen det Menſchen met enboven fo fwijge ick noch / alg ban die onz
Bodtg Wooꝛdt geſchreven / geleert / ende gez ſunverhzendt / gieriahendt pomperije / onwe⸗
ſtreden hebben j Want immers in geenen
plaetfe deg Godtlijken woozdts ons ban alſo⸗
danige Peten eenigerlep wijf geleert oft gez
roert wordt / dan overal in allen Der Schꝛif⸗
tuuven / waer dat van dat Doopſel gehandelt
wordt / in geooter klaerhept bewijft / hoe dat
Die Doopeungen voor hen felven moeten gez
foaven/met denn mont oft met Den wercken
beiden / ende alfo dat Doopſel als Godts bez
pel ſoecken ende begeeren / Marc. 16. 15.
ctot. 2. 38. 3, 36. 10,48. 16, 34. EU noch
meet andere plactfen.
tenbhept in Goddeſjcken falken/ Afgoderije /
ſotteklap / ydelhepdt / rebellighept weder fpanz
nighent tegen Godt ende tegen fijn gebenedij⸗
de Woorzdt / ende ban Dat beeimaledijde vlee⸗
fchelijctke leben Der gener } díe den meeftendeel
tot dat felfde Ampt van den Ouders geroepen
ende gebeden wozden / op dat doch dat Geloo:
ge ende die vzuchten bepde Der Ouderen ende
Peten/ op den welchen ſu De kinderen doopen /
ende dooz den Welchen Die felfoe kinderen een
epgen Geloove ſullen verkrijgen / in alten mo⸗
gen concogderen ende over cen dzagen / gelijck
Een anderen, al wag’t nu fchoon datt ge⸗
Bzupels Der Peten / Godts woozdt / ofte Chꝛi⸗
ſtus bevel ware / het welcke vezre zp / och hoe
ſeer wijt ende bzeet / ende met toe grooten ſor⸗
geende neerſtigheyt moeſtmen algdan foeken | bj je ander
fn ſteden ende Lambe! al eer datmen cen ſou⸗ fen Daer mede opentlijckt in 't werck / hoe Dat
de binden / Die tot alfodanige ampten Wel ge⸗ het upt Godt miet en is / dan dat het Zielen-
fchtckt ende beguaem Ware. Want hae fall bedzogh is / Duppelſche ſchalckhent / Men:
doͤch die eene bimde Den anderen lepden hoe fchehycke gerechtighept / Godtslafter / ſpot⸗
fal den eenen fot den anderen wijs maken 2} terije/ Verwoeftinge Det opdinantie Chzifti /
hoe fal Die eene fchamele boog die ander ſcha⸗ ja over al tegen Bodt / ende tegen fijn beplige
mele bozge worden? Derftact wat ick u fch2ij-| gebenedijde Woozdt. dezen
he. Ufo en magt ook Die eene ongeloodige, Siet mijn weerde Broeders / ín aldusdani⸗
boog deg anders Geloove níet verbozgen / wañt gen onrepnen / ſpotachtigen misbruuck / ende
een pegelijck fal fijnen epgen laft dagen, Gal. ſchandelhcken handel, hebben fp de Hemel⸗
cap.6.0.4- pen magh hen ooft geen Ger |fche leeringe/ ende Die lieffelijche opdinantie
foobe leecen/ noch Geloove voor bidden / ſo lan-, onfes lieven Heeren Jeſu Chyafti / door langh⸗
ge alg ho fele dat rechte & haiftelijche Ger! heyt der tijden / aldus ſubtiſijcken omgekeert
loobe niet en heeft want alwat iclt een an- ende verandert. @ Heere Dader aller genas
Der leerenfal/ dat moet ich ſelve eerſt wel be. den / laet doch deſe Derbaerlijcke grouwe ijclie
Kennen / ende dat gebedt moet eeN gebedt des ſtrick ende bedziegerije onfer ellendiger zielen
geloof zijn / Fac. 5-6. inden geeft ende waer⸗ cenmael fijn epnde hebben, Amen.
bept/ Goan. 4. 27. Ten deden / gelijekt alg Wop u eerſt aengewez
Cecwijlen nu die ongelovige ban? deg am: | fen hebben dat Geloobe ende Weven der Ou⸗
Berg geloove vaag Godt geen bozge worden en ders. Ende ten anderen / Dat bevel / geloove
aagh ‚noch hem Geloove teeven noch hem ge- | ende leven Der Peten : foo Willen wp nu defe
Yoof berbidden magt/ al wag’t dan ſchoon dat mael aenwijfen / hoedanige dat fa zijn; welche
Die Peten in God opinantie al gefondeert, Die DAL Ampt boeten / om Die felfde klepne on⸗
waren, het welck fp níet en zijn / alg ’t boven | wetende Kinderen te doopen / ende alfo tot
gefent is fo moetmen immers Dat belijden en= | Chziften Menſchen te maken / ende wijfe u/
De confenteren / hoe dat het behuln der Peten | D gijn trouwe Hefer tot uwen epgen Paſtooꝛ /
neven dat Doopſel der kleyner onmondiger | Vicarium, Pzebendaet oft Cappellaen/ gelijk
Kinderen ganefchj pdel/ onnut ende Le vergeef | alg fp genoemt wozden / Pae tot allen den
ig. Mant wat Geloove Dat in Die Peten Papen die rontsomme U henen zijn ) dat
ſelve is / dat wil ickt een pegelijck vecht verſtan⸗ ghpfe vecht fult Doosfien met Godts Woordt /
digh Theiſten laten opdelen. …_ _|oft daer oock eenig omder Den gantfchent
ech weet wel) dat mp ban eenen pegelijken hoop / ick fegge een / hoe bele ſy ook zijn / daer
alfo gefept fal wozden / otter dan geene recht-| gan een onſtraffeljcke Chriſten ⸗Kercke gez
geloovige Peten zijn » die den kleynen onmon-| roepen íg / Doop Den hepligen Geeft gedrongen
digen kinderen mer goeder Confcientien tot is / ende Die on raffelijck is bende in leere ende
den Doopfel mogen heffen? Seg ick met kor⸗ inleven. Och Bꝛoeder / niet een/ jae niet een / eting
ten klaten affchept/ een. Want ten eerſten hoe verre Dat ghp ook repſt / ende hoe neerſtigh ng F
fo (8 t menſchelijke gerechtughept / Legen qhp ook foecht / dan haerder aller toepinge cam, & do-
Godts Wwoogdt / ende bupten Eheiftug ozdi⸗ is upt den Dzake / ende upt dat Beeſt / fn en êrinamn hee
nantie ) daerom fo en magh’t aol met een | hebben níet dat haet Lot defen Ampt upedain- bet we
goede Conſcientie niet gebruyckt worden. | get / dan alleen haet Tune / gulfige/ gievige, baptiúant.
Gen anbeven feat) iets alfoo : Ick Weet wel / hooghmoedige ende Bupelt-duurige vleeſch:
datter wel ſommige Peten zjn / Die eerbaer | haere leevinge bpfonder bu den meeftendeel/ is
ende denghdelijck ban leben zijn / maer dat fp enckel verlepdinge ende bedzogh / haten
recht geloovigt zijn; dat en weet iek waerlijch | Godts · dienſt is over al ——9* | Geeftelij:
níet/ want wag 't alfa dat fp vecht geloovigh| ke toberije / unt De PLL des Afgronts / ende een
waren / fo wag’t immers onmogelijck dat fp | oorſake beg onſchuldigen bloets / Ec. Ende
ín der eeuwigheydt nimmermeet alfodanigen daerenboven fo ig haer gemepne dagelijcks lez
grouwelijchen ſchande metten kleynen kinde⸗ | ben fo ſchandelijck fa onreyn / fo ——
ten mogten bzfjoen bupten Chriſtus woordt fo oberfpeligh / fo hoerachtigh / fo welluſtigh /
want daer ín die acheele Upoftolifche Schaft ſo gulſigh / fo gierigh /ſo praet achtigh fo nijdig’
wiet een letter naegelaten en ig / Diens ín Dat fo onbarmihertigh / fo vezradiſch / ſo hi 7
alg von ook menighmael voorz onfen oogen GE: Quales par
fien hebben. , Als dat Die Hoerachtige Waer rentes, tales
be voept den anderen, hu zp Dan wie en wat hu egoree·
zp/ Die eene dzonckaert Den anderen; Die ecn
hooghmoediger dan de ander/ Ec, ende bewijz
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
des Chriftelijcken Doops. 413
blindt foo Godtloog/ foo vervaerlijck ende | Cheiſti ende onder den ame det Heyliger
grouwelijck / Darter haer alle redelijcke Men⸗
ſchen / alle Godts Engelen / ende alle Heme⸗
len boor moeten ontfetten ende beſchamen.
Segget goeds Hefer / en is 't niet ſo? Hebt
ghn oock opt van u leven langh grooter hoo:
— veerdighendt / grooter gitrighendt / grooter
—— gulſig hendt / grooter Hoererije ende Overſpel /
de meglrooter ſpijt / grooter bevennſtheydt / grooter
ſchof ende ſchande bebonden / alg onder haer?
Ick meet wel dat fp altemael met alle gelijck
ontuchtigh ende ſchandigh ín haer dagelijch
ſche leben zijn. Wlebenwel foo en ig er ander
haer níet een / hoe ſchoonen gedaente oft leven
hp boor aagen voert / oft fijn fepndinge / fijn
drenginge / fijnen Godts · dienſt / ende fijn gant⸗
ſche leven / is wat dert vleeſche / wat den Dup⸗
bel / tegen Godt / ende tegen fijn gebenedijde
Woordt.
Mijn weerdige lieve Bzoeders / het en is
boozwaer unt geenen quaeden gront noch uut
geenen haet geſchreven / dat weet Die gene Die |
Chrittelijcker Kercken , gelijck fp Dat noe⸗
men/ Ec. O blinthept!
Dit zijn die gene / ghplieden / Daer noch
heden ten dage toe betrout is / ende geconſen⸗
teert wozdt / om alle de gantfche Werelt met
valſche leere te berlepden/ ende den klepnen
ommondigen kinderen ſonder eenigh Godts
Wooꝛdt oft bevel fo onnuttelijck te ſeggen / te
befweeven/ ende met den water te doopen / al
hae harde ende Klaer dat dat alderheplighſte
Euangelium Jeſu Chziftialfulchs tegenftact
ende beſtraffet.
Gelijck alsdan deſe felfde geeſtelijcke Da- ales con-
ders zijn / namelijck / deſe Leeraers / alſo zjun
ook hare kinderen / Die van Haer gelaert wor⸗eboe
den) dat zijn die gene/ Die fp leeren ende doo⸗
pen/ gelijctt alg fin dat ſelve ín al haet vauchten
— wel bewijſen / ende Dat waerachtigh
malien. md
Diet mijn Bzoeder / daor anderg geenen „id tinam
middel / dan alleenc dooz deſe voozberoerde prores Eccie-
alie Dingen weet/ dan oosdeelt felve alle dingen | Weeraerg ende KRinderdoopers / is Die Merche fi Chrifti,
vecht metten Waorde Godts / ende met eenen
vedelijcken natuerlijcken begeijp / daer gh ’t
neben haer alle dage ſelve Boor uien oogen
ſiet fo fuit ghy dat fonder twijfel Wel bee
Kennen dat ick u niet Dan De rechte waerhept /
upc liefde uwer falighent / ontdeckt ende boog
Non odio gogengefet hebbe. Segget / heb ick hier mez
sekste, de qualijciten gedaen / Bat icit u de hemmelijchke
nequitias fchadelijche lagen eens diefs oft moordenaers
deregirvut antdeckt/ ende te booten gefept hebbe : Noent
Chꝛiſti m aldusdanigen hupchelwercht / ſchan⸗
De / ſpotterpe / bedziegerene / afval / Boeben⸗
handel / ende ín cen feet ontepn Hoeren·hups
omgelieert ende verandert. G Jammer ende
jammer!
Aldus hebt ghn nu biet ten eerſten aenge⸗
weeſen Den Ouders met haer ongeloof ende
vleeſcheltjck teven / van den welchten de kinders
kens wozden geboren. Cen anderen / fo hebt
ghe biec die JPautelijckte Peten met haer mis⸗
fcatrum falu- Doch cenmael vecht Die berdaemelijcke ende ‘bzupelt / ongeloof ende quade vzuchten / die
ti coaſulat. groũwelijcke blinchepdt upt uwen oogen/ende | welche de kinderen vot dat Doopfel heffen /
fiet op uwes Heeren waerhendt. Graeft alle
ongeloof unt u verdonckerde herte / ende gelooft
Godts woozdt / ſiet aldus ſent Die heplige Apo⸗ oft de Doopers met hare
ſtel Paulus / Dat die gene / die haer Broeders /
datis / Cheiften-menfchen laten noemen / die
2Tefl.3.5-14- hoereerders zijn / gierigh Blafphemeerders/
7333*dꝛonckaerts / roovers ende Afgoden· dienaers/
‚8. met ſodanigen en hebbet niet te doen / ende en
Jud. r2.2. wilt Daer niet mede eten. Al toteen bewijs
Fob.r ts. namelijck / hoewel dat fp haer Bzoeders oft
Chꝛiſtenen met den name beroemen / dat fp al
evenwel overmits haer ſchandige leben in díe
gemepnte Jeſu Ehaifti nieten zijn / want
Chꝛeiſtus Gemepnte ís hepligh / vean ende on:
ſtraffelijck / Epef. 16.5. Hoch op een ander
plaecfe teert hy / dat alfodanige voorberoerde
niet en fullen be erven dat Rijclie Godts/ alg
Nom.x.32. 1C02.6.1 11. Gal.5.22. Eph. 5.6. Cn
zijn fin miet in die Gemepnte Chiiſti / ende en
ſüllen fp níet be-erben dat Kijkke Godts / fegget
wat Godtlijcks oft Chziftelijchs magh alsdan
immermeer in dat Pups des Heeren, dat is / in
Chꝛiſtus Gemeynte / van haer gehandelt / bez
Dient /ende gezucht worden? Nochtans alle
dit niet tegenftaendeste weten /alg Datmen daer
boo? haer geloove (eggen ende antwoopden.
Cen derden / fo hebt gp glee ool: de Leeraers
endinge / roepinge /
leermge / afgoderpe / ongeloobe / ende Godt⸗
looſe wereken / welcke die de kinderen doo-
(pen , ende alfo van haererf-fonden, gelijck fa
‚Dat noemen/ tepnígen/ ſunveren en waſſchen /
(welche pactijen alle drie / namelijck Ouders /
(Peten / ende Doopers / felbe noch kenniffe/
noch geloof / noch waerhept / noch liefde/
noch bzeefe Godts / noch Euangelium / noch
| Chꝛiſtelijcke oauchten/ noch gehoorſaemhept /
noch quijtfcheldinge der fonden/ noch bzeede
‚Det Zielen / nach gebedt/ noch belofte / noch
„Godt / noch Chꝛiſtum / noch Geeft / noch
‚eeuwige leben ín haer herten boelen noch ſma⸗
‚ken : dan alleen Chriſtenen door beroeminge Alias Cixi
(ende met den naem zijn / deſe onderwwinden h; °° CEE
ſti |
ere ín alle vepmoedighept / een kint dat nu traden
eerſtmmael ban deg moeders lichaem ig gebo⸗ Epicopi
ren / dat noch gaen / noch ffaen/ nach hooren / Sprint
noch ſpzeecken / noch berfinnen/nach begrijpen :
en magh / dat Door ’t gebzeck fijns verſtants
den onredelijcken Creatueckeng vol-nae in alz
le ſtucken gelijck is / dat nach goet noch; quaet
niet mede te doen en fal hebben / noch mede eten | onderfchenden en kan/ fonder UBoozdt/ ſonder Modus que
en moet) ende dat fp geen belofte Der falighendt | gelaof / tot een Chpiften-menfthe te makten/ Enrin:anas
en hebben / nae Paulug leere / overmits haer) niet anders kan met Crupcen / met Bla⸗ conracrans.
ongeloove / ende overmits haer afgrijſelijcke / ſen met Sout / met Olpe/ met Criſma /
helſche / beeſtige lebẽ / fo is al evenwel die werelt met Heerflichht/ met Boeken/ met onnutte
fo dooz haer verblindt / ende alfo ban Bodt ver: vzagen ende antwoordt / met zegenen / met
Mundus uni- Steemt/ Dat fpp De feae aenflen/ eeren ende ont: | befweeren/ met do
verfus per
concionato- ende Zielen-forgersg/ die welche macht hebben
wad — van Godt ban als unt te vechten ende aen te
Ercarusett. Eechten wat haer gelievet / alleene maer dat fp
dat aenrechten balfchelijcht onder den decker
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
/ met Offeven / ende
fangen/ als haer rechte Herders / Teeraers met alfulche geuwelen meer / ende als defs
\praetachtige / Afgodifche hupchelerpe aen dee
fen Klepnen kinderen bedzeven (8 / fo zijn ’t
Chꝛiſten· menſchen / gelijck die Wijven tat den
Hraem Moeder feggen in dat het werck gez
f 3 zocht
414 Menno Symons Verklaringe
wrocht is / namelijck / ern Heyden hebben wp Hier Wordt noch eenmael dat Doopſel der
ban u ontfangen / maer cen Chriſten geven Geioovigen met alle kracht bebeftight / ende
ende leveren Wp dat wederomme ín uwen han⸗ dat Boopfel Der onmondiger kinderen met
Den. Alg dan fo wozdt Die tafel beent / koſt gelijche kracht vernieter / want gelijckerwijg
ende dranck zijn veerdigh / die gebuuren ende | Chriſtus Jeſus bevolen heeft / dat men den ——
beienden gevoeght / ende Die Ouders zijn over Ae bidchen foude doopen / Mart. 16.15. We PPM
haer gedoopte kint foo ſeer Wel ce hoeden. ſo blijckt nu oock klaerlijcken in deſe voorge⸗ nig credenti.
Poftquam, Ende ban die uure ach fo wozdt ’r opgevoet ín |fette woorden Pauli/ Bat dat Doopſel ons
pucribepti- ale mallighept/ ongeloof / ÿdelhepdt / ſonde | ſoodauugen handel aenwijft ende beteekent /
— — ſchande / naxighept / Afgoderpe / ende in alle welcke niemant Doen en kan / dan alleen
curatur de Wleefchelfjchke \erclten / ende Pumbelfche | die gene die geloobigh zijn / namelijck / als dat
eorysn Glute. gruchten / alfa dat ’er geen kenniffe / geen Gez fp ig cen Dooc Der ſonden / oft cen begrabinge
loove/ geen Godts liefde ende Hzeefe/ geen |De ouden levens) ende Dat ſy is een opftal oft
Euangelifche waerhept ende Wandelinge in— vezryſſeniſſe tot een nieuw leven.
waffen ende beklijven mogen tot ceuwigen da⸗ Cerwylen dit Cheiſtelucke Doopfel aldus⸗
gen/ ende waer ’t datter pet Chriſtelijcks aen | dantgen doodt Der ſonden / ende opſtal tot cen
hem befstecfde / fa moefte t Beel ijden / ende | Heut leven ban Paulo genoemt wozdt/ fo
Cheiſtus Crups deaaen. Noch fegge ich} weten fh ong immers dat beljen ende toe⸗
eens / om dat het alfo gedoopt ig / Get Boet nu geven / Dat niemant fiju leelijcke fchandige lu⸗
bogztaen nae Dien tíjdt wat het boet / het blijft ſten ende begeerten / fijn onbehoolijcke vlee⸗
al evenwel een Chziften-menfche. fet mijn ſchelckt Godtlooſe leven / ſterben / ende bez
lieve Bzoeder / dit ig heden ten dage Die Peplí- | LAraven kan / dat ooft niemant tat een vꝛoom
ge Werchte / gelijck fin hacer beroemen. Ende onftvaffelijch / Godtſaligh leben opftaen ende
op defe boor - beroerde manieren ſoo bare ai vezrijſen kan / Dan alteen Die gene die alg ge-
dusdange Cheiſtenen die cen Den ander / ende hoorſame liebe Godts kinderen gefticht/ gez
die gantfche Werelt fg bol met aldusdanige | Leert, ende bermenwat worden mer deg Heeren
Chꝛiſtenen geworden. woozdt / welcke Beeftelijehe doodt ende bez
IDijn eerweerdige Leſer / verſtaet doch vecht | grabinge / opftal ende vezrijſeniſſe bewefen in
wat ick u gefcheeben hehe / Want daeconnme dat Peplige Doopfel / bp op een ander plaetfe
heb icli defe ſelfde false fa wijt ende bzeet up | MOEITE te wefen die befnijdinge Die ín den Geeft
aclept / op dat ghu grondelijck meught be-| geſchiet / feggende : Gbu zijt door Chriſtum
Kennen, hoe fect hevmelichen bedechten ſtrickt beſneden met Die befnijdinge die ſonder hans
Dee zielen / ende hoe bervaerlijchen / afgrij-| den geſchiet / doo? bie afleggingge des fandigen
felijchen Afgodt dat dat Soopfel Ber Kiepner, Lichaems in Den bleefche/ te weten / met
ommondiget kinderen tegen Godt ig / ende | Die Befiuydiuge Chziſti / ende zijn met heur
hoe feer onnut ende afgodifeh dat het geleert | Begraven Doo, Dat Doopfel / ín dat welcke ghu
is / als datmen daerom de onmondige kinde-| aft vezrefen zijt doo? Dat Geloove dat Godt
ren fullendoopen » namelijck, om op te voe- werckit / die welche hem verweckt heeft var den
den in Godts woordt ende in fijn geboden. doodt, Coloff. 22 — fe
Aldus dzaegt Menfchen-leere alle wegen Loos! —— het dan opentlijck blijckt / dat
hem eenen ſchoonen ende Wepligen fchijn / Die Seloovigen alleen bare ſouden ſterven en⸗
dan inwendigh in den gront en 18 t boorwacr de eggen? —* kracht deg geloofs inz
anders níet daa bebepnfthent / leugen, enchei — keg ——— sol (ileo
pe vn —— ende een doodtlijck fe an regen > — id 5 sabel
MNRaer die gene die op Defen Antichriſtiſchen HOE om Dat fp Dat Geloobe
—— — níet en ſteinen / dan foec en tet en hebben / Doop welck Bodt fulckg ín dert
Matt.28.1s. Dat rechte Cijpiftelijke Doopfel/dat van Ehei⸗ nen werckt / fo moeten fp iminers Dat bez
AR ri poftelen geleert ende gebgumeht ig / die drae Willen met / Dat Dat Doopfel der onmondiger zapeitmus
Aâ. 16. 33. gen ſorge boo? haer kinderen faligtept/Daevam | Kinderen in dat bedel deg Heeren Jeſu Chzifti/ —
en 9.6. __ foo boeden fs haer op ín de breefẽ Godts / met, ende in Die naegelaten Apoſtoliſche leere nach sonen.
eeren /met verinanen met haftijen/ met eenen) Geleert, ende begrepen is
Ken fidentes licht tea ‚_ @fmen nu al ſchoon woude feggen/ goede
pedobaptic Woorgangl van onſtraffelijck leen / op dat ſp meter dat die and |
mati falutem alfo/ wanneer fn tot haten berftande gekomen efer/ at die andere Apoftelen ook fchriften
curamt pue- zijn / feToe mogen hooren) gelooben / ende acn- nae haer gelaten hebben , welcke {chriften Ge-
rorum. nemen dat alderheplighfte Eunangelium Jeſu lafius Paus uytgermonftert heeft, ende dat by Gelafius
Chꝛiſti / ende onfangen oock alfodat H. Ehꝛi⸗ avontuuren dat Doopfel der onmondiger kin- —
ſtelcke Doopſel / gelijcl hu dat allen Geloo⸗ deren in baren Schriften wel moghte uytge-
bigen Godts hevligen Doo? hem felben / enz drucktende begrepen zijn. Wiebe Leſer / over⸗
de oock ſjnen hepligen Apoftelen ín fa meni⸗ Mits dat die —— fake begrepen
ge plaetſe deg nieuwen Ceſtaments geleert OD Die mptgemonfterde fcheiften der Apoftelen/
beeft. | geen gewishept nochtans daer upt hebbende
Daer nae) ende ten Berden / fo leert ong ook, dan vermoedende,dat by avontuuren datDoop-
Die heytige Paulus / feggende : En weet ghp. fel der kleyner onmondiger kinderen , daer in
niet dat wp / die in Cheiſtum Jeſum gedoopt wel mogt begrepen zijn. Antwoorden wp ten
zíjn / dat wp ín fijn doode gedoopt zijn. So eerften befchepdelijck met aldusdanige woor⸗
zijn wp dan ook met hem begraven dooz dat, den / ſeggende: Terwijlen dat fn haer beroepen
Doopfel inden doot / op dat gelijck Chriſtus tot Die fchriften der Apoftelen Die wp niet en
berweckt is ban deu doodt Doop fijns Baders hebben / fa begeeren Wp befchent van haer / wat
heetlijkhept / dat wp ook alfo fullen wandelen: Datdie felfocApoftelen in die Schriften van dat
ín een nieuva Teen / Nom. 6, 4. Doopſel dev hinderen geleert en bevolen en
ï
Early Evropean Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
des Chriftelijken Doops. 415
Cen anderen / om Dat fn de faectte faeckken| den onmondigen kinderen daerom foude
te beweeren met onfelkere ſchriften / daer fu doopen , namelijk, om dat fy mogen deel-
nieten hebben / ende dat noct niet meer Dan | achtigh worden de doot Chriſti Jefu , en fijn
met vermoeden / foo bewijfen fn daer mede / heylige bloet. Ende dat fy alfoo naemaelsin
hoe dat ſy haer voorgenomen faecite / dooz Die | die tijd: haerder bekenteniflen ende verftants,
Apoſtoliſche Schriften / Die Wop nu ter tijt bp | den fonden mogen fterven , ende Gods Ge-
— — geenſins mogen beſtemmen en | rechtigheyt dienen ende leven.
aken. Pijn liebe kinderen in Chꝛiſto Jeſu /
Cen derden ſeggen Wa alſoo / hoe Dat tp! waert datmen die rechte ſlechte Godts waer:
Dat Werk des Heeren / namelijck / dat hepli. heyt ende wile/ en dat aiderheplichſte ende
ge Doopſel / niet op Dat bermoede en op Dat | glorfeufte Euangelium onfes lieven Heeren
avontuur / dan op Dat gewiſſe moeten leeren | Jeſu Ehriſtina ons epgen goet dimcken ende
aeurechten / en Dienen. Voteefchelijk voornemen aldus mochten rabra⸗
Cen vierden ſeggen wr / hoe dat díe Apo⸗ Ken / trechen bupgen en belen / fo ect ik
— ſtelen al teſamen al Doa eenen Geeft geſchre⸗ voorzwaer over al geen geeuwel / noch geenen
neo &eo- Ben hebben / geleert ende gepzedicht hebben. valſchen Godesdienft/ ofte men foudefe foo
dem foiritu Terwijlen dan Cheiſtus Jeſus Dat Doopſel lichteiijken met aldusdamge valfche draepin⸗
decuerunt. opben Beloove bevolen heeft / Marc. 16.15. ge der Schriftuuren/ boo? die oogen der onz
— Aetrus / Paulus / ende Philippus / den | bevftandigen / Wel feer heerlijcken mogen
„Az 38.96. Goopfel dee Geloovigen na lupdt des bedels | blanketten ende palleeren. een mijn al-
03% 16.30. Chriſti boven geallegeert / geleert ende ge⸗ derliefſte neen. Datceuwige krachtige en
Dalighmakende Godts woot / moet na de
338. bzunlit hebben / ende niet der onmondiger
kinderen / foo meught gp dat wel lichtelijken | rechte mepninge des Wepligen Geeſts ende
in den vechten Goddelhken fin geleert, untge⸗
bedencken / Dat het ban den anderen Apoſte⸗
len welcker Schziften wp niet cn hebben / tent, ende begrepen zijn.
al wag ’t Dat fp ook noch feg hondert Boeken | dat geloove ín ons bevonden wort / dat ig doelt prz-
gefchechen / ende in Dat licht gegeven had: | even alſoo farmelijk gelandelt / al& de pacrs Pelere
Den, Want haddet fake geweeft dat dat Kin⸗ den te ſpannen achter aen den wagen/ te zae⸗
derdoopſel een Apoſtels infettinge geweeſt pen eer Datmen geploegt heeft, te timmeren
‘wact/ ſoo moeſt het blijken ín haren fcheiften : | al-cer datrmen hout heeft / cn te zegelen al-eer
Ende geenfing hadde alg dan Tertullianus ges | Dat den Brief is gefchreven. Deg’t/ fouden
ſchreven / die niet lange na der Apoſtelen tijt \ alte deſe niet alg een bungeltwerch ende Dozen
geweeften{s / hoe dat bp fijne Dooz-ouders | handel van allen Menſchen belacchet ende bez
bp na Die volwaffene gedoopt zijn / gelijck als ſpot worden? Ya bepelijch foa/ daeromme
baben gefent ig. Ook hadde Alexander de Bis- | foo heeft Die Weplige Godts Geeft defe vooz
{chop tot Alexandrien De kinderen fijner Ge⸗ \gefette plaetfe Pauli ban den onmondigen
mepnten wel gedoopt / en geenfing en fouden kinderen op Dat onwiffe niet gefproacken.
die Ouden daeromme getwiſtet hebben / ſoo Evenwel ſoo zijn ſy beelachtigh Theiftus Infantes
doch alle wegen / alle die gene die Godt gevzeeſt doodt ende bloet dao? de milde belofte, die pn ee
hebben / haer fake met der henliger Schaft haerban Godt unt genade gegeven ig dooz hanzinss
Icbben willen uptrechten / cude Daer niet af⸗ CThziſtum Jeſum onfen Heere / ende niet doo? chrit: aon
ijken / Want wie iſſer die Bodt vreeſt / ende | dat Doopſel Auc. 18. 16. Maer defe plact- aliter quam
Timentes onem gratis
Deum „ferip- Willen oft foude derven tegenftaen/ verachten ende geleert / Die nu in haer Doopfel / dacam.
| Ì Want fa doopen papriari an
niet anders geleert / moch gebaupekt en ig / | al-ecr Dat dat effect des Daopfelg/ namelijch te Hem
Dieeen Apoſtels (ngefet ofte gebruuck foude | fe Pauli heeft hp Lan Die gene gefpraacken PS promiflis
tuzis pitun- often eenígerlep maniecen tegen-fpzeeclien® Daar haer nieuwe geboorte ban booven f
Haer Die gene Die Chriſtum niet recht belent ende dooz haer vzuchtbarige werkende ge⸗
tur, non
Petitie en hebben / dan die haer detrouwen ende ge-|loove / Baer oude fondíge leben al reede
haccaufa _ rechtighept ín die wptwendige Ceremonie gez eens geftaven ende begraven hebben. dee
Pedobap _ fet ende geſocht hebben / Die hebben bp de we⸗ lijk Ehziftus Jeſus eens in ſyuen bicefche
— vele de oberhant genomen/ ende en fs daerom geſtorven ende begraven is / want foo wie dat chricus
runt, niet noodig geweeſt / dat Dit felfae kinderdoop: | nu met Chꝛiſto aldus geſtorven is / dic is femel mor
fel doop eenige Pauſelijſie infettingen of Conct-| al gerechtvecrdigt van die fanden / ende is al- teus ett
lien foude beve ſtigt worden / faa het doch bp ſoo met Thriſto Jeſit bictorieuflijken op ber: saret
atle geſlachten / Natien ende tongen / allens⸗ reefen upt Der fonden gewelt / tot deg Weeren peccaris
kens bp hem felben gereten is / ende fijnen | ppijg in cen nieuwe / vechte / Godfaligly / en-morimur.
vollen ganck genomen heeft / want Die gehee⸗ de onftcaffelijk leben / het welcke niet en ge, Chritus
le Gemepnte al met der tijt nader Apoſtelen ſchiet Doop eenigh ander middel / Dan alleene mortuis
______afgank / Daos der onverftandiger Biffehop-| daor Godts Woordt. Wet welcke dat ban rcfurrexie,
Veeg pen leere / van Dat betrouwen Jeſu Chzifti tot) haer door den geloove opgenomen ende be Lmc! ie
confiden-
Dat betrouwen der untwendiger Wercken zijn | kent wozdt / gelijck als boven geallegeert tot
Baptifmo
in novam
tiam operum gehallen / alg men voor onfen oogen klaerſij⸗ den Coloff. gefshzeben ſtaet namelijckt ; vitam
incidit.
en fien ende merken magh.
G
Jem / mijn Bzacders / boe klaerlijken | for
ook: deſe felfde plaetfe Pault / Fom. 6. Dzingt hebt aftgelendt dat lichaem der fonden door
die befnijdinge Chiiſti / ende zijt met hem
op den Geloobigen / gelijck als men boor
oagen fien magh / al evenwel foa hebben die
Geleerde deſer vzuchtelooſer Werelt haer alſo
omgelieert en uptgelendt / cecht of men dat
Doopſel det klenner onverſtandiger ende on:
mondiger kinderen hier mede mogen bekrach⸗
tigen ende beweeren / feggendes Als darmen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
begraven dooz dat Doopſel /
ín dat Welke qu
ook verreſen zijt / Dao? Dat gelove Dat Godt
werckht/ Coll, 2. 12.
ch lieve Broeders / Doet Doch open
die oogen uüwes herten ende beeftants/ en
fiet neevftelijken toe / Want Die moetwil-
lighlijk
bp zit beſneden met die beſnijdinge die refurgimus.
ider handen gefchiet / overmits dat gn
Biblia
liber.
VeritÀs
veracibus
ſemper
manebit
invia.
Spiritus
Chrifti
humanis
eſt aftrictus.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
hereticorúm
fcientiis non
416
lioflijk tegeng fijnen Godt niet ſtrijden en
wil / òfte tegen fijnen Wepligen Waarde /
Die en mach immers geenfing im deſe hlace
woorden Pauli ffrupckelen oft Dwalen.
Alhoewel dat Henricus Bullengerus ende
noch meer andere, door defe {elfde plaetſe
tot den Coloffenfen de Iſraelitiſche befnijdin-
ge op dat Doopfel der kleyner onverftan-
diger kinderen geleerdt ende gedrongen
hebben ‚- alhoewel fonder reden ende ſon⸗
bee heplige Schaift / nochtans niet fans
dee growwelijcke Blagphemien ende fchel-
den. Door wat oogfaecke Dat en Weet
ickt waerlijck niet / anders dan bp avon⸗
tuecen Dacromme / om dat die heplige
Paulus bepde de Geeſtelijcke Beſnijdinge /
ende Dat Doopſel der geloovigen ofte der op⸗
rechter Chriſtenen foo vaft ende na bp den an?
eren gebonden / gevoegt en gekknaagt heeft.
ô Heere / altijdt wozt u goddelijcke gebene⸗
dijde Woordt / tot een beſchuddinge ende be⸗
weeringe ban alle valſche leere ketterne / en
handel getogen / alfoo dat den Bpbel wel met, Chriſtum Jeſum —
grooten rechte van den ſommigen een Wetter: telenen / ſoo moet onfe aertſche vleeſchelij⸗ peer el
Pochtans hoe | ke geboorte / die daer ig unt den acrtſchen vlee⸗ zetum.
ende hoe fubtijt | fchelijken Adam / met díe ſelfde ſteenen Meſch
boelt geheten magh worden.
herde dat ſy wederſtrijden
Menno Symons Verklaringe
‚ dat Paulus in deſe felfde plactfe / ook Fom, 2, Externa
\ 29. chde Col, 2.12. De
Letterlijlie befinijdin: citeuncifio
geeen figucre op Die Geeftelijche beftnijdinge PLS
geleert ende bediet heeft / ende niet op Dat circumeifioe
Doopfel der onverftandige Kinderen / Wellie nem fide-
Geeſtelijcke Befnijdinge ban niemant anderg Hur:
‚Dan alleene van den Geloovigen gebzupekt en
magh twogden / gelijck alsmen dat klaerlijck
Daag Die figuerlijfte letterlijke handel begrijpen
ende Herftaen magh / Want die untwendige
letterlijke Befnijdinge moefte gefchieden met
fteenen Meſſen / Joſu. 5.2. ende aen Dat Witz
maet der Geboorten / Gen. cap. 17.23. Dien
\inwendigen ende Geeſtelijcken ſteen is Chri⸗
ſtus Jeſus / 1Cor. 10.4. Bat Mes met wel⸗
ke die Geloovige beſneden worden / is fijn hen⸗
lige Woordt. Mijne Broeders / verſtaet Get
wel / ist nu fake dat wp met den geloovigen th rn
befneden Abraham ín dat Derbont Gods blij: OUt
ben willen / in welli berbont Dat wp alle met⸗
den anderen jonckt ende oudt / Mannen ende
Brouwen door genade opgenomen zijn door Gratis
ende niet Dooz eenige Hoprat 209
dat fn ook liegen ende philofopteren / fo faì Die | beſneden wozden/’tWellt Dat Chriſtus Jeſus
ernie Godts waerhept al evenwel in den en fijn heplige woort. Hierom ſoo doozſoeckt
uptgerkoren Godts kinderen te boven gaen en | HU defe voorgeroerde Woozden Pauli cot
triumpheren / welche dieſe van gantſchen
heeten ſoecken ende begerren.
Ick ſegge noch eenmael / dat ick mp ban
den Colloſſen. Capit. 2. 11. of fp ban denGe ·
loovigen ende berftandigen / dan of fp Lan
Den hlepnen ende onverftandigen Kinderen
etten fer fchame / dat ick eenige Hetter ofte zijn geſprooten? Segget / wie is het Die de
oozdeken tegen alfulke oft alfodanige
hoog. | Defnijdmge Chꝛriſti in ſijner herten bez
beroemde ende Geleerde Jannen ſpreken oft ſneden is? Gs 't niet die Geloobige? Wie.
fcheijven fal. Machtang wat raet? Immers | 1E 't Die afgelept heeft dat lichaem Det fanden/ Rom.6 3;
en moet il mp de eeuwige Gods waethept/ die | Dao? Die Beſnijdinge Chziſti? niet die gelag: Rome,
Daer lendet tot den eeuwigen teven die welche
mp ban Chꝛiſto Jeſu onfen Weere/ en van
fijnen henligen Apoftelen ín alſoo grooter
Klaechept geleert ende bevalen is / ban gee:
nen Geleerden laten ontftelen noch ontroven /
want íclt en binde Waerlijk níet / Damen
danige geleerde Mannen boven Chriſtum / en
boven fijn heplige Npoftelen hooren ende vol:
genfal. Wilmen np nu feggen Dat ſy wijg
zijn/ ick fegge wederomme Cheiſtus Je⸗
fusis de alderwijſte: Dat fit broom zijn /
Chꝛiſtus Jeſus is de aldert beoomfte : Fa dat
ſp ín ete tongen ende menigerlep fpraelien feer
twel verſocht ende geleert zijn / ſoo ſegh ilt met
koten Klaten affchept / dat de Geeft des Deez
ven Jeſu Chriſti aen geenen tongen en kon:
ften {8 gebonden. Daeromme moet (mmers
die alderhepligfte ende onverwinlijkfte Gods
waerhent / níet alleen tegen haet / maet oolt
tegen alte Die poorten Der Wellen foo bele als
Godt fijn genade / barmbertighept/ en ken:
niffe gegeven heeft / met dat alderheplighſte
Gode Wooꝛt van ong befchuttet ende beweert
| n.
SS Bierom ſoo wil defe geallegeerde plaetfe /
Col.z.r2. Daer fp haer fake ſoeken mede te
heweeren / fetten boor die oogen Ban alle mijn
Teſers | ende wilſe binden met ootmoediger
herten / dat fp doch willen vechten met een
onpactíjdelijkk oordeel waer Dat men in deſe
plaetfe / oft ín eenigen anderen Godtlijcken
Schriften vinden fal/ dat die Befnijdin-
—— Ifraelitifchen volcks een figuere op dat
oopfel der kleyner onverftandiger kinderen
geweeftis, Daer: ’£ fa onwederſpzekelijlien ig /
bige? Wie is ’t die in Dat Doopfel met
Chꝛiſto begraben is / niet die geloobige? Wie
ís tDiedaoz Dat Geloove Dat Godt werkt /
ín een nieuwe leven / verreſen is? Ick fegae
noch eens / níet Die geloobige? Fa het zijn di
fo | gene / die Gods woozt hooren / en gelooven /
‚en niet Die onmondige Kinderen tot Den ceu⸗
wigen dagen.
Goede Heefer / overmits dat díe kinder
doopers foeclten haer fake te beweeren / met
Abꝛahams beſnidinge / en met fijn belofte / ſoo
merlie het en herkaubotꝰt nu Wel / hoe onſchic⸗
kelijk Dat fia Dit voeren / en Wat men u daer
entegen met ſchziftelijcker waerheyt onder
wennigh woozden leeren en by bzengen fal,
Cen eerſten / foo zijn wp altefamen gelijck
als wp gefchzeben hebben / níet door eenige
telienen / maer Doo? genade op genomen in
Gods berbont en die belofte is ons al te ſamen
upt genade gegeben / ig ’t Dat Wwijfe acnncmen
Dao? den Geloove / ende Wandelen na deg ge⸗
bets Wille / gelijk als Abzalam door genade
ban Godt opgenomen Worde midden pt den eratiam
volcken / en met De belofte der genaden ver·
beeugt worde / want hyſe door den Geloove receptus fuit
— en wandelde ie den Wille deg eaus
e hem opgenomen hadden / gelijck ri gesrequiri-
díe Schetftuurefept: Abraham heeft Godt agra
gelooft / ende het is hem gerehkent tot gerech brandis ce-
tighent. Benel. 15. 6. Nom.4. 3. Gal. 3. 6, mon
Jacob. 2, 23. pst
Alle díe gene díe nu aldus ban odt met juxtaverbue
Abraham im dat verbant deg vzedeg opgeno: Pi
meu zijn door Genade / tot onderfockinge
haers geloofs / foo heeft Godt den felfde gez
* geven
.
— — ———
des Chriftelijken Doops. Re TA
geben fijne Ceremonien ende letterlijcke tee⸗ verbont Gods kamen moghten / fa waren Die
kenen / níet dat fin daer daor gerechtbeerdigt Berdienften Chziſti pdel / ende foo was Die gee
fauden worden / Want waer ’t ín De tekenen nade ook alge-epnt, Peen Wroeders Reen /
gelegen ( ſoo en waet’t geen genade / Foam. dan %bzaham Was al te booren gerktoren/. ban
11,6. Dan om dat fia gevechtigt waren Dao? den Godt opgenomen / ende gerechtigt Doo? den
Gelaove / kinderen Gods / kinderen der bez geloove al eer Dat hyp befneden Was; En om Dat
loften/ ín Godts berbont/ Ec. Dat fp door hp geloobigh was / ende dao? Den Geloove
gehoorſaeimhept ſouden bewijfen De gebieden: \gerechtight / foo is hem Die Beluijdeniffe van
De Bodt / elite dieſe daar genade gevoepen / | Godt geboden / Dat hp daer mede fijn geloove
opgenomen / ende met fijn belofte vertrooſt bezegelen ſoude. Item ten anderen / gelijck von remi
heeft/ want die gehoorꝛſainige Godts dat ziju Abraham ende fijn gantfche geheele zaet Gez nz sed mares
p boven upt Iſaac/ te ſamen met anderen in Dat circuncide-
ijn befenden / Goan. Cap. 15. *
fij Diet var — ind is die eene oozfake | beebone Godts al begrepen Waren / foo tel
X
waeram dat Godt fijn Ceremonien heeft be⸗ die Mijben als Die Mannen / ende die belofte mes ran En.
antur.,
uales
olen / gelijk dat in Abzaham opentlijck bez ginck each tot bepde ſexen / namelijek / Man⸗ in federe.
weſen wart / want Abrham was al in Gods nen ende Wijven / fo en fg 't nochtans niet den
DPerbont f al eet dat hi befneden werde / ge⸗ erde / Kg — — bevalen /
Wk Paulus bewijſt dat hem fijn Geloobe al Dat Die Beſneden ſouden worden.
Genas.6. _ tat Becechicighent — was / doen hey, Merkt wel liebe ALefer / hadden fp nu dat
Gal 3.6. nach onbeſneden was {en omdat hu im Gods verbant Gods Doo? dat teetien gekregen; cnde
— gerhendt was / gerechtight door deu geloove niet Dao? geuade / foo moeften Die maegh—
Circumcifio daerom heeft hem Godt die befinijdinge bevo⸗ den daer bupten / ende ſonder belofte geble⸗
per opus erat terr een onnut ende oneerlijch werck in Gem Ben hebben. 00 niet/ dan het ig upt genade
inuileë folgen / gelijck algmen boor oogen fien gefchiet/ nach is't genade ( rude genade fal
"mogt. Een eerften / fo was't in hem felven |Llijben tot den eenigen dagen.
gantfch onmit / waut het en gefchiede niet ooz- |_ Maer hadde ſy des Heeren woort ougthooz⸗
baerlijkk den naeften. Ten anderen oucerljen / ſaem geweeft „te weren / alg dat ſy haren
want het gefchiet aen Dat oneerlijckſte Lidt⸗ sncchefeng niet Gesneden en hadden op den
maet deg geheelen Lichaems. Ende is daer: | gefetten Dal) / oft dat fp anders gedaen had:
omme geboden / om Dat die geloobige Dar den dan ban Godt Geholen was / te Weten /
Der Abzaham hem felven foude uprgaen / enz als Dat fin haer Maegdekens ooch hadden la⸗
De en teven niet na fijnen epgenen wille / maer Len Befnijdben / foo hadden fp overmits haer
alteene naden wille deg geens Die Gem dao? ongehoozſaemhept Die ſtraffinge in haten kins
Genade opgenomen / ende vpt den volcken deren moeten dragen / Genef. 17. 14. bupten
verkooren hadde / ende befegelen alfaa met Des Meeren gerbant gefloten Worden / en fijn
alfaodanigen werk bat fn hem felven onnut milde belofte Det. genaden niet verkregen.
ende oneetlijkt was / omdat Godt dat gebo Waut Godt die Almachtige Dader / Wiens
Ben.15.6. den hadde / fijn onſienbaerlijk geloobe Dat het ftenune/ wille / ende gebodt aile Creatuu⸗
Rom.4-12: oprecht; Waerachtiat ende vruchtbaer boor ten behooren te dienen Die in Den Demel en
Godt was; Genes. Capittel 17.12. Waer⸗ in der Verden zijn / Die Wil de Ceremonien die
omme dat die Ceremonien ten andermael | van hem bevolen zijn / alſoo gebruyckt heb⸗
geboden zijn/ fal noch ap een ander tijt geleert ben gelijck alsꝰt hem geliebet / ende gelijkt als
worden / alg ’t Godt gelieft. | hyſe bebolen heeft / want daeromme heeft hp:
Siet goede Leeſer / in Defe maniere is Abza⸗ | fe geboden / oft wp hebben ook / (it Dat wijz
ham befneden / en aldus worden wa gedaagt/ ſe niet en gebruplien / of anders gebaupken /)
want aldus ís ’ ban Godt behalen. Die overmits ong ongehoozſaemhent / woch bere
gene die nu tegenſtaet/ en Des Heeren ſtem⸗ bont / noch belofte. Dit is dat vecht ſchriftuur⸗
te neven de bevalen Ceremonien niet gehoor⸗ | lijkt verftant/ ban Abrahams berbont / beſu⸗
facm en is/ dauhn berachtet dat felfde Werk dinge / ende belofte, Alle die gene Die u anders
Incredutus om fing onnuttighepts ende Klepnighepts leert / die bedzieget u ziele / want hu lepdet u
perinnobe- tille) miet merkende dat het van Bodt be⸗ tot berdienften ende Werken / ende niet tot
— volen is / ſoodanigh een die ſtoot hem ſelven Chꝛiſtum Jeſum / door den welken alleen dat
——— buten Dat lieffelhlie verbont Der genaden eeuwige verbont des Dꝛedes / ende Die Belof⸗
fua, doorfijn wederſpannige ongehoorzſaemhent / te der genaden ban Godt gegeven / ende Lan
hu befcgelt oalt niet fijn gear —* — ontfangen moet worden ten eeuwigen daz
baer ende lebendigh is / maer hubewijſt daer gen.
tegen / hoe dat onvzuchtbaer ende doodt Och Broeders) Beoeders / hoe lange wilt
boor Godt ís / want het ſjns Heeren ſtemme gn dock) tegenſtaen begr id Vea geeft
mieten hoost / nictewdeeft / maer als krach doch cenmael Godts WWoort fijnen rechtelij⸗
teloog/ poel / ende onnut vertreet ende ver⸗ ken prijs / ende merkt wel/ hoe dat Die hlepne
acht. ongerftandige kinderen in haren Doopſel met
Hieromme ſoo leert ende merclit hoe dat Chꝛriſto niet begraven worden noch ook
wu niet door dat ugtwendigh teken opgeno⸗ niet opſtaen in een nieuwe leven / want
men worden ín Godts verbont / maer allene Waer ’t dat fp in haer Doopſel vecht geſtorven
unt Geuade daor Ehziſtum Jeſumm. Ende ſende begraben waren ſoo waer die ſonde
omdat wp daor genade ín Dat verbant Godts | fn haer ſoo vernietet datſe haten geeft nim⸗ Uv: pecca-
zijn / daetom heeft hu ong fijn tekenen na⸗ mermeer wederomme geweldelijcken ſoude tum vivie, bi
baptismus in
Geremo- … gelaten eude bevolen / datmen die felfde nez herheeren ende perdzucken. Terwylen dan de
erie apud eos, BEN Den genengebzupnen fal/ Dieu hn dat gez ſonde aldus na haer Doopfel foo krachtigh /
quibus juf Beeten.ende geboden heeft / namelijk / neven |foo levendigh / ſoo geweldigh/ ende ín alien
Deus. den geloovigen) want waer't false dat wp ſteur in haer bevonden wozt / met Dat ſy tot
dooz cenige teelienen oft Ceremonien in dat [haren sc vin te ——
ret, 007
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
mortem
Chrifti nom
eft.
418 Menno Symons Verklaringe
boor oogen ſien magh / fo moeten Die Kinder· antwaort worden / namelijckt : Het is ipte
doopers immers nu belijden ende confenteren/ | dzuckelijcken in die heplige Scheift nict ver bo⸗
Dat fade kinderen levendigh begraven / het den / als Wywater / keerfen/ JPalmen/ hellen
welcke dat ſoo niet en behooet / oft Dat ſy haer | ende kleeren te gebenedijden ( gelijctt fa ’t noe⸗ |
alle miet den anderen fonder geloof / ende men) Miſſe te doen / en diergelijckie handelen
daerom Gipten Chriſtus ordinantie onmut meer / nochtans fo befkennen wu dat harde wel
ende te Vergeef 8 doopen. Hierom leert Doch, dat het quaet is: ten eerſten / om datter in bez
eenmael lieve Weefer / hoe dat het Doopfel der trouwt wozt : ten anderen / om Dat het bupten
Klepnee onveeftandiger kinderen upt Godt / Godts Ozdinantie gefchiet/ want hp ons niet
dao? Godt / ende van Godt niet enig. Maer , een letter van alſullis gebeeten noch gebaden
4 Die gene Die recht bekent deg Vaders weldaet | en heeft / en Daer en is immers geen ordinan⸗
| I neven hen doo? Chriſtum Jeſum / ende alſoo tie / daer ín fijn Heplige gebenedijde Woordt /
EEE doo? see waerachtige * wrs Hin — zu ín * oft in letter / uñntgedzuckit en
| engen geloove gedoopt wort / na lupt Chziſti | begrepen is. 4
Petri Pauli / ende Ppilippi leere / die is VGvermits dan Chꝛriſtus Jeſus dat Doop:
recht miet dic befnijdinge Cheiſti inwendigh | fel op den geloove bevolen Geeft. Marc.16.15.
in fijner heeten befneden gelicht Paulus leert / Die Apoftelen dat alfa geleect ende gebrupckt
die iS begraven met Chziſio Hefw) die is in fij- (hebben. Ende die bediedinge ofte effect des
nen ſonden geſtorven / ende iS Wederom dooz | Doopſels / als Fram. 6-3. Cal. 2, 12, Tit. 3.
een werkende gelaats: met Chriſto Jeſul ver⸗ Bal. 3.27. 1 Coc. 12, 13. 1. Petri 3. 21.
reſen fn een nieuwe leven/ Bom. cap.6. vers 4. niet anders Dan op den geloovigen bediet ende
Colof. cap. 2.12. verſtaen magh wozden ; ſoo ig ’t ſander twij⸗
Hier en tegen Gebben die kinderdoopers fel dooz Die ſelfde Wel geballige Godlijckie ordi⸗
noch cen bedziegelijfk tegenwozp/ feggende :/ nantie ons genoegh verboden om de kleyne
Hoedat in deſe voorberoerde woorden Pauli) anmondige Kinderen te doopen/ Want fn |
dat Doopfel der kleyner onmondiger kinderen | dat geloof en effect ofte bediedinge des Doop: |
niet en wort verboden, daeromme en is fy | fels niet en hebben. iet tegenftaende / alz
oock niet onrecht. Seggen wy Daer te⸗ hoewel dat het felfde Doopſel dec lilenner on⸗
gen / ende vragen of dat Doopſel der kinderen mondiger Liinderen terſtont na Der Apoſtelen
oock hier ofte ín eenige andere plactfen der, afganck / oft bp abontueren ook in haten tij⸗
Scheiftuuren ig geboden / fp moeten de waer⸗ Den bu De ſommige begonnen 18, ende dus
heyt belijden en ſeggen neen. Is fi dan van, menigh hondert jaren geduurt heeft / Want
Godt niet geboden ) foo en ig fr miners níet lanckhept Dee tijden en gelt niet tegen Godts preleriptio
Sodts Ordinantie/ ende en Geeft daerom | Woozt / gelijkt wp dat te vooren Den vroomen prejudicat
ook geen belofte. Noch eens / is ſy van Godt | ende Gode vzeefenden genoeghfaem aengewe⸗ verbo Dei.
Pedobap-__míet geboden) foo en is fin niet Godts ordi⸗ | fen ende geleert heben.
——— nantie/ is fm niet Godg orbinantie fo en heeft ¶ Cen vierden / fept alſoo Die Heylige Apo⸗
non eft, ergo fp geen belofte / ende en heeft fn geen emd ce de pg De
nec divini sf ff nut/ en te ver⸗ pnfacmtger, 8 Dac
—— —— ſonder twijfel oer al onnut / — neven ber. Tenfchen openbarr:
en anderen / foo branen wy haer / Waer De em / miet om DIE werchen er gerechtig⸗
— in Ee dboordt uptdzuchelijken | Dept Die Wap gedaen hebben / maer nae fijner
berbonden is Blocken tedoopent Sn maes barmhertighent maeckte hj ons faligh / daar
tende waerhept hier op belijden / ende feqz dat water-badt der wedergeboorte / en Der
gen: Nergens, et wijlen het —— fp des Hepligen Beeftg / Cc.
berboden en is wotdzuckelijfken om locken te „3 Se
—— (8 Daecom dat Doopfel dee Blocken | Myn alderlieffte Broeders / alg won defe
goet ende recht? Beenfing. felfae plactfe Pauli met geeftelijcken oogen
Eenderden/ het en was Iſrael niet verz recht / ende grondigh willen inſien / ende we⸗
1 boden om hart maegden te befinijden / hadden geuſe met de heylige Schriſt / ſoo moeten
If fin Daetornmme wel gehandelt / dat fn hare | De Minder-doopers noch eenmael Wel belien⸗
maeghden beſneden hadden? Dat fa bezre: nen / gedrongen door Gods woort / hoe datt
| Want die Schziftuure geboodt de Leche; | Chaiftelijke Doopfel dat van God geboden is /
ij Keng te befinijden / daeronme Gebben fp dat | alleene behoort den gelovigen / na 't gelunt
EEA geacht alg ban Bodt verboden / om haer |Van Chꝛziſti bebel/ Marc. 16, 15. ende niet
HI I KH snaeqhden te beſnijden. den genen Die noch obermits Der natuuren
|
HIj Alſoo teert ons nu Chriſtus Jeſus / als dat: | loop / onhoorigh / onfpreekende ende onder:
11 men den geloobigen ſal doopen/ ende dat ef⸗ ſtandigh zijn / namelyt / Die kleyne kinderen / particuns
REEDE fect deg Daopfels belgaogt alleene den geloobi want het is cen waterbadt Ber nieuwer ge: fideliam
aen gen / gelijet al men ín Petro ende Paula boozten, gelijck ong de Delige Daulus in de⸗
ONB NE 0 foo Klaertijken belkennen ende verſtaen magh/ fe felfde Woorden geleert ende betupgt heeft. _onis ct.
10 daermede fa achten Wm dat Doopſel der Klep: | ijn eerwaerdige goede Broeders / om dat
KAAN net omnondiger kinderen genoeghſaem betz het Weplige Ehriftelijcke Doopfel een wac
| | boden / tant fn dat geloof ende Dat effect Des \tecbat dee nieuwer geboorten is / nalundt
|
|
Doopſels niet en hebben) dat wpt den geloove [var Paulus leer / fa eu maah niemant hier
IE 4 herkomen erde volgen moet. Boin mede na Godts wille ende welbehagen gewaf⸗ |
Ii | Noch vens ſegh iik: Is ’t dat bie inder⸗ ſrhen worden / dan alleen die acne / díe door ;
doopers willen affirmeren / onde feggen/ als 5
| dat hier in deſe aengeteekende plaetſe Pauli ,
| | dat Doopfe) der kleyneronmondiger kinderen
niet en wort verboden , en dat fy daerom recht
is, foa moet Wederom alfoo ban mp ge:
Godts Woost weder geboren ende veenieutt
su / Want Wy en Worden niet wedergeboren
om Dat wp gedoopt sijn / gelijk alg men ín die
Klepne onwetende kinderen wel bebinden / díe
uu alreede al gedoopt zijn , maer daerom⸗
k me
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
des Chriftelijcken Doope. 419
egene- te Worden ton gedoopt / om dat wy door die wedergeborenen faligh maeckt met dat |
mur canta Den Geloove unt Godts woordt wedergebaren | Water badt det nicuwer Geboorzten. Mor:
(mi fed zijn / ſa doch díe nieuwe geboorte niet en volght | fake is defe / Want om dat fp doo? Godts |
On se Mut den Boopfel / maer Dit Doopſel volght Woordt wedergeboren zijn / daerom fo zijn
merationis. Wit De nieuwe geboorte, Dit en magh uuz | fin door de kracht haerder nieuwer Geboorten —
merg van geenen Menſchen Gefchendelijcker | haer felven uptgetveden / ende hebben haer fa | | Í|
met Godts woordt tegen- gefteeden ofte te gehoorſamelcũ begeven fn alle dat gene / dat |I
níicte gedaen worden. Godt die Almachtige Vader in fijn heyligh
Daeromme fa moeten hiet baar deſe plaetſe Wooꝛdt / doo? fijnen lieven Sone Jeſum
Pauli alle de Geleerde befchaemt ſtarn / ſy Chriſtum onfen Deere) ende doo? al fijn Waer:
zijn oockt ſo geleert als fia zijn / Die dat ſimpele achtige Dienaerg ende Sepnt-boden/ allen |
flechte bolck fo fcandelijcken leeren ende) uptberkorenen Godts kinderen geleert ende Ki
bzoet-maken / als dat die kleyne onmondige | bevolen Heeft, HN
!
|
kinderen in haren Doopfel wedergeboren wor-|_ dus ſegge ick nach eens / behoordt dat
den. Lieve Leſer / dat alſoo te leeren ende Doopfel den Geloovigen oft den Weder—
te gelooven / is boorwaer enchel verlepdinge geborenen / Door welck Dat Godt ons ſaligh
eudebedzogh. Want ig ’t dat de kinderen | maecht/ gelijck Paulus ſent / ende dat ín deſe
wedergebooren worden) gelijck alg De Geleer⸗ maniere, Cen cerften/ fo moet daer wefen
FruGus rege he feagen / fo en is alle hact gautſchr wandel | die leeringe des hepligen Euangeliums Jeſu Ei
ationiss niet Dan ootmocdighent / lidtfaemhept/ barm⸗ Chꝛiſti / Matt. 28. 19. Marc. 16. 15. Ten EE
hertigheyt / vepne ende kunſſche liefde / Waer: anderen / fo moet daer wefen Dat gehooz Des El
achtige Geloove / ſekere kenniſſe / gewiſſen Gaddetijciten Moordts em. ro.17. Cen
| bape / Godts gehoorſaemhept / geeftelijche derden / fo meefter Wefen wat Dat gehoor het EG. 53.4; |
| breughde/ inwendigen vrede / ende ecn onſtraf⸗ Geloove / Nom. o.17. Cen vierden) fo moet |
| felijck leven / Want Dit zijn die oprechte /ende | wat Dat Geloobe volgen die nieuwe Geboorte. |
natuerlijcke bpuchten dee nieuwer ende ez | Cen bijfften/ upt Die nieuwe Geboozte dat zoa. 3.8.
melſcher geboorten / ende Wat zuchten Dat in | Boopfel / Citum 3. 5. als een gehoorſaem⸗ « Pet. sn.
enfen Klepnen onmendigen kinderen zijn / heydt beweſen Godts woorde / ende alfa vols
dat magh een pegelijch vecht verſtandigh Le: | get ten laetſten Die belofte. Want iS’tfache ubi Ades,
ſer dooz dagelijchfe erperientie bp hem felven dat wap den Hepligen Geeft moetwillens niet ——
wel overleggen ende bedencken. en willen tegen vechten / ende Godts genade — —————
Wat mepnt ghyo / mijn alderliefſte / Wat met alle gewelt uptſtooten / ende Lan Ong jar ini obedien-
tmepnt ghp/ dat Die nieuwe geboozte anders gen / fo is't onmogelijck Dat cen recht Waer: tia, ubi obe-
nietenig/ dan de ellendige werelt totnutoe |achtig Geloove fonder De nieuwe Geboorte Siena. ibi
gemepnt heeft /namelijcht / alg ín te Dupclten | magh wefen ſonder gehoorſaemhent / ende dat ® k
in den waters ofcalfao te ſeggen: ick doope U | díe gehooꝛſaemhept mag wefen fonder belofte.
in den aQaem deg Daders / des Soons /ende deg | Want die eeuwige wacrhept Chziſtus Jeſus
Heyligen Geeſts? Neen weerdige Broeder / | gebenedijt / en fal ang ín fijnen Hepligen woog:
Regeneratio neet, Die nieuwe geboorte en is voorwaer de in der eeuwighent nimmermeer feplen oft
quzfiee geen water/ noch woorden / maer is hemel⸗ | bedriegen. Ende die ig ’t die ong aldus geleert
fche Acvendige/ende bewegende Godts kracht) heeft / namelijckt / cecft dat Heplige Euange⸗
inwendigh in onfer herten) die uptvloeydt Lan lium te Teeven / ſeggende: Gact ende predict
ban Godt / ende Die alfa dooz die Predicatie | Dat Euangelium allen Creatueren. Daer
des Godtlijcken woordts / alg wp dat opne: unt bolget dan dat Geloove / feggende : Wie
uren Door den Geloove/ onfe herten berdert / dat gelooft. Apt dat Geloove volget dat
bernieuwet / doorzſnijdt / ende onmmelicert / tot | Doopſel / feggeude : Ende gedoopt wordt/ en⸗
dat wp upt ongeloovighepdt ín Geloovig⸗ | de daer op Heeft hy alsdan fijn belofte gegeben /
heyt / wt ongerechtighent ín gevechtighept/ | fegaende : Salfaligh worden / Marc. 16.
upt quaet ín goet / upt Dieefchelijckhent in Cerwijlen die odinantie Gefu Ehzifti al⸗ —90—
Geeſtelijckheyt / upt Aertſch iu Hemeſſch / jae dus meldet / ende dít eene aldiis upt Dat ander OOI |
unt De boofe natuere Adæ in de goede natuere | volget / daeromme fo heeft ong Paulus albiet viae quo- 00
ende Aerdt Jeſu Chziſti verandert / omge: geleert / hoe dat ons Bodt ſaligh maelit door modo per
keert / ende Geenieuwer warden / ende ban al⸗ Dat Water-hadt det nieuwer geboorten / ende —
dusdanige heeft Paulus deſe geallegeerde dao? Die vernieuwinge des Hepligen Beets, marvos red.
plaetfe geſpꝛoocſien. 3} _ want waer ’t bp alfo Dat een vecht waerach⸗ ais,
Regenaratì Siet / Die aldus geardt zijn / Dat zijn die \tigh Geloobe / ende Die gehoorſaemhepdt
fil Dei, & rechte wedergeboren Godts kinderen / Dat des Geloofs ban malkanderen moghten gez
frates Chri- zijn die lieve Bzoeders ende Suſteren Jeſu |deplt ende verſchepden worden / gelijck als fa
EChrꝛiſti / Die met hem Lan boven upt eenen | bp abontuuren Wel mogen / algee Weten / in
Bader gebaren zijn / namelijck upt Godt / | de gene Die Daer den Wepligen Geeft bedzoe⸗
foan.r. 13. Hebz. 2.13. Ende Defe Wer | ven / ende in hem fondigen. Ende wp dau
dergeborene zijn Die gene / den welcken hp al: ſoodanigen vecht} waerachtigt/ ende al bez
leene dat heplige Chaiftelijchke Doopfel alg | kennende Geloove hadden / ende en hadden
ten zegel des Geloofs geleert / naegelaten ende | daer en bobben geen gehoorſaemhendt / fo pzo⸗
bevolen heeft) Matt. 28. 19. Marc. 16. 15, |fiteert ong dat Geloobe nict / want alfulcken
| In den welcken fp ontfangen quiftfcheldinge | Geloove en heeft geen belofte / om Dat bet
| ee fonden / Actor. 2. 38. ende niet de |ongehoogfaem is / ende Daerenboven onnut
| lepme onmondige kinderen ende onverſtan⸗ | ende doot voor Godt is / Jacob.2.
dige kinderen / gelijck het baden fo dickwils Allen den genen/díe nu al ebenwel fonder hepe
met Godts Woozdt geleert ende beweſen lige Schziftuure upt epgen vooznemẽ / die nieu-
ís. Daeromme teert ong Die: heplige Apo: |we geboorte in den kleynen onverftandigen
flel Paulus ín deſe felfde plaetſe dat Godt kinderen willen ‘beweeren , om dat fy gedoopt
Ggg 2 zijn,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
420 Menno Symons Verklaringe
zijn > alhoewel datter over al in die gedoopte) Waozdt Die kinderen obermitg dat gebzeck
geen vruchten en zijn gelijck ’ voor oogen | deg berftants niet en mogen hooren na ch
blijkt, Dien antwoorde ickt ten eerſten / dat hp.
niet en Weet wat dat die nieuwe geboozte
verſtaen / daeromme fp oock wiet Wederges
boren wozden / fo lange als fp kintſch gefms
ig: Cen anderen / Dat hp dat met gelijcke met zijn. Alle Wat dat Die Bader niet gez
eden neben de gedoopte Rlocken aack Wel,
Baptifmus Doen magh. Want neven alle bende / na⸗
plandt en heeft / fal unt Die heeten Der recht⸗
geloobigen met Godts woordt uptgewoz⸗
infantium & melijck / neben Den Kinderen ende Hlocken pen Wozden / Match. rs. Maer Gaùrg
tampana- gelijke bevel in Godts Wooꝛdt / ende ín alle, woozdt fal in Der eeuwighepdt blijven fraen/
num ejus-
Hem elt epde gelijck geloof ende gelijcke bzuchten| Efa. 40. 1 Petr.r. nde nae defe moeten/
eficaciz, bebonden Wozden/ eenen pegelijckten nae fij-| naemelijck / nae Die mate deg Goddelijcken
ner aect/ ende nae fijner natueten.
woordts / fal/ ende moet ecnen pegelijcken
O Heere / Wanneer fat deſe vervaerlijcke brommen Cheiſten De timmeragie fijns Bez
grouwelijclie Dwalinge eenmael fijn eynde loofs aenleggen ende opbouwen / is t an-
hebben + Wanneer fullen Die gene Die nu|derg Dat fijn Werelt boor Bodt aengenaem
Cheiſtenen heeten / die rechte Cheriſtenen ende krachtigh wefen fal/ ende niet nae enz
zijn? Jae Wanneer fal die gebenedijde mant |gen goet -Duuciten ende voornemen / Want
onfeg Weeren Jeſu Chziſti / alg wijg / als Bode Die Almachtige Dader / die alle dingen
waerachtigh/ ende als perfett ín ſijn Heplige regeert daa? dat Woozt fijns krachts Hebz. 1.
Woozdt bekent ende ontfangen worden?
Sicht duchte waerlijck nimmermeer / dan al-
tijdts moet balfche Leere | ongeloove ende
dat goet-Dunclten bezre boen die onbedziegh⸗
lijche Leeringe Jeſu Chziſti ende fijner Apo⸗
fielen / van defe ellendige vleeſchelijcke Men⸗
ſchen ge-eect ende bemindt zijn. Nochtans
ſeggen wu u ín Chziſto Jeſun/ laet haer de
klepne onmondige kinderen doopen / fo lange
als fp willen / lact haet oock Dat felfde lee⸗
ren / foo lange ende foo ſterck als ſy Willen,
laet haet daer en boben met bevdzacpde
Scheiften / met alle Geleerde / ende met
fange gewoonten dapperlijck beweeren / foo
ig ’t nochtans al gelijckt pdel / onnut/ ende
tegens Godt : want het onmogelijck is / dat
Die wedergebaogte ín De onhoorigen / onder:
flandigen kinderen / met Godts woozdt im⸗
mermeet beweert oft beſchermt fal wozden
tot den eeuwigen dagen.
Hierom mijn liebe uptberkorene Bzoeders /
laet haer bepelijck tegen ong roepen / kette⸗
ren ende fchelden / laet haer allegeeren alle
Doctoren / geleerden / ende Lerrmaerde Man⸗
nen / die over beel hondert jacen geweeft zijn/
Die en Wil met geenen Leeringe ende geboden
dee mienfchen ge-eert zijn / Eſai. 29. 19.
Wat. 15.9. Marc.7.7. Col.22,22. Itr 29. 8.
Een bijfften leert ong die Heplige Paulus /
ſeggende: Bhp zijt Godts hinderen / om dat
abn gelooft hebt aen Chziſtum Jeſum /
want fo bele als ’evr uwer grdoopt zijn; Die
hebben Chriſtuum aengetogen/ Galat, 3.27.
—— * *
dijn liebe kinderen in Chriſto Jeſu / abu va:
weet immers wel / hoe dat alte q — ie eng
Werelt alle wegen met De uptwendige Werc- femper cum
ken ende Ceremonien doop hare Glide ende EELS
onvderftandige ongeloavighept tot nu toe ín ef.
haven herten gehoereert Gebben ende noch
hoereeren/aljp en fult nochtans alſo niet doen /
Maer gp fult bekennen ende verſtaen / dat Ipfe Juftitia
Die gerechtighent / Die boor Godt gele ende Deo grata,
altijdt gelden fal/ níet ín eenige Ceremonien he
ende Werclien / dan alleene ín een oprecht! ae tanram
‚Haoom ende vruchtbaer geloove is gelegen / conftit.
ende in anders geen dingh / ende dat op deſe
maniere, Want dat felfde geloove dat her-
komt upt Godts Wooꝛdt / en magh niet wefen
fonder fijn beuchten / anders dan in den genen
laetfe haet vertrooften met dat lange gebak | Die den Hepligen Geeft bedzoeven/ gelijck alg
Ubi regene. Det tijden / oolt ban Der W%poftelen tijdt af /|'tboben berklaert is / maer het berepdet hem
ratio non eft, want foo waer dat geen nieuw Geboozte en | alle wegen / tot allerlepe gerechtighepdt / het
ibi nec Ba- fg / Daer en maah ook geen vechter Doopſel geeft hem bepwilightijckh over in alle gez
ptiſmus eſt.
doo? Chꝛiſtus bevel ymmermeer bedient woz-| hoozfaembepdt / ende het volbrengt met
den / want dit Doopfe! is een water-badeder aller luft ende neerftighepdt / niet alleen
nieuwer geboorten) Citum 3, welcke niente ‘Den Doopfel / dan oock alle de Woorden
Fides refpicit
Geboozte niemandt en heeft / dan alleen diel ende Wercken / Die ong Godt die genadige in omne ver-
Geloobige / aelijcft alg wp dat te boren eenen
pegelijchen Hefer aengewefen ende geleert
hebben.
Daerormne fo vermane ick alle mijn liebe
Leſers ín den Heere / Dat fp doch niet en wil⸗
fen nach op die hooge Philoſophie der. geleer:
den / noch ap lang gebrunck der tijden / dan
dat fp alleene willen fien op Dat klate ende onz
beermengde Godts woordt / fa fallen fn met al
le waechepdt wel bevinden dao? defe plaetſe
aulí ende noch meer andere/dat Dat Chziſte⸗
Úijckte Doopſel niemant gegeben en meet wor⸗
den nae Cheiſtus bevel / dan alleene den gez
nen/ die nu upt genade dooz Godts woorden
Ped obapti- geloovigh ende wedergeboren zijn / Want fo
* lava- fange als dat Doopſel den kleynen onmondi⸗
geveratio- gen kinderen gegeven wordt / fo en ig ’t geen
nis non eft. Dater-badt der nieuwer Geboorten. Want
Die Nieuwe Geboorte Komt Upt Godts
Woozdt / alg ’t dickwils gefepdt is / welch
Dader dooz fijnen gebenedijden Sone in fij- bum Dei.
nen Pepligen Cuangelfa/ ín fo grooter klaer⸗
hendt geleert ende bebolen Geeft.
Daeromme fou is dat rechte waerachti⸗
ge Geloove die bolle Gerechtighept / Nom. 3.
ende s. jae fm is Die vechte baer-moeder / Die
alle €haiftelijche deughden dragen ende helen
moet / ende híer Dao? fo wozdt het in Godts
Wooꝛdt altemal den Geloove toegeſchreven /
als gerechtighepdt / Nom. 3. 23. ende 5. 1.
die benedictie/ Galat. 3.14. Die Salighept /
Marc. 16.15, ende dat eeuwige ſeven / Goan.
cap 3.08 36,en cap.17. ðs 4. en nict den wercz
ken : ende alg den wercken ban hem toez
gefchzeben wordt / fo gefchiet dat nochtang
niet om De wercken / dan het gefchiet om
dat Geloove / het welcke dat ong uptdringet
tot aldusdanige wercken / om dat fp Lan
Godt bebolen zijn. Daerom fa fuit ghn
weten / goede Hefer / foo Wanneer * die
ere⸗
des Chriftelijcken Doops. 421
Ceremonien fn Godts Waordt / belofte aen⸗ hebben fp tot haer genomen / om haer fake des ora adver-
gehangen wordt / gelijck als de Iſraelitiſche Kinder-dooptels daer mede te bekleeden , farios jufti-
OrFerijanden in De Wet / ende bat Doopſel | maer de voorgaende fententien / namelijck ; Ham anas
vide quam in den Cuangelio / faa cn gefchiet Dat miet Ghn zijt alle kmderen Godts / om dat ab arn *
cauftam Ce- omde Ceremonien / dan het geſchiet am Dat | gelaoft hebt in Chriſto Yefu,; vpt welcft Die vocant) &
rde Geloove / het welcke dat geljeogfamelijck | geheele ſake ende handel bolgen moet / gelijck aen —
— met liefde volbzengt niet alleen De geboden [wap boben beweſen hebben / dat en hebben 1D gm zotam.
Ceremonien / maer oock alle Dat gene dat
dat niet gefien/ ende ſoecken alfa gerechtighent
23 bevolen heeft / gelijck wp boven gefent | ende verdienſten Doo? Dat gewzochte Werclif
ebben.
ende níet Dooz den Geloobe aen Chziſtum
Hieromme íg’t dat die Heylige Paulus den
Jeſum.
Galaten alfa geleert herft / hoe dar tp Door| Daer en boven overmits fp ſelve met Chri⸗
haer Geloobe/ ende nier door haer Dooptel
ſto niet bekleet en zijn / noch aengetogen heb⸗
Godts kinderen gewozden en waren, ſeg⸗ ben / het zu active oft paſſive, ende fijne He⸗
gende: Ghp zijt alle Godts kinderen / on | melfehe Geeſtelijcke natuere / geeft ende fin
Dat ghy — hebt aen Cheiſtum Jeſum. niet geſmaeckt en hebben / om Dat ſy vleeſche⸗
Ende ten anderen / om Dat fp Godts lande:
L lijck weftut zijn / fo en berftaen fp over al oolt
ten waren Dogg denn Geloove / ſoo hebben |D qe-
niee / hae Beele fp don (clyzijven ende leeren / EI
hoorfaemhept bewefen haers Daders Woordt / wat Dat het bediedet ende wat Dat het ge 9
enge daero nume foe heeft Paulus alfea tot
ſept is / aen te trecken Chriſtiun Jeſum / ick
haer geſeyt / namelijck: alſoo veele als er ſegh nach eens/ het zu active oft paſſive.
uwer gedaopt zijn / hebben Chgttum aen | Op dat wp Dan alle wederfprceherg mogen Aaverts re-
getogen. Aldüs is die alderpgincipactfte fa: [voldoen met des Heeren Waordt / ende op ſpondendum
hie gelegen im Dat Geloove / ende miet in De oat wp ſelbe oock in deſe Woorden niet en * ——
Relcientes Werthen / Dan ulieden dit Godtſalige vancht ſtrunckielen noch Dwalen / ſoo wai ick alle mij⸗ ies
fidem & vir- Daer Geloobe / in den welcken die gantſchene Leſers ſtirren tor Den Hepligen Paulum /
turem ejus ſumma begrepen is / met fijne vechte Chri⸗
in operibue is | Die fal ons in aller klarrheydt wel leeven ende IEKE:
int om fielijcke beuchten cn ig bj Dele niet bekent /|onder-vichten Wie dat die gene ziju / Die Chri⸗ ERI IE
eollocant. daeromme fao ſoecken fp alle wegen haer ge- | fun acntrechen / ende wat veuchten Dat ſy
vechtighepde im de watwendige wercken / jae bewiſen / br welcken dat nren ’t weten ende el 27.
oaf in die ſeer onnutte wercken des ieufche: [bekennen maah dat fa Chriſtum aengetogen om. 6. 3.
lichen goetdunckenhendts / Die ban Gaat [hebben , daer hy alfoofent / naemelijck : F8
noch gehecten noch bevolen zijn / gelijck ats ’t dat Cheiſtus in uis/ foo is Dat lichaem
fy in dat Doopfel der onveritandiger kinde- [doodt om Het ſonden wille / maer des Geeſts
ren foo menigh hondert Jaren gedaen hebben wille 18 dat leben om He Gechtveerdighma—
eeft dat wp u boven Landen Duderg/ PDe- |ämige/ Rom. 8. ro. Morin. 6, 5. IN EL
ten / ende Doopers geſchzeven hebben /fafult| Goede Leeſer / al hoe behendighlijck dat IE
gp dat noch wel bekennen / hoe dat alle Die alle die Schzift -geleerde ende Hinder - door ik
gautfclhe Werelt door dat Doopfel der kleyner pers Weten tegen te ftvijden / onder een
onmondiger kinderen ín een valſch betrouwen | valfche gedaente deg Godtlijcken Woozdts /
gelentië/ van Godt verdzeemt ig / ende ne⸗ ſoo en magt al evenwel niemandt Dat bez oprigus agix
ben allen Eheiſtelhken handel vervaert ende nemen / ofte Die gene die Chziſtum aenger in iuis, qui
ook verblint is. togen hebben / ín Dien woont Chgiftus, oft pam insue-
nicauid an· Ende op dat haer valſeh voornemen magh iu Dien iS Chriftug. Cerwijlen Dan die“
oi fe heben een ſchoon / Hepligh ende Godtliſk rechte Doopelmgen gentrecken Chꝛriſtum
ciuntfaciunt fchijnfel / foo moet dat goede Godts woorde | Jeſum / foo iS Chziſtus Mm haer / ende is
EE alle gewelt Daer nae gebupget ende ge, Thziſtus m haer / foo is Dat lichaem doodt
* kroockit zijn / gelljckerwijs fp hier tel bewij⸗ den ſonden / ende Die geeft heeft dat leven in
fen ; ant fp met deſe felfde plaetſe Pauli ende die rechtveerdighmakinge / overmidts dan
noch meer verdzaepde ſchriften / dat arme ou⸗ Die facke aldus gelegen is / foo beroep ick
wetende en onver ftandige volck aldus veel ja: noch eemnael Defen felfden handel in allen
teu fo ſchandelijſien begekt ende bedzogen heb⸗ vedelijckte verſtandige Menſchen / ende bez
ben / teeven / hoe Dat die kleyne / onmondige / geere ban haer een onpartpdeltjelt oordeel / oft
ende onverftandige kinderen , Chriſtum in dit in Die vechegeloovige / dan of het ín Die
dat Doopſel aentrecken / openbaerlijck bewij- klepne onverftandige kinderen bevonden
fende met alſulcken leeringe gelijkt alg fp miet | Wozde 2 Seggen ſy dan / in den geloovi-
en weten wat dat díe nieuwe acboorte ig / Dat | gen, ſoo is'er vecht geoordeelt / Want Chei⸗
fa aol alfa niet en bekennen noch en beeftaen | ſtus Jeſus Woont in Die herten der geloovi⸗
wat dat het gefent is / oft wat dat het bediedet/, gen / Epbef. cap. 3. berg 17. Maer ſeg⸗
aen te treken Cheiſtum Jeſum. gen ſy / in den kleynen kinderen , fo vreage
Natucabere dijn alderlieffte Broeders / Dat is door: ick daer en tegen / Waer bp dat men Dat we⸗
pruram infa- Waer Den vechten natuerlijctten aett vanalle |ten oft bekennen magh / overmidtg Dat ín
vé adducere. Wietterpen / te weten / een gebzoocken fluclt te | Die ſelfde hinderen Den doot Der ſanden / ende
fceuven midden upt de Penlige Schziftuuce, [dat leven deg Geeſts niet bewefen noch be- Puangerice
ende Daer mede den voorgenomen handel te [bonden en wordt? Want fp alle D' een Met pabcaruen
berweeren/ niet eenmacl merckende wat daer ‘den anderen ban jonckg op / ſo lange alg ſy non domi-
Booz oft nae geſchzeven ſtaet / dooz welcke dat | Godts woordt niet en gelooven / al-hac-wel natur, ergo
men dat rechte veeftant grijpen ende vaten | dat fp gedoopt zijn / uiet alleene tat den quae: ——
magh / geljck fa ín nefe ſelfde plaetſe fo ke sd den genepatjt zijn / dan ook in allen gehoor⸗ cari —
jc ende laerlijek beweſen hebben. Wan⸗ ſaem / gelijck ong Dat dagelijckſche leben Im vivant, juxra
Defe feficentie / namelijck , to veele als’er uwer | alle Die gedoopte deſer Werelt oagen-fchijnlijc: eng
gedoopt zijn, hebben Chriítum aengetogen, ken klaer ende ale * —
903 aer⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
422
Daeromme cancludere ick neven deſe felfde |
plaetfe Pauli / ende ſegge alſoo: As’ dat die |
Kinder doopers volherdigh ende ſtantvaſtigh
blijven ín haer onſchriftelijck voornemen / ne⸗
ben deſe ſelfde ſake / namelijclt / als dat fn wils
len afficmeren / ende gelaaven / hoe dat
die kleyne onmondige kiaderen Chriftum
aentrecken in haer Doopfel , ſoo moeten fia
Ludibrie Dat wederom belijden) gedrongen daor Godts
Chriftan MDoogdt / dat Chriſtus Gefug ongeloovigh
afficiunt,qùt is / hooveerdigh / eergievigh/ nijdigh / pdel,
fe Ohra Deoncken/ Poerachtigh/ Oberfpeeligh | we:
eunt‚& oi- derſpannig / ongehoorſamig Godts Woort/Ec.
drf Waut foa Wie Dat Chriſtum Gefum acngez
peccatis 26 togen beeft / Die en leeft nu niet langer / maet
— Ehziftug Jeſus leeft ín hem / Gal, 3. 27.
Coson Wom. 6, 3. fofp dan Chrittam in haer Doop- |
1Pet.3.22, felaengetogen hebben, gelijclt fia feggen/ ende
Chꝛiſtus daerom in haet leben / ende fijn
werck in Haer drijven moet / nae Paulus
leere / fn nochtans alle wegen ín aldusdani:
ge vleeſchelijcke / Godtloſe wercken bevonden
wozden: fa volget daer unt met alie gewelt /
Dar fin Chriſtum Jeſum niet aengetogen eu
hebben / Want hr fifn Werelt in haer niet en
Drijft : Oft fn moeten canfenteren / dat
Chꝛiſtus Jeſus ín haer pdel ende onnut is /
oft dat deſe vooꝛberoerde berdoemelijke vzuch⸗
ten daor den aengetagen Chaiftwmn in haet
gebaert Worden. Neen Waerlpelt neen /
want Cheiſtus Jeſus en magh niet Wefen
fonder fijne vruchten / maer foo wie dat den
ootmoedigen,) lijdtſamen / barmhertigen / lief:
lijcken, bꝛeeedtſamigen / ſoberen / kunſſchen ende
gebhoozfamigen Cheiftum aengetogen heeft /
ín fodanigh een Worden Die voorgeroerde on:
nutte verdoemelijcke wercken miet bevonden :
want foo wie dat Chriſtum aengetogen heeft/ |
die is fijnen ſonden geftorven / Die leeft der gez
ui Chri-
t
virtutes
ipfius.
techtighept/ / Kom. 8. die Wordt gelept ban
den Hepligen Geeft / die is met Chzifto Jeſu
ban boven pt Godt den Dader geboren/ende
daerom fa leeft hy nae fijns Daders wille) ende
en mach níet ſondigen / om dat hp upt Godt
geboren is / 1 Goan. 3.9. 5.18,
Terwijlen dat nu alle die gene / díe ſonder
Geloobe gedoopt zijn / Dat tegen· deel untdruc⸗
ken ín haer gantfche leven / ende niet boog haer
en Dragen Die natuere /aert ende deughde Chei⸗
fii/ den welclten ſy in haer Doopſel aengetogen |
hebben / gelijck fp haer valfchelijck beroemen |
Dan ín allen voordragen de natuere) aert ende
ondeughde des vleeſchs ende Des wederpartij⸗
ders / namelijck / des Satans / fa blijckket inr
metg openbaerlijck ende klaer / hoe dat fn niet
Chꝛiſtum Lan den Wemel / maer den Dupbel
Univera upt der Dellen aengetogen hebben / Want díe
mundi opera leptſe / dreijftſe / ende Deingtfe nae ſijnen wille /
ex malo gelijckmen Hoo? oogen fien magh / ſoo doch alle
Kn: haer nwendiah gepepns / ende uptwendige
wercken Des bleefchs / ende des Satans epgen
aeugebooren natuerlijcte vzuchten zijn / die
over alle die Werelt van allen menfchen / ín al-
Yen ffaten / ampten / canditien ende fecten gez
handelt ende gebruuckt wozden.
Wiebe Leſers / gh beltent immers wel / hoe
vbi cuina Dat een vegelijſt Boom vooztbzengt fijn vzuch⸗
Kei hriftas ten nae fijnen engenen actt/ ende bi de vzucht
vite: Con-_ moetmen den Boom bekennen) gelijck Thei⸗
tra, ubi Dia- ſtiis fept/AlDact.7.18.12,33. Daeromme het
bolus , ibi * 5 fe
Fruêhug more Miet feplen en kan oft magh / dat fa waet Chri⸗
ſtus Jeſus is / daer zijn die gaede bauchten tot |
Se
—
— —
Menno Symons Verklaringe
den eeuwigen leven. Maer fo waer dat den
Dunbvel ig / daer zijn die quaede beuchten tot
den eeuwigen doot. Jae wie dat Chriſtum gez
ſum aengetogë heeft; dien en heeft die © up-
vel geen plaetfe. Eer contrarien wederom)
fo waer bac Die Dupbel is / daer heeft Chriſtus
Jeſus geen plaetfe / die eene moet den anderen
wijchen / Want het zijn twee fo ſeer contrarie Chritus &
ende verſchenden Dozften/dat het onmagelijck diaboius
is / dacfù tc famen in een heete moagen woo, fsLin uno
nen / ende Dat fp bende te famen ín ceng Men: cladi non.
ſchen confcientie ontfangen ende befioten mee poſſunt.
gen wozden / Mat.6.24. Col.2. 13. 3.7. Ep.2.2.
Hieromme fa vermane ick alle Godtvreeſen⸗
de Chriſtenen ín Den Heere / Dat ſp doch deſe
ſelfde woorden Pauli in hare heeten ſullen wel
herkauwen / eñde grijpenſe alſo met vechter
Goddelijcker waerbent / fo ſullen fn dat in alle
klaechept wel Gebfnden / hoe Dat Paulus defe
plactfe geleert heeft gelijckformigh den bevele
Chꝛiſti / Marc. 16.15, Want alleene Die recht⸗
geloobige in haer Doopfel aentrecken Chzri⸗
ſtum Zeſum / vptdzucken inde rechte vzuch⸗ Fideles in
ten / eude miet Die ſlenne onverftandige kin Baptiſmo
deren / gelicht Wp hier ende oolt in onfen cevz Critem
ſten. Schriften den vzomen ende den vechten
Godts-dienfligcn
bewefen hebben.
Alderliefſte Bzoeders m den Weere / laet
ghn den Kinderdoopers aldusdanige klare
Schriften tot haer engen verdoemeniſſe alſoo
ſchimpelijckt belachen / ende alſoo fubtitijctt
dzacpen ende Wenden als haer gelievet / fa fal
nochtans defe felfde plaetſe ceuwigh boor
haer ongebroken blijven / foo geheel ende fa
fracbtiat / Dat fp alle met den anderen haer
daer aen harte moeten ſtooten / Daer voor bee
beſchaenit ſtaen / ende met alte haer vercierde
gloſen wijchen ende te rugge gaen/als fn maer
vecht Willen inſien ende oordelen alsdan met
Godts Woozdt / wat dat het bediedet cnde
wat Dat het gefept is / nae Den fin ende mepnins
ge Pauli / jac Wat dat het mede dzaeght / aen te
trecken Chriſtum Jeſum / het zp dan ativè
oft paſſive, want alle Die gene Die nu met acti-
ve níet te bzeden en is / alhoewel Dat defe plaet⸗
fe dan Paulo active {8 gefipzolken / nae beemelz
Dinge Erafmici tran{larionis, Die legge daer bu
Dat paflive Dat tot Den Fomepnen ín ’t 13. €,
geſchzeven ſtaet / ſo ſalhn dat wel bebinden /
hae datter geen onderfchept en is als tuſſchen
Datactive oft paflive aengacnde Defe fache,
Maer Wat helpt het / als die Geleerde níet en
hebben / daer fp de waerhept mede mogen ber:
donckeren en verdupſteren / fo moetfe al eben⸗
wel doos breemde tangen/ door valſche untleg⸗
ginge/ door leugenen / ende doo? hooge philoſo⸗
phiſche redenen boog den ſimpelen en eenvou:
digen ban haer amgelteect ende verdraent zijn.
Och hee recht ende waerachtig ís ’t/dat Ehzi⸗
flus Jeſus ben Schrift - geleerden verweten
heeft /feggefide : Wee u ap Schzift-geleerde
ende Pharizeen bevennsde / mant ghn flupt dat
rück Ber Heinelen boor den Menſchen / ſelve en
wilt ghn Baer níet ingaen / ghu en wilt ools
niet toelaten den genen Die Daer willen ingaen /
Matth. 23. 12, ,
Een feften leect ong Die heplige Paulus / ſeg⸗
gende : Wy zijn alle door eenen Geeft in een
Lichaem gedoopt) wu zijn Goden oft Hepde⸗
nen / knechten oft vrije / ende op zijn alie met
genen Geeft gelaeft! 1 Cor. 12. 13, n
hier
induunt, &
exprimunt
genaegbfaem getupght ende in frutibus.
des Chriftelijken Doops.
egenera-
tioncm.
Woost / doos fijnen Hepligen Geeft. Pet is
Fruftrado boozwaer untwendigh ende letterlijk al ze ver⸗
cerurex-_ geefs geſcheeven / gelefen/ geroepen / en geleert/
ceat Spiritus
Sanétus.
39
*2
geleerde / gelent ende gedzongen worden /
|&al. 5.18, Nom. 8, 14. AEL ſeght qu die
kleyne kinderen / fag zage ick u daer en te
gen / waer dat dan haet geeftelijclte vruchten
zijn? Sa doch ín den Kinderen met en blijket /
dan alleen havens hintſchen handel / gelijkt Wp prepofteri
boven gefept hebben. Al evenwel moeten Ip frans
gedoopt worden ende Chziftenen menthe ——
ſonder leere /ſonder geloof ſonder bevel /
—* wacr upt dat volget / dat nu in alle Die gez
Ick weet het. Wet
lepe kinderen {piritum vicalem hebben / Dat
is /
ie Godt m Adam / ende in alle vleeſch heeft Al.17.as.
— — bber
wast Dac Ia im haer was / foo ſoude hp ook
| in fijnen vruchten
(den / foa tet doch
vruchten wefen cn kan ofte mag}.
ATaet de Iinderdoopers hier teqen allen
Alle die gene dan / Die Dat alderheplighſte ſoo geleert / ende foo hoogh beroemt alg fp Domini
vide qui Guangelium Jeſu Chaifti hooren / cude Met | zijn / foo en fal’tnochtang in der eeuwigtent (emperor
fint, qui Der herten gelooven / en alſoo inwendig Dooz \nfmmermeer bevonden noch beweert worden ,
—— den Pepligen Geeft verweckt getogen en bez | met den Woozde Godts, als dat Die hepli⸗
cope poert worden / fp zijn Dan van wat Hatien / ge Godts geeft altijdt pdel / onnut / ende fonz
tongen en namen Dat fp zijn / het zijn Driefen | der fiju veuchten weten magt. Felt weet wel/
of Pollanders! Duptſchen oft Walen / Jo⸗ | dat pmandt wel ballen ende ſtrupckelen kan /
det of Hepdenen / l2aunen of Prouwen / die alhoewel Dat hp den Geeft Godts heeft! ace
worden alle met den anderen door defen heroe⸗ lijck als Die hooghmoet / oberſpei / ende doot⸗
renden Geeft te ſamen in een heplig geeſtelijcli ſlagh David / die bevcynſtheyt Petri / de twiſt
Tichaem gedoopt / van elite Chriſtus Je⸗Pauli cn Barnabe / %c. maer het en ſal in
fus dat Hooft ís /
Eph.r.ar. Col. cap. r. berg 18. En aldus heeft Paulus
deſe plaetfe geleert / gelijchfonnigh 't bevel
Chꝛiſti / Mar. 16, 15.
Myu liene Aeefer /
ne gedoopt filler worden / Die verwekt wor⸗
den door den georve/ ende gedrongen Woz:
Den door den Hepligen Geeft/ gelijk Paulus
eert / foo Wil ich wederom dat oordeel ſetten
fn uwen nadenckten / Wie dat Die geene zijn /
Die ban deſen Geeft gedrongen ende gelept
wozden / oft Die gelaovigen/ of Die onweren
De kinderen * Seqt gy / die geloovigen, foo
ebt gu wel geantwoo2t : Want die geloovi⸗
gen/ die ſterven haven vleeſche ende bloedt /
Yuften ende begeerten / Gal. 5.4. Die trecken
ut den ouden menſche / met alle fijn Werken /
Col. 3.5. Epheſ. 4.23. Diefoeken fo Chri⸗
ſtum Jeſum in puerder vepuder herten: die
baren de Lícffelijke vochten des Geeſts Dat
daer in haer ig: Ja fnbewijfen/ dat inwen⸗
digh en uptwendigh / im haer gantfche wan⸗
Del cu levert / Dat fn door deſen Hepligen Geeft
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
dan fp
preefen Godts / dat die eenige ſchandelijcke
booslgept ende overtredinge lange fulten mo⸗
gen aenkleven ende Dienen.
gedoopte kinderen den heyligen A nities,
ijck Die Kinderdoopers affiemeren / foa MOE spiritus et
ten fp immers dat bekennen en toeftaen/dat t invalidus.
nochtans cenen dooden / onvzuchtbaren ) ende
krachteloofen geeft iS/ die noch gelove noch
liefde / noch Gods vreeſe mach gehoosfaemtjent/
noch eenigeEuangelifcheBaddelijke gevechtige
heit in de felfde kinderen. dzagen en baren kan.
Om dat fp Dan upt goetdunkenthent Dat
Doopfel tegen alte ſchriftelijlie waerhent / door
epgen gerechtigheydt op den klepnen onver⸗
ſtandigen hinderen geleert ende gedzongen
hebben / fo ſoecken ſp Dat ſubntelijken te bekle⸗
den
E
424 Menno Symons Verklaringe
Ben / ende te beecieren met een berdzaepde, u dat bittere ineetende kalckſpeeckſel der bal⸗
gedaente des Goddelijkken woorts / op Dat die ſcher leeringe ende lange gebaeckg foa feet
hoerachtige taoverfche Wijn in Dat Gouden overvloedigh inde oagen uwer Eoufcientien
Schenclivat deg Babplomfehen Wijfs/ Apoc. níet gefpogenen ware / fa ſoudt op Hummers |
Cap. 6. berg : 7. alg eenen goeden ende luſti⸗ wel lichtelijk bekennen / hee bat defe felfde
gen dzanck met grooter begeerlijkhept magh geoote Gemepute alle met den anderen in ha:
| op gedzancken wozden / feggende / datmen re jonge Dagen Door dat ampt eens onten-
—— den kleynen onmondigen kinderen daeromme nen ende Antichziſtiſchen Geeft / niet in Dat
icin Eee: Doopen ſal, namelijk / om op te voeden in | tepne / kunſche / Godts-dienftige ende onbe⸗
rumferip- Gods Woort ende in zijn geboden , dat fy ge- ſtraffelijcke lichaem Jeſu Chziſti / dan veel
— indu- waſſchen worden van haren erffeliken ſonden, meer indat hoerachtige / Afgodiſche en ober
sit acultere, Jep fy begraven worden in den doot Chrifti, | al beſtraffelijcke lichaem Antichziſti ingevoegt
dat fy wedergeboren worden, ende aentrec-| Ende gedoopt zijn.
ken Chriftum Jefam. fa dat ſp Doop Dat ſelf· Want waer’ fake Dat fp ín Dat alderheplig:
de Doopfel worden ingeplant in dat lichaem fie lichaem Jeſu Cheriſti veuchtbaerlijck inge⸗
Chrifti Jefu , ende worden alfoo deelachtigh | doopt water / melijk fp haet dat foo ſtoute⸗
den Heyligen Geeft, &c. Wet welfie aldus E lijkt beroemen / foo moeften fp immers dat ín Membra
leecen/ boorwaer ander g niet eu ig/ dan opent- | 'E Weeck bewijfen / Dat fp aarbaetlijke) diene Cra”
lijcke berlepdinge / teugenen verdzacpinge | flelijke / ende bzuchtbaerlijke lidtmaten War — ſunt
Fraêus … der Schzifcuucen) ende Sathans bedzoghe: ten In Dat ſelfde ak in den ales n dat fructifera. |
hujus mundi 1Oant ober al ín alle gedoopte defer Werelt ſo fp gedoopt zijn. Want wp fien beo? onfen
omnine con- geheel contrarie neben alle hare vruchten / al, Bogen —— geen —* aen as — |
vaan Dem werdt) gelei alseen pegels vecht versl Det i6 oa Mietenne fin. neerlden oid
4 en woedt / gelijck algeen pe echt ver⸗ —8 CER CELLE B 7
flandiat Ehuiften felbe met fijn eygen oogen — reede 8 — deſten wi ges
efien magh. Î t Lj ampt ende graedt /
Preficua (unt
Alderliefſte Bzoederen in Den Heere/ en
wilt doch in der eeuwighent nimmermeer al-
dusdanige ſchandelijcke ende grouwelijcke
leugenen plaetſe geven in uwer herten / maer
doorfoecht ghy alle dingen recht niet anders
Dan met Godts Woozdt/ op dat gp alle
Daer het ingeboegt ende toegefchicht (8 / corpori,
maer hoe pzofptelijck ende dienſtbaer dat
defe bourberoerde Den gedoapten lichaem
Jeſu Ehzifit zijn / Dat Woet bp den rech⸗
ten Beeft- geleerden Wel gefien ende gez
merkt.
Alienis or=
namentis
ornantur
infantes
quoties
præſcriptæ
virtutes,quæ
ſolummodo
fdelium
funt, adfcri-
buntur eis.
ER
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Euangelifche waerhepdt m den gronde vecht | Lier unt volgt immers nu als onweder ſpre⸗
— — / dane dit ffe Doopfel | kelijk. Is't dat fp Dat lichaem Chꝛriſti zijn /
ber Klepner onmondiger / onverftandiger | gelijck ſy haer beroemen / ende Chziſtus ís
kfnderen met aldusdanige heerlijke Schriften | Een Hooft fijns Lichaems oft fijner Gemenn⸗
ende hooge deughden te vercieren / het welke ten / dat Chziſtus Jeſus een Hooft ig Der on: Chriſtus
alleene behoort dat Doopfel der geloovigen / | geloobigen / Der gierigen / det mepn-eedigen/ capur et
ende niet der anmondiger kinderen / gelijck der Dobbelaren / Dee ſpeelderen / Det Daans apar ile.
top basen bewefen hebben / ís al eveneeng kaerden / der Hoerejageren / der oberfpeeldes „um ct, qui
alfoo foamelijkk gedaen / alg een Ape met ven / der Sodomiíten / der Dieben / der —5 —
zijden oft purpuren ſtucken te vercieren ‘ofte Joodenaren / der Leugenaren / der Afgo⸗ —*
te bekleeden / gelijk Dat gemeyne — ben-Dienaren / der ongehoorſamigen / Der sans.
Der geleecden in hem ſelben befloten heeft / al⸗ bloetgierigen / Det vezraderen / Der tneannen/
Dus lundende: Simia ſemper manet ſimia, dee hooghmoedigen / ja alderlep ſchaleken /
etiamfi induatur purpura, Dat is alfo bele gez hoeven ende boeven. Want wie is er doeh onz
fept : een Ape blijft eon Ape / al ig t Dat fp met der Die geheele Bemepnte/ Die Daer ín haren
Purper woet aengedaen oft bekleet. Alſoo fal kintfehen Dagen gedoopt zijn / Die oprecht enz
dou dat Doopfel der Klepner onmondig-t ende de onftcaffelijken wandelt in alle die Gebo⸗
onberftanbiger kiuderen al evenwel eenen af- den onfes lieven Heeren Jeſu Cheiſti / en Die
geijfelijken ſtanck ende grouwel voor Bode | Miet m cenige oft ín bele voorgeroerde fluclten/
blijden / al hoe heerljcken dat het ban den ge: oft noel) ín meer andere / inwendigh oft IE ormus
leerden met gebroken ſchziften opgepzonkt en wendiah fchuldigh voo? Godt bebonden en che onge
verciert tort) Want cen klepn onmoudig on- | Wort? Och neen/ goede Hefer, neen / Dat diftar a cor-
beeftandiah kit / foo lange alst een hint (g / alderheylighſte en glorieuſte lirhaem Feliu OR
fal twel onwetende) ſimpel / kindiſch en flegt Chꝛeiſti is foo wonderlijken bezre van aldusdar ‚5 * PC
gefint blijven / alwas’t dat het noch hondert- Niger Wzeden / Godtloofen/ wederſpanni⸗
mael gedoopt werde) en Dat felfde met ſesmael gen / ongehoorſamigen / bleefthelijken/ blacs
ndeet verdraepde ſcheiften noch fubrijker digen / ende Afgodifchen Lichaem verſchen⸗
ende ſchalier beweert Weede / foo het blijcht Den.
boor die oogen aller vips Dat bp | Hierom mijn alderliefſte Gzoederen/ ober⸗
Den felfden kinderen/ noch leete) noch ge: mis dat fn aldusdanige openbare overtreders/
loove / noch Geeft / nach. bauchten/ noch Bodsberachters/ ende moctwillige fondaz
Gods Gevel bebanden Worden / daerom aak; cen zijn / faa oogdeelt nu recht in uiver engenz
geen uptwendig Doopſeltot den eenwigen da; Der herten upt defe ende noch meer. ander vez
gen/ is 't anders dat wi gelaoben dat, denen ber Schrziftuuren / Wat lichaem dat fp
Godts Wooet waerachtigh f8/ ende waer⸗ | zijn / dooz wiens leere / Bebel (ende gebrun /
achtiah blijven fal/ gelijck als Wa dat boven | ja doa? wat Geeft dat fp in Dit feer afgrijfelijck
ín onfe eeefie Schriften van dat Doopfel/ende |lichaem ingeboegt ende gedoopt zijn /
gok ín deſe tegenwoagdige feet. overbloedigh | ende noch alfe Dagen gedoopt worden / ja
ende rijckelijk beweſen hebben. in faodanigen lichacm / dat noch Enanger
Och gu goede Weefer / hoor waer Waer’t dat | litche feeve / noch geloof / noch dn
Doop:
— ——
Vide wiſe· Doopfel/ noch Chꝛiſtelijck Avontmael / noch
ziamcorru- Chꝛiſtelijck leben heeft. Daeromme ook
pr Beele noch Godt / noch gebedt / noch belofte / noch
corporis Eeuwige leben tot den eeuwigen dagen / dan
Antichriti, oper al balfcheteere / valſche Seloove / valſche
Sacramenten / valſche belaften/ ongoddelijche
leben / ende Den eeuwigen doodt. @ Heere)
wilt doch alle uwe liebe kinderen ban dit
grouwelijck bloedige lichaem behoeden ende
Ceres. FBaccindatalb heplighſte Lichaem ef
hrifti Maer in dat alderhenlighfte Wichacm Jeſu
— Chꝛiſti is een vecht ende ozdenciijch weſen /
nae vermeldinge Des Woorots Godts / als
te weten / rechte Heere / vecht Geloof / vecht
Daapfel / vecht Avontmael / rechte Liefde /
recht teven / vechten Godts-dienst) vechten
Ban / Ec. Daerom aolt grnade / gunſt / barm⸗
hertighent / quytſcheldinge der ſonden / gebedt /
Godts belofte / ende Dat ecuwige leven.
Diet mijn Broeders / Daer Defe zijn ) dat is
dat rechte lichaem Jeſu Chriſti / van welche
Chꝛiſtus Jeſus dat hooft is / Epheſ. 18. Dat
zijn die rechte Broeders Jeſu Chꝛiſti / die met
hem van boven upt Godt den Dader gebaar
ven zijn / Joan. r Hebr 2. Die Geeftelijche
Bezgh Spon / die in der ecuwigherdt nim⸗
des Chriftelijken Doops. 415
nae lupdt ban Chriſtus Bebel / Marc. 16, 15.
want Die zijn wedergebaren upt Godts woort/
‚pet. 13. Die begraven hare ſonden / ende vez⸗
| ryſen met Chziſto in een nieuwe leven / Nom.
cap.6. Os 5. &ol.2.1s. Die hebben een gore
de Conſcientie / Pett.3.21, Dic ontfangen
guijtſcheldinge haerder fenden / Actor, ì, 38,
Die trecken aen Chriſtum Jeſuim / Gal. 3.28.
Die wozden rechte ſdtmaten in dat alderhen⸗
lighſte ehaem Jeſu Chriſti / die vzuchtbaer /
nut / ende dienſtbaer zjn nae alle haer vermo⸗
‚get, ber alousdanige zijn die lieffelijcke ocuti don i-
oaogen Des Meeren / Die Wemelfche benedietie, ni ſaper ju-
ende Dar barmhertige gemoet / toeficn ende Les-
ſorge des eeuwigen Daders, om Dac fn haer fel:
ber Ban gebeeider heeten ende Van geheeldee
ſumen migetreden zijn / ende hebben hacer
fo gehoozſamelijß begeven ín Den wille Goars;
om te leven Hae Den Wille des geeng / dieſe
unt genade geroepen heeft / dat is Chriſtus
Jehu.
|_ Cerwijlen De kleyne onverftandige kinde⸗
| ten aldus met gefint en zijn ‘lieve Leſer / ende
bas Geplige Godts Geeſt fijn werck in haer
mee en beeft, Daft / noch en bewijſt / ende fn
‚ACH Miet CU mogen Dienen in dat Lichaem Nemo bapti-
Matt.28.19. Mevmeer beweeght fal wozden. Dat Gees) Chaufù foo ats dat behoordt nae bermeldinge Andus, ni
Marc. 16.15
spergp ſtellſcke ups Ifeaël/ vat door Chriſtum Je⸗ Des woordts Boots / gelije als wel blijcht um iePuliu (bie
AG, 3. 13. ſum onfen eenigen loninck nae den Geeft) |
en 9.610,38. Met Dat ongebroken Dcepter fijns Goddelijc-
10.30.8. 33. ken woordts in greater wijshent geregeert |
wordt. Dat Geeſtelijcke Jeruſalem / in den
welcken die groote Roninck Chriſtus Jeſus
gebenedijt Den Heerlijcken Honmeklijchen :
ftoel fijnec eeven gefer heeft. Den Beefte-
lijcken Tempel des Heeren / in den Welciten
fijnen hepligen Naem Lan gantſcher herten |
Vide hic ti. gepzeſen / ende geoffert ordt. Die Beefte- |
pos aliquos lijcke Arcke Des verbonts met fijnen Wemel:
Kostefiam ſchen Broode / blaenende roede ende ftcenen
pra fe feren- Tafelen / over den welcken die Genaden · ſtoel
Ees „quz qui- Chꝛiſtus Jeſus gebenedijt onder de twee uptz |
een or Dliegende Therubinen fijnder Teftamenten/
Aich. nae ſijnder beloften bevonden wordt / jae die
Col. 1. lieve Bzupt Jeſu Cheiſti / vleeſch ban fijnen
Eebel 1 PVleeſche / been van fijnen beenen / Epijef.5.30,
Den welcken hp fm fijn flaep-kkamer gelept
heeft / ende heeftfe gekruft met den mont fijns
Vide oe fant eeuwigen vzeedes / Cant.r, Daerom fe en
* magh niemant een paofijtelijche Ridtmaet we⸗
fen in dit alderhenlighſte / glorieuſte ende fups
verlijckſte Lichaem Chzeiſti / die niet geloovigh/
wedergeboren / amgelſiteert / verandert ende
vernieuwet is / lieffelijclt / milde/ goedertieven;
gehoorſaem / barmhertigh / kuyſch / ſober / aat:
moedigh / lijdtſamigh / lanckſimugh / vredigh /
Chritus buſtraffelijck, rechtveerdigh / bolſtandigh in
princeps Chꝛiſto Jeſu / jac met Chriſto Jeſu oprecht /
perverforum Hemels / ende Geeftlijck geſinnet want het is
non eſt. ommnogelijck / nac lupt aller fclziftuucen / dat
Chriſtus Jeſus een Wooft oft Doeft weren
wil / oft wefen magh / van de gene / die hem niet
gelijckformigh en zijn/ dat zijn Die gene / die
hem níet van gantſchen herten en ſoecken / hoo⸗
ten / gelooven ende dienen / dan veel meer ver⸗
treden / laſteren / ende upt den wegen ſtooten.
Maer Die gene / die Godts woozdt hooren
ende gelooven / die worden doo? den Hepligen
Geeft / Die haer geleect/ getogen ende veelicht
heeft/ op haer engen Geloove in Dat lieffelijckte
lichaem Jeſu Cheiſti mgedoopt/1Coz,12,1,3.
alle klaerhept boog Die oogen Der vechtberftan: ris zon ob-
Orgen / daeroimne fog en moetmen haet geen: fantibus fax
ſins met Dat water doopen / Want fonder drzin⸗ temur pue-
gende Godts eeft! niemant en behoort gez 5, 1e jn
doopt te Worden ( gelijck Wp Den zomen domo, & in
Godts kinderen met heele redenen unt Godts Eeclefia Dei,
Woozot klaer ende wel bewefen hebben. ark ple
Hieronune fo concludere íclt met goeden End: —
klaren beſchende neven deſe felfde fate des pᷣromiſſio⸗
Doopſels in Den water / ſeggende alfoa ; per Lem gratis
mits Dat Chriſtus Jeſus die optechte ende verramen
Warrachtige leere / uptgefonden ban Den Da- neque verbe
der / Joan. 3. 34. ons geboden heeft den Ge⸗ ocerineque
laobigen te Daopen, Rare. 16,15. Ende de „5 dmo
leve beplige Apoſtelen in die boven geallegeer⸗ poffunt. je
de Dchaiften die effectie des Doopſels in Dier Ergo quando
manieren gedrongen hebben/ alg dat fp nie Sriptura lo-
mant toe en behoort / noch toebehooren en Âde de *
madgh / dan alleen den Geloobigen / ende Dat ficatione , &
‚ Ooopfel der onmondiger kinderen faodanigen d ——
Voopfel niet en is / want fn dat Geloobe ende se oaeen
fijne vauchten niet en hebben/ gelijckmen boog corporis.
oogen fien magt / welcite Beloove met fijnen Chriti » lo-
vzuchten Die rechte natuerlijke effectie ende bez iter de bis
Diedeniie Des * qui auribus
iedeniſſe des Boopſels is. Daerom is t dat audiunt ,
Wp ten anderen mael nootelijcken gedrongen corde inielli-
worden met des Heeren Woost / door den Ge: gon & hus
loode ende door Die Liefde Godts / dit Chei⸗ prent. com⸗
ſtelijche Doopſel Der Geloobigen faa neerfiez
lijck te leeren / te ontfangen/ ende voor Weeren
ende Doaften/ ook voor die gantfche wijde we⸗
velt als getupgen JeſuChziſti bepde ín leven en
doot / tot Des Heeren prijg fa diere te beweeren.
Ten derden, hoe dat die heylige
Apoſtelen dat Doopſel in den water ge-
bruyckt hebben.
Te derden / ende ten Taetften / foa woz:
den wp beroogfaccht / dit Chysiftelijckt
Doopſel der Geloovigen aldus hooge ende die⸗Natt. 28. 15.
te / namelijck / alg met onſen bloede te bewees
ven / daoz deſe oazfalie / te weten / om dat die
2 hh heplige
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
426
heplige Godts Apoſtelen niemant gedoopt en
hebben dan alleen Die gene Die t begeerden)
gelijcht Chriſtus haer dat fo uptdzuckelijek be-
Aftor.r. bolen hadde met klaten wooden / feggende :
Uus Ape- Pzedickt dat Euangelium allen Creatueren /
folorum re- vie Dat gelaoft ende gedoopt wort / fal faligh
cepto ari, Worden / Marc. 16. Dit felfde bevel heb⸗
i ben die Apoftelen opgenomen upt des Deez
cen Mont / ende hebben dat heplige Euan⸗
gelium / die blijde bootfchap der genaden In
grooter kracht uptgeroepen in alle de Werelt/
mom. ro. ende gepzedickt alte Menſchelijcke
creatuere / dat daer onder den Wemel was /
Ápöftoli ba- Coloff. 1. Alle die gene die Dat felfde Euan⸗
prifiveruat gelium Door den Geloove aengenomen hebben,
Fuangelio, Die hebbenfe gedoopt / ende niemant anders,
gelijck als hee in De wercken der Apoftelen
ín menigerlep plaetfe klaerlijck bewefen/ ende
gemercht wordt / unt welcke ick den Leſer
ſommige plaetſen voorftellen ende leeren wil /
Doo? welcke Dat hp alle die andere wel lichte:
lijck baten ende berftaen maah.
Wanneer dat Philippug door den Engel
Des Weeren / bp den wagen Eunuchii, Die upt
det ooren lant geſtiert wasg/ende dat Euan⸗
gelium ban Chꝛriſto Jeſu ut Efata den Pzo⸗
pheet geleert hadde / zijn fp gekomen bp den
water. Doen fepde Eunuchus: Diet hier is
water/ wat belet mp / dat ick mp níet en foude
latendoopent Philippus antwoogde / ende
fpzaclt : Is ’t Dat ghu gelooft upt geheelder
heeten / ſoo maghꝰt welzijn. Wederomime
antwoopde Eunuchus : Ichk geloove dat Chꝛi⸗
ſtus Jeſus Godts Sone is / Actor.8. 36,
Mijn uptverltoren lieve Broeders / al waer
* dat Die gantfche wijde Werelt bol geleerde
Oratoren ende hoogt - gedachte Doctoren
tware / ende Die felfde ín alle kloechfinnige ſub⸗
tielhept ende Menſchelijcke Philoſophie tot
den ſterren toe Herleven / fo fal ons nochtans
doo die genade Godts / dit woordt dooz haer
nimmermeer ontweldigt noch benomen Woz
den/ namelijck dit / ſoo waer Dat geen Geloove
en is / datter oolt nae Godts oꝛdinantie geen
Doopfel gegeven en moet worden / oft: Wp
moeten ten eerſten feggen/ Dat Chriſtus Je⸗
ſus quaelijcken bevolen heeft : ten anderen /
Dat die heplige Wpoftelen quaelijcken geleert
hebben : ten derden, dat die heplige Philippus
hier qualijcken gebzacght heeft: ten bierden)
oft dat defe felfde Eunuchus bpfonder boven al⸗
fen Menſchen ín fijn faelte bef waert ig. Jeen
goede Leeſer / neen / dan gelijck Petrus ende
Paulug / met alle vrome getupgen Chꝛiſti alle
Wegen haer opfien op dat bevel des Weeren
Jeſu Chꝛriſti gehadt hebben / ende en hebben
daer en bunten / oft daer en tegens níet geleert
…_ „ nach gehandelt. Alſo heeft oock gedaen San -
Confefho fi- Sus Philippus, die getrouwe knecht oft Die:
dei require niger Godts / die met gelijcken Geeft geleect
Baptiimum. ende gepgedickkt heeft / die en heeft níet willen
doopen / tat dat díe feet heerlijcke ende gewel
A&. 8.36. dige Man fijn Geloove upt dert gront fijner
herten te voren wel beleden hadde / want het
hem alfo bart Cheiſto Jeſu fijnen oprechten
Weefter onfen Derloffec ende Salighmaker
geheeten ende bevolen was / Matth. 28. 19.
Marc.16.15.
Cerwijlen dat die Beplíge Apoftelen dit al⸗
dus hoor eenn gebrunck gehadt hebben / alg dat
Die Doopelingen haer Geloove moeften bez
es
lijden boor dat Doepfel/ ſoo bzage ick u
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Menno Symons Verklaringe
lieve Leſer hee datmen dat Geloove Det
klepnet onmondiger kinderen boa, dat Doop⸗
fet van haer epyſſchen / ende wie dat Loor haet
belijden fal t Wilt gp um wijfen tot den
Gebaderen oft Petch / fo ſeggeick Wederom :
Dat die Bevaderen eerftmael door Higinium
Papam geconftituert zijn / gelijck wp boven
aengetwefen hebben. _Cerwijlen fp daoz Hi-
ginium opgekomen zijn / ende dat Doopfel
Der kinderen Gan der Apoſtelen tijt af geduurt
heeft/ gelijcht Origenes ende Auguftinus ſchꝛij⸗
ben / ende ick oolt dies wel gelaobe / om dat
die gere Die Chꝛiſtum niet vecht bekenden /
alle Wegen gerechtighendt in de gezochte
Ceremonien gefaght hebben / al-hoc-wel Dat
het geen Goddelijk bevel / noch Apoſtoliſch
gebzupck en was / gelijckt men hefonder unt
de Deplige Schzift ende Daer nae oock upt
Tertulliano, Ruffino , ende nochh meer an⸗
dere opentlijck bewijfen magh / foo en Weet
ick voorwaer niet / Wíe Dat doo? dat Geloo⸗
ve Der onmondiger kinderen geantwaogt ende
geftaen heeft in haer Doopſel / welche kin:
Deren Die tuſſchen Den tijde der Apoſtelen
ende Higinium Papam gedoopt zijn qewozs
den/ overmidts Dat die Gevaderen ofte Pez
ten eevftmael. dooz deſen felfden Higinium ; …—
Die den negenden oft —— was /
opgeworpen ende geſet zijn. nde Die kin⸗
deren die Voog hem waren / felbe noch leere /
noch gehoor / nach fpzacchie / noch verſtant
gelhadt Gebben / even gelijck alg die -tez
genwoosdige kinderen onfer dagen noch
hebben / gelijck fp ín haren beuchten wel bez
wijfen.
Merclit doch eenmael goede Hefer / Dat quicquid ce-
het al te famen alle wat ſy met Ben kinderen remoniarum
handelen / alg Catechifmug/ Gevaderen / selebrant.
Doopfel / Crifma/ ende Diergelijcke Dingen. novi Teka-
meer / niet en ig dan opentlijcke hupchelije / menti „mi-
Wenfchelijke gerechtighent / Afgoderye / epgen rem tudt-
goetdunckenhept / onnutte fantafien ende named.
vooznemen.
Overmits nu dat Chꝛiſtus Jeſus niet meet
Dan een Doopfel bevolen heeft / namelijck /
Dat Doopſel op den Geloove / ende die Apo⸗ ps. 4: s.
ftelen Daer alfa op gedrongen hebben/ ende
oolk niet anders gebzuyckt / ſo moeten Die
Kinder · doopers immers dat beltennen ende
confentecen / gedzangen doo? Godts WDoordt/
hae dat het Daopfel der onmondiger ende on?
verſtandiger hinderen / niet UPE den bevel
Chꝛiſti / niet vat Die leeringe / ende upt Dat gez goari-
bzupck der Pepliger Apoftelen / maer unt Die nam Anti-
leeringe Antichziſti / ende upt dat gebzuyek ſij⸗ ehriſti ir⸗
ner Pzedicanten gekomen ende geſproten is. eben
cls fegge noch eeng / dat díe heplige Apo⸗ “LT
ſtelen niemant en hebben gedoopt / dan allee⸗
nede genen die't begeerden / oft Die dat alz
derheplighſte Geloobe / oft metten mont / oft
metten wercken beleden en beweſen hebben/
gelijcht de Peplige Petrus gedaen heeft / Want
al-hae-wel dat hp te boven al genoeghſaem
doo? een Pemelfche viſioen onder-recht was /
dat hu wel tat den Htndenen moghte in⸗
gaen om haer Dat Euangelium te leecen /
ſoo en heeft hp nochtans al evenwel den vro⸗
men / Goelen / ende Godt-osuchtigen Cen:
doopen / foo lange alg hu niet en ſagh / dat die
Heplige Geeft op haer gedaelt was —* ton⸗
aen ſpraecken / ende Godt graat maeckten.
| Waer
turionem met fijnen Confoorten niet willen
ne —
des Chriftelijken Doops. 42
Maer Doen Petrus voorꝛ oogen ſagh / dat ſy niet en hebben / ende daeromme oock noch
recht geloobigh Waren / ende dat die Godde⸗ Bader / noch Chriſtum / noch Hepligen
lijke kracht alſoo op haer gedaelt was / ſpꝛack Geeſt / nach waerhept / nach leugen / noch
ha : magh't ookt pemant keeren / dat deſe gevechtighept/ noch ſonde / noch goet / noch
met Water niet en ſouden gedeopt worden / quaet / nochrecht / noch flincks bekennen /
die ban Den Heyligen Geeft ontfangen hebben noch beltennen mogen / of daerom dít Rinder·
gelijck als wp? Ende hp geboot daten, Doopfel niet lichtelijcit befkent en Word / hoe
fe fûude Daopen (n den aem des Weeren / Dat fp onnut/ pdelende anvruchtbaer is/ en Nihil _
, bupten Godts odinantie gegeven en ontfan⸗ Enibus- 3
iet goede Hefer / hiet wordt ap genoegh gen worde. Ende alg top Dat dan belkzennen
Actor. ro, 47,
faem geleert / hoe dat Petrus alleene gebo⸗ doa? den geloove npt Gods Woost / of het dan
Baptifaban. den heeft te doopen den genen/ Die Den hep: niet noodigh en is gedoopt te wozden met dat
turà Petro, Ïigen Geeft ontfangen hadden / met tongen Doopſel Jeſu Cheiſti, gelijck dat Chiiſtus
qu: fpiritum ſpꝛalten ende Godt groot maechten / bet | bebolen heeft / en gelijk Paulug im defe Diſci⸗
acceperant. \melclte alleene toebehoort den geloobigen / en pulen gebtupekt heeft: Ak fegge voorwaer /
niet den onmondigen Linderen. Aldus ís en Doen Wp dat niet / foo en is in ong na upt⸗
pee Petrus gebzuyckt geweeft va den heel Chri⸗ wijſinge ban alle Godlijke Schriften / noch
ceperunt, ſti/ Marc. 16.15. Daerom Petrus ook ban gelove, noch nieuwe geboorte / noch gehoor⸗
neque Chri- Den kleynen onmondigen Kinderen geen bevel ſaemhepyt / noch Geeſt / daerom oock geen bez
ee gep gegeven en heeft om Die te doopen / Want lofte tot Dent eeuwigen dagen / gelijck Wp boz
Rolo. Die Hehlige Geeft fijn werck ín haer ſoo niet cn | ven foo Dickswils beweſen hebben.
dzijft / algmensoor oogen fien magh. Die) Vaetgp nu alle die Geleerden defe felfde onz
felfde maghmen ook noch op eert ander plact: | verwinnelijcke plactfe ende handel Pault
fe unt den hepligen Tuca fret Wel merchen alſog fubtplijckten dzaepen alg fn willen /
ende verſtaen / want hp alfoa fendt: Doen | foa en fal’tnochtans in Dee eeuwighepdt van
fp Philippum geloofden / Die haer van Dat vij- {haer met Gods Woozdt nimmermeer anz
ke Gods / en ban den aem Jeſu Cheiſti pꝛe⸗ ders beweert worden / dan dat defe ſelfde
Dichte ! lfeten fp haer doopen bepde JRannen Diſcipulen / hoe-Wel Dat fn gedoog Waz
ende Wijven / Bet. 8. Alet wel toe / Lan den ren met dat Doopſel Gaannig / om dat
klepnen anmaondigen kinderen en is hier niet {fn niet en Voiften datter een Heplige Geeſt
goroert. Was / wederomme na dat fr ban Paula
Aldus heeft oalt gedaen díe heplige Pau⸗ |ortder-techt waren / met dat Doopſel Je⸗
{us / een Paedicant en Apoſtel / met dat ge⸗ ſu Chꝛeiſti gedoopt Zijn gewopden. Ist an⸗
lobe en Wacthent/ 1 Tims, die heeft Dat gelo⸗ ders Dat doepen Mm Godts woordt / doa:
be in fulkker Balfkomenthept of bolmaekthept {pen heeten ende blijven fal, Maer mijn
gedreben voor dat Doopſel / dat hu het Doop⸗ Broeders / alle Wegen Worter geſtreden tes
fel deg aldecheptighfien Jaannis Baptiſte in | gen dat woort des Crupces / abermits dat het
Die Difcipulen ban Epheſien alg onnut en te | een ſothent is Ben genen Die verlooren blijven/
vergeefs heeft acngefien/ om Dat ſy niet en |t Cor, 1,
wiften datter een Heylige Geeft was / feggen-| Cen anderen/ ooddeelt vecht goede Hefers/
de tat haer : met wat Doopfel zijt ap dan gez overmits dat Chꝛiſtus Jeſus ſelve / ende die
doopt? Spfepden/ met Joannis Doopfel. heplige Vpoftelen / alg Petrus / Paulus /
Paulus ſpꝛack: Joannes heeft gedoopt met ende Philippus / dod? Die gantfche leeringe
dat Doopſel des beronwsg / en fende totden Des nieuwen Ceſtaments geen ander Doopſel
vollie / datſe in hem ſouden gelooven, die na geleert noch gebzunpckt en hebben / dan op de
hem kamen foude / Dat is Jeſum / Dat hu belijdinge ofte bewijſinge des geloofs / ende
Cheiſtus is. Doen fp dat hoorden lieten fp Die gantfche Wijde Werelt daer-en-tegen mt
haet doopen in Den aem des Heeren Jeſu. een ander Doopfel leert ende gebzupeit /
En aïg Paulus de handen op haerlende/ ſoo dat noch in Chiiſti bevel / noch in leeringe
quam die Heplige Geeft op haet / en fipzalten | ende gebzuyck det hepliger Apoſtelen gegron⸗
wet tongen / en propbheteerden/ en Die man” deert eude begrepen f$/ namelijck/ dít
nen Waren ontrent twaelf | Actor. 19.8. Doopſel dee klepner onberftaudiger Uinde⸗ Vide
judiciam Hooꝛt nu toe mijn alderliefſte Leſers want ren / ende Den ſelfden niet met Godts woort gana
lpiricuau. hier wil ick drie dingen u ende De gantſche we⸗ Dan alleene met Dac goet - duncken der ez pedobaptis-
umrerum relt vrpwillighlijcſi overdragen / dat gp die leerden / met lange gewoonten / ende met ma.
erit juxta
Serbum pe, fetve fult oorderlen met een ONpartpelijct eenen wzeeden blaedigen ſweerde leert / voorz⸗
oozdeel/ niet anders dan met Godts Woost. ſtaet / ende beſchermt. Wien ban bepden
Cen eerſten / of Dit Doopſel Ioannis upt dat von nu hooren ende volgen ſullen? Ofte
Godt niet en wast Ick weet Wel u oordeel / Cheiſtum Yefiun in fijn Goddelijche waer⸗
Datíg/ ja. Is mi dat Doopſel Joannis unt hept? Ofte de Werelt ín hate ongoddelijcke
Godt / gelijcſi het in der waerhentis ; Ende teugenen? Segget ghu Chziſtum / foo hebt
Paulus Bap fo{foe Doopfel / dat van boven Was / al niet
annistan genoeghſaem en onvolmaeckt fn Defen Difci-\gen/ Gannen/ Nemaotde/ Water / Dier /
quam inu pulen aengefien/ om Dat fn den Depligen Geeft Sweert/ Vaderen / Oneeren / Krups / Lij⸗
— níet en belienden / en heeft hy haer wederomme den / ende die tijdelijckte doodt _nochtang
334na dat hy haer Chriſtum geleert hadde / met | epndelijckten dat eeuwige leben. Maer feat
pulos,qui Dat Doopſel Jeſu Chrifti gedoopt / gelijk Tu⸗ gy de Werelt / ſoo ig er boozwaer qualij⸗
Spiritum an. rag meldet / waer voor Dat wp dat ſullen agen⸗ ken ende ontechtelijchen beſchepden ofte
Aumne fendatDoopfel der onverſtandiger Hinder |genogdeeldt {alhoewel datter contraríen
ven / welche kinderen daor 't gebreck Dec na: | Daer unt komt ende bolght na den blece
tuuren dat gehoor Des Goddelijken Woordts ſche / eeve/ ruſte/ Vert / brede) vꝛp⸗
h dal”
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
| —
heeeft die Heplige Paulus / al ebenwel dat gn wel geaoydeelt / maer daer iwt volget na —
Den vleeſche ongemaclt / goet rooben / Dan: per.r.
U 2 hept /
428
heyt / tijdelijkt leben eenen korten tijt lanck /
ende Diergelijke beegankelijke profijten meer/
nochtans foo is Dat eynde Die eenwige
doot. |
Ten derden ende ten lactften/ ſoo oordeelt
met eeu vecht oogdeel / of Die Mydinantie Je⸗
Ordo Chriſti fin Chꝛiſti / Die hu ſelven ín fijn Gemeynte gez
mmutabilis. maeckt heeft / ende fijne Peplige Apoſtelen
upt fijnen gebenedijden mont alfva geleert en-
de gebaupkt hebben / af die oocit immermeer
dao? eeniger Menſchen wijshepdt ofte hoog⸗ |
hept omgekeert / ende gebzolken mag worden. |
Menno Symons Verklaringe
gelooven den onbedzienBlijchen mondt deg
Heeren Jeſu Chpifa /_ den mont deg waec-
heyts / ende De waerachtige vroome getun⸗
gen / Die van hem geſonden zjn: Maer dat
wu veel liever gelooven ende volgen / met foa
grooten Schade onſer zielen Den genen Die na
onfen luften leeren / alhoewel Dat fo openbaer:
bijl in hare Schriften bevonden wort / dat fn
alfoo menighmael neben De waertent deg Al
machtigen Gods gefieuplielt / gedwaelt ende
genuſt hebben. AR,
Hierom fo bidde (lt u alle mijn Lieve Broe⸗
Seght gp Daer ja toe / fa moet het van u met ders ín Den Heere, Door Die ontfermhertig⸗
Godlijken en met Euangeliſehen fchziften be⸗ hepdt Gods, doet open de oogen Lan uwen
weert zijn / of op en moeten dat niet geloven. |berftande/ op Dat ghp niet langer ín u wer
Maer fegt gp Daer neen toe) gelijk als ’t neen ‘zielen Gedzogen en moet orden / ende
is / foo moet qp dat immers belkennen dat al⸗ merckt het cenmael vecht / gijp dic Door Scriptores
le Die gene Die ſeggen / ſy zijn dan Wie dat fn zijn/ Dat fcheijven Dee Geleerden ín u heeten iufticiam
alwaert ſchoon Dat fp in Der Wpoftelen tijt/ en |
haer difcipulen getweeft waren ( dat die Apo⸗
ftelen onmondige kinderen gedoopt hebben /
Dat fi fchandelijchten fenlen/ ende de Apo⸗
Mendaciis ſtelen met leelijſe valſche leugenen beladen /
afpergunt fm Dat ſy upt haer ſelven ſpreeken / ende niet
—— unt Gods Woozt / Want die alderhenlighſte
dos infantes Apoſtelen die oprechte getupgen der Chriſte⸗
baptifafle. lijker waerhept / die en hebben in der eeuwig:
hept geen twee berfchepden Doopfelen in
den Water geleert / fn en hebben ooft tegen
Chꝛiſtus bebel enn ozdinantie / noch tegen haer
epgen Leeringe wiet gehandelt noch gez
bzunlit.
Gch hadden Die wijſe ende Die geleerde /
nen / alg Origenes, Auguttinus, Jeronimus,
Lactantius, ende diergelijke meer / foo hoog
ín haet vernuft ende Philoſophie niet gez
si unechrig; Aogen / en hadden haer met de venne kung:
verbocon- fehe/ tenvoudige LTeeringe Jeſu Cheiſu,
tenti fuiffent fijner Apoftelen laten genoegen / en hadden
doêi, nequa- haer fcherpe ſymen ende fubtijl beeftant gez
Nem Deucht onder Godts Woot / geenſins en had⸗
num accepif- De Die Hemelſche Leeringe ende Die onweran⸗
fet Beclefia. Derliffte opdinantie onfes lieben Weeren Jeſu
Chꝛiſti aldusdanigen grooten fchhade ende
fchaemte geleeden. Ende byſonder foo heeft!
immers Die graate Origenes foo ſchandelijck
door fijn natuwlijclt begrijp ende Philoſophie
met De Heplige Schrife gelhandelt/ dat he ban
WMartinio Luthero ín dat Boeck genaemt Se-
——— ruum arbitrium, ſpurciſſimus ſcripturarum in-
terpres geheten wort / Dat is foo beel geſept / die
alder onreynſte bedieder Der Scheiftuͤuren.
Ende daer en boben is ’ fn den Luptherfchen
nieuwen Ceffamente aengetekent op Apoca⸗
lipſis hoe dat dDefeOrigenes Die qroote ſterre í8/
die wpt den Hemel is geballen / brandende ge⸗
lijck een fackel / en fijnen ame ig bitterhent/
&c. Apoc,8. Wat hn daerom zn Broeders)
dat ſy Godt bebolen/ ebenwel hot guatiskken
dat hp met Gods oogt gephiloſopheert heeft /
ende hae fchadelijcken dat bp gefirupkelt
ende gevallen fs / nochtans om Dat fn de
Werelt gevalligh is / ende handelt ín deſe Af
godifche fake Des Vrinderdoaps /_ foo moeten
Mundusin die Heplige Upoftelcn/ faaackt Cheiſtus Je⸗
caufa Pedo- fig felipe in fijn Leeringe / ende met have
Olrenem Heeringe te rugge flacn. Ende Origenes
pratert & moet als een gewiſe getunge ín defen Afgodi⸗
Chriftoë _fchen handel gehoort / aengenomen / ende ge
apoltolis . bolgt worden. Ó zoutorlijckie blinthende /
6 fchadeliche Sothepde / dat Wwn niet en
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
die hoogh-berftandige en feer bevoemde Man⸗
querunt per
ceremoniam⸗
quæ (olume
verſchrickt wozdt / Ga: dat alle die Scheij
vers bende oude ende nieuwe alle wegen ge-
rechtigheyt in die gewrochte Ceremonien modo quz-
gefocht hebbea , Die Welke men Daer al- zendactt per
leene behoorde te foechen / aen Ehziftum jean
Jeſinn. Ende ten anderen / om dat Mm
Godts Wooꝛdt ucven defe fake / niet en heb
ben / foo heben fn ook níet woor eenen wegh /
neben deſe fake gewandelt / oock niet unt
eenen mont geſproſien en niet met eener penne
gefchreben, Want de ſommige/ gelijkerwijg
als’t wel in haer fcheiften blijkt / hebben in
defe Ceremonien getocht die efwaflchinge
der erfelijke fonden. Die andere leeren /
dafmenle op haer eygen geloove fal doopen.
Die anderc/ om op te voeden in den woor-
de Godts ende in fijn geboden. Die andere / pedobaptis-
om daer door in des Heeren Verbont op te ne- matis non _
men. Die andere hebben hier-door gefocht toen labiit
die kinderen in te lijven ìn degemeynte. Diet ti luut.
goede Leeſer / aldus gaet een pegelijek ban
Die boorgerorrde Schrjvers fijn eygen ſtrate / xatemur
ende niet Daoz eenen wegh. Wadden fp nu Baptismum
Godts Wooꝛt neven dit Doopſel Bev klepner eredentium
anmondiger Kinderen / foo moeſter met een Eren LS
peune geſchereben / ende unt eenen mont ge⸗ pus Chrifti
froten worden. Maer om Dat fp Godts ebdientiz
Wooꝛrdt ín deſe falke niet en hebben / fa valget UL
een pegelijk fijne kloekfinniahent/ berbegen- se nori.
de dat hu onder een gedaente Der Scheiftuu⸗ dem baptis-
ren deſe feet ſchadelijcſie leugen / als de profij- mem infan-
telijke waerbept fal beweeren: Fa pn kie: um.
telt hem felven foo lange met verdraende
Schziften boor oogen alſoo ín fijn verſtant
berdonkeet/ Dat hp dat niet en bekent / noch
niet bekennenen magh / hoe dat Ip die bere
doemelijke leugenen boor de alder Godtſaligh⸗
fie waerhendt leert / nae bolght/ ende gee
beukt.
Aldus mijn alderlieffte hinderen om dat díe
geleerde alle wegen gerechtigheyt in dat Doop-
fel der Kinderen gefocht hebben , ende noch
foecken , fao hebt gudes twel lichtelijcken bp
u felven te bedenken / Bat die de felfde Ktnder-
doopers dooz defen middel ingereten ende ope
geltamen zijn. Want ſy en is bp den albers
outften vaderen geen gemenn gebrupch gez
weeft / ich fegge gemenn / gelijk als ’t naer
lijk bp Tertulltanum Rufum, en noch meet
andere blijkt / dan ſoo het ſchijnt al met der
tijtnader Apoftelen afganch, aft tm avon
tuuren / oock in haven tijden hebben fn dat
echte Chriſtelijke Doopfel / welk alleen be-
hooet den geloovigen / begonnen te misbrun⸗
ken/
Scriptores
in hac caufa
des Chriftelijcken Doops. 429
ken / gelijkt als oak de ſommige van Corine ren lieven kinderen als dat fli Lándeten des
then gedaen hebben / die al by Den tijden Pau Nijlis / Der genaden / Der belaften / eu Des eeu⸗
li haer boog den dooden lieten daopen / 1 Cor.
15.9. foo is ooli Daar der ouberftandiger Bif-
Abufùs fchoppen leere ende valſcher goet dunlien die ende niet Door eenigh teecken. Ja doo? defe
feer grouwelijke flangen zijn destsinder-doop- | ‘elfde belofte wozden fn verſeekert Dat Yact amar de
nullesCo- ſels op bele plaetfen alfoo mgechtopen/ ende
Baptiſmi erat ꝭ
apud non
wigen lebeng zijn doo? Chrziſtum Jeſum on-
fen Heere / den wellien alleen behoort den prijs!
erti red⸗
iebe RUinderen / foo lange fn onnooſel / on ialute in-
xinchotum dooz gewoonte bebeſtigt / Bat het ten laetſten! aerſtandige Kinderen zijn / reyn / Hepligh / Fetum non
etiam tem-
pore Pauli. als eens Apoſtels inſettinge van allen men-|Saligh / ende aengenaem boot Godt zijn /
per ceremo⸗
niam ali=
ſchen is aengenomen en gedrupekt / om des | fp zjn lebendigh ofte doodt. Hieromme fo quam, Le
gerechtighepts wille, Die ſp alte d' een met
Coutuetudo Den anderen daer ime gefocht ende gefet heb⸗
|
|
dancken fp Den ceuwigen Wader dooz Her —
fam Chziſtum onfen Heere / Ban Die onupt- I Poet
fionem
Pedobaptis- ben. Hier doop foo hest qu immers Bat wel fpreekelijkke genade nebens haer liebe Rinde⸗ chrics.
ma quatile- ge bekennen lieve Broeders / al hee lange ten / ende boedenfe op ín defe vreeſe Gods / ín
gem Apofto-
camin _ Dathet Doopfel der Kinderen geduert heeft / alle wyshent / miet fivaffe / met kaftijden /
duxit. Dat ſy nochta
fit / ende mt Die
lebenwel at den bevel hate | met leere met vermanen in Godts Woeet /
geringe cude geband der ende met ecn voorganckvaneen onftraffelijck
henliger Apoſtelen niet en is / Dacram ook leven / tot dac ſu Godts WWoosdt feïve mogen
Afgodiſch/ onmit / ende te vergeefs.
(haaren / gelooven / en ín den vruchten vole
Ende om dat het rechte Christelijke Doop⸗ bzengen. Alsdan ſoo fal het cen tijt zijn /
fel den geloobigen ſoo groaten belofte aeuge⸗ ſo zjn Dan ban foo menigh jaren alg fn zijn-/
hangen / namelijch/ als qujtſcheldinge der
\
—
om te ontfangen Dat Chzeiſteljke Doopſfel /
ſonden / Actor. 2.28. ende gelijeite beloften Dat Chriſtus Jeſus in cen gehoorſaemhepdt
meer/ Marc. cap. 16. 15.
1 Car, 12. 13. ſijns Bepligen woorts alten waren Chriſtenen
rjdett. 3. 21. Eph.4. 5. willen oo% die ez , bevolen heeft / en ſne lieve Apoſtelen alſo ge⸗
dobaptiſten dat felfoe Dao
loften Degen op den Gdleunen omnondigen
{met fijnen be⸗ geteert en gebruplit hebben.
Siet mijn Broeders, Die nit ſeggen tillen Pedobaptiftz
Kinderen / niet mevkende/ Dat die voozze- Dat wo de Kinderen van ce belofte ende van ——
Przceptum toerde beloften bolgen alleene Ben genen! die Gods genade berooven, ſo mecſit gu inuners Fendaciis
exigitobe- gehoorſaemhendt bewijfen Godts Woordt / wel / Dat frame haer en mijt tegen ong fpzez
dienttam > want Cheiſtus Jeſus haer alſulekss geherten hen / ende Die Waechepe niet en ſeggen. Seg⸗
Cerwylen dan dat het, get / Wie heeft Den ftechficn gront des Hoops
obedientia
habet pro
ende bevolen heeft.
nos coníper-
gunt.
mfonem. Doopſel den Klepnen onmandigen Kinderen neven fijn Hinderen? die fijn hope fettet on
niet geboden en is / fo wordt het ook van den cen npt wendiah teeken? of Die fijn hape fettet
felfoen kinderen niet ge-eniFchet / als gehoorz⸗ ‚op Die beloften der genaden/ toegefent ende
Rom416. faembept. Want foo waer daer geen gebo: | gegeven Doo? Chziſtum Jeſime Ebenwel
den en zijn }
daer en ís geen overtredige. | Die Euangeliſche waerhepöt meet alle wegen
Noch eens / ſoo en isdat Boopſel den Kinde- ban Den onderftandigen ende lichtbeerdi—
ren van Godt niet geboden / ende
en hebben |gen gelaftert ende belogen worden / Hoch
fa daerom bp haer Doopfel geen belofte /\ tang foa fal noch ecenmael Die vecthtoeerdi Ghrikus e=
ſoo bolgt daer imners
ſus juſte
Ì t gewelt / dat qe ende onpartijdelijclie Nechter Dat rechte jucicabit
het felfde Doopfel dee kleyner onmondiger Vomnniſſe tuſſchen haer ende ong geven
Vinderen boor Godt Afgodiſch / pdel/ on⸗
nut / ende te vergeefs is / gelijck top boven
gefopt heben / Want Godt de Deere en heeft
inter nos &
ende umt-rechten / Dat is Chriftug eggs Uerkrios
us / alhoewel Dat fp het niet en beoefen. va.
Alsdan duchte ickꝰs herde ſeere / ſa ſalꝰt bu
geen behagen in den Ceremanien / anders | vele al te laet bekent worden / hoe dat fn niet
Dan alg fp gebeemeht Worden na untwijſin⸗
ge van ſjne Godlijke ende gebenedijde woor:
Der.
Maer die klepe onnofele kinderen / ende
De waerheyt Jeſu Ehziftí/ maer de leugen
Untíichzifti gelooft ende gevolgt hebben. Diet
toe en waeckt,
Noch wort ong eenmael ban dert Pedohapti-
bpfander Die daer zijn cen Cheiſten zaet / die ften of Minder-doopers ſeer onverſtandelijen
hebben cen ſonderlinge betofte / die haer fon: | tegen-gewogpen/ ende feggen alſoo/ dat die
Der eenigh middel oft Ceremonie upt louter Apoſtelen geheele huyfen gedoopt hebben ,
milde ende puure gerade B
an Godt gegeven (als dat Huysgefin Cornelii, Ator. ro. vers 48:
is daoꝛ Chꝛiſtum Jeſum onfen eere / name: |dat Huysgefin Stephani, 1 Cor. 1.13. dat huis-
lijk deſe. Laet de kinderen tot mp komen /
want haer is dat Nijke Gods / Matth.9.15.
Marc. ro.13. Luc.18. 15. Deſe felfde ceníge
belofte verheugt en verſekert allen vptverko-
ren Godts heplige neben haet kleyme ende on⸗
verſtandige underen / Wel felerlijk belkennen-
gefin des Stockmeefters, ende dat huysgefin
Lydiæ de Purpur=verkoopfter, Altor. 16. 33.
uyt den welcken lichtelijck te vermoeden ſtaet
(feqgen ſp) datter ook kleyne kinderen mede
geweeft hebben. Wier uit defen aliegate bez
wijfen fin liebe Broeders / al-hoe-el Dat fet
De/ hoe Dat Die waerachtige mont onfes Tegen het niet en verſtaen / Dat ſu geen vermeldende
deere Jeſu Chzifti den fijnen nimmermeer liez
gen of feplen en fal. Obermits dat fm dan af-
foo groete barmbhertighept neben De toe⸗ge⸗
bzachte kinderen beweſen heeft/ als D
haet heeft genomen ín fijn gebenedijde a
geſegent / De hant opgelept/ dat Úijcke det
emelten taegefent / enn anders met haer niet
gehandelt noch bevolen / daerom {8 ’tDat fin (ve fchja
Schriften mogen bp bzengen/ Dat men de
lilepne onbverftandige kinderen doopen fat,
Want fo waer datmen alleene dat vermoeden
at Ip volgen moet / daer en is geen klaer bewijs om
cvmen/ (De falte mede te beweeren.
Deſe tegenworpers antwoorde ick ten eer⸗
fien / neben dít tegenwozpfel / met heele Rlac
ften alſo / ſeggende aldus. Dat die eer:
hebben in haer herten cen vaſt / ſeker en gewif- ſte Pupsgefinnen) namelijk Coꝛnelii / Stepha⸗
fe betrouwen Ban die genade Godts neben
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ha- ni Le er Kd alle gelsovig
bh 3 gewizeft
Cernelius
&delis.
Familia
Stephani
fidelis.
Fafmilia
Criftum
eredidit.
facit.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
cuftodis in
Conjeftura
ron eft fides.
nec fidem
430 Menno Symon
geweeſt hebben / gelijck ban dat eerſte hups
namelijk Cornelii/ geſchreven ſtaet. Ce Ce⸗
ſareen was een Man Die genoemt Was Coꝛ⸗
cum fuiserae nellus / cen Pooft-man, van det ſcharen / Die
Daer heet de Italiaenſche / Godts dienſtigh
en Godt-breefende met alten fijnen hunfe/ Act.
to, Hebben fp alie Godt gedient en Godt
gevreeſt / gelijk LTucas meldet ende befchzijft,
foa en zijn fp ooft ſonder geloobve nict gedoopt /
gelijkerwijs in dat ſelfde Capittel wel geleert
ende beweſen Wort / daer Petrus geboodt
te doopen de gene / die den Hepligen Geeſt
ontfangen hadden gelijck ſp met tongen,
ſpralien / ende Godt groot maeckten / Wel?
ke al te famen vruchten deg geloofs zijn/ ge⸗
Wijck een pegelijkt vecht verſtandige wel grijpen
en berſtaen magh.
Item ban dat tweede hupsgefin/ name⸗
tijch/ Stephani / ffact aldus geſchzeven; ch
geemane uiiebe Broeders, dat op weten fult/
‘ Cor16. 16, Dat het hupsgeſin Stephani die eerſtelingen ín
Achajen zjn / en Dat fp haer totden dienſt det
Pepligen gefchickt en geordincert hebben /
dat qu ooft defen onderdanigh zijt / ende alle
díe mede werken ende arbeyden / 1Cot.16.15.
Noch eens feage ik / den Hepligen te Dienen /
{8 een werck Der geloovigen / Nom. 12. 2,
Heeft nu dat hupsgefin van Stephano den
hepligen gedient / a's Paulus fcizijft/ foo heb⸗
ben ín dat ook ín den bzuchten wel beweefen /
dat fr geloove hadden.
Item / van dat hupsgefin deg Stockmee⸗
flecg vinden wy aldug gemeldet / Dat Paulus
tat hem fpzack / ende fepde : Gelooft in den
Deere Jeſum / foo ſult ghn Saligh worden /
gp ende uwe Pups. Ende fa fepden hem dat
Wooꝛdt des Weeren / ende allen den genen die
fu ſjnen hupfe waren. Eude in Diet felber
s Verklaringe
als de Manleeft / Want De Man een ADEL za cf
ooft ende een Heere fijne Wijfg ende fur mutieris.
huys is. Terwijlen nu dit hupg defe Drouz
We toegerelient Wordt / ende hier geen
Wan genoemt en Wort / foo bolght daer
uwpt/ Dat fin op dien tijdt ongehijlickt was /
ende geen Mauſen hadde. Leeft ſu nu ſon⸗
der Man een jonck-vrouwe oft Weduwe gee, … ……
weeft / gelijck het blijcht / foa moet hiet (m: on selturam
mets des wereltg beweeringe ende bermoeden plus ſati⸗
ondergaen / ende is veel meer ende ſterclier te Validam in-
vermoeden / Dat fp over al geen kinder rara ooa
ven ofte bpfonder geen onmondige Sinderen, 5
gehadt en heeft / overmits dat fp op Dier tijdt
gecnen Man en hadde.
Een anderen / feagen wy neben deſe plaet⸗
fe alſoo: AI waer ’t ſchoon dat defe Úpdía
Kklepne onmoudige kinderen gehat hadde / ſoo
en foudemenfe ouder die gedoopte Des hups
niet gerelent heen, Want Chaiftus gebo⸗
den hadde den geloovigen te doopen. Ende die
Heplige Apoſtelen dat alfo na gelijke mate gez
teert ende gebruit heben / waer unt men
lichtelijck met Goddelijker waerhent colligez
ren magh / Dat dic heplige ſchrift foo Wan?
neer dat fa ſprerckt ban geloobige gedoopte /
ofte verlepde hupsaefinnen/ dat fin alg dan
ſpreelit bau den hoorigen oft verſtandigen / Die
men met der Schrift magh leeren oft verlen⸗
den/ gelijk oolt Paulus bewijft op ecn ander
plaetſe / hoe dat die ſommige geheele hunſen
berlent hebben / leevende Die Dingen Die niet
en betaemden om des fchandelijcken gewins
wille, Cit. 1. Wanneer dat gr nu die gebjeele
bupfen ofte hupsgefinnen ook op Die onber⸗
ffandige kinderen dringen Wilt / ende geheele
bupfen berlepdt zijn / alg Paulus fept/ ſou⸗
De Daer upt bolgen met alle gewelt/ dat
uucen 's nagts nam hpfe en wieſch daer Die
firamenaf / ende hy lict hemende alle De
fijne terſtont daopen / ende hu lepdefe in
fin Wups/ ende fettefe aen Die Tafel / ende hu
berblijde hem met alle fijn ups / ofte gez
Úijckt alg Erafmusfent/ bu beeft hem verblid /
om dat hy met ſijuen geheelen bhunfe ín Godt
geloofbe/ Actor. 16. 35. mecht ten eerſten
leve Teſer / hoe dat ſy hem dat Wooꝛt geſpzo⸗
hen hebben; ende alten den genen Die in ſij⸗
nen Gupfe waren. Cenanderen/ fo berblijde
bp hein met ſijnen geheelen hupſe. Dat woozt
te hooren / ig een werck Der beeftandigen / en
die Geeftelijcke blijtſchap is een vrucht Der
geloovigen / oft der Geeftelijken Koi. 14.18,
ph 4,19. Gal.
goclt bie onmondige Uinderen door balfche
leece verlepot moeften Wogden. Heen _al- Infantes ann
Deelieffte Weefer / meen. Een onnoofel / ſim⸗ neque feduci
pel / onverſtandig kint en machmen noch lee⸗ poflant; ergo
ven noch berlepden / daeromme fit oock in De ee ——
fcifeuurlijche rekienſchap det geloobiger gez gevians non.
doopter / of gerlepder hunggefinnen niet begre⸗ comprchen-
| pen en zijn : Maer de Veilige Schgift leect en *
| bermaent bede met woorden en Sactamen: dige
ten / algmenfe noemt / alleen Den genen / Die verba &
ooren hebben omte hooren / ende herten om fignis ratio
te beeftaen / gelijchter wijs wp boven alfo dick⸗ n's compo-
wilg bewefen hebben. zen
Wie datnu eenigh befchent meer ban dit
Doopſel / en van fijn tegenwerpinge hooren
5.18, Cerwijlen fp alie dat | ende weten wil / die leeft onſe eerſte fchjziften
oort gehoort hebben / ende brolijck ín Godt Lan dat Doopſel / Die Wp daer inſt licht gege⸗
geweeſt zijn /
tegenfpaeiieun / De
founder geloobe niet gedoopt en hebben.
volght daer unt fander eenigh ben hebben /
/ dat die Heplige Apoftelen haet ons Weeren met goeden befchept upt Godts
en Get ſal hem doop Die genaden
woordt Wel geleerdt ende gewefen woz⸗
den vierden / ſoo antwoorde ik alg neven | den. |
dat huns Xpdie / feggende alfo: Omdat die
werelt fijn falke met vermoeden Wil beweeren /
feggen tp daer en tegen alſoo ten eerſten.
Hermoeden enn magh geen geloove maken / en
al waer ’t Dat Germaeden Lao? Godt gelden
ſoude / het welke geen gewiffighept nochtans
geben en kan noch en magh / foa en was al
evenwel dat vermoeden neben Dat hups Ludie
níet boo? die werelt) maer tegen Die Werelt.
Die oozfacche is defe : Want het een maniere
is ín Die Heplige Schaift / ende oolt by de
werelt / dat een huns naden Man ende niet
na de Bzouwe genaemt en Wozdt/ ſoo Tange
Wiee mede Broeders / foo hebbet mijne
Eonclufie neven onfe voorgenomen ſaecke des
Doopſels ín den water in deſe maniere / ober?
mits Godt die barmhertige Dader upt puere
milde genade fijn uhtberkoren lieben Sone
Chꝛiſtũm Gefum in deſe ellendige verdoolde
blinde Wereldt gefonden heeft / Die ons fijns
Vaders Gepligen 'ende gaeden Wille ín groo⸗
ter kracht ende klaerhept geleert heeft / fijn
ergen alderhenlighfte bleefchh ende bloet in
grooter liefden boor ong geoffert heeft / op
den welcken ong Die eeuwige Dader niet al:
leene ín ſijnen Heyligen Pzopheten / een
des Chriftelijken Doops. 431
| backt ban den hoogen Wemel ſelbe gewefen eener begeerten umer Saliahepdt) ende met
Lievefoon. heeft / feggende : Dit is mijn eenige Sone/ ten geeſtelck oogdeel vecht ende verſtande
Matth. 3.17. Daer ickt mijn behagen in gehadt hebbe / hoogt lijck doorleeſt Dat gene Dat Wp u geſchze ven
KAL ae, hem / Matth17.5. 2Pet.rn7, Daeronme ende geleert hebben / ghp en fult Daer inz
Alum, haber ſeggen ende getupgen wy / dat wy deſen felfden Ne niet bebinden Dan alleen Die leetinge
vitam, qui Cheiſtum Jefum moeten hooren / gelooven Die unt Godt is / Die eeuwige Wemelfche /
Slium Dei ende naevoſgen / ín alle Dat gene dat hp ons ge⸗ opreebte ende Daliglymaliende wille Godts ,
vam non” teert ende bevalen heeft / mee fijnen Pepligen ende den feer engen / naeuwen wegh Des
haber. Apoſtelen |} die ban fijnen engenen Goddelijee| waerhepdts / Dien Chziſtus Jeſus Mm der
Yen mont met dat aldert edelſte Woordt Der gez | eeuwigheyt gebenedijc / ende fijn liebe Hepli⸗
naden /namelijclt / met dat Peplige Euange⸗ ze Apoſtelen / in dat aldecheplighfte Euan⸗
Vum uptgefanden zijn ende geleert Gebben, oft gelium alten Menſchen geſchreven / geleert /
tp en hebben noch Godt / nóch belofte / noch ende alfa te varen gewandelt hebben,
eeuwigh teven tot den eeuwigen dagen) gelck
het dao? dat gantfche nieuwe Ceftantent van
allen Menſchen gelefen ende begrepen magh
orden.
Om dat dan deſe ſelfde Chriſtus Jeſus fijn
untdruckelijck ende onwederſpreeclielijck be
geel alfa gegeten heeft / namelijck / eerſt Dat
Guangelium teleeren : Baer nae / wie dat het
gelooft / ende alſoo gedoopt Wordt / Dat die
Saligh worden fal/ arc. 16.15. Mat 28. 19.
Det. 19.5.LN 2.38.3.6,10.48.16.30. Gude die
Weplige Apoftelen geen ander Baopfel/dan al⸗
leen dat Boopfel op den Geloove / geleert ende
gebruyckt hebben: mac lupt van Cheriſtus bevel /
gelijck wp Act. in het 2.8. zo. 16. 19. Cap.
Kom. 6. 4. Col, 2. Gal. 3. 27, 1 Cot. 12. 13.
Cit. 3.5. 1 Pet.3. 21. met wijde ende bele vez
Hic habet ra- Denen wel bewefen hebben : daerom canclude-
Edele, ende vaome Weeren ! Siet wel tae
Handen / tegen Wien dat onderwijlen u
weeede bloedige ſweert gefcherpt/ getogen,
ende gebzupckt wodt / want ick fegge u ín
Cheiſto Jeſu / Dat wp anders niet en foece
ken / dan wp U bier geweſen hebben / gez
lijcke als ghu doch felve aen beele in grooter
hlacchepde Wel bebindet / naemelijck/ alg
datter immers niet eeu balfche letter / noch bes
drziegelijcke woozt upt haven manden gehoozt /
wach m haten monden bevonden Wozdt. Ens
de Die als ellendige / onnofele/ ende onſchuldige
ſlachtſchapen onder Dat fweert / ín *t vier /
ende in ’t water van u gedrongen ende gelept
worden. Ende oft ghp mo bp avontueren
Gier en tegen woudet voorſſaen / als ban den
waerlijck als die
ad Bapti⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Diet nu wel toe B ghu Doorluchtige / A
drnonentut
principes &
udices ut
alle ghu Vechterg ende Wet- houders ín Den refpiciant.
Rem. 8.
Mundus cau-
u ende voor Die, vervaerljcken grouwelijcken handel det Bale sa matorum
ſcher verdorvener fecten / ende feggen_alfo ; querit erad:-
Dat ghp daerom Dat Boopfel met den ſweert care bonos.
Matth.17. 5
Marc. 2. 18. ,
ſnctio Chri-
{tianorum
affiétio
Chziftieft,
Chrifani
| non fibi ipfi
HE fed Deg vie
df if | vunt.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
432
pal: dooi des Weeren genade Dat wel ſelierlijck
belienne / dat fpíndat Huns des Heeren / in
die Gemepnte des levendigen Godts ende in
Dat lichaem Jeſu Chꝛiſti nieten zijn. … Hier⸗
amme ſegge ick alfoo : As ’tBat gho in nn oft
in mijn Teeringe / welche daer is Godts
woordt / oft in Die gene Die van mp ende ban
mijnen Mede · Broederen geleert worden / bez
vindet eenige Dieverpe) INeogderpe) Eed·
baecherpe/ / Munterne / Oproeringe / oft eenige
ſchadeiſeke handelen meer / gelhckerwijs alg ende genadige Over-Heeren nae Den vleeſche / Puplici mos
boormaels in die verdozven fecten Wel bevon⸗
Menno Symons Verklaringe
naeckthent / koude / hitte / armocde vangen /
bannen / water / ver, ſweert / oft eenige andere
doodt / al eer dat ſy Dat Euangelium der Gez
naden ſouden berfaechten / ende al-cer Dat fja
gan Die Belijdinge Godts / ende Lan die liefden
fouden af treden / welche Die daer is in Chriſto
Jef / Hom. 8.35. maer Die onnutte leevinz
gen Wiee Die Geboden der meufchen en willen
fh níet.
Hicromme foo bidden wy u als onfe liebe
Doo? die ontfermigheydt Godts j dat ghp dat
Deun is / ende noch alie dage Wel bevanden doch eenmael ín uwe herten wilt overdencken /
wordt / fa ſtraft ons eu al de gene) Daer me⸗ et anders / Dat Die Wenſchelycke vedetijche
de Wa met grooten rechte uwe ſtraffinge ende | Gent eenige plaetje bp u heeft / in Wat groo⸗
ſweert weerdigh zijn. Ack ſegge noch eens /
is't / dat wa Godt ongehoorſaem zijn / aen⸗
gaende Goddelijcke ſaeken / ſo willen wu met |
Godts woordt fo geerne onder-recht / onder⸗
tee bangighepdt ende benauwthepdt dat wp
arme ellendige Menſchen geftelt zijn: Want
wijchen Wy van Chzifto Jeſu ende ban fijnen
Vepligen Woordt / foa vallen Wp ín’ den
weeſen ende geleert zijn / Want wu fijnen alz
derheplighften wille met lufte ſoecken / ende
miet blijte ende neecftighept nacjagen.
Oft eivoer sak |
f8 ’tdat wp den Uenſer ougehaogfamiah zijn / rn deſe felfae groote cbemepnte u henlige
aengaende Liepferlijelten falen / daer hp Lan,
toorn Godts : ende blijven top volſtandigh
ba fijn hepligh Woordt / fo Balten wp in uwe
Kercke / Bzunt ende Tichaem ware / gelijck
Godt toegeroepen ende geordineert ig / tels fez | ſy haer beroemen) fa magen Wp metter waer:
ge Uenſerſlycke ſaken / foo wilten Wp ſoo geerne
Daer boren onſe kaſtjdinge ontfangen / ende
ſtraffinge nae uwen moetwille lijden ende dra⸗
men. Haer is 't Dat up onfen Heere onſen
Godt van gantſcher Herten ſoecken ende vree⸗
ſen / als ick hope Dat wy doen (ende Den Kepyſer⸗
lijcken Majeſtent in thdelijcken ſaeken goet:
willigh ende gehoorſaem zyn / gelijck Dac bez
hoozt/ nae vermeldinge ban Godts woozdt /
Matt.22.22. Hom.13.7. 1Pet.2.13. Tit. 3. 1.
ende wp al evenwel om des Heeren waerhent
moeten lijden / vervolght ende geerupft wozden/
fo hebben wp dat te bedencken / dat de knecht
níet beter Dan fijn Heere enig / ende Die diſci⸗
gel niet boben fijnen meefter. Want hebben
fp lieden den Vader des Wupsgefing Beelze⸗
bub geleeten / waetomme dan ook niet fijnen
Hupsgenooten? Matth. in't 10, Capittel.
Nochtans fa ſult qu dat weten ende beken:
nen/ Ô glu lieve / dele) Doozluchtige bzame
Weeren/ gp vechters ende Wet-houders ín De
Kanden/ dat fo dickwils als aldusdanige Lan
u gevangen / veroordeelt / ende gedoat wozden /
| epe wel getungen / dat gijp een Prince / Brun⸗
degom ende ooft zijt van een bevbaerlijche
grouwelicke moogderije / Welck dat met alle
vlijte dorſtiget nae Dat onnaofel bloet der gez
‚ner/ Die Bodt ban gantfeher herten Dechen/
pzeeſen / minnen / ende Dienen. Want dat
bimde onverſtandige bolclt daet. rontsomme
loopt alseen dulle koe / gelijck Die Pzopheet
ſept / dat en foeckt niet tegen alle Godts henli⸗
gen ende kinderen / dan uptroepen / verja⸗
gen / verderven / ende moorden. Alle Die
Dom ⸗Heeren / Papen/ Monicken / ende al díe
Dienaeren Baals /welclie Die niet en ſoecken
noch en vzeeſen / Dan alleen haren overvloe⸗
digen / gulſigen / ouſupveren bupek/ ende
haer gictige / hoogmoedige / pzaelachtige
vleeſch / Die en Doen anders niet dais fchelden)/
hetteren / laſteren / liegen / ende aen de Weeren
tedzagen. De Kechteren ende Overſten wele⸗
he Die daer foecken te leben npe Dat bloedige /
ſweetige Arbept der ellendigen/ die vangenſe
ende legerenfe in Der Cprannen handen/op dat
| ſu alfo in Der Meeren bziendtfchap mogen kas
Dac gijp uwe tprannifche ſweert ſteeckt in dat | men ende blijven / gelijck die Pzopheẽt fept/
gebenedijde olreſch deg Weeren Jeſu Chꝛiſti /
ende Dat ghy Gem de beenen beeeckt unt fijn
Peplige Lichaem / want hee fijn vleeſch ende
beenen zijn / Epbef.5. 30. Het zijn fijn unt⸗
gerkoten lieve Broeders ende Suſters / Dic
met hem Lan Boven unt gelijchen Dader gebo⸗
ven zijn / Joan. . 13. Het zijn fijne heetelijcke
lieve kinderen / Die wpt Den zade fijns henligen
woozdts gebaertzijn : Het is fijn Weplige/
cepne ende kupſche Bzunt / Die hp met neerſti⸗
ger liefden tot een Hupsbrouwe getrout heeft.
Wacrcounne £ om dat fp van gantſchen herten
Baer felven dooz kracht haers Geloofs / getoz
gen ende gelept daor den Heyligen Geeft / heb:
ben overgegeven in den Dieuft onfes lieben
Weeren Jeſu Cheiſti. Ende en leben nu niet
uteer nae haren engenen wille / dan alleene nac
Ben Wille Godts / ende Dat nae untwijſinge
van fijn Heplige gebenedijde waardt. |
hebben veel hever al Der te geven / al wat fu
onder Den gantfchen Wemel oncfangen heb⸗
ben/ ende al te Ípden/ als fpijt/ laſteringe / ſla⸗
namelijck : So wat Die Prince wil/dat ſpreelit
Die vechter / op Dat hu hem weder eenen dienſt
doen ſoude Mich. Die Heeren ende Wet-
houderen / Die den meeſtendeel nac anders geen
Degen en halten, Ban alleen nae den prijs ende
vrientſchap der Vorſten / den welcken fn gezwo⸗
ten zijn „nae heerſchapphe / nae groote gagien/
ende nae eenn onbetamelijcke gievighept. Dit
zijn die gene Die daer pijnigen / verwijten / die
goeden nemen / ende dooden/ even alg Die Pzo⸗
pheerfept. Ware Dozften / Ober-heeren zijn
onder haer als beullende Leeuwen / ende haer
Hechterg Wolven aen den avant / dietot den
Moꝛgen niet over en laten blijven / Soph. 3.
Noch op eenn ander plactfe / uwe Over heeren
ziju mu gelijck beefcheurende Walen / bioet
re ſtorten / ende zielen te verderven / om haerder
gierighendts wille / Ezech. 22. 12. Gch hoe
eme
Jae fin recht is doch die verborgen openbaringe gez
weeft / Die daer Den 12, Goannes gefchiet 18 /
als Dat hp fagt hae Dat Dac Babploniſche Wijf
droncken wag van Dat Bloet der hepligen/enz
gen/ vervolginge / bangighept / honger / dozft, de VAN Dat bloet Det getupgen Jeſu / Upoc.17.
Dist
do augitur
Chriftianuse
G Heere / waer ’t bp alfoa Quotquot
furt in Ec-
clefsa Anti-
chrifti, con=
cordes funt
adverlus
fanguinem
innocentem,
— — — —
des Chriftelijcken Doops. | 433
Siet Doch eenmael toe / O ghn liege Heeren
ende Kechteren in den Landen / aldus heeftmen
ban den beginne gehandelt met alle de Gerech⸗
tígen/ met de Propheten / met Chziſto Jeſu /
met fijn weerdige Apoſtelen ende Diengeren /
ende aldus handelt ghy noch heden ten dage
met alle Die gene Die Dact DE oprechte Waer:
lige ſtemme? Zijt ghy die rechte wedergebú >
rene / wacr zijn dat wwe vruchten? Zijt ah
die rechte Diſcipulen Chziſti / waer ig dan u
liefde? Zpt ghp die rechte Chriſtenen / waer ig
dan uwe Cheiftelijeke Gzdinantie int Doop:
fel/ / Avontmael / Diakens / ban ende leven / gez
lijck ſijn Woort vermeldet? Zijt gp Die rech⸗
hent / ende dat eeuwige leven faécken ín puerder te gedoopte Cheiſti / waer is dan iiwe Geloove /
Invitantux
repnder heeten. Nochtans foo moet het
met ons al geavontuurt zijn / Want ís het
dat ghu Gode niet en bzceft (ende uwe
Mos diſche ſweerdt / alfo niet af en wendet
van Cheiſto Jeſu/ ende van fijn Heplige Ge⸗
meynnte / ſo achten Wop des veel mitter te vatten
fn De handen der wereltlijcken Princen ende
Kechteren / dan te vallen ín de handen Godts/
Dan. 13. och éensfegge ick / fiet weltoe /
waechit op / ende betert u / ox dat het orinaofele)
ellendige / oiſchuldige blaedt det oprechter
ende bzoiner Godts kinderen / het welche dat
Daer wraeckte roept im den Wentel / geen meer
in uwen herten ende handen bebanden ert moet
Worden tot dert eeuwigen dagen.
Item / fictnuook Wel toe gy Wijſen ende
u nieuwe geboorte / u doot det ſonden / u onz
ſtraffelijk leven/ u goede Conſcientie / u Chri⸗
ſtelijcke Lichaem daer ghy ín gedoopt zijt/ende
uwen Cheiſtus dien ghp atngetogen hebt?
Och liebe Broeders / het is baorwaet lange
‚genoegh gedwaelt/ Cheiftus Jeſus en Wil’t
uiet langer alg eenen fot ende nazte Gan ù bez
gungelt ende beſpot zijn. Want ick fegge u
aat / fa waerachtigh als die Heere leeft: dat fo
lange afs gijp aldus aertſch / vleeſchelijck ende
dupvelfchh geftut zijt/ aldug wederficijdt Bodt
ende fijnen hepligen Woorde / addus ſonder eeni⸗ Lt camni
ge Godts vozeeſe leeft nae u verdoe melijcke fec- pecten
ten ende begeerten / ſo en zijt gh die rechte Ge⸗ chri ner
mennte Jeſu Chaifti niet / al waer ’t ſchoon Lent.
dat ghy ander een vecht gebrupck det Sacra⸗
doâti cum Geteeerden/ ende aalt ghy gemepne volcken / menten af begrepen waert / het Welke dat noch
communi
plebe ad re-
fipifcentiam.
Jac. 1. 10.
Pfal. 90. 6.
Syr. Ig. 15+
Es
want aldusdanigen volck is't / ende aldusda:
nige Weecinge einde Geloove hebbenſe / die ghy
alle dagen als openbare Sotten belacht eude
beſpot / alg Wetters ende verlepders met mení-
gerhande fchandelijckte namen ſcheldet ende la-
ſtert / ende vecht alg Dieven / Moordanaers /en
als Misdaders overlevert en inu herten doo⸗
Det ende moogdet. Evenwel Godts Woozt en
fal nimmermeer gebzofen worden / Cfa.40.48.
r Pet.r.24. O ghp ellendige menſchen / waer
tae zijt ghp gekomen? dat ghn u doch niet en
fchaemt/ / Jeſum Chriſtum gebenedijt alle daz.
gen aldus jammerlijcken te befpotten / met
boeten te treden / ende fijn alderhenlighſte ende
glorieuſte Lichaem aldus Wolfachtelijcken te
berſcheuren / alhoewel Dat gh u van fijnen
Godtlijcken Naem / Wooꝛt / Doodt / Genade)
Barmhertighent ende bloet beroemt. Segt
ghy mijn alderlieffte : zijt ol die gemepnte
Thꝛiſti / waeromme en zijt ghy hem niet gez
gehoorſaem? Zijt ghn dat lichaem Chꝛiſti
waerom verſcheurt ghy dan fijn heplige Lidt⸗
maten? Zijtahn Godts kinderen / waerom
berte ban uis. Mijn lieve Bioeders / het
moet eerſt in wendigh in dat herte al rijn zijn/
ende daet nae untwendigh / eft het is enchel
Gupctelpe voor den oogen Godts. ck frage
noch eens : alſoo lange als ghjn aldusdanigen
vermaledijden Godtloofen teven boert/ als ghu
noch doet, fa ts voerwaer Chriſtus defus, vols
le met den anderen alte bergeefs geboren / ges
ſtorven / vezreſen en ten Wemel gevaren) want
heen íg geen Heere / verloſſer noch Salighma⸗
ker det moetwilliger / verharder / onbekeerljlter
‚ende ongehoozſamer ſondaeren / dan hy is een
Heere / verloſſer /ſalighmaker der gener / die fijn
| Goddelijck Woozt met luſte hooren / met gant⸗
ſchen herten ban den quaden afkeeren / ende
wandelen neerſtelijck ende vlijtighlijken ín ſijn
heplige geboden alte die Dagen haers levens.
Godt die genadige Vader / Die daer eeuwe⸗
lijck in fijner barmhertighept leeft / die gebe u
al te famen fijn rechte kenniſſe om te begrijpert
alle Goddelijcke waerhept / ende geve u ook al
fodanigen herte / gemaet erfde wille / ont te vol⸗
brengen dat gene/ dat gu nu dao den Geloove
> beetredet ghy dan srepgen Broeders: Zijt gn bekendet upt den Woorde Godts / doo Chꝛeri⸗
knechten Chriſtiſwaerom en Doct ghp dan niet | ſtum Jeſum anfen lieven Veere: Lem zy eetiz
5 dat hu ubevolen heeft? Zijt ghn die Bzunt wig eere / lof ende prijs / Nijcſi kacht en Maje⸗
Chꝛiſti / waerom en hoort gijp Dan niet fiju hep ſtent / van nu aen tot in det ecuwigbept/ Amen:
Gaudecat {p
onfa Chriſti.
Ie habes piiſſime Lector ‚debitum in Ecclefia Dei baptifandi modunts
qui longiſſima temporum obliteratione perierat, largiſſimo Det dond
ab integroreftitutum. Obfiffant ergo“Principes ut velint: Obfiftant Docti
ingenit fui acuminê ut norint. Obfiftant univerſi qui fub clo fint omnibus
modis quibus poſſunt, hic eft unicus le baptifandi modus quem Chriftus Je-
fiss ipfe inftituit; & Apoftoli docuerunt, celebraruntque: Invicta feinper ma-
nebit veritas, quamvis à multis oppugnatur fortiſſimè. lut vero legit Chri-
fliano fudicio, & bene intelligit, celeftem hane veritatem Chriſti tam multis
fecults deperditam jam jam itarepertam gratulabitur, quod non 1mmerito;
pro ſuo erganos favore.
Deo optimo maximoque immenſac gratias agat
Vale, humiliare, lege, cape, crede vive; dr Dominus erit tecum
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Jii Om
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
434 |
Om defe ledige plaetste vullen , heeft het ons goedt gedacht, defe volgende Brief van MENNO SV-
MONS hier te voegen , luydende als volght:
Se en be “rn hie
Van een Brief door Menno Symons gefchreeven, aen Griet Rein Edes Wijf:
Mijn uytverkooren adlerlieffte Suſter, in Chrifto Fefie; veele Barmhertigheydt, Genade en Vreede!
Lderlieffte Sufter, dieick van’s harten gront, in Chriſto altijdt gelievet hebbe. _Hebbeten eerften, uyt uwes lie-
ven Mans{chrijven verftaan, als datghy, den gantfchen winter door, een kfanck endeellendigh Kint zijt
geweeft: het welcke my van herten leed is ; Doch het is ons dagelijcks bidden : Heylige Vader uwe wille ge-
fchiede, waer meede wy onfe willen in des Vaders wille verfetten, om met ons tedoen, foo let voor fijn gebe-
nedijde oogen behaaglijkis ; draagt derhálven uwe opgeleyde quaale met gewilliger herten ; want het isalfoo metu
fijn Vaderlijke en goede wille, ende dat alles tot uwen bene, opdat ghy uwe gantíche inwendige weefen van alle vere
gankclijke dingen afkeeren , ende ualleene op den eeuwigen ende leevendigen Godt moght rechten; in Chrifto Jefu
zijt getrooft , want nae de Winter komtde Somer, ende nae de doodt het Teeven. Och mijn Sufter! verheu ght u,
dat ghy een echte Dochter uwes lieven Vaders zijt. _ Alfoò haatt {al dat toegefeyde Erf fijnder heerlijker beloften
hier zijn, het is noch om een kleyn wijlken te doen, fpreeckt des Heeren Woordt, ende die toekoomende is, fal koo-
men , ende fijn grooten loon fal met hem zijn. Die Almachtige, barmhertige Godt, endeHeere (voor den welcken
ghy uweknijen, tot fijner eeren, geboogen, ende hem, naeuwefwackheyt, gefocht hebt) gunne ueen lijdfaem
ende verduldigh harte; een verdraaghijke pijne, een lieflijke verkoelinge „een genadige wederoprechtinge, ofte een
Godtfalige ontbindinge ‚ door Jefum Chriftum; die wy vok altefamen dagelijcks met u verwachten, mijn lieve
Sufter ende Kind in Chrifto Jefu.
Ten tweeden;verftae ick,hoe gy dickwils van uwe Confcientie bemoeyt wordt, om dat gy in alfo een volkooment-
heyt niet en wandelt,‚noch gewandelt hebt, gelijk de Schrift ons voorbeeldt; Waer over ik dit navolgende mijn getrou-
we Sufter fchrij ve, tot een broederlijke vertrooftinge,en dat met des Heeren waarachti ge woort, en eeuwige wacrheyt,
namentlijk, de fehrift‚feyt Paulus, die befluytet alle onder de fonde, Gal. 3. Want daar is geen menfche op aerden,feyt
Salomon, die goet doet, ende niet en fondigt, Eccl.7. Noch opeen andere fteede: De Gerechtige valt wel fevenmalen,
ende ttaet wederom op, Prov. 24. OokMofes: Heere, Heere, Godt barmhertigh, ende genadig, ende lanckmoedig,
ende van grooter genade en trouwigheydt ; gy die genade bewijttin ’tduyfenfte lidt, ende vergeeft die misdaet, overs
tredinge,en fonden,en voor den welcken niemant ontfchuldig is. Och mijn Sufter! merckt, hy feyt,datter niemant voor
Godt onfehuldig is, Exod.34. Item David: Heere treedet niet in’t gerichte met uwen knecht „want geen levendig
menfche is voor u rechtveerdigh, Palm. 143. noch eenmaal, merckt, noch {preekt Salomon : Wanneer fy aen u
fondigen fullen, want daer is geen menſche die niet en ſondight, merkt 3 Reg. 8. 2 Paral. 6 W y zijn al te {amen als
de onreyne, feyt Efaias, ende alle onfe gerechtigheydt is als en vuil kleed, Eſai. 64. Oock feyt Chriftus Jefus , daer is
niemant goed dan de eenige Godt, Matth. 19. Marcus1o. Dat ick nieten wil, {preeckt Paulus, doe ick, &c. Rom.7.
Item Jacobus: Wy zondigen altemaalin veelen, Jac. 3. oock Joannes; Soo wy feggen dat wy geen Zonde hebben,
foo verleyden wy ons felven, ende de waarheyt is niet in ons, r Joh. 1. Aengeſien het dan, mits allen defen, openbaer
is, dat wy onsalle voor Sondaers moeten bekennen , foo wy oock in der waarheydt zijn, ende niemant , onder den
gantfchen Hemel , Godts ge-ey{chte gerechtigheydt volkoomentlijcken volbraght heeft, dan alleen Chriftus Jefus,
foo magh daar oock niemant tot Godt komen , genade verkrijgen , ende faligh worden , dan alleene (ick fegge
andermaal, alleene) door die volkomene gerechtigheydt , verfoeninge ende voorbidden Jetu Chriſti, hy zy ook {oo
Godt vruchtigh, rechtveerdigh, heyligh, ende onftraffelijck als hy wil, Wy moeten altetamen bekennen , hoe veele
onfer oock zijn ‚dat wy met gedachten, woorden ende wercken , Sondaers zijn. Jae, foo wy die gerechtige Chri-
{tum Jefum voor ons niet en hadden, geen Propheet, geen Apoftel moghtefaligh worden. Derhalven zijt doch vry-
moedigh, ende in den Heere wel getrooft. Ghy kuat immersgeen grooter ofte meerder gerechtigheydt in u ver-
wachten, dan alle de uytverkooren Godts, van aanbeginne gehadt hebben; Een arm Sondaarinne zijt ghy, in u,
en door u, felfs , uyt kracht des eeuwigen rechtveerdigheydts À verbannen ‚ vervloeckt ‚ende tot den eeuwigen doodt
gerichtet ; maer in Chrifto, ende door Chriftum , zijt ghy gerechtigh, ende by Godt aengenaem , ende in der eeuwi
gergenaden, vooregn Dochter ende Kindt van hem aengenomen. Hier ep hebben haer alle Heyligen vertfooft,
Chrifto vertrouwt, haer eygen gerechtigheydt alltijdt voor onreyn, zwack ende onvolkomen geacht , ende met ge-
brookene herten alleene, in den naame Chriíti, voor den Troon der genade getreeden , ende met vaften betrouwen den
Vader gebeden : O Vader! vergeeft ons onſe fchulden, gelijck wy vergeeven onfe Schuldenaeren, Matth, 6. Luc. 14.
Het is een gantfch dierbaer woordt, dat Paulusfeydt: Doen wy noch zwack waren, nae der tijdt, is Chriftus voor ons
geftorven; jac als wy noch Godtloos waren : ende prijft daer meede fijn liefde tegen ons : Want foo wy Godt
verfoent zijn, door den doodt van fijnen Soone;doen wy noch Vyanden waren, veele meer fullen wy nu faligh worden,
door fijn leeven, nademael wy nu verfoent zijn, Rom.s. Siet mijn uytverkooren en lieve Kindt, ende Sufter in den
Heere, dit heb ick aldus, uyt den vaften Grondt des eeuwigen vraerheydts, toegefchreven: Hier mede biddende ende
begeerende, dat ghy u doch geheel ende al, met alle u doen, het zy dan inwendig oft uytwendig, Chrifto Jefu en fijn
verdienften, begeeven wilt, geloovende ende bekennende, dat fijn diere bloedt alleene uwe afwaflchinge zy, fijn ge-
rechtigheyt uwe vroomheyt, fijn doodt uwe leeven, ende fijn verry{niffe uwe rechtveerdighmaakinge ; Want hy is al-
ler uwer fonden vergeevinge,fijn bloedige wonden uwe verfoeninge,en fijn overwinnende fterckheyt de ſtock en trooft
uwer fwakheyt,öc. Alfo wy uook eerdages, na onfe kleyne gave,dat wel menigmael, met der Schrift,aen geweefen cn
vermaent hebben ; ja mijn lief{te Kint en Sufter,alfo lange gy alfo en Geeft by u vindt en voelt ‚die na dat goede begeerig
is,en dat boofe haatet, alhoewel dat overblijf{el der Sonden noch niet geheel in u doodt is, gelijk ook alle Heyligen van
aenbeginne geklaagt hebben, als geroert is, fo meugt gy voor gewis weeten,dat gy een Kint Godts zijt, en dat Rijke der
Genaden, in eeuwiger vreugde, met alle Heyligen, be-erven fult : gelijk Joannes ſeyt: Daer door bekennen wy dat wy
in hem blijven,en hy in ons,om dat hy ons van fijnen Geeft gegeven heeft; Bidde u hertelijken dat gy defen grond ter
verquikkinge, fterckinge en vertroottinge uwer benaauwder Confcientien en Zielen, mits den geloove recht vatten, en
vaft, tot aen ’t eynde toe, behouden moght. Wil’t dan mijn alderliefſte Kint en Sufter, den getrouwen, barmhertigen
en genadigen Godt, in Chrifto Jefu, nu en tot eeuwige tijden met volder liefden bevoolen hebben; Die handele met u
ende ons allen nae ſij nen gebenedijden wille ; Het zy dan inden vleefche, om hier noch een weynig tijdts met uwen
lieven Man en Kinderen te leven, ofte het zy uyt den vleefche, ter eeren fijns naams, en faligheyt uwer Zielen : Gy voor
en wy na,oft wy voor en gy na. Daer moet eeris gefcheyden zijn. In de ftadt Godts, in dat nieuwe Jerufalem, daer wil-
len wy malkander verwachten , voor den ftoele Godes ende des Lams, dat Halleluja fingen, ende in volkoomender
vreugde fijnen naame prijfen. Uwen lieven Man ende Kinderen, beveele ick hem , diefeu gegeeven heeft, ende hy
{al ’t met haer wel maaken: Die faligmakende kracht des alderheyligften bloedts Chrifti, zy met mijnen alderliefften
Kindende Sufter, nu ende in der eeuwigheydt', Amen.
By my MENNO ST MONS; die u, uyt grond fijner Zielen in Chrifto, bemint,
— Te tide. nn TRE dl
DE
OORS AK LEL.
Waetom dat ick
MENNO SYMONS
nietaf en late te Leeren , ende
— — — — w—
⸗
te Schrijven.
| 2. Tim. 4
| Predickt dat Waordt, volberdt, het zy tijdt oft het zp ontijt, ſtraft,
| dreyght ‚ en vermaent met alderleye lanckmoedig=
heyt ende Leeringe.
1 Corinth. 3.
Daer magh geen ander Fondament geleydt worden ‚dan alleen dat’er geleyt
is , het welcke is Chriftus Jefus.
Gedruckt in % Jaer onfes Heeren M DC LXXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
fe}
8
8
F
5e
Ko
[a
—
0}
—
*
2
£
[sa]
®
Er
mv]
‚5
—
5
*
5
—
ed
®
F
en |
3
Vv
—
EE
5
®
@/
|
5
8
8
el
®
®
4d
(0)
oe)
8
E
oo
ON
laa)
an
Oo
isp)
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Ei | D E
OS
Waerom dat ick |
M EN NOS, Yi M OooN0S
niet af en latete Leeren; ende te Schrijven.
MO Zions wille en wil fck | ſijnen grimmigen toorn Gan den beginite det
® niet verf wijgen/ ende om Creatuuren gebrandt beeft tegen alle Die ge⸗
3 Jeruſalems wille en Wil ne die in fijnen Godtlijken woorden níet ſtant⸗
m niet ophouden / tot dat vaſtigh gebleven en zijn / ghp foudet u ſonder
twijffel isꝰt ſake dat gui Gods woordt niet
KS. gelijkt als een licht / en hare en zijt) ont uwg ongehoorſaemhendts wille
CS Salfghept ontbarne gelijk | boor Uwen Godt in dat aldecbinnenfte uwer
5 als een Fackel / dat die Hei⸗ zielen wel verſchrickten en beven. En hebt gn
benen fieri u gerechtighent / en alle Koningen | níet gelefen/ hae dat Die Dader ent de Moeder
u heerlikhent / Czech. 3 a i.o. 1.r2.| van alle Menſchen / namelijk / Adam en Eva /
fl weet wel mijn alderlieffte Leſers / dat | Die dooz De kracht deg Godlijcken woorts bari
kp out ónfet leetingen en fchzijveng Wille ban | Godt felve gefchapen waren / om haet onges
entaltijke veel Menſchen bepde van hoogen hoozſaemheudts wille ban Bodt geſtraft zijn /
en leegen ſtaten / met grinimiger heeten feet | unt den Luſt-hove berjaegt zijn / Den kiffelij-
Gerrit gevolgekt/ beuijt / gehaet / gelaftert/ vervolgt | ken arbent onderwarpen zijn / die aecde In ha-
te —— en niet vlijt evt neerſtighent tat det dadde gez | ven atbept vervlockt is / en le die Dochteren
—— ſocht wozden : Ga lg bzullende en bziſſchende even veel katjvigheden moeten lijden / en met
Leeuwen niet haten tanden knerſſen ſy wee: | ſwaren pevientoofen acbent/ en met daotlijken
Delijktent ober ons: Heeren / Vorſten / Geleerden/ jammeren moeten baren hare kindeten / fan:
ongeleerden / ſy zijn Wie Dat fp zijn / cafen/ en der noch dat fr den eeuwigen doot moeften gee
woeden fn omintſpzekelijker tptarinpen/ gelijkt | ſtozven hebben / haddet falke geweeft Dat die
als ’t boot oogen blijkt niet alleene tegen ons / nieuwe Menſche der genaden Chriſtus Je⸗
maer ook tegert alle Die gene/ die deſe onfe lee⸗ fits gebenedijt ) alſullis dooz gerade niet boor⸗
Noſtea ringen met gelobiger / getrouwer / gehoorſami· ¶ gekomen en belet en hadde. Waeromme is't
deâtzina aon ger en onderdaniger herten aengrijpen / en met | gefchiet anders dan alleen daeromme om
—— fed den vzuchten bolbzengen. Niet dat Get onſe | Dat ffa in dat waerachtige wooydt des levendi⸗
DN feeringe fg (oozdeelt vecht) dan Get ig Die eeu⸗ —— niet gebleben en zijn / maer ſy hebben
wige heemelſche en onveranderlijke leeringe haer laten geluften tegen den woorde Godts /
onfeg lieven Heeren Jeſu Chziſti / Die hp felve | meer betrouwende de bedriegende ſchallihendt
upt den hoogen Wemel / unt fijng Daders boz: | Des leugenachtigen Setpents/ dan die lieffe⸗
rie.rx. fie hiet in deſe onderfte Deelen Det. Verden gez | lijlie waerſehouwinge deg Waetachtigen Gods
Rom3.4 dꝛragen heeft; wiet fijnen epgenen gebenedijden, welkte dieſe doo? genade wijs / getechtiah/ ende
mont / die niet liegen en mag/ Bal. 3.6sgeleert | onberderffelikk geſchapen / en heeren boven alle
he:ft/en door fijn getrouwe getungen / name⸗
ijlt / Doos fijn h. Apoſtelen die hp tot deſen hoz
gen werlie ver hoven hadde heeft laten uptroe⸗ t
Matth.28.16, pen in Die gant!ctje wijde Werelt / Mar. 16.15. | bepde redelijck en onvedelijk / dao? cen techt:
Rom.10,19: Wie Bat Het mi niet geloven en wil / Dat onfe veerdig oordeel bau Bodt unt geroent zijn met
Judicet fcripe leexinge Die repue angevalfte en Salighmalten: | dert water) ſonder die daer begrepen Waren in
Goasina de leecinge Jeſu Chriſti zu die onderfoelse met | de Acke Ban oë / om dat fia haten wegh ver:
&raChriti vzomer heeten die obergebleven Kimkende lets dorven / welluftiglijk leefden /cn na mijn beden:
fits ters deg nieuwen Ceſtaments / fo fal en moet ‚ken en berffant/ den Geeft des Weeren alg cen
Gr dat wel mecken en bekkennen Dat het die op- Vechter niet ontfingen / Gen.6.7:8. Deh bez
rechte leetinge / getupgeniffe en Geeft Chriſti denkt dat / en gy ſult ſonder twijfel alsdan
Bard old Jefu is / al hot harde Dat ook fijn trage | Tupe/ | wel teeven /om uwen Godt vert gantſcher herz
Caro doen gebellige/ wederfpannige! eigenfoeckteljjke; en | ten te vacefen / en eeutwelijk te blijven bu fijn
femper quai ongehoorſamige vleeſch daer en tegen ſtrjdet | Henligh woort.
hereticam. 900? ontſettet / beeft / bervaert en verſchzicket. Hier beneverig faa helt gy immers menigh⸗
Nochtans al hee ouwederſprekelijk dat deſe mael geoort / en by avontinuren ſelve wel gez
ni_inexpug- onfe fake blijkt / alſo dat fp miet geenen God⸗ leſen als van Sodoma enGomorrha Gen. 18.
nabilem __Delijken fchziftert vecht tegen geſprokeen of ber: | 19/19/4. Ezech. 16.45. ban Per ende nam /
vervaten wonen magt) worden/ al evenwel fo moet fp | Gen.38.9. bande Wfgoden-dienacts/ Ero:
dâciis, cum budeſe anberftandige blinde werelt/ alseen | 32.6. ban Die gene Die dat hout raepten op den
gladio nitun* feet grouwelijli migdact vervolgt / en alg een | Sabbath / um 36.15. van Core / Dathan /
ee convin- dootlijlie Retterne / gefcheldet en verworpen en Abiron Pum. : 6-36. ban den murmureer⸗
mei ern 5d gelijkterwijs alg de Pzopheet ſeyt na⸗ ders Mum.2 1.6. van Salumi en Ben anderer
Gui vere mielijkt : Als ilk haer alveede veel van mijn Wet hoereerders / Num. 25.2. 2.0. van Nadab ende
eoguofcit pzedicke / foo achten fp Dat boog Hietterne / | Abihu Heb. ro.z. ban die gene Die dat verban⸗
judicium 30.8. | de verbergden / Kof. 7. 21. ban Saul den Yoc
Deiadverfus Och weerdige lieve Hefer / waert dat gt |ninkt/ 1Sam.is.r9. ban Jerobam / Wieq.s 3.
recht aenmerkten bekendet/ hoe eenftelijfken (4. ban Manaſſe 4 Feq.z 1.2. met alle andere
verbi, rece- Dat Die vechtheerdige Bodt alle wegen dringet koningen, Paiefteren en Pꝛopheten / die ín dert
dica male. op fijn heplig wooet / en hae geouwelijkken dat | vechten Godsdienft / te gehoorſaemhept deg
it 3 God⸗
5 hare gerechtigheit opgaet/
Beph.z.rjs *
Lſai.53.7.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
creatuuren gefet hadde/ Benz 27. SAP.2.2 3: Gens:
Item /ten anderen: En weet qu niet dat —— |
(le Die creatuuren onder den gantſchen Hemel / MEE 19%
438 De Oorfack van Menno Symons
fradomini Goddelijken koorts ban Mofe na gelaten/ en geweken / fin moete
tad J | toet woden/ we
„ — upt Gods mont geleert / niet gebleven en zijn / fp zijn bah Ee af een enn a —
Dei fant mon maer Die wat nrin of wat meer (of wat anders | bevloffen alg fp geen Afgoderpe tegens iam cn
permanfe- Aengerecht, geleert; en gedaen hebben / dan in leerden / Oſea 7. 13. — Judæi in |
runt, Beg Weeren wet begrepen waer) hoe gronfame:!__ Ende fa wanneer dat Ffcaël hem aldug van (ecrificiis
lik en hoe menigerlen wijte dat fn en alle Die gez | Die Wet fijns Godteafgelteert heeft; en eefg alim coles
ne die haer ín dat bupten treden geconſenteert her begeven in de Gercterde Dienften Baals / Deumut |
of gevolgt hebben, daer ober van Godt/die al: | niet te vreden wefende met Wet / leerin zen borabant.
le fijnen wille wil gehouden hebben / geflagen | ende dienften / Die Godt haer door Moſen bee
—— syn. Die ſommige zjn beefonlien, | volen hadde / welke Baals met fijner Nita LLL
— * 1 Ie 5. die ſammige zijn haeſtig doot ge | ven fn nochtans fm díe eere des lebendigen —
en * / : en.3.8.9, Die fommige zijn met den | Godis gemaecht hadden / gelfjckerwijg Dat Vide ad quid
* en doorſteken / Exod. z2.27. Num. 25. wel blijkt) ſoo heeft Godt tuederom dodr fijn gere antus
5; Òíe fammige zön met ffeenen gefteenigt / milde genade / ende doo? fijn aderlijlie lief Bic'sPaneue
um. 15.36, Fof.7.2 5.die ſommige zijn leven: de / Die hy tôt Iſrael hadde om haerder Da- phetz,
Dig in aecden verſlonden / um.16. 32. die ſom⸗ deten Wille/ verwecht fijn getrouwe Diena:
Ki zijn ban Jen Serpenten gebeten Num. | ten díe Propbeten/ als Gfaiam / Jeremiam /
21.6. ſommige zijn gehangen / Hum. 25.4. ſom⸗ Eliam / Ezechielem / ende noch meer ande
migen van Lars bpere beeteert / Web, zo, 2. | ve / welks die den afvalligen Peincen/ den bal
— is fijn Bijkke genomen / 1 Beg: 15.28. | fchen Propheten / ende dat ellendige / verbij⸗
met Den ſweerde uptgeroent / Wieg. í.4. Dat fterde Dolkt / upt den mont Godts met groa-
bung Jeroboams en Achabs zijn gantſch Lan | ten deepaen hebben geſtraft / wederamme lief:
£
Der aerden weg genomen/ zneg. 14. to. 4 Meg. | felií za —
10.11. Zeberag zijn fijn oogen me geftekens | moraal erder Den Beeren Bodrsdienft,
ende gebruyck der Wettelíichter |
: * * —— — —— ee — mij Godt — fn iin —— —
58— | Le aer en botsen foo hebb Ì 7
in * vzeemde Tanden / als in Aſſprien / als van honger/ ————— *
Zabplonien / en Egppten / gelijck meu fm de | hent/ oosloogen/ brant / voof / gebankkenif,
Boelten der Cronijken/ der Koningen; en der fe/ ende untroepinge / als plagen ober hacr
Aen in grooter Klaethent efen en vec: | ſonden ende ongeljoosfacintendt. Jae oock
ſtaen mag. Ak ſegge noch eeng : Waeromme | oberblaedigh van die Goddelijclie genade / _
is't geſchiet? dan alleerie am Dat ſn ín de Wet | Salighept / berloffinge / beede / barmher⸗
baets Godg níet gebleven en zijn maet dat: (fp | tiahent) ende ban Die eeuwige Heerlijchtjent /
Die ſelfde Wet dooz goet-dunktenthent/ of door die daer ín dat lactfte Der dagen/ alle die
a overtraden / opvechteride fender gantfelje Wijde Werelt fa lieffclijchen fal ber: Matth:
eenigh Godlijk bebel Weelden, Werken) / Gu⸗ fchijnen door Chriſtuum Jeſum onten Heere / —
taren / in allen ſteden en landen / Jerem.2. 11. | welke die daer is die eenige beloofde Propheet/ Eacch-23. ge
Ozon 102. 0p alle hooge Bergen ende onder | Deut. 18, 15. Die vechte ende waerachtige “* 3 15-
nn dae nele beni Bau en Serle kou
—— ed 3.5. Ezechiel. 37. 24.
wijt en bzeet verhaelt wozt / niet eentmael merz NAijck bebeftigt * dat — dk div jn
kende noch ter herten nemende/ dat Moſes fa | gevechtiahept; ai. 9. 6. die rechte ende wa:
fivengelijken bebelende tot haer en tot haren) ve Werder / Die ong wendet in die wenden
Daderen geſproken hadde / namelijk : Gp fult | deg eeuwigen lebens / zech. 3. 23. Wieng
den Heere alleen Doen dat gene dat ik u bevele/ aem is Emanuel, dat (8 te feagen/ Godt
en gp en ſult daer níet toe doen / noch ook níet | i$ metons) Efa. 7. 15. Ende de Heere di
Jofu.r.7. afnemen / Deut, 12, 32. dRach op een ander | ong oprecht maeckt / Jer.23. 33 twelche bie
Kd, erde Bebo aren bieb enen meen Inde
Apoc.2a,18. deſen Boek gefchjzeven ſtaen / obs ef fulien | oat ber Denis che bit —
‚ over deſe ſullen Dat werk der Pepliger P je tot d
komen alle defe aengetelkende plagen : Eer bleefchelijke Á eerd ad
gen : / ike Yfcaël van
| —— — —— inne genade — en Bleed id
IE | fen edie aenge⸗Maer wat heeft het geholpen/ Oan li
ie tekende benedictien) Web.26, 1 Deut. 28,5.6. | Hefer Die Pra golpen/ © op liege
| 4 Bat» EIN. 26,5,6, : | ten fongen bepde fier
Ë * Cerwijlen dan Die Kinderen —— —
EERE — — an dere Rele oge foet / fin leerden bende ffvaffinae ende genade/ maten. re.at;
DEENSE | onesac adeo N I peozucklijke gee | oogdeel ende barmhertighent/ het was noche
RENE | inventahu- biedende woort des geens/ die ſe met fo krach tans al te bergeef8 geroepen ende geleert /
ij
BENE NED | mana,abo tigen hant en met foo ſterlien arm upt Egpp-\ gelijck Gobt dat foo klaertis
IBEN ma eraa gel ab en sn / maer Be de Prpbeten/Fgoee er Dane
EEKE nk Pꝛucen en door fchen dagh heb ick mijn handen unt
1 de valſche Hropheten laten betboeren/ en heb: | tot eer ** ntgeſtreckt
9— bolck Dat niet gelooven en wit
ITE ben haet felven fonder eenigh Goddelijk: bebel | dat tegen fpzeckt/ het wel *
| plaetfen / tot Goddelijcken Dienften ver⸗ epgen gedachten 0 he — dat gaet na fijn
EEE kooren) beelden gemaekit ) en Kerken gehou-| (8/ Efa. 6s. 2 E — eg díe niet goet en
| | wet/ door goet-Dunkenthent (fegge il) en niet plaetfe. eeh heb haer Re Det detmvdt”
HEE | Doo? Godts woordt / met alle andere vzeemde ende alfaa tot haer gefproocken : Paorde
IE bedachte Gods⸗ dienſtigheden / dat felfde heeft | mijn flemme. Haer fis en hebben niet qe: ‘
| | Die 1. Gods eeft ín fo Geel verfchepden piaet⸗ haordt/ noch haer ooren genepgt/ dan 8
| fen dec Schrziftuuren genoemt onbefchaemde | pegelijck ginck na dat goetdunken fijner hece
—9 hoererpe / Eedtbrekerpe / vermaledijde Afgo⸗ | ten : Daeromme wil ick oak ober haer laten
IE derpe/ ende afwijken ban den Heere) gelijk be | gaen alle díe woorden des Derbontg/ dat ick
Iik | Pꝛropheet fept : Wee hen/ want fp zijn van mp geboden hebbe te doen / ende fb doch níet
daer
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
\olatriam
vocitant
adulterium
tioneme
daer nae gedaen en hebben/Zer.cap.rr. As ro.
Leeren ende Schrijven: 439
Ende boven al fo willen doch) Die hooveerdi⸗
hets (e- Item / noch op een ander plaetſe: Ephzaum is | ge/vleefctgelijkte, wereltlijke, Afgodifche en Cos
me ido=
een hoere / ende Iſrael een Boevinne. Spen | vanùtfche Pꝛiucen / die Bodt niet en hennenjiclk
dencken daer mer nae / Dat fp lieden haer tot ſprecke hier ban den quaden Peincen / in allen Empii princt
pes fibi quid
fe : Die Deere heeft Iſrakl en Juda getunght Waoët/ vecht oft die Almachtige Dader, di het
dooz alle fijn Pzopheten / ſeggende: Dekeert u al
—
geſchapen heeft / die Pemel ende Herde in fijn
van uwe albecquaetſte Wegen; ende bewaert banden beſloten heeft / dieꝰt al regeert dooz dat
mijn Geboden Ceremonien / ende die geheele
Wet / de welche ick Daer uwen Daderen gebo⸗ |
den hebbe / ende hebbe cat U geſonden
hant mijner ſinechten De Probheten⸗
ui Die
Ende
|
Wooꝛdt fijner ſterckhent / haer geconfenteert
beeft / dat fp niet alleene in Dat verganchelijke
rijcke deſer beoofther werelt / maer ookt in Dat
Hemelſche Vije Jeſu Chaifti nae haer eygen
{nen hebbeun uiet gehoort / mack a hebben haer goetduncken mogen gebieden / regeeren ende
necken verſtjft/ gelck alg haet aderen ge⸗
daen hebben / die met eu hebben willen gehoor⸗
ſaem zijn haren Heece haren Gode, Ec. |
Item / noch op een ander
4Neg. 17. 14
plaetje: ma ſpeeeckt Die Heere Det bepgichdren:
recht / recht / ende een vegelijck bewyſe acu ſij⸗
ven Broeder goet ende barmhertighent / CDE
en doe geen ourecht bie Weduwen / Weeſen
pzeemdelmgen ende Nemen. Ende niemant
inſettinge ma
— haren Godt belieerden / Want fp hebben ecu haren Mandamenten / opſtellingen / ende boo⸗⸗ 2
3 hoerachtigh herte / ende en achten den Heere HEMMEN TEC
ht hebben) hoe ſeer dat oolt Die felf de puran:
niet / Oze. 5.4. Item noch op een ander plaet⸗ fivijden tegen Godt ende tegen fijn gebenedijde
ken. Och neen/liebe neen dit en Deus ſuam
lig alfo die mepninge Godts niet / maet het if SPAN
dabit alteris
\gen/ alg een ſterffeljk Menſche hem
Cut fijn ſtede. Ende als In dan fijn lieve knech⸗
|
ten die Propheten verweclit ende tot haer gez
ſonden hadde die welche haer alte met Ben an:
deren / namelijk / Princen Propheeten / Prieſte⸗
ren/ende gemeyn valcit/ in alſulcker mameren /
en denclie tegen fijnen Bzoeder wat quaets in | als boven geſent is / unt Godts mont fect herte⸗
ſijner herten.
Maer fp en wou
den 't niet hij geſtraft enoe berm
acut heben / fo hebben
aenmercken / ende fp Beerden wap Den rugge ie Pincen haer als oproeriſche / ende Die Ge⸗
toe / ende fin kopten haer ooren / op DAE fp met le
cu fouden hooren / ende maeckten haer herten/ [a
erde ende gemeyn volck alg verlepders ende
(5 Uetters omgebracht / uptgeroept ende bets
gefgek alg eenen Diamant, op Dat fp niet en
fouden heaven die Wet ende die woozden / Die
Daer die Heere Der Heprſcharen Lande in jnen
3 Maer:
den | evenwel hee wolfachtelhken Die
Geeft Daag De voorꝛgaende Pꝛopheten.
omme is ooft grooter tooru gekomen gait \ l | —
Mundus non eere DEL Heprſcharen /Zach.7. Jae alder- Schꝛiftgeleerden tprauuifeerden ende tegen
Colum ROR ypeerdighfte Leſer / fp hebben haer aaten alfa
audit, verum
toncionato- Werftopt / en haer herten alfa verſteenight / dat
res gratie ſp niet alleene en Wouden hooren / maer ſy
cum omni hebben alle d' cen met Dern anderen / bpfonder
aviditate iu⸗
eximit.
den meeſtendeel Koningen, Vozſten Pꝛophe⸗
ten / Pzieſteren ende gemeen volck / ſeer wetent⸗
|
Î
moogt, gehjk her met Zacharia den Sone Daz
cachte / met Eſaia / met Jeremia / met Äria/
van Hacisthjactat / ende met noch meer andere
togegaen is als Die Hiſtorien vermelden. Al
een pegeljſ die Daer begeerde ſaligh te worden /
die moefte hem ſchicken ende reguleeren na de
feifde Wet ende ſjn getungeniſſe / Was ’t au⸗
ders Dac hp woude Hebben dat mozgen-toot/
lijck gedagft wac Dat onfcijuldig bloet Det Waer:
achtiger getupgen Godts, die welche haer Dao?
ecuen ongtuffenetijcken vane Der kefoden WM uwi | fijne
haer ſonden ſo bzoederlyck geſtrafft / tot peni⸗ magh Mm der eeuwighendt nimmermeer van
tentie geroepen / cot Goot gevoeght / ende DEN eenigen Menſchen becandert ende omgekeelt
wegh deg Weeren tu gerechtighept uptgeroe⸗ wozden. Hier en gelder noch Prince noch
gen ende geleert hebben.
Eſai. Capittel 8. verg iz, Want Godt is
een ceuwigh Godt ende ſijnen wille en
Geleerde. Godt heeft ouer Die zielen der
titudo, quam De getrouwe Dienacren Godis / namelijk, look houden in det ecuwugbept / Dat is gewis
mundus ex-
hibet fervis
de oprechte Pzopheten / ende DIe anftwaffelijche
Dei, Leeraers des Boͤdtlicken waerhents / Die haet
falighept ſoecken in Dat binnenſte haerder zie:
fen / alte wegen met ſchelden / vangen / flagen,
ende waerachtigh.
Dacrommerg’t/ dat alle dat gene dat fn
bupeen fijn Goddelijck Woozdt ende bevel / oft
tegen fijn Woordt ende bevel / alg eenen hepliz
bannen, dooden/ ende maogden/ten lactften afz |gen Godts dienſt inſelteden / ende gebuipeke
Populus in- gedanctit ende geloont. Want dat hartnec li⸗
fipiens re-
ten) alhoewel het niet en gefchiede anders Dat
fpuit omnem ge onverſtandige, hoerachtige / wederſpannige in Die eere des levendigen Godts, gelijck bet
fapientiam, golch/ wil doch ongeſtraſt blijven, gelijck in Het [boven beweſen is / Die haet ende haren Dade-
4. Capittel ipozea geſchreven ſtaet ende gelijk
alg die van Anatoth tat Jeremtam ſepoen:
En Pzopheteert ong niet in den naem des Hee⸗
ren wult qr anderg niet van onfen handen fiet:
den Aer.rr.ar. Foch op een ander plaetfe : | Godts-lafteriinge) en cen}
cen foo glorieuflijcken upt Egppcenlant 022
lent hadde/fo en Wagt al evenwel anders niet rscogiratus ,
dan openbare Afgoderpe/ geeſtelijckie hoere⸗
vpe / Gedthzekerpe / afvallen van Godt / ninil niſi me-
ra idololatriaë
,
ammerlijck verdrie⸗
Fa die woorden Die gijn Daer in den HNaem deg telijck grouwel gelijck wp boven eenen pege⸗
Heeren fpzeecht / en Willen Wp U nie
Set. 44. 16,17,
t hooren / ljcken Leſer Door 2
ophetiſche ſchriften in
kozte woorden
aengew
efen ende betupght
Superbiapru-“ Die epgenfoeckende ende bupekigierige Hees hebben. Want Godt is cen Godt/ die ont?
deptium hu- raers / die en \witlen doch geenſins beſtraft oft wercken ende offerianden niet en behoeft /
tnilem humie
lis Chrifti
non admit- voor ons, alhoewel dat het enckel let
geemaent zijn / want fp beroemen haer det \want fijn handt heeft ’t al gefchapen. Mijn
doëtrinam Wijshept/enfeggen: Wy hebben die H. Schrift (fent hp) ig alteBee/ookt op dupſent Bergẽ / wat
igen is / ſo {gt dan dat ick offeren kan? Hpenwil geen par, ‚vo,
eer geouwelijkten voor fijnen gebenedijden do⸗ viae ergo
wil fetten sibi.
Pꝛincen ende Principes &
cti ver-
Uuus Deus
animarum
Dominus
Hac eft gra. Aldus Geeft defe untſinnige Llinde Werelt menſchen Die heerſchappye alleene / bp ſalſe contcrentid:
rumque re-
or.
Dei cultus
eft.
5
tit, wat de Dchgiftgelcerde ſeogẽ en leerẽ Jer. d.5. wercken noch facvificien Dan Die alleen / die
daer
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
n Domini
ficeden De Wer ende fijne naevolgers jfo bleef al im mutare
gelijtte wel Godts Det ende Woozt ober alan: non poflunr:
| deranderlijck tot op Chriſtum Jeſum / alſo dat
440 De Oorfacke van Menno Symons
daer geboden zijn ín fijnen heyligen Wooz⸗ Godt haer lepde bp der hant/ gelijchkerwijg a!s
de / gelijcherwijs Samuel tot Saul fpzackt/ cen kleyn jonck kint / Dat hn haet drzoegh in fijz
namelijcken : Hp Die Veere wil gehoorſaem⸗ Wen gevedijden acmen / dat Ijn haer hem ſelven
bent ende geen offerhande / Neg. 15.22. Dit Omgozde gelijck cenen lendenier/als Jeremias
fent Die Heere Die Bodt Iſraels / fent die Pen: fept: menighimael verwecliende fijn gerechtige
lige Jeremias: Hooꝛt mijn ſtennne / ende doet ende Pzopheten /die tot tact fpzaectten úpt deg
gelijchterwijg ick u geboden hebbe / fo ſult ghn Leeren mont; braederlijchen ſtraffende alte onz
míjn bolck zijn / ende ick wil uwe Weere ende hoorzſamige overtreders ende licffelijchten troo⸗
Godt zijn / Jer. 11.4. 2 Cor.6.17, fende Den bomen van heeten / met Die gena⸗
Alle Die gene lieve Leſer / die nu eenen ande: Delijchke belofte, bepde des tijdeljcken ende des
ren wegh totter behoudeniſſe föchten/Dan haer eruwigen levens,
Godt bevalen hadde / Die en hielden Bodt, Och hadoen Die kinderen ban Yfraël deſe Beneficia,
Érrant perni- Miet wijs genoegh dert rechten wegh te leeren / aengeteehkende weldaden / ende noch meer an: ——
ciofilime , of Dat hr haer miet ſjnen woozde bedriegen dere in den gront haerder herten wel bekent/ 5 auem a
bei tcansir. faude / fp herſmaden de gebiedende ſtemme geenfing en adden fp Ban Dat woordt / ban Die mor huie
nent & fuam Van haten Godt / fp eerden ende verhieven Wet / wille cnde geboden Godts haers ſaligh⸗ Aeg
infituunt, haet engen goetdunchen ende hedziegelijche makers ende Verloſſers Die fo Daùderligchk met °°
wijshepdt ende verre boven Godts wijsheudt / haer handelde in alle manieren! fo fchandelijc- ⸗
ende fia overtraden dat geneughlijcke ende lief: ken afgerveden en geweken, Maer omdat fp LL Peu,
felijche verbondt / het welcke hy met haer ende Die genadige welgaden deg Heeren neben haer ine has als
met haren Daderen dooz louter genadeende Miet en Bekenden, en fijn vecijteerdige oagdeez met nee di-
barmhertighendt opgerecht / gegeven ende gee len tegen haer niet en bzeegden / dackom heeft 80 & nd
maeckt hadde / waut dat is díe alderſchande⸗ dat booſe blinde bteefelj ; ende die hoerachtige nain ers
lijchfte fpijtighent / ende Die alderhooghſte ver⸗ geeft der Afgoderpen / haer alfa verboert , alto ber.
er achtinge Godts / als wp niet en blijven ín fij- ban Godt verbzeemt / alfoo dul ende droncken
nen Goddelijckien Woorde / al ebeneens gelijk gemacckt / dat fp erger Deden dan alte die Wep-
als die Schziftuure fent / namelijckt ; fp over: Denen die voor haer waren / die Bodt om haer
treden Dat verbont / gelijck als Adam / ende fonden wille uptgeftaoten / vernielt ende verz
daer inne foo verachten ende vertreden ſy m / Dogven hadde / gelijck Die Heplige Przopheten
Oʒe. 6. 12. dat fo klaerlijcken fn ſeer Beele plaetfen der
Hicinenyme- Och hadde Gfraël ban heeten wel bekent Schriſtuuren untroepen enteren, OBtow
—— die alderbegeerſijckſte Belofte der genaden / Weiptten toorn Godts / want dat en ſal ende ==”
cialfracli die haer ende haren Vaderen was gegeven magh ons möer eenwighept niet faelgeren.
Deo impen- Yan Den beloften Zade / Landt / Bijck / ende | A8 't Dat Wp De genade / dat licht / de waerhent /
fa. Heerlijckhhendt. Ende hadden fp bedacht de gerechtighent / Dalighept / vechten Godts-
weldaden Godts / foo rijckelijck aen haer en⸗ dienſt / leven / Hemel / benedicete / ende Bodt |
de aen haren Vaderen beweſen / alg dat hu | feltge niet en Willen / fo moeten wy hier fonder
haer doop foa grooten krachten ende wonder: twijffel / dooz fijn rechtveerdigh oozdeel/ onge⸗
Daden boerde upt Eonptenlandt/ dat hu haer nade/ duyſterniſſe / leugen /ongevechtighent/
met droogen baeten liet gaen door Dat Uoode ende Afgoderpe / cude hier naemaels verdoe⸗
Mepꝛ /GExod. 14. 22. Dat hj haer des daeghs meniffe / Doodt / Delle /maledictte / ende den
liet Yepden doop een Wolcke / ende deg nachts, Dupvel felve be - erven totten eeuwigen daz
dooz een vperige fuple / Exod. 13. 21. Dat hp gen. … — + Cor.iu.i7.
haer broodt gaf upt den Hemel / Exod. 16 5. Mijn hertelijke lieve Leſers / Bodt weet dat
Ende te drincken upt den herden ſteen / Exod. ick u beiminne met een Godtlycke liefde in
cap. 17. s 6. dat haet fchoenen niet en ver⸗ Chzifta Jeſu / abermidts ick dan bebinde daor
fleten/haer kleederen níet en vergingen / Deut. den gantſchen bploop der Schriftuuren / hoe
: cap.29: Vs 5. dat hp berdzeef alle Reuſen ende hardt dat Godt van den beginfel der Creatue⸗
Deut. & 4. ſtercke bolclien boor haer aenſchijn / Dat hp ven alle obertredinge ende ongehoorſaenhepdt
haer lende ín dat weerdige luſtige Landt / dat fijns Godtlijken woorts geſtraft heeft / gelijck
Olie / Honigh / ende Melck bloepde / dat hp een pegelijkt neerſtigh Leſer in dit aengetechten:
haer gaf de hoogh-bemuerde Steden / ende de handel Iſraëls m alle klaechepdt felbe wel__
De wel-geboude Hupſen / vol Bouts ende Sil⸗ grijpen ende verſtaen magh. Ende ick nu met Bf —
bers / die fin níet getimmert en hadden / de klacen openen oogen inſie hoe dat alle de gant” Pauras oare
Wijnbergen díe ſp lieden niet geplant en heb⸗ ſche wijde Werelt ban den Ooften tot den Wez diem Domi-
ben / Deut. 6, 11. dat hyſe haer gaf niet om ſten / ban den Zupden tot den Noorden / met Pi venturam
haecder gerechtighept wille/maer upt genade/ Tanchtept der cijden / Boog die onverftandige E'Eördt >
ende omdat ha den Eedt bolbeengen woude), Leeraers ende Pzedicanten/ die níet ban vleeſch priu. 3. 13.
* die hp Abzaham Afaac/ ende Jacob / gezo: | ende aerde geſoght en hebben / overmits De be-
rik renhadde / Jae hu gaf t haet tat cen ceutwige | hulpighept der ontrouwer Princen ende Doze
| beſitinge / waer 't anders Dat fit bleven in fijn ſten / afgelent ende afgewelten zijn Lan dat
| Peplíge Wooden / ende Wandelden ín fijnen rechte betrouwen / ende ban die oprechte ken:
Godddelijcken geboden/ zeden ende gerechtig⸗ niffe onfes lieven Weeren Jeſu Cheiſti onſes
heden / gelijck Moſes die getrouwe Dienaer' Salighmakers in Der eeuwighent gebenedijt/
haer ín foo menigerlepe plactfen geleert ende | van fijn Heyligh Euangelie / ban fijnen heu⸗
bevolen hadde. Daer en bovert Dat hp haer | ligen Sacramenten / ban den rechten Baùts-
it | gaf kooren) Olie / Moſt· Vee / Wijn / vzede vru⸗ dienſt / ende ban dat broome onfiraffelijcke
1 | hept/ Godts-dienft/ ende een hoogh-beraemde | leven /het welcke dat unt Godt is / ende zijn fo
|
|
|
Heerlijckheyt / boven alle den bolcken / die Balfchelijken gelept ander Chriſtus Naem / op |
routgomme haer waren / want Daer en was Dat betrouwen eens hooveerdigen / onſupheren
ondet den gantfchen Hemel geen bolck / dat Afgodiſchen / ende Godelaoten bleefches /
baets gelijck was / Deut. 4. fonder noch dat ( Lerftact hek Wael wat ick fchzijve ) op on-
nutte
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
cr
Concionato-
Quales p
cipesstales &
concſonato-
res, talis poe
pulus.
Leeren ende Schrijven.
441
nutte fabulen / leeringen ende geboden Dee doch alg een aptoerifche Boeve aenhauden
menfchen/ op een Afgodiſche Boopſel ende ende lijden / fijn goeden die moeten gerooft
Avontmael / op Beelden / Hout / Steen / Gout / zijn.
Ende Die arme onnooſele Wees- hún
Silver / Water / Bzoodt / Wijn / op een ſchande⸗ deren / Die nu haren getrouwen Dader ende
lijche Afgoderpe / op enckel pdele/valfche ende Moeder am geenen dingen anders / dan al
onnutte beloften / dat het immers fa bere gez leene om deg Heeren getungeniſſe verloren
komen is onder den genen die haer Cijziftug hebben / die moeten uprgeftaaten Worden /
Naem beroemen / dacter dach niet een letter maeckt ende bloet gaen bedelen acier lande.
bj haer gebleven en ig / nach ín Gelaaue! nach | Maer die openbare Vfgacn-dienaers zijn, Vide fini-
fn liefde noch in Sacramenten / nach fnleven/ |bedziegerg Der zielen / Hoeren / Boeben /
daermen metter waerhepdt ſeggen maghte/
Dac felfde draeght wel ober een met Die leerin⸗
ge oft met aat ieben Chꝛriſti / oordeelt felve oft
{
Oberfgeelders/ Cunſſchers / Laſteraers Chri⸗
ſti / Bloeckers / Sweerders / Dzoncligerts/
| 4! | ende Diergelijcke Overtvederg meer / die en
ick de rechte waerhendt net en ſcheijve. Cude Warden niet vervolght / maer díe mogen onz
al hoe ſeer Dat die ſommnige haer heden ten Daz Der haere Befcheeminge wel fekerlijken blij
ge dat Euangelium Chꝛiſti beroemen / ſoo en Ven ende woonen in alderlene vrijhent ruſte
- wedt ’t nochtans nier gepeedickt / Dau ín een ende vzede.
res moderni
non Chrifto,
fed principi- Noc
| ( Gek en ſpreeke hier niet van
leelijcite/ onnutte pdelhent/ ende Dat felfde De goede Overhendt / welcke wennigh ende
h niet ſtercker / Dan alg ’t Die Wereltlijke | luttel zijn / maer van de quaede/ die daerom
businfer- ¶Princen ende Oberhent willen toelaten ende ſeer veel zijn. )
xiunt. … canfenteren. Want fodanigt alg Die Pzincen Daer en be
tia zijn / alfodanigh zijn oolt Die Pzedicanten. eije / hooveerdighendt / gulfighepde/ onſun⸗
Ende gelijck als die Pzedicanten zijn/ alfoa verhendt / liegen / caoven (ſtelen / bzanden/
is qoli Die Gemepnte / dat het fpel falange haet / nijde / giecighende / Afgoderije / Ec.
gefpeelt is / Daten Cheriſto Jeſu ende fijnen Noch witten fp al gelijchse wel EhziſtenVoꝛ⸗
bepligen Apoſtelen maet afteeden) ende in ha⸗
re leeringen vernederen / ende Den pPeincen ,
met Den Geleerden in haer poorneemen aen:
hangen/ende geloven : Wil men anders niet valſche becaemde namen / voor den richter⸗
van hare handen gerabraeckt/ gezant / oft ſtoel Jeſu Chziſti in ſijner verſchhninge voz⸗
Door andere Tprannifche middelen ende ma: deren ende pzofiteven.
Cencionato- nieten omgebzagijt ende vermoort zijn. Hecht
tes hujus
mundi mit-
tuntur à
Principibus,
& non À
Chrifto.
rum uſum
gladii.
Hier benevens ſoo blijckt redimme
gaven noch haere outijdige pompe⸗ rivunt noftri
temporis
Principes.
Magnifici
tituli nihil
fien ende genadige Heeren genoemt zijn. proficient
@ Veere / hae wepnigh willen haer doch apud Domi
Cen anderen / alg íclt mepne te binden
of die Predicanten behooren untgeſonden te rechte Teeraers/ maamelijck / als Die van
worden Van De Princen) ende niet van Chri⸗ Godt gefonden zijn / die gedrongen Worden
ſto Jeſu / daeromme fa en magt ick tam Die (Doe? den Henligen Geeſt / Die daer ſoecken de
uptveckorenen Zions ende Jeruſalems niet falighepdt haerder Lieber Bzoederen ín dat
langer verf wijgen noch verbergen / Dan De binnenſte haerder zielen / Die op geen acttz
waerhent die moet gefent zijn / op dat haer gez ſche Dingen gefint en zijn macr Die dat Sas
rechtighent mag opgaen als een licht / ende lighmatende heplfame waardt onſes lieven
haet Salighent ontbarnen als een fachel/ ende
alfa alle menſchen magen bekennen Des Wee:
cen gevechtighent / ende alle tongen / geflach?
ten ende volcken fijn Heerlijckheyt. fo en
wel Dac icit ſanwijlen ín mijner heeten boor ick vinde ober alle De gantſche
Alhae⸗
jerem. 20.9. ma genomen hadde met Jeremia dat ick
miet meet en ſoude leeren in den Naem Des
citas,
wvannis
ſtrorum
Heeren / am dat 'er ſoo ſeer veele fa vljtiglijck
nae mijn leven ſtaen. Nochtans ſo en magh
Heeren Jeſu Cheiſti dzingen ende pzedilten in
puerder renner herten / oberal onbeſtraf⸗
felijchen ín haer gantſche leeringe ende leven /
fa en Weet icliſe nergens te binden.
Maer
etelt/ ende
deſe bevepnsde, leugenachtige titulen/ ende 2u»
Hujusmedi
{unt Paftores
in Den meeftendeel aller Secten / niet dan A 'e Jaci
t palce-
Godts Dieven / ende zielen - moorzdenaers se gregem
gerlenders / blinde Wachterg / flomme Chutti.
handen / meeſters der Secten
/ vleeſche⸗
iclat niet langer verſwijgen / want ick ben lijck aertfch / ende Dupveiſch aefint/
met den ſelfden Pzopheet ſeer beeaert / mijn
herte beeft wap ín mijnen lijve / alle mijn lez
nen / Wijven/ epgen ende Lape/ dus jam:
meriijcken Vere ban Chzifto Gefu/ Lan
De Euangeliſche Waechepdt / ende ban Dat
eeuwige leven afgeweken ende verbzeemt
ju.
Want alg ick menne te binden een Ober⸗
hepdt die fijnen Bodt vzeeſt / fijn beroepen
Ainpt vecht Bedient / ende fijn ſweert vecht
gebzupckt / foo en hevinde ick voorwaer
Superbia, eæ · den meeſten Deel anders niet Dan Meros Lu-
to) ciferos, Antiochos & Nerones want ſy
ſtellen haer ſelven ín de plactfe Cheifti / al:
Principum. foo Dat haere Placcaten vezre moeten gels
Ben boven de Woorzden Godts.
Want foa
wie Dat hem nae haren inhoude niet een vez
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
|
Joa, 1e. I.
EL. 56. 19,
C.12. #9.
branden des crunces Chꝛiſti/ dienende haren Pri 3. 2.
bunck voor haven Bodt / balfche Pzopheten /
den ſchudden ende beven / als ick dat gedenc⸗ Afgoden dienaren /pdele plackers/leugenaers/
ke / Datalle Die gantfche wijde Werelt; Hee⸗
ten / Porſten / Geleerde | Ongeleerde Nan:
toovenaers/Xc.
Die mp nu bier inne niet gez
looven en wil / die bepꝛoebe haeren handel recht
met des Heeren woordt / ende legge haer leerin⸗
ge bp Chziſtus leeringe haet Sacramenten
bp Ehriſtus Sacramenten / haren Geeſt bp
Ehziſtus Geeſt / haer ſoecken bu Chriſtus foe?
ken / haer leven ende wandelinge ba Chriſtus
leen ende wandelinge / alsdan fo ſult gp fo
geringe door een natuerlijk verftandt ende bez
grijp / ook ſander Godts woozdt leeren ende
beſtennen / ban wien Dat fn gefanden zijn/ hoe /
wat ende waeramme Dat fn leeren / ende Wat
vzucht datter vpt verkregen Wozdt.
Ten derden / alg ick mepne te vinden een
onbeſtraffeijjcke Gemepnte / Die daer is fan:
dev rumpel ende ſonder vlecke / die Den Heere
| Dient met bepden ſchouderen / gelijckfoznugh
guleert / Die Bel niet en Dien / Die De Ce⸗ ſijnen woorde / faa bevinde ick voorwaer foa
remonien Cheiſti onderhoudt / Die Godts ongodtlijcken / groufamen / verdorven / ende
WMooꝛdt in Den vruchten volbrengt / die moet ſoo berbijfterden bolck / een Tee Le
tk f⸗
Ep. 5.27.
— —
De Oorſaeck van Menno Symons
Afgodiſeh / foo hoerachtigh / ſoo wzeet / ſoo dat zijn fijn Gemeynte / die vecht omgekeert
Soddeloos / ſoo ongeloobigh / ſoo onwetende | zijn / van botsen vpt Godt gebooren zijn / in
foo bloedigh/ ſoo onbarmhertigh / faa dzonc⸗ | haer herten ende ſinnen bernieuwt zijn / doo?
Ken / faa vrachtigh / ſoo overbloedigh / foo De fwacht ban Den Hepligen Geeft / unt dat |
hHoobeerdigh/ foo gierigh/ fao gulſigh / faa tooz-| gehoor Bes Goddelijclien Woordts / Godts
Nigh / foa doerſpeligh / foo leugenachtigh / ſoo kinderen geworden zijn / ſijn gehoozſaemhent
bedriegelijck / fo Sodomitiſch / foa wederfpanz ingetreden zijn / ende leven onbeſtraffelijck ale
nígh / fo ongehoorſamigh / foo vebel / ſoo pdel/|le die Dagen haers lenens / oft van Den tijdt
foo Dupbelfch / dat eene Godtuzeefende ziele —— Pan beige geboden) ende
met qroaten rechte hem ſelven daer vooz wel | nae fijner geweren aen LME,
— ——— Cerwijien dat nu Die voozberoerde Gee
Chrigas ze Al ebenwel willen ſu die rechte Baupt/ Die ge⸗ mepnte / aldusdanige Lefteljeke gehaosjae
(as Eceleiam loovige Gemepnte ende Kercke Cheiſti zun; age LZUDE niet el #/ — — ke
non cogno- Gch neen ilebe Teſer neen. Chriſtus Jeſus echten Man Chriſto Jeſu afgewenen en jaegt
vienif bi en wil noch en bekent aldugdanige Beimt / ſos fchandelijcken nag vreernde beelen / gez
ſumilem. Gemepnte/ende herckie niet. Maer Cheiſtus chen voor oagen ſien MIAT, ende dat dooz
Bꝛeupt is bieeſeh van fien tleefche / ende De blinthent / vnder ſtandighent / ende het bete
been ban fijnen beenen) Ephef‚5.30. ſy is hem iepden haerder Leermge / ſo en Doe ick immers
geltjckfornugh / Nom. 8. 29. fp if nae ſijnen ander niet ín ale mijn febaiven Ì — ende
eelde geſchaben Col.2.ro. fm is deelachtigh leeren / nae De gave Die mj: ban Godt gegeven
gefcjapen , nk fims / | ÍS/ Dan dat ick De ſelfde boelerende * rs
elijckt als hp (8/Phü.2.5. niet ſoecken⸗ ſye ende Bruut / namelijck / De berdoolde Gee
ge gek als hu gefint 1 DUSS ‚mepnte/ wederomme magt afteecken Lan ha⸗
iS tot fiins Vaders vechter hand/ te onnutte hulpxe asfe Goelen / ende maghſe
fis ís / ſittende tat fijns pech 8 | wsederantne fevden tot heter eersten getrou⸗
ï odt, daer het Doopfel\ falighent en is in den Hemel noch op Ber Mers
— J — | Ben/ ander dan ín Chꝛiſto Jeſu / dat isſ — ſijn
are Wroederlijckte leeringe / geloobe / Sacramenten / gehoorſaem⸗
rei doen ol rim, ; hept —— re leeringen Die tec gl Quiequid
ende hl teten obervloedigh: Wiet eenen waardt o t bupten ju woozdt gedzeven * oꝛ⸗ non conve⸗
—— Dient deg wdn eel ich⸗ den / gelijck als in der Paufelijcker Heveken pir cum do-
Jen vn Vagevier , valfche beloften , onderícheyt bet 7 Ekiden
| , ‚| plaetfen; fpijfen ende dagen; bevaerden;valfche bilec@,
ke ſtelen / rooven / ende moor⸗ DE pijſen gen, De ‚val eet
—* — / rn / Croo- offerhanden , &c. Item in der duntſcher
lzercken / alg dat werckt in ons bende goede
enchel verderven / ketteven / ſcheiden / ende) ende quaet Kinderdoopfel, &c. Item / bui De
afteren : Pier benedijdinge, lof/ ende danck⸗ verdarvene Secten den derden David , Dat heenien
fegginge / daer vloecken ende ſweeren bp) vleefchelijck rijck, Dat onreynigheyt, Den reu⸗ or-
fectarum ex-
Godts lijden / Wonden / Sacramenten /\ nen reyn is, namelijcken/als den Afgoden uyc- zores,
ijge ende fchandíge ſake berfchepden. fta ende ban fijnen Apoſtelen noch geleert
Beclefia Vat en zijn baorwaer de oprechte Gez, noch bevolen en zijn; gelijck alg het Wijwater,
Jeſu Chrifti mepnten Hefit Chífti niet/ die haet alleene Vierclten / Outaren , Beelden, Miflen, Vie
qui fint?
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Leeren ende
Schrijven.
443
Maledigta Heyligen, Monnick oft Bagijne te wozden / namelijckt / dooz fijn hentige Apoftelen ín on-
vitaeft, quæ
mon refpon-
dit vita Chri-
Ale
Scriptutis
Kianus.
Majeri poena Det boven beweſen is. Och Wat fullen wr:
Pelgrimagie
te loopen / ende aldugdanige | begrijpelijche Geeſts kracht / laten uptraez
wercken meer. Item / Dat inwendige ende , peru de gantſche wijde Werelt / welcker Lec:
untwendige leben, bet wellie dat net oer een | cinge anders niet en is noch ín Der eeuwig⸗ Doctria
en draegt met den Geeft ende met dat teven hept worden eu fal / dan dat lieffelijke waerde Chi:
Jeſu Cheifti/ gelijk als die anvepne! leelijſie Guangelium deg vredes / bie blijde bootſchap
bunle gedachten / quade luſten / onbetaeme⸗ | Der genaden) namelijk / quijtſcheldinge Der ſon⸗
lijſie / luxurioſe ſchandelijcke woorden / onfup- den / verwinnige des Doodg/ der Helle / cn des
verhent / hoererije / overſpel / dranken Drinken) / Dunvels / daerenboven genade, brede! vruhent /
haet / nijt / bloetbergieten tegen Godts Odie eenen bepmoedigen toeganck tat den Pader /
Ec. Ende dit al te ſamen upt liefde ende unt
genade) Deorgeen wercken / door geen ber:
lierije / moorderije /ſweeren / bechten Ec. Alle Diensten / noch door geen middel anders / Dan
Defe vaorberoerde faïten ende Articulen / name⸗ alleen Door Chziſtum Jeſum. tem / Dit
lijlt / lerringen Sacramenten / Godts-díen:, zijn die Sacramenten / Die Cheiſtus Jeſus Papticmus
ſten / ende leben / Die hier aengeteekent zijn / Wgefet ende geleer heeft: Een eerften/ Chrifi.
ende noch andere / Die híer niet geteelkent en Dat heplige Baopfel der Beioobigen / ín den
zijn / Daer een pegelijck Leeſer bn hem felgen , welcken datmen Die fonden begaven / ende
door de inwendige falbinge Gods wel lichtelijk Bat nieuwe leben aennemen / het geloove
verſtaen / kan obermits fp in Gods woort)en in bezegelen ende belijden / De nieuwe ges
Die heylſame leeringe onſes lieven Weeren Ges, boorte ende de goede Conſcientie getupgen/
ſu Chzifti/ níet begrepen / uptgedzuckt / noch ende treden alfa in Die gehoorſaemhendt
bevolen en zijn / dan den meeftendeel der fel: | Jeſu Chꝛiſti die ons door hem felven / ende
ber openbaerlijk ſtrjden tegen het Woordt / vok in fijnen Gepligen Geeft / door fijnen
judicet Ehrí- foo en achten won den felfden doo? Dat oogdeel lieben Gongeren alfulcks geleert ende be—
Der Heyliger Schriftuuren / niet anderg dan volen heeft. Cen tweeden / dat Weplige coena
hoo enkel valfche Leeringe / verlendinge en: | Avontingel / in den welcken dat deg Peer Chritù
De zielen bedzogh / boer balfche verdraende ren doodt berkondigt Wwozdt / welcke Die
ende Afgodiſche Sacramenten/ Loor geou- dao? een bpevige liefde Loor ong gefchiet
welijclie Afgoderhe / Geeſtelijcke hoererne /|IS / ende in Den Weicken die rechte onge:
afwijiten ban Godt / ende boor cen vleeſche⸗ valſchte Beoederlijcke licfde unt puerder
nantie / giecighept/ heobbeerdighept (egen / be⸗ |
driegen / achterklap! ſatte lilap / dieverije / woe⸗
lijckke aertſche / doodelijcke leben / daer Die
heplige Godts Geeft des ceuwigen waerheyts
renner herten onder den anderen beweeſen
wordt. Ende daer na oock Dat oprechte
ín Paulo ende Joanne foo obervloedigh af gez | Onftcaffelijche Euangeliſche leven / dat o- rms ket,
tupgt heeft / namelijckt / dat faodanige die
deſe doen niet en fullen be-erben dat ñijcke moet worzden ín Die vechte Godfalige mate
Godts / Nom.1. 22. 1 Corint.6.9. Gal. der affterbinge /
5. 21. Eph. ss. Apoc. cap. 22, berg 5.
Want is ’t dat het letterlijcke dea ſoo
waerlijcken daer ober van Godt ge
ende der ongeveynsder lief:
den gelijchformigh Godts woogt.
iet mijn Weerde Weefer / dewijle dat
raft ende |Die gantſche wijde Werelt / Ja alle tonz
ten grande geftooten is / om dat ſſin die Wet |gen / geflachten ende bolcken / door dat
geboden/ zeden / ende gerechtigheden haerg [techtbeerdige Godts Oordeel / want fn
Godts niet gebleven en zijn.
fia het beftvaffen / vermanen / leeren / en noot:
fakelijchheden haerder getrouwer Propheten
niet gehoort noch ontfangen en hebben ; die
upt Godts mondt tot haer geſproocken heb
ben / maer Dat fp den felfden gefteenigt / dooz-
geſneden / gedoodt / geſcheldet ende gelaftert
hebben / volgende eenen Godts-dienft na ep:
gen beelstefinge fonder Godts Woozdt / gelijk
dignus, qui Dan van odt verwachten / om Dat wy in
film, quam Die heylſame leeringe der geraden / ín dat lief
qui fervum
contemnit,
felijche gebzunck der Hepliger Sacramenten.
in Die wercken Der lfefaen/ welcke die daer
zijn die aengename dienſten Godts Ende ín
bat vꝛome onſtraffelijke leven niet en blijven /
Baer ons geen Moſes / geen Propheet /
Ende om Dat Baer meer De leugenen dan de waerhendt/
meet de ongerechtighepdt Dan de gerech—
tighendt / Gebben laten geluften/ ban dez
fen eenigen Godt geballigen gront der lez
ringe Sacramenten ende leven algetveden
zijn; ende hebben haer ín alle balfche ons
derwijſinge ofte leeringe
/ valſche Cere⸗
monien / ende in foodanigen ellendigen
vleeſchelijcken leven begeven/ dat met groo
Beeſten dan Menſchen/
geen Engel / noch geen creatuüure maer
die eerwige Godts Sone / die eeuwige wijs⸗
hent ende waerheydt / die eeuwige liefde ende
Barmhertighepot / Chriſtus Jeſus gebene
bijt / Doo? Dat bevel fijns Almachtigen Daz
ders / Dat Daer eeuwig / vaſte / ende onver-
auderlijch in fijnen wille blijft / Wiens barm⸗
hertighendt ende liefde neven ong ongronde⸗
lijcken ende onmetelijken is/ met fijnen en:
genen mondt (ele geleert heeft / met hrachten
ende Wonderdaden beeftigt / ende ten Taet-
ſten met fijnen heplígen bloede bezegelt / cnde
heeft dat felfde dooz fijn getrouwe getungen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ten rechte den meeftendeel onder haer eer
eet Dupvels dan
Chꝛiſtenen magen genoemt worden / gelijk \
een pegelijck redelijckt Menſche doa? fijn
natuuctijck beeftandt nockt fonder Godts
Wooꝛdt wel lichtelijck begrijpen ende bere
ftaen magh. Ende alie Die geleerde / ende
Peedicanten / Die billijcks alſulcks fouden Dotti qui
ftcaffen/ ſelve in gelijcke valſche Heere / P
ongeloobe / ende ín moch veel grouwelijc⸗
ker Afgoderhje / ende beeſtiger / Helſcher
ber al inwendigh ende untwendigh gelept vin chit
9
odvis
bſurdum
corripere
deberent »
leben gevallen zijn. Ja aalt Die felfde gez oleum cami-
leerde met alte blijdt ende neerſtighendt ag}, Pe addunt
le Menſchen tot alſulcken Afgoderhe / onz
gelove / obertredinge / ende verbloelite wan⸗
delinge lepden ende nootſakelijcken bende
met haere Leeringe ende leben / gelijck den
meeftendeel der geleerden ban den beginne ges
daen hebben / overmits dat fp alle wegen op
aertſche / vleeſchelijcke /
dingen geſint zijn / ended
“kk
ende Dupbelfcthe
aetom de Geeftelij-
2 fte
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
44 De Oorſacke van Menno Symons
lie ende Hemelſche wijsheydt ende deu Wille in Die Bemepnte des Beeren fal toegelaten
— Jeſu Chꝛiſti / welch Daer alie vleeſch ende fijn wozden / nalupt’t Woort Gods / orn te lee⸗
3ſũſten oñderdruckt / altijdt als een walginge ven ende de Sacramenten te bedienen / anders
Rom.i314. weder⸗ſtoot / en een afgeijfelijkhendt in haer Dan díe geene Die in De vechte leeringe / Ordi⸗
heeten ende finmen geweeftig/ ende noch ís. nantie / endeleben onfcs lieven Beeren Jeſu
Daeromme ſegge ick: Omdat ick defe grou⸗ Chꝛeiſti begrepen zijn; onftcaffelijken in allen
welijcke verachtinge Godts in fijn Weplige falten/ 1Cim. 3. 2. Cit.1.6. Leb.21.7. Eze,
Waordt / ende Die ceuwige berdoemeniffe van cap.44.21. Want vat woort Des Heeren is Die
fao ontallijke bele hondert dupfendt Zielen / Waerhent/ Ida. 17. 17. het ig Geeft ende Le⸗
Chriêftian?
Chriftum »
fpirituales
die Cheiftus Jeſus met fijn rooden bloede ben / Foa.6, Ds 63. Daeromme en mag BAN gpiricum ,
foo diere geliocht ende betaelt heeft / foo fez, geenen vleeſchelijken / ban geenen Hinderen veraces
Kerlijkken ende met foo klaten openen oogen in⸗ des eeuwigen doots / noch van geenen leuge- vSracem
fie / Want bupten de gehoorſaemhepdt des naers / bedfent orden / dan van Den Waer:
Hichabes Goddelijcken Woordts en is geen Salighept / achtigen/ ban den geeftelijken / ende ban den
ae impeilit foo en mag ík Dat om Die eeve ende prijs mijns gênen Die Chziſtum Jeſum vecht bekennen /
ad bapris- Heeren / mijns Gods / ende om kie liefde en Díe dat eeuwige leven ſekerlijck in haer herten
mum, £Salighept mijner acmer dwalender Bzoederen gevoelen /en Die daer anficaffelijften Laa? Bod
niet verf wijgen / alhoewel ick Dat bp az leben en wandelen in Chzifto Fefu, op dat ſu
bontuurcen wel met de doot bekoopen machte. met Paulo unt waren herten magen feggen :
Wie weet of Godt door ma, en Door mijnen zijt he onfe navolgers, gelijckerwijs als
liegen rrede-bzoederen / Die daer zijn / eu noch Wop nacbolgers Cheiſti zijn / Phil. 2. 17.
praedicant.
komen fullen/ alg middelen daer toe ban hem r Car. 4. verſſ. 16/10/34. Seen FU
verkoren / alſoo doog fijn milde genade ſchie⸗ Cen anderen / foeclhien ende begeeren Wp jeſu Chritti
ltede Datter nach ſommige det gener Die nù met Dieper ende vperiger herten / fa met ang permanebit
onwetende doolen / den rechten wegh/ Weer doot ende bloet / dat het Wenlige Euangeli⸗
ringe / Waerhept ende leven machten bekken um Jeſu Cheiſti ende fijner Apoſtelen/ wel⸗
nen / ende wandelen onfieaffelijcht in Chri⸗ ke alleene Die rechte leeringe is / ende blijven
fto Jeſu boo? Bodt ende boorde gantfche we: ſal / totdat Chriſtus Jeſus Wederom in den
velt alle Die dagen haersleveng. ÓWPeervelact ADolken berfchijnen fal/ 1 Tím.6. maah gee
het alſoo geſchieden / Amen. leert ende geprꝛedickt worden doo? de geheele
Antichriftus iet alder-lieffte Leeſer / overmidts dat Werelt / gelijck de Heere Jeſus Chriftug dat
eumf{uis die Babplonifche Boninck / namelijcken /| als fijn laetfte woort / hier op der Werden ſij⸗
conciona- Die Antichriſt / Door fijn Vinechten / na⸗ [nen lieben Jongeren bevolen heeft / Matth.
toribus pror-
ufque in ex⸗
tremum
diem.
fuscorrum- tMelijskk / door Die valfche Pzopheten ende 28. vers ro. Marc. 16, 15. Fruftra audis,
picEcclefiam. Leexaers / dat ongehooefamige Jeruſalem | Cen derden / foeclten / leeren / ende begee
nifi credas,&
fruftra eredis.
ende Des Weeren Tempel aldug ten gron⸗ ven Wp een vecht geloove ende Chziſtelijck le⸗ quum non in
de neder - geftooten ende berwoeft heeft / ven / gelijckfozmigh de leeringe Jeſu Cheriſti truus
—— gevangen heeft dus menigh Jaren ende fijner Apoſtelen / Want dat leeren der CoU*
a
nqh / foo en jage ick onder mijnen lie- Pzedicanten 18 al onnut ende te vergeefs / foo
ben mede - Wroederen in den Heere / na Wanneer datmen Dat jelfde gepzedikte Woost
geen Dingen anders / noch Wp en faecs dooz den geloove níet acn en nemen / Web. cap.
ken geen Dingen anders / Daer Godt een 4.2. Ende dat geloove is oakt pdel ende doodt
getupge af 3 / dan alleene Dat Wp tot Gods boor Godt / Wanneer dat het niet en Werchte
pzijg alfaa mogen acbepden aen fijn vervallen Doa? de liefde / Bal. 5.6.5. Pac. 2.20,
erumpas.
Baptifmus
Stadt, Tempel / ende gevangen bolclkt / Cen VLierden / leeven / ſoecken / ende be- aquz non
nae de mate Die ons ban hem gegeven ís / geeren Wp een vecht Cheiſtelijck Doopfel / Predett
Jer-z0.10.18:
obgebouwet / gerepareert / ende berijdt hoorſaemhepdt des geloofs / want Cheifkus
faa wat Bervallen / verwoeſtet / ende gez, eerſtmael in den Geeft ende bper / Wuc,3. 16, WSPA
cum non
vangen is / dat het felfde Wederom magh Joa. 1.26. daer na ín den water / alg een ge⸗ aait bspuit-
mus in igne
worden / met Godts Wooydt doo? kacht Jeſus dat alfa alten geloobigen bevolen Geeft, S (Piriee-
Utinamad gan Den hepligen Geeft / gelijck alg te vo⸗ NMatt.28.1 9. Marc 16.15. ende Die Heplige
— ren / namelijk/ ín bepbept deg Geeſts op die Apoſtelen dat alſoo geleert ende gebaupkt heb⸗
menias, &_ Heeringen/ Sacramenten / Ceremonien /\ben/ Act, 2.38.9.6.16.30.10.48.8.37. Vom.
vitam Chrifi liefde / ende leven Jeſu Chziſti / ende fijner 6.1. Cor. 12, Ga. 3. Col.2. Cit. 3.Ep.5.1Pe.3.
— — 55 B fo dilkwils aen⸗ ven ven bijben / — —— sd
en eng s. pn fedaníigen avontmael / gelijk a ri⸗
Dicocum Daerom foo en ſchame ick mn geenfing ſtus Jeſus ſelbe heeft ingeſet ende ebr
Paulonon mijn Geloobe / mijn Leeringen / mijn ſoe⸗ Matth. 26. 19, Farc. 14.27. uc.22, 19,
mepudte hen ende begeeren upt te ſcheyben / op te dec: [1 Cor.rr.z2, Te weten / als met een gemepn>
Chrifi. Hen/ en met lunder ſtemmen tevoegen voor te Die Daer untwendigh is fander cfmpel ende
allen menfchen / fi: zijn oock wie Datfe zijn díe ** vlecke / dat is ſonder merkelijcke over⸗
maer alfulkg ſoeken en begeeren. Gait en tredinge ende booshent / Want die Semepute
Matth.z. 10.
twijffele Daer niet aen / waert Dat het alder oordeelt Dat gene Dat fienlijck ig. Maer foo In externis
binnenfte ende berbozgenfte mijnder heeten Wat immendigh boos is / en uptwendig bp de
mogbte gefien ende bekent wozden bp den gez gemeynte niet en blijkt) gelijk alg die verrader
nen / Die nu blijtighlijken en neerftelijken na ce Aude) dat heeft Godt alieene te oordeelen
mijn leben ſtaen / ſoo foude haten haet neben ende te vechten / Want díe bekent alleen de
nm ende neben mijnen braederen wel lichtelij- (heeten ende nieren / ende níet de Gemepns
lien im een breemdelijcke liefde wozden omge- ‚te. Een anderen / onder bepde gedaen
keert ende verandert, ten / namelijk / onder Broodt ende Wijn.
Een eecften/ foecten ende begeeren tan / Een derden / tot een gedachteniffe van deg
datter geen Biſſchop / Herder ofte Leeraer Heeren doodt. Ten bierden/ tot een ver⸗
eG
udicat Fccle⸗
ſia, internis
vero Deus.
Leeren ende Schrijven.
445 Matth.16.1$.
weckinge ende bewijſinge der Bzoederlijcker niet en zijn / alhoew el Dat alle die poorten Det video non
liefden/ gelijkt ook Dit felfde Avontmael bn,
Den Oudeneen maeltijt Der Broederen ig ge⸗
heeten / ſoo Tertullianus fchaijft. |
Cen feften/ ſoecken ende begeeren wy /
Bellen hier en tc
gen fo weetelijcken flrijden en pu!los plus,
ecarni !
quam verbo
Diet mijn weerde Broeders) tegen Defe Dei, neerzo
boozberoerde leevingen Sacramenten / eude mihi verras
dat alle Die bzeemde Ceremonien ende Goùts- leven / gelden over al niet Keyferlijke Place Ar, IL
Dienflige \Werchen / Die bupten Godts caten / geen Pautelijke Decreten / geen Cons nomina in
Hic non Woost / ofte Daer benebens/ ofte daer -en-
cilien Der Geleerden / geen lange gewoonten medium
loquorde tegen ingevoert zijn / welche die Daer reyc⸗ der tijden / geen Menſchelijcke Philoſophie ; -dduco-
Pfalmis,de Hen tot een gtouwelijcke Afgoderije / gelijk | geen Origenes / geen Auguttinus , geen Lu-
aibus in als Wij-water, Oorbieght, Kinder-doop-
ſpiritu cani⸗ —
end: fel, Miſſen, Mettens, Vefperen , Beelden,
Col3. Outaren , Valfche beloften, ende diergelijz
Ephonm ke wercken ende Ceremonien meer, fullen
+ vORTOA ende mogen afgedaen ende uptgerept wozden /
níet met ge welt ende Wapenen / dan Lieffelijz|
therus, geen Bucerus, geen bangen/ bannen
noch moorden / Want het is Dat eeuwige ons
verganckelhke Godts Woozt / het is ſegge ik
noch eens: Wet fal 't oock blijven tot in der
eeuwighendt. (et amſi rumpantur illa codro)
Wie dat nu al evenwel tegen deſe voorge idectu
hen ende zedelijke met deg Veeren Woordt / [melde falen ffvijden ende Vechten til / het Basse
op dat het fimpele onverftandige voſck dooz
aldusdanige onnutte wercken ende nuddelen
Die dach hacts ſelfs openbare Afgoderije zijn /
niet meer Verlept en worden / maer Dat fo!
Chrifti op-
za met der herten / met den monde / oft met pugnat, non
den ſweerde / Die en hecht niet tegen bleeg Po minm
ende bloet / dat is tegen eenigen iDenfche/ &ì Deum
maet fijnen ficijdt is tegen dat Lam/ tegen
fed Deum.
alleene haer Geloove mogen fetten ende bees, den alderſtercliſten / ende tegen den genen/
fligen op den levendigen Godt / ende ap Die die Wemel ende Verde met haerder bol
naeckte Gerdienften onfes lieven Heeren Jeſu hent / met cenen Woode gefchanen heeft :
Chꝛiſti inder eeuwighent gebenedijt / ende | Aa tegen Den geenen/ Die fijn hant ops
wandelen alfoa met getrouwen herten (om
geen ſaken wickende noch ter vechter nach | heyt / Deut. 32. 40.
ter flincitec-haudt) in fijnen Godtlijcken geba:
den / Want daet mre is dat ceuwige leven /
Jodan. 12. 50. ende Manders geenen Wercken
in der eeuwighent.
Cen fevenden / foecken ende begeeren wy/
heft/ cude fept : Alt leve in Der eeuwig:
Wel aen / Deijle dit felfae die vechte ende
ware Leeringe Jeſu Ehrifti is / Die alleen
tendet tot den eeuwigen leben / en anders geen
Leeringe ín der eeuwighent / faa mochte mp
bp avontuuren ban den Weefer gevraeght
ja daer toe leeren ende vermanen Wp/ dat worzden / Waerom datter dan foo feet tene Ansrar <0”
leftia nen
doch alle Overhept / Vepferlijcke Majeſteyt / nigh Menſchen zijn / diefe ban gantfchen deacrat.
Uoningen / Dertogen/ Gzaven Daron:
Re nen / Stadt-houderen/ Hidders / Gonlieten
Princen Ampt· lunden ende Borgemeeſteren / alſoo
hoge, magen geleerdt ende getogen Worden / dooz
Principum Godts Geeft ende Woort / dat fn Chriſtum
Capitifubfint Jeſun/ Dat vechte ooft aller Vozſten ende
& commif-
fam gladium geweldigen/ Col. 2. an gantfchen heeten
fraternam.
heeten gelooven ende ín Den beuchten vol⸗ Phil.3.12.
Dat gefchiet nae mijn dens Hom16.17.
en om biecderlen falen. Cen cerften am „aante aar
mania juftie
dat fm alle met Den anderen / Meeren / tiam divi-
Pꝛedikanten / ende gemenn volck op vlee⸗ nam non ad-
ſchelijcken aertſchen / ende berganckelijc: 7: …
‚ken Dingen gefint zijn / daerom foo en
non alias mogen ſoeclien / eeren / bzeefen ende dienen ‚mogen fn Die lieffelijche leeringe Des Lep- dicit non ett,
quamper- dat fa haren beroepen dienſt recht magen ad- ligen Geeſts/ die Leeringe deg eeuwigen 1 nec mor
Ubi cogni-
charitatem Finiftreren , ende voorſtaen / ende boeren vzedes f niet toe laten en plaetfe geven.
ad mini- _alfoo dat ſweert / dat haer ban Bodt gegeven
ftrent > is / rechtvrerdelijck ín Godts vreeſe in rech⸗
idquein
Cen anderen / om dat ſy onmatelijck dzon⸗
ende bol zijn Lan den afgrijfelijken too:
tidore pe, tet waerachtiger Bzoederlcker liefden / tot verſchen wijn Der Babplonifcher haererije /
Godts prijs / vamelijkt/ tot een beſchermin⸗ Wpoc.17.2. vijlk boven vijchk / ende en behoes
er gedernoeden/ ende tot een ſtraffinge det quaz | ben geen Dingen meer / Apoc. 3. 17. Ten derz
Den/ na lupt Godts WDoopdt/ Fiom. 13. 3.
rit.3.1. 1 Petr.2, 13. gelijck die liebe Mannen Godts
Sap.6.4. _ nämelijclt / Moſes ende Gofua/ David ;
Lxod.id.ꝛo. Gʒechlas / Joſias / ende noch meer andere
ín haren tijden gedaen hebben. Leeſt oockt /
Deut. 17.2. ende daer fult gp in groote klaer⸗
hept bevinden / Wat Godt alle Overhept gez
heeten / geboden ende bevolen heeft.
Hier benevens foa leeren Wy de vechte liefde
Gods / Die rechte vzeeſe Gods / De vechte lief:
de des naeften / allen Menſchen te Dienen
ende te helen / ende niemant te letten ofte te
Ginderen dat vleeſch te Cruycen met luften
ende begeerten / Dat herte / Den mont ende
dat geheele lichaem te befnijden met dat Mes
des Bodelijken Woozdts van alle ontepme ge⸗
Dachten / ongefchickte woorden / ende onbe:
vecht in umer Gerten / of defe Dingen die biet
aengeteekent zijn / alſoo den goeden Wille
den / om dat fia de bervaerlijke oordeelen / en
den grouwelijcken toorn Godts tegen alle onz
gehoorſaemhendt en obertredinge níet en beeez peum tuum
fen / ja alle de Woorden Godts fo ín den wint diligere non
flaen / techt oft De heylige eeft Daer mede P
fijnen fpot gedzeven heeft / Wanneer dat hu
in de Heyplige Schrift van ſtraffinge der fan- cognofcis.
den / het zutijdelijck ofte eeuwelck geſpro⸗
ken ende geleert heeft.
‚dat fa Die wonderlijcke weldaden Godts in
Chrifto Jeſu neben haer niet en bekennen)
want waer ’t fake Dat ſu die werkten der Bode
delijcker liefden vecht neben haer belienden /
namelijk / als dat Godt haer ut liefde Hemel
ende Herde met alle haer volhepdt ten beften
gefchapen heeft /-Dat hu haet na fijn ep⸗
gen gebeelt unt den flijk der Verden gemaecckt
hoorlijke werclien / Ec. Bedencht dat nu heeft /
ficia non
@Cen vierden / om
een Hooft over alle Cacatuuren geſet
heeft! Boudt/ Silber Landt / Zant/
Hups / Hof / Koe / Kalf / Dich / Dieefch
Godts / Die rechte leeringe Jeſu Cheiſti / dat Water / Wyn / Bier / Baoodt / Kleedinge/
oprechte gebruyſ fijner Sacramenten / ende | tot haren nootdzuft geſchilit heeft fijn God⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
dat rechte leben / het welke Dat upt Godt is / delijck Woozdt gege
Kk 3
ben beeft / eerftmael
De
Qui terrenis
tio divini ju=
otes , quan-=
do ejus benee
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
De Oorfaek van
446
Menno Symons
de Wet der natuuren / daer na Moſen ende j dent in de Werelt / om te verdoemen die Wes
de Propheten / Daer nafijnen cenigen geboren | telt / maer dat Die Werelt faude Saligh wor:
Dane / fijn wijshept / fijn kracht / name
Den doo? hem. Die im hem gelooft / Die cn
We) Chriſtum Jeſum / die haer fijns Da) Wort niet verdoemt / maer die niet en gelooft
ders wille ín grooter klaerhendt geleert heeft /
den Wemel geopent / ende De Delle gefloten
heeft @aode/ fande/ ende Dupbel boor
Baer verwonnen heeft / Die ſware onvolbzen-
gelijke deepgende Wet aen den Crugee gehecht
heeft / genade/ qunfte / barmhertighepdt /
vrede / venhendt/ verloſſinge / quijtſcheldin⸗ 3
ge der ſonden / ende Dat eeuwige leben haer
bj den Bader verworden / is ’t Dat fin het in
Dee waerhent gelooven / ſoecken ende begeez
cen / ſander noch dat hp haer alle dage foo
genadelijckten voept tot penitentie / beterin⸗
me / ende tot dat effect lat ende heerlijckheydt
der uptverlioren kinderen Gods) dat he haet
begeert te trecken upt díe dupſterniſſe des
Werelts / ende ober te boeren ín dat Rijck
gan lijnen beminden Sane / dat hy fijn vecht
veerdige oordeelen over haer niet en lact ko:
men / gelijck alg over die van Sodoma ende
Gomozra/ dat Gu haerdient met den naakt
ende met den dagh / met Sonne ende Mane /
met Wegen ende Drooghte. Item dat hu
haet gebenedijt in wijshept/ verſtant / in
Wijf / Kinderen / Dee) Werlten ende vruch⸗
Vbigenttio Hel Er. Fel fegge noch eens : waer ’t Dat
bonisdis fi Defe ober vijdte werken fijner oberbloenender
divinz,ibi genaden / ín Dat binnenſte haerder zielen twel
dileâtio. Et belkenden/ alle die tprannen díe onder den
dileêtioveli ganschen Wemel zijn/ en fouden haer niet
Etesene Mogen aftrechen van Die Heevinge/ ban díe
wors. liefde / ban die Sacramenten / ban dat leben /
€Eant8. ende van die belijdinge Jeſu Chꝛiſti / al four
Den ſy ook Dat ſelfde Waet ’t dat het moge⸗
lijck ware / met hondert Dupfent dooden gez
ttmgen ende beweeren / jac ſu fouden feggen
met den Pepligen Apoſtel Paulo : Wat fal
ong afjchepden ban de liefde Godts / of druk /
oft bangighept / oft honger / oft naeckthent/
oft berbolginge / oft perijckel/ ofte ſweert /
KRom.s. 35.39.
Increduli — —* bat fia den Godt alder genaden
perverle gm fijn Soddelyck Woordt/ oordeelen / ende
weldaden niet en bekennen / en bekennen aolt
niet den Geeft / kracht / wille/ ende leben /
Dat daer in Ehziſto Jeſu geweeſt is / Welke
Aum behooren na te volgen / na lupdt Godts
Wooꝛt/ daerom ist dat fp Die Hemelſſche lee⸗
einge Jeſu Chziftina allen haet vermogen fo
jammerlijſen onderdrucken en verbolgen. Cn
dat fp alle valfchept/ verleydinge / bedzogh /
ende Afgoderije met ſoo grooten blijt en neet
- Led .
in omnibus.
flighepde. aenhangen / teeven en voorſtaen.
FJen ſegge noch eens / Waer ’tdat fh Dat Da:
bevlijck herte / gemoet) toegenegenthepdt/
toeficht/ gunſt) wille / ſorge / endeliefde Des
Almachtigen Gods in Chriſto Jeſu vecht ne:
ver ons geloofden / fin ſouden ſonder twijffel
fijn gebenedijde woort en fijn liefelijke verma⸗
ningen twel van gantfchen heeten aengrijpen/
en in den vruchten valbzengen / maer Deijle
Dat fin Cheiſtuin Jeſum en fijnen Dader uiet
vecht en bekennen / daerom foo gaet het eben
gelijli alg Chriſtus Jeſus ſeydt | namelijck ;
Soolief heeft Godt de Werelt gehat / dat hp
fijnen eenigen geboren Sone woude geben/ op
dat alle Die in hem gelooft / niet en foude ber:
maen / macr hu ſal hebben dar eeuwige lebven.
Want Godt en heeft fijnen Soue niet gefon-
die is alveede al berdoemt / want hp en gelooft
niet in den Naem des eenigen gebaren Soons
Godts. Ende dit is Die berdaemenig / dat het Vide cautan
licht ín de Werelt gekomen ís (en de menſchen ——
hebben lieber De Dupfteeniffe dan het licht / ram.
want haer werken Die waren quaet. Joan.
3e 19.
Stet nu wel neerftelijkentae/ Ógn ellendíz
ge berdoolde menſchen / want hier heeft Die
eeuwige wijshent Chriſtus Jeſus gebenedijt
ufelve uptgedrulit Waeromdatgp fijn lief:
felijte woozden niet en gelooft) en ſyjynen God: commemo-
delijken wille niet en balbzengt/ namelijck / ratio benes-
em dat gu Die berdoemelijke dunſterniſſe verzre ciorum
boven dat Salighmakendelicht beminc. Ja “ELO
ich fegge noch eens: Waer ’t dat ghn die
Goddelijcke goethepdt / barmhertighent / en
die anmetelijcke liefde onfes lieven Heeren Fez
fin Chꝛiſti neven u in dat aldert binnenfte uwer
zielen vecht greept ende geloof det / te weten /
als dat hu door een beenende liefde een onwooz
fel ſterflijſt Menſche boo? u gewogden is / door
liefde van den hoogen Hemel hiet in defe onz
derſte Deelen Der Verden tot u gekomen is /
dae? liefde u Dat eeuwige Nijck Boos geleect/
gepeedickt heeft / dooz liefde Krachten ende
wonderen gedaen heeft ( daor liefde boor u gez
beden heeft / dooz liefde boor u benaut/ bez
anghſt / gevangen / gebonden / geflagen/ hes
ſpot / befpagen/ gegeeffelt / met doornen ges
liroont / met galle ende edick gelaeft/ gela?
ſtert / gecrupſt / geftozven ende begraven is /
wederam bewefen/ opgevaren / tot fijns
Daders rechter hant gefeten ig / ende aldaet rom.3.27:
daor dat voortkomen fijns cooden bloets / u- Eph 1.5.
Wen getrouwen Bíenact / Voozbidder / Derse LTit2. 5.
ſoender / Verloſſer / Middelaer / en Adbocaet
geworden ig / Doop liefde fijns getrouwe getup⸗
gen/ namelijk / fijn henlige Apoſtelen met dat
Wooꝛt der genaden tot u ende tat díe gantſche
Werelt uetgefonden ende gefchicht heeft / Ec. _
Gp fout fonder twjffel wel wederomme lief Wi Deum
hebben den felfden/ die alfoa onuptfpzeehelij- 55° HE
ken grooten liefde ende genade Sonder eenige & qui diligie
goorgaende berdienften aen u beweeſen ende ex Dee natus
getoont heeft. nde als oh hem dan we- Er Aces
Derom bemint met foodaniger liefden als hp guoniam
ubemint heeft/ ende noch bemint / foo en Deus eft
foudt u boorwaer niet verdzieten / moepelijk / rartas-
noch oocit f waer zíjn / gelooft mp dat bee 5235
lijclt/ dat gp foudt alsdan ſoo hittighlijck daer peuit om-
na loopen ende jagen / opdat gp inallen faec- nem obedi-
Ken vecht ende onftvaffelijk mocht leven na fij- otiam.
nen gebenedijden wille / ende Wandelen alie u … rie
leen lankt ín fijn Goddelijke gebaden/ elit naricacem.
hp felve fent : Soa wie Dat mm lief heeft Dre Univerla
houde mijn geboden / Joan.14.21. — 7
Diet mijn alderliefſte Leſer/ aldus baert vam
dat rechte geloove ofte Die rechte kenniſſe de cheritati
Hiefoe/ 1 Cim. 1.5. Ende die liefde baect ——
de gehoorſaemhent der geboden Godts alg Lies osnor”
boven gefent ís. Daeromme fent Cheiſtus cas implec.
Jeſus: Wíe dat in hem gelooft { die en Wozt Y-ra ag
niet verdoemt / Ioan.3. 18. Item / noch op
een ander plaetſe / voorwaer boorwaer ſegge ik
u: wie dat mijn woozden hoort enn gelooft den
genen díe mp gefonden heeft) Die heeft dat eeu⸗
ige legen / enihnen kamt niet in dat oozdeel /
tact
maer hu fal gaen bau den doot ín Dat leven /
Jaan.s.24. Bant dat rechte Euangelifche
Geloove / dat is ban ſodaniger aect ende nas
tuere / Dat het niet ruſten oft bieren en kan /
Dan het bzendet hem alle wegen unt ín alderz
lene gerechtigheydt ende vruchten der liefden /
het ſterft bleeſch ende blact / het vernietet alle
berbode luften ende begeerten / het faeclit/
Dient / ende Heeft fijnen Godt in dat alderbiu⸗
nenfte fijner zielen) het kleedt Den naeckten /
het fpijft den hongerigen / het trooſt den bez
Leeren ende Schrijven. 443
woordt des vzedes / die lieffelijcke vermanin⸗ Lô
gen / de fuere fare acbepdt / dien Edelen
koftelijchen ſchat / namelijck / dat roode bloet/
ende Die ſeer bange bittere doodt onfes lieben
Weeren Jeſu Chziftí/ aen haer faa deerlijcken
zijn berlooren. Noch eenmracl Wee Wee /
want ten kan ende mag im der ceuwighendt Abque Ade
niet geſchieden / fander Den gelaavse/liefde/ ende cherirate, &
gehoorſaemheyt onfes Weeren Jeſu Ehaiftí ; er
faligh te Worden. Ach fpzeekke van De gehen Geri zon
díe tot haer berftant gekomen zjn. Men en potes,
Droefden / het herberght den eltendigen / het | magh (fept Die Peplige Paulus) Godt ſonder
helpt ende trooſt alle die bedzuckte van herten |
het doet goet De genen Die hem quaet doen /
het dient de genen die hem leet aen Doen / het |
bidt voor de genen Die hem vervolgen / het leert /
het vermaent / het ſtraft aug met fijns Heeren
Wwaordt / het wederfoeckt dat verloren is / het
verbint dat gequetſt is / het geneeft dat ktanck
is / het bewaert dat ſterck is al iS “t alleen gez
Wozden. Dart vervolgh / lüden / ende bangig:
hepdt / Bat hem gefchiedt om fijns Heeren
waechendt / is hem een heerlijcke bljdtſchap /
ende een ſeer hooge tvaoftelijckte vzeughde gez
worden / Ee.
Alle de geene die alſoodanigen Geloove
heeft als hier geroert is / namelijcſt / Dat luz
ſtigh ende begeerlijck is / om te wandelen in
des Heeren geboden / nae te jagen des Heeren
wille / ende Dat een indringht Mm alderlen gez
vechtiahtighent / liefde / ende gehaozſaemhent /
bekent aak dat het woordt / ende wille onſes
lieben Weeren Jeſu Cheiſti vechte wijshendt /
waerhent / ende leben is / jae onveranderljken
is / ende blijven fal tot dat Chriſtus Jeſus
wederomme in den Wolcken des Hemels tot
den laetſten oordeel verſchijnen fal/ die en fal
Gadts Wooꝛdt niet alg eenen lichten ademt
Werefidelee in de Lucht blafen/ gelijck die onverſtandige
non fibi vi- Glide Werelt Doet / ſeggende: Wat kan mp
vit fed Deo water baten t Ban hu fal met ſoo grooten vlijt
—— foechen Chrſto Jeſu gehoorſaemhept te beij
emnever- fen in ſijnen geheelen waagde het reycke alge
Gal. 6.3.4
bum Dei Dam te legen oft te ſterven nae den vleeſche fa
quam,& Godt gelievet.
ergo facit,
Diet alderliefſte Broeder / hier ſpzeecke ich
bepmoedigh met eenen feckeren ende gewif?
Geſoove níet belagen / Hebz. capittel 11.
berg 6. Wie met en gelooft (fendt Chzi⸗
ſtus Jeſus ig bevoogdeelt / Joan. 3. 18.
“goan. 8. 16,
Gelick als Die letterlijcke Wet Moſis
daor geen Cprannije Det Princen / noch dooz
geen ſcherpſumighendt Det Geleerden / noch
door geen caferije Des gemepnen bolcks/ tot
eenigen tijt moghte bevandert Wozden / meer
oft min gedaen worden / anders dan ’t Bodt
door fijnen Unecht Moſen bebolen hadde, / hem
tot op Chꝛiſtum / ja fin ook aile kinderen Des
toog ende des doots waren / Die in de felfde
Wet niet en bleven, Alſo ooh heden ten dage / Qui nec bene
al waer ’tfclhjaon dat alle Bie verſtozven Apo confiderat ,
ftelen opftenden/ ende ong anders wouden lees à Principi
ren / dañ ſy in die tijden haerder Jzedicatien ge⸗ 5 are
daen hebben / daer toe Moſes ende alle die Pro⸗ propheu⸗
pheeten / Daer toe ook alle Engelen Die in Dern von ſeda⸗
Hemel zijn/Daer toe fa menigh groot· ſpreeken⸗ cetue.
de ende wonderdadigh Propheet / alg wy han?
op onfen hoofden heben. entel atie
Die Princen grimden als berwoeftende Leeu—
wen ende grijpende Wolven /ende een pegelijite
tonge der Geleerden Was alg cen Wel geflepen
ſcherp mes / fo {8 ’t nochtans onmogelijk dat
fb ſaligh founder wozden / die in Die heplfame
Leeringe / Sacramenten / gehoorzſaemhepdt /
ende leven Jeſu Chziſti niet en bleven / jae fix
zijn kinderen des toorns / des vloecks / ende des
eeuwigen doots / gelijck Cheiſtus Jeſus ſelve
ſept: Hiet de gene die Daer ſeggen Heere Heere /
ſullen ingaen dat Hijchke Der Hemelen / maer
Die Daer bolbzengen den Wille mijns Paders /
die ſullen ingaen in dat Kijclte dev Wemelen f
Matt.7. 22. Noch op een ander plaetfe leert
fen Geeft / niet door eenige openbaringe oft Ehriftug Sefus/ feagende: A8 ’t dat oh in
Joan. 7. __uptdzucktelijke Wetterlijke Woordt des Heeren
Bat defe onfe Teeringe / onſe Leeringeniet en is /
maer fit is deg genen Die ong geſonden beeft)
Quï Deocu- Dat is Chꝛiſtiis Jeſus. Nile de gene Die
pic vivere » ſijnen mille doen willen / Die fullen one
dedobrrina leeringe wel bekennen dat fp unt Godt is,
noftra. __ ende Dat Wp onfe epgen gaet-duncken/ droo⸗
Jaftitia Che - men ende viſioenen niet en fpzeeclien. Maer
Hemelſche inſpzaeke / maer alleene Dooz dat pm ooozdt blijft (mercket Wel ) foo fuit gin
|waerachtig mijn Bifcipelen zifn/ende ghy fuit
gevaet / ende ín dat binnenfte dec Conſcientien / de waerhept bekennen! ende de waerheht fat u
bep maechen/ Goan.8.23. Hier npt volght
nu dat tegendeel / lieve Bzeoeders / het welche
dit is / namelijekt: Is ’t Dat wp in Cheiſtus
woogdt niet en Dlijben / fo en mogen wp ſjn qui in docui.
Diſcipelen niet zijn/Wop en ſullen die waerheyt na Christi
níet bekennen / ende is't Dat Len De waerhept POEPEN
net, hic
niet en bekennen / hoe fullen Wop dan door haet picciputus
fti, lib : ; (ih Te 7 | En | *
el hennes Die gene di adt wet om baceft / Cheiſto gebzijt worden? Erde worden Wp Doop de eius non eh.
tio, Jeſu niet en gelooft / fijn Woerdt beetveet /
fijnen wille niet en bekent / meer bemint de
Waerhent niet gevrijt / Wee ous Dat op innner⸗
meet gebooren zjn : Want ſoo zijn Wu
Dupftechept dan het licht / ba Dien moet och in den fonden / onder den vlaeck / ou
doch alle ECuangeliſche waerhepdt alg een
Dec Den toorn / kinderen Der Hellen / Des
geemaledijde Hetterije verbloeckt / ende als Fupbels / ende des eeumigen Doodts.
een ſeer doodtlijcke bewaderije gefcholden /
O Jammer ende Jammer | Vxeeſt u ban
gebannen / ende vermoordt worden. Aleven⸗ | gartfchen herten / @ qhu trouwe Wefer /
wel fal Chriſtus Woordt ongebroken blijven | pant Die en fial in der eeuwighendt anders niet
tot op het lactfte gerichte gelijck Wop boor ge⸗ gebonden Worden.
fept heben.
GQ tyran-
. : Cau
Waer ’t dat die bloedt-aterfge tpranní- nidis Kind:
Och Wee ſoodemigen / dat al Die obervloe⸗ ſche Weeren ende Dogfien DIE felfoe van Den pam ett
dige Weldaden der genaden/ Dat Hemelſche beginne wel bekent hadden / ende noch Wer SLO
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
cerum
beken
| Matt. 24. 35°
HEN Ea. 40. 8.
Si Romanus
Pontifex &
DIA {ui reéte
If! Chriftum
cognovif=
| quam in hu-
jusmodi ide-
lolatriam ,
perverfan
vitam » &
blafphemnias
erupiflent.
uuiverfa ſa⸗
lus noftra,
videat ergo
— à
quoquam.
Pſal. 22. 7.
Ela. 53 5.
Pan. 9. 254
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
bed
fent, nequa⸗
Ab uno Chi. Î
fto depender falfghendt gelegen ende begrepen is in Chri⸗
uique ne ſe Leeringen anders
44,8
De Oorfaeck van Menno Symons
bekender / namelijctt / alg dat EChziftug ( moet ootkt alfo gefchteden / is 't anders Dat ſp
Waadt eeuwi
dooz geeng Menſchen hooghepdt verandert hept hem
en magh worden / geenſins en hadden fa ſoo Scepter /
hart weder geftceden / ende De belijders des
Goddelijcken woordts fo deerlijcken omge:
braght ende vermoozdt.
Hadde oock die Romeynſche Biſſchop
met ſijnen Geleerden deſe ſelfde ſake in ſijnen
herten wel bedacht / geenſins en hadde hu
Italiam Den Renſer / ende dat geeſtelijcke regi⸗
ment Chꝛiſto Jeſu alſoo ontweldight ende bez
nomen. Dan hy hadde ſonder twijffel goe⸗
de nacht gefent allen ſijnen wereltlijken heer⸗
lijckheden / pomperije/ oberbloedighent / Afgo⸗
derije / valſche Meere gemackelijck leven / ver⸗
dranden Sacramenten / Sodomitiſchen onren⸗
níghept/ Concilien / Statuten ende Decreten /
ende hadde hem wel alleen laten genoegen
met Die onberanderlijcke Wemelfche Lee⸗
ringe deg eenigen Heerders / Teeraers onde
Biſſchops onfer zielen / het welcke Daer ís
Chꝛiſtus Jeſus.
Cerwijlen dan die gantſche ſumma onſer
ſto Jeſu / ende in ſijn heplige Woozdt / ende
ín geenen Menſchen anders / noch fn geen
ín Der eeuwighepdt / ſoo
waerſchouwe ick een pegelijckk Godtbreeſen⸗
de ziele met Des Weeren woozdt / niet dan
doot bzaederlijckte liefde / dat hee hem niet en
wil laten verſchricken ende verlenden / noch
doa? hooghepdt Der Menſchen / noch dooz
outhept der namen / noch daor geleerthent /
nach door welſpreekenthent / noch Dao? een
ſchoon fchijnfel van wercken / noch doa? Droo⸗
men / noch daor eenige Peophecien/ noch dooz
viſioenen / noch dooz teekenen ende Krachten.
Want daer en magh ín der eeuwighendt geen
wijfer/ geen waerachtiger / geen blijtiger/ geen
gerechtiger geen Aengenamet Lao? Godt /
geen onffcaffelijclter / geen neevftiger / geen
vachtiger / geen volmaeckter / geen hooger
Propheet / geen hepliger opkomen / dan als
Thꝛiſius Jeſus in der eeuwighendt gebenez
dijt ſelve geweeſt is / het hee
getunget / ſoo watter is in den
Herde. Eerſtmael Godt ſelbe tot Adam /
abh íg / ende Blijven fal/ ende | níet verlooren en witten blijven / dat alle ober⸗
bupge onder fijnen Goddelijcken
alle beenuft ende kloechfinnigbent
hem fette onder fijne Wemelfche wijshendt /
alle vleeſch ligge onder fijn gebenedijde boeten/
ende een pegelijcke tonge belijde Dat bu Die
Heere is / tot lof ende prijs fijns Daders, Phil.
cap. 2. vers 11.
Hieromme hidde ick alle mijn Godtbree⸗ soli peo ho-
fende Leſers in den Heere / Doop De verdien: nor & glorie
fien onfes lieten Weeren Jeſu Cheiſti/ gebene⸗ me
dijt / Den welcken alleen behoozt Dat Nijck /
zhs / ende eere / ende geen menfche/ dat fp mn
acme ellendige Sondaer / die itk obermits
mijn onrenne / qulfige / hooghmoedige /pdez
le/ Afgodiſche / ende bleefchelijckte leven / Daer
ícht ín baogleden tijden gelent hebbe / ende noch
heden ten dage menighmael ſondigh / gebzeez
kelijclt/ ende obertredigh boor mijnen Bodt
bevonden wozde / niet Weerdigh en ben een ; cor. 15.9.
die alderminfte ende verwozpenſte dienaer te
wefen ín dat huys mijns Decten. _HAachtang 1 Cor.1s. 10.
Doog fijn genade ben ick dat ickt ben / dat fp
dochs (ſegh ickt) in Der eeuwighendt nimmer⸗
meer / my hooger willen achten ende genſien /
dan alleen boog eenen fimpelen ende eenbou⸗ 1 Cor. 4. 1.2.
digen Dienaer Jeſu Chaiftí / ende boor een
untdenlder fijner verborgentheden / na de mate
des geloofs die mp van hem gegeven ís,
Wijn Broeders / ick fegge u de waer⸗ Qui ſeipſos
hept / ende en liege u niet: Iche en hen extollune,
geen Enoch / ick en ben geen Eliag / ick en Broram
ben geen Diender / noch Pzopheet / Die an⸗ quzrant.
ders leeren ende Propheteren kan / dan unt
dat uptgedzuchte Letterlijke beſchzeven Godts
Wooꝛdt ín den Geeft vecht gevaet. Ende ale
|
|
le de gene Die anders foecht te leeren / Die fal
wel haeftelijck ban De vechte bane Wijcken/
ende in fijn berftant bedzogen wozden. Pelt „ aorem
en twiíjffel Daer niet aen / oft die barmher⸗ aecipit „qu 1
tige Dader fal mp alfoo in fijnen woorde bez verbum Dei
waren) dat ick niet en fal fchzijven noch ſpzee⸗ Pon docet.
ken/ Dan alleen Dat gene/ dat ick krachtes
lijcken magh beweeren met Moſe / oft met
ft ooit al van hem | den Peopbeten/ oft met den Cuangeliften/ oft
Demel oft op | met andere Apoſtoliſche ſchziften ende Leerin⸗
gen vecht aengeweefen nae den ſin / geeft; ende
daer nae tot Abraham / daer nae Moſes/ menninge Ehaifti; oordeelt ghn die Geeſtelijck
daer nae Dabid / daer nae Eſaias / Jeremias / zijt.
Ezechiel / Ofeas/Zachariag/met den meeſten⸗
derle aller Propheten / daer nae die Engel Gaz
bziel / ende die Engelen ín fijn geboorte / Die
Stezre des Hemels / die Wijfen unt den Oo⸗
ſten / die Geleerde tat Jeruſalem / Joannes Ba-
ptiſta. Item ín fijn Doopſel die Dader ende
Die Heplige Geeft/daer nae Die gemmepne Scha⸗
cen / die Dupbelen / geſonthent / krancite/ Le⸗
ven / Doodt MWater / Wint / Brooden / Viſſchen /
Vijghboom Kinderen op den Palmdagh / ge.
Item ín fijn ſterven die Moozdenaer / dat Fir⸗
mament deg Hemels / den gantfchen Aertbo⸗
dem / die gardijne des Cempels / die Steenen/
Die berftorven dooden / ende Centurio onder
fijn Eeue. Seght/watis er dat ban Chꝛi⸗
fla Jeſu niet getungt en heeft? Pae hu is Die
gene / gelelt hy felbe fept / nae fijner bezrijſe⸗
niffe/ als yo den Wemel wederom Woude inne:
men/ Matth. in't 28. den welckten alle macht
van fijnen Dader gegeven is / bede in den Pez
mel/ende op dee Aerden. Daeromme ig’t ins
— —
mers wel recht ende reedelijck / jae het falende! Jeſus. Alle die gene / die hem nu beroem̃t *
1
Item / ick en hebbe dok geen gefiche
ten / noch geen Engelſche inſpzake /'t welck
icli ooclt miet en ſoeclie noch en begeere / op
dat íclt doo? alſulckis niet bedrogen en Woz-
de. Want Chgiftus woordt is mp alleen al yiſo potet
genoegh. Ist dat ick fijn getungeniſſe niet —— der
en volge / fo (8’t voorwaer met mp al berloe orig: nc-,
ven/ende of ick ſchoon alſulclis hadde / het welc? quaquam.
Ke niet en is / fo moeſteꝰt nochtans gelijekktmaz
tig wefen Chriſtus Geeft ende woort / oft het
wag encktel fantafie/ verlepdinge ende Satans
bedzogh / want fo Wíe dat Prophechen heeft/
(fept Paulus) die laetfe den geloove gelijck
zijn/ Kom. capíttel 12. vers 7,
_ cht en ben ook geenen Derden David / gee
lijch die ſommige haer (oa balfchelijck beroemt
hebben / ende noch beroemen / want daer
en zijn níet meer dan twee Davids begrepen
ín Godts woordt. Die eerſte cen letterlijcke David five
ende ſiguerlijcke naemelijch/ Die Sone Jeſſe / Efi typac
ende Die tweede Die Geeſtelijcke / de eenige el 5
gebdren Done Godts / namelijcht / Chzifus
Dn De derde zy / dat i
ende ſeer grouwel
ſtum Jeſum.
Chriſtum Tee
ſum tan-
adhuc altum le
&
Davidemde- 4 onwetenhendt / fonden ende blinthepdt | fetten op
fideratpra- Opgcboet alle Die Dagen mijng
Leeren ende Schrijven.
449
met des Heeren Geeft ende
op dat fn dach haer Gerten niet en
| mp/ noct op eenigen Lecraer oft
levens /|fcheijver / dan alleen op Chꝛiſtum Jeſum. teg Chritto.
terChriftun, CoC Dat mp Dat Meffelijche licht der gez Want waer ’ fake dat ffe aennamen om
naden ende der kemmiſſen upt den hoogſten ban |mij
Godt berfchenen is/
hen ſoodanigen herte /
⸗
wille ende beg
jage met den Hepligen Paulo nae den voorge⸗
ſetcen Peijs / op Dat ict haer grijpen mag
gelijck alg ick begeepen ben / ban C
ſu / Phil. 3. 12.
Wely alderlieffte Leſer / ick ſegge noch eens /
nent Wille / ende eerſtmnel niet neerſtelijſt
ende heeft mp nu geges en doozſochten met deg Weeren woordt / ende
eerte Dat | alſoo op mp; oft op ernige Menſchen wanden
teit vanwillelten foechte nae Dat goede / ende | fEeumen ende qlorieren / ende niet epgentlijels
op Cheiftum Jeſum / fo waren ſy de beſtraffe⸗
h / lijcke Corinthiers gelijck geworden / welche
heifto Je⸗ Paulus feer herde beftvaft heeft / om dat Mm
haet niet fonder twiſt ende tweedzaght dec
Leeraers beroemden / ende níet alleen den gez
Batielt hier veozmael faa fchandelijct gehans nen / Die van de Teeraers qeleert wordt / dat
Delt hebbe tegen Gode ende tegen mijnen nae:
ſten / ende gedenche / ſpreeke / ende doe noc
onderwijlen wel voechelooslij
clt / dat ick al
was Chꝛiſtus Jeſus/ 1 Cot.r.3. Dp waren
hook Die gene / daer af gefcheeven ffact / name:
(elk: VBervloeckt is Die Menfche die op cen
evenwel Ban gantfcher heeten hate. Wat Menſche betrout / ende fettet cen vleeſch oog
ben ick dan Loo
ſoude / pet and
Ban alleen Ch
zeen / Dat ick mp pet beroemen
es ſoecken ende leeren foude/
fijn hulpe / Jer. 17.5. (ze
| en end Woude ick met mijn leeren de Difcipulen Ne quis de
ziſtum Jeſum ín dec eeuwig” | tot mp trecken / ende niet alleenigthy tat Chei⸗
heut gebenedijt / fijn Woordt / Sacramenten / ſtum Jeſum / ſoeckende mijn epgen gewin /
geloogfaembepdt / ende fijnen Godt gevalli⸗
lof/ ende eere / ſo waer ’t boorwaer wee ober
gen / deughtſamigen ende onftcaffelijckt leben, | mijn ziele. Heen Bzoeders / neen. Die Weere
Matt. 1.25. Want hpis alleen Die gene Daer af gefchzeben | 33 gebenedijt /
Luc.1.3r. ſtaet: Als dat hu ontfan
IPet.z.22
El.szr. lien Geeft/ dat hp geen fande gelient/ nach en ben door Godts genade niet gefint als die
to, 12,50. geen bedzogh in fijnen gebenedijden mondt gez
hadt heeft. Ja fijn Leeringe / Woozdt
ende geboden, die zijn dat eeuwige leben,
Hieromme foo fiet wel neecftelijcken toe / ben een at
ende waeckt vlijtighljcken vooz uwe zieele/
want aldus moet een pegelijck Chriſten neben
Chꝛiſtum Jeſum fijnen Salighmaker / ende | ven bar
neven fijn heyligh woozdt ín fijner herten gez
fint zijn/ ende ook in fijnen heeten niet hooger,
_ En geboelen/ hp hebbe dan hem ſelven hu heb⸗
Videat quis he dan alſoo groote gaven als hp beeft / 18’!
—* ne Chri-
oJefis am Anders Dat bn Chꝛriſto Jeſu fijnen pzijg niet en de
gloriam fuc- Wil ontſtelen / ende blijven alſoo in een aat-| en
riplat, & in moedige Wandelinge boo,
morta!em
carmmem _ Dierechte mate deg Geloofs
transferat. behoort te gefchieden in Chzift
tant en bedziege hem felven / dat rade ich u/
laet doch Die geeftelijchte hooveerdije / ende die
fijnen Bodt / in (
gelijck alg dat d
gene/ Die tu haer herten oger De wolchen zijn
wille gevaren / ende willen den Alderhooghſten gez
lijcht zijn. Maer ick fegge nach eens: ck
arm ellendigh fondaer / Die alle bage Non volo,
moet ſtrijden tegen mijn quade vleeſch/ Wez
relt ende Bupvel, die alle dage foeckt deg Pee quicquam.
armhertighendt / ende Die hemm met den
Hepligen Paulo over al niets niet en beroemt
te weten / dan afleene Chziftum Jeſum ende
Dat Die boor ong gelieupft 18/1 Cor.2.2.
Mijn coepen ende ſchrijoen en is uiet ans
rs Dan Cheiftus Tefug / Want ich foecke
we begeere ban gañtſcher heeten anders niet
dat weet Die gene Die alle Dingen weet) dan
ijc at Dien glorieüſten Naem / dien Goddelijlien
o Jeſu. Nie⸗ wille / ende dien heerljcken prijs onſes heven
Heeren Jeſu Chriſti magh bekent worden
bn de gantſche
Weerelt. Ach begeere ende
balfche beroeminge vezre Lan u zijn / Want! foeclie oprechte Leeraers / vechte leeringe /
Gode wederftaet Den hooveerdigen/ maer | recht &
Den ootmoedigen geeft
bets 6.
Mifera pleba Obermidts ick dan Die grouwelijclie cnde
| cloobe /
bpgenade/ 1 Petr. 5. ren Godes- dier
rechte Sacramenten, rech⸗
iſt / ende cen onſtraffelijckt
leven / het welche ick met ſao veel drzuclis /
ongemacks /moepte / acbepdt/ wachien/ vree⸗
—— vervaerljcke peciculen alle dage ſie voor mij fe / bangigtent / ſozge / ſpt / fchaude / hute /
tur.
nen oogen/ ook ban den beginne alſoo geweeſt koude
is / datter fo menigh onnofel ziele verlept is / met vc
ende noch verlent Wordt doorz die valſche doot f
Prophecien / vercierde Wooden / fchijnende; taten /
heplighendt / leugenachtige krachen / pochen
Ende balfche beloften der Antichziſteñn en der
Balfcher Pzopheeten / die alle wegen haer
cpgen eeve/ hooghendt / ende gekam geſocht
hebben / ende nach ſoerken onder het woordt
Godts / gelijck het met den Paufen van Roo-
men, Met Jan ban Leyden binnen Muntter
ende met noch meer andere gefchiet is / ende!
noch oberbloedigh geſchiet.
achte ick Dat feet noodigh en
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Daeromme foo
| Ende bp avonturen teu Tactften
el pijnen, jae met mijnen bloede ende
uerlijcken ende bitterijcken moet bee
Want mijnen danck ende loon nae Den
bleefch en behooet immers niet anders te zijn/
dan bp den genen Die geweeft if / oolt van
ben beginne / die de Salighepdt deg Werels
met foo grooter liefde geſoght hebben.
Ik fegge mer den alderhenligften Joanne Ba=
patta, Chꝛiſtus Jeſus die moet waſſen / maer
ich moet minderen / want Gu leeft ban ecuwig-
het tot eeuwighept/mact ick fal wederormmg 1922: +39 -
me foo) in ſtof verkeert worden / daer ich af gekomen
de profhtelijck /\ ben/gelijk als ante die za tT der Menſchen.
GIA:
s hooveerdelijck gelagen/ [unt eenen bzeefenden gront mijner heeten! Opus eft d-
ijck gelaftert tegen Chrei⸗ {feet neerftelijchen te waerſchouwen ende te
un. Cen pegelijcht fie neerſteljck
toe / Dac ha in fijn Geloave niet en dwale.
Felt ben over al nier daar mijn eerſte geboor⸗ |
quam inuti- te Dan Een ont
lém cón- den / ſondigh al
mohitione,
ne noſtra
bermanen al mijn lice Leſers / in Den Hee⸗ cutra
ce / als dat ſu doch mijn Leeringe niet en ſul⸗ esin
len acunemen / alg dat Euangelium Gefu ocentes.
jn vunl ſljm ende ſtof dee Aer⸗ Chꝛriſti/ alfoa lange alg ſyſe niet vecht en heb⸗
ón- … Ù iefangen ende gebooren unt den ben doormeten
rat at lichaem Dan mijner Moeder/ ende in ai⸗ Woordt,
Non docen-
tibus imi—
tendum eft,
me cogiter
fuper id
quod videt
ex me , aut
quod audit
A ick en ſoecke niet dat Judas “* *S
gen is van Den Hey⸗ Galileus ende Teudas gefocht hebben. Fck
AEK © 375
Matth.15.13°
Prov.21.30.
non quzro,
non doceo
nifi cruci-
fixum Jelum.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
450 De Oorfacke van Menno Symons
Daeromme fa begeerte ick noch cenmael | hept ende blinthept niet genoegh verwonde:
dao? Die ontfermthept Godts / ende dat om ren / om Dat fn haet niet en ſchamen Chꝛeiſtus
haer engen ſaligheyt wille / Dat fp doch mijn | Naem te Dzagen/ ende Lan fijnen hepligen ver⸗
Hebr.9. leeringe met Die iceriuge aller Menſchen / die dienſten ( daat ende bloet fa fkoutclijchen te be
ban den tijden Der Apoſtelen tot nu toe ge⸗ roemen ende vermeten / dacr dach an haer over
ſchreven hebben / en noch ſcheijven / recht wilten |al niet bevonden en wordt / in den welcken dat
Uoirerſa do- be pzocven / cxamincren/ doozmeten / en wegen ſy dien goeden wille Jeſu Chriſti in dat al-
rene met Dat hepuge Euangelio Jeſu Chziſti / ende derminſte uptdrucken oft bewijfen. Seoht/
doêtrina met die lerringe ſijner Apoſtelen / op dat fn Oghn onnutte beroemers / zijt ghy de rechte
Citi. doch níet Doo? mp/ oft Boo eenigen Menſche / Cheiſtenen / gen Den welcken Bode fijn bela:
bu zu Prince / geleert oft ongeleert/ heplighin gen beeft? gelijck ghp mepnt. Waer ís dan
’t aenſchin / oft wonderdadigt/ bedrogen mo: u Geloove / dat Goddelcke gerechtighendt
gen wozden. Gs ’t Godts Woozdt dat ickt voordzaeght? Waer is dan u Cheiſteijck
leere? laet het de Geeftelijckken oozdeelen/ fa | Doopſel/ ín den welcken dat gp uwe fanden
moeten fj ’t aengrijpen ín Den Naem deg Weer begraven) ende Dat nieuwe leben aengenomen
cen / Willen fp anders niet verlooren blijven/ / hebt? Waer is u oprecht Avontmael / fn den
maet ís ’t menfchen -lecce / famoct ’t ban welcken dat ghn Des Leeren Doodt veckonz
Godt vervloeckt ende vermaledijt zijn/ want dight / ende de bzoederlijckie liefde betoont t
daer cn magt in Der eeuwighepdt geen ans waer is uwe Godts liefde ende vzeeſe? nme
dee geont gelepdt wozden / dan alleen Dat ’er liefde des Naeſtens? uwe weemoedighent des
van de Apoſtelen gelepdt ende geleert is / hertens? uwe barmhertighept neben den bez
her welclie is Chriſtus Jeſus / 1 Cor. cap. 3. hoeftigen? uwe gehoozſaemhept der geboden
vers 11. (Godts? uwe nieuwe geboogte van boven /upt
Ons en is geen leeringe pzofijtelijck oft | Welclte dat volght een nieuwe leven / dat onbe:
dienende totter falighept dan atleen Die leerin⸗ ſtraffelijck behoort te wefen voor Godt, ende
ge Jeſu Chpifti ende fijner Apoſtelen / ger boor Die gantſche Werelt? waer ís uwen rech⸗
hijch hy ſelve fept / nameiijelt : Weertfe andere ten Godtgdienft / namelijck / als Wenen
houden alle Dat gene Dat ick u betalen hebbe/ ende Weeſen te verſoecken ín haven drucit)ende
JRatth. 28, 19. uonbeſmet u te bewaren ban defe Werelt? Ja⸗
Alle leevingen bepde des Guden ende deg: cobugr.27. Waer ig die levendige, henhge/
Nieuwen Eeftaments recht geleert ende ge⸗ ende aengename offerhande van uwen epgez
vaet in Den fin oft meyninge Cihiftí / ende fij-|nen lichaem / Die qhp alle dage moet opz
net Apoſteien / die zijn goet tot leeringe / tot. offeren am deg Heeren waerhept? Bom.12,r.
bermaninge / tot beftraffinge / tot onderwij⸗ Men en bint immers onder u gantfchelijck
finge ín gevechtighept /2. Cim.3.16. Maer, niet/Dan alle ongeloove / met fijn quade bruch⸗
Mundus
quamvis
Chriftum
nefcit, xque
tamen eius
merita ia
état.
S
Falſi Chri-
ſtiani omnia
al wat ons tegen Chriſtus Geeft / fin ende lee⸗ ten / een Antichziſtiſch Doopſel / ende een Af⸗ agunt prz-
vinge geleert woedt / dat isvan Godt geban⸗ godiſch Avontmael / een vuple ontepue liefde
nen / Gal. 1. des vleeſchs / onbarmhertighent / hoobeerdig⸗
Unicus lapis Overmidts datter dan niet meet en is bept/ gierighent / ongehoszſaenihendt neven
angularis dan eenen geont-fteen ban Godt den Almach⸗ allen Bodtiijchen faechen / die bleefchelijchte
— tigen Dader gelepde ín Dat Fundament van gebooezte / Die aertſch geſint ig ban der Aerde,
Sion / het welche is Chziſtus Hefus /Efa.28. ende Dat oude onbeſtraffelijcke leven / het
ÜS 16. Nom.9. 33. 1 Petr.2. 6. op Den welc⸗ welclie Dat gelegt Wordt nae den Wille deg
hen allecne gebouwet moet worden / gelijckfor⸗ geenes / Die Dan Den beginne af hoobeer:
Woiverfue migh fijn Woordt / ende op anders niemant, bigh / leugenachtigh / bedziegelijck / ende
mniverlus fn ber ecuwighepdt. Ende alle die gantfche cen Wzeede bloedige moogdenaer geweeft is /
faper Chri- Wijde Werelt daer en tegen op vzeemde ffee- Foan. 8,
tum, fed fa- en getimmert hebben/als op Pauten‚op Con-\_ Ien en bint bp u geenen Gobdts-dienft/
per lapides cilien, op Dooren, op Leeringen ende gebo dan alleen eenen uptwendigen lichaemelijc-
ficavir. Den dee Menfchen, op guade gewoonten / díe, ken Gedachten fchijn det wercken / die daer is
lange jaren geduurt hebben/ ende Die fonunige een feet geneughlijche luft des vleefchs/ als
(lepder Godts) noch heden ten dage bouwen Klocken, Orgelen , fingen, vieren, wel ge-
ep valſche qeoot-fpzeeltende Propheten / ende | pronckte Kercken , fchoone Beelden , onder-
ber werpen foo ſchandelijcken Den cenígen / E⸗ ſcheyt ban fpijfen ende dagen , valfche rey-
Delen ende wel gefchichten Hoeck-fieen Chris | nigheyt ende beloften , beele Palmen ende
ſtum Jeſum ín Der eeuwighepdt gebenedijt. | Pater-Nofters met den mont / ende niet met
Daerom ſoo en magt ich dat niet naelaten / den geeft te leſen / bervalfchinge ber Sacra-
of ick moet met deſe mijn leeringen fo wijt |menten/ ende cen vernielinge ende berdzaepins
alg men de felfde Dragen / lefen / ende hooren ge ban alle dat gene dat Thriſtus Jeſus ín
fal/ trouwelijcken waerſchouwen / ende verma⸗ fijn Hepligh Euangelio geleert / gefet/ ende
nen / alle Godtbreefende zielen ín den Heere / behaalen heeft/ dat voozwaer geenfing were
Die begeert ſaligh te worden / op dat fin op⸗ ken ban een weder -gebooren EChaften en
waeclien van ſtonden aen/het tepclte algdan te zijn / maer veel meer Werchen deg Satans /
leven ofte te ſterven nae Den bieefche / foa het oft deg fotten/ blinden ende onverftandigen
Godt gelievet. Ende dat fp ſonder eenigh vleeſchs zijn. Want ín deſe ſelfde werchen
poftere,
vertreck alfoo intreden ín die lieffelijche hepl- immers geen Godts Woordt nach gerecht ige Jaticis car-
fame leeringe / Sacramenten / geboogfaern: |hept geleert en wordt / geen vleeſch geevupft, *
hept / ende leven onfeg lieben Heeren Gefu |geen Cheiſtenen oft naeften gedient / ende
Chꝛeiſti / Want Daer is alleene Dat eeuwige lez dver al geenen Goddelijeksen Iuft/ vuile / ende
ben/ gelijck het hoven foo dickwils gefent ig, _ [welbehagen balbzaght ende gedaen en wordt.
Alderliefſte Leſer / ick en kan noch en magh | Baecanune fp oackt met der hepliger Schrift
voozwaer map des Werelt ſtoutighent / daof-' geen dienſten Godts inumermeer gebeten
mogh⸗
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
US vana
immermeer geheeten mochten worden / dan |
heel meer cenen feet geouwclijken verfchriche- |
lijclien ende feet vervaerlijlien / Dienft der Af⸗
Humana Goden, dant Door aldusdanige middelen /
juttiriafem- ſoo Wordt Dac ſimpele onverftandige bolck |
tk
deeg Afgelepdt Dan Bat rechte geloove ende betrou⸗
Wen Chꝛiſti Jeſu / erde wordt gelendt in cen
baifch betrouwen der wercken / jae alfuic-
lie wercken / van welcken Die eeuwige wijs
hepdt Chriſtus Jeſus gebenedidt niet een ſet⸗
on, EEE geheetren noch bevolen en heeft. Met
pu jafeis welcue wercken ſy opentlijck bewijfen / hoe
inherent, Dal fa Chziſtum Jeſum in haren heeten
Chritum als onvolkomen / als fat / ende alg ourenn
abnegant gelooven. Want waer't dat fp hem als vol⸗
regemtorem · ſomen / ende alg wijs bekennen / hoe fouden
fp dan fijn volmacckt Euangeliſche Woordt
ende Ordinantie aldus fchandelijchen ver—
valſchen / Dzacpen breeken / verſmaden ende
Wedeefteijden : Ende waer ’t oock Dat fn hem
repn bekenden / waeromme focchen fp dan
haer ſalighepdt daor aldusdanige onrepne
ende veeemde middelen / ende niet alleen daag
— reyne offer /'t welck is Chriſtus J
Jeſus.
Ve FMaer om dat de oprechte Godts-dienft |
pugnat carn, ſtrjt tegen uwe vleeſchelijlie finlijcktept / als
Sceamob tegen Uwe hooveerdighept / tegen gievighent/
—— tegen onſupberhent / tegen gulſigheyt / tegen
pdelhent / ende tegen dat gemack / ende welz
luften ban uwen quaden vlcefche. Dacrarmmme
bebt gunu felben eenen onnutte ende vreem⸗
Den Bodts-dienft verkoren / daor den Wwelc:
en dat gn verhoopt Saligh te Worden / al
hae wel dat gp niet en leeft na de Woorden en?
De en leeft niet na Den wille Bods. Och neen
licbe Heefer l neen : Ach ſegge u noch
eeng / gelijck alg ick u te boorten gefendt
hebbe . Alwaert dat alle Creatuuren onder
Den geheelen ende gantfchen Wemel verſlin⸗
Dende Sweerden / Vperen ende Wateren Wa-
ren / alle Menſchen wreede geouwelijke en-
De blocdige taranmen Waren / ende Die ſcherp⸗
ſinnige wijshendt der geleerden hoogh boven
Den Voiclien mdzonge / foo is ’t nochtans |
alte vergeefs / wilt gp tot den leven ingaen/
foo moet gp andermael geboren Worden /
Nonfalva Joan. 3. 5. Gu moet omgekeert zijn) en:
beris, nik De in de booshendt den Klepnen onnoofclen
mnoverise Kinderen gelijck zijn 1 Corint. Cap. 14!
berg zo. Epheſ. 4. 14.20. ja qu mact houden
De geboden / die daer van Chriſto Jeſu geleert
en bevolen zijn datt. 18. Wier tegen en ís
geenen vaet noch middel / Want daer en fal m
Der reuwighent geenen wegh / waerbept/ ofte
leven gevonden Warden tot der. falighepdt an:
Decs dan Cheiſtus Jeſus / Yaan. 4.21. |
Wet is immers al te feet groen ende onbe:
fchepdelijken blinthent dat te verhopen / als
hd
*
Ouamdiu
peccatis
Leeren ende Schrijven.
451
woort de waerhent: Och armen / foo is 't quialva-
met wal berlooren. Want ſijn leere en Waer: bieur ille —
hent is / dat Die ongeloovige Wederfpanuie 8
ge ongehoozſamige / gierige / ndele/valfche teu” gemnatur.
genachtige / hoeraghtige gülſige / ſtoutmoe⸗
dige / Afgodiſche/ averfpelige/ eergierige /
bloedige / ende bleefchelijfke menſchen niet en
Fullen ingaen Dat rijk der Hemelen / maer haer
Yot en Deel is Dat eeuwige verderven / 2 Theft,
1.5. Den eeuwigen brandt / / Matth. 25.31.
ende De eeuwige Daot/ Wom.6. Matth.
24. 31, rerbar
Dewijle gn dan aldugdanige Gadtlaofe / Chriti judie
verharde / ende moetwiliige fondaren zijt / cat non
foo zijt ohp immers door Chꝛiſti engenen kome.
mont / niet liegen en magh/ ende daor dat °°:
leeren aller fijnen Apoſtelen / Die met gelij
len Geeft geleert hebben / als berooft
van Die Heerlijcke openbaringe Der Winderen
Gudts/ ende ban dat toekomende leven /
ende moeten tot den eeuwigen dagen / daar
den ſtrengen Godts toom / blijven in de vie⸗
rigen pael cen ellendige barnende fpijfe der Hel⸗
en/ Aooc. 21.8.
Ende ig ’t dat an al evenwel de Salighent
berhoopt / hoe wel dat ghp uniet van gants
ſchen herten ommelieert / ende betert u oude
berdogben leben / ſoo isꝰt voorwaer alte ber:
geefs gehoopt / want met fodanige hope maeckt
gp Godt tet een leugenaect / om dat gp het
leben hoopt tegen fijn hepligh woort.
Wat mepnt ghy doch / @ ghn verkeerde
Menſchen / datmen den almachtigen/ wijfen
ende vechtbeerdigen Godt vezraſſen / hers
blinden ende bekoopen magh. Iernt ghn
dat Die eeuwige waerhendt een valſche leuges
naet om uwent wille worden falt Feen lie⸗
be Heefer / neen / Wacht u dies oft hu wilt /
Die onwederfipzeelselijke fententie Gods is ſon⸗
der appellatie ober vijftien hondert Garen
al gegeben ende bebeftigt / namelijckt : “F8 °t
dat gp na den vleeſche leeft / fo fult qu ftevven.
Dit woort ig gewis ende waerachtigh.
õ Werelt Werelt / dat qu Die vaepende enz
de aenlockende femme uws Godts / die fan Rom.8.13.
obezmaten trouwelijk met u handelt / gelijck
als een getrouwe Dader met fijnen lieven kin:
deren doet / alg pdel ende onnut verfimact /
en gu fpeeelkt met Dat welgepronchte Cpro ín
uwer heeten: Ick ben van bLalmacckter
ſchoonhepdt / Ezech. 27. 3. ende met dat
hoohmoedige Babel : Ak ben cen Uoningin⸗
ne eeuwelijſt / ick en ſal geen Weduwe wor⸗
den / nach ík en ſal niet onwzuchtbaer zijn / aaco 4
Eſa.47.8. Ja alhoewel dat gn ſegt als alle die do mundien
ontfinnige doen / namelijk: Wet is zede ens Waf famus
de bepbent/ &. Nochtans fegge ich u qe: “'tweieens-
lijk als Ezechiel tot Tiram gefent heeft / naz
Securiatas ae
infervis,
fruftra fa
lutem fperas.
met gievighept/ haet / nijt hoobeerdighepdt /
hoererije overfpel / afgoderije/ ende fodanige |
wercke meer faligt te wozden / Daer ’t doch fa
onwederſprekelijſi doo? alle de gantfche hepli⸗
ge Schzift geleert ende getupabt worde / dat
foodanige niet en fullen beẽrben Dat Nijcke
Godts. Debt gn ook opt u leben lanck Teuge: |
nen in Godt bevonden Felt Denche neen.
Die Wenlige Paulus ſent: Wp iseen Godt /
bie nict liegen en kan / Cit.cap.1.bersz, Ehri⸗
ſtus Jeſus fent: 8 Heylige Dader / u Waart
is De waerhent / Foa. 17.17. Is hu dan een
Godt Die niet liegen en han / en is fijn Heplige
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
| met onrecht. Bu fchichet u ín alte handelin-
melijcl: Niet en zijt qn/ niet en fut an efen
in der eeutwighepdt. En Eſaias tot Babel:
Blu lult vallen en niet Wederom opktomen.
Ende met Paula/ dat den dagh des Weeren u
ſal begrijpen / gelijk een Dief / en gelijck een
weedom ban een barende bzouwe ende gn en
fult het niet antvlien / 1 Theſſ. 5. 3. Ende oft
go nu ſchoon al met Capernaum tot den Wez
mel toe berheben waert / ſoo fult gp nochtans
onverfien tec Vellen getracken Warden /
Matth.r1.23. Gpeet/ qu deinkt/ op pronkt
qe grijpt / ghp capet bepde met vecht ende
Populus
infipiens non
curat pnovif
Wig: fima.
bent
gen deſer Werelt arie ghr inder ecu
lacreduli
noftro
modo non
credunts
eredentes
Si charitas
nen poteft
deterrere
deterrerat
timox.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
452 De Oorfaeck van Menno Symons
bent ín deſe bleefchelijke berganchelijche hutte | Hoe dickwils hebbe ick uwe Rinderen Willen
leen ende blijven foudt / ende en gedencht vergaderen / gelyck een Wenne haer kieckie—
uiet eermiact in nwe herten / Dat Dit woozdt [nen ander haer vleugelen bergadert/ ende qu
variis fuppli-
cis afficiunt, Bracht ban Gade dear genade tot u geſonden
worden / eben gelijck als Die berbijfterde ra⸗
toteenen pegelijken ban u binnen kosten tijdt
gefept fal warden / namelijcht + Beert cehhen:
ſchap / want ghen ſult niet langer Rentmee⸗
ſter weſen.
Ende daer en boven / foo is dat lieffelijclt
woozt der genaden / en Des eeuwigen vredes /
te weten / Dat alderhenligfte Euangelium Bez
fu Cheiſti / niet beter dan een bedachte fabel /
ja alg een vermaledijde Wetterije hp u gevelkent
want gp berdeinkt / verbzant / vervolght /
ende vermoort alle de gene / Dieu met dit felfz
verum etiam DE Woordt leeren / trecken Germanen / ende
beſtraffen / ende die in eenen ſterckien Geefts
feae Spnageoge der Loden gedaen heeft,
alſoo dat fp niet alleen uptgeroept en hebben
Be uptberkooren Hinderen ende Mannen
Godts / namelijck / de Heplige Propheeten /
Dan oockt den eenigen gebooren Soone Godts,
ſelbe Die doo? foo onuptfpzeekelijken liefde
vanden Barmhertigen Wader tot haer eeu-
wige Salighent upt geſonden ende geſchickt
tag. Wat hebben fp gefentt Dit is De rech⸗
te erfgenaem / komt / ende laet ons defen
dootſſaen / ſoo magen ton fijn erve beſitten /
JPatth.2 1. 38,
Poe lange fal dach uwe berdaemelijke blint⸗
hepot/ uwe Wederfpannige hartneckighent /
ende uwe fchadelijckte vaferpe dueren? Gez
denckt doch eenmael ín uwe heeten Die over:
bloepende ongrondelijke wercken der genaden
neven u bewefen Door Chriſtum Jeſum. Enz
de of u alsdan die be wefen liefde niet bewegen
en machte, omute trecken ban uwe Afgo⸗
à peccando , Derije / ongehoorſaemhendt / ende verbloeck⸗
te leben / foo gedencht doch fijn ſtrenge aoz-
Deelen / Die hp ban den beginne der Creatuu⸗
ten heeft laten kamen aber allen den genen/
Die ín fijnen Gebenedijden woorde / ende ín
fijn gehoorfaembept nieten bleven / op dat
qu doo? aldusdanigen beeefe / dewijle dat qu
fijn liefde niet en wilt/ al evenwel moght
gedwongen ende afgetogen Worden Lan alle
uaet.
— Diet aen de weenende agen / ô gp ontfin:
níge ellendige Wereldt / ende hoort dochs de
bedroefde klagende ſtemme onfes heben Weez
ven Jeſu Chꝛiſti / hoe dat hp over dat hart:
nechige Jeruſalem geweendt) ende tat haer
geſpzoken heeft / namelijckt ; Waer ’t dat op
beendet die u in Defen dage tat vreede zijn /
mast nu zijn fp verborgen boo? uwen oagen /
Luc. 19.41. Noch op een ander plaetfe: Diet)
en hebbet niet gewilt. Biet / u huns dat wort
u woeſt gelaten / Matth. 23. 36/ 37.
Och hertelijcke liebe Hefers / Waer’t dat
gp Jefe felfde woorden Cheiftitn uwer herten 4 EC-1-3o.
wel herkaudet / alle uwe gebeenten moeften 43-53
overmits groote bangighepdt berdzaogen /
fchudden ende been / Want het gact met u
even als ’t met Jeruſalem enFudagegaen ís,
Gp en wilt moetwillens níet dat Chriſtuus Je⸗ Non fecus
ſus fal Heere zijn ober u/ Die vechte kenniffe Le jee
fijner wegen en wilt gp niet: Maer olp wilt nos Euanse-
Doen gelijk alg alle Heydenen ban den beginne lium zegn?
gedaen heben / namelijck / aenbidden hour, Fecufamus.
ſteen, goudt, filver, broot, wijn ende de
wercken uwer handen, &c. onder noctj Idolatria
uwe aectfche/ bleefchelijke verdorven leven / meredulo-
het wellie alfa te ſeggen is / niet in een letter”
ober een drzaegt met Dat woort ende wille des
geens/ die u doo? genade rat ſijner eeren gez
ſchapen ende gemaeckt heeft.
Inmers hebt on Cheiſtum Jeſum alfoa
gantſeh uptgeftaoten / ende met grooten ſpot
ban u verdzeven / datter noch Keeringe/ DA? and
cramenten/ noch eenigen handel bp u is ges fb; spf do-
|
bleven gelijckmatigh fijn moogt / dan gu hebt Arinam,
ick fepude tat u Pzopheten/ Wijfen / ende
Dehrift-geleerden/ ende ſommige van haer
fuit gn dooden ende Erupcen { ende ſommige
ufelven nae u epgen goet dunchen opgewuop: Sacramenta,
pen leeringen / Sacramenten! Ceremonien ‚Pi cul-
ende gebaoden/ recht of Cheiftug Jeſus deg Anxit, chri-
Ulmachtigen Daders eenigen Sone ende Lo prorfus
wijshept / de rechte bode niet en ware. Ende Piette.
alledie gene / Die u ín Defe verdoemelijcke /
doodtlijcke dwalinge / —— bermaent/
ende lieffelijk beſtraft ende Wil u Wederom
me lepden tot Chriſtum Jeſum / ende tot fijn
gebenedijde woordt / Die moet fonder twijfel in
allen fteden en landen alg een oproeriſche Liet:
tet aenhouden ende lijden.
iet goede Leſer / overmits gp alle wegen —
foo ondanckbaer tegen fijn Baderlijke genade
geweeſt ae / ende noch zijt / foo heeft Godt Chriftus zen
oolt fijn bacmbertighept alfaa neben u geſſlo⸗ fus docuit ,
ten/ ende fijn rechtveerdigh dordeel alſoo ober inſtituit.
ulaeten komen; datter noch rechte Godbree⸗
fende Waerhepdt noch rechte Leergers /
noch Diaken / noch Euangelium / noch gez
loove / noch Chaiftelijk Doopfel / nach Chí
ftelijkk Avontmael / noch Chꝛeiſtelijck teven /
noch lienniſſe / noch waerhent / nach geeftez Scio Chri-
lijcke wijshent/nact oordeel / noch ban/ noch Sem hie
liefde noch Godts bzucht op der Verden fjn ze
gebleven. Aldus ís dat booefz. hups / daer Gnagoga
Cheiſtus Jeſus afgefproksen heeft / gantſche⸗ Ledeorum.
lijck tot Den gronde verwoeſt / ende Dien wel+ 4:5525
bevenden Wijnbergh des Weeren is over al
(bauchteloog / ende onnut geworden / gelijk Die
Pzopheet fepdt ; Welaen ick wil mijnen lieve
een Wiedelken mijns ooms fingen Lan fijnen
van haet fult ap dBeeffelen in uwe Scholen / Wijngaert. Mijn Kef hadde eenen wijngaert
ende gp ſultſe vervolgen ban d' cen Stadt in op een vette plaetfe/ ende hr hadde hein bez
D’ ander / op dat alle dat rechtbeerdigh bloet |tupnt ende bemuert / ende Edele wijngaett-
op u kome / dat welck op der Werden geftort ranckten daer in geplant / hp timmerde oock
is / vanden rechtheerdigen Ubels bloedt aen eenen Choozn daer in / ende groef cen Wijn-
totꝰt bloedt Zacharie des Soons Barachte / Kelder of Wijn-perffe daer ín / ende hp wach
den welcken ghp gedoodt hebt tuſſchen den te dat he Vzunven voordt brengen faude /
Tempel ende Den Outaer. Voormaer / maer bn bezochte wilde O2upben. NQu oor
boozwaer fegge iekku: Alle defe dingen fallen, deelt gp Borgers ban Jeruſalem / ende ghy
komen op dit geſſachte. Jeruſalem Geru: | Mannen ban Guda / tuffehen mp ende mij:
ſalem gp Die Daer de Propheten daat-flaet/ en: | nen Wijn-gaert. Wat falmen doch meer doer
De ſteenight Die gene Die tat u gefonden zijn :| aen mijnen Wijn-gaert / Dat ik niet aen hem
| ges
Leeren ende Schrijven. 453
gedaen en hebbe? Waeromme heeft hp dan ſeer grouwelijcke Godts Oozdeel om onſe
wilde Mrzupven vooztgebzracht / als ilk wachte
dat hu dzupven foude voortbrengen t Quwel
eſalm go. 13. ACH ik wil u toonen wat ili mijnen wijn gaert
Ela.3.13. _ Doen fal. Syne wande fullen wegh genomen
Can.z.is. wodden / alfa dat Ip verwoeſt fal wozden/ en |
fijnen tuon fal verſcheurt ende vertreden wor⸗
den / fl wil hem woeſt laten liggen / dat hy niet
gekort noch gemeſtet en Wozde / maer datter
Dieftelen ende doornen opwaſſen / ende ick ſal
fonden wille over ans gekomen gelijck de 20:
pheet fepde / wamclijck ; U fonden fchepden eni,
uende uwen Godt Lan malkanderen / ENDE Leeft heel
u ſonden verbergen fijn acnfight Lan u /Wr
dat qu níet verhoort en wort / want u handen
Zijn met bloede beſmet / ende u pingeren oe.
met ondeugden. Awe lippen ſprerecken Rom.3.r3.
leugenen) ende uwe tonge fcpdt dat onrecht Pf lm 140,5.
is / endedaer en is niemandt die ban de gez 5/94
Hic depingit
Den walken bevelen; Dat fp daer uiet op en rechtighendt Pzedickt / noch die met Waer- propheea fu-
regenen. Den Wijn-gaect deg Heeren Ze⸗ hept of trouwe rechte. Een pegelijck betrout dium, vitam ,
baath/ dat is / het hHups Afraël/ ende die op pdele dingen / ende bedenckt bedzagth. Ap tur torks
Manuen Guda, ſyn lieffeſhcke planten / hy ontfangen moepte/ ende baren oñgeluck. Pana.
wacht nadat vecht ſiet / fo onrecht en ſchen⸗ Sp broeden Baſilislten eperen npt / ende Wez
Derije/ nagerechtiohendt / fiet/ foig’t klar | ven ſpinne-webben. Die van haren eperen
EGa.523: gen ende jammer / Eſai. 5.23.
cetet/ Die ſterft / ende dieſe ín tween tredet /
. Siet Weerde Bzeoeders / gelick als wp Dit | foo kommt Daer een ader upt / haer ſpinneweb⸗
rechtveerdige oopdeel eerſtnigel neven Iſtael / be en dooght tot geenen kleederen / ende haer
foo Gebben Wp oocſt nu never ons bebonden.
Wam alte bleefch heeft fijnen wegh berdozben
werk en Dient niet te decken want haet werk
is moepte / en ín haten handen is booshent /
bau den minſten tet Den meeften. Den haer boeten loopen tot den quaden / en fix zijn
Hemelis Yſer / ende De Verde is Metael / ſuel om onfchuldigh bloet te forten / haer op:
daer en wort noch Dauwe / nach bochtighept / | flellen is een baas gedaght / ende haren wegh
noch rijpe ende tijdige zuchten in deg Beeren is enkel ongeval ende verderbinge / fp en ken⸗
Wijngaert Bebonden / daer en is graver / nen den wegh des bzedes niet / ende daer en is
noch fnacper / noch mefter / ober al is ſy geen vecht in haven gangen. Waer wegen zijn
vervloeckt De Müeren ende dat thupnfel is verwezret / dat fao wie daer op gaet / Lan den
ai gebzoocken / alleen ende woeſt is ſu geſet vrzede niet en weet. Daeromme is dat recht
tot vertredinge van alle Menſchen / die vꝛeem⸗
3
foo verre Van ons; ende Wp en verkrijgen De
tn arr. De veeheeren haer. Die Heydenen zijn in dat | gerechtighept niet. Wy verwachten op dat
rad: 16. beker ingegaen / ende hebben des Weeren licht / fiet / ſoo wozt het dunſter / op den mog:
19.
Immutata
funt ommia ,
Tempel vevontrepnigt. Onfe Peincen zijn | genfchijn/ fiet / foo wandelen Wp ín’t don:
ong — emd Teeuwen / anfe Daders ker. Wp taften aen den wandt gelijk de blin⸗
mai’ zijn onfe vezraders onfe Wenders zijn onfe de / Wp taften alg Die gene Die geen gogen en
—— berlepders / onfe Derderg zijn onfe Walven / hebben. Wp ſtooten ons in den middagh / als xrrat mi-
onfe Wachters zijn onfer Zielen Dieben ende [oft Waer ín de fchemeringe/ wu zijn in de dun⸗ ſerime qui
mooydenaerg. Men bint niet Dan Diefte
len ftecen gelijk de dooden / wp moven alle gelijk Chritum
cnde Boomen, het ig al geplondert en gerooft / de Beeren / ende treuven (onder ophouden ges VEN Leem
het ig al berfcheurt ende gebzoken / foo waer lijk alg de Dupben. Als wp op dat vecht
| verwachten / foo en i$’tnergens/ op die faz
lighept / ſoo is die vezre van ons) Waut onfe
overtredingen zijn te veele voor u / ende onſe
fonden antwoorden tegen ons. Want wu
maeften onte overtredinge bekennen / en onfe
misdaden weten (te Weten) Dat aber treden en
liegen tegen den Heere / ende Dat afvallen van
onfen Godt / geweldt ende vezradiſche onftelz
dat wp ong wenden ende keeren. Ende alle
deſe zijn gefchiet om onfer fonden / dat moe⸗
ten \uu baar onfe Godt belijden ende conſente⸗
ten.
Ja alder-weerdighfte Leſer / hoe rechtbeer⸗
digh boven ans fouden weſen Die van Sodoma
cud2 Gomorra , met alle die andere Ste:
den / die Bodt am haerder fonden Wille ban
non habet.
fifnen aenfchijn verftooten heeft / waer ’t dat |lingen bedzijven / en inder heeten balfche ver⸗
men haer overtredinge met onſe woude ger |fiecde falken vooz te nemen. Daeromme ís oalt
lijcken / Want alg wp de faeckte vecht willen 'Dat recht te rugge geweelten / en de geeeehtig-
mfien / foo en iſfer immers geen ſonde te be⸗ hept ig bere afgetreden / want De waerheyt
denchien/ fp 3m alſoo afgryſelijck als fp Wil / (opde ſtrate geballen;/ ende dat louter ende Veritas wb!
alg Paoveerdighepdt / Gierighendt / Obers Llaer en magh niet te boorfchijn komen. A ie egen
ae Iuftus om -
fipel/ hoeverije /_afgoderije / achterklap / De waerhept wort gevangen gelept / ende ſoo nium preda.
haet / nijt/ qulfighepdt/ bezvaderije / moo? | wie hem van Ben quaden af keert / Die moet
derije / ongchoorfaemheydt Godts) weder⸗ allemans roof zijn. Sulcks fiet de Deere) cn
ſpamighept / liegen / ſteelen /aliche henlig: heten behaeghde hem niet/ datter neegeng
hent / af eenige andere Godtlooſigheden meer / recht en is / en jp fiet Datter niemant en ig Die
dat daer nu ín onfen tijden hooger vijfen ende
waſſen magh/ gelijk men boor aagen fien kan.
MDaerenboben/ ſoo wort dat vleeſch Geeft),
7 de ſeugen waerhent / de fonde gerechtigkhent /
zTefla. de Dathan Chiiſtus / bo defe ellendige / ver⸗
— doolde l blinde Werelt geſchiclit ende gere⸗
medelnden hadde / ende het verdzoot hem /
Eſai.59.15.
Rijn alderlieffte/ aldus heeft Bodt de
rechtbeerdige Hechter fijn onberdzaeglijkk oor⸗
deel aen Defe quaetwillige Werelt gevecht / al⸗
hoewel dat gu het niet en gesaelt: Want o⸗ Heb, ro. 29»
peceatorum Hent. Anticheiſt fit ín den Tempel Godts / vermits dar gn den Done Godts met Baeten a
przmium. Daran Wapent hem felven tegen Iſrakl. treet/ ace dat Bloet deg Nieuwen Ceſta⸗*Ph4 ze.
De krachtige wonder daden ende die roepen· ments Laar onrepn/en bedzoeven den Depligen
De ſtemme deg Weeren worden gefien noch gez | Geeft der genaden / foo zijt qu ín Dat vervaerlij⸗
hoort. Aldus heeft deſe ſeer grouwelijcke ke aogdeef/ ende in den handen des lebendigen ——
Dupfter niſſe bedecht Dat gantſche Want ban, Gods gevallen / alfa dat gp veel meer bemint 273*
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
1 Joa.r.6.
Egepten. Teck fegge noch eens / aldus ig dat De leugenen/dan De — De dupſter⸗ joar ro.
3 niffen
| 454 De Oorfaek van Menno Symons
| 1 An. 6 EN VA 2 Vlek * al — 57 — ks hf :
00— . — niſſen dan het licht meer den Doot dan dat, ſchen Baders / maer ſu en gevoelen het niet:
BELIEN DIK jo.1.10. Acben; Daeromme heeft u Bodt geſonden Och waer ’t dat fn haer epaen ongeval ende Frudenrins
HELEN IN | Tuto Dei ju- lirachtige Dwalinge/ ende heeft u van fijnen | aengerecht ooderl over haer wel befzenden / Zit mundus
BEET me bepligen waozde/Gelaoke/kenuffe ende waer, wet hoe grooter neerſtigheyt fouden fo foecken ——
HNE mandus. heödt berooft / alſoo dat gh noch licht / noch ben genen / die Ben blinden geeft dat geſichte / en
KNIE Í | weg/ noch Geeſtelijcke wijshent / noch gebedt / den dooben dat gehoor / ende den onverſtan⸗ pr, —
HEEK EED IN loa. 9.31 Noch Godt / noch Chriſtununoch belofte / nach digen Die cechte Wijstent / het welcke ig Chri⸗ Ap: 17.23.
HEEE IN gerechtighept/ noch beede/ / noch Confcientien, frs Jeſus. —
90— pip otra bgn wete Dope, an * —— — VPzouwe die
HELENE LL en hebbet in deſer Werelt / alhoewel Dat ijn, Heeft u alfa betoobert / ende Die hoerach—
| 9— u van des Heeren Naem / barmhertighendt / tige Geeſt der Geeſtelijcker hoererijen heeft
Kik verdienſten / daotende bloet / fo hoogh ende | ualſo gehouden onder fifnen vleugelen / dat
| ERLE wijt beroemt/ Want dewijle dat ghy ſeght dat ick duchte ban herten ſeere / hoe dat u grouwe⸗
| | | gp Godt beltent / ende hem nochtang niet en lijck ongelaabe dunſterniſſe / blinthent / leuge⸗
— — ecret/ noch danclibaer en zijt alg Godt / ſo heeft nen / ende vaferije nimmermeer unt u herten
| Eph.418. Godt u door uwe vleeſcheljcke gedachten la: genomen en fal worden / dan dat op u fal blij
| gewozden. Daerenboven fo cn is ’tanderg Dat ghn hier ín defen aertſchen leven / alg die lo 3-36.
| Ii níet meet Dan als fpatterpe bp uw gevechent | Wlinde fuit doolen ſonder eenige Godts vzuch⸗
ENNE: Godt te bekennen / daeromme heeft u Bodt te / ban de een onrepnighent tat de ander / tet Ap. za. rr.
HEEE gelevert in eenen verkeerden ſin / om te doen tijdt toe Dat Wp ſullen geſtelt worden Looz
| Die Dingen Die nieten betamen: Ende ahniden rechtveerdigen Hechter / daer een pege⸗ Rom. 14. zo.
zijt vervult met ontechtbeerdighent / onkuns⸗ lijck toon nae fijnen wercken onfangen fal : 2 Cor. 5.10.
| Ik bent / guaetluftighept / gierighept / boasbept, (Alsdan Willen al te late u onfalige ) blin⸗
HEN bal nijts/ mooydens kijvens / bedzoghs/guaet- De / dunſtere oogen geopent werden / met
hents / oorenblafers achterklappers / dien grooten fuchten / ende met een onvruchtbaer
Godt vpant is/ ſpijtigh / hoobeerdigh / verſier⸗ leetweſen / bekennende / dat ghp niet in díe
KEE IKE | ders ban quade bonden / Den ouderen onge wegen der gevechtighent tot den eeuwigen lez
ALE hoozfaem/ onverſtandigh / trauweloos / ondien⸗ ven / maer m Die donckere dupſtere wegen tot
9
LEEEELE ag ein 8 Ee pt
ti | Rom,1-18.22 ten bedziegen / ende uonwi herte is Doncker Ben Den toom Godts tat in t eynde. Alſodo
||
ſtigh / onbziendelijck / ſtuer /fander ontferm⸗ den eeuwigen Doodt alu feben lanck gewan
beetighent/ Gom. 1, dele hebt: O jammer / Waer fuit gho u dan
Hi Siet lieve Leſer / aldus berborgentlijk ſtraf⸗ beebergen baar den toopn Godts 2 Oan wilt ——
1 fet Godt onderwplen dooz fijn kechtheerdigh gip roepende wozden met eenen verſchrickten — ——
it oordeel want Godt die Almachtige Heere Die | ende verbaesden Geeft : Bhp bergen Lalt op Apoc.s. 6 |
IEN berfoecht Defe Werelt menigerlen Wijfe am ons / ende gn heubelen bedechet ong, Want
| Ì dit haerder fonden wille / alg met gevancheniffe/ | alsdan fa en wil daer geen verbidden / geen
EEE HEN aogloge/ bloetbergieten/ dzooghte / dieven tijdt/ / barmhertighent / noch geen plaetfe des berous
—IJ— | peftilentien \ ende menigerlepe kranckten / ende Der beteringen böoz den onfaligen meet
BAREN IE ze.26.14 WoO? welcke plagen ende kaftijdingen alle gevonden worden / maer Die feet vzeeſelijcke
| | Deur.a8.i6. Bleefch hem ſeer ontfettet ende verſcheickt: vervaerlijcke ende verſchzickelijcke fententie
| Maer boen allen fo íg ’t die allergrouwelijckt⸗ Des rechtveerdigen Godts tegen alle bofe /
hik | fte toorꝛnige gramſchap Godts ober ong/ als | ongeloovige / moetwillige / ende ongehoorz⸗
1 bu ong berooft ban fijnen Goddelijken Wooz: | ſamige Sondaeren / fat dan Mm ſijn volle
|
De / Want die boorberoerde plagen / na kracht ende fange gaen / naemelijck :
melijcken / peftilentie/ honger ende ſweert / fe. Gaet ban mn ahp bermaledijde ín Dat ecuz
Sap.16.26. en firaffen niet wijder dan ’t vleeſch ende | wige bper/ Dat welcke Dat berepdt is den
Mara zijn geeffelen tot beteringe / als die Pzopheet Dupbel ende fijnen Engelen / Matth. 25.
— ——— fendt: met welcke hu kaftijt / op Bat fijn kin Och hoe goet waer ’t alſodanigen alsdan / dat
AL deren wijshept mogen krijgen / maer als ha, fp niet geboren en Waren.
—9 | ong berooft van fijn woordt / fois ’toveral, Hieromme foo en fal ick niet aflaten alle
BRE AE OEE Non eft fa. Met ong verloren / want als lun het woozdt | Die dagen mijng levens / alfaa bezre Godt die
vivs & majo- niet ent hebben / fo enn hebben Wp voorwaer an⸗ barmhertige Dader / dooz fijn ongrondelijcke
Ii | ris ka flägel- ders niet Dan ongelaave / blinthent ) dwa⸗ goethent / mp verſtant / Geeft / genade ende
KIEL God miva. linge / ongehoozſaenihept / bleefch gaetdunc⸗ wijsbept is gevende om te leeren ende te ver⸗ cy soa,
ij ORN mur verbo Lenhept bitterheyt / eenen ontepnen fot ende manen / bepde met mondt ende met Scljzíf- perrie ad do.
ij u Dei. hoerachtigen geeft / ende den eeuwigen daodt, (ten alle die gene Die de vechte waerhendt faec- cendum
TURN er. 520 maer hoe wepnigh/ jae hoe feet Wepnigh zijn fp Ken / op dat fp wogen opwaken tot beguas Pope ut
(RN Die ouer deſe jaunmerlijche plage fchzichen ende (mer tijdt , ende faecken Den Heere detwijle APLS,
EH beven/al hoe overbloedigh dat fp over haer gez [Dat hj gebonden magh worden / ende roepen —
BEE v kamen is. hem aen de wijle dat Ip ſeer nae bn ís / op Dat Ea. ss. 6.
Waer ’t dat men pemandt fijn bleefchelijke haer gevechtighept magh opgacn gelijck als
HITTE IE | oogen Waude untſteerken / ooten affiujden/ een licht / ende haer ſalighent magh ontbernen EG. 62. s-
HEEN ait leen benemen / oft berooven ban dat tijde- \gelijelt als een fachel / het welche anders niet
1 — lijclie erf-deel fijns vleeſchelijcken Vaders / en is / dan af te werpen Die werckien Der dupe Rom 13-1*-
IK | en faude niet ſoodanigh een gebzuncken alte ſterniſſen / en aen te trecken Die wapenen des
ij ii vermift / kloeckhent ende wijghent/ op dat hj ‘lichts / namelijck/ upt te tveden aile vaſſche
De felfoe pijne / fchande / perickel / ende fchade | Heere / valſche Sactamenten / valſchen
moghte beletten ende vooriomen? Ende he⸗ Godts dienſt / ende Dat onbehoozlijcke / onz
|
Í
| 4 ben ten dage is Die gantſche Wijde Werelt) eerlijche/ vleeſchelijcke leben/ende her weder⸗
| Ef ſiende blint / hoorende doof / levendigh doodt / om te begeven in die rechte Bodtfalige leerin⸗
Ik | ende ober al berooft ban Die onepndelijche | ae / in die Euangeliſche Sacramenten / ín die
btk | ecuwige erffeniſſe des barmhertigen Hemel⸗ dienſten ende werclten Der liefden / ende in dat
| oprech⸗
— — —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Leeren ende Schrijven. 455
ftelijche leben / gelij en/ gelijck alg De Teerin⸗
chte Cheiſtelijclie leven / gelijck alg het | ende alſoo geſint waren, gelijck als De cet
ban Ehio Sefa onfen eenigen Verloſſer | ge/ dat leen) ende De Geeft Chai EEA,
ende Heeder feltte! nae fijng Vaders wille/ gez| ſoo en Waer ’t haer Niet La N —
teert / mgeſet / gebzunelit / ende beleeft ig. ende Borgen te bemueren / HU gen ob?
Aldus jage ende arbende ick met mijn klep: | Knechten te houden / ende dat dao in
ne gave Die mp ban Godt gegeven is / nae an/ weer / als buffen Jk weerden ende foief ek —A
ders geen dingen / dies Godt een getupge zy / Len maccken : Ich en ſpreecke — —
„pet.r.19. dan dat die Klare mozgenſtezre Chriſtus Je⸗ Dat fweert der gerechtighent , dat tat ce ink —
jans fag geene | dat venige (hiene EDE gegeven. ae Det laude We
aen ín de heeten aller Menſchen / | der goeden ig get ‚…_JDa ude we⸗
— verlichten ín alderlepe Godde⸗ fen geljck als Die Propheet fept | amal —
jijcke waerhent / kenniffe/geeftelijk berſtant / en als Dat ſy hacr ſweerden,/ wel tot ploegh El tel —
wijshent tot in dat eeuwige leven Amen. ende hare gladien Wel tar fickelen mogij é ved
ijn alverlieeffte Leſer hier mede wil ick u |makken/ ende moghten fitten cen pegelijch ou-
gebeden hebben / ghy zijt Heeren / Porften/ Be: Der fijnen vijghboom / oft onder nen soin
Ieevde / ongeleerde / Wie dat ghy oock zijt, Dat ſtock / eude en ſouden geen meet geoe 7 bed
fm Defe ende alle andere mijne ſchriften tilt Den tot Den fit / lat, pn Mie — —
boen et CE Fe gade erm eben in me
jor immun- potentie! ich en twijfel niet/ oft gh ſullet in al- | haet Mm de Eſinge A { Lich: —
dom —— — ehebt wel — Í ek leecinge/ Gemepnte Jeſu Thꝛiſti begeben gebe Lan: peum recte
F — welcke Die rechte leeringe Jeſu on — —* F — slet het — * * —
bus jadicare fijner Apoſtelen is / tat geen mupterije/ doodt⸗ | BEELEN leg eter Arien
nen pete lijckte tweedzaaht/ vezraderije ende oproer is iijcke liefde / pꝛede g *
enck ban veel meer jae over al ín Den onderdeucken / en alle goet voozſtaen | qe ijck —
— waerachtige Chꝛiſtelijcke liefde | als dat behoort te geſchieden in md del Pope
eenigGeude ende bzeede: Want Chpiftus Fe: | maer vooꝛ Die valſche —I er * —* wofluntut.
fus / die van ons gepzedickt wordt / Dat is DIe | verdorvener Secten | die in bee Go | — nefeimus
poêrisa, echte ende waerachtige Prince deg eeuwigen handelen / bupten treden die leeringe / reg —
Chriftisdo- redes) ende met deg hatelijcken tweedzachts/ ende mate Chꝛiſti / en haveren Wp niet. —
— rai 'o Segget / wien hebben wp verkozdt/ LIE mede zijt den deere bevolen / Ooh —*
Mundus ad- wien hebben wp gefchadight ? pen faechen ! trouwe rr ad el * — * Ge da ini
tn con an gefal — ————— ———— Chai boos des Deeren ge⸗
eat vam Senfchen SD eben) Gout/ Silver / nade / niet recht aengeweeſen en geleert hebbe. ag
tus. alleen me hi aer ook verſtaet het Guan: | Genade) wacede / baembertighent/ ware ken: veniet tibi
lie — bee, ende blaet. niſſe ende dat eeuwige leben / zi tet alle De vita,
Qui Chrifto Pec fcahu nd wrd * lk gee be — fn Agfa — * Det
vere credit, alie die heeren en Voꝛſten / met ante DIE gen aerhe ———
filius pacis n zin die haer deg Chriſten⸗ p2ijs niet / dan lag efen ende h
* Bld gd: ag —— Teeringe gene / die met vlijt —* neerſtigheyt alſulcks
Jeſu Thꝛiſti alg vecht ende goet bekenden / Van u verſoecken ende begeeren.
Mijn lieve Broeders ‚ en wijckt niet van die Leeringe ende
van dat leven Chrift1.
ANNO M GCCCCG,
— — — — ——— —
vermercke ook upt Leenaerts ende Helwichts
—— hoe F —5 * Leener: ken
ief (MONS en |Dfenft daar mp foude loog Warden) alderliefſte
edere — de Ne | Sufter in Chꝛiſto Jeſu / ick hope dao? Godts
eo {z„ hier in te voegen genade Dat iclt u van heeten met Goddelijcker
—— oliefde ín Godt beminne / ende Berent ſtae u ende
alle vꝛoome met mijn bloet te dienen / wanneer
Brief, het die noot epfchet : Dan lieve Suſter wat
| ben ick aai) cen / Dat ict den bepligen Beef
114 an Chrifto Fefu ,\foude wederftaen* gljn weet immers wel)hoe,
men — de — — Jef nic ick / Dan die emeente oalt fander mijn
Genade ende Vrede. weten Gem br deefen wi geo enùe aj
| | e/dat ‘roepen heeft / dewijle Get Daun Die Gemeynte
Wim out ien tbe: u bee ſoo neerſtigh aen hem verſoeckt / ende hp beelz
—— dat geel meer noch als ick licht door het getungen fijnder Conferentie |
—3 fan / want iclt hoore unt onſe alder⸗ den ſelbigen niet en derf ontſeggen / hoe fal iclt
ſezeen * rs / hoe fect qualijck Bat ghp u dat dan mogen tegen ſtaen? nademael ick in
velen * u om dat begeeren ende bidden Leenaert niet beinde / waer dao: ich met
—— ‘ben defder ende herdelooſer Ber Schrift-matiger billijckheyt alſulcks magh af
der nd sven fieven Man geſchiet / bape vaden ende breecken. Hert· grandelijke trou⸗
— betoilligen. cls kan u daer niet har: we Sufter / het Bedpoebet mp over maten ſeer
—— * ameermen op bet vleeſch dat ick u niet ín deſe ſaeck bebrhen kan / want
beg betonnen jefde ie treurighepdt ende bedzoeffeniſſe uwes
ende niet op den geeft ende liefden en fiet / ick jd ghep , ——
rvullinge van deſe ledige plaetſe hebben
oe geraden gevonden, defen onderrechten-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— —
456 Brief van Menno Symons.
vleeſches ſnijdet np Door mijn ziele / ſoo mez | handt-bzeeden afgemeeten ig / Dat leben ende
nigmmael ich daer aen gedencke / Dau Die liefde | ſterven al in Des Weeren hant ſtaet / datter uiet
Godts ende onfer armer Bzoederen: moet im⸗ | ecn hapz van onfen hoofde cu balt / of het íg die
met boog al wel betracht Wozden / ghn zijt im: | Wille van onfen Vader / hp bewaert ong als fij-
mers van Den Deere Dact toe beroepen / ende | nen Oogappel) Elias, Hes iteus, David, Daniel,
hebt u met de wereltende kracht üwes Bez | Lediach,Mefach en Abednego,Petrus en Paulus
loofS benwilligh daer ín overgegeven! dat gh pn der Cprannen handen al ontvlogen /ende
nietu ende u vleeſch Dan Chriftum Geftun ‘niemant heftſe mogen ecn hapzkrenchen/ foo
ende u Broederen al Die dagen uwes levens les | lange níet Die befchepden dagt ende uur daer
ven ende Dienen wilt / ick hope ook Dat ghy het en Was / want fa lange die darmhertige Peer
met bolder Gerten gedaen hebt / het koſte u dan | meer luft aen onfe leben / alg aen onfe fterben
gelt/ goet lijf ofte leven/ ende ghn fiet nu im⸗ heeft / fullen fp hare luft aen ons niet hebben/
J merg opentlijck woor uwe oogen / hoe hooge maer fa wanneer die doot den Heere gevalliger
4 ende hart het Die noot epfchet. Derhalven is alg onſe leven / fo fullen wp ook haer handen
gedenckt vu doch aen Die Dagen uwer verlich | niet ontgaen. Gch lieve Suſter ! fo al ſchoon
tinge/ ende komt het demoedelijcken ende gez | onfen lieven Broeder fijner Bzoederen niet en
hoozfarmnelijclt nae / Dat ghnden Alderhoogh⸗ \ bediende, fa heeft hp allijckewel over etcelijchte
ſten niet upt bedwanck / maer gewilligh toes | Haren hem ín den doot / Duck / ellende! verz
gefent ende belooft heeft. Och beminde Duz | ſmaethent / vervolg / bangighept/goet-toosen/
ſter fiet doch aen Die bedzoefde verlatenhent en ‚Water, vner en ſweert al begeven en of hu ook | |
ellende uwer licver Bzoederen. De geeftelijke ſchoon hem onder het Crupce door den Doop |
Daders zijn onfer Zielen Vezraders / de Wach⸗ niet begeven en hadde/ja in alle vanhent/ in alie
ters zijn blinde Hepders / ende de Perders | Handen, en bp allen Menſchen paſſeren mog:
openbare Wolben geworden: Die Mueren | te/ fo weet gljn allijckewel niet wat tijt hu die
Jeruſalems leggen tet neder / Die ſteenen des Lutte deg bleefcg afleggen /en vaa? fijnen Bod
Henlighdoms leggen bertreden op de hoecken | Lerfchijnen moet. ®Baeram lícve trouwe ou:
ban alle ſtraten: groot is Die plage Iſraëls / | flev) zijt noch ſterck ín den Heere, grijpt eenen
wp mogen met Jeremias ende Sſdzas upt | goeden moet /bebeeit u den alderhoogſten God/
Dieper heeten wel bitterlijcken ſuchten ende | Die Hemel enWerde ín fijne hant befioten heeft/
weenen ende laten onſe tranen ater onfe wan” | die u en uwen Man / lijf en ziele gegeven Geeft
gen bloepen/ jae Dat binnenſte onfer Zielen | ín ’t Woozt fijner genade geroepen heeft/met
maet hem beroeren over Die groote noodt onfer / het bloct fijns gebenedijden Soons gekacht en
lieven Bzoederen/ Wanneer wp wel behertí- berloſt heeft / eñ met fijnen 19. Geeft gewafiche/
gen Den grooten honger ende dozſt veeler \ gebhepligt/getepnigt en gelaeft heeft/fijn bacmz
vroomer Gerten / Dat berblaechte ver⸗ heetighent ig boven al fijn werclien / h kent uz
boeten ende verlepden Det berkeerder Geeften wen uptgangh en ingang / uw fitten / gaen en
ende cijtender Secten / ende fulke jammeren | opftaen (ja gn waect baoz hem al eer go ín den
ende bzeecken meer. Nadien dan díe barm⸗ lichaem uwes Moeders gebeeldet waert/hn ig
hertige Deer onfen lieben Bzoeder met fijne | Die gene Die herten ende nieten kent/ hu weet
Goddelijke erkenteniſſe begaeft heeft / met Wat onſes Bzoeders focchien ig / lieve Sufter/
fijnen Hepligen Geeft verlicht heeft/ met fpzas | ſterckt Doch uwen lieven Man/en fwackt hem
ke ende wijghedt begaeft heeft/ alfaa dat die niet / Want daer toe zijn wp ge-epfcht / gelijck
Bꝛoederen een goet genoegen tot hem Gez (Wp. Godt beminnen / dat wp ook onfe lieve
ben / van heeten beminnen / ende fijn gegunde | Dzaederen beminnen moeten. _ Somma bez
gave begeeren? ende qhp/ overmidts vieefch | Wijft u beneben u Jaeften/gelijk ook Thriſtus
ende bloedt fulckg fouden tegenftaen/ende níet | Jeſus hem nevens u beweſen heeft / want nae
betwilligen Willen, dunckt mp niet anders te | Defen eenigen/ gewiſſen ende vaften regei moet
wefen/ dan of gp uwen Broederen ín dootg- Die gantfche Cisiftelijcke handel afgemeten
noot ſaeght / in Water oft Vper leggen / groote ende gevechtet wefen. Siet weerde
ellende ende kommer lijden / ende ghp uweg Suſter / ſoo nu die Gemennte amfen lieser |
pzofijts balen den felben niet woudet cedden | Broeder tat den Ampte ende Dienft beroept/
ende bebulpelijck weſen. Liebe Sufter/ be⸗ magh ick immers alfalchg met goeder Con-
mint Doch ghp uwe liebe Bzoederen/ gelijck ſcientie niet wederfteijden / ofte ilk moet het
ong Chziftus Jeſus bemint heeft / al is t dat vleeſch / uw vleeſch meer alg Cheiſtum Je⸗
gu om uwer Bzoedtren wille beroobinge uwer ſum mijnen Heeren ende Hepnlant/ ende als
goeden moet lijden / fo gedenckt wedeeormme {mijne heet-geondelijche lieve WBzoederen bez
dat Chriſtus Jeſus die Heerlijckhent fijng al-|minnent Die almachtige barmhertige Deez
machtigen Daders / ende Det Engelen gefel; | te handele in deſe faeclie nae fijnen Gobdoclijs
ſchap / eenen tijde lanck onfent halhen gelaten | ken welbehagen / ende ſtuere mijns lieven Duz
heeft / omdat wp cen blijbent Erf ín den He⸗ ſters heete / om gelaten te ſtaen fijnen hepli⸗
Hi LI mel fouden hebben dat eeuwigh duuren fal/ en (gen gebenedijden wille. Ick Dancke van
HITTE | fo fange wy leben / fulien Wp goeden gendegh (betten mijn liebe Suſter voor díe qgabe uier
4— | hebben / fo wp maer Godt vzeſen / van alte fan- |lefden) Die gn acn mp gefchicht hebt; die
EEL |! | Den fchepden ende wel doen. Ja mijn Sufter;{ Veere vergelde u de Hemelſche Hijchdormme —
| Ï zijt bapmoedigh ende wel getzooſt / Die ceumige | tot eeuwiger Weerlijckhent. Mju Hus:
| waerhent heeft ans falighept belooft ende tac: | vrouwe doet u ſeer heetelijck qraeten met des
HE | | | gefent/fo wy Dat Rijke Godts foecken ende fijn | Weeren bzede. Die Heere Jeſus Chꝛiſtus |
| | jj Í gerechtighendt / die Dingen Die de nootdzuft bes | zp met mijnen alderliefften brent ende Suſter |
langen, ſullen ong toegeworpen worden / ig ’t in Der eeuwighent/ Amen. | /
|| dan dat ghu boor u Mans bleefch forget / foo! MENNO — S
Hi J | Dench en gelooft doch dat enfe leben al bp’ uwen Broeder in den Heere
EEN
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ho IN
Grondelicke en klare bekentenifie
DEK |
Aco ME EN
EN
ELLENDIGE CHRISTENEN,
Van der rechtveerdigmakinge , Predikers, Doo-
pe, Nachtmael, ende Eedt-fweeren, om welcker wille dat fy
voornamelijcken van den Geleerden feer jammerlijcken
gehaet, gelaftert, en belogen worden, duydrlijcken
uyt Godts Woordt gevatet.
ANNO M.D. LIL.
Do OR
MENNO SYMONS.
Wie my bekent voor den Menfchen, dien wil ick bekennen voor mijnen Hemel-
| fchen Vader : Maer wie my verfaeckt voor de Menſchen, dien wil ick
| oock verfaken voor mijnen Hemelfthen Vader, Matth. zo. 34.
r.Gor. 3.11.
Een ander grondt kan niemandtleggen, behalven alleene die, die geleyt is;
welcke is Chriftus Jefus.
Gedrukt in’ Jaer onfes Heeren, M, DC, LXXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
fchapen dadigh geloove aen Chriftum Jefum, een ongeveynfde vyerige liefde, ende een
vroom boetveerdigh onbeftraffelick leven, wenfchet mijn ziele alle den geenen die defe
onfe bekentenifle fullen fen. leefen, en hooren, van Godt onfen Hemelfchen Vader, door
Chriftum Jefum onfen Heere, welcke ons bemint heeft, en heeftons gewaffchen van onf fon=
den in fijnen bloede, hem zy eere, ende prijs, Rijck, krachten Majefteyt , van eeuwigheydt
zot ceuwigheydt , Amen.
E En reyneoprechte kennifledes Goddelijcken Woordts, een recht-
Chriſtus fpreeckt,
Wie mijn Woorden hoort, endoetfe, die is gelijck een wijs man, die fijn huys op een fteen
timmert, en daer is een regen nedergedaelt, en daer zijn ftroomen gekomen, en Winden ge-
wacyt, enftieten tegen dat huys, en fijn huysen isniet gevallen, want het was op een fteen ge-
fondeert.
En wiemijn woorden hoort, en niet en doet, dieiseenen fotten mangelijck, die fijn huys
op't zant getimmertheeft, op welck huys dat den regen gevallenis, en die ftroomen daer aen
gekomen zijn , endede winden hebben gewaeyt, en ftieten tegen dat huys» en het is ter neder
geworpen» en den val is groot geworden , Matth. 7.
— — — —
Vv DD MIKAECD EN.
E Erſame Lefer,die oorfake onfes fchrij vens is defe, om dat wy en onfe Sum. 7-
Voor-vaders fo menig, hondert Jaren „ dat licht by die duyfternifle, ——
de vaerheyt by die leugen, dat leven by den dooden, en den wegh by 2%72
Godts ftraffe
. h
den verleyders geſoght hebben, en hebben gaen — gelijck — Scha — jk
A « ed SE —
| pen (onder Herder , en (ô lacy) daeren was niemant dic ons — * pe Jada
ni n 2 Tim. 3: Ze
des levens wees , en tot des Heeren weyde in leyde n foo gantſc elijcken hd
hadde die vervloeckte Leere des Antichrifts, die fchendelijcken roock der Pine”
| * d
verleydingen opgetrocken uyt den putte des afgronts, den edelen ſchoo- —
| % et Jer. 23.22.
| nen glanfch des Godlijcken Woorts verdonckert, ja fo was dat rechtveer- pe geteer-
den hebb
Ul defe moetwillige roeckeloofe atie veraa-
dig oordeel Gods om der fonden wille, over dele n g 8
er
Werelt gekomen, datter (ô lacy) noch rechte Leere, noch rechte kennifle —
o
Gods en Chrifti, noch Geloove, noch Doope, noch Nachtmael , noc Wons” |
Ì Ì er eer
Ban. na Gods ordinantie, noch Liefde, noch Gerechtigheydt, onder de „P58!e
2
een wreede
| * orden, maer onbasmher-
| Menfchen bevonden ZIJ nen oock weynlg noch bevonden W \ ———
over die gantſche Werelt vintmen valfche leeraers, beveynſde, verleyders, runnye.
e geleere
———— —
vyanden des kruys Chriſti, die haren arme ſvacke buyck met vlijte * been
moe Vv
nen, die met hare kittelende dwalende leere vrede den genen verkondi- —*
n.
gen, die van geenen vrede en weren, en alfo der boofen handen ftercken, ‘Sí, „ijn ae
2
wereken en
dat hem niemanten bekeert van fijner boosheyt, fo die — — Sr vrachten van
Jafy hebben’ fo verre gedifpureert, — gepre ikt, * Chita
| Heeren uytgedrukte ordinantie,in Doope,Nac „rn ve an, zeen j
J— eygen mont bevolen, en van ſijnen heyligen Apoſtelen — che *
| relr geleert, gebruyckt, en betuygt, niet alleene voor va en * c
rechten, maer oock ſeer vyandelijken (chelden en vervo Ben» 5e 9 —
voor oogen fien mag, en hebben een nieuwe Doope ingefet, = e rift
nieten kent,die den vleeſche fo bitter nieten valt, als dedoope Chrifti,een
nieuw Nachtmael, dat een valfche trooft van alle Godtloofen is, ook een
Ban, die niet dan een middel en is om den vromen uyt te — * die met
gene behoorlijkheyt beſtaen en kan, ick (wijge dan mettet liefde en waer-
dr oftete lant uyt, fois’t in’ vyer oft in't wa-
hevr.wanten is ’t niet ter ſta
EE laetfen over den Godtvruchtigen
ter, fy wort ook niet weynig in veelen p
Î
— ſy hebben die gemeene verelt met haer lichtveerdige leere en
valſche Sacramenten alfo van Godrafgevoert en vervreemt, en in —
ongeloove en heydenſche wandel gewennet , dat hem alle Hemelen daer
over moeten bedroeven en beſchamen, fegtmy gy redelijcke Lefer, wie
kan oft mag vertellen, die vervloeckte Godtloofe hooveerdye,pronkerye,
overfpel, hoererye, Afgoderye, Romanas Ù Hifpanicas aak af : ——
trouwe, bedriegerye, gierigheyt, woecker, onrechtveerdigheyt * ree
fuypen, overvloet, haet, nijt, moorden, ftelen, ruyten, —— anden,
verraden,bloervergieten,die onmanterlijke onfuyvere (chan elijke ara
den, dat verfchrickelijk liegen, fweeren, pocken, lemten, lijden, ar *
Sacramenten, &c. Die by deſe ongeſchickte roeckelooſe woeſte werelt be-
| Mmm 2 vonden
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Yv DO UO AR AR AED CE IN, |
wonden worden, al evenwel willen fy noch die Gemeynte Chriftizijn, ja
hetis over alfo verwoefter „dat wy metden heyligen Propheet Ozea wel
lers 1,3 bitterlicken mogen klagen, en feggen,datter noch woort Gods,noch lief-
“ de,noch trouwe in denlandeis, dan dar liegen, moorden,ftelen, overfpel,
die overhantgenomen hebben,en datde eene bloetfchult die ander vol-
— get: met Jeremia, dat het grouwelijken en eyflelijcken in den lande ftaet:
10 HS mer Joanne dat de gantſche Werelde in’t quade fteeckt : En met Apoca-
lip, dat hare fonden tot den Hemel toe gekomen zijn. Och mijn ge-
trouwe lefer,het is noch al veclarger danmen feggen oft fchrijven kan.Die
maer redelijck van aert is die mag, het wel mert handen raften en grijpen.
hHG. Aengeſien dan, dar die glansder Sonnenin fo lange jaren niet gefchenen
en heeft, Hemel en Aerde fo gantskoper en yfer geweeft zijn, die Water-
beken en Fonteyn-aderen niet geloopen en hebben, noch diedouwe van
den Hemelafgedropenis, die heerlijcke luftige Boomen, ende de groene
oper: vier. Velden fo gants verwelkt en dorre geftaen hebben, (ik meen’ Geeftelijk)
toe va” maer nu in defe lefte tijt de genadige groote Heere die rijke {chatten (ijner
neer des
Heren …… eeuwiger liefden,de veynfteren des hemels open doet,en laet die vochtig-
“woordt inde
kaeiedes heyt fijns Goddelijken woorts weder afvallen, dat die Aerde fijn groene
Bersee tacken en planten der gerechtigheyt voortbrengt, gelijk voortijts,die den
foan1038, Heere vrucht dragen , en lijn hooge aenbiddelijke name prij (enen groot
maken, des Heeren heylige woort en Sacramenten haer hooft weder uyt
der affchen opheven, waer door die lafterlijcke bedriegeryeen gro uwelen
der geleerden aen den dag komen, daerom maken hen opalle helfe poor-
ten, enfetten haer ter weer , woeden en rafen, en dat met fo gefwinde ver-
leydinge, met fo lafterlijke leugenen, en met cen foo bloedige tyrannye ;
waert dat diefterkeGod fijn genadige kracht nieten bewees,geen meníche
moghte falig worden,maer de fijne al niemant uyt fijner hant trecken.
Aengefien fy dan fo doodlijken tegen die klare vaerheyt leeren en ftrij-
den,enkel ſchuym voor filver uitwegen,daer toe alle {chan de, laſter, ſchalk-
heyt, en fchenderyeop ons leggen, gelijk fy van aenbeginne gedaen hebben
over alledie, die den Heere vreefen, daerom zijn wy veroorfackt, en door
die reyne liefde des Goddelijken woorts,enuwer zielen gedrongen,die on-
bedriegelijke Goddelijkegront, en diereyne vafte waerheyt van der jufti-
fication, datis; rechtveerdinge, vanden Predikers, van der Doope, van't
Nachtmael,en vanhet! Eetfweeren om welke Articulen,wy van een yege⸗-
pe geleer Jij en voornamelijken van den geleerden, foo doodlijken gehatet, en{o
den oproe-
senen liegen Jafterlijk belogen worden met goeder korte uyt des Heeren woort,opente
vrachtigen. doen,op dat gy overmits fulks grondelijk bekennen meugt, wat ons die H.
fchrift daer over met goeden klaren befcheyde leert en medebrengt : en of
wy ellendige men{chen ook fulke onnutte Goddeloofe luyden zijn,geliik
als die geleerden foo vyandelijken fonder ophouden over ons roepen, en
den volke voorgeven;hebt gy dan oren om te horen, {o hoort des Heeren
woort, en zijt gy kloek van herten, fo merkt daer op, en volget de waer
heyt. EEN
Fol. 464
EE ‚N
Grondelijcke en klare bekentenifle
BER
ARN,
Vande Rechtveerdigmakinge. „Jac hadden fin deſen middel verachten rade An
door den geloove niet aengenomen) fo moes dem CP Eva
2 Et ig Door die Schrift ſten fp eeuwigh Des daodts gebleeben zijn An nier
ftum niet
fn kennelijck en openbaet / het is onwederſpreeckelijck / als Chꝛiſtus gelooft, foo
Eerfame Leeſer / hoe onſer ſelve betupght / en ſeyt: Wie aen mp niet en moeften fy
8 aller Dader ende Hoeder | gelooft / ig reede al berdoemt. Item / Joan⸗ pnt en doodt
5 ebleven
% dam en Eva inſt begin nes den Booper/ wie den Done niet gelooft / hebben.
—— —
Adam en —
Evazijn in’
beginne ge-
xechrigh en
reyn van
Godt gefcha- 4 8: ne na Godts gebeelte en die en fal’t Teven niet ficn/ maet Die taagne 1 loan: s. ro;
atra Ù gelijlkeniffe van Gode doo? Godts blijft op hemm / Joan 3. 36. en 6. 47-
epen OON Cheiftum gefchapen zn / Gelijck ban Noam ende Eva ban der
Gen7s reyn / goet / fondet fande/ gerechtighen on⸗ helſcher flange zjn gebeten / bergiftiget /
ee dverderffelick / gelijck de Schzift leert / Gen. ſonderlijcker aert geworden / en den eeuwi⸗
cap-1.2.Ü8 5. OAp.2. 23- Ecclef. 17. 9. |gen doodt moeften gestorven hebben / ſoo
EEn-Datfe aockt tepn en gerechtigh gebleven haer Godt niet wederomme Doo Chꝛiſtum
zijn / foo lange alg fin niet tegen haer Schep: | in genade Gadde aengenamen/ alg voor ge⸗
perg woozdt en gebodt en fondfgden : Want ſent is / alſo wozden Wp ook alle die van haren
Godt hadde tot haer gefproocken/ Van den zade boort homen/ fondelijcker aert ban haet ren
&5aorn der kenniffedeg goeùtgen quacdtsen gebooren / ban DEL flange bergiftiget/ tot sie onde-
fult ghp niet cten/ in wat dage gijp daer af den guaeden genepget/ en alfoo upt epgen Lijcker aert.
etet/ fult qu Ben doodt ſterven / alg t oock aengeboorender natueten Kinderen der Pels ta —
Adam ende gefchietig / want fo haeſt als Adam en Eva len / deg Dunvels / en deg eeuwigen Doods / ;
erde van Der flangen bedrogen / van den verboden ende magen daer ban niet verloſt worden
door de lan” oagom aten | foo zijnfe onvepn/ ongerechtig/ (Wu ſpreecken Van Die/ Die totten beenuft
en des doots gerderffelijcht/ fondelijelter actt ja kinderen (ende in € werck Der fonden gekomen zijn )
geworden. Heg doodts en deg dunbels ge wozden/ en heb⸗ het en zp dan dat wp Chriſtum Jeſum den
ben alfoa de kiintſchap Godts /en die vroom: eenigen ende ceuwigen middel Der genaden
E37. Bepdt/ in welcken fp geſchapen waren / door dooz een waerachtigh ende ongeveynsde ge⸗ wie recht op
Kom. 5- 12: haet ongehoozſaemhepdt verlooren / en moe⸗ foove aennemen/ ende alſoo met de oogen Chrifto fier,
: Car ian (ren oock in de foude / Wlaccls/ Tamechtfchap onſer Confcientien op dele kopers, fan: —
Evazijn we- deg dupvels en deg doodts met haren gant⸗ JE fien/ Die ong ellende ende beraiftighde Num. :r. 5.
dsrom door ſchen zade eeu\welijkt gebleven hebben / fo haer fondaren Lan Godt anfen Hemelſchen Da: ——
ia Bode bie bacmhectige vader die cenwigt in der / tot een teken det lalighendt opgerecht —
genomen. fijner Liefde leeft / niet wederomme metter is / want ſonder hem ende bupten hem en
Gen.3- 15» goefegginge van Chriſto opgeholpen en ber⸗ Mer geen geſonthepdt onfer zielen / geen Detz
trooft hadde / fen jp hacr tot eenen Verwin: faeninge/ noch breede / maer enckel onge:
net der Slangen toekomende Gefoofde, om nade / toorn / en doodt te ger wachten ecu
Wiens Wille / hp haet wilde genadigh zijn/, welijck / foo voor gefept is.
haer overtredinge geegeben / barmhertig⸗ Maer De geene) Die Defen gepzedickten pee ke
hepdt en gunſt bewſen / foo verre als ſp dat Chriſtum met ech waeracht igh geloove aen⸗ pie —
geloofven. neemen; Dic ong na De leeringe Pauli tot Chriftum
damen Goe nu Adam en Eva defe blijde Look: wijshepde / gerechtighendt / heplighmaec⸗ ———
Eva hebben ſchap der genaden / dit Euangelium des kinge/ EN verloſſinge van den Bader gez in —
aen Oht paeches upt des Heeren mout hoorden / foa ſchenckt is / die zyn in genade om Chriſtus Den geloo-
an Be ie heben fp Bat met beugden aengenomen al | wle) ende hebben Bodt tat eenen Dader rinus mer
zijn gevie- Die onvedriegelijche Godts Waerhepdt ger | Want fp zijn nu door den Geloove upt hem are fijne”
dight. fooft / metter herten acugehleeft / en haer gebooren / hp vergeef fe alle hare fonden / hy goeden van
Daer op/ alg op cen gewiſſe grondt Der fa: {8 medelijdig met harealenfehelijke feplen en vaderse
tigDendt bertrooftet / ende alfa zijn Adam | zwachbeden/yp keert ban haer Den block/Den zom. 5, za.
en @ba teder Door Chriſtum Ban Gode in toorn / en Den eeuwigen Doodt/ bp neemt fe
Boer Chi: genaden acngenamen / gerechtueeraight / aen Voor fijn lieve kinderen / en ſchenckt
um zijn A rede var den eeuwigen Boodt ende vlöeck haet Cheiſtum Jeſum met alle fijn ver⸗
van den eeu- herloſt / want fp hem na Gods belofte /als id dienſt / baften / bidden / tranen/ lijden /
— werwinnet / Daligmaker / en middel der ge⸗ ſinerte / krups / bloet / en doodt / bact toc
xerloſt. Sohen/ tot een eeuwige verſoeninge fn den docſi fijn geeft / erve / Nijck / heerlijckhent /
leſten tijden toe-komftig geloofden / haopten/ vzeughde en leven / en dat (feggen wp) niee
en verwachten. unt onfe berdienſte en wercken / maer npt gez
Wmm 3 made
Ì
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Grondelicke Bekente nifle
nade door Chriſtum Jeſum / alg Paulus Ô
fept / Godt die Rijck ig in ſjner barmhertig⸗ looven / Dat daer fpzeeckt bleefchelijck gefint
hent / door fijn groote liefde / met welche hp |te zijn / is De doode / leeft hp na den bleez
Eohels 2 04 ong bemint heeft doen Wp doodt waeren in | fche / foo moet ghp ſterven / overſpeelders „
fonden / heeft hp ong levendigh gemaeckt ín hoerejagers / volſuppers / gierige / hooveerdige /
Chiiſto/ want unt genade zijt ghp ſaligh leugenaers/&c. ſullen dat Hycke Godts niet
geworden / en heeft ons met hem opgeweckt/| be-ecben : ende gelooven Daer by / dat Godt
en mec hem gefet ín ’t Hemelfche wefen dooz waevachtigh is / dat.bp tegen fijn woozdt
Chꝛiſtum Jeſum / op dat hy faude vertoonen |wiermandt ſaligh maecken magh/ dat hp na
in toekoomende tijden / Die oberbloepende|fijnen Waordt vechten moet/ Want bhp de
rijckdommen fijner genaden / met fijner waerhepdt ig / en niet liegen en kan / gelijck
bzíendelfjchhepdt tegen ong / door Chriſtum | De ſchrift tupget / daer dooz komtet datſe den
Jeſum / Want upt genade zt ghy ſaligh gez | Heere faa hertelijcken bzeefen / ende door Die
ſworden door den geloove) en dat niet uptu/ | bzeeſe haer vleeſch affterven / hate luften en⸗
het is Godts gave / niet upt Die wercken / de begeevten krupcigen / ende Die onrepne
op dat hem niemandt en beroeme/ want Godtlooſe wercken / Die tegen Des Weeren
top zijn fijn werck / gefchapen ín Chriſto Je⸗ woozdt zijn / foo neerſtelijcken fchouwen en
fu tat goede wercken / die Bodt berept / Dat | mijden.
wp daer ín wandelen fullen/ Eph. 2. 9. Daer en boden gelooven ende beſtennen
Siet mijn goede Leeſer / aldugen ſoecken ſu Godts obervloepende groote genaede /
won niet onfe falighepdt in wercken / woor⸗ gunſt / ende liefde tegen ons / betoont in
—— den oft Sacramenten / gelijck die geleerde, Chriſto Jeſu / en Daer dooz komt het / Dat
loecheal. Doen/ alhoewel dat zijt ong willen aenmeten/| fp wederomme haten Godt liefhebben / want
leene haer maer wp ſoeclienſe alleene in Chriſto Jeſu /| bp beeft ang eecft lief gehadt / gelijck Joan⸗
Gligheydein ende in anderg geenen middel ín Peinel noch [nes fepdt/ ende ſtaen alfoo Daoz Die felfde
onp Aerden / ín Defe eenige middel verheu⸗ liefde berendt / fijn heplige woordt / wille /
gen wp ong allecne/ en ín geen andere / Wop{geboden / raedt / leere / ende ozdinantíe /
berhoopen oock door Godts genade Daer bp | na haeten ontfangen gave ín haerder zwack⸗
te blijven tot in den doodt. bepdt na te komen/ ende bewijfent alfaa
Maer dat op díe openbare bleefchelijcke|metter Daet Datfe gelooben / datje upt Bodt
wercken fchouwen / ende ons na onfe acme gebooren zijn / en geeftelijcker aert zijn / ſu
zwackhepdt / na fijn woordt en gebodt begee⸗ lenden een broom onbeftcaffelijck leben boog
Jean 15.7: “ten te fchichen/ dat doen wp daerom / um dat | alle man / fp laten haer Doopen nalupt des
Joan. 3-19- hp ong Dat alfoo geleect en beboolen heeft / Heeren bevel / tot een bewijs ende gerupge:
1 loan. 5.10, Want Die na fijn leere niet en wandelt / Die niſſe dat fp hare fonden ín Chziſtus Doodt
betupgt metter daet / dat hp hem niet en ge⸗ begraben / en met hem ín een nieuw leben
Tooft noch kent / en ín die gemepnfchap der | wandelen willen / fp breecken dat bzoodt Des
hepligen níet en is. bzeedeg met haere lieve Broederen / tot een
Alle die geene dan / die defen geſchoncken bewijs en getupgeniffe / datfe een met Chri⸗
middel der Goddelickker genaden Chriſtum ſto / en met fijner Gemepnten zijn / en Dat:
Sfefum / alfao met geloovigen herten aennez ſe geen middel Der genaden/ en quijtſchel⸗
Ten / en ín de kifte haerder Confcientien in dinge haerder ſonden hebben / noch ken⸗
Epheſ, 3. 7
Nengefien fn dan deg Weeren Woozdt gez
om. 8.13.
1 Cor.s. 10
r Cor.6. 10-
Gal. 5. 21.
Ephef. 5. 5.
Rom. t. 28.
Apoc,22. IS.
De vreeſe
des Hecren
drijft de ſon⸗
de uyt.
Ecclef. x.
z Ioan. 4- 19:
Uyt dat ge-
loove fpruyt
de liefde „en
uyt de liefde
de gehoor-
faemheydt.l
Matt. 28. 19s
AG. 2,38
9.6. 16.39:
10.48, 19:5s
Rom.6.3-
rCor12. 53e
flumten/ gelooven en bekennen/ dat haer ha⸗ nen in Pemel noch op Verden / dan allee= etoove en
ve fonde door fijn offer / doodt / en bloet berge: er 5
ben zijn / hat belet haer ín eeuwighepdt Heeren Jeſu Chziſti / Dat hn eens dooz ſij⸗
níet too2níat (al weſen / oft berdoemen wil / nen eeuwigen Geeft in deg Daders gehooz⸗
dat hp haet boog fijnen lieven Soonen ende faembepdt Loor ons arme Sondaeren aen
Dochteren aenneemt/ Dat eeuwige leven | de ſtamme deg Krupces opgeoffert ende ber:
fchenchet/ @c. %lfoodanige werden bzeez, goten heeft / ſp wandelen in alle liefde / ende
digh ende broolijck in den Geeft / ende danc⸗ barmhertighepdt / ſy dienen haeten naez
Dat geloove fen Godt met nieuwe herten / Want de ſten / Ec. Summa / fp vechten haer ín haer:
dar uyr Gode gepacht des geloofg Geroert ende verandert⸗ det zwackhepdt na alle wooden / geboden /
EEEN (5) ende verferfe in nieuwe Menſchen, en |ozdinantien/ Geeſt / vegel / baozbeelt ende ze:
in fijn geloo»
vige.
dat herte.
wandelen alfaa door die gave ende genade | mate Cheiſti / gelijchde ſchzift leert Want
deg hepligen Geeftg in die kracht det Nieu⸗ ſp zjn in CEhꝛriſto / ende Chꝛiſtus ig in haer /
wer geboorten na de mate haerg geloofg | ende daerom en leben fp nu niet langer in
ín de dehooeſaemhepdt haers Godts / die ſoo dat oude leven der fonden nae Den eerſten
De geloovi- rjcke liefde aen haer bewefen heeft / fp wach: | aerdtſchen Adam / (zwackbepdt uptgenoz
gen wachten gep met alle vifjee / datſe niet doo? eenige| meu) maer in Dat nieuwe leven Der gerech⸗
fonde. moet wille en Godtloofighepdt upt Godts tighepdt/ dat upt den geloove komt / nae
Gen. 3.7. __gunfte en huide en Vallen / want fp bekennen |Den tweeden en Hemelfchen Adam Eheí-
37222 Doozde ſcheift / haedat Adam en Eva/ de ſtum / gelijck Paulug fepdt/ ick en lebe nu
Nik eerfte Werelt/ Dodoma en Gomorra, de Pa⸗ niet / Maer Chziftug Jeſus leeft in mp / dat
om-6 23e Deten in De Woeſtne / Ec. Om haer fanden | leben dat ff nu lebe in Den bleefche / Dat lebe ilk
bernard. ille feer herde van Godt geſtraffet zijn / dat) daor den geloove Des Soons Godts / die mp
Ei. 53.10. Get foon der fonden de doodt is / en dat oock heeft lief gehadt / ende heeft hem ſelben ober
Ehreiſtus Jeſus / dat onfchuldige Lam gegeben voor mp / Gal. 2.21, Ende dat is
Godts / die geen fonde en kende / om onſer het Woordt / dat Chriſtus fpzeecht/ Wie
fonden wille foo diepe bernedert / en foo jam! mp Vief heeft / Die houdt mijn geboden /
merlijck geplaegt ig. Joan, 14. 15. pe
t
ne dat onfchuldige vleeſeh ers bloedt onfeg liefde bewij-
fen hacre
kracht, ende
bruyckendie
Sacramenten
recht.
Matt. 25. 35.
De geloovi=
e wande-
enin een
nieu leven
na Chriftus
aert. Chri-
s die leeft
za. ed * * — ” —
ggd — — — —e eeee eee
— — — — — n d * * n
Ee) — — — — — — — —— — —— — —
enn eenn) |
Van de Rechtveerdighmakinge.
Gedenckt niet liebe Leſer / dat Wp ons
hieer mede beroemen / alg dat Wp volkomen /
ende fander fonde zijn / geenfing / ich beken:
ne voor mp / dat mijn gebedt met fonde / ende
mijn geeechtighept met ongerechtigheyt mes
nighmael vermenght Wort / Want ick ge—
voele door Godts genade wel / als ick maer
Die ſalvinge recht Waer neme / ende mijn
De geloo- Ellendige zwacke natuere tegen Chzeiſtum
vigenbe. „ende Dat gebodt houde / Wat ick voo? een
fwacke aert vleeſch ban Adam be⸗erbvet hebbe / ja ſo ons
des vleefchs. Godt na onfe weerdighept / gerechtighept /
Godt zichtet wercken / ende berdienften rechten wilde }
ijn geloori one niet na fijner grooter geethept ende
pen niet na
haer ver. baemheetighept/ foo belienne ich met den
— Hepligen Davbid / dat geen Menſche LAA:
nadagen gerichte mochte ſtaende blijven /
Rom. 8.31 143. 2. 130. 3. Gob. 4 OS 25-4- Rom.3
Col. 24. @aerom moet het oock k
Matt. 9 17. zijn / dat wp ons op eenige Dit
17.5. ficn oft beroemen ſouden / Dan
Aâ. 20.28. genade onfeg Gods daor Chriſtum Jeſum⸗
want hu íg alleene de gene / Die De wate ge:
cechtighepde van Godt ge-epfcht / volkome:
lijckien bol gedaen heeft / ende niemant
ders eeuwighlijck / oock is ong door Des Hee⸗
ven genade wel bekent / hoe dat alle Hepli⸗
gen Gods van aenbeginne af over haet ver⸗
dozven bleefch altijt geklaget hebben / gelijck
alg men upe ofc) David, Job / Eſaia /
Paula, Jacob / ende efoanne Wel mert:
ken ende fien kan. —
Maer om Cheiſtus Wille zijn wp ín gez
naden / om Chꝛiſtus wille werden wp ber:
hoozt/ om Cheꝛiſtus wille foo Wozden ons
onfe mifgeijpingen ende zwackheden / Die
ſonder onfe bewillinge geſchien / quijt-gelaz
ten / want hp ſtaet met ſijner volkomen
Rom.8.6. gerechtighept/ ende met ſijnen onſchuldi⸗
Heb.7.24- gen doodt ende bloet tuſſchen fijnen Dader
be —— 5 ende tuſſchen fijne onvolkomene kinderen /
Mat.17-9-20. ende biddet vooz alle Die/ Die aen hem gez
Yooven / ende Die haer Door den geloove deg
Chriftusge- Godtlijcken Woozdts bevlijtigen / ban het
zechtigheyb guade afkeeren / ende Dat goede nakomen /
ende met boller herten met Paulo begee⸗
bloetsende ten / datſe Dat volkomen⸗ weſen dat in
—— Chꝛriſto is / in voller kracht grijpen mogen /
vromen,
fer mijn lieve Hefer / hoe Dat
Heb. 11. 3 Merckt nu h
Gen. 2.22. wy niet en gelaoven noch en leeren door onſe
Bayon. berdienſton ende wercken Saliah te worden /
Gen.r.4. gelyck ons onſe miſgunſtige ſonder alle
Col. 1.20. waerhent nageven / dan alleene HIE genade
Voaa: — Door Ehiſtum Jeſum / alg geſept is.
Maris Hat genade ſs dar Menſchelijcke geflachte
ſtum Jeſum doen het
Vs 27. Sap. 2. Üg23.
oor Chziſtum weder
nwas/ Gen.
gefchapen doo? Chai
niet eu was / Genel. 1.
Hut genade is het d
aengenomen Doen het verloore
3. Ephef.1.2. Col. .
Not genade ig ong Chriſtus Lan den Daz
Der gefonden / Goan. 3. 34- Hom. 8. 3.
1 Jaan. 4 9.
Apt gena
Schaep geſocht /
de heeft hp dat berdwaclde
ue, 15. 6. Goete ende
quijtſcheldinge Der fonden geleert / Matth.
Auc. 24.4. 17. Men doodt boog ons
oe up noch Goddeloos ende
| Won. cap. 5- DS 6.
43e 2
geſtozben / d
bpanden Waren
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ck vezre an ong | alle de gene
rgen vertroo⸗ het Euange
alleene op díe | geloove aen
an: | Worden in haer herten omgekeert /
4,63
Unpt genade is het ong gegeven dat wy
dat gelooven / Epbef- 2. 664
Upt genade wert ong die Heplige Geeft
gegeven / inden Fame Jeſu / Fean. 14. 10.
Summa / upt genade wort ans Dat eelt
wige leven geſchoncken door Chriſtum Je⸗
ſum / Hom.6 DS 9.
Siet mijn goede Leſer / Dit is dan / foo
wijt deſe Arthckel ſtreckt onſe geloove
ende bekentenis / te weten / dar Wp geen
Salighept / noch genade / noch berfoenin:
ge / noch vrede bp den Dader hebben / noch
hebben magen / anders dan door Chzriſtum
Jeſum / achijch hp felve fent : Miemant hornet
tot den Dader / dan deor mp. Oock fept Pe: joan. 14.6.
teug / Den Menſchen is onder den Hemel AL 4-12:
Golas, tj.
Joan. 15. 7e
Pſal. geen ander aem gegeven / Saligh im te
DS | worden / dan in den J2ame Jeſu / Ende Dat
| die deſe genade in Chrifto / dooz
lium gepzedickt/ uret cen baft
grijpen; ende met Den herten
Daer aen kleven / door De kracht des Hepli⸗
gen Geeſts / overmits den geloove / nieuwe
Menſchen vpt Godt geboren warden: Ende
vernleu⸗ Merckt hier
wet / ende in een ander gemoet verandert / dee ene,
fa upt Adam verſettet ín Cheiſtum / ende ss An waer
wandelen alfoo ín Dat nieuwe weſen / als datſe komt»
goetwillige ende gehoorſame Kinderen / in warhacr
De genade / die haer verſchenen ig / Want fp wa: ——
zijn nieuwe gewozden (ſegge ick) atm DAN rechte
Geefte/ fachtmoedigh / barmhertigh / mec vruchten
delijdigh / bzeedfaem / verduldigh / honge: Wer … ;
rigb / ende dorftigh na dev gevechtighepdt / mac. 11.29.
berent te lijden oimme de waerhept / Spftaen vers7 —
volftandelijcken met goede Wercken na Dat
ceuwige leben / Want fp zijn geloobigh / fn
zijn upt Godt geboren / h zijn ín Chꝛiſto /
ende Ehriſtus ig in haer) fp zijn fijnen Geeft/ De gerech-
aert / ende natuere deelachtigh / ende leben 2 ——
alſo unt Die kracht Cheiſti / die in haet is/ —
na deg Weeren Woozt: Ende dat heet recht Kom. 1. 17.
na der ſchrift / geloovigh zijn / Chriſten zijn / za —
ín Chriſto zijn / ende Cheiſtus Mm onszijn. roan. **
ederomme / dat alle de gene / die deſe
gepzedickte genade verachten / ende Chꝛi⸗
ſtum Jeſum daor den geloove niet aennez
men / fijn Heplige Woozt / wille, geboden /
ende Gedinantien berftooten/ haten / ende
verbolgen / na moetwille ende luften des
vleeſchs leben / dat het met fodanigen upt
is / ende boor den Veere nieten geldet / dat
fp haer het geloove / de nieuwe Creatuere /
Chꝛriſtus genade / doot ende bloet beroemen /
want fp en gelooven niet / fp blijven in haet
eerſte geboorte / namelijcken / in haer aert⸗
fche verdozvene aert ende natuere onveran⸗
dect / onboetveerdigh / vleeſchelijck geſint /
ja gantſchelijck ſonder Geeſt / ſonder Woozt
ende ſonder Chriſtum / ende daerom oocki
kinderen deg dootg / fo Die Schzift meldet /
want fp kennen Chriſtum niet / in den wele⸗
ken dat leben is / gelijck Joannes fept : Dit
(8 dat getupgeniffe / dat hp van ſijnen Soon
getungbt heeft / dat Godt ongdat eeuwige
leven gegeven Geeft/ ende Dat feben is in
fijnen Sone: Wie den Sone heeft Die heeft
Dat leben / maer Wie den Sone Godts niet
en heeft / Die heeft oack Dat leben niet/ 1 Goa.
cap. 5. 12. Goan. 3 36.
Diet
De verach=
ters des
Godlijcken
Woorts hek-
ben geen
Christum.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Siet / mijn Weerde Hefer / hier helt qp,
nu onfen gront ende beltenteniffe Ban der ju⸗
ftification / gelijck qu hier gelefen hebt / vecht
ge nu biet mede / of De Pzedicauten oock |
recht doen / datfe fo plompelijcken ober ons |
liegen / ende ſeggen / dat wy willen door onſe
verdienften ende wercken faligh worden:
Ende Dat wp ons beroemen / Londer fonde
te Zijn.
Eyfaitde _ De Heere bergebet haer / dat fn fo onbe:
leugemaers fchaemde grove leugenen fa bpandelijctten
verdoemen opwerpen / Och Die ellendige Menſchen /
feyt David,de 5
Heereheeft Dat fm’t doch eeng ter herte konden nemen /
ecn — dat Die achterklappers / faemroovers / ende
bloergieri. leugenaers upt den Duppel zijn / Joan.8.
genende 44. Ende den Doodt weerdigh zijn. Liam.
valchen. 1. 32. Dat Godt alle leugenſprekers bpant
is / Pſal.5.7. Datſe geen deel aen fijn Rijc⸗
Ke hebben / Apoc. 21. 27. 22. 15. Ende dat
De liegende mont De ziele doodet / Sap. r.
Dit fegge ick / is anfe gront / het fal oock
door Godts genade onfe gront blijven eeu:
welijck / want Wp Weten ende bekennen
waerachtigh / dat het des Beeren onverwin⸗
nelijcke woordt ende waerhepdt is / wp bez
tupgen daerom hier mede vaag u / ende vooz
een pegelifclt/ Dat wp ten eerſten met Dit niet
en ſtemmen / die naet een Hiſtoriſch doot gez
Jactze: Yoobe leeren ende inboeten / dar fonder veran-
deringe, Geeft, kracht ende vrucht is; Cen
den , gozfalte / fo geroert is.
De barmhertige genadige Bader / doo?
fijnen lieben Sone Jeſum Chzifkum onfen
Heere / gunne ong allen De gave fijns Bep:
ligen Geeſts / dat won deſe gemelde genade
ín €hzifto/ ende door Chriftum ban gront
onſes heeten vecht gelooven ende bekennen
magen : @nde tot den epnde toe / tot Godts
eeuwige prijs / ende Weerlijckhepdt / bol:
ftandelijcken ende trouwelijcken Daer (nne
blijven ende wandelen mogen / Amen.
Van’t gehoor der Predicanten.
i F Is wel bekent / goede Leſer / hoe dat
wp om defen Arthjckel / voornamelijc⸗
Ken ban den Geleerden ſeer gehatet ende
berbolget worden / ende Dat een pegegelijck
over ong coepet ende klaget/ ende ſeggen;
dat wy Godts Woordt niet willen hooren.
Daeromme Wp noodelijclt gedrongen Woz
Den / nademael Dat het Den prijs Godts /
ende onfer aller zielen falighepdt aengaet /
Godts eere, De ooꝛſaeckie met des Heeren Waazt aen
endedena- te wijfen / Die men aldus anderg Wel geer:
ligheyrder me decken ende zwijger foude / Waer ’t dat
dringemons Wet de Schzift lijden konde : Waeromme
datwyder Dat wp haer niet en hooren) ende met goe:
dicanten der Confcientien niet hooren en dozven /
feyl
den dagh. Daer door Dat tp foo bele leedts over al
srengen _}úden/ ende fao beel jammers Dragen maer
ten / als men fien magh. Chziſtus ſpzeeckt
tot Nicodemum / Voorwact voozwaer ſeg⸗
ge íclt u/ ten zp dat pemant van boven
gebaren worde / fa en han hp dat Bijche
Gods niet flen/ Goan. 3. 3. Bock fpzack
Paulus/ wie Chriftus Heeft niet en heeft /
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Grondelijcke Bekentenifle ,
efoannes die fept : Wie overtreet / ende blijft
anderen / oack niet met Die / die door haer ſchickte leven feet wel bewijft ende te ken⸗
verdienften ende wercken willen faligh wor= | nen geeft.
Die behoozt hem niet tac/ Frar. 8-9. Ende | Och mijn goede Leſer / fp hebben met defe
’ haer
niet in De leeringe Cheiſti / Die en heeft geen
Godt / 2 Goan. 1.9.
Gerfame Leſer / merckt op Des Weeren De yruch-
Wooꝛdt / dat deg Werelts Pzedicanten van re
níeuwg niet geboren zijn/ ende Chziftug nis uyr wien
Geeft niet en Gebben / ende in Cijnfiug dat de Precdi-
Wooꝛt niet en blijven / Dat bewijſen haet ———
vzuchten overvloedelijclkt / Want hee is open: ——
baer datſe deg Heeren Woordt jammerlijck geeft dae fy
beevalfchen / ende na den vlecſche wandelen) 19E
gelijck qu ín’t gene Dat hier volght / klaer⸗
lijcken mercken ende fien meugijt.
Ten eerſten/ ben ick wel gewiffe/ Dat
qn u leve dagen niet geften en hebt / Dat
de Predicanten / die met haer gemepnte ee⸗
nigh zijn / eenige gierigen van haet gierig
hent/ dgonchaecttg van haer dDroncheufchan/
ende hoobeerdigen Ban hare hoobeerdpeende
pronckiecne bekeert hebben / Dat doch ſoo
openbare wercken Des bleeſchs zijn / ende
na lupt der Schaift/ met den eeutwigen Wereer.
doodt moeten gefteaft worden / ift datſe níet * EN
gebetert worden Fom. 1. 29. 1 Cor. 6. 10.
Gala. 5. 23. Epheſ. 5. 5. Aengeſien datſe
niemant en bekeeren / fo alg’ blijckt / fa
is't immer openbaer / Dat haer Heere niet
dan een onnut geklap 8 / die ſonder kracht De Predi-
brucht ende fnede ig / Dat welche (ach lacp) reeren nic-
de gantfche wijde Werelt met haer onge: mant.
en anderen / fa Wort Dat roeckelooſe
bolckt ooclt door haer lichtbeerdige Leere Der —
Sacramenten / ende rupme leven / ín haren enge sacra.
ongeloobe / ende moetwillige bleefchelijche menten, zijn
leven opgehouden ende getrooftet / want ſy geen
prediken ende leeren u/ daer is niemant die ——
recht gelooven kan, wy Zijn alle ſondaers,
daerom kan oock niemant Godts geboden
recht onderhouden, in uwen doope zijt gy
een wedergeboren Chriften geworden (feg: Pe Predi-
genfe) gy hebt den Heyligen Geeft ontfan- fen dat ar
gen, Ac. Alhoewel dat gp geen gehoor deg me volck
Woortg/ noch geloobe aen Ehziftum Pez met openba”
fum / noch henniffe deg goets ende deg *S erenen«
quaets / noch eenige beranderinge oft ver⸗
nieuwinge deg heeten gehadt hebt / oft heb⸗
ben kendet/ nademael dat op noch een oneer⸗
lijck ende onverftandigh kint waert / haer
abfolutien hoort qp/ ende haer broot ont:
fanght op / vecht oft met u al goet waer /
ende en mercht níet Dat gp nach een onboet⸗
veerdigh / gierigh / hooveerdigh / dzoncken /
onfupber / nijdigh / ende Afgodiſch menſche Ez. 13. 15-
zit / ende atfulche valſche trooſtingen meer / PA 3e: "©:
Gieten Die niee Pzede Pzediliers / die De lupo
den Kuffenen onder de armen / ende peulu⸗
wen tot den hoofden malten / ende Ben bolc⸗
he behaeghlijckte dingen peedilen/ Dat wil⸗
fen Wp u ende alte vzomen cichten laten.
Aengeſien men Dau / door haer Veere ende
Dacramenten níet gebetert / Dan ín fijner
ongerechtighept al meer ende meer getrooſtet
wort / fa moet gp immer Daer mede belen? 15-2374
nen / datfe u ín uwer booshept ſterchen/ Dat mat. 1}. 14-
Hemelrijclie boog u Loeflupten/ ende u in Joan. z0- 8.
de gracht lenden / ende uwer zielen Dieven
ende moordenaers zijn.
Deut. 1, 394
— —
— —
Van’t gehoor
haer lichtveerdige leere dat domme Lolclt / |
dat fa geerne op die cupme wegh wandelen
wil / alfo betoobert / dat wy met den geeden
pe pregi. Icremiam Wel mogen klagen ende feggen /
der Predicanten. 465
amen ín de tijde Dat fp leerden bp de We⸗
vele niet ge-eect/ Dit ſchzyve telt daerom⸗
me/ dat gp Weten meught / dat alfuicke
hooveerdige / eergierige geeften/ u Dat onz
cantenver. Datter bp na niemant ig / Die fijn ſonden Van geachte woozt Des Arups nimmerineer vecht EEn te
leydenden Gerten beklaget } ende ſept / wat matie ick?
bammerlijk. @ft die eens na een vzoom boetveerdigh lez
Jer.8.3. Nven / oft Godtfaligh leven vzaeght / fo OP
„Reome_ fien meught: Ga dat noch meer is / ſu heb:
banten tie. Bent fo wijt gedzeven / dat bet (och lacp)
mielftor- werckheyligen ende Hemelftormers heeten
mers. Moeten / die deg Geeren woozt Met getrou
cantensa- vwer herten hooren / gelooven / vreeſen / lief:
— hebben / ende na de — — ge
zijn nietSa- hooꝛſaem zijn / ſiet / fo geheel heeft DIE LOOCK
Chrifti maer deg afqcontg de Sonne eude Lucht verdont:
het zijn keert / Apoc. 9-
zrouwelen. sPaer foa wijde als haer Sacramenten
ſtreciien / foo iffet openbaer / datſe niet DE
Bacramenten Chriſti / macr epgen bedachte
grouwelen ende Afgoderpen in den fchijne
(recht oft het deg Weeren Sacramenten Wa:
ten) gebzugchen / Want fp doopen die On
verſtandige Hinderen / Daer Cheiftugin dar
gantfche Nicuwe Ceſtament niet een let
ter ban geleert / oft bevolen beeft / ende
moeten daerom Chiſtenen heeten / hoewel
Dat Die gedoopte ten meeftendeel alle haer
leefdage/ op een verkeerden wegh wander
len/ ende Thziſtum Jeſum mec fijn hep
ligh woozt alleene niet en beliennen / maer
oock van herten haten ende bpant zjn.
Mar. i6.19. Item / haer Nachtmael moet des Heeren
Luc.24. 5. vleefch ende bloet zijn, hoewel de Schrift
A@or.1-9. gen bele plactfen tupget / dat hp ín den He⸗
Eph. 4.8. mel gevaren is / ende tot fijng Daders vech⸗
pe predi⸗ ter· handt ſittet / ende het vernuft ons wel
cantendie- leert (ich zwijge de Schzift) dat Gp ín geen
nen den Baal monden gebeten / ende Van geen bupek ver⸗
nete: teert magh worden / het moet oock noch
boam nieu- daer toe by velen tot vergevinge der fonden
leeren en mogen. — has aci:
Pier bp foa merckt oock haer groote gie⸗ Gierigheys
righeydt ende bupck-forge/ want tpen Pꝛe⸗ der Predi-
Dilsen niet/ noch fp en plegen oock GEEN pr eaizen is
dienſten Dan om loon / vecht oft Dat JP2e: by de We: ele
dicl Ambacht ende zielen-forge/ een Kra⸗ der Predi-
merne / hanteringe ende lijf ncetinge waer. ——
Sp ceren (ſprecckt Judas) de perſoonen / worden.
am des profts Wallen / waer geen leenen
noch centen zijn / daer bintmen oock geen
Leeraers / maee Waer leenen eude tenten
genoegts zíjn / daer en ſal't aen de Pzedicans
ten niet gebgeeclten.
Item een Deel zjn t openbare woecktes Dar leven
zenaers / cen Deel oberſprelders / ende Brou: er Aemeene
wen-fchenderg / een Deel zijn t gulſige / leu⸗ gieoock
genactg / taoynigh/ opgeblafen / hatigh / zoemen dat
welfuftigh / pdel/ decher / pe) een deel 5 SO
nijdigh / bitter / wzeet / vezradigh / ende Ops ven.
coevigh / over alle die / die Godt van herten
\oechken ende vzeeſen: Summa / ig’t dat gp
den Weere ende fijn Woozdt recht beltent /
fa moet qu dat belkennen / dat oock Die / die
de alderbeſte ende vzoomfte onder haer is /
met fijner Leere / Sacramenten / ende aackt
mede met den leben / noch vezre bupten Chzi⸗
ftum ende Chziſtus Wooꝛt ig.
Aengeſien dan / datfe alle met den ande Den Boer
ten / ín leeve/ Sacramenten / ende leven / vor br
deg Weeren Geeft/ Woozt / ende leben foo gekent.
plat tegen zijn / fo alg’t wel blijckt/ ende
Chziſtus fpgeecht/ Datmen den Boom bp
de berucht kennen fal/ Matth. 7.15. Luc.
6.44. Doo is het immers daer mede opens
baer ende Wel betupgbt/ datſe dat Kijcke
Gods / ende fijn berborgenthepdt uiet en
mcl uytgedeelt heeten, fiet/ ſo gantſch hebben fien) Goan. 3. 3. Ben Peere niet toebehoo⸗ 2 Joan-rs.
3 Reg. 12.28. fp den Heere verſaeckt / dieſe met fijnen | ten / Wom. 3. 9. Ende geen Godt en hel
— bloedt geliocht heeft / datſe ſijn prijs / ende
Fem3e gere ín een fo wacken Cveatuere veran:
Dert hebben / oft dat níet vecht den Daal
Dienen ende Kalver gieten heeten magh / Dat
meugt gp met der Schrift wijder nadencken.
Cen leften/ hoe datſe oock ín haer leven
na Der leeringe Paulí geſchicket zijn / dat
kunt qp alderbeft aen haer vzuchten ende
leven merckien / oft fp in een ootmoedigh
heete hoor Den eere wandelen / Dat bewijft
haer gelaet ende name wel / want fp laten
haer Heeren ende Meeſters groeten / aloe:
\wel Dat Ket ban deg Beeren mont berboz
De namen Den is. Seght doch mijn goede Leſer / hebde
der Predi- gm oock immermeer qelefen oft gehoort /
cantenma- gat De Heplige Apoſtelen ende Pzopheten /
ten af. na ſulclie hooge pdele namen geftaen beb:
ek ben/ gelijck Be Geleerde, ende Des Werelts
uc. 20. 45. Pzedicanten doen / Dat Woost Mabbí oft
Meeſter / ig wel bp den eergievigen Schaift-
geleerden ende Phariſeen in't gebanpek gez
weeft / maer met bp den Apoftelen ende
Pzopheten / Want Lan Doctor Cfaias /
ban Neeſter Ezechiel / ende ban Beer Pau:
lo ende Petro / en Wozt niet geleſen / Meen /
ben/ fo vermelt is.
Dien fp dan dat Aijcke Godtg niet / alg Die niet
Chꝛiſtus fpzeecht / hoe konnen fp't eenen 7 ——
anderen Dan recht pzedikken cn voordzagen? ———
Hebben fp deg Weeren Geeft niet / ende en verborgent-
bebootenfe hem niet toe (als’t bliijjcht/) hoe — —
konnen fp dan deg GBeeftelijchken ambachts
rechte upedeelderg ende Dienacts zijn 2
Ende hebben fp oock geenen Godt / hoe
konnen oft mogen fp dan fijn heplſame dier⸗
bare woort tot gevechtighept/ vecht leeven
ende acn wijfen.
Nademãel dan/ dat het alle Godts ges Joan. 43
leerden fo Wel bekent is / alg Datfe dat Hijc: fh haf
Ike Godts ende fijn berborgenthepdt im der De roepin-
kracht niet en bekennen/ den Heere niet gaende
toebebooren/ ende geen Godt en hebben /
foo vermelt is / fo beflupten Wp daer unt / Predicanten
ende Dat metter waerhept / alg Dat haer fen: en is niet uyt
Dinge } beroepinge/ ambacht / ende Dien: *° —
fie / níet upt Godt ende Godts woort is/
maer datſe unt Den putte deg Afgronts /
ende upt den Draecke ende beeſte zijn / Apoc.
9.2. Apoc. r4 Vs 20.
Pier mede en meenen Wp níct alleene deſe /
neen : Alle Die deg Weeren Woort vecht oft die macr Wp meenen alle Pzedicanten
geleert hebben / Die zijn met alſulcke hooge in't gemeen / Die a bes Weeren Woozt
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
nn nict
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
466 Grondelijcke Bekentenife,
niet eenigh en zijn / ſy zijn Dan ban Wat na⸗ Die reyne ongebepntde liefde Godg ende haers
men ende Secten dat fp zijn / want wp rech: naeften / ín deg Weeren ackerwerck gedrou⸗
ten niet na pemantg vroemen ende fchijn/ gen / fp foecken niet de gaven ban Balacti /
maer nade Meere / Sacramenten / vrucht / noch de Tafelen Wan Yefabel / mact ſy foece
ende teven / metter waerhepdt / Want wp ken den prijs bau haren Bodt / ende de Sa⸗
zijn dat wel gewiffe/ dat dit hooge heplige, ligheyt uwer zielen / ende bevelen haer vlee
Rom. 16.7. ambacht / Bat fn de kracht des Geeſts ge⸗ ſchelijcke ſorge den genen / die na het wooort
—— drzeben moet worden / ín Der eeuwighendt ſijner beloften / alten creatueren Die op Der
foan.*van geen gierigen magh bedient worden / Werden zijn / haer nootdzuft beſchicket.
oockt van geen hooveerdigen / ende onrecht⸗ Ap leeren dat Woozt deg Wets in des De rechte
beerdigen / noch ban bleefchelijche/ ende: Geeft kracht) tot openinge Det ſonden / ende ——
aertſche geſinden noch ban dronckaerts tot beſtraffinge van allen vleeſche / met het vevae wet
ende welluftige/ díe haren bupck vooz haz| Euangelium der genaden / tot trooſte / bre⸗ ende Euan-
ten Godt Dienen / foo Paulus fept / noch de / ende vreughde ban alle Godtvzeeſende nei
ban laſteraers / noch ban onnutte klappers/ vzome herten / die dact vooz de Wet gebrooc⸗
noch leugenaers / noch ooten kittelers noch | ken / ende boor deg Heeren toorue ende ooz⸗
huerlingen / noch zi die / Die des Heeren | Deel foa dootlijcken ſchzicken / ende begeeft
Geeft / wille /Woozt / Ozdinantien / ende ge: | zijn. | —
Goden vervaiſchen / Gaten ende vpant zijn/|_ Sp beſtraffen ende ſchouwen alle valſche ceracrs die
Ende die ín alle Geeftelijche ende Euan⸗ Leere / verlepdinge / misb2upclt / Afgodez —
geliſche verborgentheden ende handelen on- vpe / ende dat moet willige roeclielooſe leven / —— e
bekent ende blínt zijn / want Godts Woozdt dat upt den vleeſche kome / ende tegen des ende blijven
ende Geeft en kennen alſulcke Perderg ende Weeren Woozt iS, fp gebzupcken Doope / by Godrs
Teeraers niet/ maer de Schzift teeclsentfe! JRachtmael / Ban/ ende alle Godts Ordi⸗ arden sy
Leelijcke af met teel leelhjcke fchgickelijche namen /|nantien/ gelijck alg’t haet in’t woort ban mart. 28. 19.
a — ende noemtſe ſchalcken / Jer. 23. 11. Blin⸗ den Heere opgelept ende bebvolen is / het gez. AC 2. 53.
Vieren inde De wachters ende ftamrne honden/ Eſai. lucke haer te leven / oft te ſterven / fp ver⸗*6.
chrift, 56. 11. Blinde lepders Fateh. 15. 14. {Manen Heeren ende Boeften / geleert / onge⸗
Detchrie Bielen-eeterg / Ezech. 22. Dalfche plac⸗ leert annen ende Pzouwen / fo berre B
diewaer- hetg/ Gzech. 13. re. Magen) die na den haer mogelijcken í9/ ende men hact cen i⸗
houwe Leere tiet en vragen / Yer. 10.8. Drede-|plaets gunnen / ende booten wil / Want en verfchoo.
Valfche Lee- Predikerg / daer ban geſcheeven ſiaet / De Godrg woozt en wwijcht nach Keyſer noch nen zeen
zaers, Pzopbeten pzopheteren balfch ín mijnen Uoninck / noch Doctor / noch Meeſter / ì
Joan.ro.r. mame) ich en hebſe niet gefonden/ ende noch Wijck / noch Arm / fp moeten deg Hee⸗
Eike: rz. haer niet bebolen / ende niet met haer ge- ten Woozt volgen / àlle Die Dact willen bez
2Tim.2.24. ſpzolien / fp predilien u valfche gefichten / | houden ende ſaligh zijn.
482029. uptleggfagen/ Afgoderpe / ende haerg herz) Haer leven lepden fp in des Weeren vzeeſe / ‚Rechte
zper22, tem bedziegerpe/ Per. 14. 14- Summa) fp ſterven dagelijchg met den Hepligen Pau⸗ nerven dage:
Jud.rr. Bet zijn de Leeraers / boop den welcken ons lo om Det bzoederen Wille / fp Worden ban iijcks om
— Des Heeren Woozt ſeer trouwelijcken ge⸗ een pegelijck met den vingeren na geweſen / sed ——
3vwaerſchont heeft) leeft hier ende Daer in de gelaſtert / vervolget / ende geachtet vecht Cor 15.32;
een arbeyder Pzꝛopheten / bpfander Per. 23-13. Matth. | oft fp de gront-foppe ende aerts bloemen
is,fijnsloons 5 15. Matth. 15. 14 Matth. 16. 12.24. (Van alle booſwichten ende fchalclken waren /
Mops Marce cap. 12. berg 38. Tuc. 12. 1x. en hoewel fp haer groote liefde / ende trouwe
tTim.s.- 206,45. Dienft/ fo geerne acn een pegelijcht bewijten ae vrome
die gatis Segget mijn goede Hefer / hebt gp oock willen / gelijck alg vooztijts aen Jeremiam jaer befot-
maersaensen van u teefdage/ van eenige hoobecrdige/ aen Gzechielem / aen Sachariam Wara dinge in den
niet de huer- gan gietíge ; van onfupbere / van leugenach- | chíag fone / aen Goannem Baptiſtam / De ——
lingen. gíge/ ban dzoncliene / ende ban Afgodiſche Apoſtelen / ende aen Chriſtum felve Wel erenge. —
Propheten/ Apoſtelen / ende Herderen ín de (bevonden is cnde hoe men de vzomen oock
Scheift geleſen / die Den Weere aengenaem | nu Loor haven Dienfte ende liefde danchet /
geweeſt zijn: Oft ban ſodanige / die des dat leeren u bper / zweert / ſtalien ende ca:
Peecen Woozt / Ozdinantie / ende geboden | den Wel.
berbalfchet ende our den menfchen te beha⸗ Mercht doch wel mijn goede leſer / ende
gen/ verandert ende misbzupckt hebben / verſtaet / nademael dan / dat Der Pzedican:
oft Die tat eenige Steden / Handen, oft |tenfendinge/ roepinge / lecte/ Saccramen-
Doꝛpen alfo gefent hebben / wilt gp onfe | ten ende leven / deſe acngewefene regel niet Joan. zo. 4»
noetdzuft befozgen/ oft Wilt gp ong foo) gelijchformiah zijn / ende daeromme niet
beel gelts oft tenten geven / foo willen wy upt Godt zijn / fo vermelt (8 / Want fp ge-
u deg Weeren Woozt leeren. Och neen /,mepulijck / niet dan om te verderven / te
mijn Leſer / neen / het ig der Heyliger Pzo⸗ ſtelen ende te moozden in treden / f& AS De
gheten/ Apoſtelen / ende dicnaren Thaſti/ Heere ſpzreckt / dat cedele weerbe Weozt
haer maniere niet geweeſt het en ſal oockt met Die Peplige Saeramenten / omne haers
haer maniere. nittinierineer wozden / dat, buprhg wite, ſo drerljcken berbalfchen /en Ez. 13. 14.
Weten wp wel gewiſſe. ep cen bzetmden ſin cude gebzunck ſieeren / *5-'©-
Dic Leeracrg ende Precdicanten/ Die van) Godts Woost uptfteoten / ende haer engen
Matt. 13.25. Godt gefonden Worden / Die zijn Upt Godt weder indzingen: Be zlelen dooden / Die ccu-
Num. 22.28. gebaren / ban Godlijcher acrt / ende Wor wigh leben ; ende leben töchtijgen / Die ceut- zor. ;. 27.28.
—— 0. den ban deg Heeren Geeft gedachen / fp zijn | wigh ſterben ſullen: Ende Dan om een hant
| tat den Wemel-rijchie geleere / ſy worden dooz bol gerfte / ende om eén Mont vol broors / er .
ie
racht.
—— — — — — —
Van den Doop, en van den Kinder-doop. 467
Die Propheet fept / heerſchen / ende uiet dies |fectúnge / woort / Ozdinantie /ende bevel is / Den doop
Matt. 25. ra. Men / berlepden/ ende niet wepden / verkiee⸗
ten / ende niet leeren / verderven / ende niet
geneſen / beeftcopen/ ende niet vergaderen /
Dat KRijcke dee Hemelen voo? den Menſchen
— toeſſunten / ende die arme zielen met alle van:
phil. z.g. mocedigheyt totter Hellen inlenden: ſiet /
1Tim.6,4. daeromme is het/ Dat wy haer niet cn hoo
2 Tim. 2. 15. CEN / Nacl) met goeder Confcientien niet hoo:
Ties, Fen en dorven / want deg heeren Woozt ge-
rloan.4.4. biedt / en beemaent ong ober al / Dat wp ong
—— 8 van haer wachten ſullen / blieden ende ſchou⸗
Aꝛwen ſullen / niet hooren / Gc. fo gefent is.
Merckt nu gu goede Hefer / oft deſe oor⸗
faectten niet wichtigt genoegh zijn / am ong
ban de Predicanten af te keeren / ap en
hebben u biee geen Philoſophiſche Waor
den / geen berdgaepde gloſen / oock geen leu⸗
genen voorgedragen / maer wp Gebben ugen⸗
geweſen / dat qp dagelijcks bp uwe Predi—
canten openbaerlijcken taſten / hooren / ende
Matth.7.
fien meugbt / ende Dit is het genes dat onſe 2. 38. 8 37. 10. 48. 16. 15. 18.8. 19. 5.
Dat krache ſeer benunde mede-Broeders ende Suſters
ende daerom een hepligh Godoeiijch Sacra⸗ — es
ment ofc teecken ig / met welcke Dat gelOODE van gen
met fifn krachten / bzuchten en verbozgent⸗ Heere felve
bepe heerljcken afgebeelt ende betekent Woz- —5
den / Wauneer fp vecht na Gods Ozdinan⸗ marc. 16. 3
tie/ en miet na epgen berkiefinge gebzupcltit
wozt / namelijcken / aen den geloobigen /
ende níet aen die onberftandige anderen.
Dat top oen Doop teren op den geloo⸗ „Chris
ge / dat kemt dooz deſe oozſalien: Een eer⸗ ten te doo-
ften / wantfe Cheiſtus felve op den gelande pen op den,
bevolen heeft / ende fepar/ Gaet in de gant- keloore.
ice Werelt / ende predict dat Euange⸗
hum atten Creatueren / Die geluofe / ende
gedoopt wozt / Die fal ſaligh worden / Mar.
16. 15. Matth. cap. 28.
Cen tweeden / om datſe De Heplige Apo⸗- pe: Apotte-
ſtelen / op Den geloobe na Beg Heeren Bevel len leere
geleert ende gebzupckt Gebben) ende nict [dese
aen Die onverſtandige Kinderen / Actoz. der danbe
gaetuyt ge-
Een deden / om Dat Die effectus, oft dat leove-
tigewoort in Chꝛiſto Jeſu / mede-genooten in Det draef⸗ fignificatum , Dat is / Dat gene/ Dat met dee
Gods, de
vrymoedige keniſſe / vijchke ende gedooghſaemhept Chri⸗ Doope betelient wozt / bp den geloobigen / ‚pe beduy-
bekentenifle ſti Die getrouwe Wepligen ende Venderen {ende niee bp den onverftandigen kinderen pede
der heyligen, Godts / fo lange Jaten / ín fo overmate|bevandeu wozt / Fom. 6. 4.
daer toe
„ doopsdie
Col. 2. 12. emmer
oock haer aArmoet / met mont / fchziften / leben / doot / 1Coz. 12. 13. Epbef. 4-4. 4 DEEL. 3. 21. haer met den
goet ‚doot, qgoet/ bloet / in gevancteniffe ende banden / Gal. 3. 27.
ende vrome pr Water ende bper / aen kettinghs / galgen /
leven, mo-
2 nia. raden / ende ffagclten / boor deſe Afgodi⸗
Ent à ſche bloedige Werelt fa bepmoedelijcht bez
geloovigen.
Vengefien dan / dat Be wijshent ende
Waerhept felve bevolen heeft / Dat men Den
geloovigen doopen fal/ ende fijn getrouwe
Predicanten Hent) ende fo ridderlijck beweert hebben | getupgen / namelijck/ de Heplige Apoſte⸗
of werelt paer Predicanten blijven Predieanten /ende len den Boop wiet anders, dan na Get
bekeeren.
de Werelt blijft de Wereit / ende bekeeren , Beel haers Heeren geleert ende gebzupeht
haer (foo het ſchijnt) haer leefdage niet / fp [hebben : Ende Dat tignitcatum op den ges
houden fo vafte (fpzeeckt de Pzopheet) aen |loobigen fluptet/ ende niet op die Onderz —
Den valſchen Godts dienſt dat fp haer niet ſtandige kinderen / fa vermelt is ende Wp ror Hr 17:
en willen laten affeeven / Fet. 5.
Je. 23.33.
nu Dogz deg Heeten genade uptter Schrift Mat. 7. s.
Eerſame Hefer / Wp bidden uw om Jeſus bekennen / hee dat ong Moſes / ende De ——
wille / Dat gp doch deſe onſe bekenteniſſe Pzopheten / ja de Bader ſelve / op Chziſtum „Cor 2%,
recht verſtaen wilt / en niet gedencken / als wijten/ / dat Wp hem hooren ſullen ende sal. 7.
oft wp defe upt bitterheyt oft haet geſchzeven datter na Paulug Heere / geen ander gront
hebben / aengefien datfe Bee Predicanren jgelept/ / noch geen ander Euangelium gez
ſchande fo openbaerlijck befteaffer / ontdeer pzedickit magh wozden / behalven Dat al⸗
liet en aenwijſet: Och neen / wp getupgen |leene dat ong ban De Apoſtelen gepzedickt
vooz U / en voor den Hecre / Die ons gefchapen is: fiet / daerom is het Dat wy den Doop
Rom. r. 32. heeft / alg datter nach haet / noch bitterheyt op Dat geloove lecten / ontfangen / ende
Gal. sar. in onfe heecen is / want wp weten ende be- |met foo overmate veel jammers ende ellen:
t Cor. 6. 10, hennen / dat’t wercken Deg vleeſchs zijnen |De / ja met onfe goedt ende bloedt beweez
Eph. 5e 5.
hebben’ upt cepnder herten gedaen) als poorz
dien / Die herten en neven beftent / u ende alle
menfchen tot Dienfte / (ft zijn Dan onfe weder:
pactpe oft niet / geleert oft ongeleert / Die na
Apec. 1.2. De echte warrheyt focclten: op Dat Wop De
gerholenthept des Dabplomfchen Wijfs/ Die
bedechte ftviclken Dev geleerden dooz alfniche
openbare klare acnwijfingen fa ontdecken
magen dat gr ende alie Godtvzeeſende Con-
met De daat fullen beloont Warden ; maec Wp [cen ende boozftaen / ant Wp bekennen
wacrrachtigh / ende Dat untter Schrift) Die
de rechte Lucerna onfer voeten is / Datfe Pa. 119. 105
alfo deg Heeren epgen infettinge/ woozt /
Oꝛdmantie / ende bevel is,
Van den Kinder-doop.
M Her ban den Kinder doop houden ende
bekennen Wp/ datſe ten eerften een
fcientien overmieg ſulclis / die anmenfchelfj- jepgen verkieſinge ende Menſchelycke gez Den xis-
he geouwelen / eeng mocht fadt ende moede rechtighept ig / Want daec doch mict een derdoop is
worden / ende alfo Des Weeren woozt ende
wacrhept ín echter maten aenmerchen/ ban
herten foechen ende gehoozſaem zijn / op dat
ge meugbt ſaligh worden.
Van den Doope.
van den
woozt ban Hinderen tedoopen / in Dat gant: men cher
epe nieuwe Teſtament van Chaifta / noch inge.
ban den Apoftelen geleett ende gevactt ig.
en tweeden/ Datfe een verſcheuringe
ende bertwoeftinge Der Ozdinantie EC hzifti
is / want Chꝛiſtus heeft bevolen dat Euan⸗
V An den Doop gelooven ende beken: gelium te pzediken / ende Den genen te doo⸗
nen wp / alg datſe Deg Weeren epgen in⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
pen / die Dacr aen gelooven / Matth. 28. 19.
Hun 2 arc.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
De Kinder- Marc. 16.15. Maer híer dooptmen fonder
Goddelijck bevel / founder Pzedicatie Des
woordts / fonder gehoor / ſonder kenniſſe /
ſonder geloove / ſonder boete / ende ſon⸗
der nieu leven / ja oock ſonder alle vernuft
ende wetenſchap / evenwel moetet noch) bp
Den geleerden / een hepligh / heerlijck werck
en een Chꝛiſtelijcke doop en Sacrament gez
beeten zijn.
De Kinder. ¶ Cen derden / datfe een pdel traoft en roem
doopiseen is Gan alle onrechtbeerdigen / Want al-
ydeletroolt hoewel dat fp Godtg woozdt niet en ber:
onrechtveer- ftaen / de waerheydt níet en hennen/ en een
digen. moet willigh bleefchelijckt leben leyden / even-
wel beroemen fp haer / datfe gedoopte Chzi⸗
flenen zijn.
doop ver-
woeftet des.
Heeren ordi-
nantie,
Nengefien dan/ dat De Linderdaop een |
ſoo ſchadelicken fiuperftitie is / datſe des
Heeren Doopſel ſoo gantſchelijck tot ſchan⸗
De maeckt ende de arme blinde wereldt
haet ſoo dwaeſelijck daer mede berlepden
ende trooften laet / Daer en boven noch
ſulcke verſchrickelijcke fafteringen/ bebennft:
Bepdt / Gezweeringen / tooverpe / ende
misbruyck deg hoogen Name Godts / ín
„hacer bevonden wozden / dat een Godthzeer
zefetdie fende Confcientie Daer boor Wel mat vechte
Catechitmus ſchzicken en beven maah / fiet / daerom is't /
derKinder Dat wp den Hinderdoop foo ſeere tegen
ay.tilegroo- ſtryden / en met open monde bekennen /
“te gruwelen gld datfe niet upt Godt / en Godts Wooꝛt /
vinden.
maer upt Antíchzift/ ende upt Den putte Des
afgrondts / boortgekkomen en geſpzooten ig.
Lutherus fchzijft ín een Boecksken ban
Der Menſchen leeve / alsdat het geene dat in
Godts ende des geloofs faecken niet geboden
is, dat dat felfde daer mede even verboden is.
Item / op dat twaelffte Capittel Genefis
fept hp / dat wy in alfulcke handelen niet ful-
len doen , fondergewifle reden des Godtlijc-
ken Woordts.
O@ockt ſchzijft Danielis 3. Godts dienft
fonder Godts Woordt; dat is alle. tijdt afgo-
derye.
Item / Philippus Melanthon ineen Boel
vañ der macht oft autbheritept Der Kercken
fepdt / dar alle Godts-dienft, die niet met
een uytgedruckt woordt Godts van Godt is
ingeſet, valích ende onrechtis, men glofe-
re daer op foo veele als men wal,
Dit feifde hebben Lucher ende Melanthon
na der ſchrift vecht aengewefen/ alhoewel
dat fp’t (och lacp) felve niet zijn nagekomen /
want algmen de fchzifc leeft / ende wel aen:
Alle godts- merclit / ſoo bevintmen ín alle flaechendt /
dienft is hoe neeeftelick ende nauwe Dat ong Godt
in dns geboden heeft / dat wp geenen GBodts-Dienft
lijck die van nae onſe goetduncken fullen aenvechten /
* nistbe- maer Dat Wp ſullen doen / gelijck hp ong bez
—— voolen heeft / want Gfraël is ooch om fijn
epgen gevechtigheden/ ende uptberkieoren
Dienften Godts / Wel harde ban den Meere
verſocht en geſtraft. ——
Dat hemel· ¶ Seght nu níet tieve Leeſer / gelijck die onz
rijcken is verſtandige doen / alg dat wp Daer mede onſe
woort lefen Kinderen verdoemen / om Dat wp haer niet
noch water- Baepen en laten: Och neen: Want de ſchrift
Pre se en Ginder dat Hemelrck niet aen woorden
ONE ende water / maer een acn deg Daders upt
verlieſinge ende genade in De berdicnfte des
Grondelijcke bekentenifle,
doodts ende bloedts Cheiſti / Ephef. 1. 2.
Chꝛeiſtus heeft de kinderen founder eenige
doop dat Pemelrijck toegefent / Matth. 19.
GS 15. Marc. 10. 15. Wuc.18. 2. Om defe
beloften beeblijden wp ong ban herten / en
dancken den Heere van fijner genaden ober
onfeliebe kinderen / daeromme foo fiet Hoog
u/ ende en vergrijpt uniet/ Want Godts
berkiefinge / genade, gunften Hemelrijcke te
binden aen eenige Woogden / werchen/ techies
nen ende elementen / dat is gantſchelijck tez
gen deg Weeren berdienft / doodt / bloedt
en woozdt / ja openbare Verlepdinge / grou:
wel ende afgaderpe.
Van des Heeren Heylige
Nachtmael.
N gelijcker maten gelooven en bekennen
wp ban deg Weeren heplige Jdachtmacl/ Dit Nacht-
als dat het een hepligh Sactamentelijk teec: mAels cen
ken ig / onder Bzoodt en Wijn ban den Hee⸗ ken des
ce felve ingeſet ende den fijnen tot een gez doodes Chri-
dacbteniffe nagelaten/ Aatt.26. Farc. 14. Ê
Luc.22. 1Coz. 11. Dat oock alfoo na deg
Heeren infettinge ban den Apoſtelen onder
de Beroederen geleect en gebzunckt is / Act. r.
1 Cop. 10. 11. Gp welcken datmen ten eer⸗
fien / beg Weeren Doodt berhondigen fal/
gelijck Paulus fendt / 1 Coz. 11. Cn alſoo
gedenchen/ hoe hp fijn heplige vleeſch tat
dergevinge onfer fonden voor ong opgeoffert/
en fijn dierbare bloedt boor ons vergoten
heeft Matth. 26. 27. Marc. 14. ÖS 24.
Luc.22. 19.
Cen tweeden / foa ig heteen teecken Det
Chꝛiſtelijcker liefden Der eenighepdt / en
des vzeedes ín Die Gemepnte Chꝛziſti / Een Dat Nacht-
Bꝛoodt (fept Paulug) is het/ foo zijn Wp maderer ve-
veele een lijf / nademael wp alle een Beoodt ken der licf-
deelachtiah zijn / 1 Coz. ro. 17. Want gez den en des
lijck een Bzodt ban beele Roozuen ig / eben⸗ vreedese
wel maer een Bzoodt is / alfoo zijn Wp oock
geele leden/ evenwel maer een lijf in Chzifta.
En gelijck alg Dan die leden van een unt⸗
wendigh lijf ín haet felven niet oneeng zijn /
maet in alte maten onder Den anderen eenigh
ende vreedigh zijn : Alſoo 18 het oock bn alle
Den geenen / Die ín Den Geeft ende geloove
rechte leden aen den lijve Chziſti zijn / ende
daecam is dit felfde Aachtmael van Tertul-.
liano ín boogleden tijden / een broeder-mael-
tijdt, oft een gafterye der liefden genoemt.
Cen derden / ſoo is heteen gemepnfchap „Per Nacre:
deg vleeſchs ende des blaedts Chꝛiſti / gelijck kent de ge⸗
Paulug fepdt : Den Melch det danckſeggin⸗ —
ge/ met welcken wp danchfeggen/ ig die ers
nietde gemepnfchap deg bloedts Chꝛeiſti? huni.
dat Bzoodt dat wp brelien is Dat níet De ges
mepnfchap deg lichaems Chgiftit 1 Cog. vo.
Bs 17. Welche gemeynſchap is / dat ons
Cheiſtus in ſijner grooter liefden aengenoz
men heeft / en wp hem deelachtigh geworden
zijn/ gelijck Paulus fepde/ wp zijn Chri⸗
ſto deelachtigh gewozden / is't dat Wp Dat
begin fijns weſens totten eynde toe vaſt bez
houden / Webz. 3- 14.
Aengeſien het dan een telien is / dat ong in
ſulcker keacht van Chziſto nagelaten is / *
het
Van des Heeren en der Predicanten Nachtmael. 469
Get ons ſijn Doodt / de liefde / breede ende —* dat geloove Dat dooz Die liefde werclit /
eenighendt onder den bzoederen / en oock de
Merckt hier gemepnfchap fijns vleeſchs en blocdtg af-
wie dat de beelden ende vermanen ſal / ſoo berinelt is /
tengere. foo kan oock niemandt dít ſelve Nachtmael
ga en ML *
fi zijn. na Der ſchzift vecht gebzuycken / dan Die cen
jonger Chziſti is/ vleeſch van Chriftug vlee⸗
al. 5. 6. De nieuwe creatucre. Gal, 6. 17-
En die onderhoudinge Der geboden Godts /
1 Caz. 7.19.
Cen tweeden /foo bekennen wp/dat het cen
openbaer bebepnft werck ig / al-hoe-Wel dat pat Nacht-
bet bp wepnige bekent is Want Ehziftug maelder ge-
fche / ende been ban Chriſtus beenen! die | beeft hee tot een gedachteniſſe fijn Doodts / —
De verſoeninge fijner ſonden ín geen andere tot een teecken en bewijs des Chriſtelijcken noydr.
middelen en fettet / noch geen andere midde: vreedes / ende alg een gemepn{chap fijns
Yen en foecket / dan alleene dooz die verdien: vleeſchs ende bloedts nagelaten / faa geroert De werelde
fie / offer / doodt / ende bloedt Cheiſti / die IS, ende de gemepne Werelt Die Pachemaelt a, rig.
Daer Wandele ín de eenighepde/ liefde ende in den ſchijue / recht oft fp Dat alfoo geloof? heydr door
breede fijner Bzoederen / en Die cen vzoom * * elit — set en —— —
der ſchrift in evenwel de bergedinge haerder ſonden / ee al
onbeftraffelijc leben lepdt mac Det ſchif len haet ſaughendt / m Umderdoope / Abſolu⸗ ———
perbosaenthendt ín’t koste gevatet / openbaerlijck / alg datſe bat df Des bzeedeg De werelde
Dat u des eeren mondt in fijn heplige waat micten sij / want (p gebaunchen alfulchen Haese
felge nagelaten ende geleert heeft / wilt gijp binder: ende ontrouwe onder Den anderen
nu cen beguaem gaft aen deg Weeren Cafcl, in koopen ende verlioopen / oock ſommige Dete woor
zijn/ ende fijn Gzoodt en Wijn vecht genie met hoereren ende aver ſpel / met liegen ende en Joannis
ten / foo moet ghp oock fijn rechte jonger bedziegen/ Die cene Den anderen na eere sn, dere
zijn/ dat is / ghp maet een oprecht / vzoom naem / faem / goet ende bloet ce ſtelen / Dat: arte des duy-
ende Godtvruchtigh Chriſten zijn} daerom⸗ ten metter waerhepdt wel magt feggen/ vels kinde
me foo onderſoeckt u felven Wel na der Lee
£ Cor.11.27- xinge Pauli) al-cer dat gljp van deſen Bzoo⸗
Decet / en van Defen Helche dzinckt Want
boor Godt gelt geen bepnfen/ bp en heeftet
u niet ín dier mepninge nagelaten / als of
hp luft tot Broodt Wijn / oft ceten beeft.
Och neen / Dan daeramme beeft hy't u na⸗
gelaten / Dat ghy overmits ſulcks / De ver⸗
holentheden / Die u met deſen teken oft Sar
cramente afgebeeldet en bermaent worden /
vlijtelijcken Waernemen/ en trouwelijclien
udaer na ſchicken ſult / Want niet Dat teec⸗
Ken / maer Die bedundinge / met het teecken
boorgedzagen in't berte recht gevaet / ende
alg datfe de Chriſte lhche zede / Die upt Bode ien zijn: le
naden vlee-
is / niet en beliennen / ende Datfe niet in DE che teven.
gemepufchap Chafti) dan in De gemepns
ſchap ban dien zijn / Dan welcken dat Joan⸗
weg fepde : Rinderliens / lact u van niemant
berlepden / Wie fonde doet / die is upt den
dunbel / want die dupvel fondigt ban acnbez
ginne/ 1 joan. 3.9.
Cen Derden / feggen Wp/ algdatheteen van de eer.
feer fchzichelijchte lafter / / grouwel / ende hoe: fte en letter.
rerpe is / facen nieus Kalf / ende Maoſim / Heke Kalve
want de roeckelooſe blinde Werelt die fiet het lode
met natueclijche oogen / als dat heteen ver- 3 Reg. 1. en
ganckelijck kranck gewas ende vrucht der Aer- Van den
q Maofim,
ín De vrucht bewefen/ dat maeckt een oprecht den is, datſe met haer eygen handen geplant, pan. 2.
Chꝛiſten.
Van dat Nachtmael der
Predikanten.
Me ban Dat Nachtmael der Pzedí-
kanten houden ende bekennen Wp / ten
per Predi- errſten/ alg dat Get een valſche en Afgodi⸗
afgefneden , gedruckt, ende gebacken heb-
ben, ende oock weder met dat gebruyck der
Aerden keert, van Menfchen handen moet per gelaere
bewaert worden , op dat het die outheydten den Nacht-
die wormen niet en verteeren , evenwel foo eel nn
moetet noch by veelen Dat onverganchelijcke qe roeren
dierbaer vleeſch ende bloedt Cheriſti zijn / en vleefch ende
voo? De waerachtige Soone deg levendigen bloedt ge
nietet ende
Godts aengebeden en ge-ectt Wozden / Dat geert.
kanten ſche trooſt cn bzeede-teechten is / ban alle die / welcke dock Wp/ met onfe Vooz-ouders /
en geerne op Die ruyme wegh wandelen wil:
wel soo. Gaten gedaen hebben / ende noch
iseen on: in 1 Í ij
utte trooft ich qulfige / giecige/ woechenaers |(O lacp ) in foo beele groote Koninchrijchen/
kn en id — —— / —— Neugengers/ Vozſtendoumen / Steden ende Landen ge⸗ _ De Tran-
veerdigen.
bedriegers / hooveerdige/ om rechtveerdi⸗
ge / Ee. Want na Dien Dat het haet ban hare
Pꝛedikanten foo hooge acngepzefen wozdt
daen wozdt gelijck alg in voozleden tijden otaninie
bp AIſraẽl menig honderdt Jaren met DE cen conci-
kopere Slange gefchiet is / die welcke nas lium beſſo-
dat baer oock de quijtfcheldinge haerder ſon- maeclg ban Hislia den Koninck Juda ig af 25 men
den daer mede verkondight wordt , foa troo- gedaen/ 4. eg. 18.4. Deut. 7.5.
fen fp haer ſelven / ende meenen Wanneer fp
Dat genieten / datſe Daer mede Des Weeren
Matth. 18.4. golel zijn. Ò Neen! Dat teecken en kan geen
Joan 3-5 5- Cheiften maecken / want foo lange fp hact
sonder ge- miet ommekeeren / en worden nieuwe Men⸗
loore nieu- ſchen unt Godt gebooren / van Goddelijc⸗
fchreef, 105 £.
Diet/ tot ſulche grove plompe afgoden-
dienaers ende berlepderg/ heeft (Ô lacp) ‚nos 5.
de Upocalppfche Apollion de Schzift-ge:
leerden Defer wereldt gemaeckt / datte alfulc=
ke krachteloofen , fwacken en aerdtſchen ge-
was tot den waerachtigen Soone, oft tao
we ereatuer⸗ pep gerdt / ſoo is het al tebergeefs gedoopt / den waerachtigen Soone des Almachtigen en
en gehoor-
geho | maelt / al waer ’t| eeuwigen Gods ‚ Doo? haer engen wijsbepde /
Gemheyde, een — — — koe, | Iecre ende Concitien hebben opgerecht / fiet
Doope noch gedient / gelicht Paulug fepdt/ in Elpifto foo geheel / en foo gantfchelijcken beeft die
— egefu geldet befnijdinge noch onbeſnjdinge Edeie Sonne Der gerechtighepdt ſijnen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
nun 3 glanfch
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
479
glanfch verlooren / en die Egyptiſche doodt:
lijcke Oupfteeniffe dat gantſche landt bedec⸗
ket/ Apoc.9. 2. Erod. ro. 22.
Jin getrouwe Teeſer / met deſe onfe aen⸗
Dat Baby- Wijfinge / ende bekenteniffe van den Pzedí-
tonfcheWijf. kanten / met haten Doope / Nachtmael /
ges vbn ende mijdige herten tegen alle boomen /
leert nu Die berholenthepdt Lan dat opgez
pzonchte Wijf / op Dat tootachtige Geeft /
Apoc. 17. vecht befkennen.
Necemt waer / Dat Beeft/ Dat van den
Wyyve beferen ende gedzeven Wozdt / is bol
met namen Der lafteringen / merchtt Wat deg
geeffs fin ig.
Dat gepronk Dat Wijf is opgepzoncht ín fchoonder
des Wiifs. cieragien / met beele bievdagen/ Kerchen /
Ulocken / gefanten/ Ozgelen / Doop ende
Nachtmael / Ec.
De dranck Baer ſchenck⸗beeckter B vergult / fp bez
des Wiifs. _poemt haer geweldelijtken Godts Woordt /
maet fp ís bol met grouwelen en onrepnig⸗
bepdt haerder hoererne / Daer mede fp oock
drzoncken gemaecht heeft alle Die op der act:
Ben woonen
Denamedes Haer names aen haer boozhhooft geſchre⸗
Wijfs. ben/ fp magh van een pegeljch Die Geefte:
lijche oogen heeft / geleefen ende geffen woz:
ben / ende heet Mitterium, dat is / verhoö⸗
lenthepdt/ díe groote Babilon / die moeder
der hoeretpen/ ende ban alle grouwelen op
aerden.
Alle xonin- Ende hoewel dat fp foo fchoan proncket /
gen bocleren Dat hem alle Koningen met haet vermengen /
Wijn ſoo wordtſe evenwel ban den Engel eén Hoe⸗
te genoemt / Die ſoo onmenfchelijck en wolf:
_pat Wijf is Achtigh ín Der aect is / datfeooclt droncken
bloerdronc: fg ban Den bloede der hepligen/ en Gan Den
E bfoede der getupgen Jeſu.
De Peplige Man Godts Goannig heeftfe
Én den Geeft gefien/ ende her daer aber feer
verwondert / ja mijn goede Keefer / alle Die
deg Wijfg geoutwelijcke gewelt / afgobifche
bercicringe / qeeftelijche tooverpe ende hac:
rerne / onmenſchelljcke grouwelen / ende haer
Dat Wijf bertcheichelijcae blaedt-dorft ende tpltannpe
vecht te fien recht gewaer Wordt / Die magh hem met
en te kennen “oane wel verwonderen / Daeromnte ſoo
is wonder. fgsceff Godt / ende leect wijghendt / wp heb
ben haet door Godts genade al om en om gez
ſien haer fchande gantfch blast bekent / eu
u met grooter blijft ín trouwer lief Den booz
haer gewaerfchauwt.
Van dat Eedr-fweeren.
eend
Chꝛiſtenen afgeleert en verboden heeft.
Ken / Datdat Eedtzweeren niet altijdt cener⸗
fen formam bp deg Heeren volli gehadt heeft/
| want boor de Wet/ foo hebben de heplige mer den Ee-
D Avbid fpzeecht ín den 24. Pſalm alfoo / Baderen een gebzunck gehadt / datſe deb
Grondelijcke Bekentenifie ,
ij
fchuldfge handen / onrcune herten / balfche
leere / ontrouwe / en Wepnigh waerbepts/
ja het is ſoo vezre bp Ber menſchen kinderen
gekomen) Dat dat edele jaen neen / Dat ban
den Heere ſelve bevoolen is / boog geen waer⸗
hepdt tanger ſtrecken magh / maer het moet
bp nae alle / ſoo Wat voor Die overhepdt gez
handelt wordt / met den Eede beveſtigt woz⸗
Den / hoewel Dat des Weeren mont / Matt. 5.
met foo klaere Waarden / Dat zweeren alle
De fchjzift leect aber al Dat woa Chziſtum p ——
hooren fullen/ Deut. 18. 15. Matth. 17.6. SS KOE
Marc. 9.8. Luc. 37.9. Want Gp ip de Ko: prophect die
nincki in Jacob / Efſai 9.7. Wuc.r. De Ko⸗ wy —
ninck ber gerechtighent Yet. 25. 3.en 33. 15. aas zijn
Hebz· 7.14. De Leeraer / ende Propheet van moeten.
Godt belooft / Deut. 18. 15. Act. 3. 25.
en 7.27. Die ong fijns Vaderg Waordt ge:
leect heeft Goan. 3.17.5-46-7-41.B.26,12. 14.
Ende fijn Woozdt is be waerhept / Joan. 17.
berg 2. Sijn gebodt Dat eeuwige leven /
Joan. 12. 50.
Nadien wp dan dít aldus beliennen / en
aock ban herten alfoo gelooven / ende belhhen=
nen noch daer beneffens / als dater geen
Vepfer/ noch Koningh boven fijn Woozdt
magh heerſchen oft teren ſijn Woordt gebie: Beven Gods
ben magh / nadien dat hp dat Wooft der ——
Doꝛſten is / Epheſ. 1. 21. Col.2. ro. 1. 16, mant heer-
Apoc. 1. 5. Ende de Koninck aller Konin⸗ (chen.
gen is / Apoc. 1.5. 17.14. 19. 16. En hem pe
alle inpen moeten bupgen/ die ín den Hemel/ en verbiedt
op der Verden / en onder Dee Werden zijn / te fweeren.
Phil.2. Ende hpons dat zweeren foo opens
baet verboden / ende op ja ende neen alltene
gewefen heeft / fiet / Daccomme is het/ Dat
up door Die bzeefe ong Godts niet en zwee⸗
ten / noch ooclt níet zweeren en dozven / hoe⸗
wel bat wp arme Menſchen Daeromme foa
veele by der Werelt haaren en lijden moeten.
Nengefien Dan/ dat ober alle de Wereldt
met deſen Artijckel Des Eedtzweerens foa
openbarrlijck fander alle ſchzoomen tegen
Godts Woozdt gehandelt Wordt / ende oock
ſommige Gadtvscefende twel ſomtijdts daer⸗ pe Geheeta
om ín 't berdztet komen / foo til ich dooz deg wereldt die
Peeten genade / Den goetbertigen Hefer upe Mishaadels
met het
deg Heeren Woozdt aentwijfen / wat de Dep: Gweeren.
lige Schrifenagelegender tijt ban dat Ecdt-
zweeren leert en mede Brengt.
Ecu eerften / foo moet de Keefer aenmercz
Pat gebruyk
der vromen
ant de voor de
wie fal op Beg Weeren Berge gaen / en / op haten hoofde getept heben / ende hebben WEE
van die Wie fal ffaen aen fijnen hepligen Stede / die alſoo den anderen gezwooren / gelijck Lan
fweeren
onſchuldige handen heeft / en reyn ban herz | Abzaham ende ſijnen kuechte / Gen. 24 3.
Ípreckt Dâ- penis, die geen luft en heeft tot valſche Ice: ‚En ban Jacob ende fijnen Boone Joſeph.
vid wette-
lijcker wijfe re / ende die niet valfchjelijcht en zweert Die Ben. 47. zr. geleefen Wordt. Oock heeft
waer voor
fal Ben ſegen vanden Heere ontfangen / en Joſeph bp dat teven Pharaonis gezwooren /
— gerechtightudt Lan den Bodt ſijns falig- Gen 42. En het fchijnt dat fulciten zwee⸗
bendts.
wen Tefta-
—— ja en |
hoort te ge- Wijshepdeg/ ebenwel bp Dec Wereldt niet
bruycken.
Gelijck als
ven bp den Egpptenaren een gebzupelt gez
Deſe waorden Davids zijn Lol Geeſts en , weeft ig.
Cen tweeden / ſao maet de Teſer aenmer⸗ Det weren
geachtet/ want men vint (Ölacp) over al Ken / dat Pftaël ín de Wet geboden was / der LT
datſe bp deg Weeren Fame zweeren fouden rxod.:2 st.
die Propheten ever den meyneedigen tot haren tijden geklaegt hebben, (verſtaet / wanneer dat het den doodt ep: Deut. 6. 19.
Jer.5.34. Oze. 4.16, Alfoo mogen wyoock nu wel over den trou-
weloofen doen.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
| fchede) ende haren Eedt houden/ alg Moſes
ſepdt /
a)
Van dat Eedt-fweeren. 47 1
endt/ ap en ult miet balfch zweeren bp mijz | zweeren / Dat was den Goden in de Wet toc”
Een — onthepligen den Name uweg | gelaten, maer den Chriftenen ís het in den |
Godts / want ick ben Die Veere, Led 19. Euangelig verboden : aengeften dat ons gEetis oa:
be 12. Ende den felfden Eedt Die was Iſ⸗ | Chpiftug dan geen zweeren toelaten Wil/ ——
raêt cen ende ban alle twiſt / Exod. 22. ende de obertepdt Die Wil evenwel / na hare ge-
Hebr. 6.1 6. policijen voortgaen / alhoewel Dat het con” hoorlaem, te
Exod.z0, 7. Cen Derden / ſoo moet bu aenmercken / teacp Der ſchrift is / ende de schift 4 magb — *
zer Dat Chriſtus Jeſus fijne Chriſten uu in Den | BEEN Menſchen wijchen / waer uu À De
Math. 5-33 mieuwe Ceftamente met den Eedt te zwee⸗ benauwde Chꝛiſten beenen / ʒweert hp / foo
ren níet op die Wet en wijft/ alg im dat on” valt hp in de handen Des Heeren / maer zweert
doſlomene / dat wel recht zweeren tocliet / hu niet / foo moet hp deg overhepdts onge⸗
Dan he Wijf ong nu gan be Wet tot Ja ch made an ſtraffen dragen. k —
een/ alg tot dat volfkomene/ en fpgeechit, © G hj lice Weeren ! hadtmen HU Jl 2 De grootfte
‘ lijclie oogen / en honden ban herten fien ende oneere Gods
aa: Gin! ox / dat tot den ander
alfao: Gn bebe Een rde Wet) gefepe bekennen wat dat het na Godts rechtveer⸗ igg
p ——
— (hat Ef boog SP fen ) gp en fult geen dighepdt mede bzenght / Datmen Godts veracht.
gene dingen valfchen Eede doen / maer gp fuie Dodt Wooꝛdt foo moetwilligh vpe —* over⸗
iweeren. yen eeat houden / (dat is / abp fuit vecht teect / men foude hever ſterven dan u Sefa
sweeren / ende uwen eedt nakomen.) moat Bat duure Cuangelium —— denk
ich ( Chriftus) fegae u (mijne egangeren/) | Chzifti / Be a2d antie deg eet gen 50 LA
dat ahn (Die mijne Cheiftenen 555 ) geenfing | met dte vergauckelijcke flatuten/ ende poli⸗
er t se noch | cijen zwacken oft bekken foudc.
zweer ule dat is / noch rech
keen —* A den Wemel / want LP 18 Oock en ſoudemen niet ———— —
Gadts ſtoel / noch Gp der Jerde / want fp | Ben / datmen Vlonder de bꝛome G pe
pen Eedt Í$ nen banck fijner voeten / wach bp Jeru⸗ tige herten / die dooe veren —— is
der Chrite- falem / want fp is een grate Konmcks niet anderg Dan De waerhepdt —
nen is ja en Ztadt / dock en fuit gin Gp uwen hoofde ven / die een pegelijck —* tupt hae —
Marth. 53 miet zweeren / Want gij en mrught nief cen. manden gact / vaſt als een Eedt achten / Cn Wat choeft
— totter Boodt toe haer ja eude neen houden / men dact
doch te
—— acr uwe wos | |
esn Gapt wit oft zwart maken) Mee Gggen ig) baden Gaten ja en neen tegen Bodrg ADoordt ecren dan
Srem boven ig | Lod |
zp ja/ JA, neen, neen} —* —— pat | bezwaren ſoude / daermenſe nu (och lacp) eick woerdt
(Bat vna ——— * — — wel om een kleyne ſaecke / alg om —— cen Xedt
———— Ehriftug engen leere goet oft pet fucks wat / wel met opgeſteken
—— vingeren a ben Demel OER Dee erf
targeted 8 £ woorden Teſtament gerept / DD /
Siet mijn lieve Heeft | AAE A bp fijnen levendigen woorde / om te zwee⸗
a alti nd | wijchen ven dringen Bozen. id
en Polichen van dat Erdt zweeren Wij — DE cp ee — b oe wai EN
it d: m calumniee de veritate di- den u uwe Leeraers en Lepders / BEN TVEGE
—— ns Or Bf ——— miser moemen, Die totter berdoemeniſſe ſtreckt / die u alejde
des Heeren PN, ty gefchjfen Dan hoe datfe geſthien / het Dacr mede ser eeey
gaen, dan het zu met woorden / oft met den vingeren op te | gehoogtaern zijn/ (a g't oock behoorlij
a te om im Oe AA
taggeftaen. cen kh fe opp Dat nieuwe Ceftament te , 0 En Rom.2. Lie
* ei Een meapee — W Jer achtige — en neen / hepdt is / in alle dingen tegen den Heere wel ———
fe k Deere felve geozdineert / dat moet handelen en heerſchen moet. Ephel. 6, 9«-
es de treden / fo Oeh neen | tee Deere / meen / wy waer: Cor-3:25
Der in de plnctfe treden / foo anders DE
——— pd) —— deg Heeren ſchoumen U dooz trouwe liefde / — ——
woordt niet moetwillighljcken willen overe waeckt op / ende ſiet voozu / uwe Deed: — he
treden ‘en alg onnut in De wint flaen / Want ten Die verlenden u/ bp Godt enig geen aen⸗ pn
afte vrat oven ja en neen is Cfpzeecht Chri⸗ fien dee perfoanen/ We ’tdat ghp geen boete ; par. 19.6.
Aug ssefug) dat is van den quaden. Dit en doet / upt Godt niet gebooren én Wordt
boe Heert oock de Heplige Jacobus / ende die ſimpele onnoofele kinderen in Det boog:
fi greechit : 2aoz alte dingen / mijn liebe Broer heydt niet gelicht en wozde/ u officie *
— gj en wite miet zweeren / noch bp den dienſt niet na Godts wille in der lief den rede⸗
atd 1 nach Gp der Aerde / nach by eenigen lcken uptvoert / den armen ende ellendigen
atoecen edt / (veeftaec / gelck bp Godts BEN vecht en Boet / en niet met ——
waardt / bp des Veeren krups / bp uwer ‘tiger oatmoediger herten gehoorſame De
zieten falighende/ Ee.) Maer uwe moop: deg Heeren TDoordt wandelt / * fl at ja
a/ dat ja is/ en ten jonghſten dage uwen rechter
Wiee Heeren / neemt doch deſe reden Wel ter
— — ie ee en / foo helpt mv
at meen is / (ende tl | D | std
— daer * helpt mp odt ende alle herten / Porentes potenter tormaenta patien
hepligen / gelijcht alg 't {u vete plaecfen (Olacp) tur. Sap.
6.5: ‚
fr {6 Ll gtem/ ghy geleerden ghy die daer met
ten gegane ie) er ntb iofen beft Dwalinge wilt beweerenende De geleer-
hepoͤt en vallet / Jacob 5. 13. | doaft gtjp doch Godtg eeuti- den maen
El, term ger erhepdt een al⸗ voorſtaen / hoe DONE DIE NEE (ej, kriet mer ha-
Chriftusen- · Wp weren Wet, datde Ov het e wijshendt en waertepde foo openbaerlijtk ‚ ——
dede werelt frtrieen fehtín toost brenght / ende fpgeecht : KE LDS .
die nnee —— — an rechte | —— ens —* pogen, ghy — a nd tot
in den AN Eicken beelt. Wiets sen won fine men fal geenfing zweeren maer wy "EBBEN > .
tijckel met- faecken heeft, hiet op antwoorden Jp ⸗ — (A —
ij Y recht maghmen wel fweeren , wanneer Ca
ten anderen. pelijchen unt deg Heeren mondt / Necht te C 8
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
472 Grondelijcke bekentenifle,
de liefde ‚nutte, en-noot des naeften eyſſchen, | ſoo geſendt is / en geboden Geeft / dat onft fa |
heet Dat níet openbaer en plat tegen Chri⸗ onſe ja/ en onfe neen onfe neen fal zijn /
ſtum leeren / Dat willen wp u feloen vechten | Math. 5. 27. oct Paulus en Jacobus /
laten/ daer Doch de reden faa klaerlijcken | dat feifde krachteljck betupgen/ 2 Coz.r.
lupdet / Dat den Goden ín de Wet vecht te| E18. Hac. 5.12. Ende wp wel Weten; Dat
weeren toegelaten was / maer ong Ehrzi⸗ geen Menſche / noch Menfchen qebodt / |
Noch liegge, ſtenen ig het verboden / oock foo helder ende | boven Bode en Godts gebodt heerſchen me
noch noodt , klaer is / Datter ín Den Hieuwen Teftamen: magh / daecom iſſet / dat wp ín geen tijdez |
magh inden te/ geen liefde des naeften/ moch deg Da: | lijche handelen ( fegge ick ) eenige waerhendt
—— ders / noch deg Moeders / noch der Dzou⸗ | hooger alg met ja / en met neen beveſtigen
handelen te- “Ben / noch der Hinderen / noch genen noot |Dozben/ Want deg Weeren Wooꝛdt leert alſo /
gen Ezats des leben / oft deg Doodts deg Heeren woort | foo geſept is.
Woorat.. hupgen oft breechen maet / Matth. ro. 37.| Mijn Leeſer / Merclit wel top ſeggen
Marc. 8. 38. Luc. 9. 12.4. 14.26. ín cijdelijche handelen / ende Dat om deſe vor⸗
Hieromme weerde Leeſer / is't dat ghp |faccke/ want / om dat Cheiſtus in ſijner
ſoodanigh een zijt / die den Heere vreeſt / en leere wel fomtijdrg dat woordt voorwaer
betu gebeurde / dat ghp tot eenen Eedt gez | gebeupeht heeft/ Matth. 17. 18. Joan 3.
bzongen wordt / foa biddet den Alderhoog:(ÖS 3. 8.34, 10.1. Ec. en oock Paulus den
ften om wijghepdt/ vepmoedighendt / ende Heere tot een getupge ober fijn ziele geroepen
ſterckhendt / hoogt niet der geleerden glofen/ | heeft. Soo meenen ſommige / als dat daer
want fis bedziegen u/ fiet oock niet op Die | mede recht te fweeren wel vry ftaet, en mere⸗
beelendt / dat ghy haet ín ’t quade na volgt / ken niet/ Dat Chriſtus ende Paulus fuickg
fao Moſes fepde/ Wüjckt doch ín der faeche | niet ín eenige tijdelijche bandelen/ alg om
geen bleefch / ſy zijn Dan Wie / hoe /en waer vleeſch en bloedt/ oft om gelten gact / dan
fp zjn / maer vermaent ende befteaftfe met |tot een bebeſtinge deg eeuwigen waerhendts /
alle behooꝛlijckheydt en liefde / wanneer dat: ten prijfe Bodts/ en tat falighepdt en bous
fe u boven der Schaft dringen willen/ blijft ‘Winge haecder Bzoederen / gedaen hebben.
bp uw'g Weeren woordt / Datudat zweeren Bidden dan hier mede alle Weeren ende
foa openbaerljck verboden heeft / en laet u | Overheden om Jeſus wille / dat ſy doch den
| jaen neen u Eedt zijn / gelijck alg hn dat gez | eere ban herten bzeefen, ende haet met defc
‚ Bedeeke u Boden heeft / het gevalle u te leben of te ſter⸗ haere policije van den Gedt-zmeeren onder
— ben / op Dat ghp alfoo die onnutte vruchte⸗ des Weeren Woort dzucken willen / en Willen
lichten voor looſe pdele Wereldt / die geen dingen wenni⸗ | bedachtelijckten aenmercken / waeromme |
ls mene _getenachtet alg deg Weeren Wooꝛdt/ dooz Dat fp den Eedt epſſchen / te weten / daer⸗
— — alſulcle Chziftelijche dapperhendt / ende be: omme / omme datmen nakoomen fal datz k
Phil.z. ra, ſtandige Waerhende ín Gaerder ontrouwe men zweeret. Aengeſien Wp dan onfe jae
——— ende valſchent / met u waerachtigh ja ende ende neen / niet klepnder dan een Eedt ach⸗
hannes Heen/ tot getechtighepdt vermanen en ſtraf ten / Wat behoeftmen ong dan hooger te
van den _ fen meught / oft hem noch pemandt ban bezwaeren / Dan ong des Weeren Woordt |
Eedt-fwee. fijner ongerechtighendt beheeren moghte / leert ende toelaet Want wp verhoopen |
Gelfde —— ende moghte overmits ſulcks de waerhepdt door Godts genade aen dien Dat top den Dat ja ende
ne 1416: in dieper nadencken / ende ſaligh wazden. eere Deelachtigh geworden zijn / ende fijn neen der op-
sen Concilie @Back foo (9 ’t u Wel nutter / dat ghp men: |Woordt aenhangen / (n welcken dat dat jae er
—— ſchen ongunſt / ſmaethendt / ende lafter op ende Arnen is/ datmen ooclt ja bp ong bez is vafter van
willegehou. Wladet / en in Dee waerhendt blijft / dan dat | binden ſal / Dat ja is / ende neen / dat neen —* omg
dem van den qhp Det menfchen vriende zijt, eude tegen is / veel meer alg bp De werelt / al zweeren Gin ae
den vers Godts Woozdt ſondight / gelijck alg de gae- (fp oock ftecchie Eeden / maer faclgeert ‘t pez
opgeoffert De Joannes Hus beleedt / alg ha om te zwee⸗ [Mant / Dat hp fijn jaen neen niet en hout /
en —— ge- ten gedwongen worde / my is aen alle zijden [Die laet alg een mepnediger geſtraft worden,
angfte ( ſpꝛack bp) fweereick, foo hebbeick |_ Dat dat fa en Amen bp alle rechte Chꝛi⸗
den eeuwigen doodt, ende ſweere ick niet, ſtenen is / dat bewijſen díe gene wel / die in onſe
foo en magh ick uwe handen niet Ontgaen, | Nederlanden met faa beele zware gebancke: |
maer het is beter , dat ick valle fonder her | miſen / met Die bevaovinge haerder gacderen / |
werck in uwe handen, dan te fondigen in ’ | met foo onmenſchelijcke veele pijningen ende
aengefichte Godts, fiet : foo hooge heeft de leden bzeeclien/ Daer oock met vper / flalten/
weerde Befen Gedt gewegen. en zweert fou tgcannelijcht verſocht worden /
Hier bj foo leeft oocit Hieronymum T'heo-|en wel met een woozdt ſulclis alleontgaen pe rechte
philactum, Chrifoftomum, Erafmum Rot- moghten / Dat fp maer haet ja en neen bree⸗ Chritenen
terdamum in fuis Annotationibus , Philip. hen wilden / maer nadien Dat fp uptter waer s ber ij
pum Melanthonem ober Dat s. Cap. matt. hepdt geboorten zijn / foo Wandelen fp ooclt ín en neen met
Heymonem ober Dat ro. Cap. Apoc. Ende! det waerhendt en betupgen De Waerhepdt cat der doodt.
oock Originem aen een plaets / ende ghy fuit | ín den doodt / gelijeltmen in Vlaenderen,
bebinden / datſe in Defie Artijckel met anfen | Brabant, Hollandt , Weft-Vrieflandt, Fe.
grondt / geloobe/ leere / ende belienteniſſe overbloedelijcken ſpeuren en fien magt.
ſtemmen en een zijn.
Dit ís dan ban defen Artijliel onfen gront Befluyt.
ende mepninge/ nademael dat ong deg Wees
ten epgen mondt verboden heeft/ Dat wp Hi Etis openbacr eerfame Leefer dat de we-
geenfing zweeren fullen (verſtaet in tijde⸗ Â Areldt alfoo vervallen is , datfe alle wat
lijcke dingen) noch recht/ nach onrceht /Sodt leert, gebiedt , ende hebben wil, voor |
on=
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
| onrecht achtet, ende met nydiger herten ha-
tet, vervolget , ende uytroeyt , daer en tegen ;
| alle wat God hatet, verbannet , ende voor een
grouwel achtet , voor goet aenfiet , ende met
grooter neerftigheyt beweeret ende voorftaet ;
| evenwel fo willen fy de heylige Chriftelijcke
Kercke, ende Godts volck heeten , recht oft
Dat goede Men fonder geloove, fonder nieuwe geboor-
* —— te, fonder Gods Geeft ende gehoorſacinheyt,
heers ende âlleene met roepen , Kinderdoopen , &c.
datquaedt fulckszijn kan , och neen , mijn Lefer , neen;
ne neemt het waer , uwe troofters bedriegen u;
4 ende verderven den wegh , die gy gaen moet ;
Efai. 3. 11.
Aengefien de fake dan {o gantfch metter
werelt vervallen is, fo vermelt is, ende onſe
wederpartyen fo jammerlijck over ons liegen
ende oproeren; dat wy tot geen verantwoor-
dinge komen mogen, fo men fien magh, fo
hebben wy defe onfe bekenteniffen fchrifte-
lijcken daer geftelt, op dat een yegelijck diefe
leſen, hooren , ende fien magh, ende verne-
men kan, waeromme, ende waer door wy
foecken faligh te worden , waeromme dat wy
de Predicanten niet hooren , ende waeromme
dat wy den Doop {oo neerftelijck op den ge-
loove drijven , ende den Kinderdoop foo hart
tegenfpreken , wat des Heeren Heylige Nacht-
mael afbeelder, ende welcke grouwelen dat
der Geleerden Nachtmael medebrengt , ende
dat het een recht Chriften in tijdelijcke ver-
ganckelijke dingen geenfins toegelaten is hoo-
gerte fweeren, dan met ja ende neen, ende
hebben alfo waerheydt ende leugen , lichtende
{ duyfternifle , als wit ende {wart tegen den an-
| deren gefet, fo gy fien meught: wilt gy niet
moetwilligh blint zijn, fo hebt gy hier een |
goede oogen ſalve, ja hetis u hier fo duytlijck
ende klaer , fo plomp ende plat voorgeftelt |
dat gy moet bekennen dat het de waerheyt is ,
oft met verkeerde (innen van uftooten , ende
feggen, neen ick en wil dat niet , ende wat gy
dan voor een Chriften zijt, dat meught gy
nadencken,
Goede Lefer, en verfaemt u niet met dien
die tot Godt {preecken , wijckt van ons; de
bekenteniffe uwer wegen en willen wy niet,
Jobar. 14. Oock niet met die} die op bloet
loeren, want haer deel ende loon fal de doot
| Zijn, Rom. 1.32. Gal. 5.22. Apoc, 21.27.
Siet dit fegge ick is onſe gront , foogy hier
| gelefen hebt, zijt gy nu van vromer aert „ende
de blinde Geeft der Geeftelijcker hoereryen u
Die geefte- niet en leydet, fo recht onfe faecke met des
lijcken zijn, Heeren woort na der waerheyt, verftaet gy ’
—
| Apét, 3. 18,
|
|
hef ogen niet, fo vreeft Godt, ende bidder; alle die
rechten. — uyt Godt geboren is , ende des Heeren woordt
bereyt ftaet, die moet bekennen; dat onfe
Nietden leere uyt Godt is, ende wy de waerheydt heb-
— ** ben, wie datſe aengrijpt, ende tot den eynde
— ‚‚ daer in blijft, die heeft dat eeuwige leven,
dekroone maer wie datfe verftootet ; die en verftoot niet
— ons, maer Chriftum Jefum felve, diefe uyt
3. — ſijns Vaders mont alſo geleert, ende met ſijn
bloet alſo befegelt heeft, Apoc.1. 5. 1 Petr.
5.19. Actor. 20. 28.
De genadige lieve Vader, door (ijnen lie-
ven Sone Jefum Chriftum onfen Heere,
verlichte u, met alle hongerige Confcientien
met de gave fijns Heyligen Geeſtes, ende leyde
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Befluyt-reden.
473
u met fijn ftercke. kracht in fijn eeuwige ſa-
lighmakende waerheyt, Amen.
By my Menno Symons. Anno 1552.
Godt tot prijſe, ende alle Menfchen tot
dienfte.
Hier volgen noch fommige Vra-
gen, met welcke fy ons menigh-
mael bemoeyt hebben.
D & eerfte brage/ Of de Afſonderinge een
gebodt Godts, oft een raedt Godts zy ?
Antwoordt: Gen pegelijck Wege de Woozden
EChrifti vecht / ende De woozden Pauli boz
ven verhaelt / foo fal hp wel bebinden/ òf
fp Gods gebodt of Gods raet zy / alle wat
Paulus fpzeeckt ban Der Afſonderinge / dat
fpzeecht hu ten meeftendeele in Imperativo,
is (n een gebfedender maniere Expurgare,
dat (8 / veeght upt / Profligate, dat is / drijft
upt/ 1oz.5.6. Sejungere, Dat ig wozdet
afgefchenden/ 1 Cim. 6. 5. Fuge, dat ig /
bliet. Cit. 3. 9/ Ec. Item: Wp gebieden u
lirve Broeders in den ARaeme onfes Weeren
Jeſu Chꝛiſti / Ec. Ick mepne Broeders /
deſe fchziften bewijſen wel / dat beft een Gez
bodt zp / ende of fn ban al fchoon niet een
gebodt / maer een tact Godts en Ware / fous
den Wy dan den felven niet met alien blijt
volgen ende nakomen? Beracht mijn Geeft
deg Hepligen Geeſts raedt / fo bekenne ick
waerachtigh / dat mijn geeft upt Bodt nict
en is. Ende tot Wat epnde het belen gera⸗
den is / Die niet Godts / maer haten ergen
geeft gebolght hebben / magh aen beel plaet⸗
fen Dee Bpbelſcher Hiſtorien gelefen Woz:
2 Theflz.rs,
(ben / is oack tot onfen tijden wel gefien ende
bevonden.
De tweede Brage/ of yemant defen Ban
niet onderhouden en wilde, evenwel anders
vroom ware, of hy dan oock daerom foude
gebannên worden? Antwoort: Wie vroom
is / fal wel fijn beoombhepdt in Det gehooz⸗
faembept blijchken laten / ende niet wetens
ende Willeng Godts woazt / gebodt / wille /
vact / vermaninge ende leere verachten / en
als noodigh in Den Wint faen/ Want fa
pemant moetwillige commertium houdt met
Dien / Die ín der Schrift berboden zijn / fa
moeten Wp immers bekennen / Dattet een
bevachtinge des Woorts Godg is / ja opens
bare ongebhoozfaembept ende wederfpannig:
hepdt (ick ſprelie van Die) Die 't wel weten
ende Bekennen / ende niet en doen) ende onz
geboosfaembent is een ſonde alg Cooberpe /
ende wederfpannighent is Ufgoderpe.
Mademael dan de Schzift vermaent ende
gebiedt / met foodanigen en fult gp niet ber:
menght wozden / met haet niet eten / noch
gtoeten / noch ín uwe hupſen ontfangen /
Ec. ende Dan pemant evenwel fepde: Fel
wil mp met haet bermengen/ eten / ick
wilſe ín Den Heere groeten / ende tot mij⸗
nen hupfe ín nemen: Dit hewijft immers
opentlijck Dat hp fijns Meeren gedodt / ens
De vermaninge niet en vzeeſt / Dan klepn
@oo achtet /
1 Samerse2 3e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
474
achtet / Ben hepligen Geeft verſtootet ende! | |
ven is / op dat wp met geenen (uerdeegh Des
| valſchen leers / oft deg ontepnen levens, bau
Den afvalligen fullen berftirert wozden. En
fijn epgen goetduncken/ meer als Godts
Woot vertrouwet / eert en navolgt. Ooꝛ⸗
deelt gu nu / wat het boor een ſonde zy / Gods
Sommige Vragen,
Cen vierden / ſeggen wy / dat de Ban gege⸗
Woododdt niet te Willen hooren / noch gehooz⸗ is openbaer dat mp niemant meer verderven
2 Thef. 3.12, fem zijn. Paulus fept: Wp gebieden u liez
be Wroederg/ in den Naem onfeg Weeren Aer
fu Chziſti / dat ghp u ontreckt ban allen
Braederen die onbehoozlijck Wandelen / en
niet na de infettinge / (merckt Wel) díe hp
ban ong ontfangen heeft. Item: Sno per
mandt onfe Woorden niet gehoorſaem en is
(noch eens merckt ) Dien teechtent aen dooz
eenen brief / ende en hebt geen gemepnfchap
met hem / op Dat hy magh befchaemt woz⸗
Den. Detwijle tande Gan ban den Apofte-
ten foo krachteltjck bevoolen en gedzeen is /
en dat upt Des Peeren mont / Matt. 18. 15.
foo moeten wp immers oock den felben na
kamen / en gehoorꝛſaemſaem zijn / foo wanu
foo wijt ban Godt geleert en verlicht zijn/ oft
kon moeten ban de gemepnte Gods om on fes
ongehoozſaemheyts wille gefchout en gemijt
worden / moetmen belijden en toeftaen.
De derde vzage: of ook Echte luyden mal-
kanderen behooren te mijden des Bans halven,
defgelijcks oock Ouders en Kinderen. Ant-
wooden wp ten eerſten / dat De vegel ban den
Ban / een genevacl vegel is en niemandt
Rom. 2. rr. upt enn neemt / noch Man / noch Vzouwe /
nk 6 noch Ouder/noch Kint: want Gods Wooꝛt
3. * ooꝛbdðeelt alte vleeſch met een gelijcke oordeel /
lae.2.4. ende en Kent geene perſoonen. Nademael
1 Petr, 1,17. Dan de tegel Des Bans generael is / niemant
upt en neemt / en geene perſoonen aenfiet /
is t immers bill Gier ín deg Weeren Woost
te hooren en gehoorſaem te zijn / hp zp dan
man oft vrouwe / ouder oft kint.
Bots. 3 (den tweeden / ſeggen Won / datde affan:
45 deringe ín der Gemepnte gefchieden moet / en
Daeram ooch de man (nde affanderinge fijns
Vzouws ende De Vzouwe ín de affonderinge
haers Mans / confenteren/ en metter gez
mepnte ſtemmen moet / moet Dan de brꝛoome
eegade oock fijn confent Daer doen / ſoo ig ’t
immers wel behoozlijk / dat hy de felbe metter
gemepnte oock mijde/ Want wat bzuchht /
kracht en nuttighepbt heeft de Ban ín hem
beſloten / Wanneer Dat fchouwen en mijden
níet daet en is.
1Cor.s.8 Cen derden / ſeggen wy / dat de Ban gege
2 Thefis.14: gen is / om befchaemt te wozden tot beterin-
Matië 16. oe, Berftaet dat befchamen níet/ gelijck de
werelt befchaemt wordt / maer Berftaet ín det
Eonfcientien/ en Daeram fo laet het ín aller
billijckhept / beleefthept en liefde gefchieden /
wanneer dan mijn Man oft Bouwe) Ouder
of kínt/ metten Ban ín der Gemepnte ín den
Name Chꝛiſti / en metter kracht Cheiſti ge:
oopdeelt id / behoort immers mp / na dien de
rechte Guangelifche mijdinge tet beteringe
geſchiet / na vaet deg 1. Geeſts / beteringe upt
allen mijnen krachten te ſoecken aen mijnen
epgen lijbe / namelijch / aen mijnen eegade/
oock aen mijnen naeften bloet-brtenden/ als
Ouders en Kindt / want He geeftelijchke liefde
moet ín allen Dingen den baozganctt hebben /
Daer beneven wilde ick hier evenwel in unter:
lijke Dingen der nootdzuftighept belangende/
herſorgen / faa erve het mp mogelick waer,
Cot. 5. 4.
ende verſueren kan / dan mijn epgen eeqez
noot/ vader / Ec. ſoo is mp immers ban den
19. Geeft ooch wel geraden den ſelven te mij:
den / op dat hp mp in mijnen gelaave níet en
verdere / ende alfea Loor Bodt te ſchande
maeche / í8’tdat ick man oft bzoutwe/ Daz
der oft kint oft pet liever hebbe dan Chriſtum
Jeſum / faen magh ick fijn Jonger niet zijn
Hier Wort nu van ſommigen tegen gewor⸗
pen/engefept/ datter geen Echt-ſcheydinge
en is, dan om overfpel: dat felhe ſeggen wa
sock en Daeram en fpzeectten Wp bau geen
Gcht-fehepdinge/ maer ban eener mijdinz
ge / en dat am de oorſaecken / alg boben ver⸗
klactt is. Mijdinge heeft Paulus klaer gez
noegh getonfenteect / hoewel niet altijdt
oberfgel Daer en is / maer geen Echt-fchep:
dinge. Want Echt-fchepdinge en is in der
Schrift met toegelaten anders dan am over:
‘pel / Daerom en falfe ooek van ong anders
nfet bewillight wozden eruwelijck.
Daerom is onſe verſtant / alg dat de Man
fijn Vrouwe) en Vrouwe haten Man / de
Ouders haer Uinderen / en dat Kint fijn Duz
ders behoozt te mijden / wanneer fp afnalligh
zjn. Want de regel des Bans ig Generael /
fp moeten metter Gemennte oock Dat oor⸗
Deel confenteeren/ fip- moeten hare ſchzift
matige befehaemthepdt ſoecken tot beterin⸗
ge/ en heu met blije Wachten / datſe ban
haer níet verſuert en worden / als been gez
lept ig.
Mijn Beminde im den Veere) hier wil
De ick nu uwer alder liefden vpt gront mijns
herten wel gebeden Gebben / dat ghy doch
gebadt van gebodt onderſcheyden wilt / en
alle geboden niet even zwaer achten / Want
overfpel / Afgoderne / blaet-bergieten / en
ſulcke geouwelijcke fchandíge bruchten en
werclien Des bleefchg meer / fullen zwaer⸗
der geftcaft wozden / dan die / Die in Den
Bau misqtijpen moghten/ ende dogh bpe
fonder wanneer ’t u niet moet willeng ende
upt bekeerde Gerten en gefchiet. Daerom
foa fiet doch wel booz u / dat ghp ín dele ſaec⸗
ke de Echt belangende/ niemant voozder
dringen en Wilt / dan hu in fijner herten van
Godt geleert ig / en in fijner Conſtientie
Dragen en boeten kan/ op Dat ghp dat
Bocksken niet en koocket / dewijle het
noch fijns Moeders melck fupget. De fchaft
leet allenthalven / datmen den zwacken dra⸗
gen fal/ Broeders het ig een zware pericu⸗
leuſe faechte / ick weet oockt Wel wat bj mij:
nen tijden / door ſommiger dringen daer
upt ontftaen ig. Daerom cade ick / datmen
eenen pegelfjchen den gewiſſen ende feechers
flen grondt en wegh wijfen fal / wiens Con:
fcientíen alg dan door de Schrift, ende door
den Hepligen Geeſt vzu ende ontbonden
flacn / die Docs veywilligh epe hem felz
ben / ende niet upt pemandts bedwanck /
dooz De falbinge / Ende niet dooz menſche⸗
lijck aendzijven/ fo ’t hem bejegende dat fiju
eegade gebannen worden / dat hem de H.
Geeft
Gal. 5: 9.
1 Cor. s. s.
Exod, 13. 3.
Matth. 0.37.
en 16. 23.
Marc. 8. 35,
Luc 14. 26.
1 Cor.7. 10.
Matth. s. 33.
en 19. 7.
Matth. 10. 4.
Luc. 16. 18,
Exod.23, 19.
en 34. 26.
Deut. 14, 21.
Rom. 15, te
Gal. 6. 4
Geeft ín der Schrife radet / leert ende ge:
biedt. Want ick Weet ge wig ende waerach⸗
tigh / fo wie den W. Geeft met getrouwer
Berten hoort ende gehooefaem is/ en fal
nimmetmeet te ſchande Worden.
€ vierde bzage/ of wy oock den gebon-
den met eenige wereltlijcke groete begroes
Ende hare Antwoordt. 475
[cen pegelijclt mact en betrachte hoe wijde
|
het woozdekken commertium , ín fijnder rech⸗
tet aerdt verftaen Wordt.
Ten tweeden / upt Wat vozſake ende tot
wat epnde de Wan Lan Den H. Geeft ín der
ſchziftuere nagelaten ende verorzdineert is.
Een Derden / hoe cen rechte Ware Chꝛi⸗
ten, ende met eenige eerbiedinge op fijne; ſten upt geboren / geaert ende genatuert ig.
groete bejegenen mogen ? nademael Joannes
feyt: Gy en fult hem in uwen huyſe niet ont-
fangen » noch groeten , want wie hem groet,
die heeft gemeynfchap met fijne boofe werc-
|_ Cen bierden/ hae oock de barmhertige
Dader ſelve handelt met Dien / Die alreede
fijn gevecht ende toorn weerdigh zijn.
Alle Die ſulclis wel ende grontlijck kan
ken. Antwoozden top: Wieffelijchtent / be⸗ inſien / fal ſonder twijffel de noodelijcke dien:
ſchendenhent / beleefthent / eerbiedinge / ende ſten De noodelyeke liefde ende barmher—
vriendelijclihent tegen pegelijcken betaemt tighent den afballigen daar Ben Wan níet
allen Coziftenen. Wanneer Dan een afval, afflaen / want Bat waozdeken Commertium
lige mn bejegent ende geoet mp na werelt: en berbiedet ſulcks niet / maer het en ber:
fche wijfe/ met gaeden mozgen oft goeden
Dagh / ende ick zwijge ſtil / hp f9 mp eet:
biedigh / ende ick keere mijn aenficht af /
houde mijn ſtuer ende onbziendelijcht tegen
hem / foo maag ict mp mijner onbelecftz
heydt Wel ſchamen / gelijck Spzach fept:
want hoe kan de ſelve door alſulcke onbe⸗
leefde ſtuerhendt tot boete vermozwet ende
ín fijn gewiſſe geſlagen / weder ten beſten bez
roert Worden. Ende de ban en is niet gez
geben tat verdervinge / maer tot beteringe.
Septmen dan / Joannes heeft foodanige
groete verboden. %ntuoozde ick baaz mp /
Dat íclt voor mijnen Godt níet berftaen en
Kan /alfo dat Goannes dít ban een gemeyn
groete geſproocken heeft maet dat hp
ſpreeckit fo Dat eenigh berleyder tot ons
bieùt de dageljckſche gemepne gefellighent /
converſatie / befpeech ende hantcringe/ Sc.
(alg boyen verklaert ís. De Ban ig oock
‘een werck Deer Goͤdtſaliger liefden / ende
niet een Gerheerde onbarmhertige hepden—
ſche Wzeethept. Gen vecht Ware Chꝛiſten
{8 Mm aller manieren eenen pegelijchen / ja
oock fifnen bitterſten bpanden Dienftelyjcht /
lieffeljck / behulpelijek / ende barmhertigh
na alie fijn vermogen. Stuerhept / wreetz
hept / ende onbarmhertighent hatet hp van
gantſcher herten. {Pp 18 genatuert gelijck
fijn Pader / uotten welclien hu geborenis/
Die fijn Donne laet fchijnen over de goede
ende quade / ende Die fijn vegen Laet bailen
ever De gerechtige ende ongevechtige / ben
íclt dan anders genatuert alg hy / fa beſien⸗
Kkomt/ Die De Veere Cheiſti verlaten heeft / ne ick wel Dat ick fijn kint níet en ben,
gen en fouden/ op dat hp ong niet en herz
lepde / ende Dat wy hem alg een broeder niet
groeten en ſouden / op Dat wp hem niet gez |
mepnfaem en zijn; Maer meter wereltlijce
kee groete níet alfa/ Want fo de wereltlijche
groete alſulcke kracht ín hemm befloten heeft /
Dat fp deelachtigh maeckt det onnutter werc-
ken / ban dien / Die fclt groete / fa moet daer
upt bolgen/ Dat ick Des werelt g hoererpe /
oberſpel / dzonclienſchap / gierighept / Uf-
goderpe / blaetbergieten/ Ec. maefte gemzepn-
ſaem zijn / fo dickwils als icſt eerten werelt
lijchken Menſche na gemenne wijfe groete /
oft boog fijn groete Danchede. Och neen /
maer de groete oft kuſſe Des veeedg beteec-
kent De gemeonfchap. Nochtans fo pemants
Conſcientie hier in gebonden flaet / dat hem
om alſulcks te Doen níct vin en is / met foa-
danigen en twiſt niet / Want het geen twi⸗
fteng Weert en ís. Doch ick Wilde Geel lie-
ber Dat hp hier in ontbonden ſtonde / ende
ín aller manieren Chgziftelijcke beſchenden⸗
bepdt/ lieflijckhendt / beleefthept ende eer⸗
baechept/ na guame tot beteringe / ende
níet onbeguaembept / ſtuerhent / onbeleeft-
hept / wzeethent ende oneerbaerhegyt cot bze-
kinge. Beoeders / Wacht u boor twiſt ende
tweedzacht. De Heere gunne eenen pege-
lijcken Godbzeefenden een heplfaem verſtant
fijns hepligen Woorzts / Amen.
Be bijffte vrage / of men oock den geban-
den eenige noodelijcke dienften , noodelijc-
ke liefde ende barmhertigheyde bewijfen
Dat wp den felben in't hups níct ontfan⸗
Daerom fegh ick met onfen getrouwen
ende feet lieben mede-broeder Dierick Phi-
lips, dat wy den Ban niet en begeeren te ge=
bruycken tot verdervinge der menſchen, gez
lijcſi de Phariſeen haren Sabbath deden /
maer tot beteringe / ende begeeren alſo in
aller liefden / billickheyt ende ootmoet / wan⸗
neet ’t immers de noot vozdert / den afval⸗
ligen met onfe cijd!jche oneven te Dienen aen
hare lichamen / ende mer De geeſtelijcke goe⸗
den des H. Woozts aen hare zielen. Ende
hebben geel liever hulpe ende barmhertighept
met den Samaritaen aen de gewonde te bez
wijfen / alg met De Priefter ende Lebijt boor
bp te gaen / Want Gacobug fet: Daer fal
een oordeel ſonder barmhertigheyt geſchien
ober dien / die geen barmhertigheyt en doet.
De barmhertighept beroemt haer tegen dat
oozdeel. Zijt barmhertigh gelijck uwe Wez
melſche Dader barmhertigh is. Saligh sijn
de barmhertige / Want fp ſullen barmher⸗
tigheyt verkrijgen.
Summa / wanneer Wp maer en Bekken:
nen De rechte aect ende natuere des woozs
commertium, belkennen upt Wat oopfake en
tot Wat rpnde de Ban Herogdincert is / hae
eeu recht Chziſten fal ende meet gefint zijn /
ende rechten ong na Den boorbeelde Gods
ende Chꝛiſti / fo íg De falte al geholpen. Ende
(fo Wu oock deſe genade niet en hebben / fa
ſullen wp in befen Wan ſchandelijek dwalen /
en wreede onbarmhertige Chziſtenen zijn /
(boor welcke dwalinge en geouwel de genadíz
ge Bader alle fijne lieve kinderen eeuwigh:
magh, Antwoorden wy ten ecrften/ Dat! lick moet behoeden — bewaren.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
09 2 Mijn
Nota.
Luc. 10. 24.
Matt. 6. 15.
Jac. 2. 13.
Luc.6. 7. ,
Matt. 5.7»
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Joan. 4. 9,
Masth.18.17.
476 Sommige Vragen,
Mijn Broeders / ick ſegge de waechepdt / (mogen koopen oft berkoopen / Wanneer.een
ende en liege niet / dat ick alſulchen onbarm⸗ commertium Daer upt ontſtaet Dan com-
hertigen wzeeden grondt en boornemen hate | mertium met den afvalligen jis ſtracks in det
ban gantfcher herten. Ick begeere oock on: ſchrift verboden / ende dewijle commertium
Der alfulcke onbarmbertige wreede Broeders verboden is / foo (8 ’t openbaer Dat een broom
geen Beoeder te zijn / foo daer noch eenige | Godtbzeefende Chriſten geenen, afualligen
zijn maghten /°t en zy Dat fp ban Defen grou- | tot cen geftadigh. koopen oft. menghsman
Wel afftaen. Wiefde ende baembertiahepdt | hebbenen magh/ Want daer ick dagelijcks
na den boogbeelde Godts ende Chziſti / ín | mijnlaechen/ broot / koorn / ſout / Ec. ha:
allee beſchendenhendt na komen. Want len moet / mijn inkoomen ban zact/ boz
mijn zíele en kan ín alſulcken onbarmherti⸗ ter / Ec. weder brengen moet,/ en magh níet
gen handel / Die deg gemeenen Wepdenen cn | feplen / ft. commertium en moet daer zijn /
Curcken Wzeethendt vezre te boten gaet / maer ban een koopmanſchap de, fonde com-
niet bewilligen / maer ick wilfe door Godts | mertium gefchiet / niet alſoo.
genade met mijns Weeren zweert tegen vech ⸗ Ende om dat Wp dan alſulcken koopman:
ten tot ín den doodt / Want fp is tegen de fchap/ díe fonder commertio gefchiet met
gantfche leevre Des nieuwen Teſtaments / ſchreifts kracht nict Weeren en mogen / alg
ende tegen Den geeft) aert en nature Godts | gefepdt is; Soo bidden Wp evenwel aile
ende Chriſti / na welcken De gantfche fchzift | Sodthzcefende WBzoederen en Dufteren in
Des nieuwen Ceftaments qeoozdeelt ende|den hHeere om Bouts ende allee liefden
berftaen moet worden. Alle díe Dat berftant | wille / datſe haer doch ín deſen en ín alten
niet en heeft is alveede al vezre verdwaelt anderen handelen willen bewiſſen / alg rede⸗
Maer is 't dat alſulcke mijnen noodelijc- |lijclie / Dappere / beſchendene / wijſe ende
ken dienft / liefde ende barmhertighendt cen | Loozfichtige Chriſtenen / ende niet als pdele/
commertium orden foude / oft Dat mijn roeckelodoſe / epgenfinnige/ ſtoute ende erz
ziele Daer dooz ín ’t berderhen komen foude/ | gerlijcke beroemers ende groot ſpzeeckers /
bekennen wp haer. el / De Heere moet ge-|want een vecht waerachtigh Ehriften bee
looft zijn / Dat onfe commertium ín Der | hoogt aitijdt dat alderbefte ende gewifte na te
fchzift verboden is Ende datt beter ig al-| komen / en ín aller manieren de renue ongee
ſulckte liefde Dienft ende barmhertighenpdt | ver wede liefde te volgen opdat bp fijn ven⸗
achter wegen te laten/Dan door al fulckg onfe | bendt / die hu fchijnt te hebben / 1m geene Wez
ziele te veefteichen / en ín dwalinge ín te vae- [gen en migbzupeke tot hinder ende fchade
ten. De ſalvinge fal eenen pegelijk wel leeren/| fijner epgener zielen / tot Dzoefferffe en bere
Wat hiet ín om te doen of te laten Dat befte zp | derffeniſſe fijner lever Bzocderen/ tot cenen
De fefte braget ofmen oock met den af-| ſchimpigen roem Det berkeerder / en tot cen 4,
valligen koopen ende verkoopen magh, na- ſchandige vlecke deg Hepligen Waoordts / en |
dien Paulus feydt: en vermenght u met haer Der bedzuchter Gemennte Chꝛiſti / bidde en
niet. Evenwel de Difcipulen in Sichar ſpijſe begeere dock Daer beneven ín gelijcker maniez
kochten, ende de Joden met den Heydenen ten / Dat doch niemandt hem geringe ín al⸗
kochtenen woeckerden ? Antwoorden top / fulcken geval aen fijnen Bzoeder en ergere /
Dat de Apoſtelen fpijfe in Sichar kochten / en met een ſchriftlooſe aazdeel miſgrijpen wil/
Daer mede en magh niet met allen beweert | nadien hp ín deſen val geen beftcaffende boor: LB
worden / Want veele der Samaritanen noch | beeldt Der Jooden / noch geen berbiedende
een overblijfsel van De tien flammen Waz woordt heeft.
ren / gelijck top metter B Schꝛrift bovenges| Och mijn heetelijche Niese Broeders! fact
noegfaem aengewefen ende verklaert hebben. ong doch van gantſcher herten om berftandt
Maer dat de Goden metten Hepdenen ende Wijghepdt bidden / op dat alle migvere
gekocht ende gewoeckert hebben /en we⸗ ſlandt / dwalinge / ecrghwanighepde / ergere
derſpreecken Wp niet / evenwel hebben ſy niſſe / fcheucinge /ontijdige geruchten / een:
hare commertium geſchouwet / dat ig haer | mael ten gronde mogen uptgeroept worden /
dagelijckſche gemepne gefellighepdt / bers heplſaem verftandt en leecinge / briendelijck⸗
menginge / converfatien/ geſpzeckt &e. en hepdt / liefde/ ſtichtingen / en een gefondt
hebben met haer gegeten / noch gedroncken oogdeel weder op de baen treden / ende De
gelijck de Euangeliſten aentwijfen op beele overhandt nemen, een pegelijck ffe met vepe
plaetfen haerder fehziften / vijchelijche be⸗ ne oogen/ en onpattijdige herten op den
tupgen ende voorgeven. boorbeelde / op welcken Ehriſtus wijft / en
Ende nademael ons Chꝛiſtus dan felve op den heplfamen natuerlijcken fin der Hey⸗
wijft op den Joodſchen Ban oft mijdbinge / liger Apoftelen / en laet altijt de ware Chri⸗
namelijck / gelijck ft de LPepdenen en open: ſtelijcke liefde bp allen den voorganck heb⸗
bate Sondaren gemijt hebben / dat wp al- ben / foo fal hp door Godts genade wel bes
faa eenen afvalligen maen mijden fouden/ vinden / hae bere hy in. defe fake. handelen
ende de Joden metten ſelben wel geliocht en en treden fat.
gewoeckert hebben; hoewel fp hate com-| Defevende braget of wy oock met eenen EI
mertium ín gefelfighepdt / conberfatie/ Ec. afvalligen in eenen fchepe faten , op eenen
niet toe en Tieten. wagen voeren, ende aen een tafel in eens
Daerom ſeggen Wwp/ dat Wp noch metten Weerts huys eten mogen ? Antwoorden Wp :
Joodtſchen voorbeelde op welckten Chziſtus Dat eerſte Deel defer vrage / namelijck / in een
wijft/ noch ín eenige dringende ſchrift in der ſchip te ſitten ende op eenen Wagen te va⸗
kracht mogen beweeren/ als datmen in ten met eenen afvalligen/ Wanneer de Schip⸗
geenet Wegen met: eenen afvalligen faude per oft Boer-man niet afballigh en tz/ achten
Ee
Ende hare Antwoordt.
wp al kintfchh en onnut te zíjn / nacdien, de kracht des Heyligen Geeſts / dat is met …
471
fuichg fondet alle commertio foa dickwils dat bindende woozdt Bours in de bergadez
gefchiet/ en gefchieden moet / mact ober den ringe Chziſti / met beele droeffeniſſe eude
tweeden Deel, namelijck / aen De tafel-met ſmerten eendzachhtelijchken afgefondert Woz
eenen afvalligen te eeten / vepfende wijfe / en Den en Daer na/ na ſchrifts meldinge/ alg
mogen wp met goeder Conſcientien den vra⸗ boven verklaert is / in aller Godtlijcker ge-
ger geen gewiſſer grondt /antwoozdt / haag: | hoogfaembepdt/. tat op den tijde haerder be-
fchzijven/ Dan Defe/ te Weten / Won vaden/ | keeringe / geimijt wozden.
biddende en vermanende een pegelijchk vzoom
Chꝛiſten / ſoo lief als hu Cheiſtum ende fijn
woordt heeft, Dat Gp fijnen Bodt Lan gant:
ſcher herten vreeſe / en hier ín dat alder gez
Sonder wiſte na kome / namelijck / met hem / oft
woorde niet bp hem niet te eeten / Want daer ín en magh
miemandt bedzogen Warden / ende foe Dau
evenwel alſulcks ban cenígen Godtvreeſen
de Bzoeder bp gevalle gefchhicden moghte / fo
wachte hen cen pegelijckt / dat Gp hen met
een onſchrift matige oozdecl aen fijnen Bzoc-
Befluyt-Reden.
Lderlieffte Broeders ende Sufters in den
Heere, gelijck wy in den begin defes
vermaninghs beroert hebben ende oock uwer
aller liefde wel bewutt is, hoe van fommige
jaren af {eer moeyelijcke fpaltinge, kijvinge
des Bans halven, ingeloopenis, door welc=
ke de Chriftelijcke liefde een groot achterdeel
geleden heeft, en noch-leyder. Derhalven
Dee met en Gefondige want niemanten mag |heb ick my bevlijtight, dewijle ick fie dat de
rechten 't en za dat hu Dat rechtende woozdt
hebbe.
Nite mie fijnen Bodt beeeft/ fijn Hepligh
taecke gantſen ſonder gront des woordts , fon=
der veritandt en beicheydenheydt , buyten
den aert en natuere des Heeren Jetu Chrifti
Wooꝛdt upt alle fijne krachten begeert na te ende fijns Heyligen Euangeliums, beyde in der
komen / fijnen Bzoeder lief heeft / ende alle | herdigheydr en tlappigheydt, tot beftrickin-
ergerniſſe ſoecſit te mijden / ende begeert in
alle vzeede en eenighendt ín Den hupſe Godes
|
ge veeler Confcientien onfchriftmattigh ges
dreven wordt; eenen yegelijck her zijne al het
te Wandelen, Die fal hem wel met atie ulije befte beweeren ende volgen wil, allen mijnen
booafien / Dat He ín alten dingen recht ham lieven Broederen en Suíteren in den Heere;
Dele en fijnen Bzoederen niet en verſtoore die de lieflijcke vreede en eenigheydt in aller
noch bedroeve.
manieren begeeren na tekomen, en niet en=
De achtſte brage ? wiedie geene zijn ; die- {ger noch ruymer foecken , dan de ſchrift
men na der íchraft afdoen oft bannen {al ? Ant⸗ {leert , aenwijtt en eyfcht.
Matth.18. Woogden wp: Chziſtus ſpzeeckt / ſondight
Deſe aenwijſinge van den Ban oft afſonde-
uwe Bzoeder tegenu / Ge. en dan noch u / ringe uytter Heyliger schrif: op t alder naufte
noch De getupgen/ noch De Gemepnte niet te vervaren, ende ten dienfte des vreedes al=
en boost / hout hen als een Pepden en open- ‚len vroomen Godts Kinderen overte fchrijs
baer Sondaer. Paulug : foo pemandt een
Broeder genoemt woͤrdt / ende ig een hoe:
reerder / gietige/ afgoden-dienaet ; drone⸗
kaert / ſchelder / roover / met foodantge en
ſult gip u niet vermengen / met haet niet ee⸗
cor se 10 ten. Hier behooren oock toe Eedt beeuers/
Jer 16.8. dieben / getweldenaerg / haters bechterg/
en alle die daer wandelen in de openbare be
kende verdoemelijcke vruchten des vleeſchs /
van welcken Paulus een groot deel aenwiſt /
Fom. r. Gal. s. 10 Wam. 1. 28. Gal. 5.19.
rCo2.6. 9. Epheſ. 5.5.
arefzrr. Item / Die hem felven niet erneren wille
2 Tel. 3. 14. Dan dooz curieushepdt en Tupighepdt eenen
2 Joan.s0. anderen bezwacrtijek zijn. Die in der Keere
Chꝛeiſti ende fijner Apoſtelen niet en blijven
s Tim. 2, 17, en daer in mieten Wandelen / dan ongetyaoz-
8. faem zijn.
Itemn / De Meeſter der Secten.
Item / Die eegeeniffe/ twiſt ende twee⸗
Dracht aenrechten neven De leere Chziſti ende
vies og, luner Apoftelen.
Rom 1616. Summa, Dug veele is't verbatet / alle díe
Gal. 5.16. een openbaer fchandigh bleefchelijck teven
des 6.3. voeren / ende die / Die met een Hetterfche
"54 onrcyne leere verdorven zijn / ende hem met
Den Wijn en Olpe des Bepligen Geeſts met
en willen laten Meeſteren / maer blijven na
Datfe in aller liefde ende billighendt met
grooter blijte weder gefacht ende vermaent
zijn/ eben halſterck ín haer verdozven leben
ende voornemen / fullen fp ten lactften ín
den ame onſes Weeren Jeſu Cheiſti / met
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
|
!
ven, ende verhoopen hier mede alie ootmoe-
dige vreedifamige Confcientien voor Godt
genoegh te doen, want fiet, ick en foecke
voot Godt in Chrifto Jefu anders niet, dan
| dat {chriftloofe drijven; beyde in der herdig=
heydt en (lappigheydt, ende dat bedroefde
twiften over delen Ban moghre een eynde hebs
ben , ende de edele glorieufe vreede ende ee-
nigheydt in Chrifto jefu founder afbreuck ende
{chade blijven.
Ende hoewel ick uyt reynerliefden , na de
rechte aert ende aenwijfinge des H. Woordts
als voor mijnen Godt , die my aen geenen
dagen oordeelen fal, nae valle dieníte des
vreedes gedaen hebbe. Ick weet evenwel
dat ick hier mede by fommigen geenen groos
ten danck verdienen en fal , want het fal den
fommigen al te hert, ende den fommigen al
teflap zijn , doch hiet in moet ick my lijden ;
gelijck ick my wel 15. Jaren langh gedaen
hebbe, bidde evenwel om de verdienften en
om dat diere bloedt mijns Heeren Jefu Chri-
fti, foo my yemandt in defe mijne aenwijfinge
ftraffen wil, het zy dan van ruymheydt oft
van hertheydt, dat hy dat nieten doe ; anders
dan met des Heeren Woordt, Geeft ende le-
ven, en dat niet roeckeloofigh en fonder be-
dencken, op dat hy hem niet en mifgrijpe,
alles wat yemandt daer mede opbrengen ende
betuygen kan, wil ick geerne hooren ende ge=
hoorfaem zijn maer hooger oft leeger , ftren-
ger oft flapper te drijven dan my de Schrift
leert, ende de H. Geeft aenwijft en dorve ick
@aa 2 niet ,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
478 Befluyt-reden.
niet, endatuyt grooter vreefen ende bangig-, dergewifte aenwijfinge, welcke men vander
heydt mijner ‘Confcientien , op dat ick de
Godtvrefende herten, die nu der Menfchen
geboden afgefeydt hebben ; wederom met
|
affonderinge uyter Heyliger Schrift met be-
ftandiger waerheydt den Godtvreefenden
Confcientien inbeelden , voordragen ende lee-
Menfchen geboden niet en belafte, eygen | ren kan. f
meyninge en Menfchelijck goetduncken hate
Daerom begeere ick aen allen mijnen Broe-
ick met volter herten, en wilfe oock niet ,/ders ende Sufters in den Heere, dat {y my om
want ick weet wel , wat groote moeyelijcke defer faecken nadefen in vreeden laten, ende
bekommerniffe en herten leet fy my van veele
jaren af gebaert hebben.
Mijn hert-grondelijckelieve Broeders ende
Sufters in Chrifto Jefu, verftaet doch mijn
Schrijven recht, en volght defe mijne aen-
wijfinge, raedt, begrijp verftand en verma-
ninge, getrouwelijck na, foo fult gy fonder
twijffel een groote vreugde ende vrolijckheydt ,
(foo wijt de affonderinge aengaet) ende een
gemeenlijcke vrede onder allen Broederen vin-
den, maer wie nieten wil, die fie voor hem ;
hy fal Gjnen rechter vinden.
Summa, hier is mijn innerlijckfte ende uy-
terlijckfte geloove, grondt ende bekenteniſſe
van der affonderinge, die ick voor defe tijdt
nooyt in aldusdanigen klaerheydt van woorde
tot woorde aengereeckent, ende aen den dagh
gegeven hebbe. Maernuheeft my de noodt
gedrongen, ende met defen mijnen geloove,
grondt ende bekenteniffe, welcke ick van
den beginnen aldus gehadt hebbe , begeere
ick in Chrifto Jefu te ontſlapen, ende aen gee-
nen dage voor den ftoel mijns Godts te ver-
fchijnen, want ick weet wel, dat het is de al
my geen moeyte meer maecken en willen ,
daer en fal doch door Godts genade anders
niet uyt mijnen mondt gehoort worden , dan
mijne fchriften melden ende mede brengen ,
een yegelijck Broeder foecke dat heylfame
verftant der woorden Chriſti, ende fijner
Apoftelen , in eenen nederigen Geeft der
Broederlijcker liefden , en des Chriftelijcken
vreedes, foo {al hy, fonder twijffel , alle
onfehriftmatige gekijf en twift wel te rugge
fetten ‚ ende de rechte Godt-gevallige eenig=
heydt van gantícher herten volgen ende na=
komen. |
De Almachtige barmhertige Vader, door
fijn gebenedijde Soon Chriftum Jeſum,
gunne doch allen Broederen ende Sufteren
de Hemelfche gave des H. Geefts, dat wy
doch eenmael des bedroefden gekijfs ende
oneenigheydts mogen een eynde hebben, en
worden alfoo een heylſaem gefont lichaem ;
met de volmaeckte Bant der ongeverwde
Chriftelijcker liefden , te famen gebonden in
eenen behoorlijcken, geftadigen vreede in
Chrifto Jeſu, Amen.
Mijn lieve Broeders en Sufters in den Heere, ick bidde u door de bloedige
wonden mijns Heeren Jefu Chrifti, dat ghy udoch uyt grondt uw’s
_ herten wachtet voor alle twift en tweedracht, en dat ghy
mijnen oorbaerlicken dienft met lieffelicken herten wilt
ontfangen, want uyt reyner Chriftelicker gunſt en
liefde heb ick het u ten dienfte gefchreven, recht
als voor Godt in Chrifto Jefu. Menno Symons,
AE DE cha
— — LAA wd
Bede N
Seer Grondelijcke
ANTWOOR Î.
Vol met alderley onderwijfinge en
|
| —
| goede vermaninge, op
|
ZYLIS en LEMMEKES
Onverdiende lafterlijcke Faemrooven, Achter-
klappen, ongefoutene en bittere Schelt-woorden , over onfen
grondt en leere. Welcke leere (onfes bedenckens ) de
ongeval{chte grondt en leere der Heyliger Apoftelen is,
belangende den Ban, affonderinge , en mijdinge.
DO ONK
MENNO SYMONS.
Syrach. 23. 20.
Wie hem gewent tot verfinaden, dieen betert hem fijnleefdage niet.
Syrach. 20. 28.
Liegen is den Menfche een fchandelick ding, enhy enkannimmermeer
tot eeren komen.
— —
1Cor, 3. II.
mach veen ander fondament geleyt worden, dan datter geleyt 15;
Ee het welcke is Chriftus Jefus.
Gedrukt in’ Jaer onfes Heeren, M. D C. LEXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Deut. 13. 6.
Ls uwen Broeder, uwe Moeders Soone, oft uwen Soon,
oft uwe Dochter, oft dat wijf in uwen arme, oft uwen vriendt (dieu is als
dieneygen herte) bepraten fal heymelijck, en feggende, laet ons gaen en dienen an-
dere Goden, die ghy nieten kent nochuwe Vaderen, die onder den volcken rontfom
u zijn, fyzijnunaby oftverre , van den eenen eyndeder Aerden totten anderen. So
Beut. 17. zo. en confenteert hem niet, noch en verhoort hem niet. Oocken fal uwe ooge hem niet
ſparen, endeenfult u fijner niet ontfermen, noch hem verbergen. Maer ghy fult hem
dooden, uwe handt fal de eerfte op hem zijn, datmen hem doode, en daer na de
Fer. 18, handt des gantfchen volcks. Want hy heeft u willen verleyden van den Heere uwen
Godt „ die u uyt Egyptenlandt van den dienft-huyfe geleyt heeft. Op dat het dat
geheel Ifraël hoore, en vreefe, en niet meer alfulcken quaet voor en neme onder u, &c.
ſac. 13. 3. Soofullen fijn eygen Vaderen Moeder, die hem gewonnen hebben, tot hem feg-
gen : Ghy en fult niet leven, want ghy fpreeckt leugenen in den name des Heeren.
Deut. 1. 2
Matth, 7.15.
Ende alfoo fullen hem die Vader en Moeder, die bem gewonnen hebben , doors
fteecken, &c. j f HE wie E
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— ——
Abdi. r. ro.
Je.13.-1%a
Fol. 481
EEN SEER GRONTLYCKE
ANTW
OOR ITI,
Vol met alderley onderwyfinge ende
goeder vermaninge.
Een oprecht Reyn ende Vroom,
gemoet, die ongevalfchde lief-
de Godts ende des naeften , een |
waecrachtige ende welgefoutene,
tonge, die niet anders dan die
rechte waerheyt en fpreeckt,
ende een gelaten, onpartijdigh|
en Godtvruchtigh herte, ’ welck |
van den heyligen Geeft bewoont
wort; met t'famen de gewifle
kennifle Jefu Cbrifti ende fijns
Heyligen woorts, wenfche ick
Zylis ende Lemmeken tot aller
gerechtigheyt, nu ende tor al-
len tijden, uyt gront mijner zie-
len, AMEN.
SW, Cit hoore ende beeftae /
© Ni Weerde vrienden / bende,
XIN Door fchziften ende woor:
Sl J Den/ hoe Dat gp u (lepe,
Nim Det) al te beef met open⸗
SD N
5 bare / onwaerachtige/ las
pC fterlijche Scheltwoozden
ende grouwelijcke bittere
achter -Klappen (die geen Chziftenen bez
nen. So fal nochtans ebenwel de onfchult
mijner handen / Dat opvechte gemoet mijz
net bzuchten/ Die ongebalfchte liefde mijz
net falbinge met t'ſamen Den onweders
fpzeechelijcken baften gront der gewiſſer
waerhept / mijn gewiſſe toevlucht / fa mijn
onoverwinnelijcken Schilt ende Borght
zjn / tegen alle mijne onbillijcte ſchelders
ende fchantvlechers / nu ende tot allen tij:
den. Gen ich doe? Godts genade in mij:
net herten wel bewiffet.
Dewijle gp un dan fo geheel onlieffelijckt
ende onbillijck bewijfet,; daer ick fo vezre
van u geſeten ben / ja alſoo / alsof gp nopt
eenigen letter vecht van Des Peeren Woozdt
geheo2t hadt / Daer mede gp níet alleen ms
(dat ick hlepn achte) maer ooclt Dat hepli⸗
ge woozdt / dat foe langen tijdt in mijner
zwackhendt niet geheel ſonder vrucht van
mp geleert is / bp bele (Die der ſaecken dep:
der gantfchelijck geen Berftant en hebben)
affchoutwelijck ende flinchende maeckt / de
lepne berftandigen ban den vechten Wegt)
affchaichet / ín hare blinthepdt ſtijft ende
ophoudt / ende des Waren lichtg en erlien⸗
teniffe des vechten bang bevovet. Wen ick
upt plichtiger fchult ende noot daer toe bez
dwongen en gedzeben/ u ende uwe medes
Alexander
de Koper-
flager die
noch huyden
ten dage
leeft , heeft
my (feyt
Paulus) vee}
quaets be-
wefen, want
hy heeft on=
fe woorden
feer wadere
broederen / Die gp met ſulcke uwe liftighept ſtaen.
van Dat licht boert / mijn eenvuldige / doch
Ach dat
waerachtige verant woordinge / fa kortende fwarc oct-
tamen ) tegen Godt ende mp bergrijpet /
bet twelche íclt nimmermeer alfaa aen u
berhoopt en hadde / maer hadde gemepnt /
klacr alg mp immers mogelijck is / in ge-
ſcheifte (Dewijle ick ſelfs perſoonlijck niet
komen en kau) toe te ſchicken ende ober te
deel.
r Tim. r. 20,
Och Diotre-
phes.
Dat gin Wel fo beel van den Veere geleert ſeuden / op fa cen hope / oft gp de falie dooz 3 Joan. «5:
Waert/ dat gp uwen armen Beocder (Die
hem tegewoordigh niet verantwoozden en
u ende alle vrome uyt Dat alderbinnen⸗
fte fijner krachten in Chriſto Jeſu gez,
lijbet/ ende met fijne klepue gabe onver:
Droten immers toegedient heeft) alfoa de DOC
ſaecke onverhoordt / Jacm-taoben/ ende
booz fijnen trouwen dienſt ende liefde / op
fuichg noch wat beter behertigen nrachtet /
ende u voogtaen niet meer alfa befondigh:
kan) niet alfoo nijdighlijckt flaen fouder. Det / maer een techtfchapen boete boor uz
Poch ooch uwen trouwen bziendt ( die We groote vergrjpinge mochtet Doen /f
oere agen ren ( ende alfo noch ín Dien tijt genade boorden
Berre ende fijn vechtveerdige gerichte vin⸗
den moebtet. Bidde u derdalben / wilt het
6 met blijt waecnemen Wat ick aen:
wijfe.
Deeftae dan ten eet ften / dat ick voor een
Op onfe
duytích een
enbeftandig
fulcken wijſe dancken foudet. Maer mijn | Ficfeyer van Zylis gefcholden worde. Oor- rier; April-
goede toeberfight heeft mi (ach lepder) ín | Lake, ick foudetweeboeckskens (oo hy feyt)
Defen Deele bere gefeplet. Want het gaet | tegen een ander hebben laten uytgaen, Daer
len water ,
een fifchen=
fafch ,ditten
mp eben gelijck met u/ alg het den goeden | op ick in mijnder eenvult alſoo antwaogde ; darren, &c.
Sfevemíia / als fijn mifgonfiige ober hem | Wet is al meer alg een of thien bewuſt / hoe Sade hoe
n meer
vaet-floegen/ ende fepden : Komt herwaertg | dat ick meer alg ban 23 “Paren herwaerts diergelijc-
fact ong hem met der tongen doodtflaen/| ban menigen kioecken Geeft hardt beftee- ken, na de
ende geen acht hebben op alle fijne vede- {Den ben geworden / ende menigen harden
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wijfe elcké
lants wil
Ppr zwar en uystpreeken.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
fte ooek
Paulus den
wijfen Athe-
nifehen ;
Stoifchen
vooreen
verkondiger
van vreemde
Goden.
483
gp doch uwe Woogden wat beter geſouten
geener wegen alſoo beroemen Deef) waert
dan dat die lieve koſtelijcke Petrus met an:
Penligen Geeft belichter) noch evenwel foo
enverftandigh was / dat hp den Hepdenen |
Menno Symons Nóofwendige Verantwoording,
| Dat Euangelium niet prediken en dozſte /
alfa lange alg Gp níet dooz eenn Hemels viftoen
ofte openbaringe Daer tat ban Godt verz
maent ende aengeweſen werde / ende alſoo
eerſt Die vrphept haer te leeven aengrijpe. A
&. ro. fTs
Rom. r. 30.
Gch / och / verſchrickelijck is t woort ja. ro.
bat laſteraers / Faemroobers ende leuge⸗
naers / geen Deel en ſullen hebben in't Rijc⸗6
Chꝛiſti / ende ſijner Heyliger Apoſtelen (vecht
in der kracht geleert ende gedzeven) ban |
fufchee aert i / Dat allenthalven dooz ende
Pet. 2. 12.
ales 20e
Wat des
eeren
oort b
bp den verſtockten ende ongelaobigen / haet / den verkeer-
nijt/ liegen / lafteren / ſchelden / vervolgen / den aenticht
ende ver
baert ende medebzenght. Sal men nu eben⸗
wel Daerom Die rechte vepne Heere ende
waerhept niet leeren ende met der daet na
kamen s Seqht qu Ja/ ſoo oozdeelt gu ſelfs /
Dat men De waerhendt am der periculen wil⸗
oproer / maogdt / ellende ende allen jammet vecke.
Merckt.
le (fo daer cenige upt ontftaen mochten) Nota.
niet verfwijgen/ maer evenwel ſterck lee⸗
ten ende Dzifben fal. Ende wat Get Dan nu
voor een geeft ig / Die u Defe voozwendinge
van haet; nroozt/ Gods-lafteringe / Ec. afz
‚| foo deert / dat arme flechte bolck daer mede
ban De waerhent affclhzicket/ laet ick u in
De bzeefe ving Gods nadencken. Maer fegt
qp neen, So maeckt gp U ſelven tot enckel
menſchen deg bloedts / dewijle gp noch eben
ſteren met leeren / doope / ende diergelijcke
oock aenhoudt / daer gp doch dagelijcks
hoorzt ende fiet dat fa menigh vroom kint
Daer. met ende Daer door ín alle lijden / Aa
oockt om goet ende bloet komt. Och leert
den geeft ug ſcheldens kennen / Dat bidde
ich u. Seght lieve/ wort niet Dat Waozt
Chꝛriſti een woort deg Urupces genoemt
ende geheeten? Purmer moet gp My ja ant
woogden. Want hiet ín Chriſtus Nijck enz
De Vegiment op aerden heet men den vecht:
geloobigen gantfchelijck anders niet / Dan
berloochent u ſelven / neemt u Krups op u/
ende bolght mp na. Wie Dader ende Moe⸗
det / Man oft wijf / kinderen oft goet / oft
ans felfg leben meer bemint dan Chziſtum /
faa zijn wp fijner niet weerdigh Ec. Fa
fo wp dít niet alles haten / ſeyt hu / fo mo⸗
gen wp fijn Jongeren nict zijn. Aengeſien
het fich dan niet anderg met den Euange⸗
lia Chꝛiſti teedzaeght dan alg gehoozt is:
Doo kennen noch mogen mp sock daerom
defe uwe nietige vperphlen cnde kraehtelooſe
Pon:
Cor. XI,
fat. 10. 37.
Luc. 14. 26,
Tegen Zylis en Lemmekes.
Douberflagen (ban haet / moordt / ende
Gods-lafterfnge) niet om een Gape verſchric⸗
Merktde Fen. Soo lange al ap ofte pemant van den
gechte wan uwen mp niet met bondiger waerhept ende
eter Kracht der Godtlijcker DH. Schrift over:
lt‚gela- *
tenheyt ende EWpqet / namelijck/ Dat ick mn met deſe
483
een hetterg menſch verkeert is / ende ſon⸗ grimmigen
dight alg Die hem ſelſs veroogdeelt. ader toorens wee:
mael Dan foodanige alfoo ecn verkeert hiet en par en
is / alggehoogt ig. Soo weet iëlt Wel / Daar aen fijnen ar-
2 ſulckß 3 men Broeder
(Godts genade / Dat ich eens fulclien Miet ——
terſchen name ende oordeel gantſch onfehuls Je
voorfichtige onfe fchaiften ban De affonderinge ofte digh ende bap ben/ Want Die alder Berten “vryelijck
wijsheyde _mijdinge na deg Weeren Woordt vergrer
Mat.ro.3. Ben ofte eenigee maten ende geftalte te
Fez-i5. kozt gedaen hebbe.
ſulcke uwe laſteringe noch meer ende meet
om dieg tille beter verſekert ( Dewijle
het foo gantfch fonder grondt ende fchrift ge:
fchiedt) Dat wp Den ſtercken gronde der
Waerhendt / ende Des Weeren vaſte Woozdt
heoben. Maer foo beel dat Woozdt Godts
lafterínge belanght / is dit aen u mijn bzoez
derljcke antwoozdt: wilt het doch met meer:
Der Godts beecfe leeren hennen / Wat nader
Weet che welisden
uyfe Eſaus
niet over ge·
probcetder ende kenner is / die n
kentmp. Dat ik namelijck de gantſche tijdt
Maer worde dooz al⸗ mijns wandels / nont ecntge hertnechig- bleven.
bept/ Wzebelmoedighent/ partie ofte ver⸗
keeethept tegen ſijnen Wille ende Woozdt ia
mijner Gerten gehent / nocl veel Wepniger
gepleeght hebbe. Weet derhalven welf Dat Want de
de barmhertige Dader (Die alleen De rechte ——
vader mijnder zielen is) ſijnen elleundigen ken, teydr
acmen zwacken Oienact ende werck tupge de Propheer:
niet alfoa ter Wellen berdoemen fal/ nac VAntdar rk
is des Hec-
alſoo boog fulctt een Wetter aenfien / of ick ren, want
Ò merkt, Schzift Godtslaftecinge/ en epgentlijck de | beel deſe ſmadelijcke laſteringe / niet alleen de arme
wat die laſte fonde in den H. Geeft if. Want mijns bee | Van de Wereldt /
ringe en fon-
Berlee be Waerhendt Godts met alfoo ecn kracht
Geeft is, en Der Godlijker H. Schrift daor den Geeft en
heet. vinger fifnet ſterckte ín der menſchen Gerten
ingeſchzeven en geleert wordt / datmen in den
Geeft overtungbt / moet beliennen / dat het
| Hebe vader / verloſſer / Emanuel / Ec. Laet⸗
Lemke eet-
tyds een
Dan oock nu ban u felfs
dunckens íg het deefe / namelijckt / Wanneer | Moet hooren en dzagen Och lepder neen / rreffelyk
Pak — * Lectaer der
meen / fijn name heet / onfe getrouwe Godt / sesanr den
nu niet meer
fe derhalven alle doordeelen / hetteren/ ſcheb de tchapen :
den ende lafteren/ al (ſcghick) Die onder maer diene
‚Den gantfchen Hemel zijn / fijn vaderlijclie
flechts om
de Trefer.
Die vechte qrandt der Waerhepot is oak met | Woozdt in mijn open ende willigh herte ge Luce rs.
geen fchziften wederleggen noch tegenſtaen vatet / met tfamen den H. Geeft fijnst lief: nat by
mogen. Ende niet deg te minder upt epgen
gebatteden waen ende engenfinnighept / dan
noch evenwel alſoo fout en moet willtgh zijn
en volherden / dat fp die ſelbige ingeſchreven
en De recht beltende Waerhendt / doo? haer
eergierigh / partijdigh / hooveerdigh ende
hertneckigh vleeſch wederſtrijden / haten /
ſchelden en laſteren / of den dupbel toeſchrij⸗
Mat. 12.31. Den / als oock Die berſtockte Pharizeen ende
Marc. 3.2.8. Scheift · geleerden De glorieuſe heerlijke won⸗
Luc.i2. 10. der-wercken en krachten Cheiſti den Beelze⸗
bub toeſchzeven. Sullis noemt deg Weeren
epgen mondt (ſegge en verſta ick / ſoo men
daer in volherdet) eene laſteringe en fonde
in den H. Geeſt / en fepdt: Batfe noch ín deez
fe noch ín de toefkomende wereldt vergevinge
fuilen hebben. Och liebe / hebt 'er acht op.
Nademael dan nu ſulcke laftecinge ende
fonde/ De rechte laſteringe ende fonde in den
W. Geeft is / als gehoozt is / ende Godt voo
Wien Wp met alle onfe leeren ende doen
bloot ſtaen/ oock Wel Weet / Dat íclt dat
boechtsken (Dat alſoo ban u gelaftect wodt \
niet dan met een goede/ verſegelde en gewiſſe
Confcientíie boog Gem geſcheeven hebbe / oock
alle Godts geleerde bekennen moeten / het fn
Des Weeren Woozdt en Waerhepydt. Gy mp
Dat ook met geenderlne ſchrifte beneemt noch
neemenen kondt / en dan noch evenwel níet
Des te minder ſoo overgeven ende ſtout zijdt /
dat ghp die felbe onoberwonne ſaecke voor
een Fabel-boeck ende Ketterfche Leere durft
Gal.6. 7.9.
Tie z.ro, _ fehelden ende upefcheijven. Bp welcker dan
Ker banons benden / men die ſelvige Gods lafte:
menfcheis. ringe ſoecken ende binden fal/ Wil ick den
Ochlaef- onpartijdigen leſer mitg deſen te bedencken
Abdarden Geven. Och dat gn fien wildet.
Propheetvan _ Cen derden / verſtae iclt / als dat ghy de-
de verfchric. fen onfen grondt der mijdinge halven tuſichen
kelyke wra-
ke en ftraffe
er vryen
Den / Die alle hongerige ende Dozftige nader onde nu by
gerechtighept tat ’t Bzoodt deg lebeng / en cen ander.
tot de rechte Fontenne of Heylborne fifneg Pe aeg
levendigen waters lepdet / fal onder tif weder, heeft
fel mp mm de hitte ſulcker ende aller mijnet hy ter doodt
aenbechtinge wel berkoelen/ ende De handt niet gefon-
fijneg tcoofteg langen. Want wie iffer / die GES
hem alſoo gefocht heeft / Die ín hem fijn ge⸗ Prov. zo.
nade nict en heeft gebonden? of Wie (ger Peur.4. 12.
Die hem op hem verlaten heeft/ die hp níet ge⸗ SLO wien
holpen en heeft? Och dat ghy de geouwelijlk-
heyt uüwes verkeerden en ontijdigen oozdeels
eenmael recht mercken en fien kondet.
Cen anderen antwoozde ík / dat na der
Schrift rechte ketters / epgenfinniges onz
ruſtige / moetwillige ende Verkeerde Sectie
fche of Sectemaccherg zijn / Die haer ſelfs
upt epgen uptgekoren Geeftelijchtzent ende
goedtdunkten/ tegen den rechten gear:dt der
waerhent / (Daer ín De echte Hieeche/ Dic
voorBodt geldt allcen moet gegtondet ſtaen)
een cpgen bpfonderen grandt/ leere en Merce
ke verkieſen / berſamelen ende opwerpen /
dact mede fp De eenighent der Peomen verz
ſtooren / De liefde uptbluſſchen / Den brede
bzeecken en berdzijven / en bele onluft / zwa:
righept / jammer en berdziet bp den geenen /
die geerne ín Der waerhept Wandelen / aen⸗
— Och leert den Ketter vecht kenuen /
dat bidde ík u.
Nademael dat dan alfulkte de rechte Uetz
ters zijn / als nu gehoozt íg/ foo epfcht nu hier
‚De noot / onfe deelinge Daer ín wp gefchepden
ſtaen / fooeen weynigh aen te wijfen / ende
verlilaren: op dat de verſtaudige Leſer ende
)
toehoozder Dooz fulckg baten eude verſtaen
magh / bn wien men ban ons bepden alſoo ecn
berkeertbhepdt en Ketterſchen grondt vernee⸗
[men en binden moet. Heemt waer/ niet
Man ende Wijf, voor eenen kerrerfchen | woogdt of ſchijn: dan Gods Woozt fal fcljep:
Efius, des grondt {chelder. Waer op ick u dan ten eer⸗ der en vechter zijn.
ſten alfoo antwoozde. Paulus fcpdt ; Dat
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ppp 2 Sos
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
484 Menno Symons Nootwendige Verantwoordinge,
he eerie So is nu dít boog het eerſte onfe gront) grimmigh en verbittert voor echt-ícheyders
grentder ende leere / Dat haer alle gehoorſame hindez| ende ketters daer over fcheldet ende uyt-
mijdinge. ten Godts / fonder alle aenfien van Perſoo⸗ roept , dartom dat Wp npt rechte ernftez
+ Thef 3.
Jac. 2. 9.
Deut. 13.
i* nen / ban vallen Bzoederen ende Suſteren lijclie vreeſe Gods det Wepligen Apoſtelen
ontrecken ende mijden moeten / Die onog-| bebel ín deſen Deel nakomen / ende cen pez
Dentljcht wandelen / ende Die Gnfettinge / gelicht (die het te Deel balt) op den gewiſten
ogdentnge ende Keere (ban Den Apoſtelen wegh na der ſchrift wijfen. Geeft den are
ontfangen) níet gehoozſaem zijn: oorſalie / men flechten bolche boor/ dat het u een
het is ong van den H. Geeft in Chriſtus Na⸗ grouwel fn te hooren) Dat een Man fijn
me alfa bevolen. Maer uwe gront ende, Wijf oft Vrouwe, ende De Prouwe haren
leere is/ dat die Echre-luyden (is’ datd’eene Man upt kracht deg bang mijden faude.
van der waerheyt afwijckt) fulcken gebodt | Gelijck alg het dock de blinde werelt eenen
der mijdinge ende ontreckinge bevryder ende | grouwel is/ dat men die gelaobige doo⸗
vry zijn: Want gu maeckt ende fielt een pen / ende Die balfche predilicrs niet hooren
uptnemen dec Perſoonen. Daer ban u die en fal/ Ec. Ende ſtraft alfa den Hepligen
e. H. Geeft der wijghent niet een eenigb letter / | Geeft dee liefden Christi. Bcheldet ende bez
Sach, 13.3. noch híer noch op eenige andere plaetfen det | fchuldiget fijne Weplige Apoſtelen ban een
gantſcher 12, Schzift beroert nocij aenwijſt. valſche Heere: Gelijck alg of dat ſuerdeegh
JMercht onſe eerſte deelinge. der verdervinge (daer vooz fa ong hertelijc⸗
Onſe andere gront ende Teere is / dat die hen gewaerſchout hebben) Die echte lupden
d *
— rechte Apoſtoliſche Ban ende mijdinge nier níet bevleckien oft verfueren konde: oock
mijdinge: nu alleen over die geeftelijcke gemeyn{chap, |alg of dat eene Deel die beteringe aen fijn
1 Cor. 5.
als Avontmael, handt ende kus, ende groe-|betdozven Eegade / na den regel Des Wege
‚ te des vredes (gelijck gp mepnt) maer ooch ligen Woozts te ſoecken onberbonden cnz
Joan.i.io. ober Die bleefchelijche gemepnfchap / alg de bw zp. Merchlit onfe bierde Deelinge.
eten/ handelen/ in hups niet te ontfan⸗ Oynſe bijffte gront ende leere is / Dat eem De viiftte
gen/ &c. fijn opentlijck uptgedrucht vers {ban ſonder mijdinge gantfchelijcht hrachte- Bihdiage.
bodt heeft. Maer uwe gront ende Keere ig loog / pdel/ onnut ende doot is; ja als cen
(want nwe openbare Daet betupget / dat dan | Meulen fonder fleen/ cnde als een Meg
mijng bedencheng meer is alg eeníge leere fonder fnede / Want het is hlaerdert alg
oft feggen) dat die mijdinge alleene over die, hlaer/ Dat díe Apoftolifche ban ín den up⸗
geeftelijcke gemeynfchap (alg gehoozt) ende terlijckten/ ljflijchen mijden / fijn engent⸗
nfet mede ober Die bleefchelijche gemenn⸗ lijcke werchelijche baucht ende kracht Heeft.
fchap haer verbodt heeft. Want het is oe Want anderg bleef het perijchel (andere
pentlijclt aen den dagh / dat gy die echte mede te berderben) nach gantfchelijck onz
luyden die vleefchelijcke gemeenfchap mer berhindert / welcke Doch epgentlijckt dat
hare afvallige Eegade toeftaet, ende dat gy terſte ende baognaemfte Deel des vechten
met den Afgefonderden eter, handelet, %c, Dans is / alg gehoort ig. Ende uwe werck
Soo gp uw anderg niet bevandert hebt. | betuyght openbaerlijck dat gy eenen Banfon- ”
JPercht onfe andere deelinge. der mijdinge , ende Den ſelven Derhalben
Onſe derde gront ende leere is / Dat Die! oockt krachteloos cnde fonder vrucht leert
sontder andere Tafel: namelijck/ dat gebodt dat ende boert / dewijle on (fegge ick noch cen
mijdinge. Den Naeſten belanget / de eerfte Cafel / mael) ten eerften die echte luyden van der
nameitick Dat gebodt welcke Godt belan-| mijdinge uytfondert ende fluytet, ende ten
get wijckten moet. Maer uwe gronde ende | Anderen mer den gebanden eet, handelt, Ec,
leere is / (want uwe handelinge met die) Daer het doch De Weplige Schrift allent⸗
echte lunden fal daer van mijn getupge balen fao uptdruchelijck/ klaer ende qe:
zijn) dat niet de andere tafel dieeerfte, maer weldigh verbiedt ende ſeydt: Met foos
de eerfte voor die andere wijcken moet. Wecht danigen fult gu niet eten. U met haer niet
alg oft die ſchepper den wille fijner creatues| vermengen: maer ban haer afwijcken /-en r Cor. s. ro.
ren / ende níct Die creatuete den Wille des mijden: iet met haer te Doen te Gebben: „pr: S- to-
fcheppers volgen ende Doen moeſte. Och / Haer noch geoeten/ noch ín hupg nemen. rit. 3. *
och / mercktt onſe derde deelinge. Merchit onſe vijfſte deelinge. 2 Theſ. 3. 14.
Devierde _ @Onfe vierde gront ende Leere is / dat die Maer Wilt gn ſeggen: Soo die vrome —— *
grontder Heplige Geeft aller Wegen voor De fijne ſoꝛ⸗/ het geloove onverhindert by den onvromen ende ant-
— ge dzaeght / derhalven Die Sectiſche ende beleven kan, dat hem in dien deel alsdan woort.
— ergerlijcſte ſondaers te mijden bebolen heeft / geen mijden noodigh zy. Doa ig dit ten eer⸗
1Cor.s.s. op dat fp met Den ſuerdeegh haerder onge: | ffen mijn antwoozdt / namelijck/ Dat gu
Gal.s.9. rechtighent niet verſuert / oft met die upts|alfaa ín dier geftalte met ſulcken berftant
Wwendige vermenginge / ende veel geſprecks |alle Die heldere klare geboden der gantſcher
ofte bywooninge / alg gemepnlijck gefchiet / ſcheift ban dat uptterlijeke lijfljcke mijs
die vzome niet beblecken / noch ín de ge⸗ den / niet teeten / vermengen / niet ín hups
nrepnichap haerder booſer wercken inſlech⸗ te nemen / &c. (hoe gehoozt) ín den gront
ten: oock daerom / dat die afvallige daop | berlaochent / te niete / ja pdel ende onnut
ſulelxs voor den Heere ende fijner gemepn-| maket: Ga foude eenige banbept gelden /
rCors.;. tebefchaemt ofte ſchaemroot gemaecht wmoz⸗ ſulcks behoorde billicker De gantfche ges
2Tim.2. den / haer van harten baofen Wegen bekee: | mepnte beel meer te ontbinden ende van te
in 5 ven / ende Waerachtige boete Daen. Maer! fpzeecken / met den afvalligen te eten ende
uwe gront ende Leere vecht hier uytter ma- | te handelen / %c. Alg Die echte lunden Want
ten fo hart tegen, dat gy ons oock gant{ch | het Die gemepnte met beel min der perijes
kel
| Tegen Zylis en Lemmekes. 485
Kel doen kan/ en níet fa gebaarlijctt is alg den /Sectiſche ſonder alte aenſien Ban Perfoonen
echte lunden / die altijdt ſtadigh bp den an⸗ mijden ſal / nochtans niet mp / maer Bodt /
deren zijn ende woonen / welck die gemepn- | Die ong ſulclis te doen in fijn woort alfo bez
te lichtelijck ontgaen kan / Is klaerder alg | bolen ende geleert heeft / gelijck genoegh gez
Die heldere dag ig. Och mannen, geeft acht | boost ig. Och merckiet.
Daer op. Ten anderen antwoorde ick met fo ecn
dietweede Mijn tweede antwoordt ig / dat nantes | bzage/ Soa pemant ban u allen echt oncerz
sncwoordt. lijck niemant onder den gantfchen Wemel f8/|lijclk / boos / diefachtigh / tooverigh/ So⸗
Die fijn geloof bp fijn afvallige Eegade bep | domijtiſch / moozt / brandiſch (oft Die hem
belceft oft beleeven kan. Want tem eerſten | felfg na t leben ſtonden) tot een Wive had:
overtreedt hp alle die openbare klare geor | De / “ende ſulcks wel wifte/ Oft hp dan noch
Den deg H. Geeft / ong ober den Ban ende | oolt bp alfo een Pzouwe blijven foude Segt Bels wi
De mijdinge ban hem bebolen ende geboden. | gp Ja fa moet gp bekennen en toeftaen ſchric⸗· zoere
Een anderen / fo foecht hy oock Die boete acn | kelijche groufame moogderfche fcljant-fach aenhanght ,
fijnen Echtgenoste niet / ín fuicher mate / | met haet cen vleeſch ende lijf te zijn / dat hem gie een lyf
Waer bijft alg fp ban Der ſchzift geleert ig. Gude oock | immers gantſeh qualijck mer een dienaer *
hierdatJa- ten derden / foo hout hp fijn gemepnfchap Chziſti rjmen ſonde. Maer ſeght gp neen,
cobus leyde: mee een Die upt bevel deg Woordts ban ate fo rechtet gn u felven/ dat gp tn Dien Deel
hetmelbove Drome geſchouwet ende gemijder word. Oft|oackt (founder afle voorgaande ſchult eeniger
aen jetam mi ſulcks den geloove bep befeeven heeten fal/ | hoererpe oft overfpel) wiet wepniger Echte
—— wil * pol upt alfc laten ———— — zijt als wp zijn. Wedetom ſeg fl /
derheeriyk- De Derhalben noch ten anderen mael / hebt, miercket.
heytgeen doch acht dact op. Dzage ten anderen / So pemant van u alz
—— iet mjn * geliefde / deſe deelinge nu * facen den hadde / daer bp hp fijn De
eydt. aìfo tegen der Schuft gehauden / ende op die loobe mocfte liggen laten / oft doch niet bars
Cap: 4. onpartijſche ——— des H. Woozts in beleben / Oft hp dan oock noch bp alſo een
reyner Godts vreeſe vecht afgewegen / is im⸗ Echt· genoot blijven wilde / oft blyven ſou⸗
mers meer alg klaer / dat ict ende onſe lieve De? Segt ap Ja, fo betungt gp hiet mede lilaer Jer. 17. s-
medebzoederen dat onwederfpachelijche vafte ende openbaer / Dat alſulcken verkeert ende
woogt hebben : Maer gp nu alleen eenen pde: Godtloos bleefch meer bp u gelten moefte /
Yen waen / goeddunchen ende epgen booze: | dan Chziſtus Jeſus felfg met fijnen gant⸗
ES red Reken
dezen, Ende ſueede heeft: Op eenen Die vruchte⸗ Blo | |
ande die * loos —— onuut ende man * —* die —— — * et ar: —
heylfame ehoozfaembept : Op die ongehoorſaemhent. bepdt uwer zielen. Seght ghy dan Heen
rte ag TD» —— ie — — zielen /|foo ſegh ich noch eenmaei / dat ghp oock ín
dragen, maer Van de aenkleende ſieckte ende kranchhept | dien Deel (fonder alle voozgaende bewijfelijke
na haere ey Deg verdervens / na inhoudt der Hepliger AU: | daet ende ſchult det hoerernen ofte oberfpel )
een fr haer poftelen leere en bevel / unt gront onfer her: (niet Wepniger alg wp Scht-fchepders zijn.
| felfsLeeraers ten ſoecken te redden: Do gp doch de ſelvige Ten derden merkt. :
| —— ſtracks/ tegen alle hlave vermaninge / Le- Cen derden antwoorde ick / foo defe onſe
hoorde Oo- tel ende openbare gebodt der h. Apoftelen /| Leere een Echticheyden by u heeren moet,
ren jeueken, fonder alle reddinge / hulpe / trooft / bpftant/ / ſoo ig ’t openbaer/ Dat oock Die Heplige Pau⸗
2Tim.4-4 ende ernſtigh foeclten daer ín liggen latet /en lus in Dien Deel niet wepniger cen Echt-
in den perijchel verderven Niet en fiet op bet Woeper ge — sijn / —* ſepdt: 2
gene dat den geeft / Dan alleen Wat den vlee⸗ haer Dat Wit ſchepden laet datſe ongetrou
iche wel agnes aengenaem is / Ec. Bebint | blijke (merkt fijn openbare toclatinge ban
fich derhalven / dat gur de gene zijt / Dre met | ſchepden) of datfe den Man weder verſoe⸗ 1 cor.7. 1
| deſen grouwelijcken ſchant zen on zeperd D > —— —— —— ——
Der Ketterpen Dien gu mp onverdient ende H. Paulus ſulck ſchenden om beters wille
ſonder alle fchult Aad ) lender meer alg) toelact / alg fp alleen ( fcgae ick) ongetrout
te beel mede belangen en belilerdet zijt. Hehe) blijven / gelijck oock onfe grant ig / en oock
ee ze (en hande eee ana
Wikeront Een vreden verſta ilk / dat wy ooc Le en (foo icke
wyEcht- _ fcheyders by uheeten moeten: Weeldet ende van u hebbe) niet weyniger Echt-fcheyders
Geheyders ge- geeft den gen beor/ dat van ſoo een mij-| Zijt als wy zijn, foo gehoozt ig. Wat het dan
—— den tuſſchen die Echte luyden, inde gantſche nu boo? een geeft is / Die u ſulke lafterlijke
Item , ende Schrift niet een eenigh voorbeelt en zy , noch fnoode ſcheltwoorden (als Echtſchenders /
* der ; gevonden en wort. Daer op ick ten eerſten jrabel-boek / Ketterfche gront/ &c.) inz
Gchen ban Aſo antwoowe: Moſes —* ries rea — har — hae gp —* even
en Wijfniet Iſraeliten / dat ſy haer eygen Drouwen) So⸗ Dieper in De vzeeſe Godts wilde chen.
—— J / Dachters ende vrienden / Die haer ſo Vergift is wel dook / ende galle bieter /
—— lief waren / als haer eygen herte (als ſpſe tot maer nach veel vergiftiger en bitterder is de
degantfche · vreemde Goden lepden wilden) niet verſcho⸗ tonge / die met partpe ende haet vergiftet en fac. 3. 4.65
—— * nen / maer ſonder alle batmhertigheyt om beladen is. Och geeft acht daer op. en 8. 1
Mi Ggengen en doot fteenigen fouden. Deu. 13-9|_ Haer foo vezre Dat gemelde boorbeelt bee
Deut.12.6. Seght lieve / Wie was nu hiet de oorſaeclie / langet / ig Dit eerſteljck onſe antwoordt
Deut. i.9. Moöſes oft God? iet Moſes: Maer God / daer op / namelijck / Dat alle die / Die haer
Die Moſes dat alſo bevolen hadde. Alſo doen ap ſulck een voorbeelt beroepen / Die maken
wp oocft/ op leeren Dat men Die afvallige enn! haer ſelfs — —— op deeſe sr
e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
486
Bes Bang endet mijdinge/ de ſchriften der
Apoſtelen níet en gelooven, des Bans ooz-
faken / ende hate werkinge niet berftaen /
noch beeftaen willen / ende dat ghp oock die
ernſtachtige gebooden ban de uptterlijche
lichamelijche Mujdinge (lepder) wepnigh
acht bebt.
Onſe andere antwoordt ig / dateen Leere
Voorbeeldt
wat?
gantíchelijck niet beftaen kan, gelijck hiet
in deeſen handel uwe gronde ig / foo ver
nn Wp ons bepde/ ghp ende wp alle
eer / Daetam/ Dat wp onje Wrauwen niet
tot des Heeten Nachtmael en laten komen /
Aâer. 2.46. Daer ban Doch niet cen boeckſtave ín de gant:
en cen ſrhe Schzift ſulcks voorbeelt is / maer wilt
ghn ſeggen: onſe Wijven zijn geloovigh,
daerom moetraenſe met de geloovige Man-
nen tot des Heeren Avondtmael laeten koo-
men, fog antwoorde ick met gelijche veden /
De bzoome Echt-genoote is geioobigh / der-
halven hp oock fijn afvallige Dzouwe naden
Hoe datde gemepnen vegel der Schrift / met afle ande⸗
—— —F te gelsobigen / ſonder eenige exceptie ofte
uptneminge / te gelijck fchouwen ende mi
hy doch door Den fal. Wíe verſtant heeft / Die rechte ende
F —— overlegge wat wp aenwijſen
denvermete. Cen Bijfden berftae iclk/ dat Lemke ge-
nen Goliath roemt heeft, hp wil meer als de helft des
fijnteoft. gedruckten Boeckste niete maken. Daer op
Veelge. ick met wepnigh woorden alfao antwoozde:
fcheyende Gouden bergen beloben / ende geen Sandt-
vernis wol, beegen hebben te geeven/ heet bn der wee⸗
2
*
——
Erea ek reldt pacchen en voernen.
1 Die dat Wilde derhalven wel / datmen hem niet
Harnas aen-
doet, en fal
hem niet be-
roemen’, ge- fal /
hooger entoemde / dan men ſchrift ende gaz
ben heeft. Maer die dat te nieten maken
0 Die moet ong eeft Deefe tien volgen:
——— De Articulen / met kracht deg Woorzdts te
heeft geleyt, Miete Doen.
Gen eerften / Dat Die eerſte Tafel der gez
booden ín Chreiſtus Nijck ende Negiment
Den anderen Tafel wijcken moet. Merkiet.
Cen anderen/ dat twee Bannen ofte
—— Mijdingen ín der Schzrift zijn. Mer⸗
— ——— ee —
et.
Cen Derden/ Dat een fchziftmatige
Ban / ſonder Midinge is ofte zijn kan.
Merliet.
Cen vierden / dat Die doodtlijke ſieckte
deg verderbens / de Echte lupden / foo fp
den anderen niet mijden / niet verſueren
ofte berontrepnigen en kan. Merkiet.
Cen bijfden/ Dat de broome Echte liez
den niet tocen behoozt / die beteringe ende
Eoete na Den raedt / leere / ende bevel der
H Schziftaen haten onbzoomen Echt-ge:
noote met techten ernſte te faechken. Mer⸗
ket.
Heut.rz. 63. Cen ſeſten / Dat die broome Echte-lieden
Sac. 13.3. oock niet in hate onbzoome Echt genoot⸗
Math. 18. 8 ſchaps afſonderinge ſchuldigh zijn te bewil⸗
ligen. Merchet.
Ten ſevenſten / dat de vleeſchelijcke ban
ende liefde / den geeftelijke ban ende Liefde
baozgaen moet. Ierket.
Cen achtften/ datde Echte met Chrifta
in Den Geeft gemmaecht/ den Echte ín ’t
vleeſch met menſchen gemaecht/ tae geven
ende wijckten magh. Merliet.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
fonder voorbeelt in der Gemeynte Chrifti | deet
Menno Symons Nootwendige Verantwoordinge ,
Cen negenften/ dat de W Geeft eenige —55 — |
erceptien ofte uptneminge det Perſoonen in 57
Dit Deel De Wang ende der mijdinge aen
eenige plaetfen der gantfchen Schrift aenges
toert / enbe aengeweſen heeft. MDerket.
Cen tienden / Dat die Echte-lieden van
alle openbare Klare geboden deg uptterlijc
ben lichameljken mideng bevrijdt zijn.
KOV. 2,23.
erliet.
Siet weerde Lemmeke, Wanneer gn
ofte pemant ban den uwen ong deſen knooy
met der Schaft opgeloft ofte ontbonden
hebt / foo willen Wp Die ſaecke ecn wepnigh
Dieper na denckien.
Maer DeWwijle wp wel weten / dat noch
geen menfche / hp fp oock wie hp wil/ dat
met ‘et waerbept innnermeer doen kan of xr ——
magh / des wp ín onſen gemoedt verſekiert aat (Alten
zijn boog den Heere. Daerom laten wp oock alte vroome
de menfchen afteren ende voeien / foo lan herten toe-
ge alg fa willen. Daft ende ongebroken blijft pfatm o4- 15.
De Leere / Dat namelijck alle vzoorme Man⸗ Mat. 18. 15.
nen ende Dronten haere onbzoame Echt- 57°
gekooten/ na den gemeenen regel / leere / rit. 3. 10.
ende bevel der H. Schrift tfamen met de Gez 2 Joan. 1: 10,
mennte ſchuldigh ís ende behoozt te mijden / **-
gelijck alg nu meer alg eenmael upt grondt
ende kiracht Des hepligen Woozdts aengez
Wefen ende verklaert ig. Wie de waerhepdt
„meent ende lief heeft / Denckt na Wat wr
aenwijfen / ende den fin der fchzift ig.
Een feften beeftae ick / dat Lemmeke ge-
feydt heeft, of wy al{choon in den Artijckel
van Man ende Vrouwe gantfch eens waeren,
dat wy dan noch wel drie of vier Articulen
hebben, daer inne wy met haer niet ftemmen
en konnen, Daer op ick hem op deefe wijſe
antwoorde / namelijck / dat hp mp doch die
ſelbige Articulen ende punten in geſchriften
ſetten / ende upt tekenen wil / ende alſoo
tot mijn handen ſchicken. Soo ghp daer in Chriftelyke
be waerhepdt hebt / ende niet mp/. foo fal eerbiedinge.
ick Doa? Godrg genade ín deſen Deele boor JS —
mijn perſoon / geringe met u ja feggen : goedt quaedt
Maer Wil evenwel u waerfchoutwen ende en ’t quaedt
bidden / Dat gpdach/ Dat vecht ende reyn / Bj eeren.
niet krom ende ontepn / noch Dat keom ende °°
ontepn/ niet vecht ende reyn heeten: wilt.
Jiet bip maken / dat de Scehzift engen /
noch epgen maken datfe bp macht. Geiijck
fommige (lepder ) voor een gebrunck heb
ben. Dat níet onfe engen berkkorene gerech⸗ Jofua :.
ttabepdt/ noch menfebelfjche goedtdunken: Apo ult
hepdt / en heplighepdt / maer alleene God8 onwaerach-
wate Wooꝛdt onfe wijfer ende Wegh zijn tigk pgen
mach. Inder lief den laet het u gefepde Lafteren:
Palm 119,
zjn. 10. 5.
Cen ſebenden verſta ick / dat Lemke oock
gefeydt heeft: ick ben eerft totde Franekers
ende haren aenhanck gekomen, ende met
henlieden geftemt. Maer {tracks daer na van
den fijnen onderrichtet, ende by haer geblee.
ven. Daer op ick u met allen Die dat onz
waerachtige nafeggen upt uwen monde
Recht moet
Col. 2. 18
Deut. 4. 4.
alſoo opnernen / met der waerhepdt alſoo
antwoozde: ch hebbe De Franekers , doen
ick met haet ín ’t beſpreck quam / Wyoedere
lijck gebraeght / of fp oock eenige moepte
over De openbare bleefchelijcke wercken
met Drie vermaningen /Den Gzoederen meet
maere
Matth 18. 1.
Rom, I- 32.
Gal. 5. 19.
1 Cor. 5. 9
zoen 6,
Menfchen
mogen niet
binnen hou-
den, wat de
Heere felfs
{onder eeni-
ge Exeptie
daer buyten
fet
1 Cor. 5. IO,
Ephef. 5. 5.
2 Petria. 9
Jude 1. 6.
Ap. 22:35.
Sommade drick 8
fchrift is vol ——
daer van,
want dit is
niet tegen
ens (daer op
die 3 verma-
ninge ge-
hoort.
Matth . 1 8.)
Maer tegen ven met des Heeren W
wet hadden / ja hoe 5
ende kint fchj ha oocl
nubilticker De faeche tuſſchen m
de name van jg in kogten tijdt / is mp er
Ekkfeyer? horꝛgen. Sijn epgen fchai
etupge zijn.
De Mannen / hier hebt
den grondt onſes beroerden handels ín
deel/ Die ghy wp foo gantſch parti
den Heere
gefondiget.
Wie draeg
Tegen Zylis en Lemmekes.
maecken Wilden? Antwoorden fp neen. |
Doen fepde ick: (na dat wp noch wepnigh
woszden ban de heymelijcke fonden gez
brunckt hebben) foa gp geenen anderen
geondt hebt / fullen Wp door Godts genade
geen gefchepden Grocderen blijven, Doen
Dancliten fp den Heere / algof wp der faecz
Ken gantſchelijck eens waren / dit nu alſoo
mevekende/ fepde ick: Piet alfoo mijn
Bzoederen / maer ick Wil den anderen oock
aenfpreken/ ende fien wat genade De Deere
geven wil. Wat dit alfoa de waerhept 18 /
fal mp onfe liebe Wzacder Nette Lippes Mju
getupge zijn / ende gock mede De alwetende
Heere/ Wieng handt ende ſtraffe ick niet
antgacn em fal/ ſoo ick liege ende de
waerhepdt níet en fchzijve.
Daer na ben ick tot haer gekomen / ende
hebbe met haer geſproken / ende mijn baile
genoegen (De Weere fp prijs Lao? fijn qena:
De ) over De heymelijcke ſonde gekregen / daer
ber mijn heete vrolijker werdt / als ick Wel
fchzijven kan / gantſchelijck nu niet twijfe: |
fende / of Die facche foude Wel tat een gocdt
epnde kotnen/ ter tijdt toe Dat De Franekers
daer quamen en haer mercken lieten / na⸗
melijck / dat fp hare tocfeggen ban de vlee⸗
fchelffke wercken / my gedaen gantfchelijcht.
geen woozdt hielden. oen wozde wederom
mijn treurighept mp foo bitter alg De doodt |
wiſte ban grooter ſmerte niet / hoe ick het
maken ſoude / Want ick niet lievers op Aer⸗
den en hebbe / dan deg Heeren Gemernte /
maer moet nu fien dat De uerdeechtche
geeft der valſcher —— etlijcke in den
grondt alſoo verdorven jeeft / Fa foo mp de
genadige Adem des Alderſterckſten niet be:
waert en hadde / foo oude ick wel lichtelijk
fchipbzeucke mijner finnen daer geleden heb:
hen. Zomma / de Franekers wouden haer
niet verecnigen / alfa fange fp Hendrick
Naeldeman níet te voren aengeſproken had
Den. Met der tijdt ig de boorgemelde Hen-
gekomen / hebben hem ín aller
lief de bericht hee Dat wy de geene niet en
waeren / Bie de ergerlijcke ſchandtdrijvers
alſoo rechten / Maer deg Heeren Wo
dede Dat ooctt mede / Dat wp met geenen
fchafften na Godts wille / binnen konden
houden / díe hp met fifnen Geeft en Woozdt
daer buiten fcttet / is Dact op
worden / Dat hy boo? ong allen opentli
fende / hy hadde noch fijn lecf dage de f
alfoo niet ter herten genot
hopende De Franekers NU OP eenen bettren
pact te brengen / en Boen ben ili unt Den lande
gereyſt. iet lange D
Wederom / hp hadde
tee íngefien / ende Wa
Den armen man gebro
8 gantſch
ken / Wat
osdt |(
alfoo ontfct gez | en blo
tljcken noch |
Jeclie doch onverdzaent liete /
ten of behertiget / |W
act na ontboodt hu mp | Dao?
den geondt nu wat be: ecre ſoecke
wederom ín ick immer
Wp te voo⸗ | geerte ich
gordt aen hem gebou⸗ [linge in
487
Doeft nadzagen / Die ick met een goede conz
fcientíe boo? de oogen deg hoogen Majeſteyts
beftaen wil / wanneer gh nu in Dit Deel alg
De wijfen gehandelt hadt / ende hadt achter
mijn rugge Die onbredelijcken der Sectifcher
partijen alfoa niet gehoozt/ ende De DALEN
Daer toe genegen en gedaen/ nimmermeer
en had gp u met ſulcken openbaren groven
leugen ende gedichter nijdiger lafteren acn
mp befondight: wel recht is Paulug woogdt/ : Cor. s. s-
dat een wepníig fuerdeegh het gantſche deegh Sels 5-
perſuert / Exod. 13.4.
Een achtften beefta ick / dat Lemke feydt
en uytgeeft; dat ick war tegen hem foude ge-
{proken hebben: dat volck dar ſtaet en fet
joo feer op my» ick forge dat de Heere my
nech eenmael magh ftruyckelen laten , op dat
niemandt op my noch op eenigen menſche
fen fal. Gaet op íclt ten eerſten alfoo ante
woozde: foo icit nu of tot eeniger tijdt tot
Kennneiten/ of tet pemaut anders mochte
ſpzeeken: Dat volck ſtaet en fiet foo ſeer op
mp/ feoovertupgbt mp mijn epgen mondt/
Dat ick den Besten en nazren gelijck ben / Die
haer ſelfs geeene prijfen en laven / hape dat
mp niet allecne des Geeren Woozdt / maer
ooctt de redelijcke natuere ende beenufe Wel
cen wepnigh beter leeet en acnwijft.
En dewijte ich meer alg cenmael tot mij⸗
nen tijden bevonden hebbe / Dat de geeft Dio-
trephes noch uiet al doodt is / die hem gemepne
lijck ineen fijn ſchaeps kleet han berftellen /
fuchten ende klagen / ſprekende: och / och /
dat bolck ftaet en fiet al te feet op Menno.
Waer dooz de herten alſoo ban Der lief dert
afgeheert Worden / Gc. Webbe derhalven
niet ceumacl / maer foa ícit vermoede Wel
tienmael gefendt/ ſoo de ecnbuldige alfa
geel op mp flaen en fien ſouden (merckt)
macht ick lijden / dat de Heere my cenmaci
ſtrupckelen liet maer evenwel fijn genade
al geheel niet van mp Wenden en Wilde / op
Dae fp leven kennen dat fp noch op my / noch
op eenigh vleeſch / maer alleene op de levendi⸗
ge Hoecſteen Chriſtum Jeſum haten gront /
hope en trooſt fetteden. Wíe be Brupdt heeft
fepdt Joannes) die is de Beupdegom/ en
d
ders wilte (tot fijner eeren) ín ceuwige liefde
beroepen / en dooz het geloove in fijnen doodt
edt getrouwe heeft / ende niet Jenna
Lemlie. Och dat men mijn Woozdt
en miet dan Die rechte
aechent / Die vooz Godt beſtaet / na fepde.
Cen anderen antwoozde ick / foo ghp dat
woordt mijner Godtbzuchtighept / Waer
ick alieen mijng Heplandts prijs ende
alſoo tot fchanden nadzacght Dat
8 niet verhoopt en hadde : Soo bez
/ dat ghu mp Dock) mijne ſtruplie⸗
Der lief De met'er waerhepdt aen⸗
Verkeert
nafeggei.
3 Joh
„19.
Diotrephes⸗
Oſea z.ar;ï?.
1Pet. 2. 19.
at is Ehziſtus Jeſus / die ong na ſijns Baz Apoc. 1. s.
Chriftelyke
eerbiedinge
en gelaten.
eyt.
Jac. 3. 2.
t
fal my des q
Diet weet
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
teenmael of tweemael in
bebt ghp nt
defer
*
antſch onbeſtandigh
an en vrouwe bevonden
rde Heere niet Verz, WU
ft met fijner hande ſijr
digh blaode ende zw
wüjſt / de
ben/als die bp wijlen ban fijner
weldiget wordt / foo danke ick doch ce
wel mijnen Gadt ban fi
jen acmen zwacken Bienaer / founder a
me
Ibewaert heeft. Maer is dat gefichte foa
ack bpu/ dat het ſtrupckelen
bg
jn genade / dat hp
echelijche ergerniſſe / bepde in Heere en -
\|ieven/ tot op Deefen tegenwoordigen dagh heyt van be-
dan hoe wel ich een arm Sondaer
fnen vleeſche over⸗
ns
ED ;
Dat isde
echte wys-
lle
ven.
jac. 3- 17»
De liefde
verheug ht
haer vand
waerheyt.
r Cor. 13.
Sy blijft
den voor-
hare werc-
ken.
3 Eld. 4. 3
fehen ver-
van, &c.
Joan. 9. 21
Priefters
trachten
fy oock La
den.
Sela.
ftus.
AC. 25.1.
mer vele a
dere, over
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ende is fterk
488 Menno Symons Nootwendige Verantwoordinge;
ba u heeten fal/ namelijek / dat ick metter
… Beplige Schzift leere / Darmen Die ergerlijc:
Elte grouwelaerg ende ſchantvleckers / cot
6. een ware boete toe/ mijden fal? oft oackt
datmen den Ban ende mijdinge/ ſonder alle
indereen. aenſien Det perſoonen leeren ende gebzuy⸗
wigheyt. hen fal/ oft det ick De onderwſinge mijng
iet Gods, Die vermaninge ende Heere fijns
denprijs Wepligen Geefts / noch tot grontlijcher
eeuwighlijk, berhlaringe alle tijdt berent ſtae / gelijck ich
Tie men. dan den gront ober bleefchelijchte grouwe⸗
fchen len hier gedaen ende ftal gegeven hebbe. So
magh ick mp deg trooften/ Dat oock de
poedighin Heplige Npoflelen met haren doen ín Dit
deel niet wepniger ſtrupckelaers en zijn alg
o. ickt. Dan ich weet voor mijnen Godt niet
Cor. 2.4. anders Dan Dat ick den gront haers woort
onverbalſcht leece/ ende ín De boetftappen
haers Geeſts wandele. Alſo vezre ende wijt
als ick ban mijnen Godt genade ende kracht
hebbe. Och hoe gantſch vleefchelijch / an:
berſtandigh / bline ende verkeert is Doch
dat oozdeel eend menſchen / Die met partij:
dighent ende nijt vaag fijnen Godt berboert
let. Vzeeſt op Gode / fa hebt acht daer op /
|
‘bare gewelt ende ontecht/ dat qp ong Wel
fa een onberdzagelijck liegen / laſteren / ende
Faemrooven / funder eenige gewiſſighent enz
de gront Der falen / benemet ong met open⸗
nimmermeer (forge ich) weder geben kont /
maer fo gp nu bepde partpen/ na Chziſte⸗
lichter billicihent tegen malktanderen met
verftant geboot hadt foo moght ge dan
een vecht oogdeel (foo gp de gave hadt) tuf:
fchen henlieden gevellet ende gefet hebben /
ende alfo De eenighept ende Heede / na Tupt
Des Gepligen wodzts aen henlieden gefocht
hebben/ maer nu hebt gp un vooz alle men⸗
\fict/ Dat aon met uwen onſcheiftmatigen /
\pdelen ende lichtbeerdigen / dooden ende
krachteloofen Ban / nu fo lange jaren ban
u ende den uwen gedreven / boog die ſcherp⸗
te des Heyligen Geeſts Chziſti ende fijng
ſtercken woortg niet beſtaen moget. Dat
qu niet Die veel gewenſchende cenigheyt ende
veede / noch oock Die beftandige blijbende
waerheyt die unt Bodt ís / maer uwen
Dammen fiu / epgen goetduncken / ende vlees
ſchelijck boomemen / met pdel onrecht ende
ſchen openbaer gemaectit: Dewijle gp Wel Hebr. 12. 14
Die natuer-
daerna, dat genade / Geeft ende gaven níet vergeten herten laet het u gefept zijn.
Cen thienden / verſtae íclt/ dat Lemke 57 gefprooe-
en, wy wil-
zarumdoo- geſe gefept hebhen/ alg dat die wereltlijcke |noch geſeyt heeft: Dar hy liever van onfen
de de Hey. 2 *
denfchefe-. een pattpe/ ofte een zijde hem aenklagh ban twee Waer zijn. Oft dat gp ni
klagh
Dede/ ende die ander pactpe voch niet tes | weet / wat den Ban ín der kracht zp. Oft goerduncken
wat ick acnwijfe. gewelt Scheuren / vijten / pactpen / fchelden /
uwe wijven
niet weynigh fcheldet , ende haer lieden na alg immer ín wig. Moet dan noch Weten / hebben: met
neemen niet (preeckt: Daer op ick metten kozften alſoo hoe Dat evenwel niet ſulck onrecht ende gez uwen eygen
. antwoorde / Dat ick onfe Broederg booze welt / als ap drijft / maer Dat Chriſtus Fe: roken dat
Die hooge ſpzelier zijn foude / is onnodigh/ dewijle ſus met fijnen Geeſt ende oogt alte onfet gy oock met
haer De barmhertige Weere felfg met fijner 'fakken wijſer ende rechter zijn moet / van ——
- heeft. Nochtans fo wil ick mns deels fo |
vechten opentlijckt fo bele medebzengen/|Outften wilde gebannen zijn, dan dac hy ——
Alexander datmen bepde partyen hooren ſal / lefen met haer eens zijn wilde, Daer op icſt alfo doen dat ons
Magnusen- doch ban Alexandro Magno, Dat wanneer antwoorde / upt defe fijne woozden Wil een gevalt. …
let en edn
… Genwoordigh en ware / dat hp alfdan dat dat Die outfien fulche grouwelijcke lieden ende voor-
- gene oore (de ander partpe oock Daer mede zijn / Dat fin geen gemepnte weert en zijn. „nen fnel-
lijck vervult,
trefthierin te ho dren) toeftopte. Aengeſien dat dan ſulc⸗ Om alle die gantfche Werelt / Woude ick onde daerom
— — Ken grooten fchicltelijchtgepdt bp den opens, hem níet alfo cen oogdeel naſtrijcken. Doch &c- Och haf:
goetver- Gaten Hepdenen bevonden is / ende oock foo dan nochtang evenwel die ſelbige out: Hen TLP
—— ze noch heden ín alle natuerlijche vechten ende ften alfchaon alfulche boofe lunden waren / * st
endeBroc. Woliepen een gemeen gebzuyck ig / geen fo men upt fijne woozden verſtaen moet. Exod. 17. 2.
deren. echt onberloopder falen upt te ſprelien. Sa Waerom zijt gp dan noch fo ongefchicht A5,
— hebt gp immers al te onchziftelijcht/ onlie⸗ geweeſt / dat gp niet eenmael om uwen broe⸗ joan. 3. 19.
flijck ende onbillijck gehandelt/ Dat op de Derlijcken Dienft (hoewel u Ampt doch fo Sa. 11.9.
eene pattpe (ende die Daer toe noch om ha⸗ ſtaet) aen hem beleeft ende bewijſet. Pat Hebg. 37°
ten zwaren twiſt ende partpe halven ban gp hare groote feplen ende grouwelen / daer
Der gantfcher gemepnte afgefondert) niet u fo ſeer boor grouwelt / mettee fchaift gen⸗
alleene gehoort / maer noch daerenboven wijfet / ende Wie Dat boog Godt ende fijner
Hoo? uwen lieben Bzoederen aengenomen / Gemepnte behoort ende betaemt ín Der lief:
ende hebt díe ander partpe gantſch ende ge⸗ de hem te ſoecken. Maer ick vermoede /
heel verſtooten / doch tot u ende tot uwer Dat gp u Loar den ſcherpen ſtoot Ber waere
raetflieden groote fchande. Dat gn niet | hepdt al te feer ontfet hebt / ende derhalven
cenmael / hoewel fj Dat fa menighmael fo met hem niet en hebt dozben boog treden.
aantfch Beoederlijck aen u begeerden /mont Joan. 3.21. Oct dat gp noch deg Heeren
tegen mont niet en hebt Willen. hooren. | ſtemme hoozdet/ ende uwe herten niet verz
Over welche uwe gtoote onmatige onlie⸗ herdet / het is noch den dagh ban beden.
flijckhept / onwil ende kintfchelijcke onwe:| Oochk fo moet ick hier ten laetften u cen
tenbept/ wp ong niet genoegh) konnen bere | wepnigh te bedenken geben ende te verin⸗
wonderen / fa laten ong oock Dunchen/ Dat neren hoe gp Anno 56. vecht boor Den: s sé
het fijn teefvage ban lieden / Die een aen: | Man / tot ons gekomen zijt / ende dat Wp
fien hadden/ dat fp Godt vreeſden / nim: [bp twee dagen als Bzoederg/ ín De vzeeſe
mermeer alg gehoort is vaert noch (fegge ons Godts / lieflijck met u gehandelt hebz
fc) alfo voort upt dec pactpen mont/ met [ben/ Fa alfoa gehandelt / Dat oock —
e
Cen negenden verſtae ickt hoe dat gy ſaemrooven / ende veelhent Der perfoonen Jer 44. z6,17
lijckemen- oock onfen lieven Broederen in Vrieflandr | faccht te beweeren ende boog te ſtaen / fo veel ende
ooten hebt.
Ja alfoo hebt
— —
Tegen Zylis en Lemmekes. | 483 ||
| deg mozgens als hy vepfen Wilde / boor my, Apoftolijche Schgiften im deſen Deel unt⸗ |
| opentlijcit belkende / dat hy gantfchelijck met | lepdt / ende alg onuoodigh achter rugge wer⸗
ong eens ware / doch / foo noch wel een wep⸗ pen en wilde. 5
nigh ober De faecke ban Man ende Wijf) Soo ick.niet Die waerhepdt en ſchrijve /
bekommert / dan Dat hp dat alfa boor den | Wil ick geerne mijn ftvaffe Dragen. Ja bet
Bzoederen fa net bekent en hadde (quam is mins bedencliens/ wet ufo bezre bere
br daer heer) dat hp ende fp op gelycken loopen/ Dat ick boor Godt niet en Weet /
25updel tot ong gekomen waren / ende foo, Wie Dat immermeer met ute techte komen
bp nu fijn herte ende gront beor eenen pes kan. Ban eerst zijt gu met ons eens ge⸗
gelijck alſoo ontblootet hadde / fo ſoude fijn \ weeft / Daer na fonder alle onfe Weten ban
woort daet na wepnigh meer bpu gegolden ons afgewelien / ende Den @berlanderen
Drerlan- Hebben. Ende hp hoopte noch op den wege toegevallen. Mercket / Lemke (gelijck gez
ders worden bzeeder Daer Ban mer u te handelen. Siet/ hoort) is't Wederom met ons verdragen.
ìn Overlandt alfo lunde fijn voorgeven. Sprack noch Maer noch den feloigen Somer, eng dert
onde MEREN Daer en boven: Soo haer de Goerlanders rugge Weber gekeert ende erns met Ben qe
Broederen niet wflden gefeggen laten / ende Zylis ende | Worden. |
genaemt. Hendrick bp haer blijven wilden. Sa wil| Cen anderen meechet. Die afgefanders
ick mp (fepde hp) tot den Aederlanefchen Den Des twiſtes en ſchandtshalven / bebe
WBroederen maken. [gp voor uwe Bzoeders weder aengenomen.
Sprack weder / ende vzaeghde mp: Daer Cen Derden / mercket. Onfe outften /
zijn (fepde hp) tot Weert ommige Aenko- ‚met alle groate Gemepnten hebt qp beracht /
melingen } die fich geerne onder des Heeren bate bidden ende begeeren gantſeh onvrzicu⸗
woort begeven ouden. Wp wien van bepden delijck ende ſtoorigh geantweert/ ende gez
fal ick Die Bzengen/ bp Zylis, oft bp de He⸗ ſeyt: Bp waert om harent wulle Dact met
Derlanderg? Joch ober Dat begeerde hp aen | gelsamen. |
mp/ wanneer men Ga oft een ban Zylisj Cen vierden / mercket. Den geeft Der
wiſte / datmen hem algdan een getrouw onruſtiger partijdinge hebt qr gelooft ach—⸗
Broeder / oft twee te hulpe fchichen wilde / ter onfen rugge / ten vijffien-murthet.
op dat alſoo de Wan ende mijdinge metgez| My ende mijnen lieven broeaeren belie⸗
voege bp Den fijnen ingevoert werde. Ja get, ſcheldet, achterklapt, laftert, kettert,
Weerde vrienden, Dat hp alfo met ong ge⸗ ende beſchuſdight haer ſonder alle gront ende
fremt heeft / heeft niet alleen boor mp / waerheyt. Daer ick doch vooz mijn perſoon
maer oock Bao? onſen ſeer geliefden zoe, alle mijn leefdage (des Godt mijn getupge
beren / Her. ban T. ende Hans S. eenen pe⸗ zy) niet een onlieffelhek woort van u geſpzo⸗
| gelijckten bpfonder alfo bekent. Ende wact ken hebbe maer dat alderbefte (tot op deſer
zijn nu alle deſe ſchoone waorden/ toefeg: ure / u onverdzaegelijcke handelmge toc)
gingen / ende beloften gebleven? Zijn fp altijt aen u verhoopt / ten ſeſten merckiet.
Bhilopater. miet altemacl pdel wint ende leugen gez. Item / dat heldere hlare woozt der Pepe
3 Mac.1d 10: meefts Immer moet gp mp Ya feggen. lige Apoſtelen / foo beel den Wan ende mij
Pech evenwel Wilt gn tot Ceulen ende des Dinge belanght / verwerpt on / ten ſebenſten
ſelfs / hierom gantſchelijck ban den onſen merchiet.
niet nagefept hebben / dat gp u alſo met ons Beel lichtbeerdige bleefchelijche klappers
berdzagen hadt, Fa Dat noch dat alder bez | onderhout gp / ten achtsten merchet.
klaeghlijckſte boven allen is / dat hp alles Veel onruſtige onbzedelijche twifters ende och, och:
wat Gp daer daen tert tijde Lady recht ende! fancherg ſtercket ende fljft gh / tert negen: gcheelalre
goet bekende/ moet nu vervoeringe ende, den mercktet. derde
ketterpe bp hem heeten / oft men een fulche) Deel Bodtvzuchtige trouwe herten / ja Mennos
plompe ende onbeftandige handelinge níet | wel ettelijchte dupſenden / Die Bodt ende fijn fmerrelijgke
met recht een FPicfeper heeten maal / wil gewifſe waerhept upt dat alder binnenſte ned
ickt alten redeljcken beenuftigen LTeſeren harer zielen foechen / bedzoeft gp fmertelijeh/ over lenge
Gier mee te bedencken geen. ten tienden mercliet. jaren daer
Zylis ende Hendrick wilden Defatieineenj Deel vrome kinderen / die geerne Des Dee: vaer, ——
bedencken nemen / ende den Overlanderen | ven woozt ín deſen Deel oock volgen / ende gen, gelijck
boordragen / gaf ween Schziftelijk beſchendt hate zielen redden ſouden / behindert gp/ ooek hiet
mede. Maer aft qu Die Outſten uwer Ge: tenelfſten mercket. ed E;
mepnten boven hebt fien laten / dat if mp| Ende oock bele Faemroovers / leugen: kant gemett
onbekent. Dan Lemke heeft geſchzeven Ja. | ſpzekers / ſchenders ende fchelderg Baere gp / fact.
Ende die Wroederen fchzijven Neen. Ende | Een twaelfften metchet.
lundet / dat Zylis neen bekent heeft. Weten, Somma / gn hebt ſoo een biet gebzou
is níet eenerlen tange ofte fpgalte, wen / dat gu noch zwaerlijck ende hert ober
fac. 3-2; Somma / wy heben entlijchen na onfe ſijn gehopte heffe (fou u Die ſtercke Hecre
| Soet en bit- lange verhopen ende Wachten / tat een ants | door fijn barmhertighent niet bewactt) tup⸗
ter, want de oort ban den Overlanderen ende u gekrez | melen ende vallen fult / vzees ich / Dai neemt
| a En gen; namelfjck / Dat Wp Dat mijden niet | doch Waer / fa gp Den Bhoerlanderen weder
Ficfeijet.
alfa hart op dat fpit fte drijven fouden / want | affeght / ende oockt Dien / Die ap nu De hande
het moefte Doch gebzolken wozden / ende dat {uwer Wzoederfchap (lepder) fa gegeven
daer ooclt wel foa vele fchziften ban Der hebt / fullen fp u met genen goeden name
Echt waren alg ban den Ban ende mijdín: | afmalen.
ge al waren. Siet / dat wag de onderrech-| Ende blijft gp oock by hen/ foa moeten
| tinge Der Schzift / daer mede hr ong alle alle vechtverftandige — | dat gu we
209 wen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
loan. 13. 28.
2Pet.2.18. boete ban u daer baar gedaen Wert/ Die;
Rom. 1.30. leugenaers / geen Deel in ’t Nijcke Gods ende,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
490
wen geont ende geloove ín deſen Deele / níet
dan fectifcheer wijſe op pdel epgen waen /
goetduncken / blecfch ende menſche / ende,
níet bloot op- Den vaſten ſteen ende gront
\
M. S. Nootwendige Verantw. tegen Zylis enLemmekes.
de ander. Daerom fict boor un Ha ſegge ici)
(fiet Wel toe/ dat gp de fchipbzeuch uwer
Armer zielen (Dat ecuwigh is) ontgaen / enz
de den vechten Haven oft Wenbaert/ tot die
Des Godlijcken woorts fettet. Berandert gp; ecutwige cufte/ bp den Alderhooghſten bin
uwen geont / dien gp foo lange tot onrecht
bp den uwen gedzeben ende geleert hebt /
foo fult gp moeten hooren / Dat gp ellendige
Leeraers zt / menige zielen bedrogen / ende
Dat licht der waerheyt niet gekent en hebt.
Maer doet op ’tniet/ fo maccht gu ul
felf$ openbacr / dat gp níet Die zielen / ofte!
Den moaget. OAmen / Amen.
So ís dan nu dit de epgentlijcke inhout /
beflupt/ herte / ſin ende mepntage mijng
fchijbens acn u ende den uwen. Hamer,
fpiegel fien/ bant onrecht af ceren / met
dat hepl der Gemepnten/ noch Gudg woort /
maer alleen u epgen eere ende vleeſch ſoeckt /
ende boorſtaet.
Belient gp oock / dat gp mp upt partpe
met opentlijcken gewelt ende onrecht alfa
gelaftect ende den glimp mijns Naems gez
nomen hebt / fo falder een gefchzen onder
Den bzomen ban u uptgaen. Dat gu níet,
als getrouwe Dienaers Chiiſti / maer beel
meet als nijdige Faemroobers uwer Bzoe⸗
deren / fonder alle fijnen fchult / gefchant-
bleckt ende fijn goede geruchte tot ſtanck
gemaeckt hebt.
Bekent gp dat niet / noch Dat een ſulcke
vooz Godt beftaen kan / fo houdt ende lept
De gerechte Sententie fijns onberanderlijcz
ken Woozts op u / namelijck / dat Die Faem⸗
roovers / achterkilappers / laſteraers ende
Cheíftí hebben. Och / zwaer is't woort /
mee Den genen Die ’t hooren ende dzagen
moeten / met bzeefen ſitteren ende ſchricken /
dencket na / dat bidde ick u.
Siet gp uptberkorene geliefde Mannen /
boe gantſch perikuleus ende gevaerlijck gp
Daer henen baert ende zeylt / ja gelijck cen
ſchip dat tuſſchen twee klippen heen hup-
velt / ontgaet hu de eene / foo floot hp aen
een berflagen gemoet boor den Hecre tre—
Den / ende alfoa ban herten om fijn genaz
de bidden meught.
Een anderen / dat oock Die cenvuldige
ende hlepn verſtandigen / die alfa ín deſen
deel ban u gebangen zijn / daer upt mogen
fmaken ende gewaer Worden / hoe Dat fn
níet met Dac bzoodt haerg Pemeifchen Daz
ders / maer met pdel zwijnen draf ende men⸗
ſchelijcken goetdunchen/ in deſen Deel ban
u zijn gefpift/ ende gezadight gewozden.
Ende ten derden oock moget weten; hoe
Dat ick ende Die vzomen / Die hp ende met
mp zyn / upt De bzeefe onſes Godts / niet
meer Dozen oft mogen uwe Broederen zijn
ende heeten / alfoo lange ende beel daer niet
een ſulcken gront / deere / gehoorſaemhent /
bekenteniffe/ / verſoeninge ende boete bp u
bevonden wert / Daer door des Heeren Hep⸗
lige Gemepnte gebzedight / ende een goet
genoegen aen u hebber kan.
pt grooten Weemoet is't geſchzeven/
foo gn Godt breeft / ſoo geeft acht Daer op /
ende dencket na. De Bodt aller genaden /
ende De Heplige Geeft deg vzedes ende Der
liefden Chzifti/ Die gunne u fijn genade /
bat op doch met onpactijdifcher herten mas
get lefen / ende bzucht ín u bzengen. Amen.
Amen. Amen.
By my Menno Sym ons , U wer zielen Lief-hebber na der waerhevt.
Anno 1559. Den 23 Januarii,
lck / ten eerſten / dat gp de groote grouwe⸗ tes Schrij-
ljckheyt uwer handelinge in Defen ülaren vens.
E EN
WEEMOEDIGE ENDE CHRISTELYCKE
ONTSCHULDINGE
VERANTWOORDINGE.:
Over de bittere nijdige leugenen , ende valfche befchuldinge onfer mis-
gunftigen, om welckers wille, wy fonder alle medelijdigheyt endé
armbhertigheyt , van yeder man {oo jammerlijck gehaet , be-
logen, gelaftert , gefcholden , ende in den doodt ge-
focht worden , gelijck men oock (leyder) dat
in vele Steden ende Landen dagelijcks
hooren ende fien magh.
DOOR
MENNO SYMONS.
Chriftus fpreeckt.
Saligh zijt gy » als u de menfthen verfmaden ende vervolgen, ende Joggen al-
derley quaet tegen u om mijnent wille, is’t dat ſy daer aen liegen: Zijt
wrolijck, verblijt u, want u loon wort groot in den Hemel,
want alfo hebben fy die Propheten vervolght , die
woor u geweeft zijn , Matth 5.10.
1Cor; 3. 11.
Daer en magh geen ander fondament geleyt worden, dan datter geleyt is
het welcke is Chriftus Fefus.
Gedrukt in’ Jaer onfes Heeren, M. DC. LXXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Den Chrafteligcken Lefer venſche ick veel heyls ende
5 aligheyts.
Ademael Chriftelijcke Lefer, wy arme verachtede vreemdelin-
gen en Pelgrims, fo {eer by allen Menfchen verfchoven , veracht,
ja als uytveeghfels gerekent ende gehouden zijn , ende dat der oorfaec-
‚ken, dat wy met rechten yver, ende uyt alle onfe krachten , naonfe Sa-
ligheyt ftaen ende begeerigh zijn: Alfo dat een vroom ende Godtvree-
fende herte beeft ende ontfet, van fodanige lafter-reden , met welcke fy
den gerechtigen fo valfchelijck befchuldigen ende beliegen, als dat
fommige, dieè na de waerheyt ftaen ende haken, dorven daerom haer
naeuwelijck voegen ende geven by fodanigen yverigen volck.
So is (Chriftelijcke Lefer) dit Boecksken den bindel ende bande,
met welcke men den Leugenfâck toe binden ende toe knoopen fal, ende
een bericht van alle lafter-woorden , welck wy uyt reynder liefden, ende
tot des Lefers profijt, oorbaer ende nuttigheyt, uyt de Oofterfche fpra-
ke ende tale (die hier te lande niet feergemeynenis) overgefet in defe
Nederlantfche fprake, op dat een yeder Godtvreefende den lafteraer
den mondt ftoppe. Wantgelijckmenfeyt: Facula previfa minus feriunt.
Waerom wy begeeren vriendelijck , dat gy ons defen arbeydt (dieu tot
dienfte gedaen is) ten beften afneemt. Want ons hertelijck begeerte,
wenfchen, arbeyden ende haken is, datter vele mochten komen tot de
reyne ende klare bekentenifle der waerheydt, ende Saligh worden:
Vaert wel.
DOE OERTe Wekt Dei Bra 495
L onfe begeerten zijn, mijn redelijcke Lefèr, ende dat uyt grondt ons herten,
Àcter, voor den Heere wy en liegen niet) dat wy doch met al ons ſchrijven,
leeren, leven, ſmaetheyt, ellende, goet ende bloet, eenmael fo veel genade by die
Menfchen Kinderen verkrijgen mochten , dat wy met on{etegen-partye ende ad-
verfarii „vooreen, ven, twintighoft dertigh vrome, verftandige ende redelijcke
Mannen , die den Heere lief hebben ende vreefen, ende tuffchen goet ende quaet
richtenende oordelen konden, in befpreck oft by den anderen hey melijck komen
mochten, fo het openbaerlijck niet gefchieden en foude. Ende datmenfe in haer
fchelden , liegen, ende aendragen niet en geloofde , oft men ftelde Leeraer tegen
Leeraer , endeaenklager tegen den aenklaeghden ‚ in gelijcke recht ende vryheyt,
gelijck Godts woort, die Chriftelijcke liefde , ende oock de natuerlijcke aert ende
redelijkheyt billick leren ende mede brengen. Op dat alfo die Godtlofe en bofe in
fijn Godtloosheyt en boosheyt niet gehouden en geftijften werde ‚en dat die vro-
me en gerechtige niet verdoemt en verdruckten worde , Godes Heylige Woort,
by welke onf ziele leven moet, mochte aen den dagh komen; die verfchrickelijke
en afgrijfelijke leugenen ophoren, en dat onbarmhertige wrede bloetvergieten cen
weynigh ftilden, ceffeerden ‚en ophouden, dat doch anders in fich felfs niet en is,
dan openbare vruchten en wercken der Helfcher flangen , als Chriftus felfs ſeght.
En (och lacy ) om den fchijn des rechten yvers ende liefde Godts, van die, die haer «
Zijt verre
fegt Mofes)
van valfche
Chrifti Naem,Geeft, Woort, Doot en Bloet roemen, over alle die, die met Aflaph aken, den
haer handen waffchen in onfchult, fonder alle {chromen en nadenken fo ongenade- €
lijk gebruykt wetden. Maer w
oft geconfenteert fal worden. | f
Boecken doorlefen, vinden wy » hoe dat die reyne heylfame waer heyt, van des
onfchuldigen
nde den
5 ! ° sr
y vrefen en bevruchten, dat het ons niet toegelaten rige *
Want als wy beyde Schrift en gefchiede (Ata) verworgen
want ick en
aet den God
oofen geen
Werelts beginfel aen gemeenlijk en altijt gehaet,belogen,en vervolgt is geweeft , recht hebben
p ï …… Exod.23.
dat fy haer ten meeftendeel als een Godtlofe gehatede grouwel ‚in duyfter plaetſen —
Matt. 4. 4.
en oorden ; by weynigen hebben moeten verkruy pen; ende verbergen. Konden ——
Die ee
daer beneven oock nimmermeer , fonder fware moeyte en doots noot, aenden Dien „tise
Chriftus dat
dagh komen. |
Die goede vrome Jeremias, om dat hy der Schrift geleerden valfche Leere ende
haer boosheyt ftrafte ‚dat domme, bijftere ‚en leelijck volck tot bocte vermaende,
en haer met die toekomende plage dreyghde, heeft hy den Schriftgeleerden een
Ketteren vervoerder, en den Vorften een oproerder en moeyte maker zijn moe-
ten. Heeft fo feer vele ellenden moeten lijden en dragen , hoewel hy van Moeders
lichaem aen tot een Propheet van Godt verkoren was, ende uyt des Heeren mondt
fprack, moefte daer beneven oock hooren, als dat fy om fijnent wille fulcke harde
fo wie udò-
C
let, die fal
meynen hy
doe Godt
eenen dienft
daer aen.
Die waer-
heydt (teght
Eſaias valt
op der ftraten
en dat recht
en magh nict
te voorfchijn
komen.
plagen lijden moeften. Flan. 59.1
’ . . . , pr — 2 „Eid, 14. 17.
Achab, die bloetgierige en Afgodifche Koninck, wilde den vromen en Geelle Seeminn
heeft fijn
rijcken Man ende Propheet opleggen, dat hy die gene was die dat gantfche Iſraél
verleyde, 3 Reg. 18. 18. — hen |
Item, die Koninck Joram meende, dat het Helizeus hadde verdient, dat Sama-
ria fo fwaren en grooten honger lijden moefte, 4. Reg. 6 31.
Predick ampt
met veele
{merten en-
de lijdens
moeten uyts
voeren. Jer.
A * — %, — 40.38. 59,
Joannes een Man van Godt gefonden , Joan. 1. 6. geheylighein fijns Moeders 5
: ; sf IC Elias. À
lichaem, Luc. 1. 12. die grootfte van Vrouwen geboren, Marth. 11, jo.eenlich- Eliss- Joram
Encomium
tendeen een brandende Lantaerne, Joan. 5.35. EEn voorbode en voorlooper des
Heeren , Malch. 3. 3. Marc. 1. 3. €En roepende ſtemme in de woeftijne, Matt 3.3.
Efai. 4. 3e die anderdeen geeftelicke Elias, Matt. 11. 14. wert befchuldight, dac hy
was met den duyvel befeten, Matt. cap. 11. versn. Ende heeft ten laetftensom een
fchandigen Godlofen Hoeren-handel en Eebreuck, dien hy met fijn leere beftrafte,
fijn leven moeten laten Marc. 16.
Item, Jefus Chriftus, dat ceuwige
Qqg 3 Matth
Joannis Pro-
pter adulte-
rium oportuit
penre Juſtum.
Joan, 3.8
Den Heyli-
gen ende
rechtveerdi-
gen ({prack
Petrus tot
lichten leven felfs, moefte Beëlzebub heten , den foodfche
volcke)
…
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
rj Me w
A94 VETO OEE RTS SEE DES IN
Ma:th. to. zo. een Samaritden fijn ende den duyvel hebben „ Joan. 8. vers 49. cen
oproerder,Luc cap. 23 vers 5. een ov ertrederdes Wets, Joan. 9 vers 4. een lafte-
racr oft blafphemeerder Gods,Mact. cap. 9. 26. een vreeter ende Wijnfuyper, den
Tollesaren ende Sondaren gefelle , Matt. ca p 11. quader en boofer geacht dan een
Mo ordenaer,Matt 27 inoefte ook ten laetften voor al zijn heerlijke wonder werc=
1 ken, weldaden, en liefde aen haer beweſen, na vele ſmaet heyts, befpijfens,lafterens,
| (laens, meteen fchempelijck kleedt; doorne kroone, geeflelen, kruyce, nagelen
| ende door afgedanckt ende geloont worden.
1 Hoe ſy ook met Stephano, Petro,Paulo, Jacobo, &c. gehandelt ende omgegaen
| hebben, leert ons die fchrift overvloedigh, als At. 5.6.7. 12. 17.18.19. 21, |
| Item, in dietijdtofcaenvanck der eer (ter Kercken, worden die Chriftenen by
ethijcke Swijnen — Seugen genoemt, by die anderen Godts-rovers, en die Godt
zijn eere af elen; doot Magers, kinder- moordenaers, grouwelijcke onkuyſſche
IE Menfchen,ende dat ſy met haer eygen Moeders ende Sufters leclijcke ende onuyt-
Hi fpreeckelijkeonkuyshe yebedrijvene nde aenrichten : Ende dat fy in haren Godts- |
| dienft Menfchen bloet vergieten,en dat fy haer kinderen den Afgoden toe-eygenen
Nt — — feren. Oproerders,en dat der oorfaken balven, dat fy haer affonderden van dat
| loochs el Baalfche Pricfter fchap, ende quamen fomtijdts by den anderen in nacht-tijden,
| datmen va Wanneer ne: plaets, ende gelegentheyt was, om des Heeren Nachtmael te houden.
| lik vhn (Ze vyanden des Menf chelijke n geflachts, onvruchtbaer, verdorven,onnutte
| | naer geven
Lik ir Herd lieden en Menfchen, om dat fy metde volfuypers , kapoen-eters, leugenaers,prac-
HEEE —— hers &c. niet gemeynf chap wilden houden, dan dat fy een nuchteren, Godtfaligh ,
9000— cap. 8, efen. vernedert, ende afgeftor ven leven, in en en liefde des Heeren leyden, dns
Merckt doch, |
| hoe dat die voerden.
| zegteChrifte-
nenalle we. _ Item, vyanden Godts, vertwijffelde Booswichters, en Banck-boeven , om dat
e ende alti
ge ende aj fy die fchandelijcke Af. goderije achter wegen lieten , ende relegeerden in exilium, |
Ehandige _ ende om des Heeren getuygenis ende rec — Godtsdienſt, ende eere Godts ‚haer |
namen gee
noemtfijn goet, lijfende bloet, vry willighlij ck overgaven.
Cyprianus:
— Siet, fo heeft die blinde en ondankbare Werelt altoos met den genen gehandelt
Y
Jom: r.4 ende omgegaen, die Godt van gantſcher herten, van gantſcher zielen, ja uyt alle
DicGadlofen
(preken tot haer kracht ende macht fochten ende vreesden, gelijk Cyprianus tn Apologetico ;
malkanderen Perrullianus,en noch meer andere Hiftorifche Schribenten aen wijfen en betuigen.
laet ons Want die duy{ternisen kan dat licht niet verdragen noch lijden, noch de leugen de
den recht- o
veerdigen _waerheyt. Godes Woort (fpreekt Syrach in ’t 1. Capittel) is den Godrlofen eenen
want _ hy grouwel , want hetis hem een fchat der wijshey t, die haer verborgen 1 is, Dat licht
mat ckt ons
veel onlufts, ((preel kt Chriftus) 1s in de Werelt gekomen,ende ie Menfchen hebben de duyfter-
deferhem ©
tegenons … nifle meer lief gehad: als dat licht: “Oorfake e, want haer wercken (ſeyt hy) waren
— quaet, Jorn cap. 3. Die vrome ende Godtvreeſende fijn altijdt den befchuldinge s
gat ws tegen Onlutt, ende knagin gein haer herten, en{y doen haer wee in haer oogen, En daer
die Wet fon- if
digen, &e_uyckomther, dar de Werelt (diedoch in alle haer wefen ende doen, Afgoderije
Wie den
fporter ſtraft, hy oogh moet, pracht en ontucht, vleeſchs luſte, onbeftraft ende eisen dert willen
die fa! fchan-
de op hem leven) van aenbegin fo vele vromen en Godtvrefende Mannen fo nijdelijk gehaets
lad
ergen (tege ſo jammerlijk belogen, Ende fo ryrannighlijk vervolgt ende omgebr agt hebben.
leuge en (fes ht
Syrach)iseen__ Och mijn goede Lef er, alfo 1s”t ook noch huydenfdacgs gelijk gy ’t openbaer acht
verdriete-
ee eener qlle kanten ende oorden fien meught. Die gancfche Werelt is in aile boosheyt ver-
cen menthe, dronken, valfche leere, Afgoderije, ongelove, moet wille, fchande ende lafter heeft |
— die overhant genomen, ſy en wil noch en magh niet geſtraft nog vermaent worden. |
nierde lieden Sy haten met gantſchen herten alle die gene, die haer in reyner liefden, ja ook met
Een dief
is foo quaet haer goeten bloet ‚ uyt haer woefte ende ongeordineerde leven ende wefen geerne
piet als een wijde verloffen ende op den weg des vreedes wijfen endeleyden, ende haer ‘zielen
menfche die
Keent HEN Baken fouden , fo t mogelijk waer.
Die
gen. gewent
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
EO Re Meede Ae 495
Die Wijfen ende Geleerden, die altijts den vromen ende gerechtigen op t hartſte
geplaeght ende beangſt hebben, gelijk als in die bekenteniſſen gehoortis, hopen
ende verfamelen die eene afgrijfelijke leugen opdie ander, op dat doch haer onbe-
hoorlijk ende fchandelijk gewin, ende valfchen roem, niet onder, oft re niet en gae.
Geven voor, fchreyenen íchrijven , wy fijn Munfteríchen , wyen willen de Ove-
righeyt niet onderdanigh ende gehoorfaem zijn , wy willen Steden en Landen met
gewelt innemen, hebben die goederen ende oníe Vrouwen (gel: jk die onredelijke
beeften ) in’t gemeyn, fpreken tot malkanderen, Sufter, mijnen geeft begeert u
vleefch; Item , dat wy ons beroemen , dat wy fonder fonde zijn, ende willen door
onfe verdienften ende werken faligh werden , ende fulke bedroefde ende jammer
lijke leugenen meer, op dat fy doch alle menfchen, ende namelijk Heeren, Vorften
en Overigheden, die, fy (dat die Heere geklaegt moer zijn; uyt haer gulden Beker
wel befehenkt hebben, van der waerheyt afſchricken, ende over alle vromen ende
Godts Kinderen wel verbitteren ende verhart maken, ende blijven mogen. Jadie
A
{lechts fo meefterlijk ende overmaten tieren .fchelden, lafteren, en liegen — dat
3 ⸗ 8 ee 2e p 7 ‘ » wd rm 11 al ’d
hy die Overigheyt, die doch wel eenfdeels billi jk, gunſtigh, goedigh ende edeli Jk en
zijn foude, fo fy van defen onaerdigen ende Slangen geflachte nier fo gedreven en netten ko.
— Tt 4 Pl GC ien fy aen
gevexeert en worde: en die felf{ten tot oproer bewegen ; dat fy die onnoofel Scha- diegatge.
te, 1e, . © . _ Rss Mn ARE * En RE 7 Liegen ís
pen,die niemant,ja om een hayr geen fchade begeren te doen,‚ende werden alfo met mente
** en; EN pe 2 N > * ade=
eenen fijnen leugenfack,vol aller grouwelen ende lafters aen den hals gebonden,en sen’
, lijk ding, en=
, Je 5 — nee n af de hyen kan
fonder barmhertigheyt, met lijden,fonder verantw oofdinge, met uytluydinge der de hy en kan
Klocken, uyt Steden Landen ende Dorpen, in die ellende en benautheyt geftoten voreeren ko-
ende gejaegt. Den grimmenden ende gapenden Leeuwen in den mont jagen ende zc. 20,26.
drijven alfo lange dat ſy van het {weet,vyer,water € nde windt verteert worden. Als —
nu dit van die Predikant beftelt ende beſchickt is, die heet ende wert genoemt een ‘hijdig:
fijn Euangelifch Predikant,en een wel gefchickt Leeraer,ende die wel letteren heeft heseniet,
eoeten. Dieik meyne is, dat ſy die mate harer OQuderen ende Voor-Cuderen wel blijven.
Prov. 27.
vervullen, als Chriftus feyt. O Heer , O Lieve Heer,hoe lange fullen noch defe on- Dit den ro-
2 e nen end
menfchelijke tyrannyen,groote ende woefte grou welen dueren ? ——
F T pdf à d 5 B ay i1 ebbers ende dat vreefenden
Aengefien fy dan alle Heeren , Vorften,Regenten ende DeverhenDers, € —
gemeyne volk,met haer verfchrickelijke moortgefchrey ende lafterlijke liegen, foo —
feer ende geheelijk overons verbittert ende ve rhardthebben, dat wy met alle ons kan den
mantel na
k —* * * sti A zh id 20 en \ af die wi
bidden, fmeeken ende kermersonfchuldt, tranen, gedultellende,kruy s,goct,bioet —
ende doot, ſo veel genade noch geleyde niet konnen verkrijgen noch erlangen, dat die ongereg
À * tigheyt op-
wy eenmael tot een openbaer befpreck en by een komft , met onfe mifgunners ko- sucken
—M * id d en
men mochten, als na uyt wijfen des rechrelijken Ampts, en Chrifteli — ——
BS F — * 11 lie is by der
veel billickheyt,redelij kheyt,en befcheydenheyt by de Overigheyt zijn foude, dat ——
ſy beyder foeken aen beyde zijden eerft wel bekenden ende doorfagen, ende niet ſo goet ende
4 vroom Predi-
d ne a AE < ; n des Alderhoog- kant geach
onvoorfichtelijk ende onverdachtelijk in onbekende ſaken, ende in des Og kant geacht
ften Godesrichtftoel haer ſetten, ende tot haer bloet uytvoeren,en de wy altoos om roemt
KEK A AN AL 8 — tramque
fulkeopenbare,orove en botte leugenen, ſo deerlijk gefcholden ende gelaftert wer- ——
He kN} 5 — rs bed En E —— … Ghri um
den „ende die waerheyt fo qualijk verfproken wert by yeder man. So zijn wy ge- Ch *
se sale s. ende onfes foel ftooten,
dreven, beweegt ende veroorſaekt, uyt dwangh des Godlijken woorts,e
ende hem op
. . - | .
ne beftandi- den rechter-
naeften,onfe ontfchuldinge ende verantwoo! dinge ſchrifteli — rey den, rechter
e ende Chriftelijker waerheyt te doen, op dat gelijkewel alfo,nademael men onſe aerhoogften
— = 8 ſetten, heet
mondelijke Leere ende getuy genifle(och lacy)niet hooren * noch es fy Gals
8 pF: recht ende
fo op ons vergramt ende vertoornt ZIjn , ende wy aen dat * * fe gh gerichte za
à GE ; )onfcien en. Wy die.
niet komen en mogen,als men dagelicks fien mag,die Godtvreſen à E * —————
ende herten, die niet geerne wetende ende willens tegen haren Godt handelen en —3
B, ver.oeleert oft ongeleert, overmits men uyt sontcienti
fouden, hy zy dan Over igheyt ofte Borger,geleert oft ong ; YE songianzien
defe onfe bekentenis recht weten mag, hoe dat wy met die voornoe mde grouwelen Godt vreten.
ende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
— — — — ——
—— — — — —— —
* ans E : = nd —
ee AN ——
496 WOO ek NEE DME Yr Nb
endelafteren, fonder alleonfc fchultendeé wetenheyt, van onfe tegen feggers feet
jammerlijk ende deerlijk geſchent, ende belogen worden,ofte by avontueren Godt
gave, dat alfo des Heeren Woortende waerheyt een weynig meerder aen den dag
quame, endeder Geleerden ende Papen bedriegerije, ende verfierde heyligheyt; |
| yederman klaer ende openbaer worde. | |
Eerfame Lefer, wy bidden u ootmoedelijk,om des Heeren wille, dat gy doch met
“_onpartijdifcher herten ende verftant aenmerken wilt ,waerom wy der Predicanten
| namen foo dickwilsende menighmael gedenken, vermanen ende opwerpen, ende
9 (och lacy) weynig tot haren prijs, eere ende fame verhalen mocten. Want dewijle
EEN wy fo openbaer bekennen,dat fy die gene zijn,die om haer onbehoorlijke,fchande-
lijk gewin; ende luye buycks wille, die gantíche wijde Werelt in haer ongelove; af-
IE Mercktdie goderije,en onboetveerdige vleefchelijke leven, fo valfchelijk trooften,ophouden; —4
| oorläkens cnde fo vaft gebonden houden,die reyne klare waerheyt fo bedroeftelicken breken; |
die ons be-
Wefiijven. Ende onder die voeten treden, die afme zielen, die fo diere gekocht zijn , niet met
filver oft verganckelijk gout, maer met des Heeren dierbaren bloet, fo jammerlijck
verworgen, ende om den hals brengen ende moorden: Allen vromen ende Godt-
vrefenden ſo nijdiglijk ende toorniglijk haten, lafteren, beliegen, om haer armoet,
goet ende bloet brengen, dat doch fo wijt ende verre van des Heeren Geeft, aert en
natuere verfcheyden ís, op dat fy by haer fchandelijk en onbehoorlijk gewin; ende
welluftigesydele ende vruchtelofe leven,ongeftraft blijven mogen,mer geen woort
Gods‚geen liefde, lij tfaemheyt;vroomheyt, bloet,en de doot der heyligen, fich vere
manen.leeren, ende waerfchouwen laten, fo eyfcht het doch die hooghfte noot, na- |
melijk, Godseeresende die welvaert ende faligheyt uwer armer zielen,dat wy fulcx |
bie Overig doen moeten. Die almachtige groote Heere is onfe getuyge,dat wy “tanders niet en |
orden meynen,op dat diegene,die redelijk,billik en goet van natueren zijnsnochtans niet |
bekerder _pelkennendefe verholentheyt, oft myfterium der ongerechtigheyt » gelijk Paulus
Babylon -
fcheroeen , Theſ. 2.9 dat noemt ‚dewijle fy noch vleefchende vleefchelijk gefint zijn,ende
dar niee uyt Godr niet geboren en zijn,ende van hare Predicanten opgehouden worden,‚op
ende wat qᷓ datfy door alfulke klare,opgedeckte, openbare aenwijfingen , ende onderrichtin-
vor be _gen,die Predikanten ende Leeraers recht mogen leeren kennen , die fake wat meer
hermen. de verder na denckten, ende alfo haer leelijke, fchandelijke vervoeringe ende
“verleydinge fat ende moede worden. Dat ook alle Heeren, ende Overigheden,die
haer Chrifti Name derven roemen endeaennemen, weten mogen, wat dat doch
voor luyden ende Leeraers zijn, die ons doch dus jammerlijk fchandeliferen, ende
wien fy gelove geven ‚ en met haer fweerden fo trouwelijk hant-houden, voorftaen |
ende befchermen.
Eynde des Voor -redens.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— —
Bekentenis
van de Mun- |
EEN
WEEMOEDIGE ENDE CHRISTELYCKE,
ONTSCHULDINGE.
J eerſten, beklagen ende befchuldigen
fy ons, geven voor ende feggen , wy zijn
Munfterfchen : waerfchouwen alle Menfchen,
dat {y haer van ons wachten fullen , ende een
exempel aen die van Munter nemen.
Antwoordt.
EER Ae felfde ſeer te ſtraffen
p alrecde ban Godt ende
s ban de menſchen geſtraft /
5 ende geoogdeelt zijn / doen
> ende te oogdeelen/ Die nu |
Pp niet geerne: Hoch—
dan faecl / dat fp haren grouwel van herten
bekennen / vechtfchapen ende oprechte vzuch⸗
ten Der Boete Doen / ende Die waerhept /
—* bat Euangelium ín rechter wijſe nas
omen.
Siet / mijn goede Hefer) aldus is mijn
mepninge ende mijn bekenteniffe van die van
Munſter ende oock alle der gene / Die voor
Broeders ende Sufterg ouder ang bekent
ende geljouden Worden / ende zijn Die/ Die
om Der Predicanten valſche Leere / ontepne
kinderdoop / ende achtmacl / met ſoo veel
ende obermate ellende / dzucki ende bangig:
497
Alle die ia
hrifto
wandelen ,
Rtans / alfo Wp van onfe
tegen-partne (fonder alle |
ept) daer mede foo hardt aengevoch⸗
ten / ende befchuldight worden / ſoo willen
hept/ foo hoogh verſocht worden / ende Dez hem na fja
fen haren grondt / als Doop / Nachtmael / ——
ende reyne leere / met een ootmoedige belij⸗
ende daer by
Dinge / ende met een broom / onfteaffelijckt reven, zijn
fterfche
dwalinge
ende Secten. waerh
De plaetſen
ende Steden,
daer ick mij
nen werelt-
hcken dienft
eertijts ge-
hadt hebbe,
fum ende
Pinningum,
ende die
moeten my
des geftant
\ doen, ende
mijn getuy-
gen zijn, en-
de oock
voor mijn
Refignation,
dar ick den
Munfter-
fchen gront
hebbe feer
tegen ge-
ftaen, ende
bevochten.
Matt. 18. 8.
FOL tf. IT:
Rom. 16. 16.
r Tim. 6.6.
TIE ——
2 Joan. t. IO,
Jer. 16.9.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wp fo bele tot onfer aller antfchuldinge daer
toe gefept hebben / als dat wp die Munfter-
íche leere handel ende Wandel / alg name⸗
lijck / ban Yoninclt/ zweert / optacr / Wez
wen / ende Dat uptwendige Aijck Chzriſti op
Aerden / Ec. Loo? een nieuwe Jodendom
ín fich bekennen/ ende Loor een berboeriz
ſche dwalinge / leere ende gruwel Die vezre
van Chriftí Geeſt / Woost ende boozbeelt /
verſcheyden is. Siet / in Chriſto Jeſu wp
en liegen niet. |
Daer beneven/ foo magh ielt oock mijz
nen boet Wel onvertſaeght ende owervaert
Daer bieden ende geben / dat mp niemant
onder Den gantſchen Hemel met der waer: |
hent fal obertupgen/ alg dat ick díe ban,
Munfter , mijn leefdage/ ín díe voornoem⸗
de Articulen bewillight ende geconfenteert |
hebbe. Want ick hebſe ban aenbegín tot
noch tae met gantfchen blijt ende eruſte tez
gen qeftaen ende tegen geſtreden / bepde hep-
melijk ende openbaer / met mont ende met
fchuftea/ ja meer als ban ſeventien Ja⸗
ten herwaerts / foo lange alg ick deg Hee—
ten Woozdt bekent, ende ſijnen Pepligen
Naem (ma mijner zwackhept ende Berio:
gen) geweten / ende gefocht hebbe,
Oock heb ick na mijn kleyne gave / eenen
alle wegen en alle tijdt trouwelijck gewaer—
ſchout / gelijck ick geene Wilde hebben; dat
miju Zielen gefchieden foude. Webbe daeren-
tuſſchen aoctt door des Weeren genade / hulpe
ende kracht / wel etljcken van haer / met des
Heeren woozdt / weder op den techten wegh |
gewefen/ ende gebzacht.
Munfter en beb ick
niet geſien / in haer geweynſehap níet gez
weeft : Derhope oock / Doo? Des Heeren
genade / met foodanigen (faa Daer noch eer
mige zijn mochten) nach te eten / noch te
gelijck map de Schzift leert / het zp
ban mijn leefdage
drincken /
Ken
aengrijpen / den balfchen God
leben beweeren / ende tot fn den doot betup:
gen ende boogftaen.
Maer aile De gene / die dat Krunce Chzi⸗
) des Heeren Woozdt den rugge
hacken bieden / Die wereltlijcke ſief⸗
(hoewel ín eenen goeden fchijn) wederom
tsdienſt ez
Derom tacftaen / ende Daer gemepnfchap mee
hebben / in alle pronckerne ende hooveer⸗
digheyt Wandelen / volſuppen / Wederom
ende de
de
op den rupmen padt ende wegh treden ende
‚gaen (foo ſy alle ſcehoon gedoopt waren / na
Dien fp ín deg Meeren woozt met en blijven)
fo en kennen / oft en zijn fp onfe medege⸗
naoten ende Broeders niet.
Siet/ mijn goede Hefer / Dit is alfao de
waerhent / Bet fal fich ín der ceuwighept al⸗
foo bevinden. Die geleerden mogen fchelz
den/ ende verſieren wat haer luft ende gez
lieft / fp fullen nochtang weten hocwel fn
nu meeten zijn / ende haer woort op Herz
Den gelt/ gelijck De Pſalm getupght/ dat
wp noch ten laetften boor cenen vichter hoz
men ende berfchijnen ſullen / die níet na het
valſch aenklagen ende aenbzengen / niet na
bet geficht Der oogen / oock niet na gonft /
pattpe/ ende aenften der perfoenen / maer
| veen vecht gerichte fal vichten na der waer⸗
pegelijcken voor hare Bwalinge ende geutwel | {
hent.
Maer Willen fp boorwerpen / ende feg-
gen/ dat wy der oorfaken halven oock met de
Munfterfchen moeten een Gemeynte, ende
lijf gerekent zijn , om dat fy ende wy met een-
derley Doop uytwendigh gedoopt zijn. Ant⸗
wnorden Wp: So Die uptwendige Doop
foo bele vermagh / ende is fa machtigh ende
krachtig / Dat fp alle die tot cen gemennte
ende lijf maeckt / ende den eenen in des an:
deren ongerechtighent /boostept / ende ber
derffenis influpten han/ die alleen upt wens
digh met cenerlen Boop gedoopt zijn / foa
mogen onfe adverfarii ende tegen-pactpers
Wrs We
wel
ene broe-
ders.
Die des
ſti ban haet floaten / (gelijck Die van Mun- Heeren
zijn Witmar- derom te flaen / wzaeck / beellzept Der Prou⸗ ter Deden
woort ende
fijnen wegh
verlaten ,
blijven onfe
broeders
iet
Pfal.73. 29.
Plal. r. 6
wel boo haet fien / Waat fp voor een gemepn:
te ende lijf hebben / aengeften het klaer / ende
alle Man kennelijcht is / dat oock Ged-bzez
kers / Daotflagers/ Stratenroobers / Moor⸗
denaers / Bieben/ Coovbenaers / ende ſulc⸗
ke meer / gelijcke Doop ontfangen hebben /
als fp. Zin wp dan Munſterſchen / ende
anderg nergens om/ dan deg Doops hal-
ven / fa moeten fp immer Ged-beeliers /
Dootflagets / Straet-raoberg/ / Moorde⸗
naers / Dieven / ende Sehelmen zijn / aen:
geffen fp met haet eenen Doop ontfangen
hebben / 't is niet te berfalten ende te ber:
loochenen / ja en tegenſprekelijck.
maketvele Ziele / Die daer ſondight / fal ſterben / Ezech.
cenlijf. 18. een pegelijck (fept Paulug) fal fijn enz
gen laft ende mifdact Dragen. Ende of fp
Dan ſeggen wouden / ende voorwerpen / Die
quaetdoenders ende mifdadige worden van
die Overheyt, na uytwy{en ende ordeninge
des rechts, met het Sweert geftraft. nt:
woorzden Wp wederom; Alfea richten ende
dooden oock Wp met dat weert deg Geeſts /
na Godts Oydinantie ende Fnfettinge /
namelijck / met Des Weeren Woozdt / dat
is / op ſonderen ende fchhepden af ban ons
alle die gene / die haer ban Der waerbept af:
heeten / doaz eenige onreyne oft balfche Lee:
te/ oft met een moetwilligh / bleefchelfjck
leven / alg gefent ig.
Somma: wp bekennen / ende betupgen
hier mede / boor Godt / baog u / ende Die gant:
fche Wijde Werelt / alg Dat Wp defe boog:
Nietallee- noemde Munſterſche erreuren / dwalingen /
pr die ende alder-werelt grouwelen/ ende boofe
allerwereie Secten / die met des Weeren Geeft / Woozt /
gruwelen Odꝛdinantie / ende bevel ſtrijden ende vech⸗
endedwa- ten / upt dat binnenfte onſer Zielen Gaten.
verwerpelik. Ende dat Wp voor Godt ín Cheiſto Jeſu
nnderg tet werelt niet ſoecken / noch begee⸗
ten/ Dan Dat Wp die gantfche Werelt (Die
doch ín’t boofe geftelt is) op Ben vechten
wegh wijfen ende brengen magen / ende heel
Ditisdet Sielen met deg Weeren Waart / dooz fijn
sygentlijes hulpe ende kracht/ upt deg Dupbels Nijck
vromen, berſoſſen ende Winnen / ende alfo tot Chei⸗
deanders ſto bzengen mogen. Cen broom ootmoe⸗
wit digh / Godtfalighlijck leven in Chzifto Jeſu
baeten magen / ende Dat wu fijnen grooten /
aenbiddelijcken/ hoogen Naem laven ende
Rom.1.26. dancken eeuwighlijck. Want Wp gelooven
1Cor.6. ende bekkennen baft ende Waerachtigh / dat
—* alle balſche leere / afgodetpe/ Godtlooshent
PR) ende ſonden unt den Dupvel zijn / ende dat
het faon Der ſelben die eeuwige doot ís,
Daerom acbepden Wp met gantſchen vlijt
ende ernſt / ende Wouden fa geerne (Weet
Die almachtige Heere) vroom zijn / ende
Bodt vruchten ende bzeefen. Hoe wel wy
| arme / ellendige menfehen / daerom fo fam:
tigheyt, ye merſjck benaut/ fa klaeghlijck geſchande⸗
zijt gy laligh. liſeert / belogen / geſcholden / ende aen foo
rPet.s. peel plactfeu ende varden fa dzoeffelijek om⸗
gebracht ende beemoart Werden
—
— —
Ee — *
E - Een
— —
Lijdt gy om
de Gerech-
|
|
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Menno Symons Chriftelijcke ontfchuldinge ,
En anderen geven ſy voor: wy willen
de Overigheyt niet gehoorfaem zijn.
Antwoozdt.
At deſe haer beſchuldinge ende bekla⸗
ginge ober ons onrecht ende valſch ís /
betupgen onſe Schziften rickelijck ende o⸗
verbloedigh / die wp boor langen tijt ende
Jaren in drzuck aen Den dagh gegeven heb:
ben. Wp bekennen opentlijck / met bollen
monde / ende hebben 't oock altoos gedaen /
foo langh alg Wp na onſe outfangene / ende
hlepne gabe / Des Heeren Woost bedient
hebben / dat het Ainpt deg Overigheyts ban
Godts Ozdiuantie is / hebben ooch daeren⸗
T
D
Pat fonda-
ment-boeck
ons bericht
van dat ge-
loove des
Konineks
Jofue, ende
onfe verma-
ninge vande
oorfaecke
onfes fchrij-
vens, die be-
tuygen ons
onfe fchult
Och neen / die Schrift fpzeeckt niet / dat wel.
won ak * bert ils — alg |tuffcben haer altoos gehoozſaem geweeſt/ mat: 17.22.
Water / dan doo? eenen Geeft in een Lic⸗ ſoa bet tegen Godt; ende fijn Waart niet Rom. 13. 7.
Nietde _‘haem gedoopt zijn geworden 1 Eoz. 12. 13. geweeſt ig. Begeeren oock Defgelijchen die „y2
— die Sone (ſeght de Pꝛopheet) en ſal niet gantſche Ce ons levens te Doen: want Wp Dat Ampt
des Geeftes, Dragen De mifdact fijng Daders / maer Die zun ou bot ende piomp uiet) oft Wro wer jes Overig:
ten Wel / Wat ons Des Heeren Woozt leert /
ende Daet ban opleght. Cal ende Ebijns
geben wn / gelijck ons EChziftug geleert /
ende ſelfs ooch gegeven heeft / Matt. 17.22.
Doo? Kenſerljcke Majeſtept/ Honingen /
Weeren / Vozſten / ende boog alle Die gene die
m hooge Ampten verlioren ende beroepen
zijn bedden Wp / 1 Tum. 2.2. eeren ende vzre⸗
fen haet / Mam. 13. 1. Nochtans fehzepen
ende voegen fp; Wy willen die Overhey: nier
onderdanigh ende gehoorfaem zijn, op Dat
fa die heeten Der geweldiger berftooren /
ende tot alle ongenade / toozn ende bitter:
heyt / deg te meer ober ong berwecken mo⸗
magen. Dat doch dat bloedigh zweert / Dat
doo? haer aenhouden ín ſommige plactten /
foo ongenadelijckt / ende fonder Larmber:
tigbept ín ong geftelken Wert / ban ong
immer niet afgekeert em Werde) als men
fien magh.
Nengefien fp dan die Overighept / met
al ſulcke openbare ende grove leugens ſſeg⸗
ge ick) altoos onvuftigh maken/ Daeren⸗
bogen tat al het gene wat die Overighept
gebiedt / handelt ende doet / Ga ende Amen
leggen / het accogdeert ende komt ober ecn
met det Scheift oft niet/ Ende alſoo met
haet kittelende ende foete Heere / Dic ſelfde
Zielen ín bevderffenig ende berlieg boeren
ende beengen. Want fp niet haet ſalighept /
maer haer geniet / gonft ende gaven mep:
nen ende begeeven. Doo dringt ong Die lief De
Daer henen / (fiet boor Godt / het ig de
waerhepde) allen hoogen van Staten (die
bp avontueren een pact ende deel geeen recht
ſouden doen / wiften fp hae / fo ſu flecht ce-
ven Ananiam hadden/ Die haer te rechte
weeg) met aller cecbiedinge ootmoedighlijck
upt die Schzift aen te wijfen (nademael dat it
het ban hare Pzediltanten berzwegen ende — ——
geſtolen wert) wat haer in des Leeren Woost ingen wort
bevolen is / hoe fp gefint behooren te zijn / nier bevolen,
@ock hoe fn haer beroepen Ampt / recht- dar fy ee *
ſchapen uptboeren / volbzengen / ende des getinte dik
Weeren prijs ende lof bedienen fullen. is Deuterno:
Aldus fpeeecht Moſes; Wanneer Die mio„atoo
koninck fitten fal op den Stael fijns Ho- fonen al-
ninckrijcks / foe fal bp dit andere gefet ban ren Overig-
Die Priefteren Den Tebiten nemen / ende in heden tor
een Baek ſcheijven laten/-Dat fal bp hem zijn / Beer, ende
ende vermaninge.
Godts Or-
donnantie.
De rechte
ende waer-
achtige Chri-
ftenen, zijn
de Overig-
heyt goet-
willighlijck
gehoorfaem ,
foo verre her
des Heeren
woort lijden
ende dragen
kan.
ende ſal daer in leſen ſijn leefdage / op dat
bp leere vreeſen den Hecre ſijnen Bodt / dat
bp houde alle de Woorden deſes geſets / ende
En Verantwoordinge:
|
fp het t'famen bergeten. Wiebe Heeren merkt
aen/ hoe feer groot / heel ende Dapper / / Mo⸗
ſes / Joſue / David / Ezechias / Hofiag /
deſe rechten / dat hp Daer na doe (merckt Zorobabel / Gc. ín der Schzift gepzeſen ende
met gantſchen vlijt lieve Weeren merckt / gelooft werden / om dat Ip den Heere ſoo
Daer ſtaet Dat hp Daer na dee) Wp ſal fijn
gg heete niet verheffen over fijn Broeders / enz
De fal niet wijchen ban Die geboden / noch;
tet vechter noch ter ſlincker hant / hp fal niet
beel Paerden houden ende hebben / níet beel
Hierleett U Drouwen nemen / fal oockt níet beel Dil:
Jechroo noe verg cnde Goutg vergaderen. Deut. 17-
fallen gefint Dan Die richters / fpzeecht Jethzo aldus tot
zijn, maer Moſen: fict omme onder al den bolchke na
Deut. 17. 21.
3 Reg. 4- 26.
pees tedelijche lieden / die Gode vreeſen / die waer:
nigh. achtigh zijn / der gierighent vpant zijn / Die
fettet ober haet. Exod. 18. 22.
Oock Moſes: Uwe Kichters geboodt
ende beval ick / ende fepde : Berhoort uwen
Molestrou- Droeder (ſpreeckt bp) ende richt gerechtelijk
we verma- tuffchen een pegelijk en uwen Broeder / ende
—— den Breemdelingen/ geen Perſoon en ſult
ters, werdt
aen ons (ley
der) niet be
—— niemants Perſoon ontſien / want dat
gerichts⸗Ampt is Godts. Deut. 1. 16.
Item / Joſaphat de Konincki Guda:
—— Diet toe (ſpzeeclit hp tot fijn Nichters) wat
@rnftige en-
de trouwe
vermanin
Ïs by onfe
Richters al
vergeten.
CH
Menſchen niet / maer den Heere / ende hp
5e is met u mt Gerichte. O een wichtigh ende
Dapper Woozt/ daerom foo lact Die bzcefe
deg Weeren bp u zijn / ende Wacht u ende
doet het / Want bp den Deere onfen Godt cn
is geen onrecht / noch aenfien Der Perſoo⸗
nen/ noch aennemen Der giften/ 2 Par.29. 10.
Item / Paulug: Die Oberſten (fpzeecht
bp) en zijn den genen niet tot bzeefe Die goet
Doen / mat die quaet doen (merckt wel /
gu die deſes Ampts Dienaers zijt.) Maer
en wilt ga die macht niet vzeeſen / fa doet
oet/ ende dan fult qp van haet gepzefen
erden / want fp is Godts dienareſſe u ten
goede; maer doet gp quaet / fo bzeeft : Want
fp het Sweeet niet te vergeefs en draeght /
want fp ig Gods dienareſſe / ende cen Wzeeltz
—— tot ſtraffinge over de gene die quaet doet /
om. 13. 4.
GG Siet / liebe Weeren ende Kichters / Wilt
Fet Amp: QD nu Defe aengetogen / voorbenoemde / en-
desOver. De boorfcheeven Spzeucken Wel ter heeten
den onaden Hemen/ ende vlijtigh overleggen / fo moet
ende boofen,
maer den
goeden; en-
de vromen
te befcher-
tnen.
qp ten cerften mercken / hoe dat u Ampt /
niet uwe / maer Godts Ampt ende dient
is / op dat ge u kupen / boog lijn Majeſtept
vecht meught bupgen / fijnen grooten aen:
biddelijcken Naem Weuchten ende bzeefen /
ende Dat opgelepde Ampt recht ende rede—
lijck bedienen / ende uptvoeren / ende dat gn
níet fa vemmoedigh met uwe aertfch ende
berganchelijcht gewelt / Chriſto den Vorſt al:
ler Doeften / ín fijn Rijck / Gebiedt ende Ju⸗
riſdiction / grijpt ende taſt ende met uwe
pe werelt · pſere Sweerden richtet ende oozdeelt / dat den
lijeke Ore- eeuwigen Gerichte des alderhoogſten Godts
——— alleen toeſtaet ende behoort / alg Daer ſijn gez
Godesrecht loove / ende geloofs falen / alg oock Luthe-
ende Rijcke rus, ende noch meer andere in den begin wel
tegrijpen. gefchzeben hebben / maet alg fb tot hooger
ende grooter ſtaet gekomen zyn / fo heben
|
ge in't Gerichte acnfien/ / Maer fult den |
- hlepnen hooren / als den grooten / ende u,
ge doet / want gp en houdt dat Gericht den
bereelijchk gebzecft / ende fijn gebodt ende
bevel / cacdt / Woot ende Werelt ſoo nmeer⸗
ſtigh ende trouwelijcke bedient hebben. .
| Maer fe gp uw herten boven alle Bergen rFecit po
verheft / ende Witt geenderlepwijs hooren / —— js
‘wat u deg Heeten mondt gebiedt ende ber airersie tu
beelt: Maer Dat u vleeſch raedt ende Dicht. perbos men-
‚iet bekennen, Dat gp deë Weeren Ampt — ——
lunden ende Dienaers zijt: Landt ende Lup: venkes delle:
‘Den ban hem ontfangen hebt / fuit ap fijn de, &c.
ſtraffe nict ontgaen / die u tot fulelse hooge Luc. 1. 48.
| —— Bevelhebbers / Hoofden ende
Negenten geroepen heeft.
NVLicve neemt Het waer / lact het ugefept <
zjn / bp hem ſtaet Creſus ende Brug in ge: ras de
hjcher weerden ende aenfien. Daerom foe arme.
(bzeeft ende beucht uwen Godt upt gant: Joen. 5. 35.
ſcher zielen ban gantſcher herten upt al pan,’ 2%
u krachten / onderſoeckt Die fchzift/ ende *
dencktſe eens nae / hee die groote Heere Die
Stoelen der grootmachtigen / haagl;be- 2 Mac. 5 28.
‘toemden Woningen ende Beeren / gelijck ! Se 35:
Crefus de
stel
{
{
|
j
daer fijn Pharad / Hebucadnezat/ San:
nerib / Autiochus / Saul / Jeroboam /
Achab / Ec. om haer Torannde / Weeet⸗
hent / Hoobeerdigheyt / Taſter / Ongehoor⸗
facembepde/ Afgoderpe / ſonder alle barm⸗
hertighept / in fijnen grimmigen toorn om⸗
geſtort / verdozven / ende gantſch ende al
untgeroept / vernielt / ende gedeſtrucert
heeft / geljyckmen ſulcks in der ſchzift aller
wegen openbaer leſen / fien ende hooren
mag}.
Gen anderen / meught gp upt defe Spzeu⸗
ke mercken ende verſtaen / alg dat gp det
eogfaken halven Lan Godt daer toe veror⸗ Merckt,
dineert / gecoepen ende verkaren zijt / nar waer toe die
melijck / den boofen te ſtraffen / ende den vans
goeden Loor te ſtaen ende te befchermen / beroepen en
tuffchen fatien ende ſaken vecht te richten verkoren is.
ende te oordeelen / ende fult Weduwen ende
Weeſen / ende den Nemen geljateden Vzeem⸗
delincki ende Pelgeim echt doen / ende haer
boor gewelt ende overlaſt befchutten ende
bewaren/ Steden ende Landen met gaes
de Policpe / ende Stadts regiment / die
niet tegen Bodt ende fijn Woozt en zijn /
goede brede ende cufte/ tot Des gemepnen
Volcks oozbaer ende profijt/ Wel ſult rez
ceren. Ende fult Gods heplige Woozt / Har 16.2
(hakt doch die Ziele bp leeft) aem ende agp
Eere / ban gantſcher heeten ſoecken / liefs
hebben / ende in fchgiftmatiger billichhent }
fonder Wloetbergieten ende oproer pzomas
beren / baorftaen / hanthaven ende befchers
men / alfa bele alg ín u ig.
Siet / liebe Heeren / ende KHichters / dit
is dat epgentljcke Ampt / tot welche ga
geroepen zijt. Of gu die ín vechter Wijte
ende vrome nakomt / meught gp een Wepe
nig meer na dencken. My dDuncht met
den hepligen Jeremia dat gp al te famen
(dat Jock gebralten hebt/ ende die feele ín
ſtucken gefcheuct/ Want qu dat dierbaere
Weerde woozdt / Dat gu in tepner Godts
Art a wzeefe
6.
4.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
500 Menno Symons Chriftelijcke ontfchuldinge,
vreeſe ende vrucht foudt billick invoeren / verloochent werden / hoe dat ín onfe Heder:
6 alg een verbannen grouwel / ja alg een fe [landen / Die ontuchtige / ongefchickte ende
nijnige Slange / hatet ende uptſtootet / die onnutte Menſchen / welcke fp Paſtooten/ Pr vrome
3 S
ende God-
he ÀL
openbare balfche WHeevaerg ende Pzople: | Ziel-forgers, Heeren ende Heeracrgnoctmen) roerende
ten / Die de gantſche werelt verlenden / díe | die cen part wel Deen Prouwe ende Maget werden om-
men na uetwiffinge ban Gods Waozt fal (bp D'ander hebben ende fchenden / die voor gebracht,
De Overig- mijden ende fchouwen/ gaen daer bp u ín |De gantfche Werelt / ín allerlen moetwulle/ voor ende
heyemif- grooter eeren ende waerden: ende Die Arme | Godtlooshendt / openbare Wfgoderpe/ Die wrevelaers
bruyckt in
defefzeck Wendige Schapen / die den Heere fa geen | Des Nachts ende Dacghs in een bol bijfter leven in
haer Ampt ende ban gantfchet heeten (ín haer zwacktz
—— bent) vreeſen ende vzuchten / ende niemant
hertigheyt OP Werden cen quaet Woozt toeſpzeken / oft
endetyran- toe wenfchen / om dat fp tegen Gods Woozt
nyefommt- met Doen en dozven / een bzoom boetveer⸗
ger Overig-
'
|
groote vry=
droucken leben zijn/ niet een letter ban Godt
ende Godts woozt vecht bekennen / fo bele
borne Godtvbzeeſende lupden / die boor Godt
ende fijn Gngelen anders niet en foeckten /
Banen rechtſchapen / opvecht ende onſtraf⸗
heden regen Oft leben lenden / Gods Sacramenten vecht | felhekt leben te voeren ende te lepden/ / na
alle vromen. gebeupelten / na untwijſen der Schzift/ Loor | untwijſen Des Heeren woozt / met hact
Filcusee- alle balfche Heere) Secten ende Godttoog ſchandige bercaderpe om haer Kant/ Gere /
nen fchat ,
oftfomme weſen / een dootlicke beven ende schicken | goet ende bloede bzengen / maer Ip (name:
gelts vance- hebben / moeten ter Steden ende Landen ück / Die verraders leven in een goede vrzy⸗
nen Prins. _ pt / ende ap bele plaetfen met Water / oper | Bept ende brede.
Krarium et
ciers ende Sweert / Veroordeelt worden / haer
Aengeſien die Wagen fa onbeſchepden op
Gre.rs. goederen Worden toe gefchzeben Den Fiſco / | Die eene zijde flaet / ende gp gelijchkewel ban
| Godt verkoren ende geozdineert zijt / dat ga
ſonder eenigh aenfien der perfoonen vecht,
pheten woozdts / haerder Wader ſchult niet richten fult/ ende ſult alte ellendige bekame
Dragen fullen (foo de Dader ſchult hadde, | Merde vzeemdelingen ende bzonien ban die
| hant deg Derdzuckerg ende overlaſters bere
loſſen / Bidden Wp u al t'famen ootmoede⸗
fonder genaden haer onnofcle onſchuldige kin:
deren / die billickt na untwijſinge des Pzo⸗
als fn voorgeben) ſtootmen nacckt ende bloot
ter Deuren uut / ende moeten alfo haecder
bramen. Ouderen ſueren zwaren ende groo⸗
ten arbent / ſulckie onbarmhertige / gierige /
ende bloetdorſtige roobers ín De handen la:
ten.
pat fweert O qe Liese Geeren ende Kichters / heet
der Overig. dit Den goeden beſchermen / ende den Boo⸗
heden raft ſen ſtraffen / tuſſchen ſaecke ende ſaeck vecht
nutertijde richten / den Weduwen / Weeſen en Pzeem⸗
dengenen delingen recht doen / gelijck de Schrift leert /
die {y billiek ende u Berocpinge ende Ampt mee brenght /
befehermen Willen wp u felfg vichten ende oorzdeelen la⸗
enbefchut- ten/ Och neen / liebe Heeren / neen / Qeemt
tenlouden. Die facche Wel waer / het Spel is gantſch
Jer2.zr. Òe tfamen omgekeert ende verandert /
Ezech. 2. 3. ende het Geet nia / den goeden ſtraffen / ende
* 3,3 Den baofen ende quaden boosftaen ende bez
Eads dn feheemen. Taut men fiet het Dagelijchs /
EGi.r.rs. dat t ſo toegact/ gelijck als Die Propheten
Exod. aart alder wegen klagen : Eed⸗bzekers / woechtez
Venise naers / Gods-lafteraers/ leugenaers / Gee
Sach. .3. Driegers/ hoeren / boeben / Ec. zijn in geen
2542 perüijckel ende noot des doots / maer Die den
— Heere liefhebben ende vreeſen / moeten peder
mans roof zijn. Siet (ſpreeckt de Propheet)
díe Vorſten in Iſraẽl / een pegelick is mach⸗
tigh bp uw Bloedt te ſtozten / Dader ende
Moeder bevrachten zy / Den veeemdelingen
Doen ſy gewelt ende onrecht den Wedu—
wen ende Weeſen bezwaren zy / Ezech. 22.
Heeft die Pzophetiſche ſchriften ende merclit |
met blijt daer op/ fa fult gu bebinden/ Goe,
ſeer ende dootlijck die Heylige ende trouwe
Mannen Gades / over gelijckte quaet ende
hebben.
|
licht / alg onfe alderlieffte Weeren ende Obe⸗
righeden / om des geens wille / Die u tot dez
fen hoogen Ampt ende dienſt verlioren enBe : Pet. 2. 14.
beroepen heeft; dat gp doch alſulcke wacede
ende nijdige Menſchen / Die na untwiſen —
Petri miet dan tot verderven ende wozgen ick gehaet
geboren zijn / díe ong altoog ende aller we⸗ werden, ziin
gen/ fo heymelijck ende openbaer (Dat het —
te befilagen is) alſo verachtelijck vermaken / geck,
datnien ong hooren noch fien cn magh /
deo? haer bitter tieren ende valſch aenkla⸗
gen: haer niet en Wilt gelooven / fo lange fx
ans In onfe tegenwoozdighept ende pzreſen⸗
tie met Dee Waerhept hiet overtupgen (Dat
fp doch nimmermeer Doen en ſullen / Weten
wp gewis) Dat fo tot foe groeten fchade ende
fchande ban fo belen bzomen ende Godbzee⸗
fende KRinderen / fo onberfaeght ende onbe⸗
ſchaemt / Dagelijckg ban haren flocl Der
Peſtilentien ende befpotterpen / boor alle
Menſchen afroepen ende haaren laten. Lie⸗
be Weeren / vrucht ende bzeeft Godt van her: De Overig-
ten / gelooft fijn waerachtigh Woort / ende BAE ee
handelt ende doet vecht / bidden Wp u om fijnen Gode
Jeſus wille. onderdanig »
Ten derden / teert ende merckt gp oock Lim
unt Defe voornoemde en boogberoerde Spzeu⸗
ken / Dat gn / hoewel qu geweldige en mach⸗
tíge op Werden beroepen zijt / nochtang niet
na uwe moetwille meught voortharen / maer
qa moet uwen Heere ende Godt / alg uwen
Schepper / Verloſſer en Salighmaker / van
heeten liefhebben / ende hem als u Hooft /
noat/ dick wilg ende menighmael gedzepght koninck / Pozſt ende Kichter beeefen / ende
gehoozſaem zijn: ín fijn Woozt u ſteedts ende
Ick meyne Ende of gp nu Wel deſe onfe Vermanin⸗ altoos beneerſtigen / ende beblijtigen u; bas
ditvandie ge gan klennòee weerden acht ende houdt /| ben u Onderdanen ende Bzochers níet Gers
heffen ende opblafen/ ende van Des Heeren
lartden , daer
Gpdarxeyne (0 (Get machhcans die vaſte ende Ware Waer:
Euangelium hendt / Die Wp Gier aentelienen ende aentwij-
nochniet ſen / ende maet qa immers in uwer heeten
ontfangen
|
‚wegen en Geboden níet wijcken u leefdage /
gelijck alg gefent is. Vooztaen / lieve Weez
en hebben. Delteunen/ ende toeftaen. Want 't is open⸗ ven / merclit doch met blijt en ernſt aen / na:
baer ende klaer boor aogen/. ende fan niet. demael gn uw Ehziften beroemt / Dat qu oock
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
met
En Verantwoordinge. sor
ie uyt- met het werlt/Dact en waerheyt Cheiſten zijn Chꝛiſtum Jeſum / dat or Dien met blije fult 35.
Beremenien, WIC Water) Broodt/ Wijn ende Naem | horen / ende van gantſcher heeten geloven/er- Ea 42 1
ende die be- Maken geen Chꝛiſten / maer die unt Bodt gez | De ſult hem trouwelijck volgen. Want hp ig Man 3 v
4
€
ete bogen zijn / Yaan. 1. 3. Die Bodtlijker accdt | Die Pzopheet van Gode belooft Deut. 18. 18.
oen vene ende natueren zón / 2. Pet. 14. Die als Chꝛri⸗ Die Leeraer bau Godt gefonden/ Loan. 3.
Chiitten _ flUB gefint zijn/ Philip. 2. 5. Die ban deg Dat licht deg Werelts / Goan. 8. Die rechte
maken. —_ Heeren Geeft gedzenen Worden / Wam.-8. 14. Herder onfer zielen Yaan. ro. Al Wie hem
Nadefen Die haer booſe quade ende verdorven vleeſch hoozt/ gelooft / volght / die heeft Dat eeuüwige
dageleks krunſen / Gal. 5.24 Die naden leven) Goan. 3. |
moetfich Geeſt /ende niet nae Den vleeſche leven) Vom. |_ Hp toept tot Kepſer / Koninck / endetat peren regel
eenyeder 8.2. Die niet boben Gods Wobozt lief hebhen/ [pedet-man ; Een zu dat gu u omtieert / ende is zenerael
fchicken J
3. Mat. o0. 37. Cudefijnen naeſten liefhebben | wozt alg kinderen/ foo en ſult gu (nt Hemel oe,
densdie A18 haer feloen/ datt. 7. 12. Die een onftraf: | cijck niet komen) Matth. 18. wie mp Galgen mach daer
voor Godt felijck / afgeſtorven / ootmoedigh / pzoom leben | Wil / oft mie een waerachtigh Chziſten zijn van noch
— OEE Tebben lenden ende beeren. Dhilí. 1.2. 3. 4. Mie | wil / die neme fijn keeps op hem / ende volge tgn:
—— goctwilligh in Die voetſlappen Chrziſti wan⸗ mp na / Matth. 16. Wie wat liever heeft Dan uyrzeromen
Delen/ / Matt. 16.24. 1. Pet. 2. my / die magh mijn Diſcipel niet zijn/ Tuc. 14. werden.
Ende die omgekeerde veranderde / nieuwe | ende íe en is mijner nict weerdigh / Matth.
Pienae IWenfchen ende Creatueren ín Chrifto ziju, | zo. ende Diergelijche fpzeuchen meer.
\ den vleefche cocmt Godts Waadt Cheiſtenen te zijn. Mön Heeren / waeckt op / ende icert hem
| — vans Wiebe heeren / neemt het cer herten / van | kennen / hp was de Sane deg Alderhoogſten |
Chrifenen. hooveerdige / bleefchelijchke/ Ged-beehinge / Godts / de Heere aller Heeren / ende De Ko⸗
Hoerachtige / dronken en prachtige) onrecht⸗ ninck aller Koningen) Gods eeuwige kracht / |
veerdige / Afgodiſche ende bloetgierige EC hzí- | Voogt ende wijstept : War hu bier op Verz IN
ſtenen / Werdt in Die Bpbelſche Schzift niet |Den booz pracht / gemackelijcke Dagen ende IE
gebonden / noch geleſen: Dan Dat haer Deel | Welluft gehad heeft leert ons Die Schrift wel. ij
een eeuwigh ſchrenen / knerſſinge der canden/| In fijn geboorte hadde hp geen ſtede oft zieve ree-
dunſterniſſe / vier Pelle) Doat ende Bupvel | plaetfe in der Werbergh/ Kuc.2. &. Au zijn ren, mereke
zijn fal: Waer Deel fal zijn in Den vierigen Peedikatie en heeft bp uiet gehadt / Daer bn en Deere
Hoel / díe ban peck ende folfer bzanden fat / (fijn hooft op cuften ſaude / Luc 9.59. Het im ende exem-
Pipac. 1. Matt. 8. 13. 15. Mom. 1. 1. Coz. 6. | vijden binnen Jernſalem Was miet mee beel — gie
Gal. 5. Epheſ. 5. 2. Ehef.r.Apac.21.22. Paerden / Trawanten / ende Nimteren maer jer Konin
Wietse Heeren / fiet vooz u / endelact u niet met eenen ongeachten Eſel/ Matth.21. 7. gen hier na
2. Par. 19. 8. Tanger berlepden/ Want bp Godt is geen aen: Ho hadde oock in fijn ſterven niet / noch ri f
—— fien Der Perſonen / leert Die gantfche Schzift. Water nach Wijn / Waer mede bp fijn heete kans din —
Gal.s.ig. Vet gelde hier eeuwigh met alle Engelen te hadde laven mogen / Matt. 27. Waerom is eenen ruy-
) Eph.s.6. Tegen ín deg Wemelg Chraan/ ofte eeuwigh | dat gefchtet? vp Dat Wp een enchel bol Wels mer ende
Col.3.6. mee alle Dupvelen te ſterven in Der Hellen luſtigh leben fauden fepden? Och neen / dan wils vern
gꝛont. Want het moet al nae Chꝛiſti Geeft / | daerom is 't gefchiet (fet Petrus)dat Wp Det leeren, dan
Gal.s.6. _ Vaogbeelt ende Woozt / geoozdeelt ende gerigt fonden fullen ſterben / ende Der gevechtighept ons Jetùs
7 , f 274 * « N DS at p Chriftus ge-
61]. zijn. Wie in Chꝛiſto is / is een nieuwe Crea⸗ leven 1. Pete. 4. 3- Vom. 6.7: 2. Cim 2. 11. roeren
tuete/ 1, Co? 5. 16. Ende Wie Daer fent/ dat | Col. 3.5. —*
Du in CGzifto blijft (hp zu dan lienſer oft Yo) Stet qy lieve Heeren / ſiet: Dit is Dat Hof⸗ heeftdar zijn
ninck) die moet Wandelen als ha gewandelt gebzupek / dat Die hemelſche Vozſt Cheifiug ome Aan.
heeft/ 1. Gaan. 2. 6. Jeſus fijnen gantichen Hofgeſinde / name⸗ chriften.
Wiee Weeren) Dit is Gods woozt / Dit is iijck / allen Chrziſtenen / hier op Werden nae⸗
die prijs ende Die boorgeſtelde mate / Daer gn | gelaten ende geleert heeft. O ſmalle wegh /
Aldein ende Wp nae jagen ende laopen moeten. Al D enge poozte / hoe wepnigh zijnder die hem
Chrifto wie heur nae defe mate níet en ſchickt / jaeght Linden / noch beele weyniger dre hem wandez
wandelt, ende loopt / Dat en magh geen Chziſten zijn. | len / Matth. 7.15. Tuc. 13,22.
—— Serj. Daerom onderſoelt uwe Leeraers weljende | Dit ſchzve ende vermane ick dacrom / dat
frusdatis merekt vljtigh ende met ernſt / of fp u oock | Die Bozſten / Wegenten ende Hecren / fullen
eenrecht op deſen engen wegh wijfen. Gelt vermoede opficht hebben / ende mercken / Dat ſy ban
Chriſten. wel / Dat fp u niet Dan enckel bacde peeditten/u | haer Predikanten jammerlijk bedragen wer⸗
Die kuffens ende dorzpeulens wel facht op: | den / dewijle fia foo fachte ende ſoete dingen
fchudden ende herepden/ u Hooſſche ende prediken ende een foo cupmen wegh leeren / —
Uonincklijcke Sloten / gebzunck ende manie: | dact ons des Heeren mont een fo engen Weg) oe reen, —
re/alg dauſſen / ſpringen / vzouweeren / ſteken / | wijfet : Bidde hier met allen Beeren/Dozften/ wavia, Nac
bzekten / dobbelen / fpelen / tunſſchen / bzaſſen Honingen ende KHichters / ſeer ootmaedigh / vriende
ende ſuppen / niet feev ende hardt ſtraffen. Waer fn oock zijn mogen / om dat Loode ende drafie ms.
zeg, Somma, dat gp die muer timmeren fult / | precteufe Bloet onfes Beeren Jeſu hꝛiſti / datlalmy
Ex.n3.r0. ende ſu fullenfe bewerpen ende aenftijckten | Waet mee wp beſpzenght zijn / Dat Gp het mp zijn de bef
olie, dewelc-
met valſchen katck/ gelijk die Schrift klaegt | acme elende ende berachte man Doch ten minnen
Ezech. 13.22. beften houden wilt / dat icl mijn hert gzonde⸗ hoofde niet
Maer won, lieve Heeren en Doen faa niet / lijcke liefde foo trouwelheli aen u beweſen en taclgeer:
| maer wijſen ende leeren u den vechten wegh / | hebbe : Want ick ſoude foo geerne Bat aider: rt”
die qp wandelen moet / fa qu ſaligh begeert te | befte aen u acme zielen ſien. Mijn vermanin⸗ arase is be
zijn. Wa wijfen u niet op Paus oft Luther / | ge is gemepn/ ende noeme geen namen : Wie ——
Matt.17.e. niet op Auguſtinum oft Pieronpmum/maer ſchuldigh ig Die betere hem / ende Wie onſchul⸗ ——
Marc. 9.6. an wijfen u mbt der gantſcher Schzift op digh is / Die — hem. Godt zele Prov. 27. 5.
— getupge
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ee ee
—
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
3197 B 28
502
Menno Symons Chriſtelijcke ontſchuldinge,
Gy zijt
getupge / bat ick anderg niet en begeere/ dan, Volck Gods / Ja tot cen Gemeynte / Nijck / (fer Petrus)
Dat gp al te famen ín Die kracht ende daet zijn | Erve / Lijf / ende chgendom deg Deedeg bez
een uytver-
meught / dat gp van pderman gepzefen Wert/ | roepen zijn / ſoo en begeeren Wp deſen vreede koren ge-
namelijck / Edele Weeren / ende Chziftelijche | niet te bzelken/ / maer door fijn ſtercke kracht ——
Ovberighept / dat op tuſſchen ons ende onſe met welcker hyſons tot deſer genaden ende re priefter-
Namen
fonderdaet, tegenpaztpe (welck zijn Bie Geleerden) on- | Deel beroepen heeft / ín die veefchenen Genade £chap.
is niet dan
guychelye ,
endeeenen
valfchen
toer.
ſche leugen cenmacl mach onder ende te níct
gaen / ende Dat Die onberbalfchte waerbhent | fijn fcheede ſteken.
paztijdigh ſtaen Wilt/ gelijcht uwen dienſt ende Vzeede / onveranderlijck ende fonder —
behoort / op Dat die verlepdiſche ende toober⸗ aenſtoot / te wandelen tot in den doot.
Oze, 2. 21e
Ro. 9: 33-
Petro wort gêfent / Ip ſoude fijn fweert ín maer. 26. 61.
Allen Chꝛriſtenen ig be⸗ Ioa. 18.1e-
Die foo veel hondert Jaren / foo ſeer uptlan⸗ bolen/ fp ſullen haer bpanden liefhebben /
diſch ende in exilium gerelegeert was / weder⸗ goet doen / Die haer quaet doen / Ende boog
om aen fijn plaetfe kamen. Gp liebe Heeren / | die geent bidden Die hacr lijden aendoen ende
Gods woort is De waerhent / hebtſe lief om: | verbolgen Matth. 5.12. Ben Mantel ge⸗ De reche
halftfe ende kuftfe / want haer rijckdommen | ven/ wanneer den Äoclt genomen wozt/ En: Chritten
zijn onmatelijck/ haer fchoonbept wonder: | de díe ander hinnebackt geben ende bieden /
wert alle
wrakc af
lick / haer beucht dierbaerlijck / ende haet | wanneer díe eene geflagen wert / cte. Seght gefey:.
kracht is dat eeuwige leben/ Goan. 17.
doch liebe / Waer falbhem cen Chriſten / alg Ro, 12-19-
wzalie Doen / oprocren / krygen / houwen) » Pen + Te
En derden; foo feggen fy : wy zijn op= | flaen /Wozgen / moozden / rupten / rooven /
roerders ‚ wy willen Steden ende Landen | bzanden/fteden ende landen inncmen/met Det
innemen , foo wy flechts geweldt hadden.
Antwoozdt.
D Eſe Propbectje ig valſch / ſy ſal valſch men geſtelt ende gehecht / weer het / hem ig 't
bebonden wozden ín eeuwighent / fp fal | alleen openbaer ende bekent / dat onſe herten
Schrift konnen voorzſtaen ende beweerren.
Die groote Heere / Die wende ong geſcha⸗
pen heeft / Die heeft Dat midden ín onfe licha⸗
Oproer, is
ooclt daoz deg Weeren genade/Doog Die bepꝛoe⸗ ende Ganden / van alle oproer moordelijcke een vrucht
binge leeren ende mede bzengen / gelijck Die | mupterpe/ vepn ende ben zijn / fuìlen dock vry des vleefchs
ende duy-
gene Díe dít aldug pzopheteren / nae Tupdt ‘zijn ende blijven dooz fijn genade in der eeu⸗
Moſes woot upt Godt niet en zijn / Deut. wighept: Want tvp bekennen Dat waerach⸗
18. Trouwe Hefer / vaet vecht dat ich fchrij-, tígh/Dat oproer upt den vleeſch ende Dupvel
is /
be ende mepne.
Die fchzift leert ons/datter twee contrarie Epbef. 5.5.1. Joan. 3.8 Apo. 21. 8.22. 16.
Voꝛſten zijn / ende oock twee contractie Nijc⸗
Yom. 1.30. 1. Cop. 6.11. Galat. 5.20.
De wape
nen der
Och lichte Leſer / onfe geweer ende wape⸗
ken. Die een Vorſt / ig díe Dart deg bzedeg : | nen zijn niet ſweerden / ſpieſſen / maer verdul⸗ Chriftenen
ende Die ander / die Borftdeg ontdzedes. Een dighept / Luc. 21. 18. fwijgen ende hoopen / zijn geette-
peder Vorſt heeft fijn bpfonder epgen Kijck /
&fai. zo. 7. ende Godtg moogt; Epbef. 6. 17. Hee 4.
ende gelijck die Dorft is / fo íg oock fijn Nijck. Hebz 4. 12. Hier met moeten Wp onfen fwa:
Mercktwat ie Dorft deg bredes ig Chriſtus Jeſus
hiervan Hebz.7. Efa. 9. Dijn KNijck is dat Hijcht deg
Chriftosende bredes / welch is fijn Gemepnte/ Cfa, 5.
van fijn rijck
gefeyt wort
Dan. 2.7. Luc. r. Sijn bodem / zijn Die bo⸗ machtigt boo
cen ſtrijt behouden / ende Den kamp uptboe⸗
cen ; Want die wapenen onfeg Bidder{clhaps
(fpzeecht Paulug) fijn niet bleefchelijck mact
Godt / Ec. Daer mede begee⸗
cen Wp deg Dupvelg rijck aen teftonmen/ Pie Puyvel
denckt Efa. s2. Kom. ro. Sijn 4
——— ak, is ii deg vredes; “goan. 14 7 6. } ende niet met ſweerden / ſpieſſen / gefchut / 3* *
ende Ore 20. Ende fijn lijf is dat lijf deg bzedeg/ Col.3. | ende pantfier : Want hp acht pfer alg ſtroo / mogen met
Schrift. Sijn kinderen! zijn Dat zaet Des vzedes ende metacl els verrot hout / Gob. 41. 27. ———
ach.8. Ende fijn Erf ende loon / ig dat | Opdat wp alſo met onſen Porſt / Leeraer / en werder.
Erf ende loon deg bzedes / Sap. 3. 15. Som⸗ [ende boorganger Chziſto Jeſu / den Dader
ma/’tís onder defen Uoninck / ende ín dit | magen verwecken tegen fijnen Soon / ende
Arijckende vegiment/enchel bzede/al \atmen | den Soon tegen fijnen Dader / Matt. 10.21.
ſiet / hoozt / handele/ ende toeftact. Luc. 12. 53. Ende Die ſtoute ende haoghmoe⸗
Aengeſien wp dan dat Dreden-rijk woort / dige herten die haer fo bermetelijlt verheffen /
namelijck / dat trooſt · rijcke Euangelium | ende opheffen tegen die bekenteniſſe Godts /
fijns bredeg / upt den lieflijcken mont fijner | gevangen mogen nemen / in die gehoorſaem⸗
Ro.1o.rs. Wze-boden gehoort hebben / foa heben wp | bept Cheiſti / 2. Coz. ro. 6,
EG.52.7. Dat felfde ooc(t Doo? fijn genade alfoo gelooft | Siet / mijn Hefer / alſulcken oproer ſoecken —
ende met breeden aengenomen / ende hebben | ende maken wp / ende geen oproer des goetg opbinenens
ong den eenigen / eeuwigen ende waerachtí- | ende bloets / fn Der eeuwighent. Fa foo onfet ;s ongunft
Eaig6 Gen Vzeden vorſt / Cheiſto Sefu/ ín fijn | oock ſoo beele waren / alg Dat grag op ben op fich laden
Lac.â7. WDreden-rijkt ende heerfchapppe begeben ende | belde / ende Dat zant bp der Zeef dat doch ges Hee-
zijn alfo door die gave fijns Pepligen Geeſts / niet gefchieden en fal / nademael dat het gez re woort.
Doo? middel deg geloofg ín dat Lijf fijns loove niet alte mans Dingen zp / 2. Chef. 3. *
bredes ingelijft / ende wachten nu voortaen Och dat Die weg fo fial is / ende díe poozte
a
met alle Sinderen fijns Pzedes op dat beloof: | enge is Matt. 7.13. 4- Ed. 7. 7. Kuc. 13. 22.
De Erf ende loon des Dredeg.
Pademael dat ons arme elendige Son:
dacrs cen foo feet overmaten ende groote
genade van Godt verſchenen is / dat wp díe
eectijtg geen Volck en waren / ende ban gee:
nen Brede en wiften / nu tot een fo heerlijken
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Die wacrachtige Chriſtenen kennen noch
en weten ban geen Wzacck / men leef met
haer hoemen tuil / ín Wfdefaembjept beficten fp
haer zielen / Luc. 21. 18. Ende brelsen haren
bzede níet / want fp oock al met banden / phni⸗
gen / armoet / daer tac oock met (weert ende
vier
En Verantwoordinge. 503
Diewrake biet berſocht worden. 2 ſchreyen oft roepen, de moogden is fijn eygentliche gert / konft/ van fijnen
ger Chrite- geen wzake wgalte / als bie werelt doet maer, gebaupel/ Werelt ende Wijfe Foan. 8. 44. Rrickege-
lick te bid. ÎP fuchten ende bidden met Enzifta Jeſu / Dijn geboden / ende Icecingen /2. Cor. 11. 5. —
den eea Dader vergeeft het haer / want fp weten niet, ende fijn Rijche, Wijf ende Gemepute, Baek
gie paer leet wat fp doen / Wuc. 23, 33, Actor 7. 59. |3ijn ban gelijcher aect/ 1. Goan. 3. Hier bes Pelagius
Sn hebben na uatwijfen deg Pzopheets / hoeften niet veel Schrifts: Sien ende hGoo- en
haer weerden tot ploegh-pfeven / ende haer ten / ende die Dagelijchtche erperientie ende ——
ſpieſſen tot ſickelen gemacht: Sp ſitten on⸗ bepzoebinge / betupgen die waerheyt wel. met werett-
ber haren Pijghboom ende Wijnſtock Chri- _ Onfe tegenpartpe verſieren / Dichten ende lick zwe s
fla / ende weten niet meer ban hrijgen; Eſai. feggen : Wy willen oproer maken, ° welch moeite.
2, 4e Mich. 4. 3. wp nimmermeer gedacht hebben. Maer
pen foeckken ugelt/ goet verderf noch Wa feggen / ende dat met Die Wacre
bloet níet / maer fp forclten Die eere ende prijg hepdt / Dat fp ende hact Voo baders /
haers Godts / ende bie ſalighept uwer zie⸗ ober dunſent Baren ſeifs geweeft zijn /
len: Sp zijn Die kinderen Des bzedes / haer t geene fp den beomen wilen obertupgen.
heeten obervloepen ín Die vzeede / haer mont | Men onderfoehe Die Hiſtorien, fo falmen van
fipzeecitt ban bzeede / ende wandelen op Den ſulcks Wel een bericht binden. Alle die haer
wegh) Des vredes: fp zijn ban bupten ende [tegen haer ſchande / oneere ende Doen ſette—
binnen bol bede ; faekken/ begeeren / ende kene den / die moeſtent bekopen. Mack noch foo.
nen niet Dan breede : ende ſtaen bereyt / landt / Want / Wat fa noch binnen kozte Karen /
goet / leben / ende al te verlaten om Die bzcede: met ſchrijven / leeren ende roepen / Hebben
Want fn zijn dat Rijck / Bolcii/ Gemepnte / te wege gebracht / ende uptgericht / betun-
Stadt / engendom ende Vijf deg bzedeg alg gen Dieden ende Handen wel. Poe fijn
gehoozt ís. hebben fn Die geweldigen ende machtigen
ickgetuy- -· ¶ Icſt arme ellendige Man / (lieve Hefer) aen Den anderen gevoert : Ende hebben —9
— * neemt het ten beſten Dat ick geſchzeven hebbe tot haer gefepdt : Nademael dat haer: het
———— ontrent ſeventien jaren lauck fn mijner ſwectt gegeben ig / magen fh oock deg
die Heere) ſwackhendt | des Weeren woozdt gebzeeſt / Hecren Woozdt / met deer vupſt wel vooz⸗ Died.
maer tot … Ende mijnen Haeften gedient / ende hebbe ftaen/ tot Dat fn ín ’t fpel gekomen ziju / den zijn des
ots PES, onberdzooten (weet Die Heere) in foo veel ende hebben Dae menſcheſjck bloet alg onfchutdi-
dat gy weten 4 À ed
heuse. dat EHlenden/bangighept/dgeeffeniffe/fmerte ende, Water bergooten / ende hebben malkanderen 3°- bloets
wy geen op- moepte/fijn fmacthept ende keups gedragen / het herre upt Den lijf gereten / Hoeren ende —
—*— verhoope het oock dooz fijn genade te dragen, Sachen / Weduwen ende Weeſen ſonder
oeeken, mijn teefdage ende ſijn henlige waerde getal gemaeckt Den armen onfthuldigen
Woozdt / wille / ende Ozdonnantie/ met. Borger ende Hupſman opgegeten / uptgez
mont / fchziften/ leven ende doodt / ineen tooft/ becbzant/ Steden ende Landen ver⸗
goede Confcientie te betungen / foobeel alg woeſt / ſomma fo gemaccht / oft fijn leefdacgh /
ín mp is / ende ſoude dan noch in mijn herte noch Pzopheet / noch Chriſtus / noch %pa
een onruſtigh / oproerigh weaeclgierigh ende ſtel / noch Godts Woozdt op Aerden geweeſt vrachten
bloedigh moozdenaer zn / daer fal die Alder⸗ en Ware, Hoehtang. willen fp acn atten des Godtlo.
hoogſte ſijnen armen dienaer voor bewaren. zyden / Die heplige Chrifichjehe RKercke en krighs.
Blal.43. 2. Item / in Brabant, Vlaenderen, V rieſlant, Gemepnte ende Lijf Eheiftiheeten. 6 Wiee ——
Rom.ö _endeGelderlant, worden die Godtuzeefende Heere/ hoe klaeghljck ende janumnerlijch fenijn.
Een recht brome herten / alg die onnooſele fchapen/ daz werdt met u Dele waerde Woordt geſpot /
endewaer- gelijlis op Die flachtbanclt gelept met grooter ende met u heerlijck werck begeckt / vecht of
acheigh _ farer Cpzannpe onmenſchelijck gemareeliz u krachtigh Godtlijck doen / ín uwer Were
is een onver- Îeert/ haer herten zijn bol Geeſts ende kracht / ken niet meet en is / Dan leeſen / roepen /
winnelijcke haet monden blieten gelijck Die Water water / bzoodt / Wijn ende naem / ende dact chin:
en belen: haer vruchten vupchen gelijck die met optoeren/ rijgen / rooben / moorden / Rijck en
Keyferoft heplige Olpe ſalf: haer Heere is krachtigh / ende alle Dupvelſche wercken bap ffaen, kevcaltule
Koninck. ende haer leven ig onſtraffelijck: Wepfer noch | Wiebe Hefer / fiet op ende mercht / ende teert var ais hen
pAn” Konineli / oper noch fweert/ leben noch doot / doch Dit vijclt ende lijf eenmacl recht befken- voor ge-
diekent een Machfe affclhzicken ofte affchepden ban) nen. Want foo fp in deſe geftalte/ oft met kbd
techtChri- Deg Weeten woordt / ende Baer Geerten | defe gebeupelie ende handelinge Cheiſti Lrijc:
fen. fouden als noch met bitterheydt / opvoer / He ende Lijf zijn / alg Die geleerden trooſten /
wraek / roof; haet / ende bloet beefteicht zijn | ſo moefte Chziſti heplige / heerlheke Rick/
Och fo waerder Beel te vergeefs geleden. Kerche/ Gemepnte ende Tijf cen onmen—
Och neen / wijn Leſer / meen / leert bekken: ſchelijlie / wzeet / oproerigh / bloedig / roverigh /
nen wat een vecht Chꝛiſten is / upt Wien hp raſerigh / onbarmhertig/ ende onrechtveerdg
geboten is / hoe hp geaert ende genatuert is/ | volck zijn / is ontegen-fpzekelijck, O verdoe⸗
wat fijn epgentlijcke voozneemen / foec: | melijcke dwalinge Ô dupſter blinthent.
Yen ende doen is / ende gu fuit vinden dat) Ende dat en is noch niet genoegh / dat fn
fp níet oproerders , moordenaers , ende roo- | Met haet lichtveerdige / vocchtelaofe leere /
versen zijn, gelijch Die Geleerden fchelden : {Die gantſche Werelt ín 't verderf ende ber:
h Maer een Godtvzeefend / broom, vreedt⸗ dziet voeren / ende haer epgen lidtmaten ene
| mier merke ſamigh bolck / als die Schzift leert. lijf ende metgenooten/ foo deerlijchten ende fo en, aie uy:
doch , wat Die tweede Borft/ is die Vozſt der dup⸗ belilaeghljcken om lant / lupden / Welvaert / der Predi-
vanden ſterniſſen / namelijck / Antichziſtus / ende | leben / leere / goet bloet / lijf ende zielen bzen- Kanten Lee
j;
— Die Sathanas: Defe Vozſt / is een Vorſt alles gen / noch fo moeten ſy daer en boven oock men enae
fen, cade ongelijchg oproers / ende deg bloets raſen ene | met Baer raſernne / in dat onnofele/ beeetſame vycſpruyten.
ende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— — —
ee,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
504
ende demoedige rijck ende lijf Cheiſti grij⸗
pen / dat Doch niet een menſch op aerden in is / fo ist / datt
| haet onder malfsanderen oock Godtlijck lief⸗
Dat aldecklepnfte miſgunt ende fchadelijck
(8/ liegen / laſteren / schelden / vezraden /
ende oproeren fonder/ ophouden / datmen
met den hepligen Petro ſeggen moet / alg
Dat fp tot worgen ende verderven gebooren
zijn / Want haet herten / monden ende
eni Dzuppen / ende zijn nat van het
laet.
Och hoe vecht heeftfe die heylige Geeft in
Apocalipſu afgemaclt/ daer hp fpzeeclit :
at Wijf was dzonchen ban dat bloedt
et hepligen / ende van dat Bloedt Der gez
tupgen Jeſu / Apoc. 13. Voozt / dat bloedt
der Propheeten ende hepligen is ín haer gez
banden / ende aller dee genet / die op aerden
een oorfaek. gedoopt zijn / Vpoc. 18.
Siet mijn goede Hefer / aldug merckt an /
Dat fs ín haet epgen zweert ballen / dat ſp
op ong gewet ende gefcherpt hebben / als
Die Pzopheet fendt: Want wp mogen Met
beper Confcientien Loor Den dagh treden
ende komen (díe Weere fp
ende danck) ende met Der. waerhept - bez
houden / dat wp Lan Die tijt onſer belsen:
teniffeaen / tot op defer uren tae / niemant
gekrencht noch deet gedaen Gebben / niez
‚‚, mandts goederen begeert) veel Wepniget
“aengetaft ofte gerooft hebben/ niemandes
berderben gefocht/ niemandts bloet / noch
met raedt oft daet geftozt hebben / oock doo?
Godts genade / ninnmermeer doen fullen.
Maer wat fp met Waer oproeriſche fchelden /
Tiegen / afteren / fchrepen/ ſcheijven / oft
verraden gedaen hebben / ende nach doen /
willen Wp Den Heere ende fijn gerichte
bevolen hebben.
Die Barmhertige genadige Meere gunne
ende gebe wende haer / dat gh eenmael meugt
leeren Keunen welckerlep Geefts ende
Ahcks kinderen dat ghy zijt / Wat ahp
foeckt/ wat Vozſt dat gu dient / Wat Lee⸗
re Dat qu drijft wat Sacramenten dat ap
gebzuycſit wat bauehten Dat AP doct / Wat
Ichen Dat gp tepde ende voert / ende in
wat Wijck / Lijf ende Gemepnte gp bes
greepen ende ingelijft zijt / wenfchen wy
u ban gantfchet heeten.
zijn lieve Leeſer / defe onfe korte aentwij:
finge / van defe twee Doyften ende haer Kijc⸗
Ken / Denckt blijjtigh na/ ende het fal u dooz
Deg Weeren genade) geen kleyn berftant/ende
licht in die Schzift beengen.
En vierden, dichten ende feggen haerder
fommige, endegeven voor : dat wy onfe
goederen gemeyn hebben.
Antwoozdt.
Dt befchuïdinge is balfch/ ende fonz
der alle waerhendt. Die gemenfchap
Der goeden Teeven ende gebzuncken wp
niet / maer
Deg Weeren Woozdt / Dat
wa leeren ende betupgen met
, alle waerachti⸗
ge Chꝛriſtgeloovige eens lijfs leden zijn / door
cenen Geeft / ín cen Lichaem gedoopt zijn /
1. Cor. 12. 13. Eens brzoots deelachtigh zijn /
1. Co? ro. 18. Genen God ende eenen Heere
hebben / Epheſ. 4.
Menno Symons Chriſtelijcke ontſchuldinge,
eeuwigh lof
rooft zijn / ende noch dagelijcks —
ende
Aengeſien fn dan alſoo een zijn / als gefept Die rechte
Chꝛiſtelijck ende billijck/ dat ſy neet:
hebben / ende Dat het een lidt ſorge boog Dat ——
ander drage / want bende Die ſchzift ende Die ————
natuere leecen foo. Bie gantſche ſchrift kent”
ſpreeckt ban barmhertighept ende liefde / men eenen
ende is Dat eenige teken / bp welck men eenen ——
vechten Eheiſten hennen fal/ geljck Die Dee: zerserje-
ve fpzeecht: Baer bp faleen pegeltjck belen: wenitte Daer
nen / dat ge mijn Diſcipulen zijt / (Dat is / by ——
dat gp mijn Cheiſtenen zijt) fao gp malkan- ——
deren lief hebt / Ioan. 13. liefde be-
Lieve Hefer Get en is / geen wijſe noch kent, dat
gebzupek / alg Dat cen Die Rloeck ende ers BY Here
ſtandigh is / die helfte fijng lichaemg met 1aren heeft»
kleedinge ende kaft beſorght / ende laet Die ide vr
ander helft noodtdzuft igh ende naccht. Och ea raren.
neen / die redelijclie ende vernuftige natucte voor die
beſorght al fijn leden. Alſo moet het oock onz Broeders
Der Die gene toegaen / Die Deg Weeren Hrerche "JOP 3 7"
ende Lijf zn. Al die upt Bodt geboren fijn /
met deg Heeren geeft befchenckt ende begaeft
zijn/ ende ín een Lijf Der liefden in Chziſto
Jeſu geroepen zijn nader Schrift / die flacn
dooz Die liefde bevept / om haren naeften te
Dienen / níet alleen met gelt ende goet / maer
oockt na Den Eremplaer ende voozbeeldt
haerg Weeren ende Hoofts Jeſu Chaifti/
Euangelifcher wijfermet Doot ende Bloet.
Sp bewijfen Barmhertighendt ende lief: —
de/ foo veel algin haer ig. Splaten geenen “°°”
Bedelaer onder haer zpn. Sp nemen haer
det hepligen noodtdzuft aen. Sp ontfangen
Die cllendigen. Sn lepden die Deeemdes
lingen ín haet hupfen. Sp trooften Den bez
droefden. Sp leenen Den behoeftigen. Sy
kleeden den naeckten. Sp bzeeckten den hon
gerigen haer bzoodt. Ap keeren haer aenge⸗
fichten niet van Die Armen / ende fp verach⸗
ten haer gebzechelijke leden ende vleeſch niet.
Eſai. 85. 8.
Diet alfoo een gemepnfchag Teeven top :
Ende niet) dat die een des anderen landt ,
fant ende goederen innemen ende belitten {al ,
als wy ban beelen gelaftert / geſcholden ende
belagen werden. Aldus fpzeeckt Montes :
Als een ban uwen lieven Bzoederen arm
is / ín eenigen den Steden van uwen Lanz
De / dan en fult gp u herte nier verherden / Dieze
noch u handt toe houden / tegen uwen at: —
men Bzoeder Deut. 15.7. U bzoodt (ſpzeekt tigen Chri-
Cobiag) bzecht ende deelt Den hongerigen) lenen iede
ende bedecht Die naeckten met u kleederen / vernûie lief:
Tob. 45. Zijt barmhertigh (fpzcecht Chri⸗ de. 2 Cor. 6
ſtus) gelijck u Dader barmhertigh ig / Luce
6. 36. Daligh zijn Die barmhertige / Want
fp fullen bacmbeetighept verlieijgen. Matt.
3. 7. Creckt aen (fept Paulus) alg Die unt⸗
beekkoren Godts hepligen ende beminde / een
hertelijch ontfarmen. Colof: 3. 12. Want die
barmbertighepdt beroemt haer tegen dat
Ooꝛdeel. Gac. 2.13. Matt. 18. 33.
Hoch eeng/ defe Liefde / Bacmbertighept Mart 25. 52°
ende gemepnſchap / leeren ende gebzupehien /
ende hebbenfe oock van 17. Garen af in
fulcke forme ende wijſe geleert / ende ger
brunckt / den Weere zu eeuwigh danck /
dat hoewel onfe goederen cen groot deel gez
Die ge-
— —
En Verantwoordinge. | sos
ende genoten orden / menigh broom God: honger ende noot lijden / ende fa beel oude
bzeefende Wader ende Mocder met per / bedaeghde / gebzechelijchie/ tamme, blinde
Water / zweert omgebzaght werden / ende ende ſcerige lieden / beneber der Deuren haer
bzoodt foechen.
Jamor fui, Wp geen ſeker ende bepe Steden houden
etenimfer- mogen gelijckmen fien magh: daer toe oock
hers Diere ende ſcherpe Laren zijn / nochtang
teliëtum nec qeen vzome / noch eenige van det vrzomen
femenejus nagelaten kinderen / die haer fchiclten wil⸗
en Pe Jen onder ons / gebedelt hebben. Heet Dit
pal. 37.25. Wiet Chꝛiſtelijck handelen ende recht doen /
3 Reg 17.6. foo mogen Wp dat gantfche Euangelium
ons Veeren Jeſu Ehufti / fijn Heplige
Sacramenten / ende Cheiſtelijcken NRaem
wel liggen laten / ende ſeggen / dat fiefden-
richie Barmhertige leven alter Bepligen /
Hoe Teeraers / Leeraers? Ga lieve Beez
vacrg/ waer is dach de kracht uws Euau—
geliums / dat gp predickt? Wacris dal Sie gigrißca-
gnificatum uws Abvontinatis Dat gp unt- tem dar ís
Deelt Waer ig de vrucht uws Gteſts die gp
e, beduy⸗
ontfangen hebt? Ende de gerechtigheyt uws denis.
geloofs / die gp fo heerlijckt/ ende ſchoon
voo? dat arme / Demme ende plompe bolck: /
blanchet / ende proucken hondt? Is't nict Der Preti-
t
wat an voorſtaen en beweeren wilt? Schaemt o
ſamen hupchelpe al wat op predichtt ende al ee ü Lee
enckel Fantaſien ende Doomen zijn. Och ‚u doch uws rupmen Cuangeliums lichtbeer⸗ —
Weeden Meen/ God ig de liefde / wie in De liefde blijft / digen pzꝛediliens/ ende bzucijteloofen Wzoade OA
genen, die Die blijft ín Gad ende God blijft in hem /
beelkeng/ Die gp in folange Jaren met fo beel
vruchten.
krachts met uwen Guangcito/ieere ende Dar
en Jaan. 4
Bet noet Dit ſchrijf icl onſen Achterklapperen tot cramenten hebt megen aentichten/ Dat guu
quaet hee-_befchhaemthept/ om dat fp daag haer nijdige nootdzuftige / ellendige leden van Det ſtraten
hebt honnen afpzediken / hoewel de Schzift
* bitterhept / fo ſeer verblint zijn/ Dat fp haer
US miet en fchamen fo oneerlijcken te laſteren /
tighept / ende hefde leeren; ende met onfen
ſueren zweetigen achent / den Godtvreeſen⸗
Den armen Dienen / ende niet geeen Wilden
bonger ende kommer lijden laten / nochtans
moeten Wup hooten/ wy hebben de goede-
ren gemeyn, een peder hoede ende wachte
fich Loor ong : want wy willen met onſe han-
den in ander lieden kiften ende taffchen zijn.
O daer fp fo Wel weten / datter gefchzehen
ſtaet / Daer ſal een oopdeel gacn fonder
Barmhertighept / over Die gene/ Die geen
Barmhertighept gedaen hebben. Pac. 2.
nde dat Die / Die fijnen bzoeder niet lief enn
beeft / m den doot blijft / 1 Gean. 3. Oock
met hare oogen fien dat Wp alle dagen onſe
{
fog openbaerljcken leert ende fpzeecht : Wie
ende dat goet fa booſelhck in't quaet te {de goederen deſer Werelt heeft / ende fiet fij-
veranderen ende verkeeren. Want om Dat nen Broeder gebrech hebben / ende flipt ſijn 1 Joen. 3.
wp met der gantfcher Schrift, barmher⸗ | herte toe hoe han dan Gods hefde by hem Peut 15:
zijn? Oock Moſes. Daer en ſal geenfiug
eenige Gedelacr onder u zijn.
Siet mijn goede Hefer, aldus ig defe hacr De gerieym
beſchuldinge / in Den gront valſch ende on- fchap der
goederen is
vecht / gelijck ooch Die andere zijn: Want geringe on-
hoewel top weten/ Dat die Apoſtoliſche Uerc⸗ der gegaen,
ke ban begin ſulcks ín ’t gebrupck gehadt mast de oor-
faeck waer
beeft; alg men in het Werck dee Apoſtelen en meln
fien magh: So mercken Wp noch upt haer den haer
bzieven / Dat ſulcks m haren tijden ander ge ———
gaen / ende (bp abontueren niet ſonder ooge
ſaelt) in't gebzupkk níet langer gebleven en ig.
Nademael wp het dan bp den Apoſtelen Waer geen
níet beftendigh bebinden / alg gefent is / foo gebreck en
is, daer be-
laten Wp het alfoo oock geet zijn / ende heb⸗·
epgen goederen / am dat getupgeniffe Jeſu ben nopt de Gemepnichag der goederen gez geen ze-
Cijnftij ende onſer EConfcientien / fa goet⸗ leert noch gebzupekt / maer Wp vermanen veyntchap
Cr
wilfigblijch tot eenen taof fledten ende geven. | met ganſcher eenft ende vlijt / tot bandt- De gemeya
Och mijn Hefer / het fal u Ziele wel gez
reyckinge / liefde ende barmhertigheht / gez ſchaß ware
Wie de ief raden zijn / dat gp eenmael toe faegt/ ende lijck ong de Apoſtoliſche Schuften/ Dat wel recht,
de haet ende ict qantfcher blijt leerdet hennen u Preedi⸗
—— kanten: want Wat ſullen fp u Doch goets
goets leeren, leeren / daer fp geen Barmhertighept lijden
noch dragen en konnen à
Is het niet een verdzietelijcke ende ontijz
delijclie hupchelpe / Dat die arme lieden ſich
beroemen / fp hebben Gods Woost / fp zijn
Die rechte Gemeynte / ende Die Chziſtelijcke
Werchte / ende mercken niet / Dat fp dat teecz
ken deg vechten Chriſtendoms geheel berz
loten Gebben: want hoewel fp in alten din:
Wiede rey- geu De volhent Gebben / ende fa beef mede:
ne Chrifte-_genaoten in fo grooten overbloet met Zijde
lijke helde ende Fluweel / Gout / Silver / ín alleelep
heeft, dieen pꝛacht ende hoogmoet daer benen gaen /
hee: Chri haet hupfen in aller fchoonbept oppzonchen
ende opſchicken / kiſten ende kaffen bal heb⸗
foo toont en· Ben / in alle weelden ende welluſtighent ende
—— goede vzede leven: laten nochtans haer ar⸗
Merckt on. Me ellendige lidtmaten / hoewel fp haers gez
fec tegen-
overvloedighlijchken teeven ende betupgen. bren”
Siet ín Chriſto ton ſpztken u De waerbept / worde, ende
ende en liegen niet. wad mans
Ende of wpa alſchoon die gemeonfchap rechts daer
alfa leerden ende gebzupehkten / gelijcft alg uyt en qua-
wp belogen Wozden/ fo deden Wp noch niet PE:
anders / dan De Peplige Apoftelen val met jes
den Hepligen Geeft! iu Die lieffijchte voorige Duyvels
Gemepnte te Jeruſalem ín ’c begin der Wepe Kloeckheyde
liger Ehufteljcher Mercken, ſelſs gedaen reyar re be-
hebben / hoewel nagelaten / als geſept is. _ letten.
Maer De oogfaecht/ waerom onfe tegens
pattpe ſulcks voorgeeft moghtmen Wel gez
ringe ende Gaeft raden. Want dickwils haer
heeten met gierighept doorzdzeben zijn / alg
Petrus fept / (ende oock wel weten / dat
alle haer teerlingen op luft det oogen / gelt
ende goedt gefint zijn :) want fa gieten al /
(ſpreecktt De Pzopheet) klepn ende graot /
keeren ende Wenden fp ſulcks voo? / op dat
loof qgenooten zíjn / ende eenderlen BE alfa dat waerde Euangelium / De reyne
poryenon- met haer ontfangen hebben / ende eens waerhept ons Weeren Jeſu Cizifti / Die
armhertig-
heytende” bzoodts declachtigh zijn / bp groote hoopen nu aen belen plaetſen (Godt fp eeuwigh
grootegie- bedelen gaen / een part foo zwaren armoet /
tigheyt.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
pꝛijs) heerlijcken voozt breeckt alle man
SNſ cenen
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
en
506
Menno Symons Chriftelijcke ontſchuldinge,
tenen boofen ende quaden ſtanck ende geouz | kennen / ende Iet fal ooclt Door des Heeten
wel zijn. Diet alfa ig der flangen kouft ende [genade / allee bzomen herten geondt blijven
kloeckheyt.
— Mijn Leſer / wacht u / dat u alfulclte
leugen en de Teugen-fpzekerg niet verleyden. Adam ende
leugenfpre- Gha hebben Den teugenaer gelooft / ende
gere isde _pebhen daer mede fa jammerlijcken tegen ha⸗
Wercinser. ten Godt gefondight: Iſraeki is door de val:
voert. ſche Propheten ellendighlijck bedrogen ; ende
wat goets fp in Dat nieuwe Teftament aen?
gericht hebben / ende noch aencichten / bez
tupgen haere openbare daden / ende vzuchten
wel.
J En vijfſten, dichten haerder ſommige:
wy hebben veel vrouwen, wy gebruyc-
ken onfe Vrouwen oock wel in’t gemeyn.
Seggen tot malkanderen: Sufter, mijn geeft
begeert u vlee{ch.
Antwoozdt.
S Oo veel Der Pzouwen veelhendt aengact /
feggen Wp: De ſcheift Wijft aen /-Dat De
Daders / voor de Wet een Deel veel Pzou⸗
ín Der ecuwigheyt / men liege ende laſtere
hoe men Wil. Want wp Weten ende belien:
nen waerachtigh / dat het alfoo deg Deer
ven Chꝛiſti uptgedzuckte Ozdinantie / bes
bel/ fin ende onberanderlijck heldere ende
klave woozt ís.
Macr ſoo wijt ende verre De fchandelijckte
ontucht aengaet : alg Dat wp onfe Drouwen
fouden in't gemepn gebzuycken / Ec. Ante
woorden wp met Salomon / datmen billijck
ſulcke onnutte Dotten niet fal antwmoogden
op haer ſothept / op datmen haer niet gelijck
en worzde: Pochtang fo moetmen fulcks
doen/ op dat fp haer niet laten dunchien /
dat fp wijs zijn / ende recht hebben) Pzob. 2ó.
Wiebe Hefer / ick ſchame mn van herten
feer / dat ickt alſulcken Geebloeckten Hoeren-
handel ende Boevenſtucken / voor den vzo⸗ Haet ende
men fchaem-achtige ooren verhalen moet : —
want fp niet alleen De Schrift / maer ooclt geen teugen.
alle natuerlijchte vedelijchhept / vernuft ende
cerbaerhent foo fcer en tegen zijn. Maer dez
wen gehadt hebben: Fact gelijckewel heb⸗ wijle men ong bier mede niet allcen tot oneer⸗
ben fp niet eenevlep vzphept gebzupelit / in
Voer chri. de Wer / ende boor De Wet. Want Aba:
fum hadden ham / die boor de Wet was / hadde fijn ep:
de Vaderen men Sufter tet een Prouwe / gelijck hp felfs
che fchalclten ende boeven maeckt / mact
oock tot openbare Wanden ende Verckens /
ende het fomtijden den beomen dcughtſame
heeten / die liever den doot tienmael fouden
vineye veel Betupght boor Abimelegh den Koninck /| flecben (fa het mogelijck ware) dan ſulcks
vrouwen te
nemen.
ende fpzeeckt ſy is waerachtigh mijn Suſter: te doen / eenmael gedencken ſouden / ban
Vryheyt des Bant fp is mijug Vaders Dochter / ende | ſommige onbeleefde lafter-moanden/ fo oncer⸗
‘Echten ftaets
voordewer niet miner Moeders Dachter, Genef. zo. lijck in hacer acngefichten geſpogen werden ;
endenade Farob hadde twee Sufteven gelijk ter Echt / So ig het immer billijck / onſe eere endeigoe⸗ ren goede
wet ‚ was
niet eener-
ley.
namelijck / Lia / emde Kachel /
ende Jacobs
Echt wert in
engen Suſteren / ende twee Suſteren / gez
dewerna. lick ter echt te hebben / was Iſraẽl in de
derhant ver- Met Daet na ernſtelijck verboden / Lev. 18.
— Aengeſien dan cen pder tijt fijn epgen
beent ende gebzruyck gehadt heeft na Der
ſcheift ende Wp nu ín Defen tijt / name:
lijch / m’t nieuwe Ceſtament / met der Echt
niet op De venhept ende gebzuyck der Dader
ren boor de Wet / oock niet op De vzphept
ende gebzupek Dec Daderen in De Wet /
maet op’t beginfel der Creatutren / namez
Chritus lijck op dam ende Eva ban den Heere
wijftons. felfg (welclt woort Wp van herten begees
meerder Echt ven oehoorſaem te zíjn) geweten wozden /
REEN fo leeren / gebeunchen/ ende bewilligen wy
oock geen ander / Dan van't beginfel in
Adam ende Eva begonnen ig / namelijckt /
een Man / ende een Vzouwe / gelicht ong des
Heeren mondt verozdineert heeft / Mat. 19.
Gen Man (feggen Wp) ende een Dzou:
we: ende níet cen Man / ende 2. oft 3. oft 4.
Pzouwen / ende Die boo? een gerelkent / gez
jl ong fullis aen bele plactfen (lepder Godt)
perche de, (Onder alie waerhept wozdt opgeleght. Deſe
srumen twee / namelijca / deſe eene Jan) ende deſe
Teftaments gene Vrouwe / een vleeſch / ende Dat fn ban
iseenMan _Defen ende van malkanderen niet ſchepden
Vrouwe. ende eenen anderen trouwen mogen / het fp
Dan om overſpel / alg de Deere ſelfs ſpreeckt/
Mat.5. 19. Marc. ro. Luc. 16.
fijng Moeders Broeders Dochteren / Ben. ſtelijcker Wijfe ende waerhepdt / deg da
Abrahams 22, Deſe tweederlen vrpheden / namelijck / [Heeren prijs / een Wepnigh te berdedigen ore rijck-
Labans | de namen hier ín met goeden befchent / Chrie naem (feyt
erde
ende te ontfchuldigen ende den Godtloofen dommen.
laſter ban onfen aengefichte af te wijfen / fo Prov-22-
geel alg in ong ís.
Wp getupgen hier mede / nu ende ín der
eeuwighent / hier ende boog dat gerichte on-
fes Godts / dat Wp met den Engel der Be- icoraïren,
mepnten ban Epbefo/ de wercken det Ni- van Nicolao
colaïten haten, Die oock Bodt haet / Apoc. * Diaken,
2. Wp leeren upt deg Weeren mont / fo Wie serruyeicen-
eeng anderen vzouwe aenfiet ende begeertfe / de na uyt-
die heeft den Echt ín fijner herten gebzo- —2* der
ken/ Matth. capit. 5. Ende met Paulo jaer vrou-
Dat de Oberfpeelderg ende Brouwen-fchenz wen in ’t ge-
ders / dat Ahcke Godts niet be-erben noch meya.
befitten en fullen/ 1 Coz. cap. 6. Gal. cap.
5. Eph. 5.
Nademael Wp dan fo grondelijckt ban
alfulchg unt der Schꝛeift bericht binden /
ende Dat ſelfſte Door des Weeren genade /
níet alleen alfo gelooven maer oock met oor
kracht deg Godtlijcken woozts / ander lup- ende onge-
Den leeren / ende inbeelden: Daer tae oaclt witte Con-
noch alle dagen / op bangen / banden / Gientie kan
krups ende doot wachten: Bp dien ende iruys niet
beven / bp feffen oft feben aen flaken ge- drager.
bonden werden / verwozght / berbzant / ín t
water geftooten/ ende fonder alle barm-
hertighent omgebracht / ‘ende vermoort
werden : ende ſouden dan noch met alfuic-
he verſchrzickelijcke grouwelen / ende hant-
Siet / dít ig aldug onfe epgeutlijke gront /| fche ſchanden omgaen/ voor welcker hem
leere ende gebzupek van den Echten ſtaet / een natuerlijck menſche moet ontfetten /
gelijchk wy hier met De Peplige Schzift beende met foa Leel opentlijjche ſpzeucken /
ten
\
Rom. ten eenigen daat ende tot dat ceuwige
1Cor.6. onuptbluſſchelijcke Helſche vper / na die
Boes ſchꝛift / al veroogdeelc zijn: ch wat war
Hebr.r3. ren Wp Dan ellendige menſchen. ’t Splafter
Apoc.ar. ende fchande. Jeen / neen / Wp verhopen /
nwe Dat top door deg Heeren barmhertighent
leden na onfe ontfangen gave ín onfer zwackhept /
(fpreeckt _onfe lfclhamen ende leden tot eenen Cempel
Paulus) ist ende woonffadt den hepligen Geeft begeven
fizijn? ou hebben: Dg hopen ooch met Deg Heeten
de ick nude hulpe ende genade / niet wederom met Noe⸗
bemeten pen ende Boeven (veeftaet / Die haer niet en
menende beheeren) te beefamelen onfe leef dage.
hoeren lidt · ¶ Maer hoe dat defe onfe laſteraers ende
maten gar, ſmaetſprekers geſint zijn/ Waer in dat fp
dat fy verre. haet lichamen ende lidematen ingelijft heb⸗
ben / ende van Wat Geeft fp gedzeven Wertz
Den / betupgen defe hare onverdzaegelijche
leugens ende lafterlijke woorden wel. Want
En Verantwoordinge. $07
lende en fietmen níet der ontuchtiger wijve
ſingen / ſprzingen / drinelien / krioelen / ende
onbetamelijcke gebaerden ín ftegen ende ſtra⸗
ten? Woonen fp niet in Dteden ende Lan-
‚Den in t openbaer boog alte menfchen? Gu
‚moet fa feggen/ ende niet berloochenen,
Ende alle Defe zijn uwes geloofs geonaten :
deden uwes lijfs: onde koornen uwes bzoots.
O hkrachtelooſe leere ende geloobe. @ vzuch⸗
telooſe Doop ende Qachtmael. @ onrepn
|Lijfende Gemepnte.
Siet / mijn goede Leſer / zijt gp ban vez
delijclier aert / fa moet qp hier bekennen /
Dat onfe fchant fpzeechers het ſelfs zijn / dat
{p den bzomen Willen opleggen. Dein befent/
‘Wacht u/ Dat gp u met alfulcke derbloeck
te Wafter-fpzeechers aen den Godebzeefen:
‚Den niet en bergrijpt. Wie hem tot quaet
ſpzeecken ende hoeren Went/ (frpt Spzach)
npt obetbloedighepdt deg herten (fpzeecht betert hem fijn leefdage niet: Want de wije
Chꝛiſtus) fpzeecht de mondt / Hat. 2. Een
peder Boom draeght na fijner gert Hat. 7.
DesMans Alſoo De man is / foo is oock fijn Woost
woortisfij. figzeecht Seneca. Ga fo defe onnutte men-
———— ſchen Chriſtenen waren / ende ſlechts een
die vruchten Woozdelten van Des Heeren woort / ende cen
— klenn vonckrken van ſijnen hepligen Geeft
fuleke bege. hadden / gelijck alg fp haer beroemen wilz
kersgeen len / fouden fp níet eenmael ſulcke verſchzic⸗
Shriſtenen lielijcke ſchanden over haren naeſten dence
— en te laten / Die den Heere (geljck ſy voor
gegen fien) fo hertelijſen ſoecken ende vzuch⸗
ten / ick zwijge begecken ende na ſpzeken. |
ô Onbeleefde ſchandt · vleckers / (ich mep:
ne al die / Die aen Defe leelijche fchanden!
fchuït hebben/ ) mepnt gp / dat wp een Dom
oubernuftigh Geeft zijn? Ende dat Wp geen
vedelijchhepdt ín ens behouden hebben?
Schaemt u doch een Wepnigh ban uwer
onmenſchelijcke leugen / ende laſter ſpreken.
Wp maeten onfchuldigh dit oneerlijck ge-
ruchte / ende Die fchandelijcke name Dagen /
ende uwer beel zijn / Die in't werckſteken.
Schrijf ickt onrecht / fo ſtraft mp.
Pet is immer openbaer / ende magh niet
verloochent worden / hoe dat bele ban Die
mede-genooten uwes geloofs / haet engen
lidtmaten ſeer jammerlijch in Dem Drecht
ftaaten ; Want tp met haer behendige fchhalk-
bepdt/ fchoon-fpzehten / beloften ende qa-
Godt filde Ven / foo menigen jonge Maeght / die ín
7 335* eenen Doop) Geloove/ Wvontmael/ Ge-
brekersver. Mepnte ende lijf / met haer begrepen ffaen /
doemen. tot hoeren / ende tot haet voet · fletten maec-
Hebr.13. ken: Woe menigh eerlijjck mang hedde be-
ſmet / erde dochters gefchent à {Joe menigh
ſchandelijck Overſpeelder wert in u Bzoe⸗
Derfchap bebonden? Woe menigh onnoofel
herte Wert 'er onder u bedrogen? Ende hoe
menigh onrecht kint geboren Weet dat niet
vecht fijns Suſters bleefclhh begeeren / ende
ander lieden brouwen met haer mannen
men oordeelen laten.
le wp alle grouwelen haten / Die tegen Gods
woort zyn / ende Die felfde niet alleen met
Der Heere ftraffen / maer oock met onfen
bloede/ (alg men fien magh) hae beel te
meet Dan deſe? Want fp uiet alleen tegen
Godts woozt / maer oock tegen alle vedez
lijchhept ende beenuft is. O liebe Heere /
aldus macten fp gefcholden Warden, die u-
wen Hepligen Hame fo hertelijcken prijfen /
op uwe Wegen Wandelen / goet ende bloet
vooz u Heplige Woozt fetten.
T En ſeſten, dichten ſy, ende geven voor ,
fo een na de ontfangen bekenteniffe ende
Doop weder in fijn fonden valt, dat wy als
dan den felfften alle boete ende genade wey-
geren ende af{laen.
Antwoozdt.
D Eſe beſchuldinge ſoude den moetwilli⸗
gen Wel een ſchoon aozfaeck zijn / om
de waerhendt te berbolgen/ als fn flechts
waerachtigh ware: Maer nu ig fa ín dens
gront balfch ende onrecht als oock de an:
dere zijn / ende fal met der Wacrhepdt nim:
mermeer bewefcn worden.
Nengefien Wp dan hier mee aldug bela:
gen Wozden / ende oock: bp abantueren onz
Der Den vzamen ende Godevzeefenden zijn
mochten / Die Defe ſaecken mechten onere
varen zijn / Wil ick hier mijnen grondt ende
bekenteniſſe ban De gert cude onderſchent
det ſonden / welcke Dat bergebinge hebben /
ende welcke niet / ſimpeltjck upt Des Weeren
Woozdt aenwijſen: ende alfaa den vromen
ende Godtvruchtigen Leſer / om dat ſeifſte
op bet vlijtighſte na te denckten/ aent gez
richt ende oozdeel ſtellen.
De Schrift fpzeecht (na mijn beeftant )
ban beelderlep acrt Der fanden. De eerfte
Eccl. as.
De dert der
ondden is
veelderley ,
aett ig / Die verdorven fondelijche natuere / ende de eer
zouu namelijck / De luft oft Dat begeeren onſes Le is de ert
gemepn hebben / willen Wp U ende alle vzo. bleefcheg tegen De Wet Bodtg/ endetegen °**-
Die aenbanckelijcke gerechtighept / die van
Lieve Hefer / oozdeelt recht / ende bekent Den berdozben fondelijcken Ndam op aile ſijn
De waerhent. Want ís uwe Gemepnte niet nakomelingen ende kinderen met der ge⸗
Fleeren en- Bol wet alfulcke openbare tupſſchers / PBrou⸗ boozten gererſt is: ende Wert niet onbil⸗
de Boeven wen · ſchenders / Gedebzekters / Hoeren ende lick Die Erfſonde genoemt. Dan deſe fan:
zijnoockder &
Predikanten Boeben? Zijn Daer niet andere / Die open- De fpreecht Vavid Pfal. 51. alfo: fiet
Chriftenen. baer LPocten-Gupfen ophouden? Hooztinen ick ben upt fondelijcken zade geboren / ende
| SIT:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
- tuijjn
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
508 Menno Symons Chriſtelijcke ontfchuldinge,
mijn Moeder Geeft mp in ſonden ontfan⸗de Llinthept haerder berdorbener natue⸗
F ten / 's Als ren: Dat ren De leelickhent der fonden níet bekennen /
opfet des Menſchelijcken herten ig boos daer toe oock veel ban haer fonden Laog
ban der Jeught op / Genef. 8. Item Pau⸗ geen fonden oògdeelen oft houden en kan:
lus ; Ap waren oock Lan natueren kinderen |nen: Want haer Die ſonde / Door De Wet
deg toozns / gelijch eden — — niet geopent eu is / om Dat fp níet gez
Wy wer- a mijn Hefer / dewijle wy alle met DiE|looben.
denalin J— ſo tastte wp oockalle| Maer Die wederom ban boven geboren
— im den doot gebleven hebben/ fa ong Chri⸗ zijn Die fchroomen haer boog alle fonden :
ſtus Jeſus met fijn gevechtighept / voorbid⸗ Want ſy bekennen / dooz die Wet, dat al
Den / Woot ende Bloedt/ ban Bodt onfen | wat tegen Die aenvanchelijcke gerechtighept
Hemelfchen Bader / tot een verſoeninge niet | 18 / fonde ig/ Get is Dan inwendigh / oft
gefchonchen ware Pom. 5. 8. Maer nu untwendigh / klepn oft groot / ende det
wert ſp om Chzifti wille / tot ſonde niet gez | balven ſtrjden fv dageljcks in den Geeft
velkent / Lom. 3.5/ 6/8. ende gelaobe/ met haer zwaclie bleefch /
Dietweede De tweede aert / zijn De vruchten van ſuchten / kermen / ende klagen altoos over Rom.7.
— ——— deſe eerſte ſonde: ende Werden niet met onz | haer mifgeijpingen / welcke ſp / met den Hep⸗
des vleefchs. recht werckielijcke fonde (by den Geleerden) ligen Paute / van gantfcher herten haten / zn
aenaemt : ende zijn deſe / namelijck: Mhaer: ende niet bewilligen oft confenteeren ; want —
ſpel / hoererpe / gierighept / braſſen / ſun⸗ ſu bekennen / (ſegge iek) dat ſy tegen Die gen⸗ epe
pen / haet / nijdt / liegen / dieberpe/ mooz⸗ vanckelijcke gevechtighept ende Gods Wer ;, Adamo
Derpe/ afgoderpe/ Ec. Deſe felffte Worden zn / ende Det oogfakke halen fonde zn. Sp ante lapfüm,
dock wercken deg vieefcheg van Pautages) treden in een verflagen ende een gebzoken err
noemt / Galat. 5. Ende dat dactom / dat | gemoet alle dage / boog den Throon det ge⸗ 7 uc. ‚a.
fp upc den bleefch hechomen / dat alfa ver⸗ | naden fchzepen ende bidden : Heplige Dader / De heyligen
Darden ende fondelijckt van Adam geboren vergeeft ons onfe ſchult / gelijck Wp bergez — ———
weet / Bom. cap. 5. Cpbef. 5. ben onfe fchuldenaren. Ende worden alfoo vier vertoo-
Waer dan deſe tweederlep nu met den an⸗ om alfulclie overlingen (hoewel fondelijckt) ten.
derven in kracht ende ín zwange gaen / namez | Die niet upt moetwille / ende verkeerden op- —— —
ict) De Erfſonde / Die De moeder is / ende ſet Dan tegen haten wille / upt RE ob».
Die werckelijcke ſonde / díe be vruchten zijn / bedachtighept ende zwackhept gefebie en / Bphek 6.
gelijck ‘gefept is / daer is geene bergebinge van den Heere niet verſtooten / Ja oock MEE Lr
noch belofte tot Get leben / maer Daer Llijz Petrus / hoewel hp den Heere driemael vet- a Cor. 6.
ben toopn/ ende doot : het zy Dan/ Dat fp ſaeckte Want fp zijn onder de genade / 1 Pet, 5.
geboetet wozden / gelijck Die Schzrift gez | ende niet onder díe Wet / alg Paulus fept:
tupabt. Dat zact Godts / dat geloove aen Chriſtum
Dal dan nu Defe felffte Erfſonde haer Jeſum / De geboozte Die upt Godt is/ ende
kracht ín ong berliefen/ ende Die Werchter | Die falvínge deg Wepligen Geeſts / blijven
lijcke fonde vergebinge hebben / foo moeten bp hen: Sp oeffenen haer in coenen geſtadi⸗
pegeloovi- Wp des Heeren woort gelooven / door dat ge⸗ gen ende eeuwigen flcijdt: Dy heupjen ende
gem, weder- ſoove van nieuws geboren worden / ende ſterven haet luſten haer leefdagen : —
geborenen, alfoo ín die kracht Dee nieuwer geboogten / | ken ende bidden fonder ophouden: — hoe⸗
dooe rechtſchapen Boete) Die Erfſonde te⸗ Wel fp ſulcke arme gebreckelijcke Kinderen
die hebben genſtrijden / die werckelijche ſonde afſter⸗ | zjn / foa verheugen fn haer in een gewiſſe
vergevinge gen) ende room zón. Want gelijck als betrouwen Der weldaden Chꝛiſti / ende
de Aertſche geboorte, Die uyt Adam is / dancken den Dader fijner genaden.
onvenn ende fondelfjck is / ende alfa alle Siet / over Defe gebzeckelijckte ende zwae⸗ Deelt
booghent ende ongerechtighept / na Des ke acct hebben alle Lepligen altoos ge⸗ 5 —
Dupvelg wille / baert tot'er doot: Alſoo klaeght / ende is het woordt Dat Joannes ijk zijn, oo
is Daet-cen-tegen de Hemelſche geboozte / fept : Soo wp feggen Dat wp geen fonde ——
Die upt Godt is / vepn/ klaer / ende goet/| hebben / fo verlenden wp ong ſelfs / ende ner g.
ende Baert alle gerechtighept ende vzoom⸗ die waerhepdt en is wiet ín ong: MDact rxod. 34.
hept / na Gods wille/ tat het leben. Bom. fo Wp onfe fonden bekennen / fo is hp gez Job. 15-
5.1. Goan.3 5. trouw ende rechtbeerdigh / ende beegeeft * — *
De berde aert zijn Die MAenfchelicke ons onſe ſonden / ende tepnight ong ban al? mart. ro.
Die derde Rt :
is di ingen / ertde fEcupce | ler ongerechtighept/ 1 Goan. r. Rom. 7.
overlingen. nare, Die hoep bagels bp ied De vierde dert. / s) fa Wanneer cen met are
derheyligen. 1ggen ende wedergeborenen bevonden woz: de Pemelfche klaecigept deg eeuwigen Wact: vierde
den: gelijck daer onbedachte gedachten / beptS/ ín fijner heeten verlicht ig: Lp heeft sera, is cen
kt on- onbedachte woorden / onder wijshent / ende ontfangen De echte kenniſſe Chriſti / ende Re ae
— onbedachte overplingen ſommiger wercken. ſijnes Hepligen Woordt: hu heeft gefimaecht PER Snie
tufichende WDelekzer hoewel fp oock noch unt Die aen: De Hemelſche gaven / DE vpriendelijckheydt zegen den,
onde der vepgerde ſonden afkomen/ gelet alg de Des Leeren! ende De Krachten deg toekom. Alderhoog
—J ende de fanden Dee ongelaovigen ende onboetbeer⸗ ſtigen Werelts : hp is deelachtigh gewozden
fwacke digen / foo zijn ſy nochtans niet eenerley deg Hepligen Geeſts: hp ig upt Godt ge-
fruyckelin wee Den ſeifſten / ende hebben Dit onder⸗ boren/ Gc. Ende komt nu Wederom unt
— F fchent : Dat de ongeloobigen / Die noch enchel Wzebel/ opſet / moetwille / ende ber-
ín haer eeefte geboorte omverandert flaen /| keerthept tegen fijn herte/ gemoet/ Eon-
bolbzengen De ſonde met luft / bepmacdig: | ſcientie ende gewighepdt Des Geeftes Die in
hept / ende fonder fchzoomen : Want fn daor! hem is / ende veracht alle Ben F
En Verantwoordinge. 509
genade / hp verſtoot Godts Geeft ende
Siet mijn goede Leſer /aldug geloven wy /
Woozdt upt alle fijn vermogen / hp bzaeckt! dat alle fonden / bepde inwendigh ende uptz
ende fpouwet upt Den foeten nieuwen inz
gefchonchen Wijn/ bu haet/ laftert / ende
fchelt wetens ende Willens alle waerhept /
hp fchzijfc het met den Pharifeen ende
Schriftgeleerden Den Dupbel toe / hoewel
dat hem fijn Confcientie wel gewiſſe getup⸗
geniffe geeft / dat het Godg wille / Woozt /
keacht ende werck is / hp treedt weder op
den cupmen wegh/ en ſpzeeckt met allen ber:
keerden ín fifner. herten / Ick Wil foo niet
onderworpen zijn / Zere. 2. Wat dat boos ech
aert der ſonden zy / wil ick Des Weeren woort /
mum. i5. Matt. 12. Marc. 3. Luc. 12
1 Goan. 5. Webz. 6. ro. richten ende oozdeelen
laten.
Mijn lieve Lefer / verſtaet mp vecht : Ick
fprecck bier niet ban eenigen Overlingen /
oft fp oock fchaonfoa groot waren / alg
Díe bal Davids / (daer Die Amachtige groo:
te Heere alleen Den ſijnen eeuwigh vaag be⸗
ware) díe Door De luft fijner oogen foo jam:
merlijck bedzogen worde / ende een fo grooten
bal dede / mact ick ſpzeecke van Die/ Dic
upt encltel wzevelmoet / met alle moet witle
ende opſet den Sone Godts met boeten
teeden / Dat bloet des Ceftaments ontepn
achten / ende den Geeft Det genaden fcheu-
den.
Och mijn Hefer f liebe Hefer / fiet boor u,
ende bedenckt datter gefchzeben ſtaet: get
is vervaerlijck te vallen in De handen des
levendigen Gods / Hebz. zo. dj
Gude hoewel dat alſulcke moet willige la:
ſter ende fonde bj Afraël geen offerhande en
hadde/ Aum. 15, ende Die foude fn den hey⸗
ligen Geeft geen bergevinge heeft / gelijck
2 Reg. 11ꝛ.
Ehꝛiſtus fpreecht/ Matti. 12. Mar. 3, Luc. | onfeg Weeren Jeſu
12. Fel bidde ende rade gelijche-Wwel allen
Godtuzeefenden / foo veel alg ín mp is / foo
Daer pemandt nae De ontfangen beken:
teniſſe ende Doop / wederom in eenige open:
bare werckten deg vleeſchs Schande ende lafter
deg Doodts beviel / ende Daet in verplicht
ware (alg booren beroert is) Dat fp gelijce
ketel in aller wijshent willen booefien ende
haer níet met een onrijp ende ontijdigh oog:
Deel ín ſulckeen bal voozgrijpen / Want de
Wy laten Heere weet wien niets berborgen en is / hoe
God oordee- Bp geſondight heeft! oft fijn ſonde ín den hep:
lenende ligen Geeft za / oft níet : maer Dat fp ſoodani⸗
zichten, wie gen een / nae deg Leeren woordt vermanen.
* tegen Geleert hp hem ban herten weder: doet hu
fijnen Geeft gen Wacrachtige ende rechtſchapen boete na
gelondighe per Schrift : ontfanght hp wederom een
gebzoocften Weemoedigh ende rouwigh
herte: Daer toe oock cen vreedigh / vzolck
ende een vrpmoedigh herte: foo is het open?
Baer Dat fijn fonde in den hepligen geeft niet
geweeft en zo. Macr blijft hp onbekeerlijch/
dat hp na fijn moetwille ende berkeerthendt
booztbare / ende alfoo Chriſtum ende Chri⸗
ſtus Woozdt / tot aen Dat epmde moet:
willigh veracht foo bewijft fijn werck
wel / Wat fonde dat hp gedaen heeft /
ende dat fijn eynde ende loon Die Doodt
zijn ſal Wam. 1.8. 1 Co. 6. Gal. s. Epbef.
— NJoan.cap. 3. berg 5. Apoc.cap.21.
hets 22.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
wendigh/ ín de verdienſten / ende kracht ban
des Weeren bloet haer verſoeninge hebben /
Die vecht nader Schrift geboetet worden.
Een pber fie voor hem, dat hp ín Bie bzeeft nom.»
deg Weeren wandelt / ende de genade Waer:
neme / op Dat hu niet in cenen berheerden Wieder
fin gelecbert/ in Deg Heeren Oozdeel londen. „
ende gerichte en baile, ende hem boete gent onzey-
díe boor Godt gelt / ban den Heere niet qe ne herten.
wepgert Werde. Want Wie fonde Dact
(fpreccht Chriſtus) Die is Der fonden knecht.
“joan. 8. Pan Wien dat pemant verwonnen
is / (fept Petrus, diens knecht is hp gewor⸗
ben / 2 Petr. 2. laet hem dan pemandt ban
Der fonden overwinnen / Die moet dert fonz
Ben kmecht zijn / is ouwederſpzekelijck.
Ick mepn dat Defe onfe bekenteniſſe ende
oock Die Dan oft Afſonderinge / Die in Match. 18.
det Schrift vervatet licht / ende ban eng gez —
baupeht were / met welcker men die Scheift- cn3
matige befchaemthepde aen den afvalligen
ſoeckt / tot haerder belteeringe/ betupgen
wel / Dat wy van ouſe tegenpartpe / met dez
fen Artijckel oock belogen wozden / Ga WP Luce rz:
betupgen Loor den Heere / ende vooz u / als
dat wp op Verden / nietg níet hever ſoecken /
dan dat Wp eenen Armen verdwaelden fonz
Daer weder op De rechte Baen ende wegh
boeren mogen.
maer bit feggen wy / alg Dat díe beloften
Gods / tot in Der ceuwiger falighepdt / daag
dat Euangelfum gepzedicht / geenen onbe:
keeclijken fondaren /genen hupchelaren / gees
nen gierigen / noch aectfche gefinden / geez
nen befpatteren ende verkeerden belooft is /
dan den geenen Die Dat lieffelijcke Woozdt
Cheiſti / met bez
(geerlijcher Geerten hooren / waerachtigh
‚gelooven / Daer Doop nieuwe MWenſchen
unt Godt geboorten wozden: Deſe verſchric⸗
kielijcke wacfte werelt met ſijnen Godlooſen
hooghmoet / pracht / ndelheydt ende wel⸗ pie beyll·
luft affterben / ctc. Want fp willen haet Der gen weder
Schrift beroemen / ende met der Scheife VASE penale
tvooften / ende haer leven ig contratie nertigheyt.
deer Schzift / ende eem openbaer lafter Sap- 3-
ende bpandtfchap tegen Bodt. As ’t
dat gp in mijn wooden blijft (fept Chriſtus)
faa zt an beorwaer mijn Difcipelen.
“goan. 8. Gp zijt mijn vzienden / foo gp doet /
dat lt u bevolen hebbe. Want die ranke moet
Dragen nae deg wijnſtocks actt / Joan. 15.
—JF En ſevenden, Soo breken ſy voor, ende
ſchelden ons, zijn Landtloopers, hey-
melijcke {luypers , oft fluypers in die huy-
fen > vervoerders , nieuwe Monnicken, Glyfe=
ners» dat wy ons beroemen fonder fonde te
zijn. Hemelftormers ende werck heyligen, die
door onfe verdienften ende wercken willen
faligh worden: Een Godtloofe Secte ende
Rotterye , kinderen Zielmoordenaers, We-
der-doopers, Sacramentfchertders, ende dat
wy met den Duyvel befeten zijn.
Antwoordt.
D Eſen ende gelijcken laſterſpreecken heb:
ben oock Chziſtus Jeſus met Die benz
aff 2 lige
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
510 Menno Symons Chriftelijcke ontſchuldinge,
lige Apoftelen ende Pzopheten oock díe hep-| fchzifc / dat Moſes en dat gantfche Iſrakl,
ligen inder eerfter Vercken / meenighmael ) dat Paefchlam im der nacht gegeten hebben /
moeten hooren (als gefepdt ís / ín Pzolo⸗ Exod. 12. Cheiftug Hicodemum in dee
@hriftus 90:) ebben fp dan den Bader des bupf-uacht bermaent heeft/ Goan. 3 Die Ber
pda gefing felfg eenen Dunvel dozben noemen / meynte Wel berfamelt ende vergadert ig
—— waerom dan oock níet fijn Gupsgefin ;/ geweeft / tot het gebedt / deg nachts Actor. De aachtis
Mattio. De Difcipel is niet boven fijnen Meer, 12.5. Paulus heeft geleert des Heeren Woot ————
ſter / noch Die Knecht boven fijnen Hee⸗ den gantſchen nacht / Wctoz. zo. 36. Ende werck ge-
te / nochtans foo hopen wp Dat het oock die Gemepnten in Der eerfter Hievc- heylightals
alleen eerltjcken /bzoomen ende reedelfjchen ken / om deg heeren broot te bzekken vp nacht dis dash.
fupden Wel bekent is / dat Defe ende tijden bp malkanderen gekomen zijn: (qe. kinderen!
diergelijcke ſchenderijen ende laſter ſpreec⸗ lijcl Die Hiſtorien meldem Daer tipt behennen dienen den
ken/ alleen upt enckel haet ende nijdt /|Wp/ alg datmen Des reren woorde ende Heere berde
ſonder alie waerhepdt / ban onfe tegen | werck / ſoo wel by nacht / alg bp Dagetot deb tage
paatje oober ong uptgeftooten / ende be-|Deg Weeren prijg handelen/ ende Drijven
logen wozden: op Dat fp met fulckig den loop | moet : ende komen alfo fomtijden / ende bp:
Des Wooꝛdts beletten / verhinderen / ende Wijlen ín reyne Godts Ozuchte ende beeeſe /
den onfchuldigen ín berdziet mogen bzengen. ſonder alfe-mang hinderen ende fchade (weet
Die Meere) foa wel bp nacht / als bp dage /
Op dat lafter-woort , Landtloopers. Chgiftelijcher wijfe bp Den anderen; om
ong met des Heeren Wooddt / ín aller Godts
Antwoordt. ſalighepdt / liefljcken te vermanen / leeren /
— [ Ant-loopers zijn fchalckten/ / booswich⸗ ſtraffen ende tcooften. Oock om te bidden /
1 Cor. 4. — ten / Lupe boeven ende quaetdoenders / (ende die Sacramenten te bedienen / gelijck
die om haer ondeugbt halben ban dat eene | ong Des Heeren woozdt leert ende medez
Mandt in dat ander loopen / ende geen) brenght. à
Steden houden mogen. Maer wp zijn arme
xx.22. 24. Clendige Pelgerimg/ ende (nae den vleeſch) Op dat woordt, Vervoerders,
E.s8.6. bedzoefde vzeemdelingen / Die niet om ceni-
Keen, qe fchande ende booshepdt / maer om dat Antwoordt.
Mar.2s. getungeniſſe Jeſu// ende onſer Confcien- Ervboert zijn Die geene / die dat onboet⸗
Rom.15. tien / met onfe arme Bzoutwen-ende klepne beerdige bleefchelijche volck Chriſten Sen: 1-1»
ebr.4, binderen / tot een noodige berloffinge duſes noemt / fn haer blinthepdt/ gierighepdt/ racen
toaln | hepdt/ gierighendt / gzeen.16.49.
Nebt. iz. Jevens / boo? dat Cypzamniſche bloedige hooghmoet / pracht / prael / volſuppen / Afgode⸗ Mic —*
zweert moeten blieden; ende alfa ín beeems tpe/ etc. Met Water / Abſolutlen / Bzoot / Pril 3. 19.
De Landen / met beel bangigheden / fmaet- Wijn ende wercken traoften / Die des Weeren
beden en ſchelt · woorden hooren / in kommer WDoozdt ende Sacramenten vervalichen/ rzech. 13.
en noot ong Bzoodt erneeren: Die meu bils ſoo fchandelijck/ en Die arme ellendige vers 19»
lijck na der Schzift / ende natuerlijcke vede- zielen om een bupclt bol bzoodts / fa om een —
lckhept / ín aller liefde ontfangen / dienen / handt vol gerſteñn / foo jammerlijck in den **
trooſten ende bandt-haven ſoude / ende doodt boeren ende bzengen/ des Wp bog
níet foo onbarmhertelicken verſtooten/ den Heere dooz fijn qenade aller Dingen onz
berderben/ ende fchant-bleckten/ alg men ſchuldigh ende vp ſtaen. Want wp leeren
aller wegen (och lepder) hooren ende fien {Godts Woozdt onbervalfcht ín een goede
moet. Confcientie / fonder eenigh aenfien der pers
* fonen. Wp ſoeken pedermang ſalighept fijner
Op den onaerdigen ende fpijtigen zielen / ende niet haer gonfte ende gaven.
lafter , heymelicke fluy pers Wp gebzupelten Des Meeren Doop ende
indie huyfen. Avontmael na uptwifinge fijns hepligen
Wooꝛts / ende hoewel wp arm / zwack / ellen”
Antwooʒdt. digh / ende met een quaet / booswilligh
Hi Epmelijclte Sluppers ín díe Hupſen / vleeſch ombangen zijn / ende krancke fonz
ijn Dieben ende Moozdenaers / Die | daers ſo wouden Wp fo geerne ín onfe zwack⸗
— in t verborgen ende hepmelijck / na an: hent recht handelen / ende vzoom zijn / ende
merekt, wie DEE lunden goet ende bloet ffaen : Dock Eed- onſtraffelgen boog die Werelt leben,
—— breeckers / Overſpeelders ende bzouwen:| Ende begeeren alſoo, door deg Weeren Wouden
uypers zijn. fehenders / Die Baer na ſtaen ende denckten / | genade ende hulpe / met onfe kleyne gave / — 7— ——
dat fp haers naeſten hups beſundelen ende | dat verballen weber op te víchten / Dat onz en behoef.
beronttepnigen mogen: Want faodaní- | effen flecht ende recht te maken) dat verloren den wy geen
ge hebben acht op Dat Doncker / ſendt wederom te foechen / Die hooge route herten reyse dra
Job / ende fpzeken: Ong en fiet geen aoge/ te vetvotmoedigen/ Die hongerigen in die anders
ende breken alſoo in 't Dupfter te benſteren in/ vechte Wepde te brengen, Die dorſtigen hebben goe-
Job. 24. tot Die vechte wateren / ende Die Wlin- den vrede
—— Maer wp níet ſoo | maer nademael het De op den vechten wegh te boeren / op dat en 0:
Ice.g. Poor Der geteerden liegen / ſchelden ende Wp alfao dat waerde Euangelrum onfes
ſchrenen fo verre gekomen is / datmen (lepder) Heeren Jeſu Chzꝛiſti/ în beel herten tot prijs
tu Copenbaer ban des Heeren Woozt kicken \ong Godts mogen untbzepden / ende fijnen
noch hoeften moet / hoewel het Die eenige aenbebeljchen hoogen Naem behendt
ſpyſe is / daer by Dat onfe ziele leven moet : maſten.
Eude wp merchen ende verſtaen unt der |
En Verantwoordinge. sti
Op den lafter Glyfenaers.
Antwoozdt
Antwoordt. Anfenaers — in — —
oaf naemt/ die iptwendigh in woor kennen ,
nu , ; vie die rech.
N —— f boots zon, gebeerden eenen hepligen ſchijn boeren / ge be Glyte.
ſchen gefetten ende dat Epicureifche wolter [ck als die Schrift-geleerden. ende DIe —
hen / in den ſchijn eens goeden pvers ('t welck rizeen / Matt. cappittel. 23. Ende inwendigh *
fp verlaten hebben) ende nu weder ín ecn met angerechtiggepdt ende met ——
welluſtiger / prachtiger / ende bleeſchelijcker ——— haet ende pe end
leen ín ballen / t’famen / fonder alle veran: | Be racen ho eere niin bie bert
deringe deg herten / in Dat oude weſen haerder n/ dat fo Cheiſtenen zij |
fonden blijven / ende aiſoo die baftighepdt van Des Weeren Woozt ſpreken konnen / Die
haers geloofs / hoops; ende faliahepdts ban haer Des Euangeliums ende Ehziftelijchen
eeft acn op menfchen goet dunlien / Opinien naems hoogh —— —* ——
nde Glooſen fetten. Want Dat ig der dat ſo Die reyne Heere Chriſti hebben / ende
— wijfe/ forme ende gebzupch / die beplige Chriſtelijcke Merche sin edet:
menfchen ffatuten/ geboden ende infettingen en * vrg des * Dees
te volgen / cnde niet Godts Woost. Op heb- letter e fe elden alle braorne haten / ende
f Monniken ben haer Abten / Prioren / ende Bufarien |; ante wercken be é Blrefchd wandelen /
verwerpen ofc Pzocuratoren / ende werden Lan haren alhen — ne Rouet wiet mtne
Woord, Fondatoreg eude Weeſters AUDI: fcllen dee Bd if elcerden ende Part
endevolgen nianen /__FFrancifcanen / ®ominica: sten. zifn / —— wp allen ene
dn ‘rel aten — A ftandigen richten ende oogdeelen wa
Maer dat Wp boor Glpfenacrs ban haet
) fao : Maer ton haopen /| M B 0007 CVP, |
— * —5 — — gefcholden wozden / ende ons bellegen / dat
ende genade) kinderen Godts / ende Gon | LL ong beroemen fonder fonde te zijn / is
—— Chziftt sn - 1D weten ban gees defe oorſaecke / om dat Wp met der gant:
foan.4.23- men Abe anders / dan van Dien / bien alle Ten RED —————— El. 1.6.
rechte paken 7 5 —— hi Dat Gedt-bgeeclieeg / hoereerders / Afgoden⸗ ————
aenroepen / ds 4 Bal 6 dienaers / volfuppers/ gierigaerts / Teuge marc. 1.
Det / — ——— de DP for í8 Chriſtus / uaers / onvectveerdige/ etc. Dat Vijche Luce 3. 13.
— pe, olaf — —— Godts niet be erven en fullen/ 1 Coz. 6. ro. *4
wy ver- @nfe Procurator / Burſarius aft Kelder- edt k a rdf de & hy ag 4 4
werpen meefker / Die eenen pegelijcken dat fijne geeft |, * * ei annet he
menfchen _ ende nmtdenlt / (B die Peplige Geeft / 1 Co. |tN/ Hom. 8. 13. Ende MC ne/ die
—— — gee die * regen —5 — de opſet met
an ep —— „oft moetwillighlijck) upt den Dupvel zijn / merckt, of
Chrifti lee Onfe Profeflion ig / Die oprechte vzu⸗ 1 Goan. 3. 8. Ende Wp derhalven (ooch ín ary ons be:
* moedige ende die onvervaerde bekenteniſſe , ane dat
* ate, onfe zwackheyt) voo ſoodauige wercken / een Pr ge:
onſes geloofs / Matth. 10. Fom. zo. hertelijck verſcheicken hebben / hoewel wa fo bunde
menighmael bepde met leere / mondt ende
fcheiften met Moſe bekennen / ende oock
eeuwighlijck bekennen fullen / dat niemant
onfchuldigt is / der aengeborener natueren
bvooz Godt / Ben. 6.5. 8.21. Met Efaia/ dat
wp al te famen zijn / alg Die onreynen / Eſai.
64, 19. met David, datter geen levendigh
Menſche voor Godt rechtveerdigh is / Pſal.
14. 3: Wet Paulo dat in ons vleeſch niet
goets en woont / Fom. 7. 18. Met Joanne /
foo wp feggen dat wy fonder fande zijn / dat
wp ong dan berlepden ende bedriegen / ende
geen waethept is in ons 1 Poan. 1 8. Ende
met Jacob / dat wp altemael ín belen ſondi⸗
gen / Jacob. 3, 2.
Diet mijn goede Leſer / dit is De corſaeclt / ——
waerom Wp der Predikanten Glyſenaers ende
zijn moeten / dat wp ong duncken laten / recht na der
alg dat wp fonder fonde zijn ſouden: So q20- —— wan
be ende fo groote leugen liegen Die / Die haet ven ger ze
laten dunckten/ dat fp Gods Woozdt leeren. eerden G1y-
fenaers zijn
Op den lafter , Nieuwe Monnicken.
. TO.
Onſe Statuten ende Wetten ziju Die upt:
gedruchte gebooden Des Geeren / Matth.
19.17,
ente Yap ende Mantel zíjn Dat Weet
Der gerechtighendt met welelier Wp foo
geeen wouden gekleedt zijn / Matth. capitt.
2x 11.
Onfe Wloofterg is die Beegaderinge Der
hepligen / die Stadt des levendigen Godts /
Dat Hemelſche Jeruſaleim / Hebz. 12. 22,
Apoc.21.2. —
Onfe gemachelijchke Monnicke Dagen
ende welluften / zijn Dagelijcks om Dat gee
vit lette tupgeniſſe Gefu te Wachten op kerckers
ikonfe ende banden / op vper onde water / ende met
ent onfe Vrouwen ende kinderen te gaen in
fchande, die onbekende tanden / met honget / kommer /
geen goet ongemack / benauwthendt/ dzoeffeniſſe /
enlaten. ende Die tranen over ons Wangen. os
Siet mijn goede Leeſer / deſe Monnicke⸗
rye bekennen ende gebzupcken Wp/ ende
geen ander / wu hoopen aoclt door deg Hee⸗
ren genade ende kracht onverandert daer
bpte blijven / al Die tijdt ong levens: 6 onbe:
leefde fchelderg ende ſchantvleckers.
Op den lafter , Hemelftormers.
Antwoozdt.
V Ooꝛtaen / om dat Wp upt Des Heeren
Mondt leeren: Soo pemandt het
eben
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
512 Menno Symons Chriſtelijcke ontſchuldinge,
leven wil ingaen / die houde de geboden /
Matt. 19. 17. Mat. zo, 2,19. Goan. 15. 10.
Dat ín Ehrifta befnijdinge noch onbefnijz
Dinge en gelden / dan De ondethoudinge
Der gebooden Godts/ 1 Coz. 7. 19. Ende
Dat's De liefve Godtg/ dat wy fifn geboo⸗
Den houden / ende fijn gebooden en zijn niet
zwaet/ 1 Joan. 5. Moeten wp der Pꝛedi⸗
kanten Pemel-flormers ende werk-hepligen
heeten / ende Dat Wp door onfe verdienſten
ſaligh willen Worden / hoewel Wu altijdt
bekent hebben/ ende Door Godts genade m
Der eeuwighepdt belkennen fulien/ Dat wp
dooz geen middel ín den Wemel noch op der
Werden anders faligh mogen / Worden / dan
Joan.14.3. Dao? De verdienſte / voorbidden doot / ende
Aâ.d.ra. bloet Chzeiſti / gelicht boven tijchelijch
Philzz0, ende genoeqbfaem verklaert ende geroert is.
Diet / ſoo meet Dat alderbefte van defe
verkeerde menfchen/ ín ’t alder archſte ber-
andert Warden / ende merchen niet / dat
de gantfche fchzift alle moetwillige / ſtoute
bevachterg ende obertreders Der gebooden
Godts / fo opentlijcken iden doot richt ende
pie ver. Oogdeclt. Die mec Der daet baet bewijfen/dat
keerdenver- fn De falighmaltende genade Godts níet
keerenalie bekenden/ ín Chriſtum Jeſum niet geloben/
dinghboof ende na uptwijfinge der ſcheift / ín De ber:
ig boemeniffe/toozn ende doodt blijven! Poa. 3.
36. Want wie onrecht doet / betupgt met fijn
Werkt/wiens Jonger dat hp fp 1 Yaa. 16. zo,
Op den verkeerden bitteren lafter Godt-
loofe, Sette ende Rotrterye,
Antwoorde.
Wat hiet S O vezre alg den bitteren / nijdigen lafter
de Propheet ++ aengact / te Wecten / Dat wp een herz
—— van Keerde Godtlooſe Sette ende Rotterye zijn,
Varmagh Antwoorden Wp : Moghten Wp met
oock oponfe Onfe tegenpattpe boor een onpattijdifche
tegenparye gericht verſchijnen Die des Godtlijcken
Heechen/ hoewel hp in alle fijn bruchten /
een onboetbaerdih/verftocht ende Godtloos
hepden is : Hupden als gifteren,;oockt mozgen
maer Wp breefen ende bzuchten Dat qn cen Ezypti,noche
nieuw Dodoma, Eghpten ende Bakplon eseelte-
zijt: Och / och / Wp hebben foo lange jater Exo ro. za.
met u upt geljcken kelck ged2oncken / ende die mifdact
in geljche Geeft met u gewandelt / Wp FE
hebben al een gelijche Chzifma ende ſmeer⸗ ende die Af-
fel met u entfangen / Wp kennen uw ban goderye, en-
heeten wel / maer wp hebben Bbavmher- de Dloer-
tighept verkregen / ende hebben Den Inger Babel, Apoc.
dzoncken grouwel uptgefpogen / en ong in 17. 2. niec
Be liefljche gemennſchap fijner bepligen jn —
gewillighlijck begeven / in dat Hups / Njck nier onreche
ende lijf Chꝛiſti / die de Godtlooshepdt ende gefchreven.
ſonde van gantſcher herten haten / ende na
de gerechtighepdt ende Godtſalighendt upt
alle haer krachten ſoeken ende begeerigh zijn.
Ende hoewel fp ban u/ende ban peder „Het heee
man boo? foo een Godrloofe Secte ende Rot- Godevree:
terye gefcholden Werden / faa zijn fp noch⸗ Lenden, doot
tang bzeedigh ende vrolck in den Geeft) nr ge-
ende werden in haer Conſcientien beefelert / ruchte.
dat fp de waerbepe heben / ende niet ſoo 2 Cor. 6.8,
een verlieerde Secte ende Kotterye / maer
des Weeren epgen bpſonder volck / Ges
mepnte ende lijf zijn / 1 Coz. 12. 13. Epheſ.
1I. 5. Col. 1. 18. 1 Petr. 2. ro. O lieve Heere)
hoe klaeghlijck ende jammerlijck wert doch
u acme hoopken altoos gelaftert / Bom.
12, 4. Epheſ. 1.23. Epheſ. cap. 5. vers 27.
welbedoyt Dobrdts vecht bericht hadden / foo fouden |
werden,
wantfyin Wp geringe des ſchandelijcken laſters wel
— bz Worden / ende alsdan ſouden fp ſelfs ín
Qaen als die. DE ſchult ffaen. Want wat fp voor een Not⸗
teepe zijn / betupght Defe fpzeuckte wel. De
Propleeten hebben haer t'ſamen gerottet
(merckt Wotterne) om De zielen te verſlin—
den/gelijk cen brulfende Leeuw als hp rooft:
Su fchzabben gelt ende goet tot haer / ende
malten der Weduwen beel / Ezech. 22. 25,
Su mogen al plaetfe hebben in haer Secte/
die flechts alleen haer Ceremonien onder:
houden / ende haer boor De vechte PPzedí-
kanten ende gefonden beſtennen willen / fp
legen dan hoe fp leven / foo fp niet ín Des
Beuls handen ende gewelt en ballen / geen
volſupper / geen gieriger / geen prachters /
geen Deouwen-fchender / geen bedrieger ende
leugenaer / geen Dief / roover ende bloetder:
Hetisby Qíeter (berftaet dat Oorloghs ende lirjghsge
onfetegen- wijſe geſchiet) geen vloecker ende ſweerder
—— ſos groet ende Godtloos/ hy moet gee
eenenruy- lijche- wel een Ehriften heeten : fipzeecht
menwegh, fp alfeen het is mp leet / fao werdt bet fijner
ie Bor. 3Wachbept ende kranckhept toegefchzeven /
te, daerzijn mach Daer Geneben haers Hachtmaelg
oockveel wel genieten: Want ha íg unt genaden
diefe wande- ſaligh gewogden (feggen fp) ende niet unt
le
Op den leelijcken leugen-lafter , kin-
deren Ziel-moorders.
Arntwooꝛdt.
D Eſgelijckien moeten wr oock / ban dat
arme blinde bolckt/ die de ſalighepdt
harer hinderen ín der Predikanten Doop
foecken/ dicltmaeclg hooren / als dar wy de zie-
len onfer kinderen moorden: @m dat wr
deg Heeren Woozdt gelooven Dat haet Dac
Hemelrijckk apt gewaden Dooz de verkieſinge
Godts ons Bemelfchen Daders / in De Gets Eph. 1 7.
dienfte Gefu Chzifti toegeſendt ende belooft AS ——
is / als Die Heere fpzeeche. Laet de kinder- —
kens geworden / ende en verbiedt haet niet heb. 3. 14.
tot mo te komen / want alſulcken behoort
dat Wijche Der Hemelen toc / Matt. 19.13.
arc. ro. 13. uc. 18.15. Ende derhalben
met Antichriſtus Doop niet aopen en laten.
Want niet de Doop Antichziſti maer De
beloften Jeſu Cheiſti verſekeren ong ban
de falighepde onfer klepner kinderen / alg fa
ban biet flecben ende fchepden. Maer lactfe
de geede Vader opwaſſen / ende Dat hu
haer fijn genade gonnen Wil/ foo hoopen
wijfe op te boeden / ín De onderWwijfinge ende
beeefe Des Weeren / ſoo beel alg ín ons ig.
Wanneer fn dan Godts Woorts hopren kon:
Matt.7.24. Beedienfte/ hp blijf cen litmaet haerder | nen/ende dat gelooven / alſdan Wwijft haer de
Schrift
- — —— —
En Verantwoordinge. 513
cheift tat der doope / Matth. 28 ck )
Jope, Matth.28.19. Marc, en Bloet zy : oft (gelijck forige willen) om
9J * boei Die met Den Klepnen kinderen / | dat top niet geloven / datmen dat Broodr ende
amute gevoorte aen/ met foo een openbaer | Wijn, des Heeren wefentlijke Vleefch en Bloet
bwgelen — Antichriſtiſche werken omgaen / geniet of ontfangt. Hoewel wp dat W. Nacht⸗
ie * Dunbel unt be ormooſele / ſunpe· mael met vzeeſen en beben/ aal: met dan ſeg⸗
OER * met deg Heeren Bloet gewaſſchen ginge en vzolijkhept na de Scheift / en oo na
5 Beſweeren / fouten) fatben/ en offerenfe / beel vaderen aenwijfinge (gelijk Daer zijn Gre-
oopenfe op eens anderen gelove / daer fp van | gorius, Auguſtinus, Chrifottomus, Tertullia=
* deſe fpactelijkke monunerpe! larvem en ſun⸗ nus/-Tyrillus, Kuſebius, &c. Booz een Figuer·
bek rjg eenigh woozdt upt die Schzift | ijk rl Sacramentelijck teecken / ander den
oetveerdigen (verſtaet / ſo wijt als Menſchen
— haet Ouders / dat fp daer mede | oordeelen konnen) — den ——
— hriſtenen zijn. En worden alſo van Der WIE | en ong in onſe ſwalihept beblijtigen en beneer⸗
ei A acn/ fander alle Gods vrucht en vzeeſe / in ſtigen dat wu Die Beplige / heerlijche verbor⸗
vanape _ Allerlep Glinthept/ pracht / ffouthenc ende Af⸗ genthept / namentlijk des Veeren doodt / die
laêtantur goderne / opgetogen: Ufo (anneer ſy dan tot liefde! bzede/ en cenighept fijner GBemennten /
—— haer jaren lomen / Dan noch des Godlijcken | en die gemeynſchap fijns PepligenDlceichs en
| rum infan- woerts geen ondezrigt en hebben) Wandelen (Blaets; vecht betrachten en gevenhen/ en ín
| — haet leefdage ín dat vertröouwen des ſelfſten Der kracht en vrucht Godfaligljken nakamen ———
mf *
Kinderdoops op eenen krommen en Dupfiez magen. Die met defen ſtightelnken teken Def Luc.a.rs.
ren weg/ fonder belkenteniffe/ gelave en Qieu⸗ Bzoodts en des Wijns / allen vechten Mfp *Cqr-1e.r te
we geboorte, fa founder Geeſt / Wooꝛt en Chꝛi⸗ | nen ín ’t — — De
fto. Hoe alfilke bp de zielen haerder Kinderen | den, en die acme blinde finaetfpsehers merten
handelen / Willen Wp haer felf te bedenken! niet hae Deerlijken dat fp felfg des Heeren Da-
— ——— * Heeren woozt dat richten ende cramenten ſchenden: fa het anders deg heeren
oozdeelen laten. Sactament heeten machte) dat fp gebeupken)
Op dat onnutte fchelt-woort, Weder- doopers. | hoewel fin geloven; dat fn daer des Heeren Wes Hier leert
* Antwoort. tegn 7 — — —— Mate 37*
yprianus en moeten wp Der Geleerden Weder-do- | STE: NGEDEANE eeen ID Get gelIjkelwel fo Klep nt ichen.
dl Coneii- + pers heeten/ ons dat wp op den gelove doa: dat zut openbare Dzonksaers/gierigaerg leges gers zijn"
en, hebben pen gelijk Ehziftus den fijnen dat bevolen —— — — Ec. wetens en Willens
| gedoopt de Deeft/ en Die henlige Apoſtelen dat geleert enn —
| gene,die _ gebzuplit hebben / en met den Weerden Marte-| He é re onvoeteerdigen alg den baets
| van Ketters laerCypriano, met alle Aphricaeníche Bif-) OECEDIGEN ge git cen ſop braodts gemepn ſtaet.
— wa· ſchoppen; daer toe ooft met dat Niceniſche Of dat niet Sacrament ſchenders zjn /
en Ke, Concilio, die Hetterdoop / twelke Die doope meugt gp met Det fchzift nadenchen. |
| Paulus een
Wederdoo- Anticheiſti is baar geen Chiftelijken Doop) Opden Pharifeifchen Lafter , dat wy met
per geweelt gogdelen eu vichten kommen/ook van deSchzift den Duyvel beferen zijn.
eerden berigt worden) Dat de H. Paulus / die al met Antwooꝛt.
chreyenen Joannis Doopſel / dat upt den Wemel was / D Anpvels beſetenen laten won die zijn / die
Schrijven eenmael gedoopt waren / MWatth.22. fommis | des Dupbcls woort ſpreken / en fijn werlk Gelijk de
edoan wil gen andermael gedoopt heeft / om dat fp van dryven / namelijck Die De leugen boor de waer: * —
uytden He- Den H. Geert niet en wiſten / Actor 19. 3. pent leeren / Godt fijn prijs en eere flelen/en De altoo doen
| wehen die Nademael wp dan niet andere en Doopen / arme zielen foo jannnerlijſt vervoeren, Maer ook fijn
minder doop Dan na bevel Cheiſti/ ende na die Keere cn ge· wu verhopen doo? des eeren genade (dendecs bodes.
ehrift. bupk der heyliger Apoſtelen / oock niet meer | ce 3 eeuwig Dani) Dat up Des Dupvels woor:
doen / dan Cyprianus mer dat Concilium Care (Den en Werken met boller heeten haten, en na
thaginen(e en Nicenum ín díe faekt gedaen heb· die waorden deg eeuwigen wacrhepts / en na
| ben: (nochtang zu en tap niet in eenerley geont De lieflijke bzuchten deg Geeſts in ong ontfan:
en mepninge / bekennen wy) en Wp die Doop gen mate, fcer begeerig zijn : ’t well cen opene
aen den geenen vernieuwen / bie niet met cen | baev teelten en gewiffe bewijs 8 / dat op niet
Godlijke doop(gelijk als Bie Doopelingen Goe Landen Dupvel / maer ban des Heeren geeft
annig) maer met eon Antichziſtiſche doope | Lefeten worden. Want fo Wp upt den Dupbei
cenmaelg gedoopt zijn / en ín Die tijt haers Waren) (gelijkt von gelaftert werden) fo ſouden
Doops niet een gebꝛeck hadden (gelijk alg die wy Wel op runmer ffcaten blijven / cn des we⸗
gemeden) dan tot alten Bodtlijcken handelen rels vrient zijn/ en níet fo onberſaeght en Haps
feer ondeugend Waren / alg bepde natuure en |Moedelijcken goedt en blaet voor des Weeren
Scheift leeren / dewijle fn noch onbernuftige |Wo0rt laten. Nochtans ig t bille Dat Die Joan.zo.ze,
(Songes niet boven fijnen Meeſter en zn : De
DUPs-bader moeft ſelfs hooren / dat hu den
Dunbel hadde / Goan. 8.48. Die Pharifeen
ſtelen / Cyprianus en fijn Biffchoppen, dat Ni- en Schzift · geleerden moeten haren aerdt bee loan-8 48.
cenifche Concilium,daer toe oolt De B. Apoſtel wijfen) en haren Geeft bekent maken : Want ——
Paulus / alte Wederdoopers geweeſt zijn / 18 ls fp met haer ſotachtige wijsheyt / voor des de men.
onwederfpzeltelijk. meg —— /kracht Die Be —
Op den bli p let weftaen mogen ( foo doch Die Ber „rw
P —— —— ſchenders, aihe Geeft / oor des Veeren Geeft, 18. |
| ꝛt. alle we J |
1 Tam / nach moeten wp ook bps ſommige ge: lin vesor oonennndelt he vet * De | 1
leerden Sacrament-fchenders heten: om dat eenen leugen op dent anderen / ſc elden en lie⸗
kp niet gelaoben; dar ’t Broodt en Wijn baers gen / faa beel als in haer is: fcheifven ’t den ——
Nachtmaels, des Heeren wefentlijke Vleeſch @upbel toe, — F haer Conſcientie ge⸗ es
tupgt
onverftandige kinderen waren / en Wop daerom
bee Geleerden Wederdoapers zijn moeten / fa
meeten ook inder Daed Chriſtus en fijn Apo⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Matth.19.
Marc.8,
UC.L 2.
Phanatici
{piritus
vel cata-
baptiſtæ.
Godts ge-
ren, is det
geleerden
—— ge
woonheyt.
Njcdigheyt
konnen ce-
nen fchijn
emken.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
meynte ende
volk te late. Cl Aderen geſlagte( ſpreekt Chriſtus)hoe kont
ruyken ge-
514 Menno Symons Chriſtelijcke ontfchuldinge, .
tungt(die een dupſent getunge is)en aenklaegt , flen datmen na haer levert ſtont. Gft fp heb⸗
Dat Bet des Weeren Geeft/ kracht en week is. ben haer berborgen gehhouderisgelijk Jeremias
Dan wat Geeft fodanige gedseben wozden / en Baruch deden / ais die Konink Joachim
melden en getupgen deſe haer woozden ende bevolen hadde / datmenſe acngtijpen en van⸗
werken wel. gen ſoude. Jer. 36. 19. Alle Gode
Siet mijn goede Wefer / hiet hebt ghpons| Su hebben al booz den Doot gebieeft/ ende vreefende;
antwoozt / op Die voornaemſte Wafter-fpzeucz gevloden / hoe Beerlijks ſy dolk tet des Hecren die van be,
fen) met welfke wy onſen achterklapperen/ter | Geeft befchencht en begaeft waten. Moſes en ee
genpartpe / en berdenlers altoos begtoet wor⸗ ſchrepde / en riep unt grooter benauthept tar oek voor ded
den : met defe fchandeen fchenderpen zijn haer den Heere / en ſprak hoe fal ilk 't met dit voick Doot ge-
Boelien bol / haer herten en monden Lloepen | maken £ Daer faelt nice becl aen/ fp fullen mp Chzikes
Ansbapufte ober / ja van zijn met alfullte bere ban haet af |fleenigen. Exod. 17.4.
gemaelt (De Heere vergeeft het haet) dat wnbp| Ook ſprack Gevemiag) nu mijn Heere Ko⸗
kreonei He. Wonturen / by den grooten hoop, die op de tup- nink hoozt mp/ en laet mijn bede vaar u gelden
retiei dec. me ſtraet wandelen / Wel een verkeert Godt⸗ Ende en laet nin niet medet ín Jonathas deg
laos bolf/ ín ’t gevuchte blijven fullen/fo lange
fchzijbers huns beengen; op dat in aldaer níct
alg de werelt ſtaet. O boofe aert. Gn Slangen
ſterbe / Ger. cap. 37. berg 19.
Dabid vliede hier voor Saul Lan dat tené
geberghte op dat ander, en van de eene Woe⸗
| ftijne tot de ander; 1IXeq.2.1. 24.1. 26.5. |
lt bzeefe oan Herten ſeer / Dat fn epgentlijke |__ Urias van Cariathiarim cen Pzopheet deg
litmaten ban dat verſchrickelijke beeft zijn; dat | Heeren / vloot boor het Sweert des Honinchg
egen) eee, dE een
i Beeren voeten en een Leeuwen mon ceftelijche Man Godts Elias vloo
boeier Maen an beenen | ent eet he oefe,
u Naem te lé zj MET.I9.3. Jonas Woude unt vrecſe der Je
helf F die gene re ín den Hemel — wi eer eu —— ser vel dn berg 13.
13, Want wat iffer doch na der Schzeift heplig | Paulus die toogt tot Damaſco inder nacht
techt en goet bevonden dat fin niet met haer, met een mande / ober de mure gelaten/ als hy
í
—
qu doch goet fpzelten/ aengeften gy quaet zijt?
Matth. 12. 34.
boeten vertreden? niet niet haren mont ber⸗ wiſte Dat hem doodts lagen gelepdt waren /
feheuren # en niet met haet ontepne tonge / als Actor.9. |
ten Godloofe gehatede grouwel lafteren ende) Siet mijn goede Hefer / aldus hebben die
Schelden? O lieve Heere / wilt doch alu liebe | hooge Mannen Gods voor doode gevrucht en waer dat
Kinderen / boog Dit leugenachtige en berlepdiz | gewreeft/ en hebben haer gemepnlijken daer Codswoort
fche geflachte bewaren in Det eeuwighept. niet benen gegeven/ waer zn ongelijk vermoe⸗ en —* is,
den / ect ſn met eene buſoudere ſpraeck van den ren zenvos
Ten achtften, en ten laeften,fchrijven fy:wel Heinel / oft doas openbacinge (der Engelen) fa ringe, daer
aen, hebben fy de waerheydt } {oo laet haer in't if het vecht behouden hebbe, daer toe gebsoz mash „ook
openbaer komen. dert en vermaent wozden, —— —
Antwoort Alſoo fchijnt wel / dat Elias na die lange 5"
| 2E.
en bloetdorft Jer willen Wop den Hefer wel trouwelijk | droogte en honger den Bonink Achab verſche⸗
vermaent hebben / dat hp doch wel gen⸗ nenis / 3 Seg.18.1r, Amos 7.10.
merke upt wat grondt en mepniuge fp ſulcis Alſoo fpzalien de Apoſtelen dat woordt deg
ons boor werpen : Want Die meefte pact Doen | Heeten vzꝛumoedigh in den Tempel / daer nac
Bet niet / dan unt enkel nijdighepdt en Bloet⸗ | Dat fp van den Engel upt de gevanlienis uptz
Dozft/ weten Wap wel gewiſſelijſie hopende/ fa | geleit Worden. Actor.5. 19. Wct.12.7. 16. zo,
wat opentlijfken aenbingen/ Datalgdandie, Alſo predikte Paulug tot Corinthen anderz
ſaek wel haeſt fijn epnde hebben ſoude / Die au: | half jaer / alg de Heere daor cen geficht tot hem
deren bp avonturen upt eenboudighent en ſim⸗ geſprolien hadde. Dreeft u niet / maer fpzeecht
pelhent / twwijffelende of von die Schzrift in deſe ende en ſwijgt niet/ want ilt ben met u/ en nies
fake níet genoeg en deden/de wijle Chriſtus en mant fal hem onderwinden u te fchaden/Wwant
fijn Apoſtelen / ook de Pzopleten gemepnlijk/ | ils hebbe een groot Volk in defer Stadt. Ende Actors}.
boor ’t Dollt ín ’t openbaer gepredikt hebben | Diergelijken meer. Wp weten wel tieve Hefer) 0i6.5.
Daer toe fm gefonden Waren. Die't dan upt | dat Bodt —— ig / de ſijne te bewaren /
Bloetdorſt doen / dan antwoorden Wp/ Dat fp | wanneer het alſoo fijn willeig. Want die de
bat ontfchuldig Bloet met den Phariſeen ende Syriers berblinde/die Welizeum vangen wou⸗
Schaiftgeleerden op haer geladen hebben / den / 4 Weg. 6,18,
JPatt.23.34. Joa.1o. 16. Wue. 11.49, enmet |_ Die Konam in den Walbifcfy daor dat woe: 4 Reg 5.18.
den Dootflagers gecelient zijn. fte men? boeren liet / en tot Ninive toe befchifg: Gen.ro.rr.
Maer die het uut ſimpelhent doen (foo daer te / Jone 1, 13. Die dat heete bier fijn Kracht tkn
eenige zijn mochten / als Wp verhoopen) dier Ham. Ende der Teeuwen ment berftopte. rake —*—
autwoorden wy in aller liefden / dat fn Die gant⸗ Dan. 6,22, Die de Apoftelen door den Enge: Dan.-6.a1.
fche Schrift onderfaecken willen met blijt/ oft | len Dienft verloſte. Actar.r2.1r. En Petrum Aftorra. 1e
fp aak eenige Steden binden fullen / dat haer |andermael. Act,r2.rr. Dat is de Heerſchap⸗
die Apoſtelen en Pzopheten daer vruwilliglije⸗ per) Heere / die ín fijner kracht en Majeſtent
ken en onwerſaegt hebben hen gegeven am te leeft onberanderlijks.
gzedilken/ daer fi waerachtelijk en gewiffelijk | Maer dewijke dat fodantge werken / ſonder⸗
wiſten / dat fa ſterven moeften/ gelijck Wap we⸗ linge wonderwer!ten en krachten Godts ziju,
ten dat wa onget wijffelt doen moeten/ foo wp die niet alfa aen een pegelfjcken altoos van
angeoosloft vaag den Dag quamen. Heen / neen Bodt bewefen worden / en ons geen Spreuc:
fu zijn altijt ban Die plaetfen en Steden (fo ick | ken in de gantfche Schrift daer henen dringen
kecht onthonden hebbe) afgewelten Daer ſy wi⸗ Dat Wo ang begeven fouden daer wp waerach⸗
telijſt
ten/ oft Dat un eeuwig ges
maet met (klare duntlijc
Den vermaent werden /
rannen biteden fal; Matt. ro. Ende die liebe
Mannen en Dienaers Godts vol met den D.
Geeft, dat ſelfſte oon alfo gedaen hebben, alg
qetept is / foo feggen wp eenboudigh en ſimpe⸗
lijk (en dat ín cen goede Confcientie) dat wu
nu noch tot geenen tijden op alſulckie wijf ful-
len dact vaor treden / Get za dan Fake datmen
Matth,10.23.
Jer.1.7.
Matth.2. 13.
4. 12.
Pe Schrift
Wil, datmen
——— unt der Schzrift datmen doch niet doen en kan
den al, Dat weten Wa gewiſſelijck) dat wa ſullis daen
moeten, als wp ban des Weeren ſterlie kracht)
bet zu dan door dat aenbaeren der Engelen /
ofte daag een geweldige druvinge des hepligen
Geefts / met de Apoſtelen en Pꝛopheten daer
toe gedzongen Worden / als gehoort is / mact
wanneer falls gefchieden kan / ſtaen Wp nu en
tot allen tijden deg Weeren wille berent fijn H.
Wooꝛt en Sacramenten in't openbact te drij
heu en gebzunlien / ons oberkome of wederva:
ter lief oft leet.
Ook ig den Eerſamen Hefer Wel bekent / hoe
Dat wp op alle plaetfen /_ der Geleerden op-
roerdersen moeytemakers heten moeten, hae:
el op ín foo lieflijker ſtilhent wandelen/ ende
Ons tegen alle Man fa vedelijk bewijfen / alg
allen vedelijken Lunden / die van ons kenniſſe
hebben; wel bektent is / en Won nu tegen alle dat
vpantlijke fchelden der geleerden / tegen alle
De wreede Mandamenten der geweldigen/ en
| tegen die dulle vafcrije des gemennen Volclis
| met deg Weeren woort openlijk boor den dagh
guamen/ alsdan fullen fanannige haer monden
| opfpa2ren en roepen / oproerders, oproerders,
| hae wel won (Den Heere zy danck) van alle op⸗
voer en Bloetbergieten onſchuldig en ven zijn/
alg gehoozt ís.
Maer Die andere ſouden ſeggen (ende niet
á Cor.6. 46.
temde liefge am ’t legen bzoghten/ nademaecl
wy wel wiften / Watter op allen plaetfen over
Ons befloten is / en Wp nochtans met openba:
te Heere aen den Dag quamen.
Dooers begeeren Wia/ Dat de redelijcke Hefer
| wil aenmerkken / hoe Dat ceren vechten Tee⸗
| raer / die des Heeren waart onfteaffelijk predikt
huudensdaegs ín geen Koninſirjſien/ Tandt/ | kl
of Stadt ander den gantſchen IJemel/ fa vezre
als ong beltent is / opentlijkk waanen oft wan:
Delen magh / Want hu ſlegts bekent is: magh
bu dan niet wandelen noch woonen / hoe fal hj
Dan Peedilten enn Weeeren *
Deggelijkten fien Won met onſen aagen / dat
doch Die ſinwele onnoſele Schapen moeten lij:
den / en ín den doot gelevert werden / hoewel
Nietdefen, ſy geen Weeraerg en zijn / en die Leeraers die
paer PA men doch alle dingh wijten Wil / en Want boven
bam, riepen
Pad
Nn
zy. alle quaet-duenderg met Chziſto Jeſu gehaet
Jer. werden / fanden fn haer dan nach ge
Matth 10.23.
Marth.2.rz, Ijchewel in Defe onſinnige / _berfch
ár. © ike tijt aller baoshept en Cpranmijen in ’t a
Aétor.8. 5. penbaer geben) moeſte een groote fathent zijn/
want om fulchs te doen / Werdt noch ban dat
vernuft nach Lan die Schrift geraden.
En hoewel Wop dan in die openbare verga⸗
deringen daer pder man 't ſamen Komt / níet
leeren / foa en Wert nochtang die waerhept níet
beef Weegen / maer fn werdt hier en Daer gez
peedikt/ bede by dagh en bp nacht / in Steden
berfchrichez
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
En Verantwoordinge.
telijſt en gewiffelijt weten dat kan ſterven moe⸗
angen moeſten zijn /
Been openbare woor⸗
datmen voor die Cy:
Ons met oprechtiger beoomer herten El
met onrecht) dat on ans ſelfs met een onge-\ Ian of D
|
|
des getupgen.
Ju gelijkker maten moeten Vlaenderen, Bra
bant, Hollant, Gelderlant, &c. aen den dagh
Des laetſten gerichts Wel bekennen / dat haer
Dat Woowdt ín grooter Kracht gepredicht
IS / anc fp Des gepredickten Woozdts
halve dat onſchuldigh bloedt als water
vergieten) fa het Wert aen Die ſelfſte plaetfe al-
oo gepzedikkt ) DAE wp met den 9. Paulo wel
magen feggen/ is onfe Guangelíum bedekt faa
ishet bedeckt ín De gene / díe berioren werden
onder wellte de Godt van defer werelt der on-
geloviger finnen verblint heeft.
Vaer beneven hebbe fl ontrent Anno: 545
en 1546. een openbaer befpzert ende bn een ho⸗
minge onder Biſſchop Herman van Ceulen,
den Pzedilkanten ban Bon aengegeben fa men
mp een ban gelepde gunnen Woude.
Noch tweemael met vijke fchriften aen die
Van Emden, en eenmael aen díe ban Welel op
gelijker Conditien.
Maer hoewel die van Bon , en oock Die bard
Wefel, ſommige ban den Bzoederen felfs fulhg
hadden boorgegeben/nochtang doen fh mp gez
willigh ſpeurden / foo is het in eenen valſchen
ſchijn des goets gedaen / ban die ban Bon > en
oolt Ban Die van Emden afgeflagen.
Die ban Wetel begeerden / Dat die henlier
met mp handelen moghbte.
„Stem / ook hebbe ick vaar veel Garen met
cen gedruck dat felffte opentlijckt aengeboden /
Dau níet berkivegen.
let mijn goede Hefer / aldus hebben wp
ban aenbegin onfes dienſts berent geweeft ve
kenfchap ong geloofs eenen
lijch te geben / die het met
ons enffchen /
Bozger / qeteer
goeder trouwe ban
bu Waer dan Oberighent ofte
t) oft ongeleert / Wijk of em/
zouwe / ffaen oock noch hupdens:
daegos daer toe betent/ foo vezre ons mogelijks
is / want wp en ſchamen ons des Euange⸗
liums Der heeclijkhent Chꝛiſti niet/ begeert peo
mant ban ong te hooreu/ op zijn berept te lez
ten/ wil pemant onfen gront weten, wp bege:
cenfe in aller klaerhent (fa hem onfe
miet genoegh zijn) ban gantfcher her
aten; Begeert aol
dan zu (uptgenomen
ten te ver⸗
pemant/ bu zy wie hu
Die / Diemen met der
Schaft heeft genoegh gedaen; en ban ons af:
geweken zijn) met opvechtiger bzomer herten
ous geloofs halven Cheiftelijker cn Euangeli⸗
ſeher wijſe met ons handelen / ſonder Philoſo
pheren ſonder Gloſeren en dranen / met Die an=
vervalſchte Euangeliſche Teere en waerhendt
‚met Gods gebodt en verbot / met den gebruuß /
„Geeft / en boozbeelt Cheiſti/ en fijner Honger
ren / en Dat fonder eenige fchalkkhent/ bedroah
en avgelift/ alg Hilarius en Auguftinus, en noch
meer andere / met ſommigen ín der leere fit
ſpect tot haren tijden wel gedaen hebben / wp
| fuilen daar des Heeren genade / foo bere ong
‚mogelijk i8/en het voor een gantfche Gemenn-
te / of vooꝛ een / 2o of 30 onparthdiſche cedelijke
getupgen gefchieden magh / niet ontwijcken.
Want dat ig ons hoogſte luft / die waerhendt
aen den dagh te brengen / maer dat bloedt·
gierige moosden Antichziſti (ſegge ick) moeft
uptblijven / want t is Dunvels/ en betaemt
geenen Cheiſten.
tt 2 Aen⸗
515
eu Landen / met mont et Schriften / met leven
en doot / Richteren / Beuls / Ucrkers Banden,
Water / Vier / Sweerden en Staken moeten
pegelijft gewillig⸗ Piet:
Schriften .
Hier wert de
Duyvel der
werelt Godt
genoemt ;
want de we-
relt denDuy-
vel gehoor-
faem is.
2Cor.4.4.
Efai. 6.9.
Joan.1:.40.
Die met den
Beul onder-
wijfen,heb-
Chriftus
Geeft niet,
Dierechte }
Chriftenen
zijn, fcha-
men haer des
Euangeliums
Apoc.r7.
vers 18.
Joa.8. ws.44.
Sa
P.2z.24.
men
IH 516 Befluyt.
Aengeſien dan | dat onfe Adverſarne en tez voor onfen Godt vetfchijnen willen. waer mede ick by
J E dl - ' b
genpattpe onſe Leere en leben / by veel gedach⸗ ——— geenen grooten danck by veel verdient ſal
tigh maken/en in Memoriam revocerem,Dact| Nochtans dewijle fy aller wegen met alfulcke onmen-
mede ſp voozgeven en ſeggen / fo wp de waer⸗ſchelijke leugenen en lafterlijke fcheldtwoorden onfer al-
hept hebben /_dat wp dan boor den dagh qua⸗ ler Eere en goeden naem, foo erbarmelijken achter onfen
rugge tooven en fteelen , dat edele waerde Woordt onfes
men ; hoe wel zijt upt enkiel wraeckgierighent Heeren Jefu Chriſti foo jammerlijk vervalfchen en onder-
a doen) want fn weten wel; dat het niet geschie: drucken. Dat geheele aerdtrijk in haer onboetveerdige, wee jaa cal
In Den en kan / dewijle op allen plaetfen Tyran⸗ Godlooſe weſen ophouden en voorftaen, en {bo menigh Godee dien
Godvreefendt vroom kindt in foo {waer verdriet brengen,
nen en bloet vergieters zijn / als men ſien mag / hebben wy dit uyt grooter noodt tot billijker verontfchul- niet verbor-
fo hebben fp hiet met onſe goede en befchepden | dinge en Chriftelijker verantwoordinge aller vroomenen Ber cnis,
Godtvreefenden , emle ook tot een waerachtige aenwij- WEEtdat w
antwoort. finge des eeuwigen Goddelijeken waerheydts in trouwer Väân alle defe
Doogtaen ſegge ik / ſoo die waerheyt by onſe liefden daer gedaen, op dat alſo hier mede alle verftandi- befchuldin-
Adverſarios is / en niet bp ans / alg ſn voorge⸗ge ende redelijke Leefers, die ons befcheyt mondelijck SCA vry ende
ben/ en het is openbaer / dat fn met haer Lee⸗ | niet hooren en konnen —— sage a vien —
tverecht richten ende oordeelen mogen, onſer aller on- ⸗
Le) geloove / en leven / in alle vaphept voo, ue fchult hooren , ende mogen die ellendiae ongeaghte
gantſche werelt paſſeeren mogen) verſtae teen waerheyt leeren bekennen, die haer van haren Predikan-
veder in fijner Secten: maer wp / omdat Wp | ten foo deerlijken geftolen ende gerooft wert , ende wil-
alte dage lijden en ſterven moeten dat ſp doch len daer mede deſe, ende ook alle andere onbefchaemde
leugens ende lafter {preuken, die foo nijdighlijken over
alsdan foo geel billijkhepdts en liefde aen ons ons uytgeroepen worden, den Heere in fijn hant ſtellen,
arme 5 bewijfen willen / en willen ong een — — tot op den dag des jongften gerichts
gewiſſe vrnheit van Der Overigheit verkrijgen) | vevo'en hensen, —
* s85 wogen vaſt haers Vaders aerdt bewijfen, ende die M
dien fp met haer onberdzaeglycke ſware ſchel⸗ — —— * tot boven toe ———— ‚ ten wil ke
den en liegen fo deerlijken ober ons verbittert doen anders niet zijn. Wy hoopen door des Heeren genade E{ai.so.
hebben / dat billijk bu geen redelijke Menſchen / onfe zielen in lijtſaemheyt te beſitten, ende ons 2enge- Heb, 10.
ik f wijge bp Cúziftenen fijn foude — van die befpieders niette keeren, tot dat hy komen
/ je à al, die daer komen fal, als dan fullen fy fien in wien (y
@p dat wye alfa ín haer tegenwoordighent / gefteeken hebben . Apoc.1 Ende wilalfoo mijn Lefer en
boog een Holle vergaderinge / of boor 20/ 30/ of Tochoorders, fy zijn van hoogen en leegen fate, geleert
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Eenen goe-
den raet, om
dat ontſchul ·
digh bloet te
vermijden ,
en die waer-
heyt aen zijn
zecht te hele
en,
40, onpactijdifche cedelijke getupgen ) als qe ende ongeleert , hier mede uyt herten gront gebeden heb-
fent is / onfen gront / Leere en gelove) daer Wo.
Dug deerlijſien om gefcholden en vervolgt Wer
den / met gewiſſe en ware getupgeniſſe dee H.
Schꝛift / klaerlijken en befchepdentlijken voor⸗
gegeven / hooren en oozdeelen laten / hebben fn
dan eenigh recht tegen⸗·woort / of Schrift te⸗
gen onfen gront / Leere en gefooe/ laetſe ſpre⸗
ben om Jefus wille, dat fy my deſen mijnen arbeydt in ’t
goetafnemenin aller liefden, ende recht beduyden wil-
len, waat ick het niet anders dan tot prijs mijns Godts ;
ende tot dienft aller goethertigen gedaen hebbe , en dat dienft , dat fy
met {ulke toeverfigt, datdie Overigheyt (ik meyne die recht weten
redelijker ende befcheydentlijker van aert zijn, ende niet mogen,
geerne moetwilliglijk tegen harer Godt handelen en doen
fouden) een weinigh beter mogen voor fien, dat fy het
Godtlofe weten niet meer hant-houden noch dat onfchul-
+ * digh bloet op haer laden. )
ken in den naem Des Heeren / de waerhendt ſal ‘Datde — die onwetende dwalen, door ful- ——
de kroon dzagen/ fo niet / dat fp De hant op ha⸗
ke kiare aenwijfingen ‚ van haer liegen lafteren, fchel- fchouwinge,
cen omt leggen en il jouden/ en dat zecht en, den ende ian mer han Ooo le Ster op dar fy de
goet (9) niet meer laftecen en ſchantvlecken. À VOOR Zielen on-
ftaen. vervoert la⸗
Ja goede Hefer / wanneer ſullis gefchieben Den gemeynen man, dat fy haer herte en gemoet op des be
mochte / ſo ſouder menige bedroefde moopt ach⸗ Heeren woort righten » den rechten wegh foecken, den Den gemeys
ter blijven / menige ellendige Ziele) Die in foo ende liner iondige — elen ain “etven» nen Man cot
berdoemelijcke blinthept ban haet opgehouden, Mijn hertgrondelijke lieve Lefer, lact hetu niet ver- ——
Werden / unt die ſtrickken Der Wellen en des drieten ſoo het u vleeſch een weynigh bitter mogt fmaken, br haet be-
Boots verloft Werden / en De edele glovieufe | SIE” in Chrifto, het is de reyne waerheyt , dat wy hier kennen mg
\betuygt hebben, daer fal oock de :
waerhent bp alle man fa feet gehaet en beragt Ei tieve Veronden ‘wenen eauwiok
T \ wegh, light, en waecheydt bevonden werden eeuwigh. gen.
ín ſchooner en hoftelijker weerden / biet boor
komen. Maer foo Geel beſchepdenhent ís cot
onfen tijden noch niet gebonden.
Nademael wp Dan tot geenen € heiftelijken
gapen handel met haer ober komen mage, hoe:
wel wp Dat fo hectelijk en ſeer aen haer verfagt
hebben als gefept is / en noch gelijſewel hp die
ongeleerden en onervaren ſchrepen en caepen :
Hebben fp Die waerhept waerom treden ende
komen fia voo? den dagh niet : Alsdan maah
die vgdelijkke enn vernuftige Leſer nadenchen /
uit wat gront/mepninge en heete fp fulkg roe⸗
pen/ wat gelove / liefde Euangelium / en waer:
hent dat fp hebben / en van wat Geeſt fn gedre⸗
ben werden / want al wie De waerhendt heeft /
Die en ſal nimmermeer tot fchande werden/
want de waethepdt is groot / ſtercker als Die
Wijn/ Uoninck en D2ouwen/ 3 Esd.4. HS 38.
Befluyt.
Hler hebt gy weerde Leſer, onfe ontſehuldinge en bil-
licke verantwootdinge tegen die bittere nijdige dich- |
tinge, en lafter-{preuken onfer misgunneren, daer by wy
leven en flerven willen, en aen den daghdes Gerichts
lijk,
„Begeere derhalven » datmen ’t voor geen redelijke ende
billijke lieden en menfchen verholen en bergen wil, dan
datmen eenen yegelijken lefen, en hooren late, fy zijn
dan wie, en waer fy zijn» foo verre men eenige vruchten
aen haer verhoopt, ende ſy niet na yemants verderven;
goet of bloet ftaen , op dat die falighmakende waerheydt
Tefu Chrifti daer door magh breeken,en die verdoemclijke
leugen Antichrifti afnemen en onder gaen.
‚De Almachtige eeuwige Vader die Schepper aller dingen
die Godt des Hemels en der Aerden, gunne alle mijn
Leler en toehoorders, de Heemelfche gave, en kraght
fijns heyligen Geeft, datfe defe mijne kleyne arbeyt, in
rechter Gods vreefe , met zeyner herten onpartijdigh mo «
gen lefen en hooren, met wijsheydt onderfoecken, wel
verftaen, met rechten geloove aengrijpen , ende in cen
dae gehoorfaemheyt , tot prijs haers Godts, en fa-
igheydt haerder zielen, onderdanighlijecken nakomen 3
door fijnen lieven Soon Jefum Chriftum onfen Heere, den
felflten fy Eere en Prijs, Rijck , kracht en Majefteyt van
eeuwigheyt in eeuwigheyt, Amen.
Valfche monden fijnden Heere een afgrijfelijckheydt 4
Maer die gerrouwelijck handelen; die behagen hem wel ,
| Prôv.12.22. Prov.6.1:
En verciert geen Leugenen tegen uwen Broeder, noch
tegen uwen Vrient, en gewent u niet tot liegen, want
dat is een fchandelijke gewoonte , Ecel.7.
MENNO SYMONS.
EEN
4
KEN
KORTE ENDE KLARE
BEE YT DAEN GE
ENDE
SCHRIFTELYCKE
AEN WYXSINGE:
Ten eerften:
Van der Menfch-werdinge onfes lieven Heeren
FES GHKISIIS
Ten tweeden :
Hoe dat beydedeLeeraers ende de Gemeynte
CHRISTI , nae Schrifts vermeldinge fullen ende
moeten geaert zijn ;
Gefthreven aen de Edele ende Hoogh-geleerde Heeten,
H. JOHAN à LASCO;
J met t ſamen fijne Mede-hulperen binnen Emden,
| Anno M. D. XLIV.
| DOOR
| MENNO SYMONS
| Joan. 8.31.
Si manferitis in fermone meo ‚ veri Difcipuli mei eritis , & cognöftetis
| weritatem, & veritas liberos reddet yos.
1 Cor. 3.11.
Fundamentum aliud nemo poteft ponere, prater id quod pofstum eft ;
quod eſt Fefus Chriſtus.
Gedrukt int ’ Jaer onfes Heeren, M. DC. LXXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ep)
8
8
T
—
©
a)
*
®
8
5
‚o
Ee
rn)
®
—
mv,
‚5
—
5
rn
5
>
Kel
®
E
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by cou
3197 B 28
sij
MENNo SyMons venſchet den Edelen endeHoogh-geleerden Heeren,
Heeren JOHANN. à LASCO , ende fijnen Mede- hulperen ; jae oock
| alle Staten ende Conditien der menfchen in den Landen van Ooft-Vrieflant;
| waerachtige Geloove, klaer geftcht ‚ware kennifle, den Heyligen Geeft, die
| lieflijcke vreeſe ende reyne liefde des Heeren, een onftraffelijke wandelinge,
| ende dat eeuwige leven van Godt onfen Hemelfchen Vader, door Fefuin
| Chriftum fijnen beminden Sone onfen Heere, dewelcke ons lief gehadt heeft;
| ende heeft ons gewaſſchen in fijnen bloede, hem zy glorie, eere ende prijs,
| rijck, Kracht ende Majefteyt vaneeuwigheyt tot eeuwigheyt, Amen.
VOORREDEN.
O ick in den laetften uytgang des eerften maents des Jaers 4 3. Alder=
| lieffte vrienden en Broederen,binnen Embden by u geweeft ben drie
oft vier dagen minnelijk met u handelende over de twiftige Articulen on-
fe geloove en Religion aengaende,om welcker wille ick ook aldaer,om by
te verfchijnen begeertende verlchreven was. Ten eerften van de Menſch-
werdingeonfes lieven Heeren Jefu Chrifti, daer ghy my (als gy wel weer)
tegen mijnen wille toe genoodight ende gedrongen hebt. Ten twee-
den, van den Doop der onmondiger kinderen, hier inne niet over een
komende : ſo hebt ghy my vriendlijk met eenen goeden afſcheyt mijnder
{traten met vreden laten henen trecken. Begeerende nochtans als dat
ick den gront mijns geloofs, dien ick hadde in (chriften vervact, binnen
| eenen beftemden tijt, namelijck,binnen drie maenden, tot U. L. banden
wilde overfchrijven endetoefchicken. Op dat ghy door alfulcke belij-
dinge in (chriften verklaert, uwer van Godt beroepen Overheyt, onfe ge-
loove,neerftigheyt, foecken, begeeren en leven, dat nochtans feer kranck
| ende fwack is, mochtet aenwijfen en bekent maken, op wat gront, fchrif-
| ten ende reden, onfe voorgenomen leere, geloove ende leven aengeleyt
| ende gefondeert zijn, verhope ende vertrouwe door des Heeren genade,
| dar ghy dat felve uytgeenen quaden herten oft meyninge voorgenomen
| en hebt, ook aen my verfocht, ge-ey{cht ende begeert hebt.
Daerom dit felve te doen, hebbe ick uwer vrientlijker begeerten toege-
feyt ende belooft, blijde ende vrolijk in den geeft, om dat alfo door U. L.
aen wijfinge onfes geloofs, leere ende levens handel,den hoogen van (tate,
ende dien des uyterlijken ſveerts forge bevolen is‚op het alderbefte mog-
te aengedragen ende bekent worden, ende alfo de quade {ufpicie neven
ons gerefen uyt de fchadelijke oproer, ende uyt de fchandelijke leere ende
| gebruyck der valfcher Propheten, die alletijt beneven dit Euangelio on-
| dereenen heyligen fchijnende letter der Schriftuuren tot grootet hinder-
| niffe inkomen in de herten der wijfen ende kloecken magh ondergaen
ende verfterven , fo wy dochder grouwelijcker leere , oproer, muyterye;
bloetgierigheyt, veelheyt der vrouwen, ende fulcker grouwelen voor on:
| fen Gode, die alle herten kent, reyn ende vry zijn, ja haten tende weder=
ſtrijdenꝰt uyt gront onfer zielen, als openbare bekende ketterye, are
cien-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Een yégelijk
Chriften,hoe
onftra ffelijk
hy is, moet
voor Godt
belijden, dat
fijn leven
feer fwack iss
1 Gor,‚7.
Col. 3. 1
dat
draeght
herten.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
foan. 14.
Joan.z1.
Rom. 14-19.
met goeder
520 VOORREDEN.
feientien ftricken, ende vervoeringen, als zielen verleydingen ende be-
drogh,ende als peftilentialifche leeringen van allen Godtlijken ſchriften
vervloeckt ende verbannen, want hoe ſouden doch de rechte Broeders en
Sufters Jeſu Chrifti, die goetwillige kinderen Godts, die met Chrifto Je-
fa vanboven, uyt Godt den Vader zijn geboren, ende dat krachtige zact
des Godrlijken woorts in Chrifto Jefu, ende door Chriftum wedergebo-
ren ende vernieuwt deelachtig fijnder aert, Geeft ende natueren hem ge-
5. lijkformig, Chriftelijk en Hemelfch gefinner, eenige oproer mogen lee-
5. ren aentechten,oft confenteren? devijle fy den vreedrfamigen Vorft en
Mathss. Prince des eeuwigen vredes‚in allen dingen nade mate des Geloofs, goet-
Rom.15.
Een ei, willig ende bereyt ftaen, die doch niet dan lijdefaemheyt , verduldigheyr,
Chriften is’t
Tj
hy i - b rr
vrede niee endedenceuwigen vrede, allen den fijnen nagelaten en geleert heeft, feg=
even en J .*
gende: Mijnen vrede geve ick u, mijnen vrede verlaet ick u.Item,vrede zy
€ . . - . hd En
by zievmaer mer u,want fijn Rijk iseen Rijk der liefden, der eenigheyr,des vredes, en
enrecht ver-
by der beteringen,en niet des haets,des oproers,des bloets,des onvreets,ende
des brekens.ltem,in vreden heeft ons God geroepen.ttem,de vrede Gods
hebbe de overhantin uwen herten, tot den welcken ghy geropen zijt.
Item, ſalig zijn de vredemakers. De Godt der hopen(feyt Paulus) vervulle
mer alderley blijdefchap ende vrede in't geloove. Ick weet wel, mijn al-
derliefften, dat defe aengekende plaetfen van den inwendigen vrede, die
door Chriftum komt, den meeftendeel zijn gefprooken, evenwel wie de-
fen inwendigen Chriftelijken vrede recht in fijnder herten draeght ende
befloten heeft,die en {al nimmermeer in eenige oproer,verraderye, muy-
terye, moorderye, die verye, oft fulcke ſchanden, meer conſenteren of han-
dadig voor Godt endede Werelt bevonden vorden, want de Geeft Chri-
ti die in hem is,en foeckt geen quaet, maer goet, geen breken,maer hee-
len, geen verderven, maer helpen, overal neerftig in vreden te leven mec
alle menfchen , fo verre als’t hem mogelijk is, hy foeckt den vrede ende
ſtaet daer na,jahy haeckt na den vrede meteenen yegelijken,en na de hey-
ligmakinge,fonder welcke niemant Godt fien fal, Hebr. 12. 14.
Siet mijnlieve vrienden ende Broederen , door defe ende noch meer
andere fchriften ende redenen worden wy geleert en gewaerfchout, geen
letterlijck Gweertleeren aen te grijpen, oft te confenteren in der eeuwig-
r Petr.r. 23:
—* tweeefnijdende krachtige ſcherpe (weert des Geeſts, dat uyt des Hee-
Apac. 1,16. *
sie ren mont gaet, namelijken, Godts woordt, 4 Eſdr.13. 28. Daer mede be-
Teer heyt (Excepte ordinario poteſtatis gladio, in debitum uſum vero) anders dan dat
geeren wy dar Rijke des Satans in den gront te verftooren, alle de gant-
{che wijde Werelt tot bereringe ende faligheyt te dwingen, ende met dat
felve geeftelijke fweert alle verfteende ende verftockte herten te verplet-
ten,te vermorfelen ende doot te fteken, Begeerende fegge ick, hier me-
de door des Heeren Geeft genade ende kracht, te befnijden alle vleefch,
hoogh,leegh, rijck, arm „geleert, ongeleert, van allen hage pins
ende
‚VOO SRIRE DE N. str
ende pracl, gierigheyt, woecker, valfche koopmanfchap, loeh, bedrogh,
dieverye, rooverye, bloetvergieten der onfchuldigen, haer, nijt, overfpel,
hoererye, onkuysheyt, onnaruerlijke onreynighey:, gulſigheyt, wijnfuy-
pen,dronckenfchap, brafleryen, van dat groufame vloecken en fweeren,
blintheyt, ydelheyt, ende van de afgrijfelijke onbehoorlijke Afgoderye ,
op dat fy alle met malkanderen ſy zijn wie dat ſy zijn,door die reyne vree-
fe des Heeren, uyt de welcke komt de fekere kenniffe der oordelen G odes,
in haren inwendigen menſche voor Godt vernedert ende verootmoedigt
mogen worden , daer na door de fekere kenniffe der weldaden Godts {o
rijkelijken neven ons bewefen, door Chriftum Jefum mogen verquickt
ende vertrooft worden , ende treden alfo uyt,door kracht haers geloofs,
werckende door deliefde, goerwillighalle haer eygen wijsheyt, vernuft,
Philofophye,Sophifterye,onwilligheyt,traegheyr, fchadelijke luſten, on-
geloove,ongehoorfaemheyt,ende dat ſeer verdwaelde vleeſchelijke dulle
leven defer Werelt, mogen weder intreden in alderley Godtſalige wijs-
f CA | €
heyt, waerheyt ‚ liefde, ernft, foberheyt, rechte Sacramenten ‚ rechten
Godts-dienft, in de volle gehoorfaemheydt Godts ende Chrifti, ende in
alle de Chriftelijke vruchten, die daer vloeyen uyt een reyn herte, gocde
Confcientie, ende ongeveynft Geloove.
Aldus en ftrijden wy niet mer vleefchelijke Wapenen, maer met gee-
ftelijke wapenen, namelijk,met lijtfaemheyt,ende met des Heeren woort
° . 2
tegen alle vleeſch, tegen werelt ende Duyvel, in dat betrouwen Chrifti,
daer en fullen ook geen andere Wapenen by ons bevonden worden tor
eeuwigen dagen. Daerom {oen vreeft ons niet, (want fiet, in Chrifto
Jefu ick en liege niet) wy en foecken niet uwer verdervinge, maer uwe bee
teringe , niet uwe verdoemenifle ,‚ maer uwe ceuwigefaligheyt: Niet
uw vleefch ende bloet, maer uwen geeft ende ziele. Om welcker ville
ick feven Jaer langh, grooten À
zie | ngh,grooten lafter ende ſmaetheyt, bangigheyt , onge-
Mack 3 hit
— — * ende ſeer groote periculen der gevanckeniſſen
ebbe moeten lijden, ende noch dagelijcks meer ende meer.
Want wat het woort des Heeren rijkelijker door Godts genade uytbrey-
ens beteringe fommiger menſchen, (die nochtans feer weynig zijn) fo
die raetende bitterheye tegen my meer en meer waften oprijft. Alfo dat
ick cot defer uuren toe in alle defe Landen rondtsom (daer fy de ydele be-
—— des Godtlijken woorts,veel meer, dan de Godtlijke vreeſe (ey-
—— nge tijt gehade hebbe) niet een hutken en weet te krijgen, noch
een leemigh ftroyen kamerken (de Heere zy gebenedijt) daer mijne ar-
me Huysvrouwe,met onfe kleyne kinderkens, een Jaer oft een half in vry-
* —— in ruſten en woonen. O vreede onbarmhertige Chriſtenen.
os wiften alle Heeren ende Vorften, ookalle Wijfen en Geleerden,dar
zen <en, voornemen ende begeeren mijns herten, en ook dat herte onfer
iever Broederen , die door des Heeren genade, Geeft en woort in eenen
Dh ande.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
EEE
EE
—
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— — — —
— VOOR0 0.
anderen geeft af nieuwe geboorte bekeert zijn, verftonden zy oock ons
drijven en leeren recht , hoe geringe foude als dan haer herte en finnen
omgekeert en verandert worden. Maer dewijle fy alle met malkanderen
(leer weynigh uytgenomen) nier dan enkel aerde en vleefch, en zijn,
en den Geeft Chrifti niet en hebben, fo en mogen wy (eylacen) van haer
niet horen dan fchelden en Ketteren, niet op defer Aerden verwachten
(ik fpreke hier van den quaden) dan fack, (taek „water, vier, raten ſweert,
alseen befoldinge der dankbaerheyt, dat wy onfe ende des gantſchen
werelts bekeeringe Saligheyt en eeuwige leven, met {oo grooter neer-
ftigheyt, forge , moeyte en arbeycuyt den afgront onfer zielen begeert
en gefocht hebben, en noch foecken. Want ick en jage immers na geen
dink, (dies Godt mijn alderhooghfteen rechte getuyge zy) dan alleene
eb. 1 dat de Godt des Hemelsender Aerden door fijnen gebenedijden Soon
om. 13e ike
Heb. n2.2: Chriftum Jefum ‚ fijnen prijs recht magh hebben in lijn gebenedijde
Rom.1ze 12+
Lucs woort, datalle menfchen mogen zaligh worden, en waken op indefen
Matt, 3.I-
Matt 28,19: bequamen tijt der genaden ‚ uytharen diepen flaep der fonden. Mogen
Mor-39 afleggende aenklevende fonden , en de verdoemelijke wercken der dui-
Wats. fterniffen: Mogen wederom aentrecken de wapenen des lichts, op dat
sreses- ſy alfoo te famen met ons door rechte ware boete en penitentie, rechte
INP Jeere , rechte gelove, rechtedoop, recht Avontmael , rechte ban of af-
fnijdinge, rechte liefde, rechte gehoorfaemheyt en leven, mogen were
den een H. Chriftelijke Kerke, Gemeynteen Lichaem in Chrifto Jefu,
hee welke de gantſche wijde Werelt noch heden ten dage op't alderfterk-
fte tegen ſtrijt, met beyden fchouderenende hoornen, niet willende dat
Chriftus Jelus in der eeuwigheyt gebenedijt over haer {oude heerfchen ,
Luc.19.47. Ja fy vervolgen,verbannen, branden, moorden ‚en roeyen
uyt allede gene die des Heeren rechten ‚lof, eere, prijs, willeen gebode
haer van gantfcher herten leeren,aenwijfenen toedragen. Dehis fatis.
Aengefien ik dan uwe vriendelijke begeerte in defe fake voldoe , alfoo
dat ik u mijn leere, gelove en neerftigheyt, gelijk te voren met den mont
nu wederom door defe mijne Schriften op her alder naufte belijden ende
open doe, tot welke ik nade leere Petri, ook allen menfchen goet willig
bereyt ſta, als’t boven gefeyt is À foo begeere ik ook aen u , foo lieflijck
als u Chriftus Jefus is, dat gy defe mijn Belijdinge (welke Gods W oort
is) niet en wiltinfien met blinden vleefchelijken oogen , gelijck de dulle
onverftandige werelt doet , die doch in alle dingen.na lijnen eygen wille
en goet dunken wil aengerichteren geleert hebben onder Chriftus na-
me: Datgy ook niet en wilt richten en meten na vleefchelijcker konfte
en wijfe, als met Dialetiamen meer diergelijcker menſchelijcker wijs-
heyt, maer dat gy't alleen wilt infien en richten nades Heeren woorten
waerheyt, iaalfoo , als de gene die des geeftelijcken oordeels recht fin en
goet verftande hebben , namelijk, als onftraffelijke en ag
Mi.
et.3.15.
UE Dn ne
V O OR REDEN. 523
Chriftenen, die vol zijn van der kenniſſe, liefde en vreefe Godts, die
gedreven worden van den H. Geeft , die nieten foecken menfchen gon-
fte, prijs en eere, eygen nur,en vleefchelijke welvaert, macr alleen de
eere en glorie haers Gods, en deeeuwige Saligheyt haerder broederen :
Want fodanigen behoort alleene dat Geeftelijck Oordeel, en niet den
vleefchelijken, 1 Cor.14,29. De Geeft Godts leert, oordeelt, en on-
derfcheyt alledingen. Want niemanten weet, feyt Paulus, wat in den
menfche is, dan de geeft des men{chen alleen die in hem is: Alfoo en
weetook niemant wat Godtisdan de geeft Gods, 1 Cor.2.rr. Hier=
om foo beproeft u voornemen en dat binnenfte uwer zielen wel, recht
als voor Godt, diealle dingen fiet. Voeltufelven van binnen , en doet
| u herte open voor den Heere. Is't dat gy noch foekt eenige vleefchelijke
| vrijheyt, luft, eere en profijt, fo falfonder twijfel u oordeel in geeftelijke
faken (byfonder {oo verre als de uytwendige belijdinge aengaet) gantſch
vleeſchelijk, eygenfoeckelijk , partydig, onrecht en valíchzij “IG
fult ook de klare heldere getuygeniſſen der H. Schriftuuren (om u felven
alfoo te bevryen , en der Werelt daer medete behagen en voldoen) per
logicales & Sopbifticas rationes verleggen en verkeeren. Siet wel toe ende
wacht u dar gy alfoo nieten doet, op dat u de grouwelijcke toorrie des
Heeren om al{ulks nieten ftraffe. Ik weet wel waerom datik u dit fchrij-
ve. Ik vreefe uwer zielen feer, bedenkt wat ik meyne. Ende is’ dat u
herte voor Godt oprecht, reynen vroom is (als ik hoope) en gy metern-
ſte na der waerheyt wacht, foo fultgy ook door des Heeren genade wel
bekennen , dat onfe ſimpele eenvoudige leere, gelove, Sacramenten , en
by dat meeftendeel het leven , byfonder het uytwendige, onftraffelijcke,
| Chriftelijke, Euangelifche, ja gelijkmatigh Gods geeft en woort Zijn.
Ende of Godt u gave door fijne barmhertige goetheyt, dat gy inwen-
| dig in uwer herten als Godts onveranderlijke woort en wille , ja als Gods
leere , geeft en kracht dat bekender: So bidt iku door dat roode bloet
onfes Heeren Jefu Chrifti , dar gy met blijden dankbaren herten dat wilt
| opnemenen ontfangen, enalfo by uwe geordincerde Overheyt, oock
by allen menfehen oordeelen en richten , even gelijk als uwe herte,geeft
of confcientie neven onfeleere, geloove, Sacramenten, en leven ge-
tuygt, en melder. Vreeft niemants hoogheyt; verfmaet niemantskleyn-
heyt , gaet minlijk en oprecht door de Koninklijke ftrate , fpreekende
die heldere klare waerheyt mer allen menſchen, met een goede weten-
ſchap. Op dar gy tegen dat innerlijke begrijp , oordeel en gefichte u-
wer zielen of geefts, tot uwer ceuwiger verdoemeniffe niet en leert,
| {preekt , oordeelt of getuygt. Soo ghy toch felve wel bekent door des
Heeren woort, wie datden H. Geeft tegenfpreeckt ofte laftert dattet
hem niet vergeven en {al worden , noch in defer tijt, noch in der toe-
| komende, Matth. 12. 32. Luc, ro, 12. Marc.3. 28. Hierom mijn alder-
Vvva lief.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
er je
kid VDO OR IRSE SDE CN.
liefſte, onderfoeckt uwen geeft recht; zijtgy geeftelijk, foo fal oock
uwe oordeel fonder twijffel geeftelijk , rechten goet zijn: zijtgy niet;
en gy Gods handelen na uwen moertwille wilt oordeelen, weeu, ick
{preke met u als mer den genen welkers zielen ik na mijn krachte foecke
en beminne. Ikleere en vermane u, hoewel ey veel geleerder zijt als ick
ben, omin alle dingen recht te oordeelen, fonder vleefch of partije ,
want ik vreefe van herten ſeer, datterniet weynige, die oock een part
hooghberoemde mannen zijn geweeft, in geleertheyt feer uyt{chijnen -
de, eneens deels Godt {chijnente vreefen om dat fchandelijke gewin,
wereltlijke eere en vleefchs luften, met verdraeyde Schriften tegens Godt
en fijn gebenedijde woort, om den machtigen en Geweldigen te beha-
gen, tot een verachtinge des Kruys Chrifti, tegen haer eygen confcien-
tieende wetenfchap feer {chandelijk gefchreven , geoordeelt en geleert
hebben. |
Nu welaen , een yegelijk fie weltoe „ dachy de rechte Chriftelijcke
waerheyt met purer reyner herten foecke, en met neerftigheyt na jage,
foo ſal't hem wel gelucken. Want alle diein mijn woordt blyven (ſeydt
Chriftus Jefus) fullen waerachtigh mijn Difcipulen zijn, fy fullen de
waerheyt bekennen, en de waerheyt falfe vry maken. Item, die in hem
betrouwen, fullen de waerheyt verftaen, en de geloovige in der liefde
fullen hem te wille zijn. Item , deverholentheydt des Heeren is onder
| dien, diehem vreefen en fijn verbont {al hy hem laten weten, Pſa. 25. 14.
| De Almachtige Vader door fijnen gebenedijden Sone Chriftum Je-
fum, geve u over alen in allen dingen een recht verftant en klaer geficht,
omin alle dingen recht te oordelen nader Euan gelifcher waerheyt recht
te onderfcheyden dat heylig van’tonheylig, dargoetvan ‘tr quaet, dat
recht vant krom , en dat reyn van ’tonreyn: Op dat fodanige van u hare
groote profijten , eere, en heerlijkheyt , om dat Euangelium Jefu Chri-
fli uytgegaen ende afgetreden zijn ‚ mogen voortaen door feekere waer- |
achtigeerkentenilfe der Schriftuuren geleert en gedrongen door den H. |
Geeft, intreden in allerley Godrfalige wijsheyt , waerheyt, gerechtigheir,
en gehoorfaemheytdes genes , die ons met fijn krachtige woort geleert ,
mer lijnen Geeft getogen , en met fijn roode dierbaer bloet gekochten
verloftheeft, datis Chriftus Jefus , AMEN.
Oordeelt recht „ ende bekent de waerheyt.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
525
EEN -WAERACHTIGE BELYDINGE
ENDE SCHRIFTELYCKE
ONDER MW YSING LE;
Van de alderheyligſte Menſchwerdinge onſes lieven Heeren
IRD OAT TI
Overgefchreeven aen den Edelen ende Hoogh-geleerden Heeren ;
Eleten FO, Ariea AS Kes
Ende fijnen Mede-hulperen binnen Embden. An. at ſupra.
M E N N O SE ONE AD:
EERS mp eerſtmael / ebde (Geeft gebattet / Chriſtum Jeſum in der eeu⸗
lt Weert PVꝛiendẽ en Bꝛoe⸗ wighendt gebenedijt te wefen de : Heere bart
ge sh deren) Defe materie ban | den Hemel / 1 Cor. 15.47. Dat Geeftelijche
erder Menſchwerdinge | beloofde zacdt Der nieuwer ende Geeſtelcker
KEA WE è onfes lieben Heeren Je⸗ Eva) Gen: rap. 3. 08 15. namclijck / de eeu:
LEEN We ꝛiſti/ van den Broc: | wige waerhendt / Goan. capr4. bs t6. Cen
rel bias WEA deren wert voorgeſet en krachtig berwinnaer des Serpents ende fijns
—A wegedragen: Se heb ick zaets / Gen. 3. i5. Luc. 11.21. Joan. 16. 33.
at hoorende / ſeer ontſet ende betfchglest vee” (ge Sodee Waerhept nde worrt is het DEICKE
—— „8 Dat ie doch ín minder zie: |In de balhende deg tijde man den Almaci
ten niet en daalde / noch ín geenen fchadelijken | gen ende barmhertigen Dader daer toe gez
ouasloove boor Goat bevonden en werde. ſchickt ende beftemt / Galat. 4.4. in eene ſim⸗
Jae icn ben deſes Artikels haluen gokt na den | kere reyne Jonck· vrouwe / Eſa. 7. 13. Mamee
ontfangen Daagfel menighmael alfoa ín lijckt Marta door den Hepligen Geeft ende
mijuder Conſcientie benauwt / ge-enght ende kracht ban den Alderhooghſten ontfangen is /
beroert geweeſt / Dat ick menigen dagh obers als fp die Bemelfche boodtſchap ende welbeha⸗
midts groote bangighepdt minder zielen van |gen des Daderg/ door Gabzielem tot haer gee
fpijfe ende dranck geviert hebbe / met ober bloe: dragen / gehoort ende gelooft heeft/ Iuc.r. 22.
dige wijnen aen mijnen Godt verſoght hebbe Dat eeuwige Godts Woordt Bleeſch gewoz⸗
bierighljck begecrende upt Dieper noodt mijn: den is / dat in Den beginne bn Godt/ende Godt
Der aenbechtinge / dat de goede Dader dooz ſelpe was Foan.r.2. Ontfangen (feql ick)
fijne barmhertige genade mp arme bedeoef- | ende hergelkomen Lan den Depligen Geeft /
de Sondaer / die met blijt nae fijuen goeden | Matth. 1, 18. In Maria geneert ende gez
wille ende welbehagen fochte / hoewel in groo⸗ voedt / alg een natuerlijck kint ban fijnder
ter diwolmaeckthept ende fwachtent/ de ber: | macder/ een waerachtigh Sone Godts / ende
bozaenthent der ontfanckeniffe fijns geene: | een waerachtig Sone deg Menſchen unt haer
dijden Soong recht wilde ontflupten ende gebooren waerachtigh vieeſch ende bloet / el:
open doen alfea verre alsꝰt tot heerlijckmaec: lendigh / hongerigh / dosftigh/ lijdelfjch/ ſterffe⸗
inge fijns Henligen naems / tot cen trooſte⸗ lijck / nae Den vleeſche / onſterffeltjck nae den
fiche tavinge mijner bedzuckter Conſcientie Geeft / ons ín allen gelijck / uptgenomen de
pesracrtij ende Lan noaden ware. Aldus fonde/Debz.2.lso. Waerachtigh Godt ende
enen doolende ſommige Dagen/weeclten ende, Menſche / Menſche ende Bodt) niet gedeplt
Menden / Beb ick wel met ſommige uwer (noch geſtuckt / als in half Hemelſch ende half
mebnngen oft geioovens / over deſe boorbe⸗ Aertſch, half menſchen zaet ende half Godts
voerde fafse die mo foo hertelij druckte neer: [zaet , gelijck ſommige feggen/ maer een onge⸗
feelijk gefproochen ende gehandelt / ick en (mengde geheele Chriftug / namelijck / Geeſt /
maaht techtang Boor niemant daer vamge⸗ Ziele ende Lichaem gel Paulus fept Dat
neenfaem ouderrecht ende geleert Wopden :|alle menfchen zijn. De welche / als ho in
Want grof migverffandt Van ſonnwige plact: Godts geftalte wag/ en heeft hp voor geenen
fen dee Scheftuuren / die fa tot bebeftinge roof geacht Godt gelijcht te zijn/ Haer hp
haerder faecken altegeerden / hebbe ick niet | heeft hem ſelven berktennt/ (merckt Wel) fo hj
alteene nae mijn beduncken / maer oock nae |geen ſichtbaerlijcke forme en hadde: Want
Schafts oordeel bp haet bevonden. Alſoo waer heeft hp De geftalte eens knechts aen?
Dat telt ten laetften nae veel vaſten / tranen, |genamen / n gelijckeniffe dee menſchen gez
bfdden / bekommerniffen ende bangighendt / worden / in het wefen bevonden alg een menfch/
boor deg Veeren genade in mijnder zielen op Phil. 2. 7. —
het alderhooghſte vertrooſt ende verquiclit Die grooter dan de Engelen was / is min⸗
: Gs
9
ben geworden / ín den gront bekennende ende der Dan de Engelen geworden / Palm. 3, 5.
geloobende/ berekent boog dat onbedziegelijke | Hebr. 2.7. Want hp ſterven woefte/Dewijte hn
gewiſſe getupgeniſſe der Schꝛriftuuren in den vleeſch ende bloet was redes
È | 3 ck
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
— —— J
— —
— mn
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Felt geloove ende bekenne / dat hp alfa
fander eenigen twijfel nae den felfden vlee⸗
fche / dat ontfangen ende herhomen is ban
Den Wepligen Geeft / geboren is vpt den za:
De oft flamme Davids ende Abzahæe ende
genoemt wordt / Matth. 1.20. geworden
upt den Wijde / gewogden unt det Wet / Ga⸗
eſneden den achtften dagh / ge⸗
lat.4.4.
hoorſaem fijnen Ouderen / opwaſſende in al⸗
lerlen wijshent / outhept / ende gracien / LOO?
Godt ende den menfchen/ LTuc. 2.40.
Defe felfoe Menſche Chzeiſtus Jeſus/
/ Wom. 8. 32.
beeft gepredicht / is geleupft / geftorben
begraben / vezreſen / ende ten Wemel geva⸗
Menno Symons Belijdinge
Ende is alfoo geworden onfe eenige Offer⸗
hande ende Sacrifitie / voldoeninge ende bez
talinge Dao? den Welckten Gode de Bader
berſoent is / fijn gerechtighendt voldaen is /
de maledictie wechgenomen is / de Dupbel /
Sonde ende eeuwige doodt verwonnen in)
het leven wedergebzaght is / Pae genade /
gonft / barmhertighendt / vzede ende Dat eeu⸗
wige leben / gelijcht Paulus fept : Bijnen epz
gen Sone en heeft hyt niet gefpaert / maer vaag
ons allen gelevert / hoe foude hu dan ong alle
Dingen niet met hem gegeven hebben :
Aldus geloobe ende bekenne ich dat Gode
reñ / ende fit aldaer tat Der vechter hant fijns: felbe in Dien vleeſch berfcheenen is / als Pau⸗
Almachtigen Daders / nae het getimgeniſſe lus fent/ 1 Eimath. 3.15. Pae Bodt was
aller Schriftuucen / ende van daer ſal hn we⸗ in Chꝛziſta berfoenende De Werelt met her
Der komen / om te oopdeelen de Schapen en⸗ felfs/ 2 Corinth. 5.19. Heeft uptgewiſcht
de Bockten / de goeden ende quaden / de leben⸗ onfe fonden/ ende 18 weder gaen ſuten tat det
den ende dooden/ Matt. 15.33. 2 Cor.5. 1. 10.
2 Tim.4. 1.
Aldus geloove ende bekenne ick / het ren⸗
ne Woordt Godts / namelijckt / Chziftus
Jeſus een Schepper / Gebodt-geber ende
Derdoemer Ade / ín Adams plactfe / naz
melijck / ín fijnen toozn / doodt ende toege:
ſeydt De maledictíe felbe ingetreden is / ende
heeft door groot medelijden / Liefde ende
harmhertighendt fijng dolende Creatuers /
berdoemelijche laft op hem felfg geladen :
Delve / Jae ſelbe Adam ín den bleefche ges
licl gewwogden. Ende heeft alſoo met ſij⸗
nen doodt het leven weder gebzaght / met
fijnder onnooftlhepdt / gerechtighepdt. ende
gehoorſaemhendt / de eeuwige gevechtighept
deg vechtveerdigen Godts ín allen betaelt
ende volgedaen / gelijck hy ín Dabid fept :
Ich hebbe —— dat ick met gerooft en heb⸗
be/ Pſalm. 69. 5.
Dane Godt en heeft hem De Werelt dooz
Adams vleeſch niet berfoent / Want het
Was Door Godts rechtveerdigheydt den
toopn ende vloeck onderworpen / ende Wat
magh daoz toon ende vloeck verſoent Woz
den 2 Naer hp heeft het dooz hem felben
gedaen / Doo? encltel genade / namelijck/
dooz fijn eeuwige Wooꝛdt / Dat is fijnen qe
benedijden Done / Die den eerſten Adam in
allen Dingen gelijck was geworden / uptgez
nomen de ongerechtighendt / ongehoorſaem⸗
hept ende ſonde: Op dat doch alle heerlijcli⸗
hendt ende prijs Godts ſoude zijn / ende niet
onse oft Adanis. Jae Chziftus Jeſus is
ong ban Godt gemaeckt tot wijshepdt /
tot gevechtighept / tot heplighmaechinge / ende
tot verloffinge. Op dat alfa alg geſchreeben
is / Diehemberoemt/ fal hem beroemen in
Den Heere) 1 Cor. 1. 30.
techterhant des Majeſteyts inder Hoegten/
(ende wozdt aldaer ban alle Godts Engelen
aengebeden / Web2. 1. 6. « Ende op Defen
gront der ontfancheniffe ende Menſch wer⸗
Dinge Chꝛeiſti dienen ende flupten alie Schrifts
getupgeniſſen ende waerhendt. Ten eerſten
dat paulus fept : Wie isꝰt Die opgellonnuen
is / anders dan Die gene Die eerſtmael nederz
‘gedaelt is ín de onderfte Deelen der Werden :
Die nedergedaelt is / is ooch Die gene die bo⸗
ben alle Pemelen geklommen is / op dat hp
het al foude vervullen / Epbhef.4.9- Item⸗
Cheiſtus ſelve: Niemandt en klimt op ten
hHemel / dan Die gene Die neder gedaelt is /
de Sone des menfchen / die Daer is in Den He⸗
mel/ Goan. 3.13. tem ín dactelfde Cas
it píttel: Die ban boben is gekomen / is boven
allen: Die ban der Aerden herkomen is / die
is Aerdtſch / ende ſprecckit ban der Verden :
Die ban den Wemel is gekomen / ig boven al⸗
Yen / ende dat hu gefien ende gehoort heeft ) gez
tunght hp/ ende niemand en ontfanght fijn gez
tupgenuffe. Item: Gelk ben dat levende
bzoat die ban den Hemel gedaelt ben. Wie ban
deſen bzoode cet) fal leven in Der eeutwighent :
Ende dat Weoodt dat ick geben fal / ís mijn
Dleefch / cnde fal ’t geben boo? Des Werelts
leben / Joan. 6. 51. Stem indat felfde Caz
pittel: Ergert u dat / Wet dan als ghy den
one des Menſchen fialt fien opkliunmen daer
bp eerft Was. Item: Feh ben uptgegaen
ban den Dader / ende ben ín der Werelt gehas
men / Wederom berlaet ick de Werelt / ende
gae tot den Dader / Joan. 16. Item: Daz
det / maeckt mp eerlijck met der Heerlijck⸗
bent Die ick hadde bp u/ aleer Dat de Werelt
was/ Yoan.17. Gtem: Dat vanden bez
ginne was / dat wp gehoort hebben / dat wy
met anfen oogen gefien hebben / dat wp dooz⸗
Siet miju lieve Heeten) Drienden en Broe⸗ fchout hebben / ende onfe handen getaft hebben /
derẽ adus geloove ende bekenne iel dar Bode | Ban t moogde des levens / ende “Eleven is ges
fifaen gebenedijden Sone geſonden heeft in openbaert/ Ee, 1 Yoan. 1.2. Ende defer gez
ac geeen eens ſondigen vleeſchs / ende) lijckte Schriften bpfonder bp Joanne heel.
hee
oo? de fonde / welcke hy berwonnen
heeft } oft daer hp boor geoffert is / Verdoemt
ín ’t vleeſch De fande / op Dat de gerechtig⸗
hepdt van der Wet ge-epfcht [ín ons berbult
foude worden / Die nae den Geeft. wandelen,
ende niet nae Den vleeſche Bom, 8. DS 4.
Noch op een ander plactfe : Die geen fonde
en kende / heeft hp tot fonde gemaeckt{ op
dat top ín hem fouden werden De gerechtig⸗
hendt die boor Godt gelt / 1 Corinth. 5. 6.
Alle de gene Die defen gront der Menſch⸗
werdinge onfes lieben. Meeren Jeſu Chꝛiſti /
dao? Godts genade met klaten oogen ende bez
ſehenden verſtande inſien cnde bekennen / die
bekennen ende batten recht De onbegreifpelijche
genaden-qunft/medelijden/ barmhertighendt /
ende de onuptfpreechelijcke liefde Goats beg
Daders in Chꝛiſio Jeſu atgedaucht ende bez
wefen / geïijch hy ſelbe fent : Soo lief heeft
Godt de Werelt gehadt / dat hy fijnen —
gebo⸗
van de Menfch-werdinge Jefu Chrifti.
geboren Sone gaf / op Dat alle díe aen hem genomen de ſonde / dat hy de gene is / Die ín
gelooft / niet bergaen en fal / maer fal hebben De Wet ende Pzopheten belooft is namelijckt, Peek. 5.
Dat eeuwige leben / Yaan. 3, 16. ftem : onfe vechte ende wacrachtige Meffiag / Ehpí- : Pet-z- 25.
Daer in iS De liefde Godts geopenbãert in flug / Koninck / David / Vertaal Propheet Hebrnorr
ons/bat In fijnen eenigen geboorten Sane wil: Biſſchop ende Priefter / verloffer/ Saligh:
de geben in De werelt/ op Dat wp dooz hem ſou⸗ maecher / Offer hande / Verfoeninge / Dol-
den leven. Daer ín fs De liefde niet / dat wan \Doenfnge / Herder / Heeraet / Voorbeelt /
hem lief gehadt hebben; maer hu heeft ong lief Middelaer / Advocact / Negeerder Gebieder,/
gehadt / ende heeft fijnen Soon gefonden / ee⸗ Beupdegom/ het Wicht der werelt/ de rechte
ven genaden · ſtoel Dao? onfe ſonden / Go. 4,9. | Deure tat Der fchaepkope/ De ceuwige Wijg- zebr. 1. 3.
Want hae maght Godt fijne Daderlifke liefde | hepdt / het gelijcke beelt Godts des Daderg lo- 1. 1.
neven ons hooger uptdzuclten ende bewijſen | Woozdt / de vechte Wegt / wacrhendt ende 1°: 146
1 Pet. 2. 24e
dan dat hu fijne Eeuwige wijshept ende waer:
hent / fijn vepne keachtige woozdt / fifnen ge⸗
benedijden Sane / daor welche hu alte dingh
gefchagen heeft / Die hein ín de geftalte gelijck |
twas / dat gelijchie beelt fijns gebenedijden we⸗
ſens / alſoo verklepnt heeft / alfa beenedert / |
dat he minder is geworden dan de Engelen/
een arm / ellendigh lijdtlijck / ſterflijck menſche /
knecht en dienger / die alleen Des gantſchen mee
relts moepte / arbendt / ſonde / overtredinge /
vloeck ende doodt heeft moeten Dzagen ende
betalen / Jae alſoo vernedert / dat fyn de alder⸗
ſnootſte ban allen mannen is geworden) Eſai.
cap.53.6. Een wormken ende geer menſche/
een ſpot der lieden / ende een verachtinge des
volcks / Pſalm.22. 7, ende heeft alfa de on-
fchuldige / de ware) De wijſe / de vechtocerdige;
leben/®&c. Want ick Geltenne feet wel/datter
teer Wermiah zijn / die deſer op het naufte
uptgemeten materie Mae Dat zu't al gehoort
hebben vocht Begrijp / fin ende berftant heb⸗
en/&Ee. Daerom (fegge ick) fo en achte ick
ooft wet boog mp mitter te zijn ende boor alle
Heeraers / dan ín cenen vechten flechteit
Apoftolifchen gront de materie der menſch⸗
werdinge ende vleeſch Chzriſti der ſimpelen
ende cenvuldigen Gemernte tot beteringe /
tot licfde toe vertrooſtinge / tot heplighmaz
inge / ende om hem in fijn Heplige leere
ende [chen nate volgen / aen te wijfen ende
Bao? te Dagen. Och dat Godt gave / dat
fp alle met malkanderen alſoo gefint waren /
mact is 't Dat pemant Dieper Weten oft
bragen Wit / is 't erbaerlijck ende fijn ver⸗
De gehoogfame/ ende de repne Chriſtus Jeſus ffant faa beel veermagh / fo en wozdt het
alle mentchen fchult/leugen/fothept/angerech- voorz hem oock niet verborgen / is ’t niet /
tighent / ongehoorſaemhent / ende onrepmig⸗ fo wozdt tot beun gefendt: A litora te ne quæ-
hepdt moeten afwaſſchen / uptſtrijcken ende ſieris, Ecclef. 3 21.
voldoen.
immers grooter liefde meet gehoort?
Pijn lieve Heplíge Dader ende Broeder /
Dit is voor Godt mijnen gront / Geloove ende |
bekent eniſſe ban De trooſtelijclie Menſch· wer⸗
Dinge onſes lieven Heeren Jeſu Chziſti / Die
ober al nae mijn beduncken in de Heplige
Seght Viderlieffte / Wie heeft)
Qu wel aen / fo Dit dan onfen fnnerlijcz
ken gront / berftandt ende begrijp is / niet
| anders Dan na bet getungnis der Scheiftuu⸗
cen:/ fo Wp door des Heeten genade op het
alderbefte begrijpen ende berftaen konnen /
foo bzeefen Wp nochtang ban Gerten feet /
dat ghy.eu met Defe onfe aenwijſinge upt
Schꝛift boven maten ſterck / krachtigh jac | Godts woordt om eenigh met ans in deſe
onwederſpzeeckelijk is / ick en maat ook daer: | fake te worden / niet en fult laten onderwijſen /
| om doa? uwe redenen ende Schziften / tegen oft te vzeden zijn willen / maer ſult volherden
| Defen onſen gront / Geloobe ende bekkenteniffe bp uwe boorgenomene vedenen ende Ärgu⸗
tot noch toe tegen geworpen / niet anders in | menten / in het ſelve verſtant letterlijß / natuer⸗
in mijnder herten ende gemoet geleert ende lijk ende menſchelhk / niet merckende dat Ez
gefint worden / Soa ghyſe al t'ſamen treckt ſaias / Mattheüs Lucas en Joannes ín groo⸗
ende Benen leudt nac eenen natuerlcken verz ter hlacthept acnwijfen/dat ’ boven de natuez
ftant ende bleefchelijcken fin / ende niet nac De re in het Beloobe daor kracht van denWenligen
rechte aentwijfinge en mepntnge Des Depligen Geeſt/ in María volbracht ende geſchiet is /
Geeſts / welck fander alle twijffel in Defe fache | alg boven gefept ig. Och en fact ons dach
alſoo níct en behoort nach gefchteden eu magb/ {Den Almachtigen Dader niet berklepnen ín
Dewijte dít ſelve Geerlijchte werck Der menſch- ſijnder barmhertighendt / den gebenedijden
werdinge Chriſti ban Godt doooz fijnen Pep: Done Godts niet berooven ín fijnder Naer⸗ |
ligen Geeft/ boven allen natuertycken handel (hepdt. / Pae liebe Broeders / de Schzeif⸗ |
ende weſen / alleen in den Gelogve nae Godts tuure blijft eeuwigh ende ongebzoken / fiet |
welbehagen uptgerecht ende bolbracht ig, doch Wel boor U / op dat gfjn niet en dwaelt.
Noch eens fegge ick / dit is mijne belijdinge Aldus ſeyt Eſaias. Een Zonckvzouwe fat
tot den genen / die mijn Geloobe ende gevoe⸗ ontfangen ende eenen Sone baren / Eſa.7. 15.
len ín deſen Artijckel van mp op't alderſterck⸗ | Item de Engel des Weeren tot Joſeph: Dat
fie epſſchen ende begeeren / ick en leerſe in Maria ontfangen is dat is hergekomen van
nochtans ín mijne gemmepne vermaningen tot den H. Geeſt / Mat. . 20. Gtem alg María de
den Broederen ende lief-hebheren/aldug nacuz maniere der ontfanckeniffe ban den Engel ons
we ende diepe nimmermeer / ende hebfe oakt te dervraegde / hos dat ’t geſchieden foude/fo heeft
booren fa diepe vopt geleert / gelijcht ick u {hp geantwoost : De Heplige Geeft fal ín u ne-
mondelijck gefent hebbe / maer leect alleene derdalen / en de kracht des Alderhoogſten ſalu
vecht ende flecht Chriſtum Jeſum gebenedijt omſchijnen / ende Dat Heplige dat upt u fal gez
te wefen waerachtigh Godt ende menfche/een boooren wopden/ falde Sone Godts genoemt
Sone Godts / ende een Done des menfchen/ |werden/Wuc.r. zr. Item dít is dat gewiſſe gez
ontfangen Ban den Hepligen Geeft/ gebooren tupgeniſſe Joannis Des knechts Godts ende
unt de repne Gonckvzoutwe Maria een arm Chꝛiiſti / nan des Heeren Menſchwerdinge / na:
ellendigh menſche / ang ín allen gelijck / unt⸗ meltjk: Het Woozt is vleeſch gewozdẽ Ho, 1.14.
Zap
Joan. r. 14.
en 3.17.
Joan. 3.13.
Matt. Tr. at.
en 26, 4.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
sp — — — — —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Luc ij. Se
Menno Symons Belijdinge
12u en fené niet : Det woordt heft vleeſch aen⸗ ven prijs ende eere / ende de eeuwige ſalig⸗
genomen. Siet weerde Baoeders/ alfo on⸗ hepdt alder menſchen van gantſcher herten
wederſpzeekelijck Dat onfe veden ende ſcheif⸗
ten nu zijn / Daer Wp onfe ſake mede faectien
te beweeren / fa befozge ick nochtans dies /als
Dat wp defes artijckels halven bp u als feccifch/
ketteriſth ende verlendiſch moeten aengefien,
en geozdeelt wozden / hoe wel datter bp abon-
tuuren heel onder ons zijn Die den Heere zeer
fen/upt dat binnenſte haerder zielen/ende noch
nont haer leven langh een letter van der Diep:
bepr deſes gronts / alg boven in grooter klaer⸗
Gept verhaelt is / gehoort oft nacgevzacght cu |
bebben/ ek fwijge Dan bekent oft verſtaen
hebben) maet fia laten haer alleen genoegen
met Des Daders in Ehzifta, neben haer bewe |
fen weldaet / hooren Thriſtum Jefum ín fijn
Heplige woozdt / volgen fijne erermpelen /
liefde / leere ende leven nae / ende verblijden
haet alleen met het gene Dat fn door hem ont⸗
fangen hebben / namelijck / quifdercheldinge
Der ſonden / deg Geeſtes / vphendt / genade /
gonft / belofte / bacmbertighepdt / ende dat
eeuwige leven. Och dat alle Wijſe ende Bez
leerde / jae ooclt alte menschen deſer Werelt/
haer wilden laten genoegen / met die flechte
eenvuldige Teeringe Jeſu Chꝛiſti / ende fijnder |
Hepliger Apoſtelen / wiet hooger klinnmende / |
niet leeger blijvende; fochten Bad met puurder |
vepnder hezten / geloofden / vzeesden/ beminden
ende beleefden hem vecht m fijn gebenedijde
woogdt. Och wat koftelijcker penningen /
ende hoe overbloedigen heerlijcken gewin
fouder algdau des Weeren Schatkamer/ dooz
Godts genade toegedzagen ende gewonnen
werden. Haer nu zijnder (eplacen) feet veel /
Der welcker Geloove ende kenniſſe niet in der
herten ende vreeſen / mact alleen tuſſchen den
lippen ende op det tongen gehoozt ende gefien
wozdt / (non loquor ad erubefcentiam probo- |
rum) tot fotte ende onnutte vragen feer gez
nenght zijn/ twiftigh Lan Woorden, der men⸗
ſchen wyshent meeer verftandigh / dan der
wijshept Godts / menſchen Lan gebzoocken |
ſimen / die altijdt leeren) ende doch nimmer⸗
meer en ltamen tat de rechte kenniſſe Der eeu⸗
wiger waerhendt / ende foa Wie datie met dat ;
heldze Klare waat des Pepligen Euangeliumns
Jeſu Chriſti / daor enclhiel Broederlijfte liefde/
ſtraft ende tegenſpreeclit / die moet ban ſtonden
aen ecn ſchandeljck Sectenmaker / ende een
boos beriteert ketter bp haer aengefien ende |
geſcholden werden! (iphi judicate, an ne ve-
rum fit quoddico?) Hoewel hare ongeloo⸗
bige heeten gantſch Aertſch / oleefchelijk/ende |
dunvelſch zjn / ende haet gantfche leven ende |
Canberfatie niet en 1 dan cnckel vleeſch / |
hooghmoet / delhept / lunbent/ Chaftelaofig: |
hept / gierighept / haet) \maecechent; bloet:
dorſtighendt / Deonchenfchap / plummnfteijckken/
fonnuafondeende fchande. Och dat ick oge
ende de waerhent niet en ſpralie. |
Ebenwel tact haer hetteren ende ſchel⸗
den gelijelt fp Willen / Wp Willen ’t geerne
(den / on fullen alle eenen Hechter hebben/
die bepde have leeve ende onſe leere / Baer |
Geloove ende onſe Geloobe / haer neerftig- |
hendt / haer ſoecken ende onfe fazclien / haer
(even ende onfe leven op het aldernauwſte
fal beproeven / infien ende betalen. Als
ban fal ’t eerſtmael blijcken twie De gene zijn,
{
Die De eeuwige Godts Waerhendt / des Dee: baert alie
begeert / gewilt / ende gefocht hebben. _IDijs
(ne Beoeders fiet Wel toe { dat gip alfuoda-
(mige vauchtloofe Diſputeerders / niet gelijck
‚en wozdt / maer fiet wel toe / Wilt ghy an⸗
ders uwe zielen bewaren / Dat ghu de vechte
falighmaechende Godts Waertent / met gez
trouwer pwoeriger heeten foecht / begeert / gez
looft / onfangt ende beleeft) / Amen.
Nu volgen de Tege-{preuken.
| —— iclt dan onſen innerlijckſten grondt
| ban des Heeren Menſch-werdinge /
(uwer liefden acngewefen ende beleden behe
(he / als dat ha niet van Maria / maer ín
Maria menfche oft vleeſch geworden is /
Hebbe oock daer beneven eensdeels / aengez
weeſen onſe redenen ende felyziften / waer doaz
wnom ſulclis te gelooven krachtelijek genoaz
dight worden / fo moet ick aokt nu vooztaen/
ende wil met kozte woorden uwe ſcehriften ende
Azgumenten / tot noch toe beorgedzagen /
antwoorden / Doo? welcke ap leert ende bee
geert te bewijſen / als dat hu niet alleen Daz
ria / maer dock ban María fijn vleeſch heeft
aengenomen ende ontfangen.
Een cerften vzaeght ohu / of hy nietdes
Wijfs zaeren is? Wy autwoozden: Aa /
Gen. 3. 15.
Daer op concludeert gh: Ishy een wijfs
zaet, fooishy ook meníche van eenen wijve,
Wederom bzaegende antwoorden tp tegen
uwe conclufte: Of niet dat bedriegelijke Ser⸗
pent lijflijk wag? Bhp moet imners feggen
Jae. Want Godt fpzack
fult ghy gaen / ende Verde fult ghn eeten / alz
le Dage uwes levens. Gtem/ ten tweeden :
Oft dock niet De bedragen vrouwe lijflijckt
was? Sonder twijffel jae, Is dan dat
natuerlijcke ende lijffelijche zaet bes bedzogen
wijfs/lijffelijck / foo moet dat zaet des Sers
pents ooft een natuerlck ijffelijcht zaet zijn,
Baer Godt in Defe plaetſe Geneſis ſelbe af gez
fpzalken ende getuñght heeft. Oft ghu moet
bier belijden ende toeſtaen / als dat eene woordt
Geeftelijcht / ende het ander waarde letterlijcke
geleert ende verſtaen wordt. Geenſins lice
Beoeders / maer Dat ljfFelijche Serpent repre⸗
fentecrt Dat gebeelte Des geeſteljckken Derz
pents / namelijk Des Datans/ Apoc. 12.14.
De leugenen / Yoan.8. 44.
r Queft.
: Op uwe hoefte Gen. 3, 14
2 Queft.
Eude het heeft fijn greeftclijke zact / namelijk, Semen fers
Alſoo draeght og; pentis men-
De vzoitwe / Die daer was een moeder aller Ig, dacium.
enden / een gelijche beelt Ade vleeſch van
Adams bleefci/ende Geen van Adams Geenen)
onderworpen haren man / na dat fj gefondigt
hadde ;dat beelt ende gelijckeniffe des. nieuwen
Geeſtelijcken Wijfs / wamelijchs! de Gemennte
Chꝛiſti / welclie is een gelijchke beeldt Chꝛiſti /
om. 8. 29. Vleeſch van Chꝛiſtus bleeich/
ende heen van Chriſtus been / Chꝛiſto onz
derwozpen ende gehoorſaem / Epbef, 5. 30.
Je uu het wijf geeftelijck / foa moet ooch Semen mu-
haet zaet geeftelijcht zijn / namelijck / de eeu- lieris *
wige Waerhepdt / welcke WD
ftusfelbe is / Ioan. 14. 6. Diet mijn Al
derliefſte / aldus is dat Serpent geeſtelijck
ende ſijn zaet geeſtelijckt / vpt welche hu
fijne kinderen dee berdaemder teur
gen/
J ‚8,44
aerhendt Chꝛi⸗ sap. ps
gen/ Wedetam ter Contrarien / het wijf is
geeftelijchk / ende haer zact geeftelijct unt
welcken fn baert alle h 5
lighmakender waerhepdt.
is een eeuwige bpantfchap / gelijck men baar
gogen fien magh. Nochtans triumpheert
De Waerhendt / ende De leugen is ver wonnen.
Ggenwel hindert hy nach nae alle haer ber:
mengen. Och Beoeders verftact de Schrift
recht / op Dat wp niet Dao? onberſtant / oft
fchadelijcke hertneckighendt ong ſelben ende
heelder menschen zielen met ons berlepden
ende bedriegen. Ende ís 't Dat ghu met dit
klare berftandt deſer plactfen niet te vreeden
en zijt maer dat bende Wijf ende zaet moe⸗
ten fichtbaerlijctt ende lijflijckt zijn; ſoo we⸗
ten ende bekennen Wa / hae Dit ſelve Wijf dit
Tuſſchen defe
boorberoerde zaet / niet vat haven Lichaem / | fijne Broc
noch ban haten Lichaem / maer van Godt/
cap. r.Üs2o, dooꝛ het Geloove / Luc. 1. 34,
in haren lichaem ontfangen heeft / nvamelijk/
(Barts waart / Hoan. 1. r,
Een tweeden tege ghu: Of hy nier en
zaet. Abrahe genoemt en wordt ? Wy ant: |
woorden: Ja / Gal. 3. 16. Daer opcon⸗
cludeert ghu: Saa moet dock fijn herrom⸗
ſte nae Den vleeſche van Abrahams vleeſch
ende bloet zijn. Hier toe ällegeert ghö
Paulum / daer hu aljoo fendt: Wp en neemt
niet de Engelen aen / mact Abrahams zaet
neemt hp aen, daerom heeft hy in allen dingen
Hebr. 2. 16. Wiet en tegen feqgen wa ten |
eerften / als Dat uwe Conclufie nae den
vleeſche is ende met gelijckmatigh Godts
woordt: Want het woordt (fent Joannes)
is vleeſch gewarden / ende heeft ander ong
gewaant/ ende Dat ſelvbe is hergelomen van
Den Wepligen Geeſt Match. 1. 26. daerom
en is hn oock Abrahams natuerlielie vleeſch
ende bloet niet geweeſt maer door genaden
is't den leven Dader Abzaham unt geraden
tocgefepdt ende belaaft / hoe dat ho niet unt
Den zade finder braederen / nach upc eenigen |
Joan. zt. 14»
geflachte det Hepdenen oft det onbeſnedenen /
maer unt fijnen zade / Dat is / unt ſijnen gez
flachte faude herkomen de ware fegeninge
aller volcken / gelijcker gefchreeven ſtaet: In
uwen zade fal ’t bolck Der Verden gebenedijt
worden / Gen, 12.18. Aldus is Jeſus Chei⸗
ſtus Abzahæ belooft / gegeben/ ende unt fij-
nen zade / nae det beloften geboorten / gelijck
oock Chꝛiſtus ſelve fént / alg dat de fatighepdt ſ
unt den Joden zy / Goan. 4. 22. ende alſoo eenb
wordt ho genoemt dat zac
he/ Gal. 3. 16, Matth. 1.1, Want
ſander twijffel nae fijn gebenedijde vleeſch /
Dat welcke ontfangen ende hergeltomen is
ban den Depligen Geeft vpt Abrahams 3
oft ſtamme tot onfer aller Salighent (8 voor⸗
getreden / verſcheenen ende gebooren.
Item / De Spzeucke Pauli} cot beteringe
uwer fakken hier geallegeert / en is niet in
alſulcker mepninge als abn ſeght / van den
Hepligen Geeft geleert ende gefipzoocken /
maer aldus fepde Paulus: Wende die Hen⸗
ligh maeckt / ende die Heyligh gemaecht woz:
Den / zijn Wpt een : dat is / unt eenen Adam /
feabtabp. Maer won ſeggen / ſu zijn unt een /
Heb2.11.12: Dat is upteenen Godt. Om dier oorfaïsen
wille (oa en fchaeme hy hem niet (te weten /
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
van de Menfch-werdinge Jefu Chrifti.
aer kinderen der Dar | fe
Dao? kracht ban den Hepligen Geeſt / Matt. ?t
|
ende Broeders C
fijnen Broederen moeten gelekt Werden / tigh geworden / da
tende Sante Abza⸗ ſter voor God
bp des volcks
ade | worden.
529
|De Deplighmaker ) haer (te Weten de Hep⸗
ligh gemacchten) fijn Broederen te heeten/
leggende : Ick Wil uwen Name mijven
Brꝛoederen berkondigen / ende ín het midz
(Den der Gemepnten uwen lof ingen: Want
gelijck als Ehziſtus Jeſus ban boben upc
den Dader is gebaoven / ende daer om Godts
Sone oft kint genoemt wordt / Godt heb⸗
bende tot eenen Dader / Alſod ook allen den
genen die Chriſtum ontfangen / heeft hy Joan. r. 12,
macht gegeven kinderen Godts) &c. Alſo
Dantge hebben oock Gode tat eenen Dader /
Deijle dan De wedergeboorene te famen met
Chꝛiſto Jeſu upt eenen Godt gebooren zijn/
‚ende hebben te ſamen eenen Dader / Diet
gorfaeche balven noemt hu die Gehenlighde
Die t° ſamen met hem upt Godt geboorten zijn/
ders / alg baden gefent is (non cauta
Carnis} ed cauta regenerationis. ) Wameer
Anders waer/ fo moeft qhp immer bekennen
Ende toeſtaen / dat ooit alle booſe/ ongeloobige
ende verkeerde menſchen / alfa mel Suſters
hriſti waren / als de geloo
ge, optechte ende bramen. Geenſins/ act
die Den wille mijng Daders dact/ die m de
Hemelen is / fent Chꝛiſtus Jeſus / dat is
mijn Beoeder / Suſter ende Moceder/ Matth.
cap.i2. Os so, Heeft ende verſtaet recht.
Dootder fent Paulus : Siet ict ende mi
hinderen Die mp Godt gegeven heeft / nae dien
dat de kinderen gemennſchap met vleeſch ende
bloet hebben / ſoo is hu oaf det ſelver deelach⸗
teis / ſterffeljck / gelijck
volght / op Dat hu daar den doodt de macht
ſoude nemen den genen, Die dieg gewelt hadde /
dat is / den Dupbel / ende bapmmoabte maecken
De gene / Die obermidts vzeeſe des Doodts af
haer leben langh verbanden warten onder de
flavernpe/ Dat was Abzahams zaet ende ges
flachte/Dat ouder dat beefchzichelijkke drepgen /
Onder Den waren laſt / ende ondzaeohljcke
Jock der Wet Mopſi verdruclit wert/ Want
bp en neemt niet De Engelen aen/ verſtaet ghn
bier De goede / foa weet ghu wel / dat die miet
gefondight en hebben / maer verſtaet gn hier
Die quade/Dat hu die van hem verſtooten heeft /
ende heeftfe gehauden tat den grooten dagh
Des Dordels met eeuwigen banden onder de
donckerhendt. Daerom fept Paulus : Pi
en neemt niet De Engelen aen maer dat engen
verdzuchte Abrahams Zaet neemt hu aen; cin
daerom moeſte hp ook deſen fijnen Wraederen
in allen gelijck waden / te Weten / lkvanck/
wack / ende aol ſterffelijck als fn / op dat hu
armhertigh ende getrouwe Hooge-Ptez
t mogte wefen / om De fonden
hs te berfoenen
daer bn ſelbe in geten
te hulpe komen der
t genen die getemteert
Ooꝛdeelt nu ſelbe / oft dit het
vecht verſtandt Pauli in deſe plactfe niet
en zp.
Cen derden allegeert ghy ende ſeght atra :
aulus leert met klaren woorden, dat Chri-
{tus Jefus is gebooren uyt den Zade Davids,
nae den vleefche, ende is met kracht bewen
en de Sone Godts te zijn , nae den geeft der
Heylighmackinge ; Rom. 1. 3. Daerom
is bp oock / concludeert ghp/ met den vlee-
che van Davids zade oft lichaem , ende met
den Geeft alleen uyt Godt geboren ende voorte
PET geko=
me Hebr. 2. 13
/ Want ín het gene zeb. ss.
teert is magb bn oak Phil. 2- 7.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
*
ſtus is gebooren upt den zade Davids / nae
den vleeſche van Davids zaet of lichaem her⸗
gekomen / volght wel nae den loop der ge⸗
mennder natueren / maer niet nae het bewijs
ende getupgeniffe det Schriftuuren/ oozfalie/ |
Rom. 1. 3
Matt. r. 20.
Rom. 1.2.
Gen. 22. 16.
en 17.
Want de Schaft leert / dat het Woordt vleeſch
eworden is / Joan. 1.14, ende dat het ont⸗
angen ende hergekomen is van den Hepligen
Geeft) / Daerom lieve Broeders / fa is dit |
naevolgende het techte verſtant Paulí/ ende
fijnder gelijcken / te weten / De tvooftelijche
belofte Des toeltamenden Salighmakers is
Abrahæ gegeben / alg dat ha upt fijnen
zade oft geflachte faude geboorten Wozden.
zaam heeft hem uptgebzepdet in Iſmael / noemt een vrucht der lendenen Davids
Iſaac / ende De Hinderen ethuri. Iſaac
ende niet Den anderen Wordt wederom toe⸗
gefepdt fijns Daders belofte. Iſaac is ber
meerdert im twee geflachten / namelijch /
ín Eſau ende Jacob: Piet Eſau maer
Jacob ontfingh Wederom de belofte ſijnen
kaderen Abraham ende Iſaac toegeſendt.
Gen. 26. 4.
Gen. 28. 14.
Jacob ontfpzupt in twacif geflachten / op letters zijn ban S
Ee nu de — —— st en —* Cheiſto geſproocken:
de natuerlcke lenden
men ende gebooren is.
| — tot David: Als nu uwen tijt
wil iclt uwe zaet nae u verw
uwen ljbe komen ſal / dien wil ick ín fijn Wijck n_o TA.
voorſpoedigh makken eeuwelijcht: Felt wil fijn
Dader zijn ende hy fal mijn one zijn/(merckt
hooztaen ban wien dit uptterlijck geſproocken
De verwacht werden upc den geflachte u⸗
ben / Dan / Gad /oft eenigh van den Elben /
Soo getupght ende wijſt de Wenlige Geeft
op Judam / ende niet op De anderen. Ju⸗
Da/ berloopende in veel tacken ende fpzune
ten / wordt de belofte Wederom beenieuwt
fn David/ 2 Neg.7. 12. Aldus heeft die
barmhertige Dader alletijt te boven getupght
ende aengeweefen ban den eenen Dader cot
den anderen / ende ban den eenen Beflachte tat.
ben anderen. Op dat doch alle menfchen
mogbten beltennen / upt wat Vaderen ende
Gen. 49.10,
,
erloſſer aller menfchen/ nae den bleeſch / ſou⸗
De herkomen ende geboorten wozden / gelijck
oock De Goden Dat felbe daor alſulcke
En fpzeecht de Schrift niet : Sal Chziftus
níet komen upt den zade Dabids/ ban den
Cafteel Bethlehem) Joan. 7. 42. och hr ís
gekomen in fijn engen/ ende de fijne en hebben
hem níet ontfangen. Hyis (ſegge icſt/ upt
Dabvids zade oft geſlachte nae Der beloften tot
haer gefkamen/maer ſy en hebben hem níet be⸗
kent: Pae de beftemde uure is gekomen.
Gabziel is wptgefonden ban Godt tot eender
bei a met namen Maria / belaovet
eenen Man / ẽc. Maria heeft gelooft haers
Heeren Woozde / de Heplige Geeft is neder
cdaelt ín hacc/ Ec. Het woordt ís ín haer
leeſch geworden Joan. 1.14. Het is ont:
fangen ende hergekomen van den Hepligen
Geeſt / Mat 1.20. Ende nac dit felfoc vleeſch /
ofte met Dit ſelfde vleeſch dat ontfangen ende
herkomen is ban den Hepligen Geeft, ig hu
geboren upt Maria De fupbere Jonclipzouwe/
twelche daer waer van Ben geflachte ende zade
Davids / David van Guda / Audas van Ha:
cob) Jacob ban Yfaac/ Yfaac van Ubzaham,
ende alfoo ig De Godtſalige belofte volbrãght /
bie Godt den boozberaerden Vaderen door
fi
H
[ne
nae fijnen benlighmakenden Geeft krach—
tinh ende geweldiah beweefen / dat hu die
p
met den menſch
eflachten de beloofde Salighmatiee ende Cheiſtus en
want hu en heeft geen
bedrogh ín fijnen mondt
acnwíj-, — 8 den Palm :
| trouwelf
finge der Scheift wel bekenden / ende fepden : níet F
DE bzucht uwes lichaems.
kinderen mijn Derbande houden
getupgenig dat ick haer leeren fa
hare kinderen oock op uwen ftocl fi
twigD cl. Pae dat dit in de letter
an
lomo felfs
1 Heg. cap.3. ÙS 6. 8
Welcke Salomo
teert heeft als ín fijn heerl
bouwinge deg Tenipelg / &e.
derlieſte / aldu
den Geeſt
ingeſien ende verſtaen Worden :
Dat De belofte ín den Geeft op Chriſtum bee
Dupdt wordt / is onwederſpreeckkelijcki. Want
dat De hj
tet klae
den / ende bpfonder Eſai.
ende 33. rs.
‘vrucht des Lich
enckel genade geſchoncken ende belooft had: | noemt wordt ?
De. Is alfoo (fegge ich) nae Den felben Luc. 1, 38.
bleefche / alg boven berklaect iS / gebooren | vrucht des lichaems Mar
upt Den zade oft lamme Davids / ende | haren vleefche ende bloede do
Menno Symons Belijdinge
gekomen, datt op antwaogden wp : Chri⸗ lebende Godts Saone Was / Kom. 1.
Ld
Want foude hy hem felven bewijſen ofte dez Matt. 27 45.
claceeren te wefen De Sone Godts / dat moe:
fte fonder twijffel nae den heplighmakenden
Geeft gefchieden, Doa hy in fijnen vleefch al⸗
ſulcks niet en vermoghie / dewijle hn hem felz
ben verlilennt hadde / ende ool van den Dader
verlaten was / kranck / ſwack / ellendig / hon⸗
gerig / dozſtigh / lijdelijck / ſterffelijck ong ar⸗
men ellendigen aertfchen menſchen in allen
gelijck uptgenomen de ſonde. Lieve Bzoe⸗
deren fiet wel toe/ deſe geallegeerde plaetſe „
en 8 ſeer klaer / ende cu heeft over al eenen
crupel.
Cen vierden ſegt ghu: Chriſtus wordt ge- *
2 Regum 7,12. Pſalm. 142. 11. Daerom
moet hy oock dat natuerlijck ende lieffelijck
zaet Davids zijn.
Antwoorden wy:
Deſe woorden nae den gemennen loop deg
alemo ; ende hiet ban
welcke Salomo upt
en Davids hergelio⸗
Want alſo
s/ dat ghp met uwen Baderer
6.) Als hp een misdaet doet/
(fepdt Be Pzas
heet) fa wil ick Ij À ki
cm met menfchen-voeden en
en linderen flagen ſtraffen / Ec.
beeft immers niee míisdaen /
fonde gekent / noch
gehadt / 1. Pet. 2.22,
Die Heere heeft David
cli gezwooren/ daer en fal bn hem
ven: Selt wil u op uwen ffoel ſetten
As °t dat uwe
/ ende mijn
{/ foo fullen
tten eeu⸗
(fegge ick)
getupght Sas
onder flare befsende Wooden /
6, 6,20, ende 2 Paral.6. ro,
fonder twijffel Chriſtum Je⸗
guere oft ſchaduwe gerepzeſen⸗
ijckhept / wijshept /
iet mijn Al⸗
gen magh immers de letter boog
/ ende Die Geeft boor De letter niet
Maer
alomo geſpzooclien is/
im in der fi
eplige Propheeten Godts in groo—
rheyt ſelbe aentwijfen ende bedup⸗
9.5. Jerem. 23.5.
zaeght ghn /
aems Maria en is end
Wu antwoorden:
Daer unt
Cen vijfſten b
Jae /
ſlunt gijn : Ishy een
Ie, foo is hy ook van
or kracht des
eyligen Geefts voortgekomen. Want wan-
er hy van haren vleefche ende bloede niet en
ware:
>» fitie.
Refponfio,
ſprack pas.
berbult en 5.5. 4.
1 flapen ligt / fo 2 Sam.7. 13.
eclien / Dat oan AC 2-31.
of hy niet een v Oppa-
€ ge-fitie,
Jean. x. 14.
Matt.t. 1t.
Luc. 1.27.
van de Menfích-werdinge Jefu Chriſti. 531
ware: foo en moght hy ook geen vrucht haers | ontfangen tot haerder ceuwiger ſalighendt
tichaems genoemt worden: Maerom dat hy | ende berloffinge / van Godt den barmherti⸗
van haren vleefche is, daerom wordt hy een | gen Wader / door enckel genade ende barm⸗
vrucht haerslichaems genoemt: Gelijck een hertighendt / om niet ende fonder eenige onfe
Appeleen vrucht des Booms heet , om dat fy |boorgaende berdienften / gefchonchen ende
op den Boom uyt des Booms natuere, door | gegeven.
de kracht der aerden uyrgefprooten endege-| Cen feften ſeght gh ; Gode en moght VL. Oppd-
wallen is. niet lijden : Is Chrttys vleefch niet van Êtie-
Daer op antwoorden tun: Nae den loop |der Aerden, oft van Adam , maer van den
bet wateren is uwe concluſie eens deeis vecht, |Hemel , foo en is hy oock niet lijdelijck
maer nae het getmmgeniffe dee Schgiftuuren | geweeft , & per confequens niet geftorven.
geheel onrecht. Want de Schriftinire fepdt : Hier op antwoorden Wp,
Dat Maria de onbevleckte Gonckozouwe | Zijt onpartijdiolijck / ende oordeelt recht:
Dat eeuwige woordt Godts / dat inden begin Awe meprmugeis/ Dat Chriſtus Jeſus nae
ne bn Godt was / ende Bodt felve was / doa? ‚Den Geeft alleen Lan den Dader is 11 Welclten
Dat geloove heeft ontfangen /Huc.1r.zr. Dat, Geeft hn ontijdelijch ende onfierfrelijch gez
felfde vleeſch gewozden / Joan. 1.14. ontfan: weeſt is / gelijck ghn ſeght / maer niet nac den
gen en heegelkomen ban den Hepligen Geeft/ vleeſche. Maer na den vleeſche / in welclien hu
JPatth. 1.20. menfchelijker ende natuerlijſier geleden heeft ende geſtorven ig / teert gijn Berm
wijfe in haer gegenereert, geboet en gewaſſen / | te wefen van der Aerden / op dat alfa de gehooz⸗
ende tot bequamer tijdt upt haer gebooren / ſaemhepdt deg Wets (Den Aertſchen menſche
als een natuerlijck kindt upt fijnder moeder. {bp pene der berdoemeniffen geboden ) vander
Aldus blijft Chaiftus Jeſus de edele ende gez Aertſche menfche / namelijck / Chriſto/ vol:
benedijde beucht des lichaems Harie na den bracht foude worden / op dat hu door gehoor⸗
woorden GElizabeths / welcke fn niet van haren | ſaemhendt moght ſaligh matien ende wp ooft
lichaem / maer in haren lichaem dooz den Ge⸗ in hem / door de gemepnfchap ſijnder menſche⸗
faobe wercliende ín haer den Pepligen Geeſt |lijcher natuucen/ ende fijns bloedts met welcz
upt Godt den Almoogenden Bader / van bo⸗ ke hp deg Baderg gerechtighendt in onfen
ben vpt den hoogen Hemel heeft ontfangen / vleeſch heeft volgedaen. Deſen gront willen
gelijcht wp dick wils bewefen hebben. ende drijven uwe Sitlogi{mi vp in Tatinſchen
@ock fo allegeert ayn hiet een natuectijche Wooden mede gegeven. SDpzcehen wa hier
tede banden Boom ende ſijnen bzuchten / tot kutegen niet met ſubtilen germaccktten Syſlo-
een betweeringe uwer fackten, Dewijle ghp | gtfmis, noch met eenige menſchelijcke ſcherpe
dan alfuickg doet / foo Wil íclt uwe voorge, cavillacien / Want wa cn hebben ’tuiet/ maer
dragen natuerlijche reden antwoogden ende wu ſpreccken alleen met dat opentlijche klare
boldoen/ namelijck \betupgende woordt / dat met geene glofen bere
Felt zaepe oft hebbe eenen Wel -gebauz | Dzaept / noch met geeng menfchen vernuft gez
Ben / ge-egden oft gemeften Achter / dza⸗ kzohien en fal werden.
gende feer overdloedige terwe / koom oft) Cen eerften : Wp belijden ende confente-
rogge / fegge ick : Wen datis een koftelijche ven / boorde gantfche wijde Werelt / als dat
beucht des Ackers / welche vaucht De ſelfde Godt die almachtige eeuwige Dader gantſch
Neher nuu unt hem felven niet en moght | onlijdelijcht ende onfteeffelijckt is want bp hem
booztbeengen/ hoe Wel gebouwt ende vet hp | ÍS geen bevanderinge/Facab.:.17. Ego Deus,
ware, ende hoe feet hy ook ban der Sannen inquit Propheta , &c. non mutor. Maer
Warmte ende des luchts vochtighent daer Godt de Sone / namelijck / dat eeuwige Woost
toe genoodight ware / alſoo lange alg dat is verkleynt / hem ſelbe uptgegaen / minder
zaet Daer fa níet eerſtmael van den zaeper in⸗ Dan de Engelen geworden / ecn ellendigh / ſterf⸗
gezacpet ende geworpen Wert. Ingezaent felijck vleeſch oft menſche / Soau.r.r4,
zijnde ende opwaffende / wordt het ſoo wel een Ghn ſeght / Godr en magh niet lijden ende
bucht des Ackers genoent / hoewel het
eerſtmael daer in gezaent is / als cen Appel
een vzucht des Booms / hoewel fp unt den ſendt: Felt ben Die Serſte ende die Laetſte /
epgendom deg Booms geſprooten ende ge⸗ ende levendigh / ende icli ben doot geweeſt / ende
Waffen ís, ick lebe ban eeuwighendt tot ceutwighepdt /
In gelijcker mate 18 ooclt dat Bemelfche |YUpac. 1.18.22, 13. Adams vlecſch en was
zaet ) namelijck / Godts woordt / gezaept | niet Dat cerſte ende Dat laetſte / maer die gene
in Mariam: Maria gelaovende/doo? kracht die boog allen Creatueren geweeſt i8/Eccl.24..
van den Henligen Geeft in haer ontfangen/|ÖS 13. Doo? wien alle dingen gefchapen ziju /
vleeſch gewozden / in haer gevoet ende ge⸗Epheſ. z.9. Wiens uptgangh van den begin
neert / ende is alſoo een vzꝛucht haers lichaems ue ende ban eeuwighent geweeft i8/1Riích.5.t.
genoemt: alſoo wel alg een natuerlijcke frunt Dit is die eerſte ende Die laetſte / Dicfelfde is
een vzucht ſijns natuerlijcken moeders gehee⸗ vleeſch geworden / die heeft geleden / die is ge⸗
ten ende bekendt wordt. Want Cheiſtus ſtozven / die is weder levendigh gewozden/ende
— ín fijnen eerſten oorſpronck en is geen ſal leben in der eeuwighent.
erdtſch Menſche / dat 8 / cen bzucht %-| Diet toe dat abn moetwillens tegen De
dams bleefchg ende bloedts / maer een We: Dchaift niet en flzijdet) Chriſtus en wil in
melfch Menſch oft vꝛucht: Want fijnen ooz- twee ſtucken alfoo niet gedepit zijn / als ghu
ſprongh oft untgangh ís ban den Dadet / mepnt.
Joan. 16,28. Den Aertſchen Adam in ai⸗Noch eens / die Bader is anlijdelijck / onſterf⸗
len gelijck geworden / de ſonde uptgenomen. felijck ende onberanderlijckt / maer die
Nam ende fijnen kinderen is het dat fp) Sane is om onfent Wille verkleynt / lijdelifcke
ew in ſijnen hepligen woozde hooren ende, ende ſterffelijck Ee Get getupgeniſſe
EIL 2 aller
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
be Schriftuure fept anders /te weten / alg Dat Eſa. 45. 6.
Godt de Sone heeft geleden / gelijck Ip felue <2 43. 10.
J * *
—— PP g,
532 Menno Symons Belijdinge
Í aller Schuiftuurem / Dhilip.a. 7. Web.z, 14. Dat het Memſche foude worden / Op bat / ge⸗
| oei: plaetsen ad — * dier⸗ lk bp * de leugen bedrogen twas, ende al |
apitteren fect ele, Daer: | foo door de eeuwige dBodts rechtheerdia
om begeerde hy van fijnen lieben Dader, dat et ge dread
| | Den Doodt ſterven moefte : Alſoo wedero t
HH bp.doch weder moghte krijgen fijne klaerhent Door de beloofde waerhepdt — — |
41 die ha menſche wordende verlooren hadde | worden / ende alfoa doo? enckel genade ende
| Joan.7.5. Is hp dan in fijn Godtlijcke ge- | bacmbertiahendt be-crben dat eeutwige leben,
—4 ſtalte onvecanderlijck gebleven ende heeft hp | Adam geloofde het, en is bertrooft/ ende
fi geleden in t gere Dat hu ban Der Werden heeft | in een teechen der waerhendt toegefcndt gon-
EE aengenomen / foo gn ſegt / feat alderlieffte / | ſte ende liefde/ heeft Godt den armen naects:
wat heeft hp dan verloren / dat hp wpder bez| ten Adam en fijn hupsvzontwe met pelfen enz
EI geert te ontfangen van lijnen Dader: Diet | de Lammeren veilen bedecht ende gelileedt /
HIN | doch de Sclhzifture recht aen / ende biddet / Genef. 3.21. |
HN ende De oogen ſullen u daar des teeven gena⸗Aldus en heeft niet dat Aertíche, fchuldige,
| de / om te beſchouwen de waerhent Cheiſti / overtredige, vervloeckte ende dootlijke vlees
wel recht ontfloten ende geopent worden Ade, Godts gerechtigheydt voldaen, ende
9 —— Item / ten tweeden ſeggen ende antwooz⸗ geſtillet fijnen toorn ; gelijck ghy ſeght —
Hit den wu / dat de geheele Chꝛiſtus Jeſus is uit⸗ Maer aïlcene dat Hemelſche/ onſchuldige/
HEN gegaen ban ſynen Bader Yoa.1.14.3.31.6.22, gebhoozfaerme 7 gebenedijde en lebenòrghmar „e. |
EERE 421424, 16,28.17,8, Gods Waogt in Ia: | fende bleefch Chriſti gelijck De Achaif- » par 3:
Hi Pia bleefch geworden de —— lg ban ben tuin⸗ fepde : Boorwarr bu droeg onfe
EE ì 15.47, EN is ge-enqt/ benautut | kranckhede ufe fmerten ne
| | — Hie an Be waden jeden / ende onfe ſmerten nam Ip on
| pgenuſſe Oet Schriftueren. In't bleefch/ | heele / rai. 3. 8, 6
Matth.26.37 Want hi gelieunftig : Gn der zielen Want bu, —— ——
felve fent: Mijn Ziele is dzoevig tat der doot. gewozden -
Joan.13-21. Inden Geeſt: Als hy Dit gefent hadde ſendt tigbepdt die ban der Wet ge-e E35
Aoannes) turbatuseft jefus{piritu. Welche Ec. Belijk dat Paulus fept / dacde Wet py; .5.14.
Chaiftus Jeſus / op dat bp ons Gode ſoude mogeltjelt wag daeromme dat fn |
— Md: ———— — boo? tij gelieenckt was / Dat dede Godt, ende
chten gedoodt in den vleeſche / maer fant fijnen Sone í jlteniſ⸗
— bt he/ fant fijnen Sone ín de gedaente ofte gelijkenis:
II Refpon- , AEEI ben derden feggen ton / antwoorden⸗ fande in het plee ch doo? de fonde #
fio. de uwen Spllogiſmis: Het gebodt en is niet gerechtighent his, —* —— — —
| en barren, Chaita, pe * — — * wozden / Die niet en Wandelen
1 | nen zade gegeben : Dooz, na den bleef:
Ii haft, bak 5 heat a code „ar ij dab vleeſche / maer na Den Geeft) Hom.
Hie edende / is Daor’t Woost Chriſtum / hem Dolgt ergo, ende blijft onberandertit
| | den doodt toegefent / Gen.3.19. Dewijle nu Als dat alle de gene die vd Udam ——
Godts gerechtigheyt onveranderlijk is, en eeu- worden / Adams blijvende / endedic’t tac
wigh duurt, alg gp ſelbe ſegt: Soa moeftede | fende saet dooz den geloove niet en ontfangen,
ongehoorſame Adam / daar de fivenge recht⸗ (ick ſpreecke ban den berftandigen) macten
veerdighent Godts den doot flerven: Belijch Doo? De ſtrenge vechtheerdighendt Godts /
nu Adam Aertſch weg van dee Werden ende Adams toegeſepde poene/ Daris Hoont ende
obermidts fijne ongehoorſaemheudt doo? ’t bloeck/ alg een befoldinge der fonde be-er:
woort vervloecſtt was / ende ſterven moefte / ben gelijck Chꝛiſtus ſelve ſent. Wie met en es
{oa en magbt immers ban Verden niet dan looft / fal berdoemt worden / Marc. 16 *
Aerde / van vloek met dan bloeck / ende ban Item Paulus : Wet taan der fonden (8 de boot
den doot níet dan doodt verwacht ende geno⸗ Han, 6.23. Want fp en hebben als dan geen
„men worden / gelijck Paulus klaer genoeg. gemepnfchap des Nider heplighften Dleefchg
aentwijft/ Nomepn. 5. 12, Als nu dam ende Bloedts Ehaiftt :_ Idogen ook inder
Gen263. Det woordt dat hem gefchapen hadde onge eeuwighendt fijn verlaſſnge goeebhendt /
hoogfaer geweeſt is / ende niet gehoordt en berdienften ende benedictie- niet genieten /
heeft / tegen ’t moordt gegeten heeft / foo | Íg ’t dat fm haer ban gantſcher heeten upt
beeft Gn ool den dood Dao 't woort toegefcpdt | die fchandelijche dunſterniſſe deg ongeloofs
met fijnen zade tegen fijnen Wille moeten be⸗ ende fanden / tat dat eeuwige klave Hemel-
ecven: Gelijk als ’t nu enchel techtbeerdig- | fche licht Chriſtumm Sgefum niet en bekkecven /
hepdt was) Dat Adam met den fijnen ſter⸗ 1 Laan. x. 7. Mact de gene díe Dit toegeſen⸗
EINE EN ben Moefte / want hu gefondight hadde / de Zaecdt met Ndam ín haren heeten vecht
EE IH niet hebbende daer ba mede betalen mogh⸗ ontfangen / ende alfoa ín Godt beenieuwt cn
| Bi te : Alſoo is € nu weederom enrkel gena⸗ vertrooſt worden / uut oft daor dat felfde zaet
| | de / barmhertighepdt ende liefde geweeſt / ban boben geboren waden / wit Adams on-
J | dat hp leben foude. daer hoe? door N-| gehoorſame nature / in de gehoorſame nature
di dams ergen vleeſchs gerechtighendt? Geen- des Woozdts/ namelijke Cheiſti/ omgelteert
fins. Maer dat woordt dat Adam tat ee⸗ ende berandert worden / den felfben noemt h
Ke IEN hen lebendigen menfche gemaeckt hadde, her: | te weefen bleefch ban fifnen bleefetje / ere
| | het gebodt gegeven hadde / ende hem den been van fijnen beenen. @®ien fchenkt hp hem
|
ER IN doodt (Waer ’tdat hp obertrade) toegefendt felben dooz eultel genade / ende
La hadde / als oven gefent ig} dat felfoe Hoog achtig alee fijne gereehtigherg Deet
Bi i (fao De doodt Der rechtbeerdiahepdt / bolgen, ſten / Keung / boet ende bittecen doodt: Ya
—— want het de Waerhepdt geſproochen fijn gantſche leben /: liefde ende Geeft) want
Jaade) heeft Godt wederom Adam belooft /! fn cen lieharus met heur zijn ende eenen Geeft
heb:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
UM w
— — ————
1 Joan:4:16.
hebben. Alſoo dat fp nu goetwillighlijck vol⸗
brengen door den ſelfden Geeft der liefden / dien
fp ban hem ontfangen hebben (foo Godt en-
Kel liefde ig) het gene Dat haer de barmhertige
Dader doo? fijne vapmakkende waertent/ na-
meltjtt Chriſtum Jeſum / toegefept ende be-
balen heeft, gelijk Joannes timat/ feggende :
Wy houden fyn geboden / ende doen de din-
gen díe voor hem behaeghlijck zijn / r Loan.
cap.3. A622. tem Paulug: De volhept des
Wets/ ig De liefde / Wom. 13. zo. Item
Ehaiftus felve : Wie mp lief heeft/ die hout
mijne geboden / Joan.14.2 1.
Icitis præterea, quod natum
D eft ex ſpiritu, ſpiritus eft „Veri
Fratres non dicimus Chriſtum natum
ex fpiritu, fed dicimus cum Scriptu-
ra eum incarnatum & conceptum per
Vande Menfch-werdinge.
533
niet en wilt volgen menfchen wijs-
heyt, maer Gods wijsheyt: niet ver-
nuft, maer {chrift : niet vlees, maer
Geeft, niet dat fchrijven ende opini-
eren der geleerden, maer alleen dat
aenwijfen Chrifti, en fijner Apo-
ftelen, metcen puer reyn herte God
vreefende uyc’t binnenfte uwer zie--
len, endeick ook alſoo, op dat wy
doch degene nieten zijn , ende be-
geerenteblijven, die altijdt leeren,
ende nimmermeer en komen tot
rechte bekentenifie der Godtlijcker
waerheyt. Siet wel toedat ghy niet
anders, dan uyt rechten Godlijken
2 Tim.3.7.
Spiritum. Nam aliud eſt (uti noftis){yveren vraegt, hoort en antwoort.
nafti ex fpiritu, & incarnari ac|Voor Godt gelt weten ende doen.
concipi per fpiritum. Nafciautemex|Staet doch in allen dingen uwen
ſpiritu quis dubitat effe regeneratio- Godt bereytende niet uwe tr age,
nem! Obfecro igitur per ‘Dominum luye, onwillige vleefch.
Want ik
ut Scripturis non reëte adduêtis, ſi weet ook hoe feer veel dat’er zijn,
quas habetis ‚ velitis tueri cauſum die ghy tot anders genen dingen,
veftram.
ler mede lieveHeeren, Vrien-
| den ende Broederen fluyte ad
dete mijne Belijdinge van de Mens-
werdinge ontes lieven Heeren Jefù
Chrifti. Ick ſchrijfſe u over, bo
gy aen my begeert hebt, ende fette
u voor in alle klaerheyt als de gene
die hem fijns geloofs niet en
terie in fulcke diepheyt niet en drij-
ve, alsickden Broederen vermane,
ook niet gedreven en hebbe als bo-
ven gefeyt is, maer alleen recht en-
de flecht in eenen Apoftolifchen ftijl,
tot beteringe endeliefde, Bidde en-
de begeere aen u door barmhertig-
heyt des Heeren, dat gy doch recht
wilt alle dingen infien, recht aen-
mercken wie gefondigt heeft. Ter
contrarien wederom wie de gene is,
die betaelt heeft: Op dat wy Adam
ende fijne kinderen recht toemeten
hare ongerechtigheyt ‚ duyfternifle,
fonde en fchande: en Chrifto Jefu
fijne gerechtigheyt , klaerheyt, prijs
en eere. Biddende begeere (fegge
ik) dar gy in defeen andere faecken
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
fchaemt. Hoe welick de felfde ma- | noch niet eenmael bekent ende ge-
dan tot onderfoecken, vragen ende
difputeren boven maten feer ge-
neygt Zijt, ende dat aldernoodigh-
fte (fonder welcke niemandt faligh
worden en magh, name!ijck, dat
rechte doorgrijpende, vernieuwen-
deende rechtveerdigmaeckende.ge-
loove,die drijvende vreefe des Hee-
ren en de bernende liefde Gods ende
haerder Broederen) en hebben fy
groet. En wilt doch fodanigen niet
gelijkzijn Maer lieve Broeders,
loeckt ende ftact ghy na de rechte
wijsheydr , doet haer open , ſy ſtaet
voor uwe deure, fiet aen hare
fchoonheyt, fmaekt haer vruchten,
onderfoeckt hare krachten, foo ſult
gy haer beminnen, omhelfen en met
alle blijdtfchap ontfangen , uwe
vleefch fal ondergaen , en den Geeft
boven drijven, voorganck nemen
in des Heeren woort ende waerheyt,
totdat Adam in u verfterve, ende
Chriftus Jefus de overhandt neme.
(Godt geve ons alle fijn Godlijcken
| genade, Amen.
| Siettoe, waecktende bidt ,
Marc, 13. 33.
———— EEN
er —— —
— — —
Menno Symons Vermaninge
EEN VERMANENDE BELYDINGE
ENDE KLARE
AEN WY. SIEN. GE
Tot den Edelen ende Hoogh - geleerden Heeren ,
Heeren J O HAN à LA S C Os
—9)))9 Aerts - Biſſchoppen binnen Embden , in Ooftvrieslant :
dh Oock
0— Tot ſijnen Mede - broederen,
Hoe dat de Predicanten des Godtlijcken Wordts ende de Gemeynten
CHRISTI nae het getuygenifle der Schriftuuren moeten gefint
ende gefchickt zijn.
534
M E N N O
VYne liebe Weeven / Dzienden ende
M Bzoederen / gelijkt ick u den inz
nerlijcken grondt ming Geloofs | A
ende geboeleng Lan de feet trooſte⸗
lijcke Menfch-werdinge onſes lieven Hee⸗
S:Y -M' ONS.
doo? waerachtige getungeniſſe fijns Bepligen
Geefis / leggende / iclt ben een goet Herder /
gan. zo, 11,
Defele Chꝛiſtus Jeſus / cen Biſſchop al-
ter Biſſchoppen / ende een Werder aller Herz
ren Jeſu Chriſti uwer vzientljckker begeeren ders Die in allen dingen trouw geweeſt is /
ontbecht ende geopent hebbe / hoewel ick Daer hy van fijnen Hem̃elſchen Dader toege: nebt. 3 a.
dat felve foo grontljck ende foo diepe voor de fchickt ende gefonden was / cnde fepnt ober al
eentuldige Gemepnte niet on leere / alg ’t boz anders geent Biſſchoppen / Leeraers Herders
ben geſept is: Soo wíl ick u nu voortaen ook ende achepderg in fijn Ackerwerck / tof
met kopte woorden aenwijfen mijnen geont ſijn Dupsgenooten/ Kinderen ende Schapen
ende voernemen / te weten / hoe dat bepde De om Die te beforgen / te Wepden ende Loop te
Heeraerg ende Gemepnte / die met vecht ſtaen / dan de gene Die cen Achaem Geeft) Joan. 17. 11.
Ehziftenen magen heeten; boor Godt ende | ende ziele met hem zijn / gelicht hp een is met
de gantfche Werelt bepde inwendig ende unt⸗ | fijnen Dader) Die Door dat Godtlijche woozdt /
wendigh moeten geaffecteert ende geſchickt welcke Cheiſtus is / ín Chriſtum ende in fijn
zijn / nae aenwijfinge der Schrift / foo veel lieffelijcke Hemelſche natuere) alfa bernieuwt/
wp door Godts genade upt Des Heeten woordt omgekkeert ende verandert zijn/ Dat hp in der
begrijpen ende berftaen konnen / iclt en wil waerhepdt ban hem magh getupgen: Siet
nochtans niet foo wijt ende bzeedt aber defe dit zijn mijn kinderen / die mp Godt gegeben
facche handelen; op dat ick u met mijnen '! ceft. _ Wie u hoogt Die hoort mp / gelijck die Hebr.z. 1
langen ſchrijven niet cn vermoeye oft laſtigh Bader ban Chriſto getupabt heeft / feggende :
on 30. N Dit is mijn beminde Done / daer ick mijn mat.r7. s.
(Een eerften ſegge ick als ban den Pzedican⸗ welbehagen aen hebbe / hoozt hem / Matth.
ten alfa /mamelijck Dit woordt: Ich fende u/|cap. 17. Vers 5. Item / Die Chꝛiſto ges
gelijck de Bader nm gefonden beeft / blijft lijckformigh zijn / leden fijns Hepligen Li⸗
HN geuwelijctt ende onveranderlijcht ín Godts | chaems/ bol ban der liefde Godts ende haer:
—941 Gemennte/ te weten alfoo; Als dat alle op: | der lieber Baoederen/ Die met Chꝛiſto Jeſu |
| J rechte Leeraers ende Preedicanten van Cheiſto haren Biſſchop niets niet en ſoecken / dan |
0— egefu worden geſonden / gelhck als Chriſtus | alleen dat eeuwige gewin ecre / glorie ende |
| ij FJeſus van fijnen Bader gefonden is / daerom | prijs Godtg/ ende De grondelijcke brlieeringe /
| fa moeten wp vecht aenm̃ercken / hoedanig dat | Letetinge / ende be eeuwige fatighept der gez
KELE | befe Cheiſtus Jeſus geweeft is / hoe ende Wat | net / die hare Bzoederlijcke forge Lan Godt
FIA: | hp geleert heeft / Doe hem de Dader gefanden } ende fijnder gemepnte toebetvouwt ende bez
heeft. Wp is fonder twijffel die Sone ende dàt | olen zijn; Jae hp fchickt ende fendt alſodanige
geiijcke beelt Godts / de Leeraer der gerech: die onſtraffelijcli zijn / bepde aen leere ende le⸗
tighept / Die niet dan rechte waerhept geleert | ben / Die gedreven worden van Ben Hepligen
ende getupght en heeft / Joan. 18. HS 37. Geeft) die hertelijcken ſuchten ende Weenen
pamelijckt/ dat woozt fijns Vaders / Goan. 7. | met Cheiſto Jeſu / ober de gene Die Den genas
| 9816. Woheeft het geleert met grooter gez delijcken tijdt haerder verſoeckinge n et en be⸗
4— In welt deg Geeft / ende is dooz eenen onleſſche⸗ kennen / Die haer upt gantſchen gront
| | | lijcken bzandt Der liefden ín eenen dienſte haerder zielen berblijden met allen Engelen
—J alter menfchen door den Hepligen Geeft unt⸗ Godts ober De bekeerende Sondaers die fo doz⸗
ON nedzongen ende gedreben. Daer beneven | ffen na allee menfchen ſalighent / alg een hon⸗
| | | tag ba dat beenende ende klaer fchijnende gerige ziele hongert na den bꝛoode. Die alfa |
Joan. 20, 21.
| —90 Licht deg Wereits Jo c.i 9.3. 19.8. 12.12. 30. | aenkieeren haers Heeren Woost ende waerhept /
J | Dac rechte boorbeeldt aller deugden / Die met | Dat fp niet een letter anders en derven leeren
| | waren heeten moghte feggen : Meert ban mo/ | oft gebzupkeen / dan Chriſtus Jeſus felve gez
| | want ick ben fachtmoediglp ende ootmoedigh leert gebeukt en bevolen heeft; namelijk/ dat
vanheeten/ Matth. cap.r.dEzo. Item / terme onvervalſchte Bybelſche woozdt in den
Jen hebbe u cen exempei gegeven / Hoan. vechten ſin ende berftant Chuftí en fijnder A⸗
cap. 13. berg is. ende daerom glotieerde hu: goftelen. Die de Sacramentelijlie —
zunken
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Matt a8.19.
Marc. 16. 15.
_ tot de Predikanten. 535
Baupelten gelijchformiah ben Euangelio Chri⸗ | flighept niet en beemoten / dat fat
A lek: hon À é heytn al haer ſonder
ſti / namelijck den Doop Der geloovigen/ (ende Ewijffel niet van De oubeleerlijken Hendenen/
niet Det onmondíger ) kinderen / ende dat Dzonchaerts, Woeckenaers Adoeren-jagers/
A@or. 2. 28. Avontmael onder Gepde gedaenten ín alfg-{ ende Diergelijke / mract ban den gewonnen
en 8.38. 9.19 danige Gemepnte/ Die bleefch is van Chzi- | <Broederen / Die den Heere vreeſen / den welez
Matt. 26.
Marc. 25e I
in.
Ephef.5.30-
MEt. 9. 14+
2 Tim. 3. à.
Tit. 1.6.
rCor.4. 2.
xCor.10.34. gen : Weeſt ante naevolgers / gelijck wy de
Phil. 3. 17
Rom.ꝛ . ai.
s Pet. 2. 5.
ſtus vleeſche ende been van Chriſtus beenen) | ken fp geeftelijche dingcri zacnen / foo beet als
bie wptwendigh onſtraffelijck zijn; ende in⸗ haer van hin ís, wel — ende zi af
wendigheen hert; geeft) ziele ende lichaem fn /Wozden. Want alfuiche Beeraerg zijn de
Chzifto“defuzijn. Aa alfodauige fendt ha! | dorſſchende offen/dien men den mont niet toe-
welcker leere ig alleen een doozbijtende ſout | binden en fal / dit zijnfe díe dubbeider ceren
weleker leben alg een lichtende lanteerne) lijdt: | Weert zijn, Dit zijn fe die men denten fal unt al
ſamigh / lieffelijks/ milt / goedertieren / barmher⸗ len fijnen goeden / Gal.6.8. Die zijnfe Die
tigh /gaſtorn niet gieciah/ oft epgen ſoeckiah | ban den Enangelio magen legen nae ded Hee⸗
niet begeerigh na ſchandelijek gewin / niet ops ren cpgen ordinantie / geijck de Wer ne Prie⸗
geblaſen / niet hatigh / uiet blaedigh / niet kijf: ſters ban den Altaer Icefaen/ Dit zijn de reck
achtigh/ goetgeruchtigh onder de genen Die | te Arbepders Die hacrs loans Weers zur ge⸗
noch bupten zgn / fijn engen huns wel vegees lijck Cheiſtus fent : Widusdanige KLerraers fat
rende / hebbende een welgeſinde vrouwe / ig ’t | men bekennen, cerca, in liefden onderhouden;
dat fia de gave Van repnighent hebben ende ge: | ende om harder wercken willen vecde met
hoorſame kinderen / ja over al ende in allen | haer hebben, gelijch Paulus teert : Tant def
Dingen / kupichbent/ ſoberhept / onftcaffelijch: Watten voor ong) alg Die reckenſchap fulten gez
bent / Godts Geeft } vrzeeſe ende liefde / noch | ven boor onfe zielen) Hebr. Elek.
eeng oder al ende in allen dingen alſoo ge⸗ Siet mijn atdertieftte Beeren / Vzienden en
fchichie/ dat fp met waren herten tat haer toc: | Broeders / aldus heeft Godt de barmhertige
betrouwde Schapen met jJaulo magen ſeg⸗ * — —— ſijn gebenedyden Sone /
e Wack te nae fijn gebeelte geaert is: ende hem ín al⸗
naevolgers Cheiſti zijn / ende wandelt als | ten gelijck —— — Ebi Je⸗
Bꝛoeders / gelijck als aha ong hebt tot een \fium? Chꝛeiſtus Jefus heeft uatgeranderi als
boogbeelt/ / Manuen / Cugelen/ Heuligen ende | fodanigen / die cen geeft / cen ziele cnde eert
dienaeren Godts / onſtraffelijcke boorgangers | lichaem met hem waren / fonder flock /
inꝰt woort zijn/in ’t leven / Tiefde / geeſt Geloo⸗
ve ende kunſchheyt / 1 Tim.4.12.
Siet mijn alderliefſten / aldus moeten de
Weevaers gefchicht zijn / Die Des Heeren Gez
mepnte ſullen bedienen / op dat fp ban den
hertneckigen ende wederſpannigen niet en
5 rpg de leert ghp * anderen / si
u ſelve en leert ghy niet? Ap en magen ooft ven / ende en heben haer niet cenmael neroe
anders tot Godts prijs niet lecven / want den | als van eenige fchere jaerlijckſche — / be.
dienſt des Nieuwen Teſtaments is een Dienft | neficien oft venten / Want het bebben gee
des geefts ende niet Des letters / 2 Cor, 3. 6. | weeft Mannen Godts, knechten Ehzifti/ bol
Daerom en verkieſt Chriſtus Jeſus alſulcke ban de liefde Godts / ende haetder liever bzoe⸗
niet tot fijn Wcher-wercherg / Wijnqaerde- | deren, die Door enchel liefde dooz eenen Drijven
niers / hunshouders / Cimmerlieden cn knech⸗ | Den Dzingenden geeft gearbent / geleert / geſocht /
ten/ende oberal geen gierige / dzouckaerts pde⸗ gewendt ende gewaecht hebben / met alleen út
le / Fc. Op dat fo Dat vijche Godts welli gees der Synagogen een ure / twee oft drie ter wee
fteijlk is / met cepnder heeten magen leeren / | fren/maer op allen tijden en plactfen in Syna⸗
wepdende de Schapen Chziſti / niet Dao? bez gogen / ficaten, hupfen / bergen ende velden.
Dwanclt/ maer goetoillighlijk / niet ſtaende ¶ Ende gelijk fis de kenmifte deg Lijk Sodts/
nafchandigh gewin / maer miet een toegenepgt | waerhent / liefde ende Geeft om niet van Bodt
gemoet/ niet als de gene Die heerſchappije foec- | ontfangen hadden: alſo waren fp weder Gerent /
en ober pemant / maer als boozbeelden bet | Dat felfde om niet haten behoeftigen Bzoe-
Kudden Chꝛiſti / niet dienende orn cen ſeecker deren nae alle haer vermogen upt te deplen /
beneficie / penfie / oft gehuerden loon/ gelijck ende te fceren / ende der tijdtlijcher ſorgen
uwe Recraers doen: maer alleen alle om dat ende nootdzuft halben / fo wordt de gebaer⸗
gewin der zielen / die Jeſus Chriſtus ſo diere de Gemepnte genoeghſaem daor de licfde /
met fijnen bioede gekocht heeft. Den Godt mits Godts Geeft ende woordt in haren herz
díe haer door fijn genade geſchapen / verloſt/ ‘ten vermaent ende gedzongen / am alfadanige
wedergebaert ende ín fijnen dienſt geſchiclit trouwe Dienaers Chzifta / ende Waliecnde
heeft van gantſcher herten / toebetrauwende de Wachters haerder zielen / ín allen vleeſche⸗
ſorge haerder tijdelijken nootdruft / haer ſelben lijcken dingen nootwendigh te bedienen / te
Daaz des Heeren genade neerfkelijk generende [helpen ende te verforgen / ín het gene daer
oft op haer engen oft gehuerde acker / oft van | fn van haer felven niet en bermogbten. Och
haer ambacht acbepdende met hare handen ſo Bzoeders vliet van der gievighent !
bere als't mogelijk is / op Dat fpdat vepe{ Item deſe felbe Teeraers en hebben oack
woordt Godts / haer om niet gegeben/ níet en | bu haer feive niet geloopen / anbiedende haren
beeltaopen noch en verhueren / ende alfo van dienſt / gelijck defe doen maet fn zijn ban
den fchandigen gewin / roof ende dieverne niet | Godt geroepen ende gedrongen / gelijck als
bar elle É — hond —— * hoeden —— Jeremias / Eſatas Zacharias Pau-
Jie ende vro tenaeten | sus/ende alſulcke meer ; De andere zijn
Thꝛiſti ende al wat fn dan Lan alfodaniger fi ; Oe andere sijn ban
behoozlijkzer voozſichtighept / arbeyt ende neer:
baert / ſonder gelt / gout ende ſilver / dat is ſon⸗
Det alle fozge ende gierighent. De Apoſtelen
hebben geozdineert ín allen ſteden ende plaet⸗
fen daer fo te boren gemennten gebaert bad:
den / alfoodanige Biſſchopoen cnde Heeraer
Mat⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
taffchen ende fchoenen met eenen tab
TCor. 9. 9e
tTim.s. 19.
Deut, 25.4.
Die onftraffelijk waren bende in-leere ende lez Lit 0e
Hebr. s. 7.
7 Jer. 1.4.
een onfteaffelijke Gemepnte upt de Bermepnte EG- » =-
Chꝛiſti geboeren / dooz lokten ende kiepen) als 33-24 2e
— — —
$36 Menno Symons Vermaninge
Matthias / Act 1.25. Beroepen zijnde zijn | úckt moet vriendelijck met u ſpreecken het
fa inden Geeft benoodight / am hact arme gene Dat ick in mijnder herten dencke / Want
Sufterg ende Broeders nae alle haer vermo⸗ foo beel alg ick vpt mijnen voozleden hans
KEEL EI IE | gen met Godts heelige Waogdt te leeven / te | del / ende vpt uwe blijclktenden beuchten
EE beemanen/ te tcooften / te ſtraffen / ende in al⸗ mercken ende verſtaen kan/ foo Wozdt ghp
| Ten nootwendigen falten te Dienen ende boor alle met malckanderen / niemant ban u
te ftaen. Warmeer fn dan aldus geraepen | Heeraers ín uwer gemepnten untgenomen /
waren / ende gevoelden in haer felven eenen ban uwen bleefche ende bunck gedzeeven /
dringenden Geeſt / ende bevaerde liefde / als ende ghy zijt daerom alle Vuerlingen / ende
’t boven geſeydt is / ſoo hebben fp haer am⸗ geen Herders / Joan.10. 12. Oft op het zzech.zar.
bacht redelijckt bedient met alle forge ende | aldetbefte fulche Herders Die de Walle, melck
neeeftighepdt / Wackkende Des nachts ende ende bleefchh faechen / ende Des Weeren
deg Dacqhs/ op de eeuwige falighepdt haer⸗
Der toebetronwer Schapen / zijn in Des Hee⸗
ren acherwercit met blijt ingetreden / Dat
bolck Godts met deg Heeren roede geregeert /
níet getwijffelt/ niet pupmnſtrijckigh / maet
meen goede confcientie den grooten geftraft
als den kleynen / den rijcken alg Den acmen/
Den geleerden alg den ongeleerden/ het Wordt in
baren gemennten heplfaem ende ongevalfcht
untgerdepen / ende geleert op alten tijden ende
plaetfen / al ’t boben verhaelt is / nae de mate
Des Geloofs ende des Geeſts / den welcken
Godt eenen pegelijk van haer door fijn vader:
lijcke genade hadde upegedeplt ende gegeben.
iijn alderlieffte en onefchuldigt u doch daer
mede niet / om Dat fp niet altemael oprecht /
vproom / ende in Der liefden gefchicht geweeft
en hebben; díe haer wel Leeraers der gemepn⸗
teun Chꝛiſti / ooch in den tijden Pauli beroemt
bebben/ als Philipp. 1. 15. 2.21. 3. 2, opent⸗
lijck blijckt.
ben haet beroemt / maer in der Waerhendt
boor Godt niet geweeſt Want Wat Laoz
beuchten alſulcke gedaen hebben / ende met
wat oogen dat Paulus de ſelven heeft aenge-
fien / en is bau níet berborgen. Soo ghy
wel weet/ dat Ket De mepninge / taille ende
gebruyck Godeg níet geweeft en is / oock m
der eeu Wwigfhepdt nimmermeer worden en fal/
dat hy de arme dolende werelt oft Door Dronc⸗
Ach fegge u voorwaer / fp heb
Schapen niet berforgen / Want foa waer
die vetſte ppoven is/ daer zijn De befte Scha⸗
pen. Gch Broeders bedenckt u wel Wat
u daer ober van des Weeren Peopbecten ſoo
menighmael gedzepabt worde / Hae hoe mez
mige wozdender onderugebonden / ick Lzeez
fe altemael / Die om cen aerden hupsken oft
kamer/ om 3.4.6. oft ro, guldens halben
niet en bzeefen upt eender plactfe in die ander
te verhupſen / vecht of fin niet alle met eenen
fchat / ende alle effen diere gekocht ende
verloſt en zijn. Och Bzoeders bekent ghu
Dit DAN Waer te zijn / foo eogdeelt ſelbe Wat
ghn foeclit/ ende oft ghn ’t al fchoon met
den Mout niet en Wilt belijden oft toeftacn /
fuperbia five pertinacia impediente, Soo ent
magh het doch bp Den rechtverſtandigen
noch berftopt noch verldochent wozden /
Pet ig lange genoegh met Godt gefpattet/
Beeederen bekeert u. 5,
Alſoo de Teeraers felbe zijn te Weten
bunch -dienftigh / gierigh / deg ſchandigen
gewins begeerlijcht / op aertſche Dingen gez
fint / alg Paulus ſendt / Ick fwijge noch
als van pzael / lwpbept / pdelbept / dzonc⸗
kenfchap / haet /nijt /bittechendt/ Ec. Alſo
zijn oactt gefint alle Die Van haer geleert ende
gebaect moden / gelijck men Loor aagen fien
magh / dat het immers foo ſchandelycken lez
ben ende Wandelingen bepde ouder Weeract
kaerts/ oft daar Voeten - jagers / oft DOO? ende gemeputen bevonden Wozdt / datter
gierige/ aft door Afgoden-dienaers /oft Door [alle Hemelen voor ontſet ende befchaemt
Berachters der Schaftuuren / oft 200? Bul- | moeten worden / want haerder gíevighent/
fige / oft daor Hooveerdigen / oft doo? Dieven | onkupfchbept/ hooveerdighent / prael/ quls
oft doo? Bloetgierige / oft daor pdele /oft dooz figtept / Deoncken drincken / haet / nijt /
branden deg cruus Chꝛiſti / oft Dao? De Gene | hoerderije / overfpel/ bloetdorſt / woecker / log /
EE EEE dien die bupck haren Godt ís / oft door de bedzag / pdelhept / ende alderlen fchanden en
| Eik gene Die Doop Dat waardt Badtg al Berdoemt | {8 geen mate / noch epnde. Gtem openbare
| Phil. 3. 18. zijn / oft doae vleefchelijche oft aectfche geſin⸗ fcheemfcholen / fpeelhupfen / hoerenhupſen /
| de menſchen / met fijn heplige Waogdt te lee⸗ dzoncken herbergen; Ec. Want alſoo alg de
cen / ende tot peníitentie te belieeren : maer leergaers zijn / alfo ig ook haet leeringe/ Daz
alleen de oprechte Weder-geböorene / Chzi⸗ cramenten ende gemepnten / gelijck men
ſtelijcke / onſtraffelijcie Mannen / Die Bodt ſeyt: Qualis Papa, rale Euangelium & omnia. Proverbium;
gefocht ende gevzeeft heben unt Dat binnenfte | Ick fegge u voozwaer / gelaovet of gyn wile/
haerder zielen gedreven ban deg Heeren Geeft, | Ehriftus Jefus en fepnt aldugdanige gievige/
ende gedrongen Daag De liefde. Belijch Chat epgenfoechtge ende vleefchelijche Leeraers
ſtus dziemael tor Petrum fepde : Petre / hebt | niet / hp en hent oott alfodanige epgenfinnige
gp nip oock lief 2 Jae Dette / ſprack De: | vleefchelijcke ende beſtraffelheke gemepnte
trug _ghp weet immers alie Dingen’ qhjp weet niet / maer die van Chriſta Jeſu gefanden woz⸗ car. 6. 23:
dat ick uliefbebbe. Wel DPette C fende Ehsi- (den / hebben Epziftt Geeft / Krupcen haer
cap. 21.l8 15.
Och mijn Alderliefſte / fiet wel toe Wat
Geeft dat u drijft Wat liefde dat u dzinght/
eenen anderen Prekende / ſelve niet ſchandig
bevonden en wozden / foecken alleen den prijs
Godts / ende de falighept haerder liever Droez
wat gemepnee Dat u roept/ eude wat dingen deren/ wepgeren alle gewin / geſchencken ende |
| dat gh ſoecktt / volght doch Hen goeden nae / gaven / fo vezre fp pet epgeng hebben / daer fn
9 Wk ende niet den Guaderr. © Gek ſegge win Chriſto haer felven afgeneeven mogen /ende eeren geen |
ERE OEE Jeſu / mijn Ziele ($ om uwent wille feet ber: | perfoonen om deg gewins wille) eben onſtraf⸗
| flagen ende bedzoeft. Ick bidde u liebe, elijk leecen het woozt heylſaem / ende gebzupe:
Broeders / ontfanght hee dach teu beſten / ken De Sacramenten nae het bevel deg Peez
ten/
| Hit lus / foo wepdet mijn Lammeren / Goan. vlerſeh met iuſten cude begeerten / op dat fis ‚ cor.o.27.
Î
—4
|
|
| |
ij
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Phil. 3 19:
Rom. 16. 17. geeft/ maet ban uwen bleefch / niet ſoeckende
3 Pets ze Ja
tot de Predikanten. 537
ken / ſumten afte onbekeerlijtte ende afvallende Predicanten in't gemeyn / want fo oock alle
Suſiters ende Broeders bunten / verkondigen | ſodanigh gewin genieten. —
wederom genade den genen Die haer bekees| Doo ſeer afgryſelick tent mn Uwe —
ten / dzagen een eeuwige ende ſtedige ſozge ende uwe benefictie penfien ende renten 90
boor De gene dier haet neerftighepdt van Mijnen oogen/ Dat ick veel liever ——
Des Heeren Semepnte toebetrouwt ende be⸗ Beoeders / ich en liege niet / gekopt / gebran
gr — ——
ij dani En geſchuert € é
ee ed en er et mn —
tat noch cae gefeel wederftebigls in dee eel Oe egen Eenten ber Pzenicanten opgeliamen
ten leete zijt / Daer en boven oo: beftraffelijcit 94 ERGEN LEN Lik
ín den lesen / alg baar aogen blijcht, Zoo zhn Doe is fonder twufffel cen feet bervagcljke
bermane ík u met allen eenft ende Bzoeder- verderbende peftilencie in De Herche Chatt
ljchee liefden / dat ghp felbe eerſt techte Che⸗ gekomen en ingekropen / dat alfa verkeert en
ftenen zijt / al eet Dat ghu Chziftum eenen an- ver flonden heeft / datter (eplacen) nauwelijckt
beren incuqBt mdzuchent endeleeven. act, EEn oft bpfonder #7 en tee belde /
ons ong felben vecht infien/ op dat wp onfe ee — —— ſti — deg ed
gebzeeften wel mogen lennen leeten : eunde LIE —— Belties en
ennende affterben / want bp Godt en gelden) tWE AME We ee Door iS gekomen anders
geene ſchoone woorden / noch geen verfchjnen⸗ CEN. 3 — ————
de gedaente. Ain Beoebers ien moet u de dan Dat de lor kee Da — ——
ee eoa eg
feer galifgh ende bitter is / te weten / om dat br: * ſocht hebben. Soo ghy u in dat onbehoorz⸗
uwe Leeraers noch geeſt / noch kracht / noch gel ape: —8
recht betrouwen Chꝛiſti / noch vzeeſe Godts che gewin —* moes rif —* eik
toch liefde der WBroederen bebonden en Wozdt/ ei —— et felfne | ek alie blije foeeke
mact alien eenen delen vacp inden woorden, | 15 pe ee — heekdcalm a bech. uit
ende Dat om eenen gehuerden toon / ende | ENE veg
/ * et ín verdedigen / als dat ghy niet begeerigh
ober al geen betwijg Bet Cijriftelijker vzuchten, bier in | — *
nd en is ook alle uraepen anders niet /| Har Det ſchandige gewin euzyte 1 Elm. 3. 3.
| L/ | ende dat gp den perfaon miet en eert / om des
Dan op eenen Oever te zacpen ende den Wint eenigen: hemins willet Och Gzoeders/
te maepen/ want Dat repne Woozdt Godts, | ch wilde dat ghp te rechte Wildet ontwaken/
ende de leeringe des Hepligen nd | en De bedenckende wel nwe faeke / ende dat gijp alle
toch en tiagt ban geenen Dlenaeten die enderiep met ang in deſe faeckte gefint waert /
ontepn ende bleefchelijck zijn / techt aen: | ant Het foude fouder twijfel bepde Godte
gewefen ende geleert —— rd MOES | pijg ende waerhept / ende uwen armen zielen
ten ong fonder twijffel alle recht · verſtandige feet profijtigh ende goet zijn / te Weten/ als dat
toeftaen ende conſenteren. Vp dat Goele Godeg woozdt/ Dat woordt det
Soo ghn dan! ſegh ick / beſtraffelijck zijt / eeuwiger Balighepe ende der Hemelſcher gee
bepde ín ſeere ende leven / uwer eere De ſelbe die naden ( Dat met geenen wercken verdient /
gp hebt / om eenen tijdelijcken loon gehuert noch met geen gelt betaelt en magh werden/
Aart / in den geeft ſonder vrucht is / ende blijft | gelijck alg Wp dat door encktel genade om níet
geen onftraffelijkke gemepnte dooz u gebaert en | an Godt onfangen hebben, fo vezre alg won't
ordt / de teecktenen des woordts Doop u mig: | van Godt ontfangen hebben / dat Wp 't oock
bzunckt worden / blijckt opentlijclt/als dat abp | wederom alfa om niet untdenlden / ende alleen
De vechte gefondene Godts niet en zijt / maer dooz bzoederlijche liefde den hongerigen cons
dat gh van felfs loopt / niet gedzeben ban Den | fcientien leerden ende gemepn maeckten/ Godt
en faude ong fander twijffel niet berlaten/maet
ín allen nodelijcken Dingen Wel Daderlijck
berforgen ende bpftaen / maer het en wil bp «
noch fa níet zijn/ want het u nach feex Deel gez
bzeeckt aen geloove ende liefde.
Dewijle gp dan alle met malkanderen in
De geontlijcke falighepdt Der Gemepnten/
maer veel meet dat tijlijcke profijt ende ren⸗
ten / ende dat met fulcker begeerlijckhent / dat
gp u oock niet en fchaemt / de venten ende bez
neficien alg een befoldinge ende loon uwes |
Predick-ambachts te ontfangen/die bp ouden | dat onbeljooglijke gewin tot den ooren tae ver⸗
tijden /doog vercierde wooden ende bedzieglijc: |frechten zijt / aber al noch Aerdtſch ende vlee⸗
ke koopmanfchapgen) alg Petrus fept/ jadoog |fchelijck gefint zijt / dooz kracht Dev nieus
enckel dieverije / ende behendige roverije / den wer gebaogten / vleeſch ende bloet noch
vechten ende waerachtigen Erfgenamen onts |niet afgefojven en zijt / Chriſtum Jeſum
keert ende benomen zijn. ín allen fijnen woozden noch niet en ont⸗
Aldus verkoopt ghn ten eerſten dat dierba⸗ fanght / ende am dieg Wille in der leete niet
te ende bepe Godtg woordt / Datong om niet heplſaem en zijt / in gebzugck Det teekien
Doo? genade ban Godt gefchantken ende gegee nen Niet gelijckmatigh Godts Woozdt en
beníg. nde ten tweeden, fa wordt het uber (zijt / beftvaffelijck in Dev leere zijt / als hek
tacit met ’tgene dat geftolen ende gevooft is. boor oogen blijckt / geen kracht / geen: bzucht
diet lept meet berbozgen dan ick openen wil. des Geefts / geen oprechte vreeſe Godts / geen
Quide furto vivit & rapina non dubium eft, broederlijcke Ifefde bp u bebonden ende gefien
quïnfureft &raptor. Siet doch eenmael de en wozdt / Maer veelmeer kettert / ſchelt
faeche Chziftelijck en qromdelijckt aen/ befiet/ / blaſphemeert ende ſchendt / op Dat leeren ende
faft ende voelt doch uͤwe merckelijcke dwa⸗ leben der zomer epligen ende kinderen
linge / ongeſchikthent / ende Klaetfchijnende Godts / Die om dat getungeniſſe haerder cone
gievighept. Ach fipzeehe hier ban allen uwen, fcientie beyeſtight in nes 7 upt *
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
J * p
mt — _ 5 n = *
mm Ee — ——
mmm mn = „> Ee
—
gr"
538 Menno Symons Vermaninge
pen ende lieden gelopen ende gevloden zijn / de waerhendt en is ín ons niet 1 Poan.r. 8.
ende om dat felfde getupgentg tot water / vper | Stem / Jacobus: In multis enim labimur zac. 3. r,
ende fweert berent zijn / als't Godt belieft. | omnes. Jae lieve Wzoederg / ick bebinde Rom-7.8.
Daer en boven ig uwe leere gantſch krachte⸗
Yoog ende fonder vzucht wwe Gemennte die
ahp baert, malle Aerdiſch / bleefchelijck, ende
ben hepligen woozde des Heeren / in den getun⸗
genden vruchten geheel ongelijckt ende contra⸗
rie is / Daerom ſeggen Wy noch eens / als dat
met Paulo den appetijdt der ſonden tat allen
uuren nach foo ſterck in mijnen vleeſche / dat
ick dickwils roeckeloos gedenchie / onverfiens
fpzeelte / ende onverdacht Wel doe / het gene
dat ick niet en wil.
Waer de leelijcke / grove fclhhandige ſonden
gn die rechte geſondene Jeſu Cheiſti niet en ende ergerniſſen / alg hoererije / overſpel /
zijt. En loornt u niet mijn alderliefſte.
haet / mijt / dzonckien drincken / pronck / pracl
Dit is alleen De eenige oozſalie / als hier | laecken) ſweeren / dobbelen / ſpelen / onbehooz⸗
gerdert is / waerom dat wp uwe Predikatie | hijck gewin / migbzupck Det — Chꝛi⸗
níet en hooren noch Willen bp zijn/ uwe
Pachtmael niet en gebaupeken. Want Wp
en begeeren in der eeuwighepdt nimmermeer
muwe kercke te treden / ende een lichaem
met u te worden / tot det tijdt toe dat bp u
ſti liegen/bedziegen/ Ec. haet ick voozwaer vpt
meer ban eenige oprechte Godtvreeſende
Chꝛiſtenen gebzupcht ende bedzeven wozden /
bevonden Wordt waerachtige boete ende peni⸗ dewijle fpfe bpantiijken haten / Wederfteeven
tentie / een oppe Chriſtelijſe Teere / niet gehuert
noch verkocht / maer alleen gedzeeven ban den
Hepiigen Geeft dooz ware bzoederlijcke liefde)
een vecht gebzunck der Sacramentelijcken
teekenen / nae 't
Chꝛiſti ende fijnder Apoſtelen / ende een on⸗
ftcaffelijch teven ende Wandelinge Dat heuen
ende ban herten tegenffaen / want de geeft die
ín haer is / is een dootlijlte vnant aller Godt⸗
looſighent / booshent ende fonden. Onder deg
bevinden Wp menighmael / dat wp ban Adam
bevel / leere ende gebarmckt | zijn gebooren. Daer beneden foeckt / jaeght
ende hongert haten Geeft ende gemoet na alle
Godts waerhept / gerechtighent/ wille ende gez
gelenat wordt ín de vepne vreeſe ende liefde des boden / ende dat nochtans in grooter ſwack⸗
Deeren/ Ec. doen wp’teer oft anders / fa we:
ten Yup ’t boorwaer dat Wp fandigen tegen
Godt ende fijn gebenedijde woordt. Daer ang ſeer verhindert wozden.
Die goede barmhertige Dader Loo? behoede
ende beware. Want het en belaogt immers
aop Godt niet / dat wp ons onder foodanige
Teeringe/ vermaninge / ende gemepnte fauden
begeven, Die ten eerſten dwalen in De leeringe /
ende ten anderen met haet leben ín dat alder⸗
minſte niet bewijſen / als dat ſy rechte weder:
geboorene Godts kinderen / oft de echte rechte
Gemepnte Jeſu Chꝛiſti zijn/ maer behoort u
míjn alderlieffte / dewwijle ghp de onftvaffelijke
leeringe ende dat leven Jeſu Chꝛiſti niet en
hebbet / upt te gaen upt uwe leece ende leven,
goede nacht te feggen allen vleeſchelijcken lu⸗
fen ende epgenwilligheyt: Dat rijcke Gods
te foecken met puerder vepnder herten / inte tre⸗
den met ong ín de volle gehoorſaemhent onſes
tegen Weeren Jeſu Chriſti nae alle uwen ber:
mogen / wilf ghu anderg niet moetwillens
doolen/op dat wr alfoa te ſamen / ghn met ong/
ende tp met u mogen worden een Heplige
Chꝛiſtelijcke Werchte / een onſtraffelijcke Ge⸗
mepnte/ Godtoruchtigh / hepligh/ vepn/ Godt
gehoorfaem / allen menſchen Dienftelijck /
keachtigh ín der waerhent / blinckende in dee
gerechtighept / dat vleeſch doot / den geeft lez
bendigh/ ja ober al/ ende in allen Dingen
Eiriftelijck / Wemelfch ende onftcaffelijck in
Chʒꝛiſto Jeſu.
Ontſanght doch mijne vermanende Belij⸗
dinge met goeder herten / ende en begrijpt
mp boch niet al te nauw / als te weten / in
bept/ want fp doo? De ſware laft Des ſondigen
bleeſches {in ’t werck / baucht ende bolbzengen
benwel em Dat Die
goede Geeft Godts in haer cuft/ende woont / ſo
en latenfg_níetaf tegen alſodanige haet bere
hinderende bleefche kampelijk te ſtrjden / want
het teven der vechter Chriſtenen en ig niet dan
eenen eeuwigen ſtrijt op der Aerden. Wie dar
vidderlijken ſtrijt / ende verwint / fal met witte
kleederen gelileet Wozden/met Den Hemelſchen
Bꝛoode ende met Det vzucht deg levens gefpijft
wopden/Ec. Apoc.2.17. Siet hiet mijn alderz
liefſte / deweijle Dau ghp ende uwe gemepnte niet
eenmael tot deſe tciumpbelijke ſtrijt gekomen
en zijt / ick oozdeele alg ick hoore / ende ſelbe in
den bzuchten bebinde / maer der Werelt / vleeſch
ende Dunvel ſonder eenige ſozge noch ín allert
dient ende te Wille zijt; So achten wp ’t daer
voor nae ’t getungeniſſe aller Schrziftuuren / dat
ghp annuttelijck ende met grooten onrechte u
ban Cheiftus Naem / genade) berloffinge) ber:
dienſten / doodt, bloedt, ende beloften beroemt /
detwijle ghu fijn woozdt / ende Door °t woordt
fijn Geloove / geeft / vzeeſe ende liefde niet en
hebt/& per confequens niet en volght.
Daerom bidt ick u dooz de barmhertighent
des Weeren) fiet doch eenmael grondelijck ende
recht ín / wat Leeraers Dat abn zijt / Wat
geeft dat u drijft wat Iiefde dat u benauwt /
met wat Loognemen ende wat gzont dat ghp
leet /Wat bought dat ghn ſchaft / mat opdeninge
dat gh gebzupkt; ende wat gemepnte dat ghp
leert ende voorſtaet / ende oozdeelt alle dingen
met een Godtlijck oozdeel / fonder engen eere /
fulcke woorden: vepn/ onſtraffelijck / ende dier⸗ founder vleeſch ende pactpe. Ick en twiffel niet /
gelijcke meer: want fp zijn ban Chriſto Jeſu
ſebbe en ban fijnen hepligen Npoftelen tot ded
Íg ’t dat ghu eenmael techt ondeefchendet ( fa
en fal tu niet verwonderen / Dat Wp uwe leere
_ Veeren Gemennte vermaent ende gefproken/ niet en hooren / uwe Sacramenten niet en gez
Aoa.13.10. Phil 2.15.Ec.
* —— alg dat ick ong alſo rep ende
onfteaffelijch achte / als dat Wp fonder ſonden
_zinfgeenfing/waerde Bzoeders/Want ich weet
feer wel dat die W. Joannes leert / feggende :
Is ’t Dat wpfeggen dat wp geen fonde en
hebben / faa bedriegen Wp ons felben/ ende
Gedencht des niet / bzunken / en tot den Daot toe wepgeren / leden
uwer Gemepnten en genooten uwer kercken
te zijn/want dit íg en blijft onwederſpreekelij /
eeuwig en onveranderlijk / te weten / gelijk alf
|
Chꝛeiſtus Jeſus eenig ende een met den Dader /
ban den Bader is geſonden / alfao moeten alle
Leeraers eenig ende een zijn met Chatter,
ie
Kom. 1e.
Nemo facile
committit »
ganſcher geont mijner zielen / ſullen ende en quod ex ani-
(mogen ook daor des Weeren genade nimmer⸗ mo die.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
tot de Predikanten. 539
bie ban Chrifto Jeſu fullen Worden gefanden.! Wzacders het is onmogelijk dat ick leeren mag
Defe felfde gefonden eenigh ende een met het gene dat ick niet en kenne / ende hoe fal ich |
Chziffo / wamelijck / geeft / liefde ende le⸗ in dat hupg deg Weeren magen dienen / ſo lange |
ben / leerende het gene Dat haer van Chri⸗ ick ſelve daer bußten ben + Gordelt ſelfs. |
flo is bebolen / namelijck boete ende pez\ Cen anderen fo vepnigt ook uwe Geinepnte. mac. „2.
nitentie / ende Dat beedige Euangelium der Slupt met Gades woort bupten alle hoeren- 1 Gor. 4
genaden/ ’t welche hp felve ban ven Dader jagergende hoeren / dzonckaerts / laſteraers / enzo rr.
| ontfangen / ende tn det werelt geleert heeft. vloeckers / zweerders die ſchandelijck en onorz⸗ —
| Alle Die dat hooren / gelaaben / bewaren ende Dentlijk wandelen, gierige / hoobeerdige / Afgo⸗· Then: s.r4
| in vechter vreeſe volbrengen / dat zijn de Ge: Dendienaers/ angehoorſame Godts / overfpeel- 1 Cor. 6. :o. [Hit
| Col.r. 14 mepnte Chꝛiſti / De rechte geloovige Chziſte⸗ ders / en deſer gelijken meer. Opdat gp meugt * —* B
| re 27: Wjche Kerchie / Dat Lichaem ende Brunt Thri⸗ (Worden een Heplige Chziftetijke Herche die *”' |
* ſti / des Heeren Areke / Bergh ende Lufthof; daer is fonder cimpel / ende fonder vlecke / die
2 Cer.6. 16. Dat Huns Volck / Stadt ende Tempel Godts / daer is alg een Staùt gebout op eenen haagen
aCor. zr.5. De Geefielijcke Coa / bleefch ban Chziftus berg / Ec. YS het dat fulcks in dee waer: Ephet ;.z0.
—— vleeſch /ende been han Chriſtus beenen / kin⸗ hept bp u bevonden ende gefien wort / ende Daer Natt 5.14.
Rom.5.s. deren Godts / dat uetberkoaren Geſlachte/ beneven een Chziſtelijke vzue leere odentlijke
EG.65.3. Dat geeſtelijcke zaet Abzahe / kinderen det gebzunk dee Sacramenten Chriſti / met na hee
X 5. beloften / ſprunten ende tacken der gerechtig⸗ goetduncken der menſchen oft geleerden / maer
— De, bent, Schapen der Hemelſcher wepden / Ko- na de rechte leere Cheiſti ende fijnder AÄpoſte⸗
ningen ende Prieſteren / een hepligh gewonnen len. Gtem/ Godts vzecfe ende liefde/ ende een
bolck / dat Godt engen is : daer toe verkoren onftcaffelijcke wandelinge nae beermeldinge |
| om te verkondigen de krachten Des genen Die (Godts woozt / fo fult ghy ong altijt heben tat EI
haet gevoepen beeft / upt de Dupftermffen in uwe Bzoederen / want alfodanige foekten wp. |
ePer.2,9 ſijnen wonderbaerlijcken lichte / Ec, Maer Maer blijft t met u / na alg vooren / fa ſegh ick
alle de gene Die Clzifti Geeft/ liefde ende lesen ‚met openbaren monde) beter geftorben/Dan ín
miet en heeft/ nach ban gantſcher herten foecht uwe leere Baccamenten / leven ende Kercke
; REEDE ende begeert / ende leeft geen Deel indat heet: (mgetreden/ als het boven gefent is.
Be an, 25. lijche vertoonde Jeruſalem Godts / datis im | Mijn Bzoeders / hier en helpt niet / den Pha⸗
Chriſtus Gemennte/ hu zp dan Teeraer oft rizeen te allegeren op Moſi ffael: Ook: niet Mattas-r:
Difcipel / Prince oft Onderfaet/ / Man oft Dat Herodes ae Wijſe upc den Ooſten geſtuert
Wijf daer beneven en heeft hu ook noch gez |heeft: Oak niet dat fommige feggen : Of de
bedt/ noch Bode / noch Eheiftum ) noch Dünvel Godts woort predichte / waerom dat
belofte / noch quijtſcheldinge Der ſonden / noch
eenigen ſekeren ſchriftelijcken trooſt tot den
eeuwigen leben / ſo lange hn hem ban gantſcher
heeten niet en bekieert Godts woordt ont:
fangt / ende in rechter breefe volbrengt / gelijck
Chꝛiſtus ſelve ſeyt: Wie niet en gelodoft/ ig al⸗
rede berdoemt/ Joan. 3. 18.
Wijn weerde Breoeders / foeckt nu hier en
tegen waer ghy wiltjende wat ghy wilt / defen
gront fal eeuwig ſtaen / ende nimmermeer ver⸗
andert wozden / het woort dat Paulus ſent / en
ſal ook nimmermeer gebzocken worden: Wie
Den Geeft Chꝛiſti niet en Geeft; en behoort
Chꝛiſto niet toe / Rom.s.9. Ende fa waer dat
Galat.s.16. Die geeft is / daer blijken de bruchten des geefts.
So het doch niet feplen en mag / oft die Geeft
die ín den menfche is / alfo wel De quade als de
goede/fal her geving daag fijne bzuchten open-
Matt.7. 17e Baer ende bektent miaetken/ dat is ongetwijffelt
ende Waerachtig.
Pu ten laetſten / mijn alderliefſte / wilt gu cen
oprechte Chriſten⸗Gemennte zijn / die haer in
Der waerhept deg Heeren genade/ woozt / geeft
ende bloet begeeren te bevoermen. Dofendert
ten eerſten tt alle uwe Pzedicanten / díe van
den/ en daerom ín De gemeynte Chriftí niet en
zijn / namelijk / die begeerig nae ’t ſchandige gez
win zijn / als boven gefeptis. Stem ook alle
uwe dzonckaerts / kyvers plunmſtrijlters / pra⸗
lers/myjdige/gievige/Ec. Want deſe alle getün⸗
gen met Pfamen hare blijkende vzuchten / dat
fp denBeeft Cheiſti niet en hebben. En hebben
fh dan Chꝛiſtus Geeft niet / hoe fullen dan des
fe arme ellendige menfchen den Geeſt / kracht
ende mepninge Godts / Dat Woozt der gena⸗
den/ende dat Woort deg eeuwigen levens (het
welck fp ſelve noch hebben nach bekennen)
be anderen magen leeren en indzucken? Jae
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
men ’£ Dau niet hooren enfoudet Ec. Want
Chziftus Jeſus en heeft de Phartzeen / Dies
naers Des letters /niet gefonden om te prediken
dat woort Des Geeft en Des leveng. Herodes
en heeft De Wijſe met goeder heeten niet gewe
fen/ende de dupvel en heeft ooft Godt upt gante
ſcher heeten ende mepninge fijn prijs niet geges
ben : hp en wil ook het lof Des Dunbelg niet/ges
lijk Chriſtus fende : Swijght dupbel/ende gaet
upt ban hem / Luc.4.„35. Daerom ig ’t onnut/
ſodanige Behuip-reden te gebrunken / dewijle
ons Godt door fijne barmhertige genade De
oogen des verſtants eensdeels heeft onflaten/
als dat wp in den gront beltennen/dat de Bees
flelijke dienſt des Pieuwen Teſtaments dooz
niemant anders Dan Door Dienaeren des
Geeſts / door Kracht des H. Geeſts in der lef
den en mag uptgerecht ende bedient worden :
want het is ende blijft een dDienft des Geeſts / en
uiet des letters/2 Co02.3.6, ier van genoeg.
Suumnma) gaet u felfs te bunten / ftaet uwen
Godt berept/ foeckt alleene Godts prijs ende
eere / ende De eeuwige falighent uwer Waoede- Matt: 5-6.
ren hongert ende dorſtet nae der geeechtigtept 153” 23
Godts. Gelooft ende ontfar rhis
den onrepnen geeft ende bleefch gedzehen woz: 8 fi fangt Jeſum Chei
ſtum recht in ſijn gebenedijde woozt / fo fuit
afp fonder allen twijffel den vechten wegh / de
klare waerhent / ende dat eeuwige Teven tat
Godts eere en uwer aller falighent wel begvije
gen ende bekennen. Dat gonne ons Godt die
goede en barmhertige Dader altemael / Amen.
Soa ick nu / mijn weerde Broeders) dat
fchandige gewin Der Predikanten in defe
mijne vermanende helijdinge / doo? Godis
woogdt met neetftighendt geſtraft hebbe /
twijffel ick niet / oft Daer ſullen oocit wet
ſommige zijn Die mp in defe fake niet broeder:
lijck / maer bitterlijck fullen tegenfpreeken /
ende ſeggen: Lieve Menno / ghn en fuit ong
B ur2 nief
«
er
ee
|
540 Menno Symons Vermaninge
EEE | nfet engen maelien ín het gene daer Cheriſtus leckere/pdele/dDronckene/fchandelijchte teugen:
Í Jeſus ong ſelve ín gepzebilegeert ende gebrijt| achtige / pronchachtige / gulſige / gievige ende iors
Rom.9.14. heeft / fo ghu doch felfg geallegeert hebt upe} vleefchelijke boeven. Jaer oprechte / pꝛome / An —
HEE Deut25.4. Paule / alg dat de gene die den Euangelio Geeftelijke / lieffeljke waerachtige/ onſtraffe⸗ en 62, 6.
IEEE AA 233: Gedienen / Dat díe oock ban den Euangelid lijke / ende Lan Gode gefonden Leeraers
EEE | leben mogen. Segt / waerom foecht gp nu{ toegefent ende gegeven. |
epgen te malien / het gene Datvapig * De| Een bierden vrage ick: Of ook: de mannen
LEE gene Die mp aldus tegen komen / antwoozde Godts/ de Pzopteten/ Apoſtelen en Leeraers/
KEEEEDIE EIN | _ fckt ten eerſten / ende bzage haer : van Godt gefonden/ om eenen ſekeren tijdtlijz
EEE | Of de Leeraers dewelcke deſe —A— lien Toon daer toe gehuert en gekocht zijn / ont
\
HEE daor den Euangelio van Chꝛiſto is toegeſent / dat bape Woort der genaden unt te roepen ende
HIN: van Chzifto efu worden uptgefonden? Sp, teleeren? Ick weet wel/ het antwaoozt moet
EEE moeten innmiers belijden : Aa. Deqhicht we⸗ neen zijn : Want ſy en Gebben niet geleert, Dan
| derom: Deijle fin ban Chꝛiſto Gefu toren gedzongen dao? den Geeftendeliefde. Segh
gefonden/ dien defe vaphept door Chzeiſtiun is Wederom : Oewijle dan defe uwe Weeraers
gegeven/ fa en hebben immers die de benhepdt| om te prediken met eenen ſekeren loon ende
Door Chriſtum Geftam niet / die ban felfg loo⸗ toegefepde centen gehuert ende gekocht woz-
pen / ende ban Chziſto Jeſu nict en worden Den / ende niet en pzelken anderg dan gehuert /
gefanden. | fo moeten fp immers fele Dat belijden) als Dat
Een anderen vrage fclt / of deſe Teeraers / fn huerlingen zijn / ende geen gefondene Hee: joan. zo! 123
welcken defe beplent door de Schrift gegeven) caers : Want fp en leeren niet alg gedrongen , per. 2. 15.
is / niet mannen deg Geefts / Der líefgen ende | door den Geeft ende defde, | maer alleen aenqe- jud. 1. 11.
Der beftendiger waerhent geweeft hebben ende) lockt ende getagen / als Balam / met dat toe⸗
zijn moeten: Sp moeten fonder twwijffel ant⸗ gefende laon / beneficie ende venten. Qui id
\mooden: Ka. So ſegh ick wederom : Sao, negat > Solem in die iplendere minus con=
het dan mannen deg Geeſts / Der liefden ende | ceder.
des waerhepts zijn / den welcken defe pzivilegie Een vijfſten vrage ick alfa: De Leeraers
oft bephepdt Door den Cuangelia gegunt die van Godt gefonden zjn / mannen des
wordt / fo en mogen immers de gene die daor Geeſts / der liefden ende der waerhendt / lich⸗
den Geeft, liefde ende waerhent níet en dienen | tende bende ín leere ende leven / oft Die unt
ende teeven / Defe gegunde vaphept niet ge-\ eenen ſeſteren gefetten loon / beneficie oft
bruncken noch tot haer teechien : want fn de venten / dan oft fp upt den lieffelijcken dienft
Leeraers niet en zijn / Die alſulcks door Godts | ende behulpelijkhendt der getrouwer Bzoede⸗ s corg. 1:
Waordt toegefepdt ende gegeven ís. cen / ín het gene dat fp ban Haer felven niet en Rom. 15. 274
Cen derden vrage fc / oft oolt de Leeraers vermoghten / geleeft hebben Sp moeten Ga. 13.
Die van Chriſto Jeſu geſonden zijn / díe defe | immer belijden ; upt en De ban den Bzoederen /
0 vaphept nae Schzifts toelatinge gebrupcken | ende niet van eenige ſekere beneficien / penſioen
| mogen, nae de roeginge oft ontfangen Ampt [of tenten. Sofegge ick wederom ; Sulcks
een ſchandelijck leven gelept hebben? Ender leer tclk/ ſoeck ick / ende begeer ick ban gant:
als fn ’tlepden / ende boor Bodt ende fijn Ger ſcher herten. Is ergo aldus mijn koste bez
mepnte verdorven Waren / of fp dan oolt noch )fluptinge ende Chgiftelijche bermanmge tot
1 langer Leeraers ín Die onſtraffelijcke Kercke | allen Peedicanten ende Leeraers / namelick /
| Des Weeren zijn gebleven + Dp moeten ſon⸗ mijne Bzoederg,Bernedert u / en zijt eerſtmnael
| Der twijffel feggen : Jeen. Segge ick weder: |antteaffelijke Difcipulen/op dat ghp ook nae⸗
om: Dao het dan NHeen is / alg’ in dee waer: derhaut gevaepene Leeraers mooght wozden,
hept í8/ faa moeten immer de gene / welcker le⸗ Bepzoeft uwe Geeſt / liefde ende leven recht /
ben ende wandelinge ín dee Kercken Chziſti al eer ghun aenwanght am te Wenden ende te
even alſoo reyn ende nut is / alg een vuple ffinc- leeren, Koopt niet bp u felven/ maet wacht … k
1 Cor, 5. zo. kende paije bp den wege / oft midden op der ſtra⸗ tot dat ghn van deg Heeren / ick ſegge van des
Bom das ten/ geen Leeraers ín Der Gemeynte deg ee: | Heeren Gemepnte geroepen Wordt / ban Den joan. zr. 17.
cen zijn: Als Deoncltaerts, Ecbreliers haer | Geeft Bodtg ende Lan een Daphende liefde * Per-s- =-
venjagerg, giecige/blafphemeerders/Lloechers/|gedzongen Wozdt. Als ſulcks gefchiee /
zweerders / hooveerdige / pralerg ;nijdige / der Bzoeders / fog wepdet met neerftighept /
Chꝛiſteljlier waerheyt ongonftig ende vpant / pzeeckt ende leert mer dapperhendt / werpt
— lune / ſlaperige / kijvers / vechters / Re. Want van u alle onbehoozlijck gewin / roof ende
BE Matt. 5.13. Alg ’t fout verdozven is (fept Chrziſtus Jeſus) | Dieberije / huert ackers / melcht koepen / doet
—09 foo en ig t nergens toe nut / dan wegh fe wer-|eert belooslijchk ambacht / is t mogelijck / ‚cor. o, 12.
pen / ende met boeten te treden, Ende fo de arbent met uwen handen/ alg Paulus gedaen 2 Thez.r.
EIN | Gemepnte onftcaffelijkk weſen moet / fonder heeft / ende al wat u noch noodelfjcht gebzeeht/
EE IN rimpel of vlecke / hoe veel meer dan de Lee⸗ ſal u (onder twijfel wel van Den oprechten
Ei Î raers gelijk Chriſtus Jeſus ſelbe leert / ſeggen⸗ | ende vromen Byoederen/ daor Godts geenade
EEE wphe£. 5. zo. De + Ghn zijt dae Licht dev Werelt / ghu zijt hee (toeacdient ende gegeven Wozden : berftact
Ik Matt. 5.23. foutder Aerden. Dewijle dan defe vaargefepde | niet in overvloedigheyt / maer in nootdzuftig⸗
vleeſchelijlie Leeraers / boor Godts engen opdiz | hept.
nantie ende woozdt / al van dat Chziftelijcke! Aldusdanige aengeteeltende benbent gont
Ampt deg leerens ontfet ende becooft zijn / foo | Dat heplige Euangeſium deu onſtraffelijcken
| fis Des leere oet al onnut zijn / ende obermits Pzedilzanten / Die van Chriſto Jeſu wozden
haer blijckende ongeloove ende ongeogdineert- | gefonden / ende wijder niet. Maer De Pze⸗ *
hent in Chriſti Gemeynte ook niet en zijn / ſoo dicanten die van ſelfs loopen / die aerdſch ed
| en mogen fp immers oock deſe aengeteelende | ende vleeſchelijck gefint Zijn , Die beſtraffe⸗
behept niet gebzupcken / Want Chzꝛiſtus lijck in leere ende leven zijn / Dien de buyck
Jeſus en heeft geene ongeogdineerde / lupe; | haer Godt is / die obermidts haer hupe/gulfige)
gemachiee
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
GE We
tot de Predikanten.
gemackelijcke / werck-bluchtíige vleeſch / als
gehuerde knechten om eenen fetiecen loon / nae
Des Werelts behagen leeren ende dienen /
bekent de Schriftuure niet. _ Daerom ſegh
íclt eens booz al ban haet alfoo : Als't niet
E | in wat maniere ick den eenvoudigen Broederen
| semper quod beter met haer zijn en magh noch Wil / maer vermane ende leere, met welcke leere doch
proprium eft, ſo altijdt dencken / ende In haren herten ſeggen geen Godrvrefende Confcientien bedroeft ;
quærit caro. —— At quiliber we ad — ne noch geen Chriften-zielen bedrongen worden,
ad nos ‚ modo ventri noftro provifum fuêrit, |bidde ende begeere, doet alfoo ‚ op dat gh
— died 4 ale baden timmert ende niet en breeckt. —
—— woorde / nae fijn Godt⸗ ——— lien zien
ljcken welbehagen fal cichten ende ooz⸗ gen ende merliefden vermanen ‚ maer dwin-
delen. gen» oft ick alfulcks vermoght „en behoort my
— niet. Een yegelijk ſal fijns leerens ende doens,
Virt fr atres , vos qut Janioris eft 15 | voor hem felven ‚Godt reecken{íchap geven,
judicii veſtræ carni valedicere ende niet den menſchen. | ;
tis, ac ſummo Deo per Ten derden hebt ghy hier mijn vermanende
non TeC ufe » Belijdinge ‚te weten , hoedat beyde , Leeraers
omnia uvrventes. ende Gemeynten, nae Schrifts aenwijſinge ſul-
len ende moeten geaert zijn. Biddenocheens
ende begeere,door de barmhertigheyt des Hee-
ren, dat ghy doch de klare fchriftelijcke waer-
heyt, niet opnemen en wilt in bicterheyt , want
dar felve, dat ick u hiergefchreven hebbe, is
Ier hebt ghy, mijn lieve Heeren, vrienden Godts onveranderlijcke woordt ende wille, fal
4 ende Broeders, onfe klare Belijdinge, als | het oock in der ecuwigheyt blijven. Daerom
vande Menfch-werdinge onfes lieven Heeren | fiet toe dat gy u om defes fchrijvens wille regen
JESU CHRISTI, welcke ick in den gront | my nieten vertoornt, om dat’ uwen vlee{che
aldus bekenne ende geloove; want ghy hebt het | contrarie is, heten is voorwaer niet mijn, maer
verfocht, ick en hope vock niet anders | Chriftileere, niet mijnen, maer Chrifti wille. |
— goeder meyninge > daerom en hebbe | Soo ghy dan nutoornigh wordt, foo en wordt |
ick * Geloove niet verfweegen. Oordeelt ghy my niet toornigh , maer Chrifto, die ons |
nu defe ficke recht , zijt ghy geeftelijck, ende jin lijnen heyligen Euangelio oft woordt al-
of ick nu by avontuuren oock foo ghy meynt fulcks felve heeft geleert ende naegelaten, ende |
| hier in men{chelijcker wijfe dolen moghte, het | is het dat ghy Godt vreeft, fo fult ghy my fonder |
| welcke ick niet en hope , foo en gedenckt niet! twijffel dies te meer beminnen , om dat ick |
| als dart fulcks door eygen koppigheyt hertnec⸗ u door Godts genade , geeft ende woordt, |
kigheyt, oftdoor eenige partye van my 66 foo veel my Godt gegeven heeft, het Rijcke |
schiet, maer alleen dat ick voor Godt mijnen der Hemelen ‘open doe , ende den rechten
Schepper anders niet en bekennes ’ en zy den | wegh wijfe: Jae dat ick u onverfacght in warer
vaften onbeweeghlijken Godts grondt, woort Broederlijcker gonft ende liefde , des Gode
ende waerheyt. Mijn Broeders en fiet my | mijn getuyge Zy » de eeuwige fn ein
niet aen, als eener die tegen lijnen Godt foeckt, waerheydt ſpreecke ende toedrage, het — |
geenfins, maer Godts eeuwige waerheydt, vleeſch uyt uwe inetende ende verteerence |
“voordt ende wille ftae ick bereyt, my gefchie- {wonden uytſnijde, ende de pluyme niet en
Hereticus de in allen dingen foo’ fijne Vaderlijcke goet- ftrijcke , want ick en foecke niet uwe vleefche-
meo pali heyt belieft, ick fegh het met volder herten, en (lijcke vrient{chap, maer geeftelijcke vrient-
| de * —— Daerom fegge ick u alfoo » hebt ſchap, niet uwe prijs ‚ maer Godrs prijs, niet
qui germano ghy in defen Artijckel der Menfch - werdinge |ugoetendegaven ‚ maer u faligheye ende zie-
& fano Scti- Pr IRIST[ klaerder Schrift , klaerder gront len, Om dier oorfaeken wille fegge ickude
Arden B klaerder waerheyt, klaerder bewijs, als wy heb- | heldere klinckende Godts waerheydt ‚ende en
ben, fo helpt ons, ick en fal fonder twijftel ook |fpare uwer niet , och Broeders ontfangt het |
door des Heeren genade, mijn herte an de- | met blijder herten. Noch eens fegh ick, het |
fen felven grondt veranderen } ende het uwe 18 Chrilti eenige Woordt ende wille, verwerpt
naevolgen., Maer ick wikboven al —— tſoo en verwerpt ghy my niet, maer
dat falt ghy weten ‚ geen leringen der Men- Chriftum Jefum , die ons alle foo diere met
{chen , geen vernuft » geen verdraeyinge der | * rooden bloede gekocht — — Daerom —* 6,
Schrift , geen glofen ende vermoeden , nevens } HEL wel toe , datghy doch van ftondenaen op= At, ze. 2a8.
sAt |
mogen voor Godt niet en foecke , dan dat rey« Î
ne onvermengde woordt Godts ende fijn ge-
tuygenis.
Daer beneven hebt ghy hier ook, hoeende
Befluyt.
defe faecke hooren oft toelaten , maer alleen |waeckt , ende niet langer in de donckere duy-
de klaerheydt der Schrift ‚ waerheydt ende on-
veranderde getuygenifle ‚ gelij ck als wy u niet
anders in defe on{e Belijdinge (dan Schrifts
klaerheydt,waerheydt ende onveranderlijcke
getuygeniſſe) voorgedragen ende aengewelen
hebben; maer en hebt ghy fulcks niet: So laet
u helpen , hout ftil ende laet ons onfe Geloove
met vreden , want ick fegge noch eens >
fternifle , ende doodtlijcke blintheyt doolt
ende voortgaet. Ende laet doch dat arme
onverftandige volck , de arme onnoofele ziee
len, niet langer doolen onder uwe naem ende
deckfel. Be geheele wijde Werelt ftaet ende
ruſt op u Geleerde, hoe ghy pijpt, ſoo danfen
ſy, hoeghy leert, foogeloovenfy ‚ ende hoe
ghy voorgaet, foo volgen fy. Daerom wee u;
alderlicffte Broeders, dat ick nae alle mijn ver= 18 dat ghy verkeert ende niet recht en leert,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Epe 3 ver-
nn — ——
342 Befluyt.
verftroyt ende nieten vergadert ; verleyt ende
nieten weydt ; verderft ende niet en bekeert,
Ontfangt oogen der Wijsheyt , op dat ghy ook
de andere met Godtlijcken verftande recht
leeren endeleyden, meught, ende in u niet en
faecken fonder nieuwe creatuere ende Godté
Geeft gebruyckt , maer dat voor Godt alleen
gelt , Geloove, Liefde, Geeft, nieuwe creatuer
oft geboorte, als Paulus uytdruckelijken' aen-
wijft,Galat. 5.6. Alle degenediedefedoor A&or. 2.36.
kome het Woordt °t welck Chriftus felve heeft [Godts genade van boven recht ontfängen heb- ©n9:19,8.38.
Matt, 15. 14. gefproocken : Is ’t dat de eene blinde den ande- | ben, die laten haer doopen nae des Heêren be- MT Se
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ren leydt, foo vallen fy beyde in de gracht;
Ten laetften , foo fal ick u oock haeft
fenden foo het Godt belieft , mijne arbeyt
van den Doop der Geloovigen , met noch
meer andere leeringe, uyt welcker ghy mij-
nen gantfchen gront, leeringe, foecken ende
voornemen in aller klaerheyt meught putten
ende opnemen,waerom dat ick arbeyde, ende
waer nae dat ick jage , ende met wat Schrif-
ten ende redenen dat wy den Doop der geloo-
vigen beweeren , ende den Doop der onmon-
diger kinderen , alsgantfch onnut , Afgodifch
ende opentlijck tegen het woordt, achten ende
aenſien.
Leeſt het doch altemael met goeder her-
ten, herkauwet wel, volght den rechten ſin
ende verſtant des Godtlijcken Geeſts ende
Waerheydts alleen nae. Laet meynen ende
goet-duncken varen , vleefch ende vernuft
ondergaen, feer veel zijnder door bedrogen ,
want defe onfe leere van den Predikanten , van
der onftraffelijckheyt der Gemeynte, van den
Doop der Geloovigen , van het Nachtmael in
een onftraffelijcke vergaderinge „ende van der
affonderinge der onbekeerlijcken , is fonder
twijffel dat eeuwige onveranderlijcke woordt
Godts, wille ende ordeninge , daerom en {al ’t
ons in der eeuwigheyt door des Heeren genade
van geens Meníchen Wijsheyt , kloecktinnig-
heyt, dreygen oft tyrannye immermeer geno-
men worden. Jae deſe ſelve leere ftae ick nu
ende tot allen tijden Godt ende mijnen Broe-
deren bereyt, met een feker ende gewiffe ge-
tuygenifle mijnder Confcientien, met alderley
bangigheyt;vervolginge, bloet ende doot te ge-
tuygen ende te beweeren. De barmhertige
goede Vader handele anders met my,ende met
allen den genen die hem van gant{ícher herten
foecken ende vreefen nae fijnen Godtlijcken
gebenedijden wille. Leeft het befcheydentlijk,
ende oordeelt Chriftelijk,
Ditis kortelijck in alle handelen der Chrifte.
lijcker Kercken mijnen eenigen gront ende in-
vel „ die gebruycken des Heeren Nachtmael
recht, ACt.2; 38. 9.19. 8.38, Matt. 28. 19.
Jae dietreden met voller begeerten in dege
heeleordeninge en leere Jeſu Chrifti, endeen
fullenin der eeuwigheyt nimmermeer tegen
Godts heylige wille, ende tegen fijn klare ge=
tuygende woordt, moetwillens ftreven ende
ftrijden.
Hierom is mijn vriendelijke begeerte aen u
mijn alderlieffte uyt dat allerbinnenfte mijnder
zielen, dat ghy noch met my ‚ noch met ye-
mant anders en wilt kijven , als van eenige uy=
terlijcke Artickulen ende letterlijcke orde
ninge aengaende, maer verwindt ende onder.
werpt ten eerften uw felven,te weten , uwe on-
geloovige, ellendige , wederfpannige, hertnec-
kige vleefch , dat u noch heden daeghs van der
rechte Godts waerheyt , geloove ; kenniffe, ge=
rechtigheydt en gehoorfaemheydt , met alle
geweltafdringht, belet ende verhindert, jac
en twijffelt niet , als dat recht verwonnen is, fo
fult ghy alle Godts Ordeninge wel infien , be-
kennen ende gebruycken , maer alfoo lange als
tin uleeftjende fijn gewelt drijft; foo fult ghy
alrijt di{puteren endetegenftrijden, ende den
vaften onbeweeglijcken grondt der eeuwiger
waerheydt nimmermeer begrijpen , opnemen,
oftnaevolgen. Weeſt gewaerfchouwt.
Niet meer op defe tijdt , maer onderfcheydt
Chriftum — u ſelven eenmael recht van
malkanderen, Chriftiliefde ende uwe liefde,
Chrifti Geeft en uwen Geeft, Chrifti foecken
ende uwe foecken, Chrifti leeren en uw leeren,
Chrifti Sacramenten ende uwe Sacramenten,
Chrifti leven ende uw leven ; foo fult ghy fons
der twijffel wel bekennen,wat ende waer in dat
het unoch feylt ende gebreeckt.
Rechte wijsheyt, recht verftant, recht geloo-
ve, rechte kenniffe, recht onder{cheydt: Een
yverigh vierigh herte, waerachtige vreefe ende
liefde , rechte leere, recht leven , rechte Sacra-
menten , rechte ordeninge gunne u ende ons
allen Godt de barmhertige Vader door Jefum
nerlijcke meyninge , te weten, als dat by Godt | Chriftum, onfe en der gantícher Werelt Sa-
niet en geldt, noch Doop, noch Avontmael, | lighmaker ende eeuwige verloffer, Amen.
noch eenige andere ordeningen in uytterlijken
Introite per arctam portam, quoniam lata eft via, &c.
Matth. 7. 13.
Amaraeft veritas, & qui eam pradicant , repletus amaritudine,
dicit Hieronymus,
— —
| EE ‚N
| GANTSCH DUIDLYK
| Ende
BESCHELDEN
ANTWOORDT
| ANNO M.D.L VI.
J Uyt waerheyt ende kracht der Heyliger
Godtlijker Schrift grondelijck
vervatet, op
MARTINI MICRONS
Antichriftifche leere, ende onwaerachtige valfche verhacl , |
van den handel ofte befprek
Anno M.D. LIII.
Minder getal tuſſchen hem ende my, vande Alderheyligfte
Men{ch-werdinge onfes Heeren Ii
JESU CHRISTI, J
Voor vele getuygen geſchiet.
Met noch een hertgrondelijke ſcherpe
| Ofte vermaninge aen hem felven, om hem felven recht te
| leeren kennen, dat hy boete doe , ende
eeuwigh faligh werde.
DOOR
MENNO SYMONS.
Joan. 17.3.
Dat is dat eeuwigh leven; dat fy u(ô Vader) afleene bekennen, eenen wiren
Godt,ende dien ghy gefonden hebt, Chriftum Jefum.
1 Cor 3. 11.
Daer en mag geen ander Fondament geleyt worden ‚ behatven
dater geleyt is „Chriftus Fefùs.
Gedrukt in ’t Jaer onfes Heeren, M. DC. LAX XT.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
lep)
8
8
TL
S
©
[an]
5
@®
8
*
2
®
on
vj
Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
rtesy of Konin
olede (Melste Moy Mketer
Early European
3197 B 28
Images re
|
© nd sc eh ol
tot den goethertigen
bte men ren Gre a
Et is openbaer Eerfame Lefer, gelijck de Sathan een benijderder ahebe
n het begins
Godrlijker eeren en onfer aller Saligheytin het beginder Creatu- ne wasde
. N ange des
ren de Slange voor fijn in{trument gebruykte „om Adam en Evam ofte St:
wercktuyge ;
voeren van den wegh des levens, en alfoo te brengen in den doot, als ®2ön
fijn va!fche
hy ook gedaen heeft, Genef.3.19. Dachy ook nu ter tijt alfo (ijn valfche Seres
Predicanten.
Scribenten en Predikanten gebruykt, die hy een part met Engelfcher coin &.”
< di Matt.7.15.
gedaenten in een fijn Schaeps kleet door vele verdraeyde Schriften , Phi- pense
- ee * lich
loſophie, vernuft, mer een Borgerlijk redelijk leven, en vwoorden van ·
fe, woort, alſoo
meníchelijke kloekheyt heerlijken uyepronkt, daer mede hy de arme “Coke
. = ‚ de valíche
gevangene zielen in haer groote blincheyt en fware fonden beftrickt ende SE" Sr
ophout, en door fijn duyfent konftige ſchalckheyt van de eenige“ ende bar rechte
eeuwige middel haerder Saligheyt berooft, welke is Chriftus Jefus boveievan
$ * —— — begi
Want gelijk doe ter tijt de Slange tot Evam feyde: Soude gy daerom van den
€ Sh ‚ RE uyvel ge.
den doot fterven ? Neen, dar fal alfo niet zijn. Alſo leggen nu ook onfe Mt
wederpartyen. Soude Chriftus de Sone Gods zijn: Neen, hy enis’tniet, joden
Sone Gedts
de menfche Chriſtus en heeft geen Vader gehadt endiergelijke woorden 3484
heyt te be,
meer. Wantde Duyvel heeft van aenbeginne dat rechte ware gelove aen derehe
Chriftum Jeſum nooyt geleden, noch lijden konnen, te weten; datmen degsiove:
hem voor de Sone Gods bekennen foude, gelijk 1 Joan.2.22.4.3.en ook —
2 Joa.1.7. klaerlijk merken en ien magh. Want waer Chriftusvoor die
eerfte geborene en ceuwige geborene eygen waerachtige Sone Godts be-
kent wort, daer overwintmen de Werelt, 1 Joa.3.5. Daer is men in God
en Godis in ons, t Joa.4. 5, Somma, daer is dat ceuwig leven, Joa.3.36.
Waer door dan des Duyvels heerfchappyeondergaen „en dat Rijke Gjner
leugenen moet verftoort worden. Ja Chriftusfelve moefte ook daerom
fterven ‚ omdat hy bekende dat hy Gods Sone was, Matt.26.63. Marc.
14.61. Joan s.18.19.7.
Heeft dan de Sachan (ſeg ik) alfo een gelove van aenbeginne niet gele-
den, als gehoort is, hoe fal hy ’t ook nu dan konnen lijden. daer hy nu
mids Gods rechtveerdige oordeel door den Antichriften fijnen dienaers
om der fonden wille in voller heerlijkheyt geklommenis , en den gant-
fchen Aerdbodem met fijn vervoerifche leere, uytlegginge, glofen, wet-
ten, geboden, valfche Godts-dienft, tyrannye endegewelt onder fijne
voeten geleyt heeft 2
Men fiet met klaren oogen, dewijl Chriftus Jefus hem foo veel uyt ge-
naden door de Wolken fien laet, dat wy hem met Petro en met de gant-
L2ZZ fche
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Cm dat tech· 546
v O:O KRE DEN.
teware … {che fchrift voor den Sone des warenen levendigen Godts in der kracht
Chriften ge-
loveen fin en waerheyt geloven en bekennen „en dat felve onfe geloove met dat tee-
verfegelinge
verende ken des heyligen Doopfels (gelijk als ook de Moorman dede, A&.8. 36.)
Posta Onderdanighlijk na fijn bevel befegelen, om dat wy foo geerne in onſe
fwackheyt na fijn geboden wandelen , en door (ijn genade Salig zijn wil-
den , hoe deerlijken wy daer over vandat onaerdige, verkeerde, blin=
de en vleefchelijke geflachte gefcholden, gelafterr, belogen, vervloekt —
geperſequeert en vermoort worden. Wantde Sathan (fegh ik) en heeft
dat rechte ware geloove aen Chriftum Jefum met fijn onderdanige ver-
fegelinge van aen begin noyt geleden, hy enfal'took niet lijden tot den
eynde toe.
Apoc.ↄ tt.
Daer de wen
De Apoc. Apollion heeft het door ſijn Afgrondifche Sprink-hanen
Dier de ve (eylacen) alfo verdorven, dater weinig waerheyts by den Menfchen is ge-
meet van bleven, want het isopenbaer, dat niet alleen de Turkenen de Papiften,
meeft van
tende rechte
ront des ge- TY
oofs (eyla-
aer ook die, daermen dat befte verftant aen verhoopte, welck de gene
een)op tal zijn die de klaerheyt des alderheyligften geboorte Jefu Chriftí daer in
derfterkfte.
dat rechte waerachtige gelove ftaet , rfoan.5. met t famen des geloofs
rechtdryvingen, aert,kracht, vrucht, nadruk en verfegelingen, op dat
alderheftigfteharen en vyantzijn, gelijk men aen onfen wederpartyen
Pat onfe we-
derpartye
uyt partye
——
ebben leert
defe daer
wel.
Dat onfe
weder-
partyen
niet Gods
maer haer
eygen eere
JE eht heb-
en, dat
merkt men
zen dit ver-
fwijgen wel.
overmits haren fchrijven opentlijken merken en fien mach.
Och: och: hoegantfch weynigh hebben ende weren fy arme kinde-
ren noch van dat Rijke Godts, ende van de ftercke kracht fijns Heyli-
en Woorts, hoe wel {y haer by avontueren wel fouden duncken laten,
dat ſy daer in al een groor decl van gegrepen hadden: Wanthet is meer
alsklaer dat een Aertſch vleefchelijck gefint harte, een roemgierigh ,
hooveerdigh gemoet, een hatige nijdigheyt, ende een onwaerachtigh
valfche hant ende tonge niet uyt den goeden, maer uyt den quadenis,
1 Toan.8. 44. t Joan. 3.8. Endedat onfe wederpartyen uyt een Aerts,
vleefchelijck , hatigh ende val{ch herte gefchreven hebben, niet Gods
maer haereygenroem, naemen eere gefocht hebben , en in haer ver-
halen ende Íchrijven partyelijk ende onwaerachtigh zijn , kan lichtelijk
daer aen gemerkt worden, dat ſy van aenbeginne haers boecksheenen,
tor aen’teyndetoe, niet een beleeft woort noch van my ‚ noch van on-
(en Broederen hooren laten. Dat fy de lieflijcke weldaer fo getrou welijk
in der noor aen haerbewefen , alfoo gantích ende gaer verfwegen hebe
ben, niet eenmael ook roeren, dat fy foo menigmael met verftopte
monden faten (dat ick niet tot onfen roem , maer tot des Heeren prijs
fegge) ende geen uytvluchten meer behouden en hadden. Oock dat fy
niet een eenig lecter van alle haer klare bekenteniffen die fy voor ons allen.
deden, gelijck, dateen Vrouwe geenzaet, maer cen menſtruael bloet
hadde, daer mede hy die gant{che Diſputatie inden gront al verlooren
hadde, Item dater twee Sonen in Chrifto waren, ende dar de gekruy-
{te
— —
me —
dn. k
ende uyt de liefde mijns Heeren ende Saligmakers Jefu Chrifti ende Ron. ia.ns.
VzO:O: RR E Do EN *
fte Godts Sone niet geweeſt en was, &c. In haer gantſche ſchrift ge-
roert en hebben, 't welck geen onpartydig Schrijver, die niet fijn
eygen, maer Godts glorie ende eere van herten foeckt, om te doen
behoort ofte toekomt. Oock mede dat fy mijn alfoo gant{ch on weren-
de, jaeals een plompe Koeckoeck (gelijck hy oock op een plaetfe van
my feyt) die altijt eenderley fangh zingt, ende haer als Schrifc-kondige
ende geeftrijcke meefters daer letten, daer ‘t voor Godt ende allen fijnen
Engelen, ook voor ons allen foo geheel anders in den rechten gront be-
vondenendegefchietis , gelijkmen door des Heeren genade in defe mij-
ne volgende befchrijvinge mer verftandiger Godrlijcker waerheyt inallc
klaerheyc hooren endefienzal. Weinig hebben fy (eylacen) dat woort
Pauli na gedacht, dat hy ſeyt, dat men der ydeler eeren niet begeerig
zijnen ſal, Gal:sza; |
Dewijl fy dan den handel foo gantfch ontrouwelijck befchreven heb-
ben , ende den Vader ende fijnen Sone , ende haer Edele, diere ,
doorfnijdende, ware woordt endealle (ijn belijders foo deerlijeken ge-
fchent, hebben ook onfen lieven Broederen , die foo vroomelijken al-
le dage om des Heeren woort lijden ende henen fterven, een foo groo-
ten fchande aen den hals gehangen, als oft haer gantícheleven en fter-
ven niet dan raferyeen ware, ende dat ſy niet dan om enckel kerterye nees
noodt drin
goetende bloetlaten, worde ick uyt plicht ende ſchult mijns dien(ts , Snnoo
antwoort.
Heb.10.30,
fijnder Heyliger Gemeynte gedrongen (nietuyt haet noch wraecke , 1 veras
want die laet ick hem die fonder alle aenfien der perfoonen tot fijnder
tijde recht oordeelen ſal) met ongevalfchter reyner waerheyt aen te teec-
kenen alle wat Micron ter oneeren Chrifti ende fijns Heyligen woordts,
alíoo moetwillighlijck verfwegen heeft. Daer en boven oock, hoe
lafterlijcken hy den Vaderende den Sone , dat woordt ende fijn belij-
ders gefchent heeft, ende met hoe grooten onrecht hy onfe geloove
ende Leere van de Meních - werdinge Chrifti befwaert, die door de
gantíche Schrift in een onwederfpreekelijcke kracht ende klaerheyt be-
tuygt ende geleert vordt.
e —
Bidde daerom alle mijne Leefersom des Heeren wille, dat fy doch
defe mijne verklaringe met onpartijdigen herten rechtdoor lefen , den
gront vel aenmerckenende den Heere om genade ende verftant bid-
den willen. _ Ick hoop ’et door Godts hulpe met alfoo een kracht
ie partijdig
ende klaerheydt der Heyliger Schrift aen te wijfen, ende van malkan- vaa teren
zijnen kon.
deren te {cheyden, datmen, ja darmen den Antichriftifchen bedrogh zendoer
by onfe wederpartyen, ende den vaften grondt der waerheydt by ons “issgeteet
met vollen handen raften fal, Ick wilde daerom wel , datmen dat
gemeyne recht-woordt na dachte Alteram partem audito, datis , gy
{ult oock den anderen part hooren, ende darmen alſoo dat mijne by
LEL 2 dat
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
—
— — — — —— —
— — — Es —— — — —
— — — — — —
— — — — —
548 VOO: RE REE DO BON:
dart hare houden, ende hem niet met een voor-oordeel (gelijck de par-
tijders doen ) roeckeloofelijck vergrijpen wilde.
Bidde in gelijcker maten , dat men my oock niet en verkeere ;
dat ick by wijlen mans-zaet , vrouwen - zaet , menftruael bloet ,
in mijn fchrijven noemen moet , Godt weet het hoe ongeerne dart
ick dat doe ‚ maer de noot dringet my om het te doen , foo an-
gods ere ders de heerlijckheydt JESU CHRISTI by veelen niet verdonckerr,
moet meer
gelden, dan
Gerate ende de Hemelíche klaerheye fijnder alderheylighfter geboorte niet
ommige … Onder de Afgrondi{che wafem van Microns Antichriftifche glofenende
doen. Sophifteryen verduyftert blijven en (al.
Ick en kan my des mans herte ende gemoet niet genoegh ver-
wonderen , dat hy alfulcke ongerijmde fabulen voor de gantfche
Werelt uytſchrijven, ende hem in fijn roemgierige hooveerdye
(dat ick uyt fijn eygen werck voor Godt anders niet rechten en kan)
foo openbaerlijck blijcken laten derf , daer’t van ſo menigh ſcherp-
finnigh menſche ſal gelefen worden : Want wat doet hy anders
—* — — Schrift À — hy — — — hoo-
rentiengen Îtoel fet, ende my in den dreck treedt, gelijck alder eergieri-
gemrck gen partijderen aert ende wijfe is , dar ick alfoo niet een wilde ge-
“_ fchreeven hebben , wanneer het mijn perfoonende niet de eere Godts
aenginge. Ende daer der foo menigh Godtvreefendt vroom man
by geweeft is , die den handel van aenbeginne tot aen het eynde
toe gehoort hebben. Oock noch daerenboven wel fommige
duyfenden zijn (foo ick vermoede ) dien het door mijn gedruck-
te Boecken , die noch alle dagen hier ende daer gelefen worden ,
kennelijck ende openbaer is, dat ick foo menighmael opentlijc-
ken handel , ook opde ftraffe des vyers , foo ick mijn Geloo-
ve ende Leere niet met kracht der Schrift beweeren en konde ,
aen haer begeert hebbe, maer eylacen noyt verkregen.
Kan Micron Soo ick dan nu foo geheel onverftandigh ware , gelijck men
zielen win-
senendewit uyt fijn Boeck verftaen moet , foois het immers meer als wonder,
niet, ſoo is hy
Stor ran, dat men my alſoo een beſpreeck ende handel dus lange tijdt gewey-
immers * gert heeft , daer hy foo menige ziele mede hadde mogen Winnen,
“BEL {oo menigh goet mans kint te rechte brengen, ( foo fy anders on-
recht hadden ) ende een foo groote eere ende roem ( {oo het hem
geluckte ) by {ommige hooge lieden , ende oock by de gantfche
Werelt krijgen ende inleggen. Maer Micron en is’t noch niet verge-
ten , ( hoewel hy aldus praligh fchrijft ) hoe dat fy by ons geferen
hebben. | —
Hadden Micron ende Hermes Godt gevreeſt, gelijck ſy met
haer Schaeps-kleet ſchijnen laten, fy en hadden nimmermeer foo
fotachtigh gehandelt , als ſy nu met haren fchrijven hier gedaen
hebe
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
MO ORK ED DN —
hebben. Doch ick vermoede dat de gene die Pharonem dreef dat hy
Ifraël vervolghde, hoewel hy foo groote wonderen door Mofes ende lenen
Aarons hant van den Heere in Egypten-lant gefien hadde, ende alſoo vals won
in’t Roode Meyr fijn ftraffenam , Exod.7. 25. 8. 3.9.6.to.t4.u1:5.14.
28. Ende ook mede die Antiochum dreef , dat hy hem alfoo haeftede
dat hy Jerufalem toteen dooden kuyl maken mogte, ende alfoo onder-
wegen fijnen Stercker ende ftraffer vant, Mach. 9. 4. dar die felve oock
Micron ende Hermes tot dit fchrijven hier aldus gedreven heeft, op
dat hare bedeckte huygelerije, hare menigvuldige groote ende {ware
leugenen, hare roemgsierige partye (ick noem her gelijck ick dat voor
den Heere richte ende infie) hare onbeleefde ondankbaerheyt, hare on-
verdiende faemrooverye , hare verval{chinge ende moetwillige ver-
draeyinge des Heyligen Godtlijcken woordts, hare breekende glofen,
hare Sophiftifche Philofophie, hare bedroefde vervoeringe der armer
ellendiger zielen, haer grouwelijke Antichriftifche, valſche leere , ha- —
ren fwaren laſter beyde aen de Vaderen aen fijn gebenedijde Sone, haer hetere
taftelijcke duyfternifle , ende hare ydele vleefchelijke herten, eenmael soes voe.
overmits fulcks door defe onfe verklaringe , recht mogen openbaer wor- “*“*"*
den, endealfooalle die goede herten, die midts veel valfche leugenen,
die fy over ons dichten , fchoon fchijnen die fy voor wenden, ende
| verdracyde vervalfchfte fchriften, mer alle de foete [meekende woorden
der menfcheliker wijsheyt, aen haer ftricken gebonden ftaen, tot des
| Heeren prijs mogen los en vry worden.
Ick en weet immers niet wat ick anders van der faken dencken oft ſeg-
| gen ſal: Want ick hebbe hem al over twee Jaren door een hoog geach-
| terendenaemachtig man die ook lijns geloofsis, getrouwelijcken laten
waerfchouwen, foo hy't tot den druck beftellen wilde (want my werdt
gefeyt hoe dat hy fulcks in den (in hadde) ende hy nier de rechte waer. Misanisest.
voor dit
| heyten volghde, effen als’tgefchietwas, want ick merkte dat hy dessert
— —
Pe,
ewaer-
leugenen weynig fpaerde, dat hy alfdan (foo ick leefde , ende de is:,
Heere my dat toe liete ) fijne antwoordt hebben foude. Maer
hy wifte wel foo hy ’t niet anders en maeckte dan t gefchier
| was , dat hy alsdan feer weynig roems ende eere by der we-
| geldt daer meede behalen {oude , want het wilde geluyt heb-
| ben : Micron heeft et al verlooren , welck een groordunc-
kig hooveerdig vleefch niet geerne alfoo hebben ende hooren
| oude.
| : Ick en haddet evenwel mijn leefdagen niet gelooft , dat hy al-
foo overmaten eergierigen } partydiffchen , _onwaerachtigen —
faemroovigen, ende onbeſchaemden vleeſch gehadt hadde, foo sag
OOK fijn
ick dat felve niet in der daet met onfen befpreck, ende oock nu sa
mer defen fijnen fchrijven alfoo aen hem bevonden hadde ik hadde “rsz
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
550 vO GAAB DEN.
gemeynt , fijn vernuft foude hem wel geleert hebben oock fonder
yemants waerfchouwen, foofy dede dat hy nu gedaen heeft, ende
ick noch by denleven ware, dat hem alsdan niet dan enckel oneere
ende fchande by alle onpartydelijcke redelijcke Lefers ende tochoerders
daeruyt volgen konde , maer Micron moefte baren, daer mede dachy
fwanger was.
Doch hy magh byavontuuren gehoopt oft gedacht hebben, dat
ick middeler tijdt moghte henen geftorven hebben, ende dar hy al-
ſoo ongeftraft voor den menfchen by fijnen roem ende prijs foude ge-
sâlzeso. blevenhebben. Hy wifte oock wel, dat hy hem by der Werelt (die
tele geerne fulcke trooftelijcke leugenen ende valfche tijdingen hebben
ende hooren wil ) aen my niet vergrijpen en konde , want die my
ende mijne Medebroederen op ’t alderleelijckfte beliegen , eere ende
nacm nemen, op *t heftighfte fchelden , ende mer een de alderon-
gefchickfte verwe afletten kan, is by haer cen goet Propheet, ende
een aengenaem Prediker , alſoo mogen fy vaft met malkanderen aen-
loopen , tot dat fy van den Heere gefteurt worden. Sy zijn
van der Werelt (feyt Joannes ) ende daerom fpreecken fy van der
werelt, ende de werelt die hoortfe , 1 Joan, 4.5. De lieve Heere
gunne haer fijn genade is het mogelijck, Amen. De Leefer heb ’er
acht op watter volght, op dat hy Chriftum leere kennen, recht doe,
ende falig worde. |
Atnkomfte |
der Engel-
chen.
GANTSCH DUYTLYCK
Ende befcheyden
KENT WOR D-T
Anno MD. LVI.
Uyt waerheyt ende kracht der Heyliger Godtlijcker
Schrift grondelijk vervattet, op
NMa kel Nek AMETRGR- ON S
Antichriftifthe leere, en onwaerachtige valf{che verhael,
van den handel oft befpreck Anno M.D, LIIL
Hoeen wanneer de Engelfche (alfo,
genaemt) by ons gekomen zijn, en welck
een trouwe liefde onfe Broeders aen haer be.
wefen hebben.
Siet alfo is hare aenliomſte bp ong gefchiet
en alfuik een trouwigheit en liefoe hebben onfe
Bzoederen aen haer bewefen/Dat ons níet lan: —5 — ape
ge daer na van den ondankbaren Hermes fect daer is (ber
| —7 — gedupdet rid en {8 ban Micron telijk a
NOT Dt Jaer 1553. een wen⸗ Le bet ſchijnt /unt enkel hact der wacthept cn „<j Bedanke
Minigh East lamer Bt angonſt der bzoederen (op Dat Baer dach niee ap
gefchiet/ Dat den Wagede: | ant eenige vzoomhent toefclzijven en foude)
SM Een Weet acngefendt ; hoe im fijn verhael gantſch en gaer beef wegen,
Hf Datter een gantich Schi
og Des bol bolle uwe Denemarken Hoe dat de Engelfche met. onſe
re —— was die) _ Broedersint befprek gekomen zijn.
Eh berg geloveng halven upt | T 2de hoe fp nu cen/ ttuve, af Dat |
Engelant verdzeben waren/ en lagen ecu fluit | E hen ore Stadt gemeeft toaren / bede Ei,
weegs bunten in dat ps bebzoren. d mes Met Den fijnen/ ommige ban den onfen bp
Als nu de Bzocders ſullis hoorden / zijn fp mallranderen laten koren, ende heeft eenen
van ſtonden aen mer heiftelijker bacmbeetig: handelen, Diſputatie / of Beſpreſt acn hact bez
bept ober haer beweegt geworden / ſo het billjlt geert / en na Vele wijtloopende woorden alfoa
en recht was / hebben haer met den anderen | tot haer gefent i
— : Icli ben cen Leerder/i Herme⸗
De Broeders heſpꝛoſien /en alle vlijt Daer aen gelteert (hoe⸗· | aats cen leeraer er Sadee
en hebben
tegen mp bebben pe icy: Waerachrighte
| *
aren dient Wel 1p verrmoedeörn datter haer bepder overig⸗ | hebbe gezoort/ als dat Want ick igh
om des
kruys vrefe
niet na ge-
laten.
Der Broede-
ren trouwig-
heyt , die fy
den de Engel- Moedt te hoope gebzaght / den boomaemften magbte. E
fche bewe.
fen.
Hier aen de
den fy recht
dewijle fy
enoegh
adden.
Merkt hoe
hier Chriftus |
volk veracht woozde: neen/ dat faude fo niet Dienen ; Want Chen openbaren en ſouden (nademael ik ſoo
is.
hebben Wop wel/ wy begeeren maer alleen dat⸗ den Leeſer niet toe
roemgieri-
: - | Ì Menao híer ít
gepe wel droeffe niſe unt ontſtaen mogte / als Fijn foude) fa wil iftdat hp * ander Te venom te
t ook gefchtet is) Dat ſpſe unt dat ps hielpen / \raet tegen mp ſtaen fal/ want ilt heb wel met handelen
en met goeder gebaeghltznheyt onder berderte hondert ofte meer ban Den uwen gehandelt f
binnen Der Stadt bzengen moghten / als fp ook Wanneer K:
dan overwonnen Waren / es
gedaen Gebben. pen fb 6 aren / fo berie
á # aer altijt op de leeraers. Diet, f:
Sp zijnfe met wíttebzaat en wijn te gemoet ' fijn voorgeven d p 8. Siet / fo was
gegaen / ſo daer eenige krancken of fwacheon: Dier hadde ilk nu Wel bete ban deſe fijne leu⸗
Der haer geweeſt waren / Dat fp de felfde daer genaghtige voorgeven en — deed
erk —— eneen Wepmigh hadden ma: ge tonge te fehzíjsen. Ook van fijn onbeleefde
batige foechen achter mijnen rugge :
En doe ſyſe nu in de Stadt gevoert hadden/ nergens niet een fblimeeeh Apud,
hebben fp oackt noch na hact klep vermogen daet hp een groote ballte ai konde binden/ Nu hz my
oan | tmaecken/ en mp met
ontrent bieventwintig Daelders up: haren ar⸗ alſoo tot een fchant-teechen op her lijf ber, waerheyt
nde mede hoe hp mijn berborgen ST
ban haer dat gepzefenteect / oft Der eenigcbe: woon ſtede v hoe hp mijn verborgen fchenden ,
, an cen onnoofel kint afvrae hebben fy’
hoeftige onder haer waren) Dat finden felfoen Fe. Dan dewijte het den Hefer noch mire evenwel mer
daer mede Dienen en te hulpe komen fouden. beteren kan/fo wil (lkdat de
n Deere beboeten en IC genen
Dat gelt wepgerden5p/ en Fepden : Geldt Hermes ſchande onberoert laten/ op Daer ne:
A fchijne / en als oft itt gelid
men ons daer ín behelpe Dat onfer fommige miet gelijk betalen wilde Ald de pa, —*
londen tot den arbent komen : daer toe ooli de wigh boor zp. Dat hu evenwel Wat wacra cho
onfer alfa veel deden / alg ín hacr was. tiger in ſjnder tongensen wat onpartpdifcher
oct wert haer in gelijſter maten ban eert van herten war in 05e
| ge e/ ende Den eere ſjnen Bodt
ban den onfen dienſtelijcken aen geboden hoe wat beter bzeefen/ wilde ík hem wel van gront
hn de kinderen van Joannes à Lasco geeene in | mijns herten gewenfcht hebben.
fijn hups hebben / en dat befte bp haerdoen | en handel wert Hermes en den fijnen op
ilde. Daer op hem Herm. Backereel ants ſulli een couditie bewilligt) dat fn’t geen men:
Joan à Lasco waer een man Die bele met Wee armen f wacken man ware / ende ban alte de
ren / Pozſten / en groote lieden handelen moe: | Wereldt gehaet) Waer fp met ma gehandele
fie/ het moghte fifnen goeden naem (och Wetet hadden. Daer op fp onfen beoederen van ha-
merkt) een boog geruchte malten: Dat fijn kin⸗ | ven ’c Wegen de hant gaben ‘dat fb ’t nimmer:
Beven by fodantge lieden zijn ſouden. Dat hoo: | meet doen en fouden. Maer hoe fn ’t nageliaz
vende merkte ilk wel hoe wp de ounoſele / rechte men zijn heeft de Daet bewefen : Want niet
eu flechte pelgrims Jeſu Chziſti wiet gelire⸗ lange daer na / wiſtmen te Emden bo der ſtra⸗
gen cn hadben. tens
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
552 Menno Symons Vermaninge
— ten te vertellen / waer dat Menno woonde) eu | de ſuſpect maken : Dat ick nopt alfoa gedacht
— dat Micron en — alle daer met hem gehandelt en hadde. Fk liet af eu ſpzack / wel aen Her-
Áe se toe hadden, En nu hebben fp t noch Daer en boz | mes, ik vermoede Dat gu wel liever eerſt van
scleyde … ben voorde gantſche werelt ín dzuln laten mt: (De Menſchwerdinge met ons handelen foudt/
woordt ſeer à í
valijkge- gaen ; of eerlijte vrome Heden niet meet. over | hp antwoorde: Ja, Do bekent dan (fende ik)
houden. haer —— en toegefent woort/ Dat bp |u geiobe. Doehp’tnubekent hadde / ſprack |
alle vedelijke eenftachtige der gantſcher werelt | in / Wiebe Hermes, hebt acht op uwe Woozs
niet ne 5 een gef woren Eedt geacht den. Want fiet) alle defe “ neonteníenten |
wort / behooren te houden / wil ick alte mijne volgen upt uwe geloove en hebbe hem in ’t gez
qLeferg/ bepde gonſtigh en ongonſtigh / te bez (tal achte boog geftelt. 8 |
Denken geven. Doch aen ons (laten haer bele Ende fiet / alg ik nu mijn reden geëpndight
dunken) kanmen niet mishandelen. hadde wag Baer een onder haer Ja. Mich.
Des ſelven geljcken en hebben fn oock de genaemt / die oock fomwijlen ban Macron in
Stadt (díe meer deugs inden harden, kouden | fijn fchzijven voorgetoogen wort / die fepde tof —
Winter / doe fa niet en wiſten Waer fn blijven im / oftik dar wel met de Schritt bewijfen kon- —
fouden / aen haer beweeg / dan gantfch Goſt · de Meynende dat ick van miju geloobe alfa weeft en is,
ondane- _ dant en Denemarken deden) niet al te bziender | gefproken hadde, Dat maghtan (fepde ick) magh den |
baerheyt ihl gedankt/ dat fpfe met haer ongefouten ‚Hermes braegen / want hee fijn gelove ende |
wert by den parthdiſch fchgijven bolpeeren/Doeften/en a leere 8, Wat hootende/ ſioegh hnfijn hooft |
ouden Der ere ftcden ín ſuſpicie bzengen/algof pong on- | ter meeder, ende f weeg flille. Ah vermãende |
fen met den
doodt derhleiden of voorſtonden / Daer fp niet meet hem dziemael na malkanderen, Dat ha hem
geftraft. pan mijn woonen/ Ban van haren doodt gewe: dat met dee Schaft van Hermes ſoude laten
‘ten en hebben. betwijfen/ noch fat ick fijn antwoozt hebben. |
den faetften hebbenfe oock ſommige goede) Doe ick nu deſe leelijrke partije mechte /
herten / die ’t aen haer niet erdient en hebben / | wert ick ſeer bedroeft. Lieve Hecre (fepde ick)
na malkanderen op het Uegiſter geſet OP ſalmen aldus handelen met des Leeren woozt /
datmenfe doch in alten Landen / Waer fin he-|ldat moet Godt geklaeght zijn : Doe qu
nen kamen wel kennen magt. Endefabet de \mepmde Dat mijnen grant Was/ Wilde gp ZY Godeen
eere Daag fijn genade uiet vaogfiet/ bp abon: Schrift hebben / maer nu ghn berneemt Dat nen geit de
tieren den eenen / of fijne Ktepne kinderkens / (het Hermesqront is / nu ís t u AchaiftS gez waerheye en
díe faa overmate beel goets bp. haer Dede / om | noegh. Och vꝛient (fepde ick) Doet boete / geen partye.
aimmiae dupfende gefchreven. Wadden fp ntt | ende ſchaemt u vooz uwen Godt / want qu en |
ß allen: befen/ de ongevalfchte verne liefde) die ‘handelt niet met fijn woozt / gelijk een orrecht |
niemanden quaet en wenfcht/ noch wenniger Theiſten behoort ende toekomt. Ende deſe |
Doet, te famen met de germepne eerbaerhent en | is wel een van de voornaemſte getupgen / |
oock haer epgen woordt en cere kaat beter bez | díe fo onpartijdiglijken hebben toegehoort foa
Dacht) dewijle het doch niemant op den gant-/ Micron, maer niet met Der Waerhept / roemt
fchen Wertbodem leeren / of ín Godt beter ma: | ende boor geeft.
Ken en kan/ eu dat het meer eeng verklickers / Daer na nam Hermes fijn anttwaort ende
Verklicken alg eeng vꝛoomen Mans werk ſchijnt / ſo ſau⸗ ſeyde. Die Inconvenienten wil ick te niete
beraamt ge e (na mijn beduncken) den Cuangelifchen | doen gelijck de wint dat ftof verweyftert. Lie⸗ — |
noch weyni: CHrifteljfken aert/ geeft/ tucht / eu billijkbent/ / ve Hermes (fepde ilt) ſpreeckt foo beemetelijc? ijk preeken
gereenen _ gelijkformiger gefclenen hebben / alg het nu en niet / het ſtaet foo qualijken aen een Chi: voor God:
Ï
Predikant, is de De vrucht Itfe wap moeten houden laz golde,to had
get. Wecht ig deg Weeren woort: De vrucht ſten / ilk Weet gp fit p | | —
td — de Boom is / Matt: 12. 33. ten. Ggook tot noch toe / den Heere fh prys harde waa
Siet aldus hebben fp gefrandelt/ díe haer la⸗ poor fijn genade / alfoo gefchiet f gelijck ich al verloren.
en Duken dat fr de Chriſtenen en Wp De et⸗ mt Microns Aenhanghſel klaer genoegh; ver⸗
De openbare Pers zijn/ en Die Godt tor een getunge nemen / merke, hoe wel fp haer hoof den, daer meet
Heten Na El haer op dat Goꝛdeel Gods beroepen) Dat fi | als twee jaren om gebzoken heben.
me tebefege- den handel getrouwelijck en vecht beſchzeven De gucontdenienten bleven van hem onbez
len is die cen npen / daer fp nechtang wel weten / Dat fb | antwoozt. Ende ’t was ten meeftendeel al van
{ware fonde
met diean- het alder eerſte woort geloogen hebben / van aennemen / watmen ban Gem bernemen ofte
dere op ene dat fia fchzijven. ooren konde, Soo ſpzack ick ten laetften ;
pronken. get g + — wijf mp doch ‘waer ſtaet het geſchre⸗
Een waerachtigh verhael. ben dat hp alfa onſe vleeſch / of onſe menfche-
oe gantſch onwaerachtig dat het is ſal lijke nature hebbe aengenomen als ghp vooz
—— ——— upt deſe mijne vernla⸗ geeft? Doen antwoorde hj : Paulus leert; als —— *
vinge ín opgedeckter waerhent inꝰt navolger: | dat Chriſtus eens knechts geftalte aengeno- * —
De geſien worden. En alfa zijn Hermes en ick men heeft, Philip. cap.z. berg 7. den Pauli:
in de Mid winters dagen tat cen befprecht ge:| Doe hp nufijn woozden upt hadde / braeg⸗ Gods gefal
ii komen. ikhem / of hu met Johanne à Lasco ín Der pi *
EN > feece eeus ware of niet + Wp bekende Ja. 6
IE Hoe dat Hermesen ickmet malkan-| Bet aen fepde icl/ à Lasco heeft ban Defe
HE | deren gehandelr hebben. Spꝛeucke Paulí / Gods geftalte en knechts
1m | Et gebeurde) doe wy om te handelen bp geſtalte een tegen ſettinge — Aer
| | ik — man anderen waren) dat ick ſammige fps, bn tar le Me — |
tottroofte Horte waarden upt vechter goeder Mepninge, — er oe ifbe ——
faite aengenomen Heeft ende daer mede
ook een waerachtigh menfche geweeſt í9/
Dochy De fonden (fepdt hu) wa
Eel
⸗
omdat y__ pan dat lifden/ D2ukk / teibulatie / vervolginge
Vit felvedoe pm ceups Ber oprechter warer Chꝛiſtenen ver
| Veren maende act op ha mp terſtont antwoogde/
| datik fin Leere daer mede by den haren wil-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Tegen Marten Micron. 553
knechten inder Schalft genoemt wozden / en, Chriſtus Bzoeders ende Suſters zijn ; Wp
heeft ha niet gehadt
Wa= feggen eyen⸗
Hut welker tegenfettinge dan een ban ween) ren. —
waer zijn moet / oft ſoo hu de fonclijke geſtal⸗
Antweort tegeladtheeft/ ende heeft de fonde niet gez
beliende benelijckk upt/ dat zy ’t oock
Vooꝛder bolaht / foo wp des vleeſchs hals
ben Chriſtus Broeders ende Sufters Waren/ zij:
opdetegen- hadt / dat hp ook als dan na kracht der ſelber Dat wp oockt alg dan, des vleeſchs halven/
fettinge.
tegenſettinge / De Godlijcke geſtalte moet ge⸗ fijne kinderen zijn moeſten / Want in ’t navol⸗
hadt hebben / maer heeft de Godthepdt niet gende fendt Paulus : Diet ick ende mijn
gehadt. Ofte foo hp de Godtlijcke geftaltel Vinderen/ Gc. Waer upt men dan niet
gehade heeft / ende Daer mede de Godthepdt| dan met alte waerhepdt flupten moefte / als
ook / dat hu alg dan oock De ſondtlijcke gez
dat de eene Broeder den anderen, en De kin⸗
ſtalte moet gehadt hebben / ende daer medel deren haren Dader na den vleeeſche gegenez
De fonde oock / oft de tegenfettinge ig valſch | veert hadden. En hoe dat foo een genererin-
ende en kan in Der kracht niet beftaen. Cu-| ge nader Schrift ende oocks na der ordinantie
de is ín alfoo een verſtandt een ban bepden /| odts beftaen kan) Wil fel uw felve te, beden
oft dat Chziftus cen Sondaer geweeft is /
ken geben.
Merkt wat Oft geen Godt geweeft en ig. Ende hoe Dat| Ende alg wp nu ſommige andete woorden
hiergeleyt ſoo een leere met der Schzrift beftaen Kan / | meer ober da: deelachtig Warder / mer den
wort. wil ick u feiten te bedenken geben.
anderen gebzunliten / vraegde ick hem ofte
@oeantwaogde hp : De Schrift getuyght miet Adam ooli vleeſch ende boet deelachtig
dat hy fonder fonde geweetft is, Waer is 't (fep- | ge weeft Wagt Wp antwoorde / ae. Wel
De ík) daer upt isꝰt openbaer / dat deſe tegen”
aenfendeick/ Lan wiens vleeſch ende bloet
fettínge van à Lasco balſch ís / ende op met | heeft hy dan fijn part of deel gekregen? foa
deſe ſpreuke niet beſtaen cen moaget.
Hiermerkt Pager faa de Schrift ongebroolien blijven
welk de
rechte tegen- ſal / fo wil dit de rechte tegenſettinge zijn; ua-
fettinge der melijs! gelijck Chziftug in Godlijcker geſtalte rept Paulus: Die daer dozſcht die do;
woorden
Pauli is.
te arngenamen / om dat hp dfenen Wilde. | ſoo de anderen Defe macht aen u hebben. Prem
Chriftus wa- Want gelijk hp ban eeuwighendt woerachtig wp zijn Chꝛiſti deelachtig geworden/ niet dat
re Godtvan «Bod ín Bodt / ende met Godt ſijmen Dader Wa flechts een ſtuck van hem gekreegen heb⸗ hebben of
eeuvgheyt⸗ geweeſt is / Eſai.7. 15.9.5. 40. 28. Jer.23. 5.
3315. Joa.r.2. Wom.9.26. 1 Joa.5.5. Ul
dienaerin faaíg ho oocft onfe waerachtige ſmecht ende
dertijege- ¶Dienaer ín Dec tijt geworven, / Matth. 12. 18.
en ts oo
onte ware
worden. 20.28
was / ende daer mede ook waerachtig Godt hope / op dat hu fijns hoopens deelachtigh
was / dat hp Gem ſelven oockt alſoo vernedert worde / dat is / dat hp mach verrijgen dat hu derpartyen
heeft / ende en heeft niet eens grootmachtigen hoopt / 1Eor.g.ro. Geer in zen felfden cap. schritt ge-
Kenſers / oft Koninks geſtalte Diemen Diez) Soo de anderen defe macht aen u Declactytigbruykt.
nen foude/ maer eens armen knechts geſtal⸗ zijn / waeromme niet veelincer wy / dat is —
worden by
Paulum,
Daer mede verliet hp doe Die ſpreulie / ende
fende : Daerisnoch een ander, die al veel
klaerder is, die daer feyt, dat hy Abrahams
men Dat deelachtig worden alſoo verſtaen ſal /
als on Wilt. Daerom lieve Hermes / fiet
booru / uwe Geleerde bedriegen u. Aldus peer:
beu / maer Ge ig ons geheel gewozden. Heb.“ktijgen.
cap. 3. Verg 14.
Hitrom / lieve Hermes, Waerfchouwe ick
u / laet dach de ſchrift de Schaift blijven / enz
de dwingtſe na uwen zin en goetduncken niet.
Want Paulus en feptniet/ als dat de onge⸗ Pe Sodlooſe
hepligde gelijk Leugenaers Waters / o- rus Broeden
beerdige / Oberfpeelderg / ende des Dunbvels nier,
DefeSchrift zaethebbeaengenomen, Heb.2. 16. Nitt | kinderen tefamen/ niet Chufto onfen Hen:
isvansen alſoo Hermes (fepde ick) men moet de Schrift
weder party-
weeer Pe” affo niet bervalfchen. Want daer en ſtaet niet
vervalt. dat ha Abrahams zaet aengenomen Geeft /
ligmaker upt een zijn / dan de gebeplfgden /
te weten die / die met hem upt cenen God gez
boren zijn. Om welker geboorte unt Bodt
maer daer flact Dat Gu ’t aenneemt. Welche | ende niet vpt Adam / Wop fijn Broeders zijn /
aenneminge tot aen ’t epnde dueren fal.
Dae nam hp de woozden Des felfden Capit⸗
tels ende fepde: Hoe Chriftus der kinderen
vleefch ende bloet deelachtigh geworden was »
want de wedergeborene heben t° famen met
hem eenen Dader. Ta gelijcht hie Godts eerſt
geborene Sone is / Web. 1.6. Alſo ís hp ook de
eerfte geboren onder Veel Broederen Trom, 8,
ende alfoo des vleetchs halven onfe Broeder, berg 29.
genoemt v erde.
Dewijlen ons dan De Weplige Paulus
Dat heorende ſepde ick: Daer wozdt De | leert dat hp alfoo de eevftgebarene onder den
Dchrift wederom Lervalfchet /, Want daer
fract/ Dat hw vleeſch en bloet Deelachtig gez
warden is / maer daer flact niet Dat vleeſch
pocheen Cmdr bloet Der kinderen. Dacrom foa laet
verval- Ang dat verſtandt der felfder Woorden ban vo⸗
ſchinze. ren aen befien/ op dat wp de Schzift geen
| gewelt doen. Aldus ſent Paulus / die daer
Hier merkt
worden! zijn unt een. Qu vzage ik u / op wien
datapdat een verſtaet? Of gp dat op Godt
berftact/ oftofgp’cop Adam verſtaet? Hy
Op Adam. Dacr upt volgt dan
Chriftus feyt, en
WGroederen is / alg gehoort is / foo isꝰt oockt
daer unt meet alg klaer / hoe hy niet onfe
Broeder uyt Adam maer upt Godt ís / want
Adams eerſtgeborene en is hp niet geweeft / ——
moet daerom Adams kinderen midts De We: ten Godes
dergeboorte / Daag ’t geloove oolt Godts Lin· kinderen
deren Worden / Foa.r. 12. Ende alſoo 24 Deden me
heplig meecht / ende Die hepdig gemaeckt ſtus Bzoederszijn/ Matth. 12. 50. Marc.3. Broeders Gu-
35: Uuc.B.2r. Heb.2.11. lensijn,
Ende fiet / aldusdanige Wedergeborene en
gehepligde / Die te ſamen met eenen Dader
hebben (niet hoeren / boeven en des Dupbels
fende : des
daralfalke (fende ick) ſonder alle ſpzꝛelen / dat oocttallen | kinderen) en ſchaemt hu hem niet fijne Bzoe⸗
liedenuyt Godtlooſen ende Dupoels Kinderen / gelijck
den Vader
deren te noemen /en zept; Awen name (1
———— Dieben / Moordenaers / Droncken bolten / mepnt ſijns Daders) en niet Adams name
n Duyve
zijn, Joa.8.
Roemrijcke Daters, Dootflagers/ Afgo⸗ | fal ik mijnen bzoederen verkondigen. Weder:
Eponfe we- den ⸗· Dienaers / Hoeren ende Boeven / om / ik fal hem (namelijk Ben Dader, niet op
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
aaa darm)
fc ht OP worden wort
van onfe we:
tegen alle
Menno Symons Verantwootdinge
Dau ilt unt dat fijne gedaen hadde: Ende afd
ict nu mijn beſienteniſſe gedaen hadde / fepde
hu: Dat is my al te lanck, daer en kan ick
niet op antwoorden , ik vervatede het met
korte duytlijcke woorden ‚ werdt evenwel
níet een Inconwenient Lan hem Lergadert.
Dict/ Weerde Heefer) hier bebt op uude
wichtigtfte gronders ende ſpzeulien / Die Her-
mes ende ick van de Menſch werdinge Ch2i-
ſti met Den anderen verhandelt hebben. Gel
fegge de wichtigfte / Want alle de Woorden te
befehijven / Die tuſſchen guns bepden tae gelas
pen zijn / is onmogelijlt.
554
hik} dam) vertrouwen. Noch eenmael / fiet icht
| ende de kinderen / Die van (met Adam maer)
God gegeven heeft. Nademael het DAN klaer
Gelijk Chri- Der alg klaer is / dat fijn kinderen niet vleeſche⸗
ftus kinderen lijke / maer geeftelijkke hinderen ziju) want
geeltelijke gieefchelijke kinderen en heeft hp niet gehadt⸗
zijn, alfoo alſoo moeten oock fijn Beoeders Geeſtelijcke
Ki zijn oek fijn Broeders zijn / oft De eene ſpreucke moefte
IU vie Geeftelijckt/ ende De ander vleeſchelijck zijn )
EE geelielijke oock moeftealg dan de Suftet Waria haten
BEELEN | Broeder Cheriſtum ín den bleefche gegenereert |
—00) — hebben / Bſoo ſterck / datmen 't met geenen
9 reden tegenſpzeken en kan. | | ij B
—9 Ende hoewel nu aldusdanige wedergeboo⸗ Na de maclrijdt zijn Wp tot den Kinder
BEELEN vene (fegge ick) fijn Gebeplighden / Bzaeders doop gekomen / Dien hy daer mede Hoor vecht
EEE LIE | ende Suſters zijn / foo hebben fp noch chen beweeren wilde / Aat de kinderen (foo hp B rerkt —
EEE wel (maer tegen haten wille) doo? De aen- De) voor geloovigh in der £ chrift gerekent wa= mede Her-
geborene boofe aert Der ſonden — (ren, ende dat Zacheus (daer hn hart OP mes fijnen
Merckt wat (gerftact mp techt ) hp fept/ gemennſchap / drangh / hoe wel ick hem fepde / lieve Hermes — doop
erisge- _ met vleeſch ende bloet / fondigen / fitupkelen bedencht uy Zacheus en iSet niet) MEE (UN wijde.
er vleekn ende overtreden menighmael / ende Wozdert gantfche hugs gedoopt Was.
enbloetheb-alfoa det voorgenoemder gemeynſchaps Ja goede Hefer / ſoude ick den handel ver⸗
Gen, halen van de Wet / die de volkomene gerech: tellen / gelijeh’t geſchiet is tet ſoude boo?
tighepe eyſcht / in haten tonfcientie befchul: fominige Leſers fchijnen / als oft ick: dat upt
dight. Ende fict daerom is t dock haer partye dede. Wederom den anderen / Die ME
Peplighmaker (_ Ceeffgeboorcne Bzoeder / kermen/dat Get een groote dwacsheit van hem pie my ken
ende Vader Cheriſtus/ in gelijcker maten | was / dat hp ong op alſulcken handel beriep / nen (meyn
bleefclhh ende bloet deelachtigh geworden /' ende niet meer ban der Dchzitt en wiſte/ alfoite)der ik uyr
Ae nier, dat Miet van Den kinderen / want f en (tact 'er | Dat ick oalt eens / tweemael tot Hent fepde «Gaerne,
Ghritusdac niet / moeft ook anderg een fondact VAN den Lieve Hermes, qa 3E HOE) al te Jonck in
kinderen _ fondaer / ende ban twee verſchenden perſonen uier faliert / qp moet noch alanders Teeven /
vleefch deel- ende Sonen / Daer ban D'eene Hemelſch/ fult ap UWEN gront beweeren ende voorftaen.
win eeuwig ende onſterflyck / De on er aertſch / Waer zijn nu alle uwe veemetelijckte woor⸗
macronfe _tijdlfjlt ende ſterflijck geweeft waren / een ge⸗ [den gebleven/ Die gpin dent beginne booze
Donder dat waart is ſelfs ſom⸗ flocabt/ Ec.
weder di weeft zijn. | 5
erven mige woorden / fet il Den leefér tat veekklarin- Hoch ſcheijſt Micron evenwel hoe dat fom-
mige van hare ſwacke Broeders door den han- Í
ge) vleeſch / dat ig een waerachtigh / lijdelijck
fier flijelt jNenſche in Maria geworden, gelijk
“Joannes zept: dat waagt is vleeſch geworden /
Sfoan.r. 14. fijnen gebeplighden Bzoederen
ende Winderen mallen dingen gelijkt / Deb.
cap.z. verd rr. De fonde uptgenamen/ Heb.
cap.s. bets 2.
Oy dat Ip alfoa de befchuldigende Wet in
ſijn onfchuldig vleeſch ende niet in ons fchul-
dige vieeſch voldoen / fijn kracht nemen/ de r
derdiende doodt met fijnen owerdiende fijn eygen fchrijven mede brengt. Want ha⸗
| doodt oberwinnen / den důpbei / die Des doots ve Bꝛoeders Daer by ons bende van Linnen en
— hadde | wegh doen / der Slangen de van bupten ín grooter noodt waten. Wat
Baer hooft te vertreden / ende ong alfoo midts hy met Dat Van binnen mepnt /mag de Leeſer
bloet Gode ſijnen Da: bp hem felven nadenclien. |
aenbechtin⸗ |
Hoe dat Micron onfe eerfte Befprek
a * Wie vwat met
del van Hermes ſeer geſterckt waren. ek dokters:
Yaetet alſoo goet zijn / men moet alfoo Den prijten kan |
Weefer een blindoeckt vaa? de oogen hangen, nimmermeer
opdat hu het niet en merelte / DAE Hermes ie
tot haerder grooter ſchanden / foo kindiſch :
gehaudelt heeft. *
Weet evenwel gewiſſelijclt / hoe dat Micron,
fander eenigh vertoeven / ſtracks na den han⸗
del van haer verſchreven werdt / gelijcli oock
| de kracht van fijn roode
her hepligen / ende in alten anfen
gen/ ende aenliggende nooden / die ons pt
onfe verdozven vleeſch ende des Sathans boo⸗
fe ingevinge herkomen / te hulpe kamen mog⸗
te, Sict/fo ig Paulis epgentlijke gront ende
is foe klaer mepuinge } Web. cap‚z. vers 14,
ah de fchoo- dEnde ín alfoa een Beeftant blijft Chꝛiſtus de
nendaghis, ongedeplde Sone Godts / de Schrift blijft |
Pauli woort
foo heede, … ongebzoken / Chꝛiſtus blijft de Hepughma⸗
Afgrontene ſier / op zin geheplighden / ja Bzorderen
enverduy- ende kinderen / ende Daer En ig geen eenigh
fterde. fpreuehe ín Dev gantſcher Schrift / Die ong tes
genís. Dan wat Hermes beltenteuiffe ende
nonfver geloove boor beele / groote en fare Incon
een onge- …Wenfenten mede bzengt / is al gehoort. |
deylde Doe lt nu alfoa wederom van den Incon⸗
Chritus. venienten roerde Wildehn/ dat ick ooclt
mijn geloobe bekennen ſoude gelijck bn dat
fijn gedaen hadde. Wilde alg dan (fepde hu)
meer Inconvenienten (hoewel hp’t niet gez
hoosten hadde ) upt dat mijne bergaderen /
gant{ch partydelijk verhaelt heeft ‚ de wich.
tigfte aken verfwegen , mijn woorden ver-
draeyt, ende de fijne feer opgepronckt ende
verciert heeft.
A Esp mr om te handelen gefeten tua:
ren / hebbe icf tot Micron gefendt : Gels
haordat uwen naem Martinus Micron heet.
Sho zijt ram een onbekent Man / en hebbe
oaclt mijn lebe dagen: niet een woort ban u gez
hoort / cer qp hier geliomen zijt. Doch heb⸗
be íclt nu alſoo beeftaen hoe dat gu uus fpzeez
Kens halven een goet aenfien te Londen gez
hat hebt, hebt vols fehziften (fa ilt hore) in dzult
Yaten uptgaen. Daeromme is mijn Bzeoeder⸗
lijke beemaninge ende Bede aen u/ ſoo qn nit
ín deſen onfen beſpreck krachtiger waerhendt
en vafter qront der Schrift hoort / alg gu tot Micren.
noch toe gehadt ende geleert hebt / Dat gu dan
|
níet
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Tegen Marten Micron. 55
niet uwen epgen naem ende eere / maer des Den verhaelt. Noch dozft hn't met des Hee⸗
— Heeren Naem ende ecte ſoeclien wilt, Daer ten sogdcel ende Naem betupgen / Dac fn ’t
anwoordt OP GP mp antwoorde: Menno , dat felve vers! tmenigmael met ong belkenden/ dat de Sone Pie fin
op mid — mane ick uovock, Daeromme (fepdeíclt )| Godts voor ons geftorven is. Wecht fept Dn: Veere
' p : : ô met leuge-
vermaninge. ben ick hier / hebder ooch beele Haren am geie? cach: Menig doet lieber Dat alderergfte / dan nen foeekt,
ee hg * waerhent geerne hebben ende dat hu is —— wentie ende doet'et
ien WIDE. * om SGodtlooſer lieden wille / Sh2. 20. 24.
Hoe Micron Deſe mijn Broederlijcke vermaninge UPE) Die Gncontvenienten zijn kin ue fijnges °°
my mijn getrouwer heeten ACH hem geſchiet / heeft bu! loove voozgeſtelt / ende ick hebbe hem na becle/
broederlijke rijp in den laet ſten handel (als ha nu alie reu⸗ Tange ende wijtloopende woozden Wel cen ure
we edet fen in fijnen balfchen Autichriſtiſchen gront | oft anderhalf ban bet brouwen zaet | ban veer an
nijnigte uyt gegrepen wert ) fect dzoeffelijcken verandert /| Abzahams ende Davids zact / ban de bzucht her zaet.
enckelpar- ende Booz mijnen OGEN gefent / hoe ick hem | Der lenden Davids onverhindert unt den Bp:
tyeen hact verweten hadde / dat hy fijn eygen prijs ende | bel laten lefen. Ende doe hu ’t alie uwmtgelefen
heeft. eere met leeren ende fchrijven te Londen in| hadde / vzacgde ick hem / tat hp darcmede bes
Engelant gefocht hadde , Dat ick opdie tijdt, Weeren wilde? Daer beweere ich mede (fepz
opt alfa gedacht en hadde) want ict: en kende | de hp) dat de menfche Chriftus van den Vace-
hem niet. ren is, ende het woordt geen vleefch gewor-
— {u beriep hem op fijn gelijcke getungen | den is, foo ghy feght. Op alſulcke wijse
geuuygene welcke atme betooberde kinderen afte met | gingen fijne Woorden toe.
die hy …_… beam jafenden/ Waer oder ich Ban Herten be⸗AIchk antwoozde ende fepde : Ale deſe gez
onpartydifth dzoeft wiert (ende fepde : GP er Dan geen vzee⸗ | leſe ae Schriſten beken ick van gantſcher Beez
voert fe Godts Voor uwen oogen? Daer zijt qp | ten vecht ende goet te zjn. Want fin bee
ontrent thien / Die hem afie na den mond ſpzee⸗ | tupgen / ende leeren ons / datter ſulck een Daz
ken, fo daer noch chien dunſent toe Waren) ſo igmakker omen ſoude arc nu Willen jn Mijn cars
en ſpreckt gu doch în Defen deel geen waerhept / | met dev Schrift beſien / ban wien de Jeune Weerter
waut hac foud t Doch lunden / dat m eenen ans | fchelijke vencht cpgentlijct hechomt / oft“
beſienden man / Daer ick ook noch niet Dem alle | ban den Dader oft van der Moeder. Dat
goet van gehoozt hadde / met mijn cerſte woor: | hoorende / fepde hp/ wilt ghy dar beten? Acht
den ſoude aentennen ende ſeggcn / bat hu ſun fende / jae / want ict hoop tu door Godts qez
epgen eere met ſchriven ende lecre gefacht | nade upt geondt ende Kracht ber Hepliger
hadde? WGBodtlijcker Schriften openljcken te bewij-
Ook wederfpraken 't hem alle onſe Broe⸗ wijſen / hoe des kindts dorſprouck Lan den
ders / endefenden : Wiebe Micron, gp bere | Dader ende níet Lan de moeder is / maer dooz
grpt u / want alſo ende alſoo heeft u Menno | de moeder. ;
ber naent / ende aldus hebt gn geantwoordt.| Dat felve (foo mp dochte) tas
t En heeft noch altemael niet geholpen ;defe | een ongehoort loose ín en — ——
onaerdige / bittere / ende leugenachtige frem: | {prak : Lieve laet doch hooren. Ick Weeg
vaovige reden moeft noch ( eplacen ) iu fijn | aen 1 Cor. 11.7. Daer Paulus fept De man Het act-
pe — Boeck ſtaen. Mat dit nu voor een Geeſt is / en ig niet ban det vrouwen maer de Douwe woort was
Peter zichte, Boe hp De ongevalſchte Chjeiftelijke waectent/ (iS van den Man. Dat hoorende / back ho eg dn
wat dit voor D200inhept / ende liefoe volget / ende hoe gez | mijn woozdt / ende fpzack ; Daris van Adam tijdingen
gen — trouwelijcken u De ſaeke verhaelt heeft / wil | ende Eva gefeydt. Coeft / fepde ick / Daer Sine ooren.
gode LEE ich alle onpactndifthe vedelije Leſers met De: | ffaet bp gefchzeben/ maer de man door de
fe fijne ouecclijke leelijke vervalſchinge / Die her | pzouwe : ig dan Adam doo? Evam geweeft à
ober —* eerſte woorden / Die ick unt een foo | Doe f weeg hu ſtille / als eener Die Daer nie⸗
rennen heete tot heur ſpzack / gemaeckt heeft / de geflagen wert / ick heb hem gantſch becle
te bedenken geben. Ende klare Schaften boorgeftelt,al8 Gen. 15.
‚ @acr na zijn wp tot den handel gelomen/| 4. 17. 6, 19. 32. 35. 21. om Deb. 7. 10
hielt mp ſammige Artikulen voor / daer ban al | en 11. rz. Sap.7. 2. @C. iDees ber db op
nujn fchaiften bol zijn / daerom aal geen ant: | dat gefiacht-regifter Chziftijnpatt. rr De
om — wy woort noodig. Cen tactften hebben op de € heiftus nae fijn gront oock cen Spriet / Caz
hen, Sae den Meufchj-werdinge voorgenomen / am welcker naniter / FlAoabiter ende Brmmoniter moefte
gekruyten Wille wap alfiniche ieelijke verleyders ende Ket-| geweeſt zijn. _ ok hielt ich hem ſommige
Chriftum ters by haer Zijn moeten, namelijck / om Dat, natuertijcke reden Loo 5
8 — cljcke ve 2/ van eenen Saepman/
SoneGodes LB met Bodt den Bader / met Cheifta/ met | van fijn zaet ende acier. Daer op ba nu den
inder waer-Den Cugel Gabriel / met Petra / ende met de | Hefer ſuckien fchijn maeckt) alg oft ick mp ———
heyt beken- gantſche Schrift bekennen / Dat Jeſus Chri⸗ | niet met der Schrift / maer met vernuft tegen faemroover
— ſtus de Sone Godts 8 | Matt. 3. 17. 17,5. hem beholpen hadde. Maer Microns hilepnz <5
Microns * Farc. r. 11,9,6, Auc. 1. 31, 322,9, 25. | ffe Winger weet ’t wel (algmen fendt ) hoe daf setae
Wetters zijn. — ks: 5.22, 6.35. 7e 21. 8,23 9370 get Des —— ende des Mans eender⸗
„36. XC. E ep name ín det Schzift heeft. End
Sijn engentlijke bekenteniſſe ende gront | Abzaham fijn et alas ——
Microns was deſe / te weten / dat twee Sonen in Chriſto, gezaent heeft Debz. 11.11, Hoewel hn’t in
reren “de eene eeuwigh ende oalijdelijck, ende de ſijn ſchrijven vervalſcht heeft /ende dat werpen
veor ons tweede tijdtlijck ende lijdelijck, endedar die; geetne op Saram dringen foude / op dat ’et
allen. die voor onsgekruyft is, Godts Sone nietge- | heeten moghte / dat de brouwen zaet hadden.
gn „ weeftenis. Welche bekenteniffe hn niet voce: | Waer voor men alfoodanige moetwillige
belooſelijk unt vergrijpinge / maer met vooz⸗ vervalſchers des henligen Godtlijcken
gegeten. · bedachten nuchteren ſinnen voor ong allen ge· woordts houden fal / wíl ick den onpar⸗
daen heeft / ende ten wennigſten Wel vier oft — bevolen hebben: Wet is effen
vijfmael in alle klaerhept ap verſchenden tij: gelijcke honſt als de flange gebzupchite/ Dae
Anaa a fs
a
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Menno Symons Verantwoordinge
moeder / dat de moeder toeſtomt / nameſijclien /
het bloet. In welcker moeders Sanguine De Gelijck **
brucht te famen vent van des vaders zaet / alg ee Herle
gehoort ig: Noch fegge ickt eeninael / Dat noemt heeft,
men immers dusdanige platte Wooden Det bo noeme
hepliger Bodtljker Schzift wel berftaen han, ick dat ook
Item daer op / dat ick hem aenwees / hae
dat Sara ban Abzaham / ende NRebecca Lan
Iſaac bebaucht waren geworden / Hebz. 11. 11.
Rom.q9.5. is Dit nu ſijn antwoort / maer in de
handel en ig niet geroert / namelijken dat Abra-
ham ende lfaac Autores oft den oorfpronck ha-
rer nakomelingen genoemt worden, &c. Dat
gefchiet daerom (fchzijfthp) orn ander man-
nen uyt te fluyten,ende oock mede, om dat
de vrouwen haer Privilegie-recht door de fon-
de ick: Siet Martine, Defe natuerlijcke ce: | de verlooren hebben. Dit is even geglofeert/ grote, fonder
den Die ick hiet voorgedragen hebbe / meugbt | alg oft men bende Schzift ende Bac verlooren grond: en
ghn een Wepnig bp u felven naedenclien / hadde. Soo is dandit daer op mijn kopte verftant.
maer op mijn Schriften geeft mp antwoort. antwoordt : Bodt en velen % niemant toef
Doe krauwde hu fijn hooft / alg een Die be: | dat tp hem niet gegeven cn heeft / Vergout
dunſt fat / ende fpzack : Hey mer defe Philo- goes inemant dat he hem gegeben heeft ;
Dit hootendeh, want In is een Godt der Waerhendt ende
Senrde fende ick; Ick hebbe u de heldere klare Schrift miet der macchtee namen. Ende foo de
brik Phi- voorgeſtelt / daer mede ick bewyſe / dat het kind Heere dat unt alfuick cen oorfalte gedaen
lofophie te _oogfpzonchelijclken van den Wader iS / ENDE) hadde, alg Micron ſchzijft / fo hadde Bodt Godt is een
zijn: níet van Det moeder j ende hp wit het van fijnen luft aen De namen gehadt / ende niet Godt der
der moeder hebben ſonder Schzift/ ſegget Lie⸗ aen De waerhende. Bock hadae ya den felpen waetheyde ,
ve/ Wie ban bepden gebrunclit nu de Philoſo⸗ Daderen alsdan meer toege-cpgent/alg haer fade nier dez
* bi
phle / abp of ick Een eenigh woordt en met der waerhepdt behoozde enoe De vzoutwen men.
beeft hp mp niet meer daer op geantwoord.
$56
Die des Hee· ſn Adam ende Guam ín den doodt bzaghte /
zen —— Geneſ. 3.1. Jae goede Leſer / dewijle ons de
eden Schꝛift/ tfamien met dat dagelijckſche werck
flangen __ Boor Godts ordeninge openbaerlijck betun⸗
broetfel. gen / datter Zaeners zijn/ ende oaclt mede
datter zaet is / datmen zaept/ fo moetender: imn⸗
De gelijcke“ merg oock beguame ackers / oft plactfen toe
zaeyer„Acker 3jN/ Daer men t zaept/ Want op de ongeploeg:
endezaer,bee De acherg / ook op de Hunſen / Boomen ende
——— alle ffeenen en zaept men niet / ſoo gp ſien moogt.
Ende oft ick dan met mijn gelckeniſſe ban
den Bouman/van fijn zaet eude acker nae det
Dchaife níet beftaen kan / tuil ick niet Den caz
lunmieertſchen Micron ende Hermes , maer
den vedelijcken Leſer laten Nichter zijn.
Ende doe ick mijn Woorden unt hadde) fepz
Een gantfch
fchriftloote
Micron
noemde
overmides ſophie van dit vrouwen zaet,
‚genomen wat haer beljgazde. Mercut dach
Maer nu fchrijft hu / als of hp ’tdoe gefepdt. en u. Microns Sophiſterne boo? ecu Godt
eert.
Soo vezre dat Pzivilegie⸗· recht aengaet /
daer van ho ſcheijft / wilick hem in allee lief⸗
den dus gebraegt hebben: Wat doch dat
voor een Pribilegierecht geweeft is / dat De
vrouwen daor de fonde alfo verlooren hebben *
Van het
vrouwen
Zaet was
Microns
antwoordt
uyt.
hadde ín Defe wijſe: De woorden Pauli,
1 Cor. 11.7. zijn van Adam ende van Eva te
verftaen : Want Paulus wilde de Mannen
verootmoedigen „dar fy haer haerder heerlijck-
heyts halven , over de vrouwen niet verheffen
en fouden, &c, Wet welch eensdeels wel vecht,
is / maer evenwel niet vecht hier nae Den fin, Of fp dan geen pzouwen meer zijn en mo⸗ Op dat privì-
Pauli: Want ips wil top Adam en Etam gen / ende an harer moederlijcker beroe⸗ ——
dwingen / ende Paulus heeft het op alle De | pinge / dienſt ende Ampt in Der genereringe met der Lon-
genen gefproken/ die van Adam ende Eva haer Lan Godt opgelept/ upt te boeren on: de verloren
geboorten ziju. Aant hn fepdt : Gelijckt de | nut gewozden zijn? Ende dat fp noch bzou- onſe Ant
brouwe ban den manis) alfao ig aokt de Ian | wen zijn; ende oackt em haer mans in der VOO
9 Doo? De Bzouwe. Mmerckit / hp ſepdt / Doo? | geneveringe bp te ſtaen / genoegelhek ende
—9 | De Drouwe. Want fa Gnan noch dunſent⸗ bequaem zijn / is klaerder dan men hem
| mael fijn zaet alfoo bergatenhadde / alg de | beiwijfen Deef. Dus weet iclt niet wat dit
Schgift fept dat hp dede Genef. 38.9. Ook) Peivilegie-vecht zijn mag / dewhle de Schziſt
sonder moe- Alle Pannen met hem/ die van aenbeginne| niet meer enfept Dan) Gels wit u beel fmerz
der en kan geweeſt zijn / een menſchelijcke vzucht Waer) ten toefchicken / als ghy bevrucht zijt / gp
geen Meních Baer níet ban gebooren gewopden : want het) fiule met fmerten uwe kmderen baren / ende
geboren get moet fijn behoonhene ftele/ acker ofte| u wille fal uwer man onderworpen zhn / ende
Noeder hebben, fal t anders vrucht brengen / hu falu Heere zijn; Gen.3.16, Maer aldug
ende Die generatie vecht nae Des Heeren woort | moet men den acmen flechten Iefer fomwijz _
ende opdeninge voorztgaen / als gehoort is. En, len ecn oa? aen makken, Wanneer ’et geen Glo⸗
Adam is
door Evam
niet geweeft,
daerom ig ’t dat Paulus fept : De man en is
niet fonder de broutwe / noch de vꝛouwe fonder
Den man ín den Heere. Ichk hape dat men
immers dusdanige klare befchepdene woozden
fen/ Die wat fchijns na dee Schzift hebben,
meer te binden en zijn.
Och/ach/ dat wp arme Kinderen op Dat
twiutigfte deel nae alſoo met der Schaífe
dee Hepliger Schzift wel verſtaen kau. ommegingen/ daer ong de Heere eeuwigh vaag
tem ban de Spreucke Sapient. 7. 2. fept ‚beware: ende dat onnofel dame bolck alſoo
fn/ daer en ftaet niet van Mans zade alleere | een Mantel boor den oogen hingen / gelijck
Daer op íck aldug auttwoorde : Micron moet Micron met dusdanige Gloſen Doet / help vinne prijkt
| een menfch zijn / die dat oordeel Des almachti⸗ Bodt / Wat wildemen ons alsdan een neufe men, hoe
tit gen Godrg alte weynig achtet / dat ha hem maken / fp haddender oock meet alg dobbel plomp her
Í niet en bzeeft deſe heldere klare woorden te vecht toe. Nochtans boe fp ’t leeren ende ok gemacht
betbalfchen/ ofte met fijnen Afgeoudiffchen, maken! fo íg’t cvenwel Der armer vervoerder
wafem foo leelijcken te berdupfteren / Daer, Werelt een wiſlkomen Euangelium / gelijck ’t
Micron ver-’tfooopenbaccië/ dat De Heylige Geeft met | van aenbeginne gememdlijck bp allen val⸗
duyftert de opgedechte woorden bier den Dader toe⸗ fchen Propheten ende haten toehoorders gez
peeacke epgent wat den bader upt Godts ogdinan-| hoort eu gefienig. Hp mag baft dar Paeſch⸗ Exod. 12.46.
VP Lelijk. tie toekomt / mamelijchen / het zaet: ende de lam fijn beenen bgelten / ende Den Samon fi Num. 9. 13.
Di
Der gelèer-
den vervoe-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Tegen Marten Micron. 557
Yoan.15.36. Banz afſnijden tot De tijt komt / dat hie fijn zijn / dat en kan meu niet toachenen,/4. Eid.43.
Jud.16.19- epnde neemt/ ende Den Heere relienſchap Loo? 1 Coz.rs.21. Hom. 5. 18. Gal.3. 22. Eph.2.1.
fijne verlendingen geven oet. Ende fiet / Vooꝛder fchzijft hp : War oock de telfde
aldus heeft ong Micron die Schrift noch be⸗ Schrift daer van bevryt ‚ dat moetmen oock ——
houden laten / daer mede vp betunpgen/ Dat daer van vry houden. Becht ig ’t wederom hers
den oorſpronck Des kints van den vader is / van hem geſchreben / mact al tegen em fel elfs.
eude niet van Den Moeder / als gehoort is. ben / want de Schaft ſpzeelit Chriſtum bep,
Ende alg Wp nu noch fommige waagden | ende daerom houden wp hem aol: vp: Oor
met malkanderen hadden / zijn wp op die fafe dat ha Lan boven upt Hen tepnen Godt,
Inconvenient gekomen / Dat fa eenen ontepe | ende niet van beneden unt den ontepnen A⸗
nen Chziftum hadden / ende vzaeghde hem/ Damen is. Welcke Ndam (ſegh ick noch een⸗
of hu oock bekende / Dat Maria van Adams macl) met alle ſijn gantſche zaet in der Schrift
Merekt hoe onrepnen ende fondelijcken zade wast Lu onder De fonde beflaten is / ende De Schrift cn
— ſende: Jae: Maer fin is / fende hp / reyn ge-fowekt daer ſelfs niet tegen.
beweerde. weeft, om dat de Engel cor haerteyde : GhynNaoch ſcheijft hu als dat de Apoftelen ende
zijtgebenedijt onder alle vrouwen, Luc. r. 24. | Propheten niet foo veele van Chriftus Heylig-
Daer op antwooꝛde ich : Oe Heere fepde salt |heyt ende reynigheyt hadden behoeven te ver-
tot Abraham : Ick fal u gebenedijen : fal oolt manen , foo hy van boven , ende niet van Derdemael
alle die geenedien/Die u gebenedijen / Gen. 12. | Adam geweeft hadde. Dit is cen fa kindig, zichten Mi-
One ant- VEOs 2. Item / bp beloofde ooft den gehoorſa⸗ ſchen gloſe / Datmender hem over vertoonde: LOE bem
woort op men Ouderen in De Wet : De vacht umes ven maer. Want ſoo Chriſius alfoaeenvenn
mierons … life fal gebenedijt zijn / Lev. 26,1, Deut.28.4. menſche unt den ontepnen Nam geweeft wa-
pt "Zijn daer mede nu Abrzaham / met alle die die re / gelijck onfe tegen-partije hebben wil / foa
Abraham gebenedijen / ende oock Die van al⸗ moeſte de Schrift tegen haer ſeiven zijn ; ofte
ſulcke vzame Ouders gebooren waren / reyn Adam moefte twee zaden gehad hebben í
ende ſonder fonde geweeft? Daer van dat een verdorven / ende Dat ander
Det bleef van hem onbeantwoozt: Maer |tepn gebleven wag/ dat alfoa ín Der D. Schrift
merckes hoe hu ſende: Chriftus is reyn ende fonder fonde ‚miet geleect en wordt: Merclit doch de biinz
dat Micron geweeft , ende dat daeromme , dat hy niet de flagen Die fn boorwerpen.
—— door vermenginge uyt Mans zade ontfangen | Ten laetften fcheijft hp: Wat Godt betuy-
dgk * en was. Ick antwoorde: Apt dat verſtant ger heyligh te zijn, dac kan de menfch niet
volqget ten eerſten / dat Der baouwen zaet (ſo gemeyn oft onheyligh maeken , wijſt aen /De dieren
Onfe ant- fp anderg zact hadden (’t welck fp niet en Doen) Act, zo. 15. © Wiet moet de Nlderhepligfte worden
woordt op pepm ende onſondelijcſit moeſt gebleven zijn / Denlighept des vleeſchs Jeſu Chꝛiſti / bp Dat oPreyn in
beweoringe. ende Dar Der mannen zaet alleen onrenn ende vleeſch der Dieten / die ha de Wet om te eten Schril F
CRS ſondelijck geworden ware. Cen tweeden Iſrael verboden waren/Iebv. 1 1.4Deut.14.
7. noemt : om
bolget / dat De fonde upt der bermenginge | ende nu ín den Euangelía voor cepn toegela: dat fj verboe
moefte herkomen / Die Godts epgen ſchep⸗ ten/ Matt. 15. 11. Macc.7.r5. Wear, ro, rg, CR Waren,
pinge ig /”ende niet upt Adamg overtre Bom.14.20. Eit.r.rs. tan hemm bergelegngng Am
S nom dat hy
Dinge. zijn/ vecht of Adam alfaa met een woort (ger getondighe
— Doe fepde hn: God: heeft het gedaen, dat lijck afg de dieren in de Wet) boor —— dr: adde.
fcheen Godt Adam in ſijn natuere alſoo verdorven wert. geroepen / ende nu Wederom met een woordt
te befchuldi- Ick merckte Dat hp gantſch gevangen ſat / ſals ook Die ſelfde Dieren) ín dit fijn zaet (Barr
Adam fo. endeniet en wiſt wat Gp meet [eggen foude. Lan dat Chgiftug nae fijn mepninge foude ge-
verdorven Waerom / fepde ich 2 Daerom / fepde hy / genereert zijn ) foude ban gefproken zijn / daer
was. dat Godt fprack : In welcken dagh ghy van mede hp de alderhepligfte reynigheydt deg
den Boom eter, fult ghy den doodt fterven. vleeſchs Chꝛiſti geen klepne fchande toe cu
Soo hoog ick (fende ick) is Godt De oozſa⸗ keert. Oleelijke Gloſa!
Ke van Adams overtredinge geweeft ? met) Siet / weerde Hefer / geen beter noch bafter
noch ſonnnige andere woorden meer. Heen | geondt heeft Microns beweeringe / ober de ven-
(fepde hp Dae) dat en fegh ick niet. Och nighent des vleeſchs Chziſti dan ghu nu gez
Micron (ſende ick) fiet welcke ongerijmde [hoort hebt / Daer ban hu mm op die tijde niet
Bingen dat ga boogtbeengt / ende hoe on- | een eenigh woort en roerde / ende vu noch twee
ſchriftmatigen fwacken gront dat het is / die jaren Dat opgemineert heeft/ oft hp niet fijn
ghp geeene ſoudt beweeren ende voozſtaen! leere met dusdanige leelijke/ongefchickte Glo⸗
Een eenig woozdt en heeft Ijs niet meer Daer ſen fufpeÂt en maeckt / mogt ga nadenchien.
Doe fweegh op geantwoort / nochtans laet hp hem en) Ende doe hem nu dat beouwen zaet metter
mensende nu fijn ſchrijven hooren / als of hy de repnighept | Schzift in bolder kracht genomen was: Dok
roemt men. Fhaiſti gantſch fijn tegen ong beweert hadde. [niet en hadde waer mede hp dit Fnconvenient
Oft dat níet en heet / fijn epgen ecre ſoecken / ſolberen konde / ende aen allen zijden ſeer Gez
ende den handel onwaerachtighlijck verha⸗ nauwt fat/wierp Bp deſe brage boor / als een Die
len / magh de Aefer bedenchen. _ Ende hoe door beebaeftiepde wepnigts wifte wat Gn feg-
dat oackt noch deſe fijn be weecinge nu ín fijn | gen foude, Wilde evenwel wat booztbzengen/
verhael opgebzaght / nae dee waerhent beffaen|op Dat hetniet heeten en foude dat hem den
an / willen wp met dee Schzift afmeten. | mont geftopt wag. Gelooftghy ook ( fende
Microns (en- Aldus fchijft ho: Aen Kan geen Dine: Ens hp) dat Marianen menfchgeweeltis? oogt
tentie richt Der De ſonde beflupten / dan dat de henlige Lam Godts wille wat hp voortbragt.
hemfelsen. Sehzift daer ouder beflupt. Necht heefthp| Dat hoorende /ontftach ick voechelaofelkjcz
Dat (doch tegen hem felven ) gefchreeben. [Ken ín rap felfg/ ende antwoorde onbedachte⸗
Want de Scheift beſſipt Adam met fijn | lijk : Sp enig immers geen Yoe geweeſt/ jag
gantfche zaet ander De fonde / moet oolt Det: ¶wat is Dit Doch vooreen leelijte zage? Siet,
halben met Adam ende fijn gantfche zact alfa | alfa ís De Foe mede ín 3 gekomen / daer gp
AAA 3
ban
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ed
558 Menno Symons Verantwoordinge
OEE EI san De oozſalie beef wegen/ende gantſch op een Foch derf deſe ffoute menfche Bodt tot ec
| bzeemde Wijfe/ ende Wepnig tat mijnder eeren / | getupge nemen / dat hu’ getrouwelijck ver⸗
| aengetagen heeft. haelt heeft / ÖfPeere!l
— Pos voeren Golt hebben mp ſommige van den ſiſuen Wel aen dan) eenpegelijck ſal rekenſchap micron heeft
EEE fyde koe hier unt naegefept (gelijck mm al upt Vlaende- ſijnen Godt voor hem felven geven / hp magt de ake hoog
EEEN cker ren geſchreeben ië ) hoe ic ven van haren . fijn leugen foo fchoon, oppzoncken / ende ſoo —
EEE verkeerde Heeracrg een botte Woe foude geheeten hehe! hoogt) bezegelen alg ° hem belieft / ich Wil ver gerogen.
| leugenen, ben /dat icft alfa niet gedaen en hebbe. ende ie —* —— — — aa 537.
at ick niet eerbaerlijcki geantwoordt en ongebarjete waerhept flecht ende LEE —
cie” beherme ick bos en ende alie mijn | Aa ende Heen (acties mp De Schrift leert )
| Merens / 8 mp aak van heeten leet / want mp daer doen. Wie mijn fchzijven Daer mede gez
HEEE behoorde een lanchfaem antwwoozdt/ende níet, looven lian / magh't doen / Wie niet en wil / ent
HEE Hi gechhept met gechhent te betalen. Doch! kan ick't niet weeren. Hooger en Wil ick
e‚ oft ich met mijn ongefouten antwoorde) Kommers ende benauwthept om De Waertjepdt es geen
—Ehb hem — (fo * are — | “gaende Peen gelceden; ende Dat gewilligh⸗ Kieynaer
Daer nae was mijn luft gantfch wepnig ; ER etwilli
meet op de ele tijt met hem teh aud elen, der ſcher leere Wille / in mijnen gronwen / f Wacken regen, als
ijle ick ſagh / dat hn hem foo gantſch parthde⸗ 5* I5 geloove ende
lijck tegen de waetbepe fetrede/ eventoel niee Satanas befchildeee mh oen *2 ari
| en hadde; daer mede hy fljnen gront beweeren benten ende bienaers hoe Jp mu beſchilder
| —* / —* pe en * —— rek
Opdefe wijk Dac ict tat hemfepde : Goede Martine , Hold Hoe ende wat Micron in den twee-
Briton in dn wee belde — — t — sand sad den handel bekent heeft „ende hoe gantich
— eyt It noch al te jonckt ín der Schrift (fijn Ha- — hy den ſelven beſchreeven
cen en heb ick niet gemepnt) om den gront —
uwer leere in deſen Deel boog te ſtaen. | H B ſchrijft / hoe Gp ong wedcrom een Bez
Hoort, fepde hp doe / ick wil noch tat Kk A ſpzeck aenboat , te bidden vermaende.
feggen. Maer dewijle hee gantfch geenen Ick wil °tDaer mede laten goet zijn / dewijle
cont en hadde / al wat hp nae fijn lefen op: ‚Get de facche noch helpen moch krencken en
zaghte / ende het niet dan enckel onvernuftig kan. Boch ickt weet wel hoe dat ’t geſchiet ig.
HEE vernuften was / ook ſteeds henen ban D' eert” Ende alg wp nu bp malkanderen waten / heb
Kiek ep’t andet liep / antwoorde ick roeckelooſe⸗ ich hem ten cecften aldug gevzacgt : Bp weet … Í
| lijck : Wegh met uw feggen / het ig doch enc⸗ lieve Micron, hoe wp ín den boorigen handel MUL TMEE |
kel Anathema al wat gh voortbrengt. | peel woorden ed —— end gebgupelt ae Rae
Doe vergrimde hu feet/ ende fepde dziemael ten. Mijn befchepde hebt ghy Doen gez vrouwen
met Bache moie nae mana « Dat’ hoogt /hoe dunckt het u? hoe hebt gp Die faelien zaet
heeft u de Paus geleert. Neen / anwoogde ick bedacht? Meron⸗
wederom met gelijke woorden driemael: Niet Lp antwoorde voor De bolle bergadecinge bekenseniffe
de Paug / maer Paulus heeft het mp geleert / Met goe de duptljlie woorden / ende fpzackt : Dat in ’: befpreck
Gal.r.3. Want het ig een bzeemt Euan⸗ moet ick wel bekennen, dat een vrouwe ——
gelium dat ghy van —7 philoſopheert / dat geen zaet, maer een menftruae! bloet heeft. as:
ong ban geenen Apoftelen noch Schgift nae⸗ Dan welcke openbare beltentemffe/ha niet cen
gelaten oft geleert en ig. Ende hebbe cen eenig woozt ín fijn gant ſche verhael Dat hp met
Sulcke daden oordt ban dat 1 Cor. 16, z2. niet geracet / des heeren hepligen Naem verſegelt heeft bez
gegen, hoewel hp ſonder alle waerhept / gelijck hp voert heeft. Oofake: Want fijn gantſche
he hy voor (eplacen) beel doet / my te ſchanden / unt enckel ‘gront en leere was daer mede unt. Ende hoe
een geeft is. herfzeerde bittechept/ alfoo aengeteekent ende dat aldugdanigen trouwelaofen verhaler / die
verhaelt heeft. Dat wíchtigfte / daer ín den gantfchen handel
Pier beken ick wederom / Dat icli hem wel hangt / berfweegen heeft! te gelooven is / mag
met meerder lanckfinnighept moght uptge: de Teſer bedencken. en
hoopt hebben/ alg ick dede. Weeftcvenwelde | Ende doe wp nu fijn belienteniſſe alfa gehoort verte —
Soone Godts fijn Soonſchap ende recht met hadden / ſprack ich tat de gantfche vergade: gipureert,
mijn roeckelooſe antwoordt niet verlooren. ge : Siet weerde mannen biet mede ig nu ouſt 5 hy nier als
48 oac Microns %Antictyaiftifche Teere daet diſputatie al geëndigt : want Micron bekent * ——
mede geen Cheiſtelijcke leeve geworden. Het hier openbaer / Dat een brauwe geen zaet en Gi „vege
verdzoot mu ban heeten feet Dat ick hem lan⸗ heeft. Lieve Martine (fende ick) Wat zijn mt prooeken
ger op fijn verkeerde vragen antwoort geben al uwe Woorden / die gum t cerfte beſpzeck woort weder
foude / want ien begoft te mercken / ban wat | van ’t brouwen zaet gemaecht hebt # ade
Geeft dat hp gedreeven Wert. Had * — — wdn 5 Micron was
aer eeft hp oock de ordeninge lijcken / Dat ick hem oonm etens fijn ydele
ones harte marten danenddden beriheert / aen fijn openbare beltenteniffe en hadde mo⸗ * pet
fijn thien woorden tot oppzonclunge fjndee gen binden / (alg men ſeydt Doe humerckte eren
fachen ín feec beelen uptgebzept / De mijne dat hu fijn faehe fo gantſch Daer mede betl00” waerneyt
Microns tat fwackinge onfer faehen aen beelen epnden ‚cen hadde : want heeft een vrouwe geen zaet) — prij
groote __ afgekort / beeldingen gefet / die nopt gedacht als ſg oolt niet en heeft; gelijck hu behende/ ſoo
a Be en zijn. Ende daer mede hem fijnen gronde moeſte een van deſen waer zijn / te weten / oft
verhalen. genomen werdt / gefel ende al verſweegen. de menfche Chziſtus moeſte ban ir wen
te verlaten:
— — —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Tegen Marten Micron. 559
ſtruael⸗bloet geliomen zijn / Want Micron, (am dat fo Mariam cenGonlt-bzouwwe noemt)
bekende / DSpen hadde anders met. Ofchu | fijnder teelijker valſcher leere aengefichte eu⸗
moefte van cen ban Harie liermaten/ of van |De deckſel zijn / boe Wel fn aen {oa overmaten
bloet/ upt een ban haten armen / beenen / | veele plaecfen in alle klaerhept betungt By
oft anderfing gefchapen zijn / dat gantfch lee: ( Godt fijn Bader is / en Ip de Sone Godts 18 /
lijften vooz den Wefer lupden wilde.Df hp moe⸗ Luc. r. 31.9.35. Mat. 3.ĩ 2.14.33. 16 16, Herk
fte met ong beliennen / dat het woort bleefch | Marc. 3. 11.9. 6.15.39. Joan.1.45 . 3. 16. 22.
geworden was / dat hu qualijcken (oft Doo? | 6-69,7.28.8.23.9.37.10,36.11.27, in
fijn groote blinthept / oft dooz fijn cergierige Diecdit ig de Man Die na ſhuen fehzijven
pactpe) toeftaen ende Doen kan. fo kloeckelijken gediſputeert / ende den grant
Ende hoewel Ir nu Dit felfde weder opgege⸗ fijner leeve (gelijels he den fijnen met enkel leu: —
ten heeft / ende om ſijnder grooter ſchanden genen wijs maeckt / foo krachtelijck beweert oere ge
wille voor den Hefer niet bekennen en wil / na⸗ heeft / ende hem ſelben daer mede een ſo heer⸗ genen die
demael hj fijn epgen eer meer alg de eere Chri⸗ lijken jzaclkrang (mact tot hijnder ecuwiger * eygen
fu foccht/ alSmen upt dusdanige handelen a ſchanden op't hooft in fijn Boen gefel heeft. es ichan-
penbaerlijlt merlien ende verſtaen maah / ſoo Wecht blijft Get fpzeech-waorr: Cere maeckt de oeren.
i8?t eentwel voor den Heere (diet alles bekent | tat ſchande den genen Die Daer na begeerig is.
Voor de vier=f8) goo? hem felven / ende ook oog ons alten, Cen Berden vraegde ick Ger: Nademael mijn vrage,
vlammige _(die’t gehoort hebben) openbaer / dat et alſo bp fept dat de menfche Chriſtus geen Dader steh
entanhy: gefchiet is / alg iks hiet berhaelt hebbe. Daer gehadt en hadde / of Gp hem Dan niet evenwel ©
fen Chriftum
niet verbere een ban tween waer is. Of dat hn cen Godts Sone en naemdet Lp antwoorde: Gods one
— — / ongeftadig / enlichtveer⸗ Ja. Fi vraegde hem Wedel upt of om Wat noemde Ò
dig man is / die men op eenderlep fin ende oogfacct hp dat dede? of hu't Dede am fijuder —
gront niet beloopen en ſtan: Oft dat ha een |gebaozten wille? oft om der wedergeboorten,
fee dobbelhartigh valſch bedrieger is/ die oft am Der fcheppinge of om der aermenuinge
wel anders of beter weet / als Gu den armen Wille? Want foudernen hem fonder leugen ate
Berten leert ende voorgeeft. Het ig cen groot foo noemen / foo moeſtet om een Van deſe biet
berdziet / dat men met dat onvbzuchtbare leefen | ooglalten gefchieden/ oft men ſpraecke geen
ban alfoodaníge lichtveerdige lieden fctziften / | waerhept alfaa menighmael alsmen hem alſo
die noch ſchaemte noch vreſe Godts en heb⸗ noemde. Fk kreeg tot een antwoort: Om geen
ben / fijn koftelijke ban Godt gegonde tijdt van vieren, daer en wag oolt anders geen ant:
toe brengen ende flijten moet. (woort noch befcheit voor handen / maer hu ber-
Een tweeden vanegde ick hem / oft hu ons ſtak hem al weder in ecn andet hol / op datmen
ook fijn beftenteniffe toeftont/ die hp ons M hem met dat nette der waerhepdt doch niet
den eerften andel van de twe Sonen ín Chri⸗ „vangen en ſoude.
ffo gedaen hande? Hufepde: Ja. Doe be⸗ Welck bzage (Dae onbeantwoozt) hy nit gez
deerde ich / datſe Andreas (Die hn Cananeus heel gebzooken in fijnen fchziften aengetogen
genoemt Geeft) aenfcheijven wilde: d' Welck | heeft / en ſendt In t173.blat/ hoe hy om der —
gemelde Andreas in Microns tegenwoordig⸗ vereeninge wille der beyder fonen (ban welcke en
heptalfoadede/ ende is deſe: Ewee fonen in vereeninge men niet een letter in De gantfche ‚in: gy in de
| Micronsbe- · Theiſio de eerſte Godts eeuwige Sone vooz ſchrift en leeſt) die bp met liſtighent twe natu⸗ geheete _
| kentenifle qyfen tijden npt hem geboren ſonder moeder ; tert noemt / op dat et den eenwoudigen Leeſer Schrift niet,
—— ende die onlijdelijck. De tweede Marie / niet al te leelijkt toe ſchijuen ſoude Gods ſone
Chrifto. oft des menſchen Sone / ín der tijdt Lan haet genoemt is. Daer mede he dan openbaer bez
geboren fonder Dader / en Die lijdelhck. In tupgt/ dat de Gecrupſte Chꝛriſtus Jeſus/
Wwellte lijdelijchte Some Mariæ / De onlijdelijke die alder werelt ſonden gedzagen / ende boo?
fone Gode gewoont heeft. Alſoo dat de men: | Gadt fijven Dader verfoent heeft / niet meet
fche Ehriſtůs die boog ong geſtorven is Godts dan cen genoemde Sone Godts ge weeft ís,
fane niet geweeſt eni / want hu en heeft geen | Ende Godt alſoo maer cen Godt dee namen/
Vader gejat. Diet alfa ís fijn bekkenteniffe gez en níet een God der waerhept is. Immers is „ar,
ſchiet Die wu alle upt fijnen epgen mondt alfa |De laſter en fchande al te groot / Die de almach⸗ merkt wat
nehaazt / ende in fijn tegenwoozdiahept aen⸗ (tige groote God met fijnen gebenedijden Weven die voor cer:
geſchreven hebben. mabbe —— — onbedachten man lijden ende leere is.
8 fe Andreas nu gefchreben hadde / hooren , *
—— — reti ar eieren sfbe Gen bferden vraegde ick hem / of hp ooch ALTE
—
dae ey aen Micron
Ranie k miet vecht eſch zeven wiſte dat Gillius Faber een ſchrift tegen ons om Gellius
— —— Endenn kon dez | had laten uptgaen ende of hp ’t oock gelefen ——
maere fe onwaerachtige mentch en fchrijfe / hoe fp | hadde : Dop fepde Ja, Aerden ich) Oe Des ge prees,
wel na fijnen ’t menighmael met ons Bekent hebben / dat de haget u: Her is een feer {choon ftuksken (fen:
grant genen Sone Godts voor ons geftorven is. Daer t de hin) ik heb ’t‚ ook onfe Broederen laten lefen.
Vader gehad. oo den Veere ende ong allen niet anders gez Dep Martine, fende ilt/ prijſt gn de Godt:
| febiet en (8 / dan wa hiee verhaeldt Hebben : looſe fchande/ dat met foo menig (eenig
koit olé nu noch wederom in fijn ſchryuen / [leugen bol ig / daer des ee smid
ende fepdt hoe hu geen Bader gehadt en heeft. deninge fa deerlijkken in gebzoe 3 * id
iDant in fijn 32. bladt fchaijft hp: Soo veel alderbgepligfte vleeſch Ohzifti een Doafe gelde
als den wefentlijken oorfpronck der menfche-| ede vantfoeninge genoemdt rr vg 5 Soo onſeant
lijcker ſubſtantie aengaet (wellie er HE * boers helden —— ven — **
antie eEDEN | , | —3 aen
—— natu oft nefe na het getupe — bana — Siet het ig De waer⸗ PEN.
—— {Te ser Benliger Schrift geenen Dader ae: heyt dat ick CHU.
(eylacen) al- genie Oee 6, att. 123. En Doe ſerde Micron : ik hebmet Gellio over
en eplí eoelt gefproocken, ende hy klaeoh
RE in: alfa moet de ontfchuldige Heplige Schgift aat boofe gelt gefproocke — —
jn
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
KI 560
zijn.
EEEN feyc: het {al loofe gelt
banden onſen / Die daer
Doe was daer cen
fende : Toos / heet op defe ſprali
| | licht gelt geweeſt zijn / Ec.
N Dit hoorende / fpracit ick :
Mijnant- wühlen bp mp ſelven fit
Mlerosis en de doch de man aldus
fchuldinge. bent hebben
mimerende /
en dat die tegen mp geſchreven hadde / 1s Chr
| Kus Heylig , waeromishy dan om de fonde
it | à Lasco la-
EEE fterlijke
gront van
Chrifto,
onderworpen oft fchuidigh zij
à Lasco opentlijch betuſgen / hoe hy niet hey-
ligh geweeft en is, maer een fondigh en doot-
fchuldigh vleefch gehadr heeft, foo fan ’t ook
wel ín gelijck
rantfocninge Jan
Siet alfao heb ick hem geantwoort / ende an:
Bers niet.
à Lascos AUS ils 4
fpreucken Cron dat huà
worden van als hp aolt Dede /
dít nu aldus vertelde / begeerde Mi-
Lascos ſpꝛeucken lefen mogbte
* ende fepde ten laetſten (Doe
fjneyzen _ befelange genoegh gefgocldet had ) het is al
boek gele- wat duviter van hem geichreven. Fa bmlijck
9 ſen. fepde ilk / niet dupſter / maer Godloosſijk.
EEH Ende defe mijne befchepden goede ant:
—9— woort en heeft hu alleene niet ver weegen /
| maer aactt noch tot mijnder fchanden dzroeffe⸗
heeft oock beneven à Lascos
lijck berkeert :
teelijke fpreuckten gantſch
gelaten / ende heeft
aen een ander ſchuldig is. Of dit alfa upt den
Geeft der waerthept / Die fonder alle partne is /
gebalfchfte ware Chriſtelijke liefde
Hec dat de
nijdige par=
Ì tije handelt,
merkt gy aen dooz een on
deſe M ic
in recht als boa?
gen 3íele te vichten geben.
Nademael il dan
bevonden hebbe /
openbaerlijckt me
een doot fchuldigh vleefch gehadt heeft, als
antfoeninge magh genoemt worden /
Dewijte dat hu het ſondigh acht / ep liebe /|
wat heb ick doch Dan met mijn beantwoor
Het onrechte Dinge gebroken; daer hu een ſulclien groo:
verantwoor= ten T'rageediam over geſpeelt / ende mp een
den, brengt ga doodtlijken fleechke (gelekt hp bp abontue-
ehande ren mepnt) mede gedaen heeft. Ende daer
» aac noch daer en boven na rechter waer⸗
heydt haerder alder gront is/ en met gewelt
unt haer leere volgen moet. Maer aldus
moeft hu Gellio een Dienft met mijnder ſchan⸗
den door enckel leugen doen / hoe welbp een⸗
geltent
ij Menno Symons Verantwoordinge
| datter hem de Drucker verdorven heeft, ende} woort (feyde hy) van eeuwigh
licht / foude dan Thziſtus vleeſch cen valſch oft \ hin)
in des Vaders gerichte veroordeelt : ten ande-| hadden /
ren, Chriftus en is geen ander vleefch deel- | et uwer fo
achtig geworden , dan dat der fonde{op dat hy | no fepde laet
moght verfocht worden) ende den doot foude | ſtus Gods fo
n. Nademael | weest ong met det ſchrift niet /
ſu dan cen zijn (dagt ick) en defe fpzeulien ban | nu te boen / ende wil uw De ſpreucken upt dat
| nieuwe Teſtament duntlijken
en verſtande een boofe geldt ende | beneden) ſien
Geleerde hier genoemt zijn. | geboren
mn alfoa verweten / daer ſegt 2
Stem de Wader felve :
ne/ daer aen ick mijn
Godt in Chꝛiſto Jeſu van hem | 2-3
gefchiet 8 / wil ick den alfienden Godt fijn ep- ſegg
alfa ín fijn boeck gedrukt | gelooft gp aen den
ende à Lascos fpzeucken ſoo
de beengen/ hoe Chriftus | Die ig’ (fende hz
w
garen daer In te boren was? Gaan.6.62. Die
betungt Cheiftus dat des
van boven gekomen Was,
weder Genen foude, E
des menfchen fone niet van
mael tat Embden opten dzuekt / nadat fp mijn
beantwoordige gekregen hadden / Voor ſom⸗
mige JPredikkanten een geheel ander liedt van
Micronson- Gellius ende fifn boeck gefongen heeft.
gegronde Daer na sjun op den Inconvenient ge:
eel: —— komen / dat fp twee perſonen ín Chꝛiſto bez!
Daer op nm Micron alfo antwoorde:
de twee per- Wy en befluyten geen twee perfonen in Chri-
foonen in
@hzio, flo maereen perfoón , want alhoewel dat her,
|
befpreck op ffupten.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
eyt een perſoon
was fo en waft evenwel doen’t in Mariam quam
geen perfoon.
e valfch ofte | onbefchent dat hp voogt bz
hoewel dateen yegelijk. menfche een per-
Wietse meecktt doch / wellt cen
agt. Baozder (fepde
foon is, endede Menfche Chriftuseen men-
lt heb Wel bp | che geweeft is gelijk een a
ten denckende / hoe fou-| was evenwel de Menfche
gantſch plomp gefchze-| (elven alleen geen perfoon
|
1
iel 1Cot.r.r8.
nder Menfche, foo Die — |
: R X Wijsheyt ver-
Chriftus voor hem achten moe” |
geweeft: immers is ten cot fot-
/ of het niet migdaucht en (8? Dus |?e ſchande datmen fulkee onvernuftige woorden ven worden
fepde in wert ils indachtig hoe dat | poop verftandinge ooren voeren fat. Becijt ſept renders
Der Defer Werelt /
Doe wp nu onfe woorden daer ban upt
mede wp betungen /
Jeſus van binnen ende |
lijk en onfienlijck Godts cenige
ft geboren epgen Ware Done is!
en eet
fepoeitk: Ak heb verftaen / hae dat
mmígen zijn Die daer feggen: Men.
ſimael / alg datde geheele Chai
ne zijn ſoude / Maer hp en bez
fo begeer ik Dat
boozleſen daer⸗
heele Chriſtus
dat De ge
gan boven tot
bupten /
foo ge mp anders met berduidighept wilt hoo⸗
ten/ gelijk ick u in uwen lefen laetſtmael gez
daen hebbe. Doet het, fepde hp.
Icli hebbe ontrent bier of
vijfentwintigh Micron te=
gefueldige Klare fpzeucken upt Der ſehzift op ven preekt
gelefen/ daer van ik
ſe was: D
her af in u komen / ende de krac
hoogſten ſal u omſchaduwen.
Hepligh dat geboren fal wozden
werden / Tuc. 1. 31. Wier bez
Engel; hoe datChriſtus Je⸗
(Daer ban De eerſte DE
Soon genoeint
tungt des Geeren
binten fijn verhael /ſus foude Godts Sone zijn/ ende JL
/_dat hyt niet geweeft
ſommige aenwijfen Wil / des Engels.
x 4 dee getuygenit-
ei, Geeft fa fe van Chri-
ht des Alder⸗ fto, dat hy
Daerom dat de soncGods
| fal Godts zijn foude
Micron
Een 15.
dit is mijn liebe Sor
welbehagen hebbe /
Mieron te-
gen ſpreelet
des Vaders
WPatt.3.17.17.5. Mat. 1. 1. 11.9.6. Luc. 3. 22. geruygenifle
hu / wie is t* op
5, En gn Micron
en dat hy ’ niete
Stem Chꝛiſtus fp
Done
dat ík aen hem geloove,
dozvet tegenfpeclten/ er
nis.,
rack tot den Blinden /
Gods? Heere fende
van fijnen
Sone,
iſtus) Dien apfiet/ ende
Die met ufpreecht / Hoan.9.37. Hier bekent
niet en is.
van der Aerden was.
tem / Petrus
brage / Loor Wien fps
fchen Sone hielden.
hu) de Sone des levendiger
6:16. Chꝛiſtus heefc ec h
toe gefent / ende gp Micron
fche Chriftus Godts Sone niet en was,
I
antwoorde Cheiſto
athaart 8 /_dat Boch met vechte ende Goofe de flenke fpzekkende Chziftus Deen taat by”
den Sone Gods/ en gn M
icron feght dat hy’
Poeh eenmael fept Chriſtus. Wat dan / raicron te-
anneer qu des menfchen Sone felt fien op- gentpreekt
t Chriftus ey-
Menſchen Sone Ben, getuyger
ende Dat hp daer
nde gp Micron fegt dat
den Hemel , maer
{_op De Micron
- ‚ maeckt Po-
ende DE lieden Des men trum tot een
Gp zijt Chriſtus (fepDE „arco getuy-
‚Godts, matt. Je „ hoewe
cm de falighept op hem — als
fegt datde Men- 2e} Aleniffe
wert tO€
Alſo bekkende hem ook de Hooftman br den geleyt.
Keupee : Waerachtigh
fche is Godts Sone gew
(fende hp) defe Men⸗
eeſt / Marc. 15.15.39
en qp Micron tegenfipzeektt het en ſegt / dat Ji t
e
niet en Was.
Tegen Marten Micron, 56}
Micron be-
frafralde _ De Apoſtelen alle met malkanderen be⸗ de Schrift niet en is. Hemelende Verde eri
genediedes Menden Chziſtum boor den Sone. Godts / Geaen noch geen fes Depfent Karen geftacn /
menſchen Matth. 14. 33. Alſoo deden oock Ioanues de | cn de Schrift ſepdt nu / dar De Heinel Godts
desone Dooper / Mathanael / Jaan. 1. 45. ude Har: | Stoel emoe de Herde fijn boet bauckiis, ende
den Sone $ — hij Dedi , * jer Apers
Godsbekent tha Haan. 11.27. Eu qu Micron enſchaemt God ig cen ceuwig Gos / Die noch begin) neck
hebben. untet ce ſeggen / dat hy ’e niet en is. crunde gehabt Heeft, (ende ick unu Vragen Lei)
Alle deſe dingen (ſſeut Gaannes) zijn ge} waer ende Wat Godts ſtoel ende baet-banckk
|
| ſchreven / om dat an fule gelooven Dat Jeſus gewreſt hadden eer Hemel ende Herde geſcha⸗
| Cheiſtus de Done Gods is. Ende geloovende | pen zijn / warrt op al ſchuldigh daer opte
Dat leven Daar. fijnen naem Gebben magen / | antwoozden / Deijle het in der Schuft niet
Joan. zo. 31. Wiede Micron , fepde icht / nez {cu is? Mo Wert wederom geantwaazdt. Wy
Wieden met waer / alle die dat niet en gelooven (fept | wilien 't van u weren. Merckt upt wiens geeft
Sonever-_ Gp op cen ander plaetfe) maken Godt tat cer | DAE Defe man met mp gehandelt heeft.
loochent,die pen leugenaer / Want fin en gelooven dat ge⸗Siende ſijnen angel / die Gp or wat ſonder⸗
on heek? ook gmgeniffe nict / dat Godt van fijnen ſone lingh van mp ce viſſchen /uptworp / ſephe iclt
niet. getnwght beeft/ 1 Joan 5. 10. Ha het zijn | tot hem : Micron / uwe ſoecken (nu gy voorz
De Geeften ban den Antichziſt / want ja bere | De waerhept niet beſtaen en meugt fie rei Lucid,
lochenen bepde den Dader ende den Sone, daeram foo verſtaet mp nu recht / op dat qu
roan. 2. 22. Biet Micron , wat ga nu | tmp oock vecht meught na ſeggen. Al wat De Onfe klare,
boor geeften zijt / laten wp Joannes met deſe Schrift ban Dat eeuwige Godtlycke weſen ern
woorden vichter zijn. Wat antwaozt gn mp Chzꝛiſti getupght / geloove ick met voller her van aat Helt
nu op alle defe mijne klare ſchriften / diciclt u |te/ hoe Wel ick Dat met mijn vernuft wet enn wize Goar-
hier gelefen hebbe 4 É bergeijpe / gelijck Dan fijn uptganck ban aen⸗ lieke weten.
Doe krautwde hu ſijn hooft noch eenmacl / beginne ende ban De Dagen deg eeuwighepts onsiah
foo hp oack ín den eerften handel Dede / als geweeſt iß ich. 5. 1. Dat hp de U ende D
br ban ’t brouwen zaet begeepen fat / bepde is / Apoc. 1. 8.2.8. Dat eeuwige baderlijche
Hermes ende hp ontfetteden haer verwen / | woozdt /fijn Wijf hept ende Sone / daer alle Dine
foo mp de Broeders fepden / doch ick en heb gen door geſchapen zijn Ben. 1. 1. Pal. 33. 6.
niet gefien/ ende Micron ſprack: die fchraf- | Pzob. 8. 22. Goan. 1. 3. Epheſ. 3 9. Colof. r.
ten bekenne ick den meeftendeel recht ende [ 10. Hebr. 1. 2. De eerſte gebotene afler Crea:
Allemijn goet te zijn. Jiet altemaelfepdeich. Ick turen / Coloſ. z. 15. Die Daer Was cer Abza⸗
klare Chr. ej hebber immers niet cen woozt van ’t mijne | Dam geboren Wert / Yaan. 8. 58. ende wat der
vn en toegedaen maer flecht upt dat boeck gelefen / | ſpreucken meet zijn / maer Dar 'er alfa cen gez
beantwoot. Degt mp welclt zijn dan die / Die niet goet en boozte (feq ick) ban eeuwighent ſoude geſchiet
zijn * zjn / als gu fegbt /en vinde ick m der Schzift
ck en kreegh ober al geen antwaogt maer | DIE
bn biel al weder op cen vreemde vrage / Dieick| Aengeſien ick dat dan alfoo níet en bevinde /
hem die oft viermael wepgerde / antwoogt | ende der Schzeift tot in den doot berept fia / faa
begeetende op mijn tchziften. Cen lactften | maeckt iclt u tat mijnen Schoolmeeſter (dez «
ſprack hu / maer met enchel bedzogh / op dat | wijle gp alſullien bekenteniffe van mu eyſchet)
bp mp bau mijne fchziften voeren maghte / die | Wijftet mp / waer ’t geſchreven ſtaet / ende ick
hp niet beantwoorden konde / dewijle fa hem | en fal’t u boog Godts genade niet met een dat
al te krachtigh ende te klaer waren / ende ooft | alderminfte Woozt tegen fpzefien/ Want ick
mede / dat hu den fijner noch wat fchijng ma⸗ | wift dog Wel Dat fp up nevgeng wijfen en kon:
Ren wilde. Het fal (fepde hp) een antwoordt den ick kreeg noch eemnael tot eenn antwoort /
zijn. Vzaeght dan henen / fepde ich £ Gelooft Neen, wy willen van u weten. Kennet den
nes gy ook (fepde hp) dat Chriftus van eeuwigheyt | Geeft die mer ons gehandelt heeft, —*
de onfchrift. uyt den Vader geboren isgeweeft ? ende by den |__ Hier wil ick nu alle onpartijdelijke redelijke
matige Vader geleten heeft? el liet hem fijn vrage | Beters der gantfcher Werelt tuſſchen Micron micron el
vrage. noch eenmael verhalen. ende tap laten Kichters zijn; aft hp al cen heeft hem
Martine(fepde ick) qu en handelt niet alg een | Godtſaligh / ootmoedigh/ beientiijehk ende niet als eerd
wacrachtigh Ende bzoont Mau cochamt / Is | zoom Cheiſten / om mp ende ong allen te lee⸗· of pa
Microns leu- Dat eert antwoozt op miju ſcheiften? Dan flan: [ten / oft an ban ong in Chriſto ef met De rus,maer veel
genachtige Den den begoft hp te roemen / bee ick hem geen Heeren Geeft ende waardt geleett te worden {meet als eed
ende fchalke antwoort op fijn vrage geben hande. Gel wert oft / oft hp alseen augodlijckt ; hooveerdigh AND
roemlnge · gantſeh bedzoeft / dat icft met een foo verkeer: | weeet / ende facmraourg Phariſelis be ong gez caiphas ed-
Den Menſche gehandelt hadde / Want ich fag | feten / ende fyn Beſpzeck met ons gebocrt gen ons bez
openbaer / Dat fj van den Geeft det wacrhept Heeft. se pep
met qedseven Wert. Voorder (fepde ich) van Onbtleefder ende leeljcker handel en heh
alfufct cen geboorte alg gu mpt vzaeght te wer | Ielt rijn leve Dagen miet gehoort· Cen eerſten /
ten / Die alfoa een by fieten Van eeuüwighepdt | dat bu ban ang Weten wilde / Dat in de Schzift
ſoude medegebraght Hebben / en hel ick in Der | niet en ffont: Ende ten tweeden / Dat ich bez
feheift níet gelefen / hebt gp Daer ban geleſen | geerde Dat hu't mp wijſen ſonde ende ſoo veel
ſoo wijſet my. Ge {om der waerhent ende liefde wille niet doen en
Neen, fende hu / wy willen't van u weten: wilde / dat hu € weſe Maer Micron wiſte
Martine (fende ick) fchaemtu/ u leefdagen/ dat bn’ in de Scheift niet binden en ſoude /
dat ickt de Schaft van u begeer te weten/ ende, evenwel moeſte hp met alſulck eenen ſchalc⸗
Wat dit voor Dat gyſe my niet wijfen en Wilt. Lp drangh al | ken tange / DOC bp den gent verloren hadde /
eenengeet weder dat hu't ban mp weten Wilde. Man / den fijnen Die noch (oo gantſeh wepmgh oogs
ismazhmen_ man (fepde il} qp laet uwenGceſt wel blijken) in det Schzift hadden / noch ſulcken roem ma⸗
bndelve. Die inus. Wat is die doch een onbeleefde ver⸗ len / maer dat nette Dat hu ons ſpande / wert
waerwor. keerthept / Dat gu van mo Wilt weten / dat in hp ſelbe mede beflagen | iN op unt onſe naeſt⸗
den; B an bale
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
562
unt onfe naeftvolgende aenwijfinge in grooter
hlaechepdt hoeren ende fien fult.
Want als felt meechte hoe hp alle Chꝛiſte⸗
Vijche heteefthent gantſch verloren hadde) geen
Schrift meet bu hem gelden en Wilde / ende
nergens meer op toe en lende / dan dat ha foo
Micron en cen woordeſten bifichen / ende Da
$ — onfen rugge met Beel toefettingen valſchelic
men mee ken omme Dagen moghte / begeerde ick/ Dat
ons zehaa- Bit tp fijn brage mat meet verularen wilde.
delt. (Ee weten! oft hu dan geloofden / dat Chri⸗
ſtus van ecruwighent alfa unt den Dader Was
geharen/ dat fa oock afgedenlt ban den Da:
Dee / bupten den Dader van eeuwighept gez
feten hadde t hp moghte dp oft viermael wel
tor nm fegqen : geboren.
Gehoren fende ickt / en wederſpzeeck ick u
níet / want abu hebt mijn bekenteniffe klaer
genoegh gehoort , maer berklaert mp uwe
vrage. ’T wad al wederom met: gebaren.
Doe fende ick tot Hermes: Segt ong wat
Hermes be- is u geloope: Die fprack nae zijn bolle onbe-
kenrenife dachte wijfe vry her uyt hoe hy van den Vader
— — buyten den Vader geſeten hadde.
— Wel aen Micron / fepde íclk/ is Dat u gez
Chrifti, laove oacltt Ick kreeg! weder tat cen ant⸗
woort: geboren. Want den Dos was ban
ge / datmen hem ín dat hol beflaen wilde.
(u Micron { fende ick / fegt mn Ja / oft Neen /
bliende fn het is lange genoeg met u geboren, Ooe fen:
vrage, maer De hu / Jae Wel aen/ fende ick / foo hoort
rict geerne. nu mijn aut waart.
Gho hebt na mijn vermoeden (fende ick)
wel gelefen / hoe daer bp oude tijden een Secte
getueeft í8/ Die men Trieicole oſt Eriítoi-
ten neemde. Ende dat daerom / dat fa dzie
Godeneerden. Doe dan mi uwe beeftant enz
De geloove ban den Hepligen Geeft is / ge
Min cera lüch hp bier ban den Pader ende den ſone bez
ijn eerfte Pit Apt à ——— *
sotwoorr op Heut] fo íg’t openbaer bat app Critoiten zijt)
Microns ver- Want ghn denltſe al foo van mallkanderen/ Dat
|
D,
klaringe fp ooch afgefchepden ban malkanderen / een
Are ORe fumten den anderen fauden gefeten hebben /
als gehoozt ig. Een eenigh woozt en beeft hu
wp Daer niet op geantwoort.
Een tweeden / ſepde ilt: Sp weet immer wel /
hoe dat Arrius mede daerom boo? een Wetter
gehouden wert / Dat hu fende Dat Chꝛeiſtus een
— bemin gehad hadde? Lp fende Ja. Wecht iS
Mijn tweede … & „er 7 ce binne rine alf:
Won ocfende ich / maer denchet na / fa Chpiftus alfo
Microns ver= Watt eeuwighent afgedenlt ban den Dader bun:
rg
— ten den Dader gefeten heeft/ als abu ſegt / enz
ane” de eenwigh heeft tijt noch begin / ſoo en is hu
Pe Pod
den Dader niet geboren / ende is hp m al⸗
fulckker voege geboren / dat hp alfo afge
deplt Ban den Dader bunten den Dader (fo ghy
feat) gefeten heeft / foa meet hp een begin gee
hadt hebhen / want Dat de Barer Laar ’t gez
baerde is / ín alfoo een menfchelijekt verſtant /
alg ghn voortbrengt / 19 lilaerder als De lieve
Daaf. Ende oft gijn dan riet in vive berftant
OU yvianers en zijt / Wil ich u felben te dencken
neben. Koch fal ick fijn antwoort hebben.
“den derden fende ick : Sommige Oude
Scheibenten ende oock nieuwe / hebben dat
ceuwigh odelijelt wefen bp der Sannen afz
gebeeldet / te neten / hp dat Cozper den Dar
Der / Gi dat fchijnfel dat Woordt / oft den Sa⸗
ne / ende bp de Warmte den Depligen Geeft,
Want gelijck defe / dzie nameljcken dat Cay:
per / dat fchijnfel/en De Warmte een Sonne zijn/
achter aen”
8 Daders Sone niet) Want foo en is hu ban |
—— | gonftige genade ende ſtercke kracht boo,
Menno Symons Verantwoordinge
alſoo zijn oock de Pader) fijn Woorzdt / ende
fijn heplige geeft een waerachtigh Godt. _ —
Ende gelijck als dat ſchinſel ban der Son: Mijn —
ne niet kan afgeſchepden wozden / ende BE siens ver:
ven noch: dat fchijnfel / alfoo en kan goclt Dat klaringe ook
woordt niet gam ſchelijck van God afgeſchen⸗ noch niet
den wozden/ en blijven noct het woort. Even⸗ ——
wel en ig de Dader het woordt niet / noch bet
Woost de Dader. Ende daerom ſingt ahp gok
noch dagelijckg ín uwen Cempelen / Lu=
men de lumine, dat is/ een licht Lan cen
Ticht. ocht Paulus: Pp is dat fchijnfel
der heerlijckheyt Godts / Hebz. 1. 3.
Siet waerde Micron / alfa hebben dewpoor⸗
genoemde Schryvers Lan dat eeuwige Godt⸗
ijclie wefen bekent / ende ghy bekent aldus.
ft ghp nu haer geloove wiet en verſaecute
(ende haer met uwer bekenteniſſe tot valſche /
Schrijvers maeckt / Wil ick u felven laten
Nichter zijn. Een eenigh woort cn beeft ha
Daer op niet geant woort.
Een vierden fende ick: Bhp gelooft im⸗
mert wel/ dat Ehziſtus Jeſus Godts Almach⸗ roan. rz.
tige woort) Wijshept / ende kracht Lan ceuz — 1.
wighent geweeſt ig? Wp ſende Ja, Wel aen es ——
fende ict / iser dan ſulck een geboorte geſchiet
alsqbhnfegt/ te weten / dat hy alfo afgedenlt
ban den Dader bupten den Pader gefeten
heeft/ fao moet de Dader fonder Woordt / Mijn vierde
Wijf hept / en kracht van eeuwighent gefeten sons oe
hebben / dewijle het alfoa bupten hem gez waringe
weeft is / gelijckt ah bekent is klaer⸗ bleef ook af.
der dan datmen ’t wederſpreken kan, Lie⸗ dn jg
be Micron Dencket nae welck een ſchan⸗ j
De dat op Godrechtet. HNiet een tac woozt en
heeft hp my Daer op geantwoozt.
Haer nu komt he/ ende fept / hoe Chri⸗
ſtus ban eentwighept ban den Dader geboren
{8 geweeft/ haewel noch in den Dader gebles
gen. Merckt Doch Welck een dabbel-tonz
gig ende ongeftadig Geeft Dit Dat is / doe hu
(met ong handelde / hadde Chriſtus ban eeu⸗
wighept afgedeplt Lan den Dader bupten den
Dader gefeten /_ ende nu is hj in den Dar
der gebleven. In ſoo kosten tijdt beeft hu Microns en-
ijf Artickulen beneben Defen gerant ban de ——
menfchwerdinge Ehriftí verandert /_gelijch- os,“
men í der Geemaninge aen hem felben gez
ſchreven / hooren fal / ende komt nu noch
daer⸗ en· boven / ende foude my geerne De lees
lijcke bleche finder onſtantachtighept m het
aenfichte dzuclien Daer mp De barmhertige
Heere ban ar. Garen hee onberanderlijck in
cenderlep fin ende geont Der leere dooz fijn
Hoe iek my
inder leere
verandert
den menighouldigen liſtigen aenloop LAN ſo nebbe,wil ike
overmaten beel ſchalliachtige geeften bewaert de Gemeyn-
heeft) gelfjcht fp mp alle moeten tungen / Die ensen la-
mijn Boerkens ſonder pactije gelefen/ enz
‘pe mijn bermaninge fao lange tijt gehoort
hebben. —
Hier oil ick nu alle mijn eſers in alter liefs
ben getrouwelijck vermaent / ende om des
Heeren wille ootmoedeljck gebeden hebben /
‘nat mp doch niemant acumete noch na
Denette alg oft ick met deſe mijn bier beant:
woodingen over fijn voorzgeſette en berklaer:
de vrage gedaen / de geboorte Chriftideg eeu⸗
wigen woort vooz alle creatueren geſchiet ber-
(eggen oft verfalien wilde. An geenderlen wijfe/
want met alte den genen Die Chriſtum Jeſum
goor Den eerſte geboren vooz allen creatueren
5 in
Apo. zrié.
* Corr. If:
ín Dev waerhent miet dert Hepligen Paulo bez
Tegen Marten Micron 56
>
Hengefien Wp Dan ín ale klaethept weren
kennen / ende dat fander alle vermenginge je nde bevinden / hoe de Henlige Geeft deſe ber:
ban eenige menfchelijcke vernuft met den felf- holenthent fo gantſch ende gaer m der Schrift
Dei beken ick midts deſen nu ende eeuwigh⸗ beſloten heeft / ende ang Dei felfden noch deoz
lijli ín deſen deel een te zijn.
Ick fegge ende betunge / fa mp Micron met
der Schrift gevraeght hadde / of ict Chriſtum
niet na fijnen eeuwigen Godtlijcken wefen
boo? den Gerfigeboonten vooz alten Creatue-
ven bekende / fa hadde ick ſonder eenigh ver⸗
toeben hem dat vapwillige ja·woozt gegeven:
Ook hadde hp algdan met fijn vragen onbe⸗
ſchaemt gebleven. Maer be wifle hp fijn vra⸗
gen upt dec beenuft ende niet wat der Schrift
boot bragijte/ende alfa eene bpfictende perſoon
Met het ver- van ceuwighept vanr’t woordt maken Wide,
nuft kan de Daer van voog fijn Hemelvaert niet een eenigh
eeuwige ge-
boorte noch
begrepen
noch ver-
klaert wore
den.
Merckt wel
letter in De gantfche Schaift geſchreven ftact)
doe lagh he ban ſtonden aen met fiju vernuft
onder deſe gier f ware Incondenienten nevens
Dat eeuwige Bodtlijke wefen beflagensdaer upt
be Gem niet met een eenigh waardt verant⸗
Wwoozdert enn konde / als gefjaort is.
Merckit ook / dat bhp de plampighent fijns
vernufts / Die hu fondet alie Schaft tegen
tup aver De ſaecke gebzupehte) ſelfs alfoo heeft
nagedacht / dat hp hem nu dan fijn eygen bez
Piopheer/mach door Apoſtel / noch aal dou: den
one felf ín eenigec maten geopenbaert heeft /
ende het openbaer is / datfe met geen vernufs
afgemeten eu kan worden / hoe kort oft hoe lau⸗
ge/ hoe na oft hae verre / oft metter geboorten
bunten ben Wader gekomen / of binen geste:
ven / dewijle hp een geeft ig. Daer beneven ooft
unt den Hiſtorien vermercken / ende nú tot onz
fen tijden bevinden; hoe menigh fcherpfiende
oog dat hem fm defe ondoorfienhjhe Klare glans
verblint heeft. So is mijn trouwe waerſchou⸗
winge aen alle bzome herten/ die geerne met
een ongeverwede gerüſte conftientie voor ha⸗
cen Godt wandelen ſouden / dat fh doch niet
hooger noch leeger ín deſe onbevindelijke ende
onbefchzijdelijke hooge Majeſtent deg onmete-
Eijken eeuwigen Godchents fpecuteeren en wil⸗
len / aalt niet anderg daer ban beflupten/ hou:
den / ſchrhven leeren / oft drijven en willen / dan
‚De H. Geeft in fijn Heylige woort ong geopen⸗
baert ende geleert heeft) op Dat fn haer niet een
‚engen odt door hate myjmeringe gertſcher
vernuft maken / ende opwerpen / die haet ban
kenteniſſe ende Woorden ſchaemt: want hp der Schaft niet betunght ende berklaett en
ſent (fo my anders vecht geſchzeven ig) alsdac | Wort. Want het ig allen taligen zielen genoeg /
hy van dar byitten noyt geſeyt en heeft. Geeft Dat ſu alfa van Godt gelooven / houden ende gez
Yp dat alfa gefent/ fo ig ’t (eplacen) al te plomp |
van ber gelogen. Hu fchzijft ooft wu (gelijk
wp nweenmael gefept hebben ) ais dachy van! Gefug deg onbebindelijken ceuwigen baders
voelen / gelijck alg ons des Geeren woort bez
fcheijft ende aenwijſt. Namehik / dat Chzeiſtus
hi
ferckt wag
er gefeyt
eeuwigheyt uyt den Vader is gebooren, maer ‚eeuwige onbebindelijke woozt / wijshent / kracht wordt,
noch evenwel in hem gebleven , als oock des en eerſte geboorene ban eeuwighent boor allen
Nicenifchen Concilii, Athanafii, Erafmi Rot- creatueren geweeft is. Cen eeuwig / waerar⸗
terodami ‚ Lutheri ‚ Pomerani, Meianchtonis, \tíg/volkamen Goddelijck fubftantie oft wefen
Bullingerisende det verſtandighſten Geleerden in Godt / h Godt! en met Godt / en dat ſelfde /
gront ig/gelijk men unt de geſyckeniſſe ban det
Sonnen / ende ook mede unt haerder ſommiger
ſchriften lichtelijken baten ende verſtaen kau.
Gebzupekt al wederom beenuft / ende geen
Schꝛift / gehijk hn ook nevens dat eerfte (Dat
he nu in fijn ſchejven weder opgegeten heeft/
gedaen beeft. Want de Geeft der Wijshept
en heeft ons niet een eenige lecter van deſt ons
Derfaeckelijke / onbegrijpelijke verholenthept
Der eeuwiger geboosten / hoe na erde vezre / in
de gantfche Schrift nagelaten/ oft hu bemeten
dat onbegrijpelijke Baberlijkte wefen met der
wat hierge- geboorte / boor allen creatuten gekomen /
feyt wordt.
oftof hu daer binnen in onbevindelijker Wijfe
gebleven en is / Want odt is cen Geeſt /
AIoda 424. ende die (ſegh ick) onbegzijpelijk.
Nademael hy dan at wederom vernuft en
geen Schrift gebrunckt / foo kan hem dat onz
derſoeckende curienſe vernuft / met dat woozt /
geboorene / lichteljken wederom daerentegen
leggen / vzagen ende ſeggen / hae datter dan
pemamt arr gebooren werden / ende dannoch
fn fijnen Bater blijver ſoude? Ick em weet
niet / waer Micron terſtont éen befchepden
anttwaort (Daer mede Ip boor Ben difputeer:
der beftaen moght) vinder faude.
Ick wilde derhabben wel / datmen Godt
door ongeopenbaerde Verhalenthepdt hou⸗
den liete/ want alte Die haet Vernuft in Dez
fen onbevindelijfken diepen afgront volgen /
ende daer ober Gouden willen / die zijn daet ick) Dat geloof ick met galder heeten.
oft Die felfde Daos Be kracht Des almachtigen
eeuwigen Geeſts / oolt een waerac
ſterffelijli menſch na Det beloften ín Der tijdt in
María gewozden/als de Schrift leert.
Want fo ong cen meerder Wetenschap ende
verſtant over deſe onbebindelijke geboorte hade
de van nooden geweeſt / De 1. Geeft der waer?
heyt die deu fijnen tot alle Godtfalighent recht
wijft ende leert / ſoud't ons ongetwijffelt miet
boog onthouden / maet Wel door eenige van
fijnen Depligen Apaftelen oft Propheten / oft
dao? den Son ſelfs in der Schaft geopenbaers
ende verklaert hebben.
Bidde dan alle bzome herten hier mede om
Jeſus wille/ een pegelijk legge hem doch met
fijn vernuft ander fijns Heeren Woost / Gu voe
le ende houde alfa ban Bodt / gelijk hert war
der Schzift bebolen ende geleett 18 / Klinume
noch hooger noch leeger / ende wandele mer
een ootmoedige / nederige / verflagen ziele
boor den ned ende fijne Gemehnte / fo
fat ba ruſte ín finder confciente binden.
Die Godt veeeft \ dencke nae, Wat ick
fchzijve.
Ende doe hu m wederortt aen allen
(kanten ín fijn vrage aldus benauwt wiert /
‘ende ffondt foa geweldelijck Begrepen / ont:
bzack hee (foobetfcheen) met een berftoozt
Chriſtus van Mariagevoet is ? “fg
mede van ffonden an den diſputeerer des ver⸗ (fepde hu doe ) met u onreyne Chriftus :
nufts ín fijn ick geloopen; bp make dat ook | want is hy van haer gevoet, fo moet hy oock
hoe hn’t make
onreyn geworden zijn : hp en wiſte niet (fa m
bh bh 2 ng
‚gemoet / ende fpzalk : Gelooftghy oock ‚ dat micron:
(ſende laeete
Fy vrage.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
mmm —
— 8
— — —
56 Menno Symons Verantwoordinge |
dochte) van grooter berbaeſtheyt wat hp feg- | onffraffelijck / ende waerachtigh / heplſaem
gen tilde, Leeraer / oft oftmen hem Loor cen onbzoomy/
Liege Micron , fende ick / bedwingt doch trouweloos / ongoddelijck / beftvaffelijck /
Onfe ant- Uwe herte ende tonge. Wy hebben ban fijn |ende leugenachtig verlepder / Calumniator,
deit herkomſte gefproocken/maer niet ban fijn voe⸗ dat is / fcheider oft fchender achten ende hou⸗
lactfte vrage. diuge. Eu fo de boedinge dan ontepn malten den ſal. Dewijle hu (fegge ick) door cen nijdte
konde / dat ſn doch nae Chriſtus engen woort | ge pactije/ unt enchei vleeſch ende bloet / ſonder
| Í Matth. 15.11. Marc.7. 15. niet en kan / hoe waerhent geſchreven heeft/ende noct evenwel
(a geel te meer Dan De materie fclve van al ſulckt om fijn leugen deg te meer te bebeftigen / fijn
Ii een onrepn lijf genomen / Daer die bpucht van ſchrijven fo hooge befegelt heeft/ als gehoort is /
faude gefkomen zijn / als an feaht j ende Eplacen!
boozgeeft à Ende dat maria van Adams) Endedoe iel hem nu fijn laetſte bzage alſoo
onrepnen / fondelijehen zade gegenereert ís / |beantwoozdt hadde / als gehoort is / ſoo zijn
daer van gy Chꝛeiſtus vleefch oft menfchhept | fh Van ma afgegaen / ende zijn boor ín ’t
heben wilt / hebt gn mp ſelve toegeſtaen / hups geliomen. Wat daer nu tuſſchen bene
guſen kondet ma ook niet een eenige Spzeuc⸗ | den deelen eygentlijcken geſent wiert / daer en
he ut der gantſcher Schrift opbreengen / Daer | Weet ies niet gewis van te fchzijven : want
mede gu haer cennigtept beweeren kondet / ick en heb Daer niet bp geweest. act mp
gelijch in ben eerſten handel klaer genoeg ban | Wiert ban De Broederen gefent/ hoe hp daer
tap verhaelt ig, noch al fizijdben wilde / hoewel hem fijn gante
Siet / eerſame Hefer / hier hebt qu nu den | fcheigeweer met older kracht der Schrift unt
voornaemſten gront ban het gene dat Micron der hand geflagen wag. Ook fomimige ban
ende Hermes in haer berhael verf weegen heb⸗ den haren ontrent Dee deuren na aen det ſtra⸗
Ben. Unt wat oozfacke / herte ende mepnin- | ten Waren / Die ín haer ſpreelien al te lundtbaer
ge fn alſulcks gedaen heben / waer lichtelijck Waren. Waer oder haer van den Broederen oormcke
te raden. f gefent Wiert / dat fin Wel gaen moghten / ende waerom de
Nademael het dan niet anders gefchiet en of fp ong altefamen ter poorten upt helen Broeders
í8/ dan wp Biet bertelt hebben / gelijk het | wilden? Daer van hp nu fo onweerden upt- —* —
boo? den alfienden Godt / boor Micron ende ſtoten gemaeckt heeft. Opdat hp mits fulc- raoghren.
Hermes, t' ſamen met haren engen getupgen | lien / den bzoomen ende ook der waer hept/ ecn
ſelfs / ende ooli mede vaar ons allen die Daer des te grooteren ſtanck ende haet bp beelen toez
bp geweeft zijn/ openbaer is / als te weten/dat | tichten/ende een boofen name maken mogte.
hu met dat brouwen-zaet gantſeh untgediſpu⸗ Kecht heeft de Heplige Geeft dit geflachte Apoc. s. 7.
teert was / daer ap dat haren gantfchen grant) met Die berfchzichelijcke Apocal. Sprinclt- — ———
ſtaet / ſelfs inꝰt laetſte Beſpreck bekende, hoe hanen afgebeelt / Die gelijck Peerden tot Den sere van
een bzꝛouwe geen zaet / maer alleen Sangui- krijgh berent zijn. Die Croonen hebben den Sprinckha-
Hier merekt nem menſtrualem hadde / daer mede de ſaeke goude gelijckt / evenwel geen gout en zijn. nen ae.
de (omme (feu t niet weder opgegeten en hadde) al Daet van Micron ende Flermes een pegelck pelt wast,
handel ende Werloorenwag. Item / datter twee Sonen | een met haer fchzijven ap ’ hooft gefet hebben /
wat Vittorie in Chriſto waren / ende Dat De gekaupfte | haer tanden zijn leeuwen tanden/ende angelen
dat onfe te- odes Saan níet geweeft en was / Daer mede | det Scoppionen hebben fn ín haer flecten /
genfteijders pp den Sone Godts al verfaccht hadde, Oak Apoc. 9.2. Merckit / wat deg P.Geefis fin is.
hebber repnighepdt deg vleeſches Chriſti met gee⸗ Ool mede datde flange det berouwen zact in
nen Schriften nae fijnen gront beweeren en |De hielen bijten ſoude / Gen.z3. 15. Ick mepne
konde. _ och de tweelgept der perſoonen / ſy hebben geen kleyne ſteke of bete met dit haet
Die ín Den eenen Cheriſto met fijn leere begre⸗ fchzijven gedaen. Delieve Veere vergebe het
gen werden / reffereeren konde. _Oockt niee haer / ende gonne haer / dat fa fijn bacmber tige
en wiſt / op wat wijſe hp den Daderloofen | genade noch tot ceniger. tijdt binden mogen/
Chꝛiſtus (gelijck hn hem hebben wil) Godes ist mogelijck,
Sone noemen foude / mp alle mijn geweldige, Waren fia nu lieden ban een verſlagen ende pars .
Schriften / Daer mede fclt beweerde) dat de | gebzalien Geeft geweeſt / als fp billijck nae rzech36.an |
fichtelijche / taftelijche / fpzeechende ende ge⸗ der Schzift zijn fouden / klepn ín haer en⸗ Elai. 66. 2.
ſtozvene Chziſtus Jeſus Godts epgende So⸗ gen oogen / upt der waerhendt gebaoren /
ne was / níet met een Dat alderminfte woordt ende met de kracht deg wooedts befchenckkt /
verantwoorden en konde. Ende ten laetſten ſoo moeften fp immer gedacht hebben : Wat … aerhert
doch ín fijn onfchgiftmatige/ bzeemde vrage | Willen Wp beel ſchrijven / De fake i$doch met wijk de” |
foo plomp ende plat gegrepen wezdt / Ec. ons al berlooren. Ende oft wpfe nu ſchoon wacrheyt. |
Ende hp dit altemael berfweegen / ende niet | alte fchande aenhangen / ſoo doen Wy ’t doch hoe lelijken |
daer van geroert en heeft: em nach even: | unt Pattpe / ende niet mer Der Wacrbepde : Aperen
wel op des Heeren Naem / Gerichte, ende ooli Want het is daer dooz opeubaer /Dat fp ong niet behangen
op mijn epgen confcientie beroepen heeft { Gn en haten / nademael fp ſoo veel getrouwighent wort,
hebbe den handel getrouwelijck ende recht gere en liefde in Der noot aen ons beweefen hebben.
fi | haclt. Soa wil ick dat alle onpartndiſche / re⸗ Maer foo Beel booefichtighept / eerbaechent /
I Waer voor Delite leſers aen gericht ftellen / oft hp alg | vedelijckhent / nadenchten ende liefde en is
IN, rmen dusda-
|
|
— —
— —* —
— 3
* 2
pe, 3 —
— — — —
es rn 2
Ln 27 Len waerachtig woordt vaſt of als en logen⸗ 'er (eplacen ) bp haer lieden niet geweeſt.
EE IH Pets houden achtig ende valſch fchaijven geſchreeben heeft. Gelijck als wp dan vecht ende flecht
ii | | &l, willen Oft hr de Difputatie gewonnen oft verldoren met det Waerhendt hebben aengewefen/ alle
EE IEN wy —— heeft / oft hu vecht aen De waerheyt ende ons / wat Micron upt grooter liſtighendt tee onee⸗
Mik — Hee’ oft onrecht gehandelt heeft. Oft hp Godts cen Godts ende fijnder hepliger Gemepnten
—1 ren woordt glorie ende cere / oft fijn eygen pdel eere ende in fijn verhael verſchwegen heeft / alg gez
om ract roem gefocht heeft. Ende dok mede/oft men | hoogt is / alſoo willen Wp oock nu Door deg
| vage. hem boor een vroom / loofweerdigh / eerbaer | Beeren genade op ’t nb he
eſer
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Tegen Marten Micron. 564
Hefer aenwijſen / hoe bezre fis ende wp in deſen ſen / dat des menſchen Sone geen Vader gehadt
Deel verſchenden ſtaen / op datmen midts ſulcks heeft, ende ſeggen ín ſommige fteden/geen nae
De waerhent van De leugen/ ende dat licht ban) fte Vader, dat even alſoo Leel gefendt is / als
Der dunſterniſſen Dies te Klaerder affanderen geen Bader: Merkt / wat fchande dat fn
ende fchenden kau. bende den Wader ende fijnen Sone Cizifta aen
acn.
XXXL. Articulen en verfcheyden-| Wp bekennen met den Engel Gabziel /
heyden den Lefer tot verklaringe voorge-| Luc. 1.28. met den Hemelſchen Bader / May!
ftelt , hoe dat Micron fonder de Schrift alſo mt eres — — —
fr al voer. : ;, 3.16. 5. 22. 0. 7428.8.23.
ſeyt, ende wy met der Schrift aldus ſeggen lc. met alle Wpaftelen, guet 3 met Doo
ln tro / Matt. 16.16. met Goanne den Dooper /
Meer ende Hermes hebben klaer ende) met Qathanael / Hoan.r.49. Iet Martha /
openbaer booz ons allen helkient / hoe dat Ioa.i 5.27. ende metde gantſche Scheift dat
Chriftus Jefus alfo uyt den Vader van eeuwig-| Bodt fijn Dader is Gaan. 1, 14.9, 36. Ec.
heyt gebooren is geweeſt, dat hy ook afgedeylt | Merchit / oft deſe Geltenteniffe aldus niet recht
van den Vader, buyten den Vader ven eeuwig-| nae der Schaift en ig; |
heyt gefeten heeft. Merchkt at dit eeuwige, 5. Micron en Hermes heben menighmaet
bupten fitten fonder Schyzift ig, Klaecr ende openbaer voor ons allen bekent
1u beliennen / ende Dat met der Schzift / dat Daen ’t aalt noch in haer verhael / maer bedeckk
Chꝛiſtus Jeſus ban eeuwighept deg Daders telijker/ hoe darde gekruyſte Jefus; die voor
Wijshept geweeft is/ Pzov.8. i2. Sijn ceuwig | ons geftorven is;Godts Sone niet geweeft en is,
waozt/ Foa. r.r. Daer alle dingen door geſcha⸗ ende iseen mert defe naeft verhaelde. Merclit/
pen zijn; Ben. 1.1, Pſ.23.6. Joa.i. 3. Eph. 3.9. oft Dit niet heeten en magt / den Heere verfa-
Col.r. 16. Hebz. 1. 2. Dat fijn uptgangh ban | ken/ dieſe gekocht heeft/ ſoo Petrus fept.
aenbeginne geweeft is /eude vande Dagendes, Wy bekennen / eude dat met dee gantſcher
eeuwighepts /Mich.5.1. Oat ha was eer dan | Schaift/ als dat de gelitupfte Chꝛriſtus Jeſus
Abꝛaham gebooren wert / Joan s.51. Dao? Godts eerſtgeboorene ende eeuig geboorene/
Joannem Den Dooper was / ende nae hem epgen waerachtige Sone is / die ha om one
quuam / Joan. 1.3. De eerfte ende de laetſte / fent wille niet gefpaert en heeft Hom. 8. 32,
Hpac.1.8.2.8. De eerſtgeboorene aller crea⸗ maer dooz fijne Daderlijke Godtlijke liefde / tot
tueren / Col.r.aß. Maẽr van alſulck een ge⸗ een verſoeninge oft Genaden-ftoel voor onfe
boozte / díe alfo een bunten ficten ban eeuwig⸗ fonden in Dec Wereit geſonden heeft/1Aa.4. 10,
hept medrgebzaaht heeft / gelijk Micron ende | Mao? wiens bloet wp gerennight ende geacht
Hermes boo? ons bekenden / leſen wy ín Det | zijn/ 1 Goan.r.7. Nom.3.25. 5. 8. Coloff 1.14,
Schrift niet. Nerckt / of niet Defe onſe be⸗ 1PDet.r.rg. Die ook Gode den Vader voor
üenteniſſe recht nae der Schꝛift is. fijn Bader in fijn laetſte noot bekende/ ende
2, Onfer Cegenſtrijders gront ende geloove) riep: Bader / ín uw handen beveel icn mijnen
is / dat de felfBe afgedenlde Sone Godts in der geeft/Uuc:23.46. Merchit / oft defe onfe bez
tijt ooft een valikamen Sone met lijf ende ziele kenteníffe niet vecht na der Schzift en ig.
van Naria vleeſch en bloet aengenomen beeft. 6. Micron gebzupcht een gelijckenifle/gelijfk
Merckt / twee Sonen / ende een gedeplde\ oft lijf ende ziele een ongedeplt menfche zijn :
Chꝛiſtus. dat ook alſoo GodtsSoon/ ende Marie Soon
@nfe gront ende geloove is / als Dat Dat felfde | te famen een ongedepit perſoon zijn: Merct
woort, wijshept oft eer fgebaarene/gelijckt Wi | ten Derden twee Soonen ende een gedenlde
bekent hebben; ín Der tijt van den Hemel het af Chꝛiſtus.
gebaren is / ende ig daor de kracht des Alder⸗ Wy fegaen/ wat de H. Schrift t'famen met
hoogſten ende fijns Henligen Geeſts een Waet-| de gantfche Werelt /een noemen, dat ’et en ig :
aͤchtigh / lijdelijk / ſterffelijek menfche/ niet ban | ende wat fn twee noemen / dat het twee is.
Adaria / maer in Maria boven allee menſchen Zijnder dan alfa twee Sonen ín Ehrifta gez
weeft / die op berfchepden tijden / te weten / de
begrijp gewozden/ gelijk Joannes ſeyt: Bat
eene ban eeuwighent / ende díe ander (nn Der tijt
Woozt is vleeſch geworden / Joan. r. 14.
Merckt / of defe onſe bekenteniſſe niet vecht | van Beefchepden perfoonen ( te Weten / ban
nae der Schaift en ís. Godt ende Maria in verſchenden geftalten / te
3. Micron ende Hermes (eben menigmael weten die een onfichtelijk ende onlijdelijk /ende
lilaer ende openbaer boo? ons allen bekent :| die ander ſichtelijk en lijdelijkk gegenereert zijn/
Hoe datter twee Sonen in Chrifto waren, de gelijk onfer tegenſtrijders qeant 18/ fo moeten⸗
eene Godts eeuwige Sone, ende die ander Ma-{ Der oalt twee perſoonen in hem geweeft zijn / oft
rieetijdtlijcke Sone. Mercht ten tweeden / dat Woost en is geen volkomen Sone Godts)
twee Sonen/ ende een gedendde Chziftus. oft de Son Marte en is geen bolkomen Sane
des menfchen geweeſt / oft de eene moet ban den
Wp bekennen / fo eenmael beltent is / Dat de |
ſelfde die Godt Woort Wijshept) ende de eerſt⸗ anderen henen genomen /ende alfa in hem bere
teert zijn. Dat en fal ons daor Godts genade
geborene voor allen tijden geweeft is / aol des |
menfchen Sone in der tijt geworden is / een ee⸗ —* green vernuft ſonder Schzift benomen
oden.
nig ongedeplùe Sone / Dien Godt fijn Dader
ook van eeuwigheyt Waria fijn moeder in dee! De Schrift en kent ook alſulcſt een gelijclie⸗
tijt geweeſt is / Wuc.r.31. Mat.1. Jo.r.49.EC.| niſſe ban lijf ende ziele / nevens defen Artickel
Wercht / oft defe onfe bekenteniſſe niet vecht | niet / oock gantfchelijken alſulcki een Saligh⸗
nader Schrift en ís. maker ende Chꝛiſtus niet/ Die ban twee Soa:
4. Micron ende Hermes hebben menigmael nen een Soon / van twee perſoonen een per⸗
Klaer ende openbaer Goor ons allen bekent / ſoon / ban Hemelſch ende Aertſch / ban hey
doen ’t ook noch ín haer verhael aen beel plact:: ligh ende fondelijck / eg geet ende quaet/
3 vand
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
$66
Menno Symons Verantwoordinge
— ———— — ——— — — nd
ban reyn ende onreyn / wan gebenedijdtende ſten twee Sonen / en een gedeplde Christus.
beemaledijdt / Ban Godt ende cent menſche
gen Jeſus Chriſtus geworden is. Merckt oft
ick ũ niet vecht nae Der ſchrift en wijſe.
Onfer tegenficiderg gront ende Heere ig.
Dewijle de menſche Chriftus uyt Maria ge-
boren oft gegenereert is ;
weeft zijn. Wijſen aen Matth. 1. 16.
dat hy daeromme | vids (Hofepb genoemt)
oock van haren vleefche ende zade moet ge=| ke Joſeph (feg ick) De
Wy ſeggen / dat des heuligen Schrifts grant
ende leerẽ is: Dat de felfoe Die Gods Almach⸗
tigh eeuwigh woozt ban eeuwighent geweeſt
is / oock in Det tijt in de Goncksrouwe Maria /
Die een man ban ’thupg ende geflachte Daz
belooft was / op welcs
Euangeliften tellen /
Matth. 1. 16. Luc. 3. 23. door Gods Ale
Merckt ten bievden twee Sonen / ende een | machtige kracht menfche na der beloften gez
gedeplde Cheriſtus.
worden is / Watt.1. 18. Luc. 3. 23. Joan.r.
Op feggen : Obeth ig oock gegenereert | 14. Ende íg alfo tot fijnder tijt / na dat felfde
unt Buth, ende Salomon upt Bath Seba/
cen wel zijn Boas ende David de Daders
eworden Vleeſch unt dat felfde geflachte daer
p’t ín gewozden was / geboren / gelijck
—— a —— Oe: mn en —
mon unt Gath-Seba gegenereert hebben: Wa. Ende fiet AUD t giftug upt den Zade 2 CE 7-12
Alſoo is oock menfche Chriſtus upt Ma⸗ Dabids / dat is/ unt den geflachte Davids
ría gegeneveert/ evenwel is Gode de Hemel⸗ geboren / oft gegenereert / maer níet van Da⸗ nom: 3.
fche Dader/ Die vader geweeſt / die hem upt vids zaet geworden/ gelijkt onfe wederpar⸗
María gegenereert heeft / Want het Activum | Epen Die ſpꝛeucke vervalſcht en berdzacpt heb⸗
ſtaet bp den Bader / ende het Palivum bp Det ben. Merckt oft wp untet vecht na Der fchaift
bucht) Matth. 1. 20. Gen. 17. 6.19.32. 35. en Wijfen, F
17. Dap. 7.2. Nom.9.5. Hebz. 11. 11. Ende 1 Onſer wederpartijen gront en leere is/
Dat door de moeder) 1.Coz.r 1.14, Merckt oft | Hoe dat de menfche Chriftus vleefche van on-
fel: u niet vecht nader Schaift en Wijfe. fen vleefche en been van onfen beenen is, ende
Micron fept op Den r28. Pfal. 3. Dat de | dat onfe vleefch totdes vaders rechter hant zit.
kinderkens uyt de fubftantie der vrouwen In zijn boexcken vande leeringe der Gemeyn-
voortkomen, gelijck de Druyven uyt de fub-|ten Gods, &c. Merckt ten fevenden twes,
antie des Wijnftocks doen. Merckt welck | Sanen ende een gedentde chriſtus
een fchande dat hp bepde der Ozdinantie Wp feggen dat der 9. Schaifts gront ende
Godts ende oock den mannen aen Daet. leere is / dat Chꝛeiſtus wedergebaerde Gez
Wp feggen/ foo Micron gloferen wilde / / mepnte bleefch van fijn vleeſch / en been van
ſoude hp dach alfa gloſeren / dattet eenen ſchijn ſijnen beenen is. Want gelijck als Adam van
hadde. Want hier mede flupt Du de Mans fijn Eva getupghde dat fr vleeſch ban fijn
gantfch bupten de genereringe/ recht oft Gods vleefch ende been van fijnen beenen was/ Gen.
ozdinantfe in dee Scheppinge in defen deel on⸗ 2. 23. Maer Eba niet alfoo van Adam) Al⸗
nut ware / Daer het foo openbaer is / Dat de fa getupght ookt nu Chriſtus van fijn gemepne
vouwen geen vrucht voortbrengen en kan: | te / Die hp met kracht fijns hepligen woorts
wen / Dart upt dat zaet haerder mannen / ges | UM de befprenginge fijng alderheylighſten bloets
jcimen met dat Werelt opentlijck mercken | DAO t geloove gebaert heeft) Dat fp bleefch
ende oock door de gantfehe Schrift lefen en⸗ van fijn vleeſch / ende been ban fijn beenen
de fien Ran. Dat de Wijnftoclt met t'ſa⸗ (8. Maer de Bemennte uiet alfo ban Chꝛiſto /
mien afte andere boomen níet endeen / noch, Epbef.s. 30. Siet toe/ oft wp u níet vecht na
doen en komen / detwijte het niet ban. Godt | der ñSchrift en wijfen.
alfoo aen haer verordineert en is. Merckt 22 nſer wederpartpen gront en leere is /
oft ick u met vecht na der ſchrift en wijfe. dat de menfch Chriftus ende wy eenen Adam
Gnſer tegenſtrijders grant ende leere is / zijn, ende alſoo des vleeſchs halven broeders
dat de menfche Chriftus Davids natuerlijcke | zijn. De gront haerder beweeringe is dat
zaet is, om dat de Schrift feyt: Van de vracht | Paulus fept : Die daer heyligh maeckt ende
Pfâl.132e 11. uwer Lendenen wilick op uwen ftoet fetten. | heyligh gemaeckt worden , zijn uyt een, datis b
2.Sam.7. 12. Meckt ten vijfften twee fonen ende cert gez | uyteen Adam, willen fy. Werckt ten acht⸗ 27"
Ii Pfal.89. 4
Ii | Deplde Chꝛiſtus fien twee Sonen / en een ge Chꝛiſtus.
| É lag des Heyligen Scheifts gront
meweeft/ Die Obeth vpt Nuth / ende Salo:
|
Í | Wy feggen na Wy feggen/ dat des B. Schrifts gront en:
EEK HEE ende Heere) dat hp Davfdg overnatuerlijehe | de leere iS: alg dat Chriſtus ende ſi weder:
EO EN beloofde; ende gefchenckte Soon is: Want | gebaerde Gemepnte te famen upt eenen Godt
foo hep Vavids natuerlijche Sone geweeft zijn! Foan.r. 12. Die fijn woordt hooren
de tegenfitijderg willen / foo ende daer na doen / Matth. 12. zo. Mar. 3.35.
moefte hp van Joſephs natuerlijcken zade Luc. 8.21. Ende daerom noemt hu haet fj
| ‚ afgekomen ende gegenerectt zjn ( want op Broeders / ende fept : Äwen name fal tek
! Mani egofeph tellen de Cuangelifter } ende niet mijnen beoederen gerkkondigen. Want gelijck
Toan.1.14. Get Wooꝛt / daer van Joannes fendt / vleefch Smid ede fg) Webz.r. 6.
geworden zijn / ende Bat een vzouwe geen foo (8 hw oock de eerſtgeboren onder den
genereerlijck zact aen haer en heeft / is Klaer: | Bzoederen / Hom. 8, 29. Tae fo hu Adams
der als de lichte daa is. Gctijchmen door, halven onfe Bzoeder Ware / gelijck ber weder⸗
deg Heeren genade beneden ín ouwederſpreer⸗ pattpen gront is / ſo moe Adams eerfte
Kelijcher fvacht dee hepliger Schrift hooren geborene Sone gewee ſt hebben / dewle hj De
ende fien fat. Merchkt oft wp u nict na dev, ecvfte geboren onder den Broederen id/ alg gee
Schrift en wijfen. | k hooꝛt ig. Bock moeften in alſullt een beeftant
ro moch cenmael. Onfer tegenſtrijders alle Godloofe der gantfchet Werelt / die den
gront ende ieere is: Hoe dat de Menfche Dunvel tot een Dader hebben / * ſo
Chriftus van Davids zaet geworden is. Wij- wel Chriſtus Bzodeers en Sufterg zijn/ alsde
ſen gen Bom. 1.3.9. 5/ Ge. Merckt ten fer, wedergeboorene / Die Godt tat eenen *
| | hadde / gelijck
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
—
au, pn
ek » mii - > _
ben. IDerckt oft Wp u niet vecht nader fchzift
en wijſen.
13 Gnſer wederparthen gront en ſeere is/
dat Chriſtus fijnder kinderen vleeſch en bloet
deelachtigh geworden Is, datmen niet anders
uytleggen noch verftaen en kan, dachy fijn
vleetch en bloet van den Kinderen ontfangen!
heeft. Merchkt ten negenften twee Donen /
Wp feggen/ Bat hp des Heeren woort / en De
ordinantie fijnder ſcheppinge daer mede ge⸗
denis, As oock Gods o2dmantie van aenbe—
ginne niet geweest / Dat De eene Beoeder den
tweeden vechten ſy cen Inconvenient toe / als
Dat de ſuſter Maria Gacen Wraeder Chriſtum
nae den Vleeſche gegenereert hadde / / Merckt
oft fit u ook vecht nae der Schzift leeren.
14 Micron fchgijfe menigijmaecl/ hoe dat
Chriftus Abrahams zaet heeft aengenomen;
ijſt aen Hebz. 2. 16. Merckt ten tienden
twee Sonen ende een geöeplde Chzriſtus.
Wy feggeu ende dat meter waerhept / hoe
Micron De Cext bedzoeflijcken vervalſcht
heeft / want Paulus en fept met / heeft aengez
nomen / maer Gp fept/ hp neemt Abzahams
zaet aen/ Dat zijn Abrahams kinderen en nae
komelingen. Merckt hoe hp metter Dcheift
handelt.
—— * pan ” ween a. — — — — —
Tegen Marten Micron. 567
wen zaet genoemt Worden / om dat ſyſe ban
haerder mannen zaet ontfangen; Dap. 7.2.
ende alfoa tot fijnder tijt hacen mannen Baz
ven / gelige men Ben. 16.15. 21.2. JO. Se
Woam.g. 5. Web, 11. 11. ende aen noch ved
meer anderen plaetſen inder ſchrift tefen ende
ſien magh. Merckt oft wy unie recht nae
ger ſchzift eu wijfen,
17 Micron heeft m een boecxlien dat ha bans
‚Der leeringe der GBemeputen Godts in Enger
Tant gemãeckt heeft / geſchzeven hoe datter
loet Marie in haren maegndelijken buyk (ick
ſchame vamp Dat ick alfa fchzijde) in onfe vlees
te lamengeronnen is. sert ten dertienden
twee Bonen / ende cen gedepide Chriſtus.
\ Ap feggen / ude Dat met Des Heercn
Waor / het woort Dat in den beginne bp Bodt
ſchapen zijn / if na het getungeniſſe de
bloet aïfa te ſamen ín onſen vleeſche geronnen /
gelijſt Microns onbeſchaemde leelijcke boeck
(leert ende aenwyſt. Denckt nae / oft Wou
niet recht na Bee ſchrift en wijfen.
16 Micron bekende boor ons aller alhoewel
dat Maria van Adams onreynen tontlijcken
zade was, dat ſy evenwel heyligh en reyn was,
om dies wille datde Engel tot haer feyde: Ghy
zijt gebenedijt onder allen vrouwen , Luc.
cap. r. berg 24. merckt oft oackt ſulck eenen
gront meter fchzift beftaen kan.
Wp bekennen / ende Dat metter Schaift/
dewijle Maria van Adams ſontlijcken zade
geweeft is / gelijck wp/ dat fp oock daevam niet
te wepniger onder de fande geftaen heeft / alg
Wp / Want de ſchrift en neemt niemant Lan
Adams zade upt / 4Eſd. 4. 30. Fam. 5. 12,
r Cop. 15,21, Gal. 3. 22. Ep.2. 3. Want fa fin
om alſulckt een woort hadde reyn geweeſt foa
| Micron fepde/ fo hadde Godt ook wel de ge=
15 Micron heeft voor ong alien klaer en) heele Werelt met diergelijken woorde mogen
l
openbaer bekent / hoe een vrouwe geen gene- | reyn maecken , en hadde onnoodigh geweett, |
reerlijck zaet, maer alleen een menftruael bloet | dat hy ſijnen lieven Sone in alfulk een bedroef⸗ | |
hadde, wil noch evenwel den mensche Chzi- | de geftalte in defe arge Werelt gefonden hadde.
ſtum ban Marien vleeſch ende bloet Gebben. \ Och neen. Daer moeſt cen ander zijn / Die mercke
Merckt ten elffEen twee fonen / ende een q2 | niet Wepuiger Loor Maria / als Loo? ons an⸗
Depide Chriſtus. deren De Wet volbeengen / de ſchult betalen /
Wp ſeggen) ſo een vrouwe geen zaet / fed | en Dat aengename Zaen-offer uptrichten fou:
gelijck ſn oocſt na Der f chaift/ en nae Microns
epgen bekenteniſſe anders niet en heeft / ende
de menfche Chziftug foute dan noch ebenwel
van Marien fubftantie hergekomen zyn / gez
lick onſer Wederpartpen gront is / foo moeft
he ban alfa een onreyn leeljck bloet gegenez
veect zijn / oft hp moefte van een ban Maria
lidtmãten (gelijck alg & ua Van Adams ribbe)
geſchapen zijn/is klaerder dan ment ong ver⸗
meenen han, Dencht na wat u hier gefent
wort / ende oftmen unies vecht na der ſchrift
en wijft.
16 mu fchzijft Micron » als dateen vrouwe
genereerlijck zaet aen haer heeft, van welcken
de menfche Chriftus foude gegenereert Zijn
Doe hu dat laetſtemael met ons handelde en
hadde nt niet en nubeeft ſp't. Merkt ten
twaelfften twe fonen en een gedendde Chziſtus.
Wp feggen/ de Schrift en getupgt nergens
dat cen brouwe eenigh genereerhjckt zact aen
haer heeft / maer fn getunght genoegh ban
brouwen hinderen die daerom oocl vrou⸗
tantummodo fanguinem menitrualem Heeft /| de/fouden fin et Wp anders Dalia zijn/mercht/ bk
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
oft wp u niet recht na der Schzift en wijfen.
rg Micron bekende noch eemmael / alboe-
wel dat de menfche Chriftus van Adams zade
[was dat hy evenwel daerom reyn ende {onder
| fonde was, om dat hy niet door vermenginge,
| uyt manszade ontfangen was. Noch cenmael
merchit / of oocht alſulck een grout met deg
Heeren woort beftaen Kau.
Wy beliennen voor Godt ende alle onfe Hes
fees fo de mensche Chaftus van Adams ſondt⸗
lijcke zade hergeliomen is / gelijkt Micron
fet ende heben til / ende ooclt à Lafcos
ſpreuckken boven aen gewefen / klaer genoegh
mede brengen / dat hy oock alfdan niet weyni-
loer onder den vloeck ende fonde geftaen heeft
als wy, want de Schpift (ſegh ick) neemt nie⸗
mant van Adams zade uyt, @ock hadde ín al⸗
ſulckt een verſtant de fonde upt der vermen⸗
gínge geweeft/ ende nigt unt Adams overe
iredinge. Oock mede was alg dan dat man:
lijch zaet alleen onreyn geworden / en Dat bron:
welijcke zaet (ſoo ſy anders zaet hadde) reyn
ge⸗
568 Menno Symons Verantwoordinge
gebleven / alg boven eenmael gehaaerx is. onſe Wederpartpen leeren. Merclit oft Wy
Meerckt / oftinen u niet recht op des Hecren umiet recht na der Schrift en wijten.
—— — — —
— — ———— —
Merckt.
waart cn wijſt.
20 Au ſchꝛijft Micron, datde fchrift van
de tonde bevrijc > datmen dat oock daer van
vry moet houden. Ende wat Godt betuyght
heyligh te zijn,dat dat de menfche niet gemeyn
oft onheyligh maken en kan. Wijft aen Ac—
to? 10. 15.
Wp bekennen ende ſeggen / ende dat
22 Onfer wederpartheu opentlijcke leere en
gront is / dat de menſche Chriſtus voor ons ge-
ſtorven, niet van den Hemêl , maer van def
Aerden geweeft is. Jidecht ten vijftienden twee
Sonen/ende een gedeylde Chriſtus.
Ouſe gront en ſeere is / en dat met de gant:
fche Schrife/ dat hy van Den Demel en niet
van Der Aerden en is gelijck bu ſelbe fept. Ick
met des Weeren Woot) hoe de Schrift me⸗ | ben Dat levendige broot van dendemel afgeſte⸗
mut ban De fande en bebrijt / Dan Die inder gen/en’t broot dat ick geve / is mijn vleeſch / Ec.
*
40 ad
waerhendt daer bau ban is namelijch / Chrei- Hoa. 6. 51. Item in dat felfde cap. Wat dan /
| wig) ij bj € |
—
ſtum JIeſum / Eſai. cap. 53.12. 2 Coꝛ. 21. 5.
als on deg menſchen fore (merckt hu ſept des
1 Pet. 22. 2. 1Joan. 3.5. Daer mede Dan | menichen Sone, Die Micron ſent / dat van der
opentlijcit betunght wozdt / hoe ha niet ban
Marien vleefclj/ Dat mede ander De fonde be:
fiagten was / hergenomen is / maer dat des
Daders alderheylighſte Woordt welck / van
‚ Aerden was) fullen fien henen opvaren , daer
hy tevooren was; tem / ick ben ban boven
mact ap zijt van beneden / Joa. 8. 23. Item/
Die van boven is (fept Joannes de Beoper) is
geen fonde en Wifte / vleeſch geworden is / | boven allen/Foan. 3. 31. Ick ben (fept Chri⸗
Joan. 1. 14. Want hu is hepligh / ende dat in | ſtus) van den Bader untgegaen / ende ben in de
Loan. 6, Ste
Dee waerheyt/ fal oock heyligh blijven in der | Werelt gekomen wederom berlact ich De We⸗
eeuwigende/ Dan. 24. 9. Tuc. cap. 1. 29. relt en ga tot den Vader / Joan. 16,28. Ooelit
Heb. 7. 23. Is derhalven na mijn bedenctien | Patuus: De eerfte mentele is vander aerden
een ſeer groote oneere des alderheplighſten enn gertſeh / (merckt) de tweede menſche 18 De
bleefchs Chꝛiſti / Dat de ware ſphſe onſer ac: | Heere felve ban den Wemel / noch Tenmael
Lev. Ir. 4
Deut. 14.7.
mer stelen is / dat levendige broodt in een ſoo
vierigen bzandt dee liefden / voor aller Werelt
ſonde tot een eeuwige verſoeninge gegeven /
Matt. 15. 11. datmen alfo met de reynighent van dat Crea⸗
Marc. 7, 15.
Act. 10. 15.
Rom. 14.20.
Tite 1. 15.
Rom.7.14.
Eld.4. 30.
turiſche vleeſch der onredelijcke Dieren ver⸗
gelijclien ſal / die om te eten ín de Wet verboden
waten / ende daerom Loor onrepn geachtet /
ende vit wederom den Euangelio om te eez
ten boog reyn ende ban toegelaten /als cenmael
gehoort is. Denckt na/ oftmen uniet vecht |
ua der Scheift en wijft.
21 Onſer wederpactpen gront ent geloove
is / dat de Sone Godts de Wer voor ons in on-
fen vleefche volbraght heeft. Merlit ten veer⸗
tienften twee Donen / ende een gedenlde
Chꝛiſtus.
Wy ſeggen / dat der H. Scheifts grant en⸗
Deleercig/ dat niemant van Adams doodt⸗
fchuldige ende ſontlijck Lleefchh gebaren / De
Wet / Die daer Geeftelijck Was / volbrengen
konde / Want Adauss vleeſch was te feer herz
merekt/1 oz. 15.47. en Dievgelijchte Schriften
‘meer. Ulle die nu Defe helde ve Bare getuigeniſſe
verloochenen / en dat arme Domme volk op een
gedeplde / aertſch / onrenn en fantlijck creatuer
en Chꝛeiſtum wijſen / wat dat boor geeften zijn/
(en wat jannmet fp tet hare balfche leere toe⸗
richten / ſal op fijner plaetſe doo? Des Heeren
genade klaer en plat gehoort Worden. Merkt
ofc opu niet vecht na der Schrift en wijfen.
43 Micron fcljgijft/{y getuygen felve genoeg-
ſaemlijck, dat den naem londer waerheydt en
| daet , ydel en te vergeefs is , en dat niemant met
| den name beholpen en kan worden „ten zy dat
hy voor al de waerheyt des wefens hebbe, want
uyt der waerheyt moet den naem komen ende
Micron gan hem gegeven worden. Merkt hae
ſelfs hier gevichtet wozt.
Wp ſeggen / gelt alſoo den name ſonder de
waerheit en doet niet als hp ook daer aen recht
fept / en ha bekent aen beel plaetfen fijns
Dcheijvens hae dat Chriſtus menfche (foa
dorven / 4 Eſd. 4. 30. ’t Was overmidts Gods | noemt hu hem)geenen Dader gehadt en heeft /
vechhtbeerdighepe oock den vloeck onderwor: en noemt hem cvenwel de Saone Godts / hy
pen/ Deuter. 27. 27. Nademael (ſegh ich)
noemt hem Wemelfch/fept evenwel dat hp ba
het dan foo gantfch ouveermogigh ende ſwacſt der Verden is / hp noemt hem reyn / en bekent
in Adam gewozden wag / en De Wet ons al- | dat hpa van Adams onrepnen zade is / en andee
tijt vaar Godt befchuidighde / heeft hp hem | dingen meet. Oft nu niee Micron hem ſelben
ín fijnder grooter liefden over Den geballen Daer mede getichtet en heeft dat hu pdele naz
ſwacken Adam / ende fijn gantſche zaet ont” | men voert / ende niet de waerhept en fpzeechit /
fernit / en heeft fijn epgen Done niet gefpaert/ | als hu na fifnen grondt den Sone Godts deg
maer heeft hem in De gedaente eens ſontljckken menfchen ſone / en Chriſtus menfchen de Done
bieefch gefonden / Nom. 8. 3. 32. Die de wet Gods noemt / Ee. Wil ick hem en alle recht⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
voorons/ ons tot dienſt balbraght heeft /
Matt. 5. 1.7. Eph 2-13. Col.2. 14, Our
ſchuldig voor ons fchuldige ſondaren den daat
geſtorben / op dat Wp dat lesen door hem heb⸗
ben fauden/ 1 Pet. 2.24. Ende is alſoo anfe
heplige/ onfchuldige / en onbefimettede hooge
Prieſter / Mibdelaer / Advocaet / en Saeng-
man by Godt fien vader geworden, Debs. 5.
i. 6.20. 7. 26. 8. 1. 9. 14. 10 12:13. 12/
1Cim.2. 5. 1 Joan. r. 2. Ende blijft alſoo
De prijs bn Godt onſen almachtigen Dader /
Doa? fijn gebenedijde woort / oft Done alleene/
alg de Dcheift leert / ende niet daa? Udams
doodtſchuldige ende fantlijcke vleeſch / getijcht
verſtandige Der gantſcher werelt / met fijn cpz
gen woorden laten richter zijn.
24 Micron felgeijft/dewijle dan de felve men.
fchelijke natuere, hy meynt der geheelen men:
fche van Marien vleefche , waer in hy geleden
heeft, fijn eygen vleefch en lijf, en niet eenigh
anderen was , fo en kan daer geenfins uyt geflo=
ten werden,dat Godts Sone voor ons niet gele-
den hebbe. Merkt hoe hier den bloten name/
en niet Dat weſen felve tegen fijn epgen leere by
hem gelden moet.
Wy feagen Mieron maliet met fijn gloſeren
wel / alfao datmen hem oer fijn de
niet
p — — —
— — —
Tegen Marten Micron. 56g
niet al te harde bekommeren en derf / want In | gegenereert waer, want fy en mercken niet aen
fept aen geel plactfen / hoe dat Chriftus na íij- (fept hu) dat Chriftus niet alleen menfche ;
ner menfchelijker fubftantie en natueregeenen | maer oock Godt geweeft is. Merlit ten febenz
Vader gehadr en heeft ; en in defe felfde men: | tienden twee Donen en ecn gedenlde Chei⸗
fchelijcke fubftantie en natuere die geenen Va- | ſtus. B
deren hadde, geleden heeft, en hier fept hu 1 Wp feggen / Dat Micron fijn gloſeren hoe
hoe de (elfde Godts Sone geweeft is, en voor | langer Goe plomper maeckt / Dat ment taz
ons geleden heeft. Wat nu Micron voor eert ſten moet/ dat het Antichziſtus werck ís dat
glofeerder en Schrijver is / en hoe men over | hp Booz heeft. Ick geeft de gantſche Werelt
fijnen gront eu leere houder: ſal / wil ick cenen | te oogdeelen / foo Chriftus menſche, mercht/
pegelijekken mitg defen bp hem felven laten na | wat Ga daer mede Wil dat hu fept Chrittus
Denchen. Mat en heet niet fimplex vericatis | meniche, van Marien zaet ware , uyt haer
oratio, als hu gefchieben heeft. Grooter ſubſtantie her gekomen: gelijck de wija uyt
ſchande en Weet ick niet hoe men hooren han. | den Wijnftock , en de bloem en de vrucht uyt
25 Micron fclzijft / dat de ſchrift fet, dat | den boom doen, of hy dan niet Marien vleefch
de Sone Godts voor ons geleden heeft, en ge- | en bloedt geweetft is die voor ons gekruyft is.
ftorven is, dat doet hy om tweefonderlinge | En hoewel men niet feggen konde, doe Abſa-
oorfaken wille. Ten eerften om te bewijfen de | lon aen den Boom hingh, daer hanght David ,
onverfcheydelijcke eenigheyt beyder natueten, | gelijck bs ſcheijft fou moght men dan noch
der Godtlijcker en der menfchelijcker in een | wel mettet waerhepdt feagen : Baer hanght
perſoone Chriſto. Ten tweeden om te verkla- @abids vleeſch en bloedt / gelijck wp oactt
ren, dat Chriftus lijden anders in fijnen lijve | niet en feggen : Maria is gekturft / maet
en vleefche ter menfchen faligheydt niet en Marien vleeſch en bloedt (ick ſprekket op
konde krachtigh zijn, dan doof ſuſckerley on- Microns wijſe) is gekrunſt / foo hu anders
verfcheydelijke vereeninge der Godtlijckẽr na- van Marien vleeſch en Bloedt her gekomen
tuere met het men{chelijcker in eenen perfoon |Wate of De gantſche fchzift moeft onrecht
Jefam Chriftum. Merlit ter 17, twce Bonen, zijn / Die daer leert / Dat wp onfer bieefchelijcs
en een gedeplde Chziſtus. ker geboorten halven Adams zact Kinderen /
Wy ſeggen / Micron ſinght gemennlick van Vleeſch en Bloedt zijn. Merckt of wp u niet
De vereemginge dee bepder natueren doop fijs recht na der Schrift en wijfen.
vien gantfche aenangbfel al eener icdelten / | 27 Micron ſept/ dat David Chriftum voor
daer van men niet een eenigh letter in de gant: — Heere na der Godtheyt, en voor ſijnen
fche Schrift binden fal. Wp en begeeren niet | “one na der menfcheyt bekent heeft. Pfa, 110;
meet dan Dat hp ong ſiechts wijfe waer de | F- Matth. 22, 41. Mercht ten achtienden
Schrift fent / dat is de Godelijckte natuere ín | twee Sonen en een gedeplde Cheiſtus.
Chzifta/ oft dat ís Be menfchelijeke natuere Wp feggen de Propheten noemen hem fons
ín Chrijto / hoewel iekſe bepderlen in Chriſto | der alie deplinge van Godthept of menfchepdt
bekenne / maer niet na onſer Wederpartpen |onfe Emanuel! Efa. 7. 15. One flerche Gad
gront / endzijven. Oft hu wijfe ong waer fp |en eeuwige Dader / Gia. o. 5. De Heere
ſent / dat is de vereeninge der twee natueren ehova) onfe gevechtige | Jerem. cap. > 3.
in een perfoon / gelijckt hp doorzgaens dzoomt berg. 6. 33. 16. Paulus Hoemt hem onfe
en verhaelt. Of daer De Volkomene Sone Heere) 1 Cor.8. 6. 12. 3. Epl. 4.5. Thos
Gods alleene de Godtlijke natuere of cen val: mag : onfe Weere en Godt / Goan. zo. 28,
kome menfchen met lijf en Ziele alleene eens Chꝛiſtus hem felven de Gewelthebber bepde
menſchen natuere genoemt wort / gelijck ha in den Wemel en op der Aerden / Matth. 28,
den Hefer wijs maeckt, dp Dat Wp mogen, 18, Paulug nach aen een ander plaetfe / dat
nadenchen. Is't geen Scheift ſoo is't Ana⸗ hem alle knien moeten bupgen / en alte tan:
thema/ Gal. 1.8. en ist ſchzift wen wijſt gen / die ín den Wemmel / ap det Werden / en one
het ons / en De ſaecke is al geholpen. O Godt / der der Werden zijn; bekeren / dat ho de Hee⸗
war zijn dít doch plompe bervoetingen/ Die B \veig/ tot con prijg fijns Vaders / Phil. z. ro.
Dat arme domme volck ouder een ſchijn van GOock mede dat het hem al onder fijn Lacten
Scheift met enchel leugenen leeren eu voor⸗ (gedaen is / en Dat heur de Bader tot een Waoft
geen! 8 der Gemepnten gefet heeft/ en heeft hem doen
Vooꝛder fegge iclk / foo het alſoo een onver- [fitten tot fijn rechterhant in’ Hemelſſche mes
fcheydelijcke eenigheydt geweeſt is, en de fel- ſen / boven alle Porſtendamnien / en gewel
ve fijn lijden alfoo krachtighgemaeckt heeft, (digen / krachten / en heerlijckheden / eu over
gelijck hu fent / ſoo ist openbaer / dat oock | al wat mag genoemt Worden niet alleen in Dez
de Godtlijche natuere mede geleden heeft. | fe werelt maer oock ín de toeliomſtige / Eph. 1:
Want dat onverſchendelck is / en kan nict | zo. Dat hp een richter is der levendige en der
gefchepden Worden. En aen anderen plaetfen (dooden / Bom. 14. 9. En of hu dan oockt als
wil hn / de Godtlijke natuere en hebbe niet ge= | ſoo niet Dadids Emanuel / gewelt hebber /
leden, Daer mede fin dan fchendelyjchk ban hem | Godt / Dader Jehovba / Meere / hooft crt
gemaeckt wort, Aldus is dat eene tegen dat | Nichter is mogen alle die den Heere en fijn
ander / en blijft aldus hiet logh en bedzogh / | woozdt vecht bekennen ) ín De vreeſe haers
waer men hem met fijn gloferen wentelende | Godts nadencken. Merchkit of wp u niet vecht
Genen Keeet. Merkt of men uniet vecht na det | nader Schrift en wijfen.
Schzift leert. 28 Micron fchzijft / wanneer Chriftus
26 Micron fchzijft / fy fpreken feer onver- | vleefch uyt des Hemelfchen Vaders fubftantie
ftandighlick van defe groote en Heylige mi- | ware (gelijck Menno droomt) foo moefte de
fterie onfer Saligheydt, die daer feggen , dat | Hemelfche Vader oock vleefch en bloet heb.
Marien vleefch voor onsgekruyft zijn foude , | ben, of anders en foude Chriftus geen vleefch
wanneer Chriftus menſche van haer fubftantie en Bloedt hebben , maer alleenlijck een geeſt
Ecec zijn,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Ne:
9000 570 Menno Symons Verantwoordinge
Zijnsgelijck als Godt een Geeſt is. Pier merclit ſonder eenige denlinge getunabt/ dat Chꝛiſtuß
ecu blint vermift en geen geloove. Jeſus Godts eenige geborene ende eerſt gebo⸗
Wu feggen / Ka betupgen en bekennen vene engen ſone ig Faa, 1. 14. 3. 16. 1Joan.
vooz Godt en alle onſe Leſers / en Dat met des | cap. 4-9. Web? cap.r s- Nom. 8. 32. |
Heeren oort) Dat dat onbebindelijclie eu | Een vijfften maͤerlien fis den vader tot cen Alle dee Ar-
wize woort upt des onbevindelijcken eruwi⸗ leugenaer: Want fp en gelooven het getupger ones
faken onfe
Beſe getuy
gen gelden
ons meer
doen,die o1
der de gant
fche Hemel
zijne
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
__groomen heeten derf.
gen Daders ſubſtantie is / en zijn moet: ſal't
anders Godt zijn. Want wat kan Bodt met
Godt en in Godt zijn/en Dat niet upt fijn fub-
fkautie oft wefen en is? Cn dat oock Dat felve
woort in der tijt nedergedaclt is / eu daor bes
almachtigen Gods almachtige ſterke kracht,
basen aller menschen begzhp een waerachtigh
menſch in Maria geworden is/ Loa. 1. 14.
Siet / alſoo leert ons De Y. Schzift ende alſoo
is ooch onfe geloove / hoewel het Micron een
De H. Engel Gabꝛiel / en de Diere Ertan:
gelift / met t'ſamen Joannes de Dooper /
Petrus / alte de Apoſtelen / Fa oock Chꝛiſtus
Jeſus ſelve / wiſtent doch fo wel alg Micron en:
din ons altefijn geleerde Doen / dat Godt de Vader cen,
Aatichriften geeft Wag j en noch vleeſch noch bloet en |
1-
tn
hadde / en hebben ’t noch evenwel boor de
gantfche Werelt bekent / hoe dat de ſichtelij⸗
hef taftelijche/ etende / Deinchende / ſpreec⸗
fende / flapende / wakende / Wandelende /
leevende / fuchtende / weenende / ſtervende
ende verrijſſende Chreiſtus Jeſus / deg on⸗
ſienlijcken / eeuwigen ende lebendigen Godts
Sone was / gePlheſmen door de gantſche loop
deg Nieuwen Ceſtaments ín bolder klaerheyt
hooren en fien magh. @ Godt / wat zijn dit
doch plompe flzichen/ daer mede ſy de arme
zielen vangen / en na Den put Des afgronts
toeboeren. *
Onſer tegenſtrijders gront en leere is / het
woort is van aen beginne Godt geweeſt, konde
derhalven oock niet lijden : Wijfen aen
“faan. z. 1. Het is vleefch geweeft,konde der-
halven geen vleefch worden. Merclit ver⸗
nuft / en geen geloove,
Wp feagen en bekennen en Dat met de
ſiracht dee gantſcher Schaift / hoe dat dat
felfde woort dat ín den beginne bp Bodt was
en Godt was menfche in der tijdt geworden
is / cn onder ong gewoont heeft / Joan. 1. 14.
1Dant alfa groot (fept Chriſtus felve) was de
liefde Gods dat hp ons fijnen eenigen geboren
engen fone gaf/ Goa. 2.16. Sijnen epgenen
Sone (fet Paulus) en heeft hy niet geſpaert /
maer boor ong allen heeft hu hem gegeven /
Liam. 8. 32. lijnen eenigen geborenen fone
(fept Joannes) heeft ha gefonden tot een ber:
ſoeninge boor onfe fonden / 1 Goan. 4. ro.
Alle Die Dit tegenſprelien / Die berfakken ten
cerſten De eeuwige liefde Godts / Daer mede hu
ong alſoo lief gehadt heeft / dat hy ong fijnen
engen Sone gegeven heeft/ Goan. 3. 16.
1Joan. 4. 10.
Een tweeden verſalien fm De belofte der
Wacchende / daer mede Godt belooft heeft
dat de Meſſias / onfe Emanuel / Eſa. 7. 15.
8, ro. Gnſe Godt) Efa. 40.9. ende onfe Ges
hova Ker. 23. 6. 33. 16. zijn ſoude.
Wen Derden berfacchen tp de Almach⸗
tige Kracht Godts daer mede het doen kan
ende magt alle wat In wil en boor heeft. Sp
maken den Engel Gabriel tat eert valfch bode,
die tot Mariam fepde/dat bp God geen woort
onmogelijck en ware) Luc. 1. 33- —
Een vierden ſtrden fp tegen alle ſchrift / Die
niſſe nfet Dat Gp ban fijnen Sone getungt heeft regensrij-
1 “KOA. 5.10. ders, met
Ten feften en hebben fp oock noch Vader dele —
noch Sone : want ſp verſaecken Ben fane/ PPE
1 Joan. 2. vers 22.
Een ſevenſten blijenfe noch onder den toor⸗
ne Godts : want fp en gelooven niet In Den
Name des eengebooven Soons Godts
“joan. 3. 36.
Ten achften befluntenfe oock alle de groote
ende ſware Gnconbenienten in Chzeiſto / die
ons noch Micron noch eenigh menſche nemen
en kan/ gelijck men upt fijn aenhanghſel /
foo men maer geeſtelijcke aagen en heeft)klact
genoegh merchen en fien magh. Denchtna
oft wp uniet vecht nader ſchrift en wijfen.
30 Micron ende Hermes feggen) foo het
woort vleefch geworden is ‚ en niet Marie
vleefch aengenomen en heeft, datter als dan
een nienwe fcheppinge in Maria moefte ge-
fchiet zijn. MDerckt hoe gantfch plomp fin tez
gen den geont der waerhept aenlaopen.
Wy feggen (neem ’t Waer)fo men alle won⸗
derwercken en krachten Godts / daer dooz
wel bele dingen een ander Wefen oft geftalte
gekregen hebben / dan fp te boven hadden) een
nfeuwe feheppinge noemen foude / foa ſoude⸗
men ſulcke fcheppinge ín der Schzift bele vins
den. Gelijck water Wert wijn / Gaan. 4 9.
t Wert vock bloedt / Exod. 7. zo. Toths
hupsvzouwe wert tot een foutfteen / Ben. ro.
26, Alle dat ſtof ín Eappten wert tot LTupſen Alle won-
(rod. 3. 17.) ende alfuleke wonder wercken Serwercken
meer. Godts flevche kracht weeter ín belient/
het en worde evenwel geen nieuwe fcheppinge tcheppingen.
ín der Schzift genoemt. —
Maer foo onfer tegenſtzijders gront beftaen
faude/dat fp nimmermeer en fal/ te weten / dat
de menfche Ehziftus van Narie vleeſch was
te: en Micron heeft felfg bekent / en dat na
det Schzift / als dat een vrouwe geen zaet,
maer een menftruael bloedt heeft. Oock
beenghtet Gods fcheppinge oft opdeninge niet
mede / Dat een bzouwe een vrucht fonder bun⸗
ten zaet van haer engen vlees Krijgen han /
alft openbaer is. Ende hier ſoude dan noch
evenwel alfao een volkomen menfch na haten
gront ende voozgeven / met lijf en ziele ban
Marie bleefchh gekomen zijn: oft daer Dan niet
‚een nieuwe fcheppinge met Chriſto van Ma⸗
víaf gelijck inꝰt beginne met Eva ban Adams
ribbe toegegaen is / willen op den beleefden
Leſer / Die ſonder partpe is/ metter fchzift
laten nadencken. Merchkit oft Wy u niet recht
nader Scheift en wijfen.
31 Micron ſchzijft/ dat wy in de plaetfe
van den waerachtigen Chrifto , een nieuwe
onbekende Chriftum invoeren ‚ welcke noch
Patriarchen , noch Propheten , noch Apofte-
len , noch vele duyfent Martelaren,8c. noyt
bekent en hebben.
Wy feggen / dat Micron (gelijckt oock alle
valfche Propheten) den beamen Patriarchen)
Pzopheten / Apoſtelen / ende getupgen Cheri⸗
ſt deerlijcken Daer mede belieght / ende hare
qe
Teven Marten Micron. 71
8
hewiſſe waerachtige getungeniſſen in der Pepe ben / geljck ous deſe onwarachtige lieden voo?
ige Schzift van Chriſto fejude Done Gods, de gantſche Werelt beſchuldigen / en tot en—
nagelaten / Weel te kort Dact. Want het is ſer grooter ſchanden fonder alte Wacrbept upt
vpendaer Dat hem De Pzopheten vodrz Harten ſchrüven. ds
Emanuel gehennen. Eude dat Gp ceus joni⸗Gcch / Och / dat fr Bodt bar betten mepn⸗
vrouwen oft maegts Sane zijn ſoude / Die van Den) Boas glorie ende de falighept hacrs nac:
geens mans zade Beurucht worden en ſoude / ſten / ende miet haer cpgen pdel eere ende roemn
Eſaie. 7. 15. Want Gade felve ſoude fijn Vaz en ſochten / hee germge ſouden ſubekemien /
Dee zijn Wuce.r. 29. Shbeltennen Gem voor
haven ſtercken Godt ende eeuwige Vader /
Efa. 9. 5. Doortacen Jehova / dre hacr ende /
ons gerechtigh maken foude/ / Jerem 23.6.
33. 16, Dat fijn ußtgancli at van eeuwig:
Bent her was/ Die Iſraëls Weers ende Vorſt
zjnfoude/ Mich 5. 1. Dat hp de Wiyshept
Bas wäs / ende hem op Aaerden fien Laten
ende onder Den menſchen waaren wilde Baz
tuc.3. 36. Dabid heeft hem boog ſijnen Heere
beent / Pſalm. 110. 1. Pae Lodz den Heere
ſterck van Grachten / en voor den Heere Zee
baoth / Pfal.24, 8. *t Welcit altemael geen
aertſch Adams menfche zijnen könde,
@ok hebben hem alle de heplige Apoſtelen /
Matt. 14.33. De Engel Gods/ Luce.i.
28.De Vader / Mat. 3. 17.17.i5. Marc. i. 15.
9.6. Luce. 3. 22. 9. 35. ende Chziſtus ſelve /
Jdan.9. 35. Joannes de Dooper / Joan. 1.
34. 3. 28. Nathanael / Hoan. r. 49. Ende
Martha / Goan. 11.27. vooꝛ Die ware Sone
Des waren ende levendigen Godts/ Aae boog
fijn eenige geborene ende eetft geborene ſon⸗
Det alle beplinge Do? dat gantfche IBieuwe
Teſtament belient. Acht ſegge ſonder alle den⸗
linge : Want dat des menſchen Sone / Gods
Sane: ende Gods Sane deg menſchen Sone
geweeft ig/ heeft Petrus klaer genoegh bekent)
waer op hem oock de falighept van Chzífto
wert toegefent / dat de Kerckie Daer op ſoude
gebout worden ende Dat hem fulct noch ban
bleefchh en bloet / / maer van fijnen Dader gez
dpenbaett was / Iatt.16.16.
Ende nu kamen deſe — lieden / en⸗
De deylen Chriſtum ſonder alle Schrift / moet
Des vleeſchs halben Godes Sone níet zijn /
maer hp en wordt maer am haet gedichte verz
eeninge Wille alſoo genoemt / beroven ong
Bepde ban den Bader ende den Sone / malien de
ganrfche Schzift met alle Apoſtelen onde Pzo⸗
pheten / Tae ookt met den Dader / en den ſone
valſch en teugenachtig/ en nemen De ontſchul⸗
dige Apoftelen/ Patriarchen / én Pzopheten /
daer mede Wy in aller maten ſtemmen en een
zijn / met enkel leugenen tot een deckſel haerder
balſcher leere: Wijfen ong ban De bafte gront
Der waerheypt / op een drijf zant Lan untleggin:
me / verdzaende fchjiften en glofen. Bouwen
hare Werchte op een mensche ende creature van
Adams onrepnen ſondelijcken zade en vlee⸗
ſche / ſonder Dader. En hoewel fp arme kin⸗
deren nach fo gantſch aertſch en vleeſchelijck
zijn, gelijckmen dooz haer gantſche ſchriften /
met Dat werk merlien / en fien magh / roemen fp
noch evenwel dat fn Chziftum vecht leeren/
't welft niemant recht doen en kan / Dan doog
De openbaringe deg vaders / mits den H. Geeſt /
foo Chꝛriſtus ſelve ſent: Niemant en kent den,
ſone dan de Dader; ende niemant en kent den
ader dan De Sone / ende Dien het De fone wil
openbaren / Matth. 11.27. ,
Merckt oft vp alſulcken vzeemden Chꝛri⸗
ſtum in boeren ende leeren / daer op ong de /
Deopheten en Npoftelen niet gewefen en heb⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Dat wp de reyne ſalighmakende waerhent / en
fh De onvepne berdaemde teugen hadden.
Maer nu is’tobeemieg haer aertſch vleeſche⸗
lclt gemoet verborgen boor haet vager.
Siet eerſame Hefer; hier helt gp vu de wich⸗
tighſte berfchenden heden / die haer aengaen⸗
de deſen Artilel tuſſchen ons ende onſe tegen⸗
ſtryders op hee meeſte toedzagen / in grootct
lilaerhepdt aengeweſen. Ende nu Wii ick u
dock vooztaen tat noch meerder verklaeriu⸗
ge hare onſcheftmatige bekententffen / verz
Dzacpinge ende berbalfchingen der Schzift /
met tfamen hare ptincipaelfte Slofen / die
fo fonder alle Schaift/ oft met cen valfch /
berdzacpt berftaen der Scheift gebzupehen /
getrouwelijtken acnwijfen / daer mede fs de
klaerhent Jeſu Chzifti des Soons Goars
gantfcij.ende gaet verdunſteren / de gronde
der waerhepdt bzeken / den cenboudigen Lefet
berfteichten / banden Dader ende Sone beroo⸗
ben / ende alfa inder vloeck / fande ende doot
ophouden / als gehoozt ig.
XL V. Schriftloofe bekenteniſſe
uytleggingen , ongerijmde Glofen , ver
valfchte ende verdraeyde fchriften, tot vers
— van der faken den Lefer voorge-
elt.
he med Fe —J —— —
D& Maria die een natuerlijcke dochter van,
Adams onreyne ende fondelijcke Zaedt
Was foude fonder fonde ende reyn geweeft
zijn, gelijk Micron boozong allen (nt 25e:
ſpreck bekende / leeffment in de gantſch
Schꝛift uiet. — iin
„2. Dat fo een reyn , ontfchuldigh onfont-
lijck en gebenedijde vrucht, gelijck Chriftus
Jefus was, van alfulck een onreyn, fondelijk
ende dootfchuldigh vleefch , gelijck Maria
hadde , dewijle fy een dochter van Adams on-
reyn fondelijck zaet was, foude mogen gege,
nereert worden , gelijclt Micron fept / en
leeſtmen inde gantfche Schrift nict.
3 Dar Adam twee zaden foude gehadt heb-
ben, daer van dat eene heylighen reyn gelijck
Chriftus, ende dat ander fondelijck ende on
reyn gelijk wy geweeft waren, gelifcltmen unt
Microns Teer flupten moet) en leeſtiuen inde
gantiche Schzift niet.
4. Dat Chruttus alto, van eeuwigheyt uyt den
Vader {oude geboren geweeft zijn, dat hy afge-
deylt van den Vader , buyten den Vader van
eeuwigheyt geferen beeft, gelijelt Micron en’
Hermes, booꝛ ons allen belienden/ er leeft
men ín de gantfche Schrift niet. |
‚5 Dat Maria bloet in haren maegdelijcken
buyck, in onfen vleefche foude t'famen geron-
nen zijn, gelijck Microns ſchaenilooſe teelij-
ke Boeck leert / en leeſtmen ín De gantfche
qchzift niet.
6 Dat Sara dat zaef (oude geworpen hebben,
Pebz. 11. 11. gelijcht Micron die ſpreucke
etgen alle geleerde ende fpraelk verftant.
CCC 2 Dine
UN
—
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
572 Menno Symons Verantwoordinge
bige overfetterg Dat vervalſcht heeft / en leeft- |Sone, om alſulck een vereeninge wille/gelijck
men in De gantſche Schaft nict.
anfe tegenſtrijders fonder ſchzift maken) foude
7 Dat een vrouwe genereerlijck zaet aen genoenit Worden en leeſtmen ín de gantfche
haer eygen vleefch hebben foude, gelijekk Mi⸗Schzeift niet.
cron ſepdt / Dat fin heeft/ en leeſtmen in de
gantſche fchjzift niet.
rg Dat van aenbeginne eenigh volkomen
menfche met lijf ende ziele fonder vader van
8 Dart Chraftus de Sone Gods van een vrou- |ymant foude gegenereert zijn, gelijck onfe tez
we (oude geworden zijn ; gelijck Micron Ga: genſtrijders feggen / dat ban Maria hier gez
lat 4. 4. vervalſcht heeft (Daer mede hp fijn | fchiet is / en leeſtmen im de gantfche Schzift
Zuriſche Broeders ende LTutherum tat val: niet.
fche overfetterg maeckt) want die houden cen:
20 Dat Chriftus een dootfchuldig ende fon-
drachtelijcken geboorten upt een vrouwe (ende [delijck vleefch foude gehadt hehben , gelijck
niet geworden Van een Bzouwe) en leeftanen |Joannes à Lafco, daermede Micron een is/
inde gantſche Schaift niet.
Dat een vrouwe fonder buyten zact een
waerachtigh menfchelijcke vrucht van haer ey-
Godt tot ſchanden laftect/ en leeſtmen inde
| gantíche Schaift niet.
21 Dattet woort dat van zen beginne Godt
gen Lichaem genereren foude, gelijk Wiccan ' was, alfoo fijn hutte/ tente/ oft wooninge
fent dat Maria hier gedaen heeft / en leeſtmen
inde gantfche Schzift niet,
ro Dat Maria daerom een jonckvrouwe oft
maeght foude inder Schrift genoemt zijn, om |
dat fy fonder eenigh buyten zaet in te nemen,
bevrucht geworden is, gelijck Micron glo-
feect en leeſtmen inde gantfche Schzift niet :
maer de fclzift wijft gen Dat fp ’t daer am
geweeſt ig / om Dat fp geen man en bekende /
Vuc.r. 30.
11 Dattet woort „oft de eeuwige fone Gods,
fonder moeder (fclt fettet nae haren gront)
hem alfoo meteens menfchen fone fonder va-
der (oude vereenight hebben , den felfden aen-
genomen oft aengetogen hebben , daer in ge-
woont hebben , ende alfoo een perfoon ende
foon geworden zijn, gelijck onfer tegenftrijz
ders gront en leere is / en leeſtmen In De gant:
ſche ſchrift niet.
12 Datter alfoo twee Sonen in Chrifto ſou-
dengeweeft hebben, alg gehooꝛt is / daer van
de eene lichtelijck , lijdelijck, ende aertích ,
de andere onfichtelijck » onlijdelijck ende He»
melfch geweeft hadde, gelijck onſer tegens
ſtrijders gront ende leere is / en leeſtmen ín
de gantſche Schzift níet.
13 Dat de Goddelijcke natuere hem alſoo
met de menfchelijcke natuere (daer mede bhp
twee perfecte Bonen mepnt) in een perfoon
{oude vereenight hebben, bat he ſoo menigh⸗
macl verhaelt / daer van en ieeſtmen niet een
letter inde gantíche Schrift.
15 Dat alfoeen vereeninge van Godts Sone
ende Marien Sone , gelijk Micron fonder
Schrift maekt/ bp een menfche van lijf ende
ziele foude vergeleken zijn / en leeſtmen in de
gantfche fcljzift niet.
rs Dat onsalfoo een gedeylde tweeſonige,
twee perfonige , aertfch ende Hemelfch , ge-
rechtigh ende ongerechtigh , reyn ende onreyn
Chraftus foude in den Propheten belooft ende
van den Apoftelen gepredickt zijn, gelijk Mi-
cron fonder alle waerhept voorgeeft/ en leeft:
men ín de gantfche Schrift niet.
16 Dat Chriftus in alfoo een verftant als
Micron leert Godt en menfche in een perfoon
* foude, en leeſtmen ín de gantſche Schzift
niet.
17 Dat de Menfche Chriftus die voor ons
geftorven is, geen Vader en foude gehadt heb-
ben, gelijck Micron God tat ſchanden las
ſtert / en leeſtmen ín De gantfche ſchrift níet.
18 Dat de Sone Gods, dest menfchenf So=
ne, endede Sone des menſchen oack Godts
ín onſen bleefche faude gefet hebben) gelijck
Joannes à Lafco philoſopheert / en leeſtmen in
de gantſche Schrift niet.
22 Dat de Sone Godts fijn Godheyt alfoo
met de menfcheyt foude gedeckt hebben , alz
fo lauge hp op Verden wandelde, gelijck Joan.
à Lafco fchaijft/ en leeſtmen in de gantfche
Schrift nies.
23 Datdegenedie gefondight hadde, ooclt
wederom ín fijn natuere betalen moeſte / gelijk
onfer tegenſtrjders gront ig / en leeftmen in
de gantſche Schrift niet.
24 Dat de Sone Gods, De Wet ín enfen
vleeſche ſoude volbraght / ende den Dader daer
in verſoent hebben) gelijk onfer tegenſtrijders
eere ende gront is / en leeſtmen in de gantfche
Schaft níet.
25 Dat wy fijner Hemelfcher ende Geefte-
lijker goederen, gaven; rijckdommen ende
eygeníchappen (als daer zijn/ fijn lcben/ hep⸗
lighept / gerechtighept / berdienften/ Ec.)
niet en ſouden tot onſer ſaligheyt deelachtigh
geworden zijn, fo Chriftus onſe men{chelijc=
kenatuere, wefen ende fubftântie niet gehadt
en hadde, gelijck Micron ſchzijft / en leeft-
men ín de gantfche fchzift niet.
26 Datde Sonedes menfíchen, die van Pe=
tro, van Joanne den Dooper , van den En-
gel, ende van degant{íche Schrift voor de So-
ne Godts bekent werdt , aen eenige plaetfe der
Schrift foudegefeyt hebben : Neen ick en ben
de Sone Godts niet, maer die in my woont
dien ghy nieten fiet, dieis’t, en om fijnent
wille worde ick de Sone Gods aldus genoemt ,
gelijck anfer tegenfivijders leere ende de gront
s / en leeſtmen in de gantfche fchzift niet.
27 Dat de Engel Gabriel Maria alfo een ge-
deylde Sone foude verbootfchapt hebben ,
Luc.2.28, gelijck Micron Dat berkeert heeft /
en leeftmen ín de gantfche Schrift niet.
28 Dat Chriftus Jefus niet alſo wel de Sone
Godts mae fijn alderheylighfte menfcheydt
als nae fijn eeuwig3 Godtheyt foude geweeft
hebben, gelijck onfer tegenſtrijders leere ig /
en leeſtmen ín de gantfche Sch aft niet.
29 Datde menſche Chriftus van der Aerden
foude geweeft hebben, endealleen om fom-
mige eerlijcke conditien wille Hemelfch ge=
noemt zijn, gelijck Micron glofeect/ en leeft:
men ín de gantfche Schzift niet.
zo Dat een vleefch ende bloedt van Adams
zaede afgekomen , gelijclt onfe tegenſtrijders
feggen/ dar Chriftus vleefch gekomen is, een
‘waerachtigh {pijs endedranck , om fommige
cer=
Tegen Marten Micron. 573
sn conditien ende der verrijſſeniſſe wille
foude genoemt worden, gelijck Chꝛriſtus ep:
gen woort / Goan. 6, 51. ban haer berbaſſcht
lijcke natuere, Dat is met een geheel menfche
van Harten bleefche foude bereenigt hebben /
als menigmael verhaelt is / ende foude alfoa
is / en leeftmen in de gantfche Schzift niet.
31 Dat Abraham en Ifaac daerom de Auto-
res oft oorfpronk {ouden inde Schrift genoemt
worden , op dattet op geen vreemde mannen
komen erfoude, gelijk Micron fouder gront
glofeect/en leeſtmen ín De gantfche fchziftnict.
32 Dat Chriítus onfe fondelijke geftalte ſou-
met dat felfde onfe vleeſch opgevaren zijn / ge⸗
lijk Micron op dat 4. ro. Eph. fonder Schaft
gloſeert / en leeſtmen in De gautſche ſchrift niet.
43 Bat onſe vleefch tot des Vaders rechter-
| hant fitten foude: gelijk onfer tegenſtrijders
leere ende gront is / en leeſtmen in De gantiche
fchzife niet.
de aengenomen hebben gelijck Joan à Lafco
Phil.2. 7 glofeect / en leeftmen in de gantſche
Schrift níet.
33 Dar Chriftus Abrahams zaet heeft aen- |
genomen gelicht Micron Hebz. 2, 16, Den |
tert vervalfcht heeft/en leeſtmen in de gantfche |
Scheift niet.
34 Dat Chriftus der kinderen vleefch ende
bloet door genereringe foude deelachtigh ge-
worden zijn, gelijk onfe tegenſtrijders Pebz.2.
14. Den tert verkeeren / oft balfchelijk uptleg:
gen / en leeſtmen in de gantfche Schrift niet. |
35 Dat Godr in onfe vleefch foude geopen-
baert zijn, gelijk onfe tegenſtrijders de Meu
ke Pault/ 1 Cim.3. 5. valfchelijken upt
gen / en leeſtmen in de gantfche Schrift níet.
3
men ín de gantfche ſcheift niet.
Dat men de reynigheyt des alderheyligh-
ften vleefchs Chriſti, alſoo by de reynigheyt
der toegelatener dieren vergelijcken fal , geljk
Micron %cto. ro. 15. gedaen heeft
men ín de gantfche fcheift niet.
38 Datdat alderheylighfte vleefch Chrifti ,
vleefch van onfe onreyne fondelijcke vleefch
zijn foude, gelijclt onfe tegenſtrijders den ar:
men lieden wijs maken / en leeftmen ín de
gantfche ſchrift niet.
9
ben / en leeftmen ín de gautſche ſchrift niet.
40 Dat Chriftus en wy , om des vleeſch wil-
le Broeders zijn (ouden, gelijk Micron De on:
boetveerdige domme Werelt fander waerhent
trooſtet / en leeſtmen in de gantſche ſcherift niet.
41 Dat des Duyvels kinderen, gelijck leu-
genaers, haters, dootflagers, vervalfchers der
Schrift, faemroovers, &c. immers {oo wel
Chriftus broeders en fufters zijn fouden als de
kinderen Godts zijn, gelijk men unt onfcr
fa upt onfer tegenfteijderg leere beflupten
moet { en leeftmen ín De gantfche ſchrift niet.
44. Dat Chriftusonfe Hooft, en wy fijn li,f,
— ende Broeders des vleeſch halven
zijn fouden, gelijckmen unt onfer tegenſtrij⸗
ders Heere ende grondt verſtaen moet / en
leeſtmen ín de gantſche Schaft niet.
Dat een meníche van Adamsonreyne
fondelijck zaet: onfen Advocaet, Middelaer;,
verfoener , ende hooge Priefter by Godt den
vader zijn foude , endedat wy den ſelfden, als
den waren en levendigen God, met God aen-
bidden, eeren ende dienen fouden , gelijclt
onfe tegenftcijders leeren ende hebben willen /
en leeftmen in de gantſche ſchrift niet.
eg⸗
Dar Chriſtus in onſen vleeſche door ge-
nereringe ſoude gekomen zijn, gelijk onſe te⸗
genſtrijders 1 Joan.2. 4. untleggen / en leeſt⸗
/ enleeſt⸗
at Chriftus Emanuel in onſen vleeſche
zijnfoude, gelijk onfe tegenſtrijders boorge:
42 Dart de {one Gods hem met de menſche-
|
Befluyt der glofen, ende voor re-
den der Inconvenienten.
Hie meeckt nu mijn goede Lefer/ hoe
dat onfer wederparrpen gantſche gront
ende geloobe / aengaende deſen Actijlicl/ op
enckel _enfchelijcke wijshept / philoſophie /
untleggingen / glofen / bedupdingen onge⸗
rijmde balfche vereeningen / berdzacpde ende
gebrokene ſcheiften / gebouwet fact , daer
mede ſy hate Antichziſtiſche valſche leere van
| Chriſto den Sone Gods/ een aengefichte en:
De fchijn maecken / Dat ſy de rechte Leeraers /
ende Wp Die verlenders by der werelt / Bie (epz
facen) der Godtlijchen ſaecken Wepnigh ver⸗
ſtants heeft / heeten moeten. Maer hoe fp
Daer mede ín De verſchijninge Cheiſti vaog fijn
onpactpdelijke recht ſtoel beftaen ſullen / dat
ſullen haerder den grootſten Beel (vzeeſe ick)
al te laet gewaer worden.
Pu wil ick u oolt doop Des Heeren genade De
Inconvenienten oft ongeſchilitheden / Dic UI
haet geloove en leere geweldelyken volger: ol
befloten Worden / in alſulcker klaerhept aen⸗
wijfen / dat gh met vollen handen taſten
moaght hoe dat haer leere niet unt Ge fontenne
Des eeuwigen wijf hepts/ gehijeh Mierondat
{founder alte waerhept / toemen der f/ maer ut
deu put des Afgronds doorde Spzink-haenen
Appallionig op gewaefemt ende gevacrt ig.
Hrerbter acht op
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
574 Menno Symons Verantwoordinge
ten magh / meught gh metter Scheift nae
leertien groote ende fware Incon- dencken. k —
Veertien graote ende Gen ſevenden volgt ooft geweldeltjck / na⸗ „Ps Gventte
venienten oft ongefchiktheden die uyt on- N hans! nd f
‘ | h emtael de 1. %poftel Chomas den gelirun⸗ nient.
F rn what nf ſten ſienlijckken Chziſtum boo? fijnen Heere
lijcken volgen en beſſoten worden. ende Godt bekende / ende De gantfcle fchzift
veearts Cn eeften volgen gewgldeljls wt Daer) deaer | 1poopebrter Baligpuaher en
convenient. leer ende geloove Wee Danen in Chriſto /| 5 nr E tn Ek —*—
dacr van de eene a —— — 5* meinl —— eene
Soac fonder moeten NDE OE 2PCEN ACD gelicht hem onfe wederpartpen boo? houden
* en 7 pee ge — alfick ende bekennen / foo waer ’t openbaer/ dat
LOnGer. V 2E — * een aertſch ontepn/ fondelijk ende dootſchul⸗
cen leere ende geloobe niet met rechte ce AN diah Cregtuer van Adams aertſehe / antenne
— magh/ meugt qu mecter fantlikse ende bootfchuldinh bieeftty onfe ber
fchzift nadenchen. Reef Gaf —23
De tweede Cen tweeden volgen ook geweldelijck rm pa bede gepriefs „4
Inconve- twee Perfoonen in Chrifto , want fo waer wate. Oft men dit oock niet met vecht een la- Heb.s. zr;
MERE giwee volliomen Sonen zijn / Daer en kan het iet ed ent ende —
cf níet feplen / moeten twee Perfoonen zijn fteclijk Inconvenient ende Pntichziftifchen ;. sr.
oock niet fe ‚| grouwel heeten magh / meugt gp metter ſcherift
Oft de eene moefte den anderen gantſch in nacdenken.
boiei ok been EDE TOER De rs Een achtten bolght oackt geweldelijkk/ foo pe achtte
te verceninge geheel berfwonden zijn. GE! varia den menfche Chriftum alfoo van haren Inconve-
men Dig oock niet met vecht een Inconvenient
à de Alia ; vleefche gegenereert hadde , gelijck de Gez nient.
—— KERST IJD eccee — leerde ſeggen / dat fp ook dan niet alleene fijn
Bederdeln- Een derden balg oock getweldelfjck / arg) Hoeder / maer oac fijn Dader moefte gez
convenient. Dat be etende ) ——— — — ) wee: hai hebben / vant het is ban aenbeginne
mende / lijdende ſterbende ende gekrupfie | A! Godt — dat pc der meuſchen
Ehriftug Jeſus hoewel hp fonder alle denlinge | Genereetinge bepde Dader ende Poeder zijn
dod? De gantfche Schrift) Loor den eerſtgebo⸗ eni kan oock kn —
ener ende cenígen gebozen cugen Sone Gog | voren woeden / geljkmen Doo? degantſege
bekent wopt) Godts Sone niet geweeſt en is Schiift / ende oak nae loop det — eid
want hy en heeft geenen Vader gehadt , feggen ——— ſpeuren ende par mpd. „ —
fo als gehoort ig. Ofmen dit oock niet een LOE MEL Met Lek heeten! Bs hee vet
feer lafterlijch Inconvenient / ende een open: ien en ſchau —* ve > it x Ö
bare berfakínge deg foong Gods heeten magh/| magh / meugt gp metter cheift nadenken.
meugt ghn mettet Schzift nadencken. Cen negenden volgt ook geweldelijk / na: pe negende
Devierdeln- ¶ Ten dierden volght oock geweldelijck / Dat | demael dat een vrouwe geen vzucht ban haer Inconve-
convenient, alſo menighmael san haer gelogen wordt / als|epgen vleeſch genereeren en lan / overs MEA
de menfche Chriftus Godts Sone van haer ge- mits ſp / nalupt aldet Schzift / geen zaet aen
noemt wort, want hoe kan In nae haeren haer en heeft / gelijkmen beneden klaerder
geont ín Det waerhepde zijn / dat fp hem noe⸗ hooren fal/ en de men{che Chriftus dan noch
men / nademael fg opentlijcken ſchrijven en⸗ alfoo van Marien vleefch ware, gelijk onſe
De met den mont bekennen) hoe hy niet uyt wederpartpen voorgeben / foo moefte hy on
Godts, maer uyt Marien fubftantie her ge- getwijffelt door ’t woort / gelijk Eba ban
komen ende gegenereert is > @ftmen dit Ndam/ gefchapen zijn. Ende alſoo Dat gee
dock niet met recht cen lafteelijch Inconve⸗ fchapen woort / en De gefchapen menfche van
nient heeten mah / die den Waerachtigen Marien vleeſch te ſamen een Jeſus —
Godt / Die nae der Waerhept handelt / en niet ende Done Gods geworden zijn : En oftmen
met ledige namen omgaet / niet gelijckfoz⸗ Dat oock niet met rechte een lafterlijckt Incon⸗
migh fg / meugt abe meeter ſchrift nadencken. venient / en een openbaer fchande en oneere
Devijfderd- Cen bijfften volght aack geweldelhck / een Chriſti heeten magh meugt gr: metterchaift
convenient. gedeplde Chaiftug / Die ban Bodt ende een Nacdenken. / 5
menfche / van dat hemelſch ende dat Aertſch/ Ten tienden volght ook geweldelijk/ Loo De tiendern-
van dat reyn ende Dat oncenn/ ban Dat gez de menfche Chriftus van Adams onreyne Convenient:
rechtigh ende dat ongerechtigh / Gan dat goet fontlijcke zaet ware, gelijkt de wederpartpen
cnde dat quact / van dat gebenedijt ende ders | gront is / ende de Schrift fept / ahp fuit
miatedijt/ een Daligmaker en Yefug Chziſtus uwen Heere uwen Godt aenbidden / ende
geworden is / gelijck boven ban De verſchey⸗ hem alleen Dienen / Deuter. 6. 13. Matt. 4.
denheden ooft eenmael gehoort is. Oftmen dit | ro. Gok De Propheet : Ick en Wil mijn
och niet met rechte een laſterlijck Inconve⸗ eete geenen anderen geben. Ende het ís klaec
nient heeten mag} meugt gijp metter Schrift eude openbaer datmen onſen Derloffer Chri⸗
nadencken ſtum níet wenniger aenbidt / eert / Dient ende
De ſedde In- Cen ſeſten volght oock geweldelijck / dat danlit / danmen den Vader ſelve doet / dat
convenient. Dat ceuwige Soenaffer / eens voor alder we⸗ Dan een ban bepden waer ziju moet / oft Dat
velt foude geoffert / niet dat onfchuldige ren⸗ de Schaift ons niet vecht geleert en heeft / oft
ne Tammeſien ſonder vleckke Daet boor) dat alle Afgoden-diengers zijn / Die alfa cen
hem de ſcheift befrent / maer een ontepn / | aertfchen / fantlijken en dootfchuldigen Chri⸗
ſontlijck en dootſchuldig ls 4 van Adams | ſtum aenbidden/ eeren / danken en Dienen / gez
onrenne fontlijclte ende Daotfchuldiah bleefch | lijkt ons onfe Wederpactpen leecen / en ſon⸗
ende zact geweeſt is. Oft men oockt Dit niet | ber alle gront der Schaft hoogh aen pzijs
met cecht cen lafteelijctt Inconbenient heer fen. Oftmen dit odck niet met vecht *
De elfde In-
convenient.
De twaelfde
Inconve-
nient.
De dertien-
de Imconve-
hient.
De veertien-
de Inconve-
nient,
Tegen Mar
Afgodiſch Inconbenient en lafter Godes hee: |
ten en magh / meugbt ga metter Dcijzift na
dencken.
Ten elfſten volght each geweldelijck / Loo
een vrouwe genereerlijk zaet aen haer hadde,
’ welch fin nict en heeft / en de menfche Chri-⸗
ftus dan aito van Marien zaet ware gelijkt onſe
wederpartnen hebben willen / dat oacit onſe
Salighinaecker Chaiftus als dan niet alleen
upt Juda / maet ooch unt Sprien / Canaam/
Moab / en Amon moeſte hergekomen zijn / gez
lychmen Matt. 1. 5, 3. Heg. 14. 21, MOC?
De klare detteren hooren en ſien magh. Oft⸗
meu dit oak niet met rechte een Jucowenient
en laſter Chufi heeten en magt / meugbt gr.
meter Scheift nadenciten. |
Ten twaelfſten ooch geweldelijck / foo ick
ii
ten Micron. 573
lijch oft menfchelijehk / ban geeft oft bleeſch /
ban ſiemlijck oft onfienlijck / Lan ſterflijck /
en enfterflijk Chziſtum boer den cerft geboren)
en eenigen geborenen / cygen Ware Sorte Gods
belient / gelijcft Wop bepde boven en beneden in
grooter Gracht miet Des Heeren woordt ver⸗
lilaert hebben. Ofte men dit oacht niet met
rechte een lafterlijchk Incowenient / en een
openbare berloocheninge beyde des Daders en
des Soons heeten magh/ meught qn in det
— uwes Godts metter Schzift hae denc⸗
en.
Siet untberkoren Teſer / alſulcken onſchrift⸗
matigen / gedeplden / onreynen / ſontljcken
en aertſchen Salighmaecker ende Chziſtus / Microns
is't die u onſe wederpartnen met hare Anti⸗ woorden
chriſtiſche / bedeckte / gevlochtene / bewinmpel
zijn aen
fommige
M:erous ſcheyben anderg vecht beeftacn kan de / en dunſtere woorden / ban menſchelijcke plaerfen feet
dattet eeuwige Woordt eens mentchen Geett |
moet geworden Zijn , en dartet maer alfov een
hucte oft Lichaem van Marie vleefch aengeno= |
men heeft, Want hp allegeert Petrum (foo
wp dunckt) tot alſulck een epude ende fept /
hy 1sgedoodt na den vleefche , maer levendigh
gemacckt na den Geeft, 1 Petr. 3. 18. Der-
ſtaet hp nu Den Geeft Cheiſti bende op fijnen
Geeft Die hy in fijns baders bandengaf / en
oack mede opten anfteeffelijcken Sone Gods/
daer mede hp nae fijnen gront vereenigt was/
foo heeft Petrus hier al te host geſchreben / dat
bu flechts fent / lebendigh gemaecht na Den
Geeft/ en niet mede Daer bp en fept / en oock
na den onfteeffelijcken Sone Godts / daer
mede dat hy vereenight was /merckt Wel wat
ick ſegge.
Ende verſtaet hyꝰt alleen op Christus Geeft)
en níet mede op den onfterffelijken Sone) daer
boor hp hem bekent / foo moet de Sone Gods
na fijn berftant eens menfchen Geeft gewor:
Den zijn / of íclt en weet niet Waer tae hem defe
fpzeuche helpen oft dienen kan. Oft men dit
oock niet met vecht een grof Gnconventent/en
plompen blindoeck der onverftandigen acmen
lieden heeten magh / meught gp metter Schzift
uadenchien.
Cen dertienden volght oock geweldelijcks /
foo der Geleerden gront recht Ware) datals
dan dat Almachtigh eeuwigh woort daer van
Hemel en Aerde volzijn, Sap. 18,15, hem
met alfoo een kleyn Corperken van Marien |
vlcefch moeft vereenight hebben, en alfoo met
dat telve gefucht geweent, gegeten , gedron=
ken, geleden, geitorven, en doodt met hem
in’t graf gelegen hebben , oft het moefte hem
atieene in Cheiftus Geeſt onthouden heben /
en alfga in fijn beefterven / daer mede uptgez
wekken zijn / en in fijn verrijſſeniſſe wederom
ten twerdemaeimet hem vereenight zijn Oft-
mien dit dock niet met vecht een wonderlijck
Inconbenient heeten magh / meugt gp metter
Schrift nadenchien.
Cen veertienden bolght ooclt geweldelijck /
foo dat woort oft de eeuwige Sone Godts alſoo
een menfche van Marien vleefch en bloet heeft
aengenomen , en hem alfoo daer mede in een
perfoon en Soon vereenight, gelijk onfe we:
derpartuen Philoſopheren en voorgeben / ſoo
en waer Bodt de Dader niet een waerachtigh
Wader Chꝛiſti / Maria niet cen waerachtigh
Sane / en de gantſche Schzrift was daer mede
wijshept teeven en voordzager.
Ick hange u hier den fpiegel haerder ber:
boeringe naeckt en bloodt voor uwen oogen /
ſoo qn flechts wilt / ſoo meugt gqu in alte klaer⸗
hent fien / hae deerlijcken dat gp ban haer bez
drogen wart. | |
Nengefien dan / dat haet leete en geloove
anders in den gront niet en iS / Dan een open?
baer Antichꝛiſtiſch bedroab / er der ouden
flangen berlendinge / Want het al ban aennez
duyſter.
men / van vereenigen / van tween cen te zijn / mierons
aan een Godtlijcke en menſchelijcke natuere / gront ſtaet
van eerlijcke conditien / en Wat diergelijche op vytles-
dingen meer í£/ Dat men ten meeſtendeel in
defen Artijckel bp haer leeft oft hoozt / daervan
níet een eenigh letter ín de gantfche ſchrift gez
fchichen en ſtaet. Ende fn dat ſelbe met foa
overmaten Geel fchjrfts bꝛeecken / gloſen /
balfche bedundingen / en uptlegginge betwees
vent / ja op pzoncken en voorſtaen / fao ſegh
ick ten eerften met Microns epgen woogt / dat
het ong niet gelden en kan / al wat fn van de
ſaecke Philoſopheren oft baostbrengen/ dewij⸗
le het geen fchaiften íg. En ten tweeden z
gtagen ed
glofen:
vreem?
met den Henligen Paulo / dat het Anathema ae eere vart
(daer ban niet een eenigh letter noch) ban <<?
ma
bannen.
den Propheten noch van Chꝛiſto / en alle fijn
is / nademael het een bzeeimt Euangelium is / Chrifto, is
Anathe-
dat is vels
Npoftelen in alſulck een beeftandt / gelijck Gal. ís.
onfe Wederpartpen Drijven in de gantfche
Schrift beroert aft geleert is / hebter acht
Dy.
Au begztaen willen Wp wt dôoz des Heeren
genade / den gront Ban onfe wederpartnen
\bekkenteniffe en leere / aengaende defen Br tijz
| helmet fijn ergentlijche inhout / bzucht / eyn⸗
de en belofte/ eerſtmael aenwijſen en Loor
oogen ſtellen / daer na oaclt den gront ban onz
fe bekenteniſſe met fijn epgentlijekte houdt /
bucht / eynde / en belofte; op dat qr alfoa
mits wit en ſwart bp malkanderen geſet / ded
te lichter voor ’t bedzogh dev oudeit langen
wachten / en De onbedzieghlijckte vafte gront
der waerhendt binden / gelooven / en met cen
gewiffe verſekerde Conſcientie / fonder alle
| fchzaamen aenhangen en volgen meught.
Onfer wederpartyen gront en gelo-
ve van Chrifto Jefu , met fijn eygentlijc-
ke inhout, vrucht, eynde oft belofte.
moeder / Chriſtus Jeſus niet een — E Erſame Hefer) hebter acht op / dit nabol⸗
verloochent / die fonder alle Deplinge ban God:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
gende is de gantſche inhout / beflupt/ fin)
berftant / geent ende mepninge ban onſer
Wes
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
vederpartnen geloove / ende leere ban Nel
.
gefen grooten haet ende lecljcken naem maecz |
lien / te meten / Dat fp alle De heerlijcke belof:
ten ban Chriſto den Sone Godts in Moſe cn!
tu De Propheten begrepen /getijk(genade)bacm-
hertighent / quitſcheldinge onfer fonde / pze⸗
Onfe weder be der Confcientien / berfoeninge) ende dat
eceuwigh leben / doo? haer menfchelijchte verz
beloften in Muft en Der ouden flaugen liftighent in Adams
Adams auvergne fontlijcht vleeſch beſſunten / ’t welck
vlee:en fin founder alle Schaift reyn naemen / hoewel ſy
bekennen dattet an Adams zaet ig,
Onfeweder- · Bekennen openbaer / oorkonde haerder
partyen be epgendet belijdinge twee Sonen in Chriíto,
uyten twee 5 k nt
<onenende daer vande eene Godts Sone is van eeuwIig=
perfonen it heyt (onder moeder , ende die onlijdelijck ,
Chiifto ende de twecde Marien oft des menſchen Sone
fonder vader , ende die lijdelijck. Welclie
twee fia ſeggen / maer ſonder alle Schzift / dat
Onfe weder. il een perſoon beveenight zijn. Alſoo dat de
partyen mastttenfche Chaftug die ſichtelhjcken boor den
|
|
Menno Symons Verantwoordinge
— —
Petro en alle Apoſtelen / van Paulo / en alle onſe weaci-
Schꝛift / die daer eendrachtelijck betupgen Dat partyen ma—
De ontfangene/geborene/geleden geheeſe Chri⸗ ken Gad den
ſtus oant binnen en van bupten/ van Boven tat jee CRE
beneden / ſienlijck en onfieulijkk fonder eenige zet ende alle
deplinge/ Gods eerſte geborene ende eenige gez Apoftelen
boorene engen Sone is. tot openbare
Sp breecken ende tegenſpzelien Dat gant- SLEE
fche Euangelium / ende Den Edelen dieren gerium van
brief Joeannis / ín de welche ha ’t meer dan Chritto wort
feftighmael verhaelt/ dat Chriſtus Bod Loor —— aeg
fijnen Wader ende hem felven Loor den ſone
Godts bekent heeft. Goli menighmael dat ende brief
ha ban Den Dader uptgegaen/ jae van Den oann's en-
Hemel gefent ende gekomen is: —
OP verdzaeien en ſchenden de Heplige Scherift
gantſeh jammerlijk / maecken de eene leelijcke
gloſe en oangerijmde uptlegginge bp de andere /
to heeft Chriſtus (ſeggen ſp) onſe menſchelijke
natuere van Maria aen hem genomen. Dan onfe weder-
zijnder twee Sonen en natueren fn eert perfoon partyen be-
en foon vereenigt. Hu heeft Gods Sone Par me soles
met glofen
en zy4
ken cen ver- menfchen gewandelt / gegeten / gedzoncken / rien vleeſch en bloet aengetogen / daer ín hu gez ende uytleg-
wee Sonen geſugt geweent/aen 't Crüpce gehangen heeft)
fonder vt God fijnen Dader geroepen Heeft / Dader
Schrift. in uwen handen beveel ik mijnen Geeft) en deie
Dagen doot in het graf gelegen heeft Godts
ſoon niet geweeſt en is.
Onfeweder- „u maken den Hepligen alder Hepligen
partyenen Cheiſtum Jeſum eeuwigh gebenedijt / tot
gelooven geld menfche Det fondeu ende des doodts.
scktuyfte Gen Ban haer felzijft opentlijckt / foo Chri- |
Godts foon ftus Heyligh is, waerom hy dan om de fon- |
geweeltis. de in des Vaders gerichte veroordeelt is >
Omron Ende, mede dat hp geen ander bleefch ís
maken Chrí- Deelachtigh. geworden dan dat der fonde
woont / fijn hutte oft tente gefet heeft/ Kc, gingen.
Gods Sone (fchzijft een Dan den geleerden) J°- Fr:
heeft alle fijn goeden tot des meníchen fone
gebraght. Een ander ſchrijft dat de menfche
|Chriftus Godts adoptivusfilius Dat is Godts Je: Po.
aengenomen of toegewenfchte fane geweeſt is.
Gen ander fchzijf& dat de eene natuere in Chri- wot,
ſto gantfch Godtlijck geweeft is, ende díe Mar
tweede natuere half Godlijck en half menſch-
lijck. Sommige ſchzijven / de Godtlijcke nae-
tuere hebbe mede geleden. Sommige feggen ——
ende fchzijven/ hy hebbe alleene inde men{che- geleerden.
lijcke ende niet inde Godtlijcke natuere gele-
den. Micron fept/ dat Marien bloet in haer Merckt glo-
Bun OR (op dat ba maght berfocht 5 ende
4 den doodt ſoude onderwogpen oft ſchuldigh
desdoots. 3 iu, ,
Syp fetten hare gantfche Saligheyt in een
aertích fontlijck Creatuer van Adams onrey-
ne fontlijeke-zaedt, en maecken Chꝛiſtuin
Onfe weder. Jeſum niet alleen tot Adams / Abzahams
partyenter- ENDE Dabids ſontlijcke ende doodtfchuldige |
ten hare vleeſch / maer oock cot een openbaer Hepden
—— unt Den Hepydenen / namelijck / een Sbrier
demezacten URE De dorhteren Betuels ende Labans /
vleefch. Gen. 24,41. 29.18, tet een Cananiter upt
maegdelijcke buyck in onfen vleefch te famen lehg zen
geronnen is, dat Chriftus vleefch van onfen de” *
vleeſche is, ende alhoewel hy van der Aerden
ende Adams zadeis; dat hy evenwel om fom=
mige eerlicke conditien ‘wille Hemelſch ge-
noemt wort ‚ ende alfulcke Anatematiſche
woorden / ende ongerijmde engen gedachte
glofen en grouwelen meer / daer van al te far
men niet een eenigh letter inde gantfche fchzift
bevonden en Wogt.
Ist niet een bedzoeft jammer / jae fimerte
Onfe weder“ Rahab / Cot een Moabiter upt Nuth / jende heeten leedt / datmen met alfulckte on:
partyen ma
Pen oock Jiatth, 1. 5. Ende tot een Amoniter upt
Chriftum tot de Moeder Roboams / des Soons Salomons, |
een Heyden. 3. Neg. cap. 14. DES 21.
Sy maechen eenen Creatueriſchen men⸗
ools weder- ſche ban Adams onrepne ſontijclie bleefcty en⸗
partyen noe- De zaet / (ſegge ick) tat haer genaden ſtoel
men Chr cude Soen-offer/ tot haer Laoge-Priefter / |
Sone Godts, Middelaer / Advocaet / Doorbidder / ende
maerval- Derfener / naemen hem valfchelijckten Den
fchelijck. Sone Godts te Zijn. Icli ſegge valſchelije⸗
Ken / Want fn bekennen opentlijcken / dat hy
geenen vader gehadt heeft. Heeten hem haz
ven Hecre ende Godt / feggen ende fchpijven
evenwel dat hy van der Aerden ende niet van-
den Hemelis, Sp aenbidden/ eeren / ende Diez
neu hem gelijck fp Den Dader felbe doen f
@ grouwel! |
Onfeweder- Di Delen ende bzelien de gantſche ſehrift
partyen bre“ om Dat fn dat getupgeniffe Idannis niet ge:
Che SEE fooven/ Dattet woogt bleeſch geworden is. Sp
5 vervalſchen alle de heldere klare bekenteuiffen
reyne dreckige voeten / ín alfulkke ſchoone blin⸗
kende wateren ſwemmen / ende de edele klaz
te Sonne der gevechtighept met alfulk een afz
geondifchen wafem der Antichziſtiſcher val⸗ Apoc-s. zw
cher leere fo Deerlijkken verdupſteren ende bez
decken fal, Ende Dat al t’famen upt anders
genen gtont noch oopfaclie/ Dan dat ſy haet
op Joannes ende des Engelg getupgeniſſen
níet verlaten en Doven. Des Uimachtigen
Daders ſtercke kracht niet en geloven. Ul Aert de
oorfake,
le nader natueren ende niet na der Schrift waecom wy
richten. Ende Dat fn Marie meer toe veecz in defe leece
(kenen) alg een vechte Ware moeder na Des ——
Heeren engen opdeninge ende woort behoort orden .·
oft toeltome.
Waer vpt dan geweldelijcken volght / jae
nae Yoannís leere ende getupgeniite Maer
en openbaer is / Dat fin (eplacen) noch Dader
noch Sone en hebben want wie Ben Sone ber: „21E —*
loochent / en heeft ook den vader niet 1. foar. ende belofie
2. 22. Dat de toozne Godts op haer blijft / en van, onfer
ban Gen Engel Gods / banden Dader ende | Dat leben miet fien en fullen/ Want fp en gela Med erPar-
yen geloove
Ehzifto felve / van Joanne den Dooper) ban ven niet in den naem Des eenigen geboren ende iere,
Soons
es
—
Tegen Matten Mictoù:
Soons Godts / Joan. 3. 36. moeten ín hare {Verde ín den beginne gegrandeett ende de Der P:o-
—— ſterven / fen fen gelooven níet Dat | Hemelen gemaecht heeft / Hel. 1. ro. Onfe ——
hp't is / Joan 8. 24. Overwinnen de Berat nieuwe ende geeftelijcke Salomon / op Den van Chritó
niet/ 5 Ja. 5. 5. zijn oock in God niet/ noch nieuwen Beefteljcken ſtoel in dat neuwe ——
God ín haer / want fp bekennen niet dat Geeſtelijcke Wijck ende Wegiment Davids / —
Feſus de Sone Godtgis/ 1 Gaan. 3. ge⸗ Eſai. 9. 5. Lüce 1. 28. Godts waerachtige ass, „a
m̃ck meer alg genoegh gefepbt ig. Och hoe Soone feg ick fijng Daders halben Luce 1. zaie ende
goet waer ’tdat fp ame lieden toefagen/ende | 28- Abrahams ende Davids fone/ fijng ——
Theiſtum den Bone Godts recht bekenden / |moederg halben / een eenigh ongedeplt ſone ven on-
ende fijnen behoorlgcken Godlijcken prijs Godts ende Marie van den Dader uptge⸗ gedeelt per-
ende eeve vecht geven konden ! gaen / goan. 16.28, Dan den Hemel (feg ick lonende
* noch eenmael) nedergedaelt Yoan. 6. 32. onge pavids
Onfe gront ende geloove van Chrifto Epheſ. 4. 10. In MAariaontfangen / Matt.
Jeſu den Soone Godts, met fijn 1.18, Tuce 1.31. Goa. 1. 14. Gen waerach⸗
eygentlijcke inhout, vrucht,
eynde ende belofte.
tigh mrenfche apt haer geboren Luce 2. 7.
Gal.4. 4. Ons bedzoefde Adams Kinderen
O Nſe gront ende geloove is / ende dat na (ín allen gelijck / eb. 2. 14. de fonde uptges
aenwijfinge vau de gantfehe Schzift in nomen / Webs. 5. 2. Heeft gehongert ende
Pegehele De liracht ende waerhent datde geheele Chri⸗ gegeten / gedorftet ende gedzonchien/(g moede
Chriftusis ſtus Jeſus ſienlijck ende onfienlijck / ban geworden /ende heeft gevuft/ Koa. 4. 6. eeft Chrittusis
de ware fone finmeu ende ban bupten/ frerfijck ende on- (em ft gelaet bewefen alg een ander meu- ons gelijck.
Revflijck/ de eerfte geborene ende eenige ſche / Phil. z. 7. de Wet he:ft hn vooz ons vole Keje
geborene engen Soone Godts ig / Heb. 1. 6. | braghe/ Matt. 5.17. Hom. 8. 3. Epheſ. 2. 13. oyigenomen
€foan. 1. 14.3. 18. 1 Goan. 4. zo. ende Fam. Coloſſ. 2.13. Dat berdoolde Schaep gefocht/
8. 32. gelijck hem De Engel / Joannes De | Ezech. 34-23. Matt. 13.11. Dat Wijte Gods Chriftus
Dooper / de Wpoftelen/ ende De geheele geleert Matth. 4. 17. Sijn ſendinge met on⸗ Heert de wer
Schzift bekent hebben. Dat onbevindelijcke gehoorde groote teeekenen ende Wonder: volbraght.
teuwíige Wooyde / daet alle dingen Doo? gez | werckien bebeftight / Goan. 2. 11. Cnde ig
ſchapen zijn Genef. 1. 1. Pfal. 33.6. Joan. | alfoa ten laet ſten Den bitteren Doodtonfehuk
dl r. 3. ín oibebindelijcker wíjfe van Den hemel digh beog ong ſchuldigen (Doe wp nach God: Chriftus is
„Wendt pergekomen; Gaan.3.13.8/23/ 16/28.|Deloog ende bpanden Waren) geſtozven / fnaren ges
Hemel geke- 1 Cop. 15.47. Ephef-4- ro. ende dooz Kzacht | tio. 5. 8. Weeft ong alfa met fijn engen/1 Goa. gorven.
men. ban den hepligen geeft / / Matth. 1. 20. in 1.7. ende niet met een vzeemdt bloet / gez
Aearia de kupffcheFonkbzouwe/díe een man Locht / geheplight ende gerepnight / 1 Petr,
bant huns en geflachte Davids vertrouwt 1. 19. Hebz · 9. 12. ende met Bodt fijnen Da- Chriftus
was / met namen Joſeph Tuc. 1-23-boven Der berfoent/ Epheſ. 2. 15. Col. 1. 15. Ja tot heef ons
aller Menſchen bearijp menfche gewoz⸗ Koningen ende Pzieſters gemaecht/ 1 Petr. bloet vern
den Goan. 1. 14. a Dat felve geworden 2.9. Apoc. 1/ 6/ 5/10. Ban deg daots banden Lent.
B ere 5 pleefciy in haer geneteect /gewaffen / ende tot is hp ontbonden ende vezreſen Matth. 28.6.
vlees gewor- fifnder tifdt upt haer geboren Form. x. 3. ‚Mare. 16. 6. Luce. 24, 4. Goan. zo. Epl. r. Chriflus is
weder henen
en Gala. 4-4 Gen eenigh ongedepldt perſoon /
Soon / ende Chriſtus. Godts ware natuer:
lijcke epgen Soone) fijns herkomſts ende
pegchete Leſens halven: ende Marie ovecnatuerlijke
Chritusis oane) fijnder ontfanckeniſſen halven. Ick
Godts na- fegge obernatuerlijcke: baant fp upt geens
tuerlijcke meuſchen zade dao? vermenginge ín der naez
Ende Marie pee MPAA
overnatuer- tuteren gebzupelt gefchict en ís. Luc. 1. zo.
lijckeSone. Abzahaum / Gfaac/ Facob/ Gude ende David
belooft / dat he upt haer geflachte geboren Godt fijnen Dader gewozden. Onſe Heere
foude worden / Ben. 12. 3/18/ 18/ 22/ 18/26)
4}28/ 14/49 | 1o/ 2Wcq.7- 12. alg oockt gez
fchiet ig / Vom. 1. 3.9.5. Matth. 1.18. Luc.
2.7. 3-23. 2 Timothy. 2. 8. Waerom hp oock
Davids gerechte fprupte ende plante / Fer-|vicufe hooge Haem aenbidden / vzeeſen eeren
23.6. he Een bloem upc Jeſſe / Eat. ende Dienen / Dan wp den Bader ſelfs doen / …
rr. De vzucht van Davids lendenen bp
Ehriftus na Den letterlijcken Salomon afgebeelt / 2 Beg.
den vleefche 7. 12. 3 Vicq. 5.5. 1I Paral. 23. 9. Pſalm 89.
uyt Davids 37. @ock fijng moeders Joſephs brouwen
—— halven / Matth. 1. 16. Tuce 3. 23. in Der
Dehrift genoemt wordt / Act. 2. zo. Onſe
odt/ eeuwige Vader / Eſaie 9. 5. Onfe gevallen zijn / Genef. 3.6.) met haer gant⸗ woort ge⸗
—— * 5/8/10. Matth. 1.23. ſche zaet daor Datfelfde woordt; midts fijn Chapen zijns
onſe Godt / Efai. 4o. 3. De Heere (Jehoba)
onſe Gerechtige / Her. 23/6/33/16. De
wijsheydt Godts / Pzob. 8. 12. Bar. 3. 36.
Davids Heere / Pſal. 110. 1. De Deere /
ſterck ban krachten / Pſalm 24, 8. Diede
twonderlijcke raeigeber / Kracht / ſtercke bers 27. Dat hy haer oock nu alfaa (na dat fn n xo Ki
|
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
(ao. 1 Pet. 1.31. Tot. fijnen Bader weder op” gevaren dact
(gebaren / Marc. 16. 19. Actoz. 1. Daer hp te hy te voren
boren was /Foan. 6. ó2.endeig alfoo in dat “**
voozkomen van fijn onſchuldige roode bloet /
Aom.3.25. onſe eenige ende eeuwige Paogen- cans
Priefter/ Web. 3. 1. 5. 1. 6. 20. 7. 23. 8. 1. 9. onte Hooge
II, 10. 12. Pooꝛbidder / Nom. 8. 27. Hebz. 7. Priefter wid-
24. Widdelace/1 Cim 2. 5. Advocaet/ Gea.
2.1. ende Berſoener / Hebr. 9. 11. 12. 24. bp
ende Godt / Joan. 20. 28. Dien Wp am fijn:
Der onbegrijpelijker grooter lief den ende wel⸗
daets Wille niet wepniger in onſe zwackhept
pzijſen ende dancken / uiet wepniger fijn glo⸗
Joan. ) ntb — bidden eeren
Wy bekennen ende gelooven / gelijck De erac dienen
Almachtige ceuwige Dader Booz Chriſtum / Chritum —4
fijn Almachtigh eeũwigh waozt/Wdam ende Piet werni= HIN
gerals wp
Evba upt enckel genade ende kiefde in 't den vader
Geginne gefchapen heeft / Genef. cap. r. doen. |
dort t
oock door
Joan. 1. 14 vpt enchel genade ende liefde woord:
weBerom opgerecht/ ende boog fijne kinde⸗ weder op
ten_aengenoomen beeft. Op Dat wap io
Godt boo? fijn genade dooz fijn Wooꝛdt vallen zij;
add oft
Almachtige kracht menfche nu gewozden / “leo zija wy
ml ——
578 Menno Symons Verantwoordinge,
„ oft Sone / ende niet doo? Adams ſondelijcke een Antichziſtiſche verlendinge / ende der
| bleefch (*t welck fp zijn) dancken ende prijſen ouden flangen bedzogh is. Ende dat onfen
fulten eeuwighlijck. — grondt ende geloobe / daer Wp (eplacen) ſoo
| genver. ¶ Ende fiet met alſoo een bekenteniſſe blijft veele om hooren ende lijden moeten / De va⸗
| valfchte De gantſcheSchrift in defen deel ongebzoken/ | ſte onbeweeghljcke / ja onverwinlijcke belg
| schrift noch ongegtofeert ende onberandert. Cen Gn: | ende ſteen Des eeuwigen waerhepdts is / |
eet conbenient/ glofe/ noch vervaiſchſte fpzeucke | Die De H. Apoftelen ende Pzopbeeten / met 2 Thet
nietbevon- en wozt'er niet gehoopt noch gebonden / |t famen alle bzoome getupgen Godts enigs
den, gelijckmen in de bekenteniffe ban onfe jin De eerfte onverdogvene Kercke / al eer De poerentenile
tegenfteijderg (eplacen) aen allen Kanten menfche Der fonden in Godts Tempel tradt nier verdia
doen maah. ende fitten ginck / díe deſen grondt niet lijden 6es.
De Anmachtige eeuwige Godt houdt | en kan/ noch magb/gelijckmen/ 1 Goa. 2.22.
fijnen roem ende eere alleene / ſegh ick / | 4» 3- ende 2 Goan. 1. 7. fien magh/ aldus
doo? fijn woort oft Hone. De Dader blijft De | met ons beleden ende bekent hebben.
waerachtige Vader des geheelen Chaiftí/ De Een eenigh ſchzift (ſegh felt) en Wort er
moeder de waerachtige moeder / ende De van ong niet gebzoken noch verbalſcht.
Done de waerachtige Soone / bepde fijns | Een gloſe en wozt'er níet gemaeckt. Een
Daders ende fijns moeders / Die ban boven | Inconvenient en maghmer niet uptflupten /
| is / ende niet ban beneden / die van Den Wemel [bet ís De heldere klare Schrift / ende grondt
| is ende niet ban Der Werden / reyn upt Den der Scheift/ die Wp Den lefer voorleggen /
| reynen Goùt/een eenigh Soon ende perſoon / gelijck gp met uwen handen taften/ ende
de Gewelt hebber ende heere deg Hemels en | met uwen oogen fien meught. *
de der Aerden / de Salighmaker der gant Ende hoewel u nu deſe onſe genwijſinge
fcher Werelt / daer alle tegenwaopdige ende | na onfen bedencken wel meet als genoegh
oock tockomftige beloften ín berbact liggen / |'ware/ ſoo willen Wp noch evenwel tot
beffaoten ende vervult zijn / ende oockt Doo; overvloet / met een onWwederfpzeeckelijcken
gegeven ende ontfangen worden / fijn aen- kracht Der Hepliger Godtlijeker cheift /
biddelijchke / Heerltjcke ende hooge Name zp |ende oock met Dat aogenfchijntijcke Werck
pzjs in eeuwighept / Amen, der Oꝛdinantien ende Scheppingen
ile Die nu Dit Wonderlijke hooge Godts tn bolder Klaechepdt aen wijfen /
weren der onuptfprekelicker grooter liefden hoe dattet genercerlijck zaedt daer op
| Godts in der waerhent aldus gelaoben kon: haer gantfche fondament ſtaet niet bj
| nen / ende konnen Chziſtum Jeſum voor de |den brouwen) maer bp den mannen is /
| waerachtige Soone deg waerachtigen ende met noch ſommige andere noodtwendige ats
—— lebendigen Godts met Derne * de — —— Be eere als — che
pls díe hebben bep: ſche grandt ende
den bef amel Sch en Zone / ; keleon | ja alg Antichriſtiſch ende vervoe⸗
ano de den Wader ende Den Sone / 1 Goan. 2. [te
—— 23. Sp overwinnen de Werelde/ Goan. riſch voor allen Gobdtvzuchtigen ende recht⸗
— * in ín Godt ende Godt is in haer / verſtandigen moet ondergaen / ende de onſe
—— Ere Sp zijn ban den toorne Gods als Euangelifch / krachtigh / ja alg hepl⸗
gebzijdt / ende hebben Dat eeuwige leeven / ſaem ende Godtlijck gevichtet ende bekent
want fn bekennen de ficenge rechtveerdig⸗ wozden; wie Godt bzeeft/ Denche na Wat
hept ende De berdiende toorn Die daor Ndamg | wo ſchriven.
ongcehoozfaembhepdt over Adam ende alle dl
fijne nakomelingen gekomen twas. Dꝛeeſe | Dat het genereerlijck zaet by den Mannen
Derhalven Godt/ begraven hare ſonden / is, ende niet by den Vrouwen, op de
ende keeren haer van ’tboofeaf. Bekennen fpreucke : van welcken gegenereert |
| oock ín gelcker maten De onuptfpgeeckie: is Jefus ‚die genoemt wort Chri- |
| m̃cke liefde Godts / foo rijckelijcken in Chri⸗ ftus, Matth. 1. 16.
Aeſu bewefen neven ong. Creden der:
— Chꝛiſto ín Dat nieuwe leben / No. fe woorden / Matt. 1.16. fet Micron va
6. 4. Want fp gelooben ſegh ick in Den JAame (fao my dunckt) wel vooz dat ſterck⸗ 15 onter ce-
des eenigen gedoren Soons Gods / Jou.z. 18. ſte ende voornaemelijckſte Argument fijn- —
| Eerfame Hefer / fiet vooz u / in oprech⸗ der gantfcher leere / aengaende defen Atie reucke.
| ter frouwer Ifefden waerſrhouwe ick u/|kel ban de menfchwerdinge Chriſti. Ende
| want ’t gelt u dat eeuwige leben / oft den | Dat ín alfa een verſtant / dat het woort nieten
eeuwigen doodt / ſoo gp nu niet gantfch ber: foude vleefch geworden zijn ‚ gelijk Joannes
| | piedoor hlint en zijt / foo moet gt immers door dít ſepdt | maer dattet een volkomen menfch
VAR EL 1 Il | alle defen groote bebzogh / dat Micron ín fijn verhael met lijf ende zicle door genereeringe (q@s
NN | senwijle _ gebaupcht heeft ende upt deſe vry). berfchep: |l zp 't verbloemen van Marien vleefch ende
MOENS | Ean denbeden / rib. Scheiftelooſe bekentenif- {bloet aengenomen, ende hem daer mede in
| wort * fen / uptleggingen ] omgerijmde glofen / ver⸗ een perfoon, gelijckt zy t gloſeren) vereenigt
HE mee zidlen balfchte ende verdzaepde ſcheiften / ende upt | heeft. kinine
| | weynigh deſe xiiij onoploſſelijcke laſterlijcke Incon⸗ Wil hem dan me
J achehgeft. _genjenten dat fijn ongefchicktheden met tſa⸗ op al fijn wijdtloopende fcheoen ober deſe
am men den rondt haerber bekenteniffen / ſpreucke / met Dit —* rf —
/ bie fc uw Gier ín grooter Klaechepdt fonder |eenvoudigh ende flecht a ug beantwoosden /
alfe valfchepdt aengewefen hebbe / leeren namelfjcken ; Boas ís oock gegenereert upt
mercken (hoe dat haren gantfchen grant ende Nahab maer van Wien” Hiet ban Salo⸗
geloobe aengaende deſen Artijckel niet dan mon: Obeth is genereert unt Buth / —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ban Wien t Miet
mon is gegenereert/upt Bath · Seba /
moet gp jae ſeggen: Want dattet
gefchiet is/ ig de Euangeliſt Matt
Merekt hoe Mijn getupge
dat onfe te-
genftrijders
met haer
fKerckargu- Wien? níet ban
sent na der jae feggen / Want dattet
g/ is de Engel deg alderhooghſten Luc. t.
Salomon / Boas ende
das / Obeth ende Salomon har
Schrift be-
faen mogen.
en Gede
Chriftus
Vader.
— gelijcken
eſus gegenereert un
Godt? Gp moeſt mp oock
í
31. mijn getupge-
Want gelijck
David /
ban Woar t
alfoo geſchiet /
re fonen / upt Nahab / Auch ende Bathſeba /
David Salo- gegenereert hebben /
mons Vader, Dabid / de Daders
gegenereect hebben /
Salomon / Boas ende
zijnde (ſegh ick) dieſe
ende Nahab / Auth ende
Bathſeba / de moeders zijnde / daer upt ſpſe
gegenereert hebben / alſoo heeft oock Godt
De Vader fijnen Soone Chriſtum menſche
nu gewozden / upt Maria gegenereert⸗ God
de Dader zijnde die
hem gegenereert heeft /
ende Maria de Moeder zijnde Daer upt
bp hem gegenereert heeft. Diet deſe onfe
kozte antwoordt ig ſtercker en klaerder / dan
atie geleerden philoſophie ende bercierde gla:
fen zijn / Die onder
den gantfchen Hemel
zijn. Dencltt nae/ oft Wp u niet vecht na Det
ſchrift en wijfen.
Ende nademael het dan openbaer is / dat
fp hare gantfche werck (ſegh ick) aldug
op defen grondt
bouwen / te weten / dat De
menfche Thriſtus van Marien zade foude
gegenereert — alg gehoort is / Waer unt
ende waer op (jp alle
gen / fcheift - Bzeechingen / berdzacpingen
ende kloeckte woorden maecken/ daer mede fijn
Ben armen flechten Leſer vaft betoo
hoop ick / dat door
haer glofen / uptleggin:
genade met alfoa sen kracht onde gewelt det
Pepliger Godtlijcker ſchrift / ende oock met
dat openbare biijckende werck der ozdinan:
tien Gods allen onpartijdiffchen beenuftigen n
Feferen te verklaten dat zu't oock met hoe Dat De mannen Een genereerlijck zaet
halven oogen moeten fien / hoe dattet gene-
reerlijck zaet daer van ende daer uyt dat
menfchelijcke geflachte beftaet ende verme-
nighvuldight wort;
by den vrouwen is
ín den laet ften hand
De valle bergaderin
by den mannen ende niet
‚ gelijck ooch Micron
el (alg verhaelt is) beo?
ge met goede Duptlijcke
wooden opentlijck beliende mact nu (epz
facen) alg een anbe
ſtandigh wanchelmoedig
man Wederom opgegeten / ende berfaccht /
alsmen fien magh.
Ick mil hier Dan Den cerfamen redelijcken
Leeſer louter om
Gadts Willen gebeden
hebben / alg ick oock eeumael alreede ges
daen hebbe / dat hu
mp Doch nieten verkee⸗
re/ dat ick defen gront aldug verhalen
moet. ®e hooghſte noot der ceren Chzifti
dzinght mp dat ick dat aldug Doen moet / na:
demael dattet onſe
rtegenſtrijders ſterckſte
gront is / daer alle hare vervoeringen aen⸗
gaende deſen Artijc
ende ſp Chriſto den Sone Gods een ſo groo⸗
ten fchande Daer meede aenkeeten,/ oock
meede foo meenige arme ziele / ja De gantſche
wijde werelt ín hare groote blinthept op:
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Tegen Marten Micron.
Salo-|houden. Wozde derhalven (feat ich) npt de
maer |liefde mijns Heeren Salighmaliers Chei—
ban wien? Niet ban Davids Immers ſti ende uwer armer zielen gebeelijchen
aifao | gedzongen / u deſen grondt met fcljziclien enz
heus / de beben blootelijciten te verklaren / op DAE %tonder
ge inder waerhendt ende kracht vecht grij⸗ afbreuck der
een ſoo grooten woozdt boeren / enchel Dzij
zant í8/ ende níet heter boor des Heeren
ant / alg dat vlag boog den bpere beftaen
an.
avondt / Bevi. 15.16, Heeft dockk / Deut. cap.
579
De nature
foude dit wel
leeren fwij-
en‚wanneer
eeren Chriftí
is oock; Chziſtus pen ende vaten meught / hae dat hate gant: enge onter
t Macria / maer ban | fche geondt ban de genereeringe upt Marien faigheyde
zade / Daer over fp hoop den onberftandigen zefchieden
jf⸗ moght.
Dat de mannen gencreerlijck zaet aen
haer hebben / ig ten eerften daer upt open:
baer / dat nan De fane Jude fijn zaet UPE onan ver-
onweerdighept opter aerden bergoat/gelijclte goot fijn
men/ Gen. 38. 9- van fijn leelijcke Daedt *c
leſen ende fien magt.
Een tweeden is ’'t oock daer upt open:
baer / dat Moſes fept : Wanneer een man
fijn zaet ín ben flaep ontgaet (mercht hu ſept germerrin-
een man) Die fal fijn gantfche vleeſch met ge des Mans
water baden ende fat onreyn zijn tot op den door eenen
nacht droem
33. vers 34e
Cen derden ig 't oock daer upt openbaer /
Dat Sapiens ſeydt: Ick ben oock cen ſterf⸗
felijck menſch gelijck de anderen / geboorten
van ’t geflachte deg eerſt gefchapen men⸗
fchen ende Ben gebeelder een vleeſch thien Meert oee
maenden lanck in ’t bloet te ſamen geconnen Mans sade
ban mang zade Die dooz luft ban bpflapen
gefchiedt Dap. 7.2.
Aen bierden ig ’t oock openbaer aen uw
epgen lichaem ende vleeſch foa gp anders
tot uwe manbate jaten geltamen zijt / dat
u ín het werelt ende weſen ſelfs leert / waer
veren / ſo mede Godt u ende allemang nae gemepner ssarche war
deg Weeren hulpe ende \fcheppinge dooz fijn benedictie in Delen gy aen wer-
(Deel beſchenckt ende begaeft heeft,
gen lichacm
Siet Daer hebt gp de heldere Klare ſchriften °°°“
meet t'famen uw eygen vleeſch / Die u in
alle klaerhepdt leeren ende aenwüſen /
hebben.
Nademael het dan Door de gantfche
Schrift ende oock mede Daoz 't Werelt open:
baer í8/ dat de mannen een genereerlijck
zaet hebben / als beweefen ig. Alſoo begeert
ich ín gelijchee maten / Dat oock Micron met
tlamen alle fijn gelijck gefinden / ong
nu mede een fpzeucke upt Der gantſcher
fchzift bewijfen willen / datter eenige vzou⸗
we Lan aenbeginne haet zaet vergooten /
oft haet epgen vleeſch Daer mede befinet
heeft / gelijck wp (ſegh ick) van den mannen
bier gedaen hebben /fo mogen Wp de fake wijz
der nadenken. Wy weten wel gewig Dat zp '€
nimmermeer doen en konnen: Want Wat watbey-
Det vꝛouwen befiettinge epgentlijcken is / den van
ende wat van haer bleefch heekomt/ We enge vrou-
ten fp felve op 't alderbefte. Pet wozdt wen komt
ooch / Agvit. capittel 15. berg 19. endeaen weet men
noch meer ander plaetſen
Kel ín vervatet liggen / | Schrift wel gemercht.
Cen tweeden is ’t oockt Daet upt opens
baer dattet genereerlijck zact bp Den mannen
ende níet bp den vzouwen en is / Dat De Pa⸗
triareh Guda/ Gen. 38.2. ende ſijn Bzoe⸗
ODD 2 des
: fond
Der Hepliger Schrift wel,
nn
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
580 Menno Symons Verantwoordinge;
Der Simeon Erod. 6. 13. Een pegelijck een genereerlijek zaet bp den mannen / ende níet
Cananitiſche vrouwe ten wijve gehadt hebs [bp den brouwen is / ende Dat Upt Defe klare
ben. Joſeph een Egyptiſche Gen. 41. 45.
Moſes een Midianitiſche / Ero. 2. 21. Ende
Aaron die upt den ſtamme Levi was / een
Jodiſche / Exod. 6.21. Alſoo oock Jojada
ſpreuclien der Schzift / gelijck De Heere
fprackt tot Abraham: Deſe en ſal uw Erf⸗
genaem niet zijn / maer Die van uw lijf koos
men fal (mercut hpfepdt van uw lijf) Die fal
de hooge Pzieſter Deg Ronincks Jorams uw erfgenaem zijn / Gen. 15. 4-
Dochter 2 Par. 22. 11. Soo nudan onfer
tegenfieijderg gront ende leere recht Ware /
Dat fp ín geenderlen wijſe en is / te weten /
Dat De oorzſpronck Der Kinderen immers
foo wel ban de moeders alg ban de bar
ders herkomen foude/ gelijck fp voozgeven /
fao moeftet fonder alle tegenfpreecken waet
zijn/ Dat Dat Galve vleeſch Der kinderen
„Haonfer Guda upt Zua Cananiítifch / Der kinde⸗
doseren, ten Simeon / upt de Cananitifche/ oock
foowaren Cananitiſch/ Der kinderen Joſeph upt de
—— rand Egyptiſch / Egpptifcl / der kinderen Moſi
geflachee, _ Hpt De Midianitiſche / Midinanitiſch / ende
vermengde Dat dat gantfche halve Priefterlijke geflachte
geleen eerftmael upt de vrouwe Aarons / ende ten
geweelh. tweedemael oock upt De Vrouwe Jojade /
Jodiſch moeft geweeftzijn. Waer ban niet
een letter ín de gantfche Schrift en ftact/
Dat die Priefterlijcke weerdighept oock mede
aen ’t geflachte Guda ftaen foude / Hebz.
cap. 7. berg 14.
Ten derden f8’t vocht openbaer dat het
genereerlijck zact bp den mannen / ende niet
bp den brouwen is / en dat upt 't geflacht-
regiſter Chziſti / Matth. 1. want fomen de
graden der uptlandifche brouwen die daer ín | 9
berhaelt worden / vecht waer neemt/ ſoo
moet na onſer tegenſtrijders leere gewel?
delijcken bolgen / Dat Ehziftug de Bone
Godts / ten eerften / een Goode upt
Den Goden / ten tweeden / een Syprier
upt der Syriſcher Hebecca/ ten Derden / noch
eenmael een Sprier / upt dee Sprifcher Lea /
‚ten bierden/ een Cananiter upt Nahab / ten
Naonfer bijfften een Moabiter upt Buth / ten feften
tegenftrij- een Amoniter / upt Maema demoeder Hoz
ders gront _boamsg / moeft geweeft sijn. Ende waren al:
Rus vijf dee- foo De vijf Deelen des menfchen Chꝛriſti Hen⸗
lenuytden Denfch geweeſt / de twee Deelen Syriſch /
Heydenen pee derde Cananítifch/ het vierde Moa⸗
ben. bítifch/ ende Get bijffte Amonitiſch / en war
re alfoo maer het fefte deel Abrahams geble⸗
ben: hoewel Dat hy / ende niet De boor
fepde Hepdenen / de belofte van dat gebene:
Dijde zaedt foa menighmael ontfangen had⸗
De / gelhckmen aen veel plaetfen in Genefis
mercken ende fien kan.
Wanneer Mmaer Wanneermen Dat genereertijck
men dat … zaet bp de baders laet / ende niet bp De maes
E k Berg, foo blijft Juda Simeon Simeon /
zaet by den
mannen laet, Jeſeph Joſeph / Moſes Moſes / ende Dat
foo gaen alle Pyyfefterlijcke geflachte Dat Priefterlijcke
— kt, De belofte gact recht poogt,
‘foo moeten fp ong evenwel deſen gronde
voort,
Dat geffachte ende de waerachtige namen
blifven bp Abraham / Iſaac / Iſratl / Gude
ende Vavid/ ende níet bp de Untlandiſche
geflachten/ hoewel haerder fommige Daer
aen alfoo gehouwet Waren / als geſepdt
ig. Ick mepne immers / Dat aile onz
pactijdifche veedelijche Leeſers alfulcke
anverdzacpde platte redeenen ende qchziften
wel berftaen konnen.
Cen vierden (B’t oock openbaer / Dattet
Itemn / Gek fal u feer doen waſſen / ende
icli fal u tot een groot bolck malien/ ende
Ytoningen fullen ban uw komen (mercht /
hp ſepdt Lan uw komen) Ben. 17. 6.
Stem / Agar baerde Abzaham (mercht
eene fone) ende Abraham noemde den Sone
die hem Agar merckt noch eenmael) baerde /
Iſmaẽël / Gen, 16. 15.
Item / Sara wert door het geloove mach⸗
tigh / dat zaet (verſtaet haers mang) te ont⸗
fangen ende dat te houden etc. Ende
daerom zijnder oock ex viro, Dat ig ban cez
nen Abzaham / ſoo ontaliicke veele nakoz
melingen gebooren alg De flerren aen den
Wemel / ende Dat zant bj der Zee is / Hebz.
Ir. II.
Item / Bara heeft ontfangen / ende rpenckt
heeft Abzaham een foone gebaert in haer vlijtighliic-
outhepdt/ Benef. cap. 21. vers 2. — —
Item / Levi Was noch in De lendenen ten mede-
ſijns Vaders (merckt) hy fepdt ín lendenen brengen.
fijns Daders / doe Melchiſedech Abzaham
te gemoete quam, Hebr. 7. 10.
tem / Aebecca werdt bevrucht ( metckt)
banden eenigen Iſaac onſen Dader/ Hom.
. TO.
Item / Weeft vzuchtbaer (ſprack de Hee⸗
re tot Jacob) ende vermenighvuldight u /
volk ende hopen vollis ſullen van vw komen /
(merckt ende Woningen ſullen unt uwe len:
denen komen / noch eenmael merckt) Gen.
35. Leeft oock / Ben. 29/ 11/ 30/ 1 36/ 5.
Item / alle De zielen Die upt Jacobs lendez
nen gekomen waren (merckt upt Jacobs
fendenen) waren t'ſebentigh / Exod «5.
Item / De dochteren Toths fepden tot
malkanderen: Komt / laet ong onfen Bader
Wijn te drincken geven / ende by hem flapen/
op dat Wp zacdt ban onfen Bader behouden /
merckt / Ben. 19. 32.
Item / Wanneer eenn vrouwe / alg fp zaedt
ontfangen beeft (merckt) een knechtken
baert / Leb. 12. 2.
Itein / de man is niet ban der bzouwen /
maer de vrouwe is ban Den man. Ende gelijkt
de vrouwe ban Den man is / alfoo komt oock
de man Door de vzouwe / 1 Co. cap. 1r-7.
Item / ín ’t bloet te famen geronnen ban
mans 3zade/ Sap. 7.2.
Diet weerde Hefer / hoe wel dat onſe tes t Betuye
genfivijderg met blinden oogen tegen deſe der Schriften.
ende Defer gelijcke klare Schziften daer ban
de gantfche Wpbel vol is / aenloopen /
ongebzoocken Gouden latcu / te Weten /
dat de oorſpzonck oft materie der kinderen
van dee Daderen lijven ende lendenen her⸗
komt. Dat de brouwen ban De mang zijn /
bat De moederg Lan haerder mannen
zaedt bebzucht wozden / dat de bzucht ín
deg moederg bloet te famen rent ban ded
baders zacde / ende Dat alfaa de moederg dens
baders hare Kinderen baten / gelijch F
eſe
defe aengetogene Schziften klaer ende plat
genoegh gehoozt 18.
Een bijfften 8 ’t oock openbaer / dat het
geneerlickt zaet bp den mannen is / ende niet
bp den brouwen / ende Dat upt de verholent⸗
hendt oft alle glorie Die Pautus ban Chꝛiſto
ende fijn Gemepnte aenwijft/ Eph. 5. 23-
Want gelijck Ehziſtus onſe geeftelijche Das
der / Cfai.o.5. Hebz. 2.13. fijn geeſtelijcke
kinderen door De pzedicatie / overmits De
kracht fijns Heyligen Geeſts / upt fijn geeſte⸗
licke zact/ fijn wodrt / Luc. 8. 11. bis fijn Gee⸗
flelijche vꝛouwe / oft doo? fijn Beeftelijche
brouwe/ welche De Gemeynte is / Goan. 3-
29. Apoc. 12. 6. genereert. Ende deſe ſelfde
Geeftelijcke vrouwe oock geen ander Gee:
ſtelijck zact der Geeſtelijcker genevatien aen
haer en heeft / dan alleene Dat fp van haren
Geeftelijcken Man ontfanght. Alſoo gene:
teert oock een natuerlijck man fijne natuer⸗
Ice kinderen / bp fijn natuerlijcke oft
dao? fijn natuerlijcke vrouwe) Daer mede
be ím’t huwelijck na Godts ordinantie
beveenight / ende eens is / upt fijn natuer⸗
pe natuer- lijck zaet Dat hem door Godts fegenín:
lijckeman ge daer tac gegeven is/ Ben. 2. 21. 9. 1.
lickeregi Cnde de felve natuerlijcke bzouwe en beeft /
ment, met oock anderg geen natuerlijck zaet Der na:
fijn natuer- tuerlijcker generatien aen haer / Dan dat fp |
lijcke vor gan haren natuerlicken man ontfangt / ge⸗
de Kinderen: lfclt De Geeftelijche vrouwe (feggeicit) ban
haren Geeftelijcken man / gelijckmen Doog
de gantfche ſchrift ende loop der opdimantien
Godts in alle klacthepde fpeuren ende fien
kan.
Cen ſeſten is't oockt openbaer Dat het
genereerlick zact ba den mannen is / en niet
bp den brouwen / ende dat unt de ſcheppinge
bepde deg mang ende Bes wyjfs / ende oock
mede upt Dat woorzdeken oft name) zaet:
want dat en kan van geen geleerden tegen
Semena Se- gefproochen wozden / oft zaet Wozt VAN zae⸗
miaando, pen alfoo genoemt / ende heet op het Gzieks
* pen om {perma op het Katijn (emen, ende op. het |
min pt Duntſch zaet / bepde Daer De bouw-acher /
ende ooclt dat bzouwelijche lijf mede bezaepdt
odt. 3
Hengefien het dan alſulcken zaet is / dat
men zaept alg gehoopt is / ende daerom oock
Zaeners zijn moeten Die’t zacpen / ende bez
guame ackerg oft plactfen daer men 't zaent
Defchep- ſo merckt nut de ſcheppinge ende geftalte —
pingevan bender deelen / namelijck Der mannen ende
ende vrouwe ger grouwen vechtende Wel acn/ ende gp
Eeen ons gulefe alg dan haeft meechen/ Wie de gene
wel. zijn bie daer zacpen/ ende wie de gene zijn |
Die bezacpt Worden /
lichteljclien deſes handelg eenen vechten
grondt Binden.
Ende alhoewel De felve aldus een onwe⸗
Deefpzekelijcke geondt is / ende De gelijchez
niffe van den Acker ende fijn Bezaeper onz
beftraffelick aen allen kanten na der Schaift
beftaet / gelijck gy fien mooght / foo en
magbfe evenwel nach ban Micron níet on?
gefchoffeect blijven / maer hp vraeght / waer
Chriftus
in ’r geefte-
lijcke regi-
ment, met
fijn geefte-
lijcke vrou-
we, zaet en-
de kinderen.
{
Tegen Marten Micron.
geneveerlijch zact bp den mannen 18 /
ende alfa fult gp oock,
Den
1
58
tegen hem gehandelt hebbe. Ende heeft het Micron
de goede man ſoo gantſch vergeten / dat hp b
foo menigh verkeerde leelijche glofe/ ber: ger tacmroo-
Draepinge ende vervalſchinge dee Schzift / vinge aen
upelegginge/ gelijck van de vereeninge der ©) { —
beyder Sonen, oft nataeren, van de eerlijc- bruyckt.
ke conditien, Ec. gemaecht heeft / Daer van
níet een eenigh Wetter in de gantſche fchzift
beroert en Wozt. Maer hoe fonde Ip mp pie ontrou-
mijn woort techt na dupden, Daer hp Deg we tezen,
imachtigen Daders ende fijns gebenedijz Les n°
den Soons/ Ga des Engelg ende al der trouwe te-
Apoftelen openbare Klare getupgeniffen ger de Men-
verdzaept / ende op eenen balfchen fin vers chen zijn-
keert heeft / alg gehoozt ís.
Pademael het dan niet anders neffens
de genereringe Der menfchen na der fchzift
en flaet/ van wy hier berklacct hebben /
foo waert wel goet / Dat onfe wederpactpen
Dat Woost waffet ende vermenighvuldight
ín Genef. 1. 28. met Wat klaerder oogen Die Gode
inſagen / ende gaven Den mannen / dar den wee:
mannen toebelhoogt / namelijck Dat zacpen, keeren —*
ende den brouwen / dat den vrouwen / ja ordinantie
dat den brouwen toebehoozt / nameiijch Dat —E woordt
ontfangen ende bucht dzagen / ende Defaec:
he níet alfoo onder ſtandighlijcken en dzeben /
alg oft fp bepde om te zacpen ban Boot
berozdineert waren / gelijck fp (eplacen) fons
der alle Schzift nu doen.
Mack waer ’t goet Dat za mede acnmerckkz
ten / Dat de zaeper alfoa lange vzuchtbaer
blijft met fijn zaet / als ha macht heeft om
te zaenen / ende Dat de acker (melcii De vzou⸗
We is) al boor de so Garen / oft daer ontrent
uotgebloept is / alhoewel fp bezaept wozdt /
ende bepde met Den anderen nach ín Get
werck ftaen.
Cen fevenden is't oock openbaer Dat et
ende
niet bp Den brouwen / ende Dat upt deſe onze
ſake / Want fo de vzouwen alfo een genereer⸗
lick zaet aen haer hadden / Daer van alſo
een menfchelijcke bzuche konde herkomen /
gelicht onſer wederpattpen gront ig! foa
waer't openbaer Dat de brouwen wel bey⸗
De De Laders ende moeders haerder kinde⸗
ten zijn mochten / ende Dat De mannen tot
dat Wercit der genereeringe alg Dan onnut Mmerckt wet
waren / navdemael De felbe bzouwen dat ge wat hier 8 -
neveerlijck zact/ Daer toe ooch Wat boer ſeyt wordt.
Dinge / ende alles aen haet hadden / daer
de bzuchten upt ontſpringen / waffchen ens
de geboren wozden / als gelhoort is. Een
pegelijelt denelie beplijck na/ dat Godts
ozdinautie niet te bergeefg enig. Ick hope
noch eenmael / Darmen immers alfulcke
plompe ende platte veden Wel bee ftaen kan.
Een achtften is't oock openbaer / dat het
genereerlicke zaet bp den mannen is / ende
niet bp Den brouwen / ende Dat upt deſe
oozfaecke. Want Wp Weten Waerachtigh/
dat Godt een gerechtigh Godt is / díe nies
mant ontecht doet / nach geen perfoonen
aen en fiet/ fp zijn dan mannen oft vzou⸗
wen / Daer ban De gantſche ſcherift vol ig.
noch defe gelijckeniffe inder fchzift ſtaet? Op | Ende het is openbaer / Dat de baders haer
dat hy fo wat hebbe, Dd. e hp
ben Hefer fufpeet maecke / hoe ick niet met
tee fehzife maer met veenuft ſonder fchzift
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
daer mede hp mp bp | kinderen níet Dan met enckel luſte en genez
teeven / ende dat ín kozter tijt / ende datſe
de moeders daer en tegen / na dat ſyſe al ont⸗
Ddddz fan⸗
Menno Symons Verantwoordinge;,
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Denektna fangen hebben / noch ontrent negen maen:
watmen den Tanck met foo overmaten beel fmerte
ierfeyt. ende Kkeanckheden ín hare vrouwelijke licha⸗
men Dragen / generen / ophouden / met pez
tijckel ban if ende leben baren / ende Daer
na oockt noch cen alfa langen tijdt ſungen /
repnígen/ alle hulpe ende Dienft bewijfen /
Ec. HNoch evenwel Wozt dat vecht Der kine
deren Den vaders ende niet den moeders dooz
De gantfche fchzift toegefchzeben/ alg men
fien mag.
Wanneer nu dan den oopfpronckt der kin-
deren alfo wel van den moeders ware, als
van den vaders, gelijck onfer wederpartpen
grondt is / foo foudet hem laten aenfien /
alg oft Godt de moederg in deſen Deel ber:
koztede / dat hp den acmen flaben hare kin:
deren alfoa ontkeerde / die haer alfa feet
fuer Worden / ende den Daders toefchzeine /
Díe daer ſo wepnigh mede bemoent zijn.
neoûde Hebben oock De oude vecht fchzijvers Dit
recht.fchrij- feloe aldug wel konnen inſien / dat fp een
vershebben kint ban eenen edelen Lader ende onedele
boek welge- Moeder geboren / evenwel dat Adel aenme:
fien. ten ende toefchzijven. Wederom een kint
ban cenen oncdelen Lader ende edele moeder
geboren / Dat felve benemen ende affchzijven.
Siet weerde Lefer/ hier hebt gp nu alle
defe koſtelijcke klare fpzeuche dee Hepliger
Schrift. Alle Defe onwederfpzekelijche ar⸗
gumenten ende reden der eerſter ſcheppin⸗
ge / ende oock mede Dat oogenfchijnlijcke
gebrupchelijke werck aen uwer bepber lichaz
men klacr ende plat boor uwen oogen gez
fielt/ hoe Dat ’et genereerlijcke zaet bp den
mannen {9 / ende níet bp den brouwen. Soo
ge nu noch feggen wildet / dat qp dat alfa
níet beeftaen en kondt/ fo ſegh ick Dat op
effen Doet / alg of eener fijn oogen op Den
klacen middagh toeflote / ende fcpde/ hoe
bp dat niet fien en konde / dat ’et dagh wa:
te. Want ick en Weet níet hoe men ’t u noch
klaerder oft platter aenwijfen foude / dan
wp hier gedaen hebben.
Ja ben deg wel feeckter ende gewiſſe / ſoo
alle onfe wederpartpen ſcherpe tongen / ende
alle hate hayren finrijche Schrijvers wa⸗
Al'tglofe- ten / dat fp ong evenwel deſen grandt moe:
ren met onfe ten aten houden / te Weten / dat 'et gene:
mederpen reerlijch zaet bp Den mannen ſtaet / ende
beenvrou- niet bp Den brouwen. Daft ende onveran⸗
me derlijck í9’t woordt met des Hepligen Geeft
en heett. epgen getupgeniffe bezegelt nt bloedt te
famen geronnen van mans zade / Sap. 7. 2.
Waer mede Dan klaer ende openbacr ís /
dat onfe Wederpartpen met alle hate glofen /
uptleggingen / berdzaepingen/ aennemin⸗
gen / vereeningen / eerlijcke conditie / ende
verbalſcheden ſchriften / door deſe onfe on:
wederſpreeckeltjcie aenwijſinge / ín den
gront al ter neder gelept overwonnen ende
fchziftloog betupgbt zijn / moeten ín hare
herten bekennen / dat fp Dat bolck met dat
geneteeren ban Marien zade bedzogen heb:
ben. Ende fo de menfche € hziftug ban Ma⸗
rien vleeſch ware / Dat Hyp alg dan of de fan-
guine menftruali, oft ban een ander drop⸗
een vbzouwen bloedt oft lidtmaet moeft gee
—— Worden / is klaerder alg den lichten
agh ig.
Hoe dat men dat Woordt vrouwen zaet ,
na der Schrift verftaen moet.
At nu Micron fehzifft/ dat oock den
vrouwen , Gen. 3.15. Muth. 4. 12/ Gc.
zaet toege-eygent wordt is Dit mijn befchepe
den antwoozdt / namelijck / gelijck het open:
baer is doo? Be gantfche fchaift dat et genez
reerlijck zaet bp den mannen / ende níet bp
Den brouwen is / cnde Dat de brouwen ban
den mannen bezaept zwanger worden / ende _ M
níet ban haer engen bleefch/ alſoo ig 't ooch eroers deer
ín gelfjcher maten openbaer/ Dat Dat ſelve ain vrouwe.
manlijche zaet/ niet tat eenigen waſdom
oft vruchten komen en kan / dan dooz fijn
behoorlijcke ende van Godt berepde middel /
nameſijck / Door De pzouwe: Gelijck ooci
eens Boumans zaet niet tot fijnen wafdom /
apren ende Vruchten komen en kan/ dan
dooz fijn behooglijcke cnde ban Godt beren:
De middel / namelijck Daog fijnen Bou-acker.
Ende gelijctt alg dan De opgewaffene |
bucht Die ban dat ſelve ingezaepde zaet des
Boumans door den Acker hechomt/ aockt wear
een zaet ende bucht deg Ackers genoemt Kinderen
wort / ende Dat oock metter waerhept / om een vrouwe
Dieg wille/ dat ’et anders na Gods ozdenin: rj er
ge ín Der natueren geen bzucht oft zact wor⸗ noemt: woce
den en konde / dan dooz den Acker. Alſoo den.
wozden oockt in gelijcher maten eens mang
kinderen / Die ban fijn (ngezaepde zaet dooz
fijn vrouwe herkomen / fijnder brouwen
zaet genoemt / ende Dat metter Waerhept
om Dies wille / dat'et tot geen bzuchten
komen en han/ Dan dooz fijn bzouwe alg
men fien magh.
Ende dat’et woozt zaet gemepnlijeken „Lac wert
alle tíjdt nakomelingen / kinderen / oft na: ———
geſlachte ín der Schzift genoemt wort / íg na geflachte
klaecder dan datmen daer beel woorden over in der Schrift
gebzuycken fal. Aldus ſprack Nbzaham °
tot den Heere : Öp en hebt mp geen zaet
gegeven / Geneſ. 15. 3. Abzaham en klaegh⸗
de níet ober 't ongeboten zaet dat ín hem
was / want dat hadde hp Wel / maer dat
was fijn klagen/ dat hem de Meere geen
kinderen daer ban gegeben en hadde.
Oock fepde Marie: Gelijk hp tot onfen
baderen gefepdt heeft / / Abraham ende fijnen
zade eeuwighlijck / Tuc. 1. sr. fp ſpzack't
van Abzahams na geflachte / ende niet ban
fijn zaet Dat in hem was / Want hp was
lange ontflapen.
Is Paulus geont ende mepninge níet
anders / Daer hp fept geboren upt den zade
Dabvids / dat ig upt den geflachte ende nas
komelingen Davids / Hom. 1. 3. 2 Cím,
2. 8. Want doen Paulus dat fepde/ was
David al lange weder ín Den ſtof gefkeert /
Daer van dat hp gekomen was / Actor. 2. 29.
och op een ander plaetfe fepdt hp: Pu
en neetnt nergeng de Engelen aen / maer
Abzahamg zact neemt hp acn/ namelijck /
ken bloets / oft fo Waer ban een Ban haren | fijn kinderen ende nakomelingen, welck aen⸗
lidtmaten moeft gefchapen zijn / fn Welcker
berftant hp dan geen brouwen zaet / maer
nemen tot aen ’t cpndedueten fal/ Heb. 2.16.
Item / Pathan tot David: Wanneer
nu
YVronwen
kinderen
zijnvrouwen gouwen Kinderen / nakomelingen / oft ge⸗
acer lieder mannen zaet
odts ontfangen / ende
oa tot fijnder tijdt van Chziſta overwonnen, Berftact mp vecht
wat ick ſchrijve.
aaet in der
Schrift ge-
heeten.
Thamâát
lijf komen fal. Doe ter tijt en was Salo⸗
mon noch niet geboren / alg David defe bez
lofte gegeben wert / 2 Neg.7. 12. 1 JAL. 23-9-
Hengefien het Dan meer als klaer 15 / hoe
dat’et genereerlijck
mannen is / ende nie
Schrift anders niet te feggen cn is / dan
flachte Die fp ban b
na de opdinantie G
míts det geboorten a
boortbrengen.
Ende daeromme was't / dat De bzienden
Boas tot hem fepden / doe hy den Kuth ver: ljcke Slange is gelijck fh oock is / met de
trouwen foude / u huns wert gebouwet als vervoeriſche Slange afgebeeldet/ fan moet
Dat hups van Peres /
baerde/ ban dat zaet (dat is Lan
ren) dat u De Heere Van deſe vzouwe geven
ſal Puth. 4 12. Welcke boogberoerde Tha⸗
mar als menſe nu om
de / alſoo ſende van den man kt ft
fept van den man) ben ick zwanger / die deſe daer upt fp
Gen. 38.25. Ende fiet Die alſulcke
dingen toehooren /
alſoo heeft Chama
zaet (ſegh ick) by Den
t by den vrouwen / als
gehoort fg. Ende het oock: fa klaer ís dat el
woordeken zaet ten meeftendeel alie tijt kin⸗
deren / nakomelingen oft geflachte in Det
ſchrift genoeint wort /
mede openbaer / dat'et
foo is't dock daer
brouwen zaet na det
Tegen Marten Micron.
nu uwen tijt benen wegh is / datgpu met ſegget ooclt noch / alg datmen m
uwen Vaderen flapen teght/ fa wil ick wike níet behalen en kan/ Dat
zaet verwecken (Dat is u fone die geboren genereerlijck zaet aen haer he
fal wozden / twant een doot menfche en heeft | gelijkt de berboerde Eva een letter lijche vrou⸗
geen geneveerlijcit zaet aen hem) Dat Van uwe was / a
Dlange een
Dupvel hem gelept hadde: W
fprack tot haer: Op u boeft fuit op gaen /
553
et deſe ſpreu⸗
de prouwen
bben/ Want
Letterlijck
foo was oock De berboerifche was de ver
voerde vrou⸗
letterlijche Slange / daer in De we, tetrer-
Want de Heere lijek was
oock de vete
voerifche
ende actBe ſult pn eten uleefdagen. Met aange.
welck de Dupbel (díe een Heeft is) alfoa niet
Doen en konde. Sal men nu Bat woorde
beontven zact alſoo op een genereetlijck zact
berftaen/ gelijck Micron doect/ foo moet
oock der Slangen zaet op ecn genereerlijckt
zact Berftaen Worden. Tuſſchen der bepden
dan de vpandtſchap alleene ſtaen moefte /
want dat eene zaet (om Dies Wille dat 'et
eenderlen name beeft) moet et ander bolz
gen ende geïijclt zijn. Ende in Die grondt
was oock de letterlijke Slange alleen ſſechts
Piet en tegen / foo de Slange een Geeftes
Dien Thamar Gude oock De vzouwe cen Geeftelijcke bzouwe
de kinder zijn / met De berboerde beouwe afgebeelt /
ende alſoo wederom het eene zaet Dat ander
volgen / ende gelijck zijn / Want foa de Slan⸗
te dooden leyden ſou⸗ ge GBeeftelijckt iS /
(merckt fin ſteljck/ namelijck De leugen / Loan. 8. 44.
(eplacen) alſulcke kinderen baert
vervoeriſche / leugenachtige /
foo is oock hact zaet Gees
rt Micron fijn fpzeucke | faemroovige/ eergierige / ende pactpdifche
beecken ſchrijven / gelijck Micron ende Her-
beantwoort ſeibe beantwoordt díe hp ong met Buth ban
Get brouwen zact boozwerpt. ·
egtem / Dac hy van Darafchzijft/ dat zy clver
hebbe, daer in (foo hp, Geeftelijck 8 / Eph. 5.25. Apac. 12.6. 19.7. waerheye
Alſos {8 oock haer zaet Geeſtelijck / name: Paert dese-
Micron
felve.
dat zaet geworpen
fept de gemepne Cranſlatien) / Hebr. rr.
Gd. 11. fouden te hort komen / fea
hert upt/ dat hp een openbaer verbalſcher
Der Pepliger Godtlijcher Schrift is
nach Schzift / noch natuere en leert'et / Dat ten / de W
mes hier gedaen hebben.
Deffelven gelijchken / gelijck De bouwe wyr ae 4
meynte de
ge ick bep lijck de waerhept / daer upt (Den Heere zp kinderen der
reeuwigh danck voor fijn genade) ſp alſulcke waerheyt.
is / want kinderen baert / die in de waerhent wande⸗ uſeben de
kinderen der
aerhendt van herten ſpreken / ende waerheyt
een brouwe Get zaet werpen foude. Jen, om de Waerhepdt alleene met La ende Jeen ende den
lefe Lutherum, de Zurifche, Era{mum Ro-
terdamum } Sebaftianum ‚ Caftalionem , met
t'ſamen alte de andere Die onſer een patt noch
wel cen Jaer of bier in De ſpraken oft ton⸗
gen leeren ſouden /
men vint by niemanden
alfulck een Cranſlatie / als Micron unt par⸗
tpe hier gemaeckt heeft. Alle wat hp nu oft
tot eenigen tijden Lan ’t vrouwen zaet noch
meer uptter Schzift opbzenght/ oft op:
breengen kan / heeft met dat boorgaende
effen een gelicht berftant / ende is biet al
mede beantwoozdt.
Van de fpreucke Genef. 3. 15. ick {al vyandt-
fchap fetten tuſſchen u ende een vrouwe ;
tuffchen u zaêtende haer zaet, &c.
Icron ſcheijft mp na / dat ick ſoude ge-
Meer: hebben , datmen dat zaet der vrou-
wen, Genef. 3. vers. 15. niet vleefchelijck na
den letter, maer alleenlijck naden Geeft ver-
{taen moet. Ick fegge Daer vecht upt neen
toe: Want het en
{8 mijn leefdagen mijn
mepninge alfao nopt geweeft/ dat ick Chri⸗
ſtum van deſe belofte hebbe Willen uptflup:
ten / maer heb Wel menighmael gefent/
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
gewilligh ín dert doot treden.
Ende fiet/ tuſſchen deſe bende fakten /
kinderen der
leugenen, is
een eeuwige
namelijck / tuffcheu de kinderen der waer⸗ vyandtfchap
hepdt / ende de finderen Der leugen / ffact “” Beije,
een eeuwigen fitijt. Dat zaet Der baanden rert wac
overwindt / ende Dat doo een oprecht baft aat hielen
geloove ín Chziſtelijcker verduldighendt met byren der
des Weeren Geeft ende Woordt. Maer het Hansen is.
meet evenwel foo overmaten veel beten ban
dat overwonnen ffangen zaet / noch in fijn
hielen lijden. Want haet name Wozt gez
laſtert haet Meere Wort gefchalden/ haet
leben tot ín den doot gehaet / haer goeden
gerooft / haer vleeſch berbzant oft berdzenkt /
ende moeten op dat feníjnige bijten des
bloct-fchuldigen zaets dagelijcks walken enz
de Wachten / gelijck ick ín mijnder zwack⸗
hepdt meer alg ban twintiah Paren herz
waerts / níet wepnigh onderfacht ende gez
boelt hebbe.
Siet) wanneer men’t ín alfoo een ver⸗
flant aenfiet / gelijck wp biet berklaert heb⸗
ben/ foo blijft Geeftelijck Geeftelijck/ ende
bleefchelijck bleefchelijck/ ende de Schrift
flaet ongebroken. Jac dat ick Daer mede
Chziſtum bunten defe belofte ſſunten ſoude
wi
|
|
Í
0
Chriftasis Wil mp de Heere hoor bewaren / want iclt
degantíche ben Door deg Peeten genade ſoo bezre ban
grachtdet hem al geleert / batick wel weet bat Chri⸗
SON ftug de Kracht / fa bat begin / middel ende
Chriftusis nde deſer gantſcher beloften is / ende aock
de man defer eeuwigh blijven ſal: want hp is de Geeſte⸗
vrouwen, lijcke Man van defe Geeftelijche vzouwe /
Chritus Goan. 3.6. Apoc 19.7. Epheſ. 5.25. Dijn
—* iet Wooꝛt isꝰt zaet Det brouwers / welck Wooꝛt
Stouwen. DP feibe is / gelijck hp tege : ick ben eer ftelijch
Chriftye dat felve dat ick met u fppeeche. Goat. 3. 25.
weenock Pp fprach ende leerde de Waerhepdt ende hp
tgeenedat Wag de waerhendt / Foan. 14. 6. Wi fpiack
hyleerde, ende leetde he Liefde / ende hp wag de liefde /
Chriftasis ! Joan. 4. Ee Somma / bp fpzach van de
de overwin- wijs hent / getechtigbept/hepligbept ende de
ner der lan- gerloffinge / ende hyp was feloe de Wijghepdt/
Bockwy gerechtighept/ beplighmaktnge ende de Gere
doerhem. loſſinge 1 €of. 1. 29.
Pp is alleene De bictoricufe Welt/ ende
triumpheerende Overwinner / met Defe
Woorden belooft) die Der Slangen haer
baoft voor ong beetreden heeft / ende oock
top ín berm ende Door hem alg Paulus fendt :
In allen Befen oberwinnen Wp doog hem die
ons beeft lief gehad / Wom. 8. 37. Ick ber:
maab’t alle/ fept ha op een ander plaetfe /
Booz Chziſtum / die mp ſterckt / Philip 4
13. Wie is t (fepdt Joannes) Die de Werelt
oberwint / dan die / díe daer gelooft, dat
Jeſus Godts Sone ig? 1 Joan. s. 5.
Menno Symons Verantwoordinge ;
winnen / noch Geelen / bpten / lijden ent kan. pencke ne
Ende dat een brouwen zaet / vrucht oft kint dat hier gen
gogfproncktijcken ban den Wader ig / ende ſeyt wore
niet van De moeder / is bobben met alfao een
kracht der H. Schift beweert / dactet oock
alle dwaelachtige balfche Schribenten ende
Pꝛedicanten / Die onder Den gantfchen He⸗
mel zijn / ong wel fallen ende moeten houden
laten / hoe ſubtijltjck fp oock de Schrift nere
Dzaetén/ ende De uprtleggingen haerder glas
fen te hoope Dragen konnen. Daft ffactct
woozt neffens Adams geneteringe im fijnen
kinderen / ín ’ bloet te ſamen geronnen ban
mangzade/ Sap.7. 2. Ende neffens Chzi⸗
ſtum / dat woort ig Dleeſch gewozden / Joa.
Ie 145
sit bier hebt gu nu onfe Schrift grondige
ende onwederfpzehelijctte antwaozt op alle
de ongegronde / wijtloopende / Sophiſtiſche /
en Keachteloofe Woozden / Die Micron ende
Hermes ín alie haet gantfche berbael ende
aenhanghſel bari det brouwen zaet roeren
ende opbzengen,
Hoe Dat nu de Godtfalige brouwen / Daer wat rutcke
ban Ip fchzijft / ende fijn beklachte aen doet / Leken be-
dit aldus niet fouden lijden konnen / en disi: 1
weet ick niet / nademael ick hare mannen oft zagen
bupg Weeren / welckerg eere alle deughde⸗
licke eerlijcke brouwen ban herten altijt geers
ne faeclten ende booeftaen / oock mede haer
felben een pegelijcken ín fijn ogdeninge ende
Aengeſien het dan upt allen Defen open} Deel opvechtelijcken met de mate deg eeuwi⸗
baer is / hoe Dat Chziſtus ende fijn Geeft /| gen waerhepts toe deple/ dat haer Godt de
Wooꝛt / wijshept/ waerhept / gerechtighept / Weete met fijn epgen woozt dooz dat werelt
beplighmakinge/ vzeede / verloffinge / ende) fijnder fcheppinge na fijn Godelijcke welbez
alle wat Chziftus ís / ende aen hem heeft hagen felve toegedeplt ende gegeven heeft /
Chriftus nimmermeer ín der Kracht ende waerhepdt | alg gehoozt ís.
endefija recht van malkanderen mogen gefchepden | _ Maer wat ſchande dat Micron alle eer⸗
woorten worden / maet Daer dat een is / Dat Daer
Serkracht Oort dat ander zijn moet / oft íclt dan den
niet gefchey- · menſche Chziftum Jeſum / daecinne dat de
den worden: gantfche ſomma onfer Saliahepdt begrepen
ſtaet / ban defe belofte uptflunte / ende ſegge
datmenſe alleene na den Geeft berftaen fal
(alhoewel dat de allegorie geeftelijchk ín hem
is) gelijck mp Mieron na ſchrift / en wil ick
níet Den Loormoemden Micron ende Her-
mes, maer den onpartijdifchen Leſer midts
Defen te bedenchen geven.
Is oock mijn verftant alle tijdt geweeſt /
Dat hp upt een Vzouwe hiet mede ong belaoft
was / ick heb't oock Wel fomtijtg in mijn
boecken alſoo aengetoogen / moet oock noch
evenwel deſe gewelt ban hem lijden / gelck
ick in fijn ſchzijven (eplacen) noch Wel meer
Doe. Weet oock niet waerom íclt dat tegen:
fpzeechen foude / nademael hp hier niet vpt
een man / die ’t zact heeft / maer upt een
vzouwe Die ’t níet en heeft belooft werdt.
Gelijck oock Eſai. 7. 15. vpt een Goncit-
lijcke brouwen doet / Dat hyfe met ſijn onge:
foute fclhzijven niet alleene tat vrouwen /
maet oock meede tot mannen maccht /
wil ick Daer Geruften laten. Ie geldt
noch fchenden noch fchelden/ her 15 mp gez
noegh dat iclt den grondt ong geloofs tot
des Geeren prijg betweere. Li moet mp
alfea bp Wijlen een nijdige ſteke Doen /
oft hu midts fulckg noch ſommige herten
wat meer over mp verbitteren ende de waer⸗
heydt met onfen feet gehateden name noch
wat hatelijcker ende leelijckier maecken
moghte.
Microns bekenteniſſe in fijn verhael, hoe dat
Chriftus Gods en des men{chen Sone is.
Efus Chriftus (ſchzijft hu) is genaemt Na Microns
Godts Soone, van wegen fijnder eeuwi- Sons moete
ger ende onbegrijpelijcker generatie uyt een man ges
Godt den Vader nae fijn Godtlijck we- weeft zijn:
ant
Lm BE
ee
——
fen: gelijckerwijs hy des menſchen Soone
omines
bzouwe. Waer unt men openbaetlijch leeren genoemt wordt om dat hy in de volheydt der is hier in 's
moet / Dat hp niet eeng flerflicken menfchen | tijdt na den vleefche , oft menfchelijcke nature apert
ontepne zaet maer Des Alderhooghſten van een menfche, namelijcken van Maria, *
Soone ſelbe zijn ſoude.
Yan oock Micron ín dat alderminſte met
Defe ſpreucke vrouwen zaet niet geholpen
afculini
neris,
gegenereert is, Matth. 1. Hæc ille. Denckt aa
Antwoozdt.
worden / om dieg wille / dat het na lupdt H Jer Wil ick den goethertigen Teeſer
aller Schrift niet anders / noch Wpder dan
kan een bzouwen kint te verſtaen is / ende
niet Dan een ongeboren zaet / dat nach ober:
upt geont mijns betten getrouwe⸗
lijck bermaent hebben / Dat hp dach deſe
mijn bolgende verantwoozdinge over
Microns
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Mictons bekenteniffe met cenften waer: Je qe
heme / ende met een open onpactijdifch| met t'famen dat oogenfchijnlicke gebzupek
(cks Doet / Dat hn door Godts genade on⸗
Tegen Marten Micron. 535
Cen tweeden ſegge ick / De gantfche fchjzift
dighlijck / dattet genereerlijcht zacdt bp
hie vecht aenmerckt /ícht hoope foo hp | ende menfchelijcke fcheppinge/ lecren gron:
u
er tegenſtrijders balfchepdt ende bedzogh den mannen ede nfet bp Den brouwen is /
haeſt ín opgedechter Klaerhepdt binden | heeft ’t aockt ín den laet fen handel opentlicit
ende fien fal. Ende Daer-en-tegen/ Dat alſoo met ong bekent/ alg gefent is / ſet nach …
De waerhepdt bp ons is / met bollen handen | evenwel/ dat de Meníche Chriftus van Marien gupberde
taften ende boelen ſal.
zade zy. Merclit ten tweeden fijn groote ongetadig-
Cen eevften ſegge ick / Wanneermen |ongeftadighepdt / ende hoe deerlijcken hp heytis alte
Microns beltenteniffe tegen ons metten mon: des Heere egen woozt (daer bp Wu alle lez
de / ende nu fijn fchrijben bp malkanderen | Len moeten) ende oock fijn onveranderlic:
Iepdt/ dat ha dan eben is / alg een gladde ke heplige opdeninge) fcheppinge / ende de
filbbevige Wel Die men bp den ſtaert vattet / gantſche natuere / Die in Defen Deel Gods
famen fepdt. Want doe ter tijt beltende hp | epgen werck is / Daer mede veronteert / bzeckt
meenighmael boo? allen / dat de gekruy{te | ende te ſchande maeckt. Die vernuft heeft /
Chriftus Jefus geen Vader oft naeſlte denckt na wat ick fchzifve.
Vader gehadt hadde, Doet’et oock noch
ín ſijnen fchzijven aen veel plaetfen.
Mierens Komt evenwel Wederom / ende fchzijfc ders maeckt, daer ban cen pegelick ec
bedrieghlic- (maer fonder alle Waerhepdt) hoedat fpjepgen bpfonder faon ban fijn epgen fub-
ke dobbel-
Cen Derden fegge ick / dat hy met Ddefe
groet.
Microù
fijn bekenteniffe twee berfchepden genereer: maeckt
n twee ver-
fcheyden
genereerders
* meenighmael met ong bekent hebben ſtantie na ſijnder gert / toc ſijnder tijdt gege: Chritti.
En Dat De Doorne Godts boor ong geftopven | neveect heeft/ namelijken/ God ende Maria!
is / hetig noch eenderlep liedeken / maer hp {ende Dat op defe Wijte / Godt Die cen Geeft
finght’et boor den onberftandigen/ ende
wepnigh op een beter wijfe. Want het fou
de al te leelijck lupden dat men den gekrup⸗
ften Chriſtum Jeſum alfoo plat ende plomp
verſaecken foude / ende feggen dat hu
geen Dader gehadt en hadde / gelijck hp
bp ons dede.
\Diehaer Immers cn weet íclt níet Wat ick ban
van aldufda-
defen Menſch ſeggen oft dencken fal: nu ig
vers Be Menſche Chriſtus de Soone Godts / dan
bedriegen is ha't niet: nu ís Bodt fijn Wader / dan
laten, wilten
Rebe- heeft hyp geen Dader gehadt.
— ſcheijft openbaer Dat Chriſtus Menſch, die
moetmea voor ons geftorven is, niet van Godt, maer
van Marien zade, gegenereert is ende dat
hy geen Vader géhadt en heeft. Is bn dan
alfao ban Marien zade / ende níet ban
Godt gegenereert / ende heeft hp geen Dader
Microns _ gehadt gelijclt hp fepdt/ fa (9 ’c immers open:
—— baer geloogen / ja encliel valſchendt ende
gan cer © bedrogh / dat hu ſendt dat de Soone Godts
immers
feggen.
Want hp
valsheyten- 900? ong geftorben is: ja Wanneermen fijn
de bedrogh. gerftandt ſchoon op ’t aldercupmfte nemen
ſal foo en kan bp noch níet meet dan een
aengenoomen of genoemde Soone ſonder
waerhepdt zijn / hy gloſere oock De falke hoe
bp glofere.
Oft dit een eenvoudige ende
flechte reden Det waerkhendt/ oft een dubbelt /
bewimpelt ende dunſter Woozdt der leugen
zy / wil elk Den onpartidiſchen Weefer te
bedencken geben.
Wier mercht nuu ten eerſten fijn ſeer groo⸗
te dubbelhepdt/ met ’t famen de onform:
lijcite / Wanchelmacdige /
lichtveerdige
gront ſijner leere ende ſijn ondzaeghlijcke
zware dwalinge / dat hy leert Dat de gez
keupfte Chziſtus Fefug niet Godts epgen
waetachtige Soone / maet flechts cen
genoemde Saone geweeft is / alg gehoozt
ís. Immers weet íclt niet / hoemen ’t
fchandelijchker oft leelicker maecken kan.
Noch evenwel is ’t al een goet Keeract en:
be Schrijver / ende dat am des Wille dat
be den ouden ketter Menno (hoewel met
openbare leugenen) alſoo fijn uptgeftcekken
ende beſchildert heeft.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
is / heeft ban eeuwighept een ſoone unt hemm
gegenereert / Die geeſtelijcki / opſichtelijck /
onlepdelijck / ende Godt van cenwigbept gez
weeft ig. Ende Maria die cen menſche was
heeft cent ſone inder tije ban haer zaet gegenez
rrert / Die vlreſchelijck / fichtelicht / Indelijck
ende tijdelijclt geweeft is. Sict/ Dat is de cp:
gentlijcke fin ende mepninge van alle hare
glofen ende uptlegginge / Die ſy ober deſe tale
maken/ maer fp bedechken ’t bao? den een bouz
digen met hare bercierde bedachte Woorden /
opdat fn Die leelijckheyt en grouwel {a niet
Micron
merken cn founden. Ende daerom moeten Wp bedeckt Ajn
u hact bedzogh ín goede klaerheyt aenwijfen, leeliicke
op dat gu dat eenmael recht fiet / ende u alfo
gront net
íchoone
deg te beter Daer boor hoeden ende Wachten. woosden
kont. Oft nu ín deſe fijn bekenteniſſe nict
ende vals-
che bekens
twee berfchepden perſonen ende fonen en zijn ceniaca.
daer ban De eene Godlijk ende de ander men:
ſchelijck geweeft is / wil ick alten onpartidi⸗
ſchen Leſers en toehoorders deſer gantſcher
Werelt te bedenken geben. Welcke voorſepde
twee berfclhenden perfonen ende fonen hy nu
níet alleen fonder alle fchzift maer oock tegen
alle fchaíft ín een flupten fent/ datde Sone
Gods hem met des menfchen Sone in een per-
foon Chrifto vereenigt heeft. Om welker vere
eeninge wille de Sone Godts nu oock des men-
fchen fone,ende des menſchen fone oock Gods
Sone genoemt wort, Merclit vernuft ende
geen ſchzift.
Daer op ick hem dan met goede befchen:
derne Woorden ten eerften aldus - antwoor⸗
de: Alſo lange als fp ong alle onfe onweders
ſpreeckelijcke bewijfinge/ reden ende fchriften
boben berhaelt / die foo geweldigh ende
krachtigh metter gantſcher fchzift/ oock met
Godts epgen o2dinantie doo? be ſcheppinge
bebeftight zijn / alg dattet genereertijch zaet
níet bp den brouwen / maer bp den mannen
is / niet met autboritept der H. Schrift ter
neder en leggen / maer ongebzokten moeten
houden faten / alg fp oock eeuwigh moeten
doen / foo feggen wp dat haer genereren ban
Marien zade / in den gront met haer niet
dan enkel leugen en bedzond en (9/ Deijle het
CRE
geert
Micron
maeckt van:
twee fonen:
cen foon.
me
IE 586 Menno Symons Verantwoordinge, |
—0 geen ſchrift / noch fchziftg grout enig / als Sone / dat hy dat meeſtedeel Des alderbepligh:
Hi gehooꝛt ig. ften vieeſchs Chriſti Hepdenſch macht. Den
| Soude haer leere ban Dit genereeren ban | menfche Chziſtum niet hooger Dan boor cen
| Marien zaet/ grondt oft boet hebben / foo {aengenomen oft genoemde Sone Godts en
moeft er fraen : María heeft gegenereert Je⸗ acht. Ons op een onhepligh / ſondelijck / doot⸗
| fum Die genoemt wozt Chriſtus Matt. 1.16. ſchuldigh offer / op een onrepne genaden ſtoel /
EEEN Want dat de vader De geene is Die Daer | ooge Pricfter / Salighmaker / Middelaer /
EIN genereert: de moeder De geene is Daer dooz Advocaet / en Chꝛiſtum van Adams onhep⸗
HEERE hp genereert ; ende De vrucht het gene is Dat lige / ſondelijcke / doetfchuldige en creatueri⸗
HEEK hp genereert / ig hlaerder dan datmer wooz⸗ſche vleeſch twijft. Dat hp Mariam in den
den ober bzuycken fal | geont tegen alle ſchzift bepde tot € hziftug bas
| Cen tweeden ſegge ick / alſoo Tange alg | der ende maeder maeckt. Alle de gantfche
fp ons niet met des Heeren Woozdt bewefen ſchrift met t'ſamen Der ordinantien Godts
en hebben / dat een menſchelijck kinde upt | van de genereeringe breeclit / ende ín twiſt fet:
menfchelijfken zade ſonder vader kan gegene⸗ tet: ende fo vele zware Inconvenienten ende
| Daeren reert Worden / dat fp oock nimmermeer en fchanden in Chꝛiſto beflupt/ dat een fijn
wortecen _ konnen doen / foo ſegh ick noch eenmael / dat herte daer over ſchuddet ende Wee Doet / wan⸗
3 kintfonder alle hare gloſen ban Dit genereeren van neermen de ſaeclie met ernſte wel tet herten
| vadergebo- Marien zade leugen en bedrzogh zijn / om Dies | weert ende nadenckt.
| wille (ſegh ick) dat fp fonder ſchrift zijn. Diet alſulck een gront ende geftalte heeft
| Vat Ehziſtus Jeſus een Ware ende} Microns valfche bereeninge / ende leugen:
nacfte bader gehadt Geeft (Die hem Micron | achtige noeminge deg Soons Godts / Die
alg cen openbaer tegenfpgeelter ende laſteraer bp ong met foo beele gepronchte Woorden en⸗
Godts / tot fijnder eeüwiger ſchanden / dooz De berdzaepde Schziften doo? fijn gantfche
De Autichtiſtſche geeft fijnder Glinder ber: | boeck leert ende aenpzijft. Hebt gp oogen/ fa
voeringen opentlijchen aftept ) zijn de Engel | fiet nu toe wattet baog een qrouwel ig Die u
Gabriël / Luc. 131. de Dader ſelve / Matt. Apo. 17. 5. Babel de groote moeder der hoer⸗
cap. 3-17. 17. 5. Ook de Sone Joa.9.37. met deryen / dooz Gare fentboden en dienaers unt
Vfamen Joannes de Dooper / Goa. 1. 34. 3. Haten gouden dzinckbeker inſchenckt ende
21, Petrũs / Matth. 16, 16. Martha / Goa. boogfet. Wee dien / die Daer untdrinckt / want
cap.'z1, 27. Hathanael Joan.a.49. Alle de fp fal hem alfa betooveren / dat hp aoclt
Sypoftelen / Matth. 14. 33. Paulug/ Nom. cupmelen ende vallen moet.
cap. 1.4.5. 18. 8. 32, Summa de gantfchje
Schaft mijn getupgen.
Ten derden ſegge ickt/ alfo lange alg fp
„Alloo mee ong metter Schrift niet beweſen en hebben /
onferegen- Dat fp oockt nimmermeer en konnen Doen
rijders dat Be fone Godts om dies wille de Sone des
Chriftum ot menſchen / ende de fone des menfchen om
den Scae dies wille de foone Godts genoemt wozden /
Godtsnoe- om datter alfoo een bereenige Det bepder
fendigen 1y fanen in een perſoon foude gefchtet zijn/gelijk
‘fp fonder alle Schaft menighmael boor:
geben / fo ſegge ick / dat fp haer alfo menigh⸗
mact aen der waerheyt vergripen / alg fi den
Sone Godtg deg menfchenfone / ende deg
menfchen ſone den Sone Godts noemen /
| want dien name (beltent Micron ſelfs) moet
| upt de waerhepdt ende Daet gegeven wozden.
| Ende hoe het hiet ban hem gefchiet/ mach de
lefer hier mede nadenlien. Metten menfchen
te ſpotten íg oneerlijcls/ maer met Godt felfs
te fchimpen/ ig al te grouwelijck end:
| lafterlijch.
Hoe dat Chriftus de Sone Godts, oock Abra-
hamsende Davids Sone na der Schrift is.
S Almen Lan deſe Soonfchap Abza⸗
hams ende Davids, een heplſaem enz
de vecht beeftande hebben / ende de Schzift
níet bzeecken oft te bunten gaen / foo moet:
men. defe drie navolgende tegel vaſt hour „Merkt
den. Cen eerften datter geen uren{chee vegers wel
lichte generatie fonder Bader gefchieden en
kau. Zen tweeden dat cen bzouwe geen gez
nercerlijck zaet aen haer en heeft / Dan Dat
fp van bupten ontfangbt. @nde ten derden /
dat de moeder / hoewel fp geen zaet cn heeft)
evenwel níet wenniger noodigh tot det
genereeringe en is / alg de Dader is Die 't
heeft / gelijck boven met der Schzift rijcke⸗
lijck genoegh verklaert ig.
Aengeſien datter dan bepde Dader
ende Hoeder bp zijn moeten/ fal anders
de generatie beftaen ende ín fijnder ogdenin:
qe vecht boortgaen / evenwel dat genereer:
lijche zaet bp Den vader f9/ ende niet bp de
moeder / ende het is openbaer / dat Chziftug
Jeſus niet boor Joſephs / maer Loo? Gods
Soone inder waerhepdt belient wordt / ende
dat Doo? de gantfche Schrift / foo ig’t daer
cenínge gelekt fp °t noemen / Maet cen Der: uptlichtlijken te berftacn/hoe oft ín welkers
fchrichelijche Deplinge des afderbeplighften | wijte Chriftus oock Abrahams ende Daz
ende ongedeplden perſoons Chꝛeiſti is / daer | vids Soone is / ende nader ſchrift genoemt
mede hp opentlijckken twee perfoonen ende wordt / namelijcken ſijnder menſchelijcker
fonen in Ehziſto beflupt / die van twee ver⸗ geboorten halven / die Upt hare geſlach⸗
—— ſchepden perſoonen tot twee verſcheyden tijs‘ ten gefchiedt iS / als Paulus fendt:
vereeninge Den / Én twee verſchepden geftalten geene: Abzaham zijn de beloften toegefcpdt / ende
endenoë-_ veert zijn. Dat Ip den gekrupſten Ehziftum fijnen zade (Dat is fijn Sone) Wp en fent
minge in den egen gan fifnen lieven Dader berooft / ende niet / (fepdt hp) bart zacden / als Lan veelen /
| sd é ” p ‚ |
—— “ den vader van fijnen eenigen geboren liepen maer ban eenen / welcke —— ie /
| Galat.
Een vierden ſegh ick / alfoo Tange als fp
| eng alſulck een vereeninge metter ſchzift niet
| cn bewijſen / gelijck fp ong biet boorgeven /
| Dattet alg dan Der ouden Slangen leugen
ende bedrogh is / dewijle het geen Schzift
enig. Want't is openbaer dattet geen ver⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Gala. 3. 16. Teeſt oock Hom. 1. 3.9 5-
2 Cim.2. 8.
De Euangee
liften wijfen mercken / alg dat bepde Euangeliften Mat⸗
theug ende LTucas / hare reeckteninge oP
Foſeph / ende niet op Mariam maken / ja
Lucas en heeft in ’t gantfche Hegifter Ma⸗
riam niet eenmael geroert / maer fepdt / Om
dat hp gehouden Wert voor een fone Joſeph /
die daer was een Done Heli / Ec. Luc. 3.23
Merckt wat der Cuangeliften fin ende
gront is / Waer upt dan opentlijck gefien
moat / dat de Euangeliften ín deſen Deele niet
meer en Doen / dan Dat fp ong dat geflachte
wijfen / daer upt hp menſche na Der Beloften
geboren is Die alder wereldt Jehova / Ema⸗
nuẽl / ja Salighmaker ende Heere ij / ende
eeuwigh bljjven fal.
ons op Jo=
feph, ende
niet op
Mariam.
De Euange-
liften wijfen
die, daer hy
niet van ge·
boren en is.
is / foa moeft ong immers de Schrift ap De
meene gewefen Gebben / daer van hp gegene:
teert
komen was / ende niee op De geene Daer
Oft Maria Gan hu níet geltormen was: Want de Heplige
een dochter geeft is eenGeeſt der waerhept Dic Den fijnen
vecht wijſt ende leert. Ende nader Geleer⸗
den grondt ſoude alsdan dat
fer Salighepdt niet aen der Ac!
aen cen ongewiſſe meypninge gebonden alter ſch
ftaen : Want het is openbaer/ datter
een eenige letter in De gantfche Schjzift bez
bonden en wordt / Die daer
Davids
geweeft is
oft nieten
leeftmen in
der ſchrift
niet.
Chriftus was / van eenigh menfchelijck zact
ofttellenop, foude hergekomen zijn / gelijch de tegen
ſtryders ſeggen / dat hy is / Die des gantſchen
menfchelijchen geflachtg Derloffer ende unt⸗
richter ware) gelijck Chriſtus Jeſus ge weeft
Tegen Marten Micron.
houwelijck niet eenerlep tegel aìtijt gevolghe Ì
Gock moetmen ín gelijcker maten aen⸗ \
Schrift merclien ende fien kan, ende bet de
falte oockt noch nemen noch geben en han /
fen der Euangeliften genoegh was / dat fp
te aen ’t geflachte Die ’c belooft was boort:
qinge/ alg menighmael gehoort ig / foo en
weder fpzeke ick Dat niet in t aldermeeſte / Dat
fp. Davids dechter geweeſt is / maer gewiſſe
getupgeniffe der H. Schaft (ſegh ick) daer
op ſulck een grondt der eeuwiger ſaligheydt
gelijck dat van onſe tegenſtryders gedzeben
wordt) ſtaen moet is ſer niet.
Ja goede Hefer / fo dat eeuwige Woordt,
oft de Soone Godts, alſoo een menſche van
een menfchelijck zaet foude aengenomen
hebben , gelijck fia dzuben / foo haddet im⸗
merg na de ordeninge Der eerſter ſcheppin⸗
ge ende aller ſchziſft veel gevoeghljcker gez
weeft / Dat hy hem alfoa met Joſephs zade
Want foo daer alſoo een menſche / gelijck
nademael doch Joſeph alrecde cen gene—
reerlijck zacdt aen hem hadde, ende niet
wepniger gerechtinh was / alg María / ſoo
hab men ’t metter waerheut gefept dat de gez
krunfte Chriſtus Abrzaähams ende Davids
natuerlijcke zact / vrzucht ende ſone geweeſt
Fondament on⸗ Ware / Daer fp ’t nu niet wijder konnen doen /
zift maer |dau ſjns maeders halben / die nae lupdt
| jeúft/ geen genereerlijchk zaet acu
niet, haet gehadt en heeft / oft de o2dmantie Gode
met de eerſte fcheppinge/ ende De geheele
wijf / dat Maria Scheift / maefte nevens Mariam gantfeh
ende oozſpronckenljcken herge—
van Davids geſlachte geweeſt is. Tucas |ommegekeert ende verandert geweeſt zijn.
ſendt Dat fp cen nichte ban Eliſabeth was /
pefe drie
zijn metter
{Schrift onbe-
wijslijck.
Dat Maria
Davids
dochter
geweeft is, is
vermoeden,
endegeen * herklacet: Maer dewhle onfe tegenfivij- was upt dat onbebindelijcke eeuwige woozt
Schrift. Dees haren gantfehen gront daer op fetten / des Almachtigen ende grooten Gods / dat fia
Dac de menfche Cheiſtus een natuerlijck zaet dooz't geloobe ontfinck voort gekomen ende
ende Doon ban Dabids zade zijn foude / gebaert is Goan. 1.14, De eerste geborene
ende dat van Maria / foa ſegh ick Dat fp ende eenige geborene epgen ware ſone Gods
gewiffe getungeniffe det H. Schzift moeten (fijns eeuwigen Daders halven/en Abrahams / neb. 1. 2.
hebben / ende opbrengen / daer mede fp be: | Aude ende Davids beloofde, gefchenkte ende Joan- 1. 14.
pevatig- wijfen dattet alfo zy/ gelijck fp ſeggen / eremen | geborene fone ſijns moeders halven / die een — —
heydrdes tot een foo hooghwichtigen ſaecke / daer in dochter Abzahams ende Joſephs Davids
— je De gantſche ſalighept aller uptberkoren ſtaet | foong bouwe Was / alg gehoozt ís.
moetorde gelijck fn’tdgijven/ met gewiffer confcien-| Pek Wil Dan alle De ſpzeucken dere
ende nietop tíen konnen ja ſeggen.
vermoeden.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Dat alfao aen haer niet toegegaen noch gez
Die een Dochter ban Aaron was / Luc. 1.32. ſchiet en ig.
Willen onfe tegenffrijderg ong dan dzin- Willen fp Dan ſeggen / Dattet een Gonclis
gen/ alg dat Wp Mullen moeten gelooven) / Wouwe oft maegbt na des Propheten Woort
Dat de menfche Ehziftug Davids natuer-[zijn maefte / ende het daerom upt geens
lijcke Soon ende zacdt geweeft
bewijſen ons dan ten eerften/ datter een
kindt fonder Dader zijn kan. Een tweeden/ Den / Dat fp De ſake Daer mede telf richten
/
welche drie fp nu noch tot geenen tijden | obernatuerlijcke beloofde ende gefchenckte
gewiſſe.
wat ick mepne/ dat Maria niet Davids dochteren Diet niet en hadden / die cen
dochter foudre ge weeft zijn / is alſoo niet mijne Jonckvrouwe was / ende noch geen man bez
mepuinge/ hoewel de Schrift ong dat niet en kende / maer een ban Davids fonen belooft
Aengeſien dan (ſegh gantſcher Schrift / die ban Abrahams ende
icki) Dat de ſaecke op een ongewiſſe vermoe⸗ Davids zaet / vrucht ende plante ober dez
Den / ende niet op De gewiſſe Schzift ſtaet fen handel melden met mijne bolgende
want het magh zijn dat fp 'tig/ het magh reden aldus ele te Weten: ade:
Ken
oock zijn Dat fp ’t níet en is / dewijle fp ín dat ———
vids
F 9 pe ochte
enzjn/ gelicmen upt de Hiſtorien der 1. geween is of
niet, en kan
helpen noch
‚ fchaden ,
nademael een vrouwe geen genereertijk zaet jofepn is ac
aen haer en heeft / ende het na dat aenwij⸗ ——
HeerenGeeft
Dabvids ſoons vrouwe was / op Dat De belof⸗ op wijt,
Matt. r. 16.
Luc, 3. 23-
ín Maria in een perfoon bereenight hadde / Denckt na KE
wat hier ge= Lit f
feyt wort.
is / fp|mansg zade gefchieden en konde) foo ant⸗ par chri-
woorde icht met goede duntlijcke wooz⸗ fus uyt een
‚ maeght
dat Maria Dabidg Sochter gewweeft ig. En- [hoe de mensche Chriſtus met Abraham ende ——
De ten derden / dat een brouwe zaet heeft / Dabids natuerlijcke zaedt ende faane maer noegh dac hy
niet Abra-
hams ende
doen en konnen / ben ick ín mijnder zielen al |zact ende fone geweeft is. Want ha niet pavias.
upt cen van Abrahams ende Davids foonen maer Godts
Mijn goede Leeſer / verſtaet mp _ recht die ’t zaet hadden/ maer upt een ban hare natuerlijcke
Sone Is
daer
Dn
588 Menno Symons Verantwoordinge;
mael de beloofde Salighmaker / Koninck /| bier ban wel den vechten grant ende fin
sopheet/ &c. Abzaham / vinden. ẽ
— — — —8 upt ge⸗ Ende ſiet alſoo blijft onſe gront ale
nade belooft / den. 12. 3.18. 18. 22. 18.26. leere vaft ende onoverwinnelijck — ca
Alfboveel 4- 28. 14. 49- 10. 2 Heq. 7. 12: ín den tijt ten/ dat Chriſtus Jeſus de er eef |
alshyvan gen waetachtigh menſch upt een ban haten ‘ende eenige geborene epgen en e ongedep |
Davids I dochteren na Det belofte geboren is / ** Sone oat is / — —— 1, —
wendige * 2 1Aoan. 4. 9. a . 8 2!
ije 7 oormaelg Dat rijck ende den ſtoel 3. 1 4-9 3
riek ende Divide eed Efaia den Pꝛropheet / endenu de Pemel/ Verde ende — ———— ad
ftoelgehadt wederom in fijnder ontfanckenifle/ Boen’, ſche volhept gefchapen bee £ —
eel 5 heefd in dc letter al verloopen was bien wak 33: * ee — — ——
—— wert jp eeuwighliijck Daer | cap. 1. 16. Heb. 1. et Abzahams ende
ooripconcks Arte el 9. di 1. 29. Davids ontepne / fandelijche / Dootchutdis
me heen Welch rijck ende ftoel hu niet tetterlijck |ge ende aert ſche zaet en is / gelijck *
merlijcke (want fp waren doe ter tijt ſſegh ick) alree⸗ ſiryders philoſopheren ende voorgeoen.
vleefch ende >, verloopen) maer geeftelijckt ontfangen, Wecht ís hp de nieuwe — — —
zaet gehadt. heeft / want fijn rijck is een eeuwigh rijck / Koninck Der wamre —— ad
uc. 19. de en fal op geen ander volck ende Dez eeuwigen wedes Ì
— *5— 2. 44. kende hp oock noch moeder / ende geflachte na ee —— —
daer en boven dooz de gantſche Schzift voor Det bijen —— Lt — att:
De eerfte geborene ende eenige geborene epe, werelt onbe tent 3 u. — —
Sone Godts bekent wordt / dat hp in ende wijſe Heere / ja De vzeden LEE ð
— —— honde oft moght zijn / mon / Die op de nieuwe geeftelijche ſtoel fijng
Wanneer hy alfoo ban eens menfchen on- Dader Davids / hem ban lijnen Veinelicjen
— zade, gelijck onſe tegenſtrjders hem Bader in eeuwiger Heerlijckhent berept / in
hebben Willen / ende níet van Bode gegenez, volkomender glorien fitten / ende ober Dat
veert ende hergekomen was. Oock daer bene: ups ende Lich Jacobs regneren ie *
ben fijn hups oft tempel / t welck hp beu! wighlijck / Eſai. 9- * Luc. — en
wet / niet een letterlijck huys is / ban letter: na / oft wp u miet Lec ht nader Schzi
lijck hout / ſteenen / metael / apel —— wüſen.
jjk Dat verganckelijck hups ban Salomo
— maer Dat van Levendige Edel geſteen⸗ Van de twee natueren in Chrifto, wanneer
te/ ban dat onberganckelijcke gout / ende gyrerecht na der Schrift oft te onrechte
ſilber 1 Co2, 3. 12 @p dat Kd tegen de Schrift verftaen worden.
icke fondament der Hepliger Apoftelen 5 5
ere — Doo? den Hepligen Geeft te Iron, fchzijfe op mijn fefte Inconbe⸗
ſamen gevoeght wort / Eph. 2. 19. 1Pet. nientie / ende ſeyt dat ick ſegge dat
2.4:2 ze ao 8’t daer mede (feggen wp)! Gods Sone na haerder leere voor ons niet
oi er alg datmen De belofte 2 Weg. 7.|geftorven en Zy komt upt groot ——
— Dabid gedaen in't oe: Bak, ain” ke keen.
— — ⸗ na ue < Î
fen op Salomon / ende ín dat JAieuwe Gee⸗ | DEL IM: — —
ij verſtaen moet / ſchelijcker in cen DP hziſto
—— * —— 39. 37. en verſtaen / oft verſtaen Wil. Ende ſepdt —
—— —— — fo men fchoon de generatie fp ín bepde ’t famenfpzeltingen menighmae
ſijns gebenedijden vleeſches op't Adernau | berklaert hebben / hoe Gods Sone boog ong
ns tete He 4 mie Davids afmetet/ fa en is hp geftozven zp. 8
liek oplo wss Bet et dan cen fone ban Davds| Daer op ick hem ten eerſten aldus ante
mon, ECS ee 6 et een \wovrde/ dat fp eenmael ín den gantichen
geefteijck zactloofe Doet genen, Schaft enig (ea handel foude bekent hebben/ dat de Aone
op Ghriftum eenige letter in de gantſche Schz [ gem si {en fal.met er
| se nekneeft is oft nict alg gehoort is. Godts vooz ong geftorven 51
—— ehs heeft Microns groo⸗ waerhept minmmermeet alſoo bevonden —*
te Woordt / dat hp Gem bat van geenen * BE rd fp le til — —— F
lernt late woorden a
ſchen Poorten nemen REU EI ct pede dat de menfche Chriftus genen Va-
Dat fa oock ongetwijfelt nimmer⸗ | Weeren / dat de m K:
— an doen / — hem daer ín wel der, oft gelijck Micron bp ee —— Beh
op dat aldermeeſte ſtercken / Ga helpen naefte Vader gehadt hadde. @get ooch nocl
ende berftaen/ want'et Der Bellen aldevs | Dit felve aen beele plactfen/ geljck men in
fieechfie boorburgh/ ende befte geweer is / fijn berhael ende boeck opentlijck lefen ende
gelijckmen upt Joannis fchzven in alle ſien magh. 8 doch een verſehric⸗
hlaechept mercken ende Ve re 5— helse —— — —2— Ae
> men fal/ moet een He⸗ ke Boe len dn
0 td ont vh / des Weeren ſtercke Geeft ende — Ge et en Mo: —
9004— | f er. vooz noch Welle / noch fijn epgen Conſcientie uegen en A
era ie ett, — de Zuppel ſelfs aider eeren fo deerlijeken sind ee ‚ de |
J | beftaen en kan / alg men fien magh. arme zielen fo vrpmoedeltjek beelepden / en
Ik | Wie nu noch bzeeder befchepde ober dit cen fo grooten bedzogh ei * en —*
| Davids zacdt hebben oft Weten wil / BEE ek oe viene! Och dat fa
| | e berantwoopdinge tegen | konden fien Wa | REE: 2e
| — met onpartpdifchen hees) Cen tweeden autwoorde ick’ ge'ijehk oook
° | alg Dac men een
ten/ ende Gp fat Door des Heeren genade voor hem gedaen if / als * |
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Tegen Marten Micron. 589
Dit enheet kenigh letter ban Defe Gereeninge Der twee | Maer het wide Den nadenchigen Hefer
oockniet Sonen / namelijclt Godts ende deg men {al te harden float geben / dat fn alfoo plom⸗
eis fchen in een perſoone Chꝛziſto / Die hp ger | pelijcken twee Sonen ín Cheiſto leeren ende
fed potius meypnlick upt grooter liftighept aldus twee | bekennen ſouden / ende feggen/ dat de ge—
intriotata natueren noemt / ende Gp De berrenmge van krupſte niet Gods Sone / maer een fonde:
nent: eens menfchen lijf ende ziele vergelycket / lijck ende doodtſchuldigh menfche ban
Ren ín de'gantfche Schzrift niet binden eñã kan. Adams ſondelijcke doodtſchuldige vleeſch
Dat eens levendigen menſchen lijfen ziele oft zaet geweeſt ware. Ende daerom moer
een perſoon zijn / is foo klaer als de Sonne | ten fp ’t dock alſo maken / dat fp haer eere
felve is. Dan dat alfoo een menfche ban |ende naem bp der werelt behouden / ende
lijf ende ziele / Die een bolkomen perſoon is | haer gagien ende leenen met gemack befie-
alfoa met Den Sone Godts die eeutwial | ten mogen.
was / ín een perfoon ſoude verrenight zun / Siet alfoo moetmen u de heerlijcke ſchoo⸗
oft de ceuwige Done Godts met foo ecng | ne Mantel deg hoerachtigen Babplonifchen
menfchen Sone / welcke twee fp alfoo te | Wijfs meeter Schzift oplieheen/ dieu Mi-
framen twee natueren (ſegh ick) ſonder cron metten Pzedicanten (dDewijle fp ban
Schzeift noemen / kan Wel in Microns glo- haer tafel ende centen Ieben) met hare bez
fen gelefen Woden/ maer in de Schzift en dachte glofen/ ongefchichte uptleggingen /
bint men ’t niet. Wat fp u voor een Chri⸗ lende bervalfchte fchziften Wel geerne toez
ſtum leeren / meught qu daor defe onfe aen- | decken ende verſtoppen ſouden / ap dat qu
wijfinge bp der Schzift gehouden / een wep⸗ alfaa Gare onmenſchelijcke groote ſchande /
nigh dieper nadenckien. pocken / lempen / ende beklijvende dood⸗
Cen Derden antwoorde ick / foo Micron licke Wazarpe (berftaet geeftelijck) vecht
als cen getrouwe Leeraer bp Den Teſers gewaer Wozden ende fien / ende u daer Booz
handelen wilde / ſoude Gu niet met alſulcke met allen blijte ín De vzeeſe uws Godts hoez
bewimpelde / verdeckte / ende dupſtere wooz- den ende wachten mooght.
Den met haer ſpzeken ende ommegaen / maer| Dat chenwel Cheiſtus twee natweren Babels ver-
fijnen grondt ende mepninge fander alle aen hem gehadt heeft flae ich met bolder ——
dubbelhepdt vecht uptſeggen ende daer herten toe/ maer niet ín alſo een verſtant openen, op
Doen / Dat De eeuwige onfterflijcke Sone als Micron Doet / maer na Der Schzift op dat men hare
Gods een tijdlijche flerflijche Done met lijf deſe wijfe. Petrus ſcheijft aen De gemepnte een
ende ziele van Marien vlceſch en bloet oft Godts/ ende ſeydt. Gp zijt Der dBodtlijc: In eenen
Eenvecht zaet hebbe aengenomen / ende Dat hp ons ker natuere Declachtigh geworden / 2 Pet. waren Chris
Leeraer leert Daer mede verloſt heeft / Want dat is in de⸗ 1. 4. Daer mede hy klacr betupght / hoe dat- md
— fen Deel De epgentliche meputnge/ ſin ende ter twee natueren in een Chziſten zijn / De natueren.
ke verdien perftant ban al haer ſchzhven / gloferen /jeene De menfchelijche natuere Daer mes
ſal. ende leeren / gelijck ooch hare openbare bez |De hp uyt Adam geboren is / Ende de an⸗
kenteniſſe baoz ong allen gefchiet/ ín atle {Der de Godljcke natuere welck hp overmits
klaerheßdt getupghde ende mede bragbte/ shet geloove in De geboozte / Die upt Godt
als gehoozt ig. | is daor den Pepligen Geeft Deelachtigh gez
Micron Maer nu handelt hp ontrouwelijck / worden ig. |
doet onrecht want hp meynt twee bolkormene Sonen/| _ Zijnder dan twee natueren ineen Chai
dachy{omet Daer van De eene een Godtlick / ende De ſten / gelijck fp ooch in dee waerhendt zijn /
Voorden — tweede een menfchelijck Sone geweeft is / als gehoort is Waeram dan oock niet ín
emgaet. ende noemtſe maer twee natucven / omdat | Chriſto? Want nademael hp de epgene
de plompighepdt der falen Den eenvoudi⸗ ende Waerachtige Sone Godsis/ geen an: De Godlijs
gen Hefer niet verargeren en fal/ welcke | Der herliomſt hebbende Dan upt Godt / foo ——
natuere flechts een epgenſchap is deg ge⸗ moet hp oock de natuere deg genen hebben / 7779
Eenkort nen Diefe heeft / ende niet De gene felve is / daer ban hp gekomen ís / ig klactder dan
onderfcheyt Diefe heeft. Want alg men een menſche fict / Dat men ’t wederfpzeechen kan.
tuffchende fog en feptmen niet Dat is de menfchelijche| Dat hp de Goddelijcke natuere gehadt
fubftantie, natuere / maer Dat is een mensche / Want beeft / beeft hp met defe openbare blcken⸗
ofhetfelf. De epgenfchap en fg ’t efen ſelbe niet / maer) de zuchten eender Warer Godtlijcker nas pe Godlij-
ftandigewe- dat wefen heeft epgenfchap. Ende foo nu tueren / gelijck met fijn volmaeckte gerech⸗ ke natuere
fen, daer de
natuere in dan Chꝛiſtus niet meer Dan de epgenfchap: tighent / waerhept / heplighent / liefde / ende —
aen Chri⸗
woontende pen gehadt en hadde / als te weten de na⸗ ongehoorde groote krachten in Der daedt Lum in fij-
oe sh log cueren/ ende en hadde dat wefen felve niet wel bewefen, nen vruch.
veriche
vr gehadt/ te weten/ de fubftantien/ / ſoo en Ende gelijck alg hp dan de Godtljchte 22*
magh. hadde hp noch Godt noch menfche geweeft / watuere (fegge ick) gehadt heeft fijns Godt-
Merckt wel ant de natueren (ſegh ick noch eenmael) lijcken herkomffg wegen / alfo Geeft hp oock
(ey werde fl zijn dat weſen felbe niet maer Wefen de onbefrnettede reyne menſchelijcke natuere
Geeft de natuere / als gefent is. gehadt (Adams natuere boor den bal ge-
Behoorde daerom wel / dat Micron ſon⸗ lick) ende dat om fijns Warten menfcheltjc-
Der alie bedeckthepdt handelde / ende bepde ken weſens Wille, Want alfo waerachtigh
fijn Weferg ende toehoogderg met onbelien- als hp deg almachtigen Daders almachtige
De / vreemde woorzden alfoa niet en bedzo-| Woost ban ceuwighent geleeft is / alſoo
ge/ op Dat fp den geont fijnder leere recht waerachtigh is hp oock nu in der tijt een
batten / ende fijn mepninge Wel verftaen | waerachtigth/ lijdtlijck / ſterflijck menſche
mogbten: want daerom wozt er geleert / | geworden / Yoan. 1.14. 1 Poan. 1.1. Ende
omdatmen berftaen fal / watmen leest. _ !Dewijle hp dan alfa ———— *—
3 C
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
(EI — 8
— —
590
fche (ſegge ick) geworden (8 /
dock aen hem gehadt hebben
waerachtigen menfche toebehoort / te Wez
ten/ een waerachtige menſchelicke natue:
te (doch onverdogven) oft hp en hadde geen
waerachtigh menfche geweeft / if onweder⸗
ſprekelijck.
Alhoͤewel dan de ſchrift nergens alſoo
ban twee natueren ín Chꝛiſto en ſpzeeckt/
fa ſtae ichfe boe? um evenwel op deſe voor⸗
beroerde wijſe met bolder herte toe Want
fclk wert gewiffe alg datmen De natuete
eng Dinchs niet beter ban fijn Wefen / als
Dat licht vander Sonnen/ De hictighepdt
van't vrer / ende de vochtigheydt van ’ war
ter affchepden ende deplen kan.
Ende dat hp pock de ware menſchelijcke
nattere gehadt heeft / gelijck alg oock De
Godrlijche/ heeft hp met de klare blijken:
de brüchten eender warer menſchelijcker
35732. natuere / gelck met hongeren / dorſten /
vruchten wel Maede Worden / ſuchten / lijden / ende ſter⸗
ben inder daet Wel bewefen.
Diet alfoa bekken ich vecht ende ſlecht na
Den ftijl ende ogdeninge Der Hepliger Godt:
lijcker Schrift / twee natueren moet eení-
gee ongedepiden perfoone ende Sone
Theiſto / ende niet gelijck Micron doet /
die van twee Sonen een Soon / ende ban
twee perſoonen een perfoon maeckt fondet
Microns fchuft/ die hp twee natueten noemt / Die
tweenatue- NA fijn qlaferen tot twee verſrhepden tij-
eninChri den / ban twee berfchepden perſoonen / In
volkomen twee gantſch ongelijcke geftalten gegene:
perfoonen teert zijn ende daer Van eeng pegelijcken na:
ende sonen. tuere ongermenght Lan malkanderen gez
bleven / ín cen perſoone Ehzifto boven aller
menfchen begrijp (na fiju fchzijven fander
alte Schaift) alfaa bereenight zijn. Merckt
wie van bepden Deelen u op Dat alderbefte
nader Schzift wijft.
Dat hp oockt ſommige ſpzeucken aen?
teeckkent / Daer mede hp geerne bewijfen
foude / Dat niet de Sone Gods / maer deg
menfchen Sone/ die na fijn fabuleren geez
nen bader gehadt en heeft / geleden hebbe /
Daer ban na mijn bedencken / de alderſterc⸗
fie is/ dat Petrus feyt Chriftus is gedoot na
den vleefche, maer levendigh gemaeckt na
den Geeft, 1 Pet. 3.18. (fg flechter dan dat
men autwoopt daet op geben fal) want wie
heeft opt anders geleden / dan Ha Den bleez
ſche? Sept doch De felbe Petrus: Heeft
Chriſtus alſoo boor u geleden in't vleeſch /
foo wapent u oock met den ſelben fin / Want
wie Daer lijdt in't vleeſch Die houdt op
van fonden. Merckt / daer lijden de Chzi-
flenen oock ín’t bleefch/ gelijck Chziftus
felue gedaen heeft / zijn Daerom evenwel
niet ban twee Sonen een Soon, gelijck
Micron Chꝛeiſtum hebben wil.
Piíemant en kan anderg lijden dan ín Ben
veerdige zie- vleeſche / gelijck Chriſtus felve fept : en
lenzijnin vzeeſt niet de gene Die t lichaem dooden /
Want de ziele en mogen fp niet dooden /
pijne en falfe Matth. 10.28. Tuc. 12. 4.
pt Item tot den Moozdenaer: Heden fult
PSE pp met mp ín ’t Paradijs zijn / Luc. 23.43.
Sijn bleefch hingh aen ’t Urunce / daer na
begraven ín Der aerden, Waer upt meet
De meg-
fchelijcke
natuere in
Chrifto.
De men-
fchelijcke
natuere aen
gemerckt.
zPet.4 te.
De recht
Menno Symons Verantwoordinge,;
ſoo moet Gp ſals klaer is / dat'et van fijnen onſterflijc⸗
dat eenen | ken Geeft gefent is.
Item / Bader (riep Chriſtus) ín u han⸗
den beveel ick mijnen Geeſt / bp en riep
nict Bader ín uwe handen beveel ick uwen
Bone / daer mede ick Dug lange in cen
perfoone bereenight geweeſt hebbe / ende
mijn Geeft geweeft ig. Want upt Mi-
crons fchzijben moet een ban dzien geflaz
ten wozden / oft dat De inwoonende So⸗
ne Gods/ dien hp de Godlijcke natuere
gemepnlijckg noemt/ ende de Done Jas
cia/ Die hp gemepntijckg de menfchelijz
ke natuere noemt / te famen een geeft oft
ziele moeten gehadt hebben / ende met het
verfterven De ſelve Dem Dader in fijnen
banden gelijcker Gant bevolen hebben. Oft
dat'er twee ín Chriſtus verſterven leben:
digh ban hem gebleven zijn. Een eerften
Godts
De geeft oft De ziele / Die hu mede na haren
grant van Macia ontfangen hadde / oft
(dat de eeuwige Sone Gods eens fier flijchen
meufchen Geeft moeft gewozden zijn / die
hem alſoo een Wooninge oft hutte ban Ma⸗
tia aengenomen hadde / dat hp boor ong
gegeven hadde / gelijck oock ban Den Aue
convententen eenmael bevaett ig.
Waer upt dan openbaer is / dat et enckel
drifzant is / Daer op fp hare twee natue⸗
(en oft twee Sonen im Chꝛiſto na haerder
wijfe bouwen / ende dat'et niet beter voorz
De kracht deg Godlijcken woorts / als De
ſtoppel boor dat vper beftaen en kan. Ende
alfo behouden Wp den gront vaſt ende onz
gebroken / dat Jeſus Chziſtus de ongedenls
De / eenige ende wate Done Godts is / ende
niet van twee beefchepden Sonen cen So⸗
ne / gelijck onſer Wederpartpen Antichzi⸗
ſtiſche valfche gront ende leere ig.
| Dat Godt de Vader, de waerachtige Vader
des geheelen Chrifti fijns Soons is ende dat
de geheele Chriftus, een waerachtige So-
ne Godts fijns Vadersis, het welcke
Micron aen veel plaetſen te=
gen{preeckt, ende feyt
datꝰet alfo niet en is.
M Icron ſchꝛijft in fommige plaetfen dat
des men{chen Sone genen Vader oft
naefte Vader gehadt en heeft. ekênde oock
dat ſelbe in den handel menighmael. Dat
alſoo openbaer tegen alle fchzift is / datmen
hem Daer ober verwonderen ende beſcha—
men moet. Want wie heeft opt zijn leefda-
gen ban een kint gelefen oft gehoozt Dat
geenen Dader geljadt en heeft.
Nademael hp dau alfa onbelcefdelijcken
Chꝛiſto Jeſu fijnen Dader na der menfchept
affepdt / foa hope ick den Leſer Den Dader
Chꝛiſti met alfoo een veelhendt ende kracht
der Hepliger Schaft aen te wijſen / Dat ha
feggen moet (foo hp anders niet geheel in
cen berkeerden fin gelevert is) dat hem Mi-
cron ende de Geleerden met haer fchzijben
deerlijcken bedzogen ende niet Dan eenen
Antichziftifchen valſchen gronde geleert
hebben.
Aldus
wonderlijc.
ke dingen
dat uyt Mi-
(de onfterflijche ecuwige Done Gods / Die erons twee
in hem gewoont hadde. Ende ten tweeden
natueren
volgen.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Tegen Marten Micron. soi
Aldus ſprack De Engel des Alderhoogh⸗ Ytem Goannes de Doeper: Die mp
ſten tot Mariam / alg fn haer berwonder-| ſandt (ſeydt hp) om te doopen met ater /
de / Van waer Dat De bzuche herkomen ſau⸗ ſprack toet mp: Op welcken gp fien fulc
de / nademael fp ban geenen man en Wifte. | Den Geeft nederdalen ende op hem Blijven /
De Heplige Geeft (fepde hp) fal over ulio-| Die ſelve is't die met den Hepligen Geeft
men / ende De kracht Des Alderhooghſten doopt. Ende ick heb het geften ende gaf ge⸗
Degneet ſal U omfchaduwen. Daerom dat Heplige tupgeniffe dat hp Gods Sone ig / Goan.
betuyghde Dat geboren fal wozden / ſal Godg Done cap. r. GS. 33. Wier Geeft Joannes den
geheylige (anetcht wie fijn naefte Dader ig) want fichtlijcken Chziftum (Die na onfer weder⸗
—— hp ſal Godts Sone gendemt wozden / partpen gront alleene des menſchen ſone) Oock woet |
zijn MUC tak ſonder alle deplinge boor den Sone Godts —
Micron Welcke klare fpzeuckte Micron met fijn, belkent/ ende Micron fchzijft dat hy ’t niet crons val-
danke afarondifche waſem ſeer verdonckert heeft |en is. he geviyge
des Heyligen ende fendt; Soo Wil be Engel tot Ma— Atem de Hooftman op den Galgenbergh: zijn.
Eugelsvan riam feggen/ dat haet kint miet alleentijcht | Waerachtigh defe menfche (mevcht hp fepdt
Chriſto. menſche (Gp mepnt ban haer vleeſch) mact | deſe menfche) is Gods Sone geweeft/
pock. waten Bodt ende Gods Sone) tel Marc. 15. 39. Ende Micron fendt / hp en Na Microns
weten / na fijnen eeuwigen Godelijctten |13’t niet geweeft. Ftem Paulus: Godt ah
wefen. zin foude/ niet een eemgh waagt | Heeft fijnen Soon gefonden/ geboren upe ereen '
en heeft’er De Weplige Engel in alfuicher cen beouwe / Bal. 4. 4. Ende Micron recht ge-
wijfe van gefpzokien/ noch alfou een Depe ſchrijft: Godt heeft fijnen Sone gefonden / weeft.
liage in Chuftum gemaecht/ gelijck Mi- gewogden ban een vrouwe. Noch OP een Na Microns
cron Doet, Maer eenvoudig ende ſlecht ander plaetfe fchzijft Paulus: hp heeft fij- gront heeft
verkondigt / dat fp zwanger worden / ende! nen epgen Sone niet gefpaert (merckt) ha Pamus nier
Microns de vzucht Gods Done / ende Bodt des fepdt fijnen epgen Sone / Fom 8. 32. Hoch gefchreven.
vervalfchin- pzuchts Dader zijn ſoude / cu fiet alfao op cen ander plaetfe: Wu zijn verſoent
Ben verruy. Dreeclt Micron Dat getupgeniffe Des epe, doog ’t bloet ban fijnen Sone) Hom. 5. ro.
flenlonder ligen Engels/ dat he upt den hoogen He- Dock Goannes: Dat blact fijns Soons
Vader, mel na Gods bevel tat Mariam hier gez, vepnight ons upt ban onfefonden / 1 Goan.
Dragen Geeft) alg dat’et Heplige Dat gebo⸗ cap. 1.7. Da fept noch op een andet plaetſe /
tcu Worde/ Godts Sone zijn foude. Sodt heeft ſjuen Done gefanden een GE- joannes
Item De Hemelſche Dader getupght ban naden ffoel/ oft tot een berfdeninge vooz ende Paulus
Micron _ €fzifta felge/ ende fepdt: Dit ig mijn lie- onſe fonden/ 1 Goan. 4 ro. Welcke berz rig
maecktden ge Done/ daer aen cit een goet behagen facninge na Microns valſche leeve niet ín grondt nie:
Vadersot hebbe gem fult go hooren / Matth. 17-51. Dat bloet deg Soons Gods, gelijck Goan- zecht ge-
paer, gelijck gar. 9. 67. Tuc. 9. 35- Hier bekent hem neg ende Paulus leeren / maer ín dat bleet LEYE
Joaunisfeyo De Vader fonder alle Deplinge Loor fijnen Lan deg menschen fane/ Die geenen Dader
roan. j. 10: liepen Sone / ende Micron ſent dat hu't uiet na Microns gront gehadt heeft / geſchiet
en ís. is / als menighmael gehoozt ig.
Item Cheiſtus tot den Blinden: Ge- Ga goede Leſer / wanneer gu Dat vecht
{ooft gp aen den Sone Gods? De Blin- waerneemt / ſoo fult ghy dat meer Dan
de antwoozde ende ſpzack: Heere Wie is't? t'ſeſtighmael in't Nieuwe Eeftament bez
op dat ick aen Gem geloove Jeſus ſprack binden / dat Chziſtus Jeſus Bodt den Dez
tat hem: Gp hebt hem gefien/ ende Die melfchen Vader Loo? fijn Dader / ende
met u fpzeecht / Die iS’ j Loan. 9. 35. hem felven Booz fijnen Sone beltent heeft.
Hier bekent de begrijpelijcite fienlijche Chgi- Ende en Wort miet een eenigh letter bam chritusje-
Micron ſtus / die na Microns gront alleen des men-|alfaa een Deplinge ende vereeninge (gelijck fus wort ſon-
—
oer chen Sone was, hem felven ſonder eenige onſe wederpartyen dichten) ban aenbegin- des heg
eu- Deplinge boor den Sone Gods / ende Mi-| ne Genen tot aen ’t epnde toe / noch bp Chri· de ganttche
cron feyt dat hy ’tmiet en is. Gtem Chei⸗ ſtum / noch bp fijnen Henligen Apoſtelen * voor
ſtus noch op ecn ander plaetſe: Wat dan? ende Euangeliſten aen cenige plactte gehoort Goarsee-
Wanneer qp des menfchen fone (merckt oft bevonden. 3 houden.
bu fepe Des menfchen fone) fult ffen op) Micron fchjzijfe meer als op een plaettfe /
varen Daer hp te Loren Was/ Goan. 6. 62. {oo Godt de Vader, de Vader des Menfche
Wier bekent Chriſtus felve Dac deg men⸗ Chriſti ís, dat hy oock als dan vleefch ende
ſchen ſone ban Den Pemel was / ende Mi- bloedt moefte gehadt hebben. Daer upt
Hiet moet cron feyr, dat hy vander aerden was, ende dan Een eerſten openbaer is / dat hp den ge-
Chritus we- gm ſommiger eerlcker conditien wille He⸗ krupſten Chriſto geenen vader toe enflact. zier made
erons leuge- meljeh gendemt worde / vecht of Chriſtus Daermede de Engel Godg/ Hue. 1. zr. De is demen.
naerzijn. gen Chꝛiſtus der blaoter namen / cnde niet, Dader / datt. 17. 5. ende de Sone ſelve / * —
een Chriſtus der rechter waerhept en ware. Joan. 9. 36. oock Joannes De Dooper / openbacr |
Item Petrus. Doen de Apoſtelen van | Goan. 1. 33. en 3. 16. Petrus / Matth. 16. —
EChrifta gebraeght wierden; waer voor De | 16. Joannes / Paulus / Nathanatl / Mar · ar beden:
| lieden / erde oock mede fp ſelve Des En tha / ende De gautfche fchzift dan fijn open- Ken kan.
ſchen ſone hielden? Merckt hu vzaeght van | bare leugenaerg ende fijn valſche getupgen
Des menfchen fone. Gp zijt Chziftus (fep-| zijn moeten. Want fp hem (ſegge ick) fan-
De Petrus fonder eenige Denlinge) de Zone der alle deplínge foo menighmael boo? den
Micron des levendigen Godtg/ Matth. 16. 16. Waren Sone deg Waren ende levendigen
maeckt Pe- Ende Micron fept Dat des Menſchen (one, Godts bekent hebben / als menighmaef
rus beken” Gods Sone niet geweeft en 15. | gehooꝛt is.
gemacht Een
genachtigh.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
*
ee
= mn
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
$92
fslckeen Cen tweedert íf’t openbaer Dat al duſda⸗
chrijvenals nigen fchzijven niet unt De Tebendige Fon⸗
Micron hie tepne des Hepligen Geeſts / oock niet upt
enisdes tem beelichtet/ baft/ geloobigh herte / dat
rechten ſonder alle wanckelmoedighept met Joſue
gariltelije: ende Caleb aen Des Wimachtigen Gods
vensgront ſtercke Kracht ende Waerachtige belofte
niet. hanght / maet upt enckel becnuft / ende
gr ten ongeloobigh bleefchelijck gemoet herz
eit komt, dat níet voozder dan na de natue:
te richten ende fien en kan. Ende noch
evenwel obermitg groote ende zware blint:
hept de opdinantie der felver natueten mits
De eerfte fcheppinge ban Godt ſelfs toege:
richt / gantſch breecht ende te fchanden
maeckt / Want'et hier een menfchelijck
kint fonder bader tegen alle Schrift leert
ende hebben wil / alg men fien magh.
Menno Symons Verantwoordinge;
Ick fegge noch eenmael ín Macia)
want ín den Bader oft ín Den Wemel en is
hu geen vleeſch geweeſt. Oock niet bup⸗
ten Mariam boog fijn ontfanckieniſſe / dat
ick met foo beel klare woorden foo mez
nighmael bekent/ ende faa grondelijcken
met Schriften aen den dagh gebzaght heb:
be. Noch evenwel en ſchaemt hp hem niet De onge-
mijn woorden op alſulck een Wijfe te ver zes-
dzaepen / alg oft ick mp aen fommige verkeert
plactfen hooren liete dat’et woordt vleefch gens anderen
in den Vader oft in den Hemel geweeft had- woort niet.
de. t Welck fch met goeder Confcientie /
wel magh feggen / dat ick dat mijn leef⸗
dage alfoo niet gedacht en hebbe.
Immers en weet ick niet hoe men een
onderfchepdt tuffchen den Geeft ban onfe
tegenftrijderg ende Den Geeft der Phari⸗
Goede Hefer hebt’er acht op. Godts ſeen ende der valfcher Pzopheten maken
Almachtige ſterckie kracht / dat onbegrije|Ban. Want gelijck Die Den woorden der
Metekt de- pelijcke hooge wonderwerck fijnder Godt⸗ bzomen Pzopheten ende deg Beeren Chzi⸗
wet.
fe woorden cher liefden / ende Dat onbedzieghiijche ſti altijt verkeert hebben, ende mer alle
À gewiſſe woort ſijnder ecuwiger waerhepde|blijt daer op toelepden / Dat fp haet een
moeten ong meet gelden / dan Dat blinde |fchande aenbinden/ ende alfoa upt enckel
beenuft ban onfe berdozvene natuere doet / haet ende nijt dee waerhepdt met openba:
ſoo wp anders Chriſtum vecht Willen ken⸗ re gewelt/ leugeng ende onrecht uut den
nen/ en fijn Heplige woozdt bolgen ende wege beengen moghten / even alfa hande⸗
gehoorzſaem zijn.
len Defe upt enchel haet Dec Waerhept met
Adams doodt Lichaem ban der Aerde my oude bedroefde man oock / Want fp
gefchapen / íg oock door De aenblafinge {hebben mp (eplacen) door haet gantfche
Gods tot een levendige ziele gewozden / boeck met alfuick een verwe afgefchidect /
Godts won- Geneſ. cap. 1 vers 27. Ende alle dat Waz
derwercken ter is upt cen harden ſteen geloopen /
’% begrijp van rod. cap. 17. berg 6. Dag ebenwel de
onſe vernuft Merde geen lebendige ziele / noch De ſteen
en een fubftantie des Waters / Daer ban de
levendige Adam en Dat Dzinck- water
Iſraẽls gekomen zijn.
Willen fn Dan ſeggen / dat fulcks boven
de natuere door Godts kracht gefchiedt is,
als’t oock ís/ foo Antwoorde ick weder:
omme. Wfoo is Dit hooge ende Wonder:
lijcke Werch ban de menfchwerdinge Jeſu
Ehziſti im Maria door Godts ſtercke
kracht / daer mede hu alles doen kan/ ende
magh / wat he Wil, oock gefchiedt / ges
lijckt de Engel ſeyde: De kracht des Al:
derhooghſten fal u omſchaduwen / want bp
Godt en is niet onmogelijcſt / Luc. 1. zr.
Ick laet mp duncken / dat alle De gene /
dat ick niet en weet hoe men den Behe:
moth ende Belzebub met leelijcher Gers
we affetten foude/ als fp rap gedaen heb⸗
ben. Hoewel dat ickſe nopt mijn leefdage
eenigh leet gewenfcht/ noch wepniger gez
Daen hebbe / maer hebbe alle € hziftelijche ‘
trouwe ende beleef bepdt Door goeden raedt
aen haet ín den noot bewefen / gelijck dat
De liefde die upt Godt íg allen Waren Chaíz
ftenen leert ende medebzengbt. zoch evens
wel hebben fp defe leugenachtige / faem⸗
roovige / lafterlijchte fabel (Daer mede fp mp ont wei-
ín allen landen noch tienmael meer ſtinc- daer is ons
kende maken dan íclt opt te boven gedaen vanonre
hebbe) tot een danckſegginge aldus onver: Fie: —
Dient ober mp geſchzeven. Ende Dat ín Chrifelijck
den geont om anders geen oozſake / dan Peleont.
dat wp Cheiſtum Jeſum met den Engel
Gabriel / met den Dader) ende Chzifta
Die in Der kracht ende waerheydt gelooven / \felfg met Joanne den dooper / met Petro
Dat Godt maghtigh geweeft is / Wemel /
Aerde / ende Wee met hact gantſche vol⸗
hept dooz fijn ſtercke woozt in’t begin te
makcn/ ende dat upt niet cnde nu dat
piede Alle/ Door Dat felbe Woort regeert / be:
Schrifrin"t fchzickt ende ophoudt! ende oock Adam
ee GEL alle fijne nakomelingen wederom met
Beren Re Der felver kracht in't epnde upt den flof
eock in’tan-opwecken / upt De onderfte Deelen der Wer:
der nietver- den ende diepten deg Afgronts herhalen /
Werpen. op boor Dat aengeficht fijnder Najeſtepi
fetten fal/ dat Die ſelbe oock Wel macht
gehadt heeft fijn onbevindelijckte eeuwige
Woozdt van Den Wemel her af te fenden /
ende dooz fijn Wepligen Geeft kracht een
wacrachtigh/ lidtlijck / ftecflijckt menfche
in Mariam̃ te laten wozden / gelijck Joan:
nes fept: Wet Woozt ig bleefch geworden /
Joan. x 14
ende alle De gantſche Schzift / boor de
wactachtige Sone deg Wwaerachtigen ende
levendigen Godts bekennen / ende Dat Wp
fijn woort / gebodt/ verbodt / ozdeninge /
ende onbeſtraffelijcke boozbeelt in onſer
armer zwackhept geerne hooren ende vol⸗
gen ſouden / dat Wp dooz fijn genade mogh⸗
ten ſaligh wozden. Wet welclie onſe tegens
ſtrjders met bolder heeten haten ende tez
gen zjn. Want fp ſeggen met openen merck:
monde dat des — da dien wy waeren dat
eqge ick) voor den Sone Godts met de ons onle te-
—— Schaf bekennen, Godts Sone niet ——
geweeſt en is, want hy en heeft geen Vader
gebadt, ſeggen fp. Sp tegenſpzeken fijn
uptgedzukte klare opdeninge ban der Doop
die hp ong met fijn epgen gebenedijde
mont geleert ende bevolen heeft. Daer mes
De alle Wedergebovene geloovige —
o
— —
— —
Van eeu.
Chriftus des
Vaders
Woordt
eweeft.
oor ’t
Woordt
Chriftum
is’talge-
fchapen.
t Woort
is vleeſch
geworden
Hier wijft
Jeannes dat
zaet, daer
uyt de
Chriftus
crt
— Gi
Godts onderdanigblijcken boor Chriſtum
ende fijn Gemepnte betupgen dat ſy fijn
Heplige Waart ende Godtlijcken Wille tot in
den doot gewilligh ende berent ſtaen.
Wiebe / merckt doch wat ’et boog cen grou⸗
wel ende beegiftigen dzanck is / die u upt
Babels kelck van haer wozdt toe gedronc⸗
ken. Waerachtigh ende vaſt blijft Des
Vaders getupgenifte : Dit ig mijn lieve
Boone / Daer aen ick een goet behagen hebbe /
Matth. eapíttel 3. 17. 17. 5. Marc. ca⸗
pittel 1.beeff.11.9-6. Luce capictel 9. vers
35,2 Petr. capittel 1. berg 17
Van wat Godtlijck zaet, fubftantie, mate-
rie, of wefen, Godt de Vader fijnen
gebenedijden Soon Jefam Chriftum
een waerachtigh menſch uyt Ma-
ria inder tijdt na der Schrift
GE hebt nu upt alle onfe boozgaende
NT ontwederfpzeechelijctte redenen / Schzift
ende Argumenten Wel gehoort / trouwe
Hefer / hoe dat de oorfpronck der kinderen
uyt dat genereerlijck zaet des Vaders ende
niet des Moeders en is ‚ want fp en heeft geen
gelijck Micron in den laet ften handel opent:
lijcken boo? ong allen oack bekende ende
toeftont.
@Oock hebt gu ín gelijcker maten ín bol-
Det kacht gehoozt/ alg dat Godt de Dader
ader des geheelen Chꝛifti⸗
ende de geheele Chriſtus een waerachtigh
Soone Godts fijng Vaders ig. Nu willen
vp u doog des Weeren genade oock unt geont
ende kracht der Wepliger Godlijcker Schzrift
aenwijfen/ wat het boor een Godtlijche |c
fubftantie / materie / zaet oft wefen geweeſt! is bleefch gewosden / Yoan. 1. 14. Want
is / Daer upt Defe felfde Soone Godtgende nadcmacl Chziftug Godts wacrachtige
Maria / Jeſus Chziſtus hergeltomen ende Soone / ende Godt de Dader Chꝛiſtus
gegencreettig. @p dat de opgewaeffemde waerachtige Dader is / foa moet aockt de
xteucke Des Afgronis / Apoc. 9.2. midtg de | Dader aen hem / oft bp hem gehadt hebben /
een waerachtigh
gegenereert heeft.
Tegen Marten Micron.
593
Wilt gu cen onbeweeghlijcke / vechte en⸗
de bafte gront uws geloofs / ende een vecht
berftandt ban Defe Wooden Joannes heb:
ben/ ende u Door dat leugenachtige zaedt
det ouder Slangen niet bedriegen / noch
u Door De kloecſie berlepdinge der Antí-
chriften ban uwen Salighmaecher niet
berooben laten / ſoo moet ge defe twee
bolgende teegel Wel aenmercken ende vaſt
behouden.
Cen eerften / Dat Godt de Dader boog
een waerachtigh Bader fing ſoons Chei⸗—
ſti Door de gantfche fchzife bekent wozt /
JRatth. 3. 17. 16, 16. 17, 5.
Goan. cap. 1. 45. 3-
Wuce 1.31.
16.5, 22. 6. 35. 7e
28. 1, 23.9. 37 / &c. Ende dat niemandt
pemandtg Dader metten Waerhepde zijn
kan / Dien he upt niet fijn epgen ſub⸗
ſtantie / dat is upt dat zaedt fijns epgen
iijfs vooztgebzaght ende gegenereert heeft.
Cen tweeden / Dat oock Chziſtus Jeſus Merck:
boo? cen Waerachtigh Boone Godts fijns
Vaderg door De gantfche fchzifc bekent *
wordt / Matth. cap. 3. 17. 14. 33. 16. 16.
17. 5. Marc.cap. x- 11. 9. 8. 15. 39. Luce
2. 48. Goan. 9. 37. / Ec. ende Dat niemaut
met et waerheydt pemantg foone zijn kan,
die niet upt fijn fubftantie oft zaet voozt⸗
gekomen ende gegenerectt en fg.
Aengeſien het dan, meer alg klaer is dat
Godt de Hemelfche V
Bader ſijns foons Chziſti is / ende dat
Chziftug cen waerachtigh Soone Godts
fijns Daders is / gelijch door de gantfche
chzift betupght wodt / foo is't daer mes
de baft ende openbaer / Datmen dat getuy⸗
geniffe Joannes moet ongeglofeert cnde
ongebzoocken laten / Dat hy fept dat Woort
ader een warrachtigh
defe twee
egels wel
Hier merkt
dat zaet daer
uyt de wen⸗
kraeht des ſtercken wooris / Door de Windt | Daer vpt hp hem gegenereert heeft / name: sche Chritus
Des Bepligen Geeſts verwepfiet / gp de klaer⸗ lick / ſjn onbevindelijcke eeuwige Woozdt /
hepdt dee menſchelijcker geboorten Jeſundaer alle Dingen doo? geſchapen zijn / alg
Chꝛiſti recht na der ſchzift belennen ende
ſien meught.
Aldus leert ons de H. Joannes / ende
wigheydt is fepdt: Fu den beginne was dat Woozdt /
Dat Woordt was bp odt ende Godt was
Dat Woozdt. Alle Dingen zijn daer Door
gemaecht/ fonder Dat íg Daer niet gemaccht
ban alle dat gemaeckt ís. Fn hem Was
leven : at felfde Woozdt (merckt Dat
gehoozt is.
van den
Vader gego·
nereert Is.
Willen onfen tegenſtrijders dan feggen /
als dat’et Woordt van aenbeginne Geeft
geweeft is, ende daerom geen vleefch wor-
den konde, foo meugbt gp hact teu eerſten
aldus Antwooden : onde het Woozdt
geen bleefchh Worden / als ap fegbt/ foo is
deg Daders macht verkleynt ende fijnen
acm verkozt / daer mede hp alles doen kan
alfoo ín °t beginne wag) is vleeſch gewozden/ |ende magh / Wat hp wil oft boor heeft.
ende heeft onder ong getwoont/ ende wy Ende beeft de Engel algdan ecn balfche
hebben gefien Godts heerlijckheydt / alg de bootſchap tot Mariam gedzagen/ dat hn
beerlijkhept eeng eenigen geborenen banden, fepde/ Dat bp odt geen dinch oumogelijckt
Dader bol genade cnde Waerhent / Joan. en ware, Luce 1. 33.
capitt. 1. berg 14 2
Diet / weerde Leeſer / Daer tijft ong Bonde het Woodt geen vleeſch Wozden /
Cen tweeden mooght ge antwoozden :
‚ Joannes, alg een waerachtigh getupge der | alg ap ſeght / ſoo heeft ong de gantfche
waethepdt/ dat Goddelijke zaet / materie
oft wefen aen (ick ſpreeck't op menſchelijc⸗
ler Wijfe) daer upt Godt de Dader/ De,
Menſche Chziſtum upt Maria ín Der tijdt
ſchrift bedzogen/ Die Daer fonder alle dep
linge / bereeninge / oft uptneminge vant
natuecen / Soonen oft perſoonen / lecrt
ende getüpght/ Chrziſtus Jeſus Godts
boortgebraght ende gegenereect heeft / name: | Saone is / ende dat Godt fijn Vader ís ;
chen dat onbebindeljchte eeuwige Woozt / alſoo gefepdt is.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
u. 1. 11.
Cen derden menght gt antwo
F77
orden
Koude
ã EES
— enn — — —
——
— —
— — —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
memmen ze mm
504 Mennó Symons
Monde het Voort bleeſeh wozden / als op
ſeght / fa getupght de Heplige Schrift t on⸗
vecht dat hp ban boven ende niet Lan
beneden is Goan. 3. zr. en 8. 23. Eph.
4. 10. Dat hp ban den Dader uptgegaen
is / Gaan. 16. 28. Dat boot ende De Hee⸗
te felf$ ban den Hemel ig/ Joan. 6. 35.
1 Cog. 15. 47. De Alpha ende Omega is /
Xpoc. 1. 8. en 22. 13. Ende fulcke ſpreuc⸗
iten meet,
Ten vierden mooght gy antwoorden :
Sonde Bet Waort geen viceſch Worden /
alg qu ſeght / foa moet een ban bepden on:
vecht hebben. Oft gp/ Die daer ſeght dat
bp’t níet Worden cm konde / of Joannes
Die Daer fcpt Dat hp’t geworden is / alg gez
hoogt ís.
Willen ſy dam Wijder feggen/ als dater
woort fijn vleeích door genereeringe van
Marien zade hebbe aengenomen; gelijck ſp
pock doen / meught gp haer ten eceften al:
Dus antwoorden / foo begeeten wy / dat
gp ons met er Schzift bewijft/ waer ’t gez
fchzeben ſtaet Dat een vzouwe genereer:
lijch zaet aen haer heeft / oft Wp feggen /
Dat ’et ban der ouden Slangen glofen ende
leugenen/ ende níet des Beeren Waerhept
ende Woozt ig.
Cen tweeden mooght gp antwoozden /
met alfoo een aennemen beroeft gp den
Dadet Lan ſijnen Sone / ende den Sone
ban ſijnen Vader. Op deelt Chriſtum in
‘twee deelen / te Weten/ goet ende quaet /
in gerechtigh ende ongerechtigh/ in Wes
Merekt wat melfch ende Aertſch Ee. Op wijſt ong
uyt onderte op EEN fondelijcke Creatuere ende onrenn
gen je Offer. Op maeckt Mariam tegen alle
hetkomt. ſchzrift en De gantfche opdeninge Godts /
bende tot Chpiftug Dader ende Hoeder,
&p vicht groote afgoderpe met Adams
creatueriſche / aerdtſche / ende ſondelijcke
vleeſch toe. Malien alle vbzome getungen
Chꝛifti / gelijck Joannes de Dooper / Pe⸗
trũs / Ec. valſch ende leugenachtigh / «nde
u felven tot Antichziſten / ende ſetten de
— Bchaift in twiſt / alg men fien
maah.
Werden den Derden meught ge antwoozden:
heet worden Worden noemtmen worden / ende aenne⸗
in der men noemtmen aennemen/ fal oock an:
Schrifven perg inder Schrift nimmermeer bevonden
men. worden. Belek Chriſtus is twaelf jarigh
geworden hp is't oock geworden / wan⸗
neer men ban den tíjt ſjnder menfchelijcs
Ker geboorten af rekent / Luc. 3. 23 Chai
ſtus is een vloeck gewogden / Galat. 3. 13.
1u ($’t alſoo gewogden / dat hp oock tuf”
fchen twee Moordenaers aen’t Urups gez
hangen (8) Matth. 27. 34 Marc. 15.24.
uc, 23. 32. Water is Tijn gewozden /
Verantwoordinge s
dan door. veranderinge verlooren heeft, Hoe hee
meugbt gr haer ten ecrften atdug antooz: 1E se wer
Den / Joannis heeft'et ong geleert / Dat et woorrs roe
bleefch geworden is / cude hu en Heeft ov gegaen is» is
niet een letter bp geleert / hoe vezre veran·
Deet oft niet verandert / gelijck gp curieu⸗
fen/ díe van Antichziſtus geeft gedreven
worden / fonder alle fchzift van ous hoo⸗
cen ende Weten wilt.
Cen tweeden meught gp antwonsden :
Adam is tot cen levendige ziele gewozden /
1Coz. 15. 45. Bp ig noch ebenwel Merde
gebleven, gelijck De Weste tat hem fepde.
Gp zijt Aerde / cnde gp fuit Weder tot
Verde worden / Genef. 3. vers 19- B ou
Cen derden mooght gr antwoozden: men ve-
Wp behooren meter herten te gelooben hoort te ge-
ende niet met Dat vernuft te begrijpen : Lo7eo sr
Want Paulug ſepdt/ dat et geloove ecn grijpen.
ſeecker wefen is deg Dingen díe men hoopt /
ende dat'et her na die dingen ſchickt / die
men níet en fiet / Webz. rr 1.
Een vierden feo mooght op antwooz⸗
Den: Paulug fept/ dat'et Godt is / Deb.
11.6. Ende Chꝛiſtus fept/ bat hpeen geeft
is / Foan. 4-24. Sophar van ama fepdt /
Dat hp hooger dan Ben Hemel / Dieper dan
De Welle / langer Dan de Verde / ende bzee⸗
der Dan de Zee ig / Job. 11. 8. Ende de
Propheet / dat hp den Aerdtbodem met
Dzie bingeren overſpant / Efaí. go. 12. Oock
De Wemel fijn ſtoel / ende de Aerdtbodem
fijn boetbanch is / Gai, 66.1. Daer en Gelijk
is evenwel geen menfch foo verſtandigh Godt onbe-
‘ende wijs ban Wdam geboren/ Die Defen 3 iPeli ns
Godt ende eeft dooz fijn vernuft vecht aar vicefch
hed / ede fijn geftalte begtijpen woeden fijns
tan. —— —
Daerom waer’t Wel goet/ dat fp haer Brijpelijck.
boogh-vliegende vernuft ín alſulcke onbez
bindelijche Diepe Afgronden baren lieten / Wy behoo-
haer in aldert ootmoedighepdt onder DES oe ogen
Weeren Woozdt bupghden / ende alſoo De ende er
fpzeucke Salomons na dachten: Bie zwa: het vernuft.
te Dingen onderfoechen Wil / fal van de
Wajeftept berdzucht Wozden / Pzoverb.
cap. 25. berg 27. Heeft oock Sprach 3.21.
Ja / weerde Hefer / foo het vernuft neven
defe onbevindelijcke diepe facelie gelden fouz
De ende níet de Schzift / Wilde ich haer
oock wel cen vrage over haer geloove Door
het bernuft boorwerpen / daer fp haer
zwaerlijch fouden upt verloſſen konnen /
ende foude Defe zijn. Oft fp gelooben/ Dat
dat Almachtige onbebindelijche Woordt /
daer van Wemel en Verde bol zijn / Aap.
18. 15. ende oockt deg Almachtigen eeuwigen
Daders eeuwige \ijshept ende ſterlie kracht Hier fet ick
(8 / hem fo geheel en al ín fo een concreto venen
fanguine, gelijck Micron op een plactfe qe: 6 7
ende het is gewopden/ Gaan. 20.9. Toths noemt beeft / alg gelhaogt is / oft alfoo in
bupsbzouwe (f tot een fout-fieen geworz
een corporken van Marien zade, gelijck nu
den / ende fp is't geworden / Genef. 19. 26.|Gjnen gront is, gelept ende befloten heeft /
Want worden (fegge ick) heet wozden / oft niet : Ick vermoede / fp fulien mp mijn,
ende en kan aen geene plaetfen Der gant:/vzage onbeantwoort {aten : Want feggen
fchee Schzife op aenneemen berftaen
worden.
fo dat'et daer geheel ende al ín getweeft
is / feo maken fp een Dader / Die fijn
Willen fp noch al weder haer vernuft woordt / wijsheyt ende kracht ban hem
bolgen / ende ſeggen? Soo dat Woort vleefch{afgedaen / ende in alfo een menſchelijcke
geworden is, dat het fijn eerfte wefen als|zact oft bloet bupten hem beflooten beeft.
Ende
Re
Tegen Marten Micron.
595
Ende ſeggen fp dat 'et daer niet geheel en-,En is alfa na den uptgerichten Dienft fijn:
be alle ín geweeft en is / ſoo maccken fp der Godtlijcker liefden Weder henen opge:
baren epgen gront leugenachtigh en valſch /
want fp feggen en leeren / Datde Soone
Godts (welcke Godts eeuwigh Woozdt
wijshent ende kracht ís) deg menfchen oft
Marien Soone aengenoomen/ende hem ín
een perfoon daer mede bereenight Geeft.
Ick fegge daerom noch eenmacl / dat
het wel goet ware / Dat fp alfulck onmete⸗
liche Diepheden ongegrondet lieten / onder
De Wolcken bleven / ende níet met haet
aertſche domme Lernuft alfoo boven alle
Wemelen henen boeren: Want ich late mp
duncken / als fp de hooghept deg Wemelg /
ende De Diepte Des Afgronts afgemeeten
hebben / de zwaerte Der beegen gewegen
ende de druppelen Des regens getelt hebber /
Dat fp mp Dan oock metter bernuft ſullen
befchept doen / fae unt gronden ende ver⸗
Klaren hoe Dat 'et om deeſer faccken
ſtaet / Die ick oock Bier ober haer geloove /
ront ende leere uptter beenuft ( gelijck
p oock on$ doen) boozgeftelt ende gez
braeghet hebbe.
Gude daerom (8 't Dat ich fegge / dat
ick mp over Defe onbegrijpelijche Won
Derljche hooge facche / gantfchh ende alg
met geen beenuft bevaetbzage/ maer fette
mijns Weeren Woozdt daer / dat he mp
in alle klaechepdt leert / Dat Maria deg
Weeren Macder/ dep Almachtigen eeuz
wigen Vaders almachtige eeuwige Woozdt
(daer dooz hp ’t al gemaeckt heeft wat gez
maeckt 18) dooz ’t geloove ontfangen heeft.
Ende dat De felfde Doo? Die ſtercke Kracht
ende werckinge fijns Wimachtigen eeuwi⸗
gen Geeſts / een waerachtigh fienlijck /
grifpelijctt / Iydelick / ſterffeljck / reun ende
Hepſigh menfch/ niet ban haer / maer in
haer/ boven aller menſchen begrijp gewoz⸗
den is En is alſoo / die alrcede De eerſte
geborene voor alle creaturen was / oock
na fijne ware menfchelijcite weten / de eer ffe
geborene ende eenige geborene epgen Wate
Saone Godts / overnatuerlijckte wijſe Gode
fijnen Mader na den vleeſche upt haer geba:
en / gelijck Yfaac Den Abraham wat Dara :
Salomon ben David upt Bath Seba :
ende Joannes De Dooper Den Zacharie
upt GElizabeth natuerlijcker wijſe geboren
zjn / Geneſ. 21. 2 Weg. 12. 24. Tuce cap.
1. Gets se.
Welcke eerſte geborene ende eenige gebo:
tene epgen Ware Saone Godts oock Daer
tmeede cen foone Abrahams, Iſaacs / Far
cobg Guda ende Davids fijns moeders hal:
ben / (dach in De tellinge oft reeckeninge /
Joſephs / Match. 1. 16. Luce 3. 23.) nae
Ber beloften ín Ber tijdt geworden is Die
Be geeftelijche Wet / Die geen Adams vleeſch
bolbzengen en konde / voor alle Adams
nakomelingen ín bolkomender gerechtig⸗
hepdt upt genaden bolbzacht/ Mom. 8. 2.
ende bloetperſſe des bitteren doodts onfchuls
diah boor ong getreden heeft / fa. 63. 3-
Npac. 19. 15. Daer de Wet ende alle 920:
pheeten op wijfen / ende alle De heerlijcke
beloften Deet onuptſpzeeckelijcker grooter
genaden ende liefden Godts in berbult zijn. |
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
baren Daer hp te booten Wag/ Yoan. 6.62. Rom. 3.25,
Een Wimachtigh Gewelt hebber ende zoa. 4.25.
Heere bepde ín den Hemel ende op Werden / EL 53-t-
Matti. cap. 28. 18. Die ín Dat voorrkomen Heb. Re oaf
ban fijn onfchuldige Doot ende roode Bloet 1. 6. 20. 7.
onfe ceníge ende eeuwige Genaden ſtoel / 25 L-s-1z-
Doen-offer/ Wooge-Prtefter / / Middelaer / ‚Tim. 2. s.
Advocget / ende Vzeede maecker bp Godt « Joan. z. «
fijnen bader gewozden ig.
Ende fiet alfoa behout He Alderhoogh⸗
fte Genadighſte ende Barmhertighſte Godt
ende Dader ſinen roem prijs ende eere
alleene dooz fijn gebenedijde ceuWwige Woort
ende Saone, ende niet door Adams one
repne fondelijchke vleeſch / gelijck onfe tegen⸗
ſtrijders teeven ende boorgeben.
Merclit nu hier mede lieve Teeſer hoe
dat onfe tegenſtrjders door haet. aectfche
vleeſchelhjcke bernuft in Defen Deel bedrogen
worden : CT welck deſe hooge wonderlijckte
faeche niet nader ſchzeift / mact na Det naz
tueren alleene vichten val. Ende daerom
oock nict en gelooven Dat Die Almachtighſte
ſtercke Godt feo veel krachts gehadt heeft)
dat hu fijn eeuwigh Woozt vlecſch ín Maria
wozden laten ende alſoo een waerachtigh
menſch uut haer genereeren konde. Hpt Vyt haet
welcker oorſaccke fp Dit leelicke Batement ef wf
aldus ober mp alfao geſprelt hebben / hoes onte tegen-
wel fp arme tieden ſelfs meer alg Dubbel Lrijders my
zjn / daer toe fp ong geerne hebben ende Aldus be-
maechen fouden / namelijck / valfche Tee⸗PNdett.
vaerg/ ende berkeerde ketters. Want fn
feggen ende leeren ſonder alie ſchzift dat de
menfche Chriítus die voor ons geftorven is
Godts Soone niet geweeften is, dat hy geen
Vader gehadt en heeft. Ende wy feggen
ende leeren Dat hp Godts Saone is / ende
bat Godt fijn Lader is / ende Dat met De
gantſche fchzift.
So feggen ende leeren fander alle ſchzift /
dat'et Woordt een geheel menfch van:
Maria vleefch ende zaet aengenomen heeft :
Ende wy feggen ende leeren met dat opene
baer platte getupgeniffe van Joannes / dat
het Woozdt niet ban Faria / maer in
Maria bleefch geworden is.
Sp beflupten twee ongelijcke perfoonen
ende Soonen, een Godtlijck ende een men-
fchelijck in den eenigen Chrifto, fonder
Schzift: Ende Wp maer cen eenigh ongez
deplt Perſoon ende Soon metter Schrift.
&p feggen ende leeren / den fichtelijcken
Chriítum Aertích te zijn van der Aerden:
fonder Schrift : Ende Wp feggen ende lee⸗
cen hem Wemels te zijn ban den Wemel /
metter ſchꝛift.
p feggen ende leeren / dat hy uytden wereke
onreynen Adam reyn is fonder Schrift: En- war defe
de Wa feggen ende leeren / dat hp reyn ig verfcheydent
upt den reynen Bodt / meter Bchaift. — presgemedes
Op wijfen ons op een doodtfchuldigh |
fondelijck offer fander Schrift: Ende wp ap
een onbebleckt onfchuldigh Offer met er
clhzift.
Sp aenbidden een Adamitiſſche Creatue-
riche vleefch tegen alle Schaift: Ende wp
Dat Almachtige eeuwige woozdt doog
Aff 2 Godd
mn
596 Menno Symons Verantwoordinge,
Gods ſterckie kracht menfche gewozden / boven verhaelt, daer mede fy de Ditalle
— de jd ve gantfche Batid gandfche difputatie. al verloren Beni ay
d omma/ fn ſe J, 4 {yy wat geeft dat
verichricke- epùt ín amg ontepnen fondelijcken za: hadden, ende oock mede dat fy ont tegenn
lijck isonfer Be / re weten , in een meníche, Die na haer ſo menighmael gegrepen waren, er
: % 7 boeck ge-
ter. fabulafefchgijven regen Godtgepgen Woot | gat fy niet en wiften waer henen (eren
looveende gende opdinantie/ van Marien zade oft bloedt | Hibtsenty tier een ebben.
blintheyt. {onder Vader foude gegenereert zijn: Ende! oyt geroert en d
wp ín dat Almachtige eeuwige Woordt / cenigh beleeft woort (alfo te fpreec-
Menſche e ick) in der tijt ſelfs ge⸗ *— ed
_Genr.n wa — alle dingen doo? geſchapen ken) in haer — —
Plal.33-6. zijn / alle dingen Door geregeert wopden/, my aengeteeckent HE A
Joan.r3 alle Dingen in beftaen/ ende beftacn ſullen aenbeginne haers handels ende
pn. 3-9. í 9 at / J
"39 eenwighlijckt. Die de ceuwige Wijster en’t eynde
eben. Keacht ende heerlickthept Gods fijns Dar fchrijvens henen tot a fl ji)
ders ban eeuwighent geweeft is / ende eeu” toe daer op toegeleyt en geltudeer
wigh blijven far) ellen ae, Eis hebben , hoe dat fy my een ſchant-
wigen Dader/ ende den eeuwigen ⸗ RE nf” —
en Geeft / gebenedijt ín ceuwighept Amen. teecken op het — — —
@noverwinnelijelk ende vaſt blft het aenhangen, ende alto de leere, die lit ende be-
woordt: Dat ee: is el bss de reyne leere Chrifti is, by velen |
oan. cap. r. Gers 14. 1 Goan. 1 hes nk canal
® er atrnberzige Benaotge Weere / ver⸗ ſtinckende daer mede maecken
licht de oogen aller blinden / Dat fp u He⸗ moghte.
Ifche Glaechept fien / ende Die Maje— e in |
fien: inwe von vecht bekennen mogen/| _ Mijn woorden hebben fy op veel
Amen / Wiebe Heere / Amen. plaetſen bedroeflijckén verdraeyt,
ende op eenen ongerijmden vreem-
BESLUYT. den fin verkeert. Den haren op
NIet eerfame Lefer hier hebt gy | fommige plaetſen veel toegedaen,
| 84 onfe grondelijcke befchey-| op fommige plaetſen ————
dene verklaringe, ende goede be- ende gantfch op eenen ge eren |
duydelijcke antwoort, op Microns gront ende fin gepronckt. * or-
ende Hermes onwaerachtige par-|deninge des handels hebben 'y ver-
tijdifche Verhael , endeop hare An- andert. Menige onfchriftmatige
tichriftifche valfche leere van Jefu|glofe gemaeckt. De Heylige Schrift
metdere Chrifto den Sone Godts, daer | vervalfcht. Den Vader felve met
hope ick ma mede ick voor Godt ende alle ſij- fijn gebenedijden Sone, gen age
Den ijden Engelen voor vriendt ende des Heeren; —— wen —
de waerheyt „vandt, ja voor de gantſche wij- PET» alle Euangeliften, Apoftelen
— Weede nu ende tot allen tijden ende de gantfche fchrift tot valfche
tot Water, Vyer, Sweert , Doot, getuygen gemaeckt, als men fien
ende oock tot dat volgende ge- magh.
rechte gewillighlijck ende bereyt| Hoe effen vervullen fy de mate
ſtae. haerder voorvaderen, der valſcher
Soo wil ick u dan met alle be-|Propheten die van aenbeginne her 33
leefde Leſers door Jefum recht als door huychelerye de leugen gepre-
voor Godt vermaent hebben, dat ſen ende geleërt hebben , de rechte
gy doch met ernfte nadenckt, wat waerheyt gehaet hebben, ende de
het voor Geeften ende lieden zijn, |getrouwe dienaren ende knechten
die dat verhael met ſijn aënhangh-(Godts gefcholden, haren goeden Peerale
fel ende Articulen alfoo over ons name gelaftert , den „BELTOUWEN prezen geef
befchreven hebben, nadémael ſy dienſt haerder liefden in ’t arghſte wens arie
die groote. weldact foo getrouwe-| verkeert, by Heeren ende Vorften romen.
lijcken in der noot aen haer bewe- befchuldight „ inde leereende rech-
n, foo gantſch ende gaer verfwe- | ten Gods-dienft verhindert, ende
gen hebben. Oock niet een woordt |alfo ten laetften om goet ende bloet
van alle hare klare bekenteniffen gebraght hebben. —*
| a
aen — — — — —
— Rn
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Tegen Marten Micron.
Dat fy my evenwel alfoo gelijck |Leere metter fchrift ondeckt ende
in den dreck getreden , ende met geopenbaert hebben, Wie flechts
haer openbare leugenen-een_alfoo | halve oogen-heeft, magh fien: waer
grooten ftanck by velen. gemaeckt het bedrogh ſchuylt.
hebben; is my een kleyne fake, want | — Bieden ons nu ende tot allen
ick weet wel, dat ick: wel aller: on- |tijden hier mede gewillighlijek her
eere weert zy; dewijle ick van Adam (voor , kanmen ons met een eenigh
geboren; met dat quaet zaet bezaeyt, ongebroocken ende vnvervalfchíte
een arm ftinckende {ondaer ben ;| Schrift bewijfen , dat Adam twee
gelijck fy van aenbegin alle geklaegt| zaden gehadt heeft , daer van dat
hebben, die oyt te rechte van des een reyn geweeft 15 ende dat ander
Heeren glants. befcheenen zijn, onreyn. Oft datde ſchrift heyligh,
maer dat ick evenwel daerom alſoo reyn „ ende Hemelích ergens ge-
‘> een ongeftadiger leugenaer; ende| noemt heeft „dat in hem onheyligh,
ceen liftigh fchalek zijn: foude, ge-| onreyn en: Aertfch is „ oft darter oyt ,
Hier merkt
och wat
lijck my onfe wederpartyen door) fijn leefdagen een: menfchelijck kint ree,
de faemroovigen, leugenachtigen | fonderVader gewecftis oft zijn kane
onbeleefden bitteren Geeft der nij-| Oft datter een vrouwe genereerlijck
digheyt afgefchildert hebben , daer | zaet aen haer eygen vleefch heeft.
wil my de barmhertige Heere ecu-| Oft dat twee Soonen een: Soon zijn
wigh voor bewaren. Aldus heb-|konzen. Oft dar de fchrift ergens
ben oock dit felve veel Godrfalige | van: alfoo een vereeninge feyt, gez
lieden beyde des Ouden ende Nieu- lijck onfe wederparryen dichten
wen Teftaments meet my moeter| endevoorgeven ,oft darter fijn leef.
hoorenende lijden. Chriftusteydt| dagen yemandt eenigs mans waer-
ons een groot loonvin'dentdemeltoes) achtigen Soone geweeft is „ ende die
want her gefchier om fijns heyligen niet uytfijn fwbflantie oft zaet hers
Naems wile, Matth: 5. rr. Buce 6 gekomen ende gegenereert is. Oft
21. Maer dat fy den Sone Gods fooj dat Godreen Godt der leugenen zy;
deerlijcken- fchenden „ de heylige | dat hy den menfthe Chriſtum fijnen
Schrift vervalfchen ‚ ende de arme | Soone noemen ſoude, ende evenwel
onverlichtede zielen met alfuicke| niet fijn ſoone in der waerheydt zijn
openbare leugenen fo valichelijcken| en foude, foo willen wy de faccke
trooften „ende inhare verdoemelie-|met alle danckbaerheyt in: voller
keblintheye ſtijven ende ophouden, liefden vlytighlijcken- nadencken.
quelt mijn ziele des nachts ende, Siet voor Godt, her is de waer heyt
'sdaeghs. Waer uyt ick oock gedre- | dar iekfehrijve.
ven ben dat ick die antwoordt der) Ende ſoo men fülcksnietdoen en
Heere tot ptijs-ende u tot dienfte| kan, alsmen ooek nimmermeer kan,
met. vólder' begeeren aldus gefchre-| {oo moeten immers onfe wederpar-
ven hebbe. tyen (foo verre fy redelijcker aert
Wilde daerom: wel; dat gy met zijn) ons felve: dae recht toewijfen ,
ernfte wildet nadencken, welck een {hoe dat fy de onreyne vervoerifche
reyne, klare ende ongevalíchfte| Leere Antichrifti ende wy de heyl-
gront der waerheyt wy u, ende al-|fame leere Chrifti hebben» Alhoe-
der werelt hier van Chriftus metter { wel wy fo overmaten veel daer over
ſchrift aengeweſen hebben. Ende hooren ende lijden moeten.
daer=en-tegen hoe gantích plomp| Ja waerde Leſer, wanneermen
ende plat wy u, endealle verftandi-| Joannes des Euangeliften fchrif-
ge Lefers oock onfer wederpartyen|ten wel aenmerckt, foo fietmen
Antichrittifche grondt ende valíche |openbaer , dat de Geeft ende leere
F kkff 3 van
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
598 Menno Symons Verantw. Tegen M. Micron.
onter van onfe wederpartyen oock alrede |dryvende in des Heeren werck , on-
Veestn altot fijnen tijden opter banen ge- beftraffelick in den leven ende ver=
wasia weeft zijn. Wantals doe weder \duldigh in alle druck ende tribula-
tiden alrede fpraeken fy het dat Jefus Chriftusde ‘tic (daer mede wy door dat faem-
* Soone Godts was, ende dat hy in't roovige, bloetſchuldige ende nijdi-
vleefch gekomen was, gelijck oock ge oproerige fchrijven enderoepen
defe in hare fchrijven ende monde- onſer wederpartyen niet weynigh.
lijcke befpreck , dat fy met ons hiel- — beſwaert worden) door
den, meenighmael gedaen hebben. fijn genade maken wil. Op dat wy
Waer uyt dan openbaer is ‚ dat’et |ons alfo de gantfche Werelt tot cen
der ouden {flangea fchalckheyt ende |levendigh voorbeelt fetten, vele
bedrogh is. | onfe Chriftelijcke nieuwe wande-
Wil dan alle Godtvruchtige|linge in der waerheydt fien, de
vrome herten, die Chriftum en dat | waerheyt na vragen, boete doen;
eeuwige leven in eenen reynen yver {ende alfoo eeuwigh faligh werden
ſoecken, om des Heeren wille oot- (mogen. DIM
moedighlijck gebeden hebben, dat | Bidde oock ingelijcker maten ;,
fy doch ten eerften voor alle onfe 'datmen defé onſe fchriften niet ledig
wederpartyen beyde van hoogen |in’tverborgen houden, noch {tille
ende legen ftate, geleert oft onge-|by hem liggen laten en wil, maer
pelchriſe leert; rijck of arm die onwetende | datmenfe Ooft ende Weft, Zuyten pacrom is't
leextdatmen Jwaalen, ende van alfulcke valfche Noort in alder menfchen handen
fijn vyanden
‘fcbbe, Jeeraersendefchrijvers, gelijck on- verſtroyen, ende velen leefenende
Ede daer
* Heeren prijs
voor bidden fe wederpartyen zijn, in haer on- hooren laten wil. Opdat alfoode daer mede
Mat. 5.44 boetveerdige roeckeloofe leven op-|Sonne der gerechtigheydt met ha- jen
163 gehouden ende getrooft worden, |ren fchoonen klaren fchijn, diefoo
vyerighlijcken bidden willen, datſe veel hondert jaren (eylacen)) onder
de barmhertige genadige Heere oo- |den Afgrondifchen wafem der An-
gen geven, dat fy fijn Heerlijcke tichriſtiſcher valfcher leere bedeckt
hooge herkomfte fien, ende fijn geweeft is, met kracht der waerheyt
waerheydt recht bekennen mogen, her voor breke, ende onfe heerlijc-
want fy zijn met eenen foo duuren ke ende heylige Salighmaccker, de
ſchat van hem gekocht, op dat’et|eerfte geborene, ende eenige ge-
aen haer niet verloorenen blijve. _|boren, eygen, ware Soone des Al-
Ende ten tweeden , dat oock die | machtigen ende levendigen Godts,
felve Heere my „ende alle onfe lieve Jefus Chriftus eeuwigh gebenedijt
medehulpers aen dat huys Godts „| recht in fijnder glorien van veelen
t'famende geheele Gemeynte met mach bekent worden. Den felven
dengeeftfijnder wijsheyt befchenc-| eenigen ende eeuwigen Salighmaec-
ken, heylfaem in der leere bewa- ker met fijnen Hemelfchen Vader
ren , krachtighin’tgeloove,vyerighjende heyligen Geeft zy prijs; in
in der liefden, levendig in der hope „ eeuwigheyt Amen.
Datum by my Menno Symons den vij. Octobris,
———
EEN
| SEER HERTGRONDELYCKE
(Doch fcherpe)
SENDEBKRKEEF
ABN
MARTINUM MICRON,
SEL VE,
Tot een gantích noodelijeke verantwoordinge
fijnder onbeleefder leugenen, mishandelingen, en onverdiende
befchuldingen, van der Overheyt, Eedtfweeren, &c. Die
hy tot een fo grooten ſchande des Heyligen Godt-
lijcken Woortsende fijner armer Gemeynten,
der gantfcher Werelt om te lefen heeft
voorgeftelt.
| Oock mede tot een fpiegel fijnder verdoolder zielen, om hem felven
recht te leeren kennen , ende dat hy ſampt alle onfer beyder lefers
weten, hoe feer Godtloofelijcken hy mert fijnen {chrijven,
beyde tègen Godt en de menſchen gehandelt heeft.
Op dat hy hem bekenne, boete doe, ende
Saligh werde.
DOOR
MENNO SYMONS
1 Cor. 3.11.
Daer en magh geen ander fondament geleys worden, dan die geleyt is;
Jeſus Chriſtus.
Gedruckt in't Jaer onſes Heeren, M. DC. LXXXI.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
E reyne ware erkenteniffe Jefu Chrifti des Soons Gods in der waerheyt.
D Een heylſaem verſtant fijns Heyligen Godtlijcken woordts. Een nieuw
omgekeert ende verftandigh herte. Een nieuw onpartydifch, waerachtige hande
ende tonge. Een nieuw Godtfaligh onbeftraffelijck leven in de vreefe ende lief
de Godts, met t'ſamen de onvervalfchte, reyne, ende goede aert, natuere,
vruchten, ende falvinge des Heyligen Geefts, wenfche ick u Martine Micron
uyt gantfchen gront m
volmaeckter gaven Is,
ftum fijnen uytverkore
Amen,
ijns herten vandien, diede rechte gever aller goeder ende
tot verlichtinge uwer armer zielen, door Jefum Chri-
n lieven Sone onfen Heere ende ceuwige.Salighmaker.
— ——
Fol 6ot
EEN SEER HERTGRONDELICKE
@ Joch fcherpe )
SENDT-BRIEEF
N
MARTINUM MICRON.
BAER gantſche Schaíft leert
- bende gebiedt / Eerſame
S Martine, Dat wp. lief fulz
Plen hebben den Heere on?
s fen Godt / unt geheelder
RD herten / upt geheelder ziez
e len / upt alle onfen krach:
ten/ ende na allee onfen
vermogen / ende onfen naeften/ gelijckt als
Fev. 19.19. ONS felven. Gn defe twee geboden (fent
Rom. 13.9 Chriftug) hanght. de geheele Wet ende alle
Gals.14- De Propheten/ Matt. 7. 12.21.35. Marc.
12.29. Luc. 10:27.
Het is al liefde / wat de Schrift (feqge
delijck gefichte des vernuſts bp u ware ende Sodts glo-
niet gebeelijck in Uwe berftandt Door haet ms an
(ende. bictechept verblint en laeght) gu mits hey: toecke
ſulcke onfe aenwijſinge / tot uwer beteringe iek mer die
gefchiet / uwe vuple beretterde feeen en doo- PTI 3.
(Delice Wonden kennen ende fien/ ende U (vreeteich)
alfaa met de Pemelfche medecijne ban deg alfoo niet
Meeren Geeft ende Woordt / dooz een op: Gj ea
vechte ongeberwde boete tot Des Weeren
prijs / ende uwer zielen falighent helpen la⸗
ten mogbtet. Hebt gp noch eenige redelijck⸗
hept / foo denckt na wat ick ſchrijve.
Cen eerften is't open baer genoegh / ende
kan noch ban u noch ban eenigen Menſchen
ick) ong leert ende voozdraeght. Wie lief verloochent worden / alg dat op den Al⸗
heeft (fept Joannes) die ig upt Bodt gebo:
* ende die kent —— * ige —
eeft en Kent Godt niet / Want dOODL k
seh wijt de liefe. Eftem wie ín De liefde blijft / Die
ep de liefde. Blijft ín Godt / ende Godt díe blijft in hem /
1 Goan. 4-7. ſonder deſe liefde ig 't altemael
poel ende vergeefs alle watmen oock ban
der Schrift ende Schrifts ſaken Weten / 003
Deelen / ſpzeken / ſcheijven oft doen kan /
1 Coz. 13. 1. rt
De epgenfchap ende vrucht det liefden /
is fachtmoedighept / vriendelijckhent / In is
peaerdten Wiet afgunftigh/ fp en handelt niet fchalck:
vruchten der achtigh / noch bedzieghlijck / fp en blaeſt
liefde. haer felve niet op / fn en foeckt niet Dat haer
is %c. Somma Waer De liefde is / Daer is
een Cljziften.
Nademael Wp dan alfoa Lan de gant:
fche Scherift op De liefde gedzongen Wozden /
ende fonder De liefde geen Ciziften zijn en
kan alg gehoort is / ende gp u niet alleene
een qgemepn flecht Chriſten / maer oock cen
Poorganger ende Leeraer Der ſelbe beroemt /
ſoo hebt gp-u al te gualijcken voozgeſien /
Micronen Dat gp u niet beter met De liefde ín Gods
heeft hem repne bꝛeeeſe bevaet-braeght en hebt / alect gp
metertief® Defe uwe leugenachtige / faemroovige /
Gaade: roemgierige / bloedt-fchuldige/ ende Anti⸗
nietberaet- chziſtiſche valſche vberhael ende Boeck acu
vraeght. den dagh gebzaght hebt. |
Want gp hebt u bepde tegen Godt ende
De nienfchen met uwen fchzijben alfoa bez
efen / afs oft gp nopt uwe leefdagen cen
eenigh letter ban de ongebalfchte cepne aerdt
der ſiefden bekent oft gevoelt en hadt/ gez
tijcht iek u upe lieſden Der Godtlijcker geren
ende fijns Wepligen Woozdts / oock mede
upt liefden uwer acmer zielen / mitg deſe
mijne vermaninge / door des Beeren genade
in een onpactpbifche oprechte canfcientie
aenwijſen ende verklaren fal. Op dat (foo
Baer nach eenigh adem des lebeng/ oft ter
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
machtigen eeuwigen ende grooten Godt /
den Godt des Hemels ende Der aerden / Den
Dader ong Weeren Jeſu Chzifii/ die noch Mal 3.6,
liegen noch bedziegen en kkan / tat een open- J2S +17:
baer leugenaer met uwen ſchrijven gemaeckt
hebt / want hu getupght van Chꝛiſto / ende |
fendt: Dit is mijn lieve Done / daer aen íclt
een goet belagen hebbe / Matth. 3. 17. 17.
5. atc. 1. 11. 9.6, Tuce 3.22. 35.9. Ditisde :
2Petr. 1. 16. ende gp feght dat huꝰt nieten cere die Mi-
is, want gp hebbet metten monde tegen ong KLEIEN
befsent / fchrijvet oock noch aen beel plaetfen nen Cchrij-
Dat De menſche Chriftus (Die gp De menfche- ven gedaen
lijcke nature in Chrifto noemt) / geenen Va- zn
der gehadt en heett. |
Merchit / oft gy miet een Lan de Geeſten
en zijt / daer van Yoannes fept / namelijee
ken/ Wíe Godt niet en gelooft / Die maecht
hem tot een leugenaer / want hyen gelooft
het getungeniffe niet dat Godt van fijnen
Soon getunght heeft / 1 Boan. s. 10. Tiebe
Micron denckt na oft het niee De Wacthepdt
en is dat ick ſchrijve.
Cen tweeden ig ’t openbaer / als dat on
Chziſtum / Die de eeuwige waerhendt is / Joan. 14.6.
each ín gelijcker maten tot een openbaer
leugenaer met uüwen fchzijven gemaeckt
hebt: want hp befkent meer als t'ſeſtigh oft
t ſeventigh mael bp Idannem / dat hi de
Soone Godts ig / ende Dat Bodt fifn Dader
Íg.. Dat hr ban den Wemel neder gedaelt /
ende ban Den Wader uptgegacn fs. De
eenige geborene Soone Godts is / Ec. En⸗
de gu fchzijfe ſtout ende openbacrlijctt/ Dat
Gp ’ niet en is, Dat hp na fijn menſchelijckt Dit is ge
wefen geenen Vader gehadren heeft. Dat hn eere die Mis
van Maria vleefch ende zaet is, van Der Aer- Cron den So-
den is, ende Abrahams ende Davids natuer- ief finen
lijcke Soone ende Zaet is. Schrijven ,
Merckt of ap niet Cen Ban De valſche hier gedaen
Leeraers ende Propbeten en zijt; Die dent
Heere verſaecken Diefe gekocht heeft / 2 Petr.
6ggg 2,1. Tieve
enne
— — — Elte ip *
—
602 Sendt-brief door Menno Symons,
cap. 2. DS. 1. Liebe Micron Ddencht na/ oft
niet de waerhent is / dat ick fchzijve.
Een Derden ig 't openbaer / dat gp den
Wewmelfchen bode / den Engel des Alderhoog⸗
ſten / TLuce 1. 31. Den flechten eenvoudigen
Nathanael daer geen bedzogh in was /
efoa. 1.47 Goanneimden Dooper de aldert? |
heplighſte van vzꝛouwen geboren / Matt. 11.
Ditisde 11, Martham een Weerdinne ende dienareſ⸗
eere die en ſe des Heeren Luce zo. 38. Petrum den
iigen getrouwen Werder Der Scijapen / goan. 21. |
Heyligen
|
15. Goanner Den Apoſt
Godts met
uwer eeuwiger ſchanden te hoope gedzagen
haddet.
Maer het is een out ſpreeck woozdt gelijkt
De Werder voorgaet / alſoo volgen De ſchapen
na. Necht fepde Chziſtus: ſoo de eene blinde
Ben anderen lept / valten fp bepde in den
gracht / Matth. 15. 14- lieve Micron dencht
na/ oft het niet de waerhept en íg dat ick
fcljzijve.
Cen vijfften íg ’t openbaer / dat gp oock
alle uwe Leſers ende toehoorders / Die
Eel / Dien Jeſus lief, uwe fchrifcen gelooven / gantich jammers
fijnen Cchrij- hadde / aan. 13-23. 21. 20 ende Pamlum lck bedrieght ende om haer acme ziele
ven gedaen
heeft. bat uptverkoren Bat, Actoz. 9. 15, tat OPEN?
bare balfce getupgen met uwen fchzijven |
gemaechs hebt: Want fp getungen alte met |
malkanderen eendrachtelijekt / ende Dat,
fander eenige Deplinge Lan Godthepdt oft |
meufchepdt / Dat Chriſtus Jeſus de Saone
Gadig is / ende gp fchrijft openbaer / dat
hyt na lijnder menfcheyt niet en is,
Grenget: Want Gee is vooz den Heere / Die
de vpervblammige oogen heeft / boor u ſelben /
ende Booz ong allen (die daer bp geweeſt zijn)
openbaer / alg dat qu de ſaecke im Den gront
at derlooren hadt / noch tcooftgpfecbenwel pitis de
(met alſulcke geftoffeerde leugens, gelicht vracht die
Micron aen
ader valſcher Pzopheten aerdt ende wijſe is oan ref
nge 6 N 5 ijnen lelers
Daer mede gp haet na het lupden Gau Foa: en toehoor⸗
Mercht / oft op niet een Dienaer Ban dat | neg leere / bepde ban den Dader en Den ſoone Ed *
grouwelijche Beeſt en züt / dat ſijnen berdoft / Yaa. 2.23. onder Ben tooruen blockt In
7 t \afteringe tegen {Gehoudet! Yaan. 3. 36. zijn in Godt niet / befchickt
— —
mont geopent beeft to
—
—
— ———— —
J — —
— ——
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Godt) om te lafteren fijnen naem ende
fijnen Cabernakel ende Die in Den Hemel
woonen / Apoc. cap. (3. vers 1. Lieve
Micron dencktna/ oft het niet De Waerbept |
en is dat ick ſchzhoe. er |
Een vierden is ’t openbaer/ dat gp u eps
p , !
gen Broeders / Die mede in Ben handel Waz
ren/ ende der ſaecken (eplacen) geen graat Mat: pn an?
hee niet de waerhept en is dat ick fchzijve.
verſtant en hadden / tot alſoodanigen getup⸗
gen gemaeckt hebt/ als die Chriſtum /
Matt. 26.60. Stephanum / ende Naboth ín den doodt
Marc, 14: 56. getupgohden (foa fp u anderg in uwe onrecht· |
ge à à Jk
Nerd Veeedige/ partijoifche tchzijven bewillight
hebben / dat ick nochtaus nict en hope) Want
gevechtigen Icſabel ende den Schziftgeleer⸗
den te wille) ſtonden / alſoo ſtaen ooclt Dele
door uwe bekallinge upt haet der waerhept /
u ende uws gelijcken te Wille tegen mp (ick
nen evzen ſegge fa fj ſchult hebben) om mp een fchande
broederen acute hanger. Al⸗hoe wel fp uwe beliente⸗
BEC wife van dat brouwen zaet / daer in de gant:
fchriiven 8 ſche grondt ſtaet: Oock van twee Soonen in
Chrifto , ende Dat De gekruyfte geenen Vader
pie anders OEE naefte Vader gehadr en hadde. tem / Dat
getuygen QD ons gan det vepnighepdt Chꝛiſti gantfch
dan iy ge- geen Be weeringe en Wift op te brengen / daer
hoort en8e- ede gp beſtaen kondet Geen antwoogdt
enzijnniet ep alle onfe gelefene ſchziften geven en kon-
se bee det / daer mede Wp beweerden / dat de ge:
waerheyt. heele Eheiſtus Godts Saone was: Oy een
ſchriſtlooſe brꝛage viel't / Diemen u alſoo be⸗
antwoorde / Dat ge gantſch geen uptblucht
meer behouden en hadt / dan alle tijdt van
Dat cerne op datander liept EC. met haren
epgen ooren ende oogen ſelve gehoorde ende
gefien hebben. Pa datmen immers feggen
foude/ foo ſo licden waren / Die Godts gla:
rie ende uwe falighepde Lan heeten fachten
(gelijck wy in Den eerften aenkomft verhoop⸗
ten) ende oock haer eygen eere lief hadden /
Wie fijnen BAL fp u voor alle menfchen moeften beſchul⸗
naeftenin’t digen / hoe gp niet De onpactijdifche Godt⸗
gelijck Die upt hact DEE waechent tegen den |
Ditisde
eere die
Micron fij-
onrechte
piet en ftraft geyfefje leugen ter oneeren uws naeſten upt
noch Gadt ín haer r Gaan. 4. 15. Ober: heeft.
winnen oock de Werelt niet / 1 Goan. 5.4.
want fp en gelooven niet dat Jeſus de Sone
Godts is / alg gehoozt is.
Merclit oft gp nict een ban de geene en
zijt; die Dat Fiche Der Hemelen vooz de
imenfchen toefluntet / als De Heere fepdt/
mdacth. 23.12. Nieve Micron denckt na of
Cen feften is t openbaer / dat gp niet als
cen cerlijck / deughdelijck / Godtfaligh ende
broom Chꝛiſten / maet geel meer als cen
oneettijcht / fchaemloog / onbeleeft / ende
bloetfchuldigip Coryceus , ofte. verklicker
neffens fommige van den onfen / ende oock
neffens mp / met uwen fchzijven gehandelt
hebt: Want het ís openbaer / dat gp den
armen onnoofelen man (Dien gp Wel kent)
gol naals een Leeraer op het Megifter ſonder
alte waerhept daer gefer hebt / Dat hp doch
niet en is / noch oock níet geſchickt en is /
om immermeer te Woden. Baert mede qu
hem of fijn acme klepne kinderkieng (foo het
de Veere anders niet en voozſiet) bp avon:
tucen wel om fijn ganefche Welvaert / ja ont
ſommige dupfenden gefchzeven hebt. Dat
qp op alfoo een Wijfe metten onnoſelen fulc
handelen, en heeft u des Veeren Geeft niet
gevaden.
lijche waerhept / maet De partijdiſche Dun⸗
Ja weerde Micron, ſoo gu flechtgeenen pit is de
vzomen dzuppel bloets aen u gantſche lijf gez vrucht dee
hadt hadt / dat moeſte hem ober den onnoſe⸗ ——
fen zwacken kreupel erbermt hebben / dien onfen broe-
ge nu beo, ſijnen getrouwen dienſt der lief⸗ deren met
den upt hertgrontlijcker Chꝛiſtelijcker mep: — ——
ningen aen wende Den uwen foo gewilligh⸗· beweten
ifelt bewefen / aldus na uwe wijfe (eplacen) heeft:
goor de gantfche Werelt gedancht bebt.
Dat felve hebt gp Den anderen oock gez
daen / die u hupfinge/ koft ende dzanck
| gefchencht / de uwe met graate ſorohvuldig⸗
|
{
Gepde ín De Stadt gevoert hebben; plactie
befchicht; ende ale deughdelicke beleeft:
heydt ín vepnder liefden aen haer gepleeght
(hebben. Oft dit een werck Dee ongevalſch⸗
Chꝛiſtelijcker liefden is / Die niemandt
die haet ſijn enckel haet ende nijdt gedichtet / ende tat Let geen
| r
ziele,
Aldus heeft worp weeghs gewefen (Die oock Hermes een | met fijn
Micron fijns
Geefts aert
oock in de-
fen deel aen
my bewefen.
Bverheyt,
Micron
heeft meer-
der Over-
heyts gonft
als hare zie-
Jen gefocht.
Jud. 16. 25.
Matt. 22, x6 ·
Aen Marten Micron. 6o3
wepniger{ dede / upt Godt geboren werde / dat hp oock
oet/ magh cen Chziften met deg Weeren) alsdan een untverkoren heplige ende kinde
Geeſt ende Woordt nadencken. Godts ware /een medegenoote Der genaden/
Maer beneven hebt gp oock mien wads| een Geeſtelijck lidt aen Des Heecren lichaem
ninge / díe ick tot Dier tijt hadde / fijnop een met fijn dierbaer bloedt beſprenght / ende
P. Geeft gefalft / cen levendigh
onnoofel kindt upt Den halg halen moefte) | Coopmken aen Dat bzoot Chꝛiſti ende een Wiecen.
daer gp wel weet / Datmen alomme upt enc⸗ Crfgenacm deg eeuwigen leens. Ende dat goot, die ©
kel haet dee waerhepdt onterdient na mijn Dan foodanige een noch ban een ander doodr een
doodt ende bloet flact. Daer mede gu Doch | Chriſten / die ín Chriſto Jeſu een beet / tbs
niemandt ter gerechtighept leeren / noch Geeft ende ziele met hem ware / foude aen
geenen onverſtandigen onderwijfen en kon: Det galgen gelangen / oft op een radt gez
det. Ende dat werck ín hem felven níet eens Wozpen / oft in't bper geftooten / acn lijf oft
wedergeboren Chꝛiſten beleefthept ende lief: | goet gekrenckt Werden / foude mp na de
De/ maer becl meer een onbarmhertigh / medelijdige / barmhertige / goedige actt/
weeet / afgonſtigh / hatigh / wolviſch / natuere / geeft cnde boozbeele Chziſti des
bloetfchuldigh herte / ende een verklickigh bit: | fachtmaedigen Hams / dat hp om na te
tec gemaedt afmacldt ende voordzaeght / bolgen alle fijne uptberkoren kinderen bez
gelijck De gantfche Werelt diet leeft / rich⸗ volen heeft al wat felcfacm ende wonderlijck
ten ende feggen moet. toe fchijnen. det 3
Oft gp dit aldug door de barmhertige | Wederom / foo hp onboetveerdigh is /
medelijdige / getrouwe / ongevalſchte ende ende men hem evenwel fijn leben neemt / Vie cen
repue Geeft Chziftí alg een Godtfaligh | foo en Doetmen anders nict / dan datmenſe 85*
Deugtdelijck man/oft of gp ’t dooz de bande tijdt Der boeten Die hn noch (foo bhp bp aie werp:
onbacmbertige / tpranniſche / trouweloofe/| den leben bleve) doen moghte / onbermherte⸗ fijn arme
balfche ende ontenne geeft Antichziſti als lijck bevooft / fijn acme ziele/Die met fo Weer: ——
een ongodtlijck ende oñnbeſchaemt verſpieder den ſchat gekocht is / den Helſchen Dupbel
gedaen hebt / ap dat ick bedzoefde oude man / | onder dat ondzaeghlicke zware oordeel / ſtraffe
ín ’t berdziet komen moghte / wil ick u epgen | ende toorne Godts terannioblijch op offert /
zícle/ alg boo? Godt / die heeten ende nieten | dat hy die onuptleffchelicke beant / Dat berz
proeft / in Chzifta sgefu te bedencken geben. teerende vper / De eeuwige pijne / Wee ende
Mercht oft gp niet een Van den geenen en | doodt eeuwigh ende eeuwig) lijden ende dza⸗
zijt / die ín Gare herten feggen : Hu ís ons gen moet. Niet eemnael aenmercltende/ Dat
Zwaer om aen te fien / want fijn leben en De Seone Des menfchen / die daer fepdt:
Ichickt hem niet met dat onſe / Sapiens 2. Heert van mp/ Matth. 11,28, Ick hebbe
14, Wiebe Micron denckt na oft niet De waer⸗ U een exempel gegeven / Joa. 13. 15, Boloht
hept en íg Dat ick ſchrhve. (mp na/ Matth. 16.24. niet gekomen en is
Cen febenden is t openbaer / dat gr oock om De zielen te verderven / maer faligh te
deSvberhent die gemepnlijk fo gantſch ſtout / maken; Matth 18, 11, Luce 19. 10.
hooveerdigh / eergierigh/ opgeblafen/goets, Siet dit was aldug De geent ban mijn
dunckigh pratigh/epgenfoeckertjch/ aertſch | onnoofel woordt / dat ick wa Den flijl ende
bleefchetijlk/ ende een deel oock feer bloetgie · Geeft des Euangeliums Chziftiupe een onz
righ zijn / niet wepnig met u ſchryven in haer! gebalfcht oprecht herte / op Dietijt tot u gez
onboetveerdige teven ſterckt ende voozſtaet. fpzoken hebbe / daer ober gp nu deſe Gate:
Ende op dat gp hare gonft deg te meet vin⸗ Icke verwe foa leelicken baoz alle menschen
det ende De eere ſoo beel te grooter inleg⸗ hebt aengeſtreken, Geeft upt/ dat ick veele
gen moght / fa moet fclt De ellendige uwe ver⸗ vroome Overigheden tot meníchen - moof-
blíndede ende gevangene Simſon zijn / Dien | ders make. Dat ick de Boeven in haer boos-
ap tot cen fpot en gacpfel Lao? der Philiſteen heydt voorfta, ende ruymtegeeve, &c. Wat
Bo ſien ſpelen ende, Banfen Tact / hoewel ick Geeft Dat u deſe benijdinge ober mijn een:
nopt mijn leefdage cen onbeleeft Woaozdt| voudigh flecht woordt aldus geleert heeft /
tegen de overighept oft tegen haet ampt ende Wil ick u ſelfs te bedenchien geben. Och
dienſt geſprolen en hebbe. Micron, gp maeckt het al te leelick, Want
Ick hebſe van aenbeginne mijng Teer· wat doet gp anders / Dan dat gp Chziftum
ampts in getrouwer vepner liefde / Ja upt Jeſum (wiens voozbeelt ick ín Defer faecken
dat alderbinnenfte mijnder zielen boor De volge) felbe met Dit uwe ſchzijven fchelt ende .
verderbinge haerder armer zielen in myn ſchent / Dat hy dat overſpeelige vrouken / Chriftus
ſchriften Broederlijclt gewaerſchouwt / haet Die alreede door Moſes Wet gerichtet was / geeft, aert
aïtijdt tot een Godtſaligh / boetveerdigh Leb. zo. ro, Deut. 22.22. tot Der boete weeg / ——
Cheiſtelhek leven vermaent. Op Ehziftug | ende onveroordeelt liet henen gaen/ Joan. 8. wijt, en kan
onbeftvaffelijche Geeft / woordt, gebodt /| rr. Oock mede Den getrouwen Paulum / nier bedrie-
berbodt/ ozdfnantie ende baogbeelt metter Die den Corinther die bepde na Moſes en EET
Schrife geweſen. Ende dae gn mp uwe, Decr menfchen opdeninge Den doodt Verdient > Gor. 1*5
Phariſeuſche ende hHerodiaenſche vzage booz⸗ hadde / níet hooger ban metter afſonde⸗
ſteidet ban der Overhepdt / en heb ick anders ringe ſtraffen en liet / daer mede hy hem
níet tot u gefepdt / dan Dat een Overhendt / ſijnen Godt wan / dat he met u dooden
Diemen metter waertepdt cen Chriſten noe⸗ nimmermeer en Konde gedaen hebben.
men moghte/ dat bloetbergieten qualijcken Tiebe Micron , Denckt na of ick u niet recht
aenftaen foude, Oozſaecke: Soo Die miſ⸗ en fchzijbe.
Dader een oprechte boete boor fijnen Gode) Ach en twijffel —* niet aen / alſoo
gg 2
en quuaet eit Wenfcht/ noch
Wie een
Microns
neerftigheyt
om my by
der overig-
heydt nock
meer hatigh
te malgen.
merz
nigh
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
2
ke
mn En mn
0 Ie 7 —
604 Sendt-brief door Menno Symons;
nigh vedelijck menfch alg mijne fchziften | 3 dan Lepſer oft Koninck: / oft wie hy 3D.
keijght te (efen / ende maer een wepnig} Want defe vermaningen ſtaen gemeyn: Die
geſichts in dee Schzift en heeft / moet ſeg⸗ geſinthept zp in u/ Die geweeft is in Chꝛi⸗ —
gen hoe ick niet onbillick / maer vecht ende ſto cgefu/ Phil, 2.5. Ende die Daer ſept dat nier ge-
Ehriftelijck daer aen geſproken hebbe / hoes | hp ín Chꝛiſto blijfe / die moet wandelen ge⸗ seyt wort.
wel ick (eplacen) Dufdanige leelijcke groez lick hp gewandelt heeft / 1 goan. 2. 6.
te gan u daerom hebben ende hooren moet. Ende fiet alſoo bewijft gu met ’er daet /
De Piftorien wijfen aen Goe dat Die van (naderwael gp de Overhent nu wederomme
Dele open- | gcedemonien (dat openbare {Pepdenen wa: op Den ffcaffenden Mopſen / ende niet op
bare heyde- on) geen mifoaderg meter doot en ftcaf- |den ljdenden Chriſtum en wijff) haer fijn _
na dat jeucken haerder ooren / ende na De 2 Tim. 4 5
men Micron ten / maer fin hebbenſe met boepen ende Lan’
endefijns den bewaert / tot den atbent gehouden / luſten Gaecder heeten te ſpzeken ende lees
gelijcken. ende hebben noch wel ſommige van den ſelf⸗ | ven. Ende alfa hare pdele/ hooveerdige /
Den / alg fp Daer natuerlijcke vzomighent / | prachtige / ende onbarmhertige vleeſchelije⸗
beenuftige kloecke aenflagen/ raet / daet / ue leben / dat hem foo gantſch qualijcken
eerbaerheyt ende tucht aen bebonden/ tot [met een onnoofel / berbzoken / ootmoedigh /
hooge Ampten beroepen ende verozdineert. barmhertigh / medelijdigh / Godtſaligh en⸗
Die bloetgierige geeſt van moorden EN de wedergeboren Chꝛiſten (Dieng wandes *
heeftſe miet gedzeven / gelijck fp nu wel ſom⸗ linge in den Wemel is) ſchicken kan) Ja Phi. 3 2e:
mige ban den Pzedicanten ende Schrijvers feggen / dat gp een boodtlijck baande haer⸗
Doet / Die haer den gekrupſten Ehriftum Der armer zielen zijt ! ende niet bp haet en
ende fijns Ampts oft Dienſts roemen der | Doet / alg cen vecht gefonden Bode Godts Microns
ven / Die niet alleene de geene Daer over de na dat behooz fijns dienſts toeſtaet. Want —
Wereltlijcke Policien ende rechten gaen / fp bouwen den wandt / ende gu plachtie Overneyr is
gelijck Dieven / Dootflagerg /_Caober met valſch kalck / Ezerh. 13. 10. OU ſeght haerder fe-
pietot maerg/@%c. Maer oock wel De oprechte trou⸗ | haer enchtel vzede toe / Daer geen vrede en IS / —
Be dooden we kinderen Gody / die Chꝛriſtum Jeſum en⸗ er. 3. 8. Lieve. Micron denckt na / oft het “PCO
gefintzijn De ſijn heylige waerhept upt alte haren krach⸗ [niet de waerhendt en i⸗ dat ick ſchzijve.
en — ten foecken / onſtraffelijck boor de gantfche| Dat et be waerhept is / bewijft gu gock gedefwee-
geeft niet. Werelt wandelen/ om lijf ende goet fchzijven/ mec uwe onfchzifematine gloferen ban ben ren.
ende fonder alle barmhertighept den bloet: |Gedt wel, Want Ehziftus fept : Gp hebt
verwigen Scheep-rechter upt enckel haet [gehoopt Dat tot den Ouders gefent is: Ghp
Der waerheyt (om Dat fn hare gervoerifche en fuit geenen balfchen &edt HOEN, iaer
leere) ende valſche Sodts dienſt na Des |ghp fult Godt uwen Gede houden. Maer
Heeren woort mijden / tot pijnigen / water / ick ſegh u: Dat ghp in geendertep Wijte en
bper/ ende Sweerdt ín de handen ſtooten (fuit zweeren noch bp den Wemel / Want ff
derven / ô Heere. is Gode ſtoel / Ec. Matth. cap. 5- 34. Enz
Dat ick hier aen De waerhent fchzijve / de ghy Micron feght / dat hier niet dan de Microns lee-
en zijn niet alleen De Papiften ende Luter⸗ lichtveerdige ende valfche Eeden verboden lijke playa
pelt bloet- fee Schpijverg/ maer oock uwe alderhaog” jen Zin. Hecht of Moſes Afeaël toegelaten
Schrijvers _ geachte voorgangers ende broeders Joan- hadde Dat fp wel lichtveerdighlhcken ende overheye
pl nes Calvinus, Theodorus Wefelinus Beza, | valfchelijcken zweeren mochten / en dat ons ——
ick de waer- ende Joannes à Laſco boeck / op denn Brucks |nu Ehriſtus in dat Nieuwe Teftament dat — —
heyt ſegee · gebracht / maer doo? ſommiger lieden tegen: | felbe maer verboden en hadde. Hoewel het
| ſprelien Wedert afgehaelt / boor u ende De | LOOF alte beenuftige Leſers openbaer is /
ERE (EE gantfchje Werelt mijn getupgen. dat’et oock Iſrakl om recht te zweeren /
EE ega lieve Micron foo gp ende fr unt Godt [niet alleene / toegelaten / maet oock geba
cboren waren / ende ban des Heeren Geeft den Was / Heb. 19. 12. Beut, ro. 20.
| gedzeben werden / dat foete Woozdt Godts Hebben dan de Iſraeliten ende WP een Micron en
WEE EN en de keachten deg toekomftigen Werelts gelijchte beyhept hiet in gehadt / als gp wilt / marek: zeen
—9 | gefimaeckt hadden / mimmermeer en foudt ende gt een alſo heerljclken werck ende Prien
KN qp den Godevzuchtigen alſo bestwaren/ gez eere Godts / vecht bp Godts naem te zwee⸗ Mofen ende
—9— Dienst gcn qp met uwe onwaerachtige valfche ren / gelicht qp floutelijck tegen uwen Godt Chritum
ij Gode seh ſeheijven nu gedaen hebt. liegen derft: feght lieve / waerom en heeft Ve Eet
iN yveren op bol — ín eenige bloedt hande⸗ [Ban de wijshept niet gefent: Gp hebt ge: BAE
mn an geen bloet. zen ſihben /oft ſtercken / maer wel tot dat hoort dat tot den ouders gefent ig: Gp en
4 weerlooſe ſachtmoedige Lammeken wijſen / ſult geenen valſchen Eedt doen? Alfa ſegh
| | LI ende de dooden hare dooden begraven laten. ick u/ ge fuit nu oock fo doen / daer hp nu
J— Denclit na wat ick meyne. gefept heeft: Moſes heeft 'et geboden recht
B Im Pat deg Oberighepts Ampt upt Godt te sweeren / maet ick fegge u: Gy en ſult |
LIN. MarS.11: (9) ende Godts odinantie is flae ick met in geenderlep wijſe zweeren. O Godt welck wier wit |
| me ved 0 older herten toe. Maer die een Ehriften | een verdrzietelijck jammer 18 t/ datmen al Micron
Ek IE | Rom.13er (8 / ende zijn wil / ende DAN fijn Doft/|dufdanige heldze klate woogden des DOON meefter zijn.
Hi rTim.8.1. y : î p mek EF -
We | Ti ooft / ende Voorganger Chriſtum niet en Godts / Die atme pleefchelijckte Overighept
NI s Pel, 3. Glane iaer alfijn ongerechtighept / ftou-|te wille (die aerde ende ſtof zijn) dus deer:
Ik | tighept / pzacht / prael / gievighent/ roo⸗ lijcken vervalſchen / ende met den ſtincken⸗
| gen ende tpraunpe/ met dat woort oberig: den dreck Det flangifchen glofen overſtrijc⸗
Gent oppzoncken ende dechen wil / haete | hen fal/ gelijck Muículus ende gp gedaen
| ick: want Die een Chziften is / moet Ehri⸗ hebt. Poe wepniah bebt gu’t woort Ha:
fti geeſt / woort ende voorbeelt bolgen / hpgedacht: Dat men Godt meer wa de
4
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Aen Marte
hoorſaem zijn alg Den menfchen / Neto?
cap. 5. vers 30.
Aengeſien het dan meer alg klaer is / dat
ons CEhꝛiſtus Jeſus De Leeraer der gerech⸗
tighept / van Moſes Eedt afwijft / dat oock
een Eedt der waerhendt wag / ende des Hee⸗
ven aem gefchiede/ Dien gp dzijft / en den
Teſer hoogh aen pzijft / en dat op waerach⸗
Joan. 17.17. tige fa ende neen wüjſt / ende ick wel weet /
Joan. 1259. Dat fijn WDoogdt De waerhepdt / ende fijn qe:
bodt dat eeuwigh leben is / foo ben ick oock
ban herten vzpmoedigl ende koen / dat fel:
be onveetfaeght alfoo te leeren / waerachte⸗
ſijck geloovende / dat hp ong met fijn leere
niet bedriegen en fal.
Ende't ig mp Lan herten een breughde /
datter ſulcke getrouwe kinderen ín der waer⸗
Den worden / Die berept flaen /
bodt ende getupgeniſſe
et te berfegelen / hoewel
pat Micron
fchande
keeret isder hepdt gevon
waerheyts Des Weeren H. Ge
— met haer goet eit blo
ick een foo grooten verwijt daerom ban u
hooren moet. Pek en twijffelc oock niet /
fp ſullen ín Den dagh
pefe getuy- *
Kraanen zijn / Want ſy u ende De gant
gen ſullen
Microns
oordeelders
zijn.
vervoerde licden bp u zijn moeten
Doe fp De Waer
waren afg viermes , ende gp ME
feggen ende Schijven u tegen WD b
hebt / ſoo en ſoude
ridderlijck gemoet
hare waerachtige ja ende neen
men wel gewiſſe.
Nademael dan open
Chꝛiſti een Deel mijnder
fche
Werelt tot een getungeniſſe lijden / om uwe
bedzieghlijcke leugenachtige hert ende tonge
ín bolder liefde te beftraffen / Dat gp fult
nadencken / hoewel fp (eplacen) alſulcke zun
heydt niet getcoutwer en
t uwe Na
cwefen | Datmen upt geooter bangighept fijnder cone
n fp miet met alſulck een
tot den bloede toe over
houden / Weet
haet is / dat ſy alſoo bedzi
n Micron. 605
deure om alſulcke vrome herten te berooben / valtche
ende Den bloetgierigen om te moogden open leer is ig
fettet / wil ick alle onpartidiſche vedelijche Be loan
leferg oockt mede u epgen ziele midts Defen te oosfake.
bedenchen geben.
Ja weerde Micron , foo gp een Han de
rechte Sendtboden ende Dienaers Chzifii
waert/ dieg qp u (eplacen) Wel ftoutelijck
roemen derft / foo foudt gp biliijck de Ohe:
righept / die gemepniijchen foa ſeer hoogh
ende ſtout ban herten /ende fo gants vleeſche⸗
lijck ín haer leben zijn / op ecn waerachtige
rechtſchapen boete wijfen Die boor Godt
beftaen mocht / haer deg Geeren Geeft / actt
natucre/ ende Woort/(foa gyſe anders
haddet) vecht in beelden / algdan ſoudet haet
de ſalbinge oockt fander eeniges menfchen „Weeren.
vact ban felfg mel teeven / hoe (jp haet in al- Boere is, daer
fulcke zware fachen deg Bloets / deg Cedt? is oock cen
swcereng / en ander dingen meer / hebben ws aid
ende fchicken fouden. Maer nu moet “°°
(entacen) Bat achterfte altijt boor ſtaen / op
datmen doch wat hebbe / daermede men ons
vooz de roockelooſe blmde Werelt beſchuldi⸗
gen / ende boog ongeſchickte eden uptroepen
lende fchelden kan. Och Martine , uwe
Scozpidenſche angel ende Leeuwen tanden
in al te fcherp ende nijdigh: Want uwe
fenijnige doatlijche fielen ende bpten zijn
(eplacen) al te beel.
Segget/ wie is dochs daermede berkozt
ſcientien (dDewijle het van des Heeren mondt
| verboden is) niet zweeren en derf Wanneer:
[men de oprechte waechepdt alg de faccke
epfcht evenwel getunght / ende fonder alle
egerpe Daer Doet ?
| vaſie aen dat onbedzieghlicke Fa ende Peen
hangen/ dat ong ban C
Matth. 5. 37- Hac. 5.
ende bloet laten /
dan zijt overtreden foud
Den Sedt en wordt immers upt anders
ſaecke gevordert noch gedaen / dan
Dat fp liever goet Dacmen De rechte waerhendt tupgen ende
en. ſeggen ſal. Machmen dan geen waerhendt —— F
hriſto bevolen is / geen ooz
12.
oet ende lebe
Ende haer gantfche gem Ì
doch altijdt
ſelfde Ga ende een (
waerheßdt) boor Godt ende Den men
n/dat feggen ofmen moet zweeten? Seggen Íp Leyt woe
ín Der oock alle de waerhendt Die daer zweeren?
ſchen Immers moet gp mp tot dat eerſte ja / ende
gelijcki 18 / ende De felfde Daeromme 1
pe bloet. Root komen) ofc nu ick ende onſe lieve mede⸗
fchuirder Droederg aen alſoo een onnoofel vꝛoom bloet
gerechtigen fchuldigh zyn / om dat Wp haer met De |
enfalniet Tracht Des Woozts in De WP. Geeft upt de leu⸗
vande bee gen in dee waerhepdt / umt der ongerechtig⸗
waerheydt hepdt ín Det gevechtighepdt / upt det Dup:
viert ſterniſſen in't licht / ende upt dat onde ſon⸗
Het jeugenen Delijchie leben Der Hodtloofighepdt in Dat
zeeeyicht hoetveerdige nieuwe leven Der Godtfalig-
werden. hept/ Daer op Moſes ende Chriſtus met
alten hare Propheeten / Upoftelen / Offer:
handen / geboden / Verboden / Ceremo”
nien ende Sacramenten eendzachtelijck
wijfen / dooz deg Heeren hulpe ende ſtercken
kracht geboert hebben / oft of gyſe met
tfamen uws gelijchen oorenpzekers ende
bloetfchrijverg / die alfaa een krachtige leere
upt deg Heeten epgen mont gedreven / LOO?
sen openbare becboeringe/ ende alfulcke
dappere getupgen ende H Chꝛiſti / Die lieber
ſterven / dan fin een woordt van des Heeten
geboden moetwiliighljcken overtreden of
bumten hate Ga ende een doen fouden /
boor verboerde lieden ſcheldet / daermede JP
dan de goetgierige overhepdt cen fijn CUPRIE
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
1u in tot dit laet fte Neen (eggen.
is dat Moſes ae
| Gg
Is dan de Eedt niet de waerhepdt felfs /
Die men getunght/ oft ís de waerhepdt aen
den man gelegen die den Eedt doet 4 Waer⸗
am en epfchjt dan de Overhept dat getunge⸗
niffe der waerhepdt niet beel meer met Ga
ende Jeen / Dat van Godt geboden is? als
met den edt díe ban Godt verboden ist Sp
kan oock immers ſoo wel ſtraffen / die in fijn
Ja ende geen valfch bevonden wozdt / als
den geenen díe eenen valfchen Eedt doet.
cl hoope innners Dat niemandt foo ver⸗
bijſtert en is / oft hp weet Wel/ Dat Godt De men-
niet Den menfchen met fijn opPinantie Die chen |
bemelfch ig / maer dat de menfche Godt met Hoen T°
haet opdinantie Die Aertſch is / Cupmen **
ende wijcken moet / foo fp anders Willen Godrden
Chꝛiſten zijn / ende vecht na der waerhepdt —
vooꝛtgaen.
Daerom waer't goet / dat gr mercken
kondet / hoe gp ten eerſten met Dit uwe ſchrij⸗
ben ban den Eedt / Chriſtum den Soone
Gods ende ſijnen hepligen Apeſtel Jacobum
tot onterftandige oft valſche Leergers
maeckt, Want Chzaiſtus gront ende leere
boden hadde recht te
zweeren
903
en
mn
Sendt-brief door Menno Symions,
—
ee - = men |
— — — — —
— — — — — — — —
— — —
m — — — — — —
e * — mmm
DS —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
zweeren / ende men nu ín Den Nieuwen
fEcftamente geheeltjck niet zweeren en ſal.
Jacobus fent/ Datmen noch bp den Pez
mel/ noch bp der Werden / noch eenigen
anderen Eedt zweeren en fal (merckt) hp
fendt noch eenigen anderen Eedt / Jaco⸗
bug. 5. 12. nde qu glofeert met er Slan⸗
Hierwil gen ende ſeght: Wet en fal alfaa niet zijn /
senonwijs recht moetmen wel zweeren, Ec. Ende al:
wijfen Chri- fo moeten de eeuwige Wijshept felve / ende
ftum leeren. fijn beplige getupge Jacobus uwe Heer-
jangerg ende Klercken zijn. Eplacen !
Cen tweeden / Dat gp den onfchuidigen
verdoemt / ende den Bodtloofen vecht ſpze⸗
fet / twelche bepderlep Den Weere eenen
geouwel is / Prover. 17.15. Daer mede qr
Dan den booſen ín fijnder booshent flercz
hiet / Jet. 23. 14. Ende den Wandt met bal:
fchen halck placht / zee. 13. ro. alg een-
mael gefcptig. Wiee / denckt naoft gp niet
een ban die en zijt Die groote Dingen ſpze⸗
ken / ende Dat aenfien der perfoonen ach:
ten om des pzofijtg wille / Jude 1. 16.
De honden. Een Derden Dat gp alle vrome heeten /
nbr se Die upt'er waerhept geboten zijn / getrou-
wilt vanden Welijch-ín De wacthept wandelen / ende de
Jagersfoo Waerhept/ Fa ende Feen met goet ende
gevangen bloet bezegelen/ in grooten zwaren noot
Apocs 17. 3 bernagie ende alfa Dat onfchuldige bloet op
u ä [4 *
“Joannes fagh de opgepronckte fchoone
Hoere op Dat Rozijn verwige Beeſt / dzonc⸗
ken van Dat bloet der Hepligen / en ban dat
blaet det Getupgen Jeſu: Ende of gp oock
níet een gelijche dzanck deg bloedts in uwe
herte met haer en drzinckt / oft gedzoncken
en hebt / wil tek den Wiwetenden Kichter
ende u bevolen hebben, WiEve Micron dencht
na/ oft ick u niet techt uwe feeren en
Gen, 3. 1.
fe.
Ende gelijcht qu uw niet gebzeeft en hebt /
maer alle vlijt ende neerftighept daer acn
gekeert hebt / dat qu des Heeren uptgedzuclki⸗
te klare woort her vervalſchen / berdupftez
ven ende bzeken mogen / op dat qu doch de
@Overighent belagen mogbtet/ alſoo hebt
gp dat mijne eplacen oock gedaen / als oft
ick de Woorden Davids / die geen luft aen
balfche leere en beeft: En zweert níet bes
dzieghlijcken / Pſalm 24.4. tot alſulck een
Die Sods epnde in mijn Artijckel ban ’t Eedt · zweeren
eygen Woort geſet hadde / alg of ick daer mede bewijſen
derven, Wilde; datmen ín den Zieuwen Teſtamen⸗
—* re te níet ſweeren en foude. Daer icliſe op gee:
o e
… Hen anderen grondt aengetogen en hebbe /
egen gelijck mijn woozden plat genoegh mede
brengen / dan datmen Der vzomighept ín den
Pſalm bervert / nu ter tijdt eplacen wepnigh
acht hadde / gelijck oock uwe valſche faem⸗
roovige tonge ende handt (hoewel gn u ecn
Prediker Des Hepligen woozdts roemt) aen
mp bedzoefde / Die eplacen by Det menfchen
hinderen Wernigh trooſts hebbe / oft vin⸗
——— den Kan / wel beweſen hebt.
en mogen” nde elt hadde ooch: Daer benebens met
datnegende goede duptlijcke Woorden op Den kant gez
lide des teechent / alg Dat Dat ſweeren Geferlijcher
zen Micron Wijfe ban David geſproken wag / ende dat
(eylacen) men Daet nu in den Zieuwen Ceſtamente
en jac ende neen boor gebrupcken moefte. Gee:
Waerheyt
ende liefde,
die aller
nen dingen en hebt gu ù gefchaemt om te
fchzijben / op Dat gu mp flechtg cen ſchande
toekeerern/ ende mp ſtinckende bp den Le⸗
fee maeclten moght.
Ende hebt mp ín gelijcker maten níet Selijck de
wepnigh ongeftadight/ om Dat ick geſchre⸗ Phar;zeen
ben hadde / datmen ín tijdtlijcke falten gant: woorden bee
fchelijck níet 3weeren en foude. Ooꝛſaeclie: duyden „alto
om dat Chziftug dat woordelien voozwaer / heeft oock
in geenen Wereltlijchen handelen / maer in mijne zen
fijnen leeren flechtg alfo gebzuyckt hade daen.
de / Ec. Ick en Weet niet ater is / oft
watmen noemen of dencken kan/ Dat qu
niet op een berkeerde hatelijcke gront ende
fin ober mp gedupt en hebt. Wat geeft dat 'et
u geleert heeft / begeerde ick Wel datgn een
wepnigh beter ín De bzeefe uws Godts wils
Det nadenchen.
Dat ick dan gefchzeben hebbe / alg dat
men in tijdelijcke handelen geheelijcken níet
zweeren en fal/ heeft mp niet een ban des
ouden Slangen glofen / maer des Heeren ep⸗
gen Waogt ſelfs geleert / Mac. 5. 37. Jacob
cap. 5. berg 12.
Maer dat fclk Daer een vptneminge bir
gefet hebbe / vander Leere / dat heb ick den
eenboudigen Hefer ten Dienfte gedaen / op
Dat uclt hem mítg ſulcks aenwijfen moght /
hoe Dat Chziſtus ende Paulus die waozden
Boorwaer / ende Bodt is mijn getupge / Ec.
(welche de geleerde geeene op een geſwoo⸗ Merckt wap
tene edt bedupden fouden’ om baren gersronde
geondt eenen boet te maecken) níet in eente wijven heeft,
ge tijdtlijcke handelen / maer in harten lees
cen flechts alfoo gebzꝛunckt hebben.
Wanneermen evenwel De fake op Let Mercktone
naeufte met de waege deg Wepligen Godt: derichere
lijcken Woozdts uptwegen ſal / Dat ct ee⸗ Gweerenen
nighent inder Schzift blijve foo moetmen beveltigen.
aenmerclien dat het Eedtzweeren ende ſom⸗
mige bebeftingen/ niet eenderlep wijſe oft
Fozmam inder Schaft en hebben / Want
bet is openbaer / dat een Eedt alte tíjdt bj
Godt / oft bp een ander dincki gedaen is /
ende oack noch gedaen Wozdt / Bat meter
bebeftinge (gelijck Chziſtus ende Paulus
in haren leeven / ſegge ick noch eenmacl / gez
baunckit hebben) níet alfoo gebeurt noch
gefchicten is. Teght u handt (fpzaclt Abza⸗
ham tot ſijnen Dienaer) op mijn dpe / ende
zweert mp (merckt) bp Den Weere/ den
Godt des Wemelg ende Dee Werden /
Gencf. 24. 2. |
Stem Joſeph tot fijnen Bzoederen / bje
dat leven Pharaonis (mercht) gu zijt Wee
ſpieders / Ben. 42. 15.
Item Moſes: Gp en fult net valſch
zweeven (merckt) bp mijnen Mame) Lev.
cap. 19. 12.
Stem: Ben Veere uwen Bodt fult gp sweeren
vreeſen / hem ſult gu Dienen / hem fuit op zefchieeal-
aenhangen / ende (mercht) bp zijnen Mame nign ainck.
zweeren / Deut. zo. 20. |
Item Cheiſtus: NKoch bp den Wemel /
noch bp Det Werden / noch) bp de Stadt Je⸗
ruſalem / noch bp u hooft / Mat. s. 34. nach
bp den Tempel / nach by Den Altäer / Ec.
Matt. 23.15. Keeftoochk Jacob 5. 12.
Item meter Werelt oft bp Godt / oft bt
dat Euangelium / oft bp een Kruns / *
nog.
Beveltinge
gefchiet met
hooger
getuygenifis
maer niet by
een dingh.
Dit isde
oorfaecke ,
waerom ick
van onfe
tegenftrij-
ders dus
doatlijcken
gehaedt
worde.
Die uyt
Godt gebo-
xen zijn en
haten hare
Die goet
met quaet
vyanden niet weer A —*
Natth5. 44. met mijn doodt ende bloet tot gevechtighept / Godts Geeft / foo ick maer een Leerjonge
Aen Marten Micron. - 697
Ende ſiet / alſoo gefchiet een Eede (ſegge uwe wijse alfoa leeren ende traden laten / dat
ich) altijt bn cen dingh maer Mettet beveſtin⸗ fp hare Dpanden ſtraffen / uptroepen / ban:
ge / die ſonder Eedt gefchiet/ niet aiſoo. gen / om gocdt ende bloedt brengen / De
Dacr geſchieden wel beveſtingen ſonder miſdaders richten/ fp zijn dan boetvecrrdigh
eden / maer daer en gefchieden geen Eeden of onboetbeerdigh / gelijck ap fchzijft. Dock
fonder Bevefkingen. Ende in alfulcker voe⸗ mede Dar fp Wet zwceren / eude zweeren la⸗
gen Gebben Chzeiſtus ende Paulus hare ten mogen / na Det wijfe/ alg Moſes zu
Waarden wel meenighmael met hooge gez | Gfcachten bat bebolen hadde. Ick falende
tungeniſſen beveſtight / mact niet bezworen. |Wil Door Godts genade / alle Ware ende
Want tp en hebben in genen plaetfen gefent : |wedergeborene kinderen Godts ende navol⸗
Dat zweeren oft beveſtigen Wp bp Det waer: gers Ehxriſti / fp zijn dan Overheden oft niet /
hence / oft bp Godt ende onſe ziele / Ec. Maer | MEL Dat onbedzieghlijcke woordt Des henli⸗
alleenlijck gefent / waerachtigh / of Godt is gen Eunangeliums / met getvouwer heeten
mijugetupge) ende Diergelijche beveftigen: leeren ende vaden/ Dat fin met geen ander wereke
De woorden meer. zweerden en ſullen ſtrijden / Dan Chꝛiſtus vlijdighlijck
Nademael ick dan alfoa eenwoudigh / ja Jeſus ende fijn Heplige Apoſtelen gedacn wie van
recht ende ſſecht Lp mijns Leeren Woozdt / | hebben / dat fp barmhertigh ende medelijdig sh
Gebodt ende Verbodt blijve / ende mijnen | {uilen zijn ober alle boetveerdige fondaers / rader.
nacften (Die geerne Gode beeefen foude) met gelijck Thriſtus barmhertigh over ang Ig.
Dat fefte fonder atie bedzogh op Fa en Qeen Dat fp den anboetbeerdigen genadighlicken
wijſe / gelijck De mont det wacthept mp / ſullen ſtraffen / ende m aller lefden ver—
ende alle ware Chzíiftenen bevalen heeft. | manen/ alg Chziſtus ens gedaen heeft ende
Ende ooclt mede upt dat alderbinnenfte! Dat fp ban binnen ende van bupten ín alle
minder zielen daer na jage / dat ick met mijz | hare woorden ende wercken onberanderlijce
ne klepne gave fonder alie aenfien der perſoo⸗ ten metter waerhepdt over haer ja ende
nen / de acme blinde Werelt in De waerach⸗ neen houden ſullen / gelijck ong de waer⸗
tige Godtlcke kenniſſe een wepnigh dooz achtige Leeraer ende upteichter des Nieu⸗
Jeſum Chꝛiſtum ondezrichten / Antichzi⸗ wen Teſtaments / Chꝛiſtus Jeſus / ecruwigh
ſtus ende der ouden ſlangen leugenen metter gebenedijt / met fijn epgen onbedricahlijche
wacthendt aenwijfen / ende alſoo tat dat ge⸗ mondt / in alle klaerhept ſelve bebolen ende
ſichte deg eeuwigen vreedes DOO? fijn genade geleert Geeft / mp kome oock daer over Wat
Yepden moghte/ ende Die leere aen velen ſyn MD kome. liebe Micron Dencht na / oft
Kracht bewijft / algmeen fien mag. Daer⸗ ick u hier nict vecht na der Schzift geweſen
om is men alſoo ober Mp gerbittert dat oock en hebbe / ende upt war geeft qp mp alfoo
noch Curck noch Carter / noch eenigh geſchent bebt. Kecht is Des Wijfe mang
Tpran oft grouwelijck menfche onder den |Waozt : Wíe kan boog Det nijdighept beftacn
gantfchen Wemel / hp 32 oock foo Godtloos (blijven / Pzov. 27- 4-
als hu zy / alfoo gehaet wordt / alg ick elten-| Ten achtſten is't openbaer / Dat gu dooz * oneere
dige menſche Doo? dat facmroobige / leugen⸗ u gautfche boeck / upt alle uwe krachten ——
achtige/ ende bloetſehuldige ſchryven ende daer ober gearbeydt hebt hoe dat gp De gelden by
roepen der Geleerden / Die met alien balfchen waerhept Ehziftt / ín de mate onfer gaven hem meer
Propheten/ om haers armen bupcks wille / (ban ong geleert / Miet mju perſoon hatelijck eeren
Den rüpmen bzeeden wegh leeren / bp de ende oneerlijch / ende de teugen Antichz iſti woort doer.
gantfche Werelt gehaet ben. Hoewel ick ín van ugeleett / met uwe gerfoon aengenaem
alfoo cen gonſt ende liefde tegen u ende alte lende heerlijck by den Hefer cn Coehoozder
mijn vpanden eu faemrovers begrepen ſtae | maken moght. Gp hebt oock De ſaecke alſoo
t die mp geſchapen heeft / foa ick woock |uptgerechtet / maer (eplacen) miet DODE
Godtfalighlijcken konde Dienen / datmen| geweeft hadde in der Gemepnten Lan Drie
mp nu ende tot allen tijden dooz des Leeren aft bier Maenden / foo ſoude ick Dat wel
genade Dact toe gewilligh ende bevene binden | haeft foo gemaccht hebben / alg ick na uwe
ſoude / fehrijve ick u met een goede ende qe- | onwaerachtige pactpdelijche fchzijven nu gez
wiſſe confcientie / vecht als beo? mijnen God | daen hebbe.
in Chꝛiſto Jeſu. paer aldus mact de rechtveerdige Deere
ice Micron dDenckt na hoe gantfch plat alſulcker lieden outepnen geeft / hert) bite
gu doch tegen alle waerhendt / tot oneeren terhepdt / eergiecighept / haet / nijt/ leu⸗
deg Wimachtigen grooten Godts / ende | genen / ende onbeleefde faemrooven / MEE
fijns Wepligen Woozdts / ende oock meerdet'ſamen Gare valſche leere / voor Dem een—
tegen De deughdeljcke vzoome aerdt Det voudigen ende flechten laten openbaer woz⸗
Godtfaligee Chziftelijcher liefden/ die nie⸗ den / Die dat Wolfſche herte met alſoo cen
manden en verkozter / onrecht oft gewelt | fijn fchacpg-hieedt bedecht / gelijck qp aenz denn, if
en doet/ upt enchiel haet der waerhepdt met dzaeght / qualijcken fien konnen. Want fijken. tijde,
beraelt,van wp bedroefde oude Jan handelt ende toe⸗ dat fenijnige doodtlicke fchieten ende opens het moet
t evenwel ten
diens huys ê vor
Te gaet. Maer Wat heïpt het / dat ennoofele baer legen over Mp gebaen / gerkondight jer nen
en fal dat
quaet niet
aflaten.
\ueerloofe Wam / moet in fijne lidtmaten boor de gantfche Werelt / wat gp vooz cen openbaer
gehaet ende ber maart zijn. geeft hebt ; Nu is't Mennons groote onse- worden.
Ick wil u dan (nademael Get niet anders | ftadigheyt „ dan is't fijn grove onwetenhey!,
met u zijn en wil / noch magh) uwe Gemepu⸗ oft onvernuftige vernuit, oft liſtige ſchalek-
te/ de werelt met Dat vechten ende fivijden | heyt , Mennons leugen, &c. Ende lact u
ban Mopſes ende Den Oudt-Vaderen na oock hooren / alg oft ick mijn leere foude
veran
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek
—— ike Bibliotheek, Den Haag.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— ——
608 Sendt-brief door Menno Symons;
sidusheb. verandert hebben: Summa / ich en weet) Item over mijne leugenen (Daer mede icht
bendeva!- niet Wat gp gefchrenen hebt / Dat niet tor |Van u beſchuldight wozde) is Dat mijn cen
che Prophe- · Godts / tor Der Hepligen / tot der Waer⸗ voudige antwaozdt. Onder het woort ſtae
* — hept / tet Dee Gemeynten / ende tot mynder felt mede Be repen: Alle menſchen zijn lenge⸗
ten, eace de ſrhande ende onecre gedaen en is / als gez naers / Pſal. 116. 11. Hom. 3.4. Icli hope
CED OEE nochtans liever Den doodt te ſterven / eet
Eenden ek danche mijnen Godt met vrolijcken Daer eenige moet wiilige leugen upt mijnen
Chrittum herten / Dac hy um arme fondart ban cen- | MANE komen fal/ fp za dan kleyn oft groot /
oock vereert. en twintig javen herwaerts altijt ín een⸗ de leugen is van mp gehact / al cer ick wiſte Dit hebbe
Deelen teete ende geronde deg geloofs fonder |
alle veranderinge door fijn genade bewaert
heeft. Hoewel uch ín een alfulchen pericu⸗
laoſen / dunſteren / dwaelachtigen tijdt / on⸗
weerdigh tot mijnen ondzaeghlijclien zwa⸗
ren dienſt beroepen wozde / gelicht fp mp alle
moeten toeftaen / Die de gantſche tijdt mijn:
Der Pelgrimagien met mp in Chzifto Jeſu
gewandelt / mijn flechte acbept ende Boec⸗
ken van aenbegin gelefen/ ende mijne ver—
maningen gehoozt hebben.
Dat ick een gantſch grof onwetende ende
onvernuftigh menfche ben, gelijck qu mp,
befchreven hebt / magh Wel zijn. Groote
lilocclkihent / geleertheyt / konft ende ver⸗
nuft en hebbe ick mp mijn leefdagen niet
beroemt / maer dat voeme iclt/ Dat ick Des
Godtsfot- Weeren prijs ende mijnder zielen Falighept m
heyt is kloe- mijner zwachthent foeche/ ende Dat (cit ſo
keralsder poef in Gods Schole Dao? fijn genade geleert
wijsheyt. hebbe / dat ick weet / Dat De geheele anger
1Cor. 1-23. Deplde Eiziftug Gods eerſtgeborene / onde
wiens zaet Dat zp ware / ick gedencker my —
oock nu ín mijnen grauwen zwacken oute verdient om
derdom (ende nu ick hare herlomſt ende datick de ee.
Dader Weet) door deg Heeren genade met Ee ende
si it Aer 8 n Waerheyt
ernſte Booz te Wachten/ alfea beel als (Godts tegen
mp Ig, hem beweert
Och Micron , Micron ; hoe effen han: hebbe.
Dele gn aen mp/ alg de balfche Pzopbeten
ende Hal-fleeche Goden upt enchel haet Det
wacthept aen Den goeden Jeremiam deden /
alg fp fepden ; Koit laet ons hem met et
tangen flaen / ende geen acht hebben op alte
fijn woorden / Jerem. 18. 18. Igannes de
Dooper moefte Lan Den Pharizeen ende
Schziftgeleerden hooren dat hy den Dupbel
hadde. Ende Chziftus Jeſus moefte haet
Wijnfupper ende berflinder zjn / Matth.
cap. ir. verg 19. Werp de Bupbelen upt in Vyt haet
Beelzebubs name) fepden fp/ uc. 11.15. Her waer
Op bat fp dat onberftandige voecheloofe vroren
volck van Dee waerhept affchgicken/ ende tijt gelaftert.
mits ſulcks bp Garen ſuerdeegh ende pdele
eenige geborene / epgen/ ware Sone ig /
ende díe Dat tegenſpzeſien / Antichziſtus Geez
flen zijn. Dat alle laftecacrg Gods / ſchen⸗
Deeg der Heyligen / vervalfchers dee Schzift /
moet willige leugenaers / openbare faem⸗
roovers / benijderg Der bramen / coemgiez
tige / blaetfchuldige menſchen / Godtlooſe
balfche leere behouden magbten.
Effen alfoa gact ga met mp bedroefde upt
enchel haet der waerheyt oock omme, Want
fa ge mp flechtg met foo beel dzeckis van
leugenen beſmeeren kondet / Dat men een
verſchricken boor mp hadde / fod foudt gp Chziftus is
hopen / dat'et Chziſtus met fijn Geeft ende — wig
Ditiseen ende geen Chꝛeiſtenen en zijn. Wederom, woozdt al verloven hadde, Alſoo flacblint uyrrecht,
onwetende Dat alle De gene Die Chziſtum hooren / vol⸗
vernutdie men/ fijn woozt / opdinantie ende onder
haeght ‚ende ſtraffelijcke vaogbeelt / mits het geloove unt
falhoozh de kracht Dee nieuwer geboozten / inder gez
vanhen … hoosfaemhent miet een oprecijte vrome con
den. fcientie onderdanighlijck nakkemen/ kinde:
ten Gads zijn / ende Dat Kijcke Der Eeren
Wee den ceuwighlijcken be⸗erven ſullen. Hope oock
genendie met deſe mrijne-grove onwetende vernuft
wijszijnin (díe boo? Godt eeu aengename wijshept is
oogeniende Tact voot de Werelt verborgen, Voor De
byhacrfel- Stoele dee hoogen Majeſteyts in fijn gez
is een atm onverftandigh vleeſch / Dat met ende niet
deg Weeren klaerhept niet omfchenen en {g, 'rrerroo-
De mate uwer Baderen meugt AP LEL: vingen ende,
bullen / tot dat gp van Godts hant geftuert leugenen, en
wort. Ick bent jaben’t/ daor deg Heeten mines
genade in mijnder zielen al gewiſſe / gelijcht meer Ken
als Jeremias / Ioannes ende Cheiſtus: vromen voor
Jeremias Goanneg ende Cheiſtus geblee jodton…
ben zijn / hee fchendlijck fp oock van haren ken
benijders beloogen / ende upt haet der Waer:
hens van haet berbolght zyn / dat ick ooclt
alfa daor Gods barmhertige genade ende
venverftan- made te beſtaen / alg alle grootdunckige ende
ECis.ar. ſtoute van harten / Die foo kloeck ende wijg
in haer cpgen oogen zijn / moeten haoten,
Gaet van mp qa Arbenders Der booshept /
want icftten hebbe u nope gekent / Matth.
7.22. Mijn Grient Micron hebt ’ev acht op.
Item / Dat ich uwe liftige fchalck zijn
moet / hoop ick Dat ick boorden Heere ende
fijn Gerechte onfchuldiglh ende ben ſtae /
want ick en hebbe upt geen liftigee noch
ſchalckachtiger heete met u omgegaen ende
gehandelt / dan De gene doen / Die Daer alle
ſtercke Kracht / Wel de felbe Menno Symons
ín Chziſto Jeſu blijven fal / Die ich in mijn⸗
det zwackhent meer alg ban twintigh jaren
herwaerts geweeft ben/ hee oneeriijck gp
ma ooctt boor de gantfche Werelt belieght /
ende upt Gaet der waerhebt befchzijft ende
affchildert. Mock mede gelijck De valſche
Peopheten / Schziftgeleerden / ende Phari⸗
zeen vpanden der waerheyt/ ende menfchen
des bloets waren / ende alfa bupten Godt
geſtorven zijn/ dat gp oock alfo bupten Godt
ende fijn genade zijt / ende met alle valfche ee micron
Ditalleen Dagen om dat getupgeniffe Jeſu ende haer⸗ hupebelaers faa gp u anders ban ganſcher voor Gode
isderreyn- Der confeientien met een bepinoediah/ vzo⸗ herten niet en bekeert / Dat ick zwaerlijc: ftaet geven
der eeen fijck gemoet gewillfgh fn den doode treden /
hoewel ick alſulcken onbeleefden Lalfchen
berwijt onſchuldigh / Leer de gantſche Wez
telt van u hebben ende hooren moet: maer
De Heere fal onfe Nichter zijn.
zijn leere
ken tot u kan verhopen / om Dieg wille / Dat ende dacds
‚gp de vechte waerhepdt onfes beſpzecks foo gevuygenigk,
moetwillighlijck verzwijght / foo menigen
grovbe leugen lieght / de Schzift foo wetent⸗
Lick vervalſcht / ende met foa onaerdigen
grooten
Tegen Marten Micron.
grooten bedzogh tegen uwen nacften fn ſij⸗ al8 an fchzijft) eeft epgen oberſett inge ende
nen afweſen handelt / Dat geen wederge⸗ Schaft gemaeckit op dat ou uwen Anti⸗
baren Chziſtum en Doet / noch daen en kan) | chriſtiſchen valſchen grondt boor den een⸗
uwen verdienden foon ontfangen en krjgen voudigen ende onverftandigen des te beter
ſult Want het Wacpdt moet de waerhepdt beweeren meught/ wat ep dan boor cen
bljven. Denchtne/ oft ich u niet vecht op | Weeraer ende fchrijver zijt / wil ich alie bere
uwe ſeeren en wijf. ſtandige vedelijche Heferg der gantfcher
Ken negenden 8 C openbaer / Batgn U Werelt hier mede te bedencken geven.
nde uwe arme ziele / Die mee een ſos di⸗⸗ @ch lieve Micron, merckt doch eerie
ken fchac berloft (8/ be alder grooſte mael vecht aen / waer toe Dat gu gez
oneere/ fchande ende fchabe hebt aenge-, Komen zt. Want het en Tact hem met
Daen/ ende Dat ten cerften daer mede / anders aengefien / Dan dat gu bende
dat gpu tot een openbaer beſchuldiger De Scheift ende dat vernuft door de
ſtraffer / ſchelder / ja ooch tot cen Wecraer Doodelijeke Kranchhendt uwer eergieri—
Hier volght rp hi — Endt
ende onderwijfer Godts des Daderg / Chzie ger ende nijdiger partijen bri na al ver⸗
de Krans,
daer mede
—— fit deg Soons/ Gabziels deg Engeis / en⸗ ſooren Hebe, Vanmeer qm Der nepfer⸗
doorait de al de Apoſtelen ende Hepligen Des Hieu⸗ hcken Mojeſtept / ende fifnen Sone Phi⸗
fehrijven Wen Leftamentg met uwen ſchehven | lippo/ alfmïcit een fchande aen Debet /
voor Godt gemaecht hebt. Want de Wader be⸗ geljck ap den Wemelfchen Wader cnde
heete. Vent Chꝛriſtum fonder eenige deplinge\fijnen gebenedijden Saone Chrífte in
merke booꝛ ſijnen lieben Soon. Chaiſtus beent uwen ſchrhben biee gedaen Hebt / ſendet
Microns den Dader hoog fijnen Dader / De Engel ende fcheijver vry hert uyt : Neen, Ko-
—— ende de Apoſtelen /tſamen alle andere ge⸗ ninck Philippus en is des Keyfers ſoone
fijn fchrijven tungen / betupgen Dat ſelve van Den ſichte- niet, maer hy is van een ander buyten
eenhem lhchen / taftelijchen / ſtervenden ende verz | perfoon gegenereert ende wiert alfoo flechts
felvenge- ryjſenden Cheiſto / ooch alle eendrach
—— ch dzachtelijck des Keyfers Soone genoemt. Derbalfchet
einde gp (cab zjft ſtoutelhcken dachy {ooch meede hare openbare mandaten /
eek An: Oft gp dan niet alfaa eener \vechten ende bevelen/ getjck gp nu
en 3E/ gelijck wp bier gefchzeven hebben / |defe aengetwefene Schriften / ende Chie
wil ick u in De breeſe uws Gades hiet mede te ſtus klare ozdinantie) Veordt ende bez
bedencken geben. vel ban Den Doop ende dat Eedtſwee⸗
Cen tweeden hebt Gp u tot een openbaer ten Doet / ende tot noch toe gedaen hebt.
becvalfchee der hepliger Schrift ge⸗ Veſchimptet, tafterdet / ſcholdet / cnde bez
maeckt. Want gp ſchryft Ghriftus van loget noch daer toe boven dat hacer gezwoo⸗
Davids zaet geworden is, Rom.i. 3. Dat) ren hofgeſin / ende getrouwe dienaers / omt
hy van een vrouwe geworden is, Gal. 4. 4. Dat fn Den licpſer vaor den techten waren
Ende alle oprechte vepne Eerten hebben / vader Philippi en Philippum boog fifnen
Geboren upt den zade (Dat is upt den gez | echten techten foone eerden en hiefden / en
flachte) Davids. Geboren upt een bzouwe) | hare mandaten / rechten ende policien in
gelijemert bp Tuther ende De Zurichſche getrouwer gehoosfacmhepdt na guamen /
oberfetterg lefen erde fien magt). help lice Deere welck een fpronck founder
ende qp ſeght ende ſch
A
Merekt Cen tweeden fchzijft gp/ dat Chriſtus ober u gefpzonaen / c |
î ch, | * nde een bloedtl
en ij der kinderen vleefch ende bloet deelachtigh over u — en. ——— *
zcapit verg rg. Eun nu boo? cen ſtraffe ende loon weerdigh '
en Dede Eert en ſepot niet meer dan ban vleeſch zijt / en De tot fijnder tijdt ban Godt. den
ende bloet / ende niet Der hinderen / foo men | Deere ontfan / is had
anbers dat pronomen Eorundem (bat i8 ber | gp Den — be herr
ver) vecht na der Schriſt berftacn wil. |Bodt deg Wemelg ende der crd
Diemoer , Gen Derden ſchrüft op menighmael / ende fijnen gebenedijden Boone —
willighlijck dat Chriftus Abrahams zaet heeft aengenomen | ſtum %efum / met t'famen baren De
—— in præterito dat is, in een voorleden tijde, | melfchen Tandaet / ozdeninge / dine en
ende De Eert fendt: Wp neemtet aen/ (n| re Bevel alfo deerlijcken berboert / fchent /
valft, wort be Pie
vander fan. preienti, Bat is in een tegenwooꝛdige tfjdt. | verbalſcht ende bzeeckt / ende t ®
zengeet. Die het niet en gelooft / magh u den Eert /| trouwe Dienaren foo bedzoeflijcken laftere
g gebe. 2. 16, na leſen. fcheldt / belieght / haet / ende met utwe
Cen vierden fchatjft gp / als dat Sara dat | onaerdige leelijche ſchzijven in 7 vervolgh /
zaet geworpen heeft, daer fy fwanger van | fammer ende noodt bzenghe / dat wil {cl
den Almachtigen Godt ende fifn Berichte
—— is. rde qu dan Abraham
upten De genereringe fluptet / hoewel het bevolen hebben. Wiebe vrien
Doo de gantfche Schrift openbaer is / miet | Wat u hier gefendt wort. zolen
tfamen dat natuerlijcke gebzupck tuſſchen Cen derden hebt ’
man ende bzautwe / hoe De man de werper | baren mi ———
oft Sacper deg zaets is / ende niet de brou | want qu
We/ gelijck boven in grooter klaerbepdtal|tupge (dat an felbe voor
gehoogt ig. ten Gedt hout / foo mp d
Nademael het dan meet alg klaer is / den handel recht befchzeb
— Dat op De Heplige Godtlijcke ſcheift met de dat al-Dercerfte uws Boechs ig cen
—— baogbedachte ſinnen fo opentlijek bervalfcht | plompe teugen : Want gu ſchruft: en
blint vleefch hebt / ende hebe u ſelven (gelijck alg oock | waerachtigh verhaei / ende hoe gantfel
toezichter, Tatianus een engen Euangelium maeckte / onwaerachtigh dat t ig / weet Gode / nf
Phhh ende
eenen gezwoo⸗
unckt) dat ou
en hebt En—
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
609
M
derde ſchan⸗
epneedigen leugenaer gemaeckit / de hem fel
roept Godt aen tot een gez VE aenge-
daen.
Kenden
Micron ende
alle valfche
Leeraers de-
fe gelijcke-
nis recht aen
mercken het
en foudé
haerder ar⸗
me zièlen
geenen ſcha⸗
de doen.
Eenyege.
ick dencke
na , wat defe
woorden
wille / dat mede bren=
en / den °°
Merckt
icrons
CE en
— European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
mages reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, D
— ike Bibliotheek, Den Haag.
Ick moefte
by Microns
lefers een
gantích on-
gefchickt
menſch zijn
hy maecket
oock anders
hoe hy ’t
make,
Of Maria
Davids
dochter ge-
weeft is of
niet, gelt al
evenveel »
naan daer
des Heeren
Matt. 1. 16.
Luce je 23e
Pie alfoo
enbefchaemt waerom Dat JP
liegenderf, mael hp na uwen
wiens zaet
endedienaer
dat’eris, en Heb ick botsen al verhaelt. Noch derft gp lie:
- gen ende upt ſchrijben / dat gy dat menigh-
rmael alfoo met ons bekent hebt als gehoort is.
Se ge u der leelicker grover leugene
ſchoone voor de menſchen niet en fchaemdet/
is niet noe
digh te
Yv ragen.
Gio
ende top op het alderbeſte. Let is
Sendt-brief door Menno Symons;
oock: boz uwe Gemennte íg) niet migdoen en meught/
ven tn De beſchrzivinge ban het Beſpzeck ſoo fout gp u billick egenwel voor uwe Godt
cenfdeelg Ban ong al beroert.
Ken tweeden / hebt ge mp vock míjn | gedencken Dat
aldercerſte woorden / ende feet
lijche Permaninge: Soo gp NU krach⸗die hem tot
tiger waerhepdt ende gewiſſer
ban ons kondet hooren / Dan gp
toe gehadt oft gedzeben hadt /
dan níict u epgen pris ende eere
fchamen / Die herten ende nieten pzoeft / ende
ver geſchreven ſtaet: Cen
broeder: | Dief en is ſoo quaet niet / alg eeu menfche
liegen went / nimmermeer en kan
grondt | hp tot ceren komen / Spz. 20. 17. Dat De lies
tot noch | gende mont De zielen doot / Sap. 1. 11. dat
Dat gu Godt de leugenaers Ee MIELE maecken
/_maet |fal/ jAfalm 5. vers 7. Ende dat haer deel
Deg Weeren pris ende eere Lan herten in Den bierigen Poel zjn fal Apoc.
faechen wilder) Ec. Met een ſeer groo⸗ capittel 21. ð
be ende onbehende leugen ín uwe Boeck
na gefchzeben / ende tot een
ö 8.
Cen bfften fchrijft on / hoe gy de
gerwijdt | reynigheydt Chrifti tegen ons beweert hebt,
geſteldt / als dat ick foude gefepdt hebben / ende een vrouwe zaet heeft , Daer t boog
hoe gy te Londen in
Leeren ende fchrijven u eygen
cere gefocht hade. Dat ick op
tijdt noch nopt ban u alfoa gedacht en | EEN onreyne
hadde : want ick en Kende niet meet | be.
Engelandt met|den Heere / Boog U / ende voor ong allen niet
prijs ende anders gefchiet en is / dan ick in Den eer⸗
de felve|flen handel op den Joconvenient Dat qu
Aldus
knoop&
Chriftum haddet, verhaelt heb⸗· von
Ende dat gp over Dat brouwen zaet d'een (ware
ban u/ als gp nopt in der werelt geweeft alfoa bevangen fat / dat gp oock in ’t laet fte —
en waert. Hoch evenwel helt
alfon cen fchande daermede aengeljan:
gp mijn Beſpzeck opentlijjek voor ong allen bekene
Det / dar fy geen zaet, maer een menftruael
gen/ oft u Dic De ongevalfchte Geeft det bloet hadde.
repuder waerhendt ende Det Godtfaliget
Ja Wat fal ick feggen t Doe ick aen:
trouwer liefden aldus geleert heeft / oft / vinck om U boeck te lefen / heb ick Die leu⸗
oft het de valſche Geeft
der onvepnder leu⸗ genen begonnen op de kanten aen te teeclte⸗
genen / ende der trouwelooſer nydigheydt nen / maer ich vonder ſos bele / Dat ick Dat
gedaen heeft /
Cen derden fchzijft op dat mp
Backereel al beweeien hadde
ria een dochter Davids was.
fchaemt men hem gantfch geender leugez
nen / wanneermen Der faeckie ſlechts eenen
wil ick u ſelven laten nadenken. | LEN lactften liet aenftaen / mp ober den onz
Hermes waerachtigen geeft verwonderende/ Die u
dat Ma-[tot alſulck een verkeert / valſch cnde leugens
emmer achtigh fchzijven gedzeven hadde.
Derwonderde mp oock mede dat 'er
niet foo beel menſchelicke kloeckheyt bp u
ſchjn maecken kan. Die MP metter | gebleven en was / dat gp cenmael dachtet.
ſchrift bewijfen fal /
dat Maria Davids Ick mochtet met bit leelijcke partidi⸗
Doͤchter geweeſt is/ Die moet EEN ander ſche fchzijven ende plompe ſiegen Wel l⸗
Bpbei en fchzift hebben / dan wp hebben / ſoo maer
want ín onfe Bpbelen ende
vint men ’t niet.
ken / dat veele ban De Leſers / ende
fchaiften cn (bpfonder ban onfen broederg Die daer bp gez
Eergirig-
heyt ende
peen ‚ maef
en de
oogen der
vernuft foo
weeft zijn /een baofe nadenken op mp liregen / plint, dae
Ick en heb noch Hermes noch uop eenigh als oft ick De leugen upt partije ſchreeve /
bewijs daer van gedzeven / nademael het on: (CN
fe geloove ende leere nach helpen
zware liegen al te geel.
mael inden gantfchen handel bera
Deef ich met beper confcientien ſchrijven ende
getupgen. Maer alg ick u nu ín ’t laet fte
befpzeckt vraeghde / Oft an eben wel Den men:
fche Chaiftum (Die gu fepdet Dat geen Wader
helpen en kan/ om dies wille / dat een bzour
we geen genereerlijck zaet ac haer en heeft- [u
Tofephisde nde nu moet’et evenwel dao uwe leugen del
heeten / Dat ick gefept hebbe, dat zijt níet
geeft op wijt EN was / ende dat et Hermes NU bewefen | j
heeftdat zijt wag. Immers is dit geoufame | peltuprigh man gemaeckt / Diemen op een:
derlep geont ende leere niet beloopen en kan :
t Doe gp met ons handeldet/ bekende
dat Chriftus alfoo van eeuwigheyt »
Ja van eeuwigheydt uyt den Vader geboren daca.
Ten bierden ſchrift ap/ dat op menigmael | Wan
met ons bekent hebt / dat de Sone Gods voor | qì /
ons geftorven is, Daet op t aaclt niet een⸗
de mochten alfoa van onfe Werchte ende
noch ont- Leere daer doo? afvallen. Maer de Geeft
der wijshept en heeft (eplaceu) de woonſtede Gen ca kan,
wer zielen miet gekuft / noch met De bziens
jcke lippen fijnder waerhept niet begroet.
Cen bieden hebt gu u oock tot cen
fee. ongeftadigh/ wanchelmoedigh en wiſ⸗
men eylacen
noch eer
baexheyt
noch eere
Merelet
Microns
vierde
Schande hem
felven met
fijnen fchrije
ven aenge-
eeten hebt/|was geweelt > dat hy oock afgedeyldt van
en hadde) niet de Sone Godts en noemdet * deringe.
Doe fept qp/ Ja. Doe ick wederom vzaegde
hem alſoo noemdet? nader
ſeggen geen Dader en had:
De / Ec. Wat ict Hooz een antwo
ort kreegh /
oordeelt ende inſiet.
den Vader, buyten den Vader van eeuwig-
heydt geſeeten hadde. Ende nu hebt gu u
verandert / ende ſchrijft dat hy in den Va-
dergeblevenis. Merckt uwe eerſte veran⸗
Cen tweeden bekendet gy twee Soonen
in Chrifto, ende nu feahtgp/ een Soone,
evenwel ín den grant nech twee / Wanneer:
men de falke met onpactpdifcher heeten vecht
Cen Derden bekendet gp / als dat de
gekruyfte Chriftus, die voor ons geftorven
nis Godes Soone niet geweeft en was,
ende nu ſchrijft gp / dat gy ’t meenighmael
om Dieg wille dat gp Wel weet / hoe gp aen bekendet dat hy ’t was. Merclit uwe twee⸗
ong Verachteden boog Dee Werelt (welche de ende Derde veranderinge. Ende —
noc
Defe merc- noch ebenwel Daet-en-tegen/ dat hy geen
kelijckever- Vader gehadt en heeft. Weeft Dit Sim-
anderingen plex veritatis oratio ‚ Dat woort der waerheydt
zijn binnen
tweejaren is flecht, gelicht op fchzijfe / wil ick u
mevensde- ſelſs te bedenciten geben. Die defe licht eet: |
fen eenen
Arikelaj dige omgeftadighepdt ende balfche dub:
dus van hem Belfgepdt niet mercken en kan / die moet al te
gefchiet. ſeer onvernuftigh ende blint zijn / moetmen
immers feggen.
Ten bierden bekendet gp / hoe men Chri-
ftum na fijader men{chelijcker natugre niet
en foude aenbidden , ende nu fclhzijft On:
Aen Marten Micron. bit
fiipken níet geroert / dat nu uwe ſterck⸗
fte Schrift is / hoewel men het ín de gantfche
Bpbel niet en vint. Want hadt on’t geroert/
gp foudet met des Heeren hulpe u antwoozdt
wel gevonden hebben.
Ende hebt Daer beneden fulelie Teelijche
leugenen gelogen / alg gehoort ís. De
ek y Des Beſprecks verkeert / mijn woor⸗
en verdrzaept / op een ander wyſe geſet / afge⸗
liort / hier en dacr nau behagen toegedaen / De
uwe toepzonckt ende verbloemt / Ec. Waer
upt dan boor God ende den menſchen open:
Men (al ’t doen. Merclit uwe tierde baer is / Dat uwe befpzech met ons / ende bp⸗
Beranderinge / gy bekent evenwel dat hy fander nu defe uwe befchzijbinge niet upt een
een Aertfch meníche van der Werden geweeft ſaligh bernedert/ amgelieect/ ende verbroken Uyt wat
í8/ die ban Adamg zade herkomen ende ge- herte / niet upt den Geeft ende Dzijbinge hert ende
genereert is. Salmen dít noch geen Afgode⸗ Chꝛiſti / maer upt een eergierigh / grootdunc⸗ geeft Micron
cpc heeten/fo magtymen wel met vrver herten kigh / hooveerdigh ende ſtout blcefch ende ——
ſeggen / dat wp metter ſchrift bedzogen zijn.
Een vijfſten bekiendet gh / dar een vrou-
we geen zaet en hadde, ende nu ſcheijft gp
“ heeft, geeft
gemoet gefchiet is Oft níet alfo De waerhept de daer ge-
en is / Wil ick den alwetenden Godt / ende u tuygenifte.
ſelven (Dien wepgen herte ſoecken cnde werck
dat fy’ heeft. Woewel gu al ober fommige | op 't alderbeſte bekent zijn / met € famen den
Jaren gefchzchen hebt / als dater bloet Godtuchtigen Wefer Die ín De waerhendt
Marie(gpen ſchzijft niet / dat zact Marie)
in haren Maeghdelycken buyck ín onfen
bleefche te ſamen geronnen is / alg gehoozt
is.
genvere. Oſt nu alſoo cen meenighvuldigh beken:
lijck dencke Men ende wedezroepen in een optecht broom
nahoedat ſtantachtigh ende wel gegront LTeeraer ende
verhaelis Sechaijner (gelijck gp geeene heeten fout )
daer de
Schrijver foo beſtaen kan/ ende Dic Dat felve noch met
wandelt) laten Richters zijn. Och bzient }
leert doch u ſelven eerſt al eer gy ander lieden
leert. Beſiet u eenmacl vecht Lan binnen
ende ban bupten ín de klare ſpiegel Chziftí
ende fijns hepligen woozts / op dat gp fiet
wat een ongeleert Leeraer ende ongefchickt
Chꝛiſten qn boo? Godt zijt.
Ten feften hebt qp u oock tot een opens Microns
baer valſch Pzopheet ende Leeraer / tot tte fchande
hem ſelven
gantléhon- openbare leugenen upt enckel cergierighepe (cen verlender Dee menſrhen / Ya Lot een met jn
gefadieh _ peeken til als oft hpt níet gedaen en hadde/ |oagenfchijnlijck Hupchelaer ende tijtende eygen
endevalfch sj els alle onpactijdifctje vedelijche Leſers / Wolf in Schaeps kleederen gemaecht. ——
mits deſen te bedencken geven. HYoudet mp doch ten beffen / dat ick u
Mierons Een bifften hebt gp u ooclt boo, alle
vijfde fchan- rechtverſtandige tot cen ſeer hooveerdigh /
— goetdunckigh ſtout ende eergierigh roe⸗
en fchrijven met gemaecht/ dat gp een foo grooten
aengedaen. triumphe finget/ ende faa Heerlijk met
u boeck haer boor pzaelt / Daer 't boor Den
Heere) vooz u felfg ende vooz ong allen Die
daer bp getweeft zijn openbaer is / hoe Dat op
den gantſchen gront der Diſputatien al
verlooren hadt. Oock mede voor de gant:
fche werelt/ foa gpfe ſſechts (gelijck gefchiez
de) onpartijdighlck Lertelt haddet : Want
gp bekkendet twee Loonen in Chrifto ‚ ende
Dat De gekruyfte, Godts Soone niet en was,
als qu dock ín Den gront noch Doet : ende
Dat een bzouwe geen zaet en hadde.
Daer mede gy felbe De faectte al upt gedif-
puteert ende ge-epndight haddet. Gp en
kondet mp níet een letter antwoozden
op alle mijne klare Schziften Daer mede
ích u betupghde / dat de menfchen Sao:
ne/ Die ſichtelijcke / arifpelijche / etende /
dzinckende / lijdende / ſtervende ende vezrij⸗
fende Cheiſtus oock Godts epgen ware
Delefer Saone wag. pen wift mp oock niet een
rechte, ofS enige letter tegen mijn vier krachtige
fchrijven _… antwoorden, daer mede ick uwe ontſchzift⸗
Microns fijn matige bzage bande eeuwige geboorte / by⸗
——— fitten genoegh dede op te bzengen / Ec. Wellie
gv al te famen bupten ín u Verhael gelaten
bebt.
alfaa mettet Schzift noeme / ende De
waerhent fchzijve : Want hoe kont of meugt
ge immers valſcher leere boeren dan dat
qe feght dat Godt de Vader niet de ware
Vader des geheelen Chriíti, ende Dat de
geheele Chriftus niet de ware Soone Godts
zy. Datgpden Engel Godts / Goannem
den Dooper / ende alle de Apoſtelen Godts
tot valfche getupgen macckt. Pat qu
Chaiftum de eeuwige Waerkhepdt tot een zen recht
valfch leeraer maeckt / Want hu fcpdt Dat verlicht
wp ín geenderlep Wijfe zweeren en ſul⸗ Sriten
len/ / Matth. capittels. bets 34. Ende ap doormierens
feat : Recht moetmen wel {weeren. Dat gy leere ontter-
Den Doop / die ban Chꝛiſto bevolen ig/ ten ende
ende Van fijnen Wepligen Wpoftelen geleert '“Teheicken
ende gebzupckt ig/ tot een vervoeriſche
Doop maeckt/ ende een ander leere ende
gebzuüpck / ende oock noch (foo gu belooft)
leeren wilt. Daer van niet een eenige letter
ín de gantſche ſcheift en ſtaet.
Ja weerde Micron , foo qp eenen goeden
raedt bolgen wildet / fout gp bep uwe ſehrij⸗
ben Daer Gan nalaten Want gp maeckt het
boe gp ’t oock maeckt / ſoo is 't gewig
ende Waerachtigh/ dat gu oock met uwe
alderſterckſte Argumenten ende befte bez —E
wijg-tedenen fn den gront anders niet en
Doet / dan dat gu De eeuwige Wijshendt die moer
Chriſtum Jeſum den Zone Godts / ende Chritum
fijnen Wepiigen Geeft /met t ſamen deg Wee- Avon °°
Apoftelen
Gocli en hebt gp mp ban de bereeninge | ten Apoſtelen meeftert ende in de Schoole eerst tot
Der bepden fonen (die gp gemeplijckt twee boert. Waer Wooꝛt / Leere / Bevel / Inſettin⸗ valfëhe
natueren noemt) ín ong beſpzeck een ge / Ordinantie * gelug (al oft Ô MQ maken.
2 à
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
er
* ee — mm — ed _
612
verandert) Ja keachteloog / pdel ende onz
tanger ende meer ban fchzijft / Hoe gu U ep:
gen fchande ende valſche Weere klaerder ende
openbaerder/ ende De fchult uwer vervoe
runge noch al grooter ende zwaerder macckt.
Mijn vient zijt gewaerſchout.
Gp trooft Dat arme blinde volck met
openbare leugenen / bevooftfe bepde ban den
Pader ende den Done/ 1 Goan. 2-22. Der
valfcht des Weeren woort gantſch jammet:
pat Micron Ifjcit/ Er, Waer upt DAR MEEL alg hlact ís /
ditallesss pat gp den Heere beefarclie Die ong gekocht
eygen fchrif- heeft / 2 Det. 2. vers 1. Dat gp ban Antie
terende cheiſtus Geeft gedzeven wordt / 1 Joan. 4-3
openbare Dat gp cen Anathema zijt / Gal. 1. verg 8.
genifle. Pant go leert ons een Cuangelium / dat
| ong ban geenen Apoſtelen Cheiſti geleert
en is / alg gehoort ig. Dat op cen Dief der
eeven Godts zijt / ende een Moordenaer der
zielen / Goan. zo. 1. Die Chziftug Jeſus met
foo Dieren fchat gekocht heeft / 1 Pet. 1. 18.
een bode der Dupfteeniffen/ Die hem dao
huychelye Kan boogftellen ín cen Engel des
lichtg/ 2 Cor. 11 15.
Ick bide noch ceng houdt het mp ten
beften/ dat fcl U DE waerhept febjzijve. Een
grijpende Wolf (ſegh ickk noch eenmael) in
Dchaepg-hleederen / Matth. 7-15. Die De
zielen der menfchen met een verkeert valſch
berftant der Schzift onder ecn gemaechte
ſchijn des levens / verſcheurt / ban de wact:
heyt berooft / ende alfaa den Vorſte Ber Hel⸗
fen om een wollen lappe ende brache bzoots
offert ende toeboert. AIck zwige noch / dat
gp met uwe openbare balſche leere / ſoo me⸗
niah untverkoren Heplige Godts IM ſoo
— — — —
me
beenght/ daer mede DAL OP De leere (Die De
repne onvermenghde krachtige / ende fa:
lighmaliende wederbarende Heere Chaifti
is vooꝛ cen openbare Ketterye ende vervoe-
Ofdieniet ringe, emde De getrouwe lieve hinderen Die
Schaeps-
kleederen
heeten mag ‚goden tot den leben
maghmen den /
ren geeft en-
de woort na. lafteraers »
bloetdorftige Tyrannen
dencken.
dight / laſtert / ſchelt ende uptſcheift.
Microns
le ⸗ cci
vleefch heeft gan uwe eergierige /
hem in een
pen en lec-
lijcken Poe
geftooten.
een ſoo zwaren
len ende getrot
_ fchaude / des Heere
den Godtbzuchtigen ende vromen foo moei
ni European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
mo duced inklijke Bibli
— rie uced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
grooten waren noodt / ja om tijfende goet \q
een Wolf in Daer mede Lan de ongerechtinhept LoL der
gerechtigheydt / ende ban den ftommen Af⸗
digen Godt bekeert woz: leere / bocatie / ende dienſt ſtaen / magh de
vooꝛ vervoerde dectiſche lieden aen De
met des Hee- nordaolde / leefchjelijclte blinde Werelt / Ende hoe men hem oock voorder in het
bloet-predikers , duyvels-boden , Pꝛedick·hooren bepde Lan haer ende U
ende goetgierige roo- | (daerom fp gemepnlijck hare tongen van
vers met enckel verfierde leugenen beſchul⸗ grooter geimmighepde ende ſmerte bijten
hooveerdige, niet en bekeert / dat gp nopt geboren en
roemgierige waert. Waer toe hebt gp U ellendige menfch
Gooveerdige / dulie cap. 1 berg. 2 Cor. 6. 14. Apoc. 18. 4.) laz
gantích die- pleefchh doch bzengen laten / Dat gp om een ten caet-bragen.
‚ fa klepnen windekten pdeler eeren Die gp maer
cen fa kosten tijt bp defe uptſinnige verbaeſde Dat U De ander Predicanten/ Die cen part
werelt Daer mede berdienen Kkondet / den | wel natuerlijcker vedelijcher aert zijn / hoez
{machtigen / ceuwigen ende grooten Bodt
tafter / fijn Veplige Apoſte- verkorene op den fmallen wegh niet en Wils
we getupgen fo leeltjchien |len/ die met u aldug in fchanden komen /
n \woozdt fo groven u in afousdanige onbeljende leelijcke ſchrij⸗
eneeve/ den volclie ſo doodtlijcken bedzogh /
Sendt-brief door Menno Symons;
haer níet goet genoegh ende vecht en waren | felijcken verdziet / ende u epgen arme ziele
een fo onbegrhpelijcken leelijchen ſonde ende
nut maeckt. nde daet mede alfoa betunght / laft met dit u fchzijven aengedaen/ opge
Dat gp haer Leeraer ende Meeſter zijt. Wez dept / ende gemaeckt hebe. Immers en IS Microns
Be Micron fiet voor u / Want al Wat op baer u gantfche Boeck anders niet/ Dan ecn —— —
klare openbaringe ende opgedeckte aen: nrijven is
finge van u epgen fchande / ende Antichꝛi⸗ (eylacen) al
ftifche valfche leere / bepde LOO? deſe tegen: te Sreot ge-
woopdige ende oock toekomende Werelt / ven.
dat uwe grouwelijcke groote mis handelin⸗
ge ende zware dwalinge vooz allen mente
fchen/ Die Den Veere ſoecken / uptroept /
ontdeckt ende bekent maeckt. Mijn vrient
Micron denckt na / oft ick u miet u\ve feet
periculoofe Wonden ende doodtlijcke zeeren
vecht meter Schzift aen en wyſe.
Een laetften hebt gp u tot een openbare
fchande ende oneere allen anderen Pꝛedican⸗
ten (Die met u ín gelijcke lcere ende dieuſt Mierons
aem boog allen bzowien Der gantſcher Wer sevente
ceit gemaeckt. Want dewijle gp upt Vlaen- fchande hem
teren ín Engelandt, wederom upt Engelant rider
in Vrieslandt om deg Euangeliumsg wille (ge⸗ ren Predi-
lijck dat heeten moer) getogen zijt, A bele centen met
febrijveng ende diſputcerens acnneemt. Een [ien
redeljck Bozgerſjck leven Hoog den Men: ——
ſchen voert / vooz geen Hoerenjager / vol⸗
ſupper / noch groot-praler (foo ick hoore)
vpfonder en Wogt aengefien. Sormmna / zijn
met Schaepg-hleederen acngedaen / EC.
Wort ge bp abontueren Wel boo? cen Door
ranger, Hooft / Licht / oft ten wepnighz
ten boog cen ban de boognaemfte Lan haet
ieden aengefien ende geachtet. Ende gy nu per de
noch alfodanige een bepde boo? Godt ende perte alfoda-
alle techtverftandige inder waerhepdt bez nigereen is,
vonden wozde/ gelijck wp met u epgen Bisse,
ſchryven ende daedt hier in defen Brief ende wardande
Baeck eengdeelg befchzeven hebben: Wat anderen
men dan van Die anderen houden ende ſeg⸗ ——
en fal/ die niet met alſulck een ſchaeps · maghmen
eet her boo? proncken / maer gieren / La” nadencken.
pen/ beeten/ fuppen/ pzachten / pzalen /
cen forgeloog vupm bleefchelijch leven voe⸗
ten/ noch Godt noch Dupvel en vzeeſen /
der menfchen zielen goede koop geven / geer⸗
ne groote leenen cnde goede Dagen hebben /
noch ebenwel met w in eenerlep grondt ,
— — — — —
Teſer ín De bzeefe fijns Godts nadenchen-
willen) ſchicken fal/ wil ick eenen pegelijc⸗
Och Micron vrient / hoe goet wact 't boog | ken Die Godt van herten ſoeckt ende mepnt /
u acme ziele foo gp w anders ban heeten |deg Beeren woozt / (Matth.7. 15. 15. 13.
16 6. Goan. ze. 1. Fom. 16. 16. Gal. 5.8.
1 Cim. 6.3. 2 Cim. 2. 3. Cit. 3.9. 2 Goan.
Pet geeft mp cen groote verwonderinge /
wel fp (eplacen) met Chꝛiſto ende fifne unt⸗
gen niet en beftraffen noch te rugge en keez
ren / want nopt fijn leefdage en is haer An⸗
tichri⸗
ee V
|
b
Aen Marten Micron. 613
tichziſtiſche balfche gront ende leere ban, tot Dit leelickie balfche fch:jben aldug gedze:
Chrifta den Sone Godts / alfoo plomp | ben heeft) gantſch ende gaer te bupten gaen /
ende plat / Ya foo grof ende openbaer aen kleyn tn u engen oogen wozden ; Een beter
Den dagh gelkomen/ gelijck gpfe door uwe | ende Cheiftelijcher Fundament muwer het:
ftaute bermetenthepdt ende feer groote blint- | ten Teggen. Dan dac valfche gloferen ende
hepdt / ende ick met Defe mijne noodtwen? | fchzift-bzeken / ban De Afgodiſche valſche
dige klare antwoozt nu gebzaght hebben. | Sacramenten ende alle hupchelne afftaen.
Wie nu ſlechts oogen heeft kan flen wat Den Heere ende fijn heplige woort / met een
ap baar een verſchrickelijck ongeloof ende | oprecht cepn herte inder Waertepdt ſoecken
Die de rech- grouwelijcke geont ende leere hebt. Noch ende bzeefen. Awen naeſten / Die gp met encz
tegrontder fult gp evenwel al goede Leeraers bp Bet | Kel gewelt en openbare leelicke ſtinckende leu⸗
waerheyt — iDerelt blijven / want fulcke begeeren ende, genen t'onrechte bezwaett hebt / met ſinerte
meet hen foecien zp. Hecht fept Joannes: Sp zijn en bele tranen ín een ongevaltchte rechtſcha⸗
zijnbyde _bander Werelt / ende daerom ſpecken (p van, pen bzoederlijchte liefde van gantſcher herten
— — eder Werelt / ende De Werelt Die hooztſe / verſoenen / ende wederom met anderen fchzifz
predikers. 1 Hoan. 4-5 ten voor de gantſche Werelt nptfchzijven, hoe
Diet cerſame Micron, hiet heb ick u De gp enchiel act Dee waerhept fonder alle bil⸗
helie klare fpiegel Der Waerhepdt hoop Dat licke oogfalien fijnen name (Die doch om der
aengeficht uwer confcientien opgehangen / waerhepdts Wille / mert alg te beel gehaet
ende de onfichtelijcke lidtmaten uwer zielen Wozdt) noch al hatelicher ende ſtinckender
recht van malkanderen gedeplt / doet ſlechts ‚gemaeckt hebt. Dat gp zwaerljcken (bzeeft
uwe oogen op/ foo kondt gp fien Wat gu ich) ſult Doen konnen; ſo lange qe níet in
boo? cen man zijt / ende met boe ſeer groo⸗ cert Godtſaliger / boetbeerdiger ende brommer
ten kranckhept dat gp na den geeft beheftet Micron in Godt en woddet / als qe tot noch
zijt / waer upt alle deſe leelijche ſtinckende toe (eplacen) ge weeft hebt.
ademen / gelijck fchelden / liegen / faemtag: | Ende alfoo fange gp ſulcks nieten deet /
ven / valſche uptleggingen / verbalfchinge is't openbaer Dat gp uwen nacften fonder
dee Schrift / ende verdzaepde gebzokene glo⸗ eenige oogfalte hatet / ende om Der waer⸗
Eerft moet- fen ontfprupten en herkomen. Fa gelijck, hepoöts wille vpant zijt/ ende alfoo metten
menzijn de Wer de fonden kennen leert / Gom. 3.20. Dootflagerg gerekent bupten Cheiſtum
wonden et alſoo deert u ier deſen bzief kennen hoe ende fijn Nijcſie zijt. Och bzient/ denckt
heden weren qantfch bele doodtlijcke wonden u de helſche na / ende betert u; Wacht u mee allen blijte/
ende voelen, Stange ingeftelten / ende hoe hp u met dat, Dat gp uwe edele ziele om een foo pdelen ende
— — derdoemlcke fenijn ſjnder booſer natueren oogenblicklijcken prijs niet eeuwigh ende
helpen laten goo? Godt verdozben / ende in uwe gantfche | eeuwigh in't berdzier en brenght. Het en is
kan. leven onrepn gemaecht heeft. [maer om een kleyn wepnighslien te doen /
Ende fou dan de barmhertige Weere dooz ende Micron en is niet meer. Sal men dan
fijn groote goedighept / uwe geobe ende, booten: gaet Lan mp qp bermaledijde (m
plompe fchanden / Godt ende den menfchen | Dat eeuwige Lier) och / och/ hoe gualijck
met uwe laſterljcke fchrijven aengedaen / heeft men ’t dan gemaeclit.
mits defen boelen ende hennen doet / dieg | Hin vrient Micron, in getrouwer lief⸗
tot noch toe / overmidts groote blinthent | den waerſchouwe ick u/ neemt'et waer /
haet / eergierigheydt / ende epgen liefde / bidde ick u. Dele hel ick'er tot onſen tijden
(vzefe ick) weypnigh aen u gemerckt oft ge⸗ gekent / Die ban cen gelijcke Geeft des bitte⸗
fien hebt / fa en vertoeft doch niet (ſoo gp an: | cen pers tegen dat Kam ende fijne uptver⸗
ders moer Godtloofighept niet vecſterben en korene (gelijck oock gp) gedreven Werden /
wilt) om met een gebzoken / verſlagen / oot⸗ ende Die met een ſoo verſchrickelijcken epnde
Hebr.r.3- moedigt rouwigh Geeſt / ín een waerach⸗ ban Den Heere (Die Den fijnen vecht Doet /
Num.20.9. tigh ongebalfcht geloove met een omge |ende Den Godtlooſen haren verdienden loon
perk aa Keert / verandert / boetveerdigh / ende nieu- | betaelt) boor beeler menfchen oogen benen
“Cor. 15-22 We herte Goor Den Chroon Der Genaden | gevichtet ende geficaft zijn.
Ehsiftum Icſum eeuwigh gebenedijt te, Det is ontrent achtien of negentien jaten
teeden / Want hp ig de Geeftelfjehe Lope: | geleden / Dat et een ſeer treffelijck ende wel⸗
ren Slange, alie Adams kinderen (ín Adam | geachtet man was / hooge bp der Werelt gee
houden / Diens name ende Waderlant fckt
vander Slangen bergiftiaht) tot een heyl⸗ hou n
faem teecken / opgerichtet. Wp ís de Pan | zwijge / die een boofe fenijnige raet gaf / hoe
ftumisde die n Han alte uwe Diepe boofe quetfucren aen | men my metten vromen foude uytroeyen :
Medecine we rancke zielen helpen ende Geelen kau: | Sbn woozt ende Godtloofe gedachte en had:
Exod. 15.26: Wp is de Medecyn in Iſraẽl / bp hem alteene | De hp nauwe ge-epndight / de ficaffende hant
vint men die Salbe ende Medechne deg eeu⸗ des Alderhooghſten heeft hem aengetaft /
wigen levens. bp de Tafel is hp ter neder geftort/ ende
Ende foo qp u dan onder fifn handen bez | heeft alfa fijn onboetveerdigh / bloetdorſtig /
geven / ende fijnen raet volgen wildet / op Goddelaog Teven in eenen oogenblick feer
Dat qa hulpe en gefonthept vooz uwe kranc: ſchrickeltjck ge-ecpudight. O grouwelijck
ke zielen binden moghtet / foo moeft gp U Oordeel ! 7
feifg hem getjeel ende al totepgen begeven /| Is oockt ontrent De felfde tijdt aen eenen
fijn woordt / wille / gebodt / ende verbodt /
gehoorſaem zijn. Uwe —
rergierige / voemrijche / leugenachtige / par⸗
tijdige / nijdige / pdele / dulle vleeſch (Dat u | en foude, En
By Chri-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
Het heet
metten
Chriftenen
verfaeckt u
felven.
Mat. 16. 24.
De boete
die voor
Godt be-
ftaen fal
moet op-
recht zijn.
Matt. f. 2%
1 Joan. 3.35
Pſal. 37. 10
Merckt
defe grou“
welijcke
oordeelen
ende ftreftc
Gadts.
anderen noch gefchiet / Die hem liet dunc⸗
ken/ hy foude my eenmael dat Nette alfo
fpannen dat ick hem niet lichtelijck ontgaen
Is cock ín gelijcker maten onder
de
-
een
0 EL
614 Sendt-brief door Menno Symons;
De ſelve maeltijt / alg In die Woorden fpzackt /{ Wie gelooft ende gedoopt wozt / fal Sa:
ban een pijle upt deg Heeren Boge / haefte:| ligh worden / Marc. 16. 16. Hy foude ons
lijck doorſchoten / met een zware krancki⸗ fchelden ende lafteren , alfoo lange als hem
hept geflagen / ende alfo Loor den Almach⸗ ſijnen mondt open ftonde. Dan ftanden aen
tigen ffcaffenden Godt rekenfchap ban hem | heeft fe hem de ſtercke kracht Gods toe gez
geepfcht / binnen acht dagen begraben. floten / fijn tonge gebonden. Is opten
Poel eener / die een Officier deg Hepferg pzeeckſtoel nedergevallen / ende ban ſom⸗
op een plaetſe worden ſoude hadde hem migen bp handen ende boeten afgevoert /
faten duncken / hy foude dat volck uytroeyen ' alg een geftcafte Godts / ſtom In fijnbupg Wie u aen-
of het foude den Keyfer aen fijn macht ont-{ gedzagen. Siet / foo kan hp den genen ſtraf⸗ 5 Ed *
breecken, hp is tot Dier plaetſe gekomen
fen Die ſijnen oog-appel aenroeren ende den
dat hp fijn ſtoel befitten / ende fijn opgelep: krencken wíllen. Soude ick alle De gefchiez Appel mij-
de Ambacht bedienen wilde / ende ober biet deniſſen bectellen / die tot mijnen tijden ober —
ofte bijf dagen Daer na hebben fp de Kloc⸗ de vpanden Der Hepligen wel gefien zijn / en
ken over hem laten gaen / ende dat Requiem [fo moeſten fp Wel cen epgen bpfonder Kro⸗
over hem gefongen. Siet / alſoo vernielt nijckie ende Boeck vooz haer hebben.
Godt de Heere De aenflagen der Godtlooſen Daerom rade ick u in ongevalſchter rey⸗
Die fijnen Hepligen Bergh beſtozmen / ende | ner heeten / dat gp Doch tegen alſoo een ſtere⸗
maeckt te niete / alle die fijn waerheyt haten ke ende ſtraffende Godt ende eere niet alfa
ende vpandt zijn. meet pattijden ende ſtrijden en wilt. Felt
Oack is t Anna 1554 tot Wisbuy ín ſegge u in Chꝛeiſto Sfefu/ het wil u al te |
Gotlandt gefchiet / Dat die van onfen Bzoe⸗ | hart / ja al te hart ballen tegen defen ſcher⸗ Alle die te·
deren om haer broot te winnen / Daer wa⸗ pen pꝛicliel te ſtooten/ Actoz.9.5, Want ii den hale
ren : Ende dat ’er een Pzedicant binnen der | fijnen game is Heerfchapper Heere / ftecchte jen haer
Een foiege) ſelber Stadt was / Laurentius genoemt / die Heldt / Efai. 9.5. De Machtige / Heplige / fraffevin-
alder vn ban fijns baderg geeft gedzeven Wert. Die Perſchzickelijcke / Hooghpeijſelijcke / ende den
baefde Predi- riepſe na opter ftraten , fchoffeerdefe foo veel Wonderdadige in Iſraẽl Exod. 15. 11.
gee —* als hy konde, fy en fouden haren handel Wanneer hp fijne pijlen uptſchickt / fo moe:
Hoonfpreke- (conde hp) daer niet hebben, al foudt hem ten fp treffen / ende Wanneer hproept / fao
koften wat hy met fijn kleedt omgort hadde, moetmen daer zijn. J2iemant en ig er Die
Dat waren lijf ende ziele. Pp ig na wepnigh fijn hant ontloopen/ ende fijn ſtraffe ont⸗
Dagen met een ban den ſeiven Bzeoederen gaen kan. Och Micron hebt ‘er acht op :
ín’t beſpzerli geliomen / dat’er noch een an⸗ Ja goede vient / fo uwen ſtrijt flechts ——
Der Predicant (díe niet onbillicher aert was) tegen mp ware / gelijck gp bp abontueren acel ,
bp wag/ hy lafterde ende hielt hem grouwe- mepnt/ fo hadt gp de ſaecke alreede al ge⸗ de oude
lijck, de ſtercke Weere heeft hem noch ín wonnen? Want de gantfche Wijde werelt nnn
haerder bepder tegenwoozdighept alfa gez is in Defen deel met u/ ja oock de Alange weer.
ſtuert / dat hem fijn fpraeche t'eenemael gez felve/ ende tegen mp (want defe onfe gront ig
nomen wert / ende Wag binnen 24. uren de eenige fieke Die na lupden ban Joannis
(eplacen) metten dooden al verſettet. @ deere / fijn rijck de werelt overwinnen ende
ſchrickelijcke ficaffe ende oozdeel Godts ! krencken moet) níet evenwel tegen mp/maer
Op de felbe maniere ginck het ín dat felve | tegen de waerbept fclve/ tegen den Vader en
Jaer oock bp natot Witmer toe / Dat fn een fijnen gebenedijden Sane / tegen de gantſche
Aodeper hadden aengenomen / Doctor Sme- Schꝛift ende alle die / Die in Den Hemel waas
defteet genoemt / Die hem liet hooren / dat nen. Daerom fiet u wel kloeckelijcken boog /
hy liever een hoet vol bloets van ons hadde ‚| want hoewel dat de roeckelooſe cupge werelt
dan een hoet vol gouts, befpzacit de Over: | wel / ja tot uwer falen fept / foo en fal het u
| zen hierel Dept / Die doch geerne fulche peulmaecherg | ebenwel bp Den Alderhooghſten (wiens glas ons behutp
‚a alderblos hebben ende hooren willen / dat fp den ar⸗ rie / vete / waerhent ende getupgeniffe ick na de Heere
| I gierigen Pre- men Kinderen / tegen den bijfteren kouden mijn klepne gave dooz fifn genade ende ſterc⸗ gijn tercke
Íij | dicanten. Winter aenfeyden , dat fy haer voor Martini) ke kracht boozftae) na uwen ende belet men: woort.
l | fouden van daer maecken, oft men wildefe
| fchen wille niet gelucken.
LCN brengen daerſe niet geerne zijn en fouden.
Ende wanneer ge my nu alteede om mijn
| ij Smedefteet wag ín grooter vzeughden / Dat eere / naem / faem / lijf / ende leven (Die ick
EE hp fijn begeeren overkomen wag/ dach tot om Jeſus Wille lange al henen gegeven heb⸗
if fijnen 3waren oordeel. Want deg felven | be ende kleyn achte) bp der Werelt (die onz
—9— | daeghs heeft de Almachtige graote Heere der Chziftug gebedt niet begrepen en ſtaet)
i de handt fijnder grimmighent aen hem gez | Gaan. 17. 9. al geſchzeven bebt / hoewel ick
9 lept/ ende heeft hem binnen ſes of ſeven u (Godt fp danck) nopt geen leedt gewenſcht
—4 Dagen met een grouſame zware kranckheyt nach gedaen en hebbe / fa ſal noch ebenwel
Ei weggenomen / wach evenwel en mercht 'et Godt de Dader de waerachtige Dader Chri⸗
Í iN de verſtockite blinde ende Domme Werelt ſti / ende Chaiftus de waerachtige Godts
EEN | wiet. Sone blijven. Ende gp fult ende moet u
ii Anna 1555. noch eenmael binnen der felz/ban uwe ontepne %nticheiftifche balfche
ber Stadt gefchiet / dat'er een Predicant leere tot De ongebalfchte vepne Chziftelijcke
| 1 was / Vincencius genoemt / fg er oock noch / | leere belkeeren / oft gp ſult een ban die zijn /
EH Die nimmermeer deg Godtidoſen laftereng | daer ban geſchzeven ſtaet: Wie niet en gee
ME Hit ende zware fcleldeng moede en Wert, Lp looft is alteede berdoemt / Want hp en heeft
| fende opten dagh dien fis deg Weeren Hemei⸗ | niet gelooft ín den Haem Des eenigen geboz
| baͤert noemen / ende Bet. Euangelie houden : | ven Aoong Godts / Foar. 3-18. —
e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Tegen Godtende fijn woordt en gelt geen
pactijden noch ſtrijden. Wp is de man Die
recen den mjg behouden fal/ ende ſijn Woort is
Daer g . *
rechtfchapen De leere die De waerhendt blijven fal. Sogp
sclooveen- niet en gelooft / Dat Jeſus Chriftus de
is, heren Oane Godts is / Dat fijn getupgeniffe ende
is geen Ghri- woort waerachtigh / ende fijn ordinantie De
zen rechte ordinantie is / upt Godt niet geboo⸗
ten enn wordet / niet godlijcker aert ende
natueren en wordet / van den Hepligen Geeſt
níet beſitten noch gedzeven en Wozt/ geen
waerachtige boete en doet / in Cizifta niet
en zijt/ noch Cheiſtus in u is / foo zijt ap
na lupdt van Poannig lecre cen ban Die ,
Die geenen Godt en hebben / : “jaan.
cap. 2. vers 22.
Maer wanneer qr Chꝛiſtum hebt / inder
gen waerhent ende kracht gelooft Dat bo De
oi ttmapen Wacrachtige Sone Godts is / foo hebt op
gelooveis, bepde den Wader ende den Sone / 1 Goan.
daerisoock 5 24, Ende wandele gelijck alg hp gewans
— deit heeft. Op en lieght willighlyckien niet /
boete. want gp zijt upt dee waerhept geboorten.
Gp en haet niet. Gp en faemrtooft niet. Gr
en berklickt uwen naeften niet, En doet
nfemant getuelt / noch onrecht. Soeckt
fijn Saligheyt ende niet fijn berderbinge.
Gp beficaft fijn fonden. Bp leert hem recht
ende en verboert niemant / want de geeft Det
liefden Die vooz Godt ende den menfchen
recht handelt, ig uwe inwoonder ende Dzij-
er geworden.
8 5e en Ehriftum inder kracht hebt / fo
wandelt gp ín het licht / Goan. cap. 3 DEES
21/8j 12. Soo bolght gp den vechten Her⸗
Der / ende gact ín door De rechte deure /
pe oprech- Fean, cap. zo. ꝑxBz⸗. Gp paſſerrt den rech⸗
Peep ten wegh/ blijft in de rechte waerhent /
vaneen …_ Sfoan. cap. 14. 6. Gn den vechten wijnſtock /
wachte: Foan. 15.1. Stact op den vechten ficen gez
Sechtfchapen bour / Epheſ. 2. 19.2. 1 Pet. 2. 4e Bervalfcht
boete, Godts woogt niet / Want uwe geeft is ecn
met Chriftug geeft / uwe geloove een met
fijn woozt/ ende uwe leen (hoewel inder
zwaͤckhept) cen met fijn leven als ges
foot is.
Gp foeckt deg Weeren prijg ende eere /
ende niet u epgen. Op bekent Chriſtumu⸗ niet dan enchel bedzogh / ontrouwe bloet
wen Dalighmaker bepde met leben ende flets | ende berkeerthept ba der menfchen kindes
ben voor de gantfche werelt. Alle uwe luſt cen en is / alwaer men hem wendt en hee
ig ín De Wet deg Leeren / ende u gantſche | nen keert / ende niet wepniger op aerden en raetſe va-
dcben ín fijn Weplige vreeſe. Uwe gedach⸗ gelt noch gelden en kan / dan De prijg Chgí- ren (eye
ten zijn ſupver ende repn / ende alle uwe ſti ende De falighepdt det zielen / ſoo wilick —
goozden inder genaden met fout gekrupdet. Babel met alle fijne Pzediſianten ontepne blin:, end
Uwe dDagelijckfche ſtrijt is tegen Werelt / valſche leere / Afgoditche Doopeen Abont⸗ leyders der Il
upbel / ende u epgen booſe vleeſch: Ende mael met haten balfchen Godeg-dienft ; —— J
fettet u met uwe eerlijcke deughdelijcke le⸗ ende onboetbeerdige / pdele /
en tot een voozbeelt alle man. Dac rups Babel blijven laten / ende wil metten Hen⸗
om des Weeren woort ende getupgeniffe ligen Prapbeet Habakuck op mijn wachte
toille opgelept / draeght gp goet willigklijck /
ende Wanneer gp Met eenige gedachten /
Aen Marten Micron.
615
ende beteringe wenſche ick u met bolder herz
ten / en Wilde wel Dat ichfe tot eeniger tijdt Dit isde
ín een rechtſchapen wefen / ja in Der kracht parende,
ende waerheydt aen u fien moghte / ende ae rechte
Dat íck alg dan am dat getupgeniffe Jeſu / Chriftenen
te famen met u/ tot deg Weeren peijg ende Aen Bazen:
ftichtinge onfeg naeften/ mijnen Offer in ende van
den bloede doen foude. Hoch eenmael doet den ſoecken.
boete / op dat de koftelijckten ſchat vooz ons
gegeben / aen u níet berloven en blijve.
Wil u dan hiet mede Den Almachtigen
Godt bebolen hebben / díe geve u na fijnder
grooten genaden/ alg ick u qunne. Ende
na Defen aen u geen meer / gp maeckt 'et
oock met uwen feggen ende fchzijven hoe
qp’t maeckt / foo gp anders niet ín eenen
Ehrtftelifchen ende beteren fin bekeert eu So ick evens
wordt / ende ick ban den Godtbzeefenden We van gen IE
Daer toe niet gedrongen en gedzethen en roe gever ; If
worde. dert worde ;
Oock ſuppliceer oft ſoliciteer ick om cen ee —
opentiijck befpzectt met pmanden te hou wijten, dave
Den / na deſen geen meet / ende Dat ten cer: beyde voor
fien daerom / Dat ick ban fa veel jaren her: Ged ende
waerts dat met foo obermaten veel fcljzij- hen vasne
vens ende berfoecken foo menighmael bez zija Gl.
geert hebbe / ende nopt en Geb verkrijgen dele”-
mogen. Waer upt openbaect ig ; datmen vonnis over
(eplacen) Det glorien Gods / ende de zielen de waerheyt
der menſchen Wepnigh acht heeft. ——
Cen tweeden om dat uwe voorngemſte vei Al, daad
Leeraers ende Doozgangers/ gelijck Joan- en handele
nes à Laſco, Calvinus, ende Theodorus Be- des Heeren
za» Die qp Goor uwe weerdighſie ende liefſte 8“ Pier: |
Bzoeders bekent / menfchen deg bloedts
zijn. Want dat'et alfo is / zijn haer engen
Boecken / met t'famen de oude Seructus tat
Geneven, ende Joris Ban Parijs, ín Enge-
lant metten biete verbzant / mijn getupgen.
Ende ten Derden / Dat uwe Broeders de
Walſche Kercke (gelijck fp genoemt Worden)
tat Franckfoort, ong ín haer gedzuchte fchyzifs
ten oock opentlijcken boog de gantſche We⸗
velt al verzwooren hebben / welcke twee
ſaecken wp te boren alfoa in klaechepdt gee
lijck alg nu / niet geweten en hebben.
Nademael ick dan met oagen fie / Dat ’et
blint, ende
t Mat. 15. 14.
runme leben / Hab. z. be
ende Befte fitten / Daer ick onweerdigh toe i
bevoegen ben/ ende alſoo de Trompette oft J
wooden / oft wercken roeckelooſelhcken Baſunne deg Hepligen Godtlijcken Woozts
pberplt Wot / dat belͤlaeght ga ban gant⸗ van de mueren ende poozten te Jeruſalem
fcher heeten: Somma / Gn bewijft met alle | ín helderen Klaren gellanck na mijn klepne
uwe vruchten / dat ge een uptberkoren kint | gave afblafen. De Borgers deg eeuwigen
Sodts upt dat Wemelfche zaet deg Hepli⸗ vzeed in cepnder liefden getrouwelijcken
gen woorts geboren / ende cen levendige | opwecken/ Dat fn dat lieffelijcke Wileluja
(fDtmaet aen des Weeren lichaem gewoze| met eenen luſtigen nieuwen gefchat unt
den zijt. : danckbaerder vrolijckker herten den grooten Tob. 1328
Diet weerde Micron/ alſulck een boete, Godt ter eeren dooz hare ſtraten fingen
ſul⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
616 Sendt-brief door Menno Symons;
ſullen. In cen onbefimettede oprechte con⸗ den in fijnder genaden zijt hiet mede be
fcientie ende reyne leere / met dat blinckende | belen.
Apoc. 19.8, witte Kleedt der Hepligen / boor Godt ende
|
de gantfche Werelt haer oppzonchen fuflen / Openbare ftraffe is beter dan heymelijcke
Haer met den forghbuldigen bzomen Eſdza /
vlijtighlijck vermanen / ende ſeggen: Mijn
bolck hoort mijn woozt / ende berepdt u
tot den Urijgh / ende tot Be quade dingen /
alg Die Pelgrimen op Werden zijn / 4 Gide
cap. 16.41. Met den Wepligen Paula: Crecht
dat harnag Gods aen / op dat gu tegen Den
liſtigen acnloop des Vunbels beftaen meugt/
Ephtſ. 6. 13. Ende met Chꝛiſto felber : Diet
toe/ waeckt / ende bidt / Matth. 24. 42.
Marc. 13. 33. Tuce 21. 33. 1Petr.4. 7. 5.8.
DeSatanas Want De BVozſt Der Dupterniffen met fijn
—— gantſche macht ende Nck legert hem ront⸗
niferenop omme de Stadt Godts / ffopmt bende nacht
heralder. ende dagh / doet menigen zwaren aenloop
FoAuwelijck · mee vleeſch ende bloet / met openbare leuge⸗
nen aen De valſche leere met menigerlen
luſte Det oogen / met hangen / bannen /geet
rooven / Bloetbergieten / Cprannpe/ ende
alle gewelt. Wie hem níet ſtadigh in t gebedt/
ende aen deg Heeren vreeſe enn houdt / enn kan
niet beftaende Blijven.
Ick Wil Babel (fegh ick noch eenmael)
laten Sabel blijven / Wie ban bramer herten
Matth. 12,2. is / fal haer Godtloog Wefen Wel berlaten /
Juce.· 14.i6. ende hem tot Chriſtus Weuploft maken /
APOE 199 want de wacrhept is geopenbaert / ende de
Maeltijdt is bevept! ſaligh is Die / die Baer
met vepnder heeten ín treedt/ ende fijn Brup⸗
loftg-kicedt bewaert / ende allen untberkoo⸗
ren kinderen Godts Die oprechte trouwe
Broeders ende Suſters Cheifti/ met den
dieen ende feer foeten Joannes / onfe Wilder:
lieffie Waneder ende Medegeſelle im den
Druck / in't Aijcke / ende in De verduldig⸗
hepdt Jeſu Cheiſti vpe Dat binnenfte mijn:
Der zielen Waerfchoutwen ende ſeggen: Mijn
kinderkens hebt níet lief de Werelt / noch
Wiede We- alle Wat daer ín is. Want alle wat ín der
zeltlief werelt is gelijck luft der oogen/ luft Des
enisderiee. vleeſchs/ en hooghmoet deg lebens/ en ig
dedesva- miet upt Den Lader / maer upt Der Werelt /
dersniets ende de Werelt bergaet/ ende alte haer luften/
JOO & 1: maer wie Gods wille boet / blijft ín eeuwig⸗
hepdt/ 1 Foan. 2. 15. Mijn vzient Micron,
noch eenmael zijt ge waeefchout / doet boete /
bidt Bodt om genade / ende denckt met ern⸗
fte na / wat iclt u gefchzeben hebbe.
En toornt niet / dat ick u foo plat ende
ſcherp beſtraffe / ick hebt met ec waerhepdt
So my Mi- gedaen Godt ter eeren / ende den Hefer ten
eron hierom goeden / gelijck ick fonder alle aenfien Der
3337 Perfoonen met mijn fchrtjven de gantſche
fijneygen Werelt doe / om Dat gu de Rlaethent Chziſti
zicle, recht foudt leeven kennen / uwe leelicite ſtinc
kende ſeeren voelen ende fien / u met des Beez
ven medecijne meeſteren laten / cen rechtſcha⸗
pen boete doen / ende eeuwigh ſaligh Werden.
Den genadigen barmhertigen Godt ende
Dader / rot verlichtinge uwer blinder zielen
ende beteringe uws fondlijckten levens / dooz
ſijnen gebenedijden / eerſtgeborenen / ende
eenigen geborenen / epgen ware Sone Cheí-
ſtum Jeſum / mits de berklaringe ende dreij⸗
vinge ſijns eeuwigen ende Hepligen Beefts /
tat meerder gerechtigheydt tot Allen tij⸗
— — — — ————
ö— — — — —— — —— — — —— — ——
KN 0
* zp —
J 2
/
liefde. De (lagen des liefhebbers mey-
neh % recht trouwelijck , maer dat
kuflen des haters is bedriegelijck.
Prover.27.6.
By my Merno Symons, den 16 O&obris.
Een vriendelijke bedeaen den
Lefer. "
red dN Et is een oudt gemeyn fpraeck-
ij woort , Eerfame Lefer. So me-
A nigh man, fo menighfin. Een
gergelijck wil gemeynlijck geer-
ne rechten na fijn affect ende
voorneemen. Waer door me-
nighmael een onverftandigh boos oordeel ge- Partye recht,
geven wort ; Byfonder daer de blinde hal- —
ſtercke partye de overhant heeft.
Aengefien ick dat in fchijnender daet be-
vinde, nu omfe wederpartyen voor de kracht
ende fcherpte des Heyligen Godtlijcken
Weoorts met hare valfche leere niet beftaen
en mogen , dat fy met allen vlijte daer op toe-
leggen , dat fy ons alfoo mogen faemrooven;
calumnieren, ende onfe woorden op een foo
verkeerden fin verdraeyen, dat wy mer ?er
waerheyt in {chanden ‚ ende ſy met 'er leugen
in eeren by der Werelt blijven mogen, fois
mijn vriendelijke bede zen alle onparrijde=
lijcke Lefers, dat fy haer doch daer aen niet
ergeren en willen, ſo íy feggen wilden : Dit
oft dat en heeft ons Menno niet recht nage-
fchreven , &c.
Ick hope my na Chriftusleere daer in te ver- Matt. s. axs
blijden, foo ick van den leugenachtigen voor Luc. 6. 22.
een Leugenaer gefcholden worde. Die uyt'er
waerheyt geboren zijn , fullen my (hope ick)
fulcks nimmermeer toemeten : want ick beb
de waerheyt van eenentwintigh jaren her-
waerts tot een moeder verkoren , begeer oock
in mijnder fwackheyt als een gehoorfaem
trouw kint fonder alle rugge fien ende erger-
niffe op haer ftraten te wandelen , foo lange
ick opter aerden fweve. Des fullen mytegen pe waer-
alle onfe vyanden, mijn handt ende mondt , heyt gelt my;
mijn arme nietige leven, met {amen mijn ne geen
lanckduerige groote benautheyt, {ware droef. PTS
teniffe, armeet, ellende, kruys ende doot,
in dat gerichte Chriſti mijn getuygen zijn „heb
ter acht op.
Dat ick al dat gantſche befpreck, dat Mi-
cron verfwegen, oft op eenen verkeerden fin
gedrongen heeft, alfoo van letter tot letter
(oude befchreven hebben, gelijck dat gefchiet
is, acht ick onmeogelijck te zijn. Hebben die
Heylige Apoftelen ende Euangeliften , die de
leere ende wercken Chrifti door den Heyli-
gen Geeft gefchreven hebben ; dat oock alfa
niet gedaen: want de eene verhaelt wel by
wijlen eenderley gefchiedeniffe ende woordt
aldus, ende de ander alfoo. Het was haer ge-
noegh, dat fy den gront der waerheyt aen-
wefen , my oock alfoo. My en gelt geen woort. wiet on
vechten ‚ my gelt âlleen meter waerheyt den woorden,
Lefer aen te wijfen , dat de gekruyfte Chriftug maer om de
waerhey
Jeſus, rijde icik.
Áen Marten
Jefus, Godts eerftgeboorene, eenige ge-
borene, eygen waerachtige Soone is, ende
hoe gant{ch ontrouwelijk Micron dat befpreck
verhaelt, ende fijn Lefers met openbare leu-
genen bedrogen heeft.
| Ten tweeden bidde ick , dat my oock nie-
| mandt verkeere, dat ick Foar. à Lafto oock
mede aengetogen hebbe. Uyt haet noch
ongonft en is ’t niet gefchiedt , maer de yver
der glorien Godts ende Chrifti fijns Soons,
de eere des eeuwigen waerheydis ende de
hertgrondelijcke liefde uwer faligheydr heb-
ben my gedreven dat ick dat gedaen hebbe,
om dat Micron bekendt dat fy in der
leere een zijn, ende hoemen leelicker van
den gekruyften Chrifto gelooven, leeren ;
fchrijven , {preken , houden of gevoelen
foude, dan hy in fijn Defenfion tegen my
Joanà gedaen heeft;en weet ick niet. Is oock
Lafcohan- noch daer en boven (foo ick hoore) een man
gelelegen des bloets geworden, niet tegenftaende dat
ijn eygen
bekentenis. hy my met fijn eygen mondt bekend: heeft ,
als datmen om des geloofs wille niemandt
leedt doen en moefte,
Maer nu fal ’t heeten (na dat ick verftae)
niet om des geloofs , maer om onfer
ongehoorfaemheydts wille. Alfoo drijf-
fandigh als de gront is, alſoo is oock de be-
weeringe die fy voortbrengen. De O-
verheydt gebiede ons redelijke dingen;
/ die den 'Euangelio Chrifti, ende der liefden
des naeften gelijckformigh zijn, weygeren
wy ons dan , foo is * recht dat fy ftraffen,
Maer dat fy den armen herten daerom ten
lande fouden uyt gebieden om dat fy Godt |
| vreefen , den gekruyften Chriftum voorden
| Sone Godts bekennen; fijn heyligen Doop
recht na fijn bevel ende der Apoftelen leere
ende gebruyck ontfangen, hare getuygeniffe
ende woort met Ja ende Neen na Chriftus
gebodt daer doen , ende een boetveer-
digh vroom leven in der gerechtigheydt ley-
Sooeen den, &c Oft dat na der Schrift oftegen de,
Senrer Schrift van haer geboden wordt, wil ick
men pronke âlle beleefde reedelijcke Overheden recht als
oock de fake voor Godt in Chrifto Jefu felve te bedenc-
hoemenfe ken geven.
proneke.
Nadernael ick dan wel weet, hoe datter
veel eenvoudige herten ongelijcke ‘meer
op Foannis à Lafto ende op de Geleerden fien ,
dan fy op Chriftum ende fijn Apoftelen
doen, foo hebbe ick hem hier oock van
wegen defes Artijckels in fijnen feylen ende
erreuren aengetogen ‚op dat alle Godt-
vreefende Leefers mogen fien wattet
voor Schribenten ende Leeraers zijn;
die in foo hooger eeren by de menfchen
gehouden, ende hare namen in foo groo-
ter weerden zijn,
Ten derden bidde ick , dat my oock
niemandt die woorden , dat ick om een
opentlijcke handel niet meer {oliciteeren oft
fuppliceeren wil alfoo afneme, als oft ick
| om opentlijckte handelen geenen moet meer
hebbenen foude , dat en is de meyninge niet,
| maer met alfoodanige lieden heymelijck oft
openbaer te handelen (gelijck ick in den
| Brief beroert hebbe ) ende oock meede
die mijn woorden ende getuygenifle foo
oneerlijcken verval{chen, veranderen , bre-
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
MERFONP 2C MC 7 617
ken, ende op ’ aldererghfte duyden en-
de uytleggen , ende ons foo meenige lee-
lijcke leugen aen den hals hangen , gelijck
Micron in het begin. fijns fchrijvens tot
aen * eynde toe gedaen heeft , en hebbe
ick gantích geene luft toe. Want ick be-
vinde my aen allen kanten doorgaens met
haer bedrogen; dewijle het eenen aert is, dat
gemeynlijck een luylecker leven voert, ende
des Heeren kruys niet geerne dragen en wil.
Maer foo daer eenige Overheden in hae-
ren herten , metter Schrift bekommert
ftonden, en een nadencken op hare Pre- Diede
dicanten ende Leeraers kreegen, en haer Waerheydt
iß bsgeeren »
alfoo (om de waerheydt recht te weten) om en hoop ickte
een opentlijcken handel met my te houden , fe niet te;
drongen , dar foude my een foo vrolijcken oathouder:
tijdinge zijn, als ick een op Aerden hooren
konde, foude my oock (hoop ick) van den
Godtvreefenden (in welcker handen ende raet
ick my altijdt gewillighlijck begeve) nimmer-
meer afgeraden, noch verhindert worden.
Want wy zijns gewifle , dat wy de Schrift ende
waerheydt hebben.
Ten vierden bidt ick, dat my oock
niemandt dat voor fchelden ende lafteren
af en neeme, dat ick Mieror op (ommige
plaetfen foo wat harder metter waerheydt
aentafte. Het en is uyt geen ander oorfaecke
gefchiet , dan dat hy ende fijns gelijcken over-
midts fulcke ernftige woorden uyt gront der
íchrift her voorgebraght , hare vervoeri-
fche leugenachtige Geeft recht kennen ,
een mishagen aen haer leelijcke wefen krije
gen, ende alfoo van hare boofe wegen af.
ftaen mogen. Oock mede, dat alle de een=
vuldige goede herten , die fy aen de ftricken
der ongerechtigheydt gebonden houden }
tot des Heeren prijs mogen los en vry worden,
Het is uyt een gelijcke Geeft gefchiet ,
als oock de Heylige Apoftelen ende Prophe-
ten , jaoock Chriftus Jefusfelfs, hare beftraf-
fingen aen veele plaetfen gedaen hebben.
Wil my nu yemandt ftraffen over mijn
fcherpigheyt ; die ftraffe eerft Chriftum ende
alle fijn gefondene: Want fy zijn de geene ,
die my ende allo Leeraers, die dat recht
volgenende voor hebben, alfoo inder Hey-
lige Schrift nagelaten ende geleert hebben.
Waermen de openbare lafter , ende
de moetwillige verachtinge Godts ende
fijns heyligen woords inder fchrift vindt , daer
vintmen oock gemeynlijck by des H. Geefts
Oordeel ende ícherpe beftraffinge , gelijck
fy alle wel weten die des heyligen Schrifts
verftant hebben,
Aengefien het dan openbaer is, dat
hem Micron niet en fchaemt , dieeenegrove
Openbare.
leugen aen den anderen te knoopen. Een lafer eyfcig
eygen overfettinge na fijnen behagen te maec-
ken , Godt den Vader, Chriftum Jefum fijn
Soone, den Engel Gabriel , mer t'ſamen alle
andere getuygen des Nieuwen Teftaments
in hare getuygeniffe te'befchamen , de Over-
heydt metter werelt na den mont te fpreecken ,
menſchen gonft en eere te foeken , de arme
zielen , daer over des Heeren dierbaer bloedt
vergoten is, te vervoeren, &c. Soen is’time
mers geen onrecht,dat ik hem noeme.gelijk hy
in der fchrift van des Heeren Geeft befchildert
liii is
oock epen-
bare ſtraffe
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Deut. 33 35.
Heb ro, 39.
1 Pet. 23.
3 Pet.2,23.
3 De
618 _Sendt-brief door Menno Symons, aen Marten Micron.
is. De waerheydt gaet haerder ftratenrecht|ende bane totten leven vinden mogen,
voort, fy en wijckt noch Keyfer noch| Niemandt en geloove my, maer de waer-
Koninck, noch veel weyniger een valfche heydt ; die ick hem nader heyligen Apoftelerí ,
Propheet oft Leeraer , die der Slangen Woort Euangeliften, Propheten , ende Chriftus on-
voert, dat getuygeniſſe Godts in de leugen | geglofeerde eygen reyne leere met mijn kleyne
verkeert, ende om fijnder ydeler eeren ende | gave in onoverwinnelijcker kracht ende klaer-
arme buycks wille den Godtloofen fterckt, [heydr, plat ende klaer aldaer geftelt hebbe.
ende veele vroomen in het verdriet brenght ( In Chritto Jefu zijt gwaerſchout, gelooftet fo
Wie eens gefonden oordeels is, ende beken: | zy wilt, gy wort met onfer wederpartyen lee-
wat des Heyligen Geefts wijfe ende gebruyck | re aen uwearme zielen deerlijcken bedrogen.
in der Schrift is, moet feggen dat ick recht
fchrijve.
Ten vijfften, bidde ick, dat mijn doch |
niemandt mijn fchrijven alfoo af en neme,
als of ick Micron fijn quaedt met quaedt ver- \den Slangen leugen ;
gelden wilde. Och neen. De wraecke laet) Eet ment foo moetmen fterven, ende ver-
ick dien, die aller Werelt Richter is. Ick|treetment, foo komter een Ader uyt. Sy is
hebbe het Micron ende alle dwaelachtigen ten | dat Geeftelijcke Koedreck , daer by Ezechiel
dienfte gedaen , op dat fy haer bekeeren, en- [eenen tijdt lanck fijn broodt backen moefte.
de Chrifto den Sone Godts fijn behoorlijcke
prijsende eere geven mogen.
De waerheydt is haer door Godts genade
met alſoo een kracht ende klaerheydt voorge- befchenckt heeft alle die op Aerden woonen.
ftelt, datfe oock geen meníche metter fchrift, Want hare leere ende bekentenifle ſtaet
breecken, oft met vernuft ter neder leggen \klaer ende openbser, als dat de gekruyfte
magh. Waer derhalven niet ongeraden , dat Chriftus Jefus Godes waerachtige Soone niet
onfe wederpartyen de faecke met wat klaerder geweeft en is, want hy en heeft geen Vader
Afgronts, diede edele klare Sonne Chriftum
Jefum , ende de Locht fijns Heyligen Woordts
doncker ende duyfter maeckt. Sy isder ou-
in de fchoone gulde beker, van dat bloedrt-
Want fy is een rechte Wafem uyt de put des Apoc. 9.z.
Ja Ey ende broedinge: Eſai. 59. si
Summa ſy is, dieafgrijfelijcke grouweldranek rech, 4. zo
dronckene Babylonifche Wijf, daermede fy Apoc. 17. 4
oogen infagen;
oordeel met allen Heyligen ontvlien ; ende |dichte vereeninge wille
op dat fy dat toekomende gehadt; feggen fy. Wort {lechts om hare ge=
alfoo genoemt,
in die dagh fijnder verfchijninge met eeuwi- Chriftus Doop ftooten fy uyt, ja fy verbolgen-
ger vreughden voor den
beftaen moghten.
Soo niet, macr haer.des weygeren, hal-{ noch geleert en is.
goet met tuſſchen Mofen ende hem , des Eedt ſweeren
ftarrigh ende partijdiſch blijven;
quaet, ende liefde mer haet betalen. Hare
behulplickheydt (nu fy metter Schrift te {wack
zijn) aen des wereldtsgewelt ende macht foec-
ken, ende alfoo met leugenen ende valfche
werfierde vonden, op der Godtvruchtigen
verdervinge ende ongeluck loeren, gelijck
(eylacen) tot noch toe van veelen gefchiedt is ,
{oo moeten wy dat den Heere opdragen, onfe
gielen in verduldigheydt befitten endeaen die
{preucke Chrifti gedencken. Alfoo hebben
fy oock den Propheten gedaen, die voor u
seweeft zijn, Matth. 5.12.
Ten laetften wil ik oock alle mijn Lefers en
Toechoorders , groot ende kleyn, Rijck ende
Arm, gonftigh en ongonftigh recht als voor
Godt getrouwelijck gewaerfchouwt ende in
Chrifto Jefu lieffelijcken gebeden hebben , dat
fy doch defe onfe onwederfpeekelijke grondige |
antwoordt ende verklaringe met onpartijde-
lijcken herten lefen, ende met de Wage des
heyligen Godrlijcken Woordts recht wegen
willen, by onfer wederpartyen ongerijmde
grondtendeleere houden. willen. Op dat fy
metter waerheydt verlicht, den rechten wegh
ftoel fijnder Majefteyt ſe ende laſterenſe, ende richten eenen ande-
\ren toe, die. haer van geen fchrift bevolen
|
Chriftus onderfcheydt
halven, als datmen geheelijcken niet ſweeren
en ſal, wederfpreken fy heftighlijcken, ende
feggen : Recht fweeren moetmen wel, ende
iseen heylighendegoet werck, &c. Wie van
kloecker herten is, die verſtae, wat wy beyde
in den Boeck ende Brief verklaert hebben.
Dat Woort ((eydt Joannes) is vleefch ge=
worden , Joan. 1. 14. groot ((eydt Paulus) ís
de verholentheydt der Godtfaligheydt , Gode
is geopenbaert in den vleefche, hy is gefien
van den Engelen } „gepredickt den Heyde-
nen, gelooft inder Werelt „opgenomen inder
Heerlijckheydt, 1 Tim. 3. 15. welcke getuy-
geniſſe, met t'ſamen allen anderen , dieden
(fichtelijcken, grijpelijcken ende gekruyften wie chrí.
'Chriftum voor den Soone Godts bekennen , ſtum voor
om dat wy die gelooven ende van herten be-
SeCtmaeckers ende Ketters zijn (eylacen.) Het
waer wel tijdt dat fy toefagen Goede Lefer
neemtet waer. Godt gunne u fija genade,
Amen. Lefet befcheydelijck, ende oordeelt
[onpastijdelijck > Amen.
s Matt, 6: 3%
kennen recht ende waer te zijn ‚ daerom moe- waerheyt
ten wy onfer wederpartyen ende aller Werelt bekent,
EEN GANTSCH DUYDTLYCK
ENDE
KEA ER BE VELS,
Urk ke D EB
HEYLIGE SCHRIFTUURE,
Dat Jefus C hriftus is de rechte beloofde David in den geeft, een Koningh
aller Koningen, een Heer aller Heeren, en de rechte geefte-
lijcke Koningh over dat geeftelicke Ifraël, dat is lijn Ge-
meynte, die hy met fijn eygen Bloet gekocht,
ende verworven heeft.
Eertijts gefchreven aen allen paren Broeders ende Bontgenooten ,
hier ende daer verſtroyt.
Tegens de grouwelicke ende grootfte blafphemie van
JAN VAN LB N,
Die hem uytgaf voor een blijde Koningh over al, ende der ellendiger vreughde
geworden, hem fettende in de ftede Godts.
DOOR
MEN NO S YM Q-_N S,
1 Cor. 3.11.
Daer en magh geen ander fondament geleyt worden, dandát’er geleyt is;
| welck is Jeſus Chriftus.
Gedruckt in’t Jaer onfes Heeren, M. DC. LXXXI
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
D
8
8
S
©
[a
re
®
8
2
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
produced by courtesy of Koninklijke Biblioth
nakere TEM CG o) ere [Vets
3197 B 28
|
EEN GANTSCH DUYDELYCK
ENDE
KLAER BEWYS:
Uyt de Heylige Schriftuure.
Genade, vrede, ende barmhertigheydt van mentlijck dat oordeel / Be barmhertighepdt /
Godt den Vader, door Jeſum Chriſtum, ende Dat geloof / dít behooztmen te Doen /
zy met allen waren Broeders ende Bondt-| ende Dat ander niet achter te laten / op gee
genooten , hier ende daer verftroyt ‚ Amen. vepnsde hupchelaers / Die Daer klmfer ecn
Purge ende berflinder een Cameel. Ende * TE”
sG eeuwige barmbectige Paulus / Dat eynde Des gebodts / is De lief”
Godt / Die ong upt De de Upt cen EEN herte / en goede confcientie /
EE Dupfteeniffe/in fijn Wons jen upt een ongebvepngdt geloof / ban Welclte
derlijcke Licht geroepen ſommige zijn afgeweken / ende hebben haer
4 — heeft / Ja overgevoert ín | tot onnutte geklap gegeven / niet berftaende
eN KA ps dat Bijck fijns 9Bemfne watſe affirmeren ofte beveftigen ; aldus berz
den Soons Jeſum Chꝛi⸗ | geten alle valſche Leeraers Dat Perbondt
E —ſtum / die moet ong op haers Godts / waer mede fp met Bodt ver⸗
den vechten wegh bewaren / Dat de Dathae plichtet zijn / alg nu (ach Godt) van beele
nag doog fijn liſtigheyt ons níet en verlepde / geſchiet / die al vergeten hebben waer op fy
ende Dat geen woztel Der bitterheyt / onder gedoopt zijn, namentlijck op dat Kruyce;
Hebr. rr. 15 ong op CN waſſe / die cen berwezeinge makie/ |ende willen des Sweerdts gebruyck aenne- Sweert.
Deut. 29.18. ode geele daer dooz verontreynight werden / | men > BOE kennen ende prijfen, waer voor
alg nu (lepder Godts) eensdeels gefchiet. de Almachtige Godt , behoede alle ware __
1Cór1.18: Ende het moet aldus toegaen, Dat Secten Bontgenooten , ende geve haer wijsheyt ende Nota.
onder ong opryſen / op Dat de bepzoefde mo⸗ | verftant » datſe dat verbondt haers Godts
gen openbaer Wozden. ‚mogen bewaren ‚ ende altoos indachtigh zijn
*
—
en —* ⁊
Plemant ſtoote hem daer aen / Dan ecn ‘van wat geeft ſjn Diſcipulen Chriſtus wil Luc.s. ss:
peder hebbe acht op Godts woozdt / ende ‚ hebben.
blijve daer by / op dat Gp verloft werde van |
Ja datfe haer Wachten mogen boor deſe
provi2.16» Der eemder vzouwe / als Saloman fept/ vzeemde vrouwe / Want haet huns nepget
er (daor welcke vrouwe / men alle valſche Wee: tot der Doat / ende haer paden tor der ber:
raers verſtaet) Die bau bupten is / Die ſme⸗ derffeniſſe / alle Die tot haet ingaen / Die ko⸗
Kende Woorden geeft / ende bergeet Den
Meeſter haerder jonckheyt / ende —
dat verbont haers Godts.
Dit is de rechte aert van alle valſche Lee- |
raers. |
Ten eerſten / ſoo vergeten fp De repne lee⸗
ringe Chziſti ende gaen met een ander |
Galat. 3.1. bremde leeringe om/ ja fp betoveren de an:
dere menfchen/ Datfe niet honnen De waer⸗
Rom. 16,17. hept gelooven / ende geben fmeltende woor⸗
Den / alg Paulug fept / dooz focte ende fmez |
kende wooden bedriegen fp De ſimpele
herten. |
en anderen / foo verlaten fy haten Mee⸗
ſter Chriſtum / dien fr alleen ſouden hooren /
Matt. 17.5. as de Vader van hem getupght / feggende :
Mare.9. 5 pie is mijn beminde Sone / ín welcken ick
9:35 cen Welbehagen hebbe / dien fult gp hooren.
men wiet weder / noch fp aengrpen den
wegh deg levens niet.
Ende nademael Defe vzeemde Lrouwe nu Apoc. 2. zo.
ter tijdt ſeer regueert / ende Dele berlent /
gelijck alg de Pzopheteſſe Jeſabel Dede / ende Gen. 5. 13.
moch doet/ en gelijck dat Serpent Cam
bedzoogh / fa Willen Wp door De genade
Godtg/ ſommige ſtucken ontdecken/ op
dat de gene Die noch blint zijn / flende mo⸗ Mat. 24. 15-
gen worden / ende gelijck alsfe bekennen / gep jd
Ben Antichzift eenen grouwel is / ſtaende ín pan. 5. 27.
de Weplige plactfe datſe alle berlepdinge Apoc: 17. 18,
mogen bekennen.
Ende gelijck alg ſy niet Willen drincken
Gan De Welck Der Babilonifcher Boeren /
datſe haer alfoa Loor dat fenijn des Ser⸗
pents magen Wachten / ende of De ſelbige Num. ar.s.
ban den Serpent gebeten Waren/ Dat fp tet
Mat.25.9. Maer deſe ſtemme des Vaders / vergeten
alte valſche Leeraers / ende verlaten den ee⸗
nigen neeeſter Chriſtum Jeſum /ende want
fp niet van fijne Schapen en zijn / foo hoa:
ven fp oock fijn ſtemme niet. ê
Ten derden / foo Lergeten de valſehe Kee:
raerg/ Dat verbondt haers Godts / ende
Darmen meeſt behoort te actjten / Daer parten
fn Wepnigh op. Als Chꝛiſtus de Pharizeen
fivafte / ende ſprack gp geeft Den tienden ban
matta3eaae Amijs / Menthe ende Komijn / daer ver⸗
geet op Dat pzincipaelſte des Wets / nar
Joan. zo. 26%
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
(finne mogen grijijpen/ Des ſenijns ontſla⸗
gen te wozden / als fp fien op den waerach⸗
\tigen Serpent ende alfo mogen geneſen / roan. 3. 14:
dat welcke ong Godt moet geben.
Wy hadden des{chrijvens welontflagen ge= Nota.
weeft , dan de noot dringet onste{chrijven ,
eensdeels , want wy der fchandelijcke veriey- waerom de
dinge, ende de ‘groote lafteringe Godts , niet fc rijver ver
mogen verdragen, dat een menfche in Chri- —— is,
fi ftede geftelt wort, eensdeels, want men ol —
ons niet wil te woorde ſtaen, noch ſulcke ver-
leydinge, ja veel meer grouwelijcke ketterye, merekt,
Jiii3 van
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
622
Menno Symons;
van den beloofden David, ende meer anderen, Hemelſchen weſen over alle Dosftendom /
met Bybelfchen fchriften verdedigen,
Dan fulcken aert hebben alle verleyders,;
alle dwalende Geeften, dat fy vlieden van Gods |
Joan, 3. 3e à :
20. Woordr, als Chriftus feght,alle die quaet doet,
haet dat lieht, ende komt niet by dat licht, op
dat fijn wercken niet geftraft en worden.
Dan Die geethendt doet / ende De Waer:
hepdt voorztbrenght / Die komt bp dat LTicht /
op dat fijne wercken openbaer mogen woz:
Den / datie daor Bodt gefchiet zijn. Daer⸗
7 aim die van Dat Licht, (dat stan Godes
Woozt) vliet ( Die geeft te kennen / dat fijn
werciten níct van Godt en zijn.
Man dit konnen De ſommige noch niet
ſien / dien is ban nooden De oogen falve /
baet ín Apocalipſi af gefchzeben ſtaet.
NOTA Ach Bedt/ hee periculeufe tijden zijn 't
nu / hee conſpireert nu De Propheet Balaam
Apoc. 3. 18.
Num. 24:
en 25. met Der Moabiten Voninck/ tegen Den
Iſraẽl Godts.
Exod.6.7. _ Die Egpptiſche Coovenaers / hoe ftacn
fp nu tegen den waerachtigen Mopſen.
Jer. zo. Bie leugenachtige Pashur / hoe Wordt
2Tim3 hy nu gehoort / em dat hp geluck ende boor
ſpoet pzopheteert / Daer Doch niet af en
komt.
Jer. 18. Hoe bedrieght nu de valfche Hannanias
Die braome kinderen Gfraëlg ende doetſe
betrouwen op leugenen.
NOTA Die Wimachtige Godt/ fal verwecken
Straffe der: een Jeremiam / die Den bedrieger des volcks
leugenen ,
binnen 2 Ja-
ven mocftie odt gebiedt / ende de Heere moet fijn woogt
hy flerven. ſtellen ín deſes Jerimias mondt/ tot een
Jesi per / ende alle valfche leeraers tot ſtoppe⸗
len / De Heere fal ’t Doen / op Dat De Waer:
bept dat belt magh behouden.
Ende of daer noch foa beel Baals Pzo⸗
pheten komen / ſoo fal de Heere noch een
Micheam achter laten / Die ong Dat rechte
woordt deg Weeren fal verkondigen / maer
hier nu genoegh af / op Willen die ſaeke aen⸗
grijpen tot Godts eere ende ftichtinge Det
gemeente.
Chriſtus
gewelt / macht / heerſchapppe / en over alle
wat genoemt magh worden / niet alleen in
deſer Werelt / dan oock in De toehamende/_
en heeft alle Dingen tot fijnen boeten geWwoz-
pen / ende heeft hem over alle Dingen tat een
gooft der gemepnte geftelt.
Ende Chriftug betupght ban hem ſelben / Matt. 28. 28,
dat hu is cen geweldigh Konink, als hp fegt/
mp ig alle macht gegeben in Hemel ende in
det Verden /en Paulůs ſeght / dat Chriſtus Hebr 3.
is dat wptgedzuchte beelt Godts / endé
dzaget alle Dingen metten woozden fijnere
kracht.
Alſoo is Chriſtus een Uoninck over alle Plm 99. ze
Aertrijck / Dan de baofen magen ’t niet bet-
Dragen / daeromme feae De Pzapbeet: De
eere is Koninck gewozden/ des vafen De
Hendenen / hy fit op Cherubin / deg beroert
ſich dat tant / dan fp kennen níet meer fchaf-
fen dan de Heere toelatet / Gean. 19. 11.
Gude niemandt kan hem wederſtaen / De zer. so.44.
beegen verſmelten als Was / vooz den Hee- Rom. 3. 19.
re / voor den Vegeerder Des heelen Aertrijlis. Plalm 9y. za
__Wijder dat Cheiſtus een Koninck ig over
fijn geloovige gemennte / Gebben Wp klaer
getungeniſſe ín Ber ſchzift Want foo ſeght
Efaias : Gen kint is ong geboren / een Doon ai 9.5:
is ong gegeven / ende Be Beerfchapppe fal op
fijn fchouderen zijn / fijnen Naem fal won-
deelijck geheeten wozden / een Naets Heere /
Bod / Sterck / een Dader Der toekomende
Joan, x9. i1.
ſtraffe / ende anders níet en ſpreeke dan hem |werelt/ cen Prince Des bzedes/ fijn heeefchaps
ppe fal vermenighvuldight werden / ende
fijng vzedes en fal geen epnde wefen.
Dat huns Jacobs is de geloobige gez
mepnte/ alg een pder Wel verſtaet / daer is |
Chꝛiſtus cen Roninck ober / alg De Engel Ter. 23.5: |
klaerlijck getunght / en Jeremias van Chꝛi
fo ſeght / hp fat een Romnen zijn ende wſſe- NOTA
lijck regeeren / degaelijchs Eſaias / fiet een
Koninck fal ín Det gerechtighent regeeren
ende De Princen ſullen zijn boog in't Oozdeel.
Nengefien nu Chriſtus een Voninck ís /
bepde ober ’t geheele Aertrijck / cnde oet Eri. zz. x:
Een cerften fg ’t onwederfpzeeckelijck/ dat [fijn geloobige gemepnte / foo Wp met klare
een Konink ge Aimachtige Godt/ fijnen Soon Chzi⸗ ſchziften (na Det genaden Godtg ons gege-
ingeftelt
ſtum Jeſum / onfen Heere) een Koninck
over het
gantfche ingeſet heeft / bepde ober Dat gantſche Aert⸗
aertrijck pick ende fijn geloovige gemepnte/ dat
Ehꝛriſtus een Honink ig ober ’t geheele Aert⸗
Plat. 47.2. rck / getunght ong de Schrift overvloedig,
Dat is, hy is bpfonder De Pzopheet David die aldus feat :
wrench. @e alderboaatyfte Heere if berfchzichelijck
den door de eet grooten KRonincekt / op het geheele Wertz
Prekinge des rijck / ende moch in den felfden Pfalm/ God
Fuangellas {3 opgevaren met jupchen / ende De Heere
voort ver-
—— ſinget Godt / lof ſinget onſen Koninck /
Ay ons die want Godt is Koninck op het geheele Aert⸗
worpen,en ryck / lof finget met berftande/ Godt ís
wo zijnwy oninclt ober de Pepdenen ende fit op ſijnen
sen. hepligen ſtoel.
Dacrom ſoo waerachtigh als Cheriſtus
Godt is / fea waerachtigh ís hp KUoninck
over den gantſchen Aertbodem.
Dit betupght De Heplige Paulus totten
4 Epheſeren / daer hp aldus ſeght / Godt de
Ephef, var Dader heeft Chziſtiim van den doot geweckt
ende geſettet tat fijner vechter handt ín den
Epheſ. x. 20.
ven) aengetekent hebben / hoe noemt ſich
dan Jan van Leyden, een blijde Koninck over
al, der ellendiger vreughde geworden.
Wil hy onſe Koninelt / onfe Heere zijn fo NOTA
mogen Eſaias en Paulus wel te rugge ſtaen.
Want Paulus ſeght / hoe wel dat 'er zijn 2 cor. 8. 5.
díe goden genoemt Worden / het 30 ín Den
Wemel / oft op Verden / (nademael daer beef
Boden ende beel Weeren zijn) nochtans heh-
ben wp eenen Godt den Dader / upt welcken
met Blinckender baſunnen / lof finget / Tof | alle dingen zijn / ende tp in hem / ende eenen
Heere Jeſum Chziftum / dooz den welcken
alie Dingen zijn / ende Wp doo? hem/ ende
Eſaias ſeght:
De Hecre is onſe Meeſter / de Heere is Er. 33. za:
onfe Nichter / de Heere is onſe Koninck.
Diet foo waerachtigh als Chziftug onfe
Meeſter ig / foa waerachtiah als bp onfe
Nichter is foo waerachtigh is hu onfe Ko·
nínkt/ waer blijft nu Jan van Leyden? Ogrou- NOTA
welijcke blafphemie Godts , dat een Menſche
fich noemen {al een blijde Koninck over al!
daer doch alfoo gefchreven ftaet. -
Heere
Tegen Jan van Leyden. 62
Ard
ſes Godts / omdat ick
ach. 3.24. Heere Godt Schepper alder Creatueren / dagh der wzalien on
verbaerlijck / ſterck / rechtbeerdig
h ende vertrooſten ſoude alle weenende / om dat
barmhertigh / die alleen goet zijt / allcen een ich ordineeren ſoude den bedroefden tot Sion
beerlijck Koninck / alleen gerechtig
h / al-|beetrooftinge / ende Dat ich haer geven ſou⸗
machtigh ende eeuwigh / Die Iſraelvan allen de / cen Iiroone boor Aſſchen / Olie Det
s Tim. 6. 13+ quaden berloft / ende Paulus: Helt
u vooz Godt / die alle dinck levendigl
ende Loor Jeſu Chꝛeiſto die onder
Pilato betupoht heeft / cen goede
gebiede |blijdefchappen Lao? dzoeffeniſſe / den mantel
; maehit des fofg voor den Geeft Des dzoefheyts. Diet zi 6r. 3.
Pontio | boe klaer hebben wp hier dat Chꝛiſtus der
beken: \ellendiger beeughde geworden is / in welc⸗
teniffe dat gp houdet dat gebodt onbeblecke⸗ ke fich ate bzoeme Cheiſtenen verblijden en
lijck / onberiſpelijckt totter beefchijnmae ſeggen: verblydende fulien Wp ons ber blije
ontes Weeren Jeſu Chziſti de Welcke hp |Den inden Heere / onfe Zieke ſal in ouſe Godt
dertoonen fal/ tat fijnder tijdt / Die
Saligh verheugen / want hp heeft ong kleeden det
ende alleen een Prince / een Hecre det Peer falighepdt aengedacn / ende metten Mantel
ren / en Uoninck der Honingen ig.
Merckt. an
ellendiger vreughde geworden , is
Verder | Det gerechtighepde otnvangen/ gelijck een
dat Jan van Leyden feght , dar hy is der Bꝛupt berciect met haren hals bande: / biet
een de toe vermaent ons De Propbeet Tacha⸗
grootfte Blafphemie Godts die een menfche|tíag ende ſeght / Dochter ban Dion ver- Zach. 9 9:
kan {preken.
Lutijde u / weeft bzolijck Dochter ban Ieru⸗
b S | " —— EREN 4J
Want onfe vreughde ig Chriſtus getoor ſalein / Want fee ie koninck kome recht⸗
| p ob le 4 { ' * en © *21 Tain sk 2
den / als jp wert geboren / na Dat getupgee veerdigh / gocdertieren / fachtmoedtas —
niſſe des Engels totten Herders: Diet Ich
Lucero. perkondige u hupden groote blidtſchap /
PGN want u 8 heden geboren / cen
genadigen malier / Deweictie is Chriſtus de Heere in
Heereen Dabids Stadt, hier op accoꝛdeeren De WoO}
bt. | nb zl?
Godt hebt. den Davids den rechtveerdigen is
opgegaen. Ende een bijdtſchap den oprech⸗
tigen ban herten / gy gerechtige verblijdt u
ín den Heere / ende belydet de geda
rheden fijnder heerlijckhepdt / egubileect den Heere
alte Wererijck/ dienet den Heere met blydt⸗
fittende op cen GEzellinne ende haer Jonge
beulen. Ende De Koninckljcke Propheet
David Singet ben Deere ven nieuwe Liedt /
fijn tof moet zijn ín Die gemepnte Der hep:
ligen/ Iſrael verbljde hem / des Die hem Prat. 149. 13
en heeft de Pachteren ban Sion
Saligh
mogen vrzoluck zijn ober haten ücninchkt /
fp moeren fijnen HName leben ín Danſen /
met Tamboeren ende Herpen moeren ſſ
hem loben.
Aldus hebben gedaen alte hepligen Gode
chtemniſſe
fchappe / komt herwaerts boor fijn aen als Dabid / die alfoa feght ; Onfe Ziez
gefichte in verhooginge / ende bekent Dat hj |le Berbepdet Den Heere / Want he is onfe
Plalm ioon.. fefoe Godt is/ bp Geeft ong gemaecht / ende ulper ende befchueter/ want onfe heete
níet wp ſelven / tot ſiju volck en
de fcha-|fal fich in Gem verblijden / ende Wp fallen RA. 35e 200!
pen fijner wenden / ende Paulus verblijdet Hoopen in ſijnen bepligen Naem / ende
winden Weerc/ wederom ſegge ich verblijdt |Cfatag: Diet Dit is onſe Godt wp hebben
Phil. 4 4.
u/ aldus vermaent ong de gantſche ſcheift / hem verwacht / ende hp fal ons ſalih maez
dat wp in Chꝛiſto onfen eere fullen ver⸗ ken / Die is de Heere / Wp hebben hem bere
Gen.49-13. blijden / want hp ís de gene daer af gepro: | Wacht / Wp fullen verheugen ende ver—
pheteert heeft De Hatriarche Jacob / dat hp blijden in fijn falighepde. Hier mag men Eſai.25. 9
foude zijn cen Ger bepdinge des volcks / Dat ig ſpeuren / hoe ſich alle hepligen in Bodt ver⸗
wacken Godts volck lange met grooter | lijdt hebben.
begeerte ſoude verbepden / alg Chziftug oock
getupght / ſeggende:
Joan. 8.56.
boort verblijdt.
Heb.7, 1. Ehriftug is De waerachtige Melchiſedech /
een Koninck van Salem / dat is een Konink
Des bredes. Die tuffchen Godt den Dader /
ende dat menſchelijcke geffachte breede ge-
maeckt heeft.
chꝛi fa:
coran, Cheiftug ig De beant Iſaar /
Joan.s.24 LCME offerande ong met fijnen Hemelſchen
Heb.1z Mader verſoent heeft / ende fijn offerande
Heb.10. biÿft eeuwighlick in waerden.
ter igg. CThꝛiſtus ig De ware David /
Excl47ea. qrooten Goliad berflagen beeft / ende
heeft wegh genomen Den laſteraer ban
Iſraẽl
zier Fa breughde ende blijdtſchap
gemaecat / alg gefchzeben ſtaet /
duc. 4.18. des heeren (ſeght Chziſtus) is opmp/ om
Dat mp de heere gefalvet heeft / om den ſacht⸗
moedigen dat Euangelium ten verkondi⸗
gen / beeft hp my gefonden ende gels
ercher te openen / om dat ick prediken ſou⸗
De een aengenaem jaer Des Heeren /
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Abraham heeft hem berblijdt dat hp mij:
nen dagh foude fien / hp ſagh hem ende wert
Ende wat vreughde kan ons van een Men-
fche worden, daer doch alfoo gefchreven
helpen , maer fijnen Geeft moet uytvaren ,
ende wederom tot fijnder eerden keeren ,als
dan zijn al fijne aenflagen verlooren, ſaligh
{8 hy welcks hulpe Jacobs Dodt is / welcks
helpt den elſendigen ende richtet op Die neder⸗
Die met | geflagen zijn / Die Daer is een vaſtheht deg
middaeghs / een afbindinge dee misdact/cen
hulpe deg vals / verheffende Die zielen / ende
verlichtende de oogen / gebeude gefonthent /
t leben ende bedijdinge.
Wengefien Ban Thriſtus onfe vreugh⸗
die den
overleggen / wat een grouwel het voor Godt
is, dat een Menfche wil wefen , ’t gene dat on=
fe Salighmaker Chriftus is, magh dat oock
niet wel een gruwel wefen , ftaende in de Hey-
beeft bp
de geeft
Leyden laet hem niet genoegen daer aen ; dat
hy hem uytgeeft voor een blijde Koninck
ende zie over al, der ellendigen vreughde geworden ;,
dan
onden de
ftaet “ Ende verlaet u niet. op Princen, oft pt. 145. 33
Menfchen Kinderen , wantfe konnen u niet NOT à
hope ſtaet ap Den Heere ſijnen Godt / Die daer prat. 146. 5
krachts / bedechfel der Gieten / ſchaduwe deg Ecel- 34. 1*
De is geworden / foo mag Dan een pder NOT A
lige plaetſe e Ende dat meer is, defe Jan van NO T A
— — —
Ee
624, Menno
dan hy beroemet hem oock te zijn de beloof-
de David daer alle Propheten af getuygen ,
ende wil nietconfenteeren dat Chriftus onfe
beloofde is,
Alfoo zijn geaert alle valfche Propheten,
ja allé Antichriften, Datfe op haren hooft
hebben Ramen der lafteringen / ende Hrao:
nen den goude gelijck / act dooz bee ftaen
Wert De hopaerdye / alsmen ooch ſpeuren
Apoc.17.4. magh aen de Babiloniſche Hoere / die met
kelck bol aller gruwelen in hare ant / ende
ſeght in haer herte:
Apoc.17 4. Ick ſal fitten alg een Koninginne en geen
en:8.7. _ Dzocffeniffe fien / Dan de Heere magh't niet
Eli. 13.19. onder De Honinckrijclken / de heerlijcke
Pomperie der Chaldeen fal omgekteert wer:
Apoc. 18. 16, Den gelijck alg Sodoma ende Gomozra / ja
op een ure fullen haet plagen komen / ende
niet alleene Babilan / maer oockt alle
Antichziften / tfamen met haer verlep⸗
Dinge ende leugenachtige fchziften / ſullen
upegeroept Werden als Chꝛriſtus ſeght / alle
plantinge Die mijn hemelfche Dader niet
geplantet en heeft / ſal uptgeroent werden.
Matt.rg-13. Ende daer magh geen grooter Antichrift
komen, dan die hem uytgeeft voor den be-
loofden David. Welchkie beloofde David ig
Merckt. Chꝛiſtus / alg de fcheift overvloedigh bez
tupat/ wie ooren heeft am te horen die houte.
Een eerſten foo ſeght de Pzopheet Ho⸗
ſeas: Die hinderen van Iſrael ſullen vele ſit
Matt.i3. 43 ten ſonder Koninck /fonder Prince / ſonder
—*5 2Offerhande / ſonder Altaer / ſonder Ephot /
NOTA fondee Ceraphin. Ende daer ſullen de
Hofe, 3.4, kinderen Iſraels wederkeeren / ende ſoeken
Den Meere haten Godt / ende David haren
Koninck / ende fp ſullen bzeefen totten Heere
ende tat fijnen Bodt in ’t laet ffe der dagen
Pet 18 onwederſprekelickk dat deſe Eta:
ninck David / niemandt anders magh zijn
dan Chziſtus Jeſus / den welcken moeten
ſoecken alle Die faligh Willen werden / als
Amos 5.6. gefchzeben ffaet: Soecket Den Meere ſoo
fult gp leben / ende Eſaias / foechet Den
Heere terwijl qu heen vinden meught / roept
Ehi.ss.e. hem aen / tecwijl hp na bois / daerom ſegt /
Dabvid / doen ick den Hecre fochte/ Ante
woozde hp tp / ende hulp mp; upt alle mijs
Plalm34s. ne noet / ende Chriſtus de wijsheyt Godts
ſeght: Die mp vindet / Die binder Dat leven /
ende fal welbehagen ban den Heere fcheppen/
ende wat Konink fullen de kinderen Iſraels
anders hebben dan Chziftum Jeſum? den
Hebr, 7.1. Waerachtigen Melchiſedech een Woninck
ban Salem; Dat ig een Koninck des vree⸗
des / ban Welche De gantſche ſchare Der
Difcipulen getupghde /alfoo : Gebenedijdt
Lue. 19.38. is De Koninck die Daer Komt fn den ame
Luce 2. 14. des Heeren / breede ín den Wemel ende lof in
| den haogbften.
EE HIN K Befen Koninck Chziftum hebben de
Hil Joden berfimact / ende daerom zijn fp herz
EN Hi blint / dan fo fullen noch wederliecren ende
EN tot Cheiſtum haren Uoninck David ko—
ait ant men / alg °t Paulus betupgbt / feggende:
—4 Iſrael ig blintheyt eensdeelg geſchiet fo lan:
Kom.11.26. ge tot Dat De volheyt der hepdenen geltamen
zp/ende alfo fal dat geheele Iſrael faliaty wer:
NOTA
Prov. 8. 34e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
fchaerlaken gefilect is / ende heeft een gulden,
Symons;
Den / als gefchzetsen ſtaet / hp fal komen
upt Sion ende dat ongodtlijclie weſen af; EGi-s9 z0.
keeren ban Jacob / ende Dit (8 mijn Ceſta⸗
[ment tot hen / alg ick de fanden wegh nemen
fal/ aengefien nu Iſrael noch tot Chziz
ſtum bekeert fal werden / fou bolget daer
unpt fonder eenigh tegenſprelien / dat de Kos
‚ninch Bavid/ welke Iſrael ſoecken ſal / nie⸗
mant anders weſen magh dan Chziſtus.
Ende ſoo verſtaet een yder gerechtigh wel ,
in hoe gruwelicke dwalinge die verftickt zijn, NOTA
die niet willen hebben datmen door den Ko-
ninck David, Chriftum verftaen {al , maer
een ander Menfche, Ende Die alſoodanigh Joan. 5. 63.
zijn daer fegbt Chriſtus af / ich ben gekomen
berdzagen/ ende fegt) Babilonia de fchoonfte in de Name mijng Vaders / ende gp en neemt
tp niet aen / is t Dat ’er cen ander fal komen
ín fijn epgen Naem / Dien fult gn ontfan⸗
gen/ Dan Die met Hieruſalem Chꝛziſtum Maet.zr. 39,
nict willen ontfangen / die moeten oock met
Hier uſalem geftcaffet wozden.
Ende die met den Pharizeen Chziſtum Luce 19.7.
tegen ſtaen / ende nochtang haet laten Eli 6. 10.
duncken datſe berlichtet zijn / Die ſullen Joan. 9.12.
ooclt met De Pharizeen verblint worden / ecn
pder bidde Bodt om wijshent / dan fal bp
tichtelijchen verſtaen Dat Chziſtus de rechte
Danid is.
Cen anderen feght Jeremias: t al zer. sot.
zijn ín Dien dage / fpzeecht De Heere Der hepz⸗
fchaten / Dat ick fal fijn Fuck in ſtucken
weijven van uwe halſe / ende ick fal fijne ban:
den in wee breken / ende voorztaen en ſullen
de vreemde geen heeefchapppe over haer hebz
ben / dan fp fullen den Heere haten Godt
dienen / ende David haren Koninck dien ick
haer verwecken ſal.
Pu is deg Heeren gebodt / dan ſult gp Deut.s «3:
uwen Heere Dienen / Godt aenbidden ende Matt. 4. 15»
hein alleene Dienen.
Daerom is defe Koninck Dabid en an⸗
ders niemandt dan Cheiſtus / den welcken
ong de Dader berweekte/ alg bp fpzack:
ich hebbe mijnen Honinck ingefettet ober Flam 6.
mijn WPeplige Bergh Sion.
Ende de Chriftelicke gemeynte bekent
anders geenen Koninck, geenen Heere dan __
Chriftum, Efaias 33. 1 Corint. 8. Daerom ge iden
feggen oockt alle hepligen / de Heere íg onfe va:. ss. 15.
ſchilt ende de Pepligen Iſraels onfe konink.
Wie is De Weplige Iſraels / dandegenedact
Eſaias van getupget! feggende : Dit ſpreclit Eſai. 5. t5.
de hooge ende De verhebene die ín eeuwig⸗
heydt Woont / ende hepligh is fijn name.
Ende ín Apocalipfi / dit feght de heplige enz Apoc. 3. 7-
de waerachtige Die daer heeft den flcutel Daz
bids / deg gelijchg Jerimias tegen Babilon / jer. so: 29-
vergelt hacr-na haer werelt / na al Watfe
gedaen beeft / foa daet haer / Want fp recht
haer op tegen den Heere / tegen den hepli⸗
gen Iſraels.
Alſoo ig De hepligen Iſraels / niemandt
anderg Dan de wacrachtige Godt ende Wee:
re / Chziſtus Jeſus / daerom magh oock
niemant anders ecn Koninck zijn ober de
Geloovige Gemeente, dan Cheiſtus / als de
Geeft Godts betupght / door den Pzopheet
Micheam met defe woorden / De Meere fal —
een Boninck zijn ober haer / opden Bergh Mier 7-e
Sion / ban nu aen tot in Der —
e
mm
LEL ip
|
J
tegen Jan van Leyden 625
Wie is Defe Werder dan Chriſtus / Daer alz moet dan Volgen / Dat dat de eenige Werder ,
Dus af gepropheteert is. | Cheiſtus ís / en niemandt anders weſen
Efi. 4e. 10, Siet De Heere De Godt fal in de ſterckhendt magh: hierom ſoo noemt Petrus Chꝛiſtummeett. 5.4.
komen / en ſijnen arm ſal heerſchappen/ fier | cen Pzince der Herderen / en Paulus / Bodt Nebe. i3. zo,
ſijnen loon is met hem/ en fijn werck voor des Veedes/ Die van den Goodt gebzaght
hem / gelijck een herder fal he fijn kudde wen⸗ beeft / Den grooten Herder det ſchapen / dooz
en / im fijnen atm fal hn de lannmeren verga: dat bloedt des eeuwigen Ceftaments onſes
deren / en ín ſijnen ſchaot ſal hole dzagen / Heeren Jeſu Cheiſti Die make u bequaem
en De beyzuchte fal hu ſelfs drijven. |tot aile goede werclten.
aio En Chꝛiſtus getunght ban hem felaen / dat | Alſoo is nu Chauftus de eenige Werder / Fean: re. 25.
hu defe herder is / nademact ha ſeght ick ben want alle gelaovigen fijn fteuune maeten
een goede herder / en fette mijn leven boor hooren / cn memant anders; Dact unt volgt
mijnefchapen) jae Chriſtus wende fijn ſcha⸗ dan fonder eenigh tegenfpeeechen/ dat hp oock
pen te recht / hp is De deure van den Schaen- de beteofse David 18 / ma de woorden des
ſtal / wie doo? hem inde Sctaep-ftal gaet / Die | Heeren ; waijnen knecht Wavid fal Haer eenie
fat behouden worden | bp fat unt en ingaen / en ge Werder zijn / noch her en boven fegt Godt/
| goede Wepde binden. E — ijn knecht Pau ſal haet eeuwige Dore
Plat. 23. 1. Daerom ſeght Dabid / de Heere is mijn her⸗ ſte zijn / ick hoope niemandt fal {oo onver-
Der /en mp fal niet gebzeken / bp laet mj Wep: \itandigh wefen , (ofte hy moghte verbittert
den ej veel gras — bu lept —T den | zijn en van Godt in eenen verkeerden fin
— ghb lr — — tread Pee overgeleverr) die defe woorden van een Men- NOTA;
rPet.z.as. EEUS/ OP WA ELIEN OMAS Aff dwalende {che wil verftaen , dat een menfche , onfe
Schapen/maer nu zijt gp bekeert tot Dern Wit: | oenrwi ft zijn fal, want daer ſtaet acfchez
5 Â * —— 6 uWige vorſt Zijn al, MANE daer ſtaet geſchre⸗Mach. ar
ſchop en herder uwer zielen / wijders feabt [pen / Dat odt : obd ach.1.2y,
ed ok ae mm in ers ven / Dat, Godt alleen eeuwigh is / eu alleen Tim. 6.5.
Godt de Hrere: mijn knecht David faleen | noar — else — cht
Prince midden onder haet sijn. Piemaur froot °° eft De onſterffelickhendt / en Woont in ecn
het dact aen | dat Godt de Dader hs eee ucht Daer niemandt toe Komen cn mag / geen
EA Gr. Armin 1, DEL GOOD BE ZADEL Inen ſoon Menſche Lal onte eeuwige vorft zijn, dan Chri-
ai. Chriſtum fijnen knecht noemt als Daer hu al- (tus is onfe eeuwige Vorit, en fijn tijch ig cen
bus ſeght / fiet mijnen knecht den welcken ick — delrhn Plle zom —
et ee 5 ——— eeuwigh Kijck/ als geſcheeven ſtaet / Godt par go. 5.
Matt, 12,18. Untverlioren hebbe / mijnen Sone, ín wellien nme ftoel/ 18 een cutwige ffocl/ Paulus en ek,
ick een goet behagen hehbe / en nach op een Zetrus feagen dat Chriſto moet een eeutwigh
ander plactfe / mijnen knecht (fpzeecht De | Rit tk a: | dan
al ed aj If | —* ruck zijn / en De Cngeltot Mariam / Goat race.
Pader van Chꝛiſto) fal dooz fijn erlienteniſſe BK Me tan zroksont Wi A ne (ine PG
de Serechtige beel gerechtigh maken ae veeere fa Dern geent Bea foet Dalbidg fijng PAL «5.
—— ————— Daders / en hp tal een Koninelt zijn over dat
Daerom defe knecht David is Chziffus/en | Ab JE, vig de dre
Berrie end Aars Tof / Hups Jacobs im De eeuwighendt / en ſijns Hebr. 1. 8.
buis een Prince onder de Cheiſtenen / en wie 2 ———
4 ————— rycks en fal geen ende zijn / noch ſeght de
geen Pzince ín Der Gemenute Chzi- | ,: ehehe bite
fli / ban Chiftus / daer Paulus af getungie : eopheet fijn zact fal eenwigh zijn en fijnen PAL 25. 37,
rim.6.13. Dat hp alleen een Prince 8 / en de Pzopheet | (toel baar mp alg De Sonne/ Ip fal ceuwigh
Mich 55. gp BethlehemEupbzara qu zijt niet de lepn- | PEELLDE zijn als De Maue en een ſeecker gez
5 khen AMsiishvan liche: STA _yltupge in Den Wemel. Wiet unt berftaet nu
fte onder den Peincen Gude. Want unt ufal TN ° ao Y
atapeseptands dj in Erfraoy een peder wel / dat onfe eeuwige Porſt nie
rup uatgaen/ die een heerſchapper ín Afcacl Eese — raad
7 de : mant anders is Dan Chꝛiſtus / daerom is dan
fal ziju / en fijn uptganck is ban den beginne / | ee ef
— ef pd et onfe beloofde David oock niemandt anders
ban den Dage der eeuwighept. | dan Cigiftus.”
Eaceh37.24. _ Doogder ſoo ſeght de Heere / door Den ſelfſften SES" N
Propteet /_ fin fuilen wap een volcht zijn / fel ſal Een bierden ſoo heben wu ín cen Pfalm
haer een God zijn / en David mijnen knecht Adus / doen ter tijde ſpraeck gn (mt gefichte
fal over haer een Koninck zijn / en haer aller tot uwen Hepligen en ſepdet: Fel hee hul- prat. 55. zo,
eenige Werder. Wp Gebben hier te boven hlaer | pe geftelt opp eenen machtigen/ ick hebbe eenen
genoegh bewefen upt de ſchrift dat Godt de | Wptberltoren verhooght unt den volcke / iclt
Dader geenen anderen Koninck ingefet heeft / | hebbe gebonden mijnen knecht David / ich
over Dion) noch oock in fetten wil / dan fijs | bebbe hem gefalft met mijnen Hemigen Olie,
Luc. a. 22. nen Done Jeſum Chriſtum / en heeft hem cen | Wie is Defe machtige / Daer Godt de Dader
‚ eeuwigh vijclt gegeven / foo behoeven wp Dac hulpe op geftelt heeft Dan Chziſtus Jeſus? vaar: —
niet te verhalen / en dat Bode de Deere ſeght/ Die alle gewelt heeft ín den Hemel en op der
mijnen knecht David fal hart aller eenige her⸗ Aerden / de Welcke De Dader alle dingh heeft rev: s.
Det zijn, verftact oock een pder wel/ Dat fulcg onderworpen) en beeft hem ober alle dingh Erhef. zz,
bau Ehziſto te verſt aen is / want geen men{che | tat cen hooft Der Gemeente geftelt. wrs
NOTA _maghonfeeenige Herder zijn, en hoewel God, Op defen Chziftum heeft de Almachtige
ober fine gemeynte fet Apoſtelen/ Pzophe⸗ | Goùt hulpe geftelt/ want wy door hem gez
Ephef.4 10. ten/ Cuangeliften / Herders en Leeraers / | vedt en gebzijt zijn/ als Chriſtus feat / is dac u, Ä
als Paulus ſeght / fea is nochtans De cenige | de Sone vpn maekt/fo ſult gp vecht bep zijnen 9% 8-36
Herder / Chziftus / en niemant anders / als | Paulus, dat De Wet niet en bermogbte / om
men klaerlijck verftaen mag / wat De Woogden | bat fn gelirenckt Was daoz ’t vleeſch / dat
) } Cheiſti / ick hebbe noch andere fchapen die heeft Godt gedaen / en heeft fijnen Soon gez
oan 19.1: niet van deſe ſchaep· ſtal en zijn / Die fuilen mij⸗ ſonden in de gedaente eeng fondigen vleeſchs/ Rom. 5. 5.
ne ſtemme noch hooren / en ick falfe hiertoe ende Heeft De fonde Door de ſonde ver—
bzengen / en alfoo fal 't cen fchaepftal en een doemt.
erder zijn. — d ni | Chꝛiſtus ís De ſtercke Samſon / die den ade 4e
Alle gelaobigen zijn fchapen Chriſti / en Gongen Leeuwe De kaken gebroken heeft /
daer en is niet meer Dan eenen ſchaepſtal / van hp is De bzome Dad / die den graoten Phili- : Rez. 17.
welcken Chriſtus de Werder is / daer vat | flijn berwonnen —— welcke niemant
* van
Eſai. 53 · 14
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
en 4 *
—— — — ke”!
—
—
|
626 Menno Symons
| ude ban De vlee⸗
an alle de Iſraeliten dDoefte vechten / huig), Endat men Dit ber ſtaen wilde ban
—J— wdn die den Dader tot ij |fchekinderenDanins ——— end —
Matt. i2. 18 en Soon heeft uptberkoren/ als hp ſeght / ſiet Nomennen / daer bp aldus ſeght · dk * 9.
mijnen Soon den welcken ich uptverkoren | alie JIraeliten die an Sj ee
hebbe. efen wptverkoren / namentlijck dan DOO? Iſaac ſal u dat zaedt merk
Ciiftum) heeft de Dader verhooght upt den Den / dat 1S/ het zi NIEL ®o del De —
pſal.2.5. golehe ; acmgefien hp hem een Koninck mgefet | die ban den vleeſche kinderen, zijn  nd:
EpheC 1. za. heeft / ober fijnen Heyligen Berat Sion/ een * * peen ed — ze
* eaf — —— —— —— de bleefcheljche le ee sj —
Mach. 5. 1. 01 Je ven a ait: bak geffelifchhe zae —
daerom bekent hem Die gemeynte vooz haet | moet t verftaen / ftelijche 3
hooft / en boor den alderhooghſten onder De daer af gefcljzeven —* io) aken
dant..3. Meuſchen op der Aerden / ſeggende: gelijk een (ſpreeckt de Dader van caf wenen
Appelboom midden onder — — — — beef | |
alſoo 18 mijn vefent onder De Souen / ENT n ke ben.
brode oefsk onder De ſchaduwe bie ik ——— En ek — ertog rf 1 Petr. 1.28.
De/en fijn vrucht is mijnder kelen focte. Poz⸗ daer wedirorn ge ui jer:
—— > — * hebbe gebonden mijnen ganchelijke zaet Dan unt ntt ere
Pal. 39. knecht Daud, ick hebbe hem gefalft met mij: zaet / namelyck upt Godts \ 00} B |
nen Wepligen atie, | En Chꝛiſtus ſeght / fiet ich en mijne kinde⸗ En. 5. ro.
Lucz26. Defe gefalfde David, is Chziftug/ want | ven / die mp de heere gegeven heeft / en deſe Heb-2 13:
bu is de rechte geſalfde deg Heeren / uc. 2 | Ginderen Godts / bljven in der eeuwighendt /
tot weleken de Dader fpreecht/ Godt uwen * blijderchhap en vzeughde ſal op haren Elai. sr. 11.
ftocl ig een eeuwige ſtoel / de fcepter uwes rijks! / hooft wefen / fp fullen altoog mee Chufio
ig een vechte ſcepter qu Gebr bemint gerech; |regeren / en Cheriſtus haer Koninck heeft Pfal. 89. 30.
tighepdt en achaet alle godlofe weſen / DACTOU een eeuwigh vijcht / eu fijn ſtoel fal zijn alg De
bat.as.8 heeft tt Godt uwen Godt gefalft met olie DES dagen des Hemelg. En defe Pſalin komt
blijdtfchapsg / boven u medegenoten/en Chri⸗ gantſchelick over cen met De Woogden deg
Luc 4. 18 ſtugs fi den Euangelto: De geeſt des Heeren Pzopheten Nathan Die hr tot David ſprack, Reg. 7- rs
is op mp / omdat mp de heere gefalft beeft. en hem beloofde Salomon. Geljek men
Defgelijchg de Peplige Petrus / Godt heeft nu doop des Pzopheten zAatjans reden uiet
A.10.38. Sefum van Nazareth gefalfe met den Hepli⸗ arcen Salonion / dan beel meet Chriſtum
gen Geeſt en kracht, berſtaet (hoe Wel De woogden nae De letter, pas, 25.7.
En ofte noch pemant moghte twijffelen vengoeelg ban Salomon gefpzoken zijn) al:
(hoewel bat het onmogelijkt 15 De berftandigen ga maah men hier ín defen Pfalm de
fao (daer alg de ſchrift is) foo aenmerckt hy Ee niet verſtaen ban Ben vleeſchelijc⸗
Hebr. 1. 8.
fe navolgende waagden / hy fa! mp roepen / ſien David alleen/ dan liever Van Den Waer:
Pûl. 89. 27. ee zijt zer Dader — Godt een fteentotfe achtigen David Chꝛiſto Jeſu. En dit beengt
mijnder falíghepd : Ende wil hem tot een eer⸗ goch mede met grooter Klaerhepdt de navol⸗
ſten Soon maken / alderhooghfte ander de gende Cert/ Die Daer ſpzeeckt van De Paſſie
Koningen op aerden / Cheriſtus is De eerſte ge⸗ Thꝛiſti.
baren Soone Godts / alg Paulus ſeght God Dit is onfe bekenteniſſe van den beloofden
De Bader heeft ong geordineert / Dat wp fullen | David , wy moghten door Godts genade veel
Rem. 8,29. gelijckformigh zijn den beelde fijns DONS /| meer fchrijven , om te beveftigen dat Chriftus
Jeſum Cheiſtum / die Daer is cen eevfte ge⸗ onfe beloofde David is,dan wy achten den ver-
boren onder veel Broederen. En tot ben Dez ftandigen is genoegh gefchreven, den kijfach- ‚ Gors 1. 1.
breen! alg hu De eevfte geboren Zoon fn De tigen dienen wy niet , laetfe roepen , laetfe een
werelt brenht / ſoo ſeght hp / alle Engelen | nger Koning op werpen ſo fal nochtansChri-
— Godts ſullen hem aenbidden. ol {tus een Koninck blijven inder eeuwigheydt
Daerom foo wacrachtigh als Cheiſtus is regnerende over lijn geloovige gemeynte.Hy is gra; ‚2 ge
Plalas-8. de eerfte geboren Soon Godts, foo waeraclj: de Heere;hy (al fijne eere cen ander niet geven, en 48. u,
Hebe 15e _ gig 8 hp ooch Defe echt Dabid Den WeAREN | ai een deuck werck heben / dat Gen gee
de Dader gefalft heeft met fijnen hepligen olie | right sijn fal/ en fa wie dart alfoodanigen
dat is met fijnen Hepligen Geeft. \reuck-werck maeckt voor hem ſelven / fijn ziee
och frght De Heere ban fijnen knecht Dar, fat uptgevoept werden upt Gfvael. Lxod.5.
vid / ict wil hem eeuwighljck houden mijn t fat niemant gelucken die hem verheft
Píal.85.29. goethent / en mijn verbondt fal hem vaft blij, De ct ende wederftact de waer:
gen ick wil fijnen zact in eeutwighept makien/| tegen hriſtum
en nen oel Dat ra att: etmaal opganel heben Dan Mavſts zn
9 Dat fijn hinderen mijn wet verlaten / uu is het et en — var * — Aant en: ——
H Ikenmelijcht/ Bat men dit niet verſtaen maah / | baes — —* 2
9 bande bleeſcheljcke kinderen / Des figuerlie⸗ ſch ent Abitam magen hem bet sam 16. +
| — ———— —— 6 heffen tegen Monſen / dan fp ſullen bergaen / ——
| | f cho | fe den genen dieſe aenhamen.
IE | — Dre Me oe ee hoegmoelige Uli komen ere
Lam reke ueeliicken olijfboom geſneden. en nemen fich de eere aen, die hem niet toe
KH „ooch bat eo mg zijl Bals ne — dan hy ſal van Godt goſtraft wor-
b igh gebleben / dan beenie epe —
Hof. 3. 4. ie Parrlarchadacob gepzopheteert hadde en Ophizi en — — lane „Renz. *
bi meet andere Propheten. dat volck deg Weeren doen overtreden / e kn
Gen. 49. IO.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
TOEI Ip ma
_ tegen Jan van Leyden.
Keeten Gan den wactachtigen Godts dienft/
maer fn fullen haer ſtraffe wel vinden. Een
peder wachte hem en blijve bp Chriſtum / nu
hiet genoegh af.
NOT A. y willen van Godts genade oock een wey-
Nietgeoor= nigh daer af fchrijven » dat Chriftenen niet ge-
loft daf oorloft en is met den {weerde te vegten, op dat
weert den jd che wi
Chriftenen, WY Mogen eendrachtelijck dat Harnas Davids
den vleefchelijcken Lfraeliten laten „en Seruba=
bels Sweert, den genen die Serubabels Tempel
binnen Jerufalem bouwden ’t welk haer tot een
figuer gefchiet is, en is geweeft een (chaduwe
der toekomender dingen , dan dat lichaem
Col.2.s. _ (elfs is in Chrifto als Paulus ſeght.
Qu mag ’t ja niet beffaen/Dat men de figuer
des ouden Teftaments op de Wwaerhent deg
NOTA. Aieuwen Ceſtaments alſoo ober boete / dat
vleeſch op vleeſch gedundt / en verſtaen worde /
dan de figuere moet de waerhendt / den beelde
dat weſen / en den letter Den geeſt / antwooz⸗
den.
NIS dan fal men lichtelijk verſtaen / met wat
Heb. 4.12. Wapenen de Cheiſtenen ſullen ſtrijden / nament⸗
Ephef.6. 17. lhelt met Godts wooꝛt / welck cen ſweert is aen
beyde zijden ſnijdende / waer van wy dour Gods
Apoc. 1. 16.
SE putpe' een Wepnigh willen aentekkenen.
Deut.18.15, _ Nademael De eeuwige Godt / Chzriſtum
Aqt. 3.22. ſijnen Sone/ ong tot een Peopbeet berecht
Macts.g, Heeft / Dien top ſullen hooren, en Chriſtus ban,
4 hem felven getungt hp zp ong eenige Meeſter /
fao isꝰt onwederfpzekelijcht / Dat Wp geene anz
dere feevinge mogen aennemen/dDan de leeringe
Ehziftijgene vrꝛeemde leeringe (fegge ick) mos
gen Wp aennemen/ die contrarie is Chriſtus
feevinge | de welche ons de Apoftelen dooz den
Pepligen geeft geleert en gefchzeven hebben.
Lev.ro.r. WMant daer magh geen vreemt vuur met de
Mat.16.8. offerhande Godts gemenght worden. Chꝛri⸗
ſtus magh niet verdzagen Dat ſuer-deegh der
Pharizeen.
Moſes Die moeſt De Cherubinen ban puer
Gout malien / Want de Wooden Godts fijn
Pl r. z3. doozloutert als Silver / Dat ſevenmael in te⸗
ſten geproeft is. |
De Heere maqh niet lijden dat ſi
Exod.as. 18
EGir.z2, Ber is fchuwim gewozden / en u Wijn is met
water vermenght / daerom fal íclt mijn hant
uptfteksen en u fchupm op Dat ſunverſte afves
gen. Alſoo haet Gode alle balfche lecvinge /
en derhalven vermanen ons de Apoftelen dat
won alleen bp Godts woogt fullen blijven/ als
“foanneg die daer ſeght / dat gu gehaogt hebt
ban aenbeginne / dat blijve bau/ ig ’tDachp |
u blijft t gene dat gp gehoort hebt van den bez
ainfel/ ſoo ſult gp bp den Dader en bj den Doe |
ne blijken. En Paulus : Hebt acht op De gez
ne die tweedracht en ergerniſſe genrichten / tee
gen de leeringe Die gp geleect hebt / en wijckt
bau haer ; ja alfaa ſecr dringht Paulus op fijne
Jeeringe / dat hy ſeght: Al quam ick ofte een
Engel unt den Wemel en Pzedickte u een an⸗
der Cuangelium/ |
hp zp vervloecht,. Aldus leert Paulus in alle
fijne Wieven / dat men ſich wachten fal boog
vreemde leeringe en blijven by fijne leeringe /
die níet ſijns bet * ede ens eN
den waagde Chꝛiſti / gp en 31 e
daer ſpreken / dan de Geeſt uws Vaders die
ín u fpzeecht / nu ſpreeckt De Geeft Godts
dooz Paulum aldus :
zIoan, 2. 24.
Gal. 10 3.
Marc, 13.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ne leevínge gelucken met geci
berbalfcht wert | dan hy ſtraft alle valſche beet / ſachtmoedighept en rechtveerdighepdt /
ſeeringe als ho ſpzack tot Jeruſalem: U Sil-| en u rechterhant fal u wanderlkleeren / ſcherp
ban ick uw gepzedickt hebbe / niet De Apoſtel Petrus: Daer toe zijt gy ges
‚hem Die Daer vecht 5 Ende hier opmars. :6. ze:
Ì
Mijn Bꝛoeders weeft ſterck in Den Deere / her. 6. 10,
en daoz de kracht fijnder ſterckheyt. Doet aen
dat Harnas Gods / op Dat gp ſtaen moogt zez
gen denliftigen acnlaop des Munvels / Want
wp en hebben niet met vlceftij en bloet te kam:
pen / dan tegen Vozſten ende geweldigen / tez
gen de Heeren der werelt / Kegenten der dup⸗
ſterniſſen defer werelt / tegen de Geeften dee
baoshepdt onder Deun Wemel / daerom neemt
Dat Harnas Gods / op dat gp mooght weder:
ftaen in den quaden dagh / en in allen dingen
berept zijn/ foo ſtaet nu omgegozdet uwe Wens
Den meter waerhent / en Aengetogen met den
kreeft der amd gefchaecpt aen uwe
boeten / dat ga bevept zijt cot den Euangelio
bes predes / in alle Dingen / grijpt aen den
ſchilt bes geloofs/ met welcken gp kont uptz
bluffchen die vuurige pijlen deg booſen Vp⸗
ants / en den Heim der falighept aenneemt /
en dat ſweert des Geeſts / welcke is Godts
woordt. Noch op een ander plaetſe:: Die
wapenen van onfe ſtrijt zijn niet bleefchelijck/
dan machtigh beoor Godt / om te verſtooren
de beveſtungen daer wy mede verſtooren de
aenſlagen / en alle hooghept / die haer verheft
| tegen de kenteniſſe Gods / en Wop nemen aackk
gevangen alie berftant onder de gehoorſaem⸗
bept Chꝛiſti / en Wop zijn berept te wzeken alle
angehoozfaembept alg uwe gehhooefaermbept
vervult ig, die nu niet blint en is , die verftaet
| wel met wat wapenen die Chriftenen {ullen
ftrijden , namentlick met den woorde Godts ,
daer mede moeten fy wel gewapent zijn. JBant cant. z. 7;
fo ſpreekt de heplige Kerke: Siet vontom Daz
lomons bebt ſtaen t'ſeſtigh ſtercke upt den als
derſterckſte van Iſrael / ſy houden alle ſweer⸗
den / en zijn Wel geleert tat Den ſtrijde / een peder
heeft fijn ſweert op fijne zijde / om der bzeefen (ii
wille vander nacht / Dat is een pder is gewa: |
pent met dat fweert des Geeſts / tegen alle aen: |
bechtinge des Bupbvelg / tegen alle valſche lee:
einge. En van Chꝛiſto ftaet geſchzeven go2dt
u fweert op uwe zijde gp aldermachtighſte /
baect benen met pijs en geciere het moet u
iere gaet boort met De waer⸗
x Thefl. 5. 8.
2. Cat. iQ. ——
Pal. 45. 4:
zijn uwe pijlen De welcken ſich fullen onder u
werpen.
Wier ſegt De fclyzift Dat Chriſtus een f Weert
fal hebben ; wat f weert fal nu Chriſtus heb⸗
ben? Dat fegt hu felbe in Apocalipſi met defe
woogden : ’t zp falke datſe ſich belkeeven / fo ſal
ích tot haer kamen en bechten Daer tegen met Apec. 2. 10
dat ſweert mijns monts.
Aengeſien nu Chꝛiſtus met dat ſweert fijng
monts becht tegen fijn Dpanden/ ja metden__
ftaf fijug montg dat Nerderijck flaet / en met EL 11-40
ben Adem fijner lippen den Godtfoofen verz
nielt: En wy gelijckformigh moeten zijn den Rom. 8. 29,
beelde Crifti, hoe willen wy dan met een an-
der Sweert tegen onfe Vyanden vechten? Segt « Petc. 2. ar:
roepen? Daerom heeft Cheriſtus voor u geler
den/ u een exempel nalatende dat gu fijn boet:
flappen fult navolgen / d'welck geen ſonde gez
daen en heeft / en Daer is geen bedzogh fn ſij⸗
nen mondt gevonden / doe hp wederfpzoken
wort / verſprack hu nfet weder / niet Drepgende lean, 2. 6:
Doe hpleet / dan hugaf hem de wzake aber /
k 2
accoʒz⸗
Marc. 8. 34.
Luc.9.23°
Ioan. 40. 27.
Mat, 5. 39.
NOT A.
Matt. 5. 43:
Rom. 12.20:
r Petr. 3.9.
Luc. 6.34
Matt, 5. 46.
zPernn 15.
Yoan. 10. 26.
Gal. 5. 22e
NOTA,
Rom. te. 17:
NOTA.
Phil.z. 5.
Matt. 26. ST.
Luc. 22. 51.
Marc. 14: 47
Ioan. 19. 11.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
628
accorderen de woorden Joamnis Die daer fegt:
dat Die ín Chꝛiſto blijft / fal Wandelen als
Chꝛiſtus gewandelt heeft / ja Chziftus ſelbe/
die mijn Oifcipel Wil wefen / Die verſaecke ſich
felven / hp neme fijn krupce op fijn ſchoude⸗
ten / en bolge mp na/ en wederom : mijn
Schapen hooren mijn flennne ; en bolgen mp
na. En Dit is de ſtemme Chaifti: op Hebt gez
hoozt dat geſeght is tot den Ouderen / ooge
vaot oage/ handt Loor handt / Dan ick ſegge
u/ dat gp Den quaden niet fult tegen ſtaen /
Dan flaet u pemant aen urechter wange ſoo
biet hem oock De flinckier. |
Item / op hebt gehoort dat geſeght is tot
Den Ouderen / hebt lief uwen Vriendt en ha⸗
tet uwen Brandt. Dan ick fegge u hebt
tief n Vnanden / gebenedijt die u vermaledijen /
doet goet Den genen Die u haten / en biddet
voor de gene die u verbolgen / op dat gp kinde:
ven magt zijn van uwen Pemelfchen Dader /
Die fijn Sonme laet opgaen/ ober Die goeden,
en quaden / en laet vegenen ober de vecht beer: |
Menno Symons
der gegeven hadde, hoe wilt dan beſtaen, dat
een Chriften niet foude met Chrifto defe Kelk NOT As
drinken.
_@f meent pemant dao? cen ander wegh fa:
ligh te worden / dan ons Chziſtus geleevt heeft?
Is níet Ehriſtus de wegh / de waerhept en dat
lenen? As hp níet de deure ban Den Schaep toen. 14.6.
ſtal? Alſoo dat niemant in de Schacp-ftal mag lean. to. 9.
Komen dan doaz hers.
Is hu niet de Werder / Lan de Schapen) de
welche de fchapen moeten navolgen} AS bp
uiet onfe Heere onfe Meeſter?
En wie is de gene die boven fijn Heere wil
zijn / Dan Die niet Wil lijden als fijn Deere gelez
den heeft.
Wie (8 de gene Die boben fijn Meeſter wil
ziju / dan Die fich aen fijug Meeſters leevinge
niet laten genoegen? Een yder wachte fich.
Strijden mert vleefchelijcke Wapenen is ons
verboden. Want Paulus feght : bermaentfe NOT A.
Dat fin den Overſten / en den geweldigen onder⸗
danigh zjn/en der Ooerhent gehoorſaem / tol
dige / en onrechtveerdige / Wat foon fult an | alte goede werkten herept te zijn / niemant laz
daer af hebben? Dat gu de gene lief hebt Die | freren niet lijven / gemeenſaem / alle ſachtmoe⸗
u liefhebben / en doen Die Publicanen dat felve
niet? wat doet gp fonderlinghs als gy uwen
Bꝛoeder vzienefchap bewijſt? en Doen Die Pu⸗
blicanen Dat oock níet ? Daerom foo fult ap
dfghept te bewijfen tegen alie menschen ; eu de
Heplige Apoſtel Jacobus: Wiebe Wraederd rac. 5.7-
wefet lanctimocdiaty tot De toeliomſt des Hee⸗
ten. Siet de Ackerman verbendt de koſtelijc⸗
volkomen zijn alg u Hemelſche Dader volko⸗ | Ke vruchten der Verden /, becduldeljck hem
menig) Sier dit is de ftemme Chriſti, alle die | lydende tot dat hp ontfangt den Mozgen· Ne⸗
nu fijne Schapen zijn, die hooren fijne {tem- |gen / en Den Abont Negen: Hierom weeft
me, dan die fijne Schapen nieten zijn, die
hooren oock fijne ftemme niet. Als Chꝛiſtus
fprach tot den Pharizeen / feggende : Op
hoort mijne flenrme niet / ant gp zijt oock
ban mijne fchapen níet / de Pharizeen lieten
ſich duncken / ſy hadden Moſen en De Pro⸗
pheten / fh hadden oock een ſchoone glants
en ſchijnſel der heplighepdt/ dan ſy hoozden
De femme Chꝛriſti niet / daerom Was 't al
niet profijtelijft / alfo gaet het alle Die gene Die
Chꝛiſti woogden niet onderdanighen zijn. |
Pet is niet gelegen in De bladeren des
Booms / dan ín de bruchten/ en welche de
rechte vzuchten zijn / betupght Paulug klaer:
tjck en feat / de vrucht des Geeſts ig liefde /
briendelijkkhept/ vreugde) vzede lankmoedig:
hept/goethept/kupshept/en fachtmoedighept.
Hier ítaet van geen ftrijden met den uyrwen-
digen fweerde , ofte dat men quaet met quaet |
fal loonen , dan veel meer als Paulus op een
ander plaetfe feght: en loont niet quaet met
quaet: weeft eerbaer met een yegelijcken, hebt
vrede met een yegelijck,is ’t mogelijk, foo vele
alsin uis, en wreket u felven niet mijn alder-
liefften ‚ maer geeft de gram{chap plaetſe, want
daer gefchreven ftaer,de wrake is mijn,ick fal ’
vergelden , fegt de Heere : Isꝰt dat u Vpandt
hongert foo fgijfet hem / Geeft hu doeft/foa geeft
hem te dzincken/ Wanneer gp dat doet / ſoo fult
gp vperige Kolen op fijn hoaft vergaderen / cn
laet uiet verwinnen ban den quade / Dan ber:
wint dat guaet met goet. En hoe willen de
Chriftenen ftrijden met oorlogs geweer? Daer
Paulus klarelijk fegt;weeft gefint gelijk alsChri=
ftus gefint is geweeft,Chriftus is geſint geweeft
dat hy woude lijden , alfoo moeten alle Chri-
ftenen gefint wefen.
Chriftus woude mer den fweerde van Petro
niet befchermt zijn ‚ hoe wil dan een Chriften
fich felven met den {weerde befchermen,Chri-
{tus wilde dringken den kelck, die hem de Va-
hdtfaem en ſterckt uwe herten / Want de toe⸗
komfte deg Weeren is na bp. Wiebe Broeders
neernt tot een Exempel / ongemack te lijden)
en tot lanckmoedighept de Pzopheten / die tat
ugefproken hebben / in den ame Des Hee⸗
cen / fiet Wp prijfenfe faligh te zijn / Die gele:
den hebben.
Op hebt gehoozt Dat lijden ban Gob en hebt
gefien / dat epnde des Beeren / dat hp Barm⸗
Hertigh en een ontfermer is ſullen wy nu lank-
moedigh zijn tot de toekomfte des Heeren ?
foo is’ ja verbodenteftrijden ; Aengefien de
Heere noch niet gekomen is.
Ende fullen wy de Propheten nemen tot een
Exempel om perfecutietelijden , foo moeten
de Apoftoli{che wapenen aengetogen werden ,
len dat Harnas Davids moet in der valle liggen,
‚en hoe wilt fich rijmen met Godts woordt , dat
yemant die fich een Chriften beroemt , de
Geeftelijke wapenen wilde verwerpen , en die
vleefchelijke aentrecken ; fo doch Paulus fegt.
achtigh zijn / dan Baderlijch tegen alle Ien:
fchen / Die berent ig om te leeren / die den qua:
Den berdzagen kan met fachtmoedighept/ die.
daer onderwijſt den genen / die teqen de Waer:
hert ftaen / of God hem eeng berou gade / die
waerhept te bekennen / en weder nuchteven te
worden Lan des Dupbels ſtricken / die nu Lan
(hem tot fijnen wil gevangen is
Gy alle die met denSweerde Davids wilt veg. Ng T A.
tenen daer beneven wilt des Heeren knechten
zijn, aenneemt doch defe woorden , hoe een
knecht des Heeren moet gefchickt zijn , fal hy
niet vechten, noch kijven ; hoe willen de ſom-
mige dan oorlogen,
Sal hn Dadelijk zijn tegen alle Menſchen /
hoe wil hp dan pmant haten oft quaet doen *
fal hp Berent zijn om te leeren / hae Wil hy dan
De Apoſtoliſche Wapenen ban fichh werpen 2 NOTA.
Die behoeft ha dan wel bu ſich te beheuden.
2
Matt.10. 24.
Ioan. 13. 16
en Is. 20.
Gen knecht des Heeren fal niet vechten of kijf , rim. … 4.
Tegen Jan van Leyden. 629
Sal hy oock de quade verdragen , hoe wil | Jae met vuur fullenfe beebeenen. Want God if
hy dan de quade uytroeyen ? heeft haer inden herte gegeven te Doen dat If
Sal hp ondertwijfen met fachtmaedighent hem behaeghlijk ig / op dat ſpeenen Wille ſou⸗ ii
Die tegen De waerhept ſtaen / hae wil hp Dan | den daen dp dat fp haren macht den beefte farte Ii
met eenen toornigen moet ſtraffen die noch de den geven tot Dat de Wootden Godts bol Hf
waerhent niet Bekennen? Paulus ſeght: aft | pnt wozden. If
Bodt den wederfpannigen beroum gave / dan) Soo ishet nu klaerlick uyt defewoordente NOTA. Hf
ſommige vilten Daer wiet nae benden / en oftſe verftaen , dat niet door de Chriftenen , de |
al een goede mepunge heben! fo fiaenfe noch: Babilonifche Hoere fal verdeftrueert werden ,
i Reg. 6. 6, tans met Nſa haren hant acn de Arcke Gods. [dat oock de Chriftenen niet ſullen uytroeyen.
Daerom duchte icft fat het niet ongeſtraffet Daer magh cen Eheudag kamen ende Aa. ; 37.
t.sam. ofte blijer. Ende of ſy met Saul de befte beeften | makken cen opcoer / dan Het fal hem niet gez
Regis: 9. Der Amalekiten al ſpaerden tet cen offerhan⸗ lucken.
de Des Weeren / foo fal’t nochtaus den Beert Daer magh kamen cen Judas Balileug en Mereke
níet behagen? Want het fijrert Waorde con⸗ malien een verſtoringe / dan hp fal bergaen /
trarie is. Ende Ip heeft luſt tat gehoorſaem⸗ en alle Die hem aenangen / Die fallen ber:
hept / ende niet tot offerande. {gaen / en verſtropt werden ; deg wachte ſich ij
Dan nu feggen ſommige De Deere Wil, een pder/ ende merche neerſtigh op de fchaift/ IN
| Babilon doch ſtraffen / ende Dat Daag fijne ſoo tal hy wel ſien / hoe de Veere ſelve uotroef: Kit
| Chriſtenen / Die moeten fijn wercktungen | zen wil / ín fn wederkomft/ en fivaffen alle Luc. 15. 15
zijn. Ach God / het waer billjck Dat wa De \ fijne Dpanden / die niet hebben gewilt dat In Et
Heere met fijn wercken lieten betrechen / ende) over haer faude heerſchen / Want alfa ſeght | |
geelef 3. 21. gedachten det woorden Eccleſiaſtici: En wilt | Lucas / wane’t ig geſchiet doen de Heere aes Metcket dit 9
geen dingh onderſoecken dat hooger en De fee: | dee quam / alg hy dat rijclt ontfangen hadde / LLS TS Il
ker is dan ghp/ dan gedencht altoog op Die | ende geboodt dat fijn knechten gevaepen fou: I
| Leeft Eeelef. dingen Die u God geboden heeft / en wilt uiet den worden tot hem / Den welken hu fijn gele Í
39: curieuſeljk onderfoechen in bele fijne Werce | gegeven hadde om dat hp weten maaht ; hoe
ken / want't is ban genen nooden op dat ghy Geel een per gewonnen hadde / ende alg hu
De ber borgen dingen fiet met uwen oogen. rekenſchap gehouden hade met fijnen knech⸗
Want bele Dingen zijn Den menfclen boven | gen / fpzakk hr: Beenger nu hier mijn Bpan- Het loon ſe-
haer verſtant getoont) ende Dat vermoeden den) Dre nirt hebben gewilt dat ík dver haer —— is
dec Dingen heeft bele onder De boeten getre⸗ heerſchappue foude Gebben / ende Doede Loor |
en / ende behielt haer beeftant im pdelbepdt / (mp. —9—
t waer ooch behoorijk Dar De gene Die nu met Deſe ſchzift betungt klaerlijlt dat De Hee⸗
des Weeren Diſcipulen vzagen Wanneer dat | ve Chziſtus eerſt weder komen moet / cet
| Aa.n.6. Wijck Iſcaels gereſtitueert fal Werden / Die! dat alle fijne Branden geftcaft fullen wor:
| gockt merchten op dat antwaogdt des Leeren; | den. ;
het ig miet bebjooglijct dat abn fult weten de Ende hoe Chziftug wederkomen fal getun⸗
tijden ofte ffonden de Waclke De Dader in fijnen | gee In felbe daer ha feat: |
macht geſtelt heeft: Dan dit beegetenteende | _ De Sone des. Menſchen fal wederliomen mat. re. "25. |
roepen : binnen kozten tijt wil Godt ſtraffen in de heerlijkhept fijng Daders met alte fijne
ende Babylon vernielen. ier toe moeten De | Engelen / dan fal een pder taan geben na fijn Mat.24. zo.
Ehiftenen fijn wercktungen zijn / ende DIE wercken. Flem gelijk een Blixem komt upt zaet. raaä |
makenfe de ſimpelen wijs/ waerom Wp De den Hoften ende verſchinet in’t Weſten al Luc 1. 14, IE
fcheift daer tegen Willen fetten : Het is Waer ſo fal de toekomft des Menſchen Sone zijn. ij
God wil Babilan ſtraffen / dan niet Daar fijn | Ende Wederom: Dan (al dat teken des
Cipiftenen / ant fo feat Jeremias, Soons des Menſchen openbaren. Ende dan Aroc.1-7-
Jer.st. zn. De eere heeft berweckt Ber geeft Der Co- | ſillen alle de geflachten der Werben eenen /
ningen van Meden / ende fijn gedachteniſſe is ende fh fitllen fien den Soon des Menſchen
tegen Babilon / dat ha Dat verderve Want | Kamen fn een Wolfe beg Heineis met macht |
hee ig de wzalie Des Heeren / De Wzalie Des | ende groote heeclijkhepdt. Ende de twee En- li
Cempelg, Item / vergrammet tegen Babi⸗ gelen betupghden ooch hoe Chaiftug al wer Hi
lon de Wepdenen/ De Coningen van Meden derliomen met defe woorden : Bhp IVannen AG. 2. 11 |
met haren Princen ende Weeren / ja met Dat | pan Galilea wat ffaet gljj cude fet optwacrts Í
gantfche lane haerder heerſchapphe. Die Aer⸗ ten Wemel / De Meere fal kamen gelijk gr hem |
De fal beroert werden ende verſtoort want De | gefien hebt ten Hemel varen. Wier unt herz
gedachtenig deg Weeren aken tegen Babi, fact nu een pder wel / hoe de toekomst Chí:
fon/ Dat jp haer lant woeft make/ Daer nie⸗ ſti gefchieden fal. Ggerom alg hu fiet Chyi rie: is peer |
|
|
mant ín woonen en fat. — ſtum alſoo komen / foo magh hp gewiſſelij gemeyne
Defe prophe · ¶ Ick weet wel Dat dit verbult is ín den Cal: | meten dat alle Branden Godts ken ln ftraffe voor
tieis vervalt-Deefchen lande tegen Babllonien / hoewel de werden / ende voor deſe toelomft Ctgifti/ en GES |
felffte plage den Noomſchen Babilon niet ante | hermoede hu ſulcks niet/ Want het fal hem gh. if
gaen enfal/ dan ick hebbe dit aengerekent, | feplen/ ofte Gods waort moefte liegen ’t welks ||
om de Meefters der opinien van den Sweerde , | onmogelijk fg. Ook feght Lucas: die Weere Í
| die uyt defe plaetfe Jeremie willen beweeren , | hadde dat Kijk ontfangen. Wier af ſeght Daz |
dat de Chriftenen Babilon fullen ftraffen , Daer | niel. HE
voc. iy. 16-Dachg Be Pzopheet hlacclijckt getupgt dat Godt) Ick fach inden bifioen des nachts ende fiet Da …. |
Dao? hepdenen futckg heeft wptgericht / ende) metten wollen des Hemels/ quam een deg 7 |
wilupteichten / als toy hebben in Apocalipſi. Menſchen Done gelijk. Ende hu ig gekomen |
Die tien hoornen die gh op het beeft gefien | tot den Ouden bedaegde. Ende ín fijn aen: |
Î
hebt / Die fille de hoere haten / ende fullenfe | fchauwen hebbenfe hem gebragt. Ende heeft
woeſt maken / ende naktent haer vleeſch cten. | her macht gegeben ie } ende dat Mik
tkk 2 ende
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ten
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
630 Menno 5
ende allen bolcken ende geflachten Bat fp hem,
Dienen fouden / fijn tracht is cen eeuwige
macht / die nfet afgedaen en fal werden / ende
fijn Lijk dat niet bergaen en fal. Hier merckt
nu een yder van wien Chriftus dat Rijck ont-
fanget, vp dat hy fien magh, welcke eenen
grouwelijcken verleydinge dat het is, dat ſom-
Jan van Ley- mige feggen, dat Jan van Leyden foude’t Rijk
denfoud’t innemen, ende als hy dat ingenomen hadde,
rijen ONE, dan foude hy dat Chriſtum overleveren als Da-
lijcke leggen vid het Rijck Salomon overleverde.
Wpder fegt de Euangelift/ dat Chziftus
met fijn knechten Nelienſchap gehouden heeft)
t welks niet geſchieden en fal / Dau ín den dagh
2Cors ro. Des Oordeels / alg Paulus fegt : Dn moeten
alie geopenbaert wozden Loor den Bicheftoel
Ehufti/ op dat een pder ontfangen magh nae
dat hu gedaen heeft; het zp dan goet of quaet /
Matt. 12. 36. Cheiſtus: De menichen tuiten in den dagh
des Oordeels rekenſchap geven van alle pdcle
woorden Die fp geſproſten hebben.
Matt2s.24 Dan fuilen de getcouwe knechten gaen ín
Apoc.20. 15: Dat vijch haers Heeten. Dan fulien de boofen
geffcaft worden / ende alle die niet geſchzeven
zijn in het Boeck Des Levens / Die fullen in
den bperigen poel geworpen warden / wantſe
niet hebben gewilt Chriſtum boog haeren Ko⸗
Apoc13:. 3. ninck bekennen / dan dat beeft ende fijn beelt
Gebben aengebeden.
Deſe Parabel vervalſchen nu de ſommige
ende ſeggen: Die Vpanden Gods ſullen upt⸗
geroept werden boog de toekomſt Chziftí/ ene
De daer toe willenſe Gods wercktungen zijn /
Dan fp moeten te ſchanden komen / want dit
Eaizo. 15. ſeght de Heere de Heplige aan Iſraẽl: Is’ dat
ghy ftille zijt, ende ruftet , foo tult ghy faligh
zijn, in fwygen ende in hopen (al u fterckheyt
zijn, ende ghy en hebt niet gewilt, en ghy
feyde neen dan wy fullentot de Peerden vlie-
den,daer om ſult gy vluchten , gy fegt wy {ullen
op de Peerden ftijgen , daerom {ullen u vervol-
gers {nel wefen. Och offe defe woorden aen-
* merckten , die met den Sweerde willen
— d Engelen will d
ae Die Daer de Engelen willen zijn / Die
—— — * fullen —— daer doch Cher
ſtus de Parabel anders bedupt/ feggende : De
goede Wepte zijn De Vinderen des rjcks / Dat
onktupt ijn de kinderen Des quaets / De bpant
die dat zacpt is De Dunvel. De oogſt is Die
Deoogftis 't epndinge der Werelt / De Meyers Dat zijn De
eynde der Engelen. Aengeſien de Chꝛiſtenen de goede
Werelt. wepte zijn / hoe honnenfe dan de Engelen ofte
Mepers wefen / ofte zijn ſn die Mepers / hoe
mogenfe dan die wepte zijn? Defe twee zijn
berfchepden/ de wente ende De Mepers / dan
men moet haet klaecheptlaten ſtaen.
bile so A00 is wel foo/ de Chriſtenen werden twel
103: 20 Engelen genoemt / dan waetmen ban Enge:
fen \efet daer maghmen altoos de geloovige
menfchen niet Doo? berftaen. Baer zijn oock
P&L 1044 andere Engelen / Daer af gefchzeven ftact / Die
17 fijn Engelen geeften maeckt / ende fijn Diez
Defa Enge- naers vuurvlammen. Met defe Engelen wil
len fullen Cipíiftug komen / lals Paulus ſeght: De
metChrifte Heere Chziftug Jeſus ſal veefchijnen van den
komen op Hemel met De Engelen fijnder magentlhepdt /
dach. ende met De blamme Des vuurs / Die Wrake
2 Lheff.r. 7. Doen falover de gene Die Bodt níet gekendt
hebben / ende niet gehoorſaem geweeſt den
Euangelio onſes Heeren Jeſu Cheiſti.
NOT A
Defe Engelen fullen de Iepers wefen/ Die fes Heeren Jefu Chrifti, dat ghy acht wilt heb-
ben
ymons 3
ín De epndinge der Werelt / dat ig fn den dag des 4 Eid: 45
Oordeel / 4 Efdze. 7- alle onkrunt ſullen tipt ien
pluchen ende in den buurigen Oven werpen.
So lange fal dat onkrupt onder de Wepte
ffaen / ende de Bocken onder De Schapen
blijven/ op dat niemant ſich duncken laet DAL,
men dat onkeupt nu fal unttrecken. Oftde "7
Socken nu van de Schapen fchepden.
Dan alg de opperfte Herder openbaren fal /
ende fitten op den Dtoel fijnder Heerlijkhept /
en alte fijne heplige Engelen met hein / dan fule
Ien boo? hem vergadert worden alle Bolcken /
ende Bp falfe ſcheyden / gelijck alg een Herder
fchept de Bocken vande Schapen / ende ſal
fiellen de Schapen tat fijn Nechterhant ende
Bocken tot fijn ſiinckerhant.
Defe woorden fijn fo klaer als be Sonne /
nochtang berftaen De formmige niet / alfo Dat
men tot haer wel feggen magh: @ gip fotte Gal. z- 1.
Galaten) wie heeft u betoobert dat gijn niet
kont de Waerhept gelooven? Den welcken
Jefus Cheiſtus voo oogen geftelt/ is onder *
ũgeliruuſi. Dat begeere ick alicen van ute we- s,, ——
ten oft ghy op ’t Sweert gedoopt zyt of opꝰt op 't Cruyce
Cruyce? Soo onverftandigh zijt ghy , nade- gedoopt:
mael ghy begonnen hebt in den Geeft, {oo
wilt ghy in’: vleefche voort varen, foo veel
hebt ghy vergeefs geleden, is’t anderste ver-
geefs.
Wat baat het dat gy uyt Egygten getogen zyt, Exod. 14. ers
ende wederom fiet na Egypten, dat isnade
duyſterniſſe, ende verlact dat Waerachtige
licht, jae begeert Vleefch van Egypten, dat is
meníchelijckeleeringe, en laet u niet benoe- Naum. 24. 2:
gen aen dat Hemels Broot.
Wat baat het u dat gr Pharaonem ontloo⸗
pen zijt/als gp van Amaleck berflagen wert)
om uwe ongehoorſaemhent? (ende daerom)
dat ahp fonder den bebeele deg Heeren ten ſtrij⸗
be trechiet.
Wat paofijt is't Dat qu dooꝛ Dat roode Mep? ohriſtus ſijn
met de Kinderen Iſraẽls zijt gegaen / alg gyn zijk ingeno-
—* een vaſt geloof aen Godts Woost met rr door
Alt. rg. eze
,
ejofue ende Caleb / niet komt in Dat beloofde Lider-
Tant? ende hoc men ín dat beloofde Kant /
dat is ín dat eeuwige Lijclte Godts komen fal/
betungen ong Paulug ende Barnabas, Die
alfo leerden ín allen Gemepnten. Datſe door
veel Tribulatien moften komen in dat Rijcke
Godts,
Chriftus heeft fijn Rijck metten Sweerde
niet ingenomen, dan door lijden moefte hy
daer inkomen , en fy mijnen dat Rijck met-
ten Sweerde inte nemen. O verblintheyt der
Menfchen! ®an het moet alfoo toe gaen / Dag
de gene Die Chziſtum niet willen boog haer ee⸗
nige Werder bekennen / op Datfe ban hem
mogen getwepdet worden / Die fullen moeten Ezeeh. 54-19.
eten De wenden / De welche met boeten getre⸗
den zijn / Ende die Dat klare water upt de
fontepne deg Salighmakers niet willen pute
ten / Die ſullen moeten drincken dat onklave
water / dat de valſche Perders met hare voe⸗
ten oncepn gemaeckt hebben * Ende daerom,
wantfe dubbelt quaet gedaen hebben , met den
Kinderen Ifraëls, Sy hebben verlaten den
Heere een levende Fonteyne der wateren , en=
de hebben fich putten gegraven,die wel ſchoon
fchijnen : Danfe konnen geen Water geven.
Vermane daerom alle lieve Broeders. Jae
bidde u door de ontfermhertigheyt Godts on- Exod.30. to;
3
NOTA.
Tegen Jan van Leyden. 631
ben, op Gods Woort ende daer nier van wij-| weſen / jac hp is Dat Licht Defer Werelt / die
ken , want ghy hebt uwen Leermeefter Chri- hem nabvolght die en fal níet wandelen ín det
dad gefien met de Oogen des geloofs , ende dupfterniffe/ dan hebben dat licht Des Tevens,
fijn ftemme hebt ghy gehoort die aldus feght: | Pſalm. 67. 1. Godt de Dader / onfes Heeren PAL 67. zo
Dit is den vechten Wegh/ den ſelven gaet / an⸗ Jeſu Chriſti moet on!er genabign 5n {ende
ders noch ter vechter noch ter flinchier hant. ous laten lichten dat wpop der Aer derd
Een yder wachte fich van alle vremdeleerin- | gen bekennen fijnen wegh ende fijne Dalig-
ge, van fweerden , tegen-{tant ende meer an- hent onder De Hendenen.
‚ dere, dat doch anders niet en is dan een gul- Alle die ghu des Weeren goethept gepzoeft
mT'im.r. 13e
Ephef.4. 20.
Joan.8. 12°
den Bloeme, waer onder een boofe Serpent —— hebt hem lief / de oprechte bewaert
dt sin Fentin aan. | DE Heere,
verborgen is, die ook al veelen fijn fenijn aen- 2 jk
fer heet dé daer Weeft goets moets ende twijffelt niet / want
— Le | De Heere fal uwer Zielen kracht geben / Alle
Gem pder houde fich na dat voorbeel der ghn die ljdfameleken fijnen toekomſt bee-
Godrlijcken tooarde / Die hp van de Apope- Wachten.
ten ontfangen heeft met dat geloof ende liefde. De Beere is een Koningh gewozden Der PL-ss- 1.
Een yder dencke dat hy Chriftum anders niet | cafenden Hendenen / bo ſit op Eherubin/ deg
geleert en heeft, dan met hem re lijden en blij- | beroert ſich dat lant / Defen oningh hebben
ven daer by, want in Chꝛiſto ig een opvecht| Bie Joden verſmaet en fijn ber blint gewogden.
EEN LIEEFLYOKE
VERMANINGE
ONDERWYSINGE
UYT GODTS WOORDT,
Hoe dat een Chriften fal gefchickt zijn ,‚ ende van dat fchouwen ofte
affnijden der valfcher Broederen ende Sufteren, ofte die met
Ketterfche leeringe verleydt zijn , ofte die een vleet
fchelijck fchandige leven voeren.
D oo Rr
MESEN NEC ⏑ —.
Sy MONS die wenfcht fte mijnder Aelen, Dat ick den meeſtendeel
— Ee Me ende Sufteren Jefu Van u m kosten dagen Lermaent hebbe met
? iſti de ende vrede van Godt on- deg Heeren wooꝛt miet feet obervloöedige bele
Chriitt, svn f Vad door Chriftum redenen ende fchriften , bloepende upt ernen
den Pieren Se : —* Heere. heylſocckende liefhebbende ende beroerde
—— read heeft —* heeft onsgewaf- geeft, alg ghp felber Wel gehoort ende gefien
— fe ſe nden in fijn bloet, den fy bebe / Die doch over al na geenen dingen har
fchen van onfe fo Ee de — ‚het (Des Godt een getunge zp) Dan alleene na
lof ende prijs van nu aen tot in E- ne ceutwige fligheydt ban uwe aller Gielen,
heydt, AMEN. (miet anders leerende, ——— he Godt
|begeerende , u nergens anders toe vermanen⸗
Hoort Godes woort, Gelooft —— | — npe lderheylighfte —
Volbrenght Godes woort, So hebt ghy dat ende wercken krachtigh ende vruchtbaer voor
eeuwige leeven. Godt fp, Ende datu leven ende wandelinge
Oordeelt niet al eer dat ghy door gelefen
ende |heyligh, reyn, fober, kuys, matigh, ootmoe-
b digh, lieflick, goedertieren , milt, barmher-
wel.verlkaen, hebt. tigh , rechtveerdigh , onftraflick , den Euans
Gereliicke liebe kinderen ín Chrifto Jefu, gelio Chrifti onderdanigh ende gehooffaem.
Hin wiet het fmmerg wel/ met hoe ſeer Ja alg een klaer fehijnende licht baor God,
grooter naecftighept / ja uut dat alderbinnen: vooz fijnen heyligen Engelen, ende boo? ar
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
BENELEE IEN AN
| | HIE Siet dit ig het
EM gene datick
í | | van uin alle
KEEN | mijne leere
Ë
|
|
begeere.
Gelijck baert
gelijck,
1m | Joan. 15.
RE | De natuere
Nd ende aert
Chrifti ende
/ | der weder-
Ki geborener is
IN | eenderley.
— — — —
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
632 Menno Symons;
Je de gantfche wijde werelt Gebonden moet fche , ende been ban fijnen beenen: Bn den
worden / op Dat gijp ín alle uwen gantſchen | welcken dat ha Baert in onuptipzechelijcher
hemdel maget uptdzucken / Chriftum Jefum, luſten / met fijnen krachtigen zaae: Name⸗
Dien gp aengetagen hebt / Gal. 3. is't an⸗ melick / met ſijnen heylgen woorde , DEN
ders dat gijp hem recht aengetogen hebt / alg | Kinderen Godts, Den kinderen Der beloften,
ích hope / ende bewiffen alfo in uien leven , den kinderen Der gerechtigheyt, Den Kinde-
By een om
fijnen Godtlijcken ende Hemelfchen gebeel-|ren Def waerheyts, ende den Kinderen DES 5 gelsseke
) er : * jeke
te, na den welcken dat gijp gefchapen zijt, |eeuwigen levens, Ephe. s. Maer bp de gemeynte.
Col. 3. Ephe. 4. Babilooniſche / Sodonutiſche / hoerachtige / bart —
egel en decke ummers uw geldt / ſilver / en overſpelige / afgodiſche / bloedige / ongelaa:
leefchelijche gaven niet (alg ghy ſelver wel vige / blinde) ende ontepne ſcheucken num⸗
getupgen zijt) hoe wel ick bp der loogenachti-{meemeer / Daer fp menigh hondert jaren met
ge werelt Der falen haitgen wel tefandetijck be⸗ hout / ſteen / gout / fier, broot / wijn /
logen worde / fcít berfoeche alle ban u{ ende balfche leere / ende met De ſeer onnutte ver⸗
begeerte van u met Geel ſorge / ancxt / benaut- doemelijcke wercken haerder cypgen handen 3
hepdt/ misepte/ fuchten / Weenen ende at- (foo bullicken geboeleect / ende ichande bedre-
bent / een fodanigen geloove, liefde, geeft ,| ven hebben regen Chriitum Jefum , en tegen
confcientie ende wandelinge, Daer ín Die dach (fijn heyinge woort, Apoc. 17. ende 18,
des vechtbeerdigen oordeels paar Godr be⸗ Hieromme ſoo vermane melt aile onſe liebe
flacnde bipven magen/ cnde Dat in Chruto |broesers ende futters in den Heere , ſoo hef
* als u Chriſtus Jeſus is / Dat on het Doch nim⸗
Ick en twijffel daer níet aen / mijne alder⸗ mermeer vpt uwen herten wrist laten ont⸗
lieffte broecers , of ghp Gelent Dat ſeer gaen / Dan Dat ghp Iet altoos ende ſtedelhelt
trl 8 ’t dat ghp met € hzifto Jeſu van bo⸗ gedenckt / Waer op ende Waer roe Dat ghu
ben upt Godt den Dader geboren zijt / wt gerocpen, geleer: ENGE Zedoop. zht. Gez
Dat Hemeifche zaet deg Godtl jeken woorts. Denekt dat verbant deg alderhooghſten Gods /
Dac ghp alg dan recht eben na ren fin / geeft/ Dat welche ghy fra vrywiaghbtyek mgoetre⸗
moet ende wille Fefur Chain geraden zt bey⸗ den / begeert ende aengenomen hebt⸗ ve-
De in icere enleven , gelijeher mute als Chri-jleeit Daag Gods woort, gelept ende gedron⸗
ftus Jetus geraden is / wa Die natuere en na gen door Den heyligen Geeft, ende Le sben goes
De gebeelteniffe fijns gebenedijden Vaocrs / willighluck na lundt Pauu keere atie WWE gie
ja ‘a krachtigh aengebaden ſegge ick) fijns cigbept / onſupverhrpt / hooveerdighept
Daderg natuere / upt den welchen dar hp gez|hact / mijt / misbrunck der Sacramentelc⸗
baectis / dat hp met en moghte doen anders /| Ben tekens / afgoderie/ gulſigheut dzonc⸗
dan dat bp fagh dar fijn Dader Hede /Goan.s | ken drincken / vleeſchelijcke ſinlhckihept / lie⸗
niet en leerde dan alleen fijng Vaders woozt / gen / bedrziegen Ec. mn Det doope begraven,
Jaan. 7, alfa oac: alte de gene Die upt dat ler ende zijt met <brafto leſu verrefen tot EM
bendige/ ſalighmakende Woot onfeg lieden | nieuw seven, Fam, 6, Is Iet anders Dat go
eere Jeſu Chita gebaert zijn / Die zijn doorz ' vecht met hem vezreſen zic: Welcke nieuwe
De kracht ende Door dat wejen haerder nieu-| leven anders miet en is Dan gerechtigheyt
wer geboorten, Chꝛiſto alfa toegevoeght / fo onftraftelickheyt , hetae , barmbhertigheydt;
epgen ende gelijk geworden / ſoo wefentlijck |oormoeaigheyt lijdtfaemheyt, vrede, waer-
fngeplantet) fo in fijnen Hemelichen natue- heyt, faover al Dat lieflick leven Dat geleert
re verandert ende omgekeert / Dat fp geen Wozt ín den heyligen Euangelio, ende alfoa
leeringe leeren noch gelooven / Dan alleen Die bevonden is in Chriſto Jeſu.
leeringe die over een Dzaeghe met Chriítus Oeh broevers hoe janmerlick verre zijn
leere , gene Godts dienftige Werekken ge⸗ de fommige van ong lepder noch berfchepden
bꝛuplien / dan alleen Chriſtus werken, welke |pan Dat tuangelitche vrome leven Dat upt
hp m fijnen heyligen Euangeliogeleert ende | God is! hoe wel fp uptter Bercken blijven /
gedzeven heeft / Want hoe konnen ofte mo⸗ | ende uptwendigh in den water alrecde al ge-
gen Die natuerlicſie wijnrancxkens andece / doopt zijn / evenwel in allen Dingen noch
bzuchten Dragen / dan die wijnftock ſelver / gerdt / virefchelick / ende dupbelg gefint
upt den welcken Dat fp uptgeliomen ende gez | meynende bp avontueren / Dat dat gantfche
fgzaten zijn / Hoan. 15. Chꝛiſtendom m den uptwendigen Doope, en
Gelijck dan m Chꝛiſto Jeſu nietg niet bes | mr dat blijven vpter Kerken gelegen zp. Accu
bonden ig Jan alleen De heyligheyr, wijsheyt,\ tieve neen. Ick fegge u foo Waerlijch als de
klaerheyt ‚ gerechtigheyt , kracht , liefde | Heere leeft) boor Goden gelt genen uptwen⸗
vrede „ barmbertigheyt ende waerheyt deg digen Zoop, noel blijven upt Der Kercken ,
almachtigen Daders / alfa zhe gu gelijker ma- ‚noch Avontmaal, noch vervolgh / ſoo wanneer
te fijns wefen ende goethept deelachtigh ge: | datter niet en is dar volbgengen dee geboden
worden / om dat gh met hem van boen upt | Godts, 1. Co7.7. Dat geloove het weiclie / dat
gelijcken Vader wedergeboren ende vernieuwt | daer wercket Dooz De liefde. Gal. 5. ende de
zic. nieuwecreatuere, Gal, 6, Gelijtſi ooch fept
Diet mijn broeders, aldusdanige weder: Chriſtus Jeſus. Doorwaer voszwaer feg iclt
geborene ende Godlijck gefinde leven on-'u/ het zp fake Dat gijp anderinacl gebooren
bettraffelijck, even na Det mate ban derecht- wort ban boven , ofte ghp fuit dat rijcke
ſnoer deg heyligen Euangelii Jefu Chriti en Godts niet fien, Yaan 3. Mach op een an
De fijnder Apoftelen. Derhalven kuſt ha haer der plactfe/ het fp fake Dat ghu wordet om-
als fijnen lieven uptberkorenen met den mont \ gekeert / ende Wozdet als cen kind: , oh
fijneg eeuwigen vzedes. Cantíc. r. ende ſult dat rijcke Det Hemelen niet ingaen.
noemtfe te wefen fijn Gemeynte, fijn epgen Matt. 18. Maer de Wedergebaorene ende
echte Hupsbzouwe / vleeſch ban fijnen vlee- |De omgekeerde / Dat zijn De geloovige / Die
woz⸗
us Jel
Siet wat een
nicuwe lee
ven 18.
Uytwendigk
gelt niet ale
dat inwen-
digh daer
nicten ies
Die nieuwt
geboorte
draeght dat
rechte wefen
met hemme
Lieflijcke
Vermaninge. 633
worden vecht gedoopt na lipt Godts woort, tot Dat wp alle mogen opwaſſen in Gode, en
Marc. 16, Want die begraven hate ſonden in komen in een cenighept des geloofs ende der
Ben Doope, ende verrijken met ChriſtoJeſu lenniſſe deg Soons Godts, in eenen Lolfia:
in een nieuw leven, om, 6. Die Worden (men man / ende (nde mate Des vollen ous
geeftelijck hefineden met Chriftus hefnijain: |
ge. Col,2. Dietrecken aen Chrittum Jefum |
py dewe- Gal. 3. Die bewijſen het met Dat water bat /
dergeborane Dat fp ban nieuws gebooren zijn / want Get is
iszechte gen waterbat Der nieuwer geboorten. Cit. 3. |
— Deſe wedergeboorene gebzuplien oacit bet
rechte Avontmaal, Want fp verkondigen den
doot Chrifti tot Dat hg komen fal. 1. log. ir.
By de we- Waren luſt is in De Gemeynte bet gerechtigen, |
dergeborene Bare wercken en zijn miet dan broederlijcke |
je sind liefde, gen herte, Een ziele, teu geeft, Ja
vontaach. een onderfchepden lichaem / bruchthaer /
dienſtachtigh en gemernfaem in Chriſto Je⸗
fu het welcke ong De iptwendige keick ende |
Dat uptwendige broot beteekenen / 1. Coq. 10.
Deſe wedergeboorene ſchuuwen alle valſche
leere , alle afgoderie, alle onbehoorlijck,
gebruyck Det Sacramentelijcke teechtens in
Der Weecken ofte bipten Der Mercken / fp
ſoecken alleene de vechte Leeraers Die onſtraf⸗
felicht zijn in leere ende leven , Dic rechte
By de weder- Godsdienft geleert ende naegelaten in Chꝛi⸗
geboreneis ſtus woort / namelijchk de ftervinge Heg vlee-
rechte Bor fches. Mem. 12, Gal. 5. De dienft der ellen:
digen / Matt. 15. Dat verſoecken Der we-
duwen eude weefen als Tac. fept/ repn cn-
De onbevleekt hem te bewaren van deſe Wez
velt / Hac.r,
fu Chruíti met blijden herten } alfoo bebe- |
flight in Cheiſto Jeſu / datmenfe met geene
balfche lecre , noch met geene grouwelicke
pe wederge- torimenten van de eeuwige Godts waerhept
borenedra- ende liefde mugen afleyden ende Ontrucken ,,
gen ty Hom8. Wiler wegen gedentende haer Hee.
ce. ren woort, dacr bp alfoa teert / namelick /
wie mp niet en belijder vooz Die menfchen , |
Dien en ſal ick ooch níet wederotmme belijden
boor mijnen Vader Die in De Hemelen íg,
Matth. ro.
Dewederge- ¶ Alle deſer gedachten zijn encliel kuysheyt, et beroerde Dringende geeft met ons in de
borene den- lieflickheyt vrede,
ken,fpreken,
ende doen
ja Hemelich ende upt
Den Heyligen Geeft; Nile hate woorden zijn
alle dingen Wijsheyt, waerheyt, leeringe / vermaninge ín |
reeht, Der génaden / met fout beſprengelt Godts!
woort / ende worden gefprolken tot bequamer
tijdt. Ja fn zijn geeft ende leven. Summa /
alle haer werchen zijn enchel liefde, barm-
hertigheyt, gerechugheyt, godtfalige vroom- |
derdoms Jeſu Chꝛiſti / Epheſ. 4.
Derhalven fiet weltoe / is't dat ghn uwen
broeder fiet ſondigen / fo en wilt hem niet hoo?
ba gaen / als de gene die fijn ziele niet en
achtet/ maer is 't dat fijnen bal geneeflik is / ſo
Het en is
heffet hem op van ſtonden aen / doog lieflicke geen Chri-
vermaninge en broederlijcke onderrichtinge , ften die fijns
aleer Dat ghp eet / drinckt / flaept ofte
broeders fa-
ligheyc nie
anders wat Doet / alg De gene Die fijn zalig- en achter.
heydt foecht met blijt te beminnen / opdat
uwearme Berdaalde broeder in ſijnen bal niet
en verande ende verderbe / ende alfa ín fijne
fanden wiet en bergae.
Doet niet meer foo ontrouwelijckten/ alg
ghu tot nu toe gedaen hebt / als Dat ghnbe
aucctvedinge ban uwen ſneubelenden broeder
ende fufter , noch niet vermanende zijt faa
wel tof pemant binnen de Gemeynte alg Lup:
tende Gemeynte, Dan foectet beel meer met
| bidden tet @Godt/ met tranen, MEt woor=
den ende wercken , om hem te bekeeren Gan
den wegh fijnder Dwalmge / om Laligh te mas
ken zjn ziele, ende alfa te decken de menigh⸗
vuldighent ſijnder ſanden / Haco. 5 Wacht u
mijn broeders wacht u/ dat gp geenen faem⸗
cooper onder u toe en laetet / gelijck Mofes
leert. Bevi. 19. Gen dobbelde tonge / cen Taz
Broeders
genachtige tonge/ een fchalclie tonge / ende Wat het «
Deſe wedergeboorene dragen dat kruys Je- (cen achterklappige tange / enconfenteertniet 2”
tot ceniger tijt / op Dat ghia níet en balt ín den
toren Gods: een peder fie Wel neerſtelhjcken
toe/ hoe/ waer / Wanneer / ende wat hu
ſprelie op dat hp hem met fijnder tonge tes
gen Godt ende tegen fijnen naeften níet en
mifgeijpe / Dan gedenckt aller Wegen / dat
wooꝛt dat Ecclefiafticusleert, namelilt/ Eere
ende glorie ig in een Wijs mans reden / maer
de tonge des onvoorfichtigen is fijn verderf?
feniffe/ Ecclef. 5.
Maer de gene / mijn broederen, Die door
tijt haers berftants oft Der lienniſſe fn dat al-
der heylighfte lichaem Jefu Chritti ingedoo⸗
pet zijn / Welck is de Gemeynte, 1. Cor. 12,
nochtans wederomme / het zp dooz valſche lee
re, ofte dooz een ꝑdel vleeſchelhjck leven, haer
felver upt dat felfde lichaem of gemeynfchap
Chrifti upt geworpen ende afgefneden heb⸗
ben / hp 3 Lader of moeder / fuftec of bzoe⸗
heyt , ende gefchieden inde vreefe Des Hee- der / ran of wijf / foon of dochter Bu zn dan
ren.
Siet mijn broeders, Dit is De rechte acct
ende natuere Der kinderen Godts, Die nu dooz
genade ín haren herten omgekeert ende met
Theiſto Fefu ban boven vpt Godt Den Va-
der zijn gebooren.
Hierom fo bid ick walg mijne hertelijcke liez
he broeders, door de onfarmhertigheyt Gods/
Ja ick gebiede u met den hepligen Paulo /
Doo? den Heere Jeſum Chꝛziſtum die in fijn:
pen eenen Der toeſtomſt fat oordelen de levendigen ende
Chriften _ De dooden > Dat gip malkanderen vlijtigh⸗
wie dat hu zu / Want Godts woort gact
over alle vleeſch ende bn God enig geen acus
fien Der perfoonen, Net‚ro.Fam.2. Galaz.
Epbef.6. Cal.3. A8 ’t dat hy die vermaninge
fijnder broederen niet op en neemt; Die hem
met fuchten/ tranen cn met eenen meedelijdí
gen geeft upt grooter liefde gedaen wozt / maer
is *t Dat hp volhert ín fijn Jootíche leere, naz
melijctt / alg (weert, rijck , veelheyt Det
vrouwen,oft diergelijfte verlendingen meer) I⸗
tem/ inde lereinge deg onbefchaemden biechts/
geen ſchaemte en Dragen Loor de fchaemelijke
wachter op lijcken fuit waernemen ter faligheyt, malle ſitwaeten, en fulke onnatuerlijke onmenfchez
des anders
ligheyt. pip
ſaliheyt. rende , onderwijfende , vermanende ,
ftraffende , driegende , trooftende na gele:
genthept det beroerder faken/ niet anders dan
met Godts woort, ende Dat upt boller liefde
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
ancepnighent Den reynen reyn is / ende al:
foo gemepnfchap te hebben in onvruchtbare
wercken / alg het gehoor * wereldtljcker
Pre-
Volgt de af.
fnijdinge dex
valfcher
broederen.
bêhooglijche manieren onder Den anderen le- | lijke handelen meer / Item inde leeringe Die te- pie voiher-
be- |gen dat kruyce Chriſti is nattielief/ alg dat det in her
guaat wort
afgefneden.
634
Predikanten, kinder-doop, wereltlijcke A-
vontmael, en ſulcke geouwelen meer. Item
in droncken drinken; gierigheyt » hoererye ;
overfpel , onbetamelijcke woorden , &£. Met
ſodanige en h D
Daer niet meede eten/ gelijck ong die heylige
Paulus. met wprdzuchelijche woogden geleert
ende bebolen heeft. 1. Coꝛ 5.
Maer is het dat hp die vermaninge fijnder
getrouwen broederen lieflicken ontfanght / ho
bekent
teringe ſijns levens; hp bewijſt wercken en
vruchten Deg berouws, hp heeft dan hier boog
maelg gefneubvelt ende gevallen / hoe hp oock
gefneunelt ende gevallen heeft /_ ontfanght
hemals eenen wederkeerenden lieven broe-
der ofte fuiter, alfcene hy fie daer wel op toe /
Dat hp met ſijuen Godt niet en fporte, Want
Dat opnemen der broederen en gelt níet als
tw van Gode níet opgenomen worden / he
fictoe/ ſegge ich / Dat ſijn opnemen det ver⸗
maninge / fijn fuchten … fijn belofte det. be-
teringe > ende fijn berouw oprecht Ende
waerachtieh Hoor Godt zp / want díe beproeft
herten ende Nieren , ende Die bekendt feet
wel / alle De inwendige gepeynfen ende
gedachten Der menſchen “jerem. 17. Soan.rx.
Bom. 8.
egg het Dan Dat fijn opnemen / fuchten > be-
lofte ende berouw niet en gefchiedt upt een
waerachtigh opfet , ende unt eenen ernſt⸗
achtigen vyerigen gront deg inwendigen her⸗
ten, maer alleen iauwelijk, beveynsdelijck ,
fonder geeft, doop eenen hypocritifchen fchijn/ |
om dat hp uptwendigh upt dat gemeynſchap |
Der: broederen niet en wit geftooten zijn; ſoo
God en oor- {8 hp nochtang evenwel van Chriito al afge-
een {neden , ende blijft alſoo en hypocrijt pfc |
guychelaer ín Gods aenfchouwen / hu en fal
ebbet niet tedoen / noch en Wilt doemen, datt
de rechte aert /
lijcken
guade af WEL
ofte van fij
fijnen bal / hp ſuchtet, hp belooft be- hy
Menno Symons,
unt te ftooten, Dan inte nemen, niema ntat
te (nijden, Dan te geneten, niemant te ver”
werpen, dan weder te ſoecken, niemant te
bedroeven ‚ dan tetrooften ‚ niemant te ver=
faligh te maken. Want dat is
ende voomemen eens Chritee
broeders. Wie dat hem dan ban Dat
fwent / het zy van fijne valſche leere,
nen ydelen leven } ende ſchickt
hem na den Euangelium Jefu Chriſti, daer
toe gedoopt is/ díe ſal noch en magh in
nimmermeer ban eenigen
der eeuwighept
en ooren noch afgetneden woʒ⸗
broederen uytgeſt
den.
Maer die gene daermen met GEEN verma.
nen, tranen » driegen > ftraffen , ofte met
eenige andere Chriftelijcke dienften en Gode
falige middelen opheven/ bekeerende Verz
quicken magh / die ſüllen wp niet ſonder grou: Sier de oor-
re rouwe ende imerte Onfer zielen, bettelijk fak: waeroms
befchreyen , ende den val ende verdoemen.ile ren Pi
foodaniger verdoolder broederen Wpt Dat broederen
midden ban ons doen / op Dat wa met gelijke ichouwen
vaiiche jeere, Die alle wegen om haer vreet alg al,
de Cancker fieckte / niet verlept en wozden.
2 Cim. 2. ende met gelijche pdele vleeichelijc-
keleven , fog Dat Dat vleefch altijdt cot den
quaden genepghe ig / met haer niet en bekij⸗
ven; alfoa Gods woort gehoorfaem zijn / dat
ong alſulcks leertendegebier. Ende alfa Die
afgefneden broeder ofte fufter Daermen met
geenen tieflijcken dienſten / Geipen ofte bes
keten maat / dat Die dooz aldugdanigen mid⸗
del der afinijdinge/ in hem felben beſchaemt
magh wozden tot beteringe. 2 Ceſſa. 2. ende
bekennen alſoo waet toe dat hp gekomen,
ende waer af dat hp gevallen is. Aldus ff
Die ban een icer groot werck der liefde, al hoe
wel het bp Den onverſtandigen / als een
Den ban is
een werck
der liefde,
gock niet anders tot eeniger tijdt ban Godt werck des haets wort aengetien Ende geoor-
aengefien en geoogdeelt worden. Want Bodt | deelt.
De rechtveerdige richter, Die en richtet niet Min broeders, dit is De epgentlijcke oorſa⸗
na den uptwendigen fchijn / maer alleen na | ke waeram eude waer toe Defe felfe atín;jdine
Dat verborgene Goopmemen des inwendigen |ge ofte ban in De heplige Schrift fo eenftelick
herte. [ban Chritto jelu ende fijne heyiige Apoſte-
Seoht mijne alderlieftte / dewijle Die fake |len geleert ende bevolen is / eerftmael van de
alfoo voor Bod gelegen is / Wat haet haer dan | valfche leere, Matth.7. ende 16, Boin. 16,
fodanigty een uytwendige naeme eens Chai 2 Cimo.2. 1 Cima. 6. Eitu, 3. Philipp.3. 2. den banaen-
ften broeders te aoeten/ wanneer hpdat in⸗ Joan.i. Peem van dat tondige vleefchelijcke wijten.
wendige Euangelifche geloove, liefde, ende lieven. Matth. 18. 1Cor. 5. 2 Cheſſa. 3.
Dat onftraffelijck leven eeng waerachtigen 2 Cimo.3. Item datmenie vermanen fal ete
broeders Jefu Chriſti niet en beeft. ſtaet Die Germaent begeeren te wefen) Mat. 18,
ed uyiwen _@f wat haet het heylige Avontmaal ons | Cit. 3. Hierom foo fict wel neevftelijcken toe /
WS inwendi- feg lieven Heeren Zefu Chriſti met Den broede- [ende waeckt voor uwe epgen ſiele, dat ghu
ge ishuyche- ren te geneeren / wanneer wp de rechte beteec⸗ doch Gods wooꝛt In deſe noodelijcke ſalte der
lie voorGod. hende vruchten deg ſelfden Avontmaals, na⸗ affnijdinge nieten verſmadet, ende fijn or-
melijft den doodt Chriíti, De liefde Der broe- \dinantie nieten vertredet, maer dat ghn het
deren , ende vreedtfame eenigheydt deg ge- aller wegen gebrupekt ende onderhoudt met Een Chriften
loofs ín Chrifto Jefu niet en hebben: Alſoo |godlijcke wijsheyt, befcheydenheyt , lieflick. behoort wijf
en baet het oock niet inde gemeynfchap Der |h-yt> ende voorlichtigheyt neben Den genen haden ie
broederen uptwendigh of lichamelijch te con: die LAN de Euangeliſche leeve ofte leven afge: atie Gjne ſa
gevferen / alg wp chenwel inwendigh ín De |treden eude afgeweken zijn / miet met ſtuurs⸗ ken.
gemeynfchap onfeg lieven Heeren Jefu Chrifti | hept / niet met wzedigheyt / dan veel meet met
niet en zijn.
alberlep (achtmoedigheydt, met beel Luchten
Derhalven mijne broeders, faa en Wogt'er |ende tranen over uwe vezrotte Ende verbuplz
ban ong niemant afgefneden, ofte upt de ge-
he lidtmaten, daermen niet weder heelen en
meynichap Det broederen uptgedaen/ (oor: mag
h / Daer hoften/ acbept ende false sijn ber:
deeit vecht) dan die gene Die haer ſelven ad te loren / Daer niet nutter en is / Dan af te ſnijden
oaren ofte doo valiche leere, ofte Dogg een | met bat meg deg Godlijcken woorts, op Dat
onbehoorlijck leven , ban Chrifto ende ban oock De andere leden nieten bersuplen / ende
fijn Gemeynte afgefneden ende uptgewoz⸗ de verdoemelijcke fchorftheydt ban Dat eene
pen hebben, Want wp en begeeren niemant ſchaep, op Dat het ander niet en — —
Song,
Schriften die
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Die in
Chrifti ge-
meyníchap
niet en is,
dieis in de
gemeyn-
fchap des
duyvels.
Lieflijcke Vermaninge. 635
foodanigen maniete/ Dat de felfde verdoolde bekeerde fufters of broeders , fa met foodaz
fufter of broeder ín fijner zielen befchaemt ge⸗ nigen blijdſchap / als men hen pleegh te bere
togen en gewonnen maah wozden / gelijckt blijden / faa wanneer ecn eenigh gebooren
het boben berklaett is. En ig’t dat ín ſooda⸗ foone ban een ſeer periculeuſe en doodtliclie
nige afgeſnedene fufter of broeder eenige be⸗ kranckte was geneſen, een verdoolt fchaep is
Blij dſchap
den broe-
roerte Des geeftes is / eenigh vonclisken des en wegh gebraghte penninck wedergebanden deren over
levens, of eenige vreete Gods, ſoo meet GP waren/ en een verloren ſone / daer men fijn toc: ——
immers in fijner zielen fchricken en beven, komſt niet en berhoopte / weder in DAL buys bekeert.
Want hn nu wel bekent door beemaningeupt fijns begeevigen vaders gekomen was /
Godts woozt / en door dat getupgen fijner | Matth. 18. Luc. 15.
confcientien , hoe dat hu hem feiten Door fijn, Siet mijn broeders , aldus Wil ick Dat eenen
valfche leere, en Doo? fijn ydele vleefchelicke | pgelfchken afvalligen broeder felver laten ooz⸗
leven heeft afgefneden upt de gemepnfchap deelen / waerom/ waertoe) met wat geeft/
Jefa Chriíti , en is wederom ingetreden in De ‚en unt Wat mepninge Defe ſelfde affnijdinge of
gemeyn{chap deg Dupvels / en derhalven fijn | ban eerſtmael ban Chrifto Jefu en ban fijn
lot en deel efen fal / nier met de falige zielen | Apoftelen , Daet na van ons ‚ wp Die weder⸗
ín Den Wemel) maer met alle de verdoemde om ín haer leere en gebaupelks alleg Chriftelic-
zielen ín de Hel tot den eeuwigen dagh / is 't ken handels gefet zijn; dus neetftelicl ge deez
dat hp hem níet en belieert. (gen en gebzunckt wozt / gelijck men upt deſe
Godt de barmhertige Dader Die Wil doch | Schriften boven geallegeert wel klaerlick bez
alle fijn uptverſioren kinderen , Die haer ín fijn | geijpen en berftaen magh.
heyigh verbont gn gemeynfchap begeven heb-, _ Mel aen mijn weerde broeders in den {ez
ben/ Lan aldusdanigen grouwelicken val / re/ qp die doo? cenen geeft in een lichaem gen
verſtocktheyt en affnijdinge behoeden en be: | doopt zijt} en u vznwillighlijck in de gemepn⸗
Waren / Amen. ſchap Jefu Chrifti begeben hebt / en oock
Alle Die afgevalle fufters en broeders die haer | gp Die ban De goede wille zijt / terwij qp den
ín defe opentlicke leere en gebzupck Des Chri- / afgevalligen moet fchuwen/ na lupot Goodes
ftelicken bans of afínijdinge ouer aug ergeren woortsfiet derhalven Wel toc / foa wanneer gp
en toomen witten / die moeten haer ergeren haer ſchuuwt, alg vezrotte / vervuulde en onz
meet en meer ; Want faa ie dat ourepn en | nutte lidtmaten / onbequaem tot Dat lictaem
bunt iß / die wordt noch meer onurennder en | Chriíti, Dat an doch dan felve als geſonde /
buplder / gelijck De heylige Geeft der Praphe- | beguame en vꝛuchtbarige lidtmaten moet bez
tienleert/ pac 22. Want Godts woogt is vonden wozden in Chrifto Jefu. En alg ou
den bramen en godtbruchtigen cat bereringe, | haer ſchuuwt alg Kinderen der duyfternifie
tat gevechtighept / en toc het leven ; maet Den | en deg doodts, Dat gu dan felver kinderen deg
verloren is het tot, ergernule tat ongerechtig- lichts en deg eeuwigen levens zijt / op dat dat
heyt en tatden doodt. Wat wfilen fp ang toor: rechtveerdige oordeel Godts hem tegen u niet
niah wefen / am dat tun de Schziftuere in deſe en ſtrelit / qu Die Den anderen ſchuwt am harer
fake voldoen * laetfe veel meer haer feluer too⸗ baosteptg wille / en van u ſelven noch boofer of
nigh zijn / Want fp tegen Godt dorven leeren ſchandiger ffucken in ’t hepmelick boo? Godt
en leven. Waer 't bp alſoo dat ſy haer balfche bedzeven moghten wozden / fiet wel toe / Dat
leere wilden aftreden / en beteren haer onbe- qa een ander níet en oordeelt ín het gene Dae
hoozlicke godtlofe leven, geenfins en faude de qu felf fchuldíat in zijt / Fom. 2. Stet mijne
Hemeliche leeringe onfes lieven Heeren Jefu | broeders , aldus moet den ban ofte aflnijdinge
Chrifti haet erger cn baofer maken / Dan meer in dat huys deg Heeren , Dat ig / in Godts Ge-
Dingen / verſchricken en belieeten. | meynte , gedzeven worden / ſy en heben oock
Sods woort Terwijle fr dan door hare af ballige / weder⸗ anderg geen mes tot den eeuwigen dagh : en
baert in de
geloovige
geen erger-
niſſe.
annae en bleefcheliche haet der genadeen bier ban ſoude ick noch meer befthentg ge⸗
es entenifte kij al beveoft * en woz: ſchreven hebben / dan op eenn ander tijdt / als’
Den altijdt boofer en boofer / alfoo dat fp den , Godt gelieft.
doodt foeckten ín Get eeuwige ieven, en De dun⸗ Qu mijne liebe broeders, wacht u wacht u
ſterniſſe in het Hemelfche licht deg godtliclken Mijne broeders, dat rade icku dat er doch
waerheyts / daerom foo getungen wp ong geene gedachten ín uwe herten nederdalen
reyn te zij n Bao? God en boog fijne heylige En- tot eeniger tijdt / anders dan die reyn; hey-
gelen, van hare verdoemelicke valfche leere Ligh > kuyfch, Hemels en unt den Heyligen
ban hare fonden / verharthept / en ban haren Geeft zijn. Saligh zijn fp bie rep van herten
reuwigen doodt / foo Wp dat al te vergeefs ziyn / want die ſullen Godt ſien /Matth. 5.
neffens haer gedaen hebben / wat ong des Uwe mont ga alle wegen met wijshepdt om /
Heeren woordt ober defe “alte geïeerten bevo- EIL uwe tonge laet ſprekien van Den rechte /
len heeft, begeeren derhalven ninmermeer Pfal. zoz. Laet alle uwe Woozden als een
noch gemeyníchap » noch tot, nach) deel met gef wooren eedt zijn goo? Godt, be boo? de
haer re hebben rot den eeuwigen Dagen / faa | wereldt, Matth. 5. “Jaco. 5. Orij ten werkt
Tange fp niet van gantfcher herten upt alle, alle u wercken upt Godt / dao? — is in
valfche leere treden, en beteren haet ellendige/ Godt / Goan. 3. Ja richt alle uwe gedachten,
herdoemelicke / aertſche / bleefchelicke / en woorden en wercken even na dat recht{noer
Dundelfche leven tor deg Heeren prijs. Maer des Godtlicken waopdts/ op dat de onfalige
í8’tdat alſucks met det waerhent in haer bez laſteraer / die met ſoo groaten vlijt loert op al:
*
ie
echt
bonden wort / unt vechter meeninge vecht als D onfe woorden en wercken niet en hebbe / wacht uvoor
boor Godt / die alle dingen fiet / foo willen Wp
dat hu met vecht tegen u magh opwerpen / bez den blafte-
feggen / welliom lieve broeders , wellekkam | fchutdigen en beftcaffen/gelijck Paulus in ſom⸗ æet·
lieve fufters en verblijden ons met onunt⸗ migerlep plactfen der Gemeynte geleert en ge-
nige recht | beden heeft. Eph. 4. 1. Cim. 3. CTit. 2. Ec.
ſpzekelicker blijdtſchap over ſoodanig hb ph ine F
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
636
Wer is oock De rechte aert en natuere der geene
Bie in Gode zijn / Dat fp niet en fondigen , gez
ljck Joannes ſeydt / nanelick / wie dat in Gadt
blijft) die cu Londight niet / en Wie dan fondigt
bie heeft Godt nopt gefien noch gekent. Mijn
kinderen / en lact u
Gods volk Wíe gerechtigheyr doet / Die ig gerechtigh, en
en fondight wie Dat fonde doet /
niet tot dea want De Dunbel fondigt ban den begin. Maer
wie upt Gode geboren is / díe en Londigt niet /
Want fijn zaedt dat blyft in hem/en hp en mag
niet fondigen , om Dat Gp upt Gode geboren
doodt.
ís. 1 Goan. 3
Menno
Symons
tere doot» begravinge ; verrijflenifle , opvaërr,
rijcke enn fijn eeuwige vreugde tot een gefchentt
te famen met hem van Godt den Dader ontz
fangen. Nom. 8: Maer ig ’t Dat wp nier weder-
gebooren en zijn (verſtaet den verſtandigen)
Van niemant bedziegen/ |foa hebben wp dufdanige beloften in Der eru⸗
Die ig upt den Dunvel /
Dus beroep icht u / en ſtuere u alie wegen
Wederom tot de nate
ere Der nieuwer geboor-
ten dat qu die wel fult doozſoecken wat fp is /
namelijk / De God
lijcke natuere ‚en Dat
Godtlijcke gebeelte, aan wien fp ig? namelijen
Ban Godr) ban waer fp iS/namelick / van den
Hemel, en Wat 'er
ín gericegen Wort / na⸗
wigheyt nimmer meer.
Hierom mijne hertelijcke liebe Broeders,
gp die den Hemelfchen roep Deelachtig gewoz⸗
Den zijt in Chriftogefu, Heb. 3. Bupgt udoch
onder De Almachtige handt Gods. 1 Pet. 5.
en gact u jelven Van gantſcher herten te bup⸗
ten. Mat. 16. Dreeft Godt in alle uwe ge⸗
dachten, woorden en ercken, bemint en Dient
Godt en uwen naeften ‚ Godt boven al Dat
gefchapen is / en uwen naeften als u felven.
mat. 22.4 u gepepns zu altijdt in de Wer des
Heeren ; dfal, 1-5 ewaert Gods woort noch
geng broeders bewaert Gods woort, uc. 1x,
“fac. 1. bat u foo dickmael bende met mondt
melijchk/ Dat eeuwige leven; Want fender DE | en fchaften im fao grooter liefden ‚ en met fog
nieuwe geboorte is
Adams natuere / ſonde / boostent / blintheyt
t altemael deg acttfchen
Í
grooter klaerheyt geleert 15.
Zaet doch uwe bierige gebeden alie Wegen
overtredinge / Dupvel en eeuwige doodt lickt opſijgen in de ooren Gods / vooz alle men⸗
ſpreſie van den bedaegden ofte verſtandigen) al ſchen voor Keyſer, Koningen, Heeren ;
wat van ong gehandelt en bedreven wort / maer
buwien / cn in wie Dat de nieuwe Hemeliche
eboorte is ‚ Daer ig ’t over al godrfalig , wijs-
is daeris'tal. hey , goetheyt, licht, gerechtigheyt, waer- |
Pa:rde nie-
warmt a OC
we geboorte ge
heyt, vrede; geeft,
Vorften, Borgermeefteren , en vooz alle DE
(geenen Die ín hooge ampten gefet zijn / dat
Bode de barmhertige Dader hare herten alſoo
Chriftus, Godt en dat |
eeuwige leven. Daerom fept de eeuwige Waer: |
hent Chriftus Jetus met klare untdruckelijckie
waarden / dat wp moeten omgekeert en Al
dermael geboorenzijn/ ofte wp en ſullen met,
in dat Rijcke det Hemelen ingaen / Matt. 19.
Joan. 3. Want de eerſte geboorte is aertfch
upt der aerde , en trecht na De aerde „maer DE |
andere geboorte ig Hemelfch , enn Wil den He⸗
mel, en treckt na Den Hemel , Dat is ſoo beel
geſept / als dat díe aertſche geboorte maeckt | Chrifti, en dat wp oock hier voozmaels alle
aertfch-gelinde , en De Hemelíche geboozte met den anderen fot en ongeloovigh waren /
maeckt Hemelfch-gefinde ,foan. 3.
€{9’t dan dat ons deſe goede enn volmaeckte
gabe Der nieuwe geboorten Lan BEN vader Det
lichten dooz genade van boven gegeven wozdt /
foa zijn wo uptve
“gaan. 1. Epheſ. 1.
en broeders Jeſu Chꝛiſt 2
Doa zijn wp Chꝛiſto gelijckformigh. Hom. 8.
vore kinderen Go
faa zíjn van rechte tufters
Grifti/ Wuc. 8. Heba. z.
Doo zijn Wa na Godes beelde gefchapen. ,
Col.3. Epheſ. 4. Soo zijn wp in onſe boor⸗
hoofden geteechent
met het teeclten Lau.
zech. 9. Soo is ín ong dat Rijcke Gods.
Uur. 13.
Jodan. 3. det Gemeynte Chritti, Ephef. 5. dat
5 á yt Chrifti.| } |
aa zijn Wp de bruyt AME |Schuuwt alle luphent / en wereltlijcke prael,
| Peemt malkanderen neerftelijck waer daag
wil ſtueren eufetten / dat wp een bzeedtfamig
leven mogentepden/ met alderley godttalig-
heyde > is 't anders fijn gebenedijde wille,
1 Cim. 2.
Zijt niet nijdigh in uwe heeten / en niet
untmondigh in uwe tonge tegen eenige men⸗
fchen / hp zp lafteraer / vezrader of vervol⸗
get / Gp 3 Paep of Monnick; In 3p wie Dat hu
3n/ want fp ſullen haer epgen oordeel Ban den
Heere ontfangen. Maer gedenchit gp altoos
Der lijdtfaemheydt onſes lieven Heeren Jeſu
dwalende / dienende menigerlep luſten en bez
geerten/ wp waren oockt ban natueren Vinz
deren deg toorns gelijck alg ſn. Eph. 2. Cit. 3.
Zijt goedewilligblijckt gehoozſaem allerlen
menfchelijckte ordinantie ‚ alg fin miet tegen
Godts en is / 1 Det. 2,
Zijt milde ín uwe bantrepchinge, Luc. 6.
negens allen behoeftigen Godts kinderen /
jat. 25. Gal. 5. Ontfanght malkanderen
{onder murmureren. 1 Pet. 4. Gen pegelijk
werckt met ſijn eygen handen / en eet fijn eu⸗
gen broodt / als't mogelijck is / 2 Cella. 3-
ichaem Chrifti, 1 Co, 12. Eplj. 1 Cal. 1. ſoo cht icf ic
— zn —— orde * * bermaninge. Heb. zo. gelelt ick mondelijck
worden Wp geleyted
zom. 8. fo zijn Wp Dat uytverkoren geflachte,
dat Konincklijcke Priefterdom, Dat heyligh
gewonnen volck, Dat volck het welche Godt
engen is. 1 Petr. 2.
beg Heeren.
r Co3. 3.
oo? den heyligen Geeft.
beemaent } en nu Wederom in Defen Sentbrief
gefch2even hebbe.
Waſt doch de voeten uwer liever broe-
deren en fuiteren , Die ín Den wegh ber:
foo zijn wo den Tempel Wacht / en ban Bere tot u gekomen zijn.
en ó,
Den geeftelijcken bergh Syon en dat nieuwe
7 or
hemelfche Jerufalem , Wely. 12. Dat geefte-
Gal. 5. 1 Efmatl.
lijcke Godts Iſrael, Gal. 6, foo hebben Wp den
aert en natuere Gods. 2 Pet, 1. Soo zijn Wp
bebrijt ban dat deengen des Wets. Eſai. 9.
| 3. Ya ban Helle, Sonde,
2 Cop. 6. Schaemt u des Heeren werclt niet / Dan ver-
nedert u met Chrifto Jefu Goor uwen broe-
ders boeten) op dat alte ootmoedigheyt na
Godtlijcker aert in u bevonden kan wozden.
“joan. 13. 1 Tim. 5. |
Ende boben al/ ſoo biddet boor uwen ar:
men ende goetwilligen Dienaer , Die met
Duyvel en eeuwige doodt , Eph. 2. foo heb: | grooter blijt ter doodt gefocht Wot / dat
ben wpChrittum jefum gebenedijt/ ſijn woort,
leven ; vleefch, bloedt» kruys» lijden, bit-
Godt, Die genadige Vader hem Wil bekrach⸗
tigen met fijnen heyligen Geeft , ende be-
wac-
Dat voete
waffchen ss
der heyligen
gebruyek.
a. 8 as mii ac nde, SMS OOo ede
B.
Zen * k
nnen * * dd
Lieflijcke Vermaninge. 637
waeren hem upt De handen Der geener Die foo, fcherpelijck alle dagen uwes levens op de
onrechtelijck na fijn leven ftaen , is het an: | onvooꝛſienlijcke toekomft onfes lieben Hee-
ders alfoa fijnen Vaderlijcken wille / is het ren Jetu Chriſti, die ons foo edele creatueren
gock niet / dat hy hem als dan wil gunnen / geſchapen heeft / met ſijnen rooden ende pre-
ende geven ín allen fijnen noodt/ pijnen / lij⸗ cicuten bloede gekocht heeft/upt genade geroe⸗
Den / duck / ende daat ) foodantgen herte / pen / verlicht ende wedergebaert beeft / enz
gemoet / kracht / Wijshept ende ſterckhent / de falang kroonen mer de kroone Der heer-
Dat hn Dat heerlijcke werck Godts, Dat nu | lickheyt, bekleden met dat kleet det onftrafre-
ín ong begonnen is / Door den heyligen Geeft | lickheyr , ende begaven met die gave Des eeu-
bolftandelijckt magh uptboeren / tat des Hee- | wigen levens: em fp eeuwigh lof ende prijs
ren prijs- ban nu aen tot in der eeuwighept. Amen,
Gch mijne feae broeders , berbult doch Gedenckt o olp heylige broeders, woozdt /
mijn begeerte / ende volbrengt als gehoozſa⸗ bp woozt wat ick u gefchzeven hebbe / leeft het
me Godts kinderen , Dat ickt u upt Godts beſchendentlick / herkaut het neerſtelijſt / verz
‘woort / tot uwer ceuwiger ſaligheydt aldus ſtaet het wijſſelijck oordeelt geeftelijck , en
Wzoederlijchen geleerc , vermaent ende ger beleef: het Goddelijck: och broeders alg ban
fchreeven hebbe / op Dat ghy vock mijne | foo hebbe ich feer Wel vermaent ende geſchre—
heerlijcke kroone, hope, ende vreughde| ben / ende gip feet mel gehoozt ende gelefcn.
meurt zijn ín den dagh Der verſchijuinge Felt bidde u met den heyligen Paulo door
Ehufti/ 1 Cheſ. 2. de ontfarmujertighept Godts / dat olp defe
Zijt vierigh inden Geeft, ende wacker choc vermaninge niet en filt verſtoppen /
uwen voornemen , Goeman. 12. Gebene- noch in't berbergen bp ulaten blijven / dan
dijt Godt fn allen fifnen wercken ober ons! dat ghn ſe fuit lefen allen getrouwen broede-
ofte neven ons ende epſſchet van hem Dat hp [rea ende fufteren inden Heere , dock aften
uwe wegen ſtuere / ende laet alie uwe caden den afvalligen , Daer gn hoope toe hebt / dat
pat begon in Gem blijven) Tob. 4. Wandelt onver-|fp gewonnen ende gebeeterr moghten Waz:
nen werck is {chrickelijck ín de geboden deg Heeren. Cre- Den. Ja niet alleen deſe / maer ook alle men-
odes Get niet in eenige mantere bupten den Euan-| {chen ; ſu zijn binnen ofte buyten , Die Dact
woorttelee- gelio Chrifti, Gal.r. Zijt baft ín den wegh | ſulcks aen u verſoecken ofte begeeren. De
ren, ende Deg Heeren, Geclef. 5. Verwint werelt >| genade onftg lieven Heere Jefu Chrifti 3
daer nate vjees ende Duyvel, door Dat alderheylightte| met allen waren broederen ende fufteren.
eren geloove, het welche Datinuis/ 1 Yoan.s.)A MEN.
| Dient malkander met lufte, Befittet uwe
| Sielen tit lanckmoedigheyr, Tuc. 12, Zijt | Noch eens biddet boor mp ende Loor allen
/ lijdtſamigh ín den druck, Fom, ra. Berent uwen Dienaeren in den Heere.
uwe herten tat den kruyce Chrifti, ſoo wan⸗
neet het komt/ dat ghp als dan met den Wacht u van alle leeringen ende wercken 5
klepnmoedigen u doodelijcken niet en ber Die Daer niet overeen dzagen met Ben
fehrichet., 2 Euangelie Chrifti, wacht u.
Geen meet op Defen tijdt / dan waeckt Menno Symons,
Aen alle ware Kinderen Godts en Medegenoten der Beloften in
den Rijcke Chriſti, genadeende vrede zy met u.
BY MY MENNO SYMONS,.
Den 14. November.
De oude fal men ceren, en niet verachten, Levit. 19. 32.
Siet aen de exempelen der oude, Sirach 2. 11.
En watgy gehoort en aengenomen bebt ‚ bewaert dat inu herte , ſo file gp vrede hebben ,
Laodif. 1. 13.
Want daer en magh geen ander Fondament geleyt worden, dan dag’ er geleyt is „ "twelck is Chrè-
| flus Fefus, 1 Cor. 3. 11.
Een afrading aen alle fijne Broeders en Sufters uwent wille / terwijle ick hoor dat gp hon⸗
in Chrifto tot Amfterdam en daer omtrent , get en doeft hebt na De gevechtighept / en
datfe niet en {ouden gaen in’t gehoor van, Dat ’er foo wepnigh boor-fnijders zijn / Die Marr. 5. 6.
der Papen Godts-dienft , om dat fy de hon- Dat bzoodt des Goddelijcken Woozdts vecht
| gerige zielen niet en fpijfen met het broodt vooz· ſnijden / den hongerigen conſcientien / |
des Goddelijcken Woordts , maer met den en Daer ſoo Wepnigh Harders zijn / Die De Joan, ar. 19,
| fuur-deefem van Menfchen leeringh. |Schaepkeng Chꝛiſti vecht wepden/ en dater
foo Wepnigh Cimmer-lupden of Metſelaers
M Fn geliefde ín Chziſto Jeſu / mijn her⸗ zijn / die den levendigen ſteen te vecht. aen
Vie en gemoet ig feet bekommert om Den Tempel Des 7 voegen / en foo wer:
JELKE 3 nigh
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
ee Wilk B “os
pe Bd ne
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Hebr.r2. 22. nigh Wachters / die de Stadt deg nieuwen,
Apocez1.2 Jeruſalems vecht bewaren / en De bafupue
blafen/ en daer ſoo wepnigh vaders zijn /
Díe De Kinderen Godts baren / ofte teelen /
en foo wepnigh zjn / Die De felve geteelde
opbvoefteren ofte laven / maer ín alleg con:
tcacp / want Die haer Dat ampt onderin:
Den / die ontkennen Dat broodt niet / noch
oock De kinderen Die dat toekomt / Want
hadden fp dat broodt daer De ziel bj leeft /
Johan. 6.53. faa fouden daer foo veele kin:
Beren van honger verſmachten / dewijffe alle
weecke eeng ofte tweemael ín haren ampten
Joan. 6. 58.
zoeftacr by ſtaen DAC braadt te deelen; onder dat Fup⸗
par PN, bzoode verſtaet alleen wat dat lichaem tot
fipijfe nooddzuftigh is / foo fp dan Baſelis⸗
ſiens eneren den volcke geben / foo merckt
wat de Propheet Eſai. 59. 5. fept/ Die ban
hare epereneet/ Die moet ſterven.
Gen anderen / van Die Werderg Die haer
uwegeben voor Herders Chꝛiſti Die De Dcha-
pen weyden om't geene datfe Herders zijn /
Elech. 34: $. Die haer ſelfs wepden / alg Ezechiel 34. fept /
want qu fiet hoe luttel datfe nade Schapen
bzagen / of fp wepde hebben of níet / als fp
de Wolle en melck maer hebben / ſao zijnfe
tel te oreden/ fis geven haer oock Voo? Her⸗
ders upt / maer fp zyn verlepders / Want
fia zijn berfchepden van de Herders daer Je⸗
Jex. 3. io. remia 3 10. ban geſchzeven ftaet/ te weten /
A@so. Herders na fijn herte / alg ooch %ctog. zo.
19. 29, 20. díe den Wepligen Geeft gefonden heeft /
want fp de liefde Chziſti niet en hebben Die
Petrus hadde/ ſoo en hebben fp dat bevel
Theiſti níet fijn Lammeren te Wepden:
hebben fp dan dat bevel niet / te weten / dat
fp níet gefonden en zijn, hoe fullen fp dan
Rem, zo, 15. prediken / foo ap fept / datfe geen goddelijcke
Perderg en zijn / Die de Schapen Dat groene
gras deg goddelijcken woozdts voozdzagen /
maer de Schapen laten beefmachtens ſp
zijn Die Herders niet Die haet tot dat klare
water Drijven / maer tot dat modderige /
Papen offer
in der Mifle.
Efai. 59. 5.
Menno Symonsfchrijven
een pegelijck Chziſten te anderſoeckien hoe nae, 21. 34.
fin den Heere deg wyngaerts fijn profijt gez
focht hebben/ hem fijn pacht/ ofte eere gez
geven hebben / Dat weet De Heere ban Den Mat. zr. 35.
Wijngaert wel / hoe ſy fijne kinderen geeſſe⸗
len / berjagen / dooden / berooven / ten lan: Mat, zo. 17.
den uptftooten / om anders geen dingh / dan
datmen hem nict toeftaen en Wil / dock niet
toeftaen en Deef / overmits datmen anders Mat. zo. za.
merckt / bat fp De rechte bou-lieden des Hee⸗
cen niet en zijn / maer bee ftaozders.
Poch geven fp haer upt boor wachters /
en, zijnfe wachterg/ foo zijnſe blinde wach⸗ Elai. 56. 10.
terg en ſtomme Gonden/ die niet blaffen
noch ſpreecken eu konnen. Hoſias den Pzo⸗ Hof. 4.
pheet fept/ al ’t welck wat fp wachten / en
Goe fp de bafupne blafen / dat maghmen fien/
hoe vezre fp zijn ban Dat woozdt dat De Heere
fpzeecht: Menſchen kint ick hebbe u tot een Ech. 3.8.
wachter geſet / Eſech. 3-3. en Eſai. 58. 1. Elâi 58.1.
Verheft den ſtommen alg een bafupne/ en
verlondight mijn volck haere overtredinge.
Oock willen fp vaders zijn / díe De kinde⸗
ren Godts baren ofte teelten / en De felfde
geteelde voeſteren / maer hoe (ouden fp ba⸗
ren/ Daer ſo haer leben niet te rechte bez
vancht zijn geweeft / och hoe vezre zijnfe van
den Vaderen daer Paulus af fpzeecht / 1 Coz.
cap. 4. Üg. 15. Hebt qu niet beel baderg/ r Cor. 4, 15.
cht hebbe u dooz Dat Cuangelium vooztge⸗
bjaght: ooch aen De Galaters / Mijn kin: cat. 4. zo.
dernens Die ick andermael met anghſten baz
re/ tot dat Chziſtus een geftaite in u krijght /
Gal.4- 19. Hier merckt gp wie dat De rech⸗
te kinderen haet baders zijn / wijft mp nu
een kint dat fp gebaert hebben / te weten /
een hint Dat upt Godt gebaren is dooz't
Euangelium Godts.
Gock fept Paulus / melck hebbe ick ute cor. 3 «:
drincken gegeven / gelijkt een boefter haer Hebr. 5.16.
klepne kinderen voedt / ſoo hebbe ick eeng * Tell-2-7-
(herten luft tot u gehadt.
Diet mijn hertelijcke lieve Bzoederen en
datfe met hare boeten klaer gemaeckt heb⸗ Suſteren ín Chriſto Jeſu / foogp nu mercz
ELC 3419 den te weten / met hate gloſen / en goet:
duncken. /
Gock geben fp haer upt boor Cimmer:
lunden / die des Heeren hups bouwen fou-
Den / maer fp en kennen den geondt-fleen
Chꝛiſtus niet / fp en hebben haet leven niet
eenen ſteen aen deg Meeren hups gebzaght /
te weten ban De levendige ſteenen / Die tot
een Geeſtelijck huys gebout zijn / Welck
rim. 314. hups is De gemeente Godts / 1 Tim. 3. 14.
eb, 3-6. Want foa Waet 2 of 3 fleenen ber:
1 Pet. 2. Se
Heb.5.6 FAmelt zijn / door den Kalclt der liefden in den
anderen gebonden / daer zijnfe neerſtelijck
Eai.49.7.8. om Die weder af te bzeecken / eu te verwoe⸗
Joan.16.2. ſten / als qp ín alle landen en fleden boog
2 Tim. 3.12 gogen fien mooght/ hae beste ſp zijn ban
Die gene Dact Paulus af fept/ 1 Coz. 3. 9.
1 Cor. 3: 9.
Gu zijt Godts arker-werckt en Godtg-tim-
metinge/ en Wp zijn Godtg-hulperg/ teg
weten / Die deg heeren hups vecht timme⸗
ren fouden / (na zijn Waozdt).
Soo fp dan geen timmerlupden en zijn /
faa zijnfe bzeecherg / oock beemeeten ſu haet
te zijn de bouw-lieden Die den Wijngaert bes
waren fouden: hoe fp hem bewaren boo?
De boffen en alle Wilde Dieven / Dat geef ick
kende zijt / Dar gp miet beel voorſnjders en
hebt / die’t boorfnijden/ te weten / Dat ſoe⸗
te bzoodt / maer menſchelijck ſuerdeegh datſe
u geven / en datſe oock geen Herders en zijn /
Die de Schapen Chrifti wepden / maer Wol⸗
ven / Die de Schapen verſtooren / en oock
geen timmer lupden / Die den tempel bou⸗ mat. zo. 16.
wen / maer die Dat geboude afbzeechen / geen
bou-lieden Die den Wijngaert Des Weeren
vecht regeeren / en den Heere Des wijngaerts
fijn pacht geben.
Maer fn zijn valfche bou-lieden/ Die DE mat. ar. 35.
knechten dooden / geeſſelen / ſteenigen / woz⸗ s
gen en ombzengen / alg gu (lepder) beel boog
oogen fien mooght / geen wachters Die De
Stadt Jeruſalem bewaren / en Hoor De
bpanden waerſchouwen / maer Die de Boz⸗
gers ſelſs vezraden / ombzengen en dooden:
een baders nach voeſters / dan Dat gebaert
en geboeftert is / datfe dat magen dooden /
gelijck Pharao den Koninck ban Egipten Pod. 14.8.
de rechte Iſrakliten doodt / díe ſy oberko⸗
men konden / foo íg ’t wel noodigh van haer
te fchepden / en af te wijcken / gelijck u de
Schrift leert / wacht u voor De balfche Pꝛo⸗ Apoc. 18. 4:
pheten/ Mat. 7. 15. en Paulus fent / fiet
toe/
aen fijne Medebroederen t’Amfterdam. 639
toe/ Dat u niemant en beroove door philo⸗ water drincken foude/ doen hem De onde
ſophie en loofe verlendinge / na Dee Werelt | Pzopheet tot Bethel leugen voozhielt / en
en der menſchen infettinge/ en niet na der at en dronck tegen des Heeren woordt / boe
ínfettinge Chziſti / Col. 2. 8. 9. bep wag 't hem dat hp moeft ſterven / 1 lion,
Want de gemeente Ehriftí/ is de Brpt cap. 13. vers 7.18.
Chꝛiſti: nu en Wil Chziftug niet dat fijn) En Dier ſproocken zijn ct foo becle/ Die
&Szunt ontfangen fal/ of vzuchtbaer woz⸗ ick om kozthept deg tijtg nalaete / maer bez
den / dan Lan Dat vechte zaet des Mang / geere Dat een pegelijck Chziſten doet / gelhck
ret. 1. 23. gelijck Paulug ſpreeckt / Ich Chꝛiſtus ong leert / ſeggende / onderſorckt
hebbe u een man toegevoeght } op DAL ich de Schaft / Joan. 5.39. Gelijch de Ceſſa⸗
Thriſtus een vepne Maeght foude toebren⸗ lonierg / die onderfochten dagelijcks de
gen / 2 Cor. 11.4. Ga foo reyn woude Pau⸗ Schꝛift / Actor. 17. 1u.
Jug die Brupt of gemeente hebben / ſoo Soa gp dan De Schaft onderſoeckt / foo Rom. 15.4:
Daer pemant waere / Die twift ofte ergerniſſe falfe u dan. welleeven : wilt gp dan een Lit-
aenvichtede / neffeng Die leet die jn geleert maet in dat Heplige Lichaem Chziſti zijn /
heeft / daer fouden fp Gaer van ſchepden / foo moet gp dat hooft navolgen / en gehooz⸗
Rom. 16.16. Hom. 16. 16. Ga foo fp in de gemeente had⸗ faem zjn ‚Goan.3.36, 2 Ceſſ. 1.8.9.
den dzonckaerts/ gierige onkupiche/ af⸗ NIS hp uu heetu wachten boog De valſche
goden -Dienaetg / hoovaerdige / met fuic- Pꝛopheten/ Matt. 7. 15. Sult gp dan dat
fe en fouden fp niet te doen hebben / daer | ftellen / aleen bapbept? Wat waert gp boer
dock niet mede eeten/ 1 Cop. 5. Hoe ſouden Anppt-lieden alg De Bepfer een gebodt upt
fpfe dan tot Leeraers hebben / ja foo pemant liet gaen) ofte ecn verbodt / en De Onder-
anders leerde / dan fp geleert hadden / datfe ſaten bat dan ſtelden alg cen vrphept / ſou⸗
Gal..8. vervloeckt waren / Gal. 1. 8. den De Ampt lieden Dat dan niet ſtraffen /
En tot de Philippenſers / ſchelt ho Die | indien dat gebodt niet onderhouden wiert?
boor honden / díe Be befnijdeniffe teeeden !{ Fu heeft den opperften Kepſer (Chziſtus)
en fept Broeders zijt mijn navolgers / en {een gebodt upt laten gaen / welck gebodt /
mecmtfe waer / die qp alfoo Gebt tot een |hp met fijn bloedt befegeit heeft / en ín dat
boosbeelt / als qu fept/ dat wp Wandelen /| Mandament ſtaet Dac Wp van nieuws des Ke
ban de welcke icn u Dickmaels gefept hebbe / moeten geboren zijn / boete doen / ong felfg ° A10 23-
maer nu fegge ick't u met Weenen/ Die verſaecken / ons krups op ons nemen /
bpanden des krups Chziftí zijn / welcker aen Chziſtus gelooven / en op dat qetache
epnde is haer eere tot fchande/ Die op t aert⸗· \hbem te laten Doopen in den naem Des Daz
phil 3.19. ſche gefint zijn / Philip. 3.17. 19. Merckt / ders / deg Doons / en deg Depligen Geefts /
wat hp vooꝛ volck meent. — … jen onderhouden / Dat ons Chaftug geboden
Soo nu den Apoftel díe Beupt Ehzifti | heeft / Matt. 28. 19.
fao vepn hebben wil / dat er geen twiſt in Den Kepler te geben Dat hem toekomt /
mogbte geleert wozden / geen dronckaerts / en Bodt dat Godt toekomt / en Gode lief
roobers noch afgoden-Dienaerg / noch Die [te hebben upt dat binnenfte onſer zielen / en
het andere leerden / dan hp geleert hadde / upt al onfe krachten / en onfen naeften als
en cChꝛiſtus defe gemeente ſelver toefpzeecht / ong felben/ / Matth. 22.21. 36.37. en niet
wacht u voor de valfche Propheten / die tot ong ſelben fe leven, maer Den genen ten
u in Schaeps klecderen komen / mact inz Dienfte/ die booz ons geftozven en vezreſen
wendigh zynſe grijpende wolven / aen bate is 2 Cor. <15. en ONS te Wachten Loop de
beuchten fuit gp die kernen / Matt.7. 15. valſche Propteren / Matt. 7. 15 en te mij Mat.7. 15.
“Bat deen De fommige dan, Die feggen den allen valſchen fchijn / 1 Teff. 5. 22,
het is mp bep / maer deſe vephent oil fc) Hu fegbt mijn alderliesfte / welckt ban
een Beeftandigh Ehziften laten vechten / daer | alten fEact mp bzp / ſtaet bet bep ban nieuws
pen aem Godts gelaftert/ Godtg orzdi⸗ geboren te Wozden ofte niet * ftact het bzp
nautien gebroken Wort, en Wp/ die ong (ong felfg te berfaccken / ofte aen Chziſtus
uptgeben den prijs Godts boop te ffaen/ te gelooben / ofte miet? ons te laten Dogz Marc. 16. 16,
futen wp dit noch Booz een bephept ſtellen? pen / den Kenfer te geben Dat hem toebe⸗
het Was Aaron bevolen / dat hp dat Prie⸗ hoogt / Godt dat Bodt toebehoozt / en ſoo
fterdam ſoude bedienen / doen Dathan/ en vooztaen ons te Wachten ban de valſche
Abiram Dat felfde ampt bedienen wilden / Pzopheten / en te mijden allen quaden
was't haer bep / hoe komt dat de aerde ha⸗ fehja flaet Dit bp / waerom fept dan de
vam.16, ten mont opcn dede / en verſlontſe Hum. | Heere Jeſus op t left / en leertſe onderhouz
31e 32e cap.16. 98. 3r. De hinderen Aaron / Na⸗ den alleg dat ick u geboden hebbe / Matth.
dab Nen Abihu ſonden dat vuur altijdt op cap. 28. berg 19. Heeft hpt nu geboden /
den Altaer laten branden ' wag’t nu zp foo Wil hp’t oock onderhouden hebben / |
ander buur opden Altaer te brengen / hoe maer dat vry flaet / Daer en is gebodt / noch Joas 15-14,
komt datfe Dan verbzanden/ Iev. cap. 1. [verbodt van : als Paulus ban het eeten der
Oft. 1.2. 3. fpijfe en ban dat onderhouden der dagen
Heeft j hoe de Ralf-dienaers / Eſdz. 32. |fept/ 1 ECoz. ro. 25. 27. Bom. 14.5. 6.14.
Dg. 27- 28. de Murmereerders / Qum.21. nochtans beveelt hp dao? foodanige bapbept
verg 5.6. De Hoer⸗reerders / hoe fp alie haer den Bzoederen niet te ergeren.
ſtraffe ontfangen hebben / fiet Aum, 25.8.5.| Nu mjn leve kinderen) bekent gp nu
€{a de man Godts tot Bethel / hoe vapftont {dat Chziſtus Jeſus de Done is in fijn Hebr 3-6
* hem / doen hem Godt gefept hadde / Dat hups / foo laet hem doch Wijs genoegh zijn
hu in Die plaetſen geen bzoodt eeten / noch fie hups te regeeren Want hp belt
e
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
640 Menno Symons fchrijven
het. 20.28. felve hups met fijn bloedt gekocht / en heeft; Daen/ ma de kleyne gabe / Die mp De Deere
gevangen genomen De gebâncheniffe / en gegeven heeft / oozdeelt nu ſelver oft ten ech⸗ Hebr. ro. 25.
ben menſchen gaven gegeven / hu heeft fame | te vrouwe oock veu is bp ecn ander man te
mige tet Herders en Lceraers geſtelt / Eph. zijn / fa al Waer 'e maet eens des Jaers /
cap.s-verg 6. Doo leert Paulus oock hoe ſoo zijt qu De Brupt des Lams / {ea moet
fp fulten wWeſen 1 Cim. 3. vers 2.3.4 5-6. | gu van geenen man ontfangen / ban alleen
7.8.9. En alg ge nu tot de Papiſtiſche Lee⸗ van Chaſtus en fijn Hepligh Woozdt: zijt
raers loopt / Die qu te booten Weet Dat fp van | gp nu Dat lieffelijclte lichaem Chꝛiſti / Ep.
Theoſius niet geſonden zijn / Fom. ro. 15. cap.r.Ög. 23. foo moet ge Den ſelben geeft nom. 8 14.
en berhalven oock geen vzuchten en Boen / Chriſti ooch hebben / foo zijk gp dooz den » cor, 12.15.
oan. 1027. zijt qu Dan De ſtemme deg Weeren gehooz⸗ geeft in Dat lichaem gedoopt / foo moet gp
fact Ô meen. Dat haoft (te weten Chriſtus) gehoogtaem
Eerwijt nu De Heplige Geeft wijft op die | zn : zijt gp va De Stadt / dar nieuwe Jeru⸗
geen bie onficaffelijch zijn/ en gp gact tot ſalem / Daer De Bozgers eens gefint zijn /
Den genen die beftraffelijchk zijn bepde in leere foo moet gp den Koninck ban Defe groote
en Icden/ en Cheiſtus mout bebolen heeft | Stadt / te Weten Cheiſtus / gehoorſaem eh. ei
van fodauige te Wachten / en gp gaet er toe / zijn : zijt gp De wijn-rancken / ſoo moet op
fengende/ Get is mp bep? oordeelt nu ſel⸗ bzuchten Dragen alg den wijnftock : zijt op
ber/ of qu een hint Bodts zij: ofte niet / en Den Wijngaert deg Heeten / foo moet gp u
als ap feght Get ig mp ep, foo brage ich u u / wachten ban de looſe voſſen: zijt gp nu den cor. kik
wie u de Vephept gegeven heeft terwijſen Tempel deg Weeren/ foo moet gp uwen
Paulus fept/ op en zijt uws felfg niet / Hoogenpieſter onderdanigh zijn : zijt gp de
maer gu zijt diere gekocht / daerom maccht | Archie deg Verbondts / fog moete De Taz
groot den eere ín uwen geeft en in uwen | felen deg Verbondts / die gefchzeben zijn wet
lichacm Die alle bende Godt toekomen den vinger Godtg/ te weten de geboden
1 Caz. 6.19.20. Ep waer mede fult gp dan | Godts / in uwe heeten geſchzreven zijn / die
De vepient wercken à alle menfchen leefen konnen / dat gp cen
Cheiſtus heeft oock in fijn gemeente geop- | Bzief Chrifi zijt / 2 Cor. 3.2. 3.
Mat. 7e 15.
Joan. 1. 2.
Hebr, 8. re.
| Luc.7.30. dincert De geloobige op haer geloobe te Doo: | Och liebe kinderen / Dat het De Meere
je
pen / alg ick nuniet en geloove / en nalupt gabe/ dat Wp malkanderen mondelingh
van Godts woordt mp niet en laet doopen / moghten ſpreecken Wp hopen met De gez
maer ien laete bupten Godts woordt mijn nade ban Godt / Wp fouden u van alleg bes
onmondige kinderen doopen / ben ick dan (richt doen / daerom gp die Godt vrteſt:
De ſtemme deg Heeren gehoorſaem? magh ſchept u upt Babel / en treckt na Jeruſa⸗ Apoc. 18. 4:
Luc. 22.19. ick Ban wel de beloften erben dewelcke Den [lem / ende en Tact u niet met fulche lichts
gelovigen toegefept zijn? (Qeen). beerdige en looſe Woozden verſtricken / het
Chuſtus heeft ín fijn gemepnte nagelaten is map bap/ het is den Dzonckaerts bep geel
dat Pachtmael ander bzoodt en Wijn/ ín bier en Wijn te dzincken / den Bobbelaer te ulat. ; …;
eener gedachteniffe fijneg doots / nu íg’t ſpelen / den Hoeren jager te hoereeren / daer
omgekeert ín een Aoomſche Wicamerp/ íg | mede en (gt níet vzu / pzedicatie (booten)
nu een Chzíften toegelaten dat verbpfterde | of kinder te laten doopen iS mp bep / en daer col, zoaz;
Pauſelijcke Dagh-mael te houden / en deg | mede en is het niet cepw of bep.
Weeren Nachtmael na te laten / Dat oogdeelt | Wier mede Wil ick mijne llebe kinderen
fever / terwijlen Paulug fept / gu en kondt den Heere bebeelen/ en dat rijcke woordt
niet te gelicht deelachtigh zijn Des Weeren fijndet genaden Die Wil u berlichten met fijne
Cafel/ en des Antichriſts/ of des Dup⸗ reyne eckentenifft ‚en geben u dat gu in als
bels Cafel/ 1 Caz. ro. 21. magh men’tnict les fijnen Wille mooght doen / op Dat Den , roan. 7.
gelijck Doen / ſoo moet de een of D'ander bez | vervallen Tempel doch weder op fijn vecht
rooft zijn : Ep wacht u dan boog haet. fondament magh gebaut wozden / en Dat z Cor, 3. xx,
Siet hiet nu/ mijn liebe hinderen / hier Wp dat epnde Des geloofs daer mogen af
hebbe ick nu een kleyne ondezrechtingh gee |bzengen; Datig der zielen ſalighent Amen,
s Cor. TO, 2Ts
nn
ned
Mebr, Ile 19,
Efai. 38.
2. 10.
Joan · 2.1.
Luc. 12 37e
Pfal. 39. 6.
1 Joan. 3 9.
Rom.8. 14.
Matt. 6. 3.
Rom. 5. 5.
Gol. 2 13°
TWEEDE
64, f
NBRIEF
DOOR MENNO SYMONS,
Zijndeeen vertrooftingh aen fijn feer beminde Broederen en Sufteren
in Chrifte Jefu tot Amfterdam ;
en daeromtrent, datfe malkande-
ren in Peft-tijt fouden befoecken; en de doodt niet vreefen , om datfe
maer iseen doorgangh tot een bete
r leven.
O menfth wat zijt gy vrolijck , wat ſtof en fihaduwe zijt gy, hooveerdigh, want u leven leyt be-
graven in’t midden van den doodt,
Daer en magh geen ander Fondamentgeleyt worden , dan dat’er geleyt is, dat is Jefus Chri-
ftus, 1 Cor. 3. IT.
Veel Barmhertigheydt , Genade en
Vrede zy u.
E Heere ſpzacki tot Marta ick ben de
Bewijfeniffe en Dat leven / Wic aen mp
gelooft / alwaer ’t dat hp doot waere / fo fal
hu nochtans leben / en alle die Daer leeft en
loobigen al door Chꝛiſtus doodt dergeven / cor. «14.
met fijn Bloedt betaclt / en met Dac cenige 1 Pet 1. 18.13
ende beede-offer fijns onfchuldigen bitteren Hom: 5-9.
doodts al verſoent / dateen / ſeght Pauz
lus niet verdoemelijchs meer en is aen Die /
Die ín Chꝛiſto Jeſu zijn / Die na den geeft
wandelen / en miet na den vleeſche / want
gelooft aen mp/ Die en fal ín Der eeuwige | De wet des geeſtes / Die daer levendigh maeckt
hept niet ſterven Poan. 11. 25. 26. Mote lin Chꝛriſto Jeſu / Geeft ons bep gemaccht aat. 5. 1.
berhoome Broeders en Sufters in den Wee:
re / dewijle ick hoore dat het buur der peſti⸗
fentie daer ontrent u al Wat hart aen-
brande / faa ben ick vermits De Liefde die ick
tat wen tot allen bzomen Ddzage / gedrongen
foo ick Wel weet / Dat alle bieefch hem vooz
den doot ontfet/ en Dat het beefterben on:
fer brienden / de natuere hart halt / foa hebbe
ick u/ Die met Dat Wemelfche licht omſche⸗
nen / en ín de gemeenfchag Chꝛiſti beroepen
zijt/ met een kleyn trooft-bziefjen Willen
verfoeckten/ op Dat qu Doch nu en tot alien
tijden met alle vlijt op Des Weeren toekomſt
waecken / en alle uwe ganticheleven / harz
te/ geimoet/ en Doen / tot den doot beren:
dert wilt; want Paulus fent / ’t ís gefet Dat
alle menfchen cen moeten ſterven / Hebz.
cap.9. Os. 28. Oack Sprach / alle vleeſch
verſljt gelijck een kleedt / en Dat ig het oude
verbondt / menſch gp moet ſterven / Sprach
cap. 14. DBS rs. 16.
En foo Wp nae met een nieuwe uedergez
Boorne / en een boetbeerdige ziele baft aen
hem /te weten / aen Chriſtus houden / fijn
woordt waerachtelijck gelooven / fijn lieffe⸗
lijcke voet flappen getrouwelijck navolgen /
en ong ban fijnen Wepligen Geeft regeeren
faten/ en Dat oude leven Der fonden doo⸗
Den / Ja werelt / vleeſch / en den Dupbel /
in ader manieren afſterven / Godts Kijcke
en fijn gerechtighept / woozdt / wille / Waer:
hept/ peijg en eere / Gan gantſcher heeten
foecken/ en onaenftootigh op alle fijne Wee
gen Wandelen / ſullen Dan met hem/ in
hem / en door hem / eeuwigh leben / Joan.
11.25. En wp en fullen niet befchacmt
worden Ban de tweede doot / Upoc.2. 11.
iet tegenftaende dat wp voortijts doodt
in fonden/ gelijck alg alle De anderen / Lol
met alderlep gievighept / onkupshept / hoo⸗
beerdighept/ haet / nijt/ afgoderpe/ en met
alle boogtent kinderen Det hellen ende Des
Dunvels geweeſt zijn / Eph. 2.3. rr. Want
het is Den waren baetbeerdigen en recht ge⸗
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
gan Dat keet Der fonden en deg doots /
Tom. GS 8. 1. 2. Zijt derhalven goedtwilligh
en danckbaer / enn geeft hem Den prijs / bie or —
u dooz dat woort finder ſterckheyt ban Dat Rom, 15. 11.
gewelt der ſonden en Des doots bebzijt / en
met Den geeft fijnder genaden / tat dat erve
fijnder glorp alfoa beroepen heeft / ander:
mael fegge ick geeft hem Den prijs / en d
met een Godtſalige reyne Conſcientie / en
met een onbeſtraffelijck hepligh leven in't
geloove / heylſaem / vaſt en onbeſmet in de
lieſde / en in De hope levendigh / en in't gez
bedt vierigh / met dat gewaedt der gerech⸗
A par. 103,3. 3
tighept aen wwer zielen vecht gepronkt / en col. 3. 14.15
met den ſchoonen bandt der Lolkomenthent
ín den geeft begozdet / olp hebbende ín uwe
lampen / nuchter en Wacher/ op dat foa
wanneer De rechte ups-bader / De heerlijc⸗
he koninck en Bzupdegom onſer zielen
komt/ Gp u dan niet flapende bint / enu /
em u onberepts wille niet in de eenige Dupe:
fterniffe en flaote / en bupten De deure fluippz
te/ en alfoo u Deel met den hupchelaers gez
be / noch} eenmael zijt nuchteren / en waecũt /
acbept / dewijle het nach dagh is / ap dat
u de dupſtere nacht niet en overvalle:
denckt na/ Wat den fin (8 !
Hertgrondelcke trouwe Bzoeders / zijt
Én ben Heere ſterck / bonmoebdigh / en ban
rPet.s.8.
och Joan. ra. 35.
herten Wel getrooſt Want al u gantfclje Rom. 14. 8.
doen / leben en ſterven ftaet in deg Weeren
bant/ Ja al uwe hapren zijn bp hem al ge- mat. 10. zo.
telt / en fonder hem en kan’er níet een bau
u hooft ballen / en Dat Jaer getal uwer daz
gen is boor hem / ja de tijt üws levens is
bp hant-bzeeden ban Bern al gemeten / daer⸗
om en vzeeſt niet / maer Dient malkanderen
gewillighlijck ín Dee noodt/ en laet u niet
Berdzieren De Kranckie te befoechen / want
met alſulcks fult gp ín De liefde bebeſtight
wogden / alg Sprach leert / cap. 7. Ùg. 35.
alg oock Boog der ongevalfchter lieſden actt /
ong feben te laten boor onfe Bzoederen
als Joannes getupabt/ 1 Goan. 3. 16. Och
FR mm m dDencht
Pfal. 139. 65
Matth. 25.
35« 36, 37
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Menno Symons fchrijven aen fijn Medebroederen, &c.
Denekt na wat ick boozgeve / Gacob, cap. 2. zijn / die oude kromme Slange ſalſe daer Apoc. zo. =:
vers 11. niet meer ín De hielen ſteecken of bijten / ja
Want een dingh weet gu wel / dat cen bez | haer en fal geen pijn noch quale meet ACN: sap. ;. se.
cfr Deurhdelijck Soon / Wecht / ofte raecken / en haer factfte vpant (het welck z Cor.
— — — / Weers / en [de doot is) ban haet al berflanden of bets
zcora2. Brupdegoms teelkomft niet en breeft/ / maer wonnen / en haere tranen zijn dan al afge:
dat?’er enchel beelangen en hope is foo iange waſſchen / en haere zielen ín een gewiſſe cuft
fp níet daer en zijn / want in de liefde (fept en vzede m den — — en —
Joannes) ig geen vreeſe / maer de volmaeck⸗ genaden / ín Abrahams iel on 5 „3
te liefde drijft De bzeefe upt 1 Goan. 4- 18. Altaer Godts, Apoc. 6,9. p den Bergh
Gu weet oock Dat een bermoept acbepe | Sion unt grooten Duck gekomen / ín zet
Der na fijn ruſte / en een bedzoefde ziele na blinckent Wit gewaet/Dienende boog den ſtoe
Pal. 42. 2.3: dertrooſtinge fect begeerigh is / en ick en Godts en des Lams / — ee
twijffele niet of mijn lieve kinderliens zijn voortaen , LOL Dat het getal haet se e
met cen geruſte Confcientie ín Godt berſe⸗ mede · bzoederen ſal vervuu sijn) ne, IE.
gelt / en dat hp u bader en gu fijne kinderen @m alsdan te gelijck met de heerlijckheyt
ij viftug Jeſus u Heer en ou fijne Chziſti verklaert te worden / Phil. 3. 21.
Cant, 4 9. — hera! en gr fijne | 1 Goan. 3. 2. Om te blincken gelijck En
O5rut/ en dat gr om fijn gebenedijde en | Sonne / HDatth. 13. 43 @m alfoo wd e
glovieufe naems wille le qu de ganden eeuwige Weuploft en Feeſt die allen uptber⸗
t wijſinge / leeringe en be⸗
——— — Ee sah raden berept is / ín eruwiger vzeughde
erachtige Boete bekeeren ſullen ín te gaen.
Eh evanrneneifich * u vaorhoofven boordza: | Och / och/ hoe gantſeh heyligh — ſa⸗
aen en bekent maken ſult) waerom gp foo ligh zijn ſu / Die tot defen Feeſtdagh van
Bai. z9. 15. oyermaten veel elende / moepte / benaut⸗ Chufto beroepen / en met onbeſmettede
hept / laſter en fchande / van die onaerdige repue Gieederen Daer toc gekomen 3jn/ ep
— cn trage geflachten moet lijden / foo nu fight dat genoegelijche vreughdenrücke
— ober al geſien wordt. Aucluja in uwer herten / en danckt hem / Col x
Dactom wn ong billick oockt alfa boo? die Dit aldug doo? Den Geeft fijnder liefden
den doot (die doch niet dan cen cufte ban ín eeuwiger genaden aen haer beſchickt / en
de ſonde en een ingangh tot een beter leben u tot een gelijck Deel met haer verkooren
is) niet cn behoozden te bzeefen / noch ong ‘heeft / denckt het na/ en zijt getrooſt op
15.26,
lioorzue ín Den Wemel Door Chziſti Bloedt Mat. 25. 34e
1x
pock over onfe vrienden Die in Godt ontflaz deſe tijs. Qu niet meet / maer bzeefet uwen Mat. zo, 2 |
ij | bedzaeben/ gelijck Die, Godt Lan herten / Dient hem in det waer:
ok et foon Dee Hepligen niet } hepe / houdt onder malkanderen — ) Mat.
en hoogen / maer alg aan onſe hoofden met [liefde en zede / waeckt en bidt, en vol
boller beeughden opreehten / en de lendenen onbeſtraffelck / boert uwen ſtrijdt ee —
onſes gemoets met den Bandt Der waerhept | delijck / haeckt na Dat befte / — Da d
Eph.6.14. Opgefchoztet/ na dat Pewelfche Canaan goede na/ zt onder malckanderen beten:
3
26 4%
opgetogen te wozden / OM alfoo met onfen delijck / onderwerpt u gewillighljck uwe rTef.si :
| | } Denchit
igen en eeuwigen (merchkit eeuwigen ) | voorgangers en gehoorzſaemtſe / enge Epebr.
Luc.s2.29. egofna / Chꝛiſtus Bref /dat bp gelechte erf haer en mijndet in uwe gebeden. Den groor 7. 17.
Agoc. 14. 13e Gn vijclt in te nemen / en dan van díe achep ten Bodt deg vredes / onfen barmhertigen
delijcke moenelijctte wegh onſer harder pel⸗ Dader/ DOO? ſijnen gebenedijden Sone Chꝛi⸗
— / die wp ín De ongebaende wzeede | ſtum Jeſum (Die fegene u) nu en ten allen
Soeftijne deſer wilder werelt moeten lijden / tijden / tot meerder geveehtighept ín bolder
dagelijclis / alſoo lange edgar (lief den,
samet te zins en algdan fullen Wp in eeu⸗
lpg A | Bymy MENNO SYMONs,
ua hos * |
Bai s7-14” ch mptoerfkoome Broederg en el | Uwen medeebroeder en zielen liefhebber in
hee hoogt en eee ide ‚| __der waerheyt, nu in tamelijcker gefont-
6 Die hier in genaden van dat lichaem —
F —— jen ban Dat pdele heydt, den 14 Novemb
weten alder verganckelijcke dingen verloſt et ene,
zijn/ cn in De Heplige hutten deg vzeedes Daer —— or geleyt is » dat is Jeſus Chri-
ppgenaomen / en tot deſen eeuwigen groo—⸗ aen —— * ant
ten en hepligen Sabaels dagh beroepen old }
EYNDE
*
J ö— — — — —
8
GE Se Gr Jie
— B
Oene REN
E N
AFDEELINGEN.
1 Fundament Boeck. | 9 — Des Koninghs Jofie Geloove p. 92
IO — Des Hooftmans Geloove p. 96
— LI — Sachei Geloove p-98
1 Vandetijdt der genaden p. 5 [F2 — Des Moordenaers Geloove p. 100
2 — oprechte boete p. 6 | 13 — Der sondarefic Leeloove P- LO 4
3 —’tgeloove „g|14 — Des Cananceifche vrouwkens Ge-
> — loove
sen verman licat n de p. 108
4 Een vermanende fupplicatie ac ——
1
1
1
I
1
Overigheyt nd ER
5 Vanden Doop Pp: 12) Ate
6 Tegen fprcucken, Beantwoort p. 17 3 enteuwswe Creature P 120
7 Een vermaninge aen de verachters des |
Doops. p. 22 | Een vermaninge aen de verftroyde kinderen
8 Van des Heeren Heylige Avondmaecl Gods p. 130
24
9 Verwoeftingedes Avondmacls p. 291 4 Van't Kruyce Chrif} p. 23
o Van de mijd.nge Babels p. 33 ie
r — Defendinge der predikanten p.34/ PAER, AN
—— biel 5 —— op den vijf-en-twin.
3 Maer Leeven p. 39 Agſten Pſalm Dapids P. ! 61
4. Tegenfpreucken, Beantwoort p. 43
15 Een Vermaninge aen de Overigheyt Vers 1. Mijn ziele hebbeick opgeheven tot
| p.so| U» 8 Heere ! ick betrouwe opu, dac=
16. Aen de Geleerden -_ps59\ tom enfalick my niet ſchamen P- 165
| 17 t Gemeene volck P. 63 ‚vers 2. Laet my mijn vyanden nict befpot-
| 18 — De verdorven Seen p.64 ten» want al die u verwachten, en ſullen
19 De Bruyt Chrifti 67 niet befchaemt werden idem.
zo Coutlnfie defi Boerke __p. 69, VS 3 ‘Fe fchande moeten fy werden; alie
die u verachten fonder oo: fake P. 166
2 Het rechte Chriften Geloope YTS + Heere wijf. my uwe wegen, leert
my uwe paden idem,
P. BE — my in uwe waerheyt, en
cerile My, want ghy zijt Godt mij
d , ° {da 22 jn
> h ar he Je | o {
| 2 ’tGeloove der Lutherfchen idem. waght —
32 —
des ———— Engelſchen P. 79 vers 6. Heere gedenckt aen uw goetheyt,
4 t Rechte Geloove arn en groote barmhertigheyt, die van der
ki | 5 Van't Geloove Noë P.84{ werelt aen geweelt zijn P. 1
ge Gelooveen gehoorfaem | vers 7. En gedenckt de fonden mijnder
| eyt — jonckheyt niet, noch mijne overtre.
7 —Mofes Geloove en trouwigheyt dinge, macr gedenckt mijnder na uwe
À ä p. * barmhertigheydt, om uwer goetheyts
-Joſuæ en Calebs geloove Por wille —
Mmmm 2 vers8. De
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke
3197 B 28
Bibliotheek, Den Haag.
— —
— European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
* —— BAT
— by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
vers $. De Heere isgeet en recht, daerom | 7
fal hy de fondaers onderwijfen op den
wegh
vers 9. Hy leyt de ellendige te recht , en
leert den ellendige zijn wegh
vers 10. Alle de wegen des
goetheydt en trouwe , den geene die |
fija verbont en fijn getuyge
REGISTER.
. Hoedetext mattheus 18. #15» ver-
ftaen moet werden p. 201
p.168| 8. Dat men Davids ſonde, boete, en
vergevinge recht verftaen moet Pp. 203
idem.) g. Van Petri onbedachte val P. 204
Heere zijnen | zo. Hoemende fpreucke Jacobs 5. # 20.
verftaen fal Pp. 205
nishouden 11. Hoe men de laerfte woorden des 12.
pe 169. en begin des 13- cappiteel inde tweeden
| brief tot de Corinthers verftaen fal
vers 11. Om uwes naems wille weeft ge-
‚206
nadigh mijn mifdact ,
IS
vers 12, wieisdie, die den Heere vree
hy fal hem onder wijfen den wegh dten
hy verkieft
die dacr groot
idem.! 12. Dat men Chrifti oordeelen onbeftraf-
ſt, felijck, en fijn {leutelen recht gebruyc-
ken moet p-207
p. 170 13. Conclufie, en vermaninge p- 210
vers 15+ Sijn ziel fal in’t goede woonen
en fijn zaet fal dat lant befitten idem.“
vers 14, De verhoolentheyt des Heeren
Pp. 215
8 Kinder-tucht
isonderdiegene, die hem vreefen, en
fijn verbondt laet hy haer weeten P-17!
vers 15. Mijn oogen zicn geftadelijck
9 Een klare beantsvoordinge
tot den Heere, want hy fal mijn voet | over een fchrift pan Gellius Faber
uyt het net trecken
vers 16. Keert u tot my» En weeft mijns
idem. b
85
genadigh, want ick ber eenfacmenel-| Eenige ſpreucken van Gelliusden fij=
lendigh
e 172 .
P-172| _ gentot waerfchouwingegeftelt, beant-
vers 17. Den ânghft mijnes herten is groot:
E woort p- 231
voert my uyt mijnen noot
vers 18. Siet aen mijn jammer en ellende ,
idem. 4
. Lafterwoorden s beantwoort idem,
_ Oorfacke van Geliifchrijven : beant»
en vergeeft my alle mijne fonden p.173) * voort Pp: 236
wers 19. Sict acn dat mijne vyanden foo) 4. Van der Predikanten fendinge , of be=
veelfijn, en haten my met EEN onrech- à
ten haet idem. Lan pi P- 4%
vers 20. Bewaert mijn ziele; en gerloft| 5-77 4 —
| 6. —'’t Avondmael p- 284
my» en laet my niet te fchande worden: —
want ick betrouweop u 5174 7. — De Excommunicatie, of ban p. 288
3. — De gemeente , en t onderfcheyt
vers z1. Sleghten rechtbehoetmy» Want|_ der Kerke Chrifti, en zaticheiftie p.395
ick verwagt uwer
P:175| 9, Kenteekenender Kerken p. 298
| * oſſe Iſracl uyt alle ſij ——
vers 22, Goat verloſſe Iſrael uyt alle lijnen, Kenteeckenen van Antichtift Kercke
noodt
6 De Geeftelijke verrijfJeniffép-177| _woort:
p-176
p· 301
11. Eenigebefchuldingen over ons beant-
Per KOPSID
7, Bekenteniffe van Chriíto p. 313
7 De Apofbolifche ban —_ p.185' 13: Befluyt p-324
capp:
7 Van deaffondering
zo Een droevige (upplicatie der
P- 193) ellendige Chriftenen p. 325
> Over welcke de fclvige gebruyckt be-
hoort te werden
PO Een korte ontfchuldiginge der
3 Waerom de ban ons bevolenis idem.
4. Datfe geen perfoonen uyt en neemt | Ellendige Chreflenen „ en verſtroy-
P. 19
5. Dat men de bekende vleefchelijcke
fondaers uyt de gemeente doen, enal-
| de preemdelingen P. 331
72 Fen klaer bericht van de Ex-
foo tot boete wijfen fal p. 198
6. Vande hey melijke fondaers ‚ die door | cmmunicatie p p. 337
een oprecht berouw bekeert werdenp.200 7, $
an
neej vn — ma ih ie DER — 2 — —
En * Ee
*
Re KAAS Tok.
zo Een kortebelijdenifje van de
menfchmerdinge Fefu Chrifi, en
klaere aenwijfinge „ hoe dat beyde
xe Befchulniginge van à Lafco ; beant | Je 7 pergers en de Gemeente moeten
— aengaende Chriſti — geaer zijn Gefchrewen aen de Heer
13 Vande menfchsverdmge Chri-
fli Tegen Joannes a.Lafco _p. 35°
— — ——
werdinge p 358 Johanà Laſco p. 517
3. Tegen-werpingen; beantwoort p. 364
4. Befluyt p. 382
1. Tegen-fpreucken, beantwoort p. 528
14 Belijdeni ſſe wandedrie-geni-\ 2. Vandepligtendes Predikanten p.s 34
ge eeuwige, en ware Godt, vader, | 3” Belluye pe 34!
Soon , ende Heylige Geeft p.383 dn
| 21 Antwoort op Martini Mi-
i5 Verklaringe des Chriffelijcke crons leere , en onmaerachtigh ver-
Doops in den water ‚ uyt het woort hael van den handel en gefpreke ge-
Godts P.393 houden anno 1553 P-543
1. Wat de Apoftels van °t felve geleert
1. Hoe en. wanneer eenige engelfche fijn
hebben p-405 aen gekomen, en onfe bejegeninge aen
2. Hoe tde Apoftelen gebruyckt hebben |_ j, der 5 * 5
P-425 | >, Der Engelfche gefpreck met de onfe
idem.
16 De oor fake ‚ van Menno | 3. Hoe dat Menno en Hermes mét mals
J kanderen gehandelt hebben p. 552
H mons leere en J chi KE de 4. Microns partijdigh verhacl van ’ eerfte
gefpreck met Menno P: 554
| 17 Een klare bekenteniſſe ‚ OYer | 5. Microns bekenteniſſe in de tweede ver-
j derhandelingh hoe ontrouw hy
pier poincten des geloofs „ om weſc.. ee— y
% befchreven heeft p. 558
| kers wil Wy meeft gelaftert werden 6. 31 Articulen diein werfchilftaen, den
5 leefer tot verklaringe voorgeftelt p. 565
| P: 457 7. 45 Schrifteloofe bekenteniffen van
Van de rechtveerdig-makinge p.461| Micron en Hermes, tot verklaringe den
k
| 2. —’t Gehoor der predikanten p.464) _Leefer voorgeftelt p. 57E
| 3. — de Doop P-467| 8. 14 Inconvenienten. die uyt der wes
4 —K inder- Doop idem. | derpartyen leere volgen P- 574
| s. — Des Heeren Avondmael p. 468 9. Der wederpartye geloove van Chrifto
Ì 6. —’t Avondmael der Predikanten de- P. 575
| fer werelt p-459 10. Ons geloove van C hrifto P- 577
Eedt-Sweeren p-470 11. Dat het generecrlijck zaet den man-
— Beſluyt p. 472 | nen en niet de vrouweneygenis p. 578
g. Eenige vragen; beantwoort p. 473 | 12 Hoe men ’t verftaen moet, als van
zo, Befluyt p.477 | Vrouwen zaet gefprooken wert p. 592
; 13. Van de plaetſe genefis 3. vers 15. ick
ſal vyantſchap fetten &c. p. 583
18 Antwoord op 2) is en Lem 14. Microns bekentenis,hoe Chriſtus Gods
| mekes laft erenen f chelden, aengaen en des menſchen Soone is p. 584
b onderinge, en mij- 15. Hoe Chriftus Godts, Abrahams, en
| de de bau, ai * dele Davids Soon genoemt wert p. 586
dinge 16. Van de twee natuuren in Chriſto p.s 88
. Dat Godt de wagre Vader des geheelen
to Een ontfchuldinge op dele Í chritti zijns Soons is, en Chriftus de
fehuldiginge onfer mis - gunſtigen waere Soone zijns Vaders p. 590
p. 491 Mmmm 3 18. Uyt
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
REG Tg TIE Ro
A ) *
18. Uyt wat Godt-lijck zact materie, en r, Een bede aen den Lefer p. 616
wefen de Vader fijn Soon uyt Mariain,
der tijt gegenereert heeft p. 5 27 Fen klaer bewijs, dat Jeſus
J << G | 2 p 8 -
— BOD Chriſtus is debeloofde Davidt in den
22 Een ſcherpe Sendt-brief aen Geeft Vc. Legen Jan van Leyden
J |
Martinus Micron Pp. 599 p.G19
Rek Gekes LE
Van't gene in de Opera van M ENNO SY-
MO Ns noytgedrukt, isingevoegt.
1. Sijn uyt gangh uyt’tPaus-dom, en 6. — Aen de Huys-vrouw van Leendert
£ EN ; Î
nauwkeurige befchrijvinge van Gjndoot Bouwenſ⸗ 7 p455
en beeravenië, voor ’tFondament=boek 7. Een onderwijs, hoe men zigh fal lra-
gen tegen een Broeder, die ergerlijck
Een trooft-brief aen een weduw-vrouw leeſt p. 631
p.336 8. Een Brief aen die van Amſterdam,
* cherminge ls ove inde een af-radinge, om niet in’tge-
Wonder lijcke befcherminge Gods over, _ zijnde een af-radinge; 2
te
* Menno, en zijn heylige vrymoedigheye ‚hoor der Papen Gedts-dienft te *
p. 350 Pp. 63
4. Een Brief aen de broederen in waterlant 9. — Aen den fclven; hoe men zigh in
p-392| _ tijden van Peft fal dragen Pp. 64L
s. — Aen Griet, Reyn Eedes wijf p.434!
REGISſSTER der Autheuren, die in dit boek
aengetekent werden.
A.
: Paus ‚30a| Lutherus. p.15a256b2702427222814
—— paz a — 364 b428 b 468 a
Vetus. „3642 °
pe 8 idem | Macedonius. p. 364 >
aar 7 ‚21 barb1o3b{ Martinus Bellarius. p- 21
Auguftints. ß —l 3 Missen: 53644
Befa p. 604 a | Melanthon. p. 364 b 468 b
— 7 pear Di : è
cen p.15b256b272a Origenes. p. 21 —
Bi Hir — p.256b416a| Otto Brunsvelt. 275
u neger . C | P.
Calvinus p. 604 a Pomeranus, n p. 3142380 a 576 b
—B—— 2162365742 6b
Ciprianus. — 36574271b27 | — A:
4 Rufinus. ‚21040
Dirck Philips. 4 p.475 b | Rufinus s p 4
Erafmus par ba72a 364 b408 b Sebaítiaen Frank. 21
—— P. 3642 —* — a
Pufebiüs. ‚55 b58a66a| Socrates. ‚35
—— H, RR ze |Swinglius. p.21b272a311â
Per 7 e 6 bari b —
Hyginius X. paus. L p. 16D4 Terruliidnus, * 2164086
1606
————— — Wolfgangus Muſculus. p.576b
R E-
KE GMR LE ER
Der voornaemfte Saken in dit Boeck vervat.
a betekent de eerfte, b de tweede Colomne.
A Avondtmael, wat het broodt ons vermaent,
29,4. 31,b
Al.moeflen (onder liefde niet. 250.2 | — onboetveerdige kunnen het niet recht ge-
Abel wert van fijn Broeder Caïn ver-| bruycken, 285, b
moort. 140. | — is een Liefde-Maeltijdt , 468, b
Abraham, 't bevel Godts aen hem en fijn ge- | — wietot het felve toegelaten werdt, 469, a
hoorfaemheyt. 86.287 b. — uytwendigh,fondex *t waere weefen gelt
— Treckt met drie hondert achtien knechts{ niet, 632, b
ten ftrijdt. idem b
— Gelooft de belofte Godts. 87. a 388 b. 319. 4 B
— Offeranden en gehoorfaemheyt. 89. a en b |
— Rechte kinderen Abrahams. go. a | B4knifie Hoere, 470,4
— Krijght getuygenis, dat hy fijn kinderen | A Bax der Chriftenen, 193, b
wel opvoeden fal, 111. b{—=- men moet fich wachten daer in te verval=
Val Adams, doot en verdoemenis.365,b 372;b | len, idem
— Over hem en fijn nakomelingen. 366, a | — is een werk van Godts liefde; 1 94, b. 289,4
=— Kon door fijns gelijcke zaet niet verloft | — over hoedanige uytgevoert moet werden,
werden. 360)a 568, a 19454, 195.477,4. 634, aen b
— Heyligh en goet gefchapen. 372» b. | — der Ifraëliten , 149,4. 349) 4
— Wert van Godt door belofte weer opge= | — wat men waernemen moet eer men daer
recht. 373>bf toekomt, 198, a
— Wy zijn in hem fondigh en onreyn gewor- | — wanneer over cen Sondaer niet uyt gevoert
dei idem. moet werden, 204» a
— Sijn goede {tant , val, en weder-oprech- | — des Ouden en Nieuwen Teftaments ver-
tinge. 46ïzaenb577,b| ſcheyden, 238, b
m Is van der Aerdeaert{ch. 594» b | — hout Godts Gemeente fuyver , idem
Afzoderye der Heydenen. _ 31,4 | — haer gebruyck by de wereldt , 291,b
Afgoderye ‚ hoewel maer uytwendigh, feer | — nuttigheydt , 288,2, 292, b
quaet. 47. a en | … misflagen, die in des (elfs oeffeningh begaen
— Men maghfe noch in fchijn noch in der | werden , 339,3
daet navolgen. 49, b. | hoe geoeffent moêtwerden, 340,2: 341,34.22
— Sy pronckt haer met de fchijn van goet op. |— ftreckt tot beteringe, en niet tot verder
498,a| vinge, 346, a
Afzoderye of Papendienft in de Kercke niet te | — iseen Gebodt Godts, 473) b
dulden , 445» 2 | — op hoedanige wijfe gefchieden moet, 634,a
Afval en haer oorfaecke, 238,a 91, b en b
— Van eenige, wert-beklaeght. 166,b |® Banuen moet in Chrifti naem voor de ver-
Afvallige, 292,2 gaderingh gefchieden , 345, D
— Sullen niet faligh worden. 92 Banweerdigezijnweltekennen, 294, aen b
Men moet haer vermanen, 3045 b | Barmhertigbeydt Godts tegen de Sondaren 3
Alexander Billchop tot „Alexandrien , doopt al
€ 167,a. 168,2
langh na der Apoftelen tijt noch geen kinde- | Bedeckingeder fonden ,
205, b
ten. 408, b| Bekeeringe der drie duyfent zielen op he
Alexander Magnus, ftopte fijn eenoor, alshy| Pinxterdag, 405,b
d'eene party aenhoorde , toe. 488, a | Belydenis des Geloofs van Chriftus, 525, b.526;
Alogianen eere van de Drie-eenigheyt. 364, b 527.577
Ampt des Overigheyts van Godt. 328,2 498, b | — van den Doop , 467, b
Ampt, fie Overigheyt. — van ’t Avondtmael, 468, b
Antichrift regeert. 124» a | Die gelooft aen de Belofte Godts fal ſe verkrij-
— Haer wercken. idem.| gen; 88,2
Apofielen hebben veel by nacht gepredickt. | Belofte Godts door Nathan aen David, 317,2
234» b| Beproeft alle dingen, 1 Theff. 5. 21, hoe vera
— hoe {e den Doop gebruyckthebben,426,a| ſtaen moet werden, 44) b
— Waer voor fy Jefum hebben erkent. 571, a | Beroepinge der Predikanten van Godt, 240,2
Avondmael , wat men tot het recht gebruyck ! — op wat wijfe gefchieden moet, idem
des Avondmaels moet waerneemen. 24,b | —… gefchiet door middel van menfchen, 255,5
25,26,27. | Befchuldiginge over ons, | 322, b
— Misbruyck. … 24»23312| Befluyt Godts onveranderlijck, 369,b 3734.
— In % recht gebruyck is Chriftus met fijn | Befzijdeniffp geen bewijs van de Kinderdoop,
genaden. 27,b
——— 19
- Den onboetveerdigen niet toege-eygent. | Befwijdeniffe van Thimotheus, hoe verftaen
37,b28)b.| moetwerden, 49,4
Bef zijn
5 &
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
RE GT ESR,
Befnijdenif]t en des Doops onderfcheydt, 265, b | Chriftus is lijdelijck en fterffelijck geworden ;
266, b 318,4. 531, D. 5320
Argument van de Befnijdeniffe, voor den ==isonfe Broeder, idem,b.529,b. 553,4
Kinderdoop, beantwoordt, 267, 4. 276, b |— geen vlee{ch van onfen vleefche, _ idem
Geeftelijcke Bofnijdeniffe;, 268, a | — is alleen onfe toevlucht „ 3234
— {onder handen, Collof, 2. vers: 12. is | — eet metde Sondaren , 3445
niet voor ‚ maer tegen den Kinderdoop , — is na fijn Menfcheyt van den Hemel,36o, b.
416,aen b 361,4. 568, b
Betrouwen op Godt, 165, a |-— hemels genoemt , om dat hy van den He
te Bidden voor Vervolgers is der Chriftenen f _melis, 362,2. 568, b
licht, 138, b |— isdeeerfte en de laetfte , idem, b
Biechte der Papiften , 107, b |— fijn geboorte wonderlijk en onbegrijpelijk
de rechte Biechte hoedanigh, idem | 366,2. 369, b. 563, aen b
Bitterbeydt der wereldt over ons» 235,b | — is geen natuurlijke vrucht van Adams zaet,
Blindtheydt der wereldt, 151, b. 319, b 366, b. 367, a
der Bloedtgierigeneynde, 283, a | — heeft de geftalte eens dienftknechts aenge-
Bloedsgierigheydt, 323, b{| nomen, Pal. 2. 7. uytgeleyt , 371, aen b.
= oock van eenige Leeraeren, 604, a 552,b. 553,4
rechte Boete 7, a - Godtheydt, 375, b, 376; a. 389, aen b. Jk
der Huychelaeren , idem ò 69, b hct 8
Boetveerdigheydt volght op het recht Geloove , |— is des vleefchs en des bloedts deelachtigh ge- |
615,2} worden,Hebr. 2. 14. uytgeleyt,376,b.377,a
Broederen Chrifti , wie die zijn, 89, a 553 aen b
een gevallen groeder moet men weder ophel- |— heeft onfchuldigh voor de fchuldige gele-
pen; 633,bf| den; 365, b. 375»a
mn af te fnijden wanneer hy de Vermaeninge |— is ons gelijck geworden , en de reden waer-
niet waer neemt; idem om; — | 3794-5541 4
…— aen te nemen , als hy berouw en leetwefen |—= lijn overwinninge, idem
haalt. 634» a | — in den Doop aendoen; 420, b
Bruydt Chrifti befchreven , 67,b, 68, a — watdat zy; 421, b. 422, 4
isꝰt Hooft van de rechte Gemeynte, 42554 |
C. — fijn Ampten , 438, b |
Alob , fiet Jofua. Leero/ 443 b
Cananeetfche Vrouken verfoeckt aen Jefus |—_ Liefde tegen ons; 446, b
degefontheydrvan haerdochter, 108, a |— isalleen onfe faligheyt, na wien wy alleen
em haer Geloove idem | hooren moeten, 44.8, 4
Mandaet Carclide Vijfde overons, _ 327,2 |— buyten Chriſtus isgeen faligheydt , 461, b
Cerinthianen meenden dat de wereldt door En- 463, b. 628, b
gelen gefchapen was, 55)b | in Chriffo roemen wy alleen, 463,2
Chriſtus onderwerpt ch aen den Doop en al | — armoede, sor, b.
fijn lijden , 12,2 | een Vrede-Vorft , 502,4
- hoedanigh hem fonden toege{chreven wert |— na fijn Godtheydt en Menfcheydt Godts
25,b| Soon; 560, b. 565,a en b
door de Superftitien uytgeftooten , 29, b |— is van eeuwigheydt , 5654
33,2 |—- heeft van ’t vleefch Mariæ niet aengeno-
— hulpe aen de Sondaren, 68,b| men, 566,2. 567.5845a |
— is’t Fundamentdes Geloofs, 76, aen b * is ſonder ſonden, 568, 4 ik
— Fernamen 82, a |— eens-wefens met den Vader } 570,4 |
…. Genade voor een boetveerdige Sondaer , |— uyt Maria van Godt gebooren , 579,2 |
103, b |— men moet Chriffus (oo wel aenbidden als |
heeſft ons verloft van de toorn Godts, door | den Vader, 577,b
Adam veroorfaeckt 11354. 5322 |—- Davidts Soon genaemt, om dat hy uyt het
— Kerck en Gemeente; 118, | geflachte Davidts is, 586, b. 587,a
— heeft door fijn offerhande ons verfoent; |— heeft der Slangen kop vertreden, 584,4
113, b. 623,2. 625, b |= hoede belofte van uyt Abrahams en Davids
wa fijn geboorte, leven; lijden en ſterven, _zaetgebooren te fullen werden , en de Pro-
144) b. 145.314, b{ phetiein hem vervultzijn, 588, a. 595, a
- wie Chriffus erkent en aen neemt, 128, b |—is de Melchifedech, wiens geflacht onbe-
ng — ——— — —
184,a| kentis, $83, b
=… ten Koningh over alles, 175,b. 6ar, a tot — heeft na fijn Godtheydt niet geleden, 5 90, a
631 |—de Sone Godts; 593, b
— fijn beveelen moet men gehoorfamen , — is ®% woordt daer alles door gefchapen is,
1845 b. 3195 b. 470, b 596,3
— ( werdt door Gellius ) fonden toegefchre- | de beloofde Davidt ; 624, aen b
ven; 313, 6. 371,2 | de Gefalfde, 626,2
— is Godt, en in der tijdt geworden te gelijk | Chriffen te zijn roemt fich yeder , 123)
Godren menſch, 314» b. 589sb, 5go,a |— een recht Chriften afgebeelde , 14.7 „b; 328,4
— Mariæ zaet genoemt , hoe te verftaen |— werken en woorden eens Chriftens komen
316,b.528,b.530,b.s31,af overeen, 153,4
- als oock Davidts zaet genoemt, 318, a. | — ist kruysonderworpen > 249, b
359,b. 529, b. 530 aen b Chriftern
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
KE GEST HR.
@briflen , wat’et i Eh rickel::
fen, et is dat hem daer toe maeckt / Door, verfchrickelijck, felfs voor de Vromen,
501, a 514 b
— hy haet de fonde 38 i
y haet de ſonden, 538, b|— moet ons niet al te feer bedroeven 642, â
pe hoe tn AO d 628,aen b Driestenigbeyt > fiet Eenicheyt.
» woorden en werc-| de Duyfterzifle ve ——— 7
— fers randert figh in een les
ken richten moet, 635, b rbe ⸗ 5 in fchira —
Chriſtendom beſtaet in't Geloove 75,6 J heh
> /5+0| Duyvel , iseen leugenaer aen b
Chriflenen moeten in de wereldt uvtlichte * ae ———
uytlic ie — hy werpt fijn quaet zact altijt onder her
— liegen niet, zb ti — 17524
ereen * >} isder weder-geboornedoot vyant, 181, b
_— zijn Koningen en Priefteren b landhek
> 95 D| —is | uy iſſe
— verkorten nier, Bob is een vorft des oproers en duyfterniffe,
— vervolgen niet , 147, b $o3,aenb
* — fijn gemeente is even als hy gefi
— VA t een Ov Ti er Jae JN x . * 4 ge inr >» idem.
jag erigheydt ongehoorfaom, Duyvel, legert fich met fijn gantfche macht
149, b eo 6 Gen Pe
—_- hooren geerne rechte Leeraers 6 de — — —— — —
De I150, a voor Duy vel-befete
-ſchuuwen alle valiche Leeraers, idem —— fetenen gelaſtert, en antwoorr.
— — a Aas akkhkae * eh ijd
houden den Sabbath-dagh neerftelijk,262,b| wie Duyvel-beletenen 1 ii 1550
- beftraffen de boofen | Jverorjerenen Zijn , idem.
2624 —
5’ —
== volbrengen haer Ja en Neen tot der doodt 608, a
2 Ks 1
t Concilium van Godt ingeftelt, moeten Wy -
volgen ,
129, b Fi tonie verfaeckte de Godtheyt Chrifti ,
130; 55,b
A Echt-mijdinge om wat oorfake gedaen magh
idem, b werden , 195,b. 196
—= of behoorlijck is, of niet , °
— Decreeten , endegebooden ,
Coriathers, twift onder haer, 206, a
—- ongebonden leven,
4 a
D. — men moet niemant tot’et felve ld 5
Anck=baerheyt van een geloovige zi er ie ‚ “he ; / eed
Chrifti ze idee 5 5 * — — —— Zylis en Menno aen,
255 gaende de Echtamijdinedaenoewe
Davidt wert van Saul vervolght , 141, 4 Br. —— —
hfjn fonde ; zi)
203,4 | Echtefcheydingh ongeoorloft dan' 7
— bekeeringe, ftraffe , en genaden, idem,b | — — ij a Ô
Dienareu Godts, zijn Godt beft bekent, 32354 | Eedt —
bron ter | -fweeren verfcheydentlijk gebruyckt, 470,b
— vennen 534» b|— verbooden, 47 1) a. 604, b. —
— wijfen op boete en beterinze 6o5,b | 3
mt ES 5 O5, werden om’ felve ee
hoe men met de dienffabooden omgaen eee gn sk
iden.
moets 7 b . * EE
* TAR 97: D — vooral verbooden in tijdlijcke faken
nootfakelijcke dienſten aen een gebannenen — onderfcheyt in de m dal —
y anieren van Eed? aen=
te bewyfen of twefen moet, _ 475, aen | gewefen id
— ——
— w ba her leven belooft „foo fy Menno verfcheyden gevoelen daer van 6 *
an 2 | f *
in Chri ak konden, 2342 Eenigheyt des Goddelijcken wefens, 26 *
Doop na Chri iordeningh, 12,4 | deb — 9, 4
uyterlijc 'et niet fali | apen
— uyterlijck maeckt et niet faligh, 14, 22;b — wert bewefen uyt de names en eygenfchap-
— is een teken van berouw, geloove, en Eend | — die de ao, Soon ‚en Heylige Geeft
fcheldinge der £ ‚_ Werden toegefchreven 88,aenb 3
h, p —— R 1554 Eeten met gebande Berfoorien, of geoorlof, vd
— haer gebruyck by der Apoftelen tijdt,23 1, b 7, b. 348: 476 é
— Wat daer mede betuyght werdt, 266, b bd Enge Wee h wert 34 an 34 — 477 7
— * * Doop niet in de plaets van de beſnij- 5 — mind ì
iſſe is gekome das
— a — 267,bEngelſtha aenkomſt, en hoedanigh de broede-
neyts 4014 | ren haer ontmoet hebben e
— wat -: nen. verey{t wert , 49512 | Erf-fonden, 46: b. 507 b —
— oe fi k ie 13 ae ë
aen den geloovigen te bedienen bevoolen , [== Zijn geen bewijs dat men kinderen —
407. a. en b. 467, | moet, eb
— betekenis komt niet dan mer een geloovige *
Ergerniſſe aen yemant te geven feer quaet, 46,a
over een , 4l4o b | Efechiel gefteenight,
== is een waterbadt der wedergeboorte, 418 b 3 vsi
"wat by de ontfangers van ’% felve vereyſt
iede ieder delliegsd — —
— belofte die aen de ſelve gedaen zijn , zijn de |
| —— sis — g Ja) ——— Wets, aengaende de overfpel.
er — Kinderdoop. — aengaende de doop 2 b. *— bh
oopelingen moetmen na haer geloove onder- (onderfcheyt tuſſchen vleefchelijcke en eeft
vragen , / 275,bi liijjcke Geboorne, * *
ee der Vromen dierbaer in de oogen des | Geboorte Chrifti, hoegefchiet, * a
eeren ; 14352 de H. Geeft is met de Vaderen den Sone os *
— te ontvlieden, als men kan geoorloft, 2 24;D | nigh Gedt. 390,4
N nan de H.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
R:E-GI
SEE RK.
de H. Geef? moet onfe herten beroeren , foo wy | Genade-tijdt tegenwoordigh 102, b
fijn leere fullen genneemen ;
een Geboor-fame verkrijght Godts belofte,
401, b
Gehoor-ſaemheyt beter dan offerhanden, 250, b
Gelijckeniffe voorgeſtelt, 102, |
Gelijckeniffen en Figuren op Chriftum toege-
pa 3752
fchelden van Gellius brenght de Kercke nut
aen, 236,4
Gelli leven en vervolginge, 24,2) b
… fcheld-woorden ; 246,b. 282, b
„fijn verkeert oordeel, 260; b
— eyft een verbodt dat men geen kinderen
magh doopen ; 269, a
— quaet opfet tegen de waerheyt , 277,4
— ontfchuldiginge wegens ° bannen , 289,b
— pluym-ftrijckery 290, b
…. verwijt ons , daer hy fchuldigh aen is , 293,b
_ gelijckenis van hem voorgeftelt , en beant-
—- uyt Gemade genieten wy alles, en nietom _
423,2 |— wert niet waergenomen » 103) 4
Genade-verbont ontfangen wy door geloove,
niet door ceremonien ; 416, b. 417,4
de wercken ;, 463,2
| Gedt wie hy is, 387,4
— iseen Heereder con(cientie » 51.4
… kan niet liegen , 126, b
— isdeliefde;, 194, b
— voor Gout is niets verborgen; 255,4
— de eenige en eeuwige oorfpronck van al-
les, 37252
— wil in fijn bevelen gehoorfaemt zijns 4.17, b
— heeft fijn Sone gefonden , om de wet voor
onste voldoen ; 568,4
— wil in fijn wettoe ‚ noch afgedaen hebben ,
402,4
—- almachtigh , 592,4
— onbegrijpelijck 594» b
eygenwillige Gods-dienft geſtraft, 16,a. 280, b.
639,2
— een grouwel voor Godt ; 439, b
— onteert Gods wijsheyt » 440, a
Gods-dienft mochtlfraël vaa geen vreemde vol-
woort 3 3045 D. 305,2
— faemroovinge ; 320;
—. vervolginge van Gellius voorgeftaen,
321, b
Gelgove in den Euangelio, wat dat is, 9, a
en b
— iseen gave Godts , idem.
— vruchtbaer , idem.
…. wat’et uyrwercken kan , 1454
_ vruchten van het falighmakende geloove,
’ 76, a
2 Gelcove aengaende Chriftus Jefus „79; b. 80, a
Toa
mm dat Godt is, wat’etuytwerckt, 82,b. 83,4
424, b
is de bron van alle deughden, 103, b
t werckt een vroom leven , 112; b
— waer aen men tbeproeven moet, 11454!
— hare vruchten » 115,4. 403, b|
ken halen , 45, b
der Papen Gods-dienf?t een{grouwel der Vro-
men 128; aen b
Godt-loofen, 608,2
— redenen eenes Godt-loofen in fijn herte;
166; a
— haer eynden en uytganck ; 157,4
Godt-loosheyt groot; 6,b
— van alle foorte van menfchen } 177,4. 118,
128, b
— alsſe in een Kercke gedult wert , iseen teec-
ken datde Kercke Chriſti niet is, 302 h
Goederen dat wy die gemeyn hebben» beſchul-
dight en geantwoort > 5044
— betrout op Godts beloften , 116,
tot’et Geloove maghmen niemant met het
fweert dwingen, 149, D. 334» a
- by ’t{elve komt de boete, 251,4
— iseen veranderingh des inwendigen men-
fchen; 42652. 427,43 15 4. 280,4. 462,4.
463, b
t moet komen voor den doop; 402,0 426,2
427
— is ydel, wanneer’er geen vruchten by ko-
men ; 4445
— brenght voort de liefde, de liefde de ge-
hoorfaemheyt, 446, b. 447, a
— ’”hooptop ‘tgeen men nieten fiet, 5943
een Geloovige murmureert niet tegen Godts be-
vel, 87» b
— ſteunt niet op de wercken, maer op de
genade; 115, b
— onderwerpt ſigh den doop om drie rede-
nen, _ 401, b
— hoe hy in het doopfel gereynight wert;
406,4
— fullen Chrifti verdienften genieten , 532 b
„4
Gemack voor’tlichaem moet geen —
om in afgodery te blijven, 48, b. 49,4
91,b. 92, 4
de Gemeente Godts, wie en wat die is, 255, b
Gemeente ‚ fiet Kercke.
Genade Godts , door Chriftum feer groot 74» a
8r,a
b ivoor Glyfenaers befchuldigh ten geantwoort ,
5113b
Groeten aen een afvallige, of geoorloft is,
475>a
Grouweleu onder’t Pausdom groot, 409, tot
413
H.
Aet tegen Mennoen waerom, 607,4
Haters zijn buyten Godts Rijck, 261, a
de Heere bewaert die, die hem vervolgen;
170,3
—- voor de aenflagen der boofen , 28452
— ftraft , die de fijne vervolght , 613. b. 61432
Heere, Get Godt,
Heydenen en Sondaren daer Chriftus Matt. 18.
vers 17. van ſpreeckt, welcke men daer by
verftaen moet , 340: b. 341.
Heylige Geeft is met den Vader en den Soneeen
eenigh Godt , 3905 2
— is Godt meten in Godt den Vader, 31r,a
voor Hemel-flormers gefcholden en geant-
woort ; 511, b. 512,4
Hemel-vaert Chriſti, 595,b
foo de Herder voorgaet, volgen gemeenlijck
de Schapen } 602, b
Hermes Baekereel, 55134
— wil met Menno diſputeeren, idem, b
— difpuit wert bewillight 552,b
Her⸗
—— — — —— — — — — —
— —
Hermes Backereel ijn roemen , idem.
- ondanck-baerheyt , idem
een Herte door rouwe gebroocken neemt
de Heere aca , 173, a
Hett fèu-kenvis gaet onder vele in ſwangh, 528,2
Hoere van Babel, 171, b
oorſpronk van Hoereryeen Overfpel, 20354
des Hooftmans liefde tot fijn dienftknecht,
96,2
— nedrigheyt, idem.
t Hooren van allerley eere quaet, 46,a
de Hoop fiet tgeen ongefien is, 116, b
Hoovaerqye fie pracht.
2 Houwelijck beftaet in een man en éen vrou-
we, 506, a
gedoopte Huysgefinnen geen bewijs voor de
kinder-doop, 21,4. 271,2
gedoopte Huysgefnnen, 429; b
— ofer kinderen in geweeft en gedoopt zijn ,
onderfocht, 439 aen b
Hulpe des Heéren in den noodt, 157,b
Hygenius heeft Peters geordineert in t doopen
der kinderen , 411, b. 426, b
a tegengefproocken , 412) aen b
J.
Acob wert van fijn broederE fau gehaet. 140,b
Jan van Leyden noemt zich een Konink, en
der ellendige vreughde; 622, b623,2
am beroemt zich voor de beloofde Davidt
624) 4
— is een Anti-chrift, idera
Jeremie Predikatien, 141, b
— wert hart vervolgt, 142,2
- vervloeckt fijn geboorte dach, idem
Fefaias in ftucken gefaegt, idem
Foannes de Dooper van Herodisgedoot, idem
— heeft geen kinderen gedoopt, 2754
— hoe hy fijn predick-ampt bedient heeft,
idem
Yoannesà Lafto fijn gevoelen van Chrifti
menſch werding, 79,b
- fijn lafter-lijck fchrijven , aengaende ’ fel-
vige, 560, a
Joannes Hus ſijn antwoort, als gedrongen wiert
een eedt te ſweeren, 12,4
der Joden hals-fterrigheyt, 6o8, b
Fongeren van Joannes gedoopt, werden van
Paulus weder-gedoopt; 42732. en b
Joris van Parijs verbrandt, 615,b
Fofepbs Lijden, 142,4 |
PFofte vromigheyt, 92, b
— verkrijgt uytítel van de ftraffe , 934
mm maeckt een verbondt met het volck voor
den Heere, idem
— roeyt de afgoderye uyt; idem
ofka en Caleb komen alleen om haer geloove
int beloofdelant , 91, a en b
op Inſettinge van menſchen niet te betrou-
voor lufluypers gefcholden , en geantwoort
232) b
Ifraëls murmureeringe; 91,b
== Godt ftrafte’t fondigh Ifraël meenigmael,
155,6
— doch hulp weynigh , idem
Geeftelijck 1frae/ feer vervallen , 1794
Ifraëls ongehoorfaemheyt,
438, b. 439,2
re fal noch bekeert werden,
624,4,en b
Re G IS Ts ER.
K.
— — Chriſti een vergaderinge der heyligen;
129). 295, b
—- haer aen was; 130,b
— wie en hoedanigh hy is 1945 2.442, b
— Een afgefondert volck, 262, b
— wert onderꝰt kruys gebout ; idem
—= vervalt , als’er geen ban is, 289,b
Kercke Chriſti, waerom foo genoemt
296, a
— heeft van *t begin geweeft , idem
— isuyt Godt, idem.b
— wert van oprechte predikers gebaert, 207, a
— door ’ woort Godts; idem
— op datfe God foude gehoorfamen, idem, b
300, b
— isgefint als Chriftus , 298,4
— brengt goede vruchten voort’, idem
men kan de Kercke Chrifti kennen aen de
onvervalfte leer , 299,4. 300; b
— aen % recht gebruyck der Sacramenten,
idem
— vroom leven, idem, b
— liefde Godts en des naeften, idem
— een ongeveynfde belijdenis, 300,4. 301,2
— Kruys; idem,b.3or.a
onderfcheyt tuffchen de Kercke Chriftien An-
tichrijti aengewefen , 300, b. 442, a
— onverwinnelijck » 308,2
— wat men uyt de felve moet weeren, 539, a
Sicht=bare Kerk Hoedie wefen moet 302 ‚b.
33,4
— de naem maeckt de rechte Kerck niet, 310.a
Kercke in Duyts-lant noyt recht geweeft, 2 89,b
— op wat wijfe menfe oprechten {zi , 290,4
Kercke Antimchriftì is een gemeenfchap der on=
boet-veerdige, 296, a
— waerom foo genoemt , idem
— is van den beginneal geweeft, idem, b
— is uyt den Duyvel, idem
— wert van valfcheleeraersgebaert, 297, a
— door den Geeft der dwalinge, idem, b
— veracht Godt, 208,a
— is gefint als haer vader den Duyvel, idem
— brengt vruchten voort na harenaert, idem
— fe is te kennen aen ’t misbruyck der teeken
nen 299,4) 301, a
—- onvroom leven , idem
— Liefde-loosheyt , iden
— Huychgelerye, 3002. 30132
— vervolginge der vroomen } idem
- valſche leer , idem
— ongehoorfaemheyt , idem
Kercken-dienft der Papiften, waerom wy die
niet toe-ftemmen , 152,2
Ketters, welckedie zijn 483, b
Kinderen,dat die om haer geloove niet moet en
gedoopt werden: beweefen tegen Lutherus
en Bucerus ; 15,4. enb
Ongedoopte Kinderen bayten kerck-hoven
begraven ; 16, a
Datfe de beloften hebben , geen bewijs voor de
Kinderdoop , 20, b
— oock niet, om dat fe in de gemeente zijn ,
idem
» hebben geen geloove; en kunnen geen boe.
te doen ; 264,b
Nnnn 2 Kine
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
REGIS TE R.
— D iet, | Laſter⸗woorde, 509, b
Kinderen hebben de} Effeôten des — Pi Papen mont vloeter van over, 513,2
tot Jefum gebraght om te fegenen geen be- Lafteringe moet een dienaer Godts verdragen
8 : b. 279, b. rk heten
wijs voorde Kinderdoop, 273 lo valfche Lafteringe over ons, 3332 à |
den, 277,2. 404)b. | Leurentius Predikant tot Wisbuy, fchelt en
heen ee — blaſtert drie Broederen;, — edn
ij helft, 280,a | — komt met een van haer in geſpreck > idem
…— tot wat eynde van jefus zijn omheitt, 2 Ee mentdielliek tam en erft ee
—. kunnen, noch goet noch quaet verftaen ,
idem | Ledematen Chrifti volgen fijn bevel, 306,b
a die niet doopen 28r,a\ — hoe die moeten zijn, 42532
hoge offe a Hebben > — 403,4. 404» Exempelen van getrouwe Leeraren , 345D.35 14
Kinderen def hoere en boeven, op ’tgeloove | Leraren plichten, 395 b. 40,2, 2544 À *
van haer ouders gedoopt; 410, b |— hoedanigh fy moeten geaert Zijn, 241» -
4,b.
bebben een levendige, maer geen recht- 4
veerdigh-makende Geeft : 423 b | == Wy moeten de felve hooren, —
——— — >
—. werden door de Doop in Chrifto niet inge- | — 't Eyndevan haer beroep, 24354. ' 5 S
lijft 4245 > 4
en hebbe de conditie niet, die in’t Doopfel |— moeten geen fonden toelaten in de —
vereyſt wert , 425, b 4 — *
- ftaen in een ſalige ſtant, 429, a. en b | — waer nazy trachten moeten; ;
_ der Chriftenen, aen wie fy moeten |— mogen wel van den Euangelio leeven,
2534 |
trouwen 111 b R
— des verbonts > wiedie zijn » 270, a | Leeraren der eerfter kercken , gewoonte aen |
— Godts, 608,a.626sa.enb| _gaende’tonderhout, | 25454
Kinder-doop , wanneer begonnen, 16,b.408,b |— Wat bequaem = heden zy hebben moeten ;
De bewijfen voor de Kinder-doop ; 256, b 263,4
EEE | 2 ijvi ht Leeraer b
LEE | * bevoolen 265, b Befchrij vinge van een rec s 335»
—43 — Ber — geleerden gevoelen van de Kiz- | — van Godt gefonden ‚ haer leer on * 2
2 2 b 4 ) Ge
— ade fe doet , 281, bSoo de Leeraer, is oock de gemeente, 536,D |
——— ige Godts-dienſt, 402, b2ijn dikwils Herders, die de wolle en melk
nr rf 1 >
een eygen w foecken , maer de fchapen niet verforgen ,
—. moet met geen gevolgen bewefen werden ,
402, b. 493, a idem
Oock niet om de Kinderen van de erf-fonden ——— onder de Papiſten —
— Eb Leeraren der — leven; 24.1,D
—— 2 —
en daer om recht | — wert van Gellius ſelfs bekent, 242,2
| — — 18,a | — waerom men ſe niet hooren magh, —
ken’t felfde , 20,4 467,4
— nt ee Eh Der valfche Leeraren aert, —
i neebruyk „| — regeert nu ter tijt idem,
ee heeele sie 428,5 Na > Leere Chriíti moeten wy ons nn
: 67,b.468,a| ſchicken- 4.6, a
—— doopers aerden Sed „| de Leereder Papen, wat vrucht fy voortbrengt,
E 123 4 EER Ia
doen des heeren bevel te niet » 157, niet over-eenkomende met Chriíti Leer , is
hare uyt=vlucht , 4.74» De 4.15 vervloeckt ; * — —
Xlahis van een geloovige ziel over de aen-| — der waerheyt te prediken, voor {chade pen
vechtinge des Satans 166, b ‚gefcholden, — * 2323 5
— fijn fonden , 169, b d’valfche Leer heeft de kerke verwoeft, 297,
K — — oordeel, 629, b | is voor Godt feer hatelijck, 627,4
———— perikuleus, ꝙ a | maniere van Leere en Prediken onder de zr
—. met een afvallige ,of geoorloft is, 47 6sa.en b relt; 24.57 â. EN
Krijzs vernielinge, 329,2 | —recht zijnde,moet het leven recht zijn,35 5,b
12
5 hri i Leere is niet onſe, maer Chriſti, 4.3 7,a
{Kr oet een Chriften op zich neemen ‚| rechte
EK uys M P 137,4 valfche — 442) b
ij orpen, 4432
et men tot de falicheyt ‚| — is de verdoemenis onderw » 44
—— — * b| eere moetmen aen de grontſteen Chriſtus
; ken 450,4
ient d eften 154, D. efus, onderfoecken, °
— oo —— al’ Jobe der Papen en —— * a. en D
i * oa. 460 a.
vwerden daer door van de liefde des werelts > f * a.en
afgetrocken; 155, a — haer eynde ten eeuwigen verderf; 42,4. |
7 466,2
| — |
L. Leven van eengeloovige ziel, 84,2 h
df scdadigen shet) teven van den Euangelio 1. cor, 9. vers 14,
misdadigen
——— ee — hoe ver geoorloft, ck niet bet 540,4. en b
’ / 1
Voor Lant-loopers geſcholden, en geantwoort, | Lengenaer fal Godts rijck niet beerven, 33*
71054 4042
Leve
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
—— —
REGISTER,
Lengenaer doot fijn ziele, 610, b | Mennoos vrymoedigheyt in ’ precken , idem b
Leugenen, en haer oorfpronck , 357, b | — getuygenis van zighfelven, … _ 448,b.
a ís t zaet der Slange, 583, 449 2
- feer verfoejelijck, 608, b | — prefenteert om met de Biffchop van Ceu=
Liefde tot Godt, en haer werckingein dege-| len, dievan Wefelen Embden in gefpreck
loovige; 814} tekomen, 515,b
_ isde eerfte deught, 250, | … Handelinghtot Franiker, 486, h. 687,2
em Wert voor haet opgevat» 260,b | — met Lemke , 488, b. 489, a
Liefde Godts tegen ons , 315,4 — wert gedaegt om in’t openbaer te koomen,
_ int fenden fijns Soons; 570,4 51454
rm is ’t-Fondament, bor, a | — redenen , om welcke’ niet gefchiet, 515,2
—. hare vruchten, idem en b
fonder ziefde kan niemant een Chriften zijn ‚| Verkeertheytder Menſchen, 109, b
| idem { Vleefchelijcke menfchen zijn buyten Chriftum,
— tot Chriftum , drijft de vreefe des Doodts 123, b. 126, b
uyt, 622,a | — zijn vyanden Godts; 180, a
Lief-koferyen der wereltfe, 232,b | Menfch, is met fondelijck vleefch gebooren ,
Liefde-plichten der ouders, over haer kinderen, 259,2
109, b. rio: 111. | — en metfondealrijtbehebt, 463, a. 538, a.
— der Chriftenen, 504, b en h
ziegen en Lafteren tegen devromen, 146, | —kan ons van de vloek niet verloflen, 374,a
Lijden der vromen, 145)D. 146,2 | — beftaet uyt ziel en lichaem , 589,a
— en lijdtfaemheydt is een Chriftens werck, | — isgefet eenste fterven , 641,4
628,b | Op Menfchen niettefteunen, 44.9) b
door zijden komt men ten hemel binnen | Menfth-werdinge Chrifti, 31354. 565.
630,b| der geleerden gevoelen daer van , idem
Loon der Propheten Godts, 119,2} —dwalinge, die’er uyt voort komen, 313,b
Lutheri oordeel over den brief Jacobi, 78, b 5 314»a. 358,b
Lutherfe ongebonden leven 3: idem | — werden om’ ſelve gelaftert, 55 5 a
oproer, 149, | — boven de natuer, 592a
…_ hebben detacken der Paepfe grouwelen af-
gehouwen, maer de {tam met de wortel la-
tenftaen, _ 245»
M.
de #An is de oorſpronck des vruchts,
M 316,4. en b
Mandamenten van vervolginge tegen Gods wil,
439b
Maria ontfangt en voet Chriſtum in haer her-
te, 359, b
— is niet fonder fonden geweeft, 55754
— offe van ?t geflachte Davids geweeft is, on-
feker , 587,a
M EN No os leven voor fijn bekeering,|
168, b, 171, b, 172, a
— verfoeck en prefentatie om in gefpreck te
komen , 235,2. 3352a,
— papendienft in ’t Dorp Pinningium, 256, a
— als oock tot Witmarfum ; idem b |
…— bekommernis in 't bedienen van de mis, |
idem
—… onderfoeckt de Schrift , en vindt zich be=
drogen; idem
— difputeert tegen de Munfterfe, 257,4
— isin groote bekommernisen ftrijt, idem
— wert verandert, en predikt in’ openbaer ,
idem, b
— Waerfchout yder voor die van Muntfter ,
idem
— gaet uyt ’t pausdom, en begeeft zich in de
gemeente, idem
— Beroepinge;, 258,a |
…— begint te prediken , waer door veel bekeert
werden, idem b
— fijn Difputatie metdrie mannen, overde
Doop ; 263 b. 2645 a
— wert verkoftomeen ftuckgelt, _ 35o,a
— wonderlijck bewaert 3 idem
|
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
der Metangifmonite leere van de Drie-eenio…
tel
heyt, 364) b
Microns gevoelen van Chrifti EE werd.
ge, 924. $ 24
- verdrayt Mennoos vermaninge/ — b:
522
— hoehy ſijn ſelfs, door ſijn ſchrijven —
ſpreeckt, 557,a.en b
—- ontrouwigheyt, in * verhalen van de on-
derhandelingh. 558,a
— Bekentenis, datde vrouw geen zaet heeft „
nn b idem, b
— van Chrifti Godtheyt en menfcheyt, 559, a.
— 584» b
- onbehoorlijcke vrage , 561, a. en b
— weet geen bewijs van fijn ſtelling te maken ,
564,4
— er voor men hem te houden heeft, idem
— Geloove „b. 576
— dobbel hertigheyt, dis sle
— valfch voorgeven, 588, b
— valfche handelingh, 2,b
— verdoemtde vromen, en rechtveerdigt de
boofen , 606,2
— Leugenen, 609, b. 610, a
— ongeftadigheyt, 61o,b. 611, a
— hooveerdigheyt, idem
Middelen om van fonden afgetrocken te wer-
den, * 452,4
Middelaers-ampt Chrifti, 595,b
redenen, om welke men deonherboorene
mijden moet » ess
t mijden der valfche broederen , hoedanigh
635,b
Moeder des Heeren moeft een maegt zij 0,58 jb
der Monarchianen leer van de Dric-eenigheyt „
| | 304 b
voor nieuwe Monnicken gefcholden, ‘en ge-
antwoort , 511,4
Mont-geloove niet genoegh; —
Nnnn 3 Moor=
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Mi F
Moordenaer verkrijgt gevade, 1oo,b Oorlogh te — niet geoorloft, *
ee lgb vee
le genade aen de Moordenaer niet te fteu- | Oorlog 5
— — 1or,alOorfake, om welcke wy ons van der Bien
ald ij | & ffcheyd 286»
Sondaers er, &c. affcheyden;
— Sondaers tot rechter zijn; 10254 eer, à affc| sl
op * — Gtten > wat dat zy, 442 |Ordinantie Chritti ftaet onveranderlijk, 428,2
ds *
jk í shelijcke Ordinantie, moet voor Gods
Moyſe beroepinge tot een verloffer Mraëls , | d'meníchelij î
go,af _Ordinantie wijcken ,
_ fin dienft, infettingen, en geloove, idem
605, b.
Ordre, die Godt in’t voorteelen der meniche
b
eftelt heeft „ 315;
— fentverfpieders, en komen weder, 914) BE
Dr * oproerigh N idem | Orsgianen leere van de drie-eenigheyt , 36454
—7— nfber che —— 257, a |voor Oproerige gefcholden,en geantwoort;5 nd
——— hemden wy niet toe, 56,4. 327, b Opvoedinge der Kinderen des werelts, è 11
mensen ES LEL bd — er En
— aen haer oproeren hebben wy geen deel ; Chriften Ouders dragen forge voor sen e
|
148,4. en b deren }
' — 195 b
! el dae sfchuldioht , | Ouders te eeren hooghaenbevoolen, 195,
— werde evenwel daer mede befchuld:ghr; 3 À
* 97, b | hoe ſe haer kinderen in goede manieren Opvoe
ich i {loo-| den fullen 220,4
… verfamelen zich in een plaets Oude isloo en fulien , d
ger genaemt 9 257 al — in de Wet onderwijfen, idem,b
— li |— Kaftijden 221,4
—…- werden om haer dwalinge hart vervolght ;/ ijden, E
ate î 327) b — enachtfaemheyt door vleefchelijcke liefde
betraft, idem;b,
N. |Ousbeys geen bewijs voor de Kinder-doop ;
21;
dl Aem fonder daetgelt niet, 568,b| 5 nen
EN std ne tmael ; |Out-waders zija door haer Philofopheeren *
* — sere Chriſti geweecken 28,2
voor Nacht-predik:rs gefcholden, 2332b de leere Chriſti —— 3 Ann
— werden gedrongen by nacht te prediken ; Over-al. tegenwoor Agheyt Godts, 200, b.
234sa|Overighbeyt haer Godtloos leven, 53» b
—. wert met drie vragen beantwoort, 2595 b|— manieren van doen over de Chriftenen ,
“5 /
9 . . 1 N — 57,4
la fijn naefte in noodt by te ftaen , | , S 5
— — 205, a - die na Gods Woort leeven zijn weynig
* * — *
iſti, lijden vervolgingh, 427,b| vinden; ge
Navolgers Chritti, lijd e gingh, 427, —8* —*
— der werelt hebben gemaks idem — blinheyten verkeertheyt , 93 D. 94
Nicolaïten gebruykten haer vrouwen gemeen, — te hulp roepen } is geen werck van een die-
55,b| ‚maer Godts;
3238
een Nieuws leven 632, b|-— wy geven haer tol en cijns » en bidden tin
7 3 Ô : 3 }
lijdigbe) itijtnaietsy omfijn naeften| haer, 499» D
5 — — 199,2 |— wy zijn haer niet ongehoor-faeem, _ idem,
— men ——— zich daer voor wachten, 636,b|-— wert door de Papen geblinthockt, idem,
Noch, wat voor een hy ——
— timmert de Arcke op Godts bevel,
ne — p den van hem verftooten 3
9.
B4,b|— plichten, _ 445>2-499>a-en b. 52 aen b
idem | wanneer fy Godt ongehoorfaem zijn ; wer=
idem.
— haer onbarmhertigheyt over de Vromen»
500, &
Ble Philips gevoelen vande recht-veerdig-|— ftaen de quaden in plaets van de goede
{ ) Ì í 1134 voor s
makinge , Jt 2 *
— h dem _ bede aen de Ove zhe P4
fijn aenhang: 3 laem. vig ) 2
idem.
idem, b
Offerbanden Chruíti heeftalles voldaen, 30af— wanneer Chriftenen waren , fouden geen
J tar 7 ,
Obarm. herticheyt over de dienft-boden van{ bloet ſtorten,
eenige,
603, aen b
96, b|— haer amptgoet, maer gebruycken het qua-
*
— der Predikanten, 33452 lick; Ep dada
Onboetveerdige zijn buyten de genaden;, 7, b!'— voor haer moetmen bidden , 36;
— fullen als de eerfte werelt geftraft werden,
85,2 B
t Onde / ik hoe ver geoor-
t Onderhouden der Predikanten, hoe verg ST,
: voor uyt-
loft is, 535, a.en b.537» a. en b peer zijn die geene nict,daer haer zoa ijn
On-eenigheyt onder degeleerden; 261,b.26234, | geven, 39)
272) a Papiſten, fie Rooms- gefinde à
| ï
Onzehoorfame moetenGods ftraffe dragen, 401, b Pauli leven; — ed 143» d
Oxgeloofs oorfake;, 445) b |— wert vervolght en gedoot, 445
Oxgeloove op Godts hulpe befet de bekeeringe ; - herdoopte, die van Joannes gedoopt wa-
86a.enb, rens d —
Onseloovise , en haer eynde, 82, a.enb — woorden Pauli 1 Cor. 5. Ivan € Dan EE
is lt eld ne ° | 1
— fullen Chriftigenadeniergenieten, 463,b| _ge:eyt 3452 e
Oxkuysheyt veel, 104, b | Paus hoogbmoet ; E ä ien
Alderley ftanden van menfchen zijn met Oz- Paufelicke Fabulen tegen het * —ã—
buysbeyt heſmet, 05bveele zijn den Pharizeenen gelijck» die de
— — der Onbuyſche, ro6,a| wet wel leeren, maer fe evenwel 8
…— wert belet door *t recht geloove, idem j ——
voor Onkruyt-faeyer efcholden ‚ en geant- [Plicht eens Chriftens omtrent fijn dwalende
Nn 05,2. 220,4
woort , 233>2l naefte, 205,4. 220,
Pompejus
REGE
Pompejus brenght de Joodtſche heerfchappye
aen den Romeynen, 342, b
Pracht verbooden, LO4s b
Predeftinatie ; 31154
Predick-ampt , 24,6, b
Predicken magh niemant , {onder recht gefon-
STBR.
Saligheit en verdoemenis onderfc heit,330,a enb
— Wy foeckenfe niet in de wercken, 462,4
Samaritanen wat voor volck fy zijn, 34554
Scheppinge der werelt, 369, a
H.Schriftuer is de richtfnoer van ons leven 5345
— Verder als de felve magh men niet
SAC 3
den, 3524 en b —
Predibant, fiet Leeraer. — bevrijt niemant van fonden > 568,2
oprechte Propbeten getal weynigh, 272 Fecten in alle tijden veel 3 5o,b. 55,b
valfche Propheten , 66,2. 262,b. 263, |voor Secten en rotterye gefcholden en geant-
— moeften onder I(raël gedoot werden, 45,b | __ woort, 512,2
Prophzten getuygenis van Chrifto, 262,b.263,2 | Schrijven, liede.maken, &c. zijn altijt geen
57152 |. Vruchten vaneen vroomgemoet, 248 a
— hebben haer met de afgodery niet ver- | Servetus verbrandt, 15, >
mengt > maer beftraft , 321 b [| Sieke Suijdér tot Leeuwaerden gedoot , 256,b
ver-
ftaen werden, 7
Prapbetien van Chrifto moeten geeftelijck
21
8
—
Uade gevolgen, die uythet gevoelen dat Chri-
ftus vleefch van Maria heef
voortkomen. Ô
7 Duaet niet geftut zijnde , eet in , en daerom
42 Ie ank 1 me
moetmen *c uyt de Kercke wegh doen,34,7,2
Quut-ſcheldinge der fonden in den Doop hoe-
danigh,
— gefchiet door de verdienfte Chrifti, 1 7324
en
Rechters, en Papen handelingh over de Chrifte-
nen,
‚b
taengenomen
39 1,b
18, a
Sondaer die in fonde voortgact, is geen Chri
ften , 107,2
— betrouwer te vergeefs op Chriftum, 16 9,4
=op belofte fonder vruchten, de fondaren
niet aen te neemen, 199,4. 2045 a
— men moet'er voorfichtigheyt in gebruyc-
ken,
gevallene Sondaer moetmen ophelpen,
=—onboetveerdige den Sathan over
200,4
204. b
geven,
6.a
En Det va
‚A Ea
— {al niet faligh werden, 45 Taen b
— fal de ftraffe van Godts toorn dragen, 532,b
F boetveerdige nemen wy weer aen, 507, b
er Sondareſſe boet veerdigheyt, 104, 4
Sonden geftraft, 8 a. en b.57,b. 58,4. 329,4
— hoefe van een Chriften gedoot werden,1 3,a
===in fende leven is een teyken van ongeloof,
IN F09,a a}
de Recht-veerdigheyt Godts heeft Chriftus * — van de geboorte aen, door Adam, in dn
daen , 365, a menſchen herte, 167. b
— eyfte voldaen te werden , 37452 | — die de verdoemenis werken, uyt de kerck ie
tiRijcke Chritti hoedanigh, 65, b doen , 108. h
ftant der Rijcken , 98,aen b |— zijn alle menfchen onderworpen, 42 *
Rijckdom periculeus, 239,4 |— Zijn de oorfake, dat Godt tijn wijnen
de Reyne zijn alle dingen reyn, Titum 1 vers 1 5 dat is kerk uitroeyt , 452 8
hoe verftaen moet werden, 27246; b. |— tegen den H. Geeft, welke die zijn, 483, ä
de Reyniginge van Paulus na de wet hoe te ver- | — Zijn groot en hoogh gerefen, 453, 4 b
ſtaen, 49. |— is geen genade voor , 508, bs09,a
— [fraëls na de wet » 194) 4 |— Zijn van verfcheiden aert , 507, b508 4
Reyniginge met het waterbadt door het woort,
Eph. 5. vers26. dat’tfelve de kinderen niet
— middelen om de fonden te verdrijven ,
508,2
aengaet, * 278b Soone Godts wie hy is, 387, acn b,
Roemers datfe Chriftenen zijn , en nieten zijn, | — is op een onbegrypelyke wijfe menfche ge.
beftraft, 459) b worden, 288.
4
Komen fälgeftraft werden , 629,2 |— heeft ons met den Vader verfoent, iden,
Rooms-gef.zde breken * broot in 3 ftucken
— bitterheyttegen ons, 7354
— haer Godtsdien{t , 78,a
—- maken haer Sacramenten tot afgodery
465, a
29, b
Soone Godts ſie Chriſtus.
Dr, Smeedeſteet wilde liever een hoet vol bloedt
van ons, dan een hoet vol gout,. 6144
— wert van Godt geftraft met de doodt, idem.
Koopere Slange verbeelt Chriftum , die
—
| F ‚dien o
„haer Superftitien niet verbooden, daerom |__ hem betrouwen, 613 4
. . . D,
niet recht , 418,a {der Slangen liftigheyt brengt onfe eerfte ouders
ten val, 2 b
p RE — —
g. Sleutelen der bindinge, en entbindinge en haer
kracht, 207 b
Abellianen leer van de Drie-eenigheyt,364b | — zijn van den Hemel SBeVen, 208,
Sacramenten wat die ons verbeelden, 286,a
—- hoe van Chriftus ingeftelt , 4.4.3 b
— werden van de Rooms-gefinde tot een af-
— moeten in Chrifti n
den ,
voor Slwypers in de huyfen gefchold
am
kde
m gebruyckt wer-
idem,b
en, €
godery gemaeckt , 465,a geantwoordt, 5 ie
voor Sacrament-fchenders gefcholden en geant- | Spotters veel, 295,4
woort; 513)aen b | Staxt der dienaren Godts, 5, b
Salighmaker, fie Chriſtus. — der wereltgefinde menfchen , 7 4
Saligheyt toegeſeyt aen die gelooven, 1 30,4 | — ellendigh van die uit de gemeente gebannen
— van hofdanige beërf: fal werden, 18334 zijn, 209,2
Sten
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
REGISTER.
Stephanus valfchelyck befchuldight, en gedoodt | Verleydinge veel , 204 De 44954
143,aen b | Vermaninge aende Overigheyt » 95
op de Stoel Chriftifittenwatdat Zy, _ 44pt|—aen alle vrome Ouders, 112,4
Straffe der afvailige engelen > 11, al Drievoudige Vermaninge aen openbare fonda-
- der onboetveerdigen 7o,arorb| renniettedoen, 199,a. en b
— der Godtloofen , 166,a Sot,a | Vermoeden maeckt geen regel, 439,4
— tyrannen en vervolgers » 141, aen b Veroordeelen , hoe ver geoorloft, 153,2, en b
—_ der fonden } 454ja | Verrader wert felfs met de Doot geftraft, 350,4
over die Godt ongehoorfaem zijn , 437, b Vervijfeniffe der Doode, ent laetſte oordeel,
438,4 3694
Strydt van een geloovige ziele, 165 b | — Geeftelijck en lichamelijck, 179,2 180,4
loon in 'teynde van den Strydt, 156 b Verſchil tuſſchen Menno en Micron op geltelt,
_ tuffchen den duyvel, en een weder-geboor- 595,6
EEN ne, 181, b Verſoeck aen de Overigheyt ; datſe Chriſtus
0 vleeſch en geeft; 539, b willen laten blyven de regeerder der zielen ;
| —… de leugen en waerheyt ; 583b | „ib
9 Strydigheden, dieuyt ‘tgevoelen, dat Chriftus | Verfoeckinge eensgeloovige Chriftens zijn veel-
| vleefch van Maria heeft aengenoomen,} _derley; | 237»
U voort-komen ; 377,b 3782 \Verfoeninge Chrifti maeckt ons zaligh, 434
Í Suer-deezh wat dat’er by verftaen wert, 343 b | Verftant moet voor de Schrift wijcken, 594
EE — men moet’er uit de kerke doen ; 346 b \_ kanGods geheymen niet onderfoeken,629,4
EE 1 Saveert te gebruycken ongeoorloft , 86,b Verval van alderley foorte van menfchen ,
In __ der Chriftenen is Gods Woort, 149 a 627» 4 | f 329,4. 441,4. EN b
ELKE die 't gebruyken zijn onfe broeders niet , == IM Godts-dienftenleven, 440,b.44Dâ
ONE 283, 4 — isde oorfake van Mennoosleeren, 44Lâ
Í sweeren fiet eedt- fweeren, voor Vervoerders gefcholden , en —————
10
TAfel (om beter te verftaen ) van Ckrifti, Vervolgers der Kinderen Godts, welcke luy-
& _“menfch-werdinge opgefteit, 381. denzyzijn, 130, a. en b
raal-geleertbeit hoogh-prijfelijck , 357,2 a — haer befchuldiginge over ons , beantwoorts
reegen-fpoedt der vroomen ; 156, 148, 2. 149 ISO |
— beroepen haer op s° Keyfers placact, 153»
roeken isniet, maerde beteekendefaek, 286) a
|— der Chriftenen » fteken het (weert in Chri-
Theodofii wet, over het dooden van die men
Weder-doopers noemt, werdt neerftiger ftus, 43252 k
als Godts Woordt gehouden, 327, a - ftrijden tegen de almachtige, 445, b \
zjaert Reynierfz gedoodt, om dat hy Menno Vervolgings oorfake; 139sâ. 152 \
geherberght hadt, 234,2 — der vroomen ; 115,b. 116,4
Tobie vermaningesenfijnkinderen, 111, b —8root- 146, b. 147, 2. 432, b. 4375 2
Tyitoïten leer van de Drie-eenigheyt, — 364,2 | — in Nederlant, 33324
Trooft der Vroomen hier na, 154, aen b|de redenen van Vervolgingb nuttelijck over-
rouwen aen Heydenfche Vrouwen onder I{-|_ dacht, 158,a
raël verbooden , 342) a} Vincentius Predikant tot Wifmer, feydeopde
aen Bloedt-verwanten ftont voor de Wet| Predik-ftoel onste willen lafteren, fo langh
vry» 5o6,a| fijn mondt open ftondt;, 614,2. en b
Twiff onder de Out-Vaders over den Kinder- | — wert op de felvige tijc {tom en fterftjidem; b
doop» 408, b| #Viees en Blaet Chrifti eeten Letterlijck ver-
voor Twiff-maeckers befchuldight, en geant- | ftaen by de Papiften , 30, b |
woordt, 261,2 | — moer Geeftelijck verftaen werden, idem
— mogen niet in de Gemeente blijven, idem. | eeſeh van vleefch gebooren, is geaert tot
— men moet ſe gelijk in de eerſte Kerke ftraf- | vleefchelijcke dingen, 180,4
fen s 301,b vleefchelijck gemack , heefteen eygen Godts-
T'awijffelend menfch kan tegen vervolgingh niet | dienft verkooren , 4514
beftaen, 222, a | Voet-waffinge nootfaekclijck, 636
V. | Voldoeningh Chriſti, 595,4
Al Petri, 204ja lt Volk Godts is altijt een afgefondert volck ge=
Val en wederoprechtinge, 363, 2 36 a weeſt; 45. b
Verachtinge der Predikanten, en de oorfaccke,| buyten gemeene Vorbeelde geven geen alge=
291,a) meene regel, 27 412
Verdoemenis den ongeloovigen en Godlooſen Voorfpoet der Godt-loofen , 156, b
toegefeyr 130, a | tot Voort-teelinge is man en vrouw van noo-
ter Verdoemenis is niemant gefchapen, 17Lal den, 586, b
Verdurventheyt vandegeboorteaen, 12552, Vorften zie Overigheyt,
van jongs op door Adam in s'menfchen Vrede-Predikers , 251, b
herten, 131,2. 219,2 | Vreeft des Heeren en haer vruchte;, 80, b
…—. middel om £e ’t onderdrucken , idem — gelt meer by de vroomen als de vreeſe der
Verzanckelijkk-beyt des menfchen ; 96,a! menfchen » | 328, b
Vergevinge van d'eene brocder » den andere | Vreemdelingh hoe die onder Iſracl verkeerde ,
hoe ver uytgeftreckt, 201, b. 202 | * 34422
— der fonde vergeefs in de Ceremonie gefochr, Vreughde, en verluftiginge van een geloovige
428,b| ziel, 170, b
Ves keerde vatten alle dingh verkeert » 237» Vrijn
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
— emee. ad eerd — oer endd, Ee RT rn ian SE
RE GIC DER.
Prijheyt des vleefch den Chriftenen niet belooft „Weder-geboorne zijn Goddelyk gefint
50, a — hebben % fondigh lichaem
t. ij
2
——
an
185, b
gedoodt > Ei
Vroom: leven ons hoogh aenbevolen;, 246,4 | dienen Godt in een geeftelykleven, 181, à
— isde oorfake van vervolginge, 27,b | — leven met Chrifto in een Hemels weefen ,
Vyoomen hebben geen vrede met de werelt, maer zijn voor de werelt alsdoodt 1ö2,b
141, b— geluckfaligheyt hier na; 183, 2
werden altijt vervolgt, 14.0; b, 143, a. en D.145,a | — werden Chrifti broedersgenaemt, 376, b
151 b,
…—. Struyckelen licht , wanneer Godts geeft
haer niet en helpt, 1745
—- maer ftaen weer op » 423 b |
… haerftanthierna, 15752. 158;D. 642,2 |
en b |
— getal weynigh , en der onvroomen veel ;
29454
ſtaen weer op, als fy gevallen hebben, 340 a.
ip: _ftrijden feer tegen haer fwakheyt, 508, a. en b
Vrouwen plichten; 107, b
— fijn deelgenooten aen het Avondt-mael,
} 268, b. 269,4 |
} vatſe tot deontfange vruchtdoen, 316, |
— hebben de mannen veel tot afgodery ver- |
weckt, 34252 |
— hebben geen genereerlijck zaet , 579) b.
580, 581, 58274. 5945 A
dat wy veel Vrouwen hebben befchuldight, en |
geantwoort, 506,a
Vruchten zijn van dien aert‚als het zaet is,1 80,b.
422,4. en b|
van de Predikatien van Gods woort, 243, b.
, 244
- van een geloovige , 22,4 |
4 qja blijcken van der rechte of valſche leer, |
y 24452 4645 D|
\ — des Geloofs ; 78,a |
\ de Vrucht komt van de man , door de Vrouwe; |
Î
358,b. 359,2. 555, b. 559,4
Vuyl-gewin van alle wereltſche menfchen, 98,b
| t Uytwendige fonder ’t inwendige is niet, 634,4
|
| W.
W Aerheyt by nacht beter, dan leugen by
daegh; 235 b|
— men magfe, om ’ quaet, 't geener uyt |
moght komen niet fwijgen ; 482, b. 41632
…— moet door hemelfche , en niet door helíche |
macht beweert werden , 588, |
*
Waerfchouwinge aen de Overigheyt, 290, b.
431,6. 432 |
aen de geleerde,en ’tgemeene volck, 43 3» a |
Wapenen der Chriftenen befchreven; so
| 55,4. 56,4. 13954 145, b. 502) b
Voor Weder-doopers gefcholden,en geant woort, !
| 231,b. 232,4. 51394
— —
en
Weder-geboorte hoedanighdie is, 13, b. 20) 4.
419,4 |
419,4
6324. 636a|
| — vruchten ,
Wedergeboorne ;
| …— leven ,
125,4, 129,4
_zijn van de rechte kerke, die de belofte
| heeft; 126) b. 129, b
| „Koninck , 126, a
| __ oorlogen niet, idem,
— gebruyck van fpijsen dranck, idem.
… EGTE } : idem.
— bedieninge der ceremonien 5 idem.
……— onderhoudinge des bans idem.
— droef heyt » idem.
— trachten na’t onverganckelyk, 151, b
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
| Weduwe plichten ;
|_ haten en vervolgen de vroomen »
— aen haer werdt de Doop en Avondt-mael
recht bedient ; 633 a
b ; — Gods-dienft, lyden, en handelingh, idem.
— op haer heeft de tweede doodt geen macht,
641) a
Woderfpannige werden van Godt geft raft,626,b
3365 2
zr
’ Wee, en ftraffe der Godloofen ; it id
Smallen Wezh , 166,2
die te betreeden , wat dat Zy » 237, b
Ruyme wegh werde van veele betreden ,
166, aen b
| 7Wer des vredes, hoedanig, en haer eynde, 170,2
— weynige die de felve bewandelen , idem.
Wereltfthe verdeedigen haer faecken met het
fweert, 12, b
174,4
439, aen b
1
129, aen D
—_ willen niet beftraft werden ;
Werelt is in't boofe geftelt
Werelts=predikers , 253, b
—- haer leven; 254» b
Werken getuygen van ’ recht, of valfch geloo-
ve, 83,b. 127,aen b
— of men recht gedoopt, en wedergebooren
127,b. 129, a
is >
Werken maken niet faligh » 246,2. 420, b
Werken Godts onbegrijpelijck , 369:
Goede Werken zijn vruchten ‚ die uit ’ geloo-
ve ſpruiten, 4.62, b
onderfcheydt des Wets en des Ewangeliums, 81, b
Wets kracht, 285, a
— vervloekt de niet betrachters van ꝰt felve „
3741 a
der ceremonien was de lfraeliten ſwaer,
402, a
Wyngaert des Heeren verwoeft;, 124) b
— onvruchtbaer } vergeleken by de onvrucht-
baere kerck ; 452,D. 453» a
wyfen uyt Ooſten tot Herodus Mat.2. vere
keert opgenoomen »
Wysheyt, heerlykheyt . 73 b
— der werelt is dwaesheyt by Godt »
in Godt, isd’alderweerdighfte , 357, b
Grij pende Wolven werden door Godts W oort
kennelijck , 23154
Ed rr at t *
in de Wonderwerken Gods fiet men fijn kracht,
570, b
de Woorden geven des perfoons aert te kennen ,
231,b
2 Woordt Godts hooren fonder doen vruchte=
loos ; 98, a
verandert den geheelen menfch » 108, b
__ werdt door menfchen gebooden verduy-
ftert » 124. a
— Spreekt tot de verftandigen , 267, b
_ moet niet verdraeyt werden; 415, b
— van hoedanige geleert moet werden; 444,b
— tegen ’tfelve helpt geen tegenftryden; 615,a
’t Woordt is vleefch geworden, Joan. 1. vers 1,
— geeft te kennen dat hy niet van vrouws zac
IS 5 360,4
— duitlegginge van à Laſco, over die woor-
den » 379 b
Oooo Vrake
Deel
JET.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
REGISTER.
Wrakete oeffenen verbooden s 502, b
wrake Godts aen eenige perfoonen , die raedt
gaven,hoefe Menno met de fijne fouden uit=
roeijen } 613,b. 614»a
%,
amer der wijven brenght menigh ten
val, 106, b
Yver goet, maer men moet toefien hoe men
Y vert, 238, b
Z
—— ontfanght Jeſum,
Zacharias gefteenight ,
g8a
142,4
24 Zaet van Godts woordt in ꝰs menfchen herte
gevallen verandert hem geheel en al, 182, a
|
+ Zaet valt op fommige met „op ommige ſon.
der vruchten , 252a
:t Zaet brenght vruchten voort na haren acrt „
2334
— der kerke is de waerheyt , 5832
— waer uyt fe, die in de waerheyt wandelen
baert, idem b
Zaet tat voort-teelinge is by mannen en niet
by de vrouwen, 5794. 595, b
— de vrouwen toe gefchreeven , Gen. 3. 15.
Ruth 4. 12. hoe verftaen moet werden ,
582,b.583aenb
— betekent kinderen en nakomelingen, idem,
Zaet-Saeyers gelykenis uytgeleyt; 304» b
— voor Ziel-moorders gefcholden en geant-
woordt; 512,b
AEN-WYSINGE
Van eenige Schriftuur-plaetfen , die in dit
Boeck by-gebraght, endeuytgeleyt
worden.
Cap. vers pag.
Genelis J. 27, 5024
Genefis LL, 28. 358b
. Gênefis II. 16. 47a
Gerefis IL. 4. 244b372b
Genefis III. zis. 734 373as82b583a
Genefis III. 19. 368b
Genefis II. ar, r4b
Genefis fv. 2, 8ar4oa
Grenels 1v.s re 87
Genelis vr. 9. 84b
Genefis vr. 22. 184
Genefis vir. 7. idem
Genels v1rr. 21. 204
Genelis 1x. 1. 581 a
Genelis 1x. 13. 14b
Genelis 1x. 16. 2964
Genefis xrr. zr. 864
Genelis XIv. 14. 1606
Geneſis xvit. 10. 11 12687b2784
2êra 296 4
Geneſis xvirs 19. 358)
Genefis xvirr. 20. 8b
Cap, vers psg.
Deuteronomium vir. 2. 3422343 b
Deuteronomium 1x. 5.
Deuteronomium x. 12. 297 b
Deuteronomium xrr. 8
Deuteronomium xrir. 9. 485a
Deuternomium xrit. 18. 297 b
Deuteronomium xvr. 11.12. 3444
Deuteronomium xv111. 15. 646 265 a
304 a
Deuteronomium xvirr. 18. 2824
Deuteronomium xxvII. 27. 374a
Cap, vers pag.
Jofua x. 13. 2744
Cap. vers pag.
Richteren xiv. 5. 625b
Cap. vers pag.
Ruth rv. 12. 582b
Cap. vers pag.
1 Samuel xv. ar, 16a
ö— — —— —
Geneſis xix. 26. 370b
Sene .
Geneſis xxrr. 11. 89b
Genelis xxv. 26, 1402
Genelis XLIX. Io. 342 b
Cap, vers pag.
Exodi 111. 10, goa
Exodi rv. 10.13. goa
Exodi xir. Ir.” 24b
Exodi xir, 44e » 3404
Exodi x1v. 16. “ae
Exodi Xvr. 3. 184
Exodi xvrr. 6. 5924
Exodi xx. risk
Exodi xxrir. Ir. 47ob
Exodi xxiv. 8. 277a
Exodi xxXII. 4. 29b
Exodi xxxir. 7. 34b
Cap. vers pag.
Leviticus Xx.
1.2, 269b273a28ob
Leviticus xIx. 1.2. 299b
Cap. vers. pag.
Numeri xr. 1. 184
Numeri xrv. 6. 91b
Numeri xvr, 13. 2554
Numeri xx. 12. 8b
Numeri xx1, 8. 144
Numeri xxiI. 28. 2744
Cap. vers pag:
Deuteronomium 1
’ 16. 328a
Deuteronomium vs 2. 220b
1 Samuel xvr. 12. idem
Câp. vers pag.
2.Samuel vir. 16, 3174
2 Samuel xir. 12. 249a283b
Cap. vers pag.
1 Koningen x1v. 10. 28ra
Cap. vers pag:
2 Koningen xxr, 6. 164
Cap. vers pag.
1 Chronica xxir, 7.8.9.1o.11. 317a
Cap. vers pag.
2 Chronica xxvr. 20. 2812
Cap. vers pag.
Job xxr. 13. 157 4
Job xxr. 15. 298a
vers pag.
Falm-as. Tr, rd a
Pfalm 25. 2, idem,b
Pfalm 25. 3, 166.42
Plalm 25. 4 idem
Píalm as. 5. idemb
Píalm 25. 6, 1974
Pfalm 25. 7, idemb
Pfalm 25. 8. 1684
Píalm 25. 9. idem
Píalm 25, 10. 1694
Pfalm 25. 1% idem
Oooa 2
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQvest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
*
14. 15. 362 b 3662
XXVIII. 16. 3204
Jeremias vIII.
Jeremias XXIII.
Jeremias xxr1r.
Jeremias XXXV.
Ezechiel xr1r.
Ezechiel xxx1v.
Ezechiel xxxvrr. 24. 625 a
170 a
idem b
1714
idem b
8724
idem b
1734
idem b
174 à
1754
1764
627 b
622 a
17 b
375 4
626 a
20, 625 b
Cap. vers pag-
22. 3Óâ
Cap. vers pag.
Hoogh-liedt r.
Hoogh-liedt 11. 10. 67b
Joogheliedt 11.
Hoogh-liedt rit. 7, 627 b
1. 682
15. 295 b
6. 6834
Pag |
25233 Db
m- „3y1b
8. _314b
10. 243b
7. 29b
314
vers pag.
3. 155 b
8, 634237 b
22. 2442245 a
33 314b
8. UD
Id. 344 a
II. 6294
vers _ pag.
ro, 19. 250 b252 b,
3. 3294
4, 243 4252 b
Cap. vers pag.
25. 29b
13. 384
vers pag.
624 a
23. 329 b
16. 128b
12. 2984
vers pag.
12. 263â
3224
Aen-wijfmnge der Schriftuur-plaetfen
vers _ pag.
Mattheus
Mattheus
Mattheus
XXV. 7——
4712a472aórrb
a472a606b
Cap. vers pag.
Sacharias 1r. 8. 158a
Cap. vers pag.
Mattheus 1. 16. 578b
Mattheus r, 26. 454
Mattheus zrr. 3. 6b
Mattheus 111. 12. 14b
Mattheus 111. 13. 23b
Mattheus rv. 17. 2334
Mattheus v 10, 1374
Mattheus v, is. 255-b
Mattheus v 23. 201b
„Mattheus v 34
Mattheus v 27. A75
Mattheus v. 39.43. 628a
Mattheus vir. 3. 334bb
Mattheus 1x. 9. 219b
Mattheus Ix. 12 324
Mattheus XIII. 8. 1822
Mattheus xr1r. 39. 6304
Mattheus xv. 24. 3412
Mattheus xvur. 7. 340 b
Mattheus XVIII. 15. 201 b195a339a
Mattheus xvirr,ar, 201 b
Mattheus xIx. 4. 5o6b
Mattheus xix. 14. 19a5r2b
Mattheus xix. 17. 512a
Mattheus xx. 2d. 29b
Mattheus xx1. 25. 23b
Mattheus XVII. Ir. IIa
Mattheus XXIII. I. 442
342
XXV. 33: 31b
XXVI. 51. 2574502 b
Mattheus XxVvII. 2.
Cap: vers
Marcus zr. or
Marcus x. 14.
Marcus xrrr. 22.
Marcus xvr. 15.
Marcus xvx. 16.
Marcus xvi. 19.
Cap, vers pag.
Lucas 1. 9,20,21,
Lucas 1. 28.
Lucas 1. 31.
Lucas 1. 37557: 2742
Lucas 11; 8. 204
Lucas 11, Io. 6234
Lucas zr. 26. 626a
Lucas 1II. Rd:
Lucas vri. 36. 1044
Lucas vrrts 565759.
Lucas x. ss
Lucas x. 34. 2492,
Lucas XII; 2. 3442
Lucas xiv. 27. 237D
Lucas xv. 15’ 28
Lucas xx1i1) 15. 28o0b
Lucas X1x. 1. 982
343 4 5
Mattheus xXXVIII. 19. z2a16br7argb
243226022654
274b 315 513 4
Paß ·
6bga
280 b
64 a
12a 264a 265 à
274b 321 a
19b231b2794
4652
3154 |
359a 367 b 370 bh
366 b565 a
2382252 à
b
8b340b
Aen-wijfinge der Schriftuur-plaetfen
Cap. vers pag.
Lucas xrx. 15. Ó29b
LUCAS XEN Ger 274
Lucas xxrP. 29. 2864
Lucas xxrIr. 39. 100b
Cap. vers pag:
Joannes 1. 1. 3654
Joannes r, 2,3. 3604
Joannes 1. 13, 296b
Joannes r. 14. 36ob 527b 373 b
Joannes 1. 33. 591b
Joannes 1. 49. 565 a
Joannes 1x. 9. 370b
Joannes IIt. 2. sa
Joannes 111. 3. 1244
Joannes 111. 13. 261b
Joannes rir. 17. 14b
Joannes rv. 8. 344.b
u foannes vr. 3. 30b
Joannes vrrr. 12. 310b
Joannes vrir. 31. 514
Joannes vrir. 39. 7b
foannes x. 5. 286b
Joannes x. 8. 284b
Joannes x. 16. 625 a
Joannes xr, 50. 285bb26: 25: 6414
Joannes xXIII. 35, 299b
Joannes xv. 20. 251b
Joannes xvrr. 5. 3614
Cap. vers pag.
„Handelinge 1. 6. 529a
Handelinge r. 24» 344
Handelinge 11. 38. 17brgb
Handelinge v. 30. 1494
Handelinge v. 37. 629 b
andelinge vrr. 60. 138b
Handelinge vrir. 3. 19b
Handelinge vrrr. 36, 22b275b
Handelinge 1x. 6. 22b
Handelinge x. Pek
Handelinge x. 48. 19b277b
Handelinge xr, so. 340b
Handelinge xvr. 3, 494
Handelinge xvr. 15. 2122714
Handelinge xvr. ZIENER
Handelinge xix, 3. 23b513a
Handelinge xix. 5. 275b
J Cap. vers. pag.
Romeynen 1. 3. 367b
Romeynen vr. 4 13aa6sb ;
Romeynen vr. 18, 134
Romeynen vrrr. 15. 12b
Romeynen vrrr. 29. 553b
Romeynen x. 17-10
Romeynen xir. 17. 6284
Romeynen xrir. 7. 114498b
Romeynen xv. 18. 345 b
Romeynen xvr. 16. 1954
Cap. vers pag.
1 Corinthen 1. 14. ars
r Corinthen 1. 29. 461b
rCorinthen rr. I4» 1804
rCorinthen rir. 12. 76b
r Corinthen v. 3e 474A
1 Corinthen v. 4e 2004
1 Corinthen v. 5
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
194b 1964
28
8 b
3392
Cap. vers pag.
r Corinthen v. 6. 198b246b
1 Corinthen v. 9. 484a
tx Corinthen v. 10. 4774 196 b
1 Corinthen v. II. 4972
1 Corinthen vr. 10. 464 b
1 Corinthen vr. 17. 485 b
rCorinthen vir. rr. 484b
rCorinthen 1x. _ 27. 39b
1 Corinthen x. 14. 472
1 Corinthen x. 17. 468b284a
1 Corinthen xr. 24. 244468 b
1Corinthen xr. 28. -29a
tCorinthen xir. 13. 264
TCorinthen XIII. 3. 2950 a
1 Corinthen xv. 47. 362a
1Corinthen xvr. 15. 214
Cap. vers. pag.
2Corinthen Iv. ° 6, _33a
2 Corinthen 1v. 8 1564
2 Corinthen zv. yi KOA
2 Corinthen x. — Gab
2Corinthen xrr. 20. 2064
2Corinthen xr1r. 1. 198b206b
Cap. vers pag.
Galaten r. 8. 65 4467 b
Galaten r, Jd
Galaten rr, 23. 23b
Galaten rrr. 27. 1284
Galaten v. _ 12. 3o1b347
Cap. vers. pag.
Epheefen 1. 354. 19a
Epheefen rr. 4. 17b
Epheefen rr. 5. 2684
Epheefen rv. 9. 3601b
Epheefen rv. 11. 279a
Epheefen v. 14. 179. a
Epheefen v. 25527. 345b
Epheefen vr. ro. 627b
Epheefen vr. 17. 42b
Cap. vers pag.
Philippenfen 11. 7. 314 b3o1b
‚552 b
Philippenfen rr. 5. 628a
Philippenfen rr. 10. 268a
Philippenfen 111. 18. 252a
Philippenfen 111. 21. 362a
Cap. vers pag.
Colloflenfen 1. 16. 363a
Colloffenfen rr. 8, 267b
Colloflenfen rr. zr. 19b268b
Colloffenfen 11. 14. 363b
Cap. vers pag.
r Teffaloniffenfen v. ar: 44 b
Cap. vers pag:
a Teffaloniffenfen 111. 6,14. 484 a
2 Teffaloniffenfen 111.
2 Teffaloniffenfen 111.
345 b347 b
Io. 277 b
14 474 a
Cap. vers pag.
2 Timotheum zr. 24.
Oooo 3
628 b
Cap.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Aen-wijfinge der Schriftuur-plaetfen
Cap: vers pag. Cap. vers pag;
Titum í. 657,8,9, 240D sPetri 111. 21. 12824074
Tieutn- rin s. R3D ' 1 Petri v. Bin Tek
Titum rir. 10. 3473 z Petri v. 8 zita
Titum rit. 4,10. 2874
Titum 111. II. 287 b Cap. vers pag.
2 Petri 11. 3, 253 b2954
Cap. vers pag. aPetri zr. 5. 84b
Hebreen 1. dr 3608
Hebreen zr. 14. 376 b553a Cap. vers pag
Hebreen rr. 16. 553 a Joannes v. 18. 636 a4
Hebreen vri, 10. 3164
Hebreen 1x, 12, 2774 Cap. vers pag:
Hebreen xr. 7. 84b aJoannes 1. 10, 47524844
Hebreen xr. 11, 555b 2joannes 1. 11. 1964
Hebreen xr. 17. 89 b
Hebreen x1r. 8. 155 a Cap. vers pag.
Hebreen xIr. II. 1574 © ZJoannes 1. 4 232b
Cap. vers pag. _ Cap. vers pag.
Jacobi 1 5 2. * a Openbaringh 1. 6 774 D
Jacobi rr. 20. 4644 Openbaringh 1, 7. 31b77b
Jacobi v. 11. 245b Openbaringh zr. 8. 128b
Jacobi v. F2. 471 a606b Openbaringh Vv. Le 2380
faccbi v. 20. 2054 Openbaringh vr. 10. 58b
Openbaringh tx. AEK
Cap. vers pag: Openbaringh x1r. 19. 73b
1 Petri 1. PE 5) Openbaringh xvir. 2. _29b
zPeri tr. “23 14D Openbaringh xvit. 4. 37 b3ogb
rPeeri zit. 18. 5904 Openbaringh xvir. 6. 4704
Sin-hinderefide Druck-fauten aldus te verbeeteren.
„273.C. 1.1. 28. bedieninge. „461. c. 2.1, 10. dan.”
nd geert. er E gis c. — — pe 2.1. 45. onnodighe
p.Sr.c. 2.1 5g. wat. p-336.C. Eel. 25, mate. EA Pp 475. c.2, 1, 13 die fonder,
Ps 103, Cs 2e 1. zo. te weynigh hem. p. 395: l. 5. amulorum L. 21. dicit. | p-989.C. 1 L 7. heen.
Pp. 137.0. 1.1. 1. genat. L. 33. quam | p. 529. c. 1.1. 9. vermogen.
p. 161. int Titelbladt. Levavi. p: 404: C.F. . 26. kinderen p. 563. e. 2. L 50. p. 565. c. 2. 1. 59.
p. 164. 1.3 in de voorrede, weet, P. 405 · c. I. L 67. immermeer. Sound
p.239.c.2. l. 54 honſch. p. 416. c. 2. I. 34 gefproocken. p. 593-C. 1.1. 1e uytgelate. geen,
p-240. 6 1.1. 45, waer. Pe 444: c. 1e 1. 68. vrindelijcke, Pe 615. 0. 2. ls 37. fervetus.
P. 251. c. 2. hege druyven.
De overige Druck-fauten; gelieve den Leefer felfs te verbeteren:
sE — — — — mnd
De Boeck-binder, zal gelieven verdacht te zijn , de Plaetof Beeltenis van
MeNNo SyMoNs, nahet Voor-werek, en alfo tegen het Fonda-
ment - Boeck aen te binden.
CA M STE RDA My
Gedruckt, by de Weduwe van J Aco» de Jonce, 1681.
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
DD
5
ke)
TE
Ld
Ko)
a}
x
(0
®
iT
‚o
Me)
[sa]
KD]
6
x
5
4
5
ve
5
—
nn
®
®
5
=|
3
iS)
2
&
*
0}
Vv
>
2
8
8
a
®
9
bed
®
5D
8
E
oo
ON
[a]
N
on
fap)
Early European Books, Copyright © 2011 ProQuest LLC.
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.
3197 B 28